Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 JULI 2025. - Programmawet
Titre
18 JUILLET 2025. - Loi-programme
Documentinformatie
Numac: 2025005578
Datum: 2025-07-18
Info du document
Numac: 2025005578
Date: 2025-07-18
Inhoud
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALING
TITEL 2. - FINANCIEN
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DIVE...
HOOFDSTUK 2. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DER ...
HOOFDSTUK 3. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE INKOM...
Afdeling 1. - Carried interest
Afdeling 2. - Exit taks
Afdeling 3. - Liquidatiereserve en VVPRbis
Afdeling 4. - DBI-aftrek
HOOFDSTUK 4. - PROCEDURE - AFSCHAFFING VAN BELA...
HOOFDSTUK 5. - HERINVOERING VAN EEN PERMANENT S...
HOOFDSTUK 6. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE BELAS...
Afdeling 1. - Verlaagd btw-tarief met betrekkin...
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 7. - HERINVOERING VAN EEN PERMANENT S...
HOOFDSTUK 8. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DIVE...
HOOFDSTUK 9. - VERLENGING VAN DE BESTAANDE REGE...
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van d...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 31 jul...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
TITEL 3. - VOLKSGEZONDHEID
ENIG HOOFDSTUK. ETHISCHE COMITES
TITEL 4. - SOCIALE ZAKEN
HOOFDSTUK 1. - VRIJSTELLING VAN DE PATRONALE BI...
Afdeling 1. - Wijziging van de besluitwet van 7...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 29 juni ...
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 29 apr...
Afdeling 4. - Wijzigingen van hoofdstuk 7 van t...
HOOFDSTUK 2. - HARMONISATIE VAN DE INDEXERING V...
TITEL 5. - WERK
HOOFDSTUK 1. - WERKLOOSHEIDSREGLEMENTERING
Afdeling 1. - Wijzigingen in de besluitwet van ...
Afdeling 2. - Wijzigingen in het koninklijk bes...
Afdeling 3. - Wijzigingen van het ministerieel ...
Art.207. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ing...
Art.217. § 1. Inzake het ouderschapsverlof in h...
HOOFDSTUK 1. - MAATREGELEN TOT TIJDELIJKE BEPER...
Art.220. Voor de toepassing van dit hoofdstuk m...
Art.225. Artikel 40 van de wet van 5 augustus 1...
Afdeling 1. - Wijziging van de vermindering van...
Art.232. In artikel 20, derde lid, van de wet v...
Art.233. In artikel 71, derde lid, van de wet v...
Art.234. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ing...
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN HET KONINKLIJK B...
Art.235. In artikel 11, § 3, zesde lid, van het...
Art.241. In artikel 42 van de programmawet (I) ...
Art.242. In artikel 2 van de wet van 18 februar...
Art.243. In artikel 191, § 1, 1°, van de progra...
Art.244. Het Nederlandstalige opschrift van de ...
Art.246. De artikelen van deze titel treden in ...
Art. N1. Bijlage 1. bij de programmawet van 18 ...
Inhoud
TITRE 1er. - DISPOSITION GENERALE
TITRE 2. - FINANCES
CHAPITRE 1er. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROIT...
CHAPITRE 2. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS ...
CHAPITRE 3. - MODIFICATIONS RELATIVES AUX IMPOT...
Section 1re. - Intéressements aux plus-values
Section 2. - Exit tax
Section 3. - Réserve de liquidation et VVPRbis
Section 4. - Déduction RDT
CHAPITRE 4. - PROCEDURE - SUPPRESSION DE L'ACCR...
CHAPITRE 5. - REINSTAURATION D'UN SYSTEME PERMA...
CHAPITRE 6. - MODIFICATIONS RELATIVES A LA TAXE...
Section 1re. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui ...
Section 2. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 7. - REINSTAURATION D'UN SYSTEME PERMA...
CHAPITRE 8. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS ...
CHAPITRE 9. - PROLONGATION DES DISPOSITIONS EXI...
Section 1re. - Modification du Code des impôts ...
Section 2. - Modifications de la loi du 31 juil...
Section 3. - Entrée en vigueur
TITRE 3. - SANTE PUBLIQUE
CHAPITRE UNIQUE. - COMITES D'ETHIQUES
TITRE 4. - AFFAIRES SOCIALES
CHAPITRE 1ER. - EXONERATION DE LA COTISATION PA...
Section 1re. - Modification de l'arrêté-loi du ...
Section 2. - Modification de la loi du 29 juin ...
Section 3. - Modifications de la loi du 29 avri...
Section 4. - Modifications du chapitre 7 du tit...
CHAPITRE 2. - HARMONISATION DE L'INDEXATION DES...
TITRE 5. - EMPLOI
CHAPITRE 1ER. - REGLEMENTATION DU CHOMAGE
Section 1re. - Modifications de l'arrêté-loi du...
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du...
Section 3. - Modifications de l'arrêté ministér...
Art.207. Le présent chapitre produit ses effets...
Art.217. § 1er. En ce qui concerne le congé par...
CHAPITRE 1ER. - MESURES DE LIMITATION TEMPORAIR...
Art.220. Pour l'application du présent chapitre...
Art.225. L'article 40 de la loi du 5 août 1978 ...
Section 1re. - Modification de la réduction de ...
Art.232. Dans l'article 20, alinéa 3, de la loi...
Art.233. Dans l'article 71, l'alinéa 3, de la l...
Art.234. Le présent chapitre produit ses effets...
CHAPITRE 1ER. - MODIFICATIONS DE L'ARRETE ROYAL...
Art.235. A l'article 11, § 3, alinéa 6, de l'ar...
Art.241. A l'article 42 de la loi-programme (I)...
Art.242. A l'article 2 de la loi du 18 février ...
Art.243. Dans l'article 191, § 1er, 1°, de la l...
Art.244. L'intitulé en néerlandais de la loi du...
Art.246. Les articles de ce titre entrent en vi...
Art. N1. Annexe 1er à la loi-programme du 18 ju...
Tekst (299)
Texte (299)
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALING
TITRE 1er. - DISPOSITION GENERALE
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - FINANCIEN
TITRE 2. - FINANCES
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN BETREFFENDE DE TAKS OP DE INSCHEPING VAN EEN LUCHTVAARTUIG
CHAPITRE 1er. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS ET TAXES DIVERS RELATIVES A LA TAXE SUR L'EMBARQUEMENT DANS UN AERONEF
Art.2. In artikel 162 van het Wetboek diverse rechten en taksen, hersteld bij de wet van 28 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
"2° 5 euro voor een passagier met een bestemming verder dan onder 1°. ";
b) de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
"2° 5 euro voor een passagier met een bestemming verder dan onder 1°. ";
b) de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
Art.2. A l'article 162 du Code des droits et taxes divers, rétabli par la loi du 28 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° 5 euros pour un passager dont la destination est plus éloignée que sous 1°. ";
b) le 3° est abrogé.
a) le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° 5 euros pour un passager dont la destination est plus éloignée que sous 1°. ";
b) le 3° est abrogé.
Art.3. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.3. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
CHAPITRE 2. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS D'ENREGISTREMENT, D'HYPOTHEQUE ET DE GREFFE
Art.4. In artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, hersteld bij de wet van 4 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, wordt het getal "150" vervangen door het getal "1000";
2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Het recht wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd volgens de volgende formule: basisrecht vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex. Het resultaat verkregen ingevolge de indexering wordt afgerond op het hogere tiental euro.
De beginindex is de index van de consumptieprijzen van de maand september 2024 en de nieuwe index is die van de consumptieprijzen van de maand september die elke indexatie voorafgaat.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar wordt het bedrag toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De Federale Overheidsdienst Financiën vermeldt die inlichting eveneens op zijn webstek.".
1° in het tweede lid, wordt het getal "150" vervangen door het getal "1000";
2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Het recht wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd volgens de volgende formule: basisrecht vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex. Het resultaat verkregen ingevolge de indexering wordt afgerond op het hogere tiental euro.
De beginindex is de index van de consumptieprijzen van de maand september 2024 en de nieuwe index is die van de consumptieprijzen van de maand september die elke indexatie voorafgaat.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar wordt het bedrag toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De Federale Overheidsdienst Financiën vermeldt die inlichting eveneens op zijn webstek.".
Art.4. A l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, rétabli par la loi du 4 décembre 2012 et modifié par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 2, le montant "150" est remplacé par le montant "1000";
2° l'article est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"Le droit est indexé annuellement le 1er janvier, selon la formule suivante: droit de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat obtenu suite à l'indexation est arrondi à la dizaine d'euros supérieure.
L'indice de départ est l'indice des prix à la consommation du mois de septembre 2024 et le nouvel indice est celui des prix à la consommation du mois de septembre qui précède chaque indexation.
Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, le montant applicable pour l'année civile suivante est publié au Moniteur belge. Le Service public fédéral Finances reprend également cette information sur son site Internet.".
1° dans l'alinéa 2, le montant "150" est remplacé par le montant "1000";
2° l'article est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"Le droit est indexé annuellement le 1er janvier, selon la formule suivante: droit de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat obtenu suite à l'indexation est arrondi à la dizaine d'euros supérieure.
L'indice de départ est l'indice des prix à la consommation du mois de septembre 2024 et le nouvel indice est celui des prix à la consommation du mois de septembre qui précède chaque indexation.
Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, le montant applicable pour l'année civile suivante est publié au Moniteur belge. Le Service public fédéral Finances reprend également cette information sur son site Internet.".
Art.5. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.5. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 3. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTINGEN
CHAPITRE 3. - MODIFICATIONS RELATIVES AUX IMPOTS SUR LES REVENUS
Afdeling 1. - Carried interest
Section 1re. - Intéressements aux plus-values
Art.6. Artikel 2, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2024, wordt aangevuld met de bepalingen onder 22° en 23°, luidende:
"22° Carried interest begunstigde: enige natuurlijke persoon of een met hem verbonden persoon die werkzaamheden, rechtstreeks of onrechtstreeks, verricht voor een Carried interest vehikel of zijn beheerder;
23° Carried interest vehikel: enige Belgische of buitenlandse instelling voor collectieve belegging, met inbegrip van zijn beleggingscompartimenten, die (i) bij een reeks beleggers kapitaal ophaalt om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van die beleggers te beleggen, en (ii) niet voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG of, voor instellingen voor collectieve belegging die niet in de Europese Unie zijn gevestigd, aan de voorwaarden van een gelijkaardige regeling als die van Richtlijn 2009/65/EG.".
"22° Carried interest begunstigde: enige natuurlijke persoon of een met hem verbonden persoon die werkzaamheden, rechtstreeks of onrechtstreeks, verricht voor een Carried interest vehikel of zijn beheerder;
23° Carried interest vehikel: enige Belgische of buitenlandse instelling voor collectieve belegging, met inbegrip van zijn beleggingscompartimenten, die (i) bij een reeks beleggers kapitaal ophaalt om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van die beleggers te beleggen, en (ii) niet voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG of, voor instellingen voor collectieve belegging die niet in de Europese Unie zijn gevestigd, aan de voorwaarden van een gelijkaardige regeling als die van Richtlijn 2009/65/EG.".
Art.6. L'article 2, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 12 mai 2024, est complété par les 22° et 23°, rédigés comme suit:
"22° Bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values: toute personne physique ou une personne qui lui est liée qui exerce des activités, directement ou indirectement, pour un véhicule carried interest ou son gestionnaire;
23° Véhicule carried interest: tout organisme belge ou étranger de placement collectif, y compris leurs compartiments d'investissements, qui (i) lève des capitaux auprès d'un certain nombre d'investisseurs en vue de les investir, conformément à une politique d'investissement définie, dans l'intérêt de ces investisseurs et (ii) qui ne répond pas aux conditions de la directive 2009/65/CE ou, pour les organismes de placement collectif qui ne sont pas établis au sein de l'Union européenne, qui ne répondent pas aux conditions d'une réglementation analogue à la directive 2009/65/CE.".
"22° Bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values: toute personne physique ou une personne qui lui est liée qui exerce des activités, directement ou indirectement, pour un véhicule carried interest ou son gestionnaire;
23° Véhicule carried interest: tout organisme belge ou étranger de placement collectif, y compris leurs compartiments d'investissements, qui (i) lève des capitaux auprès d'un certain nombre d'investisseurs en vue de les investir, conformément à une politique d'investissement définie, dans l'intérêt de ces investisseurs et (ii) qui ne répond pas aux conditions de la directive 2009/65/CE ou, pour les organismes de placement collectif qui ne sont pas établis au sein de l'Union européenne, qui ne répondent pas aux conditions d'une réglementation analogue à la directive 2009/65/CE.".
Art.7. Artikel 17, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2024, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende:
"6° Carried interest verkregen door een Carried interest begunstigde."
"6° Carried interest verkregen door een Carried interest begunstigde."
Art.7. L'article 17, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 12 mai 2024, est complété par un 6°, rédigé comme suit:
"6° les intéressements aux plus-values reçus par un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values.".
"6° les intéressements aux plus-values reçus par un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values.".
Art.8. In titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 19quater ingevoegd, luidende:
"Art. 19quater. Carried interest omvat:
1° het deel in de winst van een Carried interest vehikel, inbegrepen dividenden, dat wordt betaald of toegekend door of middels het Carried interest vehikel aan een Carried interest begunstigde op welke wijze ook, na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering;
2° de meerwaarde die wordt verwezenlijkt door de Carried interest begunstigde, bij de overdracht van zijn rechten in het Carried interest vehikel na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering;
3° uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een Carried interest vehikel of van verkrijging van eigen aandelen door deze aan de Carried interest begunstigde na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering.
In afwijking van het eerste lid, omvat Carried interest niet de inkomsten verkregen in verband met aandelen verworven door de uitoefening van aandelenopties met toepassing van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.".
"Art. 19quater. Carried interest omvat:
1° het deel in de winst van een Carried interest vehikel, inbegrepen dividenden, dat wordt betaald of toegekend door of middels het Carried interest vehikel aan een Carried interest begunstigde op welke wijze ook, na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering;
2° de meerwaarde die wordt verwezenlijkt door de Carried interest begunstigde, bij de overdracht van zijn rechten in het Carried interest vehikel na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering;
3° uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een Carried interest vehikel of van verkrijging van eigen aandelen door deze aan de Carried interest begunstigde na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering.
In afwijking van het eerste lid, omvat Carried interest niet de inkomsten verkregen in verband met aandelen verworven door de uitoefening van aandelenopties met toepassing van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.".
Art.8. Dans le titre 2, chapitre 2, section 3, sous-section 1re, du même Code, il est inséré un article 19quater, rédigé comme suit:
"Art. 19quater. Les intéressements aux plus-values comprennent:
1° la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest, y compris des dividendes, qui est payée ou attribuée à un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values, de quelque manière que ce soit, par ou au moyen d'un véhicule carried interest aux plus-values, après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale, ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement;
2° la plus-value réalisée par le bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values, à l'occasion de la cession de ses droits dans le véhicule carried interest après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale, ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement;
3° les sommes définies comme dividendes par les articles 186, 187 et 209 en cas de partage total ou partiel de l'avoir social d'un véhicule carried interest, ou en cas d'acquisition d'actions ou parts propres par ce véhicule auprès du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les intéressements aux plus-values ne comprennent pas les revenus obtenus en lien avec des actions acquises par l'exerce d'options sur actions en application de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses."
"Art. 19quater. Les intéressements aux plus-values comprennent:
1° la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest, y compris des dividendes, qui est payée ou attribuée à un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values, de quelque manière que ce soit, par ou au moyen d'un véhicule carried interest aux plus-values, après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale, ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement;
2° la plus-value réalisée par le bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values, à l'occasion de la cession de ses droits dans le véhicule carried interest après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale, ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement;
3° les sommes définies comme dividendes par les articles 186, 187 et 209 en cas de partage total ou partiel de l'avoir social d'un véhicule carried interest, ou en cas d'acquisition d'actions ou parts propres par ce véhicule auprès du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values après déduction de la valeur d'acquisition des droits dans le véhicule carried interest et à l'exclusion de la part des bénéfices provenant d'un véhicule carried interest qui constitue le rendement d'un investissement du bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values dans ce véhicule carried interest, pour autant que ce rendement ne dépasse pas proportionnellement, de façon globale ce qu'un investisseur qui n'est pas un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit de son investissement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les intéressements aux plus-values ne comprennent pas les revenus obtenus en lien avec des actions acquises par l'exerce d'options sur actions en application de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses."
Art.9. In artikel 21, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2005 en 28 juli 2011, worden de woorden "17, § 1, 6°, " ingevoegd tussen de woorden "die vermeld in artikel" en de woorden "19, § 1, eerste lid, 4° en 19bis,".
Art.9. Dans l'article 21, alinéa 1er, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 24 décembre 2002 et modifié par les lois des 27 décembre 2005 et 28 juillet 2011, les mots "17, § 1er, 6°, " sont insérés entre les mots "ceux visés à l'article" et les mots "19, § 1er, alinéa 1er, 4° et 19bis,".
Art.10. Artikel 37 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het eerste lid behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten.".
"In afwijking van het eerste lid behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten.".
Art.10. L'article 37 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, conservent leur qualité de revenus mobiliers.".
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, conservent leur qualité de revenus mobiliers.".
Art.11. In artikel 87, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2016, worden de woorden "en 6° " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden ", en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten".
Art.11. Dans l'article 87, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 décembre 2016, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° ", sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6°, ".
Art.12. In artikel 88, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2016, worden de woorden "en 6° " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden ", en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten".
Art.12. Dans l'article 88, alinéa 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 décembre 2016, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° ", sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6°, ".
Art.13. In artikel 134, § 4, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "en 6° " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden ", en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten".
Art.13. Dans l'article 134, § 4, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° ", sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6°, ".
Art.14. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "en 6°, " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten";
2° in de bepaling onder 3° wordt het woord "3° septies" vervangen door het woord "3° octies";
3° een bepaling onder 3° octies wordt ingevoegd, luidende:
"3° octies tegen een aanslagvoet van 25 pct., de inkomsten vermeld in artikel 17, § 1, 6°, ;".
1° in de inleidende zin worden de woorden "en 6°, " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten";
2° in de bepaling onder 3° wordt het woord "3° septies" vervangen door het woord "3° octies";
3° een bepaling onder 3° octies wordt ingevoegd, luidende:
"3° octies tegen een aanslagvoet van 25 pct., de inkomsten vermeld in artikel 17, § 1, 6°, ;".
Art.14.. A l'article 171 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans la phrase liminaire, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° " sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6°, ";
2° dans le 3°, le mot "3° septies" est remplacé par le mot "3° octies";
3° un 3° octies est inséré, rédigé comme suit:
"3° octies au taux de 25 p.c., les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, ;".
1° dans la phrase liminaire, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° " sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6°, ";
2° dans le 3°, le mot "3° septies" est remplacé par le mot "3° octies";
3° un 3° octies est inséré, rédigé comme suit:
"3° octies au taux de 25 p.c., les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, ;".
Art.15. In artikel 178/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, worden de woorden "en 6° " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden ", en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten".
Art.15. Dans l'article 178/1, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2021, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° ", sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6° ",.
Art.16. Artikel 184quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Deze liquidatiereserve kan niet worden aangelegd zolang de in het eerste lid bedoelde vennootschap aandelen of deelbewijzen van een Carried interest vehikel bezit, daaronder begrepen het jaar waarin deze aandelen of deelbewijzen definitief zijn vervreemd en voor zover deze aldus onrechtstreeks worden aangehouden door een Carried interest begunstigde."
"Deze liquidatiereserve kan niet worden aangelegd zolang de in het eerste lid bedoelde vennootschap aandelen of deelbewijzen van een Carried interest vehikel bezit, daaronder begrepen het jaar waarin deze aandelen of deelbewijzen definitief zijn vervreemd en voor zover deze aldus onrechtstreeks worden aangehouden door een Carried interest begunstigde."
Art.16. L'article 184quater du même Code, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Cette réserve de liquidation ne peut être constituée aussi longtemps que la société visée à l'alinéa 1er détient des actions ou des parts d'un véhicule carried interest, y compris l'année au cours de laquelle ces actions ou parts ont fait l'objet d'une cession définitive et dans la mesure où ils sont ainsi détenus indirectement par un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values.".
"Cette réserve de liquidation ne peut être constituée aussi longtemps que la société visée à l'alinéa 1er détient des actions ou des parts d'un véhicule carried interest, y compris l'année au cours de laquelle ces actions ou parts ont fait l'objet d'une cession définitive et dans la mesure où ils sont ainsi détenus indirectement par un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values.".
Art.17. In artikel 261 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 4°, worden de woorden "artikel 17, § 1, 5° " vervangen door de woorden "artikel 17, § 1, 5° en 6° ";
2° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, wordt:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest betaalt of toekent.".
1° in het eerste lid, 4°, worden de woorden "artikel 17, § 1, 5° " vervangen door de woorden "artikel 17, § 1, 5° en 6° ";
2° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, wordt:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest betaalt of toekent.".
Art.17. A l'article 261 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, 4°, les mots "à l'article 17, § 1er, 5° " sont remplacés par les mots "à l'article 17, § 1er, 5° et 6° ";
2° entre l'alinéa 4 et l'alinéa 5, un alinéa est inséré, rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 4° :
a) le contribuable visé à l'article 179 ou 220 est censé attribuer les intéressements aux plus-values visées à l'article 17, § 1er, 6°, qu'un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit d'un véhicule carried interest étranger lié au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité du bénéficiaire au profit du contribuable;
b) le contribuable visé à l'article 227, 2° et 3°, est censé attribuer les intéressements aux plus-values visées à l'article 17, § 1er, 6°, qu'un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit d'un véhicule carried interest étranger lié au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l'étranger des intéressements aux plus-values visés à l'article 17, § 1er, 6°. ".
1° dans l'alinéa 1er, 4°, les mots "à l'article 17, § 1er, 5° " sont remplacés par les mots "à l'article 17, § 1er, 5° et 6° ";
2° entre l'alinéa 4 et l'alinéa 5, un alinéa est inséré, rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 4° :
a) le contribuable visé à l'article 179 ou 220 est censé attribuer les intéressements aux plus-values visées à l'article 17, § 1er, 6°, qu'un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit d'un véhicule carried interest étranger lié au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité du bénéficiaire au profit du contribuable;
b) le contribuable visé à l'article 227, 2° et 3°, est censé attribuer les intéressements aux plus-values visées à l'article 17, § 1er, 6°, qu'un bénéficiaire d'un intéressement aux plus-values reçoit d'un véhicule carried interest étranger lié au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l'étranger des intéressements aux plus-values visés à l'article 17, § 1er, 6°. ".
Art.18. In artikel 265, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 4° worden de woorden "en 19bis" vervangen door de woorden ", 19bis en 19quater";
b) de bepaling onder 5° wordt hersteld als volgt:
"5° op inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, wanneer die worden toegekend aan belastingplichtigen andere dan diegenen onderworpen aan de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners op grond van artikel 227, 1°. "
a) in de bepaling onder 4° worden de woorden "en 19bis" vervangen door de woorden ", 19bis en 19quater";
b) de bepaling onder 5° wordt hersteld als volgt:
"5° op inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, wanneer die worden toegekend aan belastingplichtigen andere dan diegenen onderworpen aan de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners op grond van artikel 227, 1°. "
Art.18. A l'article 265, alinéa 1er, du même Code modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le 4°, les mots "et 19bis" sont remplacés par les mots ", 19bis et 19quater";
b) le 5° est rétabli dans la rédaction suivante:
"5° sur les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, lorsqu'ils sont attribués à des contribuables autres que ceux assujettis à l'impôt des personnes physiques ou assujettis à l'impôt des non-résidents sur la base de l'article 227, 1°. ".
a) dans le 4°, les mots "et 19bis" sont remplacés par les mots ", 19bis et 19quater";
b) le 5° est rétabli dans la rédaction suivante:
"5° sur les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°, lorsqu'ils sont attribués à des contribuables autres que ceux assujettis à l'impôt des personnes physiques ou assujettis à l'impôt des non-résidents sur la base de l'article 227, 1°. ".
Art.19. Artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende:
"10° op 25 pct. voor de in artikel 17, § 1, 6°, vermelde inkomsten.".
"10° op 25 pct. voor de in artikel 17, § 1, 6°, vermelde inkomsten.".
Art.19. L'article 269, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, est complété par un 10°, rédigé comme suit:
"10° à 25 p.c. pour les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°. ".
"10° à 25 p.c. pour les revenus visés à l'article 17, § 1er, 6°. ".
Art.20. In artikel 413/1, § 1, tweede lid, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden "en 6° " ingevoegd tussen de woorden "artikelen 17, § 1, 1° tot 3° " en de woorden ", en 90, eerste lid, 6° en 9° en 13°, bedoelde inkomsten".
Art.20. Dans l'article 413/1, § 1er, alinéa 2, premier tiret, du même Code, inséré par la loi du 1er décembre 2016 et modifié par la loi du 26 mars 2018, les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° ", sont remplacés par les mots "aux articles 17, § 1er, 1° à 3° et 6° ".
Art.21. Artikel 466, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 april 2011, vervangen bij de wet van 13 december 2012, en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015 en 25 december 2016, wordt aangevuld met de woorden ", evenals met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde roerende inkomsten.".
Art.21. L'article 466, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 14 avril 2011, remplacé par la loi du 13 décembre 2012, et modifié par les lois du 26 décembre 2015 et 25 décembre 2016, est complété par les mots ", ainsi que de la quotité d'impôt afférente aux revenus mobiliers visés à l'article 17, § 1er, 6°. ".
Art.22. Deze afdeling treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing op de inkomsten die vanaf die datum worden betaald of toegekend.
In afwijking van het eerste lid, is deze afdeling niet van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend door een Carried interest vehikel dat uiterlijk op datum van inwerkingtreding van deze afdeling in vereffening werd gesteld.
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 16 in werking vanaf aanslagjaar 2026.
In afwijking van het eerste lid, is deze afdeling niet van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend door een Carried interest vehikel dat uiterlijk op datum van inwerkingtreding van deze afdeling in vereffening werd gesteld.
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 16 in werking vanaf aanslagjaar 2026.
Art.22. La présente section entre en vigueur le jour de sa publication de la présente loi au Moniteur belge et est applicable aux revenus payés ou attribués à partir de cette date.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la présente section n'est pas applicable aux revenus payés ou attribués par un véhicule carried interest mis en liquidation au plus tard à la date d'entrée en vigueur de la présente section.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 16 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la présente section n'est pas applicable aux revenus payés ou attribués par un véhicule carried interest mis en liquidation au plus tard à la date d'entrée en vigueur de la présente section.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 16 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Afdeling 2. - Exit taks
Section 2. - Exit tax
Art.23. In artikel 18, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, wordt een bepaling onder 2° quater ingevoegd, luidende:
"2° quater het gedeelte van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap dat in toepassing van artikel 209 als uitgekeerd dividend in de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt, verhoudingsgewijs beperkt tot het deel van de uitgekeerde winst waarop de door de belastingplichtige gehouden aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, recht geven, in de volgende gevallen:
- in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 4°, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België;
- in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 1° en 1° bis, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België.".
"2° quater het gedeelte van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap dat in toepassing van artikel 209 als uitgekeerd dividend in de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt, verhoudingsgewijs beperkt tot het deel van de uitgekeerde winst waarop de door de belastingplichtige gehouden aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, recht geven, in de volgende gevallen:
- in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 4°, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België;
- in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 1° en 1° bis, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België.".
Art.23. Dans l'article 18, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, il est inséré le 2° quater, rédigé comme suit:
"2° quater la partie de l'avoir social d'une société qui, en vertu de l'article 209, est considérée comme un dividende distribué à l'impôt des sociétés, limitée proportionnellement à la partie du bénéfice distribué à laquelle les actions, parts et parts bénéficiaires, quelle que soit leur dénomination, détenues par le contribuable donnent droit, dans les cas suivants:
- en cas d'opération visée à l'article 210, § 1er, 4°, et uniquement dans la mesure où ce dividende se rapporte à des éléments qui, à la suite de l'opération, ne sont plus affectés ou maintenus en Belgique;
- en cas d'opération visée à l'article 210, § 1er, 1° et 1° bis, et uniquement dans la mesure où ce dividende se rapporte à des éléments qui, à la suite de l'opération, ne sont plus affectés ou maintenus en Belgique.".
"2° quater la partie de l'avoir social d'une société qui, en vertu de l'article 209, est considérée comme un dividende distribué à l'impôt des sociétés, limitée proportionnellement à la partie du bénéfice distribué à laquelle les actions, parts et parts bénéficiaires, quelle que soit leur dénomination, détenues par le contribuable donnent droit, dans les cas suivants:
- en cas d'opération visée à l'article 210, § 1er, 4°, et uniquement dans la mesure où ce dividende se rapporte à des éléments qui, à la suite de l'opération, ne sont plus affectés ou maintenus en Belgique;
- en cas d'opération visée à l'article 210, § 1er, 1° et 1° bis, et uniquement dans la mesure où ce dividende se rapporte à des éléments qui, à la suite de l'opération, ne sont plus affectés ou maintenus en Belgique.".
Art.24. In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 11° worden de woorden "in artikel 209" vervangen door de woorden "in artikel 18, eerste lid, 2° ter en 2° quater";
2° het lid wordt aangevuld met een bepaling onder 15°, luidende:
"15° dividenden uitgekeerd door een vennootschap in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat zij voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt.".
1° in de bepaling onder 11° worden de woorden "in artikel 209" vervangen door de woorden "in artikel 18, eerste lid, 2° ter en 2° quater";
2° het lid wordt aangevuld met een bepaling onder 15°, luidende:
"15° dividenden uitgekeerd door een vennootschap in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat zij voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt.".
Art.24. A l'article 21, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme de 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le 11°, les mots "à l'article 209" sont remplacés par les mots "à l'article 18, alinéa 1er, 2° ter et 2° quater";
2° l'alinéa est complété par un 15°, rédigé comme suit:
"15° les dividendes distribués par une société dans la mesure où le contribuable a démontré qu'ils résultent de la réalisation des éléments transférés à l'étranger suite à l'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, et à concurrence de maximum le montant considéré, en vertu de cette disposition, comme un dividende dans le chef du contribuable.".
1° dans le 11°, les mots "à l'article 209" sont remplacés par les mots "à l'article 18, alinéa 1er, 2° ter et 2° quater";
2° l'alinéa est complété par un 15°, rédigé comme suit:
"15° les dividendes distribués par une société dans la mesure où le contribuable a démontré qu'ils résultent de la réalisation des éléments transférés à l'étranger suite à l'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, et à concurrence de maximum le montant considéré, en vertu de cette disposition, comme un dividende dans le chef du contribuable.".
Art.25. In artikel 202 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° hersteld als volgt:
"3° het bedrag dat geacht wordt toegekend te worden aan aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, ten gevolge van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "in § 1, 1° en 2° " vervangen door de woorden "in paragraaf 1, 1° tot 3° ";
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Van de winst van het belastbaar tijdperk worden eveneens dividenden afgetrokken in de mate dat zij er in voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze dividenden voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt.".
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° hersteld als volgt:
"3° het bedrag dat geacht wordt toegekend te worden aan aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, ten gevolge van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "in § 1, 1° en 2° " vervangen door de woorden "in paragraaf 1, 1° tot 3° ";
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Van de winst van het belastbaar tijdperk worden eveneens dividenden afgetrokken in de mate dat zij er in voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze dividenden voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt.".
Art.25. A l'article 202 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, le 3° est rétabli dans la rédaction suivante:
"3° le montant censé attribué aux actions, parts et parts bénéficiaires, quelle que soit leur dénomination, à la suite d'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater.";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, phrase liminaire, les mots "au § 1er, 1° et 2°, " sont remplacés par les mots "au § 1er, 1° à 3°, ";
3° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit:
" § 4. Des bénéfices de la période imposable sont également déduits les dividendes, pour autant qu'ils en proviennent et pour autant et dans la mesure où le contribuable a démontré que ces dividendes résultent de la réalisation des éléments transférés à l'étranger suite à l'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, et à concurrence de maximum le montant qui, en vertu de cette disposition, a été considéré comme un dividende dans le chef du contribuable.".
1° dans le paragraphe 1er, le 3° est rétabli dans la rédaction suivante:
"3° le montant censé attribué aux actions, parts et parts bénéficiaires, quelle que soit leur dénomination, à la suite d'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater.";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, phrase liminaire, les mots "au § 1er, 1° et 2°, " sont remplacés par les mots "au § 1er, 1° à 3°, ";
3° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit:
" § 4. Des bénéfices de la période imposable sont également déduits les dividendes, pour autant qu'ils en proviennent et pour autant et dans la mesure où le contribuable a démontré que ces dividendes résultent de la réalisation des éléments transférés à l'étranger suite à l'une des opérations visées à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, et à concurrence de maximum le montant qui, en vertu de cette disposition, a été considéré comme un dividende dans le chef du contribuable.".
Art.26. In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "en de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, " vervangen door de woorden "op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, en op dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater,";
2° in het tweede lid worden de woorden "en 5°, financiële voordelen" vervangen door de woorden "inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, financiële voordelen" en worden de woorden "die kosten, die voordelen van alle aard, die financiële voordelen en die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen, inkomsten en dividenden";
3° in het vijfde lid worden de woorden "of van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater";
4° in het zesde lid worden de woorden "of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater".
1° in het eerste lid worden de woorden "en de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, " vervangen door de woorden "op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, en op dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater,";
2° in het tweede lid worden de woorden "en 5°, financiële voordelen" vervangen door de woorden "inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, financiële voordelen" en worden de woorden "die kosten, die voordelen van alle aard, die financiële voordelen en die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen, inkomsten en dividenden";
3° in het vijfde lid worden de woorden "of van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater";
4° in het zesde lid worden de woorden "of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden "van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater".
Art.26. A l'article 219 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "et des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, et des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et 5°, avantages financiers" sont remplacés par les mots "revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, avantages financiers" et les mots "ces dépenses, avantages de toute nature, avantages financiers et revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5°, " sont remplacés par les mots "ces dépenses, avantages de toute nature, avantages financiers, revenus et dividendes";
3° dans l'alinéa 5, les mots "ou des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater";
4° dans l'alinéa 6, les mots "ou des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "et des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, et des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et 5°, avantages financiers" sont remplacés par les mots "revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, avantages financiers" et les mots "ces dépenses, avantages de toute nature, avantages financiers et revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5°, " sont remplacés par les mots "ces dépenses, avantages de toute nature, avantages financiers, revenus et dividendes";
3° dans l'alinéa 5, les mots "ou des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater";
4° dans l'alinéa 6, les mots "ou des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots "des revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, des revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou des dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater".
Art.27. In artikel 228, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2006, worden de woorden ", met inbegrip van de in artikel 18, eerste lid 2° quater, bedoelde dividenden," ingevoegd tussen de woorden "de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen" en de woorden "waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners".
Art.27. Dans l'article 228, § 2, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2006, les mots ", y compris les dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater," sont insérés entre les mots "les revenus de capitaux et de biens mobiliers" et les mots "dont le débiteur est assujetti à l'impôt des personnes physiques, à l'impôt des sociétés, à l'impôt des personnes morales ou à l'impôt des non-résidents".
Art.28. In artikel 233, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "en inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden ", inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater".
Art.28. Dans l'article 233, alinéa 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, les mots "et les revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots ", les revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, les dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater".
Art.29. In artikel 246, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de woorden "en inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° " vervangen door de woorden ", inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater".
Art.29. Dans l'article 246, alinéa 1er, 2°, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les mots "et les revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, et 5° " sont remplacés par les mots ", les revenus visés à l'article 17, § 1er, 3°, en ce qui concerne les droits d'auteur et les droits voisins, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, les dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 2° quater".
Art.30. Artikel 413/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2023, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende:
"8° het bedrag dat als een in artikel 18, eerste lid, 2° quater, bedoeld dividend wordt aangemerkt, indien de overbrenging van bestanddelen gebeurt naar een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die met België een toepasselijke overeenkomst heeft gesloten die in wederzijdse bijstand bij invordering voorziet;".
"8° het bedrag dat als een in artikel 18, eerste lid, 2° quater, bedoeld dividend wordt aangemerkt, indien de overbrenging van bestanddelen gebeurt naar een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die met België een toepasselijke overeenkomst heeft gesloten die in wederzijdse bijstand bij invordering voorziet;".
Art.30. L'article 413/1, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 1er décembre 2016 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 2023, est complété par un 8°, rédigé comme suit:
"8° le montant qualifié de dividendes au sens de l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, lorsque le transfert d'éléments se fait vers un autre Etat membre de l'Union européenne ou un autre Etat membre de l'Espace économique européen ayant avec la Belgique une convention applicable prévoyant une assistance mutuelle au recouvrement;".
"8° le montant qualifié de dividendes au sens de l'article 18, alinéa 1er, 2° quater, lorsque le transfert d'éléments se fait vers un autre Etat membre de l'Union européenne ou un autre Etat membre de l'Espace économique européen ayant avec la Belgique une convention applicable prévoyant une assistance mutuelle au recouvrement;".
Art.31. Deze afdeling treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op de verrichtingen bedoeld in artikel 210, § 1, 1°, 1° bis of 4°, van hetzelfde Wetboek die vanaf die datum hebben plaatsgevonden.
Art.31. La présente section entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et est applicable aux opérations visées à l'article 210, § 1er,1°, 1° bis ou 4°, du même Code qui ont eu lieu à partir de cette date.
Afdeling 3. - Liquidatiereserve en VVPRbis
Section 3. - Réserve de liquidation et VVPRbis
Art.32. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° sexies wordt vervangen als volgt:
"3° sexies tegen een aanslagvoet van 15 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het derde boekjaar na dat van de inbreng of later, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, vermelde tarief onderworpen te worden;";
2° in het artikel wordt een bepaling onder 3° sexies/1 ingevoegd, luidende:
"3° sexies/1 tegen een aanslagvoet van 20 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de ten laatste op 31 december 2025 verrichte inbreng, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, vermelde tarief onderworpen te worden;";
3° de bepaling onder 3° septies wordt vervangen als volgt:
"3° septies tegen een aanslagvoet van 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of de in het buitenland geïnde of verkregen dividenden in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval:
- de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
- de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;".
1° de bepaling onder 3° sexies wordt vervangen als volgt:
"3° sexies tegen een aanslagvoet van 15 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het derde boekjaar na dat van de inbreng of later, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, vermelde tarief onderworpen te worden;";
2° in het artikel wordt een bepaling onder 3° sexies/1 ingevoegd, luidende:
"3° sexies/1 tegen een aanslagvoet van 20 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de ten laatste op 31 december 2025 verrichte inbreng, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, vermelde tarief onderworpen te worden;";
3° de bepaling onder 3° septies wordt vervangen als volgt:
"3° septies tegen een aanslagvoet van 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of de in het buitenland geïnde of verkregen dividenden in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval:
- de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
- de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;".
Art.32. A l'article 171 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 3° sexies est remplacé par ce qui suit:
"3° sexies au taux de 15 p.c., les dividendes visés à l'article 269, § 2, alinéa 2, 2°, s'ils sont alloués ou attribués lors de la répartition bénéficiaire du troisième exercice comptable qui suit celui de l'apport ou plus tard, ou lorsqu'ils sont distribués par une pricaf privée visée à l'article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, dans la mesure où ils proviennent de dividendes qui peuvent bénéficier du taux visé à l'article 269, § 2, alinéa 2, 2° ;";
2° dans l'article, il est inséré un 3° sexies/1, rédigé comme suit:
"3° sexies/1 au taux de 20 p.c., les dividendes visés à l'article 269, § 2, alinéa 2, 1°, s'ils sont alloués ou attribués lors de la répartition bénéficiaire du deuxième exercice comptable qui suit celui de l'apport, effectué au plus tard le 31 décembre 2025, ou lorsqu'ils sont distribués par une pricaf privée visée à l'article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, dans la mesure où ils proviennent de dividendes qui peuvent bénéficier du taux visé à l'article 269, § 2, alinéa 2, 1° ;";
3° le 3° septies est remplacé par ce qui suit:
"3° septies au taux de 5 p.c., 6,5 p.c. ou 20 p.c., les dividendes, autres que ceux visés à l'article 209, dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte d'une diminution de la réserve de liquidation visée aux articles 184quater ou 541, ou les dividendes encaissés ou recueillis à l'étranger dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte de dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace Economique Européen, et selon que la partie de ces réserves qui est diminuée a été affectée à ladite réserve de liquidation:
a) au plus tard le 31 décembre 2025, auquel cas:
- le taux est de 5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 5 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
- le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant une période comprise entre 3 et 5 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
- le taux est de 20 p.c. si cette partie a été conservée pendant moins de 3 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
b) à une date postérieure au 31 décembre 2025, auquel cas le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 3 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;".
1° le 3° sexies est remplacé par ce qui suit:
"3° sexies au taux de 15 p.c., les dividendes visés à l'article 269, § 2, alinéa 2, 2°, s'ils sont alloués ou attribués lors de la répartition bénéficiaire du troisième exercice comptable qui suit celui de l'apport ou plus tard, ou lorsqu'ils sont distribués par une pricaf privée visée à l'article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, dans la mesure où ils proviennent de dividendes qui peuvent bénéficier du taux visé à l'article 269, § 2, alinéa 2, 2° ;";
2° dans l'article, il est inséré un 3° sexies/1, rédigé comme suit:
"3° sexies/1 au taux de 20 p.c., les dividendes visés à l'article 269, § 2, alinéa 2, 1°, s'ils sont alloués ou attribués lors de la répartition bénéficiaire du deuxième exercice comptable qui suit celui de l'apport, effectué au plus tard le 31 décembre 2025, ou lorsqu'ils sont distribués par une pricaf privée visée à l'article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, dans la mesure où ils proviennent de dividendes qui peuvent bénéficier du taux visé à l'article 269, § 2, alinéa 2, 1° ;";
3° le 3° septies est remplacé par ce qui suit:
"3° septies au taux de 5 p.c., 6,5 p.c. ou 20 p.c., les dividendes, autres que ceux visés à l'article 209, dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte d'une diminution de la réserve de liquidation visée aux articles 184quater ou 541, ou les dividendes encaissés ou recueillis à l'étranger dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte de dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace Economique Européen, et selon que la partie de ces réserves qui est diminuée a été affectée à ladite réserve de liquidation:
a) au plus tard le 31 décembre 2025, auquel cas:
- le taux est de 5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 5 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
- le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant une période comprise entre 3 et 5 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
- le taux est de 20 p.c. si cette partie a été conservée pendant moins de 3 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
b) à une date postérieure au 31 décembre 2025, auquel cas le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 3 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;".
Art.33. In artikel 269 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, 8°, wordt vervangen als volgt:
"8° op 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., voor de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of voor de dividenden van buitenlandse oorsprong die in België zijn geïnd of verkregen in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval:
- de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
- de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
2° paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt aangevuld met de woorden ", wanneer deze inbreng ten laatste op 31 december 2025 is verricht";
3° in paragraaf 2, achtste lid, worden de woorden "aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 pct." vervangen door de woorden "aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 of 6,5 pct. als bedoeld in paragraaf 1, 8° ".
1° paragraaf 1, 8°, wordt vervangen als volgt:
"8° op 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., voor de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of voor de dividenden van buitenlandse oorsprong die in België zijn geïnd of verkregen in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval:
- de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
- de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
2° paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt aangevuld met de woorden ", wanneer deze inbreng ten laatste op 31 december 2025 is verricht";
3° in paragraaf 2, achtste lid, worden de woorden "aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 pct." vervangen door de woorden "aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 of 6,5 pct. als bedoeld in paragraaf 1, 8° ".
Art.33. A l'article 269 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, 8°, est remplacé par ce qui suit:
"8° à 5 p.c., 6,5 p.c. ou 20 p.c., les dividendes, autres que ceux visés à l'article 209, dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte d'une diminution de la réserve de liquidation visée aux articles 184quater ou 541, ou les dividendes d'origine étrangère encaissés ou recueillis en Belgique dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte de dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen, et selon que la partie de ces réserves qui est diminuée a été affectée à ladite réserve de liquidation:
a) au plus tard le 31 décembre 2025, auquel cas:
- le taux est de 5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 5 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
- le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant une période comprise entre 3 et 5 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
- le taux est de 20 p.c. si cette partie a été conservée pendant moins de 3 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
b) à une date postérieure au 31 décembre 2025, auquel cas le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 3 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
2° le paragraphe 2, alinéa 2, 1°, est complété par les mots ", lorsque cet apport est effectué au plus tard le 31 décembre 2025";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 8, les mots "à un taux de précompte mobilier réduit de 5 p.c." sont remplacés par les mots "à un taux de précompte mobilier réduit de 5 ou 6,5 p.c. visé au paragraphe 1er, 8° ".
1° le paragraphe 1er, 8°, est remplacé par ce qui suit:
"8° à 5 p.c., 6,5 p.c. ou 20 p.c., les dividendes, autres que ceux visés à l'article 209, dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte d'une diminution de la réserve de liquidation visée aux articles 184quater ou 541, ou les dividendes d'origine étrangère encaissés ou recueillis en Belgique dans la mesure où leur attribution ou mise en paiement résulte de dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen, et selon que la partie de ces réserves qui est diminuée a été affectée à ladite réserve de liquidation:
a) au plus tard le 31 décembre 2025, auquel cas:
- le taux est de 5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 5 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
- le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant une période comprise entre 3 et 5 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
- le taux est de 20 p.c. si cette partie a été conservée pendant moins de 3 ans dans les mêmes conditions que celles mentionnées au premier tiret;
b) à une date postérieure au 31 décembre 2025, auquel cas le taux est de 6,5 p.c. si cette partie a été conservée pendant au moins 3 ans dans les conditions visées aux articles 184quater, alinéa 3, ou 541, à compter du dernier jour de la période imposable de la constitution;
2° le paragraphe 2, alinéa 2, 1°, est complété par les mots ", lorsque cet apport est effectué au plus tard le 31 décembre 2025";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 8, les mots "à un taux de précompte mobilier réduit de 5 p.c." sont remplacés par les mots "à un taux de précompte mobilier réduit de 5 ou 6,5 p.c. visé au paragraphe 1er, 8° ".
Art.34. De artikelen 32, 3° en 33, 1° en 3°, zijn van toepassing op dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.34. Les articles 32, 3° et 33, 1° et 3°, sont applicables aux dividendes attribués ou mis en paiement à partir du jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Afdeling 4. - DBI-aftrek
Section 4. - Déduction RDT
Art.35. In artikel 202, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 23 december 2009, worden de woorden "met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro" vervangen door de woorden "een deelneming bezit met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro die, indien deze vennootschap die de inkomsten verkrijgt geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft".
Art.35. Dans l'article 202, § 2, alinéa 1er, 1°, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 23 décembre 2009, les mots "dont la valeur d'investissement atteint au moins 2.500.000 euros" sont remplacés par les mots "une participation dont la valeur d'investissement atteint au moins 2.500.000 euros qui, si cette société qui en bénéficie, n'est pas une petite société, a la nature d'immobilisations financières".
Art.36. In artikel 264/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt" vervangen door de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft";
2° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "ten minste 2.500.000 euro" bedraagt vervangen door de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft".
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt" vervangen door de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft";
2° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "ten minste 2.500.000 euro" bedraagt vervangen door de woorden "ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft".
Art.36. A l'article 264/1 du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "au moins 2.500.000 euros" sont remplacés par les mots "au moins 2.500.000 euros qui, si ce bénéficiaire n'est pas une petite société, a la nature d'immobilisations financières";
2° dans le paragraphe 2, 3°, les mots "au moins 2.500.000 euros" sont remplacés par les mots "au moins 2.500.000 euros et qui, si ce bénéficiaire n'est pas une petite société, a la nature d'immobilisations financières".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "au moins 2.500.000 euros" sont remplacés par les mots "au moins 2.500.000 euros qui, si ce bénéficiaire n'est pas une petite société, a la nature d'immobilisations financières";
2° dans le paragraphe 2, 3°, les mots "au moins 2.500.000 euros" sont remplacés par les mots "au moins 2.500.000 euros et qui, si ce bénéficiaire n'est pas une petite société, a la nature d'immobilisations financières".
Art.37. Artikel 35 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Artikel 36 treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Elke wijziging die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van de in deze afdeling bedoelde inkomstenbelastingen, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van artikel 35.
Artikel 36 treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Elke wijziging die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van de in deze afdeling bedoelde inkomstenbelastingen, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van artikel 35.
Art.37. L'article 35 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
L'article 36 entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice à partir du 3 février 2025, qui n'est pas justifiée par le contribuable pour des raisons autres que l'évasion des impôts sur les revenus visés à la présente section, reste sans effet pour l'application de l'article 35.
L'article 36 entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice à partir du 3 février 2025, qui n'est pas justifiée par le contribuable pour des raisons autres que l'évasion des impôts sur les revenus visés à la présente section, reste sans effet pour l'application de l'article 35.
HOOFDSTUK 4. - PROCEDURE - AFSCHAFFING VAN BELASTINGVERHOGINGEN IN GEVALLEN VAN GOEDE TROUW
CHAPITRE 4. - PROCEDURE - SUPPRESSION DE L'ACCROISSEMENT D'IMPOTS EN CAS DE BONNE FOI
Art.38. In artikel 444 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"Er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351.".
"Er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351.".
Art.38. Dans l'article 444 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Il est renoncé à l'accroissement d'impôt pour la première infraction commise de bonne foi.
La bonne foi est, jusqu'à preuve du contraire, présumée exister dans le chef du contribuable qui a commis une première infraction, sauf en cas d'application de l'article 351.".
"Il est renoncé à l'accroissement d'impôt pour la première infraction commise de bonne foi.
La bonne foi est, jusqu'à preuve du contraire, présumée exister dans le chef du contribuable qui a commis une première infraction, sauf en cas d'application de l'article 351.".
Art.39. Dit hoofdstuk is van toepassing op aanslagen ingekohierd vanaf de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.39. Le présent chapitre s'applique à des impositions enrôlées à partir de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 5. - HERINVOERING VAN EEN PERMANENT SYSTEEM INZAKE FISCALE REGULARISATIE
CHAPITRE 5. - REINSTAURATION D'UN SYSTEME PERMANENT DE REGULARISATION FISCALE
Art.40. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verstaat men onder:
1° Contactpunt: het binnen de Federale Overheidsdienst Financiën opgerichte Contactpunt regularisaties;
2° regularisatieaangifte: de aangifte bij de Federale Overheidsdienst Financiën van inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen met het oog op het bekomen van een regularisatieattest mits de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde heffing wordt betaald;
3° natuurlijke personen: de op grond van artikel 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners en de op grond van artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen niet-rijksinwoners;
4° rechtspersonen: de op grond van artikel 179 van het voormelde Wetboek aan de vennootschapsbelasting onderworpen binnenlandse vennootschappen, de burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bedoeld in artikel 29 van hetzelfde Wetboek, de rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting op grond van artikel 220 van hetzelfde Wetboek, en de op grond van artikel 227, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen buitenlandse belastingplichtigen;
5° geregulariseerde inkomsten:
a) de inkomsten die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt ingediend bij het Contactpunt, wanneer deze inkomsten de aard hebben van inkomsten die normaal aan de inkomstenbelasting worden onderworpen in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen;
b) de inkomsten die, overeenkomstig artikel 5/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, door een oprichter van een juridische constructie moeten worden aangegeven, de roerende inkomsten verkregen op een rekening op naam van een in artikel 5/2 van hetzelfde Wetboek bedoelde vereniging, de inkomsten van een in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a), van hetzelfde Wetboek bedoelde buitenlandse rekening en de inkomsten van de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, b), van hetzelfde Wetboek bedoelde buitenlandse levensverzekeringsovereenkomsten, die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte ingediend bij het Contactpunt;
6° geregulariseerde sommen: de sommen en waarden die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon wordt ingediend bij het Contactpunt, wanneer deze aantoont dat deze sommen en waarden niet de aard hebben van inkomsten die normaal aan de inkomstenbelasting worden onderworpen in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen maar onder de toepassing van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vallen, voor zover ze betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten, of onder de toepassing vallen van het Wetboek diverse rechten en taksen;
7° geregulariseerde btw-handelingen: de in artikel 51 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde aan btw onderworpen handelingen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die wordt verricht bij het Contactpunt door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon;
8° aangever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een regularisatieaangifte indient hetzij in persoon hetzij door tussenkomst van een gemachtigde;
9° gemachtigde: een in artikel 5, § 1, eerste lid, 1° tot 32°, en § 3, eerste lid, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, beoogde persoon of onderneming;
10° heffing: het totaal bedrag van de ingevolge de regularisatie verschuldigde som;
11° fiscaal verjaarde kapitalen: de in dit hoofdstuk bedoelde kapitalen ten aanzien waarvan de fiscale administratie ingevolge het verstrijken van de termijnen, naargelang het geval, bedoeld in de artikelen 354 of 358, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 81, 81bis, of 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 214, 216, 217.1 en 217² of 218 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover deze artikelen betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten, of de artikelen 202.8 of 202.9 van het Wetboek diverse rechten en taksen, op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van de belastingplichtige die de fiscale overtreding heeft begaan.
1° Contactpunt: het binnen de Federale Overheidsdienst Financiën opgerichte Contactpunt regularisaties;
2° regularisatieaangifte: de aangifte bij de Federale Overheidsdienst Financiën van inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen met het oog op het bekomen van een regularisatieattest mits de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde heffing wordt betaald;
3° natuurlijke personen: de op grond van artikel 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners en de op grond van artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen niet-rijksinwoners;
4° rechtspersonen: de op grond van artikel 179 van het voormelde Wetboek aan de vennootschapsbelasting onderworpen binnenlandse vennootschappen, de burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bedoeld in artikel 29 van hetzelfde Wetboek, de rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting op grond van artikel 220 van hetzelfde Wetboek, en de op grond van artikel 227, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen buitenlandse belastingplichtigen;
5° geregulariseerde inkomsten:
a) de inkomsten die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt ingediend bij het Contactpunt, wanneer deze inkomsten de aard hebben van inkomsten die normaal aan de inkomstenbelasting worden onderworpen in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen;
b) de inkomsten die, overeenkomstig artikel 5/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, door een oprichter van een juridische constructie moeten worden aangegeven, de roerende inkomsten verkregen op een rekening op naam van een in artikel 5/2 van hetzelfde Wetboek bedoelde vereniging, de inkomsten van een in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a), van hetzelfde Wetboek bedoelde buitenlandse rekening en de inkomsten van de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, b), van hetzelfde Wetboek bedoelde buitenlandse levensverzekeringsovereenkomsten, die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte ingediend bij het Contactpunt;
6° geregulariseerde sommen: de sommen en waarden die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon wordt ingediend bij het Contactpunt, wanneer deze aantoont dat deze sommen en waarden niet de aard hebben van inkomsten die normaal aan de inkomstenbelasting worden onderworpen in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen maar onder de toepassing van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vallen, voor zover ze betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten, of onder de toepassing vallen van het Wetboek diverse rechten en taksen;
7° geregulariseerde btw-handelingen: de in artikel 51 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde aan btw onderworpen handelingen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die wordt verricht bij het Contactpunt door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon;
8° aangever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een regularisatieaangifte indient hetzij in persoon hetzij door tussenkomst van een gemachtigde;
9° gemachtigde: een in artikel 5, § 1, eerste lid, 1° tot 32°, en § 3, eerste lid, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, beoogde persoon of onderneming;
10° heffing: het totaal bedrag van de ingevolge de regularisatie verschuldigde som;
11° fiscaal verjaarde kapitalen: de in dit hoofdstuk bedoelde kapitalen ten aanzien waarvan de fiscale administratie ingevolge het verstrijken van de termijnen, naargelang het geval, bedoeld in de artikelen 354 of 358, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 81, 81bis, of 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 214, 216, 217.1 en 217² of 218 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover deze artikelen betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten, of de artikelen 202.8 of 202.9 van het Wetboek diverse rechten en taksen, op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van de belastingplichtige die de fiscale overtreding heeft begaan.
Art.40. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, l'on entend par:
1° Point de contact: le Point de contact-régularisations créé au sein du Service public fédéral Finances;
2° déclaration-régularisation: la déclaration de revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux effectuée auprès du Service public fédéral Finances dans le but d'obtenir une attestation-régularisation moyennant paiement du prélèvement dû en vertu du présent chapitre;
3° personnes physiques: les habitants du Royaume assujettis à l'impôt des personnes physiques sur la base de l'article 3 du Code des impôts sur les revenus 1992 et les non-habitants du Royaume assujettis à l'impôt des non-résidents sur la base de l'article 227, 1°, du même Code;
4° personnes morales: les sociétés résidentes assujetties à l'impôt des sociétés en vertu de l'article 179 du Code susvisé, les sociétés civiles ou les associations sans personnalité juridique visées à l'article 29 du même Code, les personnes morales assujetties à l'impôt des personnes morales en vertu de l'article 220 du même Code, ainsi que les contribuables étrangers soumis à l'impôt des non-résidents en vertu de l'article 227, 2° et 3°, du même Code;
5° revenus régularisés:
a) les revenus qui font l'objet d'une déclaration-régularisation introduite auprès du Point de contact, par une personne physique ou une personne morale, lorsqu'ils ont la nature de revenus qui sont normalement soumis à l'impôt sur les revenus pour l'année au cours de laquelle ils ont été obtenus ou recueillis;
b) les revenus qui doivent être déclarés, conformément à l'article 5/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, par un fondateur d'une construction juridique, les revenus mobiliers recueillis sur un compte au nom d'une association visés à l'article 5/2 du même Code, les revenus d'un compte étranger visé à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, a), du même Code et les revenus des contrats d'assurance-vie étrangers visés à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, b), du même Code, qui font l'objet d'une déclaration-régularisation introduite auprès du Point de contact;
6° sommes régularisées: les sommes et valeurs qui font l'objet d'une déclaration-régularisation effectuée auprès du Point de contact, par une personne morale ou par une personne physique, lorsque celle-ci démontre que ces sommes et valeurs n'ont pas la nature de revenus qui sont normalement soumis à l'impôt sur les revenus pour l'année au cours de laquelle ils ont été obtenus ou recueillis mais tombent sous l'application du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant qu'ils se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, ou sous l'application du Code des droits et taxes divers;
7° opérations T.V.A. régularisées: les opérations soumises à la T.V.A. visées à l'article 51 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée qui font l'objet d'une déclaration-régularisation auprès du Point de contact, par une personne morale ou par une personne physique;
8° déclarant: la personne physique ou la personne morale qui introduit une déclaration-régularisation soit personnellement soit par l'intermédiaire d'un mandataire;
9° mandataire: une personne ou une entreprise visées à l'article 5, § 1er, alinéa 1er,, 1° à 32°, et § 3, alinéa 1er, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
10° prélèvement: le montant total de la somme due en raison de la régularisation;
11° capitaux fiscalement prescrits: les capitaux visés dans le présent chapitre, à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef du contribuable qui a commis l'infraction fiscale, suite à l'expiration des délais, selon le cas, visés soit aux articles 354 ou 358, § 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, soit aux articles 81, 81bis ou 83 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, soit aux articles 214, 216, 217.1 et 217² ou 218 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, soit aux articles 202.8 ou 202.9 du Code des droits et taxes divers.
