Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 MAART 2025. - Uittreksel uit arrest nr. 48/2025 van 20 maart 2025 - (Rolnummer 8198) - In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 " houdende diverse bepalingen inzake economie " (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 " tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ").
Titre
20 MARS 2025. - Extrait de l'arrêt n° 48/2025 du 20 mars 2025 - (Numéro du rôle : 8198) - En cause : le recours en annulation de l'article 166 de la loi du 9 février 2024 " portant dispositions diverses en matière d'économie " (remplacement de l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 " relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ").
Tekst (1)
Texte (1)
Artikel M.    Uittreksel uit arrest nr. 48/2025 van 20 maart 2025
  Rolnummer 8198
  In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 " houdende diverse bepalingen inzake economie " (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 " tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten "), ingesteld door de bv " Vermetal " en anderen.
  Het Grondwettelijk Hof,
  samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
  wijst na beraad het volgende arrest :
  I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
  Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april 2024, is beroep tot vernietiging van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 " houdende diverse bepalingen inzake economie " (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 " tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten "), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2024, ingesteld door de bv " Vermetal ", de nv " Schrootbedrijf A. De Rooy en zoon ", de bv " Tribel Metals ", de bv " De Knop Recycling ", de bv " IJzerland ", de bv " Alfamet ", de bv " Transmétaux ", de bv " Vandeweyer Recycling & Demolition ", de bv " Vrints Scrap & Services ", de bv " Degels-Metal ", de nv " Etn. Roosen ", de bv " De Cocker Geert ", de bv " Bally ", de bv " Af-Logi ", de bv " Kabel Recycling Company " en Johan Vincent, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Wouter Vaassen, advocaat bij de balie te Brussel.
  Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 78/2024 van 4 juli 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.078), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 september 2024, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen.
  (...)
  II. In rechte
  (...)
  Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
  B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 " houdende diverse bepalingen inzake economie " (hierna : de wet van 9 februari 2024), dat artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 " tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten " (hierna : de wet van 18 september 2017) vervangt als volgt :
  " Behalve in het geval van een openbare verkoop onder toezicht van een deurwaarder, mag de betaling voor koperen kabels, oude metalen of goederen die edele materialen bevatten echter niet in contanten worden gedaan of ontvangen wanneer de koper geen consument is, tenzij deze edele materialen slechts in kleine hoeveelheden aanwezig zijn en uitsluitend vanwege hun noodzakelijke fysieke eigenschappen ".
  Bij gebrek aan een bepaling in de wet van 9 februari 2024 op het vlak van de inwerkingtreding van artikel 166, is dat artikel de tiende dag na de bekendmaking van de wet van 9 februari 2024 in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2024 in werking getreden.
  B.2. Vóór de vervanging ervan bij artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 bepaalde artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 :
  " Behalve in geval van openbare verkoop, uitgevoerd onder het toezicht van een gerechtsdeurwaarder :
  1° mag de betaling van koperkabels niet in contanten worden verricht of ontvangen, wanneer de koper geen consument is;
  2° mag de betaling van oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten, tenzij deze edele stoffen slechts in kleine hoeveelheid en enkel omwille van hun noodzakelijke fysische eigenschappen aanwezig zijn :
  a) niet in contanten worden verricht of ontvangen, wanneer noch de verkoper, noch de koper een consument is;
  b) niet in contanten worden verricht of ontvangen voor een bedrag van meer dan 500 euro wanneer de verkoper een consument is en de koper geen consument. Indien in dat laatste geval de koper de betaling geheel of gedeeltelijk in contanten aanvaardt te verrichten, moet hij de consument identificeren, zijn identiteit verifiëren en zijn gegevens en het bewijs van de verificatie bewaren, overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten ".
  B.3.1. De vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 bij artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 is het gevolg van het aannemen van een door meerdere parlementsleden in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend amendement.
