Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 JULI 2025. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft
Titre
18 JUILLET 2025. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en ce qui concerne les conditions pour le regroupement familial
Documentinformatie
Numac: 2025005990
Datum: 2025-07-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2025005990
Date: 2025-07-18
Moniteur: Voir
Tekst (27)
Texte (27)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet zet de volgende richtlijnen gedeeltelijk om:
  1° Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;
  2° Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;
  3° Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
  4° Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
  5° Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking);
  6° Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming;
  7° Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking);
  8° Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement les directives suivantes:
  1° la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil;
  2° la directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial;
  3° la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
  4° la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE et 93/96/CEE;
  5° la directive 2011/95/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant les normes relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir bénéficier d'une protection internationale, à un statut uniforme pour les réfugiés ou les personnes pouvant bénéficier de la protection subsidiaire, et au contenu de cette protection (refonte);
  6° la directive 2014/66/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe;
  7° la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair (refonte);
  8° la directive (UE) 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 3. In artikel 1/1, § 2, 3°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de woorden "en door de gezinsleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten" vervangen door de woorden ", door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam".
Art. 3. Dans l'article 1er/1, § 2, 3°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié par la loi du 10 mars 2024, les mots "et par les membres de la famille d'un étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45" sont remplacés par les mots ", par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume".
Art. 4. In artikel 1/2, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
  "1° artikel 10, § 1, eerste lid, 4° en 5° ;";
  b) de bepaling onder 2° wordt opgeheven.
Art. 4. A l'article 1er/2, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 18 décembre 2016 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) le 1° est remplacé par ce qui suit:
  "1° l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° et 5° ;";
  b) le 2° est abrogé.
Art. 5. Artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven:
  1° de vreemdeling wiens recht op verblijf erkend wordt door een internationaal verdrag, door een wet of door een koninklijk besluit;
  2° de vreemdeling die de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te herkrijgen vervult, zonder dat vereist is dat hij zijn hoofdverblijfplaats al sedert minstens twaalf maanden in België heeft, noch dat hij een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit moet doen;
  3° de vrouw die de Belgische nationaliteit verloren heeft door haar huwelijk of ingevolge het verwerven van een vreemde nationaliteit door haar echtgenoot;
  4° de volgende familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, die zich in verband met het verzoek om internationale bescherming of de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38 op het grondgebied van het Rijk bevinden, maar zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming en voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die begeleid wordt in het Rijk aankwam en de toelating tot verblijf verenigbaar is met de persoonlijke juridische status van het familielid:
  a) de buitenlandse echtgenoot, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar;
  b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
  c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
  d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die begeleid wordt, van zijn echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
  e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die begeleid wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
  f) de ouders dan wel de meerderjarige vreemdeling die overeenkomstig het Belgisch recht verantwoordelijk is voor hem, voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, jonger dan achttien jaar en ongehuwd is en op voorwaarde dat zij met hem samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  5° onder voorbehoud van de bepaling onder 4°, de volgende familieleden van een vreemdeling die hetzij als begunstigde van de vluchtelingenstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten:
  a) de buitenlandse echtgenoot die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
  b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
  c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
  d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
  e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
  f) de ouders, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen en op voorwaarde dat ze met hem komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  6° de volgende familieleden van een vreemdeling die over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Deze laatstgenoemde termijn wordt teruggebracht tot een jaar indien de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in de bepalingen onder c) tot e):
  a) de buitenlandse echtgenoot, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
  b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
  c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
  d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
  e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien.
  De in het eerste lid, 4°, b), 5°, b) en 6°, b), bedoelde geregistreerde partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° bewijzen een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie te onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond:
  a) indien de partners bewijzen gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken op legale wijze in België of een ander land te hebben samengewoond;
  b) ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag driemaal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen;
  c) ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
  2° ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon;
  3° geen personen zijn bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek;
  4° ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het oud Burgerlijk Wetboek.
  Voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de leeftijd die het familielid bedoeld in het eerste lid, 5°, c) en d), dan wel de vreemdeling die vervoegd wordt bedoeld in het eerste lid, 5°, f), had op het moment van de indiening van het verzoek om internationale bescherming dan wel de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38. Indien het kind de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na de procedure tot bekomen van de vluchtelingenstatus of de procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken.
  De bepalingen met betrekking tot de kinderen zijn van toepassing, tenzij een internationaal verdrag, dat België bindt, meer voordelige bepalingen bevat.
  § 2. De in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat ze beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen.
  De in paragraaf 1, eerste lid, 5°, a) tot e), en 6°, a) tot e), bedoelde familieleden moeten het bewijs leveren dat de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt alsook over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden.
  De in paragraaf 1, eerste lid, 5°, a) tot e), en 6°, a) tot e), bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, zoals bepaald in paragraaf 5, om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, c) tot e), of 6° c) tot e).
  Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de in paragraaf 1, eerste lid, 5°, bedoelde familieleden voor zover de aanvraag tot verblijf op basis van dit artikel werd ingediend binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 en de vreemdeling bij de indiening van deze aanvraag minstens een begin van bewijs van zijn identiteit voorlegt evenals een begin van bewijs van de bloed- of aanverwantschapsband en op voorwaarde dat hij uiterlijk tien maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 zijn aanvraag heeft vervolledigd met alle documenten bedoeld in artikel 12bis, §§ 2 tot 4. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van deze termijnen rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorgaande voorwaarden voldoet.
  In afwijking van het vierde lid kan de minister of zijn gemachtigde, door middel van een met redenen omklede beslissing, echter eisen dat de in het tweede en derde lid bedoelde documenten worden overgelegd indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land, waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of zijn familielid een bijzondere band heeft, waarbij rekening gehouden wordt met de feitelijke omstandigheden, de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden in dat ander land en de mate waarin de betrokken vreemdelingen deze voorwaarden kunnen vervullen.
  Alle in paragraaf 1 bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
  § 3. Onder voorbehoud van artikel 11, § 2, en het bepaalde in artikel 42quater, kan, wanneer een onderdaan van een derde land overeenkomstig de artikelen 10, 10bis, 40bis, 40ter of 47/2, 1°, zelf tot een verblijf in de hoedanigheid van echtgenoot of ongehuwde partner toegelaten of gemachtigd werd, het recht om hem op basis van een huwelijk of een partnerschap te vervoegen slechts worden toegekend indien hij kan bewijzen dat hij gedurende twee jaar regelmatig in het Rijk heeft verbleven en voor zover de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden vervuld worden.
  § 4. Een polygame vreemdeling kan zich niet laten vervoegen door zijn echtgenoot bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, a), 5°, a) of 6°, a), indien een andere echtgenoot reeds in het Rijk verblijft.
  § 5. Het bedrag van de bestaansmiddelen bedoeld in paragraaf 2 moet netto ten minste gelijk zijn aan honderdtien procent van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen dat door artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd. Dit bedrag wordt verhoogd met tien procent voor elk bijkomend familielid ten laste van de vreemdeling die vervoegd wordt.
  Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen:
  1° wordt rekening gehouden met hun aard en regel- matigheid;
  2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslag, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen;
  3° worden de inschakelingsuitkering en de overbruggingsuitkering niet in aanmerking genomen en wordt de werkloosheidsuitkering enkel in aanmerking genomen voor zover de vreemdeling bij wie men zich voegt, kan bewijzen dat hij actief werk zoekt.
  § 6. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de familieleden van de vreemdeling die gemachtigd is in België te verblijven om er te studeren of die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België."
Art. 5. L'article 10 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 10. § 1er. Sous réserve des dispositions des articles 9 et 12, sont de plein droit admis à séjourner plus de trois mois dans le Royaume:
  1° l'étranger dont le droit de séjour est reconnu par un traité international, par une loi ou par un arrêté royal;
  2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour recouvrer la nationalité belge, sans qu'il soit requis qu'il ait sa résidence principale en Belgique depuis au moins douze mois et sans qu'il doive faire une déclaration de recouvrement de la nationalité belge;
  3° la femme qui, par son mariage ou à la suite de l'acquisition par son mari d'une nationalité étrangère, a perdu la nationalité belge;
  4° les membres de la famille suivants d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume, soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45, qui sont présents sur le territoire du Royaume en raison de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38 mais qui, individuellement, ne remplissent pas les conditions nécessaires pour obtenir cette protection, et pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger accompagné dans le Royaume et que l'admission au séjour est compatible avec le statut juridique personnel du membre de la famille:
  a) le conjoint étranger qui vit avec lui, à la condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de dix-huit ans;
  b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vit avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de dix-huit ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
  c) leurs enfants mineurs communs, qui vivent avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
  d) les enfants mineurs de l'étranger accompagné, ou de son conjoint ou partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger accompagné, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
  e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger accompagné, ou de son conjoint ou partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;
  f) les parents ou l'étranger majeur qui en a la charge, conformément à la législation belge, pour autant que l'étranger accompagné soit âgé de moins de dix-huit ans et non marié et à condition qu'ils vivent avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans;
  5° sous réserve du 4°, les membres de la famille suivants d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire du statut de réfugié soit conformément à l'article 57/45:
  a) le conjoint étranger qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans;
  b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
  c) leurs enfants mineurs communs, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
  d) les enfants mineurs de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
  e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;
  f) les parents, pour autant que l'étranger rejoint soit âgé de moins de dix-huit ans et qu'il soit entré dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et qu'il n'ait pas été pris en charge effectivement par une telle personne par la suite, ou qu'il ait été laissé seul après son arrivée dans le Royaume, et à condition qu'ils viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans;
  6° les membres de la famille suivants d'un étranger qui dispose d'un droit de séjour d'une durée illimitée et qui est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins deux ans. Ce dernier délai est ramené à un an lorsque les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée dans le Royaume de l'étranger rejoint ou est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés aux c) à e):
  a) le conjoint étranger qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans;
  b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
  c) leurs enfants mineurs communs, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
  d) les enfants mineurs de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
  e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins.