1° Point de contact: le Point de contact-régularisations créé au sein du Service public fédéral Finances;
2° déclaration-régularisation: la déclaration de revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux effectuée auprès du Service public fédéral Finances dans le but d'obtenir une attestation-régularisation moyennant paiement du prélèvement dû en vertu du présent chapitre;
3° personnes physiques: les habitants du Royaume assujettis à l'impôt des personnes physiques sur la base de l'article 3 du Code des impôts sur les revenus 1992 et les non-habitants du Royaume assujettis à l'impôt des non-résidents sur la base de l'article 227, 1°, du même Code;
4° personnes morales: les sociétés résidentes assujetties à l'impôt des sociétés en vertu de l'article 179 du Code susvisé, les sociétés civiles ou les associations sans personnalité juridique visées à l'article 29 du même Code, les personnes morales assujetties à l'impôt des personnes morales en vertu de l'article 220 du même Code, ainsi que les contribuables étrangers soumis à l'impôt des non-résidents en vertu de l'article 227, 2° et 3°, du même Code;
5° revenus régularisés:
a) les revenus qui font l'objet d'une déclaration-régularisation introduite auprès du Point de contact, par une personne physique ou une personne morale, lorsqu'ils ont la nature de revenus qui sont normalement soumis à l'impôt sur les revenus pour l'année au cours de laquelle ils ont été obtenus ou recueillis;
b) les revenus qui doivent être déclarés, conformément à l'article 5/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, par un fondateur d'une construction juridique, les revenus mobiliers recueillis sur un compte au nom d'une association visés à l'article 5/2 du même Code, les revenus d'un compte étranger visé à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, a), du même Code et les revenus des contrats d'assurance-vie étrangers visés à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, b), du même Code, qui font l'objet d'une déclaration-régularisation introduite auprès du Point de contact;
6° sommes régularisées: les sommes et valeurs qui font l'objet d'une déclaration-régularisation effectuée auprès du Point de contact, par une personne morale ou par une personne physique, lorsque celle-ci démontre que ces sommes et valeurs n'ont pas la nature de revenus qui sont normalement soumis à l'impôt sur les revenus pour l'année au cours de laquelle ils ont été obtenus ou recueillis mais tombent sous l'application du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant qu'ils se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, ou sous l'application du Code des droits et taxes divers;
7° opérations T.V.A. régularisées: les opérations soumises à la T.V.A. visées à l'article 51 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée qui font l'objet d'une déclaration-régularisation auprès du Point de contact, par une personne morale ou par une personne physique;
8° déclarant: la personne physique ou la personne morale qui introduit une déclaration-régularisation soit personnellement soit par l'intermédiaire d'un mandataire;
9° mandataire: une personne ou une entreprise visées à l'article 5, § 1er, alinéa 1er,, 1° à 32°, et § 3, alinéa 1er, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
10° prélèvement: le montant total de la somme due en raison de la régularisation;
11° capitaux fiscalement prescrits: les capitaux visés dans le présent chapitre, à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef du contribuable qui a commis l'infraction fiscale, suite à l'expiration des délais, selon le cas, visés soit aux articles 354 ou 358, § 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, soit aux articles 81, 81bis ou 83 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, soit aux articles 214, 216, 217.1 et 217² ou 218 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, soit aux articles 202.8 ou 202.9 du Code des droits et taxes divers.
Art.41. § 1. De geregulariseerde inkomsten die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk worden onderworpen aan een heffing tegen het normale tarief inzake inkomstenbelastingen dat van toepassing is met betrekking tot het belastbaar tijdperk waarin deze inkomsten werden behaald of verkregen, verhoogd met 30 percentpunten.
Bij de vaststelling van deze heffing wordt geen rekening gehouden met enige belastingvermindering of belastingkrediet, noch met een verrekening van voorheffingen, voorafbetalingen of van de woonstaatheffing.
§ 2. De geregulariseerde sommen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen het normale belastingtarief dat volgens de normale regels op die sommen van toepassing is met betrekking tot het belastbaar tijdperk waarin deze sommen werden behaald of verkregen, verhoogd met 30 percentpunten.
§ 3. De geregulariseerde btw-handelingen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen het btw-tarief dat van toepassing is op de geregulariseerde handelingen op het ogenblik waarop ze plaatsvonden, verhoogd met 30 percentpunten behalve in de gevallen waarin de regularisatieaangifte reeds aanleiding geeft tot regularisatie van die handelingen als beroepsinkomsten met toepassing van paragraaf 1.
Bij de vaststelling van deze heffing wordt geen rekening gehouden met enige belastingvermindering of belastingkrediet, noch met een verrekening van voorheffingen, voorafbetalingen of van de woonstaatheffing.
§ 2. De geregulariseerde sommen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen het normale belastingtarief dat volgens de normale regels op die sommen van toepassing is met betrekking tot het belastbaar tijdperk waarin deze sommen werden behaald of verkregen, verhoogd met 30 percentpunten.
§ 3. De geregulariseerde btw-handelingen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen het btw-tarief dat van toepassing is op de geregulariseerde handelingen op het ogenblik waarop ze plaatsvonden, verhoogd met 30 percentpunten behalve in de gevallen waarin de regularisatieaangifte reeds aanleiding geeft tot regularisatie van die handelingen als beroepsinkomsten met toepassing van paragraaf 1.
Art.41. § 1er. Les revenus régularisés qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à leur taux normal en matière d'impôts sur les revenus qui est d'application pour la période imposable durant laquelle ces revenus ont été obtenus ou recueillis majoré de 30 points de pourcentage.
Lors de la détermination de ce prélèvement, il n'est tenu compte d'aucune réduction d'impôt ou crédit d'impôts, ni d'une imputation de précomptes, de versements anticipés ou du prélèvement pour l'Etat de résidence.
§ 2. Les sommes régularisées qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumises à un prélèvement au taux normal d'imposition selon les règles normales qui sont applicables auxdites sommes pour la période imposable au cours de laquelle ces sommes ont été obtenues ou recueillies, majoré de 30 points de pourcentage.
§ 3. Les opérations T.V.A. régularisées qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumises à un prélèvement à la T.V.A. au taux qui est d'application pour les opérations régularisées au moment où les opérations ont eu lieu, majoré de 30 points de pourcentage à l'exclusion des cas dans lesquels la déclaration-régularisation donne déjà lieu à la régularisation de ces opérations en tant que revenus professionnels en application du paragraphe 1er.
Lors de la détermination de ce prélèvement, il n'est tenu compte d'aucune réduction d'impôt ou crédit d'impôts, ni d'une imputation de précomptes, de versements anticipés ou du prélèvement pour l'Etat de résidence.
§ 2. Les sommes régularisées qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumises à un prélèvement au taux normal d'imposition selon les règles normales qui sont applicables auxdites sommes pour la période imposable au cours de laquelle ces sommes ont été obtenues ou recueillies, majoré de 30 points de pourcentage.
§ 3. Les opérations T.V.A. régularisées qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumises à un prélèvement à la T.V.A. au taux qui est d'application pour les opérations régularisées au moment où les opérations ont eu lieu, majoré de 30 points de pourcentage à l'exclusion des cas dans lesquels la déclaration-régularisation donne déjà lieu à la régularisation de ces opérations en tant que revenus professionnels en application du paragraphe 1er.
Art.42. In geval van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, heeft de definitieve, zonder enig voorbehoud uitgevoerde betaling van de in artikel 41 bepaalde heffingen tot gevolg dat:
- de in artikel 41, § 1, bedoelde inkomsten voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan de inkomstenbelasting zoals bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met inbegrip van de daarin vermelde belastingverhogingen, boetes en nalatigheidsintresten;
- de in artikel 41, § 2, bedoelde sommen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige rechten of taksen, zoals bepaald in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover ze betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten of het Wetboek diverse rechten en taksen, met inbegrip van de daarin vermelde boetes en nalatigheidsinteresten;
- de in artikel 41, § 3, bedoelde handelingen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige btw, noch aan enige bijkomende sanctie of boete zoals bepaald in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
- de in artikel 41, § 1, bedoelde inkomsten voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan de inkomstenbelasting zoals bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met inbegrip van de daarin vermelde belastingverhogingen, boetes en nalatigheidsintresten;
- de in artikel 41, § 2, bedoelde sommen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige rechten of taksen, zoals bepaald in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover ze betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten of het Wetboek diverse rechten en taksen, met inbegrip van de daarin vermelde boetes en nalatigheidsinteresten;
- de in artikel 41, § 3, bedoelde handelingen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige btw, noch aan enige bijkomende sanctie of boete zoals bepaald in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Art.42. Si la déclaration-régularisation a été réalisée dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre, le paiement définitif et effectué sans aucune réserve des prélèvements mentionnés à l'article 41 a pour conséquence que:
- les revenus visés à l'article 41, § 1er, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumis à l'impôt sur les revenus tel que prévu par le Code des impôts sur les revenus 1992, en ce compris aux accroissements d'impôt, amendes et intérêts de retard qui y sont prévus;
- les sommes visées à l'article 41, § 2, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumises à aucun droit ou taxe tels que prévus par le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant qu'ils se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ou le Code des droits et taxes divers, en ce compris aux amendes et intérêts de retard qui y sont prévus;
- les opérations visées à l'article 41, § 3, ne sont plus ou ne peuvent plus être, pour le surplus, soumises à aucune T.V.A., ni à aucune sanction additionnelle ou amende prévues par le Code de la taxe sur la valeur ajoutée.
- les revenus visés à l'article 41, § 1er, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumis à l'impôt sur les revenus tel que prévu par le Code des impôts sur les revenus 1992, en ce compris aux accroissements d'impôt, amendes et intérêts de retard qui y sont prévus;
- les sommes visées à l'article 41, § 2, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumises à aucun droit ou taxe tels que prévus par le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant qu'ils se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ou le Code des droits et taxes divers, en ce compris aux amendes et intérêts de retard qui y sont prévus;
- les opérations visées à l'article 41, § 3, ne sont plus ou ne peuvent plus être, pour le surplus, soumises à aucune T.V.A., ni à aucune sanction additionnelle ou amende prévues par le Code de la taxe sur la valeur ajoutée.
Art.43. Fiscaal verjaarde kapitalen die afkomstig zijn van de fiscale misdrijven bedoeld in artikel 48, § 1, die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen onder de vorm van levensverzekeringen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen van de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde buitenlandse rekeningen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen van een in artikel 2 van het voormelde Wetboek bedoelde juridische constructie die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen onder de vorm van levensverzekeringen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen van de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde buitenlandse rekeningen die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Fiscaal verjaarde kapitalen van een in artikel 2 van het voormelde Wetboek bedoelde juridische constructie die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden onderworpen aan een heffing tegen een tarief van 45 percentpunten op het kapitaal.
Art.43. Les capitaux fiscalement prescrits issus des infractions fiscales définies à l'article 48, § 1er, qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits sous la forme d'une assurance-vie qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits des comptes étrangers visés à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, a), du Code des impôts sur les revenus 1992, qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits d'une construction juridique visée à l'article 2 du Code susvisé qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits sous la forme d'une assurance-vie qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits des comptes étrangers visés à l'article 307, § 1er/1, alinéa 1er, a), du Code des impôts sur les revenus 1992, qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Les capitaux fiscalement prescrits d'une construction juridique visée à l'article 2 du Code susvisé qui font l'objet d'une déclaration-régularisation dans le respect des dispositions prévues dans le présent chapitre sont soumis à un prélèvement à un taux de 45 points de pourcentage sur le capital.
Art.44. Noch de regularisatieaangifte, noch de betaling van de heffing, noch het regularisatieattest bedoeld in dit hoofdstuk, hebben uitwerking indien:
1° de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen het voorwerp hebben uitgemaakt van één van de misdrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek, behoudens wanneer deze uitsluitend zijn verkregen uit de misdrijven als bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover deze artikelen betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten en in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen;
2° de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 4, 23°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 4, 23°, k), van dezelfde wet, het misdrijf "misbruik van vennootschapsgoederen" en het misdrijf "misbruik van vertrouwen", voor zover geregulariseerd wordt overeenkomstig de artikelen 41 en 43;
3° de aangever, vóór de indiening van de regularisatieaangifte, door een Belgische gerechtelijke instantie, een Belgische belastingadministratie, een Belgische sociale zekerheidsinstelling of een sociale inspectiedienst of de FOD Economie, schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden;
4° ten behoeve van dezelfde aangever reeds een regularisatieaangifte werd ingediend sinds de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
1° de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen het voorwerp hebben uitgemaakt van één van de misdrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek, behoudens wanneer deze uitsluitend zijn verkregen uit de misdrijven als bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor zover deze artikelen betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten en in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen;
2° de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 4, 23°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 4, 23°, k), van dezelfde wet, het misdrijf "misbruik van vennootschapsgoederen" en het misdrijf "misbruik van vertrouwen", voor zover geregulariseerd wordt overeenkomstig de artikelen 41 en 43;
3° de aangever, vóór de indiening van de regularisatieaangifte, door een Belgische gerechtelijke instantie, een Belgische belastingadministratie, een Belgische sociale zekerheidsinstelling of een sociale inspectiedienst of de FOD Economie, schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden;
4° ten behoeve van dezelfde aangever reeds een regularisatieaangifte werd ingediend sinds de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Art.44. Ni la déclaration-régularisation, ni le paiement des prélèvements, ni l'attestation-régularisation visés dans le présent chapitre, ne produisent d'effets si:
1° les revenus, sommes, opérations T.V.A. ou capitaux régularisés ont fait l'objet d'une infraction visée à l'article 505 du Code pénal, sauf lorsque ceux-ci ont été acquis exclusivement par des infractions visées aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus 1992, aux articles 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions et aux articles 207 et 207bis du Code des droits et taxes divers;
2° les revenus, sommes, opérations T.V.A ou capitaux régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 4, 23°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, à l'exception de l'infraction visée à l'article 4, 23°, k), de la même loi, et de l'infraction d' "abus de biens sociaux" et d' "abus de confiance", pour autant qu'ils soient régularisés conformément aux articles 41 et 43;
3° avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant a été informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours par une instance judiciaire belge, par une administration fiscale belge, une institution de sécurité sociale ou un service d'inspection sociale belge ou le SPF Economie;
4° une déclaration-régularisation a déjà été introduite en faveur du même déclarant depuis la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
1° les revenus, sommes, opérations T.V.A. ou capitaux régularisés ont fait l'objet d'une infraction visée à l'article 505 du Code pénal, sauf lorsque ceux-ci ont été acquis exclusivement par des infractions visées aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus 1992, aux articles 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions et aux articles 207 et 207bis du Code des droits et taxes divers;
2° les revenus, sommes, opérations T.V.A ou capitaux régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 4, 23°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, à l'exception de l'infraction visée à l'article 4, 23°, k), de la même loi, et de l'infraction d' "abus de biens sociaux" et d' "abus de confiance", pour autant qu'ils soient régularisés conformément aux articles 41 et 43;
3° avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant a été informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours par une instance judiciaire belge, par une administration fiscale belge, une institution de sécurité sociale ou un service d'inspection sociale belge ou le SPF Economie;
4° une déclaration-régularisation a déjà été introduite en faveur du même déclarant depuis la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Art.45. De regularisatieaangifte wordt bij het Contactpunt ingediend door middel van een aangifteformulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld. Dit aangifteformulier vermeldt onder andere de naam van de aangever en, in voorkomend geval, de naam van zijn gemachtigde, het bedrag van de aangegeven inkomsten, sommen, btw-handelingen en fiscaal verjaarde kapitalen en de datum van indiening van de aangifte.
De onderliggende stukken kunnen worden ingediend tot zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. Het Contactpunt heeft de mogelijkheid om de onderliggende stukken die met de regularisatieaangifte worden meegestuurd en die betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, na te kijken met het oog op de overeenstemming ervan met de gegevens uit de regularisatieaangifte.
Stukken die naar aanleiding van een regularisatieaangifte worden overgelegd en die geen betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, worden geacht geen deel uit te maken van de regularisatieaangifte en kunnen zodoende later niet worden tegengeworpen aan een binnenlandse of buitenlandse, administratieve of gerechtelijke instantie of financiële instelling.
De regularisatieaangifte gaat in de gevallen bedoeld in de artikelen 41 en 43, gepaard met een bondige verklaring omtrent het fraudeschema, alsook omtrent de omvang en de oorsprong van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen, de periode waarin deze zijn ontstaan en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen.
Na ontvangst van de regularisatieaangifte brengt het Contactpunt de aangever of zijn gemachtigde per post op de hoogte van de ontvankelijkheid ervan. Het Contactpunt stelt in dezelfde brief het bedrag vast van de in uitvoering van dit hoofdstuk verschuldigde heffing.
De betaling van de heffing moet definitief en zonder enig voorbehoud worden verricht binnen 15 kalenderdagen volgend op de verzendingsdatum van die brief en is definitief door de Schatkist verworven.
Op het ogenblik van de ontvangst van deze definitieve en zonder enig voorbehoud uitgevoerde betaling, verzendt het Contactpunt aan de aangever of zijn gemachtigde, een regularisatieattest waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat onder andere bevat: de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde, het bedrag van de heffing, het bedrag van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen.
Zodra het regularisatieattest aan de aangever of zijn gemachtigde wordt verzonden, brengt het Contactpunt de Cel voor financiële informatieverwerking opgericht door de voormelde wet van 18 september 2017 op de hoogte van de regularisatie die werd gesloten en bezorgt het de cel een kopie van het regularisatieattest en de gegevens bedoeld in het vierde lid met uitzondering van het fraudeschema.
De aangiften die bij het Contactpunt worden verricht, worden genummerd en bijgehouden. Het Contactpunt houdt bovendien een lijst bij van de afgeleverde regularisatieattesten met vermelding van het nummer van de regularisatieaangifte.
De ambtenaren en personeelsleden die actief zijn binnen het Contactpunt zijn gehouden tot het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
Zij mogen de naar aanleiding van de regularisatieaangifte verkregen inlichtingen bovendien niet bekend maken aan de andere diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Het beroepsgeheim bedoeld in het tiende lid doet geen afbreuk aan de meldingsverplichtingen zoals ze worden voorzien in artikel 24 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie.
De onderliggende stukken kunnen worden ingediend tot zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. Het Contactpunt heeft de mogelijkheid om de onderliggende stukken die met de regularisatieaangifte worden meegestuurd en die betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, na te kijken met het oog op de overeenstemming ervan met de gegevens uit de regularisatieaangifte.
Stukken die naar aanleiding van een regularisatieaangifte worden overgelegd en die geen betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, worden geacht geen deel uit te maken van de regularisatieaangifte en kunnen zodoende later niet worden tegengeworpen aan een binnenlandse of buitenlandse, administratieve of gerechtelijke instantie of financiële instelling.
De regularisatieaangifte gaat in de gevallen bedoeld in de artikelen 41 en 43, gepaard met een bondige verklaring omtrent het fraudeschema, alsook omtrent de omvang en de oorsprong van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen, de periode waarin deze zijn ontstaan en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen.
Na ontvangst van de regularisatieaangifte brengt het Contactpunt de aangever of zijn gemachtigde per post op de hoogte van de ontvankelijkheid ervan. Het Contactpunt stelt in dezelfde brief het bedrag vast van de in uitvoering van dit hoofdstuk verschuldigde heffing.
De betaling van de heffing moet definitief en zonder enig voorbehoud worden verricht binnen 15 kalenderdagen volgend op de verzendingsdatum van die brief en is definitief door de Schatkist verworven.
Op het ogenblik van de ontvangst van deze definitieve en zonder enig voorbehoud uitgevoerde betaling, verzendt het Contactpunt aan de aangever of zijn gemachtigde, een regularisatieattest waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat onder andere bevat: de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde, het bedrag van de heffing, het bedrag van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen.
Zodra het regularisatieattest aan de aangever of zijn gemachtigde wordt verzonden, brengt het Contactpunt de Cel voor financiële informatieverwerking opgericht door de voormelde wet van 18 september 2017 op de hoogte van de regularisatie die werd gesloten en bezorgt het de cel een kopie van het regularisatieattest en de gegevens bedoeld in het vierde lid met uitzondering van het fraudeschema.
De aangiften die bij het Contactpunt worden verricht, worden genummerd en bijgehouden. Het Contactpunt houdt bovendien een lijst bij van de afgeleverde regularisatieattesten met vermelding van het nummer van de regularisatieaangifte.
De ambtenaren en personeelsleden die actief zijn binnen het Contactpunt zijn gehouden tot het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
Zij mogen de naar aanleiding van de regularisatieaangifte verkregen inlichtingen bovendien niet bekend maken aan de andere diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Het beroepsgeheim bedoeld in het tiende lid doet geen afbreuk aan de meldingsverplichtingen zoals ze worden voorzien in artikel 24 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie.
Art.45. La déclaration-régularisation est introduite auprès du Point de contact au moyen d'un formulaire de déclaration dont le modèle est établi par le Roi. Ce formulaire de déclaration mentionne notamment le nom du déclarant et, le cas échéant, celui de son mandataire, le montant des revenus, des sommes, des opérations T.V.A. et des capitaux fiscalement prescrits déclarés et la date de dépôt de la déclaration.
Les pièces sous-jacentes peuvent être introduites jusqu'à six mois après l'introduction de la déclaration-régularisation. Le Point de contact a la possibilité d'examiner les pièces sous-jacentes qui accompagnent la déclaration-régularisation et qui sont relatives aux montants régularisés, eu égard à leurs concordances avec les données de la déclaration-régularisation.
Les pièces qui sont produites suite à une déclaration-régularisation et qui ne sont pas relatives aux montants régularisés sont censées ne pas faire partie de la déclaration-régularisation et ne peuvent ainsi pas être opposées par la suite à une instance administrative ou judiciaire ou un établissement financier national ou étranger.
Dans les cas visés aux articles 41 et 43, la déclaration-régularisation est accompagnée d'une explication succincte du schéma de fraude, ainsi que de l'ampleur et de l'origine des revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux régularisés, de la période pendant laquelle ceux-ci sont apparus et des comptes financiers utilisés pour les montants régularisés.
Après la réception de la déclaration-régularisation, le Point de contact informe par courrier le déclarant ou son mandataire de la recevabilité de celle-ci. Le Point de contact fixe dans le même courrier le montant du prélèvement dû en exécution du présent chapitre.
Le paiement du prélèvement doit s'opérer définitivement et sans aucune réserve dans les 15 jours calendrier qui suivent la date d'envoi de ce courrier et est définitivement acquis au Trésor.
Au moment de la réception de ce paiement définitif et effectué sans aucune réserve, le Point de contact transmet au déclarant ou à son mandataire, une attestation-régularisation dont le modèle est fixé par le Roi, qui comporte notamment: le nom du déclarant et, le cas échéant, celui de son mandataire, le montant du prélèvement, le montant des revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux régularisés.
Dès que l'attestation-régularisation a été transmise au déclarant ou à son mandataire, le Point de contact informe la Cellule de traitement des informations financières instaurée par la loi du 18 septembre 2017 précitée de la régularisation qui a été conclue et lui envoie une copie de l'attestation-régularisation ainsi que les données visées à l'alinéa 4, à l'exception du schéma de fraude.
Les déclarations effectuées auprès du Point de contact sont numérotées et conservées. Le Point de contact tient, en outre, une liste des attestations-régularisation délivrées avec une référence au numéro de la déclaration-régularisation.
Les fonctionnaires et les membres du personnel qui sont actifs au sein du Point de contact sont tenus au secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal.
Ils ne peuvent par ailleurs divulguer les informations recueillies à l'occasion de la déclaration-régularisation à d'autres services du Service public fédéral Finances.
Le secret professionnel prévu à l'alinéa 10, ne fait pas obstacle aux obligations de signalement telles qu'elles sont prévues à l'article 24 du règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en oeuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen.
Les pièces sous-jacentes peuvent être introduites jusqu'à six mois après l'introduction de la déclaration-régularisation. Le Point de contact a la possibilité d'examiner les pièces sous-jacentes qui accompagnent la déclaration-régularisation et qui sont relatives aux montants régularisés, eu égard à leurs concordances avec les données de la déclaration-régularisation.
Les pièces qui sont produites suite à une déclaration-régularisation et qui ne sont pas relatives aux montants régularisés sont censées ne pas faire partie de la déclaration-régularisation et ne peuvent ainsi pas être opposées par la suite à une instance administrative ou judiciaire ou un établissement financier national ou étranger.
Dans les cas visés aux articles 41 et 43, la déclaration-régularisation est accompagnée d'une explication succincte du schéma de fraude, ainsi que de l'ampleur et de l'origine des revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux régularisés, de la période pendant laquelle ceux-ci sont apparus et des comptes financiers utilisés pour les montants régularisés.
Après la réception de la déclaration-régularisation, le Point de contact informe par courrier le déclarant ou son mandataire de la recevabilité de celle-ci. Le Point de contact fixe dans le même courrier le montant du prélèvement dû en exécution du présent chapitre.
Le paiement du prélèvement doit s'opérer définitivement et sans aucune réserve dans les 15 jours calendrier qui suivent la date d'envoi de ce courrier et est définitivement acquis au Trésor.
Au moment de la réception de ce paiement définitif et effectué sans aucune réserve, le Point de contact transmet au déclarant ou à son mandataire, une attestation-régularisation dont le modèle est fixé par le Roi, qui comporte notamment: le nom du déclarant et, le cas échéant, celui de son mandataire, le montant du prélèvement, le montant des revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux régularisés.
Dès que l'attestation-régularisation a été transmise au déclarant ou à son mandataire, le Point de contact informe la Cellule de traitement des informations financières instaurée par la loi du 18 septembre 2017 précitée de la régularisation qui a été conclue et lui envoie une copie de l'attestation-régularisation ainsi que les données visées à l'alinéa 4, à l'exception du schéma de fraude.
Les déclarations effectuées auprès du Point de contact sont numérotées et conservées. Le Point de contact tient, en outre, une liste des attestations-régularisation délivrées avec une référence au numéro de la déclaration-régularisation.
Les fonctionnaires et les membres du personnel qui sont actifs au sein du Point de contact sont tenus au secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal.
Ils ne peuvent par ailleurs divulguer les informations recueillies à l'occasion de la déclaration-régularisation à d'autres services du Service public fédéral Finances.
Le secret professionnel prévu à l'alinéa 10, ne fait pas obstacle aux obligations de signalement telles qu'elles sont prévues à l'article 24 du règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en oeuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen.
Art.46. In alle gevallen waarin het gaat om een federale belasting of een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor het in artikel 50 bedoelde samenwerkingsakkoord is afgesloten, kunnen de aangifte, de daaropvolgende betaling van de verschuldigde heffing en het attest bedoeld in artikel 45, zevende lid, niet als indicie of aanwijzing worden aangewend om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren, om mogelijke inbreuken op de belastingwetgeving te melden of om inlichtingen uit te wisselen, behalve met betrekking tot de vaststelling van de ingevolge de regularisatieaangifte verschuldigde heffing, het bedrag van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen.
Art.46. Dans tous les cas où il s'agit d'un impôt fédéral ou d'un impôt régional dont l'autorité fédérale assure le service et pour lequel l'accord de coopération visé à l'article 50 est conclu, la déclaration, le paiement subséquent du prélèvement dû et l'attestation visée à l'article 45, alinéa 7, ne peuvent pas être utilisés comme indice ou indication pour effectuer des enquêtes ou des contrôles de nature fiscale, pour déclarer de possibles infractions fiscales ou pour échanger des renseignements, sauf en ce qui concerne la détermination des prélèvements dus en raison de la déclaration-régularisation, le montant des revenus, sommes, opérations T.V.A. et capitaux régularisés.
Art.47. Binnen de grenzen gesteld door de artikelen 42 en 44 en voor zover het gaat om een federale belasting of een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor het in artikel 50 bedoelde samenwerkingsakkoord is afgesloten, kan het regularisatieattest gebruikt worden als bewijsmiddel voor de hoven en rechtbanken, voor de administratieve rechtscolleges, evenals tegenover elke openbare dienst.
Art.47. Dans les limites des dispositions prévues aux articles 42 et 44 et pour autant qu'il s'agisse d'un impôt fédéral ou d'un impôt régional dont l'autorité fédérale assure le service et pour lequel l'accord de coopération visé à l'article 50 est conclu, l'attestation-régularisation peut être utilisée comme moyen de preuve devant les cours et tribunaux, devant les juridictions administratives, ainsi qu'à l'encontre de tout service public.
Art.48. § 1. Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten voor zover deze artikelen betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, vermelde registratierechten, in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, of aan misdrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek, in zoverre die betrekking hebben op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de voormelde misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, of op de inkomsten uit de belegde voordelen, evenals personen die mededaders of medeplichtigen zijn aan deze misdrijven in de zin van de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek, blijven vrijgesteld van strafvervolging uit dien hoofde, indien zij niet vóór de datum van indiening van de regularisatieaangifte, het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven en indien er een regularisatieaangifte werd gedaan onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en de ingevolge die regularisatieaangifte verschuldigde heffing definitief en zonder enig voorbehoud werd betaald.
§ 2. Voor alle misdrijven, andere dan deze bepaald in paragraaf 1, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde personen nog steeds het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdrijven bepaald in de artikelen 193 tot 197, 489 tot 490bis, 491 en 492bis van het Strafwetboek, artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht, artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 januari 2014 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, de verschillende strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die werden begaan met het oog op het plegen van of het vergemakkelijken van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven of die het gevolg zijn van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven, blijven voor deze misdrijven vrij van straf, indien ze vóór de datum van indiening van de in dit hoofdstuk bedoelde regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven, ze een regularisatieaangifte hebben ingediend onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en ze de in dit hoofdstuk bepaalde heffing definitief en zonder enige voorbehoud hebben betaald.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
Paragraaf 1 en het eerste tot het derde lid doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 3. De leden van het Contactpunt, zijn personeelsleden, alsook de andere ambtenaren die bij hem gedetacheerd zijn, hebben geen mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.
§ 2. Voor alle misdrijven, andere dan deze bepaald in paragraaf 1, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde personen nog steeds het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdrijven bepaald in de artikelen 193 tot 197, 489 tot 490bis, 491 en 492bis van het Strafwetboek, artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht, artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 januari 2014 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, de verschillende strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die werden begaan met het oog op het plegen van of het vergemakkelijken van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven of die het gevolg zijn van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven, blijven voor deze misdrijven vrij van straf, indien ze vóór de datum van indiening van de in dit hoofdstuk bedoelde regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven, ze een regularisatieaangifte hebben ingediend onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en ze de in dit hoofdstuk bepaalde heffing definitief en zonder enige voorbehoud hebben betaald.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
Paragraaf 1 en het eerste tot het derde lid doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 3. De leden van het Contactpunt, zijn personeelsleden, alsook de andere ambtenaren die bij hem gedetacheerd zijn, hebben geen mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.
Art.48. § 1er. Les personnes qui se sont rendues coupables d'infractions visées aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus 1992, aux articles 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui ne sont pas mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, aux articles 207 et 207bis du Code des droits et taxes divers, ou d'infractions visées à l'article 505 du Code pénal, dans la mesure où elles visent les avantages patrimoniaux tirés directement des infractions précitées ou les biens et valeurs qui leur ont été substitués ou les revenus de ces avantages investis, ainsi que les personnes qui sont coauteurs ou complices de telles infractions au sens des articles 66 et 67 du Code pénal, sont exonérées de poursuites pénales de ce chef si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions et si une déclaration-régularisation a été effectuée dans les conditions du présent chapitre et si le prélèvement dû en raison de cette déclaration-régularisation a été payé définitivement et sans aucune réserve.
§ 2. Pour toutes les infractions, autres que celles définies dans le paragraphe 1er, les personnes visées au paragraphe 1er peuvent toujours faire l'objet de poursuites pénales.
Les personnes qui se sont rendues coupables des infractions définies aux articles 193 à 197, 489 à 490bis, 491 et 492bis du Code pénal, à l'article XV.75 du Code de droit économique, à l'article 11 de l'arrêté royal du 26 janvier 2014 portant certaines mesures relatives au contrôle du transport transfrontalier d'argent liquide, aux différentes dispositions pénales du Code des sociétés et associations, et qui ont été commises en vue de commettre ou de faciliter les infractions définies au paragraphe 1er ou qui résultent des infractions définies au paragraphe 1er, restent pour ces infractions exonérées de sanction, si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation conformément aux dispositions du présent chapitre, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, si elles ont effectué une déclaration-régularisation dans les conditions du présent chapitre et si elles ont payé définitivement et sans aucune réserve le prélèvement dû conformément au présent chapitre.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux coauteurs et complices qui n'ont pas déposé une déclaration-régularisation.
Le paragraphe 1er et les alinéas 1er à 3 ne portent pas atteinte aux droits de tiers.
§ 3. Les membres du Point de contact, les membres de son personnel, ainsi que les autres fonctionnaires détachés auprès de lui, n'ont pas l'obligation de dénoncer telle que prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
§ 2. Pour toutes les infractions, autres que celles définies dans le paragraphe 1er, les personnes visées au paragraphe 1er peuvent toujours faire l'objet de poursuites pénales.
Les personnes qui se sont rendues coupables des infractions définies aux articles 193 à 197, 489 à 490bis, 491 et 492bis du Code pénal, à l'article XV.75 du Code de droit économique, à l'article 11 de l'arrêté royal du 26 janvier 2014 portant certaines mesures relatives au contrôle du transport transfrontalier d'argent liquide, aux différentes dispositions pénales du Code des sociétés et associations, et qui ont été commises en vue de commettre ou de faciliter les infractions définies au paragraphe 1er ou qui résultent des infractions définies au paragraphe 1er, restent pour ces infractions exonérées de sanction, si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation conformément aux dispositions du présent chapitre, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, si elles ont effectué une déclaration-régularisation dans les conditions du présent chapitre et si elles ont payé définitivement et sans aucune réserve le prélèvement dû conformément au présent chapitre.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux coauteurs et complices qui n'ont pas déposé une déclaration-régularisation.
Le paragraphe 1er et les alinéas 1er à 3 ne portent pas atteinte aux droits de tiers.
§ 3. Les membres du Point de contact, les membres de son personnel, ainsi que les autres fonctionnaires détachés auprès de lui, n'ont pas l'obligation de dénoncer telle que prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
Art.49. De aangever moet in zijn aangifte aan de hand van schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, aantonen dat de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen hun normale belastingregime hebben ondergaan.
Onder voorbehoud van het derde en het vierde lid moeten de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen, of het gedeelte ervan waarvan de aangever niet kan aantonen dat ze hun normale belastingregime hebben ondergaan op de wijze bedoeld in het eerste lid, worden geregulariseerd.
De in het tweede lid bedoelde bedragen worden slechts geregulariseerd voor zover de aangever aan de hand van een schriftelijk bewijs, zo nodig aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, de aard van de belasting aantoont alsook de belastingcategorie en het tijdperk waartoe de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen die niet hun normale belastingregime hebben ondergaan, behoren.
Onverminderd artikel 48 is geen regularisatie mogelijk voor de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de kapitalen die in verband kunnen worden gebracht met:
- terrorisme of financiering van terrorisme;
- georganiseerde misdaad;
- illegale handel in verdovende middelen;
- illegale handel in wapens en daaraan verbonden goederen en handelswaren, met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of clustermunitie;
- handel in clandestiene werkkrachten;
- mensenhandel;
- uitbuiting van prostitutie;
- illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
- illegale handel in menselijke organen of weefsels;
- fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie, die inzake de btw deze beoogt die verbonden is met het grondgebied van ten minste twee lidstaten en een schade veroorzaakt van ten minste 10.000.000 euro;
- verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en corruptie;
- ernstige milieucriminaliteit;
- namaak van muntstukken of bankbiljetten;
- namaak van goederen;
- piraterij;
- beursdelicten;
- onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning;
- oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
De met toepassing van het derde lid geregulariseerde bedragen worden enkel geregulariseerd voor de federale belastingen en de gewestelijke belastingen waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor een in artikel 50 bedoelde samenwerkingsakkoord is afgesloten.
Onder voorbehoud van het derde en het vierde lid moeten de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen, of het gedeelte ervan waarvan de aangever niet kan aantonen dat ze hun normale belastingregime hebben ondergaan op de wijze bedoeld in het eerste lid, worden geregulariseerd.
De in het tweede lid bedoelde bedragen worden slechts geregulariseerd voor zover de aangever aan de hand van een schriftelijk bewijs, zo nodig aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, de aard van de belasting aantoont alsook de belastingcategorie en het tijdperk waartoe de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen die niet hun normale belastingregime hebben ondergaan, behoren.
Onverminderd artikel 48 is geen regularisatie mogelijk voor de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de kapitalen die in verband kunnen worden gebracht met:
- terrorisme of financiering van terrorisme;
- georganiseerde misdaad;
- illegale handel in verdovende middelen;
- illegale handel in wapens en daaraan verbonden goederen en handelswaren, met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of clustermunitie;
- handel in clandestiene werkkrachten;
- mensenhandel;
- uitbuiting van prostitutie;
- illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
- illegale handel in menselijke organen of weefsels;
- fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie, die inzake de btw deze beoogt die verbonden is met het grondgebied van ten minste twee lidstaten en een schade veroorzaakt van ten minste 10.000.000 euro;
- verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en corruptie;
- ernstige milieucriminaliteit;
- namaak van muntstukken of bankbiljetten;
- namaak van goederen;
- piraterij;
- beursdelicten;
- onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning;
- oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
De met toepassing van het derde lid geregulariseerde bedragen worden enkel geregulariseerd voor de federale belastingen en de gewestelijke belastingen waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor een in artikel 50 bedoelde samenwerkingsakkoord is afgesloten.
Art.49. Le déclarant doit démontrer dans sa déclaration, au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, que les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux fiscalement prescrits, ont été soumis à leur régime fiscal ordinaire.
Sous réserve des alinéas 3 et 4, les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux fiscalement prescrits, ou bien la partie de ceux-ci, dont le déclarant ne peut démontrer qu'ils ont été soumis à leur régime fiscal ordinaire de la manière prévue à l'alinéa 1er, doivent être régularisés.
Les montants visés à l'alinéa 2 ne sont régularisés que pour autant que le déclarant démontre, au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, la nature de l'impôt et la catégorie fiscale et la période à laquelle appartiennent les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux fiscalement prescrits qui n'ont pas été soumis à leur régime fiscal ordinaire.
Sans préjudice de l'article 48, ne peuvent pas être régularisés les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux qui sont liés:
- au terrorisme ou au financement du terrorisme;
- à la criminalité organisée;
- au trafic illicite de stupéfiants;
- au trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises en ce compris les mines anti-personnel et/ou les sous-munitions;
- au trafic de main-d'oeuvre clandestine;
- à la traite des êtres humains;
- à l'exploitation de la prostitution;
- à l'utilisation illégale, chez les animaux, de substances à effet hormonal ou au commerce illégal de telles substances;
- au trafic illicite d'organes ou de tissus humains:
- à la fraude au préjudice des intérêts financiers de l'Union européenne, laquelle en matière T.V.A. vise celle en lien avec le territoire d'au moins deux Etats membres entraînant un préjudice d'un montant total d'au moins 10.000.000 d'euros;
- au détournement par des personnes exerçant une fonction publique et à la corruption;
- à la criminalité environnementale grave;
- à la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque;
- à la contrefaçon de biens;
- à la piraterie;
- à un délit boursier;
- à un appel public irrégulier à l'épargne ou à la fourniture de services d'investissement, de commerce de devises ou de transferts de fonds sans agrément;
- à une escroquerie, à une prise d'otages, un vol ou une extorsion ou une infraction liée à l'état de faillite.
Les montants régularisés en application de l'alinéa 3 ne font l'objet d'une régularisation que pour les impôts fédéraux et les impôts régionaux dont l'autorité fédérale assure le service et pour lesquels un accord de coopération visé à l'article 50 est conclu.
Sous réserve des alinéas 3 et 4, les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux fiscalement prescrits, ou bien la partie de ceux-ci, dont le déclarant ne peut démontrer qu'ils ont été soumis à leur régime fiscal ordinaire de la manière prévue à l'alinéa 1er, doivent être régularisés.
Les montants visés à l'alinéa 2 ne sont régularisés que pour autant que le déclarant démontre, au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, la nature de l'impôt et la catégorie fiscale et la période à laquelle appartiennent les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux fiscalement prescrits qui n'ont pas été soumis à leur régime fiscal ordinaire.
Sans préjudice de l'article 48, ne peuvent pas être régularisés les revenus, les sommes, les opérations T.V.A. et les capitaux qui sont liés:
- au terrorisme ou au financement du terrorisme;
- à la criminalité organisée;
- au trafic illicite de stupéfiants;
- au trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises en ce compris les mines anti-personnel et/ou les sous-munitions;
- au trafic de main-d'oeuvre clandestine;
- à la traite des êtres humains;
- à l'exploitation de la prostitution;
- à l'utilisation illégale, chez les animaux, de substances à effet hormonal ou au commerce illégal de telles substances;
- au trafic illicite d'organes ou de tissus humains:
- à la fraude au préjudice des intérêts financiers de l'Union européenne, laquelle en matière T.V.A. vise celle en lien avec le territoire d'au moins deux Etats membres entraînant un préjudice d'un montant total d'au moins 10.000.000 d'euros;
- au détournement par des personnes exerçant une fonction publique et à la corruption;
- à la criminalité environnementale grave;
- à la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque;
- à la contrefaçon de biens;
- à la piraterie;
- à un délit boursier;
- à un appel public irrégulier à l'épargne ou à la fourniture de services d'investissement, de commerce de devises ou de transferts de fonds sans agrément;
- à une escroquerie, à une prise d'otages, un vol ou une extorsion ou une infraction liée à l'état de faillite.
Les montants régularisés en application de l'alinéa 3 ne font l'objet d'une régularisation que pour les impôts fédéraux et les impôts régionaux dont l'autorité fédérale assure le service et pour lesquels un accord de coopération visé à l'article 50 est conclu.
Art.50. De regularisatie van een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert, is enkel mogelijk wanneer er met het betrokken gewest een samenwerkingsakkoord wordt afgesloten.
Art.50. La régularisation d'un impôt régional dont l'autorité fédérale assure le service n'est possible que lorsqu'un accord de coopération est conclu avec la région concernée.
Art.51. Er wordt bij de dienst "voorafgaande beslissingen in fiscale zaken", een "Contactpunt regularisaties" opgericht, belast met de opdrachten die aan het contactpunt zijn toegekend door dit hoofdstuk.
Het wordt onder toezicht geplaatst van het college bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 augustus 2004 houdende oprichting van de dienst "voorafgaande beslissingen in fiscale zaken" bij de Federale Overheidsdienst Financiën.
De beslissingen die het college in het raam van dit artikel neemt, worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 augustus 2004 houdende oprichting van de dienst "voorafgaande beslissingen in fiscale zaken" bij de Federale Overheidsdienst Financiën.
Het wordt onder toezicht geplaatst van het college bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 augustus 2004 houdende oprichting van de dienst "voorafgaande beslissingen in fiscale zaken" bij de Federale Overheidsdienst Financiën.
De beslissingen die het college in het raam van dit artikel neemt, worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 augustus 2004 houdende oprichting van de dienst "voorafgaande beslissingen in fiscale zaken" bij de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art.51. Un "Point de contact-régularisations" chargé des missions qui lui sont attribuées par le présent chapitre, est créé au sein du service "décisions anticipées en matière fiscale".
Il est placé sous la direction du collège visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 13 août 2004 concernant la création du service "décisions anticipées en matière fiscale" au sein du Service public fédéral Finances.
Les décisions du collège prises dans le cadre du présent article sont adoptées conformément à l'article 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 13 août 2004 concernant la création du service "décisions anticipées en matière fiscale" au sein du Service public fédéral Finances.
Il est placé sous la direction du collège visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 13 août 2004 concernant la création du service "décisions anticipées en matière fiscale" au sein du Service public fédéral Finances.
Les décisions du collège prises dans le cadre du présent article sont adoptées conformément à l'article 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 13 août 2004 concernant la création du service "décisions anticipées en matière fiscale" au sein du Service public fédéral Finances.
HOOFDSTUK 6. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
CHAPITRE 6. - MODIFICATIONS RELATIVES A LA TAXE SUR LA VALEUR AJOUTEE
Afdeling 1. - Verlaagd btw-tarief met betrekking tot de renovatie van privéwoningen, de afbraak van gebouwen en heropbouw van woningen en de levering van sommige brandstoffen
Section 1re. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui concerne la rénovation de logements privés, la démolition de bâtiments et la reconstruction de logements et la livraison de certains combustibles
Art.52. Rubriek XXXI, § 4, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1986 en vernummerd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1992, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"3° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.".
"3° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.".
Art.52. La rubrique XXXI, § 4, du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, insérée par l'arrêté royal du 18 juillet 1986 et renuméroté par l'arrêté royal du 17 mars 1992, est complétée par un 3° rédigé comme suit:
"3° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.".
"3° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.".
Art.53. Rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, vervangen bij de wet van 12 mei 2024 en gewijzigd bij de wet van 10 december 2024, wordt vervangen als volgt:
"XXXVII. Afbraak en heropbouw van woningen
§ 1. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot en met het achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 2. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur aan of door tussenkomst van een in het tweede lid, 1°, bedoeld organisme en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd:
a) aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
b) in het kader van een door de bouwheer toegekend beheersmandaat aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw evenals, het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 3. Het verlaagd tarief is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer de op die handelingen verschuldigde belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek vanaf 1 juli 2025.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 175 m2;
b) hetzij door de verkrijger wordt verhuurd overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, 1° ;
c) hetzij door de verkrijger wordt verhuurd overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, 1°, a) en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 175 m2;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle verkopers en kopers van het heropgerichte gebouw, de respectievelijke aandelen van de kopers in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 175 m2, hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor, dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, hetzij te worden verhuurd als woning aan een natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 175 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op:
1° zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
2° de specifieke elementen van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 4. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat na de uitvoering van de werken:
a) door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om als woning te verhuren aan een natuurlijk persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2 en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 6. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), en paragraaf 4, tweede lid, 1°, blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Die minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of een andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat, of vloeit voort uit de geregistreerde huurovereenkomst of de opeenvolgende geregistreerde huurovereenkomsten, gesloten met de huurder(s).
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), of paragraaf 4, tweede lid, 1°, niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde storting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), en paragraaf 4, tweede lid, 1°.
§ 7. Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de opgaande muren.
Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle privatieve woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van 4 m2 en een minimumhoogte boven de vloer van 2 meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 8. De in de paragrafen 1, tweede lid, 1°, a) of 3, tweede lid, 1°, a), bedoelde voorwaarde met betrekking tot de enige woning, wordt, voor elke door die bepalingen bedoelde handeling, afzonderlijk geëvalueerd in hoofde van elke bouwheer of elke koper, ongeacht de bestaande juridische verhoudingen tussen de verschillende kopers of bouwheren die bij de handeling betrokken zijn.
Als de in het eerste lid bedoelde afzonderlijke evaluatie tot gevolg heeft dat de maatstaf van heffing van de in paragrafen 1, tweede lid, 1°, a) of 3, tweede lid, 1°, a), bedoelde handelingen voor de toepassing van het tarief moet worden uitgesplitst, gebeurt die uitsplitsing naar verhouding van de eigendomsrechten van de bouwheren of de kopers in de heropgebouwde woning.
Voor de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde handelingen gebeurt de in het tweede lid bedoelde uitsplitsing op grond van een gezamenlijke schriftelijke verklaring van de bouwheren over hun eigendomsaandeel in de heropgebouwde woning die aan de aannemer wordt overhandigd. Die verklaring ontlast de aannemer van zijn aansprakelijkheid met betrekking tot de uitsplitsing van de maatstaf van heffing, behoudens samenspanning tussen de partijen.".
"XXXVII. Afbraak en heropbouw van woningen
§ 1. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot en met het achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 2. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur aan of door tussenkomst van een in het tweede lid, 1°, bedoeld organisme en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd:
a) aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
b) in het kader van een door de bouwheer toegekend beheersmandaat aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw evenals, het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 3. Het verlaagd tarief is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer de op die handelingen verschuldigde belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek vanaf 1 juli 2025.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 175 m2;
b) hetzij door de verkrijger wordt verhuurd overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, 1° ;
c) hetzij door de verkrijger wordt verhuurd overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, 1°, a) en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 175 m2;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle verkopers en kopers van het heropgerichte gebouw, de respectievelijke aandelen van de kopers in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 175 m2, hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor, dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, hetzij te worden verhuurd als woning aan een natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 175 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op:
1° zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
2° de specifieke elementen van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 4. Het verlaagd tarief is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat na de uitvoering van de werken:
a) door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt, naast het rijksregisternummer en het telefoonnummer van wie die verklaring indient, de identificatiegegevens van alle eigenaars van het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten, de respectievelijke aandelen van de eigenaars in dat gebouw, evenals het adres en de kadastrale gegevens van dat gebouw, dat dat gebouw bedoeld is om als woning te verhuren aan een natuurlijk persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2 en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning;
4° handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen, daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel.
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 6. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), en paragraaf 4, tweede lid, 1°, blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Die minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of een andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat, of vloeit voort uit de geregistreerde huurovereenkomst of de opeenvolgende geregistreerde huurovereenkomsten, gesloten met de huurder(s).
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), of paragraaf 4, tweede lid, 1°, niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde storting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en c), en paragraaf 4, tweede lid, 1°.
§ 7. Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de opgaande muren.
Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle privatieve woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van deze rubriek, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van 4 m2 en een minimumhoogte boven de vloer van 2 meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 8. De in de paragrafen 1, tweede lid, 1°, a) of 3, tweede lid, 1°, a), bedoelde voorwaarde met betrekking tot de enige woning, wordt, voor elke door die bepalingen bedoelde handeling, afzonderlijk geëvalueerd in hoofde van elke bouwheer of elke koper, ongeacht de bestaande juridische verhoudingen tussen de verschillende kopers of bouwheren die bij de handeling betrokken zijn.
Als de in het eerste lid bedoelde afzonderlijke evaluatie tot gevolg heeft dat de maatstaf van heffing van de in paragrafen 1, tweede lid, 1°, a) of 3, tweede lid, 1°, a), bedoelde handelingen voor de toepassing van het tarief moet worden uitgesplitst, gebeurt die uitsplitsing naar verhouding van de eigendomsrechten van de bouwheren of de kopers in de heropgebouwde woning.
Voor de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde handelingen gebeurt de in het tweede lid bedoelde uitsplitsing op grond van een gezamenlijke schriftelijke verklaring van de bouwheren over hun eigendomsaandeel in de heropgebouwde woning die aan de aannemer wordt overhandigd. Die verklaring ontlast de aannemer van zijn aansprakelijkheid met betrekking tot de uitsplitsing van de maatstaf van heffing, behoudens samenspanning tussen de partijen.".
Art.53. La rubrique XXXVII du tableau A de l'annexe au même arrêté, insérée par la loi du 27 décembre 2006, remplacée par la loi du 12 mai 2024 et modifiée par la loi du 10 décembre 2024, est remplacée par ce qui suit:
"XXXVII. Démolition et reconstruction de bâtiments d'habitation
§ 1er. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 2. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée en faveur de ou par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'alinéa 2, 1° et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation:
a) à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
b) dans le cadre d'un mandat de gestion par le maître d'ouvrage accordé à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, ou par leur intermédiation, pendant une période d'au moins quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 3. Le taux réduit s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque la taxe due sur ces opérations est devenue exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code à partir du 1er juillet 2025.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation est utilisé, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur conformément au paragraphe 2, alinéa 2, 1° ;
c) soit est donné en location par l'acquéreur conformément au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, a) et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne, outre le numéro de régistre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les vendeurs et acheteurs du bâtiment reconstruit et vendu, les parts respectives des acheteurs dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, soit à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé ou à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatif(s) à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première utilisation ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative:
1° aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
2° aux éléments spécifiques d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 4. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 5. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse à l'Etat, dans le délai visé au 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 6. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première utilisation ou de la première occupation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou dans la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale ou la société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou résulte de la convention de bail enregistrée ou des conventions successives de bail enregistrées, conclues avec le ou les locataire(s).
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), ou au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°.
§ 7. Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs en élévation.
Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation privatives de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilés à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application du présent paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de 4 m2 et une hauteur minimum de 2 mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger le présent paragraphe.
§ 8. La condition relative à l'habitation unique visée aux paragraphes 1er, alinéa 2, 1°, a) et 3, alinéa 2, 1°, a) s'évalue, pour chaque opération visée par ces dispositions, individuellement dans le chef de chaque maître d'ouvrage ou acquéreur, quels que soient les liens juridiques existant entre les différents acquéreurs ou maîtres d'ouvrage concernés par cette opération.
Si l'évaluation individuelle visée à l'alinéa 1er implique que la base d'imposition des opérations visées aux paragraphes 1er, alinéa 2, 1°, a) ou 3, alinéa 2, 1°, a), soit ventilée pour l'application du taux, cette ventilation est effectuée proportionnellement aux droits de propriété des maîtres d'ouvrage ou des acquéreurs sur l'habitation reconstruite.
Pour les opérations visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, la ventilation visée à l'alinéa 2 est effectuée sur la base d'une déclaration écrite conjointe des maîtres d'ouvrage concernant leur quote-part de propriété de l'habitation reconstruite, laquelle est remise à l'entrepreneur. Cette déclaration décharge l'entrepreneur de toute responsabilité quant à la ventilation de la base d'imposition, sous réserve de collusion entre les parties.".
"XXXVII. Démolition et reconstruction de bâtiments d'habitation
§ 1er. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 2. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée en faveur de ou par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'alinéa 2, 1° et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation:
a) à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
b) dans le cadre d'un mandat de gestion par le maître d'ouvrage accordé à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, ou par leur intermédiation, pendant une période d'au moins quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 3. Le taux réduit s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque la taxe due sur ces opérations est devenue exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code à partir du 1er juillet 2025.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation est utilisé, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur conformément au paragraphe 2, alinéa 2, 1° ;
c) soit est donné en location par l'acquéreur conformément au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, a) et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne, outre le numéro de régistre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les vendeurs et acheteurs du bâtiment reconstruit et vendu, les parts respectives des acheteurs dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, soit à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé ou à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 175 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatif(s) à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première utilisation ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative:
1° aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
2° aux éléments spécifiques d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 4. Le taux réduit s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne, outre le numéro de registre national et le numéro de téléphone du déclarant, les coordonnées de tous les propriétaires du bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire, les parts respectives des propriétaires dans ce bâtiment ainsi que l'adresse et les données cadastrales de ce bâtiment, que ce bâtiment est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;
4° aux opérations comportant à la fois la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central alimentée par des combustibles fossiles, en ce compris les brûleurs et appareils de régulation et de contrôle reliés à la chaudière.
§ 5. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse à l'Etat, dans le délai visé au 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 6. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première utilisation ou de la première occupation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou dans la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale ou la société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou résulte de la convention de bail enregistrée ou des conventions successives de bail enregistrées, conclues avec le ou les locataire(s).
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), ou au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b) et c), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°.
§ 7. Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs en élévation.
Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation privatives de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilés à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application du présent paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de 4 m2 et une hauteur minimum de 2 mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger le présent paragraphe.
§ 8. La condition relative à l'habitation unique visée aux paragraphes 1er, alinéa 2, 1°, a) et 3, alinéa 2, 1°, a) s'évalue, pour chaque opération visée par ces dispositions, individuellement dans le chef de chaque maître d'ouvrage ou acquéreur, quels que soient les liens juridiques existant entre les différents acquéreurs ou maîtres d'ouvrage concernés par cette opération.
Si l'évaluation individuelle visée à l'alinéa 1er implique que la base d'imposition des opérations visées aux paragraphes 1er, alinéa 2, 1°, a) ou 3, alinéa 2, 1°, a), soit ventilée pour l'application du taux, cette ventilation est effectuée proportionnellement aux droits de propriété des maîtres d'ouvrage ou des acquéreurs sur l'habitation reconstruite.
Pour les opérations visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, la ventilation visée à l'alinéa 2 est effectuée sur la base d'une déclaration écrite conjointe des maîtres d'ouvrage concernant leur quote-part de propriété de l'habitation reconstruite, laquelle est remise à l'entrepreneur. Cette déclaration décharge l'entrepreneur de toute responsabilité quant à la ventilation de la base d'imposition, sous réserve de collusion entre les parties.".
Art.54. Rubriek VIII van tabel B van de bijlage bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1992 bekrachtigd bij de wet van 28 juli 1992, wordt opgeheven.
Art.54. La rubrique VIII du tableau B de l'annexe au même arrêté, insérée par l'arrêté royal du 28 mars 1992 confirmé par la loi du 28 juillet 1992, est abrogée.
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art.55. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.55. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 7. - HERINVOERING VAN EEN PERMANENT SYSTEEM SOCIALE REGULARISATIE
CHAPITRE 7. - REINSTAURATION D'UN SYSTEME PERMANENT DE REGULARISATION SOCIALE
Art.56. § 1. De aangever in de zin van artikel 40, 8°, kan middels een definitieve betaling zonder enig voorbehoud van een aanvullende sociale heffing, zijn regularisatieaangifte bedoeld in artikel 40, 2°, uitbreiden met het oog op het bekomen van een sociaal regularisatieattest dat de beroepsinkomsten dekt die onderworpen hadden moeten worden aan de betaling van verschuldigde niet verjaarde sociale bijdragen met toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
§ 2. De niet verjaarde sociale bijdragen in de zin van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 verschuldigd op deze beroepsinkomsten worden echter enkel als geregulariseerd beschouwd na de definitieve betaling zonder enig voorbehoud van een aanvullende sociale heffing die overeenkomt met 20 pct. van deze beroepsinkomsten.
§ 3. Als de regularisatieaangifte werd gedaan conform de voorwaarden voorzien in dit hoofdstuk, heeft de betaling van de heffing vermeld in dit artikel tot gevolg dat de geregulariseerde beroepsinkomsten niet meer onderworpen kunnen worden aan de betaling:
- van de bijdragen bepaald bij het voormelde koninklijk besluit nr. 38;
- van de verhogingen bedoeld in artikel 11bis van het voormelde koninklijk besluit nr. 38;
- van de verhogingen bedoeld in de artikelen 44, § 1, en 44bis van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het voormelde koninklijk besluit nr. 38; en
- van de administratieve boetes bedoeld in artikel 17bis van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
De betaling van de heffing bedoeld in dit artikel opent geen rechten op de uitkeringen bedoeld in artikel 18 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
§ 2. De niet verjaarde sociale bijdragen in de zin van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 verschuldigd op deze beroepsinkomsten worden echter enkel als geregulariseerd beschouwd na de definitieve betaling zonder enig voorbehoud van een aanvullende sociale heffing die overeenkomt met 20 pct. van deze beroepsinkomsten.
§ 3. Als de regularisatieaangifte werd gedaan conform de voorwaarden voorzien in dit hoofdstuk, heeft de betaling van de heffing vermeld in dit artikel tot gevolg dat de geregulariseerde beroepsinkomsten niet meer onderworpen kunnen worden aan de betaling:
- van de bijdragen bepaald bij het voormelde koninklijk besluit nr. 38;
- van de verhogingen bedoeld in artikel 11bis van het voormelde koninklijk besluit nr. 38;
- van de verhogingen bedoeld in de artikelen 44, § 1, en 44bis van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het voormelde koninklijk besluit nr. 38; en
- van de administratieve boetes bedoeld in artikel 17bis van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
De betaling van de heffing bedoeld in dit artikel opent geen rechten op de uitkeringen bedoeld in artikel 18 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
Art.56. § 1er. Le déclarant au sens de l'article 40, 8°, peut, moyennant un paiement définitif sans aucune réserve d'un prélèvement social complémentaire, étendre sa déclaration-régularisation visée à l'article 40, 2°, en vue d'obtenir une attestation-régularisation sociale qui couvre les revenus professionnels qui auraient dû être soumis au paiement des cotisations sociales, non prescrites, dues en application de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des indépendants.
§ 2. Les cotisations sociales non prescrites au sens de l'arrêté royal n° 38 précité dues sur ces revenus professionnels ne sont toutefois considérées comme régularisées qu'après le versement définitif sans aucune réserve d'un prélèvement social complémentaire correspondant à 20 p.c. de ces revenus professionnels.
§ 3. Si la déclaration-régularisation a été réalisée dans le respect des conditions prévues dans le présent chapitre, le paiement du prélèvement mentionné au présent article a pour conséquence que les revenus professionnels régularisés ne peuvent plus être soumis au paiement:
- des cotisations fixées par l'arrêté royal n° 38 précité;
- des majorations visées à l'article 11bis de l'arrêté royal n° 38 précité;
- des majorations visées aux articles 44, § 1er, et 44bis de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 précité; et
- des amendes administratives visées à l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 précité.
Le paiement du prélèvement visé au présent article n'ouvre aucun droit aux prestations visées à l'article 18 de l'arrêté royal n° 38 précité.
§ 2. Les cotisations sociales non prescrites au sens de l'arrêté royal n° 38 précité dues sur ces revenus professionnels ne sont toutefois considérées comme régularisées qu'après le versement définitif sans aucune réserve d'un prélèvement social complémentaire correspondant à 20 p.c. de ces revenus professionnels.
§ 3. Si la déclaration-régularisation a été réalisée dans le respect des conditions prévues dans le présent chapitre, le paiement du prélèvement mentionné au présent article a pour conséquence que les revenus professionnels régularisés ne peuvent plus être soumis au paiement:
- des cotisations fixées par l'arrêté royal n° 38 précité;
- des majorations visées à l'article 11bis de l'arrêté royal n° 38 précité;
- des majorations visées aux articles 44, § 1er, et 44bis de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 précité; et
- des amendes administratives visées à l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 précité.
Le paiement du prélèvement visé au présent article n'ouvre aucun droit aux prestations visées à l'article 18 de l'arrêté royal n° 38 précité.
