Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 JUNI 2025. - Wet houdende titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek
Titre
5 JUIN 2025. - Loi portant le titre 1er " Les sûretés personnelles " du livre 9 " Les sûretés " du Code civil
Documentinformatie
Numac: 2025005089
Datum: 2025-06-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2025005089
Date: 2025-06-05
Moniteur: Voir
Tekst (29)
Texte (29)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Inhoud van titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Contenu du titre 1er " Les sûretés personnelles " du livre 9 " Les sûretés " du Code civil
Art. 2. Boek 9, titel 1, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 april 2022, bevat de volgende bepalingen:
  "Boek 9. Zekerheden
  Titel 1. Persoonlijke zekerheden
  Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke regels
  Art. 9.1.1. Aanvullend recht
  De partijen kunnen afwijken van de bepalingen van deze titel, behalve indien het om definities gaat of indien de wet anders bepaalt.
  Art. 9.1.2. Definities
  Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° "persoonlijke zekerheid": verbintenis van een derde om aan een schuldeiser de betaling te waarborgen van een verbintenis van de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser;
  2° "accessoire persoonlijke zekerheid" of "borgtocht": persoonlijke zekerheid die afhankelijk is van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis;
  3° "autonome persoonlijke zekerheid" of "autonome garantie": persoonlijke zekerheid die krachtens de termen ervan niet afhankelijk is van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis;
  4° "hoofdschuldenaar": de persoon die gehouden is tot de gewaarborgde verbintenis tegenover de schuldeiser;
  5° "hoofdelijkheid tot zekerheid": de gebondenheid ten aanzien van een schuldeiser als hoofdelijke medeschuldenaar voor zover de schuld deze medeschuldenaar niet aangaat in de zin van artikel 5.164, § 1, derde lid;
  6° "zekerheid voor alle schuldvorderingen": een persoonlijke zekerheid waarvan is overeengekomen dat zij de bestaande en toekomstige verbintenissen van de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser waarborgt of die een gelijkaardige strekking heeft;
  7° "hoofdverbintenis" of "gewaarborgde verbintenis": de verbintenis die door een persoonlijke zekerheid wordt gewaarborgd;
  8° "zakelijke borgtocht": een zakelijke zekerheid gesteld voor andermans schuld;
  9° "patronaatsverklaring": al dan niet bindende toezegging door een derde dat de hoofdschuldenaar zijn verbintenis zal nakomen.
  Art. 9.1.3. Toepassingsgebied
  Dit hoofdstuk is van toepassing op alle vormen van persoonlijke zekerheid, en in het bijzonder op de accessoire persoonlijke zekerheid (borgtocht) en de autonome persoonlijke zekerheid (autonome garantie).
  Art. 9.1.4. Ontstaan
  Een persoonlijke zekerheid kan voortvloeien uit een contract, een eenzijdige wilsuiting of de wet.
  Een persoonlijke zekerheid kan betrekking hebben op om het even welke hoofdverbintenis.
  Men kan een persoonlijke zekerheid stellen zonder opdracht van de hoofdschuldenaar, en zelfs buiten zijn weten.
  Men kan een persoonlijke zekerheid stellen, niet alleen voor de hoofdschuldenaar, maar ook voor de persoon die voor hem een persoonlijke zekerheid heeft gesteld.
  Art. 9.1.5. Rechtverkrijgenden van de zekerheidssteller
  De verbintenissen van de persoonlijke zekerheidssteller gaan over op zijn erfgenamen en andere algemene rechtverkrijgenden en rechtverkrijgenden onder algemene titel.
  Art. 9.1.6. Zekere wilsuiting
  Een persoonlijke zekerheidsstelling wordt niet vermoed; de wil moet zeker zijn en mag zich niet verder uitstrekken dan de grenzen waarbinnen zij is aangegaan.
  Art. 9.1.7. Interpretatie
  In geval van twijfel over de draagwijdte van de persoonlijke zekerheidsstelling moet deze worden uitgelegd in het voordeel van de zekerheidssteller.
  Art. 9.1.8. Hoofdelijkheid tot zekerheid en sterkmaking tot uitvoering
  Niettegenstaande enig andersluidend beding is de hoofdelijkheid tot zekerheid onderworpen aan hoofdstuk 1 van deze titel en aan de artikelen 5.160 tot 5.165.
  Niettegenstaande enig andersluidend beding is de sterkmaking tot uitvoering onderworpen aan hoofdstuk 1 van deze titel en aan artikel 5.106.
  Art. 9.1.9. Solvabiliteit en bekwaamheid van de zekerheidssteller
  De hoofdschuldenaar die krachtens de wet, een gerechtelijke uitspraak of een contract verplicht is een persoonlijke zekerheid te verlenen, moet een zekerheidssteller aanbieden die bekwaam is om contracten aan te gaan en die voldoende solvabel is om de verbintenis te kunnen nakomen.
  Art. 9.1.10. Insolvabiliteit van de zekerheidssteller
  Wanneer de zekerheidssteller die door de schuldeiser is aangenomen of die de rechter hem heeft toegewezen, naderhand insolvabel is geworden, moet de hoofdschuldenaar een andere persoonlijke zekerheid verlenen.
  Deze regel lijdt slechts uitzondering in geval de zekerheid verleend is ten gevolge van een contract waarbij de schuldeiser een bepaalde persoon als zekerheidssteller heeft geëist.
  Hoofdstuk 2. Accessoire persoonlijke zekerheid (borgtocht)
  Afdeling 1. Aard en omvang van de borgtocht
  Art. 9.1.11. Vermoeden van borgtocht
  Elke persoonlijke zekerheid wordt vermoed een borgtocht te zijn, tenzij de schuldeiser aantoont dat anders is overeengekomen.
  Art. 9.1.12. Accessoir karakter
  De geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de verbintenis van de borg zijn afhankelijk van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de hoofdverbintenis.
  Art. 9.1.13. Omvang van de gewaarborgde verbintenis
  De verbintenis van de borg reikt niet verder dan de gewaarborgde verbintenis.
  De borgtocht die voor meer dan de hoofdverbintenis of onder meer bezwarende voorwaarden is aangegaan, is niet nietig; zij wordt verminderd tot wat in de hoofdverbintenis begrepen is.
  De borgtocht kan worden aangegaan voor slechts een gedeelte van de gewaarborgde verbintenis en onder minder bezwarende voorwaarden.
  Een contract tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar dat de omvang van de gewaarborgde verbintenissen vergroot, de modaliteiten ervan verzwaart of de opeisbaarheid vervroegt, aangegaan na het ontstaan van de borgtocht, laat de verbintenis van de borg onverlet, behalve in geval van een borgtocht voor alle schuldvorderingen.
  Art. 9.1.14. Excepties
  De borg kan aan de schuldeiser alle excepties die inherent zijn aan de gewaarborgde verbintenis tegenwerpen met betrekking tot het bestaan, de geldigheid, de afdwingbaarheid, de modaliteiten of het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis.
  De borg kan de persoonlijke excepties zoals de onbekwaamheid of onbevoegdheid van de hoofdschuldenaar, natuurlijke persoon of een rechtspersoon, of het niet-bestaan van de schuldenaar-rechtspersoon niet tegenwerpen indien hij hiervan op de hoogte was op het tijdstip waarop de borgtocht is aangegaan.
  De borg kan zich evenmin beroepen op een gerechtelijke kwijtschelding in het kader van een insolventieprocedure of op een respijttermijn overeenkomstig artikel 5.201.
  Art. 9.1.15. Gezag van gewijsde
  De borg kan het gezag van gewijsde inroepen van gerechtelijke beslissingen die gewezen zijn tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar.
  Art. 9.1.16. Toekomstige verbintenissen - Borgtocht voor alle schuldvorderingen
  Een borgtocht kan voor toekomstige verbintenissen worden aangegaan voor zover zij voldoende bepaalbaar zijn, dit laatste niettegenstaande enig andersluidend beding.