  Les partenaires enregistrés visés à l'alinéa 1er, 4°, b), 5°, b) et 6°, b), doivent répondre aux conditions suivantes:
  1° prouver qu'ils entretiennent une relation de partenaire durable et stable dûment établie. Le caractère durable et stable de cette relation est établi:
  a) si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité de manière légale et ininterrompue en Belgique ou dans un autre pays, pendant au moins un an avant la demande;
  b) ou si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans avant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comptabilisent au total 45 jours ou plus;
  c) ou si les partenaires ont un enfant commun;
  2° être non mariés et ne pas avoir de relation de partenaire durable et stable avec une autre personne;
  3° ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil;
  4° n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 de l'ancien Code civil.
  Pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume, le ministre ou son délégué tient compte de l'âge que le membre de la famille visé à l'alinéa 1er, 5°, c) et d), ou l'étranger rejoint visé à l'alinéa 1er, 5°, f), avait au moment de l'introduction de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38. Si l'enfant atteint l'âge de dix-huit ans pendant ou peu après la procédure d'obtention du statut de réfugié ou la procédure d'obtention d'une admission au séjour conformément à l'article 57/45, la demande de regroupement familial peut être introduite jusqu'à trois mois après la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45. Lors de l'appréciation de ce dernier délai de trois mois, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable l'introduction tardive de la demande.
  Les dispositions relatives aux enfants s'appliquent à moins qu'un accord international liant la Belgique ne prévoie des dispositions plus favorables.
  § 2. Les étrangers visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, doivent apporter la preuve qu'ils disposent de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers pour subvenir à leurs propres besoins et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  Les membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, a) à e), et 6°, a) à e), doivent apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille, ainsi que d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées.
  Les membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, a) à e), et 6°, a) à e), doivent en outre apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants tels que prévus au paragraphe 5 pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics. Cette condition n'est pas applicable si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, c) à e), ou 6°, c) à e).
  Les alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables aux membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, pour autant que la demande de séjour sur la base du présent article ait été introduite dans les six mois suivant la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45 et que l'étranger produit un début de preuve de son identité et du lien de parenté ou d'alliance au moment de l'introduction de la demande et à condition qu'il ait complété sa demande avec tous les documents visés à l'article 12bis, §§ 2 à 4, au plus tard dix mois après la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45. Lors de l'appréciation de ces délais, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable l'introduction tardive de la demande. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande ainsi que la manière dont le membre de la famille peut prouver qu'il remplit les conditions précédentes.
  Par dérogation à l'alinéa 4, le ministre ou son délégué peut cependant exiger, par une décision motivée, la production des documents visés aux alinéas 2 et 3, lorsque le regroupement familial est possible dans un autre pays avec lequel l'étranger rejoint ou le membre de sa famille a un lien particulier, en tenant compte des circonstances de fait, des conditions fixées dans cet autre pays en ce qui concerne le regroupement familial et de la mesure dans laquelle les étrangers concernés peuvent remplir celles-ci.
  Tous les membres de la famille visés au paragraphe 1er doivent en outre apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
  § 3. Sous réserve de l'article 11, § 2, et des dispositions de l'article 42quater, lorsqu'un ressortissant de pays tiers a lui-même été admis ou autorisé à séjourner en qualité de conjoint ou partenaire non marié conformément aux articles 10, 10bis, 40bis, 40ter ou 47/2, 1°, le droit de le rejoindre sur la base d'un mariage ou d'un partenariat ne peut être accordé que s'il peut prouver qu'il réside régulièrement dans le Royaume depuis deux ans et pour autant que les conditions du regroupement familial soient remplies.
  § 4. Un étranger polygame ne peut pas être rejoint par son conjoint visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, a), 5°, a) ou 6°, a), lorsqu'un autre conjoint séjourne déjà dans le Royaume.
  § 5. Le montant net des moyens de subsistance visés au paragraphe 2 doivent être au moins équivalents à cent-dix pour cent du revenu minimum mensuel moyen garanti tel que prévu par l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen. Ce montant est augmenté de dix pour cent pour chaque membre de la famille supplémentaire à charge de l'étranger rejoint.
  L'évaluation de ces moyens de subsistance:
  1° tient compte de leur nature et de leur régularité;
  2° ne tient pas compte des moyens provenant de régimes d'assistance complémentaires, à savoir le revenu d'intégration et le supplément d'allocations familiales, ni de l'aide sociale financière et des allocations familiales;
  3° ne tient pas compte des allocations d'insertion professionnelle ni de l'allocation de transition et tient uniquement compte de l'allocation de chômage pour autant que l'étranger rejoint puisse prouver qu'il cherche activement du travail.