Art.57. Wat de beroepsinkomsten betreft die geregulariseerd zijn overeenkomstig artikel 56, zal de fiscale regularisatieaangifte uit hoofdstuk 5, ingediend bij het in artikel 40, 1°, bedoelde Contactpunt, aangevuld worden met het bedrag van de beroepsinkomsten die onderworpen hadden moeten worden aan de betaling van verschuldigde, niet verjaarde sociale bijdragen met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 evenals met het bedrag van de aanvullende sociale heffing. Zij zal samen met een bondige verklaring van de periode waarin de beroepsinkomsten zijn ontstaan, worden ingediend. De onderliggende stukken kunnen worden ingediend tot 6 maanden na de indiening van de regularisatieaangifte.
De brief bedoeld in artikel 45, vijfde lid, die uitgaat van het Contactpunt, zal eveneens het bedrag vermelden van de heffing, verschuldigd in uitvoering van dit hoofdstuk.
De definitieve betaling zonder enig voorbehoud van de heffing moet verricht worden binnen vijftien kalenderdagen volgend op de verzendingsdatum van deze brief en is definitief door de Schatkist verworven.
Binnen de drie maanden worden de ontvangen betalingen overgemaakt aan het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Op het ogenblik van de ontvangst van de betaling, verzendt het Contactpunt aan de aangever of zijn gemachtigde, een regularisatieattest waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat onder andere bevat: de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde, het bedrag van de heffing en het bedrag van de geregulariseerde beroepsinkomsten.
Het Contactpunt zendt eveneens een afschrift van ieder sociaal regularisatieattest over aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, dat het zal meedelen aan het sociaal verzekeringsfonds van de aangever.
De ambtenaren en personeelsleden van het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en van het sociaal verzekeringsfonds van de aangever, zijn gehouden, buiten de uitoefening van hun ambt, het beroepsgeheim te bewaren wat de feiten, documenten of beslissingen betreft waarvan zij bij deze gelegenheid kennis genomen hebben. Zij hebben eveneens geen meldingsplicht zoals bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.
De brief bedoeld in artikel 45, vijfde lid, die uitgaat van het Contactpunt, zal eveneens het bedrag vermelden van de heffing, verschuldigd in uitvoering van dit hoofdstuk.
De definitieve betaling zonder enig voorbehoud van de heffing moet verricht worden binnen vijftien kalenderdagen volgend op de verzendingsdatum van deze brief en is definitief door de Schatkist verworven.
Binnen de drie maanden worden de ontvangen betalingen overgemaakt aan het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Op het ogenblik van de ontvangst van de betaling, verzendt het Contactpunt aan de aangever of zijn gemachtigde, een regularisatieattest waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat onder andere bevat: de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde, het bedrag van de heffing en het bedrag van de geregulariseerde beroepsinkomsten.
Het Contactpunt zendt eveneens een afschrift van ieder sociaal regularisatieattest over aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, dat het zal meedelen aan het sociaal verzekeringsfonds van de aangever.
De ambtenaren en personeelsleden van het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en van het sociaal verzekeringsfonds van de aangever, zijn gehouden, buiten de uitoefening van hun ambt, het beroepsgeheim te bewaren wat de feiten, documenten of beslissingen betreft waarvan zij bij deze gelegenheid kennis genomen hebben. Zij hebben eveneens geen meldingsplicht zoals bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.
Art.57. En ce qui concerne les revenus professionnels régularisés conformément à l'article 56, la déclaration-régularisation fiscale du chapitre 5, introduite auprès du Point de contact visé à l'article 40, 1°, sera complétée par le montant des revenus professionnels qui auraient dû être soumis au paiement des cotisations sociales, non prescrites, dues en application de l'arrêté royal n° 38 précité ainsi que par le montant du prélèvement social complémentaire. Elle sera introduite, accompagnée d'une explication succincte de la période pendant laquelle les revenus professionnels ont été générés. Les pièces sous-jacentes peuvent être introduites jusqu'à 6 mois après l'introduction de la déclaration-régularisation.
Le courrier visé à l'article 45, alinéa 5, émanant du Point de contact, mentionnera également le montant du prélèvement dû en exécution du présent chapitre.
Le paiement définitif sans aucune réserve du prélèvement doit s'opérer dans les quinze jours calendrier qui suivent la date d'envoi de ce courrier et est définitivement acquis au Trésor.
Dans les trois mois, les paiements reçus sont transférés à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre I du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Au moment de la réception du paiement, le Point de contact transmet au déclarant ou à son mandataire une attestation-régularisation dont le modèle est fixé par le Roi, qui comporte notamment le nom du déclarant et, le cas échéant, celui de son mandataire, le montant du prélèvement opéré et le montant des revenus professionnels régularisés.
Le Point de contact transmet également une copie de chaque attestation-régularisation sociale à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants qui la communiquera à la caisse d'assurances sociales du déclarant.
Les fonctionnaires et les membres du personnel de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et de la caisse d'assurances sociales du déclarant sont tenus de garder, en dehors de l'exercice de leurs fonctions, le secret professionnel au sujet des faits, documents ou décisions, dont ils ont eu connaissance à cette occasion. Ils n'ont pas davantage l'obligation de dénoncer telle que prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
Le courrier visé à l'article 45, alinéa 5, émanant du Point de contact, mentionnera également le montant du prélèvement dû en exécution du présent chapitre.
Le paiement définitif sans aucune réserve du prélèvement doit s'opérer dans les quinze jours calendrier qui suivent la date d'envoi de ce courrier et est définitivement acquis au Trésor.
Dans les trois mois, les paiements reçus sont transférés à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre I du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Au moment de la réception du paiement, le Point de contact transmet au déclarant ou à son mandataire une attestation-régularisation dont le modèle est fixé par le Roi, qui comporte notamment le nom du déclarant et, le cas échéant, celui de son mandataire, le montant du prélèvement opéré et le montant des revenus professionnels régularisés.
Le Point de contact transmet également une copie de chaque attestation-régularisation sociale à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants qui la communiquera à la caisse d'assurances sociales du déclarant.
Les fonctionnaires et les membres du personnel de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et de la caisse d'assurances sociales du déclarant sont tenus de garder, en dehors de l'exercice de leurs fonctions, le secret professionnel au sujet des faits, documents ou décisions, dont ils ont eu connaissance à cette occasion. Ils n'ont pas davantage l'obligation de dénoncer telle que prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
Art.58. Noch de regularisatieaangifte bedoeld in artikel 56, noch het regularisatieattest bedoeld in artikel 57 hebben uitwerking:
1° indien voor de indiening van de regularisatieaangifte de aangever door een Belgische gerechtelijke dienst, een Belgische belastingadministratie, een sociale zekerheidsinstelling of een Belgische sociale inspectiedienst of de FOD Economie schriftelijk in kennis is gesteld van lopende, specifieke onderzoeksdaden;
2° indien ten behoeve van dezelfde aangever reeds een regularisatieaangifte werd ingediend sinds de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
1° indien voor de indiening van de regularisatieaangifte de aangever door een Belgische gerechtelijke dienst, een Belgische belastingadministratie, een sociale zekerheidsinstelling of een Belgische sociale inspectiedienst of de FOD Economie schriftelijk in kennis is gesteld van lopende, specifieke onderzoeksdaden;
2° indien ten behoeve van dezelfde aangever reeds een regularisatieaangifte werd ingediend sinds de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Art.58. Ni la déclaration-régularisation visée à l'article 56, ni l'attestation-régularisation visée à l'article 57 ne produisent d'effets:
1° si, avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant a été informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours par un service judiciaire belge, par une administration fiscale belge, une institution de sécurité sociale ou un service d'inspection sociale belge ou le SPF Economie;
2° si une déclaration-régularisation a déjà été introduite en faveur du même déclarant à dater de la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
1° si, avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant a été informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours par un service judiciaire belge, par une administration fiscale belge, une institution de sécurité sociale ou un service d'inspection sociale belge ou le SPF Economie;
2° si une déclaration-régularisation a déjà été introduite en faveur du même déclarant à dater de la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Art.59. Bij toepassing van artikel 56 kan de aangifte niet als indicie of aanwijzing worden aangewend om onderzoeks- of controleverrichtingen in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen uit te voeren, behalve wat het bedrag van de ingevolge de aangifte verschuldigde heffing betreft.
Art.59. En cas d'application de l'article 56, la déclaration ne peut être utilisée comme indice ou indication pour effectuer des enquêtes ou des contrôles dans le cadre du statut social des indépendants, sauf en ce qui concerne le montant du prélèvement dû en raison de la déclaration.
Art.60. Binnen de grenzen van de bepalingen voorzien in de artikelen 56 en 57 kan het sociale regularisatieattest gebruikt worden als bewijsmiddel voor de hoven en rechtbanken, voor de administratieve rechtscolleges, evenals tegenover elke openbare dienst.
Art.60. Dans les limites des dispositions prévues aux articles 56 et 57, l'attestation-régularisation sociale peut être employée comme moyen de preuve devant les cours et tribunaux, devant les juridictions administratives, ainsi qu'à l'encontre de tout service public.
Art.61. Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan inbreuken met betrekking tot onjuiste of onvolledige verklaringen betreffende sociale bedragen als zelfstandige, bedoeld in artikel 234, § 1, van het Sociaal Strafwetboek, blijven vrijgesteld van strafvervolging uit dien hoofde, indien zij niet vóór de datum van indiening van de in dit hoofdstuk bedoelde aangifte, het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze inbreuken en indien er een sociale regularisatieaangifte werd gedaan onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en de ingevolge die regularisatieaangifte verschuldigde sommen definitief en zonder enig voorbehoud werden betaald.
Art.61. Les personnes qui se sont rendues coupables d'infractions en ce qui concerne des déclarations inexactes ou incomplètes concernant les cotisations sociales en tant qu'indépendant, visées à l'article 234, § 1er, du Code pénal social, sont exonérées de poursuites pénales de ce chef si elles n'ont pas fait l'objet, avant la date d'introduction des déclarations visées au présent chapitre, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions et si une déclaration-régularisation sociale a été effectuée dans les conditions du présent chapitre et si les montants dus en raison de cette déclaration-régularisation ont été payés définitivement et sans aucune réserve.
Art.62. De hoofdstukken 5 en 7 treden in werking op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art.62. Les chapitres 5 et 7 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 8. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN BETREFFENDE DE JAARLIJKSE TAKS OP DE EFFECTENREKENINGEN
CHAPITRE 8. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS ET TAXES DIVERS RELATIVES A LA TAXE ANNUELLE SUR LES COMPTES-TITRES
Art.63. In boek II, titel X, van het Wetboek diverse rechten en taksen wordt een artikel 201/9/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 201/9/6. § 1. Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder:
1° omzetting: de omzetting van financiële instrumenten die zijn ingeschreven op een effectenrekening naar financiële instrumenten die niet zijn ingeschreven op een dergelijke rekening, met behoud van alle andere kenmerken van het financieel instrument, voor zover dat onmiddellijk voor deze omzetting, de totale waarde van de belastbare financiële instrumenten op de betreffende rekening meer bedraagt dan 1.000.000 euro;
2° overdracht: de overdracht, naar een of meer effectenrekeningen, van een deel van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening waarop, onmiddellijk voor deze overdracht, dergelijke instrumenten zijn ingeschreven voor een waarde van meer dan 1.000.000 euro, op voorwaarde dat:
a) de titularis van de betrokken rekeningen dezelfde is; of
b) de titularis van de rekening vanaf dewelke de overdracht wordt gedaan mede-titularis is van de rekening naar dewelke de overdracht wordt gedaan.
Uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op het einde van de referentieperiode geeft de Belgische tussenpersoon of de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis aan de administratie die belast is met de vestiging van de taksen bepaald in Boek II van elke omzetting en elke overdracht bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, die tijdens deze referentieperiode hebben plaatsgevonden.
Wanneer het gaat om een effectenrekening die in het buitenland wordt aangehouden en waarvoor geen aansprakelijke vertegenwoordiger is aangeduid, rust de verplichting tot kennisgeving aan de administratie, bedoeld in het tweede lid, op de titularis van de rekening.
Wordt bestraft met een boete, gaande van 250 tot 2.500 euro, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgelegd, het ontbreken van de kennisgeving bedoeld in het tweede en het derde lid evenals een laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige kennisgeving.
Bij ontstentenis van kwade trouw is er geen boete verschuldigd.
§ 2. Voor de toepassing van deze taks en om een heffing overeenkomstig het doel van de wet toe te laten kunnen, wat de titularis betreft, de omzetting en de overdracht aan de administratie niet worden tegengeworpen behalve indien de titularis bewijst dat ze hoofdzakelijk verantwoord zijn door een ander motief dan het ontwijken van de taks.
De titularis is de taks verschuldigd onder aftrek van het bedrag dat de Belgische tussenpersoon of de aansprakelijke vertegenwoordiger moet inhouden, aangeven en betalen.
De bepalingen van artikel 201/9/3 zijn van toepassing op de titularis bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De Koning bepaalt de nadere regels van de kennisgevingsverplichtingen bedoeld in paragraaf 1.
De Koning kan in het bijzonder de vermelding voorschrijven van het identificatienummer van een natuurlijke persoon in het Rijksregister van de natuurlijke personen of in de registers van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid wanneer deze natuurlijke persoon titularis of mede-titularis is van een effectenrekening die betrokken is bij een omzetting of een overdracht.".
"Art. 201/9/6. § 1. Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder:
1° omzetting: de omzetting van financiële instrumenten die zijn ingeschreven op een effectenrekening naar financiële instrumenten die niet zijn ingeschreven op een dergelijke rekening, met behoud van alle andere kenmerken van het financieel instrument, voor zover dat onmiddellijk voor deze omzetting, de totale waarde van de belastbare financiële instrumenten op de betreffende rekening meer bedraagt dan 1.000.000 euro;
2° overdracht: de overdracht, naar een of meer effectenrekeningen, van een deel van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening waarop, onmiddellijk voor deze overdracht, dergelijke instrumenten zijn ingeschreven voor een waarde van meer dan 1.000.000 euro, op voorwaarde dat:
a) de titularis van de betrokken rekeningen dezelfde is; of
b) de titularis van de rekening vanaf dewelke de overdracht wordt gedaan mede-titularis is van de rekening naar dewelke de overdracht wordt gedaan.
Uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op het einde van de referentieperiode geeft de Belgische tussenpersoon of de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis aan de administratie die belast is met de vestiging van de taksen bepaald in Boek II van elke omzetting en elke overdracht bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, die tijdens deze referentieperiode hebben plaatsgevonden.
Wanneer het gaat om een effectenrekening die in het buitenland wordt aangehouden en waarvoor geen aansprakelijke vertegenwoordiger is aangeduid, rust de verplichting tot kennisgeving aan de administratie, bedoeld in het tweede lid, op de titularis van de rekening.
Wordt bestraft met een boete, gaande van 250 tot 2.500 euro, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgelegd, het ontbreken van de kennisgeving bedoeld in het tweede en het derde lid evenals een laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige kennisgeving.
Bij ontstentenis van kwade trouw is er geen boete verschuldigd.
§ 2. Voor de toepassing van deze taks en om een heffing overeenkomstig het doel van de wet toe te laten kunnen, wat de titularis betreft, de omzetting en de overdracht aan de administratie niet worden tegengeworpen behalve indien de titularis bewijst dat ze hoofdzakelijk verantwoord zijn door een ander motief dan het ontwijken van de taks.
De titularis is de taks verschuldigd onder aftrek van het bedrag dat de Belgische tussenpersoon of de aansprakelijke vertegenwoordiger moet inhouden, aangeven en betalen.
De bepalingen van artikel 201/9/3 zijn van toepassing op de titularis bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De Koning bepaalt de nadere regels van de kennisgevingsverplichtingen bedoeld in paragraaf 1.
De Koning kan in het bijzonder de vermelding voorschrijven van het identificatienummer van een natuurlijke persoon in het Rijksregister van de natuurlijke personen of in de registers van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid wanneer deze natuurlijke persoon titularis of mede-titularis is van een effectenrekening die betrokken is bij een omzetting of een overdracht.".
Art.63. Dans le livre II, titre X, du Code des droits et taxes divers, il est inséré un article 201/9/6 rédigé comme suit:
"Art. 201/9/6. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par:
1° conversion: la conversion d'instruments financiers inscrits sur un compte-titres en instruments financiers qui ne sont pas inscrits sur un tel compte, et les autres caractéristiques des instruments financiers restent inchangées, pour autant qu'immédiatement avant cette conversion, la valeur totale des instruments financiers imposables sur le compte concerné soit supérieure à 1.000.000 d'euros;
2° transfert: le transfert, vers un ou plusieurs comptes-titres, d'une partie des instruments financiers imposables inscrits sur un compte-titres sur lequel, immédiatement avant ce transfert, étaient inscrits de tels instruments pour une valeur supérieure à 1.000.000 d'euros, pour autant:
a) que le titulaire des comptes concernés soit le même; ou
b) que le titulaire du compte au départ duquel a lieu le transfert soit cotitulaire du compte vers lequel le transfert a lieu.
Au plus tard le dernier jour du mois qui suit la fin d'une période de référence, l'intermédiaire belge ou le représentant responsable informe l'administration en charge de l'établissement des taxes établies par le Livre II de toute conversion et de tout transfert visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, intervenus pendant cette période de référence.
Lorsqu'il s'agit d'un compte-titres détenu à l'étranger et pour lequel aucun représentant responsable n'est désigné, l'obligation d'information à l'administration visée à l'alinéa 2, incombe au titulaire du compte.
Est punie d'une amende allant de 250 à 2.500 euros, selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi, l'absence de l'information visée à l'alinéa 2 et 3 ainsi qu'une information tardive, inexacte ou incomplète.
En l'absence de mauvaise foi, il n'est pas dû d'amende.
§ 2. Pour l'application de la présente taxe et en vue d'un prélèvement conforme à l'objectif de la loi, la conversion et le transfert ne sont, dans le chef du titulaire, pas opposables à l'administration sauf si le titulaire prouve qu'ils se justifient principalement par un motif autre que la volonté d'éviter la taxe.
Le titulaire est redevable de la taxe déduction faite du montant que l'intermédiaire belge ou le représentant responsable est tenu de retenir, déclarer et payer.
Les dispositions de l'article 201/9/3 s'appliquent au titulaire visé à l'alinéa 2.
§ 3. Le Roi détermine les modalités des obligations d'information visées au paragraphe 1er.
Le Roi peut en particulier prescrire, le cas échéant, la mention du numéro d'identification d'une personne physique dans le Registre national des personnes physiques ou dans les registres de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, lorsque cette personne physique est titulaire ou cotitulaire d'un compte-titres impliqué dans une conversion ou un transfert.".
"Art. 201/9/6. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par:
1° conversion: la conversion d'instruments financiers inscrits sur un compte-titres en instruments financiers qui ne sont pas inscrits sur un tel compte, et les autres caractéristiques des instruments financiers restent inchangées, pour autant qu'immédiatement avant cette conversion, la valeur totale des instruments financiers imposables sur le compte concerné soit supérieure à 1.000.000 d'euros;
2° transfert: le transfert, vers un ou plusieurs comptes-titres, d'une partie des instruments financiers imposables inscrits sur un compte-titres sur lequel, immédiatement avant ce transfert, étaient inscrits de tels instruments pour une valeur supérieure à 1.000.000 d'euros, pour autant:
a) que le titulaire des comptes concernés soit le même; ou
b) que le titulaire du compte au départ duquel a lieu le transfert soit cotitulaire du compte vers lequel le transfert a lieu.
Au plus tard le dernier jour du mois qui suit la fin d'une période de référence, l'intermédiaire belge ou le représentant responsable informe l'administration en charge de l'établissement des taxes établies par le Livre II de toute conversion et de tout transfert visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, intervenus pendant cette période de référence.
Lorsqu'il s'agit d'un compte-titres détenu à l'étranger et pour lequel aucun représentant responsable n'est désigné, l'obligation d'information à l'administration visée à l'alinéa 2, incombe au titulaire du compte.
Est punie d'une amende allant de 250 à 2.500 euros, selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi, l'absence de l'information visée à l'alinéa 2 et 3 ainsi qu'une information tardive, inexacte ou incomplète.
En l'absence de mauvaise foi, il n'est pas dû d'amende.
§ 2. Pour l'application de la présente taxe et en vue d'un prélèvement conforme à l'objectif de la loi, la conversion et le transfert ne sont, dans le chef du titulaire, pas opposables à l'administration sauf si le titulaire prouve qu'ils se justifient principalement par un motif autre que la volonté d'éviter la taxe.
Le titulaire est redevable de la taxe déduction faite du montant que l'intermédiaire belge ou le représentant responsable est tenu de retenir, déclarer et payer.
Les dispositions de l'article 201/9/3 s'appliquent au titulaire visé à l'alinéa 2.
§ 3. Le Roi détermine les modalités des obligations d'information visées au paragraphe 1er.
Le Roi peut en particulier prescrire, le cas échéant, la mention du numéro d'identification d'une personne physique dans le Registre national des personnes physiques ou dans les registres de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, lorsque cette personne physique est titulaire ou cotitulaire d'un compte-titres impliqué dans une conversion ou un transfert.".
Art.64. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Evenwel moet de informatieverplichting bedoeld in artikel 201/9/6, § 1, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen uiterlijk op 31 december 2025 voor het eerst worden uitgevoerd.
Evenwel moet de informatieverplichting bedoeld in artikel 201/9/6, § 1, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen uiterlijk op 31 december 2025 voor het eerst worden uitgevoerd.
Art.64. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Toutefois, l'obligation d'information visée à l'article 201/9/6, § 1er, alinéa 2, du Code des droits et taxes divers doit être exécutée pour la première fois au plus tard le 31 décembre 2025.
Toutefois, l'obligation d'information visée à l'article 201/9/6, § 1er, alinéa 2, du Code des droits et taxes divers doit être exécutée pour la première fois au plus tard le 31 décembre 2025.
HOOFDSTUK 9. - VERLENGING VAN DE BESTAANDE REGELINGEN INZAKE OVERWERK
CHAPITRE 9. - PROLONGATION DES DISPOSITIONS EXISTANTES EN MATIERE D'HEURES SUPPLEMENTAIRES
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake overwerk met overwerktoeslag
Section 1re. - Modification du Code des impôts sur les revenus 1992 en ce qui concerne les heures supplémentaires avec sursalaire
Art.65. In artikel 154bis, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wetten van 12 december 2021 en 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "2024 en 2025" worden vervangen door de woorden "2024, 2025 en 2026";
2° de woorden "en voor het aanslagjaar 2026 voor zover zowel het basiscontingent van 130 uren als die bijkomende 50 uren overwerk worden gepresteerd in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025" worden opgeheven.
1° de woorden "2024 en 2025" worden vervangen door de woorden "2024, 2025 en 2026";
2° de woorden "en voor het aanslagjaar 2026 voor zover zowel het basiscontingent van 130 uren als die bijkomende 50 uren overwerk worden gepresteerd in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025" worden opgeheven.
Art.65. Dans l 'article 154bis, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 23 mars 2019 et modifié par les lois du 12 décembre 2021 et du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "2024 et 2025" sont remplacés par les mots "2024, 2025 et 2026";
2° les mots "et pour l'exercice d'imposition 2026 pour autant que le contingent de base de 130 heures ainsi que ces 50 heures de travail supplémentaire additionnelles sont prestées dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus." sont abrogés.
1° les mots "2024 et 2025" sont remplacés par les mots "2024, 2025 et 2026";
2° les mots "et pour l'exercice d'imposition 2026 pour autant que le contingent de base de 130 heures ainsi que ces 50 heures de travail supplémentaire additionnelles sont prestées dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus." sont abrogés.
Art.66. In artikel 275.1, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wetten van 12 december 2021 en 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "31 december 2024" worden vervangen door de woorden "31 december 2025";
2° de woorden "en voor de bezoldigingen die in 2025 worden betaald of toegekend, voor zover dat zowel het basiscontingent van 130 uren als die bijkomende 50 uren overwerk in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 worden gepresteerd" worden opgeheven.
1° de woorden "31 december 2024" worden vervangen door de woorden "31 december 2025";
2° de woorden "en voor de bezoldigingen die in 2025 worden betaald of toegekend, voor zover dat zowel het basiscontingent van 130 uren als die bijkomende 50 uren overwerk in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 worden gepresteerd" worden opgeheven.
Art.66. Dans l'article 275.1, alinéa 7, du même Code, inséré par la loi du 23 mars 2019 et modifié par les lois des 12 décembre 2021 et 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "31 décembre 2024" sont remplacés par les mots "31 décembre 2025";
2° les mots ", et pour les rémunérations payées ou attribuées en 2025 pour autant que le contingent de base de 130 heures ainsi que ces 50 heures de travail supplémentaire additionnelles soient prestées dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus" sont abrogés.
1° les mots "31 décembre 2024" sont remplacés par les mots "31 décembre 2025";
2° les mots ", et pour les rémunérations payées ou attribuées en 2025 pour autant que le contingent de base de 130 heures ainsi que ces 50 heures de travail supplémentaire additionnelles soient prestées dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus" sont abrogés.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024 inzake de relance-uren
Section 2. - Modifications de la loi du 31 juillet 2023 exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024 en ce qui concerne les heures de relance
Art.67. In artikel 2, §§ 1 tot 3, van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024, worden de woorden "30 juni 2025" telkens vervangen door de woorden "31 december 2025".
Art.67. Dans l'article 2, §§ 1er à 3, de la loi du 31 juillet 2023 exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024, les mots "30 juin 2025" sont chaque fois remplacés par les mots "31 décembre 2025".
Art.68. In artikel 9, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, worden in de bepaling onder 3° de woorden "30 juni 2025" vervangen door de woorden "31 december 2025".
Art.68. Dans l'article 9, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la même loi, les mots "30 juin 2025" sont remplacés par les mots "31 décembre 2025".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art.69. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2025.
Art.69. Le présent chapitre produit ses effets le 1er juillet 2025.
TITEL 3. - VOLKSGEZONDHEID
TITRE 3. - SANTE PUBLIQUE
ENIG HOOFDSTUK. ETHISCHE COMITES
CHAPITRE UNIQUE. - COMITES D'ETHIQUES
Art.70. In artikel 14/18, § 1, eerste lid, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, worden de woorden "en 14/14" vervangen door de woorden ", 14/14 en 14/28".
Art.70. A l'article 14/18, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, inséré par la loi du 11 mars 2018, les mots "et 14/14" sont remplacés par les mots ", 14/14 et 14/28".
Art.71. In artikel 14/19, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden "en 14/13" vervangen door de woorden ", 14/13 en 14/28";
2° in het tweede lid, wordt het cijfer "14/28" vervangen door het cijfer "14/27".
1° in het eerste lid, worden de woorden "en 14/13" vervangen door de woorden ", 14/13 en 14/28";
2° in het tweede lid, wordt het cijfer "14/28" vervangen door het cijfer "14/27".
Art.71. A l'article 14/19, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 1er, les mots "et 14/13" sont remplacés par les mots ", 14/13 et 14/28";
2° à l'alinéa 2, le chiffre "14/28" est remplacé par le chiffre "14/27".
1° à l'alinéa 1er, les mots "et 14/13" sont remplacés par les mots ", 14/13 et 14/28";
2° à l'alinéa 2, le chiffre "14/28" est remplacé par le chiffre "14/27".
Art.72. In artikel 14/22, § 1, derde lid, 1°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, worden de woorden "en 14/14" vervangen door de woorden ", 14/14 en 14/28".
Art.72. A l'article 14/22, § 1er, alinéa 3, 1°, de la même loi, inséré par la loi du 11 mars 2018, les mots "et 14/14" sont remplacés par les mots ", 14/14 et 14/28".
Art.73. In artikel 14/24, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, wordt het woord "belastingen" vervangen door de woorden "belastingen en retributies".
Art.73. A l'article 14/24, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 11 mars 2018, le mot "impôts" est remplacé par les mots "impôts et rétributions".
Art.74. In hoofdstuk V, afdeling 13, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2023, wordt een artikel 14/28 ingevoegd, luidende:
"Art. 14/28. Ter financiering van de betoelaging bedoeld in artikel 47/2 van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wordt aan elke opdrachtgever van een commerciële klinische proef, een bijdrage opgelegd zoals bepaald in bijlage X, hoofdstuk 3.
Het bedrag van de bijdrage wordt bepaald op basis van het type aanvraag.
De bijdragen vastgesteld in bijlage X, hoofdstuk 3, zijn betaalbaar vanaf de zevende dag na de indiening van de aanvraag die het bijdrageplichtig feit vormt, zoals omschreven in bijlage X, hoofdstuk 3. De bijdrageplichtige beschikt over een betalingstermijn van vijftien dagen, zoals bedoeld in artikel 14/18, § 1, na ontvangst van het door het Agentschap verzonden betalingsbericht.
De bijdragen ontvangen op grond van dit artikel, worden uitgekeerd aan de ethische comités, als betoelaging bedoeld in het eerste lid.
De Koning kan de bijdragen bedoeld in dit artikel tevens aanwenden voor de financiering van de activiteiten van de ethische comités, zoals bedoeld in artikel 11 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon. De Koning bepaalt, in dat geval, de hoogte van de betoelaging en de betalingsmodaliteiten.".
"Art. 14/28. Ter financiering van de betoelaging bedoeld in artikel 47/2 van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wordt aan elke opdrachtgever van een commerciële klinische proef, een bijdrage opgelegd zoals bepaald in bijlage X, hoofdstuk 3.
Het bedrag van de bijdrage wordt bepaald op basis van het type aanvraag.
De bijdragen vastgesteld in bijlage X, hoofdstuk 3, zijn betaalbaar vanaf de zevende dag na de indiening van de aanvraag die het bijdrageplichtig feit vormt, zoals omschreven in bijlage X, hoofdstuk 3. De bijdrageplichtige beschikt over een betalingstermijn van vijftien dagen, zoals bedoeld in artikel 14/18, § 1, na ontvangst van het door het Agentschap verzonden betalingsbericht.
De bijdragen ontvangen op grond van dit artikel, worden uitgekeerd aan de ethische comités, als betoelaging bedoeld in het eerste lid.
De Koning kan de bijdragen bedoeld in dit artikel tevens aanwenden voor de financiering van de activiteiten van de ethische comités, zoals bedoeld in artikel 11 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon. De Koning bepaalt, in dat geval, de hoogte van de betoelaging en de betalingsmodaliteiten.".
Art.74. Au chapitre V, section 13, de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2023, un article 14/28 est inséré, rédigé comme suit:
"Art. 14/28. Afin de financer la subvention visée à l'article 47/2 de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain, une contribution, telle que fixée à l'annexe X, chapitre 3, est imposée à chaque promoteur d'un essai clinique commercial.
Le montant de la contribution est fixé en fonction du type de demande.
Les contributions fixées à l'annexe X, chapitre 3, sont payables à partir du septième jour après l'introduction de la demande qui constitue le fait générateur, tel que décrit à l'annexe X, chapitre 3. Le contribuable dispose d'un délai de paiement de quinze jours, visé à l'article 14/18, § 1er, après réception de l'avis de paiement envoyé par l'Agence.
Les contributions reçues sur la base du présent article sont accordées aux comités d'éthiques, en forme de subvention visée à l'alinéa 1er.
Le Roi peut également affecter les contributions visées au présent article au financement des activités des comités d'éthique, visés à l'article 11 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine. Dans ce cas, le Roi fixe le montant de la subvention et les modalités de paiement.".
"Art. 14/28. Afin de financer la subvention visée à l'article 47/2 de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain, une contribution, telle que fixée à l'annexe X, chapitre 3, est imposée à chaque promoteur d'un essai clinique commercial.
Le montant de la contribution est fixé en fonction du type de demande.
Les contributions fixées à l'annexe X, chapitre 3, sont payables à partir du septième jour après l'introduction de la demande qui constitue le fait générateur, tel que décrit à l'annexe X, chapitre 3. Le contribuable dispose d'un délai de paiement de quinze jours, visé à l'article 14/18, § 1er, après réception de l'avis de paiement envoyé par l'Agence.
Les contributions reçues sur la base du présent article sont accordées aux comités d'éthiques, en forme de subvention visée à l'alinéa 1er.
Le Roi peut également affecter les contributions visées au présent article au financement des activités des comités d'éthique, visés à l'article 11 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine. Dans ce cas, le Roi fixe le montant de la subvention et les modalités de paiement.".
Art.75. In Bijlage X bij dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de titel van de bijlage wordt aangevuld met de woorden "en bijdragen in het kader van klinische studies van geneesmiddelen, ter betoelaging van de werkzaamheden van de ethische comités";
2° de bijlage wordt aangevuld met een hoofdstuk 3, zoals gevoegd in bijlage 1 bij deze wet.
1° de titel van de bijlage wordt aangevuld met de woorden "en bijdragen in het kader van klinische studies van geneesmiddelen, ter betoelaging van de werkzaamheden van de ethische comités";
2° de bijlage wordt aangevuld met een hoofdstuk 3, zoals gevoegd in bijlage 1 bij deze wet.
Art.75. A l'annexe X de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° le titre de l'annexe est complété par les mots "et des contributions dans le cadre des essais cliniques pour les médicaments, pour subventionner les travaux des comités d'éthique";
2° l'annexe est complétée par un chapitre 3, tel qu'il figure à l'annexe 1er de la présente loi.
1° le titre de l'annexe est complété par les mots "et des contributions dans le cadre des essais cliniques pour les médicaments, pour subventionner les travaux des comités d'éthique";
2° l'annexe est complétée par un chapitre 3, tel qu'il figure à l'annexe 1er de la présente loi.
Art.76. In artikel 47/2, van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 11 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden "De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu betoelaagt" vervangen door de woorden "Het FAGG betoelaagt, op grond van een betalingsbericht opgesteld door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op eensluidend advies van het College,";
2° het derde lid wordt aangevuld met de zinnen:
"De wijze van betaling van de in het eerste lid bedoelde betoelaging wordt bepaald overeenkomstig de bedragen en nadere regelen vastgesteld in de bijlage bij deze wet. De Koning kan de nadere regelen wijzigen.";
3° in het vierde lid, worden de woorden "in het eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "in het tweede lid".
1° in het eerste lid, worden de woorden "De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu betoelaagt" vervangen door de woorden "Het FAGG betoelaagt, op grond van een betalingsbericht opgesteld door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op eensluidend advies van het College,";
2° het derde lid wordt aangevuld met de zinnen:
"De wijze van betaling van de in het eerste lid bedoelde betoelaging wordt bepaald overeenkomstig de bedragen en nadere regelen vastgesteld in de bijlage bij deze wet. De Koning kan de nadere regelen wijzigen.";
3° in het vierde lid, worden de woorden "in het eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "in het tweede lid".
Art.76. A l'article 47/2, de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain, inséré par la loi du 7 avril 2019 et modifié par la loi du 11 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 1er, les mots "Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement subventionne" sont remplacés par les mots "L'AFMPS subventionne, sur la base d'un avis de paiement établi par le Service public fédéral Santé Publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement sur proposition unanime du Collège,";
2° l'alinéa 3 est complété par les phrases suivantes:
"Les modalités de paiement de la subvention visée à l'alinéa 1er sont déterminés conformément aux montants et modalités fixés à l'annexe de la présente loi. Le Roi peut modifier les modalités.";
3° à l'alinéa 4, les mots "aux alinéas 1er et 2" sont remplacés par les mots "à l'alinéa 2".
1° à l'alinéa 1er, les mots "Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement subventionne" sont remplacés par les mots "L'AFMPS subventionne, sur la base d'un avis de paiement établi par le Service public fédéral Santé Publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement sur proposition unanime du Collège,";
2° l'alinéa 3 est complété par les phrases suivantes:
"Les modalités de paiement de la subvention visée à l'alinéa 1er sont déterminés conformément aux montants et modalités fixés à l'annexe de la présente loi. Le Roi peut modifier les modalités.";
3° à l'alinéa 4, les mots "aux alinéas 1er et 2" sont remplacés par les mots "à l'alinéa 2".
Art.77. Er wordt een bijlage gevoegd aan dezelfde wet, opgenomen in bijlage 2 in deze wet.
Art.77. Une annexe est insérée à la même loi, reprise à l'annexe 2 de la présente loi.
Art.78. In artikel 5 van het koninklijk besluit van 21 mei 2023 betreffende de bedragen ontvangen door de ethische comités voor hun activiteit uitgevoerd in het kader van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, worden het tweede en vijfde lid opgeheven.
Art.78. A l'article 5 de l'arrêté royal du 21 mai 2023 relatif aux montants perçus par les comités d'éthique pour leurs activités effectuées dans le cadre de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain, les alinéas 2 et 5 sont abrogés.
Art.79. De artikelen 70 tot en met 78 treden in werking op 1 juli 2025.
Art.79. Les articles 70 jusqu'au 78 entrent en vigueur le 1er juillet 2025.
TITEL 4. - SOCIALE ZAKEN
TITRE 4. - AFFAIRES SOCIALES
HOOFDSTUK 1. - VRIJSTELLING VAN DE PATRONALE BIJDRAGE BOVEN LOONPLAFOND
CHAPITRE 1ER. - EXONERATION DE LA COTISATION PATRONALE AU-DESSUS DU PLAFOND SALARIAL
Afdeling 1. - Wijziging van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij
Section 1re. - Modification de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande
Art.80. In artikel 3, § 1, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° twee leden worden tussen het tweede en derde lid ingevoegd, luidende:
"De bijdragen bedoeld in § 3, 1°, zijn niet verschuldigd op het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, wordt het grensbedrag evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.";
2° in het vroegere vierde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
1° twee leden worden tussen het tweede en derde lid ingevoegd, luidende:
"De bijdragen bedoeld in § 3, 1°, zijn niet verschuldigd op het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, wordt het grensbedrag evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.";
2° in het vroegere vierde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
Art.80. Dans l'article 3, § 1er, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, modifié en dernier lieu par la loi du 17 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3:
"Les cotisations visées au § 3, 1°, ne sont pas dues sur la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, visé à l'article 38, § 1er, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.";
2° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 6, les mots "l'alinéa 3" sont remplacés par les mots "l'alinéa 5".
1° deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3:
"Les cotisations visées au § 3, 1°, ne sont pas dues sur la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, visé à l'article 38, § 1er, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.";
2° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 6, les mots "l'alinéa 3" sont remplacés par les mots "l'alinéa 5".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers
Section 2. - Modification de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés
Art.81. Artikel 38, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"De bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° of 2° of 3°, en § 3bis, zijn niet verschuldigd op het deel van het basisloon dat een grensbedrag per kwartaal overschrijdt. Dit grensbedrag wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat wordt begrepen onder het begrip basisloon en legt eveneens het grensbedrag vast.
In geval voornoemde overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, wordt het grensbedrag evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
"De bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° of 2° of 3°, en § 3bis, zijn niet verschuldigd op het deel van het basisloon dat een grensbedrag per kwartaal overschrijdt. Dit grensbedrag wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat wordt begrepen onder het begrip basisloon en legt eveneens het grensbedrag vast.
In geval voornoemde overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, wordt het grensbedrag evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
Art.81. L'article 38, § 1er, de la loi du 28 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"Les cotisations visées à l'article 38, § 3, 1° ou 2° ou 3°, et § 3bis, ne sont pas dues sur la partie du salaire de base qui dépasse un montant limite trimestriel. Ce montant limite est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'on entend par le concept de salaire de base et détermine également le montant limite.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation au cours du trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur au cours du trimestre.".
"Les cotisations visées à l'article 38, § 3, 1° ou 2° ou 3°, et § 3bis, ne sont pas dues sur la partie du salaire de base qui dépasse un montant limite trimestriel. Ce montant limite est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'on entend par le concept de salaire de base et détermine également le montant limite.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation au cours du trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur au cours du trimestre.".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen
Section 3. - Modifications de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales
Art.82. In artikel 185, § 1, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Er wordt voor de berekening van de vermindering geen rekening gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van voornoemde wet van 29 juni 1981, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° of 2° of 3° en 8°, en § 3bis, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, noch met de patronale bijdragen verschuldigd op het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van dezelfde wet.
In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, worden de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling niet mogen overschreden worden evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
"Er wordt voor de berekening van de vermindering geen rekening gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van voornoemde wet van 29 juni 1981, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° of 2° of 3° en 8°, en § 3bis, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, noch met de patronale bijdragen verschuldigd op het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van dezelfde wet.
In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, worden de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling niet mogen overschreden worden evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
Art.82. Dans l'article 185, § 1er, de la loi du 29 avril 1996 portant dispositions diverses sociales, dernièrement modifié par la loi du 25 avril 2014, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Pour le calcul de la réduction il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 précitée, qui n'aurait pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées à l'article 38, § 3, 1° ou 2° ou 3° et 8°, et § 3bis, alinéas 1er et 2, de cette même loi, ni des cotisations patronales dues sur la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, comme prévu à l'article 38, § 1, alinéa 2, de la même loi.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.".
"Pour le calcul de la réduction il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 précitée, qui n'aurait pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées à l'article 38, § 3, 1° ou 2° ou 3° et 8°, et § 3bis, alinéas 1er et 2, de cette même loi, ni des cotisations patronales dues sur la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, comme prévu à l'article 38, § 1, alinéa 2, de la même loi.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.".
Afdeling 4. - Wijzigingen van hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002
Section 4. - Modifications du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002
Art.83. In artikel 326 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2021, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden ", noch met het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.";
2° er wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, worden de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling niet mogen overschreden worden evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
1° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden ", noch met het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.";
2° er wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, worden de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling niet mogen overschreden worden evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.".
Art.83. A l'article 326 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 2 est complété par les mots ", ni de la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, comme prévu à l'article 38, § 1, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3:
"Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.".
1° l'alinéa 2 est complété par les mots ", ni de la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, comme prévu à l'article 38, § 1, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3:
"Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.".
Art.84. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2025.
Art.84. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2025.
HOOFDSTUK 2. - HARMONISATIE VAN DE INDEXERING VAN SOCIALE UITKERINGEN EN WEDDEN VAN DE AMBTENAREN
CHAPITRE 2. - HARMONISATION DE L'INDEXATION DES PRESTATIONS SOCIALES ET DES TRAITEMENTS DES FONCTIONNAIRES
Art.85. In artikel 6 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, vervangen door de programmawet van 2 januari 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 19 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in de andere gevallen, vanaf de derde maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.";
b) het wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Eerste lid, 3°, dat krachtens een verwijzing naar deze wet van toepassing is op de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire commissies, gesloten vóór 1 juli 2025, blijft van toepassing in de versie die gold vóór 1 juli 2025, zolang deze collectieve arbeidsovereenkomsten niet uitdrukkelijk daarvan afwijken.
Eerste lid, 3°, blijft van toepassing in de versie die gold voor 1 juli 2025 voor de federale publieke zorgsectoren, zolang hiervan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Onder "federale publieke sectoren gezondheidszorg" bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de openbare instellingen die onderworpen zijn aan de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, met uitzondering van de categorale ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven voor beschut wonen. Ook inbegrepen zijn de openbare diensten voor thuisverpleging en de openbare wijkgezondheidscentra.".
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in de andere gevallen, vanaf de derde maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.";
b) het wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Eerste lid, 3°, dat krachtens een verwijzing naar deze wet van toepassing is op de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire commissies, gesloten vóór 1 juli 2025, blijft van toepassing in de versie die gold vóór 1 juli 2025, zolang deze collectieve arbeidsovereenkomsten niet uitdrukkelijk daarvan afwijken.
Eerste lid, 3°, blijft van toepassing in de versie die gold voor 1 juli 2025 voor de federale publieke zorgsectoren, zolang hiervan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Onder "federale publieke sectoren gezondheidszorg" bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de openbare instellingen die onderworpen zijn aan de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, met uitzondering van de categorale ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven voor beschut wonen. Ook inbegrepen zijn de openbare diensten voor thuisverpleging en de openbare wijkgezondheidscentra.".
Art.85. Dans l'article 6 de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, remplacé par la loi-programme du 2 janvier 2001 et modifié par la loi-programme du 19 juillet 2001, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° dans les autres cas, à partir du troisième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.";
b) il est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"L'alinéa 1er, 3°, qui, en vertu d'une référence à la présente loi, s'applique aux conventions collectives de travail, visées à l'article 5 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, conclues avant le 1er juillet 2025, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 tant que ces conventions collectives de travail n'y dérogent pas explicitement.
L'alinéa 1er, 3°, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 pour les secteurs publics fédéraux de la santé tant qu'il n'y est pas explicitement dérogé.
Par "secteurs publics fédéraux de la santé" visés à l'alinéa 3, il faut entendre les établissements publics qui sont soumis à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins, à l'exception des hôpitaux catégoriels, des maisons de soins psychiatriques et des initiatives d'habitation protégée. Sont également inclus les services de soins infirmiers à domicile publics et les maisons médicales publiques.".
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° dans les autres cas, à partir du troisième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.";
b) il est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"L'alinéa 1er, 3°, qui, en vertu d'une référence à la présente loi, s'applique aux conventions collectives de travail, visées à l'article 5 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, conclues avant le 1er juillet 2025, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 tant que ces conventions collectives de travail n'y dérogent pas explicitement.
L'alinéa 1er, 3°, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 pour les secteurs publics fédéraux de la santé tant qu'il n'y est pas explicitement dérogé.
Par "secteurs publics fédéraux de la santé" visés à l'alinéa 3, il faut entendre les établissements publics qui sont soumis à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins, à l'exception des hôpitaux catégoriels, des maisons de soins psychiatriques et des initiatives d'habitation protégée. Sont également inclus les services de soins infirmiers à domicile publics et les maisons médicales publiques.".
Art.86. In artikel 6 van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij de programmawet van 19 juli 2001 en de wet van 18 mei 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in de andere gevallen, vanaf de derde maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.";
b) het wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Het eerste lid, 3°, dat krachtens een verwijzing naar deze wet van toepassing is op de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire commissies, gesloten vóór 1 juli 2025, blijft van toepassing in de versie die gold vóór 1 juli 2025, zolang deze collectieve arbeidsovereenkomsten niet uitdrukkelijk daarvan afwijken.
Het eerste lid, 3°, blijft van toepassing in de versie die gold voor 1 juli 2025 voor de federale publieke zorgsectoren, zolang hiervan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Onder "federale publieke sectoren gezondheidszorg" bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de openbare instellingen die onderworpen zijn aan de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, met uitzondering van de categorale ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven voor beschut wonen. Ook inbegrepen zijn de openbare diensten voor thuisverpleging en de openbare wijkgezondheidscentra.".
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in de andere gevallen, vanaf de derde maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.";
b) het wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Het eerste lid, 3°, dat krachtens een verwijzing naar deze wet van toepassing is op de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire commissies, gesloten vóór 1 juli 2025, blijft van toepassing in de versie die gold vóór 1 juli 2025, zolang deze collectieve arbeidsovereenkomsten niet uitdrukkelijk daarvan afwijken.
Het eerste lid, 3°, blijft van toepassing in de versie die gold voor 1 juli 2025 voor de federale publieke zorgsectoren, zolang hiervan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Onder "federale publieke sectoren gezondheidszorg" bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de openbare instellingen die onderworpen zijn aan de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, met uitzondering van de categorale ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven voor beschut wonen. Ook inbegrepen zijn de openbare diensten voor thuisverpleging en de openbare wijkgezondheidscentra.".
Art.86. Dans l'article 6 de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par la loi-programme du 19 juillet 2001 et la loi du 18 mai 2024, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° dans les autres cas, à partir du troisième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.";
b) il est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"L'alinéa 1er, 3°, qui, en vertu d'une référence à la présente loi, s'applique aux conventions collectives de travail, visées à l'article 5 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, conclues avant le 1er juillet 2025, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 tant que ces conventions collectives de travail n'y dérogent pas explicitement.
L'alinéa 1er, 3°, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 pour les secteurs publics fédéraux de la santé tant qu'il n'y est pas explicitement dérogé.
Par "secteurs publics fédéraux de la santé" visés à l'alinéa 3, il faut entendre les établissements publics qui sont soumis à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins, à l'exception des hôpitaux catégoriels, des maisons de soins psychiatriques et des initiatives d'habitation protégée. Sont également inclus les services de soins infirmiers à domicile publics et les maisons médicales publiques.".
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° dans les autres cas, à partir du troisième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.";
b) il est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"L'alinéa 1er, 3°, qui, en vertu d'une référence à la présente loi, s'applique aux conventions collectives de travail, visées à l'article 5 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, conclues avant le 1er juillet 2025, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 tant que ces conventions collectives de travail n'y dérogent pas explicitement.
L'alinéa 1er, 3°, reste d'application dans sa version antérieure au 1er juillet 2025 pour les secteurs publics fédéraux de la santé tant qu'il n'y est pas explicitement dérogé.
Par "secteurs publics fédéraux de la santé" visés à l'alinéa 3, il faut entendre les établissements publics qui sont soumis à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins, à l'exception des hôpitaux catégoriels, des maisons de soins psychiatriques et des initiatives d'habitation protégée. Sont également inclus les services de soins infirmiers à domicile publics et les maisons médicales publiques.".
Art.87. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2025.
Art.87. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2025.
TITEL 5. - WERK
TITRE 5. - EMPLOI
HOOFDSTUK 1. - WERKLOOSHEIDSREGLEMENTERING
CHAPITRE 1ER. - REGLEMENTATION DU CHOMAGE
Afdeling 1. - Wijzigingen in de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Section 1re. - Modifications de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Art.88. In artikel 7, § 1septies, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid, 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de voorwaarden waaraan de arbeids- en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van berekenen van die arbeids- en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van het arbeidsregime van de werknemer, voorafgaand aan de werkloosheid, en inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers, en van specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer.";
2° de bepaling onder het tweede lid, 2°, wordt opgeheven;
3° het tweede lid, 3°, wordt vervangen als volgt:
"3° onder welke voorwaarden en nadere regels de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst verbonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheidsvoorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder tijdelijk werkloze.";
4° het derde lid, 2°, wordt vervangen als volgt:
"2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regels werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden.".
1° het tweede lid, 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de voorwaarden waaraan de arbeids- en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van berekenen van die arbeids- en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van het arbeidsregime van de werknemer, voorafgaand aan de werkloosheid, en inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers, en van specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer.";
2° de bepaling onder het tweede lid, 2°, wordt opgeheven;
3° het tweede lid, 3°, wordt vervangen als volgt:
"3° onder welke voorwaarden en nadere regels de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst verbonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheidsvoorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder tijdelijk werkloze.";
4° het derde lid, 2°, wordt vervangen als volgt:
"2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regels werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden.".
Art.88. A l'article 7, § 1ersepties, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, insérée par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 2, 1°, est remplacé par ce qui suit:
"1° les conditions que doivent remplir ces journées de travail ou journées assimilées et le mode de calcul de ces journées de travail et journées assimilées, pour lesquelles une modulation est possible en fonction du régime de travail du travailleur, précédant le chômage, pour lequel une distinction peut être faite en particulier entre des travailleurs à temps plein, des travailleurs à temps partiel avec maintien des droits et des travailleurs à temps partiel volontaire, et des caractéristiques spécifiques du travail exercé avant le chômage. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par travailleur à temps plein, travailleur à temps partiel avec maintien des droits et travailleur à temps partiel volontaire.";
2° la disposition sous l'alinéa 2, 2°, est abrogée;
3° l'alinéa 2, 3°, est remplacé par ce qui suit:
"3° sous quelles conditions et modalités le chômeur temporaire qui est lié par un contrat de travail dont l'exécution est suspendue temporairement, soit totalement soit partiellement, peut être dispensé des conditions d'admissibilité. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par chômeur temporaire.";
4° l'alinéa 3, 2°, est remplacé par ce qui suit:
"2° dans quels cas et sous quelles conditions et modalités les chômeurs peuvent être dispensés de certaines conditions d'octroi.".
1° l'alinéa 2, 1°, est remplacé par ce qui suit:
"1° les conditions que doivent remplir ces journées de travail ou journées assimilées et le mode de calcul de ces journées de travail et journées assimilées, pour lesquelles une modulation est possible en fonction du régime de travail du travailleur, précédant le chômage, pour lequel une distinction peut être faite en particulier entre des travailleurs à temps plein, des travailleurs à temps partiel avec maintien des droits et des travailleurs à temps partiel volontaire, et des caractéristiques spécifiques du travail exercé avant le chômage. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par travailleur à temps plein, travailleur à temps partiel avec maintien des droits et travailleur à temps partiel volontaire.";
2° la disposition sous l'alinéa 2, 2°, est abrogée;
3° l'alinéa 2, 3°, est remplacé par ce qui suit:
"3° sous quelles conditions et modalités le chômeur temporaire qui est lié par un contrat de travail dont l'exécution est suspendue temporairement, soit totalement soit partiellement, peut être dispensé des conditions d'admissibilité. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par chômeur temporaire.";
4° l'alinéa 3, 2°, est remplacé par ce qui suit:
"2° dans quels cas et sous quelles conditions et modalités les chômeurs peuvent être dispensés de certaines conditions d'octroi.".
Art.89. In artikel 7, § 1octies, van dezelfde besluitwet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepalingen onder het derde lid, 4°, worden opgeheven;
2° de bepalingen onder het derde lid, 5°, worden opgeheven;
3° het vijfde lid wordt opgeheven.
1° de bepalingen onder het derde lid, 4°, worden opgeheven;
2° de bepalingen onder het derde lid, 5°, worden opgeheven;
3° het vijfde lid wordt opgeheven.
Art.89. A l'article 7, § 1erocties, du même arrêté-loi, inséré par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° les dispositions à l'alinéa 3, 4°, sont abrogées;
2° les dispositions à l'alinéa 3, 5°, sont abrogées;
3° l'alinéa 5 est abrogé.
1° les dispositions à l'alinéa 3, 4°, sont abrogées;
2° les dispositions à l'alinéa 3, 5°, sont abrogées;
3° l'alinéa 5 est abrogé.
Afdeling 2. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage
Art.90. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, vervangen bij bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt opgeheven.
Art.90. L'article 6 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, remplacé par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, est abrogé.
Art.91. Artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt opgeheven.
Art.91. L'article 7 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, est abrogé.
Art.92. Artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.92. L'article 8 du même arrêté royal est abrogé.
Art.93. Artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.93. L'article 9 du même arrêté royal est abrogé.
Art.94. In artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994, worden de woorden "of voor de in artikel 6 bedoelde commissie" opgeheven.
Art.94. Dans l'article 25 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 12 août 1994, les mots "ou devant la commission visée à l'article 6" sont abrogés.
Art.95. In artikel 27 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 juni 2023, worden de bepalingen 11° en 13° opgeheven.
Art.95. Dans l'article 27 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 17 juin 2023, les 11° et 13° sont abrogés.
Art.96. In artikel 28, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 maart 2006, wordt de bepaling onder 3° opgeheven.
Art.96. Dans l'article 28, § 3, du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 5 mars 2006, le 3° est abrogé.
Art.97. In artikel 29 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 25 mei 1993 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 juli 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin van paragraaf 2 worden de woorden "beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11bis, vierde en volgende leden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten" vervangen door de woorden "normaal gemiddeld per week ten minste 12 uren bedraagt of ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon";
2° in paragraaf 2, 1°, e), worden het derde en vierde streepje opgeheven.
1° in de inleidende zin van paragraaf 2 worden de woorden "beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11bis, vierde en volgende leden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten" vervangen door de woorden "normaal gemiddeld per week ten minste 12 uren bedraagt of ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon";
2° in paragraaf 2, 1°, e), worden het derde en vierde streepje opgeheven.
Art.97. A l'article 29 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 25 mai 1993 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 8 juillet 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots "répond aux dispositions de l'article 11bis, alinéas 4 et suivants de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail" sont remplacés par les mots "comporte normalement en moyenne au moins 12 heures de travail par semaine ou un tiers au moins du nombre d'heures de travail hebdomadaire normalement prestées en moyenne par la personne de référence";
2° dans le paragraphe 2, 1°, e), les tirets 3 et 4 sont abrogés.
1° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots "répond aux dispositions de l'article 11bis, alinéas 4 et suivants de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail" sont remplacés par les mots "comporte normalement en moyenne au moins 12 heures de travail par semaine ou un tiers au moins du nombre d'heures de travail hebdomadaire normalement prestées en moyenne par la personne de référence";
2° dans le paragraphe 2, 1°, e), les tirets 3 et 4 sont abrogés.
Art.98. Artikel 30 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 1 juli 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 30. Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die 312 arbeidsdagen in de loop van de 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag omvat.
Voor het bepalen van het vereiste aantal arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen die een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 voorafgaan.
De in het eerste lid bedoelde referteperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode:
1° waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. De dagen bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 6°, verlengen de referteperiode evenwel niet;
2° van de uitoefening gedurende een periode van ten minste drie maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend en voor zover de in deze periode gelegen dagen niet als arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen. Die verlenging mag niet meer dan vijftien jaar bedragen;
3° waarvoor aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of zijn arbeidsprestaties vermindert het genot van onderbrekingsuitkeringen werd toegekend;
4° van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid.".
"Art. 30. Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die 312 arbeidsdagen in de loop van de 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag omvat.
Voor het bepalen van het vereiste aantal arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen die een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 voorafgaan.
De in het eerste lid bedoelde referteperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode:
1° waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. De dagen bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 6°, verlengen de referteperiode evenwel niet;
2° van de uitoefening gedurende een periode van ten minste drie maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend en voor zover de in deze periode gelegen dagen niet als arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen. Die verlenging mag niet meer dan vijftien jaar bedragen;
3° waarvoor aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of zijn arbeidsprestaties vermindert het genot van onderbrekingsuitkeringen werd toegekend;
4° van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid.".
Art.98. L'article 30 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 1er juillet 2014 est remplacé par ce qui suit:
"Art. 30. Pour être admis au bénéfice des allocations de chômage, le travailleur à temps plein doit accomplir un stage comportant 312 journées de travail au cours des 36 mois précédant immédiatement la demande d'allocations.
Pour déterminer le nombre de journées de travail requis, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au bénéfice des allocations en application de l'article 30 ou 33.
La période de référence visée à l'alinéa 1er est prolongée du nombre de jours que comporte la période:
1° pour laquelle le travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité. Les jours visés à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 6°, ne prolongent toutefois pas la période de référence;
2° d'exercice, pendant une période de trois mois au moins, d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée pour cette période et pour autant que les jours situés dans cette période ne puissent pas être pris en considération comme journées de travail ou journées assimilées. Cette prolongation ne peut dépasser quinze ans;
3° pour laquelle le bénéfice des allocations d'interruption a été octroyé au travailleur qui interrompt sa carrière professionnelle ou qui réduit ses prestations de travail;
4° de détention préventive ou de privation de liberté pendant une période d'occupation ou pendant une période de chômage complet.".
"Art. 30. Pour être admis au bénéfice des allocations de chômage, le travailleur à temps plein doit accomplir un stage comportant 312 journées de travail au cours des 36 mois précédant immédiatement la demande d'allocations.
Pour déterminer le nombre de journées de travail requis, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au bénéfice des allocations en application de l'article 30 ou 33.
La période de référence visée à l'alinéa 1er est prolongée du nombre de jours que comporte la période:
1° pour laquelle le travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité. Les jours visés à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 6°, ne prolongent toutefois pas la période de référence;
2° d'exercice, pendant une période de trois mois au moins, d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée pour cette période et pour autant que les jours situés dans cette période ne puissent pas être pris en considération comme journées de travail ou journées assimilées. Cette prolongation ne peut dépasser quinze ans;
3° pour laquelle le bénéfice des allocations d'interruption a été octroyé au travailleur qui interrompt sa carrière professionnelle ou qui réduit ses prestations de travail;
4° de détention préventive ou de privation de liberté pendant une période d'occupation ou pendant une période de chômage complet.".
Art.99. Artikel 31 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 14 maart 1995, wordt opgeheven.
Art.99. L'article 31 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 14 mars 1995, est abrogé.
Art.100. Artikel 32 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.100. L'article 32 du même arrêté royal est abrogé.
Art.101. In artikel 33 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 22 november 1995 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden "in de artikelen 30 tot 32" vervangen door de woorden "in artikel 30" en wordt de zin "De referteperiode bedoeld in artikel 30 wordt evenwel, voor de toepassing van de artikelen 30 tot 32, verlengd met zes maanden." opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor het bepalen van het vereiste aantal arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen die een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 voorafgaan.".
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden "in de artikelen 30 tot 32" vervangen door de woorden "in artikel 30" en wordt de zin "De referteperiode bedoeld in artikel 30 wordt evenwel, voor de toepassing van de artikelen 30 tot 32, verlengd met zes maanden." opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor het bepalen van het vereiste aantal arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen die een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 voorafgaan.".
Art.101. A l'article 33 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 22 novembre 1995 et modifié par l'arrêté royal du 10 juin 2001, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le 2°, les mots "les articles 30 à 32" sont remplacés par les mots "l'article 30" et la phrase "La période de référence visée à l'article 30 est toutefois, pour l'application des articles 30 à 32, prolongée de six mois." est abrogée;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Pour déterminer le nombre de journées de travail requis, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au bénéfice des allocations en application de l'article 30 ou 33.".
