Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 APRIL 2025. - Uittreksel uit arrest nr. 66/2025 van 24 april 2025
Titre
24 AVRIL 2025. - Extrait de l'arrêt n° 66/2025 du 24 avril 2025
Tekst (1)
Texte (1)
Artikel M. Uittreksel uit arrest nr. 66/2025 van 24 april 2025
  Rolnummer 8247
  In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023, ingesteld door Sabien Adriansens.
  Het Grondwettelijk Hof,
  samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
  wijst na beraad het volgende arrest :
  I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
  Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 juni 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 juni 2024, heeft Sabien Adriansens beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2023).
  (...)
  II. In rechte
  (...)
  Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
  B.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op een wijziging in de regeling inzake de zogenaamde flexi-jobs, namelijk de invoering van het verbod om gedurende twee kwartalen een flexi-job uit te oefenen voor personen die tussen het vierde en het derde kwartaal vóór de aanvang van de flexi-job zijn overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling (artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023).
  B.2. Flexi-jobs betreffen een vorm van tewerkstelling waarvoor een specifieke arbeidsrechtelijke regeling is uitgewerkt, gekoppeld aan een specifieke behandeling op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit. De regeling inzake flexi-jobs is grotendeels opgenomen in de wet van 16 november 2015 " houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken " (hierna : de wet van 16 november 2015). De programmawet van 22 december 2023 heeft verschillende wijzigingen aangebracht in die regeling, onder meer vanuit de " nood aan een beter en uitgebreider wettelijk kader teneinde misbruiken van het systeem van flexi-jobs en oneigenlijk gebruik ervan tegen te gaan " (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 133).
  B.3.1. Artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 16 november 2015 bepaalt :
  " Een tewerkstelling in het kader van een flexi-job is mogelijk wanneer de betrokken werknemer bij één of meerdere andere werkgever(s) al een tewerkstelling heeft die minimaal gelijk is aan 4/5e van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin de 4/5e tewerkstelling wordt gepresteerd, gedurende het referentiekwartaal T-3, en voor zover de werknemer gedurende dezelfde periode in het kwartaal T :
  a) niet voorafgaandelijk, noch bijkomend is tewerkgesteld onder een andere arbeidsovereenkomst of statutaire aanstelling bij de werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent;
  b) zich niet in een periode bevindt gedekt door een verbrekingsvergoeding of ontslagcompensatievergoeding ten laste van de werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent;
  c) zich niet bevindt in een opzeggingstermijn;
  d) niet is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst bij de gebruiker aan wie hij door een uitzendkantoor ter beschikking wordt gesteld om een flexi-job uit te oefenen;
  e) niet is tewerkgesteld bij een onderneming die verbonden is, zoals gedefinieerd in artikel [1:20] van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, aan de onderneming waarbij men een arbeidsovereenkomst heeft voor een tewerkstelling van minimaal 4/5e van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector.
  Personen die in T-3 4/5de van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin de 4/5de tewerkstelling wordt gepresteerd werkten en in T-4 voltijds werkten, kunnen geen flexi-job uitoefenen in T en T+1 ".
  Punten a) en e) van die bepaling werden ingevoegd bij artikel 183, 1° en 2°, van de programmawet van 22 december 2023. Het tweede lid van die bepaling werd ingevoegd bij het bestreden artikel 183, 3°, van dezelfde programmawet.
  B.3.2. De memorie van toelichting van de programmawet van 22 december 2023 vermeldt met betrekking tot artikel 183 van die wet :
  " Dit artikel voegt een aantal voorwaarden toe waaraan de werknemer moet voldoen om te kunnen worden tewerkgesteld met een flexijob-overeenkomst.
  Om misbruiken te voorkomen, zal men voortaan in het kwartaal waarin men een flexi-job uitoefent, niet via een andere arbeidsovereenkomst tewerkgesteld mogen zijn bij dezelfde werkgever. Er wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor een werknemer die in het begin van een kwartaal met een flexijob-overeenkomst wordt tewerkgesteld en vervolgens een vast contract krijgt aangeboden bij dezelfde werkgever.
  Voortaan zal men ook geen flexi-job kunnen uitoefenen bij een onderneming die verbonden is, zoals gedefinieerd in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, aan de onderneming waarbij men een arbeidsovereenkomst heeft voor een tewerkstelling van minimaal 4/5e van een voltijdse tewerkstelling.
  Voor personen die overschakelen van een voltijdse tewerkstelling in T-4 naar een 4/5e tewerkstelling in T-3, zal voortaan een wachtperiode gelden in kwartalen T en T+1. Pas vanaf T+2 kunnen zij opnieuw een flexijob uitoefenen, voor zover zij dan aan de voorwaarden voldoen " (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 144).
