Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 MEI 2024. - Reglement van 14 mei 2024 van de Nationale Bank van België tot wijziging van het reglement van 15 november 2011 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen en van het reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
Titre
14 MAI 2024. - Règlement du 14 mai 2024 de la Banque nationale de Belgique modifiant le règlement du 15 novembre 2011 de la Banque nationale de Belgique relatif aux fonds propres des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et le règlement du 4 mars 2014 de la Banque nationale de Belgique relatif à la mise en oeuvre du Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het reglement van 15 november 2011 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen
CHAPITRE 1er. - Modifications du règlement du 15 novembre 2011 de la Banque nationale de Belgique relatif aux fonds propres des établissements de crédit et des entreprises d'investissement
Artikel 1. In artikel I.1 van het reglement van 15 november 2011 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° bijkantoren van kredietinstellingen uit derde landen als bedoeld in Boek III, Titel II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;";
b) de bepaling onder 2° wordt opgeheven;
c) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° de in België gevestigde bijkantoren in België van beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van derde landen, als bedoeld in boek III, titel III van de wet van 20 juli 2022 inzake het statuut van en het toezicht op de beursvennootschappen en in Titel 3, Hoofdstuk 2, Afdeling 3 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en die van de NBB of de FSMA een vergunning hebben verkregen als beursvennootschap of als vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.".
Article 1er. Dans l'article I.1 du règlement du 15 novembre 2011 de la Banque nationale de Belgique relatif aux fonds propres des établissements de crédit et des entreprises d'investissement, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° succursales d'établissements de crédit de pays tiers visées au livre III, titre II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ; " ;
b) le 2° est abrogé ;
c) le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° aux succursales établies en Belgique d'entreprises d'investissement relevant du droit de pays tiers, visées au livre III, titre III de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et au Titre 3, Chapitre 2, Section 3 de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et qui ont obtenu auprès de la BNB ou la FSMA, l'agrément de société de bourse ou de société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het reglement van de Nationale Bank van België van 4 maart 2014 betreffende de uitvoering van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
CHAPITRE 2. - Modifications du règlement de la Banque nationale de Belgique du 4 mars 2014 relatif à la mise en oeuvre du Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013
Art. 2. § 1. De instellingen passen de in de punten 1° en 2° bedoelde criteria toe, wanneer zij de in artikel 16bis, tweede lid, van dit reglement bedoelde beoordeling uitvoeren, met betrekking tot de in artikel 16bis, eerste lid, onder d), van dit reglement vastgestelde voorwaarden.
Om de naleving te beoordelen van de voorwaarden overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder a), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of:
a) er sprake is van enige bestaande of verwachte materiële praktische of juridische belemmering die de tijdige terugbetaling van de blootstelling aan de instelling zou belemmeren, behoudens in een herstel- of afwikkelingssituatie, waarin de in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde beperkingen moeten worden toegepast;
b) de betrokken blootstellingen stroken met de normale bedrijfsvoering en het bedrijfsmodel van de instelling of gerechtvaardigd worden door de netwerkfinancieringsstructuur;
c) het besluitvormingsproces waarmee een blootstelling aan een intragroeptegenpartij wordt goedgekeurd, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op individueel niveau, en, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast op de kredietverstrekking aan derden;
d) de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportering van de instelling een doorgaande controle mogelijk maken en verzekeren dat de grote blootstellingen aan het centraal orgaan of de regionale entiteiten in overeenstemming zijn met de risicostrategie van de instelling.
Om de naleving te beoordelen van de voorwaarden overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder b), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of:
a) de instelling over robuuste processen, procedures en controles beschikt om te verzekeren dat gebruik van de vrijstelling niet zou resulteren in een concentratierisico dat haar risicostrategie te boven gaat;
b) de instelling formeel met het uit blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico rekening heeft gehouden als onderdeel van haar globale risicobeoordelingskader;
c) de instelling over een risicobeheersingskader beschikt dat de betrokken blootstellingen adequaat monitort;
d) het voorkomende concentratierisico duidelijk is of zal worden geïdentificeerd in de interne kapitaaltoereikenheid (Internal Capital Adequacy Assessment Process ICAAP) van de instelling en actief zal worden beheerd. De regelingen, processen en mechanismen voor het concentratierisicobeheer zullen in het toetsings- en evaluatieproces in het kader van toezicht (Supervisory Review and Evaluation Process - SREP) worden beoordeeld.