  Niettegenstaande enig andersluidend beding, dient een borgtocht voor alle schuldvorderingen het maximale bedrag te vermelden van de verbintenissen van de borg. Wordt geen maximumbedrag bepaald, dan is de borgtocht beperkt tot de verbintenissen die bestonden bij het aangaan van de borgtocht.
  Art. 9.1.17. Interpretatie borgtocht voor alle schuldvorderingen
  Niettegenstaande enig andersluidend beding, strekt de borgtocht voor alle schuldvorderingen zich enkel uit tot de verbintenissen die redelijk voorzienbaar waren bij het sluiten van de borgtocht.
  Een dergelijke borgtocht dekt enkel verbintenissen die ontstaan zijn uit de contracten gesloten tussen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser.
  De borgtocht wordt niet uitgebreid tot schulden van de rechtverkrijgenden van de hoofdschuldenaar of, in geval van een rechtspersoon, van deze die door de hoofdschuldenaar is opgeslorpt. De borgtocht wordt evenmin uitgebreid tot schulden die overgaan naar een hoofdschuldenaar ten gevolge van een overdracht of inbreng van een bedrijfstak.
  De borgtocht strekt zich niet uit tot schuldvorderingen van een rechtsvoorganger van de schuldeiser die zijn ontstaan voor de rechtverkrijging door die schuldeiser en op dat ogenblik niet door de borgtocht waren gedekt.
  Art. 9.1.18. Rechtverkrijgenden van de borg
  De erfgenamen en andere algemene rechtverkrijgenden en rechtverkrijgenden onder algemene titel van de borg staan enkel in voor de verbintenissen die bestaan op het ogenblik van de rechtverkrijging.
  Als de borg een natuurlijke persoon is, wordt bij diens overlijden een andersluidend beding voor niet geschreven gehouden.
  Art. 9.1.19. Opzegging van de borgtocht voor onbepaalde duur
  De borgtocht kan worden aangegaan voor een bepaalde of onbepaalde duur.
  Is de borgtocht aangegaan voor een onbepaalde duur, dan kan elke partij deze beëindigen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, niettegenstaande enig andersluidend beding. Deze opzeggingstermijn bedraagt vijfenveertig dagen, tenzij een kortere termijn is overeengekomen.
  Wanneer de borgtocht aldus wordt beëindigd, blijft de borg gehouden voor de schulden die ontstaan voor het tijdstip van het verstrijken van de opzegtermijn, ook al zijn zij nog niet opeisbaar, behoudens indien de gehoudenheid van de borg contractueel is beperkt.
  Art. 9.1.20. Omvang van de dekking
  § 1. Is de omvang van de borgtocht onbepaald, dan strekt de borgtocht zich uit tot de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom en tot de accessoria, zoals de interest en de schadevergoeding of het bedrag van schadebeding in geval van niet-nakoming door de hoofdschuldenaar.
  De gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van rechtsvervolging zijn eveneens gedekt indien de borg tijdig door de mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de gelegenheid is gesteld om deze kosten te voorkomen.
  Strekt de hoofdverbintenis tot een andere prestatie dan de betaling van een geldsom, dan geldt de borgtocht ook voor de vordering tot schadevergoeding verschuldigd wegens de niet-nakoming van die verbintenis, behoudens andersluidend beding in het voordeel van de borg.
  § 2. Is er een maximumbedrag voor de gehoudenheid van de borg bepaald, dan dekt de borgtocht binnen dit maximumbedrag de in paragraaf 1 bepaalde schuldvorderingen.
  Art. 9.1.21. Pluraliteit van borgen
  Voor zover meerdere borgen dezelfde verbintenis hebben gewaarborgd, is elke borg binnen de grenzen van zijn verbintenis tegenover de schuldeiser hoofdelijk verbonden met de andere borgen. Deze regel geldt ook indien deze borgen hun verbintenissen tot zekerheid onafhankelijk van elkaar zijn aangegaan.
  De bijkomende gevolgen van de hoofdelijkheid bedoeld in artikel 5.163 zijn niet van toepassing op de borgen die zich onafhankelijk van elkaar hebben verbonden.
  Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de zakelijke borgtocht.
  Afdeling 2. Gevolgen van de borgtocht tussen de schuldeiser en de borg
  Art. 9.1.22. Subsidiaire aard - Ingebrekestelling
  De borg is niet gehouden tot nakoming vooraleer de hoofdschuldenaar in verzuim is.
  De schuldeiser die de hoofdschuldenaar in gebreke stelt, is verplicht hiervan tegelijkertijd aan de borg kennisgeving te doen.
  Art. 9.1.23. Voorrecht van uitwinning
  De schuldeiser moet, vooraleer de nakoming te vorderen van de borg, gepaste pogingen ondernemen om voldoening te verkrijgen van de hoofdschuldenaar, behalve indien de borg zich hoofdelijk heeft verbonden.
  De schuldeiser is niet gehouden tot deze voorafgaande verplichting voor zover het klaarblijkelijk onmogelijk of buitensporig moeilijk is om voldoening van de hoofdschuldenaar te verkrijgen. Deze uitzondering geldt in het bijzonder wanneer de hoofdschuldenaar het voorwerp is van een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie of een collectieve schuldenregeling, tenzij er voor dezelfde verbintenis door de schuldenaar een zakelijke zekerheid is gesteld.
  Art. 9.1.24. Informatieplicht
  Niettegenstaande enig andersluidend beding, is de schuldeiser ertoe gehouden om de borg op diens verzoek zonder uitstel in te lichten over het bedrag van de gewaarborgde verbintenis.
  Afdeling 3. Gevolgen van de borgtocht tussen hoofdschuldenaar en borg en tussen borgen onderling
  Art. 9.1.25. Verhaalsrecht borg
  De borg kan de terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar van het bedrag dat hij aan de schuldeiser heeft betaald. Tot zekerheid daarvan is de borg, binnen de grenzen van hetgeen hij betaald heeft, gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegenover de hoofdschuldenaar, en dit niettegenstaande enig andersluidend beding.
  In geval van gedeeltelijke nakoming hebben de resterende gedeeltelijke rechten van de schuldeiser tegenover de hoofdschuldenaar voorrang op de rechten waarin de borg is gesubrogeerd.
  Krachtens de in het eerste lid bedoelde subrogatie gaan de accessoria, met inbegrip van de persoonlijke en zakelijke zekerheidsrechten, van rechtswege over op de borg, niettegenstaande enig andersluidend beding of uitsluiting van de overdraagbaarheid. Rechten tegenover andere zekerheidsstellers kunnen slechts binnen de grenzen van artikel 9.1.26 worden uitgeoefend.
  Is de hoofdschuldenaar wegens onbekwaamheid of onbevoegdheid van de hoofdschuldenaar, of het niet-bestaan dan wel de miskenning van het maatschappelijk doel van de schuldenaar-rechtspersoon niet verbonden tegenover de schuldeiser, dan kan de borg niettemin terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar ten belope van diens verrijking. Deze regel geldt ook wanneer de hoofdschuldenaar niet geldig als rechtspersoon is opgericht.
  Art. 9.1.26. Pluraliteit van borgen: onderling verhaal
  In de gevallen bedoeld in artikel 9.1.21 hebben de stellers van persoonlijke zekerheden of stellers van zakelijke zekerheden op elkaar verhaal in verhouding tot ieders aandeel.
  Het aandeel van iedere zekerheidssteller wordt bepaald door het breukdeel van het maximumrisico aangegaan door die zekerheidssteller en de som van de maximumrisico's aangegaan door alle zekerheidsstellers. Het doorslaggevende tijdstip is dat waarop de laatste zekerheid wordt gesteld.
  Bij een persoonlijke zekerheid wordt het maximumrisico bepaald door het overeengekomen maximumbedrag van de zekerheid. Werd geen maximumbedrag overeengekomen, dan geldt het bedrag van de gewaarborgde verbintenis.
  Bij een zakelijke zekerheid wordt het maximumrisico bepaald door het overeengekomen maximumbedrag van de zekerheid. Is er geen maximumbedrag overeengekomen, dan is de waarde van de tot zekerheid bezwaarde goederen bepalend.