  Voorts wordt in die memorie van toelichting vermeldt dat " een maatregel [wordt] genomen om te vermijden dat actieven zouden uitwijken naar flexi-jobs door van een voltijdse tewerkstelling over te schakelen naar een 4/5-tewerkstelling " (ibid., pp. 5-6).
  B.4. Krachtens artikel 194 van de programmawet van 22 december 2023 is het hoofdstuk waarvan het bestreden artikel 183, 3°, van die wet deel uitmaakt, in werking getreden op 1 januari 2024.
  Ten aanzien van de omvang van het beroep tot vernietiging
  B.5.1. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen op grond van de inhoud van het verzoekschrift.
  Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.
  B.5.2. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023, doch uitsluitend in zoverre die bepaling in werking is getreden op 1 januari 2024 en van toepassing is op personen die in 2023 zijn overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling.
  Het Hof beperkt zijn onderzoek in die zin.
  B.5.3. De inwerkingtreding van het bestreden artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023 is geregeld in artikel 194 van die wet, dat - rekening houdend met de draagwijdte van het verzoekschrift - te dezen dient te worden beschouwd als onlosmakelijk verbonden met de bestreden bepaling.
  Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen
  B.6.1. De Ministerraad voert aan dat de middelen niet ontvankelijk zijn, enerzijds, bij gebrek aan duidelijke uiteenzetting en, anderzijds, bij gebrek aan bevoegdheid van het Hof om rechtstreeks te toetsen aan algemene rechtsbeginselen.
  B.6.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.
  B.6.3. De verzoekende partij zet in haar verzoekschrift op duidelijke wijze uiteen dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het beginsel van rechtszekerheid en het bij de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepaling in werking is getreden op 1 januari 2024 en van toepassing is op personen die in 2023 zijn overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling.
  Aldus wordt het rechtszekerheidsbeginsel, waaraan het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen, samen aangevoerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, zodat dat beginsel en die bepalingen in onderlinge samenhang moeten worden gelezen.
  Uit de memories van de Ministerraad blijkt overigens dat hij op adequate wijze heeft kunnen antwoorden op de diverse grieven van de verzoekende partij.
  B.6.4. De excepties worden verworpen.
  B.7.1. Voorts voert de Ministerraad aan dat de grief inzake de schending van artikel 23 van de Grondwet, die door de verzoekende partij voor het eerst in de memorie van antwoord wordt aangevoerd, niet ontvankelijk is.
  B.7.2. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord de middelen van het beroep, zoals door haarzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een bezwaar dat in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van hetwelk in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is onontvankelijk.
  In zoverre de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord een schending van artikel 23 van de Grondwet aanvoert, voert zij een nieuw middel aan, dat bijgevolg niet ontvankelijk is.
  Ten gronde
  B.8.1. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het beginsel van rechtszekerheid en het bij de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepaling in werking is getreden op 1 januari 2024 en van toepassing is op personen die in 2023 zijn overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling.
  In een eerste grief bekritiseert zij de terugwerkende kracht van de bestreden bepaling. In een tweede grief bekritiseert zij de afwezigheid van een overgangsperiode voor personen die in 2023 zijn overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling. In een derde grief viseert zij het onderscheid dat de bestreden bepaling zou invoeren tussen werknemers die hun arbeidsduur hebben verminderd en diegenen die dat niet hebben gedaan.
  B.8.2. De verzoekende partij onderschrijft de doelstelling die met het bestreden artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023 wordt nagestreefd. Haar grieven zijn beperkt tot de werking van de bestreden bepaling in de tijd.
  B.8.3. Aangezien de drie grieven onlosmakelijk samenhangen, worden ze samen onderzocht.
  B.9.1. De partijen verschillen van mening over de kwalificatie van de werking in de tijd van de bestreden bepaling. Volgens de verzoekende partij is de bestreden bepaling retroactief van toepassing op feiten die definitief voltrokken waren vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling. Volgens de Ministerraad daarentegen heeft zij onmiddellijke werking.
  B.9.2. De onmiddellijke werking van een norm houdt in dat de norm van toepassing is, niet alleen op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar eveneens op de gevolgen van de onder de vroegere regeling ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder de gelding van de nieuwe regeling, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  Een regel moet als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden.
  B.10. De bestreden bepaling is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2023 en is in werking getreden op 1 januari 2024, te weten drie dagen na die bekendmaking. Er is niet voorzien in overgangsmaatregelen.
  De bestreden bepaling wijzigt de voorwaarden waaraan een werknemer moet voldoen in het kwartaal van tewerkstelling, zijnde het kwartaal T. Krachtens die bepaling mag een werknemer geen flexi-job uitoefenen in kwartaal T en het daaropvolgende kwartaal T+1 indien hij tussen de kwartalen T-4 en T-3, dus tussen het vierde en het derde kwartaal voorafgaand aan het kwartaal van tewerkstelling, is overgeschakeld van een voltijdse naar een 4/5de-tewerkstelling.