§ 2. Bovendien, om te beoordelen of het centrale orgaan of een regionale entiteit waarmee de instelling in het kader van een netwerk is verbonden, verantwoordelijk is voor de verevening van onderlinge geldposities, als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of de statuten of oprichtingsakten van het centrale orgaan of de regionale entiteiten expliciet bepalen dat zij onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende verantwoordelijkheden hebben:
a) marktfinanciering voor het hele netwerk;
b) verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk, in het kader van de toepassing van artikel 10 van Verordening nr. 575/2013;
c) liquiditeitsverstrekking aan aangesloten instellingen;
d) afroming van het liquiditeitsoverschot van aangesloten instellingen.
§ 3. Om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van de paragrafen 1 en 2, stellen de instellingen de volgende documenten op het eerste verzoek ter beschikking van de NBB:
een door de wettelijke vertegenwoordiger van de instelling ondertekende en door het beheersorgaan goedgekeurde brief waarin verklaard wordt dat de instelling voldoet aan alle in artikel 400, lid 3 van verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden voor de verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van genoemde verordening;
een door het beheersorgaan goedgekeurd juridisch advies van hetzij een onafhankelijke externe jurist, hetzij de interne juridische dienst, waarin wordt aangetoond dat er geen belemmeringen zijn, hetzij in toepasselijke voorschriften, waaronder fiscale voorschriften, hetzij op grond van bindende overeenkomsten, voor een tijdige terugbetaling van de blootstellingen van de instelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten;
een door de wettelijke vertegenwoordiger van de instelling ondertekende en door haar beheersorgaan goedgekeurde verklaring waarin wordt bevestigd dat:
a) er geen praktische belemmeringen zijn voor de tijdige terugbetalingen van de blootstellingen van de instelling aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten;
b) de netwerkfinancieringsstructuur de blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten rechtvaardigt;
c) het besluitvormingsproces tot goedkeuring van een blootstelling aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op individueel niveau en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast op kredietverstrekking aan derden;
d) rekening is gehouden met het uit blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico als onderdeel van het globale risicobeoordelingskader van de instelling;
door de wettelijke vertegenwoordiger van in de instelling ondertekende en door haar beheersorgaan goedgekeurde documenten waarin verklaard wordt dat de risico-evaluatieprocedures, de waarderings- en controleprocedures van de instelling dezelfde zijn als die van het centrale orgaan en de regionale entiteiten, en dat de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de instelling mogelijk maken dat het leidinggevend orgaan het niveau van de grote blootstellingen voortdurend kan monitort, en dat het beheersorgaan voortdurend kan monitoren of het niveau van de grote blootstelling strookt met haar risicostrategie op individueel niveau en, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, en of het niveau van de grote blootstelling strookt met de beginselen van goed intern liquiditeitsbeheer binnen het netwerk;
documenten die aantonen dat de interne kapitaaltoereikenheid (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) het uit grote blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico duidelijk identificeert en dat dit risico actief wordt beheerd;
documenten die aantonen dat het beheer van het concentratierisico strookt met het herstelplan van het netwerk.".