  De voorgaande regels zijn niet van toepassing op zakelijke zekerheden gesteld door de hoofdschuldenaar en op stellers van zekerheden waarop de schuldeiser op het tijdstip waarop hij werd voldaan geen aanspraak had kunnen maken.
  Art. 9.1.27. Pluraliteit van borgen: verhaal tegenover de hoofdschuldenaar
  Niettegenstaande enig andersluidend beding kan iedere borg die een verhaalsvordering van een andere zekerheidssteller heeft voldaan de terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar van het bedrag dat hij aan de andere zekerheidssteller heeft betaald. Tot zekerheid daarvan is hij ten belope van zijn betaling gesubrogeerd in de rechten die de andere zekerheidssteller tegenover de hoofdschuldenaar heeft verkregen.
  Art. 9.1.28. Verbintenissen van de borg voor nakoming
  Vooraleer de schuldeiser te betalen, moet de borg de hoofdschuldenaar van zijn voornemen daartoe kennisgeven en bij deze informeren naar het uitstaande bedrag van de gewaarborgde verbintenis en diens excepties of tegenvorderingen.
  Komt de borg na zonder zich te informeren of laat hij na een exceptie tegen te werpen die hem door de hoofdschuldenaar is meegedeeld of hem uit andere bronnen bekend is, dan is hij tegenover de hoofdschuldenaar aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
  Niettegenstaande enig andersluidend beding, blijven de rechten van de borg tegenover de schuldeiser hierdoor onverlet.
  Art. 9.1.29. Anticipatief verhaalsrecht
  De borg kan, zelfs vooraleer hij betaald heeft, de hoofdschuldenaar in rechte aanspreken om door hem schadeloos gesteld te worden:
  1° indien hij tot betaling in rechte vervolgd wordt;
  2° indien de hoofdschuldenaar het voorwerp is van een insolventieprocedure of in staat van kennelijk onvermogen verkeert;
  3° indien de hoofdschuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen een bepaalde tijd het ontslag van zijn borgtocht te bezorgen;
  4° indien de hoofdverbintenis opeisbaar is geworden door het verstrijken van de termijn waarop zij betaalbaar was gesteld;
  5° na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbintenis geen bepaalde vervaltijd heeft, tenzij de hoofdverbintenis van dien aard is dat zij niet voor een bepaalde tijd kan vervallen.
  Afdeling 4. Tenietgaan van de borgtocht
  Art. 9.1.30. Zelfstandige gronden
  De verbintenis uit borgtocht gaat teniet door dezelfde oorzaken als de overige verbintenissen.
  Wanneer de borgtocht een uitdovende tijdsbepaling bevat om de borg aan te spreken, dan is de borg bevrijd bij het verstrijken van de termijn indien de schuldeiser daarvan binnen die termijn geen kennisgeving heeft gedaan.
  Art. 9.1.31. Schuldvermenging
  Schuldvermenging in de persoon van de hoofdschuldenaar en van zijn borg, bijvoorbeeld wanneer de ene erfgenaam wordt van de andere, doet geenszins de schuldvordering teniet van de schuldeiser tegen hem die zich heeft borg gesteld voor de borg.
  Art. 9.1.32. Verhinderde subrogatie
  Niettegenstaande enig andersluidend beding is de borg bevrijd in de mate hij door de fout van de schuldeiser niet meer in de rechten of nuttige hypotheken, pandrechten en voorrechten van die schuldeiser kan treden. Het tijdstip waarop deze rechten zijn ontstaan, is hierbij zonder belang.
  Art. 9.1.33. Inbetalinggeving
  In geval van inbetalinggeving is de borg bevrijd, al wordt het ontvangen goed naderhand tegen de schuldeiser uitgewonnen.
  Art. 9.1.34. Termijnverlenging
  Eenvoudige termijnverlenging, door de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat de borg niet. Laatstgenoemde kan in dat geval de hoofdschuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te verplichten.
  Hoofdstuk 3. Autonome persoonlijke zekerheid
  Art. 9.1.35. Toepassingsgebied
  De geldigheid, de nadere regels, de omvang en het voortbestaan van de autonome garantie zijn niet afhankelijk van de geldigheid, de nadere regels, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis.
  De autonome aard van een zekerheid komt niet in het gedrang door een louter algemene verwijzing naar een gewaarborgde verbintenis, daaronder begrepen een persoonlijke zekerheid.
  Dit hoofdstuk is ook van toepassing op stand-by kredietbrieven.
  Art. 9.1.36. Verbintenissen van de steller van de autonome garantie bij afroep van de autonome garantie
  De steller van de autonome garantie is slechts tot betaling verplicht indien het verzoek tot betaling beantwoordt aan de in de autonome garantie gestelde nadere regels. De steller van de autonome garantie mag enkel rekening houden met het verzoek tot betaling om te bepalen of dit het geval is.
  De steller van de autonome garantie moet na ontvangst van het verzoek tot betaling de opdrachtgever van de autonome garantie hiervan zonder verwijl op de hoogte brengen en meedelen of het verzoek daaraan al dan niet voldoet.
  De steller van de autonome garantie kan aan de begunstigde alle excepties tegenwerpen die hij put uit zijn verhouding met deze laatste.
  De steller van de autonome garantie kan geen excepties tegenwerpen die betrekking hebben op de gewaarborgde verbintenis of geput zijn uit zijn verhouding met de opdrachtgever van de autonome garantie of met diegene wiens verbintenissen worden gewaarborgd.
  De steller van de autonome garantie moet zonder verwijl en ten laatste binnen zeven werkdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek tot betaling, het verzoek uitvoeren of de begunstigde op de hoogte brengen van zijn weigering en de redenen hiervan.
  De steller van de autonome garantie is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet nakomen van de verplichtingen van dit artikel.
  Art. 9.1.37. Manifest abusief of bedrieglijk verzoek
  De steller van de autonome garantie weigert een verzoek tot betaling indien in zijnen hoofde onmiddellijk blijkt dat het verzoek manifest abusief of bedrieglijk is.
  In een dergelijk geval mag diegene die opdracht tot de autonome garantie gaf of wiens verbintenissen worden gewaarborgd, de nakoming door de steller van de autonome garantie of een verzoek daartoe door de begunstigde verbieden.
  Art. 9.1.38. Recht op terugvordering van de steller van de autonome garantie
  De steller van de autonome garantie is gerechtigd om wat de begunstigde heeft ontvangen van deze laatste terug te vorderen indien het verzoek tot betaling niet beantwoordde aan de voorwaarden van de autonome garantie.
  Art. 9.1.39. Termijn
  Indien rechtstreeks of onrechtstreeks een termijn werd bepaald, neemt de verbintenis van de steller van de autonome garantie een einde bij het verstrijken ervan.
  Ieder verzoek tot betaling moet, om geldig te zijn, de steller van de autonome garantie bereiken voor het verstrijken van de termijn.
  Werd geen termijn bepaald, dan is de autonome garantie opzegbaar met inachtneming van een redelijke opzegtermijn.
  Art. 9.1.40. Overdracht
  De overdracht van de gewaarborgde verbintenis heeft niet de overdracht van een autonome garantie tot gevolg.
  Een autonome garantie kan niet worden overgedragen aan een andere begunstigde.
  Na afroep van de autonome garantie kan de schuldvordering tot betaling worden overgedragen of verpand.
  Art. 9.1.41. Rechten van de steller van de autonome garantie na nakoming
  De steller van de autonome garantie kan van de opdrachtgever van de autonome garantie alle sommen terugvorderen die hij heeft betaald overeenkomstig artikel 9.1.36, eerste lid. Tot zekerheid daarvan is de steller van de autonome garantie binnen de grenzen van hetgeen hij betaald heeft, gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegenover de schuldenaar.
  Hoofdstuk 4. Persoonlijke zekerheid gesteld door een consument
  Art. 9.1.42. Toepassingsgebied
  Dit hoofdstuk is van toepassing wanneer een persoonlijke zekerheid wordt gesteld door een consument.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk is een consument te begrijpen in de zin van artikel I.1, 2°, van het Wetboek van economisch recht. Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, is dit hoofdstuk niet van toepassing op de zekerheidssteller indien deze zekerheidssteller een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.
