Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
29 APRIL 2024. - Decreet betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen
Titre
29 AVRIL 2024. - Décret relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables
Documentinformatie
Numac: 2024204576
Datum: 2024-04-29
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024204576
Date: 2024-04-29
Moniteur: Voir
Tekst (44)
Texte (44)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives
Artikel 1. Bij dit decreet wordt Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, gedeeltelijk omgezet.
Article 1er. Le présent décret transpose partiellement la directive (UE) 2023/2413 duParlement européen et du Conseil du 18 octobre 2023 modifiant la directive (UE) 2018/2001, le Règlement (UE) 2018/1999 et la directive 98/70/CE en ce qui concerne la promotion de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, et abrogeant la directive (UE) 2015/652 du Conseil.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
"1) "energie uit hernieuwbare bronnen" of "hernieuwbare energie": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andereenergie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas;
"gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie": een specifieke locatie of gebied, te land of op binnenwateren, die/dat de Regering heeft aangewezen als bijzonder geschikt voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, andere dan biomassa-installaties;
"apparatuur voor zonne-energie": apparatuur die zonne-energie omzet in thermische of elektrische energie, met name apparatuur voor thermische en fotovoltaïsche zonne-energie;"
"innovatieve technologie voor hernieuwbare energie": technologie voor de opwekking van hernieuwbare energie die ten minste op één manier vergelijkbare geavanceerde technologie voor hernieuwbare energie verbetert of die een technologie voor hernieuwbare energie die niet ten volle is gecommercialiseerd of die een duidelijke risicograad inhoudt, exploiteerbaar maakt;
"energieopslag op één locatie": een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net
Art. 2. Pour l'application du présent décret, on entend par :
" énergie produite à partir de sources renouvelables " ou " énergie renouvelable " : une énergie produite à partir de sources non fossiles renouvelables, à savoir l'énergie éolienne, l'énergie solaire (solaire thermique et solaire photovoltaïque) et géothermique, l'énergie osmotique, l'énergie ambiante, l'énergie marémotrice, houlomotrice et d'autres énergies marines, l'énergie hydroélectrique, la biomasse, les gaz de décharge, les gaz des stations d'épuration d'eaux usées et le biogaz;
" zone d'accélération des énergies renouvelables " : un lieu ou une zone spécifique, terrestre ou d'eaux intérieures, que le Gouvernement a désigné comme étant particulièrement adapté pour accueillir des installations d'énergie renouvelable à partir de sources renouvelables, autres que des installations de biomasse;
" équipement d'énergie solaire " : un équipement qui convertit l'énergie du soleil en énergie thermique ou électrique, en particulier les équipements solaires thermiques et photovoltaïques;
" technologie innovante en matière d'énergie renouvelable " : une technologie de production d'énergie renouvelable qui améliore au moins un aspect d'une technologie de pointe comparable en matière d'énergie renouvelable, ou qui rend exploitable une technologie en matière d'énergie renouvelable qui n'est pas entièrement commercialisée ou qui comporte un degré de risque clair;
" stockage colocalisé de l'énergie " : une installation de stockage d'énergie combinée à une installation de production d'énergie renouvelable et raccordée à un même point d'accès au réseau.
HOOFDSTUK II. - In kaart brengen van gebieden die nodig zijn voor nationale bijdragen aan het algemeen streefcijfer van de Europese Unie voor hernieuwbare energie voor 2030
CHAPITRE II. - Cartographie des zones nécessaires pour les contributions nationales à la réalisation de l'objectif global de l'Union européenne en matière d'énergie renouvelable à l'horizon 2030
Art. 3. § 1. De Regering voert een gecoördineerde inventarisatie uit voor de inzet van hernieuwbare energie in het Waals Gewest, met als doel het regionale potentieel te identificeren alsook de beschikbare gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, en in de binnenwateren die noodzakelijk zijn voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie en voor de bijbehorende infrastructuur, zoals netwerkinfrastructuur en voorzieningen voor opslag, inclusief warmteopslag, om ten minste de regionale bijdragen te kunnen leveren aan het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030 zoals vastgesteld in artikel 3, § 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Hiervoor baseert de Regering zich op ruimtelijkeordeningsdocumenten of -plannen.
