Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 DECEMBER 2024. - Wet tot omzetting van de amendementen van 2022 op het MLC-Verdrag
Titre
25 DECEMBRE 2024. - Loi transposant les amendements de 2022 à la Convention MLC
Documentinformatie
Info du document
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. In artikel 65 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 mei 2021, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"In het geval een zeevarende overlijdt tijdens een reis draagt de reder eveneens de kosten voor de repatriëring van het lichaam of de assen van de zeevarende, overeenkomstig de wensen van de zeevarende of diens nabestaanden, al naargelang het geval.
Indien een zeevarende overlijdt tijdens een reis aan boord van een schip dat onder vreemde vlag vaart dat zich in Belgische wateren bevindt of indien het overlijden plaatsvindt op volle zee en het schip vervolgens binnenkomt in Belgische territoriale wateren, zal de Belgische Staat de repatriëring van het lichaam of de assen van de zeevarende faciliteren overeenkomstig de wensen van de zeevarende of diens naaste verwanten, al naargelang het geval."
"In het geval een zeevarende overlijdt tijdens een reis draagt de reder eveneens de kosten voor de repatriëring van het lichaam of de assen van de zeevarende, overeenkomstig de wensen van de zeevarende of diens nabestaanden, al naargelang het geval.
Indien een zeevarende overlijdt tijdens een reis aan boord van een schip dat onder vreemde vlag vaart dat zich in Belgische wateren bevindt of indien het overlijden plaatsvindt op volle zee en het schip vervolgens binnenkomt in Belgische territoriale wateren, zal de Belgische Staat de repatriëring van het lichaam of de assen van de zeevarende faciliteren overeenkomstig de wensen van de zeevarende of diens naaste verwanten, al naargelang het geval."
Art. 2. Dans l'article 65 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, modifié en dernier lieu par la loi du 20 mai 2021, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Lorsqu'un marin décède au cours du voyage, l'armateur prend également à sa charge les frais de rapatriement du corps ou des cendres du marin décédé, conformément aux souhaits du marin ou de ses parents les plus proches, selon le cas.
Lorsqu'un marin décède au cours du voyage à bord d'un navire battant pavillon étranger se trouvant dans les eaux belges ou si le décès survient en haute mer et le navire entre ensuite les eaux territoriales belges, l'Etat belge facilitera le rapatriement du corps ou des cendres du marin, conformément au souhait du marin ou de ses parents les plus proches, selon le cas."
"Lorsqu'un marin décède au cours du voyage, l'armateur prend également à sa charge les frais de rapatriement du corps ou des cendres du marin décédé, conformément aux souhaits du marin ou de ses parents les plus proches, selon le cas.
Lorsqu'un marin décède au cours du voyage à bord d'un navire battant pavillon étranger se trouvant dans les eaux belges ou si le décès survient en haute mer et le navire entre ensuite les eaux territoriales belges, l'Etat belge facilitera le rapatriement du corps ou des cendres du marin, conformément au souhait du marin ou de ses parents les plus proches, selon le cas."
Art. 3. In artikel 61/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, ingevoegd bij de wet van 6 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. De Belgische Staat faciliteert de onmiddellijke repatriëring van zeevarenden, met inbegrip wanneer ze als verlaten worden beschouwd in de zin van artikel 68/1, § 5 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen of standaard A2.5.2, paragraaf 2 van het MLC-Verdrag, die werken aan boord van schepen die onder Belgische vlag varen, alsook hun vervanging aan boord.";
2° artikel 61/1 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Scheepvaartcontrole kan het aanmonsteren van zeevarenden die op een schip worden ingezet ter vervanging van zeevarenden die werden verlaten op een schip dat onder Belgische vlag vaart, weigeren indien er niet voldoende garanties zijn dat deze zeevarenden zullen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van het MLC-Verdrag."