  § 6. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, n'est pas applicable aux membres de la famille de l'étranger autorisé à séjourner en Belgique pour y faire des études ou autorisé à y séjourner pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou la durée de ses activités en Belgique."
Art. 6. In artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 augustus 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden";
  b) in paragraaf 1, eerste lid, wordt het tweede streepje vervangen als volgt:
  "- dat de student over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;"
  c) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Wanneer de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd in België te verblijven" vervangen door de woorden "Wanneer de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd in België te verblijven";
  d) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° dat de vreemdeling die vervoegd wordt over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;"
  e) paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "De machtiging tot verblijf bedoeld in het eerste lid wordt pas toegekend aan de familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 9bis wanneer de vreemdeling die vervoegd wordt sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Deze laatstgenoemde termijn vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e).
  Onverminderd de toepassing van paragraaf 2/1, zijn het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing op de familieleden van een vreemdeling die toegelaten werd om in het Rijk te verblijven als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus.";
  f) er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. Onder voorbehoud van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en artikel 57/34, wordt de machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden, aangevraagd door de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, toegekend op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd wordt sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk en de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt in het Rijk aankwam, en voor zover de familieleden het bewijs aanbrengen dat:
  1° de vreemdeling die vervoegd wordt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5, om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te kunnen voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden. Deze voorwaarde is niet van toepassing wanneer de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e);
  2° de vreemdeling die vervoegd wordt over voldoende huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;
  3° de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico`s in België voor hem en zijn familieleden dekt;
  4° zij zich niet bevinden in een van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bepaalde gevallen, of niet lijden aan een van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
  De in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e).
  De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing.";
  g) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de gezinsleden bedoeld bij artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, " vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden";
  h) in de paragrafen 4, eerste lid, en 6, eerste lid, worden de woorden "in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden";
  i) in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden".
Art. 6. A l'article 10bis de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 1984, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 août 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)";
  b) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le deuxième tiret est remplacé par ce qui suit:
  "- que l'étudiant dispose d'un logement suffisant, considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées;"
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, d'un étranger autorisé à séjourner en Belgique" sont remplacés par les mots "Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e), d'un étranger admis ou autorisé à séjourner en Belgique";
  d) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit:
  "2° que l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées;"
  e) le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
  "L'autorisation de séjour visée à l'alinéa 1er, est uniquement accordée aux membres de la famille d'un étranger qui a été autorisé à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 9bis lorsque l'étranger rejoint est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis aux moins deux ans. Ce dernier délai est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e).
  Sans préjudice de l'application du paragraphe 2/1, les alinéas 1er, 2 et 3, ne s'appliquent pas aux membres de la famille d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection subsidiaire ou du statut de protection temporaire.";
  f) il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit:
  " § 2/1. Sous réserve de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et de l'article 57/34, l'autorisation de séjour de plus de trois mois demandée par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e), d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection subsidiaire ou du statut de protection temporaire, doit être accordée à condition que l'étranger rejoint soit admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins deux ans et que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume, et pour autant que les membres de la famille apportent la preuve que:
  1° l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, conformément à l'article 10, § 5, pour pouvoir subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics. Cette condition n'est pas applicable si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e);
  2° l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées;
  3° l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
  4° ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
  Le délai de deux ans, visé à l'alinéa 1er, est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e).
  Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également.";
  g) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)";
  h) dans les paragraphes 4, alinéa 1er, et 6, alinéa 1er, les mots "membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)";
  i) dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)".
Art. 7. In artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 augustus 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, of § 2, eerste lid" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid, of § 2/1, eerste lid";
  b) in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling." vervangen door de volgende zinnen:
  "De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse.";
  c) in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de duurzame en stabiele relatie als bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid";
  d) in paragraaf 2ter, tweede lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde duurzame en stabiele relatie" vervangen door de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid".
Art. 7. A l'article 10ter de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 août 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "visées à l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, ou § 2, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "visées à l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, § 2, alinéa 1er, ou § 2/1, alinéa 1er";
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase "Le ministre ou son délégué peut, à cet effet, se faire communiquer par l'étranger tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant." est remplacée par les phrases suivantes:
  "A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins.";
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "de la relation durable et stable visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2";
  d) dans le paragraphe 2ter, alinéa 2, les mots "de la relation durable et stable visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2".
Art. 8. In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling of van een vreemdeling die de subsidiaire bescherming geniet dan wel van een vreemdeling die tot een verblijf in het Rijk is toegelaten overeenkomstig artikel 57/45, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad" vervangen door de woorden "In het geval van de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam";
  b) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° de vreemdeling die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk op grond van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, b), 5°, b), of 6°, b), of de vreemdeling die hij vervoegd heeft, is in het huwelijk getreden met een andere persoon of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap afgesloten met een andere persoon;";
  c) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8° bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden".