  De in de bestreden bepaling vervatte voorwaarde voor het uitoefenen van een flexi-job is van toepassing op flexi-jobs die worden uitgeoefend vanaf 1 januari 2024, zijnde na de inwerkingtreding van de bestreden bepaling. De bestreden bepaling heeft bijgevolg geen terugwerkende kracht. Het feit dat daarbij gevolgen worden verbonden aan feiten die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, namelijk in zoverre kwartaal T, zijnde het kwartaal van tewerkstelling, zich situeert in 2024 en de kwartalen T-3 en T-4 bijgevolg in 2023, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  B.11. Het Hof dient nog te beoordelen of de bestreden bepaling afbreuk doet aan de aangevoerde referentienormen, in zoverre de wetgever niet in overgangsmaatregelen heeft voorzien.
  B.12. Niemand kan aanspraak maken op het ongewijzigd blijven van een beleid of, te dezen, het ongewijzigd blijven van de voorwaarden waaronder flexi-jobs kunnen worden uitgeoefend. Elke wetswijziging of het uitvaardigen van een volledig nieuwe regeling zou immers onmogelijk worden, mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling in strijd zou zijn met het beginsel van rechtszekerheid om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt, en om de enige reden dat zij bepaalde beroepskeuzen in de war zou sturen.
  Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer afbreuk wordt gedaan aan de legitieme verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtzoekenden zonder dat een dwingende reden van algemeen belang de ontstentenis van een overgangsregeling voor hen kan verantwoorden. Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.
  B.13.1. De niet-naleving van de bestreden voorwaarde leidt tot een herkwalificatie van de tewerkstelling. Aldus bepaalt artikel 26 van de wet van 16 november 2015 :
  " Wanneer een werkgever een werknemer aangeeft overeenkomstig artikel 7/1 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, terwijl die werknemer niet voldoet aan de voorwaarden voor het uitoefenen van een flexi-job en die toch als flexi-jobwerknemer aangeeft in de trimestriële aangifte bepaald bij artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dan wordt de tewerkstelling als een gewone tewerkstelling beschouwd en worden de gewone verschuldigde socialezekerheidsbijdragen voor deze tewerkstelling berekend op het flexiloon, verhoogd met een door de Koning te bepalen percentage van het flexiloon, dat niet lager ligt dan 50 % en niet hoger ligt dan 200 % van het flexiloon ".
  B.13.2. Indien de tewerkstelling als een reguliere tewerkstelling wordt beschouwd, heeft zulks overeenkomstig die bepaling als gevolg dat daarvoor de gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Die bijdragen worden berekend op basis van het flexiloon, verhoogd met een door de Koning te bepalen percentage van dat loon, dat niet lager ligt dan 50 % en niet hoger dan 200 %. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 december 2016 " tot uitvoering van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken voor wat de flexi-jobs betreft en tot aanpassing van enkele koninklijke besluiten met betrekking tot de verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen " heeft dat percentage vastgelegd op 125 %.
  Daarenboven zal de werknemer, indien de bij de bestreden bepaling vastgestelde voorwaarde niet wordt nageleefd, de in artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van het WIB 1992 bedoelde belastingvrijstelling niet kunnen genieten.
  Overigens valt niet uit te sluiten dat de herkwalificatie in een reguliere tewerkstelling ook arbeidsrechtelijke gevolgen heeft, met name wat betreft de vaststelling van het loon. De parlementaire voorbereiding van de wet van 16 november 2015 vermeldt in dat opzicht :
  " Indien er niet aan de wettelijke voorwaarden voor het uitoefenen van een flexijob is voldaan, dient de tewerkstelling beschouwd te worden als een gewone tewerkstelling en dienen de algemene regels, zowel arbeidsrechtelijk, fiscaal als parafiscaal, te worden toegepast. De werknemer dient bijgevolg betaald [te] worden volgens de op hem toepasbare loonbarema's. De fiscale en parafiscale verplichtingen dienen eveneens op basis van deze loonbarema's te worden voltrokken, zelfs indien pas na het leveren van de prestaties het niet voldoen aan de voorwaarden komt vast te staan " (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1297/001, p. 8).
  B.14. Vóór de aanvang van de eerste tewerkstelling dienen de werkgever en de flexi-jobwerknemer een raamovereenkomst te sluiten, die onder meer de identiteit van de partijen en het flexiloon vaststelt (artikel 6 van de wet van 16 november 2015). De raamovereenkomst houdt op zich nog geen concrete tewerkstelling in en evenmin verplicht die overeenkomst de werkgever en de flexi-jobwerknemer ertoe daadwerkelijk een tewerkstelling aan te gaan. Daarvoor dienen zij, met inachtneming van de in de raamovereenkomst vastgelegde voorwaarden, een afzonderlijke flexi-jobarbeidsovereenkomst te sluiten, die geldt voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk (artikel 8 van dezelfde wet). Het staat aan de werkgever een flexi-jobarbeidsovereenkomst aan de werknemer voor te stellen en het staat aan die laatste daarmee al dan niet in te stemmen.