1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. De Belgische Staat faciliteert de onmiddellijke repatriëring van zeevarenden, met inbegrip wanneer ze als verlaten worden beschouwd in de zin van artikel 68/1, § 5 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen of standaard A2.5.2, paragraaf 2 van het MLC-Verdrag, die werken aan boord van schepen die onder Belgische vlag varen, alsook hun vervanging aan boord.";
2° artikel 61/1 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Scheepvaartcontrole kan het aanmonsteren van zeevarenden die op een schip worden ingezet ter vervanging van zeevarenden die werden verlaten op een schip dat onder Belgische vlag vaart, weigeren indien er niet voldoende garanties zijn dat deze zeevarenden zullen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van het MLC-Verdrag."
Art. 3. A l'article 61/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006, inséré par la loi du 6 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
" § 4. L'Etat belge facilite le prompt rapatriement des marins, y compris lorsqu'ils sont considérés comme ayant été abandonnés au sens de l'article 68/1, § 5, de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail ou du paragraphe 2 de la norme A2.5.2 de la Convention MLC, qui servent sur des navires battant pavillon belge ainsi que leur remplacement à bord.";
2° l'article 61/1 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. Le Contrôle de la navigation peut refuser l'engagement de marins à bord d'un navire pour remplacer ceux qui ont été abandonnés sur un navire battant pavillon belge s'il n'y a pas de garanties suffisantes que ces marins seront traités conformément aux dispositions de la Convention MLC."
1° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
" § 4. L'Etat belge facilite le prompt rapatriement des marins, y compris lorsqu'ils sont considérés comme ayant été abandonnés au sens de l'article 68/1, § 5, de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail ou du paragraphe 2 de la norme A2.5.2 de la Convention MLC, qui servent sur des navires battant pavillon belge ainsi que leur remplacement à bord.";
2° l'article 61/1 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. Le Contrôle de la navigation peut refuser l'engagement de marins à bord d'un navire pour remplacer ceux qui ont été abandonnés sur un navire battant pavillon belge s'il n'y a pas de garanties suffisantes que ces marins seront traités conformément aux dispositions de la Convention MLC."
Art. 4. In artikel 63/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Als in de repatriëring van de zeevarenden niet wordt voorzien door de reder, de verstrekker van de financiële zekerheid overeenkomstig het MLC-Verdrag, de vlagstaat van het schip of het land waarvan de zeevarenden de nationaliteit dragen, draagt de Belgische Staat de kosten van repatriëring indien het schip zich in een Belgische haven bevindt. De Belgische Staat draagt eveneens de kosten van de repatriëring van Belgische zeevarenden indien de reder, de verstrekker van de financiële zekerheid overeenkomstig het MLC-Verdrag, de vlagstaat van het schip of het land waaruit de zeevarenden moeten worden gerepatrieerd niet voorzien in de repatriëring.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. De Belgische Staat faciliteert de onmiddellijke repatriëring van zeevarenden, met inbegrip wanneer ze als verlaten worden beschouwd in de zin van artikel 68/1, § 5 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen of norm A2.5.2, paragraaf 2 van het MLC-Verdrag, die werken aan boord van schepen die een Belgische haven aandoen of door de Belgische territoriale wateren of binnenwateren varen, alsook hun vervanging aan boord.";
3° artikel 63/1 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Scheepvaartcontrole kan het aanmonsteren van zeevarenden die op een schip worden ingezet ter vervanging van zeevarenden die werden verlaten op een schip in België weigeren indien er niet voldoende garanties zijn dat deze zeevarenden zullen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van het MLC-Verdrag."