De Regering zal zorgen voor coördinatie tussen alle betrokken lokale overheden en entiteiten, met inbegrip van de netbeheerders, bij het in kaart brengen.
De regering zorgt ervoor dat deze gebieden, met inbegrip van de bestaande installaties voor de productie van hernieuwbare energie en samenwerkingsmechanismen, in verhouding staan tot de geraamde trajecten en de totale geplande geïnstalleerde capaciteit voor elke technologie voor hernieuwbare energie die zijn vastgesteld in het "Plan Air Climat Energie" (Lucht Klimaat Energieplan) bedoeld in het decreet van 16 november 2023 Koolstofneutraliteit.
§ 2. Ter identificatie van de in paragraaf 1 bedoelde gebieden houdt de Regering met name rekening met:
a) de beschikbaarheid van energie uit hernieuwbare bronnen en het potentieel van de verschillende soorten technologie voor de productie van hernieuwbare energie in de gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, en in de binnenwateren;
b) de verwachte vraag naar energie, met inachtneming van de potentiële flexibiliteit van de actieve vraagrespons, verwachte verbeteringen op het gebied van efficiëntie en energiesysteemintegratie;
c) de beschikbaarheid van relevante energie-infrastructuur, zoals netwerken, opslagvoorzieningen en andere flexibiliteitsinstrumenten, of het potentieel om dergelijke netwerkinfrastructuur en opslagvoorzieningen tot stand te brengen of te verbeteren.
§ 3. De regering geeft de voorkeur aan meervoudig gebruik van de in paragraaf 1 bedoelde gebieden. Hernieuwbare-energieprojecten zijn verenigbaar met het reeds bestaande gebruik van die gebieden.
§ 4. De Regering evalueert en, indien dat nodig is, actualiseert de in paragraaf 1 bedoelde gebieden regelmatig met name in het kader van de actualisering van het Energieplan Luchtklimaat bedoeld in het decreet van 16 november 2023 Koolstofneutraliteit.
Art. 3. § 1er. Le Gouvernement procède à une cartographie coordonnée en vue du déploiement de l'énergie renouvelable sur le territoire de la Région wallonne, afin de recenser le potentiel régional et les zones terrestres, souterraines ou en eaux intérieures disponibles qui sont nécessaires pour l'établissement d'installations d'énergie renouvelable et leurs infrastructures connexes, telles que les installations de réseau et de stockage, y compris de stockage thermique, qui sont nécessaires pour atteindre au minimum la contribution régionale à la réalisation de l'objectif global de l'Union européenne en matière d'énergies renouvelables à l'horizon 2030 fixé dans l'article 3, § 1er, de la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables. A cette fin, le Gouvernement s'appuie sur les documents ou plans d'aménagement du territoire.
Le Gouvernement assure la coordination entre toutes les autorités et entités locales concernées, y compris les gestionnaires de réseau, pour établir la cartographie.
Le Gouvernement veille à ce que ces zones, comprenant les installations d'énergie renouvelable existantes et les mécanismes de coopération existants, soient proportionnées aux trajectoires estimées et à la capacité installée totale prévue pour chaque technologie d'énergie renouvelable reprises dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone.
§ 2. Aux fins de recenser les zones visées au paragraphe 1er, le Gouvernement tient compte, en particulier, des éléments suivants :
a) la disponibilité de l'énergie produite à partir de sources renouvelables et le potentiel de production d'énergie renouvelable des différents types de technologie dans les zones terrestres, souterraines ou en eaux intérieures;
b) la demande d'énergie prévue, compte tenu de la flexibilité potentielle de la participation active de la demande, des gains d'efficacité attendus ainsi que de l'intégration du système énergétique;
c) la disponibilité des infrastructures énergétiques pertinentes, y compris les infrastructures de réseau et les installations de stockage et d'autres outils de flexibilité, ou les possibilités de construction ou de modernisation de ces infrastructures de réseau et installations de stockage.
§ 3. Le Gouvernement favorise les utilisations multiples des zones visées au paragraphe 1er. Les projets en matière d'énergie renouvelable sont compatibles avec les utilisations préexistantes de ces zones.