  B.15.1. Uit de in B.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bij de programmawet van 22 december 2023 in de regeling inzake flexi-jobs aangebrachte wijzigingen zijn ingegeven door de doelstelling misbruik en oneigenlijk gebruik van die regeling tegen te gaan. Zoals de Ministerraad in zijn memorie preciseert en zoals ook blijkt uit de in B.3.2 vermelde parlementaire voorbereiding, beoogt de wetgever met de bestreden maatregel ervoor te zorgen dat flexi-jobwerknemers zoveel als mogelijk een voltijdse reguliere tewerkstelling behouden, en te vermijden dat zij, louter om fiscale of sociaalrechtelijke redenen, hun reguliere tewerkstelling zouden afbouwen naar een 4/5de-tewerkstelling.
  B.15.2. Die doelstellingen kunnen een redelijke verantwoording bieden voor de toepassing van de bestreden maatregel op de flexi-jobarbeidsovereenkomsten die zijn gesloten na de bekendmaking van de bestreden bepaling in het Belgisch Staatsblad, zelfs wanneer die maatregel negatieve gevolgen met zich kan meebrengen voor flexi-jobwerknemers die vóór die bekendmaking van een voltijdse naar een 4/5de-betrekking zijn overgestapt. Werkgevers en werknemers die voor een dergelijke vorm van tewerkstelling kiezen, die een gunstige fiscale en sociaalrechtelijke behandeling met zich meebrengt, konden er immers niet zonder meer van uitgaan dat zij zonder enige beleidswijziging van de wetgever een beroep zouden kunnen blijven doen op die vorm van tewerkstelling.
  B.15.3. Anders is het in zoverre de bestreden maatregel van toepassing is op flexi-jobarbeidsovereenkomsten die zijn gesloten vóór de bekendmaking van de bestreden bepaling in het Belgisch Staatsblad.
  Er kan worden aangenomen dat de gunstige fiscale en sociaalrechtelijke behandeling die een tewerkstelling in het kader van een flexi-job met zich meebrengt, een van de doorslaggevende beweegredenen van de werkgever en de werknemer vormt bij de keuze voor een dergelijke vorm van tewerkstelling. De herkwalificatie van een tewerkstelling die bij het sluiten van de flexi-jobarbeidsovereenkomst aan alle vereisten voor de uitoefening van een flexi-job voldeed, kan ertoe leiden dat fiscale en sociale bijdragen verschuldigd zijn als gevolg waarvan de partijen, indien zij daarvan vooraf kennis hadden gehad, die overeenkomst niet of onder wezenlijk verschillende voorwaarden zouden hebben gesloten. De door de wetgever nagestreefde doelstellingen verantwoorden niet dat die maatregel zonder overgangsperiode en binnen drie dagen na de bekendmaking daarvan in het Belgisch Staatsblad uitwerking heeft op flexi-jobarbeidsovereenkomsten die zijn gesloten vóór die bekendmaking.
  B.16. In zoverre het ertoe leidt dat artikel 183, 3°, van de programmawet van 22 december 2023 van toepassing is op flexi-jobarbeidsovereenkomsten gesloten vóór de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad, schendt artikel 194 van die wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.
  Om die redenen,
  het Hof
  - vernietigt artikel 194 van de programmawet van 22 december 2023, in zoverre het ertoe leidt dat artikel 183, 3°, van die wet van toepassing is op flexi-jobarbeidsovereenkomsten gesloten vóór de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad;
  - verwerpt het beroep voor het overige.
  Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 april 2025.
Article M. Extrait de l'arrêt n° 66/2025 du 24 avril 2025
  Numéro du rôle : 8247
  En cause : le recours en annulation de l'article 183, 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2023, introduit par Sabien Adriansens.
  La Cour constitutionnelle,
  composée des présidents Luc Lavrysen et Pierre Nihoul, et des juges Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters et Magali Plovie, assistée du greffier Frank Meersschaut, présidée par le président Luc Lavrysen,
  après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant :
  I. Objet du recours et procédure
  Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 25 juin 2024 et parvenue au greffe le 26 juin 2024, Sabien Adriansens a introduit un recours en annulation de l'article 183, 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2023 (publiée au Moniteur belge du 29 décembre 2023).
  (...)
  II. En droit
  (...)