  De parlementaire voorbereiding vermeldt :
  " Amendement nr. 14 heeft betrekking op het voorkomen van witwassen. Artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten werd gewijzigd om de regeling voor oude metalen en edelmetaalhoudende goederen af te stemmen op die voor koperkabels. Thans kan een consument die oude metalen of edelmetaalhoudende goederen verkoopt aan een handelaar een contante betaling van maximaal 500 euro ontvangen van de handelaar. In de toekomst zal dit niet langer het geval zijn : contante betaling zal in die situatie verboden zijn. De redenen voor deze wijziging, die voortkomen uit de bevindingen van de politie en de Economische Inspectie, zijn de volgende :
  - veel mensen doen zich voor als consument, terwijl de regelmaat van hun verkoop en de verkochte hoeveelheden wijzen op een beroepswerkzaamheid. De som van de contante betalingen aan die zogenaamde consumenten kan in sommige kringloopcentra zeer hoog oplopen. Zo zijn er cumulatieve geldopnames van meer dan 1 miljoen euro per jaar van de rekeningen van bepaalde ondernemingen vastgesteld;
  - de huidige limiet van 500 euro wordt regelmatig omzeild door het gebruik van verschillende identiteitskaarten. Er is vastgesteld dat verkopen van veel meer dan 500 euro worden opgesplitst in verschillende kleinere verkopen van een lager bedrag, die zogezegd elk door een andere persoon zouden zijn gedaan (de zogeheten ` salamitactiek ');
  - sommige schroothandelaars en juweliers zijn onzorgvuldig en verzuimen de verkoper te identificeren, waardoor ze concurrentieverstoring creëren ten opzichte van wie [...] de wet wel toepast;
  - sommige rondtrekkende opkopers van goud organiseren goudaankopen in hotels en dringen aan op contante betaling. Er wordt echter vastgesteld dat er maar heel weinig verkopers komen opdagen. Er bestaan daarom sterke vermoedens dat die mobiele goudaankopen worden gebruikt om de herkomst van gestolen juwelen te rechtvaardigen " (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3665/009, pp. 6-7).
  B.3.2. Daaruit blijkt dat de wetgever het, ter voorkoming van bepaalde door de politie en de Economische Inspectie vastgestelde misbruiken, aangewezen heeft geacht om een einde te maken aan de voorheen voor een consument bestaande mogelijkheid om oude metalen of edelmetaalhoudende goederen te verkopen aan een handelaar door middel van een betaling in contanten wanneer het te betalen bedrag niet meer dan 500 euro bedraagt. De bestreden bepaling brengt aldus met zich mee dat dergelijke transacties niet langer kunnen gebeuren door middel van een betaling in contanten.
  Ten gronde
  B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 1, c), 34, 35, 36, 56 en volgende, 63 en volgende, en 127 tot en met 133 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met de artikelen 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 " over de invoering van de euro " en met artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG van de Raad van 29 juni 1998 " betreffende de raadpleging van de Europese Centrale Bank door de nationale autoriteiten over ontwerpen van wettelijke bepalingen " (hierna : de beschikking 98/415/EG).
  De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat het amendement dat heeft geleid tot de bestreden bepaling niet voor advies werd voorgelegd aan de Europese Centrale Bank (hierna : de ECB).
  B.5. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
  Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
  Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
  B.6. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
  B.7.1. De in het eerste middel aangevoerde Europese referentienormen vormen een waarborg voor het handhaven van de prijsstabiliteit in de eengemaakte markt, teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie.
  B.7.2. Volgens artikel 127, lid 4, van het VWEU wordt de ECB geraadpleegd door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 129, lid 4, van het VWEU vaststelt.