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Als in de repatriëring van de zeevarenden niet wordt voorzien door de reder, de verstrekker van de financiële zekerheid overeenkomstig het MLC-Verdrag, de vlagstaat van het schip of het land waarvan de zeevarenden de nationaliteit dragen, draagt de Belgische Staat de kosten van repatriëring indien het schip zich in een Belgische haven bevindt. De Belgische Staat draagt eveneens de kosten van de repatriëring van Belgische zeevarenden indien de reder, de verstrekker van de financiële zekerheid overeenkomstig het MLC-Verdrag, de vlagstaat van het schip of het land waaruit de zeevarenden moeten worden gerepatrieerd niet voorzien in de repatriëring.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. De Belgische Staat faciliteert de onmiddellijke repatriëring van zeevarenden, met inbegrip wanneer ze als verlaten worden beschouwd in de zin van artikel 68/1, § 5 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen of norm A2.5.2, paragraaf 2 van het MLC-Verdrag, die werken aan boord van schepen die een Belgische haven aandoen of door de Belgische territoriale wateren of binnenwateren varen, alsook hun vervanging aan boord.";
3° artikel 63/1 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Scheepvaartcontrole kan het aanmonsteren van zeevarenden die op een schip worden ingezet ter vervanging van zeevarenden die werden verlaten op een schip in België weigeren indien er niet voldoende garanties zijn dat deze zeevarenden zullen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van het MLC-Verdrag."
Art. 4. A l'article 63/1 de la même loi, inséré par la loi du 6 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Si le rapatriement des marins n'est pas assuré par l'armateur, le prestataire de la garantie financière conformément à la Convention MLC, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat dont les marins sont ressortissants, l'Etat belge prend en charge les frais de rapatriement si le navire se trouve dans un port belge. L'Etat belge prend également en charge les frais de rapatriement des marins belges si l'armateur, le prestataire de la garantie financière conformément à la Convention MLC, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat à partir du territoire duquel le marin doit être rapatrié ne prévoient pas le rapatriement.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
" § 4. L'Etat belge facilite le prompt rapatriement des marins, y compris lorsqu'ils sont considérés comme ayant été abandonnés au sens de l'article 68/1, § 5, de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail ou du paragraphe 2 de la norme A2.5.2 de la Convention MLC, qui servent sur des navires faisant escale dans les ports belges ou traversant les eaux belges territoriales ou intérieures ainsi que leur remplacement à bord.";
3° l'article 63/1 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. Le Contrôle de la navigation peut refuser l'engagement de marins à bord d'un navire pour remplacer ceux qui ont été abandonnés sur un navire en Belgique s'il n'y a pas de garanties suffisantes que ces marins seront traités conformément aux dispositions de la Convention MLC."
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Si le rapatriement des marins n'est pas assuré par l'armateur, le prestataire de la garantie financière conformément à la Convention MLC, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat dont les marins sont ressortissants, l'Etat belge prend en charge les frais de rapatriement si le navire se trouve dans un port belge. L'Etat belge prend également en charge les frais de rapatriement des marins belges si l'armateur, le prestataire de la garantie financière conformément à la Convention MLC, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat à partir du territoire duquel le marin doit être rapatrié ne prévoient pas le rapatriement.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
" § 4. L'Etat belge facilite le prompt rapatriement des marins, y compris lorsqu'ils sont considérés comme ayant été abandonnés au sens de l'article 68/1, § 5, de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail ou du paragraphe 2 de la norme A2.5.2 de la Convention MLC, qui servent sur des navires faisant escale dans les ports belges ou traversant les eaux belges territoriales ou intérieures ainsi que leur remplacement à bord.";
3° l'article 63/1 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. Le Contrôle de la navigation peut refuser l'engagement de marins à bord d'un navire pour remplacer ceux qui ont été abandonnés sur un navire en Belgique s'il n'y a pas de garanties suffisantes que ces marins seront traités conformément aux dispositions de la Convention MLC."
Art. 5. In titel 4 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 mei 2021, wordt een hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende "Toegang tot medische voorzieningen voor zeevarenden".
Art. 5. Dans le titre 4 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006, modifié en dernier lieu par la loi du 20 mai 2021, il est inséré un chapitre 3 intitulé "Accès des marins à des installations médicales".
Art. 6. In hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 63/2 ingevoegd luidende:
"Art. 63/2. Zeevarenden aan boord van schepen die zich in Belgische wateren bevinden die onmiddellijke medische zorg nodig hebben, hebben het recht om onmiddellijk van boord te gaan en toegang te krijgen tot medische voorzieningen aan wal voor het verstrekken van een passende behandeling.