1° dans le 2°, les mots "les articles 30 à 32" sont remplacés par les mots "l'article 30" et la phrase "La période de référence visée à l'article 30 est toutefois, pour l'application des articles 30 à 32, prolongée de six mois." est abrogée;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Pour déterminer le nombre de journées de travail requis, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au bénéfice des allocations en application de l'article 30 ou 33.".
Art.102. Artikel 36 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 oktober 2017, wordt vervangen als volgt:
"Art. 36. § 1. Om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen als volledig werkloze binnen de perken van artikel 63, moet de jonge werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° niet meer onderworpen zijn aan de leerplicht;
2° aantonen dat hij:
a) ofwel in België een diploma van het hoger secundair onderwijs heeft behaald;
b) ofwel een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd;
c) ofwel in het bezit is van een diploma, getuigschrift of attest dat voorkomt op een lijst bevattende:
i) de diploma's bedoeld in a);
ii) het bewijs van het integraal en met succes voleindigen van een alternerende opleiding bedoeld in b);
iii) de diploma's, getuigschriften en attesten die, voor de toepassing van deze paragraaf, door de minister, na advies van het beheerscomité, gelijkwaardig worden verklaard met de diploma's bedoeld in i) of met het bewijs bedoeld in ii);
d) ofwel een bewijsstuk bekomen heeft, afgeleverd door een Gemeenschap, dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het diploma of getuigschrift bedoeld in a) tot c), of in het bezit is van een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs; deze bepaling geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de jonge werknemer:
i) ofwel voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd heeft in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
ii) ofwel het bestaan aantoont van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt door een tewerkstelling als loontrekkende werknemer in België gedurende ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37, of door een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende ten minste 3 maanden;
iii) ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste is van migrerende werknemers in de zin van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in België verblijven, of ten laste is van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige in de zin van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
3° een einde hebben gesteld aan:
a) alle activiteiten die opgelegd zijn door het in 2° bedoelde studie- leertijd- of opleidingsprogramma;
b) alle activiteiten in België of in het buitenland die opgelegd zijn door een programma:
- van studies of opleiding in het secundair onderwijs, ongeacht het type van onderwijs;
- van een alternerende opleiding;
- van studies of opleiding in het hoger onderwijs, wanneer de inschrijving betrekking heeft op normaal gemiddeld minstens 16 uren per week of minstens 27 studiepunten;
4° na de stopzetting van de activiteiten bedoeld in 3° en vóór de uitkeringsaanvraag, een beroepsinschakelingstijd doorlopen hebben die 156 dagen omvat;
5° minder dan 25 jaar zijn op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag.
6° actief naar werk gezocht hebben tijdens de beroepsinschakelingstijd en in de loop van deze periode twee al dan niet opeenvolgende positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen hebben tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies. Het zoekgedrag naar werk van de jonge werknemer wordt geëvalueerd op basis van de nadere regels bepaald in de artikelen 36/2 tot 36/10;
7° in toepassing van artikel 30 of 33 nog niet toegelaten geweest zijn of toegelaten kunnen worden tot het genot van de werkloosheidsuitkeringen.
Voor de jonge werknemer die een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd, wordt het aantal van 156 dagen bedoeld in het eerste lid, 4°, verminderd met het aantal dagen, zondagen uitgezonderd, dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de leerovereenkomst bedoeld in artikel 27, 15°.
Voor de jonge werknemer die niet in de mogelijkheid was om, vóór het bereiken van de in het eerste lid, 5°, bedoelde leeftijd, zijn uitkeringsaanvraag in te dienen wegens een onderbreking van zijn studies ten gevolge van overmacht, of wegens een tewerkstelling als werknemer of wegens een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt de in het eerste lid, 5°, bedoelde leeftijdsgrens gebracht op de leeftijd die hij bereikt zeven maanden na het einde van de studies, of één maand na het einde van de tewerkstelling als werknemer, of één maand na het einde van de periode van tewerkstelling als zelfstandige, die in voorkomend geval beperkt wordt tot vijf jaar, gerekend van datum tot datum.
§ 2. Gelden als dagen voor de vervulling van de in paragraaf 1, eerste lid, 4° bedoelde beroepsinschakelingstijd, voor zover zij gelegen zijn ten vroegste vanaf de dag waarop de jonge werknemer niet meer onderworpen is aan de leerplicht:
1° de arbeids- en gelijkgestelde dagen, alsook de dagen waarop arbeidsprestaties werden verricht in uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten waarbij geen inhoudingen voor sociale zekerheid werden verricht. De laatst vermelde dagen worden slechts in rekening gebracht indien zij gelegen zijn na het einde van de studies bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° ;
2° de dagen, behalve de zondagen, waarop de jonge werknemer werkzoekend is, als dusdanig is ingeschreven en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en deelneemt aan een individueel inschakelingsproject hem aangeboden door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, met uitsluiting evenwel van de dagen die voorafgaan aan het tijdstip waarop de jonge werknemer werkloos wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 3° en 4° ;
3° de dagen gelegen in de periodes van verblijf in het buitenland voor het volgen van een stage die leidt tot een toename van de mogelijkheden die de werkloze heeft op de arbeidsmarkt mits aanvaarding door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau. Deze houdt bij zijn beslissing rekening met de leeftijd van de werkzoekende, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden en zijn beroepsverleden, de aard van de stage en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze stage de jongere kan bieden;
4° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, en de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
5° de dagen, behalve de zondagen, gelegen in de periodes waarin de jonge werknemer gevestigd is als zelfstandige in hoofdberoep.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en van artikel 42 en 63, § 3, wordt de werknemer die op het ogenblik van een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze na een onderbreking van het recht op uitkeringen bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, aan de toelatingsvoorwaarden van artikel 30 of 33 voldoet, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op basis van deze bepalingen voor een periode vastgesteld overeenkomstig artikel 114, §§ 1 en 2.".
"Art. 36. § 1. Om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen als volledig werkloze binnen de perken van artikel 63, moet de jonge werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° niet meer onderworpen zijn aan de leerplicht;
2° aantonen dat hij:
a) ofwel in België een diploma van het hoger secundair onderwijs heeft behaald;
b) ofwel een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd;
c) ofwel in het bezit is van een diploma, getuigschrift of attest dat voorkomt op een lijst bevattende:
i) de diploma's bedoeld in a);
ii) het bewijs van het integraal en met succes voleindigen van een alternerende opleiding bedoeld in b);
iii) de diploma's, getuigschriften en attesten die, voor de toepassing van deze paragraaf, door de minister, na advies van het beheerscomité, gelijkwaardig worden verklaard met de diploma's bedoeld in i) of met het bewijs bedoeld in ii);
d) ofwel een bewijsstuk bekomen heeft, afgeleverd door een Gemeenschap, dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het diploma of getuigschrift bedoeld in a) tot c), of in het bezit is van een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs; deze bepaling geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de jonge werknemer:
i) ofwel voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd heeft in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
ii) ofwel het bestaan aantoont van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt door een tewerkstelling als loontrekkende werknemer in België gedurende ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37, of door een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende ten minste 3 maanden;
iii) ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste is van migrerende werknemers in de zin van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in België verblijven, of ten laste is van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige in de zin van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
3° een einde hebben gesteld aan:
a) alle activiteiten die opgelegd zijn door het in 2° bedoelde studie- leertijd- of opleidingsprogramma;
b) alle activiteiten in België of in het buitenland die opgelegd zijn door een programma:
- van studies of opleiding in het secundair onderwijs, ongeacht het type van onderwijs;
- van een alternerende opleiding;
- van studies of opleiding in het hoger onderwijs, wanneer de inschrijving betrekking heeft op normaal gemiddeld minstens 16 uren per week of minstens 27 studiepunten;
4° na de stopzetting van de activiteiten bedoeld in 3° en vóór de uitkeringsaanvraag, een beroepsinschakelingstijd doorlopen hebben die 156 dagen omvat;
5° minder dan 25 jaar zijn op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag.
6° actief naar werk gezocht hebben tijdens de beroepsinschakelingstijd en in de loop van deze periode twee al dan niet opeenvolgende positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen hebben tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies. Het zoekgedrag naar werk van de jonge werknemer wordt geëvalueerd op basis van de nadere regels bepaald in de artikelen 36/2 tot 36/10;
7° in toepassing van artikel 30 of 33 nog niet toegelaten geweest zijn of toegelaten kunnen worden tot het genot van de werkloosheidsuitkeringen.
Voor de jonge werknemer die een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd, wordt het aantal van 156 dagen bedoeld in het eerste lid, 4°, verminderd met het aantal dagen, zondagen uitgezonderd, dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de leerovereenkomst bedoeld in artikel 27, 15°.
Voor de jonge werknemer die niet in de mogelijkheid was om, vóór het bereiken van de in het eerste lid, 5°, bedoelde leeftijd, zijn uitkeringsaanvraag in te dienen wegens een onderbreking van zijn studies ten gevolge van overmacht, of wegens een tewerkstelling als werknemer of wegens een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt de in het eerste lid, 5°, bedoelde leeftijdsgrens gebracht op de leeftijd die hij bereikt zeven maanden na het einde van de studies, of één maand na het einde van de tewerkstelling als werknemer, of één maand na het einde van de periode van tewerkstelling als zelfstandige, die in voorkomend geval beperkt wordt tot vijf jaar, gerekend van datum tot datum.
§ 2. Gelden als dagen voor de vervulling van de in paragraaf 1, eerste lid, 4° bedoelde beroepsinschakelingstijd, voor zover zij gelegen zijn ten vroegste vanaf de dag waarop de jonge werknemer niet meer onderworpen is aan de leerplicht:
1° de arbeids- en gelijkgestelde dagen, alsook de dagen waarop arbeidsprestaties werden verricht in uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten waarbij geen inhoudingen voor sociale zekerheid werden verricht. De laatst vermelde dagen worden slechts in rekening gebracht indien zij gelegen zijn na het einde van de studies bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° ;
2° de dagen, behalve de zondagen, waarop de jonge werknemer werkzoekend is, als dusdanig is ingeschreven en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en deelneemt aan een individueel inschakelingsproject hem aangeboden door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, met uitsluiting evenwel van de dagen die voorafgaan aan het tijdstip waarop de jonge werknemer werkloos wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 3° en 4° ;
3° de dagen gelegen in de periodes van verblijf in het buitenland voor het volgen van een stage die leidt tot een toename van de mogelijkheden die de werkloze heeft op de arbeidsmarkt mits aanvaarding door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau. Deze houdt bij zijn beslissing rekening met de leeftijd van de werkzoekende, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden en zijn beroepsverleden, de aard van de stage en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze stage de jongere kan bieden;
4° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, en de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
5° de dagen, behalve de zondagen, gelegen in de periodes waarin de jonge werknemer gevestigd is als zelfstandige in hoofdberoep.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en van artikel 42 en 63, § 3, wordt de werknemer die op het ogenblik van een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze na een onderbreking van het recht op uitkeringen bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, aan de toelatingsvoorwaarden van artikel 30 of 33 voldoet, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op basis van deze bepalingen voor een periode vastgesteld overeenkomstig artikel 114, §§ 1 en 2.".
Art.102. L'article 36 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 8 octobre 2017, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 36. § 1er. Pour être admis au bénéfice des allocations d'insertion comme chômeur complet dans les limites de l'article 63, le jeune travailleur doit satisfaire aux conditions suivantes:
1° ne plus être soumis à l'obligation scolaire;
2° prouver:
a) soit qu'il a obtenu en Belgique un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
b) soit qu'il a suivi intégralement et réussi une formation en alternance;
c) soit qu'il est en possession d'un diplôme, un certificat ou une attestation qui se trouvent sur une liste contenant:
i) les diplômes visés au a);
ii) la preuve qu'il a suivi intégralement et réussi une formation en alternance visée au b);
iii) les diplômes, les certificats et les attestations qui, pour l'application du présent paragraphe, sont déclarés équivalant avec les diplômes visés au i) ou avec la preuve visée au ii), par le ministre, après avis du Comité de gestion;
d) soit qu'il a obtenu un titre délivré par une Communauté établissant l'équivalence avec le diplôme visé au a) à c) ou possède un titre d'admission donnant accès à l'enseignement supérieur; la présente disposition s'applique toutefois uniquement à la condition que le jeune travailleur:
i) soit a suivi préalablement au moins six années d'études dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté;
ii) soit, démontre l'existence d'un lien effectif avec le marché du travail belge, par une occupation comme travailleur salarié en Belgique pendant au moins 78 jours de travail au sens de l'article 37, ou par un établissement comme indépendant à titre principal en Belgique pendant au moins 3 mois;
iii) soit, au moment de la demande d'allocations, est, comme enfant, à charge de travailleurs migrants au sens de l'article 45 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui résident en Belgique, ou à charge de travailleurs migrants qui résident en Belgique dans le cadre de la liberté d'établissement comme indépendant au sens de l'article 49 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne;
3° avoir mis fin:
a) à toutes les activités imposées par un programme d'études, d'apprentissage ou de formation visé au 2° ;
b) à toutes les activités en Belgique ou à l'étranger imposées par un programme:
- d'études ou de formation dans l'enseignement secondaire quel que soit le type d'enseignement;
- de formation en alternance;
- d'études ou de formation dans l'enseignement supérieur lorsque l'inscription porte sur normalement en moyenne au moins 16 heures par semaine ou sur au moins 27 crédits;
4° avoir accompli après la fin des activités visées au 3° et avant la demande d'allocations, un stage d'insertion professionnelle comportant 156 journées;
5° ne pas avoir atteint l'âge de 25 ans au moment de la demande d'allocations.
6° avoir recherché activement un emploi pendant le stage d'insertion professionnelle et avoir obtenu, au cours du stage précité, deux évaluations positives, successives ou non, de son comportement de recherche d'emploi pendant la période qui prend cours un mois, calculé de date à date, après la date de son inscription comme demandeur d'emploi après la fin des études. Le comportement de recherche d'emploi du jeune travailleur est évalué selon les modalités prévues aux articles 36/2 à 36/10;
7° ne pas déjà avoir, en application de l'article 30 ou 33, été admis ou pu être admis au bénéfice des allocations de chômage.
Pour le jeune travailleur qui a suivi intégralement et réussi une formation en alternance, le nombre de 156 journées visé à l'alinéa 1er, 4°, est diminué du nombre de jours, dimanches exceptés, compris dans la période couverte par le contrat d'apprentissage visé à l'article 27, 15°.
Pour le jeune travailleur qui n'a pas été en mesure d'introduire sa demande d'allocations avant l'âge visé à l'alinéa 1er, 5°, du fait d'une interruption de ses études pour motif de force majeure, ou en raison d'une occupation comme travailleur salarié, ou en raison d'un établissement comme indépendant à titre principal, la limite d'âge visée à l'alinéa 1er, 5°, est reportée à l'âge atteint sept mois après la fin des études, ou un mois après la fin de l'occupation comme travailleur salarié, ou un mois après la fin de la période d'activité comme indépendant, qui est, le cas échéant, limitée à cinq ans, calculés de date à date.
§ 2. Sont prises en compte comme journées pour l'accomplissement du stage d'insertion professionnelle visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'elles soient situées au plus tôt à partir du jour où le jeune travailleur n'est plus soumis à l'obligation scolaire:
1° les journées de travail et assimilées, ainsi que les journées où des prestations de travail ont été effectuées en exécution d'un contrat d'occupation d'étudiants pour lesquelles des retenues de sécurité sociale n'ont pas été effectuées. Ces dernières journées ne sont prises en compte que si elles sont situées après la fin des études telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° ;
2° les journées, dimanches exceptés, pendant lesquelles le jeune travailleur est demandeur d'emploi, inscrit comme tel et disponible pour le marché de l'emploi, et participe à un projet d'insertion individuel, qui lui est offert par le service régional de l'emploi compétent à l'exclusion toutefois des journées qui précèdent le moment où le jeune travailleur est devenu chômeur par suite de circonstances dépendant de sa volonté au sens de l'article 51, § 1er, alinéa 2, 3° et 4° ;
3° les journées situées pendant les périodes de séjour à l'étranger en vue de suivre un stage qui accroît les possibilités pour le chômeur de s'insérer sur le marché de l'emploi, pour autant que ce stage soit accepté par le directeur du bureau de chômage compétent. Celui-ci tient compte, pour prendre sa décision, de l'âge du demandeur d'emploi, des études déjà suivies, de ses aptitudes et de son passé professionnel, de la nature du stage et des possibilités que ce stage peut offrir au jeune sur le marché de l'emploi;
4° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, et la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
5° les journées, dimanches exceptés, situées pendant les périodes pendant lesquelles le jeune travailleur s'est installé comme indépendant à titre principal.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 42 et 63, § 3, le travailleur qui à l'occasion d'une demande d'allocations comme chômeur complet après une interruption du droit aux allocations d'insertion visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, répond aux conditions d'admission de l'article 30 ou 33, est admis au droit aux allocations de chômage sur base de ces dispositions pour une période déterminée conformément à l'article 114, §§ 1er et 2.".
"Art. 36. § 1er. Pour être admis au bénéfice des allocations d'insertion comme chômeur complet dans les limites de l'article 63, le jeune travailleur doit satisfaire aux conditions suivantes:
1° ne plus être soumis à l'obligation scolaire;
2° prouver:
a) soit qu'il a obtenu en Belgique un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
b) soit qu'il a suivi intégralement et réussi une formation en alternance;
c) soit qu'il est en possession d'un diplôme, un certificat ou une attestation qui se trouvent sur une liste contenant:
i) les diplômes visés au a);
ii) la preuve qu'il a suivi intégralement et réussi une formation en alternance visée au b);
iii) les diplômes, les certificats et les attestations qui, pour l'application du présent paragraphe, sont déclarés équivalant avec les diplômes visés au i) ou avec la preuve visée au ii), par le ministre, après avis du Comité de gestion;
d) soit qu'il a obtenu un titre délivré par une Communauté établissant l'équivalence avec le diplôme visé au a) à c) ou possède un titre d'admission donnant accès à l'enseignement supérieur; la présente disposition s'applique toutefois uniquement à la condition que le jeune travailleur:
i) soit a suivi préalablement au moins six années d'études dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté;
ii) soit, démontre l'existence d'un lien effectif avec le marché du travail belge, par une occupation comme travailleur salarié en Belgique pendant au moins 78 jours de travail au sens de l'article 37, ou par un établissement comme indépendant à titre principal en Belgique pendant au moins 3 mois;
iii) soit, au moment de la demande d'allocations, est, comme enfant, à charge de travailleurs migrants au sens de l'article 45 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui résident en Belgique, ou à charge de travailleurs migrants qui résident en Belgique dans le cadre de la liberté d'établissement comme indépendant au sens de l'article 49 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne;
3° avoir mis fin:
a) à toutes les activités imposées par un programme d'études, d'apprentissage ou de formation visé au 2° ;
b) à toutes les activités en Belgique ou à l'étranger imposées par un programme:
- d'études ou de formation dans l'enseignement secondaire quel que soit le type d'enseignement;
- de formation en alternance;
- d'études ou de formation dans l'enseignement supérieur lorsque l'inscription porte sur normalement en moyenne au moins 16 heures par semaine ou sur au moins 27 crédits;
4° avoir accompli après la fin des activités visées au 3° et avant la demande d'allocations, un stage d'insertion professionnelle comportant 156 journées;
5° ne pas avoir atteint l'âge de 25 ans au moment de la demande d'allocations.
6° avoir recherché activement un emploi pendant le stage d'insertion professionnelle et avoir obtenu, au cours du stage précité, deux évaluations positives, successives ou non, de son comportement de recherche d'emploi pendant la période qui prend cours un mois, calculé de date à date, après la date de son inscription comme demandeur d'emploi après la fin des études. Le comportement de recherche d'emploi du jeune travailleur est évalué selon les modalités prévues aux articles 36/2 à 36/10;
7° ne pas déjà avoir, en application de l'article 30 ou 33, été admis ou pu être admis au bénéfice des allocations de chômage.
Pour le jeune travailleur qui a suivi intégralement et réussi une formation en alternance, le nombre de 156 journées visé à l'alinéa 1er, 4°, est diminué du nombre de jours, dimanches exceptés, compris dans la période couverte par le contrat d'apprentissage visé à l'article 27, 15°.
Pour le jeune travailleur qui n'a pas été en mesure d'introduire sa demande d'allocations avant l'âge visé à l'alinéa 1er, 5°, du fait d'une interruption de ses études pour motif de force majeure, ou en raison d'une occupation comme travailleur salarié, ou en raison d'un établissement comme indépendant à titre principal, la limite d'âge visée à l'alinéa 1er, 5°, est reportée à l'âge atteint sept mois après la fin des études, ou un mois après la fin de l'occupation comme travailleur salarié, ou un mois après la fin de la période d'activité comme indépendant, qui est, le cas échéant, limitée à cinq ans, calculés de date à date.
§ 2. Sont prises en compte comme journées pour l'accomplissement du stage d'insertion professionnelle visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'elles soient situées au plus tôt à partir du jour où le jeune travailleur n'est plus soumis à l'obligation scolaire:
1° les journées de travail et assimilées, ainsi que les journées où des prestations de travail ont été effectuées en exécution d'un contrat d'occupation d'étudiants pour lesquelles des retenues de sécurité sociale n'ont pas été effectuées. Ces dernières journées ne sont prises en compte que si elles sont situées après la fin des études telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° ;
2° les journées, dimanches exceptés, pendant lesquelles le jeune travailleur est demandeur d'emploi, inscrit comme tel et disponible pour le marché de l'emploi, et participe à un projet d'insertion individuel, qui lui est offert par le service régional de l'emploi compétent à l'exclusion toutefois des journées qui précèdent le moment où le jeune travailleur est devenu chômeur par suite de circonstances dépendant de sa volonté au sens de l'article 51, § 1er, alinéa 2, 3° et 4° ;
3° les journées situées pendant les périodes de séjour à l'étranger en vue de suivre un stage qui accroît les possibilités pour le chômeur de s'insérer sur le marché de l'emploi, pour autant que ce stage soit accepté par le directeur du bureau de chômage compétent. Celui-ci tient compte, pour prendre sa décision, de l'âge du demandeur d'emploi, des études déjà suivies, de ses aptitudes et de son passé professionnel, de la nature du stage et des possibilités que ce stage peut offrir au jeune sur le marché de l'emploi;
4° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, et la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
5° les journées, dimanches exceptés, situées pendant les périodes pendant lesquelles le jeune travailleur s'est installé comme indépendant à titre principal.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 42 et 63, § 3, le travailleur qui à l'occasion d'une demande d'allocations comme chômeur complet après une interruption du droit aux allocations d'insertion visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, répond aux conditions d'admission de l'article 30 ou 33, est admis au droit aux allocations de chômage sur base de ces dispositions pour une période déterminée conformément à l'article 114, §§ 1er et 2.".
Art.103. In artikel 36/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.103. Dans l'article 36/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.104. In artikel 36/5, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, worden de woorden "6 maanden" vervangen door de woorden "3 maanden".
Art.104. Dans l'article 36/5, alinéa 3, du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, les mots "6 mois" sont remplacés par les mots "3 mois".
Art.105. Artikel 36/7 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 6°, worden de volgende situaties gelijkgesteld, indien ze zich voordoen tijdens de beroepsinschakelingstijd:
1° met een positieve evaluatie,
a) indien de jonge werknemer minstens 52 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van 8 maanden die voorafgaat aan de datum vanaf wanneer het recht op inschakelingsuitkeringen kan worden geopend;
b) indien de jonge werknemer een tewerkstelling gedurende een ononderbroken periode van minstens 2 maanden als zelfstandige in hoofdberoep aantoont;
c) indien de jonge werknemer een stageperiode in het buitenland aantoont, aanvaard door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau, met een ononderbroken periode van minstens 2 maanden;
d) indien de jonge werknemer een periode van beroepsopleiding, bedoeld in artikel 27, 6°, of een instapstage, bedoeld in artikel 36quater, aantoont, met een ononderbroken duur van minstens 2 maanden;
e) indien de jonge werknemer gedurende de beroepsinschakelingstijd een specifiek of aangepast begeleidingstraject heeft gevolgd, bedoeld in artikel 36/3, gedurende een ononderbroken periode van minstens 2 maanden;
f) indien de jonge werknemer een alternerende opleiding volledig heeft gevolgd, maar niet met succes heeft voleindigd;
2° met twee positieve evaluaties,
a) indien de jonge werknemer minstens 104 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van 8 maanden die voorafgaat aan de datum vanaf wanneer het recht op inschakelingsuitkeringen kan worden geopend;
b) indien de jonge werknemer een tewerkstelling gedurende een ononderbroken periode van minstens 4 maanden als zelfstandige in hoofdberoep aantoont;
c) indien de jonge werknemer een stageperiode in het buitenland aantoont, aanvaard door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau, met een ononderbroken periode van minstens 4 maanden;
d) indien de jonge werknemer een alternerende opleiding volledig en met succes heeft voleindigd;
e) indien de jonge werknemer gedurende de beroepsinschakelingstijd een specifiek of aangepast begeleidingstraject heeft gevolgd, bedoeld in artikel 36/3, gedurende een ononderbroken periode van minstens 4 maanden.
§ 2. Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de Rijksdienst, via een geïnformatiseerde stroom, aan de bevoegde gewestinstelling elke gelijkstelling met een positieve evaluatie bedoeld in paragraaf 1, 1°, a), b), c), f) of 2°, a) tot d) mee, waarvan hij op de hoogte is.".
" § 1. Voor de toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 6°, worden de volgende situaties gelijkgesteld, indien ze zich voordoen tijdens de beroepsinschakelingstijd:
1° met een positieve evaluatie,
a) indien de jonge werknemer minstens 52 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van 8 maanden die voorafgaat aan de datum vanaf wanneer het recht op inschakelingsuitkeringen kan worden geopend;
b) indien de jonge werknemer een tewerkstelling gedurende een ononderbroken periode van minstens 2 maanden als zelfstandige in hoofdberoep aantoont;
c) indien de jonge werknemer een stageperiode in het buitenland aantoont, aanvaard door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau, met een ononderbroken periode van minstens 2 maanden;
d) indien de jonge werknemer een periode van beroepsopleiding, bedoeld in artikel 27, 6°, of een instapstage, bedoeld in artikel 36quater, aantoont, met een ononderbroken duur van minstens 2 maanden;
e) indien de jonge werknemer gedurende de beroepsinschakelingstijd een specifiek of aangepast begeleidingstraject heeft gevolgd, bedoeld in artikel 36/3, gedurende een ononderbroken periode van minstens 2 maanden;
f) indien de jonge werknemer een alternerende opleiding volledig heeft gevolgd, maar niet met succes heeft voleindigd;
2° met twee positieve evaluaties,
a) indien de jonge werknemer minstens 104 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van 8 maanden die voorafgaat aan de datum vanaf wanneer het recht op inschakelingsuitkeringen kan worden geopend;
b) indien de jonge werknemer een tewerkstelling gedurende een ononderbroken periode van minstens 4 maanden als zelfstandige in hoofdberoep aantoont;
c) indien de jonge werknemer een stageperiode in het buitenland aantoont, aanvaard door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau, met een ononderbroken periode van minstens 4 maanden;
d) indien de jonge werknemer een alternerende opleiding volledig en met succes heeft voleindigd;
e) indien de jonge werknemer gedurende de beroepsinschakelingstijd een specifiek of aangepast begeleidingstraject heeft gevolgd, bedoeld in artikel 36/3, gedurende een ononderbroken periode van minstens 4 maanden.
§ 2. Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de Rijksdienst, via een geïnformatiseerde stroom, aan de bevoegde gewestinstelling elke gelijkstelling met een positieve evaluatie bedoeld in paragraaf 1, 1°, a), b), c), f) of 2°, a) tot d) mee, waarvan hij op de hoogte is.".
Art.105. L'article 36/7 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Pour l'application de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 6°, les événements suivants sont, s'ils se produisent pendant le stage d'insertion professionnelle, assimilés:
1° à une évaluation positive,
a) si le jeune travailleur justifie d'au moins 52 journées de travail au sens des articles 37 et 43 pendant la période de 8 mois qui précède la date à partir de laquelle le droit aux allocations d'insertion peut être ouvert;
b) si le jeune travailleur justifie d'une période de travail comme indépendant à titre principal qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
c) si le jeune travailleur justifie une période de stage à l'étranger accepté par le directeur du bureau du chômage compétent qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
d) si le jeune travailleur justifie d'une période de formation professionnelle visée à l'article 27, 6°, ou une période de stage de transition visé à l'article 36quater qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
e) si le jeune travailleur a suivi pendant le stage d'insertion professionnelle, un trajet d'accompagnement spécifique ou adapté visé à l'article 36/3, pendant une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
f) si le jeune travailleur a suivi intégralement mais n'a pas réussi une formation en alternance;
2° à deux évaluations positives,
a) si le jeune travailleur justifie d'au moins 104 journées de travail au sens des articles 37 et 43 pendant la période de 8 mois qui précède la date à partir de laquelle le droit aux allocations d'insertion peut être ouvert;
b) si le jeune travailleur justifie d'une période de travail comme indépendant à titre principal d'une durée ininterrompue de 4 mois au moins;
c) si le jeune travailleur justifie d'une période de stage à l'étranger accepté par le directeur du bureau du chômage compétent, d'une durée ininterrompue de 4 mois au moins;
d) si le jeune a suivi intégralement et réussi une formation en alternance;
e) si le jeune travailleur a suivi pendant le stage d'insertion professionnelle, un trajet d'accompagnement spécifique ou adapté visé à l'article 36/3, pendant une durée ininterrompue de 4 mois au moins.
§ 2. Dès qu'il dispose de l'information, l'Office communique à l'organisme régional compétent, via un flux informatisé, chaque assimilation à une évaluation positive visée au paragraphe 1er, 1°, a), b), c), f) ou 2°, a) à d), dont il a connaissance.".
" § 1er. Pour l'application de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 6°, les événements suivants sont, s'ils se produisent pendant le stage d'insertion professionnelle, assimilés:
1° à une évaluation positive,
a) si le jeune travailleur justifie d'au moins 52 journées de travail au sens des articles 37 et 43 pendant la période de 8 mois qui précède la date à partir de laquelle le droit aux allocations d'insertion peut être ouvert;
b) si le jeune travailleur justifie d'une période de travail comme indépendant à titre principal qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
c) si le jeune travailleur justifie une période de stage à l'étranger accepté par le directeur du bureau du chômage compétent qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
d) si le jeune travailleur justifie d'une période de formation professionnelle visée à l'article 27, 6°, ou une période de stage de transition visé à l'article 36quater qui a une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
e) si le jeune travailleur a suivi pendant le stage d'insertion professionnelle, un trajet d'accompagnement spécifique ou adapté visé à l'article 36/3, pendant une durée ininterrompue de 2 mois au moins;
f) si le jeune travailleur a suivi intégralement mais n'a pas réussi une formation en alternance;
2° à deux évaluations positives,
a) si le jeune travailleur justifie d'au moins 104 journées de travail au sens des articles 37 et 43 pendant la période de 8 mois qui précède la date à partir de laquelle le droit aux allocations d'insertion peut être ouvert;
b) si le jeune travailleur justifie d'une période de travail comme indépendant à titre principal d'une durée ininterrompue de 4 mois au moins;
c) si le jeune travailleur justifie d'une période de stage à l'étranger accepté par le directeur du bureau du chômage compétent, d'une durée ininterrompue de 4 mois au moins;
d) si le jeune a suivi intégralement et réussi une formation en alternance;
e) si le jeune travailleur a suivi pendant le stage d'insertion professionnelle, un trajet d'accompagnement spécifique ou adapté visé à l'article 36/3, pendant une durée ininterrompue de 4 mois au moins.
§ 2. Dès qu'il dispose de l'information, l'Office communique à l'organisme régional compétent, via un flux informatisé, chaque assimilation à une évaluation positive visée au paragraphe 1er, 1°, a), b), c), f) ou 2°, a) à d), dont il a connaissance.".
Art.106. In artikel 36/10, § 1, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, worden de woorden "geheel of gedeeltelijk" ingevoegd tussen de woorden "niet" en "te wijten is".
Art.106. Dans l'article 36/10, § 1er, alinéa 2, du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, les mots ", totalement ou en partie," sont ajoutés entre les mots "n'est pas" et "imputable".
Art.107. In artikel 37 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "dit hoofdstuk" vervangen door de woorden "dit besluit";
2° paragraaf 2/1, wordt opgeheven.
1° in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "dit hoofdstuk" vervangen door de woorden "dit besluit";
2° paragraaf 2/1, wordt opgeheven.
Art.107. A l'article 37 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans la phrase introductive du paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "du présent chapitre" sont remplacés par les mots "du présent arrêté";
2° le paragraphe 2/1 est abrogé.
1° dans la phrase introductive du paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "du présent chapitre" sont remplacés par les mots "du présent arrêté";
2° le paragraphe 2/1 est abrogé.
Art.108. In artikel 38 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 12 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit worden met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1° de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
2° de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
3° de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
4° de dagen inhaalrust;
5° de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
6° de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
7° de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
8° de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
10° de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), werd toegekend.
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.";
2° paragraaf 2/1 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit worden met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1° de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
2° de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
3° de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
4° de dagen inhaalrust;
5° de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
6° de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
7° de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
8° de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
10° de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), werd toegekend.
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.";
2° paragraaf 2/1 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art.108. A l'article 38 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 12 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1. Sont assimilées à des journées de travail pour l'application du présent arrêté:
1° les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
2° les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
3° les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
4° les jours de repos compensatoire;
5° les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
6° les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
7° les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
8° les jours d'exercice de la fonction de juge social;
9° les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
10° les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), a été octroyée.
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.";
2° le paragraphe 2/1 est abrogé;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1. Sont assimilées à des journées de travail pour l'application du présent arrêté:
1° les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
2° les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
3° les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
4° les jours de repos compensatoire;
5° les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
6° les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
7° les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
8° les jours d'exercice de la fonction de juge social;
9° les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
10° les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), a été octroyée.
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.";
2° le paragraphe 2/1 est abrogé;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art.109. Artikel 38bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt opgeheven.
Art.109. L'article 38bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 22 novembre 1995, est abrogé.
Art.110. Artikel 40 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 28 december 2011 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, wordt opgeheven.
Art.110. L'article 40 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 28 décembre 2011 et modifié par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, est abrogé.
Art.111. Artikel 41 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 29 juni 1992 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, wordt vervangen als volgt:
"Art. 41. In afwijking van artikel 38, komen de dagen waarvoor een werkloosheidsuitkering in toepassing van artikel 108 werd toegekend, niet in aanmerking om in toepassing van artikel 30 toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen.".
"Art. 41. In afwijking van artikel 38, komen de dagen waarvoor een werkloosheidsuitkering in toepassing van artikel 108 werd toegekend, niet in aanmerking om in toepassing van artikel 30 toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen.".
Art.111. L'article 41 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 29 juin 1992 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, est remplacé comme suit:
"Art. 41. Par dérogation à l'article 38, les journées qui ont donné lieu au paiement d'une allocation de chômage en application de l'article 108, ne sont pas prises en considération pour être admis, en application de l'article 30, au bénéfice des allocations de chômage.".
"Art. 41. Par dérogation à l'article 38, les journées qui ont donné lieu au paiement d'une allocation de chômage en application de l'article 108, ne sont pas prises en considération pour être admis, en application de l'article 30, au bénéfice des allocations de chômage.".
Art.112. Artikel 42 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 juli 2022, wordt vervangen als volgt:
"Art. 42. De werknemer die opnieuw uitkeringen aanvraagt als volledig werkloze, is vrijgesteld van de wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel waarin hij laatst werd vergoed, indien hij een uitkeringsaanvraag verricht tijdens de periode waarin hij recht op uitkeringen heeft in toepassing van artikel 63, § 2, of artikel 114, in voorkomend geval verlengd in toepassing van artikel 63, § 3, of artikel 116, §§ 1 en 2.".
"Art. 42. De werknemer die opnieuw uitkeringen aanvraagt als volledig werkloze, is vrijgesteld van de wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel waarin hij laatst werd vergoed, indien hij een uitkeringsaanvraag verricht tijdens de periode waarin hij recht op uitkeringen heeft in toepassing van artikel 63, § 2, of artikel 114, in voorkomend geval verlengd in toepassing van artikel 63, § 3, of artikel 116, §§ 1 en 2.".
Art.112. L'article 42 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 juillet 2022, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 42. Le travailleur qui demande à nouveau les allocations comme chômeur complet est dispensé de stage et peut être réadmis dans le régime selon lequel il a été indemnisé en dernier lieu, s'il effectue une demande d'allocations pendant la période durant laquelle il a droit aux allocations en application de l'article 63, § 2, ou de l'article 114, le cas échéant prolongée en application de l'article 63, § 3, ou de l'article 116, §§ 1er et 2.".
"Art. 42. Le travailleur qui demande à nouveau les allocations comme chômeur complet est dispensé de stage et peut être réadmis dans le régime selon lequel il a été indemnisé en dernier lieu, s'il effectue une demande d'allocations pendant la période durant laquelle il a droit aux allocations en application de l'article 63, § 2, ou de l'article 114, le cas échéant prolongée en application de l'article 63, § 3, ou de l'article 116, §§ 1er et 2.".
Art.113. In artikel 42bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 28 februari 2003 en vervangen bij koninklijk besluit van 7 juli 2022, worden in het eerste lid de woorden "van de artikelen 30 tot 32" vervangen door de woorden "van artikel 30".
Art.113. Dans l'article 42bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 28 février 2003 et remplacé par l'arrêté royal du 7 juillet 2022, dans l'alinéa 1er, les mots "aux articles 30 à 32" sont remplacés par les mots "à l'article 30".
Art.114. Artikel 43, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt:
"De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidsvergunning vervallen is en die na een termijn van 90 dagen de arbeid krachtens een nieuwe vergunning hervat heeft, moet op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag opnieuw voldoen aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 om tot het recht op uitkeringen te kunnen worden toegelaten.".
"De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidsvergunning vervallen is en die na een termijn van 90 dagen de arbeid krachtens een nieuwe vergunning hervat heeft, moet op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag opnieuw voldoen aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 om tot het recht op uitkeringen te kunnen worden toegelaten.".
Art.114. L'article 43, § 2, alinéa 1er, du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit:
"Le travailleur étranger ou apatride dont le permis de travail est expiré et qui, après un délai de 90 jours, a repris le travail en vertu d'un nouveau permis, doit, au moment de la demande d'allocations, à nouveau remplir les conditions des articles 30 ou 33 pour pouvoir être admis au droit aux allocations.".
"Le travailleur étranger ou apatride dont le permis de travail est expiré et qui, après un délai de 90 jours, a repris le travail en vertu d'un nouveau permis, doit, au moment de la demande d'allocations, à nouveau remplir les conditions des articles 30 ou 33 pour pouvoir être admis au droit aux allocations.".
Art.115. In artikel 46, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 28 juli 2006 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 juni 2023, wordt de bepaling onder 4° opgeheven.
Art.115. Dans l'article 46, § 3, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 28 juillet 2006 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 juin 2023, le 4° est abrogé.
Art.116. In artikel 51, § 1, derde lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 29 juni 2000, worden de woorden "wanneer de werknemer het voordeel kan inroepen van artikel 30, derde lid, 2° of 3° of 42, § 2, 2° of 3° " vervangen door de woorden "wanneer de werknemer een passende dienstbetrekking heeft verlaten en hem in toepassing van artikel 55, 2° of 4°, gedurende een periode van ten minste zes maanden geen uitkering werd toegekend".
Art.116. Dans l'article 51, § 1er, alinéa 3, 2°, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 29 juin 2000, les mots "lorsque le travailleur peut invoquer le bénéfice de l'article 30, alinéa 3, 2° ou 3° ou 42, § 2, 2° ou 3° " sont remplacés par les mots "lorsque le travailleur a abandonné un emploi convenable et qu'aucune allocation ne lui a été octroyée durant une période de 6 mois au moins, en application de l'article 55, 2° ou 4° ".
Art.117. In artikel 52, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 2 oktober 1992 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 januari 2018, worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"De uitsluiting eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het tweede lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van deze paragraaf aanleiding gaf.".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"De uitsluiting eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het tweede lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van deze paragraaf aanleiding gaf.".
Art.117. A l'article 52, § 3, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 2 octobre 1992, et modifié par l'arrêté royal du 18 janvier 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"L'exclusion ne prend fin que lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 à 33.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 2, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application du présent paragraphe.".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"L'exclusion ne prend fin que lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 à 33.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 2, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application du présent paragraphe.".
Art.118. In artikel 52bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 2 oktober 1992, vervangen bij koninklijk besluit van 29 juni 2000, en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 6 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden die luiden als volgt:
"De beslissing tot uitsluiting voorzien in het eerste lid, 1°, kan, op vraag van de werknemer eenmalig worden vervangen door een beperking van het recht op uitkeringen. De werknemer moet daartoe op het ogenblik van de werkverlating een beroepsverleden van minstens 3120 arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen aantonen. De beperking van het recht bestaat erin dat de werknemer enkel nog gedurende een periode van maximaal zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop na de werkverlating het recht op uitkeringen wordt gevraagd, het recht op de uitkeringen behoudt. Die periode van zes maanden wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.
Voor de werkloze die gedurende de eerste drie maanden van de periode waarvoor de uitkeringen in toepassing van het voorgaande lid werden toegekend, een opleiding in een knelpuntberoep heeft aangevat, en onder de voorwaarde dat deze opleiding succesvol wordt voleindigd, wordt het recht op uitkeringen éénmalig met maximaal zes maanden verlengd. Die periode van zes maanden wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.
De in het tweede lid bedoelde vraag is onherroepelijk en dient door het werkloosheidsbureau te worden ontvangen binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag volgend op de dag waarop de beslissing tot uitsluiting in toepassing van het eerste lid, 1°, in toepassing van artikel 146, vierde lid, 1°, ter kennis van de werkloze is gebracht.";
2° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"De uitsluiting bedoeld in de voorgaande leden eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.";
3° in paragraaf 2 wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het vierde lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van deze paragraaf aanleiding gaf.".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden die luiden als volgt:
"De beslissing tot uitsluiting voorzien in het eerste lid, 1°, kan, op vraag van de werknemer eenmalig worden vervangen door een beperking van het recht op uitkeringen. De werknemer moet daartoe op het ogenblik van de werkverlating een beroepsverleden van minstens 3120 arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen aantonen. De beperking van het recht bestaat erin dat de werknemer enkel nog gedurende een periode van maximaal zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop na de werkverlating het recht op uitkeringen wordt gevraagd, het recht op de uitkeringen behoudt. Die periode van zes maanden wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.
Voor de werkloze die gedurende de eerste drie maanden van de periode waarvoor de uitkeringen in toepassing van het voorgaande lid werden toegekend, een opleiding in een knelpuntberoep heeft aangevat, en onder de voorwaarde dat deze opleiding succesvol wordt voleindigd, wordt het recht op uitkeringen éénmalig met maximaal zes maanden verlengd. Die periode van zes maanden wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.
De in het tweede lid bedoelde vraag is onherroepelijk en dient door het werkloosheidsbureau te worden ontvangen binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag volgend op de dag waarop de beslissing tot uitsluiting in toepassing van het eerste lid, 1°, in toepassing van artikel 146, vierde lid, 1°, ter kennis van de werkloze is gebracht.";
2° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"De uitsluiting bedoeld in de voorgaande leden eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.";
3° in paragraaf 2 wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het vierde lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van deze paragraaf aanleiding gaf.".
Art.118. A l'article 52bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 2 octobre 1992, remplacé par l'arrêté royal du 29 juin 2000 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 6 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est complété avec trois alinéas rédigés comme suit:
"La décision d'exclusion prévue à l'alinéa 1er, 1°, peut, à la demande du travailleur, être remplacée une seule fois par une limitation du droit aux allocations. Pour cela, le travailleur doit justifier, au moment de l'abandon d'emploi, d'un passé professionnel d'au moins 3120 jours de travail ou jours assimilés. La limitation du droit consiste dans le fait que le travailleur ne conserve le droit aux allocations que pendant une période maximale de six mois à partir de la date à laquelle le droit aux allocations est demandé après l'abandon d'emploi. Cette période de six mois est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été obtenu en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.
Pour le chômeur qui a entamé une formation dans un métier en pénurie au cours des trois premiers mois de la période pour laquelle les allocations ont été octroyées en application de l'alinéa précédent et à condition que cette formation soit achevée avec succès, le droit aux allocations est prolongé, une seule fois, de six mois maximum. Cette période de six mois est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été obtenu en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.
La demande visée à l'alinéa 2 est irrévocable et doit être reçue par le bureau du chômage dans un délai de trente jours, à compter du jour suivant celui où la décision d'exclusion en application de l'alinéa 1er, 1°, a été notifiée au chômeur en application de l'article 146, alinéa 4, 1°. ";
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"L'exclusion visée aux alinéas précédents ne prend fin que lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 à 33.";
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 4, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application du présent paragraphe.".
1° le paragraphe 1er est complété avec trois alinéas rédigés comme suit:
"La décision d'exclusion prévue à l'alinéa 1er, 1°, peut, à la demande du travailleur, être remplacée une seule fois par une limitation du droit aux allocations. Pour cela, le travailleur doit justifier, au moment de l'abandon d'emploi, d'un passé professionnel d'au moins 3120 jours de travail ou jours assimilés. La limitation du droit consiste dans le fait que le travailleur ne conserve le droit aux allocations que pendant une période maximale de six mois à partir de la date à laquelle le droit aux allocations est demandé après l'abandon d'emploi. Cette période de six mois est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été obtenu en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.
Pour le chômeur qui a entamé une formation dans un métier en pénurie au cours des trois premiers mois de la période pour laquelle les allocations ont été octroyées en application de l'alinéa précédent et à condition que cette formation soit achevée avec succès, le droit aux allocations est prolongé, une seule fois, de six mois maximum. Cette période de six mois est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été obtenu en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.
La demande visée à l'alinéa 2 est irrévocable et doit être reçue par le bureau du chômage dans un délai de trente jours, à compter du jour suivant celui où la décision d'exclusion en application de l'alinéa 1er, 1°, a été notifiée au chômeur en application de l'article 146, alinéa 4, 1°. ";
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"L'exclusion visée aux alinéas précédents ne prend fin que lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 à 33.";
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 4, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application du présent paragraphe.".
Art.119. In artikel 53bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 29 juni 2000 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en voor zover artikel 52bis, § 2, niet van toepassing is" ingevoegd tussen de woorden "artikel 51" en het woord "kan";
2° in paragraaf 2, worden de woorden "en voor zover artikel 52bis, § 2, niet van toepassing is," ingevoegd tussen de woorden "artikel 51" en het woord "kan".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en voor zover artikel 52bis, § 2, niet van toepassing is" ingevoegd tussen de woorden "artikel 51" en het woord "kan";
2° in paragraaf 2, worden de woorden "en voor zover artikel 52bis, § 2, niet van toepassing is," ingevoegd tussen de woorden "artikel 51" en het woord "kan".
Art.119. A l'article 53bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 29 juin 2000 et modifié par l'arrêté royal du 17 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots ", et pour autant que l'article 52bis, § 2, ne soit pas d'application" sont ajoutés entre les mots "article 51" et le mot "le";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", et pour autant que l'article 52bis, § 2, ne soit pas d'application" sont ajoutés entre les mots "article 51" et le mot "le".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots ", et pour autant que l'article 52bis, § 2, ne soit pas d'application" sont ajoutés entre les mots "article 51" et le mot "le";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", et pour autant que l'article 52bis, § 2, ne soit pas d'application" sont ajoutés entre les mots "article 51" et le mot "le".
Art.120. In artikel 56 van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, worden de paragrafen 3, 4 en 5 opgeheven.
Art.120. Dans l'article 56 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, les paragraphes 3, 4 et 5 sont abrogés.
Art.121. In artikel 56/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.121. Dans l'article 56/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.122. In artikel 58, § 1, zesde lid, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 14 december 2015 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 6 mei 2019, worden de woorden "vierde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
Art.122. Dans l'article 58, § 1er, alinéa 6, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 14 décembre 2015 et modifié par l'arrêté royal du 6 mai 2019, les mots "alinéa 4" sont remplacés par les mots "alinéa 5".
Art.123. In artikel 58/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.123. Dans l'article 58/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.124. In artikel 58/9 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende:
" § 3/1. De duur van de verminderde uitkering bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, paragraaf 2, 1°, en paragraaf 3, 1°, wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.".
" § 3/1. De duur van de verminderde uitkering bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, paragraaf 2, 1°, en paragraaf 3, 1°, wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de periode waarvoor in toepassing van de artikelen 63, § 2, of 114, § 1, het recht op uitkeringen is verworven.".
Art.124. Dans l'article 58/9 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, est inséré un paragraphe 3/1 libellé comme suit:
" § 3/1. La durée de l'allocation réduite visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, au paragraphe 2, 1°, et au paragraphe 3, 1°, est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été acquis en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.".
" § 3/1. La durée de l'allocation réduite visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, au paragraphe 2, 1°, et au paragraphe 3, 1°, est limitée, le cas échéant, à la période pour laquelle le droit aux allocations a été acquis en application des articles 63, § 2, ou 114, § 1er.".
Art.125. Artikel 58/11 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 december 2015, wordt vervangen als volgt:
"Art. 58/11. De in artikel 58/9, § 3, bedoelde uitsluiting eindigt wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen gelegen vóór de dag van ontvangst van de beslissing tot uitsluiting bedoeld in artikel 58/10.
Voor de toepassing van het eerste lid, worden de dagen tijdelijke werkloosheid, al dan niet vergoed, beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste 78 dagen of, indien het om een vrijwillig deeltijdse werknemer gaat, ten hoogste 78 halve dagen.".
"Art. 58/11. De in artikel 58/9, § 3, bedoelde uitsluiting eindigt wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 of 33.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen gelegen vóór de dag van ontvangst van de beslissing tot uitsluiting bedoeld in artikel 58/10.
Voor de toepassing van het eerste lid, worden de dagen tijdelijke werkloosheid, al dan niet vergoed, beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste 78 dagen of, indien het om een vrijwillig deeltijdse werknemer gaat, ten hoogste 78 halve dagen.".
Art.125. L'article 58/11 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 58/11. L'exclusion visée à l'article 58/9, § 3, prend fin lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 ou 33.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au jour de la réception de la décision d'exclusion visée à l'article 58/10.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les journées de chômage temporaire, indemnisées ou non, sont considérées comme des journées assimilées à concurrence de 78 jours au plus ou, s'il s'agit d'un travailleur à temps partiel volontaire, de 78 demi-jours au plus.".
"Art. 58/11. L'exclusion visée à l'article 58/9, § 3, prend fin lorsque le travailleur satisfait à nouveau aux conditions d'admissibilité prévues aux articles 30 ou 33.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte des journées de travail ou des journées assimilées précédant une admission antérieure au jour de la réception de la décision d'exclusion visée à l'article 58/10.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les journées de chômage temporaire, indemnisées ou non, sont considérées comme des journées assimilées à concurrence de 78 jours au plus ou, s'il s'agit d'un travailleur à temps partiel volontaire, de 78 demi-jours au plus.".
Art.126. Artikel 59bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 december 2014, wordt opgeheven.
Art.126. L'article 59bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014 et modifié par l'arrêté royal du 30 décembre 2014, est abrogé.
Art.127. Artikel 59bis/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012, vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 december 2014, wordt opgeheven.
Art.127. L'article 59bis/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012, remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014 et modifié par l'arrêté royal du 30 décembre 2014, est abrogé.
Art.128. Artikel 59ter van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.128. L'article 59ter du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.129. Artikel 59ter/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.129. L'article 59ter/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.130. Artikel 59quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.130. L'article 59quater du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.131. Artikel 59quater/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.131. L'article 59quater/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.132. Artikel 59quater/2 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.132. L'article 59quater/2 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.133. Artikel 59quater/3 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.133. L'article 59quater/3 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.134. Artikel 59quinquies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.134. L'article 59quinquies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.135. Artikel 59quinquies/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.135. L'article 59quinquies/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.136. Artikel 59quinquies/2 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.136. L'article 59quinquies/2 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.137. Artikel 59sexies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en vervangen bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.137. L'article 59sexies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et remplacé par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.138. Artikel 59septies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.138. L'article 59septies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.139. Artikel 59octies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.139. L'article 59octies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.140. Artikel 59nonies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, vervangen bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt opgeheven.
Art.140. L'article 59nonies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est abrogé.
Art.141. Artikel 59decies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt opgeheven.
Art.141. L'article 59decies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, est abrogé.
Art.142. In artikel 63 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 15 juni 2006 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 maart 2020, worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt:
" § 2. Het recht op inschakelingsuitkeringen is beperkt tot een éénmalige periode van 12 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf de dag waarop het recht voor het eerst wordt toegekend krachtens artikel 36.
§ 3. De periode van 12 maanden, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, loopt niet tijdens de duur van de volgende gebeurtenissen:
1° een werkhervatting als voltijdse werknemer;
2° een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
3° een werkhervatting als vrijwillig deeltijdse werknemer die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33,1°, voor zover de werknemer tijdens deze tewerkstelling geen uitkeringen werden toegekend;
4° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 die niet gelegen zijn in de bepalingen onder 1°, 2° en 3° bedoelde tewerkstelling en waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend;
5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° de periode waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een inschakelingsuitkering heeft genoten;
7° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt: de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3° wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen.
De jonge werknemer, die bij het verstrijken van de periode van 12 maanden, bedoeld in paragraaf 2, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de vorige leden, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een inschakelingsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Het eerste lid is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer, overeenkomstig het derde lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.".
" § 2. Het recht op inschakelingsuitkeringen is beperkt tot een éénmalige periode van 12 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf de dag waarop het recht voor het eerst wordt toegekend krachtens artikel 36.
§ 3. De periode van 12 maanden, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, loopt niet tijdens de duur van de volgende gebeurtenissen:
1° een werkhervatting als voltijdse werknemer;
2° een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
3° een werkhervatting als vrijwillig deeltijdse werknemer die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33,1°, voor zover de werknemer tijdens deze tewerkstelling geen uitkeringen werden toegekend;
4° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 die niet gelegen zijn in de bepalingen onder 1°, 2° en 3° bedoelde tewerkstelling en waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend;
5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° de periode waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een inschakelingsuitkering heeft genoten;
7° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt: de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3° wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen.
De jonge werknemer, die bij het verstrijken van de periode van 12 maanden, bedoeld in paragraaf 2, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de vorige leden, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een inschakelingsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Het eerste lid is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer, overeenkomstig het derde lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.".
Art.142. A l'article 63 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 15 juin 2006 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 mars 2020, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit:
" § 2. Le droit aux allocations d'insertion est limité à une période unique de 12 mois, calculée de date à date, à partir du jour où le droit a été accordé pour la première fois en vertu de l'article 36.
§ 3. La période de 12 mois fixée conformément au paragraphe 2, ne court pas pendant la durée des événements suivants:
1° une reprise du travail comme travailleur à temps plein;
2° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits pour laquelle une allocation de garantie de revenus n'a pas été octroyée;
3° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel volontaire qui répond aux conditions de l'article 33, 1°, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée au travailleur durant cette occupation;
4° les jours de travail visés à l'article 37 qui ne sont pas situés dans une occupation visée aux 1°, 2° et 3° et pour lesquels aucune allocation supplémentaire n'a été octroyée;
5° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2 ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° la période pour laquelle le jeune travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité. Il n'est pas tenu compte des périodes pendant lesquelles le travailleur a perçu simultanément une allocation d'insertion;
7° pour autant que la durée ininterrompue de l'événement atteigne au moins trois mois: l'exercice d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage pour autant que, durant cette période, aucune allocation n'ait été octroyée.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, il n'est toutefois pas tenu compte des jours situés dans cette période qui ne peuvent être pris en compte comme jours assimilés.
Le jeune travailleur qui, au moment de l'expiration de la période de 12 mois visée au paragraphe 2, le cas échéant prolongée en application des alinéas précédents, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, dont l'allocation de référence, visée à l'article 131bis, § 2bis, est une allocation d'insertion, peut maintenir le droit à cette allocation jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
L'alinéa 1er n'est pas d'application durant la période au cours de laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, conformément à l'alinéa trois.".
" § 2. Le droit aux allocations d'insertion est limité à une période unique de 12 mois, calculée de date à date, à partir du jour où le droit a été accordé pour la première fois en vertu de l'article 36.
§ 3. La période de 12 mois fixée conformément au paragraphe 2, ne court pas pendant la durée des événements suivants:
1° une reprise du travail comme travailleur à temps plein;
2° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits pour laquelle une allocation de garantie de revenus n'a pas été octroyée;
3° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel volontaire qui répond aux conditions de l'article 33, 1°, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée au travailleur durant cette occupation;
4° les jours de travail visés à l'article 37 qui ne sont pas situés dans une occupation visée aux 1°, 2° et 3° et pour lesquels aucune allocation supplémentaire n'a été octroyée;
5° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2 ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° la période pour laquelle le jeune travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité. Il n'est pas tenu compte des périodes pendant lesquelles le travailleur a perçu simultanément une allocation d'insertion;
7° pour autant que la durée ininterrompue de l'événement atteigne au moins trois mois: l'exercice d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage pour autant que, durant cette période, aucune allocation n'ait été octroyée.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, il n'est toutefois pas tenu compte des jours situés dans cette période qui ne peuvent être pris en compte comme jours assimilés.
Le jeune travailleur qui, au moment de l'expiration de la période de 12 mois visée au paragraphe 2, le cas échéant prolongée en application des alinéas précédents, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, dont l'allocation de référence, visée à l'article 131bis, § 2bis, est une allocation d'insertion, peut maintenir le droit à cette allocation jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
L'alinéa 1er n'est pas d'application durant la période au cours de laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, conformément à l'alinéa trois.".
Art.143. In artikel 69, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt het getal "60" vervangen door het getal "90".
Art.143. Dans l'article 69, § 2, alinéa 1er, du même arrêté royal, le nombre "60" est remplacé par le nombre "90".
Art.144. Artikel 70 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 20 juli 2012 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 70. De werkloze die geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping van het werkloosheidsbureau of aan een uitnodiging om thuis te wachten op het bezoek van een controleur, zoals bepaald in de artikelen 140 of 141, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen.
De beslissing genomen in toepassing van het eerste lid heeft uitwerking vanaf de dag van de afwezigheid.
In afwachting van de beslissing bedoeld in het tweede lid, beveelt de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau de schorsing van de uitbetaling vanaf:
1° de in het tweede lid bedoelde dag, indien de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling gelegen is in de loop van de maand waarin deze dag gelegen is en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan de theoretische betaaldatum;
2° de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan de theoretische betaaldatum;
3° de eerste dag van de maand van de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving gelegen is buiten de maand waarin de in het tweede lid bedoelde dag voorkwam en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan de theoretische betaaldatum.
Voor de toepassing van dit artikel geldt het volgende:
1° de termijn van drie werkdagen omvat alle dagen behalve de zaterdagen, zondagen, feestdagen en hun vervangingsdagen;
2° de theoretische betaaldatum is de eerste kalenderdag van de maand die volgt op de maand van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval wordt deze dag vervangen door de dag waarop de vervroegde betaling is toegelaten in toepassing van artikel 161, vierde lid.
De uitsluiting houdt op de dag waarop:
1° hetzij de werkloze zich aanmeldt op het werkloosheidsbureau;
2° hetzij de werkloze een uitkeringsaanvraag indient na een onderbreking van zijn uitkeringen gedurende ten minste vier weken, ten gevolge van een werkhervatting als loontrekkende of een vergoede periode van arbeidsongeschiktheid.".
"Art. 70. De werkloze die geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping van het werkloosheidsbureau of aan een uitnodiging om thuis te wachten op het bezoek van een controleur, zoals bepaald in de artikelen 140 of 141, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen.
De beslissing genomen in toepassing van het eerste lid heeft uitwerking vanaf de dag van de afwezigheid.
In afwachting van de beslissing bedoeld in het tweede lid, beveelt de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau de schorsing van de uitbetaling vanaf:
1° de in het tweede lid bedoelde dag, indien de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling gelegen is in de loop van de maand waarin deze dag gelegen is en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan de theoretische betaaldatum;
2° de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan de theoretische betaaldatum;
3° de eerste dag van de maand van de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving gelegen is buiten de maand waarin de in het tweede lid bedoelde dag voorkwam en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan de theoretische betaaldatum.
Voor de toepassing van dit artikel geldt het volgende:
1° de termijn van drie werkdagen omvat alle dagen behalve de zaterdagen, zondagen, feestdagen en hun vervangingsdagen;
2° de theoretische betaaldatum is de eerste kalenderdag van de maand die volgt op de maand van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval wordt deze dag vervangen door de dag waarop de vervroegde betaling is toegelaten in toepassing van artikel 161, vierde lid.