Art. 2. § 1er. Les établissements appliquent les critères énoncés sous les points 1° et 2° lorsqu'ils procèdent à l'évaluation visée à l'article 16bis, alinéa 2 du présent règlement, s'agissant des conditions prévues à l'article 16bis, alinéa 1er, point d) du même règlement.
afin d'évaluer le respect des conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, point a), du Règlement n° 575/2013, les établissements examinent :
a) s'il existe, en droit ou en fait, des obstacles significatifs, actuels ou prévisibles, susceptibles d'empêcher le remboursement à l'échéance de l'exposition par la contrepartie de l'établissement, autres que dans une situation de redressement ou de résolution dans laquelle les restrictions énoncées dans la Directive 2014/59/UE doivent être mises en oeuvre ;
b) si les expositions concernées sont conformes à la conduite normale des affaires de l'établissement et à son modèle économique ou sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
c) si le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau individuel et, le cas échéant, au niveau consolidé, sont semblables à ceux appliqués aux prêts à des tiers ;
d) si les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent de vérifier et de garantir en permanence que les grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales sont compatibles avec la stratégie de l'établissement en matière de risques.
Afin d'évaluer le respect des conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, point b), du Règlement n° 575/2013, les établissements examinent si :
a) l'établissement dispose de processus, de procédures et de contrôles solides pour garantir que l'utilisation de l'exemption n'entraîne pas un risque de concentration dépassant le cadre de sa stratégie en matière de risques ;
b) l'établissement a de manière formelle pris en compte le risque de concentration découlant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales en tant qu'élément de son dispositif global d'évaluation des risques ;
c) l'établissement dispose d'un dispositif de contrôle des risques qui suit de manière adéquate les expositions concernées ;
d) le risque de concentration survenu a été ou sera clairement identifié dans le cadre du processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) de l'établissement et s'il sera géré activement. Les dispositifs, processus et mécanismes de gestion du risque de concentration seront évalués lors du processus de surveillance et d'évaluation prudentielle (Supervisory Review and Evaluation Process - SREP).
§ 2. En outre, pour évaluer si l'organisme central ou une entité régionale auquel ou à laquelle l'établissement est associé au sein d'un réseau, est responsable d'opérer la compensation des liquidités comme mentionné à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement n° 575/2013, les établissements vérifient si les statuts ou actes constitutifs de l'organisme central ou des entités régionales prévoient explicitement, mais pas uniquement, que ceux-ci sont en charge des responsabilités suivantes :
a) le financement sur les marchés pour l'ensemble du réseau ;
b) la compensation des liquidités au sein du réseau, dans le contexte de l'application de l'article 10 du Règlement n° 575/2013 ;
c) la fourniture de liquidités aux établissements affiliés ;
d) l'absorption de l'excédent de liquidité des établissements affiliés.
§ 3. Afin de vérifier si les conditions visées aux paragraphes 1er et 2 sont remplies, les établissements mettent à la disposition de la BNB, à la première demande, les documents suivants :
une lettre signée par le représentant légal de l'établissement, approuvée par l'organe de direction, attestant que l'établissement remplit toutes les conditions visées à l'article 400, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013, nécessaires à l'octroi d'une exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d) dudit règlement ;
un avis juridique, émis par un juriste externe indépendant ou par le service juridique interne, et approuvé par l'organe de direction, démontrant qu'il n'existe aucun obstacle résultant soit de règlementations applicables, y compris de nature fiscale, soit d'accords contractuels contraignants, aux remboursements, à l'échéance, des expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales ;
une déclaration signée par le représentant légal de l'établissement et approuvée par son organe de direction confirmant que :
a) qu'il n'existe aucun obstacle en fait empêchant les remboursements à l'échéance d'expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales ;
ib) que les expositions sur l'organisme central ou les entités régionales sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
c) que le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau individuel et au niveau consolidé, sont similaires à ceux appliqués aux prêts à des tiers ;
d) que le risque de concentration résultant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales a été pris en compte en tant qu'élément du dispositif global d'évaluation des risques de l'établissement ;
les documents signés par le représentant légal de l'établissement et approuvés par son organe de directioni, attestant que les procédures de l'établissement en matière d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques sont les mêmes que celles de l'organisme central et des entités régionales et que les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent à l'organe de direction de suivre en permanence le niveau des grands risques et sa compatibilité avec sa stratégie en matière de risques de l'établissement au niveau individuel et, le cas échéant, au niveau consolidé, ainsi qu'avec les principes d'une gestion interne saine de la liquidité au sein du réseau ;
les documents démontrant que le processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) identifie clairement le risque de concentration découlant des grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales et que ce risque est géré activement ;
les documents démontrant que la gestion du risque de concentration est cohérente avec le plan de redressement du réseau. ".