  B.7.3. Artikel 2, lid 1, van de volgens de procedure van artikel 129, lid 4, van het VWEU door de Raad vastgestelde beschikking 98/415/EG bepaalt :
  " 1. De autoriteiten van de lidstaten raadplegen de ECB over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die krachtens het Verdrag onder de bevoegdheid van de ECB vallen, met name :
  - monetaire aangelegenheden;
  - betaalmiddelen;
  - nationale centrale banken;
  - het verzamelen, opmaken en verspreiden van monetaire, financiële en bankstatistieken, statistieken betreffende betalingssystemen en betalingsbalansstatistieken;
  - betalings- en afrekeningssystemen;
  - voorschriften voor financiële instellingen, voorzover die wezenlijk van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten ".
  B.7.4. Daaruit volgt dat de autoriteiten van de lidstaten de ECB onder meer dienen te raadplegen over ontwerpen van wettelijke bepalingen die betrekking hebben op betaalmiddelen.
  B.7.5. Daar de bestreden bepaling met zich meebrengt dat de verkoop, door een consument, van bepaalde goederen aan een handelaar niet langer kan gebeuren door middel van een betaling in contanten, betreft die bepaling een regeling van betaalmiddelen.
  Het amendement dat heeft geleid tot de bestreden bepaling, vormt aldus een " ontwerp van wettelijke bepaling " op een gebied dat onder de bevoegdheid van de ECB valt, in de zin van artikel 127, lid 4, van het VWEU. Dat amendement diende voor advies te worden voorgelegd aan de ECB.
  B.8.1. Het oorspronkelijke wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 9 februari 2024, dat onder meer voorzag in een principiële verplichting voor ondernemingen om contante betalingen door consumenten te aanvaarden, werd voor advies voorgelegd aan de ECB (advies van de ECB van 8 december 2023 " inzake de verplichting voor ondernemingen om contante betalingen van consumenten te aanvaarden ", CON/2023/40).
  Zoals is vermeld in B.3.1, is de bestreden bepaling evenwel het gevolg van het aannemen van een door meerdere parlementsleden in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend amendement (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3665/007, pp. 20-21).
  B.8.2. Noch uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 9 februari 2024, noch uit de databanken van de Europese Unie blijkt dat het voormelde amendement voor advies werd voorgelegd aan de ECB.
  B.8.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad lijkt aan te voeren, brengt de omstandigheid dat het oorspronkelijke wetsontwerp voor advies werd voorgelegd aan de ECB, niet met zich mee dat het amendement dat heeft geleid tot de bestreden bepaling niet voor advies aan de ECB diende te worden voorgelegd. De maatregel vervat in dat amendement verschilt immers van de maatregelen waarover de ECB zich heeft uitgesproken in haar advies van 8 december 2023.
  B.9. Het eerste middel is gegrond.
  Artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017, zoals vervangen bij artikel 166 van de wet van 9 februari 2024, dient te worden vernietigd.
  B.10. Daar het onderzoek van het tweede middel niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dient dat middel niet te worden onderzocht.
  Om die redenen,
  het Hof
  vernietigt artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 " tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ", zoals vervangen bij artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 " houdende diverse bepalingen inzake economie ".
  Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 maart 2025.
  De griffier,
  Nicolas Dupont
  De voorzitter,
  Luc Lavrysen
Article M.   Extrait de l'arrêt n° 48/2025 du 20 mars 2025
  Numéro du rôle : 8198
  En cause : le recours en annulation de l'article 166 de la loi du 9 février 2024 " portant dispositions diverses en matière d'économie " (remplacement de l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 " relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces "), introduit par la SRL " Vermetal " et autres.