  Dit hoofdstuk is niet van toepassing indien de schuldeiser optreedt buiten zijn beroepsactiviteit, met uitzondering van de artikelen 9.1.46, eerste, tweede en vijfde lid, 9.1.47 en 9.1.50.
  Art. 9.1.43. Toepasselijke regels
  Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden voor een persoonlijke zekerheid binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk de regels van de hoofdstukken 1 en 2.
  Een consument kan geen andere persoonlijke zekerheid verlenen dan een borgtocht. Indien een consument een autonome garantie, sterkmaking tot uitvoering, bindende patronaatsverklaring of hoofdelijkheid tot zekerheid stelt, wordt deze van rechtswege omgezet in een borgtocht.
  Men kan niet afwijken ten nadele van een zekerheidssteller van de regels van dit hoofdstuk, noch van de artikelen 9.1.12, 9.1.13, eerste en vierde lid, 9.1.14, eerste en tweede lid, 9.1.15, 9.1.21, 9.1.22, 9.1.29 en 9.1.32.
  De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidssteller op het ogenblik van de zekerheidsstelling geen consument is in de zin van artikel 9.1.42.
  Na advies van de bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen bedoeld in de artikelen VI.86 en VI.87 van het Wetboek van economisch recht, kan de Koning bepalen welke vermeldingen moeten voorkomen in het contract, alsook de informatie met betrekking tot de hoofdverbintenis die het voorwerp uitmaakt van de borgtocht.
  Art. 9.1.44. Precontractuele informatieplicht van de schuldeiser
  Vooraleer een zekerheid wordt gesteld, moet de schuldeiser de beoogde zekerheidssteller de in artikel 5.16 bedoelde informatie verstrekken en deze meer bepaald inlichten over de omvang van de gewaarborgde schuldvordering, het algemene gevolg van de beoogde zekerheid en de bijzondere risico's waaraan de zekerheidssteller volgens de voor de schuldeiser toegankelijke informatie kan zijn blootgesteld in het licht van de financiële situatie van de hoofdschuldenaar.
  De schending van de informatieplicht wordt gesanctioneerd overeenkomstig artikel 5.17.
  Het bewijs van de nakoming van deze informatieplicht is ten laste van de schuldeiser.
  Art. 9.1.45. Vormvereisten
  Op straffe van nietigheid moet de zekerheidsstelling het voorwerp uitmaken van een geschrift dat te onderscheiden is van het hoofdcontract, waaruit de toestemming van de zekerheidssteller blijkt.
  Art. 9.1.46. Dekking
  De persoonlijke zekerheid voor toekomstige schuldvorderingen is beperkt tot de schuldvorderingen die ontstaan uit een contract dat bestaat op het ogenblik dat de zekerheidssteller zich verbindt en dat precies in de zekerheidsstelling is aangeduid.
  Het contract waarvan de schuldvorderingen zijn gewaarborgd, kan geen raamcontract als bedoeld in artikel 5.9 vormen. Het contract waarvan de schuldvorderingen zijn gewaarborgd, kan een uitvoeringscontract, dat reeds bestaat op het ogenblik van de zekerheidsstelling, van een raamcontract zijn.
  De persoonlijke zekerheid wordt toegestaan voor een bepaald maximumbedrag, dat in de zekerheidsstelling precies wordt bepaald.
  De gehoudenheid van de borg dekt de borgtocht binnen dit maximumbedrag voor de in artikel 9.1.20, § 2, bedoelde schuldvorderingen.
  De accessoria waartoe de persoonlijke zekerheidssteller is gehouden, mogen niet groter zijn dan 50 % van de hoofdsom op het ogenblik dat de schuldeiser de borg aanspreekt.
  Art. 9.1.47. Kennelijke wanverhouding
  Een persoonlijke zekerheid dient in verhouding te staan tot het vermogen en de inkomsten van de zekerheidssteller.
  In geval van een kennelijke wanverhouding ten tijde van het aangaan van de verbintenis, wordt de verbintenis van de zekerheidssteller herleid tot het bedrag dat hij kan voldoen op het ogenblik van de zekerheidsstelling.
  De bewijslast van de kennelijke wanverhouding berust bij de persoonlijke zekerheidssteller.
  Art. 9.1.48. Verplichting van de schuldeiser tot jaarlijkse informatie
  De schuldeiser moet de zekerheidssteller jaarlijks informeren over de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom, interest en andere accessoire verbintenissen verschuldigd door de hoofdschuldenaar op de dag van de informatie.
  De schuldeiser is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet of het laattijdig nakomen van deze informatieplicht.
  Art. 9.1.49. Informatieplicht in geval van niet-nakoming
  De schuldeiser moet zonder onnodig uitstel de zekerheidssteller informeren over de niet-nakoming door de hoofdschuldenaar en over een uitstel van opeisbaarheid. De kennisgeving moet inlichtingen bevatten over het bedrag van de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom, interest en andere accessoire verbintenissen verschuldigd door de hoofdschuldenaar op de dag van de kennisgeving. Een bijkomende kennisgeving van een nieuwe achterstal in nakoming is niet vereist vooraleer drie maanden zijn verstreken sinds de vorige kennisgeving. De kennisgeving is niet vereist indien de niet-nakoming uitsluitend accessoire verbintenissen van de hoofdschuldenaar betreft, tenzij het totale bedrag van alle niet-nagekomen gewaarborgde verbintenissen vijf ten honderd van het uitstaande bedrag van de gewaarborgde verbintenis heeft bereikt.
  De schuldeiser is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet of laattijdig doen van de door dit artikel bedoelde kennisgeving.
  Art. 9.1.50. Erfgenamen
  De verbintenissen van de erfgenamen van een persoonlijke zekerheidssteller zijn beperkt tot het erfdeel dat aan elk van hen toekomt.
  Hoofdstuk 5. Wettelijke borgtocht en gerechtelijke borgtocht
  Art. 9.1.51. Voorwaarden
  Wanneer iemand krachtens de wet of krachtens een rechterlijke beslissing verplicht is een borg te verlenen, moet de aangeboden borg voldoen aan de bij de artikelen 9.1.9 en 9.1.10 bedoelde vereisten.
  Art. 9.1.52. Vervangende zekerheid
  Hij die geen borg kan vinden, is gerechtigd een zakelijke zekerheid met een toereikend onderpand in de plaats te geven.
  Art. 9.1.53. Voorrecht van uitwinning
  Artikel 9.1.23 is niet van toepassing op de gerechtelijke borg.
  Art. 9.1.54. Achterborg
  Hij die zich enkel voor een gerechtelijke borg heeft borg gesteld, kan noch van de hoofdschuldenaar, noch van de borg de uitwinning vorderen.".
Art. 2. Le livre 9, titre 1er, du Code civil créé par l'article 2 de la loi du 13 avril 2019 portant création d'un Code civil et y insérant un livre 8 "La preuve", modifié par la loi du 28 avril 2022, comprend les dispositions suivantes:
  "Livre 9. Les sûretés
  Titre 1er. Les sûretés personnelles
  Chapitre 1er. Règles communes
  Art. 9.1.1. Droit supplétif
  Les parties peuvent déroger aux dispositions du présent titre, sauf s'il s'agit de définitions ou si la loi en dispose autrement.
  Art. 9.1.2. Définitions
  Pour l'application du présent titre, on entend par:
  1° "sûreté personnelle": l'obligation d'un tiers de garantir à un créancier le paiement d'une obligation du débiteur principal à l'égard du créancier;
  2° "sûreté personnelle accessoire" ou "cautionnement": une sûreté personnelle qui dépend de la validité, des modalités, de l'étendue et du maintien de l'existence de l'obligation garantie;
  3° "sûreté personnelle autonome" ou "garantie autonome": une sûreté personnelle qui, en vertu de ses termes, ne dépend pas de la validité, des modalités, de l'étendue et du maintien de l'existence de l'obligation garantie;
  4° "débiteur principal": la personne qui est tenue à l'obligation garantie envers le créancier;
  5° "solidarité à titre de sûreté": le fait d'être lié à l'égard d'un créancier comme codébiteur solidaire pour autant que la dette ne concerne pas ce codébiteur au sens de l'article 5.164, § 1er, alinéa 3;
  6° "sûreté pour toutes créances": une sûreté personnelle quant à laquelle il est convenu qu'elle garantit les obligations actuelles et futures du débiteur principal envers le créancier ou qui a une portée équivalente;
  7° "obligation principale" ou "obligation garantie": l'obligation qui est garantie par une sûreté personnelle;
  8° "cautionnement réel": une sûreté réelle constituée pour la dette d'autrui;
  9° "lettre de patronage": une manifestation de volonté, contraignante ou non, d'un tiers quant au fait que le débiteur principal exécutera son obligation.