§ 4. Le Gouvernement réexamine périodiquement et met à jour, le cas échéant, les zones visées auparagraphe 1er, en particulier à l'occasion des mises à jour du Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone.
HOOFDSTUK III. - Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
CHAPITRE III. - Zones d'accélération des énergies renouvelables
Art. 4. § 1. De Regering neemt een of meer plannen aan waarbij, als subset van de gebieden bedoeld in artikel 3, gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen voor een of meer soorten energiebronnen, met uitzondering van installaties voor de verbranding van biomassa.
De lidstaten beslissen over de omvang van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, rekening houdend met de specifieke kenmerken en vereisten van de betrokken soort(en) technologie. Het doel van de Regering is te zorgen voor een aanzienlijke gecombineerde omvang van die gebieden en ervoor zorgen dat de gebieden bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Lucht-Klimaat Energieplan waarnaar wordt verwezen in het decreet van 16 november 2023 Koolstofneutraliteit.
Bij het opstellen van dit/deze plan(nen) zorgt de Regering voor coördinatie tussen alle betrokken lokale overheden en entiteiten, met inbegrip van de netbeheerder(s).
§ 2. In de plannen, bedoeld in het eerste lid :
a) wijst de Regering voldoende homogene land- en binnenwatergebieden aan waar de inzet van een of meer specifieke soorten hernieuwbare-energiebronnen bedoeld in paragraaf 1 naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben, gezien de specifieke kenmerken van het geselecteerde gebied, waarbij zij:
i) voorrang geeft aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, zoals daken en gevels van gebouwen, vervoersinfrastructuur en de onmiddellijke omgeving hiervan, parkeerterreinen, boerderijen, afvalterreinen, industrieterreinen, mijnen, kunstmatige binnenwaterlichamen, meren of reservoirs, en, waar toepasselijk, locaties voor de behandeling van stedelijk afvalwater alsmede aangetaste grond die niet bruikbaar is voor de landbouw;
ii) Natura 2000-gebieden, gebieden die onder nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud vallen krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, belangrijke trekroutes van vogels en zeezoogdieren, en andere gebieden die op basis van gevoeligheidskaarten en de in het punt iii) bedoelde instrumenten zijn aangewezen, uitsluiten, met uitzondering van kunstmatige en bebouwde oppervlakken in die gebieden, zoals daken, parkeerterreinen of vervoersinfrastructuur;
iii) alle passende en proportionele instrumenten en datasets gebruiken om vast te stellen op welke gebieden de installaties voor de productie van hernieuwbare energie geen aanzienlijk milieueffect zouden hebben, met inbegrip van het in kaart brengen van de gevoeligheid van wilde dieren en planten, rekening houdend met de beschikbare gegevens in de context van de ontwikkeling van een samenhangend Natura 2000-netwerk, zowel wat betreft habitattypen en soorten uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad als vogels en gebieden uit hoofde van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad
iv) geklasseerde of gelijkwaardige goederen uitsluiten in de zin het Waalse Erfgoedwetboek;
b) stelt de passende regels voor de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie vast inzake doeltreffende mitigerende maatregelen die moeten worden genomen voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie en energieopslag op één locatie, alsmede activa die nodig zijn voor de aansluiting van dergelijke installaties en opslag op het net, teneinde de negatieve milieueffecten die zich kunnen voordoen te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, aanzienlijk te verminderen, en ziet, indien toepasselijk, erop toe dat er tijdig en op evenredige wijze passende mitigerende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de in de artikel 6, § 2, en artikel 12, § 1, van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 5 van Richtlijn 2009/147/EEG en artikel 4, § 1, punt a), punt i), van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad genoemde verplichtingen worden nageleefd, en om verslechtering van de situatie te voorkomen en een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel overeenkomstig artikel D.22, § 1, van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt
De in de eerste lid, punt b), bedoelde regels zijn gericht op de specifieke kenmerken van elk vastgesteld gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, op de soort(en) technologie voor hernieuwbare energie die in elk gebied moeten worden ingezet, en op de vastgestelde milieueffecten.
De naleving van de in het eerste lid, punt b), bedoelde regels en de tenuitvoerlegging van de passende mitigerende maatregelen door de afzonderlijke projecten leiden tot het vermoeden dat projecten niet in strijd zijn met die bepalingen, onverminderd artikel D.65/2 van Boek I van het Milieuwetboek.