Art. 8. A l'article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "Dans le cas des membres de la famille d'un réfugié reconnu ou d'un étranger bénéficiant de la protection subsidiaire ou d'un étranger admis à séjourner dans le Royaume conformément à l'article 57/45 dont les liens de parenté ou d'alliance sont antérieurs à l'entrée de celui-ci dans le Royaume" sont remplacés par les mots "Dans le cas des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, dont les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume";
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
  "3° l'étranger admis à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, b), 5°, b), ou 6°, b), ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié avec une autre personne ou est lié à une autre personne par un partenariat enregistré conformément à une loi;";
  c) dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° " sont remplacés par les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° ".
Art. 9. In artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° indien hij een familielid is bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, c) tot f), of 6°, c) tot e), en gemachtigd is tot een verblijf van maximaal drie maanden, dan wel indien hij een familielid is bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°. ";
  b) in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 5° opgeheven;
  c) in paragraaf 2, vierde lid, wordt de zin "De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling." vervangen door de volgende zinnen:
  "De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse.";
  d) in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid";
  e) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "het partnerschap voorzien in artikel 10, § 1, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid";
  f) in paragraaf 3bis, eerste lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden";
  g) in paragraaf 3bis, tweede lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde duurzame en stabiele relatie" vervangen door de woorden "het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid";
  h) in paragraaf 5 worden de woorden "Wanneer het familielid of de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf in het Rijk is toegelaten overeenkomstig artikel 57/45 of van een als vluchteling erkende vreemdeling of van een vreemdeling die subsidiaire bescherming geniet, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad" vervangen door de woorden "Wanneer de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam".
Art. 9. A l'article 12bis de la même loi, inséré par la loi du 6 août 1993, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le 4° est remplacé par ce qui suit:
  "4° s'il est un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, c) à f), ou 6°, c) à e), et est autorisé au séjour pour trois mois au maximum, ou s'il est un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°. ";
  b) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le 5° est abrogé;
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 4, la phrase "Le ministre ou son délégué peut, à cette fin, se faire communiquer par l'étranger tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant." est remplacée par les phrases suivantes:
  "A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins.";
  d) dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2";
  e) dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2";
  f) dans le paragraphe 3bis, alinéa 1er, les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e),";
  g) dans le paragraphe 3bis, alinéa 2, les mots "de la relation durable et stable visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2";
  h) dans le paragraphe 5, les mots "Lorsque le ou les membres de la famille d'un étranger admis à séjourner dans le Royaume conformément à l'article 57/45 ou d'un étranger reconnu réfugié ou bénéficiant de la protection subsidiaire dont les liens de parenté ou d'alliance sont antérieurs à l'entrée de celui-ci dans le Royaume" sont remplacés par les mots "Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, dont les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume".
Art. 10. In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "De in artikel 10, § 1 eerste lid, 7° of 8°, bedoelde familieleden, dienen" vervangen door de woorden "In afwijking van het derde lid, dienen de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, f), voor de toekenning van een verblijf van onbeperkte duur,";
  b) in paragraaf 1 wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
  "In afwijking van het derde lid, ontvangen de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf van beperkte duur gemachtigd is, op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die vervoegd wordt."
  c) in paragraaf 1 wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "In afwijking van het derde lid, ontvangen de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die begeleid wordt. De toelating tot verblijf wordt van onbeperkte duur wanneer de vreemdeling die begeleid wordt over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en voor zover het familielid nog steeds voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 en geen gevaar vormt voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid.";
  d) in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8°, bedoeld familielid" vervangen door de woorden "Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoeld familielid";
  e) in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "de in artikel 10bis, § 2 bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10bis, §§ 2 en 2/1, bedoelde familieleden";
  f) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van wettelijk geregistreerde partner in de zin van artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, b), of de vreemdeling die hij vervoegd heeft, is in het huwelijk getreden met een andere persoon of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap afgesloten met een andere persoon;".
Art. 10. A l'article 13 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "Les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 7° ou 8° doivent" sont remplacés par les mots "Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, f), doivent, pour l'octroi d'un séjour d'une durée illimitée,";
  b) dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
  "Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille d'un étranger autorisé au séjour pour une durée limitée, auxquels l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, est applicable, obtiennent un titre de séjour dont la durée de validité est identique à celle du titre de séjour de l'étranger rejoint."
  c) dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 5 et 6:
  "Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, obtiennent un titre de séjour dont la durée de validité est identique à celle du titre de séjour de l'étranger accompagné. L'admission au séjour devient d'une durée illimitée lorsque l'étranger accompagné dispose d'un séjour d'une durée illimitée, pour autant que le membre de la famille remplisse encore les conditions de l'article 10 et qu'il ne constitue pas un danger pour l'ordre public et/ou la sécurité nationale.";
  d) dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° " sont remplacés par les mots "Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° ";
  e) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 2" sont remplacés par les mots "des membres de la famille visés à l'article 10bis, §§ 2 et 2/1";
  f) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit:
  "4° l'étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que partenaire enregistré conformément à une loi au sens de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, b), ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié avec une autre personne ou est lié à une autre personne par un partenariat enregistré conformément à une loi;".