  La Cour constitutionnelle,
  composée des présidents Luc Lavrysen et Pierre Nihoul, et des juges Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin et Magali Plovie, assistée du greffier Nicolas Dupont, présidée par le président Luc Lavrysen,
  après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant :
  I. Objet du recours et procédure
  Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 5 avril 2024 et parvenue au greffe le 8 avril 2024, un recours en annulation de l'article 166 de la loi du 9 février 2024 " portant dispositions diverses en matière d'économie " (remplacement de l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 " relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces "), publiée au Moniteur belge du 21 mars 2024, a été introduit par la SRL " Vermetal ", la SA " Schrootbedrijf A. De Rooy en zoon ", la SRL " Tribel Metals ", la SRL " De Knop Recycling ", la SRL " IJzerland ", la SRL " Alfamet ", la SRL " Transmétaux ", la SRL " Vandeweyer Recycling & Demolition ", la SRL " Vrints Scrap & Services ", la SRL " Degels-Metal ", la SA " Etn. Roosen ", la SRL " De Cocker Geert ", la SRL " Bally ", la SRL " Af-Logi ", la SRL " Kabel Recycling Company " et Johan Vincent, assistés et représentés par Me Wouter Vaassen, avocat au barreau de Bruxelles.
  Par la même requête, les parties requérantes demandaient également la suspension de la même disposition légale. Par l'arrêt n° 78/2024 du 4 juillet 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.078), publié au Moniteur belge du 13 septembre 2024, la Cour a rejeté la demande de suspension.
  (...)
  II. En droit
  (...)
  Quant à la disposition attaquée et à son contexte
  B.1. Les parties requérantes demandent l'annulation de l'article 166 de la loi du 9 février 2024 " portant dispositions diverses en matière d'économie " (ci-après : la loi du 9 février 2024), qui remplace l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 " relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces " (ci-après : la loi du 18 septembre 2017) comme suit :
  " Sauf en cas de vente publique effectuée sous la supervision d'un huissier de justice, une personne qui n'est pas un consommateur ne peut payer aucun montant en espèces lorsqu'elle achète des vieux métaux, des câbles en cuivre ou des biens contenant des matières précieuses à une autre personne, à moins que ces matières précieuses ne soient présentes en faible quantité seulement et uniquement en raison de leurs propriétés physiques nécessaires ".
  En l'absence, dans la loi du 9 février 2024, d'une disposition relative à l'entrée en vigueur de l'article 166, cet article est entré en vigueur le dixième jour qui a suivi la publication de la loi du 9 février 2024 au Moniteur belge du 21 mars 2024.
  B.2. Avant son remplacement par l'article 166 de la loi du 9 février 2024, l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 disposait :
  " Toutefois, sauf en cas de vente publique effectuée sous la supervision d'un huissier de justice :
  1° le paiement de câbles de cuivre ne peut être effectué ou reçu en espèces, lorsque l'acheteur n'est pas un consommateur;
  2° le paiement de vieux métaux ou de biens contenant des matières précieuses, à moins que ces matières précieuses ne soient présentes en faible quantité seulement et uniquement en raison de leurs propriétés physiques nécessaires :
  a) ne peut être effectué ou reçu en espèces lorsque ni le vendeur, ni l'acheteur ne sont des consommateurs;
  b) ne peut être effectué ou reçu en espèces au-delà de 500 euros lorsque le vendeur est un consommateur et l'acheteur n'est pas un consommateur. Dans ce dernier cas, si l'acheteur accepte d'effectuer le paiement en espèces pour tout ou partie du paiement, il doit identifier le consommateur, vérifier son identité et conserver ses données ainsi que la preuve de la vérification, selon les modalités prévues par le Roi ".
  B.3.1. Le remplacement de l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 par l'article 166 de la loi du 9 février 2024 résulte de l'adoption d'un amendement introduit par plusieurs parlementaires à la Chambre des représentants.