De uitsluiting houdt op de dag waarop:
1° hetzij de werkloze zich aanmeldt op het werkloosheidsbureau;
2° hetzij de werkloze een uitkeringsaanvraag indient na een onderbreking van zijn uitkeringen gedurende ten minste vier weken, ten gevolge van een werkhervatting als loontrekkende of een vergoede periode van arbeidsongeschiktheid.".
Art.144. L'article 70 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 juin 2014, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 70. Le chômeur qui n'a pas donné suite à une convocation du bureau du chômage ou à une invitation à attendre chez lui la visite d'un contrôleur, comme prévu aux articles 140 ou 141, est exclu du bénéfice des allocations.
La décision prise en application de l'alinéa 1er produit ses effets à partir du jour de l'absence.
Dans l'attente de la décision visée à l'alinéa 2, le directeur du bureau de chômage compétent ordonne la suspension du paiement à partir:
1° du jour visé à l'alinéa 2, si la notification à l'organisme de paiement se situe dans le courant du mois dans lequel ce jour est situé, et avant le troisième jour ouvrable qui précède la date théorique de paiement;
2° du premier jour du mois qui suit la notification à l'organisme de paiement, si cette notification se situe dans les trois derniers jours ouvrables qui précèdent la date théorique de paiement;
3° du premier jour du mois de la notification à l'organisme de paiement, si cette notification se situe en dehors du mois dans lequel le jour visé à l'alinéa 2 a lieu, et avant le troisième jour ouvrable qui précède la date théorique de paiement.
L'application de cet article est soumise aux règles suivantes:
1° le délai de trois jours ouvrables comprend tous les jours sauf les samedis, les dimanches, les jours fériés et leurs jours de remplacement;
2° la date théorique de paiement est le premier jour calendrier du mois qui suit le mois de la notification de la décision. Le cas échéant, ce jour est remplacé par le jour où le paiement anticipé a été autorisé en application de l'article 161, alinéa 4.
L'exclusion prend fin le jour où:
1° soit le chômeur se présente au bureau du chômage;
2° soit le chômeur introduit une demande d'allocations après une interruption de ses allocations pendant quatre semaines au moins à cause d'une reprise de travail comme salarié ou d'une période d'incapacité de travail indemnisée.".
"Art. 70. Le chômeur qui n'a pas donné suite à une convocation du bureau du chômage ou à une invitation à attendre chez lui la visite d'un contrôleur, comme prévu aux articles 140 ou 141, est exclu du bénéfice des allocations.
La décision prise en application de l'alinéa 1er produit ses effets à partir du jour de l'absence.
Dans l'attente de la décision visée à l'alinéa 2, le directeur du bureau de chômage compétent ordonne la suspension du paiement à partir:
1° du jour visé à l'alinéa 2, si la notification à l'organisme de paiement se situe dans le courant du mois dans lequel ce jour est situé, et avant le troisième jour ouvrable qui précède la date théorique de paiement;
2° du premier jour du mois qui suit la notification à l'organisme de paiement, si cette notification se situe dans les trois derniers jours ouvrables qui précèdent la date théorique de paiement;
3° du premier jour du mois de la notification à l'organisme de paiement, si cette notification se situe en dehors du mois dans lequel le jour visé à l'alinéa 2 a lieu, et avant le troisième jour ouvrable qui précède la date théorique de paiement.
L'application de cet article est soumise aux règles suivantes:
1° le délai de trois jours ouvrables comprend tous les jours sauf les samedis, les dimanches, les jours fériés et leurs jours de remplacement;
2° la date théorique de paiement est le premier jour calendrier du mois qui suit le mois de la notification de la décision. Le cas échéant, ce jour est remplacé par le jour où le paiement anticipé a été autorisé en application de l'article 161, alinéa 4.
L'exclusion prend fin le jour où:
1° soit le chômeur se présente au bureau du chômage;
2° soit le chômeur introduit une demande d'allocations après une interruption de ses allocations pendant quatre semaines au moins à cause d'une reprise de travail comme salarié ou d'une période d'incapacité de travail indemnisée.".
Art.145. In artikel 78bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 december 1995, vervangen bij koninklijk besluit van 13 juni 2001, en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt het getal "42," opgeheven;
2° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het getal "42," opgeheven.
1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt het getal "42," opgeheven;
2° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het getal "42," opgeheven.
Art.145. A l'article 78bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 22 décembre 1995 remplacé par l'arrêté royal du 13 juin 2001 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 juillet 2012, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 4, le nombre "42," est abrogé;
2° au paragraphe 2, alinéa 4, le nombre "42," est abrogé.
1° au paragraphe 1er, alinéa 4, le nombre "42," est abrogé;
2° au paragraphe 2, alinéa 4, le nombre "42," est abrogé.
Art.146. Artikel 78sexies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997 en vervangen bij koninklijk besluit van 3 februari 2010, wordt vervangen als volgt:
"Art. 78sexies. De herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 92, 93 en 97.
Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met de bezoldiging van een werknemer, wordt de herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies geacht integraal deel uit te maken van de bezoldiging.".
"Art. 78sexies. De herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 92, 93 en 97.
Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met de bezoldiging van een werknemer, wordt de herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies geacht integraal deel uit te maken van de bezoldiging.".
Art.146. L'article 78sexies du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 8 août 1997 et remplacé par l'arrêté royal du 3 février 2010, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 78sexies. Par dérogation à l'article 27, 4°, l'allocation de réinsertion visée à l'article 131quinquies n'est pas considérée comme une allocation pour l'application des articles 92, 93 et 97.
Pour l'application des dispositions du présent arrêté dans lesquelles il est tenu compte du salaire d'un travailleur, l'allocation de réinsertion visée à l'article 131quinquies est considérée comme faisant partie intégrante du salaire.".
"Art. 78sexies. Par dérogation à l'article 27, 4°, l'allocation de réinsertion visée à l'article 131quinquies n'est pas considérée comme une allocation pour l'application des articles 92, 93 et 97.
Pour l'application des dispositions du présent arrêté dans lesquelles il est tenu compte du salaire d'un travailleur, l'allocation de réinsertion visée à l'article 131quinquies est considérée comme faisant partie intégrante du salaire.".
Art.147. Artikel 80 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, wordt opgeheven.
Art.147. L'article 80 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 juillet 2012 est abrogé.
Art.148. Artikel 81 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt opgeheven.
Art.148. L'article 81 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 22 novembre 1995, est abrogé.
Art.149. Artikel 82 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, wordt opgeheven.
Art.149. L'article 82 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 juillet 2012, est abrogé.
Art.150. Artikel 83 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt opgeheven.
Art.150. L'article 83 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est abrogé.
Art.151. Artikel 84 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 4 augustus 1996 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 24 januari 2002, wordt opgeheven.
Art.151. L'article 84 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 4 août 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 24 janvier 2002, est abrogé.
Art.152. Artikel 85 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 augustus 1996, wordt opgeheven.
Art.152. L'article 85 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 4 août 1996, est abrogé.
Art.153. Artikel 86 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 22 juni 1992 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt opgeheven.
Art.153. L'article 86 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 22 juin 1992 et modifié par l'arrêté royal du 22 novembre 1995, est abrogé.
Art.154. Artikel 87 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.154. L'article 87 du même arrêté royal est abrogé.
Art.155. Artikel 88 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 30 april 1999, wordt opgeheven.
Art.155. L'article 88 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 30 avril 1999, est abrogé.
Art.156. Artikel 89 van hetzelfde koninklijk besluit, hersteld bij koninklijk besluit van 19 juni 2015, wordt opgeheven.
Art.156. L'article 89 du même arrêté royal, rétabli par l'arrêté royal du 19 juin 2015, est abrogé.
Art.157. Artikel 89/1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 1 juni 2015, wordt opgeheven.
Art.157. L'article 89/1 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 1er juin 2015, est abrogé.
Art.158. In artikel 90 van hetzelfde koninklijk besluit, opgeheven bij koninklijk besluit van 30 december 2014 en hersteld bij koninklijk besluit van 15 april 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "56, §§ 1 tot en met 3" vervangen door de woorden "56, §§ 1 tot en met 2,";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "artikelen 59bis en volgende" vervangen door de woorden "artikelen 58/1 en volgende";
3° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "gedurende de volledige loopbaan" ingevoegd tussen het woord "evenwel" en het getal "48".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "56, §§ 1 tot en met 3" vervangen door de woorden "56, §§ 1 tot en met 2,";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "artikelen 59bis en volgende" vervangen door de woorden "artikelen 58/1 en volgende";
3° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "gedurende de volledige loopbaan" ingevoegd tussen het woord "evenwel" en het getal "48".
Art.158. A l'article 90 du même arrêté royal, abrogé par l'arrêté royal du 30 décembre 2014 et rétabli par l'arrêté royal du 15 avril 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "56, §§ 1er à 3" sont remplacés par les mots "56, §§ 1er à 2,";
2° au paragraphe 2, les mots "articles 59bis et suivants" sont remplacés par les mots "articles 58/1 et suivants";
3° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots "pendant toute la carrière" sont insérés après les mots "48 mois".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "56, §§ 1er à 3" sont remplacés par les mots "56, §§ 1er à 2,";
2° au paragraphe 2, les mots "articles 59bis et suivants" sont remplacés par les mots "articles 58/1 et suivants";
3° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots "pendant toute la carrière" sont insérés après les mots "48 mois".
Art.159. Artikel 94bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 2 april 2014, wordt opgeheven.
Art.159. L'article 94bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 2 avril 2014, est abrogé.
Art.160. In artikel 96 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 31 januari 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "56, § 1 tot en met 3" vervangen door de woorden "56, §§ 1 en 2";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "56, § 1 tot en met 3" vervangen door de woorden "56, §§ 1 en 2";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.160. A l'article 96 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 31 janvier 1995, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "56, §§ 1er à 3" sont remplacés par les mots "56, §§ 1er à 2";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, les mots "56, §§ 1er à 3" sont remplacés par les mots "56, §§ 1er à 2";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.161. Artikel 97, § 1, 4°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, wordt vervangen als volgt:
"4° de werkloze bewijst op het tijdstip van de aanvraag 9204 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen;".
"4° de werkloze bewijst op het tijdstip van de aanvraag 9204 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen;".
Art.161. L'article 97, § 1, 4°, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 23 juillet 2012, est remplacé par ce qui suit:
"4° le chômeur prouve, au moment de la demande, 9204 journées de travail ou journées assimilées;".
"4° le chômeur prouve, au moment de la demande, 9204 journées de travail ou journées assimilées;".
Art.162. Artikel 98 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt opgeheven.
Art.162. L'article 98 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 12 mars 2003, est abrogé.
Art.163. In artikel 98ter van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 17 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "de artikelen 89 en 97" vervangen door de woorden "artikel 97";
2° in het tweede lid worden de woorden "de artikelen 89, 90, 94bis tot 97" vervangen door de woorden "de artikelen 90 en 94ter tot 97".
1° in het eerste lid worden de woorden "de artikelen 89 en 97" vervangen door de woorden "artikel 97";
2° in het tweede lid worden de woorden "de artikelen 89, 90, 94bis tot 97" vervangen door de woorden "de artikelen 90 en 94ter tot 97".
Art.163. A l'article 98ter du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 17 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "des articles 89 et 97" sont remplacés par les mots "de l'article 97";
2° dans l'alinéa 2, les mots "articles 89, 90, 94bis à 97" sont remplacés par les mots "articles 90, 94ter à 97".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "des articles 89 et 97" sont remplacés par les mots "de l'article 97";
2° dans l'alinéa 2, les mots "articles 89, 90, 94bis à 97" sont remplacés par les mots "articles 90, 94ter à 97".
Art.164. Artikel 100 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 8 juli 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 100. De voltijdse werknemer en de jonge werknemer bedoeld in artikel 36 kunnen, in geval van volledige werkloosheid, uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.".
"Art. 100. De voltijdse werknemer en de jonge werknemer bedoeld in artikel 36 kunnen, in geval van volledige werkloosheid, uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.".
Art.164. L'article 100 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 8 juillet 2014, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 100. Le travailleur à temps plein et le jeune travailleur visé à l'article 36 peuvent, en cas de chômage complet, bénéficier des allocations pour tous les jours de la semaine, sauf les dimanches.".
"Art. 100. Le travailleur à temps plein et le jeune travailleur visé à l'article 36 peuvent, en cas de chômage complet, bénéficier des allocations pour tous les jours de la semaine, sauf les dimanches.".
Art.165. In artikel 105 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 25 mei 1993 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 november 1995, worden het tweede lid en het derde lid opgeheven.
Art.165. Dans l'article 105 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 25 mai 1993 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 22 novembre 1995, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art.166. Artikel 108bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 30 juli 1994, wordt opgeheven.
Art.166. L'article 108bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 30 juillet 1994, est abrogé.
Art.167. In artikel 111, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 januari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° grensbedrag A1, gelijk aan 92,3956 euro per dag;";
2° een bepaling onder 1° /1 wordt ingevoegd, luidende:
"1° /1 grensbedrag A2, gelijk aan 86,8727 euro per dag;";
3° de bepaling onder 5° wordt opgeheven.
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° grensbedrag A1, gelijk aan 92,3956 euro per dag;";
2° een bepaling onder 1° /1 wordt ingevoegd, luidende:
"1° /1 grensbedrag A2, gelijk aan 86,8727 euro per dag;";
3° de bepaling onder 5° wordt opgeheven.
Art.167. A l'article 111, alinéa 2, du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 29 janvier 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 1° est remplacé par ce qui suit:
"1° montant limite A1, égal à 92,3956 euros par jour;";
2° un 1° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"1° /1 montant limite A2, égal à 86,8727 euros par jour;";
3° le 5° est abrogé.
1° le 1° est remplacé par ce qui suit:
"1° montant limite A1, égal à 92,3956 euros par jour;";
2° un 1° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"1° /1 montant limite A2, égal à 86,8727 euros par jour;";
3° le 5° est abrogé.
Art.168. In artikel 113, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 20 juli 2000 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, worden de woorden "de artikelen 127, 129bis tot 129quater, 131bis, § 2 en § 2bis, 131septies/1 en 131nonies en in hoofdstuk XII" vervangen door de woorden "de artikelen 131bis, § 2bis, 131ter en 131septies/1 en in hoofdstuk XII".
Art.168. Dans l'article 113, § 1, alinéa 1er, du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, les mots "aux articles 127, 129bis à 129quater, 131bis, § 2 et § 2bis, 131septies/1 et 131nonies et au chapitre XII" sont remplacés par les mots "aux articles 131bis, § 2bis, 131ter et 131septies/1 et au chapitre XII".
Art.169. Artikel 114 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juli 2012 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 december 2023, wordt vervangen als volgt:
"Art. 114. § 1. De volledig werkloze die in toepassing van artikel 30 of 33 wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen, verwerft dit recht voor een periode van twaalf maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag. Deze periode van twaalf maanden wordt de eerste vergoedingsperiode genoemd.
Het recht op uitkeringen gedurende twaalf maanden wordt uitgebreid met één maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of, indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33, 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen. Er wordt enkel rekening gehouden met het beroepsverleden dat verworven is op het ogenblik dat de werkloze wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33. De uitbreiding wordt bovendien beperkt tot maximaal twaalf maanden. De periode waarin het recht op uitkeringen met maximaal twaalf maanden wordt uitgebreid, wordt de tweede vergoedingsperiode genoemd.
Voor de uitbreiding van het recht op uitkeringen zoals bedoeld in het tweede lid, wordt bij het bepalen van het beroepsverleden geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen:
1° die in aanmerking werden genomen als de vereiste 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen voor een toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33;
2° die bij een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 30 of 33 al in aanmerking werden genomen voor een uitbreiding van de periode van twaalf maanden. Er wordt meer bepaald geen rekening meer gehouden met een schijf van 104 volle of halve dagen beroepsverleden van zodra de werkloze tijdens de maand waarin het recht op uitbreiding op basis van die schijf van 104 dagen werd toegekend, minstens voor één dag uitkeringen heeft genoten of er tijdens die maand een gebeurtenis plaatsvond die niet in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van artikel 116, § 1;
3° die voor de toepassing van paragraaf 2 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat aanleiding heeft gegeven tot een verlenging van de tweede vergoedingsperiode die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel;
4° die in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat werd gebruikt om de duur van de periode te bepalen bedoeld in artikel 212, § 1, tweede lid, van de programmawet van 18 juli 2025, die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt het recht op uitkeringen voor de volgende werknemers niet in de tijd beperkt:
1° de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3;
2° de werknemer die, op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, waarbij het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 wordt vastgesteld, de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden bewijst;
3° de werknemer die uitkeringen geniet in toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag;
4° de werknemer die in toepassing van artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 september 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en houdende diverse bepalingen, de uitkering geniet bedoeld in artikel 78, zoals van toepassing tot 30 juni 2004;
5° de werknemer aan wie het recht op de beschermingsuitkering als bedoeld in artikel 27, 20°, werd toegekend, binnen de voorwaarden voor het behoud van deze uitkering;
6° de werknemer die werd toegelaten tot het recht op de kunstwerkuitkering als bedoeld in artikel 27, 24°, binnen de voorwaarden voor het behoud van deze uitkering;
7° de werknemer van wie het recht op de kunstwerkuitkering als bedoeld in artikel 27, 24°, is afgelopen en die in toepassing van artikel 114bis aanspraak kan maken op een forfaitaire uitkering.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt de werknemer geacht een voldoende beroepsverleden te bewijzen wanneer hij minstens 31 jaar beroepsverleden bewijst, berekend overeenkomstig artikel 119, 3°.
Het vereiste aantal jaren beroepsverleden bedoeld in het eerste lid, 2°, en het tweede lid, wordt verhoogd tot:
1° 32 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2027;
2° 33 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2028;
3° 34 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2029;
4° 35 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld vanaf 2030.
Eens vastgesteld dat het recht van de werknemer in toepassing van het eerste lid, 2°, niet in de tijd werd beperkt, blijft dat recht onbeperkt in de tijd toegekend, wanneer zijn toelaatbaarheid op een later tijdstip opnieuw zou worden vastgesteld, zelfs indien hij op dat latere tijdstip, in toepassing van het derde lid, niet meer aan de voorwaarden inzake het vereiste beroepsverleden zou voldoen.
§ 2/1. De werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht in toepassing van paragraaf 1, eventueel verlengd in toepassing van artikel 116, §§ 1, 2 en 3, werd toegekend, een opleiding volgt in voorbereiding op een tewerkstelling in de kritische zorgfuncties als verpleegkundige of zorgkundige, waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, behoudt het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, beperkt tot een periode die eindigt een jaar na afloop van de normale totale minimale duur van de opleiding en in ieder geval tot uiterlijk vijf jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop de opleiding werd aangevat. Dit voordeel kan slechts eenmalig worden toegekend gedurende de volledige beroepsloopbaan.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
De in het eerste lid bedoelde opleidingen worden vastgesteld door de minister, op voorstel van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.
De maatregel ingevoerd door deze paragraaf zal worden geëvalueerd vóór 1 januari 2028.
§ 3. Gedurende de eerste vergoedingsperiode bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze vastgesteld in functie van een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, bedoeld in artikel 110, het toepasselijke grensbedrag, bedoeld in artikel 111, en de werkloosheidsduur.
Gedurende de eerste drie maanden van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 65 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens A1.
Gedurende de maanden vier tot zes van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 60 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens A2.
Gedurende de maanden zeven tot twaalf van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 60 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens B.
§ 4. Gedurende de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt het dagbedrag van de uitkering bepaald:
1° voor de werknemer die op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag waarbij het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 wordt vastgesteld, een voldoende beroepsverleden bewijst in de zin van paragraaf 2, tweede en derde lid, op het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, zoals voorzien in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d);
2° voor de werknemer niet bedoeld in de bepaling onder 1°, op het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, zoals voorzien in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, e).
§ 5. In afwijking van de voorgaande paragrafen, bedraagt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 8,62 euro.
§ 6. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze wordt vastgesteld op:
1° 65 % van het gemiddeld dagloon indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van overmacht in de zin van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° 60 % van het gemiddeld dagloon indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van een andere reden.
De in deze paragraaf bedoelde uitkering wordt vastgesteld rekening houdend met het in artikel 111 bedoelde grensbedrag C.
Voor de werknemer die de inkomensgarantie-uitkering geniet en tijdelijk werkloos wordt gesteld, is het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering gelijk aan het bedrag van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2bis, vijfde lid, gedeeld door 26.
§ 7. In afwijking van de vorige paragrafen, stemt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de leerling overeen met het bedrag bepaald in artikel 124, eerste lid, voor de werknemer die jonger is dan 18 jaar, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst. Artikel 115 is niet van toepassing op deze bedragen.
§ 8. In afwijking van de paragrafen 3 en 4 wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, ongeacht de duur van de werkloosheid of de gezinscategorie waartoe de werknemer behoort, vastgesteld op 60 % van het gemiddeld dagloon, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens C.
§ 9. De beslissing waarbij, in toepassing van paragraaf 1, het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een in de tijd beperkte periode wordt toegekend, wordt voor de toepassing van artikel 146, vierde lid, 1°, niet beschouwd als een beslissing tot ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen.".
"Art. 114. § 1. De volledig werkloze die in toepassing van artikel 30 of 33 wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen, verwerft dit recht voor een periode van twaalf maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag. Deze periode van twaalf maanden wordt de eerste vergoedingsperiode genoemd.
Het recht op uitkeringen gedurende twaalf maanden wordt uitgebreid met één maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of, indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33, 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen. Er wordt enkel rekening gehouden met het beroepsverleden dat verworven is op het ogenblik dat de werkloze wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33. De uitbreiding wordt bovendien beperkt tot maximaal twaalf maanden. De periode waarin het recht op uitkeringen met maximaal twaalf maanden wordt uitgebreid, wordt de tweede vergoedingsperiode genoemd.
Voor de uitbreiding van het recht op uitkeringen zoals bedoeld in het tweede lid, wordt bij het bepalen van het beroepsverleden geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen:
1° die in aanmerking werden genomen als de vereiste 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen voor een toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33;
2° die bij een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 30 of 33 al in aanmerking werden genomen voor een uitbreiding van de periode van twaalf maanden. Er wordt meer bepaald geen rekening meer gehouden met een schijf van 104 volle of halve dagen beroepsverleden van zodra de werkloze tijdens de maand waarin het recht op uitbreiding op basis van die schijf van 104 dagen werd toegekend, minstens voor één dag uitkeringen heeft genoten of er tijdens die maand een gebeurtenis plaatsvond die niet in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van artikel 116, § 1;
3° die voor de toepassing van paragraaf 2 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat aanleiding heeft gegeven tot een verlenging van de tweede vergoedingsperiode die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel;
4° die in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat werd gebruikt om de duur van de periode te bepalen bedoeld in artikel 212, § 1, tweede lid, van de programmawet van 18 juli 2025, die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt het recht op uitkeringen voor de volgende werknemers niet in de tijd beperkt:
1° de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3;
2° de werknemer die, op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, waarbij het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 wordt vastgesteld, de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden bewijst;
3° de werknemer die uitkeringen geniet in toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag;
4° de werknemer die in toepassing van artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 september 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en houdende diverse bepalingen, de uitkering geniet bedoeld in artikel 78, zoals van toepassing tot 30 juni 2004;
5° de werknemer aan wie het recht op de beschermingsuitkering als bedoeld in artikel 27, 20°, werd toegekend, binnen de voorwaarden voor het behoud van deze uitkering;
6° de werknemer die werd toegelaten tot het recht op de kunstwerkuitkering als bedoeld in artikel 27, 24°, binnen de voorwaarden voor het behoud van deze uitkering;
7° de werknemer van wie het recht op de kunstwerkuitkering als bedoeld in artikel 27, 24°, is afgelopen en die in toepassing van artikel 114bis aanspraak kan maken op een forfaitaire uitkering.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt de werknemer geacht een voldoende beroepsverleden te bewijzen wanneer hij minstens 31 jaar beroepsverleden bewijst, berekend overeenkomstig artikel 119, 3°.
Het vereiste aantal jaren beroepsverleden bedoeld in het eerste lid, 2°, en het tweede lid, wordt verhoogd tot:
1° 32 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2027;
2° 33 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2028;
3° 34 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld in 2029;
4° 35 jaar, wanneer de toelaatbaarheid tot het recht op uitkeringen wordt vastgesteld vanaf 2030.
Eens vastgesteld dat het recht van de werknemer in toepassing van het eerste lid, 2°, niet in de tijd werd beperkt, blijft dat recht onbeperkt in de tijd toegekend, wanneer zijn toelaatbaarheid op een later tijdstip opnieuw zou worden vastgesteld, zelfs indien hij op dat latere tijdstip, in toepassing van het derde lid, niet meer aan de voorwaarden inzake het vereiste beroepsverleden zou voldoen.
§ 2/1. De werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht in toepassing van paragraaf 1, eventueel verlengd in toepassing van artikel 116, §§ 1, 2 en 3, werd toegekend, een opleiding volgt in voorbereiding op een tewerkstelling in de kritische zorgfuncties als verpleegkundige of zorgkundige, waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, behoudt het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, beperkt tot een periode die eindigt een jaar na afloop van de normale totale minimale duur van de opleiding en in ieder geval tot uiterlijk vijf jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop de opleiding werd aangevat. Dit voordeel kan slechts eenmalig worden toegekend gedurende de volledige beroepsloopbaan.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
De in het eerste lid bedoelde opleidingen worden vastgesteld door de minister, op voorstel van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.
De maatregel ingevoerd door deze paragraaf zal worden geëvalueerd vóór 1 januari 2028.
§ 3. Gedurende de eerste vergoedingsperiode bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze vastgesteld in functie van een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, bedoeld in artikel 110, het toepasselijke grensbedrag, bedoeld in artikel 111, en de werkloosheidsduur.
Gedurende de eerste drie maanden van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 65 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens A1.
Gedurende de maanden vier tot zes van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 60 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens A2.
Gedurende de maanden zeven tot twaalf van de eerste vergoedingsperiode, is de werknemer gerechtigd op een uitkeringsbedrag van 60 % van het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens B.
§ 4. Gedurende de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt het dagbedrag van de uitkering bepaald:
1° voor de werknemer die op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag waarbij het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33 wordt vastgesteld, een voldoende beroepsverleden bewijst in de zin van paragraaf 2, tweede en derde lid, op het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, zoals voorzien in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d);
2° voor de werknemer niet bedoeld in de bepaling onder 1°, op het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, zoals voorzien in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, e).
§ 5. In afwijking van de voorgaande paragrafen, bedraagt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 8,62 euro.
§ 6. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze wordt vastgesteld op:
1° 65 % van het gemiddeld dagloon indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van overmacht in de zin van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° 60 % van het gemiddeld dagloon indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van een andere reden.
De in deze paragraaf bedoelde uitkering wordt vastgesteld rekening houdend met het in artikel 111 bedoelde grensbedrag C.
Voor de werknemer die de inkomensgarantie-uitkering geniet en tijdelijk werkloos wordt gesteld, is het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering gelijk aan het bedrag van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2bis, vijfde lid, gedeeld door 26.
§ 7. In afwijking van de vorige paragrafen, stemt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de leerling overeen met het bedrag bepaald in artikel 124, eerste lid, voor de werknemer die jonger is dan 18 jaar, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst. Artikel 115 is niet van toepassing op deze bedragen.
§ 8. In afwijking van de paragrafen 3 en 4 wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, ongeacht de duur van de werkloosheid of de gezinscategorie waartoe de werknemer behoort, vastgesteld op 60 % van het gemiddeld dagloon, begrensd tot de in artikel 111 bepaalde loongrens C.
§ 9. De beslissing waarbij, in toepassing van paragraaf 1, het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een in de tijd beperkte periode wordt toegekend, wordt voor de toepassing van artikel 146, vierde lid, 1°, niet beschouwd als een beslissing tot ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen.".
Art.169. L'article 114 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 23 juillet 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 17 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 114. § 1er. Le chômeur complet qui, en application des articles 30 ou 33, est admis au droit aux allocations, acquiert ce droit pour une période de douze mois, calculée de date à date à partir de la date de la demande d'allocations. Cette période de douze mois est appelée la première période d'indemnisation.
Le droit aux allocations pendant douze mois est élargi d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées, ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées. Il est uniquement tenu compte du passé professionnel qui est acquis au moment où le chômeur est admis au droit aux allocations en application des articles 30 ou 33. L'élargissement est en outre limité à un maximum de douze mois. La période durant laquelle le droit aux allocations est élargi avec un maximum de douze mois, est appelée deuxième période d'indemnisation.
Pour l'élargissement du droit aux allocations visé à l'alinéa 2, il n'est pas tenu compte pour la détermination du passé professionnel des journées de travail ou des journées assimilées:
1° qui ont été prises en compte pour les 312 journées de travail ou journées assimilés requises pour une admission au bénéfice des allocations en application des articles 30 ou 33;
2° qui ont déjà été prises en compte lors d'une admission antérieure au bénéfice des allocations en application des articles 30 ou 33 pour un élargissement de la période de douze mois. Plus précisément, il n'est plus tenu compte d'une tranche de 104 journées complètes ou demi-journées de passé professionnel à partir du moment où le chômeur, durant le mois au cours duquel le droit à un élargissement de la tranche de 104 journées lui a été accordé, a bénéficié d'au moins un jour d'allocations ou si un événement s'est produit au cours de ce mois qui ne peut pas entrer en ligne de compte pour l'application de l'article 116, § 1er;
3° qui, pour l'application du paragraphe 2 tel qu'il était d'application avant l'entrée en vigueur de cette disposition, ont été prises en compte en tant que passé professionnel ayant donné lieu à une prolongation de la deuxième période d'indemnisation qui a effectivement abouti à l'octroi d'un avantage;
4° qui ont été prises en compte en tant que passé professionnel utilisé pour déterminer la durée de la période visée à l'article 212, § 1er, alinéa 2, de la loi-programme du 18 juillet 2025 qui a effectivement abouti à l'octroi d'un avantage.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le droit aux allocations n'est pas limité dans le temps pour les travailleurs suivants:
1° le travailleur visé à l'article 28, § 3;
2° le travailleur qui, au moment de la demande d'allocations à la suite de laquelle le droit aux allocations a été constaté en application des articles 30 ou 33, a atteint l'âge de 55 ans et qui prouve un passé professionnel suffisant;
3° le travailleur bénéficiant d'allocations en application de l'arrêté royal du 3 mai 2007 fixant le régime de chômage avec complément d'entreprise;
4° le travailleur qui, en application de l'article 4, alinéa 2, de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 modifiant l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand et portant des mesures diverses, bénéficie de l'allocation visée à l'article 78, tel qu'il était d'application jusqu'au 30 juin 2004;
5° le travailleur auquel le droit à l'allocation de sauvegarde visée à l'article 27, 20°, a été octroyé, dans les conditions prévues pour le maintien de cette allocation;
6° le travailleur qui a été admis au droit à l'allocation du travail des arts visée à l'article 27, 24°, dans les conditions prévues pour le maintien de cette allocation;
7° le travailleur dont le droit à l'allocation à l'allocation du travail des arts visée à l'article 27, 24°, a pris fin et qui peut prétendre à une allocation forfaitaire en application de l'article 114bis.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, le travailleur est présumé prouver un passé professionnel suffisant s'il prouve au moins 31 ans de passé professionnel, calculé conformément à l'article 119, 3°.
Le nombre requis d'années de passé professionnel visé à l'alinéa 1er, 2°, et à l'alinéa 2, est relevé à:
1° 32 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2027;
2° 33 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2028;
3° 34 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2029;
4° 35 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2030.
Une fois qu'il est constaté que, en application de l'alinéa 1er, 2°, le droit du travailleur n'est pas limité dans le temps, ce droit reste octroyé sans limitation dans le temps lorsque l'admissibilité de ce travailleur est ultérieurement à nouveau constaté même si, à ce moment, il ne remplit plus les conditions relatives au passé professionnel requis à cette date en application de l'alinéa 3.
§ 2/1. Le travailleur qui, à l'expiration de la période pendant laquelle le droit a été octroyé en application du paragraphe 1er, éventuellement prolongée conformément à l'article 116, §§ 1er, 2 et 3, suit une formation préparant à un emploi dans les fonctions critiques dans le secteur des soins de santé en tant qu'infirmier ou aide-soignant, pour laquelle une dispense est accordée par le service régional de l'emploi, conserve le droit aux allocations pendant toute la durée ininterrompue de cette formation, dans la limite d'une période se terminant un an après la durée minimale totale normale de la formation, et en tout cas au plus tard cinq ans à compter du moment où la formation a débuté. Cet avantage ne peut être octroyé qu'une seule fois durant l'ensemble de la carrière professionnelle.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Les formations visées à l'alinéa 1er sont déterminées par le ministre, sur proposition des services régionaux de l'emploi compétents.
La mesure introduite par le présent paragraphe fera l'objet d'une évaluation avant le 1er janvier 2028.
§ 3. Pendant la première période d'indemnisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, le montant journalier de l'allocation de chômage du chômeur complet est fixé en fonction d'un pourcentage de la rémunération journalière moyenne, de la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, visée à l'article 110, du montant limite applicable, visé à l'article 111, et de la durée du chômage.
Durant les trois premiers mois de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocation de 65 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale A1 fixée à l'article 111.
Durant les mois quatre à six de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocations de 60 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale A2 fixée à l'article 111.
Durant les mois sept à douze de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocation de 60 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale B fixée à l'article 111.
§ 4. Durant la deuxième période d'indemnisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 2, le montant journalier de l'allocation est fixé:
1° pour le travailleur qui, au moment de la demande d'allocations à la suite de laquelle le droit aux allocations a été constaté en application des articles 30 ou 33, prouve un passé professionnel suffisant au sens du paragraphe 2, alinéas 2 et 3, au montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, tel que prévu à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d);
2° pour le travailleur qui n'est pas visé au 1°, au montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, tel que prévu à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, e).
§ 5. Par dérogation aux paragraphes précédents, le montant journalier de l'allocation de chômage du travailleur qui bénéficie de la dispense prévue à l'article 90 s'élève à 8,62 euros.
§ 6. Le montant journalier de l'allocation de chômage du chômeur temporaire est fixé à:
1° 65 % de la rémunération journalière moyenne, lorsque le contrat de travail du travailleur est suspendu pour cause de force majeure au sens de l'article 26 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° 60 % de la rémunération journalière moyenne, lorsque le contrat de travail du travailleur est suspendu pour un autre motif.
L'allocation visée au présent paragraphe est fixée en tenant compte du montant limite C visé à l'article 111.
Pour le travailleur qui bénéficie de l'allocation de garantie de revenus et qui est mis en chômage temporaire, le montant journalier de l'allocation de chômage est égal au montant de l'allocation de référence fixée en vertu de l'article 131bis, § 2bis, alinéa 5, divisé par 26.
§ 7. Par dérogation aux paragraphes précédents, lorsque l'exécution du contrat d'apprentissage est temporairement, soit totalement soit partiellement, suspendue, le montant journalier de l'allocation de chômage pour l'apprenti correspond au montant prévu à l'article 124, alinéa 1er, pour le travailleur âgé de moins de 18 ans. L'article 115 n'est pas applicable à ces montants.
§ 8. Par dérogation aux paragraphes 3 et 4, le montant journalier de l'allocation de chômage du travailleur visé à l'article 28, § 3, quelle que soit la durée du chômage ou la catégorie familiale à laquelle le travailleur appartient, est fixé à 60 % de la rémunération journalière moyenne, limité au plafond salarial C prévu à l'article 111.
§ 9. La décision par laquelle, en application du paragraphe 1er, le droit aux allocations de chômage est accordé pour une période limitée dans le temps, n'est pas, pour l'application de l'article 146, alinéa 4, 1°, considérée comme une décision de refus, d'exclusion ou de suspension du droit aux allocations.".
"Art. 114. § 1er. Le chômeur complet qui, en application des articles 30 ou 33, est admis au droit aux allocations, acquiert ce droit pour une période de douze mois, calculée de date à date à partir de la date de la demande d'allocations. Cette période de douze mois est appelée la première période d'indemnisation.
Le droit aux allocations pendant douze mois est élargi d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées, ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées. Il est uniquement tenu compte du passé professionnel qui est acquis au moment où le chômeur est admis au droit aux allocations en application des articles 30 ou 33. L'élargissement est en outre limité à un maximum de douze mois. La période durant laquelle le droit aux allocations est élargi avec un maximum de douze mois, est appelée deuxième période d'indemnisation.
Pour l'élargissement du droit aux allocations visé à l'alinéa 2, il n'est pas tenu compte pour la détermination du passé professionnel des journées de travail ou des journées assimilées:
1° qui ont été prises en compte pour les 312 journées de travail ou journées assimilés requises pour une admission au bénéfice des allocations en application des articles 30 ou 33;
2° qui ont déjà été prises en compte lors d'une admission antérieure au bénéfice des allocations en application des articles 30 ou 33 pour un élargissement de la période de douze mois. Plus précisément, il n'est plus tenu compte d'une tranche de 104 journées complètes ou demi-journées de passé professionnel à partir du moment où le chômeur, durant le mois au cours duquel le droit à un élargissement de la tranche de 104 journées lui a été accordé, a bénéficié d'au moins un jour d'allocations ou si un événement s'est produit au cours de ce mois qui ne peut pas entrer en ligne de compte pour l'application de l'article 116, § 1er;
3° qui, pour l'application du paragraphe 2 tel qu'il était d'application avant l'entrée en vigueur de cette disposition, ont été prises en compte en tant que passé professionnel ayant donné lieu à une prolongation de la deuxième période d'indemnisation qui a effectivement abouti à l'octroi d'un avantage;
4° qui ont été prises en compte en tant que passé professionnel utilisé pour déterminer la durée de la période visée à l'article 212, § 1er, alinéa 2, de la loi-programme du 18 juillet 2025 qui a effectivement abouti à l'octroi d'un avantage.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le droit aux allocations n'est pas limité dans le temps pour les travailleurs suivants:
1° le travailleur visé à l'article 28, § 3;
2° le travailleur qui, au moment de la demande d'allocations à la suite de laquelle le droit aux allocations a été constaté en application des articles 30 ou 33, a atteint l'âge de 55 ans et qui prouve un passé professionnel suffisant;
3° le travailleur bénéficiant d'allocations en application de l'arrêté royal du 3 mai 2007 fixant le régime de chômage avec complément d'entreprise;
4° le travailleur qui, en application de l'article 4, alinéa 2, de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 modifiant l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand et portant des mesures diverses, bénéficie de l'allocation visée à l'article 78, tel qu'il était d'application jusqu'au 30 juin 2004;
5° le travailleur auquel le droit à l'allocation de sauvegarde visée à l'article 27, 20°, a été octroyé, dans les conditions prévues pour le maintien de cette allocation;
6° le travailleur qui a été admis au droit à l'allocation du travail des arts visée à l'article 27, 24°, dans les conditions prévues pour le maintien de cette allocation;
7° le travailleur dont le droit à l'allocation à l'allocation du travail des arts visée à l'article 27, 24°, a pris fin et qui peut prétendre à une allocation forfaitaire en application de l'article 114bis.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, le travailleur est présumé prouver un passé professionnel suffisant s'il prouve au moins 31 ans de passé professionnel, calculé conformément à l'article 119, 3°.
Le nombre requis d'années de passé professionnel visé à l'alinéa 1er, 2°, et à l'alinéa 2, est relevé à:
1° 32 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2027;
2° 33 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2028;
3° 34 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2029;
4° 35 ans, lorsque l'admissibilité au droit aux allocations est constatée en 2030.
Une fois qu'il est constaté que, en application de l'alinéa 1er, 2°, le droit du travailleur n'est pas limité dans le temps, ce droit reste octroyé sans limitation dans le temps lorsque l'admissibilité de ce travailleur est ultérieurement à nouveau constaté même si, à ce moment, il ne remplit plus les conditions relatives au passé professionnel requis à cette date en application de l'alinéa 3.
§ 2/1. Le travailleur qui, à l'expiration de la période pendant laquelle le droit a été octroyé en application du paragraphe 1er, éventuellement prolongée conformément à l'article 116, §§ 1er, 2 et 3, suit une formation préparant à un emploi dans les fonctions critiques dans le secteur des soins de santé en tant qu'infirmier ou aide-soignant, pour laquelle une dispense est accordée par le service régional de l'emploi, conserve le droit aux allocations pendant toute la durée ininterrompue de cette formation, dans la limite d'une période se terminant un an après la durée minimale totale normale de la formation, et en tout cas au plus tard cinq ans à compter du moment où la formation a débuté. Cet avantage ne peut être octroyé qu'une seule fois durant l'ensemble de la carrière professionnelle.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Les formations visées à l'alinéa 1er sont déterminées par le ministre, sur proposition des services régionaux de l'emploi compétents.
La mesure introduite par le présent paragraphe fera l'objet d'une évaluation avant le 1er janvier 2028.
§ 3. Pendant la première période d'indemnisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, le montant journalier de l'allocation de chômage du chômeur complet est fixé en fonction d'un pourcentage de la rémunération journalière moyenne, de la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, visée à l'article 110, du montant limite applicable, visé à l'article 111, et de la durée du chômage.
Durant les trois premiers mois de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocation de 65 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale A1 fixée à l'article 111.
Durant les mois quatre à six de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocations de 60 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale A2 fixée à l'article 111.
Durant les mois sept à douze de la première période d'indemnisation, le travailleur a droit à un montant d'allocation de 60 % de la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage comme base de calcul de l'allocation de chômage, limitée à la limite salariale B fixée à l'article 111.
§ 4. Durant la deuxième période d'indemnisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 2, le montant journalier de l'allocation est fixé:
1° pour le travailleur qui, au moment de la demande d'allocations à la suite de laquelle le droit aux allocations a été constaté en application des articles 30 ou 33, prouve un passé professionnel suffisant au sens du paragraphe 2, alinéas 2 et 3, au montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, tel que prévu à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d);
2° pour le travailleur qui n'est pas visé au 1°, au montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour la catégorie familiale à laquelle le chômeur appartient, tel que prévu à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, e).
§ 5. Par dérogation aux paragraphes précédents, le montant journalier de l'allocation de chômage du travailleur qui bénéficie de la dispense prévue à l'article 90 s'élève à 8,62 euros.
§ 6. Le montant journalier de l'allocation de chômage du chômeur temporaire est fixé à:
1° 65 % de la rémunération journalière moyenne, lorsque le contrat de travail du travailleur est suspendu pour cause de force majeure au sens de l'article 26 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° 60 % de la rémunération journalière moyenne, lorsque le contrat de travail du travailleur est suspendu pour un autre motif.
L'allocation visée au présent paragraphe est fixée en tenant compte du montant limite C visé à l'article 111.
Pour le travailleur qui bénéficie de l'allocation de garantie de revenus et qui est mis en chômage temporaire, le montant journalier de l'allocation de chômage est égal au montant de l'allocation de référence fixée en vertu de l'article 131bis, § 2bis, alinéa 5, divisé par 26.
§ 7. Par dérogation aux paragraphes précédents, lorsque l'exécution du contrat d'apprentissage est temporairement, soit totalement soit partiellement, suspendue, le montant journalier de l'allocation de chômage pour l'apprenti correspond au montant prévu à l'article 124, alinéa 1er, pour le travailleur âgé de moins de 18 ans. L'article 115 n'est pas applicable à ces montants.
§ 8. Par dérogation aux paragraphes 3 et 4, le montant journalier de l'allocation de chômage du travailleur visé à l'article 28, § 3, quelle que soit la durée du chômage ou la catégorie familiale à laquelle le travailleur appartient, est fixé à 60 % de la rémunération journalière moyenne, limité au plafond salarial C prévu à l'article 111.
§ 9. La décision par laquelle, en application du paragraphe 1er, le droit aux allocations de chômage est accordé pour une période limitée dans le temps, n'est pas, pour l'application de l'article 146, alinéa 4, 1°, considérée comme une décision de refus, d'exclusion ou de suspension du droit aux allocations.".
Art.170. In artikel 114bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden "artikel 114, § 3" vervangen door de woorden "artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, e)";
2° in het vierde lid worden de woorden "de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1° en" vervangen door het woord "artikel".
1° in het derde lid worden de woorden "artikel 114, § 3" vervangen door de woorden "artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, e)";
2° in het vierde lid worden de woorden "de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1° en" vervangen door het woord "artikel".
Art.170. A l'article 114bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 3, les mots "l'article 114, § 3" sont remplacés par les mots "l'article 115, § 1, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b) ou 3°, e)";
2° à l'alinéa 4, les mots "des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, et" sont remplacés par les mots "de l'article".
1° à l'alinéa 3, les mots "l'article 114, § 3" sont remplacés par les mots "l'article 115, § 1, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b) ou 3°, e)";
2° à l'alinéa 4, les mots "des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, et" sont remplacés par les mots "de l'article".
Art.171. Artikel 115 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 3 september 2017 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 december 2023, wordt vervangen als volgt:
"Art. 115. § 1. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt vastgesteld:
1° voor de werknemer met gezinslast:
a) gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 43,11 euro;
b) gedurende de daaropvolgende maanden, op 39,19 euro;
2° voor de alleenwonende werknemer:
a) gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 34,94 euro;
b) gedurende de daaropvolgende maanden, op 31,76 euro;
3° voor de samenwonende werknemer:
a) gedurende de eerste drie maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 33,63 euro;
b) gedurende de maanden vier tot zes van de eerste vergoedingsperiode, op 31,04 euro;
c) gedurende de maanden zeven tot twaalf van de eerste vergoedingsperiode, op 28,22 euro;
d) gedurende de tweede vergoedingsperiode, op 23,39 euro, indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 114, § 4, 1° ;
e) gedurende de tweede vergoedingsperiode, op 16,48 euro, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 114, § 4, 1°.
Wanneer twee samenwonende echtgenoten in de loop van een kalendermaand slechts beschikken over de in het eerste lid, 3°, e), bedoelde minimumuitkering, wordt het bedrag van deze minimumuitkering voor de bedoelde maand verhoogd met 3,12 euro.
§ 2. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de werknemer die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet, wordt vastgesteld op:
1° 37,89 euro voor de werknemer met gezinslast;
2° 30,71 euro voor de alleenwonende werknemer;
3° 27,29 euro voor de samenwonende werknemer.
§ 3. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze bedoeld in artikel 28, § 3, wordt, ongeacht zijn gezinssituatie, vastgesteld op het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, b).
§ 4. In afwijking van de vorige paragrafen, wordt het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 114, § 6, ongeacht zijn gezinssituatie, vastgesteld op:
1° 38,72 euro indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van overmacht in de zin van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° 35,74 euro indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van een andere reden.".
"Art. 115. § 1. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt vastgesteld:
1° voor de werknemer met gezinslast:
a) gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 43,11 euro;
b) gedurende de daaropvolgende maanden, op 39,19 euro;
2° voor de alleenwonende werknemer:
a) gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 34,94 euro;
b) gedurende de daaropvolgende maanden, op 31,76 euro;
3° voor de samenwonende werknemer:
a) gedurende de eerste drie maanden van de eerste vergoedingsperiode, op 33,63 euro;
b) gedurende de maanden vier tot zes van de eerste vergoedingsperiode, op 31,04 euro;
c) gedurende de maanden zeven tot twaalf van de eerste vergoedingsperiode, op 28,22 euro;
d) gedurende de tweede vergoedingsperiode, op 23,39 euro, indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 114, § 4, 1° ;
e) gedurende de tweede vergoedingsperiode, op 16,48 euro, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 114, § 4, 1°.
Wanneer twee samenwonende echtgenoten in de loop van een kalendermaand slechts beschikken over de in het eerste lid, 3°, e), bedoelde minimumuitkering, wordt het bedrag van deze minimumuitkering voor de bedoelde maand verhoogd met 3,12 euro.
§ 2. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de werknemer die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet, wordt vastgesteld op:
1° 37,89 euro voor de werknemer met gezinslast;
2° 30,71 euro voor de alleenwonende werknemer;
3° 27,29 euro voor de samenwonende werknemer.
§ 3. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze bedoeld in artikel 28, § 3, wordt, ongeacht zijn gezinssituatie, vastgesteld op het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, b).
§ 4. In afwijking van de vorige paragrafen, wordt het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 114, § 6, ongeacht zijn gezinssituatie, vastgesteld op:
1° 38,72 euro indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van overmacht in de zin van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° 35,74 euro indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt geschorst omwille van een andere reden.".
Art.171. L'article 115 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 3 septembre 2017 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 17 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 115. § 1er. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage est fixé:
1° pour le travailleur ayant charge de famille:
a) à 43,11 euros, pendant les six premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 39,19 euros, pendant les mois suivants;
2° pour le travailleur isolé:
a) à 34,94 euros, pendant les six premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 31,76 euros, pendant les mois suivants;
3° pour le travailleur cohabitant:
a) à 33,63 euros pendant les trois premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 31,04 euros pendant les mois quatre à six de la première période d'indemnisation;
c) à 28,22 euros pendant les mois sept à douze de la première période d'indemnisation;
d) pendant la deuxième période d'indemnisation, à 23,39 euros, s'il remplit les conditions de l'article 114, § 4, 1° ;
e) pendant la deuxième période d'indemnisation, à 16,48 euros, s'il ne remplit pas les conditions de l'article 114, § 4, 1°.
Lorsque deux conjoints qui cohabitent ne bénéficient, au cours d'un mois calendrier, que de l'allocation minimum visée à l'alinéa 1er, 3°, e), le montant de cette allocation minimum est augmenté, pour le mois considéré, de 3,12 euros.
§ 2. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour le travailleur qui bénéficie du régime de chômage avec complément d'entreprise ou qui bénéficie de l'indemnité complémentaire pour les travailleurs frontaliers âgés licenciés, est fixé à:
1° 37,89 euros pour le travailleur ayant charge de famille;
2° 30,71 euros pour le travailleur isolé;
3° 27,29 euros pour le travailleur cohabitant.
§ 3. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage du chômeur complet visé à l'article 28, § 3, indépendamment de sa situation familiale, est fixé au montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, b).
§ 4. Par dérogation aux paragraphes précédents, le montant journalier minimum de l'allocation de chômage du chômeur temporaire visé à l'article 114, § 6, peu importe sa situation familiale, est fixé à:
1° 38,72 euros si le contrat de travail du travailleur est suspendu pour cause de force majeure au sens de l'article 26 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° 35,74 euros si le contrat de travail du travailleur est suspendu pour un autre motif.".
"Art. 115. § 1er. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage est fixé:
1° pour le travailleur ayant charge de famille:
a) à 43,11 euros, pendant les six premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 39,19 euros, pendant les mois suivants;
2° pour le travailleur isolé:
a) à 34,94 euros, pendant les six premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 31,76 euros, pendant les mois suivants;
3° pour le travailleur cohabitant:
a) à 33,63 euros pendant les trois premiers mois de la première période d'indemnisation;
b) à 31,04 euros pendant les mois quatre à six de la première période d'indemnisation;
c) à 28,22 euros pendant les mois sept à douze de la première période d'indemnisation;
d) pendant la deuxième période d'indemnisation, à 23,39 euros, s'il remplit les conditions de l'article 114, § 4, 1° ;
e) pendant la deuxième période d'indemnisation, à 16,48 euros, s'il ne remplit pas les conditions de l'article 114, § 4, 1°.
Lorsque deux conjoints qui cohabitent ne bénéficient, au cours d'un mois calendrier, que de l'allocation minimum visée à l'alinéa 1er, 3°, e), le montant de cette allocation minimum est augmenté, pour le mois considéré, de 3,12 euros.
§ 2. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage pour le travailleur qui bénéficie du régime de chômage avec complément d'entreprise ou qui bénéficie de l'indemnité complémentaire pour les travailleurs frontaliers âgés licenciés, est fixé à:
1° 37,89 euros pour le travailleur ayant charge de famille;
2° 30,71 euros pour le travailleur isolé;
3° 27,29 euros pour le travailleur cohabitant.
§ 3. Le montant journalier minimum de l'allocation de chômage du chômeur complet visé à l'article 28, § 3, indépendamment de sa situation familiale, est fixé au montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, b).
§ 4. Par dérogation aux paragraphes précédents, le montant journalier minimum de l'allocation de chômage du chômeur temporaire visé à l'article 114, § 6, peu importe sa situation familiale, est fixé à:
1° 38,72 euros si le contrat de travail du travailleur est suspendu pour cause de force majeure au sens de l'article 26 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° 35,74 euros si le contrat de travail du travailleur est suspendu pour un autre motif.".
Art.172. Artikel 116 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juli 2012 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 december 2022, wordt vervangen als volgt:
"Art. 116. § 1. De vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, loopt niet tijdens de duur van de volgende gebeurtenissen:
1° een werkhervatting als voltijdse werknemer;
2° een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
3° een werkhervatting als vrijwillig deeltijdse werknemer die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voor zover de werknemer tijdens deze tewerkstelling geen uitkeringen werden toegekend;
4° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 die niet gelegen zijn in een onder 1°, 2° en 3° bedoelde tewerkstelling en waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend;
5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet en de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt en voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend: de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen.
§ 2. De duur van het recht op uitkeringen, bedoeld in artikel 114, § 1, wordt verlengd met de periodes waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt evenwel geen rekening gehouden met:
1° de periodes bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
2° de periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een werkloosheidsuitkering heeft genoten.
Het voordeel dat toegekend werd gedurende de in het eerste lid bedoelde periodes heeft geen invloed op de vaststelling van de toepasselijke vergoedingsperiodes en fases, die doorlopen tijdens die in het eerste lid bedoelde periodes.
§ 3. De werknemer, die bij het verstrijken van de periode van het recht op werkloosheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 114, § 1, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de paragrafen 1 en 2, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een werkloosheidsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Indien deze werknemer geen recht op een uitbreiding van zijn recht heeft in toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, wordt zijn inkomensgarantie-uitkering berekend op basis van de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, die wordt vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, e).
De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing tijdens de periode waarin de werknemer overeenkomstig het eerste lid het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen dat in aanmerking wordt genomen als gevolg van een deeltijdse tewerkstelling waarvoor de werknemer zijn recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt in toepassing van het eerste lid, wordt geacht bereikt te zijn de dag volgend op het einde van deze tewerkstelling.
Indien deze werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer in dezelfde onderneming of in de groep waartoe de onderneming behoort, binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf het einde van de vorige tewerkstelling, wordt zijn inkomensgarantie-uitkering berekend op basis van de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, die wordt vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 114, § 4.
§ 4. In geval de werknemer, na een onderbreking van het recht op uitkeringen als bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, bij een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze voor alle dagen van de week voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, wordt geen toepassing gemaakt van de paragrafen 1 en 2 en wordt de werknemer opnieuw tot het recht op uitkeringen toegelaten voor een periode als bepaald in artikel 114, §§ 1 en 2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer in dezelfde onderneming of in de groep waartoe de onderneming behoort, indien de werkhervatting plaats vindt binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop hij opnieuw aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33 zou hebben voldaan. In dat geval blijft paragraaf 1 van toepassing.".
"Art. 116. § 1. De vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, loopt niet tijdens de duur van de volgende gebeurtenissen:
1° een werkhervatting als voltijdse werknemer;
2° een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
3° een werkhervatting als vrijwillig deeltijdse werknemer die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voor zover de werknemer tijdens deze tewerkstelling geen uitkeringen werden toegekend;
4° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 die niet gelegen zijn in een onder 1°, 2° en 3° bedoelde tewerkstelling en waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend;
5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet en de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt en voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend: de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen.
§ 2. De duur van het recht op uitkeringen, bedoeld in artikel 114, § 1, wordt verlengd met de periodes waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt evenwel geen rekening gehouden met:
1° de periodes bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
2° de periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een werkloosheidsuitkering heeft genoten.
Het voordeel dat toegekend werd gedurende de in het eerste lid bedoelde periodes heeft geen invloed op de vaststelling van de toepasselijke vergoedingsperiodes en fases, die doorlopen tijdens die in het eerste lid bedoelde periodes.
§ 3. De werknemer, die bij het verstrijken van de periode van het recht op werkloosheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 114, § 1, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de paragrafen 1 en 2, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een werkloosheidsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Indien deze werknemer geen recht op een uitbreiding van zijn recht heeft in toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, wordt zijn inkomensgarantie-uitkering berekend op basis van de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, die wordt vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, e).
De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing tijdens de periode waarin de werknemer overeenkomstig het eerste lid het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen dat in aanmerking wordt genomen als gevolg van een deeltijdse tewerkstelling waarvoor de werknemer zijn recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt in toepassing van het eerste lid, wordt geacht bereikt te zijn de dag volgend op het einde van deze tewerkstelling.
Indien deze werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer in dezelfde onderneming of in de groep waartoe de onderneming behoort, binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf het einde van de vorige tewerkstelling, wordt zijn inkomensgarantie-uitkering berekend op basis van de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, die wordt vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 114, § 4.
§ 4. In geval de werknemer, na een onderbreking van het recht op uitkeringen als bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, bij een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze voor alle dagen van de week voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, wordt geen toepassing gemaakt van de paragrafen 1 en 2 en wordt de werknemer opnieuw tot het recht op uitkeringen toegelaten voor een periode als bepaald in artikel 114, §§ 1 en 2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer in dezelfde onderneming of in de groep waartoe de onderneming behoort, indien de werkhervatting plaats vindt binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop hij opnieuw aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33 zou hebben voldaan. In dat geval blijft paragraaf 1 van toepassing.".
Art.172. L'article 116 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 23 juillet 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 8 décembre 2022, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 116. § 1er. La période d'indemnisation visée à l'article 114, § 1er, ne court pas pendant la durée des évènements suivants:
1° une reprise du travail comme travailleur à temps plein;
2° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits pour laquelle une allocation de garantie de revenus n'a pas été octroyée;
3° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel volontaire qui répond aux conditions de l'article 33, 1°, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée au travailleur durant cette occupation;
4° les jours de travail visés à l'article 37 qui ne sont pas situés dans une occupation visée aux 1°, 2° et 3° et pour lesquels aucune allocation supplémentaire n'a été octroyée;
5° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité et la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° pour autant que la durée ininterrompue de l'évènement est d'au moins trois mois et pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée pour cette période: l'exercice d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, il n'est toutefois pas tenu compte des jours situés dans cette période qui ne peuvent être pris en compte comme jours assimilés.
§ 2. La durée du droit aux allocations, visée à l'article 114, § 1er, est prolongée avec les périodes pour lesquelles le travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il n'est cependant pas tenu compte:
1° des périodes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5° ;
2° des périodes pendant lesquelles le travailleur a perçu simultanément une allocation de chômage.
L'avantage qui a été accordé pendant les périodes visées à l'alinéa 1er n'a pas d'effet sur la fixation des périodes d'indemnisation ou des phases applicables, qui courent pendant les périodes visées à l'alinéa 1er.
§ 3. Le travailleur qui, au moment de l'expiration du droit aux allocations, visé à l'article 114, § 1er, le cas échéant prolongé en application des paragraphes 1er et 2, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, dont l'allocation de référence, visée à l'article 131bis, § 2bis, est une allocation de chômage, peut maintenir le droit à cette allocation jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Si le travailleur n'a pas droit à un élargissement de son droit en application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, son allocation de garantie de revenus est calculée sur la base de l'allocation de référence visée à l'article 131bis, § 2bis, qui est fixée au montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, e).
Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas d'application durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 1er.
Le nombre de jours de travail et assimilés qui est pris en considération à la suite d'une occupation à temps partiel pour laquelle le travailleur maintient son droit à l'allocation de garantie de revenus en application de l'alinéa 1er, est censé avoir été atteint le jour qui suit la fin de cette occupation.
Si, dans une période de 12 mois à compter de la fin de l'occupation précédente, ce travailleur reprend le travail comme travailleur à temps partiel dans la même entreprise ou dans le groupe auquel l'entreprise appartient, son allocation de garantie de revenus est calculée sur la base de l'allocation de référence visée à l'article 131bis, § 2bis, qui est fixée au montant visé à l'article 114, § 4.
§ 4. Si le travailleur, après une interruption du droit aux allocations telle que visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 lorsqu'il introduit une demande d'allocations en tant que chômeur complet pour tous les jours de la semaine, il n'est pas fait application des paragraphes 1er et 2 et le travailleur est réadmis au droit aux allocations pour une période prévue à l'article 114, §§ 1er et 2.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le travailleur reprend le travail comme travailleur à temps partiel dans la même entreprise ou dans le groupe auquel l'entreprise appartient, si la reprise de travail se situe dans une période de 12 mois prenant cours à la date à laquelle il remplit à nouveau les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33. Dans ce cas, le paragraphe 1er reste d'application.".