Art. 11. In artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 10 maart 2024, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag en behoudens wanneer de vreemdeling die erom verzoekt zich in een van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, voorziene gevallen bevindt, wordt de machtiging tot vestiging verleend aan de vreemdeling die bewijst dat hij gedurende vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk heeft verbleven."
Art. 11. Dans l'article 15 de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par les lois du 4 mai 2016 et du 10 mars 2024, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans un traité international et sauf si l'étranger qui le demande se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, l'autorisation d'établissement est accordée à l'étranger qui justifie du séjour régulier et ininterrompu de cinq ans dans le Royaume."
Art. 12. In artikel 19 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° " vervangen door de woorden "zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e)";
  b) in paragraaf 4, 1° en 2°, worden de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8° " vervangen door de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° ";
  c) in paragraaf 4, 3°, worden de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° " vervangen door de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e)".
Art. 12. A l'article 19 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "aux membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "aux membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)";
  b) dans le paragraphe 4, 1° et 2°, les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° " sont remplacés par les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° ";
  c) dans le paragraphe 4, 3°, les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)".
Art. 13. In artikel 39/79, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2007, worden in de bepaling onder 3° de woorden "aan de in artikel 10bis, § 2 of § 3, bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "aan de in artikel 10bis, §§ 2, 2/1 of 3, bedoelde familieleden".
Art. 13. Dans l'article 39/79, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 4 mai 2007, dans le 3°, les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10bis, § 2 ou 3" sont remplacés par les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10bis, §§ 2, 2/1 ou 3".
Art. 14. In artikel 40ter, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en vervangen bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het tweede lid worden de bepalingen onder 1° en 2° vervangen als volgt:
  "1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien het bedrag van de bestaansmiddelen netto ten minste gelijk is aan honderdtien procent van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen dat door artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd. Dit bedrag wordt verhoogd met tien procent voor elk bijkomend familielid ten laste van de Belg. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in het eerste lid, 2°, de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;
  2° beschikt over behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;";
  b) in het vierde lid wordt de zin "Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar indien de echtelijke band of het geregistreerd partnerschap dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk reeds vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging bestond of indien ze, in het geval van een wettelijk geregistreerd partnerschap, bewijzen dat ze vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging minstens één jaar hebben samengewoond." opgeheven.
Art. 14. A l'article 40ter, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et remplacé par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans l'alinéa 2, les 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit:
  "1° dispose de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers. Cette condition est réputée remplie lorsque le montant net des moyens de subsistance est au moins équivalent à cent-dix pour cent du revenu minimum mensuel moyen garanti prévu par l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen. Ce montant est augmenté de dix pour cent pour chaque membre de la famille supplémentaire à charge du Belge. Pour l'évaluation des moyens de subsistance, il est tenu compte de leur nature et de leur régularité. Par contre, il n'est pas tenu compte des moyens provenant du revenu d'intégration sociale, de l'aide sociale financière, des allocations familiales de base et suppléments, des allocations d'insertion professionnelle et de l'allocation de transition. Il est uniquement tenu compte de l'allocation de chômage si le Belge prouve qu'il cherche activement du travail. La condition relative aux moyens de subsistance n'est pas d'application si le Belge se fait accompagner ou rejoindre uniquement par les membres de sa famille visés à l'alinéa 1er, 2°, qui sont mineurs d'âge;
  2° dispose d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées;";
  b) dans l'alinéa 4, la phrase "Toutefois, cet âge minimum est ramené à dix-huit ans lorsque le lien conjugal ou le partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage est préexistant à l'introduction de la demande de regroupement familial ou lorsque, dans le cas d'un partenariat enregistré conformément à une loi, ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'introduction de la demande de regroupement familial." est abrogée.
Art. 15. In artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt de zin "De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid.", vervangen door de volgende zinnen:
  "De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse."
Art. 15. Dans l'article 42, § 1er, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 4 mai 2016, la phrase "Le ministre ou son délégué peut, à cette fin, se faire communiquer par l'étranger et par toute autorité belge tous les documents et renseignements utiles pour la détermination de ce montant." est remplacée par les phrases suivantes:
  "A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins."