  Art. 9.1.3. Champ d'application
  Le présent chapitre s'applique à toutes les formes de sûreté personnelle, et en particulier à la sûreté personnelle accessoire (cautionnement) et à la sûreté personnelle autonome (garantie autonome).
  Art. 9.1.4. Naissance
  Une sûreté personnelle peut résulter d'un contrat, d'une manifestation unilatérale de volonté ou de la loi.
  Une sûreté personnelle peut porter sur toute obligation principale.
  On peut constituer une sûreté personnelle sans ordre du débiteur principal, et même à son insu.
  On peut constituer une sûreté personnelle non seulement pour le débiteur principal, mais encore pour celui qui a constitué une sûreté personnelle pour lui.
  Art. 9.1.5. Ayants droit du constituant de la sûreté
  Les obligations du constituant d'une sûreté personnelle se transmettent à ses héritiers et autres ayants droit universels ou à titre universel.
  Art. 9.1.6. Manifestation de volonté certaine
  La constitution d'une sûreté personnelle ne se présume pas; la volonté doit être certaine et ne peut être étendue au-delà des limites dans lesquelles elle a été consentie.
  Art. 9.1.7. Interprétation
  En cas de doute sur sa portée, la constitution d'une sûreté personnelle s'interprète en faveur du constituant de la sûreté.
  Art. 9.1.8. Solidarité à titre de sûreté et porte-fort d'exécution
  Nonobstant toute clause contraire, la solidarité à titre de sûreté est soumise au chapitre 1er du présent titre et aux articles 5.160 à 5.165.
  Nonobstant toute clause contraire, le porte-fort d'exécution est soumis au chapitre 1er du présent titre et à l'article 5.106.
  Art. 9.1.9. Solvabilité et capacité du constituant de la sûreté
  Le débiteur principal obligé, en vertu de la loi, d'une décision judiciaire ou d'une convention, de fournir une sûreté personnelle doit proposer un constituant de sûreté qui ait la capacité de contracter et qui soit suffisamment solvable pour pouvoir exécuter l'obligation.
  Art. 9.1.10. Insolvabilité du constituant de la sûreté
  Lorsque le constituant de la sûreté, accepté par le créancier ou désigné pour lui en justice, est ensuite devenu insolvable, le débiteur principal doit fournir une autre sûreté personnelle.
  Cette règle ne reçoit exception que dans le cas où la sûreté a été fournie en vertu d'un contrat par lequel le créancier a exigé une personne déterminée comme constituant de la sûreté.
  Chapitre 2. La sûreté personnelle accessoire (cautionnement)
  Section 1re. La nature et l'étendue du cautionnement
  Art. 9.1.11. Présomption de cautionnement
  Une sûreté personnelle est présumée être un cautionnement, à moins que le créancier n'établisse qu'il en a été convenu autrement.
  Art. 9.1.12. Caractère accessoire
  La validité, les modalités, l'étendue et le maintien de l'existence de l'obligation de la caution dépendent de la validité, des modalités, de l'étendue et du maintien de l'existence de l'obligation principale.
  Art. 9.1.13. Etendue de l'obligation garantie
  L'obligation de la caution n'excède pas l'obligation garantie.
  Le cautionnement qui excède l'obligation principale ou qui est constitué sous des conditions plus onéreuses n'est pas nul; il est réduit à la mesure de l'obligation principale.
  Le cautionnement peut être constitué pour une partie de l'obligation garantie seulement, et sous des conditions moins onéreuses.
  Un contrat entre le créancier et le débiteur principal qui augmente l'étendue des obligations garanties, en alourdit les modalités ou en anticipe l'exigibilité et qui a été conclu après la naissance du cautionnement n'affecte pas l'obligation de la caution, sauf en cas de cautionnement pour toutes créances.
  Art. 9.1.14. Exceptions
  La caution peut opposer au créancier toutes les exceptions inhérentes à l'obligation garantie en ce qui concerne l'existence, la validité, le caractère contraignant, les modalités ou le maintien de l'existence de l'obligation garantie.
  La caution ne peut pas opposer les exceptions personnelles telles que l'incapacité ou l'absence de pouvoir du débiteur principal, personne physique ou morale, ou l'inexistence du débiteur-personne morale, si elle en avait connaissance au moment où le cautionnement a été constitué.
  La caution ne peut pas davantage se prévaloir d'une remise judiciaire dans le cadre d'une procédure d'insolvabilité ou d'un délai de grâce conformément à l'article 5.201.
  Art. 9.1.15. Autorité de la chose jugée
  La caution peut invoquer l'autorité de la chose jugée de décisions judiciaires rendues entre le créancier et le débiteur principal.
  Art. 9.1.16. Obligations futures - Cautionnement pour toutes créances
  Un cautionnement peut être constitué pour des obligations futures, pour autant, nonobstant toute clause contraire, qu'elles soient suffisamment déterminables.
  Nonobstant toute clause contraire, un cautionnement pour toutes créances doit indiquer le montant maximal des obligations de la caution. S'il n'est pas fixé de montant maximal, le cautionnement est limité aux obligations qui existaient lorsque le cautionnement a été constitué.
  Art. 9.1.17. Interprétation du cautionnement pour toutes créances
  Nonobstant toute clause contraire, un cautionnement pour toutes créances ne couvre que les obligations qui étaient raisonnablement prévisibles lors de sa constitution.
  Un tel cautionnement couvre uniquement des obligations qui sont nées des contrats conclus entre le débiteur principal et le créancier.
  Le cautionnement ne s'étend pas aux dettes des ayants droit du débiteur principal ou, dans le cas d'une personne morale, de la personne qui a été absorbée par le débiteur principal. Le cautionnement ne s'étend pas non plus aux dettes transmises au débiteur principal à l'occasion de la cession ou de l'apport d'une branche d'activité.
  Le cautionnement ne s'étend pas aux créances d'un auteur du créancier qui sont nées avant la transmission des droits à ce créancier et qui, à ce moment, n'étaient pas couvertes par le cautionnement.
  Art. 9.1.18. Ayants droit de la caution
  Les héritiers et autres ayants droit universels ou à titre universel de la caution ne répondent que des obligations qui existent au moment de la transmission.
  Si la caution est une personne physique, toute clause contraire est réputée non écrite en cas de décès de celle-ci.
  Art. 9.1.19. Résiliation du cautionnement à durée indéterminée
  Le cautionnement peut être constitué pour une durée déterminée ou indéterminée.
  Si le cautionnement a été constitué pour une durée indéterminée, chaque partie peut y mettre fin moyennant un délai de préavis raisonnable, nonobstant toute clause contraire. Ce délai de préavis est de quarante-cinq jours, à moins qu'un délai plus court n'ait été convenu.
  Lorsqu'il est ainsi mis fin au cautionnement, la caution reste tenue des dettes qui naissent avant le moment de l'expiration du délai de préavis, même si elles ne sont pas encore exigibles, sauf si l'obligation de la caution est limitée contractuellement.
  Art. 9.1.20. Etendue de la couverture
  § 1er. Si l'étendue du cautionnement est indéterminée, le cautionnement s'étend à l'obligation garantie en principal et aux accessoires, comme les intérêts et les dommages-intérêts ou le montant d'une clause indemnitaire en cas d'inexécution par le débiteur principal.
  Les frais de poursuite judiciaires et extrajudiciaires sont également couverts si la caution a eu la possibilité d'éviter ces frais, en étant avertie à temps de l'intention d'engager les poursuites.