De Regering licht in de in het eerste lid bedoelde plannen waarin gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen de beoordeling toe die is uitgevoerd voor de vaststelling van elk op basis van de in punt a) van het eerste lid genoemde criteria aangewezen gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en voor de vaststelling van passende mitigerende maatregelen.
§ 3. Voordat de plannen voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden vastgesteld, worden de plannen onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van hoofdstuk II van Deel V van Boek I van het Milieuwetboek, en, indien de plannen significante effecten op Natura-2000-gebieden kunnen hebben, aan de passende beoordeling op grond van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud
Art. 4. § 1er. Le Gouvernement adopte un ou plusieurs plans désignant, comme un sous-ensemble des zones visées à l'article 3, des zones d'accélération des énergies renouvelables pour un ou plusieurs des types de sources d'énergie, à l'exclusion des installations de combustion de biomasse.
Le Gouvernement décide de la taille des zones d'accélération des énergies renouvelables, compte tenu des spécificités et des exigences du type ou des types de technologie concernées. Le Gouvernement s'efforce de faire en sorte que la taille combinée de ces zones soit significative et qu'elles contribuent à la réalisation des objectifs fixés dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone.
Dans l'établissement de ce ou ces plans, le Gouvernement assure une coordination entre toutes les autorités et entités locales concernées, y compris le ou les gestionnaire(s) de réseau.
§ 2. Dans les plans visés au paragraphe 1er, le Gouvernement :
a) désigne des zones terrestres et/ou d'eaux intérieures suffisamment homogènes dans lesquelles le déploiement d'un ou de plusieurs types spécifiques de sources d'énergie renouvelable visés au paragraphe 1er ne devrait pas avoir d'incidence importante sur l'environnement, compte tenu des particularités de la zone sélectionnée, tandis qu'il :
i) donne la priorité aux surfaces artificielles et construites, telles que les toits et les façades d'immeubles, les infrastructures de transport et leurs environs immédiats, les aires de stationnement, les exploitations agricoles, les décharges, les sites industriels, les mines, les plans d'eau, lacs ou réservoirs artificiels et, le cas échéant, les sites de traitement des eaux urbaines résiduaires, ainsi que les terres dégradées non utilisables pour l'agriculture;
ii) exclut les sites Natura 2000 et les zones désignées au titre de la protection en faveur de la conservation de la nature et de la biodiversité en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, les principales routes migratoires des oiseaux ainsi que d'autres zones recensées sur la base de cartes de sensibilité et des outils visés au point iii), à l'exception des surfaces artificielles et construites situées dans ces zones, telles que les toits, les aires de stationnement ou les infrastructures de transport;
iii) utilise tous les outils et ensembles de données appropriés et proportionnés pour recenser les zones dans lesquelles les installations d'énergie renouvelable n'auraient pas d'incidence importante sur l'environnement, y compris la cartographie de la sensibilité de la faune et de la flore sauvages, en tenant compte des données disponibles dans le contexte de l'aménagement d'un réseau Natura 2000 cohérent en ce qui concerne les types d'habitats et les espèces au titre de la directive 92/43/CEE du Conseil, ainsi que les oiseaux et les sites protégés au titre de la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil;
iv) exclut les biens classés et assimilés, au sens du Code wallon du Patrimoine;
b) établit des règles appropriées pour les zones d'accélération des énergies renouvelables en ce qui concerne les mesures d'atténuation efficaces à adopter pour accueillir des installations d'énergie renouvelable et le stockage colocalisé de l'énergie, ainsi que les actifs nécessaires au raccordement de ces installations et de ce stockage au réseau, afin d'éviter les incidences négatives sur l'environnement qui pourraient en résulter ou, si cela n'est pas possible, de les réduire de manière significative, en veillant, le cas échéant, à ce que des mesures d'atténuation appropriées soient appliquées en temps utile et de manière proportionnée pour garantir le respect des obligations énoncées à l'article 6, § 2, et à l'article 12, § 1er, de la directive 92/43/CEE, à l'article 5 de la directive 2009/147/CEE et à l'article 4, § 1er, point a), i), de la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil, et pour éviter la dégradation et parvenir à un bon état écologique ou à un bon potentiel écologique conformément à l'article D.22, § 1er, du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau.