Art. 16. In artikel 57/34 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003 en vervangen bij de wet van 10 maart 2024, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
  " § 2. De minister of zijn gemachtigde kent een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toe aan de volgende familieleden van de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus, die hiertoe een aanvraag indienen en voor zover het gezin reeds was gevormd ten tijde van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, en deze omstandigheden hebben geleid tot de scheiding van het gezin:
  1° de echtgenoot, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
  2° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met de begunstigde, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
  3° de minderjarige, ongehuwde kinderen van de begunstigde, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder 2°, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en voor zover de begunstigde die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
  4° de ouders van de ongehuwde minderjarige begunstigde, voor zover zij met hem komen samenleven alvorens deze de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde geregistreerde partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° bewijzen dat ze een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond:
  a) indien de partners bewijzen dat ze gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken op legale wijze hebben samengewoond;
  b) ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling, of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag driemaal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal vijvenveertig of meer dagen betreffen;
  c) ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
  2° ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden met een andere persoon;
  3° geen personen zijn bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek;
  4° geen van beiden het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve beslissing tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het oud Burgerlijk Wetboek.
  De familieleden bedoeld in deze paragraaf dienen te bewijzen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet."
Art. 16. Dans l'article 57/34 de la même loi, inséré par la loi du 18 février 2003 et remplacé par la loi du 10 mars 2024, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
  " § 2. Le ministre ou son délégué accorde une autorisation de séjour de plus de trois mois aux membres de la famille suivants de l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire, et qui demandent à y séjourner, pour autant que la famille était déjà constituée au moment des circonstances visées à l'article 57/29, § 1er, et que ces circonstances ont entraîné la séparation de la famille:
  1° le conjoint, qui vient vivre avec lui, pour autant que tous deux soient âgés de plus de vingt-et-un ans;
  2° l'étranger lié au bénéficiaire au moyen d'un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, pour autant que tous deux soient âgés de plus de vingt-et-un ans;
  3° les enfants mineurs non mariés du bénéficiaire, de son conjoint ou de son partenaire enregistré visé au 2°, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et pour autant que le bénéficiaire rejoint, son conjoint ou partenaire enregistré, exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
  4° les parents du bénéficiaire mineur non marié, pour autant qu'ils viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
  Les partenaires enregistrés, visés à l'alinéa 1er, 2°, doivent répondre aux conditions suivantes:
  1° prouver qu'ils entretiennent une relation de partenariat durable et stable dûment établie. Le caractère durable et stable de cette relation est établi:
  a) si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité de manière légale et ininterrompue pendant au moins un an avant la demande;
  b) ou si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans précédant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, et qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comptabilisent au total quarante-cinq jours ou plus;
  c) ou si les partenaires ont un enfant commun;
  2° être non marié et ne pas entretenir une relation de partenariat durable et stable avec une autre personne;
  3° ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil;
  4° n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 de l'ancien Code civil.
  Les membres de la famille visés dans le présent paragraphe doivent apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi."
Art. 17. Artikel 57/34/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 maart 2024, wordt opgeheven.
Art. 17. L'article 57/34/1 de la même loi, inséré par la loi du 10 mars 2024, est abrogé.
Art. 18. In artikel 57/36, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003 en gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, wordt de zin "Hij kan dezelfde maatregel nemen ten aanzien van de familieleden van de vreemdeling die werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 57/34/1." vervangen door de zin "Hij kan dezelfde maatregel nemen ten aanzien van de familieleden van een begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus die werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 10bis, § 2/1."
Art. 18. Dans l'article 57/36, § 2, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 18 février 2003 et modifié par la loi du 10 mars 2024, la phrase "Il peut prendre la même mesure à l'égard des membres de sa famille qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 57/34/1." est remplacée par la phrase "Il peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille d'un bénéficiaire du statut de protection temporaire qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10bis, § 2/1."
Art. 19. In artikel 61/4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2009 en 25 april 2014, worden de woorden "door artikel 13, § 1, zesde lid" vervangen door de woorden "door artikel 13, § 1, zevende lid".
Art. 19. Dans l'article 61/4, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par les lois des 6 mai 2009 et 25 avril 2014, les mots "par l'article 13, § 1er, alinéa 6" sont remplacés par les mots "par l'article 13, § 1er, alinéa 7".
Art. 20. In artikel 61/7, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "van artikel 13, § 1, eerste lid en zesde lid" vervangen door de woorden "van artikel 13, § 1, eerste lid en zevende lid".
Art. 20. Dans l'article 61/7, § 4, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les mots "de l'article 13, § 1er, alinéas 1er et 6" sont remplacés par les mots "de l'article 13, § 1er, alinéas 1er et 7".
Art. 21. In artikel 61/11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 en vervangen bij de wet van 21 augustus 2022, worden in de bepaling onder 6° de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een onderzoeker".
Art. 21. Dans l'article 61/11 de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007 et remplacé par la loi du 21 août 2022, dans le 6°, les mots "aux membres de la famille d'un chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "aux membres de la famille d'un chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)".
Art. 22. In artikel 61/13/5, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 augustus 2022, worden de woorden "De in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker" vervangen door de woorden "De in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een onderzoeker".
Art. 22. Dans l'article 61/13/5, § 3, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 21 août 2022, les mots "Les membres de la famille du chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° " sont remplacés par les mots "Les membres de la famille du chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)".