De reder draagt de kosten voor de medische voorzieningen en behandeling van de zeevarenden."
"Art. 63/2. Zeevarenden aan boord van schepen die zich in Belgische wateren bevinden die onmiddellijke medische zorg nodig hebben, hebben het recht om onmiddellijk van boord te gaan en toegang te krijgen tot medische voorzieningen aan wal voor het verstrekken van een passende behandeling.
De reder draagt de kosten voor de medische voorzieningen en behandeling van de zeevarenden."
Art. 6. Dans le chapitre 3, inséré par l'article 5, il est inséré un article 63/2 rédigé comme suit:
"Art. 63/2. Les marins à bord de navires se trouvant dans les eaux belges, ayant besoin de soins médicaux immédiats, ont le droit de débarquer immédiatement et d'avoir accès à des installations médicales à terre pour recevoir un traitement approprié.
L'armateur assume les frais liés aux installations médicales et au traitement du ou des marins."
"Art. 63/2. Les marins à bord de navires se trouvant dans les eaux belges, ayant besoin de soins médicaux immédiats, ont le droit de débarquer immédiatement et d'avoir accès à des installations médicales à terre pour recevoir un traitement approprié.
L'armateur assume les frais liés aux installations médicales et au traitement du ou des marins."
Art. 7. Artikel 2.2.5.14, § 1 van het Belgisch Scheepvaart-wetboek, gewijzigd bij wet van 16 juni 2021, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende:
"6° de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006."
"6° de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006."
Art. 7. L'article 2.2.5.14, § 1er, du Code belge de la Navigation, modifié par la loi du 16 juin 2021, est complété par un 6° rédigé comme suit:
"6° les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006."
"6° les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006."
Art. 8. Artikel 2.2.6.1, 1° van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij wet van 16 juni 2021, wordt aangevuld met een bepaling onder t), luidende:
"t) de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006;"
"t) de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006;"
Art. 8. L'article 2.2.6.1, 1°, du même Code, modifié par la loi du 16 juin 2021, est complété par un t) rédigé comme suit:
"t) les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006;"
"t) les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006;"
Art. 9. Artikel 2.7.7.10 van hetzelfde wetboek waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 tot 4, luidende:
" § 2. De reder rapporteert onverwijld elk overlijden van zeevarenden die werkzaam zijn of zijn gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verrichten aan boord van een schip dat onder Belgische vlag vaart aan FOSO.
Deze rapportering vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de reder, en van de werkgever, indien deze anders is dan de reder;
2° de identificatiegegevens van de overleden zeevarenden, namelijk naam en voornaam (of voornamen), geboortedatum, geslacht, evenals de functie en de dienst van de zeevarende;
3° de naam, de thuishaven en het IMO-nummer van het schip;
4° het type schip en de brutotonnenmaat van het schip;
5° de doodsoorzaak zoals bepaald in de overlijdensakte, in zoverre deze beschikbaar is;
6° alle andere relevante informatie en documenten.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de rapportering vanwege de reders aan FOSO.
§ 3. De FOSO onderzoekt alle overlijdens van zeevarenden zoals bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel.
Indien er reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van artikel 94bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, geldt dit als onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 4. De FOSO rapporteert jaarlijks alle overlijdens aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Deze rapportering bevat:
1° de informatie over het type overlijden;
2° het type en de brutotonnenmaat van het schip;
3° de plaats van het schip op het moment van de feiten;
4° het geslacht, de leeftijd, de functie en de dienst van de zeevarende.
Deze rapportering bevat geen enkel persoonsgegeven, noch de identificatiegegevens van het betrokken schip.
De Koning bepaalt de nadere regels op basis waarvan FOSO deze overlijdens rapporteert aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau."
" § 2. De reder rapporteert onverwijld elk overlijden van zeevarenden die werkzaam zijn of zijn gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verrichten aan boord van een schip dat onder Belgische vlag vaart aan FOSO.