  Si l'obligation principale porte sur une autre prestation que le paiement d'une somme d'argent, le cautionnement vaut également pour la demande des dommages-intérêts dus en raison de l'inexécution de cette obligation, sauf clause contraire en faveur de la caution.
  § 2. Si un montant maximal a été déterminé pour l'obligation de la caution, le cautionnement couvre les créances visées au paragraphe 1er dans les limites de ce montant maximal.
  Art. 9.1.21. Pluralité de cautions
  Si plusieurs cautions ont garanti la même obligation, chaque caution est tenue solidairement avec les autres cautions dans les limites de son obligation envers le créancier. Cette règle s'applique également lorsque ces cautions ont contracté leurs obligations de sûreté indépendamment les unes des autres.
  Les effets secondaires de la solidarité prévus à l'article 5.163 ne s'appliquent pas aux cautions qui ont pris leurs engagements indépendamment les unes des autres.
  L'alinéa 1er s'applique par analogie au cautionnement réel.
  Section 2. Les effets du cautionnement entre le créancier et la caution
  Art. 9.1.22. Nature subsidiaire - Mise en demeure
  La caution n'est pas tenue à l'exécution avant que le débiteur principal soit en demeure.
  Le créancier qui met en demeure le débiteur principal est tenu d'en faire la notification en même temps à la caution.
  Art. 9.1.23. Bénéfice de discussion
  Avant de demander l'exécution à la caution, le créancier doit tenter de manière appropriée de l'obtenir du débiteur principal, sauf si la caution s'est obligée solidairement.
  Le créancier n'est pas tenu à cette obligation préalable dans la mesure où il est manifestement impossible ou excessivement difficile d'obtenir le paiement du débiteur principal. Cette exception s'applique en particulier lorsque le débiteur principal fait l'objet d'une faillite, d'une réorganisation judiciaire ou d'un règlement collectif de dettes, sauf si une sûreté réelle a été constituée par le débiteur pour la même obligation.
  Art. 9.1.24. Devoir d'information
  Nonobstant toute clause contraire, le créancier est tenu, à la demande de la caution, de l'informer sans délai du montant de l'obligation garantie.
  Section 3. Les effets du cautionnement entre le débiteur principal et la caution et entre les cautions
  Art. 9.1.25. Droit de recours de la caution
  La caution peut demander au débiteur principal le remboursement du montant qu'elle a payé au créancier. En garantie de ce recours, la caution est, dans les limites de ce qu'elle a payé, subrogée dans les droits du créancier envers le débiteur principal, et ce, nonobstant toute clause contraire.
  En cas de paiement partiel, les droits partiels restants du créancier envers le débiteur principal ont priorité sur les droits dans lesquels la caution est subrogée.
  En vertu de la subrogation visée à l'alinéa 1er, les accessoires, en ce compris les droits de sûreté personnelle et réelle, sont transmis de plein droit à la caution, nonobstant toute clause contraire ou exclusion de la cessibilité. Les droits envers d'autres constituants de sûreté ne peuvent être exercés que dans les limites de l'article 9.1.26.
  Si le débiteur principal n'est pas tenu envers le créancier pour cause d'incapacité ou absence de pouvoir ou de l'inexistence ou de la méconnaissance de l'objet social de la personne morale débitrice, la caution peut néanmoins réclamer remboursement au débiteur principal à concurrence de l'enrichissement de ce dernier. Cette règle s'applique également si le débiteur principal n'est pas valablement constitué en personne morale.
  Art. 9.1.26. Pluralité de cautions: recours mutuel
  Dans les cas visés à l'article 9.1.21, les constituants de sûretés personnelles ou les constituants de sûretés réelles ont un recours les uns contre les autres proportionnellement à la part de chacun.
  La part de chaque constituant de sûreté est définie par le rapport du risque maximal convenu par ce constituant et de la somme des risques maximaux convenus par tous les constituants. Le moment déterminant est celui de la constitution de la dernière sûreté.
  En cas de sûreté personnelle, le risque maximal est déterminé par le montant maximal convenu de la sûreté. S'il n'a pas été convenu de montant maximal, le montant de l'obligation garantie est pris en compte.
  En cas de sûreté réelle, le risque maximal est déterminé par le montant maximal convenu de la sûreté. S'il n'a pas été convenu de montant maximal, la valeur des biens grevés d'une sûreté est prise en compte.
  Les règles qui précèdent ne s'appliquent pas aux sûretés réelles constituées par le débiteur principal ni aux constituants de sûretés sur lesquelles le créancier n'aurait pas pu exercer de prétention au moment où il a été payé.
  Art. 9.1.27. Pluralité de cautions: recours contre le débiteur principal
  Nonobstant toute clause contraire, chaque caution qui a satisfait à un recours d'un autre constituant de sûreté peut demander au débiteur principal le remboursement du montant qu'elle a payé à l'autre constituant de sûreté. En garantie de ce recours, la caution est, dans les limites de ce qu'elle a payé, subrogée dans les droits que l'autre constituant de sûreté a acquis à l'encontre du débiteur principal.
  Art. 9.1.28. Obligations de la caution avant le paiement
  Avant de payer le créancier, la caution doit notifier au débiteur principal son intention d'y procéder et s'informer auprès de celui-ci de l'encours de l'obligation garantie et de ses exceptions ou demandes reconventionnelles.
  Si la caution paye sans s'informer ou si elle omet d'opposer une exception qui lui a été communiquée par le débiteur principal ou qui lui est connue par d'autres sources, elle est responsable envers le débiteur principal du préjudice qui en a résulté.
  Nonobstant toute clause contraire, les droits de la caution envers le créancier n'en sont pas affectés.
  Art. 9.1.29. Droit de recours anticipé
  La caution peut, même avant d'avoir payé, agir contre le débiteur principal pour être par lui indemnisée:
  1° lorsqu'elle est poursuivie en justice pour le paiement;
  2° lorsque le débiteur principal fait l'objet d'une procédure d'insolvabilité ou est en déconfiture;
  3° lorsque le débiteur principal s'est obligé de lui rapporter sa décharge dans un certain délai;
  4° lorsque l'obligation principale est devenue exigible par l'échéance du terme sous lequel elle avait été contractée;
  5° au bout de dix années, lorsque l'obligation principale n'a pas de terme fixe d'échéance, à moins que l'obligation principale ne soit pas de nature à pouvoir être éteinte avant un temps déterminé.
  Section 4. L'extinction du cautionnement
  Art. 9.1.30. Causes d'extinction autonomes
  L'obligation qui résulte du cautionnement s'éteint par les mêmes causes que les autres obligations.
  Lorsque le cautionnement est affecté d'un terme extinctif pour agir contre la caution, la caution est libérée à l'échéance du délai si le créancier n'a pas fait de notification à cet effet dans ce délai.
  Art. 9.1.31. Confusion
  La confusion qui s'opère dans la personne du débiteur principal et de sa caution, par exemple lorsque l'un devient l'héritier de l'autre, n'éteint pas l'action du créancier contre celui qui s'est constitué caution de la caution.
  Art. 9.1.32. Subrogation empêchée
  Nonobstant toute clause contraire, la caution est déchargée dans la mesure où elle ne peut plus être subrogée dans les droits ou hypothèques, gages et privilèges utiles du créancier par la faute de celui-ci. A cet égard, le moment auquel ces droits sont nés n'importe pas.
  Art. 9.1.33. Dation en paiement
  En cas de dation en paiement, la caution est déchargée, encore que le créancier vienne à être évincé du bien reçu.
  Art. 9.1.34. Prorogation de terme
  La simple prorogation de terme, accordée par le créancier au débiteur principal, ne décharge pas la caution. Cette dernière peut, en ce cas, poursuivre le débiteur principal pour le forcer au paiement.
  Chapitre 3. La sûreté personnelle autonome
  Art. 9.1.35. Champ d'application
  La validité, les modalités, l'étendue et le maintien de l'existence de la garantie autonome ne dépendent pas de la validité, des modalités, de l'étendue et du maintien de l'existence de l'obligation garantie.