  Quant à la disposition attaquée et à son contexte
  B.1. Le recours en annulation porte sur une modification du régime des " flexi-jobs ", à savoir l'introduction de l'interdiction d'exercer un flexi-job pendant deux trimestres pour les personnes qui sont passées d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e entre les quatrième et troisième trimestres précédant le début du flexi-job (article 183, 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2023).
  B.2. Les flexi-jobs sont une forme d'emploi qui fait l'objet d'un régime spécifique en matière de droit du travail, lequel est associé à un traitement particulier sur le plan de la sécurité sociale et de la fiscalité. Le régime des flexi-jobs est principalement contenu dans la loi du 16 novembre 2015 " portant des dispositions diverses en matière sociale " (ci-après : la loi du 16 novembre 2015). La loi-programme du 22 décembre 2023 a apporté plusieurs modifications à ce régime, notamment parce qu'il était " nécessaire de mettre en place un [...] cadre juridique meilleur et plus étendu pour empêcher les abus et les usages inappropriés du système des flexi-jobs " (Doc. parl., Chambre, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 133).
  B.3.1. L'article 4, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 novembre 2015 dispose :
  " Une occupation dans le cadre d'un flexi-job est possible lorsque le travailleur salarié concerné a déjà chez un ou plusieurs autre(s) employeur(s) une occupation qui est au minimum égale à 4/5e d'un emploi à temps plein d'une personne de référence du secteur dans lequel les prestations à 4/5e sont exécutées, durant le trimestre de référence T-3, et pour autant que le travailleur salarié, pendant la même période dans le trimestre T :
  a) n'est pas employé auparavant ou en plus dans le cadre d'un autre contrat de travail ou une affectation statutaire avec l'employeur pour lequel il exerce le flexi-job;
  b) ne se trouve pas dans une période couverte par une indemnité de rupture ou une indemnité en compensation du licenciement à charge de l'employeur auprès duquel il exerce le flexi-job;
  c) ne se trouve pas dans un délai de préavis;
  d) n'est pas occupé sous un contrat de travail par l'utilisateur auprès duquel il est mis à disposition par une entreprise de travail intérimaire pour exercer un flexi-job;
  e) n'est pas employé par une entreprise affiliée, au sens de l'article [1:20] du Code des sociétés et des associations, à l'entreprise avec laquelle il a un contrat de travail pour un emploi d'au moins 4/5e d'un temps plein d'une personne de référence du secteur.
  Les personnes qui ont occupé les 4/5es d'un emploi à temps plein en T-3 d'une personne de référence du secteur dans lequel sont effectués les 4/5es de l'emploi et ont travaillé à temps plein en T-4 ne peuvent pas exercer un flexi-job en T et T+1 ".
  Les points a) et e) de cette disposition ont été insérés par l'article 183, 1° et 2°, de la loi-programme du 22 décembre 2023. Le deuxième alinéa de cette disposition a été inséré par l'article 183, 3°, attaqué, de la même loi-programme.
  B.3.2. L'exposé des motifs de la loi-programme du 22 décembre 2023 mentionne, en ce qui concerne l'article 183 de cette loi :
  " Cet article ajoute un certain nombre de conditions que le travailleur doit remplir pour pouvoir travailler avec un contrat de flexi-job.
  Afin d'éviter les abus, les personnes ne pourront désormais plus être employées par le même employeur sous un contrat de travail différent pendant le trimestre au cours duquel elles exercent un flexi-job. Une exception est toutefois prévue pour un salarié qui travaille avec un contrat de flexi-job au début d'un trimestre et qui se voit ensuite proposer un contrat à durée indéterminée auprès du même employeur.
  Désormais, il ne sera plus possible d'exercer un flexi-job dans une entreprise liée, au sens du Code des sociétés et des associations, à l'entreprise avec laquelle on a un contrat de travail pour un emploi d'au moins 4/5e d'un emploi à temps plein.
  Pour les personnes passant d'un emploi à temps plein en T-4 à un emploi en 4/5e en T-3, une période d'attente s'appliquera désormais aux trimestres T et T+1. Elles ne pourront reprendre un flexi-job qu'à partir de T+2, pour autant qu'elles remplissent les conditions " (Doc. parl., Chambre, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 144).
  Dans cet exposé des motifs, il est ajouté qu'une " mesure est prise pour empêcher les personnes actives de passer à des flexi-jobs en passant d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e " (ibid., pp. 5).
  B.4. En vertu de l'article 194 de la loi-programme du 22 décembre 2023, le chapitre dont fait partie l'article 183, 3°, attaqué, de cette loi est entré en vigueur le 1er janvier 2024.
  Quant à l'étendue du recours en annulation
  B.5.1. La Cour doit déterminer l'étendue du recours en annulation sur la base du contenu de la requête.