Les règles visées à l'alinéa 1er, b), ciblent les spécificités de chaque zone d'accélération des énergies renouvelables recensée, le type ou les types de technologie en matière d'énergie renouvelable à mettre en oeuvre dans chaque zone et les incidences environnementales détectées.
Le respect des règles visées à l'alinéa 1er, b), et la mise en oeuvre des mesures d'atténuation appropriées dans le cadre des différents projets engendrent la présomption selon laquelle les projets ne contreviennent pas à ces dispositions sans préjudice de l'article D.65/2 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Dans les plans désignant les zones d'accélération des énergies renouvelables visés à l'alinéa 1er, le Gouvernement explique l'évaluation effectuée pour recenser chaque zone d'accélération des énergies renouvelables désignée sur la base des critères énoncés à l'alinéa 1er, a), et pour définir des mesures d'atténuation appropriées.
§ 3. Avant leur adoption, les plans désignant les zones d'accélération des énergies renouvelables font l'objet d'une évaluation environnementale conformément au chapitre II de la Partie V du Livre Ier du Code de l'Environnement et, s'ils sont susceptibles d'avoir une incidence importante sur des sites Natura 2000, d'une évaluation appropriée en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
HOOFDSTUK IV. - Gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur die nodig is om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren
CHAPITRE IV. - Zones destinées aux infrastructures de réseau et de stockage nécessaires à l'intégration de l'énergie renouvelable dans le système Electrique
Art. 5. De Regering kan een of meer plannen vaststellen om specifieke infrastructuurgebieden aan te wijzen voor de ontwikkeling van projecten voor netten en opslag die nodig zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem, wanneer een dergelijke ontwikkeling naar verwachting geen significante milieueffecten zal hebben, dergelijke effecten naar behoren kunnen worden beperkt of, indien dit niet mogelijk is, kunnen worden gecompenseerd.
Het doel van dergelijke gebieden is het ondersteunen en aanvullen van de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Deze plannen :
a) vermijden, wat betreft projecten voor netten, Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, tenzij er geen evenredige alternatieven zijn voor de uitrol ervan, rekening houdend met de doelstellingen van het gebied;
b) sluiten, wat betreft projecten voor opslag, Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud uit, krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
c) sluiten geklasseerde of gelijkwaardige goederen uit in de zin het Waalse Erfgoedwetboek;
d) zorgen voor synergieën met de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, als bedoeld in artikel 4;
e) zijn onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig hoofdstuk II van Deel V van Boek I van het Milieuwetboek en, indien van toepassing, aan een passende beoordeling in toepassing van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
f) stellen passende en evenredige regels vast, inclusief evenredige mitigerende maatregelen die moeten worden genomen voor de ontwikkeling van projecten voor netten en opslag om de negatieve gevolgen voor het milieu die zich kunnen voordoen, te voorkomen of, indien niet mogelijk, aanzienlijk te verminderen.
Bij de opstelling van dergelijke plannen raadpleegt de Regering de relevante infrastructuursysteembeheerders en zorgt voor een coördinatie tussen alle betrokken lokale overheden en entiteiten, met inbegrip van de netbeheerder(s).
Art. 5. Le Gouvernement peut adopter un ou plusieurs plans pour désigner des zones d'infrastructure spécifiques destinées au développement de projets de réseau ou de stockage nécessaires à l'intégration de l'énergie renouvelable dans le système électrique lorsque ce développement ne devrait pas avoir d'incidence importante sur l'environnement ou lorsque cette incidence peut être dûment atténuée ou, si ce n'est pas possible, compensée.