Art. 3. Artikel 2 van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt:
"Art. 2. Dit reglement is van toepassing op de kredietinstellingen naar Belgisch recht als bedoeld in boek II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, alsook op grote beursvennootschappen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen, hierna "de instelling" of "de instellingen" genoemd.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 3, 4, 5, 9, 10, eerste lid, 11, 12, 13, 15, 16bis, 16ter, 16quater, 16quinquies, 16sexies, 16septies, 16octies en 35, en de bijlage bij dit reglement enkel van toepassing op de kredietinstellingen naar Belgisch recht die krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening, en op de grote beursvennootschappen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen.".
Art. 3. L'article 2 du même règlement est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Le présent règlement s'applique aux établissements de crédit de droit belge visés au livre II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi qu'aux sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse, ci-après " l'établissement " ou " les établissements.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 3, 4, 5, 9, 10, alinéa 1er, 11, 12, 13, 15, 16bis, 16ter, 16quater, 16quinquies, 16sexies, 16septies, 16octies et 35, et l'annexe au présent règlement ne sont applicables qu'aux établissements de crédit de droit belge qui ne relèvent pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4, du Règlement MSU, et aux sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse. ".
Art. 4. De titel van artikel 4 van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt :
"EIGENVERMOGENSBESTANDDELEN"
Art. 4. L'intitulé de l'article 4 du même règlement est remplacé par ce qui suit :
" ELEMENTS DE FONDS PROPRES "
Art. 5. Artikel 14 van hetzelfde reglement wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 14 du même règlement est abrogé.
Art. 6. In artikel 15 van hetzelfde reglement, wordt punt c) vervangen als volgt:
"c) om de risico's te dekken die verband houden met het feit dat rekening wordt gehouden met de kans dat een converteerbaar effect wordt geconverteerd, blijft 10 % van de posities die gecompenseerd zijn met posities op converteerbare effecten evenwel onderworpen aan de vereisten van Deel III, Titel IV, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van de genoemde verordening.".
Art. 6. Dans l'article 15 du même règlement, le c) est remplacé par ce qui suit :
" c) afin de couvrir les risques liés à la prise en compte de la probabilité de conversion des titres convertibles, 10 % des positions compensées par des positions sur des titres convertibles resteront néanmoins soumises aux exigences de la Partie III, Titre IV, Chapitre1, Section 3 dudit règlement. ".
Art. 7. In artikel 16 van hetzelfde reglement, wordt 2° vervangen als volgt:
in het eerste lid wordt de 2° vervangen door het volgende:
"2° Zonder dat de onder 1° bedoelde weging wordt toegepast, bedraagt de in artikel 395, lid 1, alinea 2 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde blootstellingswaarde in elk geval niet meer dan 100% van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.".
paragraaf 4 opgeheven wordt.
Art. 7. Dans l'article 16, du même règlement, les modifications suivantes sont apportées :
au paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° Sans qu'il soit fait application de la pondération visée sous le 1°, la valeur de l'exposition visée à l'article 395, paragraphe 1, deuxième alinéa du Règlement n° 575/2013 n'excède en tout état de cause pas 100 % des fonds propres éligibles de l'établissement. ".
le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 8. In hetzelfde reglement wordt een sectie getiteld "LIQUIDITEIT" ingevoegd met de artikelen 16ter tot 16octies, luidende:
"Art. 16ter. Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, punt c), (i) van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, worden de volgende indexen beschouwd als belangrijke aandelenindexen voor het bepalen van de omvang van aandelen die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 als activa van niveau 2B kunnen worden aangemerkt:
i) de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1646 van de Commissie opgenomen indexen;
ii) elk niet in punt i) opgenomen belangrijke aandelenindex in een lidstaat of in een derde land, die voor de toepassing van dit punt als zodanig wordt aangemerkt door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat of overheidsinstantie van een derde land;
iii) elke niet in punten i) of ii) opgenomen belangrijke aandelenindex, bestaande uit vooraanstaande ondernemingen in het desbetreffende rechtsgebied.