  La Cour peut uniquement annuler des dispositions législatives explicitement attaquées contre lesquelles des moyens sont invoqués et, le cas échéant, des dispositions qui ne sont pas attaquées mais qui sont indissociablement liées aux dispositions qui doivent être annulées.
  B.5.2. La partie requérante demande l'annulation de l'article 183, 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2023, mais uniquement en ce que cette disposition est entrée en vigueur le 1er janvier 2024 et en ce qu'elle s'applique aux personnes qui sont passées d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e en 2023.
  La Cour limite son examen en ce sens.
  B.5.3. L'entrée en vigueur de l'article 183, 3°, attaqué, de la loi-programme du 22 décembre 2023 est réglée à l'article 194 de cette loi, qui - eu égard à la portée de la requête - doit être considéré en l'espèce comme indissociablement lié à la disposition attaquée.
  Quant à la recevabilité des moyens
  B.6.1. Le Conseil des ministres allègue que les moyens sont irrecevables, d'une part, à défaut d'un exposé clair et, d'autre part, parce que la Cour n'est pas compétente pour effectuer un contrôle directement au regard de principes généraux du droit.
  B.6.2. Pour satisfaire aux exigences de l'article 6 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, les moyens de la requête doivent faire connaître, parmi les règles dont la Cour garantit le respect, celles qui seraient violées ainsi que les dispositions qui violeraient ces règles et exposer en quoi ces règles auraient été transgressées par ces dispositions.
  B.6.3. La partie requérante expose clairement dans sa requête que la disposition attaquée porte atteinte au principe de la sécurité juridique et au principe d'égalité et de non-discrimination garanti par la Constitution, en ce que cette disposition est entrée en vigueur le 1er janvier 2024 et en ce qu'elle s'applique aux personnes qui sont passées d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e en 2023.
  Aussi le principe de la sécurité juridique au regard duquel la Cour ne peut effectuer un contrôle direct est-il invoqué en combinaison avec les articles 10 et 11 de la Constitution, au regard desquels la Cour peut effectuer un contrôle direct, de sorte que ce principe et ces dispositions doivent être lus conjointement.
  Du reste, il ressort des mémoires introduits par le Conseil des ministres qu'il a pu répondre adéquatement aux divers griefs formulés par la partie requérante.
  B.6.4. Les exceptions sont rejetées.
  B.7.1. Par ailleurs, le Conseil des ministres allègue que le grief pris de la violation de l'article 23 de la Constitution est irrecevable, en ce que la partie requérante le formule pour la première fois dans son mémoire en réponse.
  B.7.2. Il n'appartient pas à la partie requérante de modifier, dans son mémoire en réponse, les moyens du recours tels qu'elle les a elle-même formulés dans la requête. Un grief qui est formulé dans un mémoire en réponse mais qui diffère de celui qui a été formulé dans la requête constitue dès lors un moyen nouveau et est irrecevable.
  Dans la mesure où elle invoque la violation de l'article 23 de la Constitution pour la première fois dans son mémoire en réponse, la partie requérante prend un moyen nouveau, qui est dès lors irrecevable.
  Quant au fond
  B.8.1. La partie requérante soutient que la disposition attaquée porte atteinte au principe de la sécurité juridique et au principe d'égalité et de non-discrimination garanti par la Constitution, en ce que cette disposition est entrée en vigueur le 1er janvier 2024 et en ce qu'elle est applicable aux personnes qui sont passées d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e en 2023.
  Dans un premier grief, elle critique la rétroactivité de la disposition attaquée. Dans un deuxième grief, elle critique l'absence d'une période transitoire pour les personnes qui sont passées d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e en 2023. Dans un troisième grief, elle vise la distinction qu'instaurerait la disposition attaquée entre les travailleurs qui ont réduit leur temps de travail et ceux qui ne l'ont pas fait.
  B.8.2. La partie requérante souscrit à l'objectif poursuivi par l'article 183, 3°, attaqué, de la loi-programme du 22 décembre 2023. Ses griefs se limitent à l'effet dans le temps de la disposition attaquée.
  B.8.3. Les trois griefs étant indissociablement liés, ils sont examinés conjointement.
  B.9.1. Les opinions des parties diffèrent quant à la qualification de l'effet dans le temps de la disposition attaquée. Selon la partie requérante, la disposition attaquée s'applique rétroactivement à des faits qui étaient définitivement accomplis avant l'entrée en vigueur de la disposition attaquée. Selon le Conseil des ministres, en revanche, la disposition attaquée a un effet immédiat.
  B.9.2. L'effet immédiat d'une norme implique que la norme est applicable non seulement aux situations qui naissent à partir de son entrée en vigueur mais aussi aux effets futurs des situations nées sous le régime de la réglementation antérieure qui se produisent ou se prolongent sous l'empire de la réglementation nouvelle, pour autant que cette application ne porte pas atteinte à des droits déjà irrévocablement fixés.