  La nature autonome d'une sûreté n'est pas affectée par une référence purement générale à une obligation garantie, y compris une sûreté personnelle.
  Le présent chapitre s'applique également à la lettre de crédit documentaire.
  Art. 9.1.36. Obligations du constituant de la garantie autonome lors de l'appel à la garantie autonome
  Le constituant d'une garantie autonome n'est tenu de payer que si la demande de paiement est conforme aux modalités fixées dans la garantie autonome. Le constituant de la garantie autonome ne peut tenir compte que de la demande de paiement pour déterminer si tel est le cas.
  Après réception de la demande de paiement, le constituant d'une garantie autonome doit sans délai en informer la partie qui lui a donné instruction d'émettre la garantie et préciser si la demande est conforme ou non.
  Le constituant de la garantie autonome peut opposer au bénéficiaire toutes les exceptions qu'il tire de sa relation avec ce dernier.
  Le constituant de la garantie autonome ne peut pas opposer d'exceptions relatives à l'obligation garantie ou tirées de sa relation avec la partie qui lui a donné instruction d'émettre la garantie ou avec celui dont les obligations sont garanties.
  Le constituant de la garantie autonome doit, sans délai et au plus tard dans les sept jours ouvrables après réception d'une demande écrite de paiement, s'exécuter conformément à la demande ou informer le bénéficiaire de son refus et des raisons de celui-ci.
  Le constituant de la garantie autonome est responsable du dommage causé par l'inexécution des obligations prévues au présent article.
  Art. 9.1.37. Demande manifestement abusive ou frauduleuse
  Le constituant de la garantie autonome refuse une demande de paiement s'il lui apparaît immédiatement que cette demande est manifestement abusive ou frauduleuse.
  Dans un tel cas, la partie qui a donné instruction d'émettre la garantie autonome ou dont les obligations sont garanties peut interdire l'exécution par le constituant de la garantie ou interdire une demande d'exécution par le bénéficiaire de la garantie.
  Art. 9.1.38. Droit de récupération du constituant de la garantie autonome
  Le constituant de la garantie autonome a le droit de récupérer auprès du bénéficiaire ce qui a été reçu par celui-ci si la demande de paiement ne répondait pas aux conditions de la garantie autonome.
  Art. 9.1.39. Délai
  Si un délai a, directement ou indirectement, été fixé, l'obligation du constituant de la garantie autonome prend fin à l'expiration de ce délai.
  Toute demande de paiement doit, pour être valable, parvenir au constituant de la garantie autonome avant l'expiration du délai.
  Si aucun délai n'a été fixé, la garantie autonome peut être résiliée moyennant un délai de préavis raisonnable.
  Art. 9.1.40. Cession
  La cession de l'obligation garantie n'a pas pour conséquence la cession de la garantie autonome.
  Une garantie autonome ne peut pas être cédée à un autre bénéficiaire.
  Après l'appel de la garantie autonome, la créance en paiement peut être cédée ou donnée en gage.
  Art. 9.1.41. Droits du constituant de la garantie autonome après exécution
  Le constituant de la garantie autonome peut réclamer à la partie qui lui a donné instruction d'émettre la garantie autonome le remboursement de toutes les sommes qu'il a payées conformément à l'article 9.1.36, alinéa 1er. En garantie de ce recours, le constituant de la garantie autonome est, dans les limites de ce qu'il a payé, subrogé dans les droits du créancier envers le débiteur.
  Chapitre 4. La sûreté personnelle constituée par un consommateur
  Art. 9.1.42. Champ d'application
  Le présent chapitre s'applique lorsqu'une sûreté personnelle est constituée par un consommateur.
  Aux fins du présent chapitre, un consommateur doit être entendu au sens de l'article I.1, 2°, du Code de droit économique. Si le débiteur principal est une personne morale, le présent chapitre ne s'applique pas au constituant de la sûreté lorsque celui-ci peut influencer substantiellement la prise de décision de cette personne morale.
  Le présent chapitre ne s'applique pas si le créancier agit en dehors de son activité professionnelle, à l'exception des articles 9.1.46, alinéas 1er, 2 et 5, 9.1.47 et 9.1.50.
  Art. 9.1.43. Règles applicables
  Sauf disposition contraire dans le présent chapitre, les règles des chapitres 1er et 2 s'appliquent aux sûretés personnelles comprises dans le champ d'application du présent chapitre.
  Un consommateur ne peut pas accorder une autre sûreté personnelle qu'un cautionnement. Si un consommateur consent une garantie autonome, un porte-fort d'exécution, une lettre de patronage contraignante ou une solidarité à titre de sûreté, celui-ci est converti de plein droit en un cautionnement.
  Il ne peut être dérogé, en défaveur du constituant de la sûreté, aux règles du présent chapitre, ni aux articles 9.1.12, 9.1.13, alinéas 1er et 4, 9.1.14, alinéas 1er et 2, 9.1.15, 9.1.21, 9.1.22, 9.1.29 et 9.1.32.
  Il incombe au créancier de prouver que le constituant de la sûreté n'est, au moment de la constitution de la sûreté, pas un consommateur au sens de l'article 9.1.42.
  Après avis de la Commission consultative spéciale Clauses abusives visée aux articles VI.86 et VI.87 du Code de droit économique, le Roi peut déterminer les mentions qui doivent figurer dans le contrat, ainsi que les informations relatives à l'obligation principale qui est l'objet du cautionnement.
  Art. 9.1.44. Devoir d'information précontractuel du créancier
  Avant qu'une sûreté soit constituée, le créancier doit fournir au constituant pressenti les informations visées à l'article 5.16 et en particulier l'informer de l'étendue de la créance garantie, de l'effet général de la sûreté envisagée et des risques particuliers auxquels le constituant peut être exposé selon les informations accessibles au créancier, à la lumière de la situation financière du débiteur principal.
  La violation de l'obligation d'information est sanctionnée conformément à l'article 5.17.
  La preuve du respect de cette obligation d'information est à la charge du créancier.
  Art. 9.1.45. Conditions de forme
  A peine de nullité, la constitution de la sûreté doit faire l'objet d'un écrit distinct du contrat principal, établissant le consentement du constituant de la sûreté.
  Art. 9.1.46. Couverture
  La sûreté personnelle consentie pour créances futures est limitée aux créances découlant d'un contrat existant au moment de l'engagement du constituant de la sûreté et spécialement désigné dans la constitution de sûreté.
  Le contrat dont les créances sont garanties ne peut être un contrat-cadre visé à l'article 5.9. Le contrat dont les créances sont garanties peut être un contrat d'application, déjà existant au moment de la constitution de la sûreté, d'un contrat-cadre.
  La sûreté personnelle est consentie à concurrence d'un montant maximal, qui doit être précisé dans le contrat de sûreté.
  L'obligation de la caution couvre le cautionnement dans les limites de ce montant maximal pour les créances visées à l'article 9.1.20, § 2.
  Les accessoires auxquels est tenu le constituant de la sûreté personnelle ne peuvent pas être supérieurs à 50 % du principal au moment où le créancier fait appel à la caution.
  Art. 9.1.47. Disproportion manifeste
  Une sûreté personnelle doit être proportionnée au patrimoine et aux revenus du constituant de la sûreté.
  En cas de disproportion manifeste au moment où l'obligation est contractée, l'obligation du constituant de la sûreté est réduite au montant qu'il peut acquitter au moment de la constitution de la sûreté personnelle.
  La charge de la preuve de la disproportion manifeste incombe au constituant de la sûreté personnelle.
  Art. 9.1.48. Obligation du créancier de fournir une information annuelle
  Le créancier doit informer annuellement le constituant de la sûreté sur l'obligation garantie en principal, les intérêts et les autres obligations accessoires dus par le débiteur principal au jour de l'information.
  Le créancier est responsable du dommage causé par l'inexécution ou l'exécution tardive de ce devoir d'information.