Art. 8. Dans le même règlement, il est inséré une section intitulée " LIQUIDITE " comportant les articles 16ter à 16octies, rédigée comme suit :
" Art. 16ter. Pour l'application de l'article 12, paragraphe 1, point c), (i) du Règlement délégué (UE) 2015/61, les indices suivants constituent des indices boursiers importants aux fins de déterminer l'étendue des actions qui pourraient être considérées comme des actifs de niveau 2B en vertu de l'article 12, paragraphe 1, point c), du Règlement délégué (UE) 2015/61 :
i) les indices énumérés à l'annexe I du Règlement d'exécution (UE) 2016/1646 de la Commission ;
ii) tout indice boursier important, non inclus au point i), dans un Etat membre ou dans un pays tiers, identifié comme tel aux fins du présent point par l'autorité compétente de l'Etat membre concerné ou par l'autorité publique du pays tiers concerné ;
iii) tout indice boursier important, non inclus aux points i) ou ii), qui comprend des entreprises de premier plan dans la juridiction en question.
Art. 16quater. § 1. Voor de toepassing van artikel 12, lid 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, worden instellingen die krachtens hun statuten om redenen van godsdienstige overtuiging niet in staat zijn om rentedragende activa aan te houden, toegestaan bedrijfsschuldpapieren op te nemen als activa van niveau 2B overeenkomstig alle in artikel 12, lid 1, punt b), van die Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 vastgelegde voorwaarden.
§ 2. De NBB kan een vrijstelling van artikel 12, lid 1, punt b), ii) en iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 verlenen, indien aan de in artikel 12, lid 3, van die gedelegeerde verordening vastgelegde voorwaarden is voldaan.
Art. 16quater. § 1er. Pour l'application de l'article 12, paragraphe 3 du Règlement délégué (UE) 2015/61, les établissements qui, selon leurs statuts, ne sont pas en mesure, pour des raisons religieuses, de détenir des actifs porteurs d'intérêts, sont autorisés à inclure des titres de dette d'entreprises dans les actifs liquides de niveau 2B conformément aux conditions énoncées à l'article 12, dudit Règlement délégué (UE) 2015/61.
§ 2. La BNB peut autoriser une exemption de l'article 12, paragraphe 1er, points b) ii) et iii) du Règlement délégué (UE) 2015/61 lorsque sont réunies les conditions énoncées à l'article 12, paragraphe 3 dudit règlement délégué.
Art. 16quinquies. Voor de toepassing van artikel 428septedecies, lid 10, van Verordening nr. 575/2013, voor blootstellingen buiten de balanstelling die binnen het toepassingsgebied van genoemd artikel vallen, passen de instellingen op blootstellingen buiten de balanstelling die niet in deel zes, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening nr. 575/2013 worden genoemd, factoren voor vereiste stabiele financiering toe, die overeenstemmen met de uitstroompercentages die zij in het kader van artikel 23 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 toepassen op gerelateerde producten en diensten in het liquiditeitsdekkingsvereiste.
Art. 16quinquies. Pour l'application de l'article 428septedecies, paragraphe 10 du Règlement n° 575/2013, pour les expositions de hors bilan entrant dans le champ d'application dudit article, les établissements appliquent, aux expositions de hors bilan non visées à la sixième partie, titre IV, chapitre 4, du Règlement n° 575/2013, des facteurs de financement stable requis correspondant aux taux de sortie de trésorerie qu'ils appliquent aux produits et services liés dans le contexte de l'article 23 du Règlement délégué (UE) 2015/61 pour ce qui concerne l'exigence de couverture des besoins de liquidité.