Deze rapportering vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de reder, en van de werkgever, indien deze anders is dan de reder;
2° de identificatiegegevens van de overleden zeevarenden, namelijk naam en voornaam (of voornamen), geboortedatum, geslacht, evenals de functie en de dienst van de zeevarende;
3° de naam, de thuishaven en het IMO-nummer van het schip;
4° het type schip en de brutotonnenmaat van het schip;
5° de doodsoorzaak zoals bepaald in de overlijdensakte, in zoverre deze beschikbaar is;
6° alle andere relevante informatie en documenten.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de rapportering vanwege de reders aan FOSO.
§ 3. De FOSO onderzoekt alle overlijdens van zeevarenden zoals bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel.
Indien er reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van artikel 94bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, geldt dit als onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 4. De FOSO rapporteert jaarlijks alle overlijdens aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Deze rapportering bevat:
1° de informatie over het type overlijden;
2° het type en de brutotonnenmaat van het schip;
3° de plaats van het schip op het moment van de feiten;
4° het geslacht, de leeftijd, de functie en de dienst van de zeevarende.
Deze rapportering bevat geen enkel persoonsgegeven, noch de identificatiegegevens van het betrokken schip.
De Koning bepaalt de nadere regels op basis waarvan FOSO deze overlijdens rapporteert aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau."
Art. 9. L'article 2.7.7.10 du même Code, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 à 4 rédigés comme suit:
" § 2. L'armateur notifie immédiatement à l'OFEAN chaque décès de marin employé, engagé ou travaillant à quelque titre que ce soit à bord d'un navire battant pavillon belge.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'armateur, et de l'employeur s'il est différent de l'armateur;
2° les données d'identification du marin décédé, à savoir les nom et prénom(s), la date de naissance, le sexe, ainsi que la fonction et le service du marin;
3° le nom, le port d'attache et le numéro OMI du navire;
4° le type du navire et la jauge brute du navire;
5° la cause du décès telle qu'indiquée dans l'acte de décès, dans la mesure où il est disponible;
6° tous autres informations et documents utiles.
Le Roi détermine les modalités de la notification des armateurs à l'OFEAN.
§ 3. L'OFEAN enquête sur tous les décès de marins tels que visés au paragraphe 2 du présent article.
Si une enquête a déjà eu lieu sur la base de l'article 94bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, elle équivaut à une enquête telle que visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'OFEAN rapporte chaque année tous les décès au Directeur général du Bureau international du travail.
Cette déclaration inclut:
1° des informations sur le type du décès;
2° le type et la jauge brute du navire;
3° la position de navire au moments des faits;
4° le sexe, l'âge, la fonction et le service du marin.
Cette déclaration ne peut contenir aucune donnée à caractère personnel, ni les données d'identification des navires concernés.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles l'OFEAN déclare ces décès au Directeur général du Bureau international du travail."
" § 2. L'armateur notifie immédiatement à l'OFEAN chaque décès de marin employé, engagé ou travaillant à quelque titre que ce soit à bord d'un navire battant pavillon belge.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'armateur, et de l'employeur s'il est différent de l'armateur;
2° les données d'identification du marin décédé, à savoir les nom et prénom(s), la date de naissance, le sexe, ainsi que la fonction et le service du marin;
3° le nom, le port d'attache et le numéro OMI du navire;
4° le type du navire et la jauge brute du navire;
5° la cause du décès telle qu'indiquée dans l'acte de décès, dans la mesure où il est disponible;
6° tous autres informations et documents utiles.
Le Roi détermine les modalités de la notification des armateurs à l'OFEAN.
§ 3. L'OFEAN enquête sur tous les décès de marins tels que visés au paragraphe 2 du présent article.
Si une enquête a déjà eu lieu sur la base de l'article 94bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, elle équivaut à une enquête telle que visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'OFEAN rapporte chaque année tous les décès au Directeur général du Bureau international du travail.