Art. 23. In artikel 74/21 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016 en gewijzigd bij de wet van 10 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, artikel 10bis, artikel 57/34 of artikel 57/34/1" vervangen door de woorden "aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, artikel 10bis of artikel 57/34";
  b) in het tweede lid worden de woorden "van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, artikel 10bis, artikel 57/34 of artikel 57/34/1" vervangen door de woorden "van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, artikel 10bis of artikel 57/34".
Art. 23. A l'article 74/21 de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 2016 et modifié par la loi du 10 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, de l'article 10bis, de l'article 57/34, ou de l'article 57/34/1" sont remplacés par les mots "demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'article 10bis ou de l'article 57/34";
  b) dans l'alinéa 2, les mots "de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, de l'article 10bis, de l'article 57/34, ou de l'article 57/34/1" sont remplacés par les mots "de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'article 10bis ou de l'article 57/34".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires
Art. 24. § 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, zijn de bepalingen van deze wet niet van toepassing op aanvragen tot verlenging van een verblijfstitel of een verblijfskaart die reeds voor de inwerkingtreding van deze wet werd afgeleverd op grond van de artikelen 10, 10bis, 40bis, 40ter, 57/34 of 57/34/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, zijn de bepalingen van deze wet niet van toepassing op aanvragen tot toelating of machtiging tot verblijf ingediend op grond van de artikelen 10, 10bis, 40bis, 40ter of 57/34, van de voornoemde wet van 15 december 1980 door een familielid van een Belg dan wel door een familielid van een vreemdeling die voor de inwerkingtreding van deze wet reeds werd toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, voor zover de aanvraag werd ingediend voor de datum van inwerkintreding van deze wet dan wel binnen de twee jaar na de datum van inwerkingtreding ervan. Er wordt gedurende twee jaar na inwerkingtreding van deze wet op dezelfde manier afgeweken van paragraaf 1 voor wat betreft aanvragen tot verlenging van een verblijfstitel of een verblijfskaart afgeleverd overeenkomstig dit lid mits de aanvraag tot verlenging werd ingediend binnen de twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  In afwijking van het eerste lid, wordt het verblijf van de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die overeenkomstig het eerste lid werden toegelaten tot een verblijf in het Rijk op basis van het oude artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, van de voornoemde wet van 15 december 1980, na de in dat lid bedoelde termijn van twee jaar niet beëindigd vanwege het feit dat de gezinsbanden niet reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd werd in het Rijk aankwam.
  In afwijking van het eerste lid, wordt het verblijf van de familieleden van een begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus die overeenkomstig het eerste lid werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van het oude artikel 10bis, § 2, van de voornoemde wet van 15 december 1980, na de in dat lid bedoelde termijn van twee jaar niet beëindigd vanwege het feit dat de gezinsbanden niet reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd werd in het Rijk aankwam.
  De in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar vangt aan op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 24. § 1er. A partir de son entrée en vigueur, la présente loi s'applique à toutes les situations visées par ses dispositions.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions de la présente loi ne s'appliquent pas aux demandes de prolongation d'un titre de séjour ou d'une carte de séjour déjà délivré(e) avant l'entrée en vigueur de la présente loi sur la base des articles 10, 10bis, 40bis, 40ter, 57/34 ou 57/34/1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions de la présente loi ne sont pas applicables aux demandes d'admission ou d'autorisation de séjour introduites sur la base des articles 10, 10bis, 40bis, 40ter ou 57/34, de la loi précitée du 15 décembre 1980 par un membre de la famille d'un citoyen belge ou d'un étranger qui était déjà admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume avant l'entrée en vigueur de la présente loi, et pour autant que la demande soit introduite avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi ou dans un délai de deux ans à compter de son entrée en vigueur. Pendant deux ans après l'entrée en vigueur de la présente loi, il est dérogé de la même manière au paragraphe 1er en ce qui concerne les demandes de prolongation d'un titre de séjour ou d'une carte de séjour délivré(e) conformément au présent alinéa, à condition que la demande de prolongation ait été introduite dans les deux ans suivant la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le séjour des membres de la famille d'un bénéficiaire du statut de protection subsidiaire qui ont été admis à séjourner dans le Royaume conformément à l'alinéa 1er sur la base de l'ancien article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de la loi précitée du 15 décembre 1980, n'est pas terminé après le délai de deux ans visé à cet alinéa en raison du fait que les liens familiaux n'existaient pas déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le séjour des membres de la famille d'un bénéficiaire du statut de protection temporaire qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume conformément à l'alinéa 1er sur la base de l'ancien article 10bis, § 2, de la loi précitée du 15 décembre 1980, n'est pas terminé après le délai de deux ans visé à cet alinéa en raison du fait que les liens familiaux n'existaient pas déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume.
  Le délai de deux ans visé à l'alinéa 1er commence à courir à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.