Art. 16sexies. Voor de toepassing van artikel 428octodecies, lid 2, van Verordening nr. 575/2013, indien activa overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn gescheiden en instellingen niet vrijelijk over dergelijke activa kunnen beschikken, beschouwen de instellingen deze activa als bezwaard voor een periode die overeenkomt met de termijn van de verplichtingen jegens de cliënten van de instellingen waarop dat scheidingsvereiste betrekking heeft.
Art. 16sexies. Pour l'application de l'article 428octodecies, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, lorsque des actifs ont fait l'objet d'une ségrégation conformément à l'article 11, paragraphe 3, du Règlement (UE) n° 648/2012 et que les établissements ne sont pas en mesure de céder ces actifs librement, les établissements considèrent lesdits actifs comme grevés pour une période correspondant au terme des engagements envers leurs clients sur lesquels porte cette obligation de ségrégation.
Art. 16septies. Voor de toepassing van artikel 428quaterquadragies, lid 10, van Verordening nr. 575/2013, volgen de instellingen waarvoor toestemming is verleend om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de genoemde Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, de in artikel 16quinquies van hetzelfde reglement gespecificeerde benadering.
Art. 16septies. Pour l'application de l'article 428quaterquadragies, paragraphe 10, du Règlement n° 575/2013, les établissements auxquels a été accordée l'autorisation d'appliquer l'exigence de financement stable net simplifiée visée à la sixième partie, titre IV, chapitre 5, dudit Règlement n° 575/2013, suivent l'approche décrite à l'article 16quinquies du présent règlement.
Art. 16octies. Voor de toepassing van artikel 428quinquesquadragies, lid 2, van Verordening nr. 575/2013, volgen de instellingen waaraan toestemming is verleend om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de genoemde Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, de in artikel 16sexies van huidige reglement gespecificeerde benadering.".
Art. 16octies. Pour l'application de l'article 428quinquesquadragies, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, les établissements auxquels a été accordée l'autorisation de calculer le ratio de financement stable net simplifié, visé à la sixième partie, titre IV, chapitre 5, dudit Règlement n° 575/2013, suivent l'approche décrite à l'article 16sexies du présent règlement. ".
Art. 9. Artikel 18 van hetzelfde reglement wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 18 du même règlement est abrogé.
Art. 10. Artikelen 20 en 21 van hetzelfde reglement worden opgeheven.
Art. 10. Les articles 20 et 21 du même règlement sont abrogés.
Art. 11. Artikelen 23 en 24 van hetzelfde reglement worden opgeheven.
Art. 11. Les articles 23 et 24 du même règlement sont abrogés.
Art. 12. Artikelen 36 tot 38 van hetzelfde reglement worden opgeheven.
Art. 12. Les articles 36 à 38 du même règlement sont abrogés.
Art. 13. De bijlage van hetzelfde reglement wordt vervangen door een bijlage, luidende:
Art. 13. L'annexe du même règlement est remplacée par une annexe rédigée comme suit :
Bijlage:
Voorwaarden voor de beoordeling van de vrijstelling bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 16bis, eerste lid, punt d) van dit reglement.
Annexe:
Conditions d'évaluation de l'exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 16bis, alinéa 1er, point d), du présent règlement.
Art. 1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder "instelling", de kredietinstelling bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d) van Verordening nr. 575/2013, voor zover die kredietinstelling krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening niet onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat, alsook de grote beursvennootschappen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen.
Art. 1er. Pour l'application de la présente annexe, on entend par " établissement ", un établissement de crédit visé à l'article 400, paragraphe 2, point d) du Règlement n° 575/2013, pour autant que ledit établissements de crédit ne relève pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4 du Règlement MSU, ainsi que les sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition finale
Art. 14. Dit reglement treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat het goedkeurt.
Art. 14. Le présent règlement entre en vigueur le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal qui l'approuve.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 25 juli 2024 tot goedkeuring van het reglement van 14 mei 2024 van de Nationale Bank van België tot wijziging van het reglement van 15 november 2011 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen en van het reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
V. VAN PETEGHEM
-