  Art. 9.1.49. Devoir d'information en cas d'inexécution
  Le créancier doit informer sans délai injustifié le constituant de la sûreté de l'inexécution par le débiteur principal et d'un report d'exigibilité. La notification doit contenir des informations relatives au montant de l'obligation garantie en principal, aux intérêts et aux autres obligations accessoires dus par le débiteur principal au jour de la notification. Une notification supplémentaire d'un nouveau retard d'exécution n'est pas requise avant que trois mois se soient écoulés depuis la notification précédente. La notification n'est pas requise si l'inexécution concerne exclusivement des obligations accessoires du débiteur principal, sauf si le montant total de toutes les obligations garanties inexécutées a atteint cinq pour cent de l'encours de l'obligation garantie.
  Le créancier est responsable du dommage causé par l'inexécution ou l'exécution tardive de la notification visée dans le présent article.
  Art. 9.1.50. Héritiers
  Les obligations des héritiers du constituant d'une sûreté personnelle sont limitées à la part d'héritage revenant à chacun d'entre eux.
  Chapitre 5. Le cautionnement légal et le cautionnement judiciaire
  Art. 9.1.51. Conditions
  Lorsqu'une personne est obligée, par la loi ou par une décision judiciaire, de fournir une caution, la caution offerte doit remplir les conditions visées aux articles 9.1.9 et 9.1.10.
  Art. 9.1.52. Sûreté alternative
  Celui qui ne peut pas trouver une caution est reçu à donner à sa place une sûreté réelle avec une assiette suffisante.
  Art. 9.1.53. Bénéfice de discussion
  L'article 9.1.23 ne s'applique pas à la caution judiciaire.
  Art. 9.1.54. Sous-caution
  Celui qui a simplement cautionné la caution judiciaire ne peut demander la discussion du débiteur principal ni de la caution.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives et abrogatoires
Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Section 1re. - Modification de l'ancien Code civil
Art. 3. In boek III van het oud Burgerlijk Wetboek wordt titel XIV "Borgtocht", die de artikelen 2011 tot 2043octies bevat, opgeheven.
Art. 3. Dans le livre III de l'ancien Code civil, le titre XIV "Du cautionnement", comportant les articles 2011 à 2043octies, est abrogé.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Section 2. - Modifications du Code de droit économique
Art. 4. In artikel VII.111 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en vervangen bij de wet van 22 april 2016, worden de woorden "artikel 2021" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.22 en 9.1.23".
Art. 4. Dans l'article VII.111 du Code de droit économique, inséré par la loi du 19 avril 2014 et remplacé par la loi du 22 avril 2016, les mots "à l'article 2021" sont remplacés par les mots "aux articles 9.1.22 et 9.1.23".
Art. 5. In artikel VII.147/28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 april 2016, worden de woorden "artikel 2021" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.22 en 9.1.23".
Art. 5. Dans l'article VII.147/28 du même Code, inséré par la loi du 22 avril 2016, les mots "à l'article 2021" sont remplacés par les mots "aux articles 9.1.22 et 9.1.23".
Art. 6. In artikel XX.54 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° in de paragrafen 3 en 4 worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" telkens vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 6. A l'article XX.54 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 7 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 2, les mots "articles 2043bis à 2043octies de l'ancien Code civil" sont remplacés par les mots "articles 9.1.42 à 9.1.50 du Code civil";
  2° dans les paragraphes 3 et 4, les mots "la personne physique qui s'est constituée sûreté personnelle du débiteur à titre gratuit" sont chaque fois remplacés par les mots "le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle du débiteur au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 7. In artikel XX.66 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "de consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 7. Dans l'article XX.66 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "La personne physique qui s'est constituée sûreté personnelle du débiteur à titre gratuit" sont remplacés par les mots "Le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle du débiteur au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 8. In artikel XX.82, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het zesde lid worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° in het zevende lid worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 8. A l'article XX.82, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 6, les mots "articles 2043bis à 2043octies de l'ancien Code civil" sont remplacés par les mots "articles 9.1.42 à 9.1.50 du Code civil";
  2° dans l'alinéa 7, les mots "La personne physique qui s'est constituée sûreté personnelle du débiteur à titre gratuit" sont remplacés par les mots "Le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle du débiteur au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 9. In artikel XX.83/20, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het zesde lid worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° In het zevende lid worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 9. A l'article XX.83/20, du même Code, inséré par la loi du 7 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 6, les mots "articles 2043bis à 2043octies de l'ancien Code civil" sont remplacés par les mots "articles 9.1.42 à 9.1.50 du Code civil";
  2° dans l'alinéa 7, les mots "La personne physique qui s'est constituée sûreté personnelle du débiteur à titre gratuit" sont remplacés par les mots "Le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle du débiteur au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 10. In artikel XX.103, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben" vervangen door de woorden "consumenten die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 10. Dans l'article XX.103, alinéa 1er, 6°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "des personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle" sont remplacés par les mots "des consommateurs qui se sont constitués sûretés personnelles au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 11. In artikel XX.156, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 11. Dans l'article XX.156, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle" sont remplacés par les mots "du consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Art. 12. In artikel XX.175 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 12. Dans l'article XX.175 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 7 juin 2023, les mots "articles 2043bis à 2043octies de l'ancien Code civil" sont remplacés par les mots "articles 9.1.42 à 9.1.50 du Code civil".
Art. 13. In artikel XX.176, eerste lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "natuurlijke persoon die zich persoonlijk kosteloos zeker heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 13. Dans l'article XX.176, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 7 juin 2023, les mots "la personne physique qui s'est constituée sûreté personnelle du failli à titre gratuit" sont remplacés par les mots "le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle du failli au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Section 3. - Modifications du Code judiciaire
Art. 14. In artikel 1675/11, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, worden de woorden "2028 tot 2032 en 2039" vervangen door de woorden "9.1.25 tot 9.1.29 en 9.1.34".
Art. 14. Dans l'article 1675/11, § 4, du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 juillet 1998, les mots "2028 à 2032 et 2039" sont remplacés par les mots "9.1.25 à 9.1.29 et 9.1.34".
Art. 15. In artikel 1675/16bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld" vervangen door de woorden "consumenten die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 15. A l'article 1675/16bis du même Code, inséré par la loi du 13 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle" sont remplacés par les mots "les consommateurs qui se sont constitués sûretés personnelles au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "la personne physique qui s'est constituée à titre gratuit sûreté personnelle" sont remplacés par les mots "le consommateur qui s'est constitué sûreté personnelle au sens de l'article 9.1.42, alinéas 1er et 2, du Code civil".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen
Section 4. - Modification de la loi du 21 décembre 2013 relative à diverses dispositions concernant le financement des petites et moyennes entreprises
Art. 16. In artikel 8/1, § 2, van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, ingevoegd bij de wet 21 van december 2017, worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50".
Art. 16. Dans l'article 8/1, § 2, de la loi du 21 décembre 2013 relative à diverses dispositions concernant le financement des petites et moyennes entreprises, inséré par la loi du 21 décembre 2017, les mots "articles 2043bis à 2043octies" sont remplacés par les mots "articles 9.1.42 à 9.1.50".
Afdeling 5. - Wijziging van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
Section 5. - Modification de la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante
Art. 17. In artikel 57 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, gewijzigd bij de wet van 23 maart 2019, worden de woorden "artikelen 2011 tot 2039" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.10 tot 9.1.33".
Art. 17. Dans l'article 57 de la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante, modifié par la loi du 23 mars 2019, les mots "articles 2011 à 2039" sont remplacés par les mots "articles 9.1.10 à 9.1.33".
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 4. - Disposition transitoire
Art. 18. Deze wet is van toepassing op alle persoonlijke zekerheden die zijn gesteld na de inwerkingtreding van deze wet.
  Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is deze wet niet van toepassing en blijven de vorige regels van toepassing op de toekomstige gevolgen van persoonlijke zekerheden die zijn gesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 18. La présente loi s'applique à toutes les sûretés personnelles constituées après son entrée en vigueur.
  Sauf accord contraire des parties, la présente loi ne s'applique pas et les règles antérieures demeurent applicables aux effets futurs des sûretés personnelles constituées avant son entrée en vigueur.
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 5. - Entrée en vigueur
Art. 19. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 19. La présente loi entre en vigueur le premier jour du sixième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.