  Les travaux préparatoires mentionnent :
  " L'amendement n° 14 est relatif à la prévention du blanchiment. L'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces est modifié de manière à aligner le régime des vieux métaux et des biens contenant des matières précieuses sur celui des câbles de cuivre. Actuellement, un consommateur qui vend à un professionnel des vieux métaux ou des biens contenant des matières précieuses peut recevoir de celui-ci un paiement en espèces jusqu'à 500 euros. A l'avenir, ce ne sera plus le cas : le paiement en espèces sera interdit dans cette situation. Les raisons de cette modification, qui résultent des constatations policières et de l'Inspection économique, sont les suivantes :
  - de nombreuses personnes se font passer pour des consommateurs alors que la fréquence de leurs ventes et les quantités vendues démontrent une activité professionnelle. Le total des paiements en espèces réalisés à de tels soi-disant consommateurs peut atteindre des montants très élevés dans certains centres de recyclage. On a ainsi observé des retraits en espèces cumulés supérieurs à 1 million d'euros par an sur les comptes de certaines entreprises;
  - le plafond de 500 euros actuellement prévu est régulièrement détourné par l'utilisation de plusieurs cartes d'identité. Il a été observé que des ventes largement supérieures à 500 euros sont découpées en plusieurs petites ventes d'un montant inférieur, chacune étant prétendument effectuée par une personne différente (technique dite du ` saucissonnage ');
  - certains ferrailleurs et bijoutiers sont peu regardants et omettent d'identifier le vendeur, créant ainsi une distorsion de concurrence par rapport à ceux qui appliquent la loi;
  - certains acheteurs d'or ambulants organisent des achats d'or dans des hôtels, en insistant sur la rétribution en espèces. Or, il a été constaté que très peu de vendeurs se présentent. Il y a donc de forts soupçons que ces achats d'or ambulants servent à justifier la provenance de bijoux volés " (Doc. parl., Chambre, 2023-2024, DOC 55-3665/009, pp. 6-7).
  B.3.2. Il en ressort que le législateur a estimé qu'il s'indiquait, en prévention de certains abus constatés par la police et par l'Inspection économique, de mettre fin à la possibilité qu'avaient les consommateurs de vendre des vieux métaux ou des biens contenant des métaux précieux à un commerçant moyennant un paiement en espèces, lorsque le montant à payer n'excédait pas 500 euros. Il résulte ainsi de la disposition attaquée que de telles transactions ne peuvent plus se faire au moyen d'un paiement en espèces.
  Quant au fond
  B.4. Le premier moyen est pris de la violation, par la disposition attaquée, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec les articles 3, paragraphe 1, c), 34, 35, 36, 56 et suivants, 63 et suivants, et 127 à 133 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne (ci-après : le TFUE), avec les articles 10 et 11 du règlement (CE) n° 974/98 du Conseil du 3 mai 1998 " concernant l'introduction de l'euro " et avec l'article 2, paragraphe 1, de la décision 98/415/CE du Conseil du 29 juin 1998 " relative à la consultation de la Banque centrale européenne par les autorités nationales au sujet de projets de réglementation " (ci-après : la décision 98/415/CE).
  Les parties requérantes critiquent le fait que l'amendement qui a donné lieu à la disposition attaquée n'a pas été soumis pour avis à la Banque centrale européenne (ci-après : la BCE).
  B.5. Les articles 10 et 11 de la Constitution garantissent le principe d'égalité et de non-discrimination.
  Le principe d'égalité et de non-discrimination n'exclut pas qu'une différence de traitement soit établie entre des catégories de personnes, pour autant qu'elle repose sur un critère objectif et qu'elle soit raisonnablement justifiée.
  L'existence d'une telle justification doit s'apprécier en tenant compte du but et des effets de la mesure critiquée ainsi que de la nature des principes en cause; le principe d'égalité et de non-discrimination est violé lorsqu'il est établi qu'il n'existe pas de rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé.
  B.6. Les articles 10 et 11 de la Constitution ont une portée générale. Ils interdisent toute discrimination, quelle qu'en soit l'origine : les règles constitutionnelles de l'égalité et de la non-discrimination sont applicables à l'égard de tous les droits et de toutes les libertés, en ce compris ceux résultant des conventions internationales liant la Belgique.
  B.7.1. Les normes de référence de droit européen invoquées dans le premier moyen offrent une garantie pour la sauvegarde de la stabilité des prix au sein du marché unique, en vue de contribuer à la réalisation des objectifs de l'Union, tels que définis à l'article 3 du Traité sur l'Union européenne.