  Une règle doit être qualifiée de rétroactive si elle s'applique à des faits, actes et situations qui étaient définitivement accomplis au moment où elle est entrée en vigueur.
  B.10. La disposition attaquée a été publiée au Moniteur belge le 29 décembre 2023 et est entrée en vigueur le 1er janvier 2024, soit trois jours après cette publication. Il n'est pas prévu de mesures transitoires.
  La disposition attaquée modifie les conditions qu'un travailleur doit remplir au trimestre d'occupation, à savoir le trimestre T. En vertu de cette disposition, un travailleur ne peut pas exercer un flexi-job au trimestre T ni au trimestre suivant T+1 si, entre le trimestre T-4 et le trimestre T-3, c'est-à-dire entre les quatrième et troisième trimestres précédant le trimestre d'occupation, il est passé d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e.
  La condition pour exercer un flexi-job contenue dans la disposition attaquée s'applique aux flexi-jobs qui sont exercés à partir du 1er janvier 2024, soit après l'entrée en vigueur de la disposition attaquée. Par conséquent, celle-ci n'a pas un effet rétroactif. La circonstance que la disposition attaquée attache des conséquences à des faits qui ont eu lieu avant son entrée en vigueur, c'est-à-dire en ce que le trimestre T, soit le trimestre d'occupation, se situe en 2024 et que, par conséquent, les trimestres T-3 et T-4 se situent en 2023, ne change rien à ce qui précède.
  B.11. La Cour doit encore apprécier si la disposition attaquée porte atteinte aux normes de référence invoquées en ce que le législateur n'a pas prévu des mesures transitoires.
  B.12. Nul ne peut prétendre à l'immuabilité d'une politique ou, en l'espèce, à l'immuabilité des conditions d'exercice des flexi-jobs. En effet, à peine de rendre impossible toute modification législative ou toute réglementation entièrement nouvelle, il ne peut être soutenu qu'une disposition nouvelle serait contraire au principe de la sécurité juridique par cela seul qu'elle modifie les conditions d'application de la législation ancienne et pour le seul motif qu'elle remettrait en question certains choix professionnels.
  Il appartient en principe au législateur, lorsqu'il décide d'introduire une nouvelle réglementation, d'estimer s'il est nécessaire ou opportun d'assortir celle-ci de dispositions transitoires. Le principe d'égalité et de non-discrimination n'est violé que si le régime transitoire ou son absence entraîne une différence de traitement dénuée de justification raisonnable ou s'il est porté une atteinte excessive au principe de la confiance légitime. Tel est le cas lorsqu'il est porté atteinte aux attentes légitimes d'une catégorie déterminée de justiciables sans qu'un motif impérieux d'intérêt général puisse justifier l'absence d'un régime transitoire établi à leur profit. Le principe de confiance est étroitement lié au principe de la sécurité juridique, lequel interdit au législateur de porter atteinte, sans justification objective et raisonnable, à l'intérêt que possèdent les justiciables d'être en mesure de prévoir les conséquences juridiques de leurs actes.
  B.13.1. Le non-respect de la condition attaquée aboutit à la requalification de l'occupation. Ainsi, l'article 26 de la loi du 16 novembre 2015 dispose :
  " Lorsqu'un employeur déclare un travailleur conformément à l'article 7/1 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux alors que ce travailleur ne remplit pas les conditions pour l'exercice d'un flexi-job et déclare celui-ci néanmoins en tant que travailleur exerçant un flexi-job dans la déclaration trimestrielle prévue à l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, l'occupation est considérée comme une occupation classique et les cotisations classiques de sécurité sociale dues pour cette occupation calculées sur le flexisalaire sont augmentées avec un pourcentage du flexisalaire à fixer par le Roi, qui n'est pas inférieur à 50 % et pas supérieur à 200 % du flexisalaire ".
  B.13.2. Si l'occupation est considérée comme une occupation régulière, cela a pour conséquence, conformément à cette disposition, que les cotisations ordinaires de sécurité sociale sont dues pour cette occupation. Ces cotisations sont calculées sur la base du flexi-salaire et augmentées d'un pourcentage de ce salaire à fixer par le Roi, qui n'est pas inférieur à 50 % et pas supérieur à 200 % du flexi-salaire. L'article 3 de l'arrêté royal du 13 décembre 2016 " portant exécution de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale en ce qui concerne les flexi-jobs et portant adaptation de certains arrêtés royaux concernant les réductions des cotisations de sécurité sociale " a fixé ce pourcentage à 125 %.
  En outre, si la condition prévue par la disposition attaquée n'est pas respectée, le travailleur ne pourra pas bénéficier de l'exonération d'impôt visée à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, du CIR 1992.