"Art. 116. § 1er. La période d'indemnisation visée à l'article 114, § 1er, ne court pas pendant la durée des évènements suivants:
1° une reprise du travail comme travailleur à temps plein;
2° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits pour laquelle une allocation de garantie de revenus n'a pas été octroyée;
3° une reprise du travail comme travailleur à temps partiel volontaire qui répond aux conditions de l'article 33, 1°, pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée au travailleur durant cette occupation;
4° les jours de travail visés à l'article 37 qui ne sont pas situés dans une occupation visée aux 1°, 2° et 3° et pour lesquels aucune allocation supplémentaire n'a été octroyée;
5° la période durant laquelle le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité et la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou la période dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° pour autant que la durée ininterrompue de l'évènement est d'au moins trois mois et pour autant qu'aucune allocation n'ait été octroyée pour cette période: l'exercice d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chômage.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, il n'est toutefois pas tenu compte des jours situés dans cette période qui ne peuvent être pris en compte comme jours assimilés.
§ 2. La durée du droit aux allocations, visée à l'article 114, § 1er, est prolongée avec les périodes pour lesquelles le travailleur a perçu une indemnité en vertu de la législation belge relative à l'assurance maladie-invalidité, de la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles ou a, en vertu d'un autre régime de sécurité sociale, bénéficié d'une prestation en raison d'une incapacité de travail ou d'une invalidité.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il n'est cependant pas tenu compte:
1° des périodes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5° ;
2° des périodes pendant lesquelles le travailleur a perçu simultanément une allocation de chômage.
L'avantage qui a été accordé pendant les périodes visées à l'alinéa 1er n'a pas d'effet sur la fixation des périodes d'indemnisation ou des phases applicables, qui courent pendant les périodes visées à l'alinéa 1er.
§ 3. Le travailleur qui, au moment de l'expiration du droit aux allocations, visé à l'article 114, § 1er, le cas échéant prolongé en application des paragraphes 1er et 2, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, dont l'allocation de référence, visée à l'article 131bis, § 2bis, est une allocation de chômage, peut maintenir le droit à cette allocation jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Si le travailleur n'a pas droit à un élargissement de son droit en application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, son allocation de garantie de revenus est calculée sur la base de l'allocation de référence visée à l'article 131bis, § 2bis, qui est fixée au montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, e).
Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas d'application durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 1er.
Le nombre de jours de travail et assimilés qui est pris en considération à la suite d'une occupation à temps partiel pour laquelle le travailleur maintient son droit à l'allocation de garantie de revenus en application de l'alinéa 1er, est censé avoir été atteint le jour qui suit la fin de cette occupation.
Si, dans une période de 12 mois à compter de la fin de l'occupation précédente, ce travailleur reprend le travail comme travailleur à temps partiel dans la même entreprise ou dans le groupe auquel l'entreprise appartient, son allocation de garantie de revenus est calculée sur la base de l'allocation de référence visée à l'article 131bis, § 2bis, qui est fixée au montant visé à l'article 114, § 4.
§ 4. Si le travailleur, après une interruption du droit aux allocations telle que visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 lorsqu'il introduit une demande d'allocations en tant que chômeur complet pour tous les jours de la semaine, il n'est pas fait application des paragraphes 1er et 2 et le travailleur est réadmis au droit aux allocations pour une période prévue à l'article 114, §§ 1er et 2.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le travailleur reprend le travail comme travailleur à temps partiel dans la même entreprise ou dans le groupe auquel l'entreprise appartient, si la reprise de travail se situe dans une période de 12 mois prenant cours à la date à laquelle il remplit à nouveau les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33. Dans ce cas, le paragraphe 1er reste d'application.".
Art.173. Artikel 117 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 juni 2013, wordt opgeheven.
Art.173. L'article 117 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 juin 2013, est abrogé.
Art.174. In artikel 118, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en tweede lid worden vervangen als volgt:
" § 1. In geval van volledige werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen, behouden als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering gedurende de gehele duur van de in artikel 114, §§ 1 en 2, voorziene periode waarvoor het recht op uitkeringen wordt verworven.
Deze berekeningsbasis wordt evenwel herzien wanneer de werknemer bij een nieuwe uitkeringsaanvraag in toepassing van artikel 138, eerste lid, 3°, opnieuw tot het recht op uitkeringen wordt toegelaten in toepassing van artikel 30 of 33.";
2° in het derde lid, wordt de bepaling onder 6° opgeheven.
1° het eerste en tweede lid worden vervangen als volgt:
" § 1. In geval van volledige werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen, behouden als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering gedurende de gehele duur van de in artikel 114, §§ 1 en 2, voorziene periode waarvoor het recht op uitkeringen wordt verworven.
Deze berekeningsbasis wordt evenwel herzien wanneer de werknemer bij een nieuwe uitkeringsaanvraag in toepassing van artikel 138, eerste lid, 3°, opnieuw tot het recht op uitkeringen wordt toegelaten in toepassing van artikel 30 of 33.";
2° in het derde lid, wordt de bepaling onder 6° opgeheven.
Art.174. A l'article 118, § 1er, du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 décembre 2007, les modifications suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1er. En cas de chômage complet, la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage est maintenue comme base de calcul de l'allocation de chômage pendant toute la durée de la période prévue à l'article 114, §§ 1er et 2, pour laquelle le droit aux allocations est octroyé.
Toutefois, cette base de calcul est revue lorsque le travailleur, lors d'une nouvelle demande d'allocations en application de l'article 138, alinéa 1er, 3°, est admis à nouveau au droit aux allocations en application des articles 30 ou 33.";
2° dans l'alinéa 3, le 6° est abrogé.
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1er. En cas de chômage complet, la rémunération journalière moyenne qui a été prise en considération au début du chômage est maintenue comme base de calcul de l'allocation de chômage pendant toute la durée de la période prévue à l'article 114, §§ 1er et 2, pour laquelle le droit aux allocations est octroyé.
Toutefois, cette base de calcul est revue lorsque le travailleur, lors d'une nouvelle demande d'allocations en application de l'article 138, alinéa 1er, 3°, est admis à nouveau au droit aux allocations en application des articles 30 ou 33.";
2° dans l'alinéa 3, le 6° est abrogé.
Art.175. In artikel 119 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, wordt de bepaling onder 4° opgeheven.
Art.175. Dans l'article 119 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 juillet 2012, le 4° est abrogé.
Art.176. In artikel 124 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 januari 2023, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering gedurende de eerste vijf maanden van werkloosheid, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 3, vastgesteld op 40,53 euro, indien de werknemer met gezinslast gedurende de beroepsinschakelingstijd, bedoeld in artikel 36, ten minste 52 arbeidsdagen in de zin van de artikelen 37 en 43 kan bewijzen.".
"In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering gedurende de eerste vijf maanden van werkloosheid, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 3, vastgesteld op 40,53 euro, indien de werknemer met gezinslast gedurende de beroepsinschakelingstijd, bedoeld in artikel 36, ten minste 52 arbeidsdagen in de zin van de artikelen 37 en 43 kan bewijzen.".
Art.176. A l'article 124 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 29 janvier 2023, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le montant journalier de l'allocation d'insertion est fixé à 40,53 euros pendant les cinq premiers mois de chômage, période le cas échéant prolongée conformément à l'article 63, § 3, lorsque le travailleur ayant charge de famille peut prouver, pendant le stage d'insertion professionnelle visé à l'article 36, au moins 52 journées de travail au sens des articles 37 et 43.".
"Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le montant journalier de l'allocation d'insertion est fixé à 40,53 euros pendant les cinq premiers mois de chômage, période le cas échéant prolongée conformément à l'article 63, § 3, lorsque le travailleur ayant charge de famille peut prouver, pendant le stage d'insertion professionnelle visé à l'article 36, au moins 52 journées de travail au sens des articles 37 et 43.".
Art.177. Artikel 125 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 3 september 2017 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 januari 2023, wordt vervangen als volgt:
"Art. 125. In afwijking van artikel 124 bedraagt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 8,62 euro.".
"Art. 125. In afwijking van artikel 124 bedraagt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 8,62 euro.".
Art.177. L'article 125 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 3 septembre 2017 et modifié par l'arrêté royal du 29 janvier 2023, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 125. Par dérogation à l'article 124, le montant journalier de l'allocation d'insertion du travailleur qui bénéficie de la dispense prévue à l'article 90 s'élève à 8,62 euros.".
"Art. 125. Par dérogation à l'article 124, le montant journalier de l'allocation d'insertion du travailleur qui bénéficie de la dispense prévue à l'article 90 s'élève à 8,62 euros.".
Art.178. Artikel 126 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 september 2015, wordt opgeheven.
Art.178. L'article 126 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 septembre 2015, est abrogé.
Art.179. Artikel 127 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 19 juni 2007 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 januari 2023, wordt opgeheven.
Art.179. L'article 127 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 19 juin 2007 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 29 janvier 2023, est abrogé.
Art.180. Artikel 128 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juli 2012, wordt opgeheven.
Art.180. L'article 128 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 23 juillet 2012, est abrogé.
Art.181. In artikel 130bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 4 juli 2004, vervangen bij koninklijk besluit van 19 april 2006 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 oktober 2018, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Voor de werkloze die de hoedanigheid heeft van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2, of die de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, wordt voor de volgende periodes het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering verminderd tot het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 2° of 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, omgezet in een dagbedrag:
1° de periode van ten minste 4 en ten hoogste 10 weken, bedoeld in artikel 58/9, § 1, tweede lid, 1° ;
2° de periode van 13 weken, bedoeld in artikel 58/9, § 2, 1° ;
3° de periode van 6 maanden, bedoeld in artikel 58/9, § 3, 1°. "
"Voor de werkloze die de hoedanigheid heeft van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2, of die de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, wordt voor de volgende periodes het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering verminderd tot het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 2° of 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, omgezet in een dagbedrag:
1° de periode van ten minste 4 en ten hoogste 10 weken, bedoeld in artikel 58/9, § 1, tweede lid, 1° ;
2° de periode van 13 weken, bedoeld in artikel 58/9, § 2, 1° ;
3° de periode van 6 maanden, bedoeld in artikel 58/9, § 3, 1°. "
Art.181. A l'article 130bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 4 juillet 2004, remplacé par l'arrêté royal du 19 avril 2006 et modifié par l'arrêté royal du 15 octobre 2018, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour le chômeur qui a la qualité de travailleur isolé au sens de l'article 110, § 2, ou qui a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110, § 1er, le montant journalier de l'allocation de chômage est, pour les périodes suivantes, réduit au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, 2° ou 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, converti en un montant journalier:
1° la période d'au moins 4 semaines et au plus de 10 semaines, visée à l'article 58/9, § 1er, alinéa 2, 1° ;
2° la période de 13 semaines, visée à l'article 58/9, § 2, 1° ;
3° la période de 6 mois, visée à l'article 58/9, § 3, 1°. ".
"Pour le chômeur qui a la qualité de travailleur isolé au sens de l'article 110, § 2, ou qui a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110, § 1er, le montant journalier de l'allocation de chômage est, pour les périodes suivantes, réduit au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, 2° ou 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, converti en un montant journalier:
1° la période d'au moins 4 semaines et au plus de 10 semaines, visée à l'article 58/9, § 1er, alinéa 2, 1° ;
2° la période de 13 semaines, visée à l'article 58/9, § 2, 1° ;
3° la période de 6 mois, visée à l'article 58/9, § 3, 1°. ".
Art.182. In artikel 131bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 25 mei 1993 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2bis wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Voor de deeltijdse werknemer die in toepassing van artikel 133, § 1, eerste lid, 3°, a), de inkomensgarantie-uitkering aanvraagt, wordt het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering voor een beschouwde maand bekomen door het nettoloon verdiend voor de beschouwde maand in mindering te brengen van de referte-uitkering, vermeerderd met een uurtoeslag.";
3° paragraaf 2ter wordt opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de inleidende zin worden de woorden " § 2 of" opgeheven;
b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in toepassing van § 2bis recht heeft op een uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 3°, e).";
5° paragraaf 3bis wordt opgeheven;
6° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt:
" § 5. Binnen de periode waarop hij recht op uitkeringen heeft in toepassing van de artikelen 114 en 116, kan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten na zijn deeltijdse tewerkstelling opnieuw uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2bis wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Voor de deeltijdse werknemer die in toepassing van artikel 133, § 1, eerste lid, 3°, a), de inkomensgarantie-uitkering aanvraagt, wordt het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering voor een beschouwde maand bekomen door het nettoloon verdiend voor de beschouwde maand in mindering te brengen van de referte-uitkering, vermeerderd met een uurtoeslag.";
3° paragraaf 2ter wordt opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de inleidende zin worden de woorden " § 2 of" opgeheven;
b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° in toepassing van § 2bis recht heeft op een uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 3°, e).";
5° paragraaf 3bis wordt opgeheven;
6° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt:
" § 5. Binnen de periode waarop hij recht op uitkeringen heeft in toepassing van de artikelen 114 en 116, kan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten na zijn deeltijdse tewerkstelling opnieuw uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.".
Art.182. A l'article 131bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 25 mai 1993 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° au paragraphe 2bis, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour le travailleur à temps partiel qui, en application de l'article 133, § 1er, alinéa 1er, 3°, a), demande l'allocation de garantie de revenus, le montant net de l'allocation de garantie de revenus pour un mois considéré est obtenu en déduisant la rémunération nette perçue pour le mois considéré de l'allocation de référence, majorée d'un supplément horaire.";
3° le paragraphe 2ter est abrogé;
4° dans le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans la phrase liminaire, les mots " § 2 ou" sont abrogés;
b) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° a droit, en application du § 2bis, à une allocation dont le montant est au moins égal à la moitié du montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 3°, e).";
5° le paragraphe 3bis est abrogé;
6° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit:
" § 5. Pendant la période durant laquelle il a droit aux allocations en application des articles 114 et 116, le travailleur à temps partiel avec maintien des droits peut, à la fin de son occupation à temps partiel, bénéficier à nouveau des allocations pour tous les jours de la semaine, sauf les dimanches.".
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° au paragraphe 2bis, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour le travailleur à temps partiel qui, en application de l'article 133, § 1er, alinéa 1er, 3°, a), demande l'allocation de garantie de revenus, le montant net de l'allocation de garantie de revenus pour un mois considéré est obtenu en déduisant la rémunération nette perçue pour le mois considéré de l'allocation de référence, majorée d'un supplément horaire.";
3° le paragraphe 2ter est abrogé;
4° dans le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans la phrase liminaire, les mots " § 2 ou" sont abrogés;
b) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° a droit, en application du § 2bis, à une allocation dont le montant est au moins égal à la moitié du montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 3°, e).";
5° le paragraphe 3bis est abrogé;
6° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit:
" § 5. Pendant la période durant laquelle il a droit aux allocations en application des articles 114 et 116, le travailleur à temps partiel avec maintien des droits peut, à la fin de son occupation à temps partiel, bénéficier à nouveau des allocations pour tous les jours de la semaine, sauf les dimanches.".
Art.183. In artikel 133, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juni 2024, worden de bepalingen onder 14° en 15° opgeheven.
Art.183. Dans l'article 133, § 1er, du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juin 2024, les 14° et 15° sont abrogés.
Art.184. In artikel 139 van hetzelfde koninklijk besluit, wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"De onderzoekingen die aanleiding geven tot het uitoefenen van de bevoegdheden voorzien door het Sociaal Strafwetboek kunnen alleen worden verricht door de ambtenaren aangewezen krachtens het koninklijk besluit van 9 juli 1990 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen en de daarmee gelijkgestelde uitkeringen en overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.".
"De onderzoekingen die aanleiding geven tot het uitoefenen van de bevoegdheden voorzien door het Sociaal Strafwetboek kunnen alleen worden verricht door de ambtenaren aangewezen krachtens het koninklijk besluit van 9 juli 1990 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen en de daarmee gelijkgestelde uitkeringen en overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.".
Art.184. Dans l'article 139 du même arrêté royal, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"Les enquêtes qui donnent lieu à l'exercice des pouvoirs prévus par le Code pénal social ne peuvent être effectuées que par les fonctionnaires désignés en vertu de l'arrêté royal du 9 juillet 1990 désignant les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect de la législation concernant l'octroi des allocations de chômage et des allocations y assimilées, et conformément aux dispositions du Code pénal social.".
"Les enquêtes qui donnent lieu à l'exercice des pouvoirs prévus par le Code pénal social ne peuvent être effectuées que par les fonctionnaires désignés en vertu de l'arrêté royal du 9 juillet 1990 désignant les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect de la législation concernant l'octroi des allocations de chômage et des allocations y assimilées, et conformément aux dispositions du Code pénal social.".
Art.185. In artikel 144 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 juni 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "of artikel 48bis, § 2, tiende tot vijftiende lid," opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, 5°, worden de woorden "85," opgeheven;
3° paragraaf 2, eerste lid, 5° bis, wordt opgeheven;
4° in paragraaf 2, eerste lid, 6°, worden de woorden ", 78bis of 78ter, of indien het recht op uitkeringen geschorst wordt op grond van de artikelen 80 tot 85" vervangen door de woorden "of 78bis";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 7°, worden de woorden "in de artikelen 131 tot 131octies" vervangen door de woorden "in de artikelen 131bis, 131ter, 131quinquies, 131septies/1 en 131septies/2";
6° in paragraaf 2, eerste lid, 10°, worden de woorden ", en 131septies of" vervangen door het woord "en";
7° paragraaf 2, eerste lid, 11° wordt opgeheven;
8° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "of van artikel 130ter" opgeheven.
1° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "of artikel 48bis, § 2, tiende tot vijftiende lid," opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, 5°, worden de woorden "85," opgeheven;
3° paragraaf 2, eerste lid, 5° bis, wordt opgeheven;
4° in paragraaf 2, eerste lid, 6°, worden de woorden ", 78bis of 78ter, of indien het recht op uitkeringen geschorst wordt op grond van de artikelen 80 tot 85" vervangen door de woorden "of 78bis";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 7°, worden de woorden "in de artikelen 131 tot 131octies" vervangen door de woorden "in de artikelen 131bis, 131ter, 131quinquies, 131septies/1 en 131septies/2";
6° in paragraaf 2, eerste lid, 10°, worden de woorden ", en 131septies of" vervangen door het woord "en";
7° paragraaf 2, eerste lid, 11° wordt opgeheven;
8° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "of van artikel 130ter" opgeheven.
Art.185. A l'article 144 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 23 juin 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, les mots "ou de l'article 48bis, § 2, alinéas 10 à 15," sont abrogés;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 5°, les mots "85," sont abrogés;
3° le paragraphe 2, alinéa 1er, 5° bis, est abrogé;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 6°, les mots ", 78bis ou 78ter ou si le droit aux allocations est suspendu sur base des articles 80 à 85" sont remplacés par les mots "ou 78bis";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, les mots "aux articles 131 à 131octies" sont remplacés par les mots "aux articles 131bis, 131ter, 131quinquies, 131septies/1 et 131septies/2";
6° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 10°, les mots "et 131septies ou" sont remplacés par le mot "et";
7° le paragraphe 2, alinéa 1er, 11° est abrogé;
8° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "ou de l'article 130ter" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, les mots "ou de l'article 48bis, § 2, alinéas 10 à 15," sont abrogés;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 5°, les mots "85," sont abrogés;
3° le paragraphe 2, alinéa 1er, 5° bis, est abrogé;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 6°, les mots ", 78bis ou 78ter ou si le droit aux allocations est suspendu sur base des articles 80 à 85" sont remplacés par les mots "ou 78bis";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, les mots "aux articles 131 à 131octies" sont remplacés par les mots "aux articles 131bis, 131ter, 131quinquies, 131septies/1 et 131septies/2";
6° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 10°, les mots "et 131septies ou" sont remplacés par le mot "et";
7° le paragraphe 2, alinéa 1er, 11° est abrogé;
8° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "ou de l'article 130ter" sont abrogés.
Art.186. In artikel 154, vierde lid, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 juli 2024, worden de woorden "artikelen 30 tot 34" vervangen door de woorden "artikelen 30 en 33".
Art.186. Dans l'article 154, alinéa 4, du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 9 juillet 2024, les mots "articles 30 à 34" sont remplacés par les mots "articles 30 à 33".
Art.187. In artikel 155 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 29 juni 2000 en laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden "artikelen 30 tot 34" vervangen door de woorden "artikelen 30 en 33";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het derde lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van het derde lid aanleiding gaf.".
1° in het derde lid worden de woorden "artikelen 30 tot 34" vervangen door de woorden "artikelen 30 en 33";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het derde lid wordt nochtans geen rekening gehouden met de arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen die voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van het derde lid aanleiding gaf.".
Art.187. A l'article 155 du même arrêté royal, remplacé par l'arrêté royal du 29 juin 2000 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 3, les mots "articles 30 à 34" sont remplacés par les mots "articles 30 à 33";
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 3, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application de l'alinéa 3.".
1° dans l'alinéa 3, les mots "articles 30 à 34" sont remplacés par les mots "articles 30 à 33";
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 3, il n'est toutefois pas tenu compte des journées de travail et des journées assimilées antérieures à l'événement qui a donné lieu à l'application de l'alinéa 3.".
Art.188. Artikel 178 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 augustus 1996, wordt opgeheven.
Art.188. L'article 178 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 4 août 1996, est abrogé.
Art.189. Artikel 178bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 3 juni 1993, wordt opgeheven.
Art.189. L'article 178bis du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 3 juin 1993, est abrogé.
Art.190. In artikel 186 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, worden de woorden "38, § 1, eerste lid, 1°, " opgeheven.
Art.190. A l'article 186 du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, les mots "38, § 1er, alinéa 1er, 1°, " sont abrogés.
Art.191. In artikel 191, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, worden de woorden "In afwijking van artikel 114, § 1" vervangen door de woorden "In afwijking van artikel 114, §§ 3 en 4" en worden de woorden "voor de derde fase van de eerste vergoedingsperiode zoals voorzien in de bijlage van artikel 114, § 1, tweede lid" vervangen door de woorden "in artikel 114, § 3, vierde lid".
Art.191. A l'article 191, § 1er, du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, les mots "Par dérogation à l'article 114, § 1er" sont remplacés par les mots "Par dérogation à l'article 114, §§ 3 et 4" et les mots "pour la troisième phase de la première période d'indemnisation telle que prévue à l'annexe à l'article 114, § 1er, alinéa 2" sont remplacés par les mots "à l'article 114, § 3, alinéa 4".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering
Section 3. - Modifications de l'arrêté ministériel du 26 novembre 1991 portant les modalités d'application de la réglementation du chômage
Art.192. In artikel 1, 8°, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 juli 2022, wordt de bepaling onder c) vervangen als volgt:
"c) de leerling, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst overeenkomstig een bepaling voorzien door of krachtens een decreet of een ordonnantie;".
"c) de leerling, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst overeenkomstig een bepaling voorzien door of krachtens een decreet of een ordonnantie;".
Art.192. Dans l'article 1er, 8°, de l'arrêté ministériel du 26 novembre 1991 portant les modalités d'application de la réglementation du chômage, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2022, le c) est remplacé par ce qui suit:
"c) l'apprenti, lorsque l'exécution du contrat d'apprentissage est temporairement, soit totalement, soit partiellement suspendue conformément à une disposition prévue par ou en vertu d'un décret ou d'une ordonnance;".
"c) l'apprenti, lorsque l'exécution du contrat d'apprentissage est temporairement, soit totalement, soit partiellement suspendue conformément à une disposition prévue par ou en vertu d'un décret ou d'une ordonnance;".
Art.193. In artikel 6 van hetzelfde ministerieel besluit, en zijn bijlage, opgeheven bij ministerieel besluit van 11 juni 1999, en hersteld bij ministerieel besluit van 23 september 2015, worden de woorden "artikel 36, § 1/1, eerste lid, 3° " telkens vervangen door de woorden "artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, c)".
Art.193. Dans l'article 6 du même arrêté ministériel, et son annexe, abrogés par l'arrêté ministériel du 11 juin 1999 et rétablis par l'arrêté ministériel du 23 septembre 2015, les mots "l'article 36, § 1/1, alinéa 1er, 3° " sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°, c)".
Art.194. In artikel 20, eerste lid, van hetzelfde ministerieel besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 13 december 1996 en laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 8 juni 2023, wordt tussen de eerste en de tweede zin een zin ingevoegd, luidende:
"De werkloze bedoeld in artikel 64, 1° /1, en 66, b), van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld evenwel maar ten laatste uitputten in de maand december van het derde jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar.".
"De werkloze bedoeld in artikel 64, 1° /1, en 66, b), van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld evenwel maar ten laatste uitputten in de maand december van het derde jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar.".
Art.194. Dans l'article 20, alinéa 1er, du même arrêté ministériel, remplacé par l'arrêté ministériel du 13 décembre 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 8 juin 2023, est ajoutée entre la première et la deuxième phrase, une phrase rédigée comme suit:
"Le chômeur visé aux articles 64, 1° /1, et 66, b), de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, doit épuiser les jours couverts par un pécule de vacances, mais au plus tard au mois de décembre de la troisième année qui suit l'exercice de vacances.".
"Le chômeur visé aux articles 64, 1° /1, et 66, b), de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, doit épuiser les jours couverts par un pécule de vacances, mais au plus tard au mois de décembre de la troisième année qui suit l'exercice de vacances.".
Art.195. Artikel 26 van hetzelfde ministerieel besluit wordt vervangen als volgt:
"Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien de totale verloning die deze betrekking oplevert niet ten minste gelijk is aan het bedrag van de vergoeding die de werknemer kan genieten als volledig werkloze.
In afwijking van het eerste lid wordt de dienstbetrekking, voor de werknemer die aanspraak kan maken op uitkeringen gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit, als passend beschouwd indien de totale verloning die deze betrekking oplevert gelijk is aan negentig procent of meer van het bedrag van de vergoeding die de werknemer kan genieten als volledig werkloze.
Voor de toepassing van de vorige leden wordt verstaan onder:
1° totale verloning: de nettobezoldiging die deze betrekking oplevert, verminderd met het bedrag van de reiskosten ten laste van de werknemer, en in voorkomend geval, vermeerderd met de gezinsbijslag en met het bedrag van de uitkering die de werknemer kan genieten tijdens de duur van de betrekking;
2° vergoeding: het bedrag van de uitkeringen, na inhouding van de bedrijfsvoorheffing, en in voorkomend geval, vermeerderd met het bedrag van de gezinsbijslag, die de werknemer kan genieten.".
"Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien de totale verloning die deze betrekking oplevert niet ten minste gelijk is aan het bedrag van de vergoeding die de werknemer kan genieten als volledig werkloze.
In afwijking van het eerste lid wordt de dienstbetrekking, voor de werknemer die aanspraak kan maken op uitkeringen gedurende de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit, als passend beschouwd indien de totale verloning die deze betrekking oplevert gelijk is aan negentig procent of meer van het bedrag van de vergoeding die de werknemer kan genieten als volledig werkloze.
Voor de toepassing van de vorige leden wordt verstaan onder:
1° totale verloning: de nettobezoldiging die deze betrekking oplevert, verminderd met het bedrag van de reiskosten ten laste van de werknemer, en in voorkomend geval, vermeerderd met de gezinsbijslag en met het bedrag van de uitkering die de werknemer kan genieten tijdens de duur van de betrekking;
2° vergoeding: het bedrag van de uitkeringen, na inhouding van de bedrijfsvoorheffing, en in voorkomend geval, vermeerderd met het bedrag van de gezinsbijslag, die de werknemer kan genieten.".
Art.195. L'article 26 du même arrêté ministériel est remplacé par ce qui suit:
"Un emploi est réputé non convenable si la rémunération globale qu'il procure n'est pas au moins égale au montant des indemnités dont peut bénéficier le travailleur en tant que chômeur complet.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le travailleur qui peut prétendre aux allocations au cours des six premiers mois de la première période d'indemnisation telle que visée à l'article 114, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal, l'emploi est réputé convenable si la rémunération globale qu'il procure est égale à nonante pour cent ou plus du montant des indemnités dont il peut bénéficier en tant que chômeur complet.
Pour l'application des alinéas précédents, il faut entendre par:
1° rémunération globale: le revenu net que procure l'emploi, diminué du montant des frais de déplacement à charge du travailleur et majoré, le cas échéant, des allocations familiales et du montant des allocations dont le travailleur peut bénéficier pendant la durée de son occupation;
2° indemnités: le montant des allocations diminué du montant du précompte professionnel et majoré, le cas échéant, du montant des allocations familiales, dont le travailleur peut bénéficier.".
"Un emploi est réputé non convenable si la rémunération globale qu'il procure n'est pas au moins égale au montant des indemnités dont peut bénéficier le travailleur en tant que chômeur complet.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le travailleur qui peut prétendre aux allocations au cours des six premiers mois de la première période d'indemnisation telle que visée à l'article 114, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal, l'emploi est réputé convenable si la rémunération globale qu'il procure est égale à nonante pour cent ou plus du montant des indemnités dont il peut bénéficier en tant que chômeur complet.
Pour l'application des alinéas précédents, il faut entendre par:
1° rémunération globale: le revenu net que procure l'emploi, diminué du montant des frais de déplacement à charge du travailleur et majoré, le cas échéant, des allocations familiales et du montant des allocations dont le travailleur peut bénéficier pendant la durée de son occupation;
2° indemnités: le montant des allocations diminué du montant du précompte professionnel et majoré, le cas échéant, du montant des allocations familiales, dont le travailleur peut bénéficier.".
Art.196. In artikel 32ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde ministerieel besluit, ingevoegd bij ministerieel besluit van 28 mei 2002 en vervangen bij ministerieel besluit van 10 oktober 2023, worden de woorden "artikel 26" vervangen door de woorden "artikel 26, eerste lid,".
Art.196. A l'article 32ter, § 1er, alinéa 2, du même arrêté ministériel, inséré par l'arrêté ministériel du 28 mai 2002 et remplacé par l'arrêté ministériel du 10 octobre 2023, les mots "article 26" sont remplacés par les mots "article 26, alinéa 1er,".
Art.197. Artikel 34, eerste lid, van hetzelfde ministerieel besluit, vervangen bij ministerieel besluit van 9 september 2022, wordt vervangen als volgt:
"De werknemer die tijdelijk werkloos wordt in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, moet na de eerste drie maanden ingeschreven zijn bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.".
"De werknemer die tijdelijk werkloos wordt in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, moet na de eerste drie maanden ingeschreven zijn bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.".
Art.197. L'article 34, alinéa 1er, du même arrêté ministériel, remplacé par l'arrêté ministériel du 9 septembre 2022, est remplacé par ce qui suit:
"Le travailleur qui devient chômeur temporaire en application de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail doit, après les trois premiers mois, être inscrit auprès du service régional de l'emploi compétent.".
"Le travailleur qui devient chômeur temporaire en application de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail doit, après les trois premiers mois, être inscrit auprès du service régional de l'emploi compétent.".
Art.198. Artikel 56 van hetzelfde ministerieel besluit, laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 12 december 2002, wordt opgeheven.
Art.198. L'article 56 du même arrêté ministériel, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 12 décembre 2002, est abrogé.
Art.199. Artikel 57 van hetzelfde ministerieel besluit, vervangen bij ministerieel besluit van 30 november 1995, wordt opgeheven.
Art.199. L'article 57 du même arrêté ministériel, remplacé par l'arrêté ministériel du 30 novembre 1995, est abrogé.
Art.200. In artikel 60, zevende lid, ingevoegd bij ministerieel besluit van 23 juli 2012, worden de woorden "artikel 114, § 3, 1° " vervangen door de woorden "artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b)".
Art.200. Dans l'article 60, alinéa 7, inséré par l'arrêté ministériel du 23 juillet 2012, les mots "article 114, § 3, 1° " sont remplacés par les mots "article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b)".
Art.201. In de Franse versie van artikel 66, tweede lid, 2°, van hetzelfde ministerieel besluit, laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 7 juni 2013, worden de woorden " § 1" vervangen door de woorden " § 1bis".
Art.201. Dans le texte français de l'article 66, alinéa 2, 2°, du même arrêté ministériel, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 7 juin 2013, les mots " § 1er" sont remplacés par les mots " § 1erbis".
Art.202. In artikel 69 van hetzelfde ministerieel besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 23 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 1 februari 2023, wordt de reeks loonschijven gewijzigd als volgt:
1° de loonschijf 79 wordt vervangen door de volgende loonschijf:
1° de loonschijf 79 wordt vervangen door de volgende loonschijf:
Art.202. A l'article 69 du même arrêté ministériel, remplacé par l'arrêté ministériel du 23 mars 2011 et modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 1er février 2023, la série de tranches de rémunération est modifiée comme suit:
1° la tranche de salaire 79 est remplacée par la tranche de salaire suivante:
1° la tranche de salaire 79 est remplacée par la tranche de salaire suivante:
| Numéro de la tranche de salaire | Limite inférieure | Limite supérieure | Base de calcul | Nummer van de loonschijf | Ondergrens | Bovengrens | Berekeningsbasis |
| 79 | 75,8270 | 76,6899 | 76,8270 | 79 | 75,8270 | 76,6899 | 76,8270 |
| Numéro de la tranche de salaire | Limite inférieure | Limite supérieure | Base de calcul | Nummer van de loonschijf | Ondergrens | Bovengrens | Berekeningsbasis |
| 79 | 75,8270 | 76,6899 | 76,8270 | 79 | 75,8270 | 76,6899 | 76,8270 |
| Numéro de la tranche de salaire | Limite inférieure | Limite supérieure | Base de calcul | Nummer van de loonschijf | Ondergrens | Bovengrens | Berekeningsbasis |
| 80 | 76,6900 | 77,5529 | 76,6900 | 80 | 76,6900 | 77,5529 | 76,6900 |
| 81 | 77,5530 | 78,4159 | 77,5530 | 81 | 77,5530 | 78,4159 | 77,5530 |
| 82 | 78,4160 | 79,2789 | 78,4160 | 82 | 78,4160 | 79,2789 | 78,4160 |
| 83 | 79,2790 | 80,1419 | 79,2790 | 83 | 79,2790 | 80,1419 | 79,2790 |
| 84 | 80,1420 | 81,0049 | 80,1420 | 84 | 80,1420 | 81,0049 | 80,1420 |
| 85 | 81,0050 | 81,8679 | 81,0050 | 85 | 81,0050 | 81,8679 | 81,0050 |
| 86 | 81,8680 | 82,7309 | 81,8680 | 86 | 81,8680 | 82,7309 | 81,8680 |
| 87 | 82,7310 | 83,5939 | 82,7310 | 87 | 82,7310 | 83,5939 | 82,7310 |
| 88 | 83,5940 | 84,4569 | 83,5940 | 88 | 83,5940 | 84,4569 | 83,5940 |
| 89 | 84,4570 | 85,3199 | 84,4570 | 89 | 84,4570 | 85,3199 | 84,4570 |
| 90 | 85,3200 | 86,1829 | 85,3200 | 90 | 85,3200 | 86,1829 | 85,3200 |
| 91 | 86,1830 | 87,0459 | 86,1830 | 91 | 86,1830 | 87,0459 | 86,1830 |
| 92 | 87,0460 | 87,9089 | 87,0460 | 92 | 87,0460 | 87,9089 | 87,0460 |
| 93 | 87,9090 | 88,7719 | 87,9090 | 93 | 87,9090 | 88,7719 | 87,9090 |
| 94 | 88,7720 | 89,6349 | 88,7720 | 94 | 88,7720 | 89,6349 | 88,7720 |
| 95 | 89,6350 | 90,4979 | 89,6350 | 95 | 89,6350 | 90,4979 | 89,6350 |
| 96 | 90,4980 | 91,3609 | 90,4980 | 96 | 90,4980 | 91,3609 | 90,4980 |
| 97 | 91,3610 | 92,2239 | 91,3610 | 97 | 91,3610 | 92,2239 | 91,3610 |
| 98 | 92,2240 | 92,3955 | 92,2240 | 98 | 92,2240 | 92,3955 | 92,2240 |
| 99 | 92,3956 | 92,3956 | 99 | 92,3956 | 92,3956 |
"Art. 70. § 1. Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° arbeidsprestaties, onderworpen aan de regeling voorzien in de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid wanneer zij verricht werden in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid en slechts indien de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tenminste een periode als loontrekkende heeft gewerkt krachtens de Belgische regeling, ongeacht de duur;
3° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit;
4° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten;
5° de dagen gedekt door een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
6° de carenzdag;
7° de dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst, die door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf werden vergoed;
8° andere dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon ten belope van ten hoogste tien dagen per kalenderjaar;
9° de dagen waarop effectief een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, van het koninklijk besluit waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, werd gevolgd of waarop de werknemer actief was in het kader van een stage bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit, ten belope van ten hoogste 96 dagen;
10° de dagen van volledige werkloosheid indien de werkloze op deze dagen een beroepsopleiding heeft gevolgd waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, tewerkgesteld is geweest in een beschermde werkplaats in de hoedanigheid van moeilijk te plaatsen mindervalide werkloze of tewerkgesteld is geweest in toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
11° de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping alsmede de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
De dagen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 10° worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
§ 3. De dagen bedoeld in paragrafen 1 en 2, worden met alle rechtsmiddelen bewezen.
Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt het beroepsverleden bekomen door het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen te delen door 104. Indien de rest 52 of meer bedraagt, wordt het beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 52 komt niet in aanmerking.
Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit:
1° het bekomen aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen in de zin van paragraaf 2, gedeeld door 312, geeft het aantal jaren beroepsverleden als loontrekkende. Indien de rest 156 of meer bedraagt, wordt het aantal jaren beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 156 komt niet in aanmerking;
2° het beroepsverleden als loontrekkende wordt verhoogd met twee jaar indien de werknemer voor de maximale periode voorzien door de pensioenregelgeving een overgangsuitkering heeft ontvangen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op de uitkeringsgerechtigde vrijwillig deeltijdse werknemer, worden halve arbeidsdagen als arbeidsdagen aanzien, zonder meer dan 312 arbeidsdagen per jaar in rekening te mogen brengen.".
| Numéro de la tranche de salaire | Limite inférieure | Limite supérieure | Base de calcul | Nummer van de loonschijf | Ondergrens | Bovengrens | Berekeningsbasis |
| 80 | 76,6900 | 77,5529 | 76,6900 | 80 | 76,6900 | 77,5529 | 76,6900 |
| 81 | 77,5530 | 78,4159 | 77,5530 | 81 | 77,5530 | 78,4159 | 77,5530 |
| 82 | 78,4160 | 79,2789 | 78,4160 | 82 | 78,4160 | 79,2789 | 78,4160 |
| 83 | 79,2790 | 80,1419 | 79,2790 | 83 | 79,2790 | 80,1419 | 79,2790 |
| 84 | 80,1420 | 81,0049 | 80,1420 | 84 | 80,1420 | 81,0049 | 80,1420 |
| 85 | 81,0050 | 81,8679 | 81,0050 | 85 | 81,0050 | 81,8679 | 81,0050 |
| 86 | 81,8680 | 82,7309 | 81,8680 | 86 | 81,8680 | 82,7309 | 81,8680 |
| 87 | 82,7310 | 83,5939 | 82,7310 | 87 | 82,7310 | 83,5939 | 82,7310 |
| 88 | 83,5940 | 84,4569 | 83,5940 | 88 | 83,5940 | 84,4569 | 83,5940 |
| 89 | 84,4570 | 85,3199 | 84,4570 | 89 | 84,4570 | 85,3199 | 84,4570 |
| 90 | 85,3200 | 86,1829 | 85,3200 | 90 | 85,3200 | 86,1829 | 85,3200 |
| 91 | 86,1830 | 87,0459 | 86,1830 | 91 | 86,1830 | 87,0459 | 86,1830 |
| 92 | 87,0460 | 87,9089 | 87,0460 | 92 | 87,0460 | 87,9089 | 87,0460 |
| 93 | 87,9090 | 88,7719 | 87,9090 | 93 | 87,9090 | 88,7719 | 87,9090 |
| 94 | 88,7720 | 89,6349 | 88,7720 | 94 | 88,7720 | 89,6349 | 88,7720 |
| 95 | 89,6350 | 90,4979 | 89,6350 | 95 | 89,6350 | 90,4979 | 89,6350 |
| 96 | 90,4980 | 91,3609 | 90,4980 | 96 | 90,4980 | 91,3609 | 90,4980 |
| 97 | 91,3610 | 92,2239 | 91,3610 | 97 | 91,3610 | 92,2239 | 91,3610 |
| 98 | 92,2240 | 92,3955 | 92,2240 | 98 | 92,2240 | 92,3955 | 92,2240 |
| 99 | 92,3956 | 92,3956 | 99 | 92,3956 | 92,3956 |
"Art. 70. § 1er. Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal.
§ 2. Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les prestations de travail assujetties au régime prévu dans la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer lorsqu'il s'agit d'un emploi qui aurait donné lieu en Belgique à des retenues pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage et à condition que le travailleur ait, après le travail effectué à l'étranger, accompli au moins une période de travail comme salarié en vertu de la réglementation belge, peu importe sa durée;
3° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal;
4° les journées qui ont donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles;
5° les journées couvertes par une pension d'invalidité pour ouvriers mineurs;
6° le jour de carence;
7° les journées chômées pour cause de gel qui ont été indemnisées par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction;
8° les autres journées d'absence du travail sans maintien de la rémunération à raison de maximum dix jours par année civile;
9° les jours au cours desquels une formation professionnelle au sens de l'article 27, 6° de l'arrêté royal, dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures a effectivement été suivie ou au cours desquels le travailleur a été actif dans le cadre d'un stage visé à l'article 36quater, de l'arrêté royal à concurrence de 96 jours maximum;
10° les journées de chômage complet lorsque le travailleur a, au cours de celles-ci, suivi une formation professionnelle dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures, été occupé en atelier protégé en qualité de chômeur handicapé difficile à placer ou été occupé en application de l'article 161 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
11° les journées de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que les journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou les journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Les journées visées à l' alinéa 1er, 3° à 10° sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
§ 3. Les journées visées aux paragraphes 1er et 2 sont prouvées par toute voie de droit.
Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, le passé professionnel est obtenu en divisant le nombre de journées de travail et journées assimilées par 104. Si le reste est égal ou supérieur à 52, le passé professionnel est augmenté d'une unité. Un reste inférieur à 52 n'est pas pris en considération.
Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal:
1° le nombre de journées de travail et de journées assimilées au sens du paragraphe 2 obtenu, divisé par 312, donne le nombre d'années de passé professionnel en tant que salarié. Si le reste est de 156 ou plus, le nombre d'années de passé professionnel est majoré d'une unité. Il n'est pas tenu compte d'un reste inférieur à 156;
2° le passé professionnel en tant que salarié est augmenté de deux ans, si le travailleur a reçu une allocation de transition pour la période maximale prévue par la réglementation aux pensions.
§ 4. Pour l'application du présent article au travailleur à temps partiel volontaire indemnisé, les demi-journées de travail sont considérées comme des journées de travail, sans pouvoir porter en compte plus de 312 journées de travail par an.".
Art. 203. Artikel 70 van hetzelfde ministerieel besluit, laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 8 oktober 2017, wordt vervangen als volgt:
"Art. 70. § 1. Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° arbeidsprestaties, onderworpen aan de regeling voorzien in de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid wanneer zij verricht werden in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid en slechts indien de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tenminste een periode als loontrekkende heeft gewerkt krachtens de Belgische regeling, ongeacht de duur;
3° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit;
4° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten;
5° de dagen gedekt door een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
6° de carenzdag;
7° de dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst, die door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf werden vergoed;
8° andere dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon ten belope van ten hoogste tien dagen per kalenderjaar;
9° de dagen waarop effectief een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, van het koninklijk besluit waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, werd gevolgd of waarop de werknemer actief was in het kader van een stage bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit, ten belope van ten hoogste 96 dagen;
10° de dagen van volledige werkloosheid indien de werkloze op deze dagen een beroepsopleiding heeft gevolgd waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, tewerkgesteld is geweest in een beschermde werkplaats in de hoedanigheid van moeilijk te plaatsen mindervalide werkloze of tewerkgesteld is geweest in toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
11° de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping alsmede de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
De dagen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 10° worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
§ 3. De dagen bedoeld in paragrafen 1 en 2, worden met alle rechtsmiddelen bewezen.
Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt het beroepsverleden bekomen door het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen te delen door 104. Indien de rest 52 of meer bedraagt, wordt het beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 52 komt niet in aanmerking.
Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit:
1° het bekomen aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen in de zin van paragraaf 2, gedeeld door 312, geeft het aantal jaren beroepsverleden als loontrekkende. Indien de rest 156 of meer bedraagt, wordt het aantal jaren beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 156 komt niet in aanmerking;
2° het beroepsverleden als loontrekkende wordt verhoogd met twee jaar indien de werknemer voor de maximale periode voorzien door de pensioenregelgeving een overgangsuitkering heeft ontvangen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op de uitkeringsgerechtigde vrijwillig deeltijdse werknemer, worden halve arbeidsdagen als arbeidsdagen aanzien, zonder meer dan 312 arbeidsdagen per jaar in rekening te mogen brengen.".
"Art. 70. § 1. Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
2° arbeidsprestaties, onderworpen aan de regeling voorzien in de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid wanneer zij verricht werden in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid en slechts indien de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tenminste een periode als loontrekkende heeft gewerkt krachtens de Belgische regeling, ongeacht de duur;
3° de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit;
4° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten;
5° de dagen gedekt door een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
6° de carenzdag;
7° de dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst, die door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf werden vergoed;
8° andere dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon ten belope van ten hoogste tien dagen per kalenderjaar;
9° de dagen waarop effectief een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, van het koninklijk besluit waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, werd gevolgd of waarop de werknemer actief was in het kader van een stage bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit, ten belope van ten hoogste 96 dagen;
10° de dagen van volledige werkloosheid indien de werkloze op deze dagen een beroepsopleiding heeft gevolgd waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, tewerkgesteld is geweest in een beschermde werkplaats in de hoedanigheid van moeilijk te plaatsen mindervalide werkloze of tewerkgesteld is geweest in toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
11° de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping alsmede de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
De dagen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 10° worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
§ 3. De dagen bedoeld in paragrafen 1 en 2, worden met alle rechtsmiddelen bewezen.
Voor de toepassing van artikel 114, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, wordt het beroepsverleden bekomen door het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen te delen door 104. Indien de rest 52 of meer bedraagt, wordt het beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 52 komt niet in aanmerking.
Voor de toepassing van artikel 114, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit:
1° het bekomen aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen in de zin van paragraaf 2, gedeeld door 312, geeft het aantal jaren beroepsverleden als loontrekkende. Indien de rest 156 of meer bedraagt, wordt het aantal jaren beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 156 komt niet in aanmerking;
2° het beroepsverleden als loontrekkende wordt verhoogd met twee jaar indien de werknemer voor de maximale periode voorzien door de pensioenregelgeving een overgangsuitkering heeft ontvangen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op de uitkeringsgerechtigde vrijwillig deeltijdse werknemer, worden halve arbeidsdagen als arbeidsdagen aanzien, zonder meer dan 312 arbeidsdagen per jaar in rekening te mogen brengen.".
Art. 203. L'article 70 du même arrêté ministériel, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 8 octobre 2017, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 70. § 1er. Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal.
§ 2. Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les prestations de travail assujetties au régime prévu dans la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer lorsqu'il s'agit d'un emploi qui aurait donné lieu en Belgique à des retenues pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage et à condition que le travailleur ait, après le travail effectué à l'étranger, accompli au moins une période de travail comme salarié en vertu de la réglementation belge, peu importe sa durée;
3° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal;
4° les journées qui ont donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles;
5° les journées couvertes par une pension d'invalidité pour ouvriers mineurs;
6° le jour de carence;
7° les journées chômées pour cause de gel qui ont été indemnisées par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction;
8° les autres journées d'absence du travail sans maintien de la rémunération à raison de maximum dix jours par année civile;
9° les jours au cours desquels une formation professionnelle au sens de l'article 27, 6° de l'arrêté royal, dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures a effectivement été suivie ou au cours desquels le travailleur a été actif dans le cadre d'un stage visé à l'article 36quater, de l'arrêté royal à concurrence de 96 jours maximum;
10° les journées de chômage complet lorsque le travailleur a, au cours de celles-ci, suivi une formation professionnelle dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures, été occupé en atelier protégé en qualité de chômeur handicapé difficile à placer ou été occupé en application de l'article 161 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
11° les journées de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que les journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou les journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Les journées visées à l' alinéa 1er, 3° à 10° sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
§ 3. Les journées visées aux paragraphes 1er et 2 sont prouvées par toute voie de droit.
Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, le passé professionnel est obtenu en divisant le nombre de journées de travail et journées assimilées par 104. Si le reste est égal ou supérieur à 52, le passé professionnel est augmenté d'une unité. Un reste inférieur à 52 n'est pas pris en considération.
Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal:
1° le nombre de journées de travail et de journées assimilées au sens du paragraphe 2 obtenu, divisé par 312, donne le nombre d'années de passé professionnel en tant que salarié. Si le reste est de 156 ou plus, le nombre d'années de passé professionnel est majoré d'une unité. Il n'est pas tenu compte d'un reste inférieur à 156;
2° le passé professionnel en tant que salarié est augmenté de deux ans, si le travailleur a reçu une allocation de transition pour la période maximale prévue par la réglementation aux pensions.
§ 4. Pour l'application du présent article au travailleur à temps partiel volontaire indemnisé, les demi-journées de travail sont considérées comme des journées de travail, sans pouvoir porter en compte plus de 312 journées de travail par an.".
"Art. 70. § 1er. Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal.
§ 2. Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel:
1° les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;
2° les prestations de travail assujetties au régime prévu dans la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer lorsqu'il s'agit d'un emploi qui aurait donné lieu en Belgique à des retenues pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage et à condition que le travailleur ait, après le travail effectué à l'étranger, accompli au moins une période de travail comme salarié en vertu de la réglementation belge, peu importe sa durée;
3° les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal;
4° les journées qui ont donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles;
5° les journées couvertes par une pension d'invalidité pour ouvriers mineurs;
6° le jour de carence;
7° les journées chômées pour cause de gel qui ont été indemnisées par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction;
8° les autres journées d'absence du travail sans maintien de la rémunération à raison de maximum dix jours par année civile;
9° les jours au cours desquels une formation professionnelle au sens de l'article 27, 6° de l'arrêté royal, dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures a effectivement été suivie ou au cours desquels le travailleur a été actif dans le cadre d'un stage visé à l'article 36quater, de l'arrêté royal à concurrence de 96 jours maximum;
10° les journées de chômage complet lorsque le travailleur a, au cours de celles-ci, suivi une formation professionnelle dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures, été occupé en atelier protégé en qualité de chômeur handicapé difficile à placer ou été occupé en application de l'article 161 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
11° les journées de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que les journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou les journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Les journées visées à l' alinéa 1er, 3° à 10° sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
§ 3. Les journées visées aux paragraphes 1er et 2 sont prouvées par toute voie de droit.
Pour l'application de l'article 114, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal, le passé professionnel est obtenu en divisant le nombre de journées de travail et journées assimilées par 104. Si le reste est égal ou supérieur à 52, le passé professionnel est augmenté d'une unité. Un reste inférieur à 52 n'est pas pris en considération.
Pour l'application de l'article 114, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal:
1° le nombre de journées de travail et de journées assimilées au sens du paragraphe 2 obtenu, divisé par 312, donne le nombre d'années de passé professionnel en tant que salarié. Si le reste est de 156 ou plus, le nombre d'années de passé professionnel est majoré d'une unité. Il n'est pas tenu compte d'un reste inférieur à 156;
2° le passé professionnel en tant que salarié est augmenté de deux ans, si le travailleur a reçu une allocation de transition pour la période maximale prévue par la réglementation aux pensions.
§ 4. Pour l'application du présent article au travailleur à temps partiel volontaire indemnisé, les demi-journées de travail sont considérées comme des journées de travail, sans pouvoir porter en compte plus de 312 journées de travail par an.".
Art.205. In artikel 75ter van hetzelfde ministerieel besluit, ingevoegd bij ministerieel besluit van 27 mei 1993 en laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 30 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder nettoloon het bedrag bekomen door het brutoloon te verminderen met socialezekerheidsbijdragen ten belope van 13,07 pct. en met bedrijfsvoorheffing.
Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bekomen door toepassing van de regels voorzien in bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, meer bepaald:
1° de regels van toepassing op de verkrijger van inkomsten wiens echtgenoot geen eigen beroepsinkomsten heeft, indien de werknemer de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110 van het koninklijk besluit;
2° de regels van toepassing op de ontvanger van inkomsten die alleenstaande is of wiens echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft, voor de andere werknemers.
Voor de toepassing van het tweede lid, wordt de vermindering wegens gezinslast niet in rekening gebracht.";
2° het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de bepalingen onder c), luidende:
"c) indien het een bediende betreft, het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder nettoloon het bedrag bekomen door het brutoloon te verminderen met socialezekerheidsbijdragen ten belope van 13,07 pct. en met bedrijfsvoorheffing.
Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bekomen door toepassing van de regels voorzien in bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, meer bepaald:
1° de regels van toepassing op de verkrijger van inkomsten wiens echtgenoot geen eigen beroepsinkomsten heeft, indien de werknemer de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110 van het koninklijk besluit;
2° de regels van toepassing op de ontvanger van inkomsten die alleenstaande is of wiens echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft, voor de andere werknemers.
Voor de toepassing van het tweede lid, wordt de vermindering wegens gezinslast niet in rekening gebracht.";
2° het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de bepalingen onder c), luidende:
"c) indien het een bediende betreft, het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.".
Art.205. A l'article 75ter du même arrêté ministériel, inséré par l'arrêté ministériel du 27 mai 1993 et modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 30 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par rémunération nette, le montant obtenu en diminuant la rémunération brute de retenues de sécurité sociale à concurrence de 13,07 p.c. et du précompte professionnel.
Le montant du précompte professionnel est obtenu en appliquant les règles prévues à l'annexe III de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992, plus précisément:
1° les règles applicables au bénéficiaire des revenus dont le conjoint n'a pas de revenus professionnels propres, si le travailleur a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110 de l'arrêté royal;
2° les règles applicables au bénéficiaire des revenus qui est isolé ou dont le conjoint a également des revenus professionnels, pour les autres travailleurs.
Pour l'application de l'alinéa 2, la réduction due à la charge de famille n'est pas prise en compte.";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, est complété par le c), rédigé comme suit:
"c) s'il s'agit d'un employé, le pécule de vacances visé à l'article 67bis de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par rémunération nette, le montant obtenu en diminuant la rémunération brute de retenues de sécurité sociale à concurrence de 13,07 p.c. et du précompte professionnel.
Le montant du précompte professionnel est obtenu en appliquant les règles prévues à l'annexe III de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992, plus précisément:
1° les règles applicables au bénéficiaire des revenus dont le conjoint n'a pas de revenus professionnels propres, si le travailleur a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110 de l'arrêté royal;
2° les règles applicables au bénéficiaire des revenus qui est isolé ou dont le conjoint a également des revenus professionnels, pour les autres travailleurs.
Pour l'application de l'alinéa 2, la réduction due à la charge de famille n'est pas prise en compte.";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, est complété par le c), rédigé comme suit:
"c) s'il s'agit d'un employé, le pécule de vacances visé à l'article 67bis de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.".
Art. 205. In artikel 75ter van hetzelfde ministerieel besluit, ingevoegd bij ministerieel besluit van 27 mei 1993 en laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 30 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder nettoloon het bedrag bekomen door het brutoloon te verminderen met socialezekerheidsbijdragen ten belope van 13,07 pct. en met bedrijfsvoorheffing.
Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bekomen door toepassing van de regels voorzien in bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, meer bepaald:
1° de regels van toepassing op de verkrijger van inkomsten wiens echtgenoot geen eigen beroepsinkomsten heeft, indien de werknemer de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110 van het koninklijk besluit;
2° de regels van toepassing op de ontvanger van inkomsten die alleenstaande is of wiens echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft, voor de andere werknemers.
Voor de toepassing van het tweede lid, wordt de vermindering wegens gezinslast niet in rekening gebracht.";
2° het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de bepalingen onder c), luidende:
"c) indien het een bediende betreft, het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder nettoloon het bedrag bekomen door het brutoloon te verminderen met socialezekerheidsbijdragen ten belope van 13,07 pct. en met bedrijfsvoorheffing.
Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bekomen door toepassing van de regels voorzien in bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, meer bepaald:
1° de regels van toepassing op de verkrijger van inkomsten wiens echtgenoot geen eigen beroepsinkomsten heeft, indien de werknemer de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110 van het koninklijk besluit;
2° de regels van toepassing op de ontvanger van inkomsten die alleenstaande is of wiens echtgenoot eveneens beroepsinkomsten heeft, voor de andere werknemers.
Voor de toepassing van het tweede lid, wordt de vermindering wegens gezinslast niet in rekening gebracht.";
2° het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de bepalingen onder c), luidende:
"c) indien het een bediende betreft, het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.".
Art. 205. A l'article 75ter du même arrêté ministériel, inséré par l'arrêté ministériel du 27 mai 1993 et modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 30 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par rémunération nette, le montant obtenu en diminuant la rémunération brute de retenues de sécurité sociale à concurrence de 13,07 p.c. et du précompte professionnel.
Le montant du précompte professionnel est obtenu en appliquant les règles prévues à l'annexe III de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992, plus précisément:
1° les règles applicables au bénéficiaire des revenus dont le conjoint n'a pas de revenus professionnels propres, si le travailleur a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110 de l'arrêté royal;
2° les règles applicables au bénéficiaire des revenus qui est isolé ou dont le conjoint a également des revenus professionnels, pour les autres travailleurs.
Pour l'application de l'alinéa 2, la réduction due à la charge de famille n'est pas prise en compte.";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, est complété par le c), rédigé comme suit:
"c) s'il s'agit d'un employé, le pécule de vacances visé à l'article 67bis de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par rémunération nette, le montant obtenu en diminuant la rémunération brute de retenues de sécurité sociale à concurrence de 13,07 p.c. et du précompte professionnel.
Le montant du précompte professionnel est obtenu en appliquant les règles prévues à l'annexe III de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992, plus précisément:
1° les règles applicables au bénéficiaire des revenus dont le conjoint n'a pas de revenus professionnels propres, si le travailleur a la qualité de travailleur ayant charge de famille au sens de l'article 110 de l'arrêté royal;
2° les règles applicables au bénéficiaire des revenus qui est isolé ou dont le conjoint a également des revenus professionnels, pour les autres travailleurs.
Pour l'application de l'alinéa 2, la réduction due à la charge de famille n'est pas prise en compte.";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, est complété par le c), rédigé comme suit:
"c) s'il s'agit d'un employé, le pécule de vacances visé à l'article 67bis de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.".
Art. 206. In artikel 92, § 2, van hetzelfde ministerieel besluit, laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 20 juni 2024, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 206. Dans l'article 92, § 2, du même arrêté ministériel, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 20 juin 2024, l'alinéa 4 est abrogé.
Art.207. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2025.
Art.207. Le présent chapitre produit ses effets au 1er juillet 2025.
Art. 207. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2025.
In afwijking van het vorige lid, treden de afdelingen 1 tot 3 slechts in werking vanaf 1 maart 2026.
In afwijking van de vorige leden, treedt artikel 151 in werking vanaf 1 januari 2026.
In afwijking van het vorige lid, treden de afdelingen 1 tot 3 slechts in werking vanaf 1 maart 2026.
In afwijking van de vorige leden, treedt artikel 151 in werking vanaf 1 januari 2026.
Art. 207. Le présent chapitre produit ses effets au 1er juillet 2025.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les sections 1re à 3 n'entrent en vigueur qu'à partir du 1er mars 2026.
Par dérogation aux alinéas précédents, l'article 151 entre en vigueur au 1er janvier 2026.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les sections 1re à 3 n'entrent en vigueur qu'à partir du 1er mars 2026.
Par dérogation aux alinéas précédents, l'article 151 entre en vigueur au 1er janvier 2026.
Art.209. De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen vóór 1 maart 2026 en wiens einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen gelegen is na 30 juni 2025, behoudt zijn recht tot de einddatum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 63 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid en in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025.
Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen en de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer.
De toepassing van artikel 63, § 2, derde en vierde lid, 1° en 2°, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025 en de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, en op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Vanaf 1 juli 2025 en binnen de perken van het vijfde, zesde en zevende lid, is artikel 63, § 2, derde en vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen en die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt en overeenkomstig artikel 110, §§ 1 en 2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer en voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt.
De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van dit artikel blijft artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, verder van toepassing na 28 februari 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid en in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025.
Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen en de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer.
De toepassing van artikel 63, § 2, derde en vierde lid, 1° en 2°, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025 en de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, en op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Vanaf 1 juli 2025 en binnen de perken van het vijfde, zesde en zevende lid, is artikel 63, § 2, derde en vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen en die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt en overeenkomstig artikel 110, §§ 1 en 2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer en voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt.
De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van dit artikel blijft artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, verder van toepassing na 28 februari 2026.