  B.7.2. Selon l'article 127, paragraphe 4, du TFUE, la BCE est consultée par les autorités nationales sur tout projet de réglementation dans les domaines relevant de sa compétence, mais dans les limites et selon les conditions fixées par le Conseil conformément à la procédure prévue à l'article 129, paragraphe 4, du TFUE.
  B.7.3. L'article 2, paragraphe 1, de la décision 98/415/CE, arrêtée par le Conseil selon la procédure de l'article 129, paragraphe 4, du TFUE, prévoit :
  " Les autorités des Etats membres consultent la BCE sur tout projet de réglementation relevant de son domaine de compétence en vertu du traité, et notamment en ce qui concerne :
  - les questions monétaires,
  - les moyens de paiement,
  - les banques centrales nationales,
  - la collecte, l'établissement et la diffusion de données statistiques en matière monétaire, financière, bancaire, de systèmes de paiement et de balance des paiements,
  - les systèmes de paiement et de règlement,
  - les règles applicables aux établissements financiers dans la mesure où elles ont une incidence sensible sur la stabilité des établissements et marchés financiers ".
  B.7.4. Il en découle que les autorités des Etats membres doivent consulter la BCE notamment sur des projets de réglementation qui concernent les moyens de paiement.
  B.7.5. Dès lors que la disposition attaquée a pour effet que la vente de certains biens par un consommateur à un commerçant ne peut plus s'effectuer au moyen d'un paiement en espèces, cette disposition réglemente des moyens de paiement.
  L'amendement qui a donné lieu à la disposition attaquée constitue ainsi un " projet de réglementation " dans un domaine qui relève de la compétence de la BCE, au sens de l'article 127, paragraphe 4, du TFUE. Cet amendement devait être soumis pour avis à la BCE.
  B.8.1. Le projet de loi initial qui a donné lieu à la loi du 9 février 2024, qui prévoyait notamment une obligation de principe faite aux entreprises d'accepter les paiements en espèces des consommateurs, a été soumis pour avis à la BCE (avis de la BCE du 8 décembre 2023 " sur l'obligation faite aux entreprises d'accepter le paiement en espèces des consommateurs ", CON/2023/40).
  Comme il est dit en B.3.1, la disposition attaquée résulte toutefois de l'adoption d'un amendement introduit par plusieurs parlementaires à la Chambre des représentants (Doc. parl., Chambre, 2023-2024, DOC 55-3665/007, pp. 20-21).
  B.8.2. Il ne ressort ni des travaux préparatoires de la loi du 9 février 2024 ni des bases de données de l'Union européenne que l'amendement précité ait été soumis pour avis à la BCE.
  B.8.3. Contrairement à ce que semble soutenir le Conseil des ministres, la circonstance que le projet de loi initial a été soumis pour avis à la BCE n'a pas pour conséquence que l'amendement ayant donné lieu à la disposition attaquée ne devait pas être soumis pour avis à la BCE. La mesure contenue dans cet amendement diffère en effet des mesures au sujet desquelles la BCE s'est prononcée dans son avis du 8 décembre 2023.
  B.9. Le premier moyen est fondé.
  L'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017, tel qu'il a été remplacé par l'article 166 de la loi du 9 février 2024, doit être annulé.
  B.10. Dès lors que l'examen du second moyen ne pourrait pas donner lieu à une annulation plus étendue, il n'y a pas lieu d'examiner celui-ci.
  Par ces motifs,
  la Cour
  annule l'article 67, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 septembre 2017 " relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ", tel qu'il a été remplacé par l'article 166 de la loi du 9 février 2024 " portant dispositions diverses en matière d'économie ".
  Ainsi rendu en langue néerlandaise, en langue française et en langue allemande, conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 20 mars 2025.
  Le greffier,
  Nicolas Dupont
  Le président,
  Luc Lavrysen