  Il n'est du reste pas à exclure que la requalification en occupation régulière ait également des répercussions sur le plan du droit du travail, notamment pour ce qui est de la fixation du salaire. Les travaux préparatoires de la loi du 16 novembre 2015 mentionnent, à ce sujet :
  " Si les conditions légales pour travailler sous le système du flexi-job ne sont pas remplies, l'occupation doit être considérée comme une occupation classique et les règles générales, autant au niveau du droit du travail, qu'au niveau du fiscal et du parafiscal, devront être appliquées. Le travailleur salarié devra par conséquent être payé selon les barèmes salariaux qui lui sont applicables. Les obligations fiscales et parafiscales doivent également être remplies sur base de ces barèmes salariaux, même si on en vient à constater après que les prestations [ont] été effectuées que les conditions ne sont pas remplies " (Doc. parl., Chambre, 2014-2015, DOC 54-1297/001, p. 8).
  B.14. Préalablement au début de la première occupation, l'employeur et le travailleur exerçant un flexi-job doivent conclure un contrat-cadre, qui contient notamment l'identité des parties et qui fixe le flexi-salaire (article 6 de la loi du 16 novembre 2015). En tant que tel, le contrat-cadre ne contient encore aucune occupation concrète et n'oblige pas non plus l'employeur et le travailleur exerçant un flexi-job à réellement commencer une occupation. Pour ce faire, ils doivent, en respectant les conditions fixées dans le contrat-cadre, conclure un contrat de travail flexi-job distinct, qui vaut pour une durée déterminée ou pour un travail nettement défini (article 8 de la même loi). Il appartient à l'employeur de proposer un contrat de travail flexi-job au travailleur, et il appartient à ce dernier d'y souscrire ou non.
  B.15.1. Il ressort des travaux préparatoires cités en B.2 que les modifications apportées au régime des flexi-jobs par la loi-programme du 22 décembre 2023 ont été dictées par l'objectif consistant à lutter contre les abus et les usages inappropriés de ce régime. Comme le Conseil des ministres le précise dans son mémoire et ainsi qu'il ressort des travaux préparatoires cités en B.3.2, le législateur, en adoptant la mesure attaquée, entend faire en sorte que les travailleurs exerçant un flexi-job conservent le plus possible un emploi régulier à temps plein et éviter qu'ils réduisent cet emploi régulier à un emploi à 4/5e uniquement pour des raisons fiscales ou de sécurité sociale.
  B.15.2. Ces objectifs peuvent raisonnablement justifier l'application de la mesure attaquée aux contrats de travail flexi-job qui ont été conclus après la publication de la disposition attaquée au Moniteur belge, même si cette mesure est susceptible d'entraîner des effets négatifs pour les travailleurs exerçant un flexi-job qui, avant cette publication, sont passés d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5e. Les employeurs et les travailleurs qui choisissent cette forme d'occupation, laquelle donne lieu à un traitement avantageux sur le plan de la fiscalité et du droit social, ne pouvaient en effet pas considérer purement et simplement qu'ils pourraient continuer à en bénéficier, sans aucun changement de politique du législateur.
  B.15.3. Il en va autrement en ce que la mesure attaquée s'applique aux contrats de travail flexi-job conclus avant la publication de la disposition attaquée au Moniteur belge.
  Il peut être admis que le traitement avantageux sur le plan de la fiscalité et du droit social dont bénéficie une occupation dans le cadre d'un flexi-job constitue l'un des motifs déterminants pour lesquels l'employeur et le travailleur choisissent une telle forme d'occupation. La requalification d'une occupation qui répondait à toutes les conditions d'exercice d'un flexi-job au moment de la conclusion du contrat de travail flexi-job peut avoir pour effet que des cotisations fiscales et sociales sont dues, si bien que, si les parties en avaient eu préalablement connaissance, elles n'auraient pas conclu ce contrat ou l'auraient conclu à des conditions essentiellement différentes. Les objectifs poursuivis par le législateur ne justifient pas que cette mesure produise ses effets, sans période transitoire et dans les trois jours suivant sa publication au Moniteur belge, sur les contrats de travail flexi-job qui ont été conclus avant cette publication.
  B.16. En ce qu'il rend l'article 183, 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2023 applicable aux contrats de travail flexi-job conclus avant la publication de cette loi au Moniteur belge, l'article 194 de cette même loi viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec le principe de la confiance légitime et avec le principe de la sécurité juridique.
  Par ces motifs,
  la Cour
  - annule l'article 194 de la loi-programme du 22 décembre 2023, en ce qu'il rend l'article 183, 3°, de cette loi applicable aux contrats de travail flexi-job conclus avant la publication de cette même loi au Moniteur belge;
  - rejette le recours pour le surplus.
  Ainsi rendu en langue néerlandaise, en langue française et en langue allemande, conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 24 avril 2025.