Art.209. Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion avant le 1er mars 2026 et dont la date de fin du droit aux allocations d'insertion se situe après le 30 juin 2025, maintient son droit jusqu'à la date de fin du droit telle qu'elle était fixée conformément à l'article 63 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er et par dérogation à cet alinéa, le droit aux allocations d'insertion s'éteint au plus tard le 31 décembre 2025.
Lorsque, pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, par suite de l'application de l'alinéa 2, la période entre la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion et la date de fin du droit est inférieure à 12 mois, le droit s'éteint toutefois 12 mois après la date de la première admission.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, reste encore d'application après le 28 février 2026 au jeune travailleur visé aux alinéas précédents.
L'application de l'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, 1° et 2°, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut toutefois avoir pour effet que le jeune travailleur bénéficie d'allocations après le 31 décembre 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 3, la date du 31 décembre 2026 visée à l'alinéa 5, est toutefois repoussée du nombre de mois complets qui se situent entre le 1er janvier 2025 et la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, en cas d'application de l'article 63, § 2, alinéa 4, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, et à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence, le jeune travailleur peut encore maintenir le droit à l'allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est pas applicable durant la période durant laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 7.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, l'article 63, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est plus d'application à partir du 1er mars 2026.
A partir du 1er juillet 2025 et dans les limites prévues aux alinéas 5, 6 et 7, l'article 63, § 2, alinéa 3 et 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, est également applicable au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er qui a été admis pour la première fois au droit aux allocations d'insertion après le 1er janvier 2023 et qui, au 1er juillet 2025, n'a pas atteint l'âge de 30 ans et est considéré comme travailleur isolé ou travailleur ayant charge de famille, conformément à l'article 110, §§ 1er et 2, ou qui est considéré comme travailleur cohabitant, conformément à l'article 110, § 3, et satisfait aux conditions de l'article 124, alinéa 2, nonobstant le fait qu'il se trouve encore dans la période neutralisée en application de l'alinéa 2 de l'article 63, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susvisé.
Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut pas être admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est applicable à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application du présent article, l'article 42 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026 reste encore applicable après le 28 février 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er et par dérogation à cet alinéa, le droit aux allocations d'insertion s'éteint au plus tard le 31 décembre 2025.
Lorsque, pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, par suite de l'application de l'alinéa 2, la période entre la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion et la date de fin du droit est inférieure à 12 mois, le droit s'éteint toutefois 12 mois après la date de la première admission.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, reste encore d'application après le 28 février 2026 au jeune travailleur visé aux alinéas précédents.
L'application de l'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, 1° et 2°, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut toutefois avoir pour effet que le jeune travailleur bénéficie d'allocations après le 31 décembre 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 3, la date du 31 décembre 2026 visée à l'alinéa 5, est toutefois repoussée du nombre de mois complets qui se situent entre le 1er janvier 2025 et la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, en cas d'application de l'article 63, § 2, alinéa 4, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, et à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence, le jeune travailleur peut encore maintenir le droit à l'allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est pas applicable durant la période durant laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 7.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, l'article 63, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est plus d'application à partir du 1er mars 2026.
A partir du 1er juillet 2025 et dans les limites prévues aux alinéas 5, 6 et 7, l'article 63, § 2, alinéa 3 et 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, est également applicable au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er qui a été admis pour la première fois au droit aux allocations d'insertion après le 1er janvier 2023 et qui, au 1er juillet 2025, n'a pas atteint l'âge de 30 ans et est considéré comme travailleur isolé ou travailleur ayant charge de famille, conformément à l'article 110, §§ 1er et 2, ou qui est considéré comme travailleur cohabitant, conformément à l'article 110, § 3, et satisfait aux conditions de l'article 124, alinéa 2, nonobstant le fait qu'il se trouve encore dans la période neutralisée en application de l'alinéa 2 de l'article 63, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susvisé.
Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut pas être admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est applicable à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application du présent article, l'article 42 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026 reste encore applicable après le 28 février 2026.
Art. 209. De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen vóór 1 maart 2026 en wiens einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen gelegen is na 30 juni 2025, behoudt zijn recht tot de einddatum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 63 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid en in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025.
Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen en de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer.
De toepassing van artikel 63, § 2, derde en vierde lid, 1° en 2°, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025 en de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, en op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Vanaf 1 juli 2025 en binnen de perken van het vijfde, zesde en zevende lid, is artikel 63, § 2, derde en vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen en die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt en overeenkomstig artikel 110, §§ 1 en 2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer en voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt.
De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van dit artikel blijft artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, verder van toepassing na 28 februari 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid en in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025.
Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen en de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer.
De toepassing van artikel 63, § 2, derde en vierde lid, 1° en 2°, en § 3, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025 en de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, en op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten.
Artikel 63, § 2, derde en vierde lid, en § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt.
Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Vanaf 1 juli 2025 en binnen de perken van het vijfde, zesde en zevende lid, is artikel 63, § 2, derde en vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen en die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt en overeenkomstig artikel 110, §§ 1 en 2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer en voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt.
De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van dit artikel blijft artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, verder van toepassing na 28 februari 2026.
Art. 209. Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion avant le 1er mars 2026 et dont la date de fin du droit aux allocations d'insertion se situe après le 30 juin 2025, maintient son droit jusqu'à la date de fin du droit telle qu'elle était fixée conformément à l'article 63 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er et par dérogation à cet alinéa, le droit aux allocations d'insertion s'éteint au plus tard le 31 décembre 2025.
Lorsque, pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, par suite de l'application de l'alinéa 2, la période entre la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion et la date de fin du droit est inférieure à 12 mois, le droit s'éteint toutefois 12 mois après la date de la première admission.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, reste encore d'application après le 28 février 2026 au jeune travailleur visé aux alinéas précédents.
L'application de l'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, 1° et 2°, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut toutefois avoir pour effet que le jeune travailleur bénéficie d'allocations après le 31 décembre 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 3, la date du 31 décembre 2026 visée à l'alinéa 5, est toutefois repoussée du nombre de mois complets qui se situent entre le 1er janvier 2025 et la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, en cas d'application de l'article 63, § 2, alinéa 4, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, et à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence, le jeune travailleur peut encore maintenir le droit à l'allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est pas applicable durant la période durant laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 7.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, l'article 63, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est plus d'application à partir du 1er mars 2026.
A partir du 1er juillet 2025 et dans les limites prévues aux alinéas 5, 6 et 7, l'article 63, § 2, alinéa 3 et 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, est également applicable au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er qui a été admis pour la première fois au droit aux allocations d'insertion après le 1er janvier 2023 et qui, au 1er juillet 2025, n'a pas atteint l'âge de 30 ans et est considéré comme travailleur isolé ou travailleur ayant charge de famille, conformément à l'article 110, §§ 1er et 2, ou qui est considéré comme travailleur cohabitant, conformément à l'article 110, § 3, et satisfait aux conditions de l'article 124, alinéa 2, nonobstant le fait qu'il se trouve encore dans la période neutralisée en application de l'alinéa 2 de l'article 63, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susvisé.
Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut pas être admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est applicable à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application du présent article, l'article 42 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026 reste encore applicable après le 28 février 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er et par dérogation à cet alinéa, le droit aux allocations d'insertion s'éteint au plus tard le 31 décembre 2025.
Lorsque, pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, par suite de l'application de l'alinéa 2, la période entre la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion et la date de fin du droit est inférieure à 12 mois, le droit s'éteint toutefois 12 mois après la date de la première admission.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, reste encore d'application après le 28 février 2026 au jeune travailleur visé aux alinéas précédents.
L'application de l'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, 1° et 2°, et § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut toutefois avoir pour effet que le jeune travailleur bénéficie d'allocations après le 31 décembre 2026.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 3, la date du 31 décembre 2026 visée à l'alinéa 5, est toutefois repoussée du nombre de mois complets qui se situent entre le 1er janvier 2025 et la date de la première admission au droit aux allocations d'insertion.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, en cas d'application de l'article 63, § 2, alinéa 4, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, et à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence, le jeune travailleur peut encore maintenir le droit à l'allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits.
L'article 63, § 2, alinéas 3 et 4, et § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est pas applicable durant la période durant laquelle le jeune travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus conformément à l'alinéa 7.
Pour le jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, l'article 63, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, n'est plus d'application à partir du 1er mars 2026.
A partir du 1er juillet 2025 et dans les limites prévues aux alinéas 5, 6 et 7, l'article 63, § 2, alinéa 3 et 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, est également applicable au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er qui a été admis pour la première fois au droit aux allocations d'insertion après le 1er janvier 2023 et qui, au 1er juillet 2025, n'a pas atteint l'âge de 30 ans et est considéré comme travailleur isolé ou travailleur ayant charge de famille, conformément à l'article 110, §§ 1er et 2, ou qui est considéré comme travailleur cohabitant, conformément à l'article 110, § 3, et satisfait aux conditions de l'article 124, alinéa 2, nonobstant le fait qu'il se trouve encore dans la période neutralisée en application de l'alinéa 2 de l'article 63, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susvisé.
Le jeune travailleur qui a été admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, ne peut pas être admis au droit aux allocations d'insertion sur la base de l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est applicable à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application du présent article, l'article 42 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026 reste encore applicable après le 28 février 2026.
Art. 210. De werknemer die tijdelijk wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, behoudt dit recht nog tot ten laatste 31 december 2025.
De werknemer die wordt uitgesloten in toepassing van het eerste lid, kan slechts opnieuw tot het recht op werkloosheidsuitkeringen worden toegelaten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing op de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag.
De werknemer die wordt uitgesloten in toepassing van het eerste lid, kan slechts opnieuw tot het recht op werkloosheidsuitkeringen worden toegelaten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing op de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag.
Art. 210. Le travailleur qui est admis temporairement au droit aux allocations en application de l'article 84 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 31 décembre 2025, conserve encore ce droit jusqu'au 31 décembre 2025 au plus tard.
Le travailleur qui est exclu en application de l'alinéa 1er, peut à nouveau être admis au droit aux allocations de chômage uniquement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application à la date de sa nouvelle demande d'allocations.
Le travailleur qui est exclu en application de l'alinéa 1er, peut à nouveau être admis au droit aux allocations de chômage uniquement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application à la date de sa nouvelle demande d'allocations.
Art.212. § 1. De werknemer die, in toepassing van artikel 30, 32 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, vóór 1 maart 2026 tot het recht op uitkeringen werd toegelaten en die nog toelaatbaar is op basis van artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, behoudt dit recht op uitkeringen onder de hierna vermelde voorwaarden, ten laatste tot 30 juni 2030.
De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode en bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft;
3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode;
4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Voor de toepassing van het tweede lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Het beroepsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 214.
De periode bedoeld in het tweede lid loopt vanaf:
1° de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, en die gelegen is na 1 juli 2025;
2° 1 juli 2025, in de andere gevallen.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft.
Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
In geval de periode waarin het recht op uitkeringen wordt behouden, door de toepassing van artikel 116, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, wordt verlengd, eindigt de periode waarin dat recht op uitkeringen wordt behouden, in ieder geval uiterlijk twaalf maanden na het einde van het recht zoals bepaald in toepassing van het tweede tot zesde lid, in voorkomend geval beperkt tot 30 juni 2030.
De werknemer bedoeld in het tweede lid, 6°, voor wie het recht op uitkeringen in toepassing van de vorige leden een einde neemt tussen 1 januari 2026 en 28 februari 2026 en die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de toepassing van het negende lid wordt, in afwijking van artikel 38 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, geen rekening gehouden met dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze bedoeld in artikel 27, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, werd toegekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, behoudt de werknemer die op 30 juni 2025 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is.
Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag:
1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114 en 116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt;
b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden en het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
c) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
2° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende 12 maanden, het bedrag dat overeenstemt met de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt op 30 juni 2025;
b) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
3° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de derde vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) tot 28 februari 2026: het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
b) vanaf 1 maart 2026: het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van het derde lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Tijdens de periode waarvoor de werknemer bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 2 zijn van toepassing op de werknemer die een voldoende beroepsverleden bewijst, zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt.
Zijn recht op uitkeringen wordt evenwel beperkt in toepassing van paragraaf 1.
§ 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn niet meer van toepassing indien de werknemer, wanneer hij na een onderbreking bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, vanaf 1 maart 2026 een uitkeringsaanvraag indient als volledig werkloze voor alle dagen van de week, de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026, vervult.
De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode en bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft;
3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode;
4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Voor de toepassing van het tweede lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Het beroepsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 214.
De periode bedoeld in het tweede lid loopt vanaf:
1° de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, en die gelegen is na 1 juli 2025;
2° 1 juli 2025, in de andere gevallen.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft.
Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
In geval de periode waarin het recht op uitkeringen wordt behouden, door de toepassing van artikel 116, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, wordt verlengd, eindigt de periode waarin dat recht op uitkeringen wordt behouden, in ieder geval uiterlijk twaalf maanden na het einde van het recht zoals bepaald in toepassing van het tweede tot zesde lid, in voorkomend geval beperkt tot 30 juni 2030.
De werknemer bedoeld in het tweede lid, 6°, voor wie het recht op uitkeringen in toepassing van de vorige leden een einde neemt tussen 1 januari 2026 en 28 februari 2026 en die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de toepassing van het negende lid wordt, in afwijking van artikel 38 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, geen rekening gehouden met dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze bedoeld in artikel 27, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, werd toegekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, behoudt de werknemer die op 30 juni 2025 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is.
Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag:
1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114 en 116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt;
b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden en het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
c) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
2° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende 12 maanden, het bedrag dat overeenstemt met de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt op 30 juni 2025;
b) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
3° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de derde vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) tot 28 februari 2026: het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
b) vanaf 1 maart 2026: het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van het derde lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Tijdens de periode waarvoor de werknemer bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 2 zijn van toepassing op de werknemer die een voldoende beroepsverleden bewijst, zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt.
Zijn recht op uitkeringen wordt evenwel beperkt in toepassing van paragraaf 1.
§ 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn niet meer van toepassing indien de werknemer, wanneer hij na een onderbreking bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, vanaf 1 maart 2026 een uitkeringsaanvraag indient als volledig werkloze voor alle dagen van de week, de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026, vervult.
Art.212. § 1er. Le travailleur qui, avant le 1er mars 2026, est admis au droit aux allocations en application des articles 30, 32 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, et qui est encore admissible sur la base de l'article 42 de l'arrêté royal précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, conserve ce droit aux allocations aux conditions mentionnées ci-après, au plus tard jusqu'au 30 juin 2030.
La durée du droit aux allocations pour le travailleur visé à l'alinéa 1er est, en fonction de la période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, limitée:
1° à 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation et s'il a en plus un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° à 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation mais n'a pas un passé professionnel de cinq ans;
3° 12 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la deuxième période d'indemnisation;
4° 9 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, de moins de 2.496 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
5° 8 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 2.496 mais moins que 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
6° 6 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pour l'application de l'alinéa 2 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Le passé professionnel visé à l'alinéa 2, est calculé conformément à l'article 214.
La période visée à l'alinéa 2 court à compter:
1° de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, et qui est située après le 1er juillet 2025;
2° du 1er juillet 2025, dans les autres cas.
Le travailleur visé dans ce paragraphe qui, pendant la période du 1er juillet 2025 au 28 février 2026, remplit les conditions de l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, a encore droit aux allocations à partir de la date de sa nouvelle demande d'allocations, visée à l'article 133, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, pendant une période de:
1° 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur a un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur n'a pas un passé professionnel de cinq ans.
Pendant la période au cours de laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant de l'allocation est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Lorsque la période durant laquelle le droit aux allocations est maintenu est prolongée en application de l'article 116, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, la période dans laquelle le droit aux allocations est maintenu prend fin dans tous les cas au plus tard douze mois après la fin du droit tel que déterminé en application des alinéas 2 à 6, le cas échéant limité au 30 juin 2030.
Le travailleur visé à l'alinéa 2, 6°, dont le droit aux allocations prend fin, en application des alinéas précédents, entre le 1er janvier 2026 et le 28 février 2026 et qui introduit une nouvelle demande d'allocations dans cette même période, peut à nouveau bénéficier d'allocations seulement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour l'application de l'alinéa 9, par dérogation à l'article 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'applicable jusqu'au 28 février 2026, il n'est pas tenu compte des jours pour lesquels une allocation comme chômeur complet visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité a été octroyée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le travailleur qui, au 30 juin 2025, a atteint l'âge de 55 ans et qui a un passé professionnel suffisant déterminé conformément à l'article 214, conserve le droit aux allocations sans que la limitation dans le temps visée à l'article 114, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité soit d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 1er au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal précité.
Le travailleur visé au présent paragraphe a droit au montant journalier suivant:
1° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la première période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) pendant le reste de cette période, fixée conformément aux articles 114 et 116 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, le montant en fonction de la phase de la première période d'indemnisation dans laquelle le travailleur se trouve;
b) ensuite, durant une période égale à la différence entre 24 mois et la partie de la première période d'indemnisation qui se situe après le 30 juin 2025 ou, s'il y a lieu, après la date visée au deuxième alinéa, le montant qui correspond à la première phase de la deuxième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
c) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
2° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la deuxième période d'indemnisation visée à l'article 114, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) durant 12 mois, le montant qui correspond à la phase de la deuxième période d'indemnisation dans laquelle le chômeur se trouve au 30 juin 2025;
b) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
3° dans le cas où le travailleur est indemnisé au 30 juin 2025 conformément à la troisième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) jusqu'au 28 février 2026: le montant visé à l'article 114, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
b) à partir du 1er mars 2026: le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 3 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pendant la période pour laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant des allocations est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
§ 3. Les dispositions du paragraphe 2 sont d'application au travailleur qui prouve le passé professionnel suffisant, sans avoir atteint l'âge de 55 ans.
Son droit aux allocations est cependant limité en application du paragraphe 1er.
§ 4. Les paragraphes 1er à 3 ne sont plus d'application si le travailleur remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application à partir du 1er mars 2026, au moment où, à partir du 1er mars 2026, il introduit une demande d'allocations comme chômeur complet pour tous les jours de la semaine après une interruption visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
La durée du droit aux allocations pour le travailleur visé à l'alinéa 1er est, en fonction de la période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, limitée:
1° à 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation et s'il a en plus un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° à 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation mais n'a pas un passé professionnel de cinq ans;
3° 12 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la deuxième période d'indemnisation;
4° 9 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, de moins de 2.496 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
5° 8 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 2.496 mais moins que 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
6° 6 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pour l'application de l'alinéa 2 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Le passé professionnel visé à l'alinéa 2, est calculé conformément à l'article 214.
La période visée à l'alinéa 2 court à compter:
1° de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, et qui est située après le 1er juillet 2025;
2° du 1er juillet 2025, dans les autres cas.
Le travailleur visé dans ce paragraphe qui, pendant la période du 1er juillet 2025 au 28 février 2026, remplit les conditions de l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, a encore droit aux allocations à partir de la date de sa nouvelle demande d'allocations, visée à l'article 133, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, pendant une période de:
1° 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur a un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur n'a pas un passé professionnel de cinq ans.
Pendant la période au cours de laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant de l'allocation est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Lorsque la période durant laquelle le droit aux allocations est maintenu est prolongée en application de l'article 116, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, la période dans laquelle le droit aux allocations est maintenu prend fin dans tous les cas au plus tard douze mois après la fin du droit tel que déterminé en application des alinéas 2 à 6, le cas échéant limité au 30 juin 2030.
Le travailleur visé à l'alinéa 2, 6°, dont le droit aux allocations prend fin, en application des alinéas précédents, entre le 1er janvier 2026 et le 28 février 2026 et qui introduit une nouvelle demande d'allocations dans cette même période, peut à nouveau bénéficier d'allocations seulement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour l'application de l'alinéa 9, par dérogation à l'article 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'applicable jusqu'au 28 février 2026, il n'est pas tenu compte des jours pour lesquels une allocation comme chômeur complet visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité a été octroyée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le travailleur qui, au 30 juin 2025, a atteint l'âge de 55 ans et qui a un passé professionnel suffisant déterminé conformément à l'article 214, conserve le droit aux allocations sans que la limitation dans le temps visée à l'article 114, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité soit d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 1er au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal précité.
Le travailleur visé au présent paragraphe a droit au montant journalier suivant:
1° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la première période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) pendant le reste de cette période, fixée conformément aux articles 114 et 116 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, le montant en fonction de la phase de la première période d'indemnisation dans laquelle le travailleur se trouve;
b) ensuite, durant une période égale à la différence entre 24 mois et la partie de la première période d'indemnisation qui se situe après le 30 juin 2025 ou, s'il y a lieu, après la date visée au deuxième alinéa, le montant qui correspond à la première phase de la deuxième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
c) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
2° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la deuxième période d'indemnisation visée à l'article 114, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) durant 12 mois, le montant qui correspond à la phase de la deuxième période d'indemnisation dans laquelle le chômeur se trouve au 30 juin 2025;
b) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
3° dans le cas où le travailleur est indemnisé au 30 juin 2025 conformément à la troisième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) jusqu'au 28 février 2026: le montant visé à l'article 114, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
b) à partir du 1er mars 2026: le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 3 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pendant la période pour laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant des allocations est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
§ 3. Les dispositions du paragraphe 2 sont d'application au travailleur qui prouve le passé professionnel suffisant, sans avoir atteint l'âge de 55 ans.
Son droit aux allocations est cependant limité en application du paragraphe 1er.
§ 4. Les paragraphes 1er à 3 ne sont plus d'application si le travailleur remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application à partir du 1er mars 2026, au moment où, à partir du 1er mars 2026, il introduit une demande d'allocations comme chômeur complet pour tous les jours de la semaine après une interruption visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Art. 212. § 1. De werknemer die, in toepassing van artikel 30, 32 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, vóór 1 maart 2026 tot het recht op uitkeringen werd toegelaten en die nog toelaatbaar is op basis van artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, behoudt dit recht op uitkeringen onder de hierna vermelde voorwaarden, ten laatste tot 30 juni 2030.
De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode en bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft;
3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode;
4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Voor de toepassing van het tweede lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Het beroepsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 214.
De periode bedoeld in het tweede lid loopt vanaf:
1° de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, en die gelegen is na 1 juli 2025;
2° 1 juli 2025, in de andere gevallen.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft.
Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
In geval de periode waarin het recht op uitkeringen wordt behouden, door de toepassing van artikel 116, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, wordt verlengd, eindigt de periode waarin dat recht op uitkeringen wordt behouden, in ieder geval uiterlijk twaalf maanden na het einde van het recht zoals bepaald in toepassing van het tweede tot zesde lid, in voorkomend geval beperkt tot 30 juni 2030.
De werknemer bedoeld in het tweede lid, 6°, voor wie het recht op uitkeringen in toepassing van de vorige leden een einde neemt tussen 1 januari 2026 en 28 februari 2026 en die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de toepassing van het negende lid wordt, in afwijking van artikel 38 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, geen rekening gehouden met dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze bedoeld in artikel 27, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, werd toegekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, behoudt de werknemer die op 30 juni 2025 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is.
Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag:
1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114 en 116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt;
b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden en het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
c) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
2° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende 12 maanden, het bedrag dat overeenstemt met de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt op 30 juni 2025;
b) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
3° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de derde vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) tot 28 februari 2026: het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
b) vanaf 1 maart 2026: het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van het derde lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Tijdens de periode waarvoor de werknemer bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 2 zijn van toepassing op de werknemer die een voldoende beroepsverleden bewijst, zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt.
Zijn recht op uitkeringen wordt evenwel beperkt in toepassing van paragraaf 1.
§ 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn niet meer van toepassing indien de werknemer, wanneer hij na een onderbreking bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, vanaf 1 maart 2026 een uitkeringsaanvraag indient als volledig werkloze voor alle dagen van de week, de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026, vervult.
De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode en bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft;
3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode;
4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode en op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Voor de toepassing van het tweede lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Het beroepsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 214.
De periode bedoeld in het tweede lid loopt vanaf:
1° de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, en die gelegen is na 1 juli 2025;
2° 1 juli 2025, in de andere gevallen.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van:
1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft;
2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft.
Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
In geval de periode waarin het recht op uitkeringen wordt behouden, door de toepassing van artikel 116, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, wordt verlengd, eindigt de periode waarin dat recht op uitkeringen wordt behouden, in ieder geval uiterlijk twaalf maanden na het einde van het recht zoals bepaald in toepassing van het tweede tot zesde lid, in voorkomend geval beperkt tot 30 juni 2030.
De werknemer bedoeld in het tweede lid, 6°, voor wie het recht op uitkeringen in toepassing van de vorige leden een einde neemt tussen 1 januari 2026 en 28 februari 2026 en die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
Voor de toepassing van het negende lid wordt, in afwijking van artikel 38 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, geen rekening gehouden met dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze bedoeld in artikel 27, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, werd toegekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, behoudt de werknemer die op 30 juni 2025 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is.
Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit.
De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag:
1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114 en 116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt;
b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden en het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
c) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
2° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) gedurende 12 maanden, het bedrag dat overeenstemt met de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt op 30 juni 2025;
b) daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026;
3° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de derde vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026:
a) tot 28 februari 2026: het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
b) vanaf 1 maart 2026: het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b) of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Voor de toepassing van het derde lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
Tijdens de periode waarvoor de werknemer bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis en 7, artikel 116, §§ 2 en 4, en artikel 118, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 2 zijn van toepassing op de werknemer die een voldoende beroepsverleden bewijst, zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt.
Zijn recht op uitkeringen wordt evenwel beperkt in toepassing van paragraaf 1.
§ 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn niet meer van toepassing indien de werknemer, wanneer hij na een onderbreking bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, vanaf 1 maart 2026 een uitkeringsaanvraag indient als volledig werkloze voor alle dagen van de week, de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026, vervult.
Art. 212. § 1er. Le travailleur qui, avant le 1er mars 2026, est admis au droit aux allocations en application des articles 30, 32 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, et qui est encore admissible sur la base de l'article 42 de l'arrêté royal précité tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, conserve ce droit aux allocations aux conditions mentionnées ci-après, au plus tard jusqu'au 30 juin 2030.
La durée du droit aux allocations pour le travailleur visé à l'alinéa 1er est, en fonction de la période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, limitée:
1° à 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation et s'il a en plus un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° à 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation mais n'a pas un passé professionnel de cinq ans;
3° 12 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la deuxième période d'indemnisation;
4° 9 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, de moins de 2.496 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
5° 8 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 2.496 mais moins que 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
6° 6 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pour l'application de l'alinéa 2 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Le passé professionnel visé à l'alinéa 2, est calculé conformément à l'article 214.
La période visée à l'alinéa 2 court à compter:
1° de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, et qui est située après le 1er juillet 2025;
2° du 1er juillet 2025, dans les autres cas.
Le travailleur visé dans ce paragraphe qui, pendant la période du 1er juillet 2025 au 28 février 2026, remplit les conditions de l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, a encore droit aux allocations à partir de la date de sa nouvelle demande d'allocations, visée à l'article 133, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, pendant une période de:
1° 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur a un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur n'a pas un passé professionnel de cinq ans.
Pendant la période au cours de laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant de l'allocation est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Lorsque la période durant laquelle le droit aux allocations est maintenu est prolongée en application de l'article 116, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, la période dans laquelle le droit aux allocations est maintenu prend fin dans tous les cas au plus tard douze mois après la fin du droit tel que déterminé en application des alinéas 2 à 6, le cas échéant limité au 30 juin 2030.
Le travailleur visé à l'alinéa 2, 6°, dont le droit aux allocations prend fin, en application des alinéas précédents, entre le 1er janvier 2026 et le 28 février 2026 et qui introduit une nouvelle demande d'allocations dans cette même période, peut à nouveau bénéficier d'allocations seulement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour l'application de l'alinéa 9, par dérogation à l'article 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'applicable jusqu'au 28 février 2026, il n'est pas tenu compte des jours pour lesquels une allocation comme chômeur complet visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité a été octroyée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le travailleur qui, au 30 juin 2025, a atteint l'âge de 55 ans et qui a un passé professionnel suffisant déterminé conformément à l'article 214, conserve le droit aux allocations sans que la limitation dans le temps visée à l'article 114, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité soit d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 1er au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal précité.
Le travailleur visé au présent paragraphe a droit au montant journalier suivant:
1° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la première période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) pendant le reste de cette période, fixée conformément aux articles 114 et 116 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, le montant en fonction de la phase de la première période d'indemnisation dans laquelle le travailleur se trouve;
b) ensuite, durant une période égale à la différence entre 24 mois et la partie de la première période d'indemnisation qui se situe après le 30 juin 2025 ou, s'il y a lieu, après la date visée au deuxième alinéa, le montant qui correspond à la première phase de la deuxième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
c) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
2° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la deuxième période d'indemnisation visée à l'article 114, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) durant 12 mois, le montant qui correspond à la phase de la deuxième période d'indemnisation dans laquelle le chômeur se trouve au 30 juin 2025;
b) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
3° dans le cas où le travailleur est indemnisé au 30 juin 2025 conformément à la troisième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) jusqu'au 28 février 2026: le montant visé à l'article 114, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
b) à partir du 1er mars 2026: le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 3 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pendant la période pour laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant des allocations est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
§ 3. Les dispositions du paragraphe 2 sont d'application au travailleur qui prouve le passé professionnel suffisant, sans avoir atteint l'âge de 55 ans.
Son droit aux allocations est cependant limité en application du paragraphe 1er.
§ 4. Les paragraphes 1er à 3 ne sont plus d'application si le travailleur remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application à partir du 1er mars 2026, au moment où, à partir du 1er mars 2026, il introduit une demande d'allocations comme chômeur complet pour tous les jours de la semaine après une interruption visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
La durée du droit aux allocations pour le travailleur visé à l'alinéa 1er est, en fonction de la période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, limitée:
1° à 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation et s'il a en plus un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° à 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la première période d'indemnisation mais n'a pas un passé professionnel de cinq ans;
3° 12 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la deuxième période d'indemnisation;
4° 9 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, de moins de 2.496 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
5° 8 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 2.496 mais moins que 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
6° 6 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé selon la troisième période d'indemnisation et a bénéficié au total, au 31 décembre 2024, d'au moins 6.240 allocations complètes ou demi-allocations en application de l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pour l'application de l'alinéa 2 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Le passé professionnel visé à l'alinéa 2, est calculé conformément à l'article 214.
La période visée à l'alinéa 2 court à compter:
1° de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, et qui est située après le 1er juillet 2025;
2° du 1er juillet 2025, dans les autres cas.
Le travailleur visé dans ce paragraphe qui, pendant la période du 1er juillet 2025 au 28 février 2026, remplit les conditions de l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, a encore droit aux allocations à partir de la date de sa nouvelle demande d'allocations, visée à l'article 133, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, pendant une période de:
1° 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur a un passé professionnel d'au moins cinq ans;
2° 12 mois, augmenté d'un mois par période de passé professionnel de 104 journées de travail ou journées assimilées ou, s'il s'agit d'une admission en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, de 104 demi-journées de travail ou journées assimilées, avec un maximum total de 24 mois, si, au 30 juin 2025, le travailleur n'a pas un passé professionnel de cinq ans.
Pendant la période au cours de laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant de l'allocation est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Lorsque la période durant laquelle le droit aux allocations est maintenu est prolongée en application de l'article 116, § 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026, la période dans laquelle le droit aux allocations est maintenu prend fin dans tous les cas au plus tard douze mois après la fin du droit tel que déterminé en application des alinéas 2 à 6, le cas échéant limité au 30 juin 2030.
Le travailleur visé à l'alinéa 2, 6°, dont le droit aux allocations prend fin, en application des alinéas précédents, entre le 1er janvier 2026 et le 28 février 2026 et qui introduit une nouvelle demande d'allocations dans cette même période, peut à nouveau bénéficier d'allocations seulement s'il satisfait aux conditions des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
Pour l'application de l'alinéa 9, par dérogation à l'article 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité tel qu'applicable jusqu'au 28 février 2026, il n'est pas tenu compte des jours pour lesquels une allocation comme chômeur complet visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité a été octroyée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le travailleur qui, au 30 juin 2025, a atteint l'âge de 55 ans et qui a un passé professionnel suffisant déterminé conformément à l'article 214, conserve le droit aux allocations sans que la limitation dans le temps visée à l'article 114, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité soit d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 1er au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, ou soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal précité.
Le travailleur visé au présent paragraphe a droit au montant journalier suivant:
1° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la première période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) pendant le reste de cette période, fixée conformément aux articles 114 et 116 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026, le montant en fonction de la phase de la première période d'indemnisation dans laquelle le travailleur se trouve;
b) ensuite, durant une période égale à la différence entre 24 mois et la partie de la première période d'indemnisation qui se situe après le 30 juin 2025 ou, s'il y a lieu, après la date visée au deuxième alinéa, le montant qui correspond à la première phase de la deuxième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
c) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
2° dans le cas où, au 30 juin 2025, le travailleur est indemnisé conformément à la deuxième période d'indemnisation visée à l'article 114, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) durant 12 mois, le montant qui correspond à la phase de la deuxième période d'indemnisation dans laquelle le chômeur se trouve au 30 juin 2025;
b) ensuite, le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026;
3° dans le cas où le travailleur est indemnisé au 30 juin 2025 conformément à la troisième période d'indemnisation, visée à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026:
a) jusqu'au 28 février 2026: le montant visé à l'article 114, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 28 février 2026;
b) à partir du 1er mars 2026: le montant visé à l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 2°, b), ou 3°, d), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application à partir du 1er mars 2026.
Pour l'application de l'alinéa 3 au travailleur qui, au 30 juin 2025, ne bénéficie pas effectivement d'allocations de chômage soit parce qu'il sollicite des allocations pour la première fois après cette date, soit parce que, à cette date, court une interruption dans les allocations, au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, qui est la conséquence d'une occupation comme salarié ou de l'établissement comme indépendant à titre principal, il est tenu compte de la date de la première nouvelle demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1° ou 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Pendant la période pour laquelle le travailleur visé au présent paragraphe conserve le droit aux allocations, le montant des allocations est fixé ci-après en application de l'article 114, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 5bis et 7, de l'article 116, §§ 2 et 4, et de l'article 118, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tels qu'ils sont d'application jusqu'au 28 février 2026.
§ 3. Les dispositions du paragraphe 2 sont d'application au travailleur qui prouve le passé professionnel suffisant, sans avoir atteint l'âge de 55 ans.
Son droit aux allocations est cependant limité en application du paragraphe 1er.
§ 4. Les paragraphes 1er à 3 ne sont plus d'application si le travailleur remplit les conditions d'admissibilité des articles 30 ou 33 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'ils sont d'application à partir du 1er mars 2026, au moment où, à partir du 1er mars 2026, il introduit une demande d'allocations comme chômeur complet pour tous les jours de la semaine après une interruption visée à l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité.
Art.214. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 wordt het beroepsverleden berekend volgens de bepalingen van dit artikel.
Voor de toepassing van de artikelen 212, §§ 2 en 3, en 213, tweede lid, moet de werkloze het volgende aantal jaren beroepsverleden bewijzen:
1° 30 jaar, indien:
a) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 effectief uitkeringen geniet;
b) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 niet effectief uitkeringen geniet, maar er geen onderbreking is in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) ofwel de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is vóór 1 januari 2026;
d) ofwel de werkloze de anciënniteitstoeslag genoot vóór 1 januari 2026;
2° 31 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2026;
3° 32 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2027;
4° 33 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2028;
5° 34 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2029;
6° 35 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is na 2029.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het beroepsverleden berekend overeenkomstig artikel 124, 3°, zoals van toepassing vóór 1 maart 2026 en wordt het verhoogd met de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping en de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
Voor de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 1° en 2°, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit;
2° de volgende gelijkgestelde dagen:
a) de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
b) de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
c) de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
d) de dagen inhaalrust;
e) de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik, en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
f) de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
g) de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
h) de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
i) de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
j) de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend;
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
Voor de toepassing van de artikelen 212, §§ 2 en 3, en 213, tweede lid, moet de werkloze het volgende aantal jaren beroepsverleden bewijzen:
1° 30 jaar, indien:
a) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 effectief uitkeringen geniet;
b) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 niet effectief uitkeringen geniet, maar er geen onderbreking is in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) ofwel de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is vóór 1 januari 2026;
d) ofwel de werkloze de anciënniteitstoeslag genoot vóór 1 januari 2026;
2° 31 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2026;
3° 32 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2027;
4° 33 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2028;
5° 34 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2029;
6° 35 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is na 2029.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het beroepsverleden berekend overeenkomstig artikel 124, 3°, zoals van toepassing vóór 1 maart 2026 en wordt het verhoogd met de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping en de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
Voor de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 1° en 2°, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit;
2° de volgende gelijkgestelde dagen:
a) de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
b) de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
c) de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
d) de dagen inhaalrust;
e) de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik, en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
f) de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
g) de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
h) de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
i) de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
j) de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend;
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
Art.214. Pour l'application des articles 212 et 213, le passé professionnel est calculé suivant les dispositions de cet article.
Pour l'application des articles 212, §§ 2 et 3 et 213, alinéa 2, le chômeur doit prouver le nombre d'années de passé professionnel suivant:
1° 30 ans, si:
a) soit le chômeur bénéficie effectivement d'allocations au 30 juin 2025;
b) soit le chômeur ne bénéficie pas effectivement d'allocations au 30 juin 2025, mais il n'y a pas une interruption au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
c) soit la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située avant le 1er janvier 2026;
d) soit le chômeur bénéficiait du complément d'ancienneté avant le 1er janvier 2026;
2° 31 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2026;
3° 32 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2027;
4° 33 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2028;
5° 34 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2029;
6° 35 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située après 2029.
Pour l'application de l'alinéa 2, le passé professionnel est calculé conformément à l'article 124, 3°, tel qu'il était d'application avant le 1er mars 2026 et est augmenté des jours de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que des journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou des journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Pour l'application de l'article 212, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37, §§ 1 et 2, de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées suivantes:
a) les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
b) les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
c) les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
d) les jours de repos compensatoire;
e) les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage, et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
f) les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
g) les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
h) les jours d'exercice de la fonction de juge social;
i) les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
j) les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 a été octroyée;
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
Pour l'application des articles 212, §§ 2 et 3 et 213, alinéa 2, le chômeur doit prouver le nombre d'années de passé professionnel suivant:
1° 30 ans, si:
a) soit le chômeur bénéficie effectivement d'allocations au 30 juin 2025;
b) soit le chômeur ne bénéficie pas effectivement d'allocations au 30 juin 2025, mais il n'y a pas une interruption au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
c) soit la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située avant le 1er janvier 2026;
d) soit le chômeur bénéficiait du complément d'ancienneté avant le 1er janvier 2026;
2° 31 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2026;
3° 32 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2027;
4° 33 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2028;
5° 34 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2029;
6° 35 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située après 2029.
Pour l'application de l'alinéa 2, le passé professionnel est calculé conformément à l'article 124, 3°, tel qu'il était d'application avant le 1er mars 2026 et est augmenté des jours de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que des journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou des journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Pour l'application de l'article 212, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37, §§ 1 et 2, de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées suivantes:
a) les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
b) les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
c) les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
d) les jours de repos compensatoire;
e) les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage, et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
f) les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
g) les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
h) les jours d'exercice de la fonction de juge social;
i) les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
j) les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 a été octroyée;
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
Art. 214. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 wordt het beroepsverleden berekend volgens de bepalingen van dit artikel.
Voor de toepassing van de artikelen 212, §§ 2 en 3, en 213, tweede lid, moet de werkloze het volgende aantal jaren beroepsverleden bewijzen:
1° 30 jaar, indien:
a) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 effectief uitkeringen geniet;
b) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 niet effectief uitkeringen geniet, maar er geen onderbreking is in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) ofwel de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is vóór 1 januari 2026;
d) ofwel de werkloze de anciënniteitstoeslag genoot vóór 1 januari 2026;
2° 31 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2026;
3° 32 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2027;
4° 33 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2028;
5° 34 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2029;
6° 35 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is na 2029.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het beroepsverleden berekend overeenkomstig artikel 124, 3°, zoals van toepassing vóór 1 maart 2026 en wordt het verhoogd met de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping en de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
Voor de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 1° en 2°, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit;
2° de volgende gelijkgestelde dagen:
a) de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
b) de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
c) de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
d) de dagen inhaalrust;
e) de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik, en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
f) de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
g) de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
h) de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
i) de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
j) de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend;
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
Voor de toepassing van de artikelen 212, §§ 2 en 3, en 213, tweede lid, moet de werkloze het volgende aantal jaren beroepsverleden bewijzen:
1° 30 jaar, indien:
a) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 effectief uitkeringen geniet;
b) ofwel de werkloze op 30 juni 2025 niet effectief uitkeringen geniet, maar er geen onderbreking is in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) ofwel de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is vóór 1 januari 2026;
d) ofwel de werkloze de anciënniteitstoeslag genoot vóór 1 januari 2026;
2° 31 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2026;
3° 32 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2027;
4° 33 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2028;
5° 34 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is in 2029;
6° 35 jaar indien de eerste uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1°, 2° of 7°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na 30 juni 2025, gelegen is na 2029.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het beroepsverleden berekend overeenkomstig artikel 124, 3°, zoals van toepassing vóór 1 maart 2026 en wordt het verhoogd met de dagen van aanwezigheid onder de wapens wegens oproeping of wederoproeping en de dagen van dienst als gewetensbezwaarde of de dagen van prestaties als dienstplichtige die krachtens de betrokken wetgeving met legerdienst gelijkgesteld worden.
Voor de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 1° en 2°, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit;
2° de volgende gelijkgestelde dagen:
a) de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
b) de feest- of vervangingsdagen waarvoor door de werkgever een loon werd betaald;
c) de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
d) de dagen inhaalrust;
e) de niet gepresteerde dagen gelegen in een arbeidsovereenkomst en waarvoor een loon werd uitbetaald dat in toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik, en waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht;
f) de dagen waarvoor de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 of de dagen in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
g) de dagen staking, de dagen lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
h) de dagen van uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
i) de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen;
j) de dagen waarvoor een uitkering als tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 27, 2°, a), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend;
De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.
Art. 214. Pour l'application des articles 212 et 213, le passé professionnel est calculé suivant les dispositions de cet article.
Pour l'application des articles 212, §§ 2 et 3 et 213, alinéa 2, le chômeur doit prouver le nombre d'années de passé professionnel suivant:
1° 30 ans, si:
a) soit le chômeur bénéficie effectivement d'allocations au 30 juin 2025;
b) soit le chômeur ne bénéficie pas effectivement d'allocations au 30 juin 2025, mais il n'y a pas une interruption au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
c) soit la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située avant le 1er janvier 2026;
d) soit le chômeur bénéficiait du complément d'ancienneté avant le 1er janvier 2026;
2° 31 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2026;
3° 32 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2027;
4° 33 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2028;
5° 34 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2029;
6° 35 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située après 2029.
Pour l'application de l'alinéa 2, le passé professionnel est calculé conformément à l'article 124, 3°, tel qu'il était d'application avant le 1er mars 2026 et est augmenté des jours de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que des journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou des journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Pour l'application de l'article 212, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37, §§ 1 et 2, de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées suivantes:
a) les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
b) les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
c) les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
d) les jours de repos compensatoire;
e) les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage, et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
f) les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
g) les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
h) les jours d'exercice de la fonction de juge social;
i) les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
j) les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 a été octroyée;
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
Pour l'application des articles 212, §§ 2 et 3 et 213, alinéa 2, le chômeur doit prouver le nombre d'années de passé professionnel suivant:
1° 30 ans, si:
a) soit le chômeur bénéficie effectivement d'allocations au 30 juin 2025;
b) soit le chômeur ne bénéficie pas effectivement d'allocations au 30 juin 2025, mais il n'y a pas une interruption au sens de l'article 138, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
c) soit la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située avant le 1er janvier 2026;
d) soit le chômeur bénéficiait du complément d'ancienneté avant le 1er janvier 2026;
2° 31 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2026;
3° 32 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2027;
4° 33 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2028;
5° 34 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située en 2029;
6° 35 ans si la première demande d'allocations visée à l'article 133, § 1er, 1°, 2° ou 7°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, après le 30 juin 2025, est située après 2029.
Pour l'application de l'alinéa 2, le passé professionnel est calculé conformément à l'article 124, 3°, tel qu'il était d'application avant le 1er mars 2026 et est augmenté des jours de présence en vertu d'un appel ou rappel sous les drapeaux ainsi que des journées de service accomplies en qualité d'objecteur de conscience ou des journées de prestations remplies par un milicien qui sont assimilées au service militaire en vertu de la législation concernée.
Pour l'application de l'article 212, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié:
1° les journées de travail visées à l'article 37, §§ 1 et 2, de l'arrêté royal;
2° les journées assimilées suivantes:
a) les jours de vacances légales et les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, s'ils ont donné lieu au paiement du pécule de vacances, ainsi que les jours couverts par le pécule de vacances qui sont situés dans une période de chômage complet;
b) les jours fériés ou de remplacement pour lesquels un salaire a été payé par l'employeur;
c) les jours d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxième semaine et les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
d) les jours de repos compensatoire;
e) les jours non travaillés qui sont situés dans un contrat de travail et pour lesquels a été payée une rémunération qui, conformément à l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 est au moins égale au salaire minimum fixé par une disposition légale ou réglementaire ou une convention collective de travail qui lie l'entreprise ou, à défaut, par l'usage, et sur laquelle les retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, ont été opérées;
f) les jours pour lesquels le travailleur bénéficie d'une indemnité de maternité, la période d'interdiction de travail visée à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 ou les jours dans le cadre d'un congé de paternité ou d'adoption visé à l'article 30, § 2, ou 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
g) les jours de grève, de lock-out et les jours de chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out;
h) les jours d'exercice de la fonction de juge social;
i) les jours d'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
j) les jours pour lesquels une allocation de chômage temporaire visée à l'article 27, 2°, a), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 a été octroyée;
Les journées assimilées à des journées de travail sont prises en considération dans la même mesure et sont calculées de la même manière que les journées de travail qui les précèdent.
Art.216. § 1. In afwijking van de bepalingen van de onderhavige afdeling behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een opleiding volgt in voorbereiding op een tewerkstelling in een knelpuntberoep die werd aangevat vóór 1 januari 2026, en waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, maar tot ten laatste 30 juni 2030.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
Voor de werknemer bedoeld in artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, wordt het recht op uitkeringen uitsluitend behouden overeenkomstig de vorige leden indien de voorwaarden van voormeld artikel 84 zijn vervuld.
§ 2. In afwijking van artikel 212, behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, dat recht op de inkomensgarantie-uitkering tot het einde van de ononderbroken periode van deeltijdwerk met behoud van rechten indien de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van die tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uren bedraagt of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Tijdens de periode waarin de werknemer het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt, is artikel 212, § 1, zesde lid, niet van toepassing.
De inkomensgarantie-uitkering wordt berekend:
1° tot en met 30 juni 2026 conform de regels zoals van toepassing vóór 1 maart 2026;
2° vanaf 1 juli 2026 conform de regels zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
Voor de werknemer bedoeld in artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, wordt het recht op uitkeringen uitsluitend behouden overeenkomstig de vorige leden indien de voorwaarden van voormeld artikel 84 zijn vervuld.
§ 2. In afwijking van artikel 212, behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, dat recht op de inkomensgarantie-uitkering tot het einde van de ononderbroken periode van deeltijdwerk met behoud van rechten indien de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van die tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uren bedraagt of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Tijdens de periode waarin de werknemer het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt, is artikel 212, § 1, zesde lid, niet van toepassing.
De inkomensgarantie-uitkering wordt berekend:
1° tot en met 30 juni 2026 conform de regels zoals van toepassing vóór 1 maart 2026;
2° vanaf 1 juli 2026 conform de regels zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Art.216. § 1er. Par dérogation aux dispositions de la présente section, le travailleur qui, à l'expiration de la période de droit aux allocations déterminée conformément à la présente section, suit une formation préparant à un emploi dans un métier en pénurie commencée avant le 1er janvier 2026 et pour laquelle une dispense est accordée par le service régional de l'emploi conserve le droit aux allocations pendant toute la durée ininterrompue de cette formation mais au plus tard jusqu'au 30 juin 2030.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Pour le travailleur visé à l'article 84 de de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 31 décembre 2025, le droit aux allocations est maintenu conformément aux alinéas précédents uniquement dans la mesure où les conditions de l'article 84 précité restent remplies.
§ 2. Par dérogation à l'article 212, le travailleur qui, au moment de l'expiration de la période durant laquelle le droit aux allocations est fixé conformément à la présente section, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, maintient ce droit à cette allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, l'article 212, § 1er, alinéa 6, n'est pas d'application.
L'allocation de garantie de revenus est calculée:
1° jusqu'au 30 juin 2026 inclus conformément aux règles qui sont d'application avant le 1er mars 2026;
2° à partir du 1er juillet 2026 conformément aux règles qui sont d'application à partir du 1er mars 2026.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Pour le travailleur visé à l'article 84 de de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 31 décembre 2025, le droit aux allocations est maintenu conformément aux alinéas précédents uniquement dans la mesure où les conditions de l'article 84 précité restent remplies.
§ 2. Par dérogation à l'article 212, le travailleur qui, au moment de l'expiration de la période durant laquelle le droit aux allocations est fixé conformément à la présente section, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, maintient ce droit à cette allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, l'article 212, § 1er, alinéa 6, n'est pas d'application.
L'allocation de garantie de revenus est calculée:
1° jusqu'au 30 juin 2026 inclus conformément aux règles qui sont d'application avant le 1er mars 2026;
2° à partir du 1er juillet 2026 conformément aux règles qui sont d'application à partir du 1er mars 2026.
Art. 216. § 1. In afwijking van de bepalingen van de onderhavige afdeling behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een opleiding volgt in voorbereiding op een tewerkstelling in een knelpuntberoep die werd aangevat vóór 1 januari 2026, en waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, maar tot ten laatste 30 juni 2030.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
Voor de werknemer bedoeld in artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, wordt het recht op uitkeringen uitsluitend behouden overeenkomstig de vorige leden indien de voorwaarden van voormeld artikel 84 zijn vervuld.
§ 2. In afwijking van artikel 212, behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, dat recht op de inkomensgarantie-uitkering tot het einde van de ononderbroken periode van deeltijdwerk met behoud van rechten indien de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van die tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uren bedraagt of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Tijdens de periode waarin de werknemer het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt, is artikel 212, § 1, zesde lid, niet van toepassing.
De inkomensgarantie-uitkering wordt berekend:
1° tot en met 30 juni 2026 conform de regels zoals van toepassing vóór 1 maart 2026;
2° vanaf 1 juli 2026 conform de regels zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid.
Voor de werknemer bedoeld in artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, wordt het recht op uitkeringen uitsluitend behouden overeenkomstig de vorige leden indien de voorwaarden van voormeld artikel 84 zijn vervuld.
§ 2. In afwijking van artikel 212, behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, dat recht op de inkomensgarantie-uitkering tot het einde van de ononderbroken periode van deeltijdwerk met behoud van rechten indien de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van die tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uren bedraagt of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon.
Tijdens de periode waarin de werknemer het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt, is artikel 212, § 1, zesde lid, niet van toepassing.
De inkomensgarantie-uitkering wordt berekend:
1° tot en met 30 juni 2026 conform de regels zoals van toepassing vóór 1 maart 2026;
2° vanaf 1 juli 2026 conform de regels zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026.
Art. 216. § 1er. Par dérogation aux dispositions de la présente section, le travailleur qui, à l'expiration de la période de droit aux allocations déterminée conformément à la présente section, suit une formation préparant à un emploi dans un métier en pénurie commencée avant le 1er janvier 2026 et pour laquelle une dispense est accordée par le service régional de l'emploi conserve le droit aux allocations pendant toute la durée ininterrompue de cette formation mais au plus tard jusqu'au 30 juin 2030.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Pour le travailleur visé à l'article 84 de de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 31 décembre 2025, le droit aux allocations est maintenu conformément aux alinéas précédents uniquement dans la mesure où les conditions de l'article 84 précité restent remplies.
§ 2. Par dérogation à l'article 212, le travailleur qui, au moment de l'expiration de la période durant laquelle le droit aux allocations est fixé conformément à la présente section, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, maintient ce droit à cette allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, l'article 212, § 1er, alinéa 6, n'est pas d'application.
L'allocation de garantie de revenus est calculée:
1° jusqu'au 30 juin 2026 inclus conformément aux règles qui sont d'application avant le 1er mars 2026;
2° à partir du 1er juillet 2026 conformément aux règles qui sont d'application à partir du 1er mars 2026.
Les périodes de vacances ne constituent pas une interruption pour l'application de l'alinéa 1er.
Pour le travailleur visé à l'article 84 de de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, tel qu'il est d'application jusqu'au 31 décembre 2025, le droit aux allocations est maintenu conformément aux alinéas précédents uniquement dans la mesure où les conditions de l'article 84 précité restent remplies.
§ 2. Par dérogation à l'article 212, le travailleur qui, au moment de l'expiration de la période durant laquelle le droit aux allocations est fixé conformément à la présente section, bénéficie d'une allocation de garantie de revenus comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits, maintient ce droit à cette allocation de garantie de revenus jusqu'à la fin de la période ininterrompue de travail à temps partiel avec maintien des droits à la condition que le régime de travail à temps partiel comporte durant toute la période ininterrompue de l'occupation normalement en moyenne par semaine au moins 19 heures ou au moins la moitié du nombre moyen normal des heures de travail hebdomadaire de la personne de référence.
Durant la période au cours de laquelle le travailleur maintient le droit à l'allocation de garantie de revenus, l'article 212, § 1er, alinéa 6, n'est pas d'application.
L'allocation de garantie de revenus est calculée:
1° jusqu'au 30 juin 2026 inclus conformément aux règles qui sont d'application avant le 1er mars 2026;
2° à partir du 1er juillet 2026 conformément aux règles qui sont d'application à partir du 1er mars 2026.
Art.217. § 1. Inzake het ouderschapsverlof in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, heeft de werknemer die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming, en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg een kind in zijn gezin opneemt, ten aanzien van dit kind dezelfde rechten als de werknemer die de ouder is in de eerste graad van een kind.
Art.217. § 1er. En ce qui concerne le congé parental prévu au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, le travailleur, qui a été désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse, et qui, dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant dans sa famille, a les mêmes droits à l'égard de cet enfant, que le travailleur qui est parent au premier degré d'un enfant.
Art. 217. § 1. Inzake het ouderschapsverlof in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, heeft de werknemer die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming, en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg een kind in zijn gezin opneemt, ten aanzien van dit kind dezelfde rechten als de werknemer die de ouder is in de eerste graad van een kind.
Onder langdurige pleegzorg wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan de pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven. De Koning kan het begrip langdurige pleegzorg verder verduidelijken.
§ 2. De werknemer bedoeld in paragraaf 1, heeft dit recht onder de voorwaarden en nadere regels die gelden in het kader van het ouderschapsverlof op grond van hoofdstuk IV, afdeling 5 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985.
De werknemer heeft recht op dit ouderschapsverlof vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad een ander aanknopingspunt bepalen voor de aanvang van het verlof.
De werknemer kan dit recht uitoefenen voor zover en zo lang het betrokken kind bij hem geplaatst is in het kader van langdurige pleegzorg.
De werknemer verstrekt uiterlijk op het ogenblik waarop het verlof ingaat aan de werkgever het document of de documenten tot staving van de gebeurtenis die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, het recht op ouderschapsverlof doet ontstaan.
§ 3. In het kader van het ouderschapsverlof op grond van hoofdstuk IV, afdeling 5 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, kan de werknemer voor hetzelfde kind maximum vier maanden volledige onderbreking of het equivalent daarvan in een toegelaten vermindering van de arbeidsprestaties opnemen.
Onder langdurige pleegzorg wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan de pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven. De Koning kan het begrip langdurige pleegzorg verder verduidelijken.
§ 2. De werknemer bedoeld in paragraaf 1, heeft dit recht onder de voorwaarden en nadere regels die gelden in het kader van het ouderschapsverlof op grond van hoofdstuk IV, afdeling 5 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985.
De werknemer heeft recht op dit ouderschapsverlof vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad een ander aanknopingspunt bepalen voor de aanvang van het verlof.
De werknemer kan dit recht uitoefenen voor zover en zo lang het betrokken kind bij hem geplaatst is in het kader van langdurige pleegzorg.
De werknemer verstrekt uiterlijk op het ogenblik waarop het verlof ingaat aan de werkgever het document of de documenten tot staving van de gebeurtenis die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, het recht op ouderschapsverlof doet ontstaan.
§ 3. In het kader van het ouderschapsverlof op grond van hoofdstuk IV, afdeling 5 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, kan de werknemer voor hetzelfde kind maximum vier maanden volledige onderbreking of het equivalent daarvan in een toegelaten vermindering van de arbeidsprestaties opnemen.
Art. 217. § 1er. En ce qui concerne le congé parental prévu au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, le travailleur, qui a été désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse, et qui, dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant dans sa famille, a les mêmes droits à l'égard de cet enfant, que le travailleur qui est parent au premier degré d'un enfant.
Pour l'application du présent article, on entend par placement familial de longue durée, le placement familial pour lequel il est clair, dès le départ, que l'enfant restera dans la même famille d'accueil avec le(s) même(s) parent(s) d'accueil pendant au moins six mois. Le Roi peut préciser la notion de placement familial de longue durée.
§ 2. Le travailleur, visé au paragraphe 1er, bénéficie de ce droit, dans les conditions et selon les modalités applicables, dans le cadre du congé parental en vertu du chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée.
Le travailleur a droit à ce congé parental, à compter de l'inscription de l'enfant comme membre de sa famille dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune où le travailleur a sa résidence. Le Roi peut fixer un autre point de départ du congé, par arrêté délibéré en conseil des ministres.
Le travailleur peut exercer ce droit, dans la mesure et aussi longtemps, que l'enfant concerné est placé chez lui dans le cadre d'un placement familial de longue durée.
Le travailleur fournit à l'employeur le ou les documents attestant de l'événement qui ouvre le droit au congé parental, conformément aux dispositions du premier alinéa, au plus tard au moment du début du congé.
§ 3. Dans le cadre du congé parental, prévu au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée, le travailleur peut bénéficier d'un maximum de quatre mois d'interruption complète ou de son équivalent, dans le cadre d'une réduction autorisée du temps de travail, pour un même enfant.
Pour l'application du présent article, on entend par placement familial de longue durée, le placement familial pour lequel il est clair, dès le départ, que l'enfant restera dans la même famille d'accueil avec le(s) même(s) parent(s) d'accueil pendant au moins six mois. Le Roi peut préciser la notion de placement familial de longue durée.
§ 2. Le travailleur, visé au paragraphe 1er, bénéficie de ce droit, dans les conditions et selon les modalités applicables, dans le cadre du congé parental en vertu du chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée.
Le travailleur a droit à ce congé parental, à compter de l'inscription de l'enfant comme membre de sa famille dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune où le travailleur a sa résidence. Le Roi peut fixer un autre point de départ du congé, par arrêté délibéré en conseil des ministres.
Le travailleur peut exercer ce droit, dans la mesure et aussi longtemps, que l'enfant concerné est placé chez lui dans le cadre d'un placement familial de longue durée.
Le travailleur fournit à l'employeur le ou les documents attestant de l'événement qui ouvre le droit au congé parental, conformément aux dispositions du premier alinéa, au plus tard au moment du début du congé.
§ 3. Dans le cadre du congé parental, prévu au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée, le travailleur peut bénéficier d'un maximum de quatre mois d'interruption complète ou de son équivalent, dans le cadre d'une réduction autorisée du temps de travail, pour un même enfant.
Art. 218. De Koning wordt gemachtigd de bepalingen van de koninklijke besluiten die betrekking hebben op datgene bedoeld in artikel 217 op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of vervangen.
Art.219. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2025 et s'applique aux demandes introduites auprès de l'employeur à partir du 1er juillet 2025.
Art. 219. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2025 en is van toepassing op de aanvragen die bij de werkgever worden ingediend vanaf 1 juli 2025.
Art. 219. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2025 et s'applique aux demandes introduites auprès de l'employeur à partir du 1er juillet 2025.