Cette déclaration inclut:
1° des informations sur le type du décès;
2° le type et la jauge brute du navire;
3° la position de navire au moments des faits;
4° le sexe, l'âge, la fonction et le service du marin.
Cette déclaration ne peut contenir aucune donnée à caractère personnel, ni les données d'identification des navires concernés.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles l'OFEAN déclare ces décès au Directeur général du Bureau international du travail."
Art. 10. Artikel 2.7.7.19 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
" § 3. De gegevens zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 2 en § 3 worden verzameld, verwerkt en bewaard om FOSO in staat te stellen de onderzoeken uit te voeren zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 3 en de gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 4 te bezorgen met het oog op de publicatie ervan in een mondiaal register.
De gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, §§ 2 en 3 worden niet langer bewaard dan de periode die strikt noodzakelijk is om de doeleinden vermeld in het eerste lid te verwezenlijken, zonder dat de periode langer mag zijn dan 10 jaar.
De gegevens zijn enkel beschikbaar voor FOSO, het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, de Algemene Directie Toezicht op het welzijn op het werk en de Directie van de juridische studiën en de geschillen van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en IAO.
De verwerkingsverantwoordelijke is het Directoraat-Generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
De Koning kan de nadere regels van de gegevensverwerking bepalen.
" § 3. De gegevens zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 2 en § 3 worden verzameld, verwerkt en bewaard om FOSO in staat te stellen de onderzoeken uit te voeren zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 3 en de gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 4 te bezorgen met het oog op de publicatie ervan in een mondiaal register.
De gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, §§ 2 en 3 worden niet langer bewaard dan de periode die strikt noodzakelijk is om de doeleinden vermeld in het eerste lid te verwezenlijken, zonder dat de periode langer mag zijn dan 10 jaar.
De gegevens zijn enkel beschikbaar voor FOSO, het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, de Algemene Directie Toezicht op het welzijn op het werk en de Directie van de juridische studiën en de geschillen van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en IAO.
De verwerkingsverantwoordelijke is het Directoraat-Generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
De Koning kan de nadere regels van de gegevensverwerking bepalen.
Art. 10. L'article 2.7.7.19 du même Code, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit:
" § 3. Les données visées à l'article 2.7.7.7.10, §§ 2 et 3 sont collectées, traitées et conservées en vue de permettre à l'OFEAN de réaliser les enquêtes visées à l'article 2.7.7.10, § 3 et de fournir au Directeur général du Bureau international du travail les données visées à l'article 2.7.7.10, § 4 en vue de leur publication dans un registre mondial.
Les données visées à l'article 2.7.7.10, §§ 2 et 3 ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que précisées à l'alinéa premier, sans que le délai n'excède 10 ans.
Les données sont uniquement disponibles pour l'OFEAN, la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, la Direction générale Contrôle du bien-être au travail et la direction des études juridiques et du contentieux de la direction générale Droit du travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale et l'OIT.
Le responsable du traitement est la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Le Roi peut déterminer les autres modalités du traitement de données.
" § 3. Les données visées à l'article 2.7.7.7.10, §§ 2 et 3 sont collectées, traitées et conservées en vue de permettre à l'OFEAN de réaliser les enquêtes visées à l'article 2.7.7.10, § 3 et de fournir au Directeur général du Bureau international du travail les données visées à l'article 2.7.7.10, § 4 en vue de leur publication dans un registre mondial.
Les données visées à l'article 2.7.7.10, §§ 2 et 3 ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que précisées à l'alinéa premier, sans que le délai n'excède 10 ans.
Les données sont uniquement disponibles pour l'OFEAN, la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, la Direction générale Contrôle du bien-être au travail et la direction des études juridiques et du contentieux de la direction générale Droit du travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale et l'OIT.
Le responsable du traitement est la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Le Roi peut déterminer les autres modalités du traitement de données.
Art. 11. Deze wet treedt in werking op 23 december 2024.
Art. 11. La présente loi entre en vigueur le 23 décembre 2024.