HOOFDSTUK 1. - MAATREGELEN TOT TIJDELIJKE BEPERKING VAN DE INDEXERING
CHAPITRE 1ER. - MESURES DE LIMITATION TEMPORAIRE DE L'INDEXATION
Art.220. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder:
Art.220. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
Art. 220. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder:
1° wettelijk pensioen:
- elk wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel of elke overgangsuitkering ten laste van een Belgisch pensioenstelsel;
- elk aanvullend pensioenvoordeel bedoeld in de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;
2° buitenlands of internationaal wettelijk pensioen: elk wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel of elke overgangsuitkering ten laste van een buitenlands pensioenstelsel of van een pensioenstelsel van een internationale instelling;
3° indexering: naargelang de aard van het pensioen, een indexverhoging overeenkomstig:
- de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;
- de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;
4° grensbedrag: het bedrag van 2.441,99 euro, dat wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van de consumptieprijzen en schommelt op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
1° wettelijk pensioen:
- elk wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel of elke overgangsuitkering ten laste van een Belgisch pensioenstelsel;
- elk aanvullend pensioenvoordeel bedoeld in de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;
2° buitenlands of internationaal wettelijk pensioen: elk wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel of elke overgangsuitkering ten laste van een buitenlands pensioenstelsel of van een pensioenstelsel van een internationale instelling;
3° indexering: naargelang de aard van het pensioen, een indexverhoging overeenkomstig:
- de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;
- de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;
4° grensbedrag: het bedrag van 2.441,99 euro, dat wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van de consumptieprijzen en schommelt op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Art. 220. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° pension légale:
- toute pension légale, réglementaire ou statutaire de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension ou toute allocation de transition à charge d'un régime belge de pension;
- tout avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public;
2° pension légale étrangère ou internationale: toute pension légale, réglementaire ou statutaire de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension ou toute allocation de transition à charge d'un régime étranger de pension ou d'un régime de pension d'une institution internationale;
3° indexation: selon la nature de la pension, l'augmentation de l'indice conformément à:
- la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants;
- la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public;
4° montant plafond: montant de 2.441,99 euros qui est lié au chiffre de l'indice pivot 138,01 des prix à la consommation et qui varie de la même manière que la pension de retraite ou la pension de survie à charge du trésor public.
1° pension légale:
- toute pension légale, réglementaire ou statutaire de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension ou toute allocation de transition à charge d'un régime belge de pension;
- tout avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public;
2° pension légale étrangère ou internationale: toute pension légale, réglementaire ou statutaire de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension ou toute allocation de transition à charge d'un régime étranger de pension ou d'un régime de pension d'une institution internationale;
3° indexation: selon la nature de la pension, l'augmentation de l'indice conformément à:
- la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants;
- la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public;
4° montant plafond: montant de 2.441,99 euros qui est lié au chiffre de l'indice pivot 138,01 des prix à la consommation et qui varie de la même manière que la pension de retraite ou la pension de survie à charge du trésor public.
Art.222. De in artikel 221 bedoelde beperking van de indexering wordt toegepast in de volgende orde van voorrang:
1° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de Staatskas, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
2° een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
3° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie;
4° een rustpensioen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
5° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
6° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de plaatselijke besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
7° een rust- of overlevingspensioen als lokaal mandataris;
8° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de provinciale besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
9° een rust- of overlevingspensioen als provinciaal mandataris;
10° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de niet hiervoor bedoelde agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten en gemeenschapscommissies, met inbegrip van een rust- of overlevingspensioen als mandataris van voormelde instellingen;
11° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde machten en instellingen dat hierboven niet werd hernomen, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
12° een rust- of overlevingspensioen van de Overzeese Sociale Zekerheid;
13° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel voor werknemers;
14° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
In geval van cumulatie van wettelijke pensioenen die tot dezelfde orde van voorrang behoren, wordt de beperking van de indexering eerst toegepast op het pensioen waarvan het bruto maandbedrag het laagst is.
De in het eerste lid vastgestelde orde van voorrang doet geen afbreuk aan de toepassing van de regels, die in iedere betrokken pensioenregeling, het bedrag beperken van het wettelijk pensioen toegekend in functie van de andere inkomens en pensioenen, die de rechthebbende geniet.
1° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de Staatskas, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
2° een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
3° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie;
4° een rustpensioen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
5° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
6° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de plaatselijke besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
7° een rust- of overlevingspensioen als lokaal mandataris;
8° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de provinciale besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
9° een rust- of overlevingspensioen als provinciaal mandataris;
10° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de niet hiervoor bedoelde agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten en gemeenschapscommissies, met inbegrip van een rust- of overlevingspensioen als mandataris van voormelde instellingen;
11° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde machten en instellingen dat hierboven niet werd hernomen, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
12° een rust- of overlevingspensioen van de Overzeese Sociale Zekerheid;
13° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel voor werknemers;
14° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
In geval van cumulatie van wettelijke pensioenen die tot dezelfde orde van voorrang behoren, wordt de beperking van de indexering eerst toegepast op het pensioen waarvan het bruto maandbedrag het laagst is.
De in het eerste lid vastgestelde orde van voorrang doet geen afbreuk aan de toepassing van de regels, die in iedere betrokken pensioenregeling, het bedrag beperken van het wettelijk pensioen toegekend in functie van de andere inkomens en pensioenen, die de rechthebbende geniet.
Art.222. La limitation de l'indexation visée à l'article 221 est effectuée selon l'ordre de priorité déterminé ci-après:
1° une pension de retraite ou survie à charge du Trésor public, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
2° une pension de retraite à charge du régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
3° une pension de retraite ou de survie à charge du fonds des pensions de la police fédérale;
4° une pension de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
5° une pension de retraite et de survie à charge du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
6° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations locales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
7° une pension de retraite ou de survie de mandataire local;
8° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations provinciales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
9° une pension de retraite ou de survie de mandataire provincial;
10° une pension de retraite ou de survie à charge des agglomérations de communes, des fédérations de communes et des commissions communautaires non visées ci-avant, y compris celles accordées aux mandataires des institutions précitées;
11° une pension de retraite ou de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires non visées ci-avant, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
12° une pension de retraite ou de survie à charge de la Sécurité Sociale Outre-mer;
13° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs salariés;
14° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs indépendants.
En cas de cumul de pensions légales relevant d'un même niveau de priorité, la limitation de l'indexation est opérée en commençant par la pension dont le montant est le moins élevé.
L'ordre de priorité établi par l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'application des règles qui, dans chacun des régimes de pensions concernés, limitent le montant de l'avantage octroyé en fonction des autres revenus et pensions dont bénéficie l'intéressé.
1° une pension de retraite ou survie à charge du Trésor public, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
2° une pension de retraite à charge du régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
3° une pension de retraite ou de survie à charge du fonds des pensions de la police fédérale;
4° une pension de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
5° une pension de retraite et de survie à charge du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
6° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations locales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
7° une pension de retraite ou de survie de mandataire local;
8° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations provinciales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
9° une pension de retraite ou de survie de mandataire provincial;
10° une pension de retraite ou de survie à charge des agglomérations de communes, des fédérations de communes et des commissions communautaires non visées ci-avant, y compris celles accordées aux mandataires des institutions précitées;
11° une pension de retraite ou de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires non visées ci-avant, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
12° une pension de retraite ou de survie à charge de la Sécurité Sociale Outre-mer;
13° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs salariés;
14° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs indépendants.
En cas de cumul de pensions légales relevant d'un même niveau de priorité, la limitation de l'indexation est opérée en commençant par la pension dont le montant est le moins élevé.
L'ordre de priorité établi par l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'application des règles qui, dans chacun des régimes de pensions concernés, limitent le montant de l'avantage octroyé en fonction des autres revenus et pensions dont bénéficie l'intéressé.
Art. 222. De in artikel 221 bedoelde beperking van de indexering wordt toegepast in de volgende orde van voorrang:
1° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de Staatskas, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
2° een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
3° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie;
4° een rustpensioen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
5° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
6° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de plaatselijke besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
7° een rust- of overlevingspensioen als lokaal mandataris;
8° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de provinciale besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
9° een rust- of overlevingspensioen als provinciaal mandataris;
10° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de niet hiervoor bedoelde agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten en gemeenschapscommissies, met inbegrip van een rust- of overlevingspensioen als mandataris van voormelde instellingen;
11° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde machten en instellingen dat hierboven niet werd hernomen, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
12° een rust- of overlevingspensioen van de Overzeese Sociale Zekerheid;
13° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel voor werknemers;
14° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
In geval van cumulatie van wettelijke pensioenen die tot dezelfde orde van voorrang behoren, wordt de beperking van de indexering eerst toegepast op het pensioen waarvan het bruto maandbedrag het laagst is.
De in het eerste lid vastgestelde orde van voorrang doet geen afbreuk aan de toepassing van de regels, die in iedere betrokken pensioenregeling, het bedrag beperken van het wettelijk pensioen toegekend in functie van de andere inkomens en pensioenen, die de rechthebbende geniet.
1° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de Staatskas, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
2° een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
3° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie;
4° een rustpensioen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
5° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
6° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de plaatselijke besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
7° een rust- of overlevingspensioen als lokaal mandataris;
8° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de provinciale besturen die niet aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;
9° een rust- of overlevingspensioen als provinciaal mandataris;
10° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de niet hiervoor bedoelde agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten en gemeenschapscommissies, met inbegrip van een rust- of overlevingspensioen als mandataris van voormelde instellingen;
11° een rust- of overlevingspensioen ten laste van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde machten en instellingen dat hierboven niet werd hernomen, met inbegrip van een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de voormelde wet van 4 maart 2004;
12° een rust- of overlevingspensioen van de Overzeese Sociale Zekerheid;
13° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel voor werknemers;
14° een rust- of overlevingspensioen ten laste van het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
In geval van cumulatie van wettelijke pensioenen die tot dezelfde orde van voorrang behoren, wordt de beperking van de indexering eerst toegepast op het pensioen waarvan het bruto maandbedrag het laagst is.
De in het eerste lid vastgestelde orde van voorrang doet geen afbreuk aan de toepassing van de regels, die in iedere betrokken pensioenregeling, het bedrag beperken van het wettelijk pensioen toegekend in functie van de andere inkomens en pensioenen, die de rechthebbende geniet.
Art. 222. La limitation de l'indexation visée à l'article 221 est effectuée selon l'ordre de priorité déterminé ci-après:
1° une pension de retraite ou survie à charge du Trésor public, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
2° une pension de retraite à charge du régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
3° une pension de retraite ou de survie à charge du fonds des pensions de la police fédérale;
4° une pension de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
5° une pension de retraite et de survie à charge du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
6° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations locales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
7° une pension de retraite ou de survie de mandataire local;
8° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations provinciales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
9° une pension de retraite ou de survie de mandataire provincial;
10° une pension de retraite ou de survie à charge des agglomérations de communes, des fédérations de communes et des commissions communautaires non visées ci-avant, y compris celles accordées aux mandataires des institutions précitées;
11° une pension de retraite ou de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires non visées ci-avant, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
12° une pension de retraite ou de survie à charge de la Sécurité Sociale Outre-mer;
13° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs salariés;
14° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs indépendants.
En cas de cumul de pensions légales relevant d'un même niveau de priorité, la limitation de l'indexation est opérée en commençant par la pension dont le montant est le moins élevé.
L'ordre de priorité établi par l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'application des règles qui, dans chacun des régimes de pensions concernés, limitent le montant de l'avantage octroyé en fonction des autres revenus et pensions dont bénéficie l'intéressé.
1° une pension de retraite ou survie à charge du Trésor public, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
2° une pension de retraite à charge du régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
3° une pension de retraite ou de survie à charge du fonds des pensions de la police fédérale;
4° une pension de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
5° une pension de retraite et de survie à charge du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
6° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations locales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
7° une pension de retraite ou de survie de mandataire local;
8° une pension de retraite ou de survie à charge des administrations provinciales non affiliées au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales;
9° une pension de retraite ou de survie de mandataire provincial;
10° une pension de retraite ou de survie à charge des agglomérations de communes, des fédérations de communes et des commissions communautaires non visées ci-avant, y compris celles accordées aux mandataires des institutions précitées;
11° une pension de retraite ou de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires non visées ci-avant, y compris un avantage complémentaire de pension visé dans la loi du 4 mars 2004 précitée;
12° une pension de retraite ou de survie à charge de la Sécurité Sociale Outre-mer;
13° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs salariés;
14° une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pensions des travailleurs indépendants.
En cas de cumul de pensions légales relevant d'un même niveau de priorité, la limitation de l'indexation est opérée en commençant par la pension dont le montant est le moins élevé.
L'ordre de priorité établi par l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'application des règles qui, dans chacun des régimes de pensions concernés, limitent le montant de l'avantage octroyé en fonction des autres revenus et pensions dont bénéficie l'intéressé.
Art. 223. In afwijking van de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 42, eerste lid, van voormelde wet van 5 augustus 1978 en van artikel 44, tweede lid, van de wet 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, wordt het bruto jaarbedrag van 46.882,74 EUR per jaar ongewijzigd vastgesteld op 99.499,24 EUR (bedrag gekoppeld aan de verhogingscoëfficiënt 2,1223 van kracht op 1 juli 2025) en schommelt het niet langer overeenkomstig de bepalingen van voormelde wet van 1 maart 1977.
Art. 223. Par dérogation aux articles 39, alinéa 2, 40, alinéa 1er, et 42, alinéa 1er, de la loi précitée du 5 août 1978 précitée, et de l'article 44, alinéa 2, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, le montant brut annuel de 46.882,74 EUR par an est fixé invariablement à 99.499,24 EUR (montant lié au coefficient de majoration 2,1223 en vigueur au 1er juillet 2025) et ne fluctue plus conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 précitée.
Art. 224. De artikelen 220 tot en met 223 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2025 en treden ten laatste buiten werking op 31 december 2029.
In elk geval treden de artikelen 220 tot en met 223 buiten werking na een eventuele vijfde indexering die na 1 juli 2025 en vóór 31 december 2029 plaatsvindt.
In elk geval treden de artikelen 220 tot en met 223 buiten werking na een eventuele vijfde indexering die na 1 juli 2025 en vóór 31 december 2029 plaatsvindt.
Art. 224. Les articles 220 à 223 produisent leurs effets le 1er juillet 2025 et cessent d'être en vigueur au plus tard le 31 décembre 2029.
Dans tous les cas, les articles 220 à 223 cessent d'être en vigueur après une éventuelle cinquième indexation qui aura lieu après le 1er juillet 2025 et avant le 31 décembre 2029.
Dans tous les cas, les articles 220 à 223 cessent d'être en vigueur après une éventuelle cinquième indexation qui aura lieu après le 1er juillet 2025 et avant le 31 décembre 2029.
Art.225. Artikel 40 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
Art.225. L'article 40 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
Art. 225. Artikel 40 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, wordt eveneens rekening gehouden met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
Met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving, die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, wordt evenwel slechts rekening gehouden binnen de grenzen en voorwaarden bepaald in deze verordeningen.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.".
"Voor de toepassing van het eerste lid, wordt eveneens rekening gehouden met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
Met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving, die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, wordt evenwel slechts rekening gehouden binnen de grenzen en voorwaarden bepaald in deze verordeningen.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.".
Art. 225. L'article 40 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, il est également tenu compte des pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Les pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère, qui tombent sous l'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale et du règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d'application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, ne sont toutefois prises en compte que dans les limites et conditions fixées par ces règlements.
Ne sont toutefois pas prises en compte, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.".
"Pour l'application de l'alinéa 1er, il est également tenu compte des pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Les pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère, qui tombent sous l'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale et du règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d'application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, ne sont toutefois prises en compte que dans les limites et conditions fixées par ces règlements.
Ne sont toutefois pas prises en compte, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.".
Art.227. In artikel 42, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 april 1994, worden de woorden "de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen" vervangen door de woorden "titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013".
Art.227. Dans l'article 42, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 5 avril 1994, les mots "de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement" sont remplacés par les mots "du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013".
Art.228. In artikel 43bis van dezelfde wet, ingevoegd bij koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982 en gewijzigd bij de wet van 5 april 1994, worden de woorden "de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen" vervangen door de woorden "titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013".
Art.228. Dans l'article 43bis de la même loi, inséré par l'arrêté royal n° 30 du 30 mars 1982 et modifié par la loi du 5 avril 1994, les mots "de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement" sont remplacés par les mots "du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013".
Art. 228. In artikel 43bis van dezelfde wet, ingevoegd bij koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982 en gewijzigd bij de wet van 5 april 1994, worden de woorden "de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen" vervangen door de woorden "titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013".
Art. 228. Dans l'article 43bis de la même loi, inséré par l'arrêté royal n° 30 du 30 mars 1982 et modifié par la loi du 5 avril 1994, les mots "de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement" sont remplacés par les mots "du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013".
Art. 229. In artikel 43ter, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 mei 1991 en gewijzigd bij de wet van 5 april 1994, worden de woorden "voormelde wet van 5 april 1994" vervangen door de woorden "titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013".
Art. 229. Dans l'article 43ter, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 21 mai 1991 et modifié par la loi du 5 avril 1994, les mots "de la loi du 5 avril 1994 précitée" sont remplacés par les mots "du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013".
Art. 230. In artikel 44 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 april 1994, worden de woorden "voormelde wet van 5 april 1994" vervangen door de woorden "titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013".
Art. 230. Dans l'article 44 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 avril 1994, les mots "de la loi du 5 avril 1994 précitée" sont remplacés par les mots "du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013".
Art. 231. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2025.
CHAPITRE 3. - FACTURES DE RESPONSABILISATION DES ADMINISTRATIONS LOCALES
Afdeling 1. - Wijziging van de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage
Section 1re. - Modification de la réduction de la cotisation de responsabilisation
Art.232. In artikel 20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 2018 en 25 april 2024, wordt de tweede zin vervangen als volgt:
Art.232. Dans l'article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, modifié par les lois des 30 mars 2018 et 25 avril 2024, la deuxième phrase est remplacée comme suit:
Art. 232. In artikel 20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 2018 en 25 april 2024, wordt de tweede zin vervangen als volgt:
"Het deel van de kost voor de werkgever van het pensioenstelsel dat in mindering gebracht mag worden van de responsabiliseringsbijdrage, bedraagt 30 % voor het jaar 2024.".
"Het deel van de kost voor de werkgever van het pensioenstelsel dat in mindering gebracht mag worden van de responsabiliseringsbijdrage, bedraagt 30 % voor het jaar 2024.".
Art. 232. Dans l'article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, modifié par les lois des 30 mars 2018 et 25 avril 2024, la deuxième phrase est remplacée comme suit:
"La partie du coût pour l'employeur du régime de pension qui peut être déduite de la cotisation de responsabilisation, s'élève à 30 % pour l' année 2024.".
"La partie du coût pour l'employeur du régime de pension qui peut être déduite de la cotisation de responsabilisation, s'élève à 30 % pour l' année 2024.".
Art.233. In artikel 71, derde lid, van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels, ingevoegd bij de wet van 11 december 2023 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2024, worden de woorden "voor de jaren 2023 en 2024" vervangen door de woorden "voor de jaren 2023, 2024 en 2025".
Art.233. Dans l'article 71, l'alinéa 3, de la loi du 18 mars 2016 portant modification de la dénomination de l'Office national des pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur public, d'une partie des attributions et du personnel de la Direction générale Victimes de la Guerre, des missions "pensions" des secteurs locaux et provinciaux de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale, inséré par la loi du 11 décembre 2023 et modifié par la loi du 25 avril 2024, les mots "pour les années 2023 et 2024" sont remplacés par les mots "pour les années 2023, 2024 et 2025".
Art. 233. In artikel 71, derde lid, van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels, ingevoegd bij de wet van 11 december 2023 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2024, worden de woorden "voor de jaren 2023 en 2024" vervangen door de woorden "voor de jaren 2023, 2024 en 2025".
Art. 233. Dans l'article 71, l'alinéa 3, de la loi du 18 mars 2016 portant modification de la dénomination de l'Office national des pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur public, d'une partie des attributions et du personnel de la Direction générale Victimes de la Guerre, des missions "pensions" des secteurs locaux et provinciaux de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale, inséré par la loi du 11 décembre 2023 et modifié par la loi du 25 avril 2024, les mots "pour les années 2023 et 2024" sont remplacés par les mots "pour les années 2023, 2024 et 2025".
Art.234. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2024, met uitzondering van artikel 233 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en dat wordt toegepast bij de berekening van de aanvullende werkgeversbijdragen inzake pensioenen voor het jaar 2024.
Art.234. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2024, à l'exception de l'article 233 qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et qui s'applique lors du calcul des suppléments de cotisations patronales pensions pour l'année 2024.
Art. 234. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2024, met uitzondering van artikel 233 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en dat wordt toegepast bij de berekening van de aanvullende werkgeversbijdragen inzake pensioenen voor het jaar 2024.
Art. 234. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2024, à l'exception de l'article 233 qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et qui s'applique lors du calcul des suppléments de cotisations patronales pensions pour l'année 2024.
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 38 VAN 27 JULI 1967 HOUDENDE INRICHTING VAN HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN
CHAPITRE 1ER. - MODIFICATIONS DE L'ARRETE ROYAL N° 38 DU 27 JUILLET 1967 ORGANISANT LE STATUT SOCIAL DES TRAVAILLEURS INDEPENDANTS
Art.235. In artikel 11, § 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art.235. A l'article 11, § 3, alinéa 6, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées:
Art. 235. In artikel 11, § 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt a) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1" vervangen door de woorden "bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 13, § 2, eerste en tweede lid";
2° in punt b) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1ter" vervangen door de woorden "bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1ter en artikel 13, § 2, eerste en derde lid";
3° in punt d) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, § 1" vervangen door de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, § 1 en artikel 13, § 3";
4° in punt f) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1bis" vervangen door de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1bis en artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid".
1° in punt a) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1" vervangen door de woorden "bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 13, § 2, eerste en tweede lid";
2° in punt b) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1ter" vervangen door de woorden "bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1ter en artikel 13, § 2, eerste en derde lid";
3° in punt d) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, § 1" vervangen door de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, § 1 en artikel 13, § 3";
4° in punt f) worden de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1bis" vervangen door de woorden "bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1bis en artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid".
Art. 235. A l'article 11, § 3, alinéa 6, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° au point a), les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1er" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1er et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2";
2° au point b), les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1erter" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erter et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3";
3° au point d) les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 13, § 1er" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 13, § 1er et à l'article 13, § 3";
4° au point f) les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1erbis" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erbis et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 5".
1° au point a), les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1er" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1er et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2";
2° au point b), les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1erter" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erter et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3";
3° au point d) les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 13, § 1er" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 13, § 1er et à l'article 13, § 3";
4° au point f) les mots "à la catégorie de cotisations visée à l'article 12, § 1erbis" sont remplacés par les mots "aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erbis et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 5".
Art.237. Artikel 13 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt vervangen als volgt:
"Art. 13. § 1. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij ofwel de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en de betaling van een rustpensioen effectief verkrijgt ofwel de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer effectief verkrijgt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder wettelijke pensioenleeftijd te worden begrepen, de pensioenleeftijd zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1bis of 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 14,70 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 2. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen of een overlevingspensioen te verkrijgen of tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel een overlevingspensioen effectief verkrijgt, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht het bedrag te bereiken bedoeld bij artikel 12, § 1, tweede lid, wanneer deze dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid, worden de beroepsinkomsten van de meewerkende echtgenoot die onderworpen is aan artikel 7bis, § 1, van dit besluit geacht de helft te bereiken van 3.221,08 euro, wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het derde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene die vóór het kwartaal waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt onder toepassing viel van artikel 12, § 1bis geacht het bedrag vermeld in artikel 12, § 1bis, eerste lid, te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken en dit voor het resterende aantal kwartalen, zoals bedoeld in artikel 12, § 1bis.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het vijfde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De onderworpene is voor de kwartalen tijdens dewelke zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer volledig geschorst wordt wegens de overschrijding van de toegelaten grenzen geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 4. In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen te verkrijgen evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van § 3 te vallen.
In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel de betaling van een overlevingspensioen effectief verkrijgt evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van paragraaf 1 te vallen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
1° de aanvraagprocedure;
2° de uitwerking in de tijd van de aanvraag;
3° de wijze waarop bijdragen kunnen worden terugbetaald;
4° de voorwaarden waaronder een verzaking aan de aanvraag kan gebeuren.
§ 5. De Koning bepaalt in welke gevallen de in dit artikel bedoelde personen geacht worden alle beroepsbezigheid te hebben gestaakt.".
"Art. 13. § 1. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij ofwel de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en de betaling van een rustpensioen effectief verkrijgt ofwel de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer effectief verkrijgt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder wettelijke pensioenleeftijd te worden begrepen, de pensioenleeftijd zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1bis of 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 14,70 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 2. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen of een overlevingspensioen te verkrijgen of tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel een overlevingspensioen effectief verkrijgt, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht het bedrag te bereiken bedoeld bij artikel 12, § 1, tweede lid, wanneer deze dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid, worden de beroepsinkomsten van de meewerkende echtgenoot die onderworpen is aan artikel 7bis, § 1, van dit besluit geacht de helft te bereiken van 3.221,08 euro, wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het derde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene die vóór het kwartaal waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt onder toepassing viel van artikel 12, § 1bis geacht het bedrag vermeld in artikel 12, § 1bis, eerste lid, te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken en dit voor het resterende aantal kwartalen, zoals bedoeld in artikel 12, § 1bis.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het vijfde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De onderworpene is voor de kwartalen tijdens dewelke zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer volledig geschorst wordt wegens de overschrijding van de toegelaten grenzen geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 4. In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen te verkrijgen evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van § 3 te vallen.
In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel de betaling van een overlevingspensioen effectief verkrijgt evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van paragraaf 1 te vallen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
1° de aanvraagprocedure;
2° de uitwerking in de tijd van de aanvraag;
3° de wijze waarop bijdragen kunnen worden terugbetaald;
4° de voorwaarden waaronder een verzaking aan de aanvraag kan gebeuren.
§ 5. De Koning bepaalt in welke gevallen de in dit artikel bedoelde personen geacht worden alle beroepsbezigheid te hebben gestaakt.".
Art.237. L'article 13 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 13. § 1er. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient le paiement effectif d'une pension de retraite ou au cours duquel il obtient le paiement effectif d'une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié, l'assujetti n'est redevable d'aucune cotisation si ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Pour l'application du présent article, l'âge légal de la pension doit être compris tel que déterminé dans l'article 3, § 1er, 1erbis ou 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 14,70 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 2. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite ou d'une pension de survie ou au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient effectivement uniquement une pension de survie, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, s'ils n'atteignent pas ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues, même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros, lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 3 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti qui relevait de l'article 12, § 1erbis avant le trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la retraite, sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, si ces revenus n'atteignent pas ce montant et ce pour le nombre de trimestres restants visés à l'article 12, § 1erbis.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 5 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
§ 3. L'assujetti n'est pas redevable de cotisation pour les trimestres au cours desquels sa pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié est totalement suspendue en raison du dépassement des plafonds autorisés si ses revenus professionnels d'indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros mais n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 4. Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite, demander à tomber sous le régime de cotisation du § 3.
Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et n'obtient effectivement que le paiement d'une pension de survie, demander à tomber sous le régime de cotisation du paragraphe 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
1° la procédure de demande;
2° l'effet dans le temps de la demande;
3° la manière dont des cotisations peuvent être remboursées;
4° les conditions dans lesquelles une renonciation à la demande peut être faite.
§ 5. Le Roi détermine les cas dans lesquels les personnes visées par le présent article sont censées avoir cessé toute activité professionnelle.".
"Art. 13. § 1er. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient le paiement effectif d'une pension de retraite ou au cours duquel il obtient le paiement effectif d'une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié, l'assujetti n'est redevable d'aucune cotisation si ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Pour l'application du présent article, l'âge légal de la pension doit être compris tel que déterminé dans l'article 3, § 1er, 1erbis ou 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 14,70 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 2. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite ou d'une pension de survie ou au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient effectivement uniquement une pension de survie, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, s'ils n'atteignent pas ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues, même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros, lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 3 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti qui relevait de l'article 12, § 1erbis avant le trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la retraite, sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, si ces revenus n'atteignent pas ce montant et ce pour le nombre de trimestres restants visés à l'article 12, § 1erbis.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 5 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
§ 3. L'assujetti n'est pas redevable de cotisation pour les trimestres au cours desquels sa pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié est totalement suspendue en raison du dépassement des plafonds autorisés si ses revenus professionnels d'indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros mais n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 4. Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite, demander à tomber sous le régime de cotisation du § 3.
Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et n'obtient effectivement que le paiement d'une pension de survie, demander à tomber sous le régime de cotisation du paragraphe 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
1° la procédure de demande;
2° l'effet dans le temps de la demande;
3° la manière dont des cotisations peuvent être remboursées;
4° les conditions dans lesquelles une renonciation à la demande peut être faite.
§ 5. Le Roi détermine les cas dans lesquels les personnes visées par le présent article sont censées avoir cessé toute activité professionnelle.".
Art. 237. Artikel 13 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt vervangen als volgt:
"Art. 13. § 1. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij ofwel de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en de betaling van een rustpensioen effectief verkrijgt ofwel de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer effectief verkrijgt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder wettelijke pensioenleeftijd te worden begrepen, de pensioenleeftijd zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1bis of 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 14,70 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 2. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen of een overlevingspensioen te verkrijgen of tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel een overlevingspensioen effectief verkrijgt, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht het bedrag te bereiken bedoeld bij artikel 12, § 1, tweede lid, wanneer deze dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid, worden de beroepsinkomsten van de meewerkende echtgenoot die onderworpen is aan artikel 7bis, § 1, van dit besluit geacht de helft te bereiken van 3.221,08 euro, wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het derde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene die vóór het kwartaal waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt onder toepassing viel van artikel 12, § 1bis geacht het bedrag vermeld in artikel 12, § 1bis, eerste lid, te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken en dit voor het resterende aantal kwartalen, zoals bedoeld in artikel 12, § 1bis.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het vijfde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De onderworpene is voor de kwartalen tijdens dewelke zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer volledig geschorst wordt wegens de overschrijding van de toegelaten grenzen geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 4. In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen te verkrijgen evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van § 3 te vallen.
In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel de betaling van een overlevingspensioen effectief verkrijgt evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van paragraaf 1 te vallen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
1° de aanvraagprocedure;
2° de uitwerking in de tijd van de aanvraag;
3° de wijze waarop bijdragen kunnen worden terugbetaald;
4° de voorwaarden waaronder een verzaking aan de aanvraag kan gebeuren.
§ 5. De Koning bepaalt in welke gevallen de in dit artikel bedoelde personen geacht worden alle beroepsbezigheid te hebben gestaakt.".
"Art. 13. § 1. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij ofwel de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en de betaling van een rustpensioen effectief verkrijgt ofwel de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer effectief verkrijgt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder wettelijke pensioenleeftijd te worden begrepen, de pensioenleeftijd zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1bis of 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 14,70 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 2. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen of een overlevingspensioen te verkrijgen of tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel een overlevingspensioen effectief verkrijgt, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht het bedrag te bereiken bedoeld bij artikel 12, § 1, tweede lid, wanneer deze dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid, worden de beroepsinkomsten van de meewerkende echtgenoot die onderworpen is aan artikel 7bis, § 1, van dit besluit geacht de helft te bereiken van 3.221,08 euro, wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het derde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene die vóór het kwartaal waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt onder toepassing viel van artikel 12, § 1bis geacht het bedrag vermeld in artikel 12, § 1bis, eerste lid, te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken en dit voor het resterende aantal kwartalen, zoals bedoeld in artikel 12, § 1bis.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het vijfde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
§ 3. De onderworpene is voor de kwartalen tijdens dewelke zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer volledig geschorst wordt wegens de overschrijding van de toegelaten grenzen geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
§ 4. In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen te verkrijgen evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van § 3 te vallen.
In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel de betaling van een overlevingspensioen effectief verkrijgt evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van paragraaf 1 te vallen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
1° de aanvraagprocedure;
2° de uitwerking in de tijd van de aanvraag;
3° de wijze waarop bijdragen kunnen worden terugbetaald;
4° de voorwaarden waaronder een verzaking aan de aanvraag kan gebeuren.
§ 5. De Koning bepaalt in welke gevallen de in dit artikel bedoelde personen geacht worden alle beroepsbezigheid te hebben gestaakt.".
Art. 237. L'article 13 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 13. § 1er. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient le paiement effectif d'une pension de retraite ou au cours duquel il obtient le paiement effectif d'une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié, l'assujetti n'est redevable d'aucune cotisation si ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Pour l'application du présent article, l'âge légal de la pension doit être compris tel que déterminé dans l'article 3, § 1er, 1erbis ou 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 14,70 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 2. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite ou d'une pension de survie ou au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient effectivement uniquement une pension de survie, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, s'ils n'atteignent pas ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues, même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros, lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 3 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti qui relevait de l'article 12, § 1erbis avant le trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la retraite, sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, si ces revenus n'atteignent pas ce montant et ce pour le nombre de trimestres restants visés à l'article 12, § 1erbis.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 5 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
§ 3. L'assujetti n'est pas redevable de cotisation pour les trimestres au cours desquels sa pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié est totalement suspendue en raison du dépassement des plafonds autorisés si ses revenus professionnels d'indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros mais n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 4. Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite, demander à tomber sous le régime de cotisation du § 3.
Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et n'obtient effectivement que le paiement d'une pension de survie, demander à tomber sous le régime de cotisation du paragraphe 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
1° la procédure de demande;
2° l'effet dans le temps de la demande;
3° la manière dont des cotisations peuvent être remboursées;
4° les conditions dans lesquelles une renonciation à la demande peut être faite.
§ 5. Le Roi détermine les cas dans lesquels les personnes visées par le présent article sont censées avoir cessé toute activité professionnelle.".
"Art. 13. § 1er. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient le paiement effectif d'une pension de retraite ou au cours duquel il obtient le paiement effectif d'une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié, l'assujetti n'est redevable d'aucune cotisation si ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Pour l'application du présent article, l'âge légal de la pension doit être compris tel que déterminé dans l'article 3, § 1er, 1erbis ou 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 14,70 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 2. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite ou d'une pension de survie ou au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient effectivement uniquement une pension de survie, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, s'ils n'atteignent pas ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues, même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros, lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 3 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti qui relevait de l'article 12, § 1erbis avant le trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la retraite, sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, si ces revenus n'atteignent pas ce montant et ce pour le nombre de trimestres restants visés à l'article 12, § 1erbis.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 5 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
§ 3. L'assujetti n'est pas redevable de cotisation pour les trimestres au cours desquels sa pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié est totalement suspendue en raison du dépassement des plafonds autorisés si ses revenus professionnels d'indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros mais n'excède pas 23.330,06 euros.
§ 4. Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite, demander à tomber sous le régime de cotisation du § 3.
Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et n'obtient effectivement que le paiement d'une pension de survie, demander à tomber sous le régime de cotisation du paragraphe 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
1° la procédure de demande;
2° l'effet dans le temps de la demande;
3° la manière dont des cotisations peuvent être remboursées;
4° les conditions dans lesquelles une renonciation à la demande peut être faite.
§ 5. Le Roi détermine les cas dans lesquels les personnes visées par le présent article sont censées avoir cessé toute activité professionnelle.".
Art. 238. Artikel 13bis, § 2, van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 februari 2018, wordt vervangen als volgt:
" § 2. In geval van begin van bezigheid zoals door de Koning bepaald, betaalt de onderworpene voor het eerste kalenderkwartaal van onderwerping tot en met het laatste kalenderkwartaal van het derde volledige kalenderjaar van onderwerping en desgevallend, voor elk van de volgende kalenderkwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel 11, § 3, eerste lid, voorlopig:
1° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1;
2° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1bis;
3° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1ter;
4° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 2;
5° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12bis;
6° 14,70 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 1;
7° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid;
8° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en derde lid;
9° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid;
10° 20,50 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 3.".
" § 2. In geval van begin van bezigheid zoals door de Koning bepaald, betaalt de onderworpene voor het eerste kalenderkwartaal van onderwerping tot en met het laatste kalenderkwartaal van het derde volledige kalenderjaar van onderwerping en desgevallend, voor elk van de volgende kalenderkwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel 11, § 3, eerste lid, voorlopig:
1° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1;
2° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1bis;
3° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1ter;
4° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 2;
5° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12bis;
6° 14,70 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 1;
7° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid;
8° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en derde lid;
9° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid;
10° 20,50 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 3.".
Art. 238. L'article 13bis, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2018, est remplacé par ce qui suit:
" § 2. En cas de début d'activité au sens déterminé par le Roi, l'assujetti paie provisoirement pour le premier trimestre civil d'assujettissement jusque et y compris le dernier trimestre civil de la troisième année civile complète d'assujettissement et, le cas échéant, pour chacun des trimestres civils d'assujettissement suivants pour lesquels il n'y a pas d'année de référence au sens de l'article 11, § 3, alinéa 1er:
1° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1er;
2° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erbis;
3° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erter;
4° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 2;
5° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12bis;
6° 14,70 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 1er;
7° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2;
8° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3;
9° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 5;
10° 20,50 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 3."
" § 2. En cas de début d'activité au sens déterminé par le Roi, l'assujetti paie provisoirement pour le premier trimestre civil d'assujettissement jusque et y compris le dernier trimestre civil de la troisième année civile complète d'assujettissement et, le cas échéant, pour chacun des trimestres civils d'assujettissement suivants pour lesquels il n'y a pas d'année de référence au sens de l'article 11, § 3, alinéa 1er:
1° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1er;
2° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erbis;
3° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erter;
4° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 2;
5° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12bis;
6° 14,70 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 1er;
7° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2;
8° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3;
9° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 5;
10° 20,50 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 3."
Art. 239. In artikel 17, § 2, van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 december 2018, worden de woorden "artikelen 12, § 1, 12, § 1bis, 12, § 1ter, 12bis, § 2 en 13, § 1" vervangen door de woorden "artikelen 12, § 1, 12, § 1bis, 12, § 1ter, 12bis, § 2, en 13, §§ 1, 2 en 3".
Art. 239. Dans l'article 17, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 2 décembre 2018, les mots "articles 12, § 1er, 12, § 1bis, 12, § 1erter, 12bis, § 2 et 13, § 1er" sont remplacés par les mots "articles 12, § 1er, 12, § 1erbis, 12, § 1erter, 12bis, § 2 et 13, §§ 1er, 2 et 3".
Art. 240. In artikel 17bis, § 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, worden de woorden "artikel 13bis, § 2, 1°, a)" vervangen door de woorden "artikel 13bis, § 2, 1° ".
Art. 240. Dans l'article 17bis, § 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 1er juillet 2016, les mots "article 13bis, § 2, 1°, a)" sont remplacés par les mots "article 13bis, § 2, 1° ".
Art.241. In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art.241. A l'article 42 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
Art. 241. In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° zelfstandige:
a) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
b) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
c) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12bis, § 2, van hetzelfde besluit;
d) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid of eerste en vijfde lid van hetzelfde besluit;
e) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid of 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit;
f) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° of 9°, van hetzelfde besluit;";
2° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° meewerkende echtgenoot: de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen die:
a) de in artikel 12, §§ 1 en 1ter, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
b) de in artikel 13, § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is:
c) de in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit;
d) de in artikel 13bis, § 2, 3° of 8°, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;";
3° de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt:
"5° helper: de verzekeringsplichtige helper die bijdragen verschuldigd is zoals de zelfstandige bepaald onder 3° ;".
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° zelfstandige:
a) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
b) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
c) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12bis, § 2, van hetzelfde besluit;
d) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid of eerste en vijfde lid van hetzelfde besluit;
e) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid of 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit;
f) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° of 9°, van hetzelfde besluit;";
2° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° meewerkende echtgenoot: de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen die:
a) de in artikel 12, §§ 1 en 1ter, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
b) de in artikel 13, § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is:
c) de in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit;
d) de in artikel 13bis, § 2, 3° of 8°, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;";
3° de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt:
"5° helper: de verzekeringsplichtige helper die bijdragen verschuldigd is zoals de zelfstandige bepaald onder 3° ;".
Art. 241. A l'article 42 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° travailleur indépendant:
a) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
c) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12bis, § 2, du même arrêté;
d) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 2 ou alinéa 1er et 5, du même arrêté;
e) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2 ou 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté;
f) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° ou 9°, du même arrêté;";
2° le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° conjoint aidant: la personne visée à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui est redevable des cotisations:
a) visées à l'article 12, §§ 1er et 1erter, du même arrêté;
b) visées à l'article 13 § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté;
c) visées à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté, qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté;
d) visées à l'article 13bis, § 2, 3° ou 8°, du même arrêté;";
3° le 5° est remplacé par ce qui suit:
"5° aidant: l'aidant assujetti qui est redevable des cotisations prévues pour le travailleur indépendant visé sous 3° ;".
1° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° travailleur indépendant:
a) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
c) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12bis, § 2, du même arrêté;
d) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 2 ou alinéa 1er et 5, du même arrêté;
e) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2 ou 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté;
f) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° ou 9°, du même arrêté;";
2° le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° conjoint aidant: la personne visée à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui est redevable des cotisations:
a) visées à l'article 12, §§ 1er et 1erter, du même arrêté;
b) visées à l'article 13 § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté;
c) visées à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté, qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté;
d) visées à l'article 13bis, § 2, 3° ou 8°, du même arrêté;";
3° le 5° est remplacé par ce qui suit:
"5° aidant: l'aidant assujetti qui est redevable des cotisations prévues pour le travailleur indépendant visé sous 3° ;".
Art.242. In artikel 2 van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art.242. A l'article 2 de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
Art. 242. In artikel 2 van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
"2° zelfstandige:
a) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
b) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
c) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12bis, § 2, van hetzelfde besluit;
d) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid of eerste en vijfde lid van hetzelfde besluit;
e) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid of 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit;
f) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° of 9°, van hetzelfde besluit;";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° meewerkende echtgenoot: de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen die:
a) de in artikel 12, §§ 1 en 1ter, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
b) de in artikel 13, § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
c) de in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit;
d) de in artikel 13bis, § 2, 3° of 8°, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;";
3° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° helper: de verzekeringsplichtige helper die bijdragen verschuldigd is zoals de zelfstandige bepaald onder 2° ;".
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
"2° zelfstandige:
a) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
b) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
c) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12bis, § 2, van hetzelfde besluit;
d) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid of eerste en vijfde lid van hetzelfde besluit;
e) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid of 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit;
f) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° of 9°, van hetzelfde besluit;";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° meewerkende echtgenoot: de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen die:
a) de in artikel 12, §§ 1 en 1ter, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
b) de in artikel 13, § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
c) de in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit;
d) de in artikel 13bis, § 2, 3° of 8°, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;";
3° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° helper: de verzekeringsplichtige helper die bijdragen verschuldigd is zoals de zelfstandige bepaald onder 2° ;".
Art. 242. A l'article 2 de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° travailleur indépendant:
a) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
c) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12bis, § 2, du même arrêté;
d) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2 ou alinéas 1er et 5, du même arrêté;
e) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, ou 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté;
f) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° ou 9°, du même arrêté;";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° conjoint aidant: la personne visée à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants qui est redevable des cotisations:
a) visées à l'article 12, §§ 1er et 1erter, du même arrêté;
b) visées à l'article, 13, § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté;
c) visées à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté, qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté;
d) visées à l'article 13bis, § 2, 3° ou 8°, du même arrêté;";
3° le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° aidant: l'aidant assujetti qui est redevable des cotisations prévues pour le travailleur indépendant visé sous 2° ;".
1° le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° travailleur indépendant:
a) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
c) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12bis, § 2, du même arrêté;
d) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2 ou alinéas 1er et 5, du même arrêté;
e) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, ou 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté;
f) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° ou 9°, du même arrêté;";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° conjoint aidant: la personne visée à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants qui est redevable des cotisations:
a) visées à l'article 12, §§ 1er et 1erter, du même arrêté;
b) visées à l'article, 13, § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté;
c) visées à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté, qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté;
d) visées à l'article 13bis, § 2, 3° ou 8°, du même arrêté;";
3° le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° aidant: l'aidant assujetti qui est redevable des cotisations prévues pour le travailleur indépendant visé sous 2° ;".
Art.243. In artikel 191, § 1, 1°, van de programmawet van 26 december 2022 worden de woorden "of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2° " vervangen door de woorden "of artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, of 3° ".
Art.243. Dans l'article 191, § 1er, 1°, de la loi-programme du 26 décembre 2022, les mots "ou 13bis, § 2, 1°, 1° bis ou 2° " sont remplacés par les mots "ou 13bis, § 2, 1°, 2° ou 3° ".
HOOFDSTUK 5. - WIJZIGINGEN VAN DE WET VAN 31 MEI 2023 TOT INVOERING VAN EEN TIJDELIJK CRISISKADER OVERBRUGGINGSRECHT IN GEVAL VAN NOODSITUATIES EN TOT WIJZIGING VAN DE PROGRAMMAWET VAN 26 DECEMBER 2022
CHAPITRE 5. - MODIFICATIONS DE LA LOI DU 31 MAI 2023 INSTAURANT UN CADRE TEMPORAIRE DE CRISE DE DROIT PASSERELLE EN CAS DE SITUATIONS D'URGENCE ET MODIFIANT LA LOI-PROGRAMME DU 26 DECEMBRE 2022
Art.244. Het Nederlandstalige opschrift van de wet van 31 mei 2023 tot invoering van een tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties en tot wijziging van de programmawet van 26 december 2022 wordt vervangen als volgt:
Art.244. L'intitulé en néerlandais de la loi du 31 mai 2023 instaurant un cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence et modifiant la loi-programme du 26 décembre 2022 est remplacé par ce qui suit:
Art.245. In artikel 4 van de wet van 31 mei 2023 tot invoering van een tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties en tot wijziging van de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, " vervangen door de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ";
b) de bepaling onder 2°, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
"De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.".
a) in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, " vervangen door de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ";
b) de bepaling onder 2°, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
"De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.".
Art.245. A l'article 4 de la loi du 31 mai 2023 instaurant un cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence et modifiant la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le 2°, alinéa 1er, les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, ou 13bis, § 2, 1°, 1° bis ou 2° " sont remplacés par les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9° ";
b) le 2°, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.".
a) dans le 2°, alinéa 1er, les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, ou 13bis, § 2, 1°, 1° bis ou 2° " sont remplacés par les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9° ";
b) le 2°, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.".
Art. 245. In artikel 4 van de wet van 31 mei 2023 tot invoering van een tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties en tot wijziging van de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, " vervangen door de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ";
b) de bepaling onder 2°, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
"De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.".
a) in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, " vervangen door de woorden "artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ";
b) de bepaling onder 2°, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
"De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.".
Art. 245. A l'article 4 de la loi du 31 mai 2023 instaurant un cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence et modifiant la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le 2°, alinéa 1er, les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, ou 13bis, § 2, 1°, 1° bis ou 2° " sont remplacés par les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9° ";
b) le 2°, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.".
a) dans le 2°, alinéa 1er, les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, ou 13bis, § 2, 1°, 1° bis ou 2° " sont remplacés par les mots "aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9° ";
b) le 2°, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.".
Art.246. De artikelen van deze titel treden in werking op 1 oktober 2025 en zijn van toepassing op de bijdragen verschuldigd vanaf het vierde kwartaal van 2025.
Art.246. Les articles de ce titre entrent en vigueur le 1er octobre 2025 et sont d'application aux cotisations dues à partir du quatrième trimestre 2025.
Art. 246. De artikelen van deze titel treden in werking op 1 oktober 2025 en zijn van toepassing op de bijdragen verschuldigd vanaf het vierde kwartaal van 2025.
Art. 246. Les articles de ce titre entrent en vigueur le 1er octobre 2025 et sont d'application aux cotisations dues à partir du quatrième trimestre 2025.
Art. N1. Bijlage 1. bij de programmawet van 18 juli 2025
Art. N1. Annexe 1er à la loi-programme du 18 juillet 2025
Art. N1. Bijlage 1. bij de programmawet van 18 juli 2025
In te voegen hoofdstuk 3 bij de bijlage X van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten Voor de toepassing van dit hoofdstuk, worden verstaan onder:
- `wet van 7 mei 2017': de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik.
- `Verordening (EU) 536/2014': de Verordening (EU) 536/2014 van 16 april 2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG.
In te voegen hoofdstuk 3 bij de bijlage X van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten Voor de toepassing van dit hoofdstuk, worden verstaan onder:
- `wet van 7 mei 2017': de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik.
- `Verordening (EU) 536/2014': de Verordening (EU) 536/2014 van 16 april 2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG.
Art. N1. Annexe 1er à la loi-programme du 18 juillet 2025
Chapitre 3. à insérer à l'annexe X de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par :
- " loi du 7 mai 2017 " : la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain.
- " Règlement (UE) 536/2014 " : le Réglement (UE) No 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE
Chapitre 3. à insérer à l'annexe X de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par :
- " loi du 7 mai 2017 " : la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain.
- " Règlement (UE) 536/2014 " : le Réglement (UE) No 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE
| Bijdrageplichtig feit | Bijdrageplichtige | Bedrag |
| X.3.1. Een aanvraag tot toelating van een klinische proef waarbij België als rapporterende lidstaat optreedt, andere dan een aanvraag bedoeld in X.3.2., X.3.3., X.3.6., X.3.7. of X.3.8. | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.2. Een aanvraag tot toelating van een fase I-klinische proef waarbij België als rapporterende lidstaat optreedt | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.3. Een aanvraag tot toelating van een klinische proef met beperkte interventie, zoals bedoeld in artikel 2, paragraaf 2, 3), van de verordening (EU) 536/2014, waarbij België als rapporterende lidstaat optreedt | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.4. Een aanvraag tot toelating van een klinische proef waarbij België als betrokken lidstaat optreedt, andere dan een aanvraag bedoeld in X.3.5. | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.5. Een aanvraag tot toelating van een klinische proef met beperkte interventie, zoals bedoeld in artikel 2, paragraaf 2, 3), van de verordening (EU) 536/2014, waarbij België als betrokken lidstaat optreedt | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.6. Een aanvraag tot toelating van een mononationale klinische proef, andere dan een aanvraag bedoeld in X.3.7. of X.3.8. | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.7. Een aanvraag bedoeld in artikel 22 van de wet van 7 mei 2017 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.8. Een aanvraag tot toelating van een mononationale klinische proef met een beperkte interventie evalueert, zoals bedoeld in artikel 2, paragraaf 2, 3). van de verordening (EU) 536/2014 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.9. Een aanvraag tot een substantiële wijziging van een klinische proef overeenkomstig artikel 18 van de verordening (EU) 536/2014 of overeenkomstig artikel 22 van de verordening (EU) 536/2014 evalueert waarbij België als rapporterende Lidstaat optreedt | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 1.605,73 euro |
| X.3.10. Een aanvraag tot een substantiële wijziging van een klinische proef overeenkomstig artikel 18 van de verordening (EU) 536/2014 of overeenkomstig artikel 22 van de verordening (EU) 536/2014, waarbij België als betrokken Lidstaat optreedt | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 1.605,73 euro |
| X.3.11. Een aanvraag tot een substantiële wijziging van een klinische proef overeenkomstig artikel 22 van de verordening (EU) 536/2014 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 518,73 euro |
| X.3.12. Een aanvraag tot een willig beroep overeenkomstig artikel 48 van de wet van 7 mei 2017 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 7.677,41 euro |
| X.3.13. Een aanvraag waarbij enkel de aspecten worden geëvalueerd die vallen onder deel I of deel II van het beoordelingsrapport met betrekking tot een aanvraag tot toelating van een klinische proef bedoeld in X.3.1., X.3.2., X.3.3., X.3.4. of X.3.5., overeenkomstig artikel 11 van de verordening (EU) 536/2014 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 3.838,71 euro |
| X.3.14. Een aanvraag waarbij enkel de aspecten die vallen onder deel I of deel II van het beoordelingsrapport met betrekking tot een aanvraag tot toelating van een klinische proef bedoeld in X.3.6., X.3.7. of X.3.8. worden geëvalueerd, overeenkomstig artikel 11 van de verordening (EU) 536/2014 | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 3.838,71 euro |
| X.3.15. Aanvullende bijdrage: een aanvraag tot toelating van een klinische proef of de aanvraag tot substantiële wijziging via een versnelde procedure op verzoek van het College | Opdrachtgever van een commerciële klinische proef | 5.122,82 euro, boven op de bedragen bedoeld in X.3.1., X.3.2., X.3.3., X.3.4., X.3.5., X.3.9, X.3.10., X.3.11. of X.3.13. |
| Fait générateur | Redevable | Montant |
| X.3.1. Une demande d'autorisation d'essai clinique, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre rapporteur, autre qu'une demande visée au X.3.2., X.3.3., X.3.6., X.3.7. ou X.3.8. | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.2. Une demande d'autorisation d'essai clinique de phase I où la Belgique agit en tant qu'Etat membre rapporteur | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.3. Une demande d'autorisation d'essai clinique à faible niveau d'intervention, au sens de l'article 2, paragraphe 2, 3), du règlement (UE) 536/2014, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre rapporteur | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.4. Une demande d'autorisation d'essai clinique, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre concerné, autre qu'une demande visée au X.3.5. | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.5. Une autre demande d'autorisation d'essai clinique à faible niveau d'intervention, au sens de l'article 2, paragraphe 2, 3), du règlement (UE) 536/2014, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre concerné | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.6. Une demande d'autorisation d'essai clinique mononational, autre qu'une demande visée au X.3.7. ou au X.3.8. | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.7. Une demande visée à l'article 22 de la loi du 7 mai 2017 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.8. Une demande d'autorisation d'essai clinique mononational à faible niveau d'intervention, au sens de l'article 2, paragraphe 2, 3), du règlement (UE) 536/2014 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.9. Une demande de modification substantielle d'un essai clinique, conformément à l'article 18 du règlement (UE) 536/2014 ou conformément à l'article 22 du règlement (UE) 536/2014, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre rapporteur | Promoteur d'un essai clinique commercial | 1.605,73 euros |
| X.3.10. Une demande de modification substantielle d'un essai clinique, conformément à l'article 18 du règlement (UE) 536/2014 ou conformément à l'article 22 du règlement (UE) 536/2014, où la Belgique agit en tant qu'Etat membre concerné | Promoteur d'un essai clinique commercial | 1.605,73 euros |
| X.3.11. Une demande de modification substantielle d'un essai clinique, conformément à l'article 20 du règlement (UE) 536/2014 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 518,73 euros |
| X.3.12. Une demande en recours gracieux, conformément à l'article 48 de la loi du 7 mai 2017 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 7.677,41 euros |
| X.3.13. Une demande où uniquement les aspects relevant de la partie I ou de la partie II du rapport d'évaluation relatif à une demande d'autorisation d'essai clinique visée au X.3.1., X.3.2., X.3.3., X.3.4. ou X.3.5. sont évalués, conformément à l'article 11 du règlement (UE) 536/2014 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 3.838,71 euros |
| X.3.14. Une demande où uniquement les aspects relevant de la partie I ou de la partie II du rapport d'évaluation relatif à une demande d'autorisation d'essai clinique visée au X.3.6., X.3.7. ou X.3.8. sont évalués, conformément à l'article 11 du règlement (UE) 536/2014 | Promoteur d'un essai clinique commercial | 3.838,71 euros |
| X.3.15. Contribution supplémentaire : la demande d'autorisation d'essai clinique ou la demande de modification substantielle via une procédure accélérée à la demande du Collège. | Promoteur d'un essai clinique commercial | 5.122,82 euros, en complément des montants visés aux X.3.1., X.3.2., X.3.3., X.3.4., X.3.5., X.3.9, X.3.10., X.3.11. ou X.3.13. |
Art. N2. Bijlage 2 bij de programmawet van 18 juli 2025
Bijlage - Hoogte van de betoelaging voor de toepassing van artikel 47/2, en betalingsmodaliteiten
}Hoofdstuk I. - Hoogte van de betoelaging I.1. De vergoeding wordt bepaald op grond van het aantal aanvragen.
I.2. De vergoeding per aanvraag zijn forfaitair, en worden bepaald overeenkomstig artikel 47/2, eerste en vierde lid.
Hoofdstuk II. - Betalingsmodaliteiten II.1.1. De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu stuurt een betalingsbericht aan het FAGG binnen een termijn van 15 dagen die aanvangt op de eerste dag die volgt op het kwartaal waarop de betoelaging betrekking heeft. De betoelaging wordt om de drie maanden vastgesteld.
II.1.2. Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, duidt de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, een vaste vertegenwoordiger aan, alsmede één of meer plaatsvervangers.
II.3. Het betalingsbericht is op straffe van onontvankelijkheid ondertekend door een in II.1.2 vermelde persoon en bevat op straffe van nietigheid de volgende gegevens:
II.3.1. het aantal aanvragen voor de betrokken maand volgens de onderverdeling gemaakt bij koninklijk besluit, krachtens artikel 47/2, eerste lid en vierde lid;
II.3.2. het bedrag van de verschuldigde vergoeding;
II.3.3. het rekeningnummer waarop de betaling moet worden uitgevoerd;
II.3.4. de unieke mededeling toe te voegen aan de betaling.
II.4.1. Het FAGG voert de betaling uit binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt op de eerste dag die volgt op de ontvangst van het betalingsbericht.
Bijlage - Hoogte van de betoelaging voor de toepassing van artikel 47/2, en betalingsmodaliteiten
}Hoofdstuk I. - Hoogte van de betoelaging I.1. De vergoeding wordt bepaald op grond van het aantal aanvragen.
I.2. De vergoeding per aanvraag zijn forfaitair, en worden bepaald overeenkomstig artikel 47/2, eerste en vierde lid.
Hoofdstuk II. - Betalingsmodaliteiten II.1.1. De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu stuurt een betalingsbericht aan het FAGG binnen een termijn van 15 dagen die aanvangt op de eerste dag die volgt op het kwartaal waarop de betoelaging betrekking heeft. De betoelaging wordt om de drie maanden vastgesteld.
II.1.2. Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, duidt de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, een vaste vertegenwoordiger aan, alsmede één of meer plaatsvervangers.
II.3. Het betalingsbericht is op straffe van onontvankelijkheid ondertekend door een in II.1.2 vermelde persoon en bevat op straffe van nietigheid de volgende gegevens:
II.3.1. het aantal aanvragen voor de betrokken maand volgens de onderverdeling gemaakt bij koninklijk besluit, krachtens artikel 47/2, eerste lid en vierde lid;
II.3.2. het bedrag van de verschuldigde vergoeding;
II.3.3. het rekeningnummer waarop de betaling moet worden uitgevoerd;
II.3.4. de unieke mededeling toe te voegen aan de betaling.
II.4.1. Het FAGG voert de betaling uit binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt op de eerste dag die volgt op de ontvangst van het betalingsbericht.
Art. N2. Annexe 2 à la loi-programme du 18 juillet 2025
Annexe - Montant de la subvention pour l'application de l'article 47/2, et modalités de paiement
Chapitre Ier. - Montant de la subvention I.1. La subvention est déterminée en fonction du nombre de demandes.
I.2. Les montants par demande sont forfaitaires et sont fixés conformément à l'article 47/2, alinéa 1er et 3.
Chapitre II. - Modalités de paiement II.1.1. Le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement envoie un avis de paiement à l'AFMPS dans un délai de 15 jours à partir du premier jour suivant le trimestre auquel la subvention se rapporte. La subvention est fixée tous les trois mois.
II.1.2. En vue de l'application de ce chapitre, le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désigne un représentant permanent, ainsi qu'un ou plusieurs suppléants.
II.3. L'avis de paiement est signé par une personne mentionnée au point II.1.2 et contient les informations suivantes sous peine de nullité:
II.3.1. le nombre de demandes pour le mois concerné selon la répartition fixée conformément à l'article 47/2, alinéa 1er et 3;
II.3.2. le montant de la subvention due;
II.3.3. le numéro de compte sur lequel le paiement doit être effectué;
II.3.4. la notification unique à ajouter au paiement.
II.4.1. L'AFMPS effectue le paiement dans un délai de 30 jours à partir du premier jour suivant la réception de l'avis de paiement.
Annexe - Montant de la subvention pour l'application de l'article 47/2, et modalités de paiement
Chapitre Ier. - Montant de la subvention I.1. La subvention est déterminée en fonction du nombre de demandes.
I.2. Les montants par demande sont forfaitaires et sont fixés conformément à l'article 47/2, alinéa 1er et 3.
Chapitre II. - Modalités de paiement II.1.1. Le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement envoie un avis de paiement à l'AFMPS dans un délai de 15 jours à partir du premier jour suivant le trimestre auquel la subvention se rapporte. La subvention est fixée tous les trois mois.
II.1.2. En vue de l'application de ce chapitre, le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désigne un représentant permanent, ainsi qu'un ou plusieurs suppléants.
II.3. L'avis de paiement est signé par une personne mentionnée au point II.1.2 et contient les informations suivantes sous peine de nullité:
II.3.1. le nombre de demandes pour le mois concerné selon la répartition fixée conformément à l'article 47/2, alinéa 1er et 3;
II.3.2. le montant de la subvention due;
II.3.3. le numéro de compte sur lequel le paiement doit être effectué;
II.3.4. la notification unique à ajouter au paiement.
II.4.1. L'AFMPS effectue le paiement dans un délai de 30 jours à partir du premier jour suivant la réception de l'avis de paiement.