L'objectif de ces zones est d'appuyer et de compléter les zones d'accélération des énergies renouvelables visées à l'article 4. Ces plans :
a) évitent, pour les projets de réseaux, les sites Natura 2000 et les zones désignées au titre de la protection en faveur de la conservation de la nature et de la biodiversité en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature sauf si, compte tenu des objectifs du site, il n'existe pas d'autres solutions proportionnées pour le déploiement de ces projets;
b) excluent, pour les projets de stockage, les sites Natura 2000 et les zones désignées au titre de la protection en faveur de la conservation de la nature et de la biodiversité en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
c) excluent les biens classés et assimilés, au sens du Code wallon du Patrimoine;
d) assurent des synergies avec la désignation des zones d'accélération des énergies renouvelables visées à l'article 4;
e) font l'objet d'une évaluation environnementale conformément au chapitre II de la Partie V du Livre Ier du Code de l'Environnement et, le cas échéant, d'une évaluation appropriée en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
f) établissent des règles appropriées et proportionnées, y compris en ce qui concerne les mesures d'atténuation proportionnées à adopter pour le développement des projets de réseau et de stockage, afin d'éviter toute incidence négative sur l'environnement ou, s'il n'est pas possible d'éviter une telle incidence, de la réduire de manière significative.
Lors de la préparation de ces plans, le Gouvernement consulte les exploitants de système d'infrastructures concernés et assure une coordination entre toutes les autorités et entités locales concernées, y compris le ou les gestionnaire(s) de réseau.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
CHAPITRE V. - Modifications du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 6. In artikel 20 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de volgende wijzigingen aangebracht:
paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
"In afwijking van lid 1er, wanneer de aanvraag een hernieuwbare energieproject betreft dat valt onder artikel D.65/2 van Boek I van het Milieuwetboek, stuurt de technisch ambtenaar de aanvrager binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag overeenkomstig artikel 18 de beslissing waarin over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag wordt beslist. ";
in paragraaf 3 worden de woorden "of binnen de dertig dagen in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, derde lid," ingevoegd tussen de woorden "binnen twintig dagen naar de aanvrager," en de woorden "te rekenen van de datum van ontvangst van de bijkomende stukken";
in paragraaf 4 worden de woorden "op de wijze en binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1, eerste lid [1 en in § 2, eerste lid]1, of, desgevallend, binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3." vervangen door de woorden "op de wijze en binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, en in paragraaf 2, eerste lid, of, in voorkomend geval, binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 3".
Art. 6. Dans l'article 20 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les modifications suivantes sont apportées :
le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la demande vise un projet d'énergie renouvelable visé à l'article D.65/2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, le fonctionnaire technique envoie au demandeur la décision statuant sur le caractère complet et recevable de la demande, dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande conformément à l'article 18. ";
au paragraphe 3, les mots " ou dans les trente jours dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa 3, " sont insérés entre les mots " fonctionnaire technique, " et les mots " celui-ci envoie ";
au paragraphe 4, les mots " dans les conditions et délai visés au paragraphe 1er, alinéa 1er et au § 2, alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans le délai visé au paragraphe 3 " sont remplacés par les mots " dans les conditions et délais visés au paragraphe 1er et au paragraphe 2, alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans les délais visés au paragraphe 3 ".
Art. 7. In artikel 86 van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
"In afwijking van lid 1 zenden de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project voor hernieuwbare energie als bedoeld in artikel D.65/2 van Boek I van het Milieuwetboek, de aanvrager de beslissing over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag binnen dertig dagen na de datum waarop de technisch ambtenaar de aanvraag overeenkomstig artikel 84 ontvangt.". ";
in paragraaf 3 worden de woorden "of binnen de dertig dagen in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, derde lid," ingevoegd tussen de woorden "door de technische ambtenaar" en de woorden "richten de technisch ambtenaar te rekenen van de datum van ontvangst van de bijkomende stukken";
in paragraaf 4 worden de woorden "op de wijze en binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1, eerste lid [1 en in § 2, eerste lid]1, of, desgevallend, binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3." vervangen door de woorden "op de wijze en binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, en in paragraaf 2, eerste lid, of, in voorkomend geval, binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 3".
Art. 7. Dans l'article 86 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la demande vise un projet d'énergie renouvelable visé à l'article D.65/2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, le fonctionnaire technique et le fonctionnaire délégué envoient au demandeur la décision statuant sur le caractère complet et recevable de la demande, dans un délai de trente jours à dater du jour où le fonctionnaire technique reçoit la demande conformément à l'article 84. ";
au paragraphe 3, les mots " ou dans les trente jours dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa 3, " sont insérés entre les mots " par le fonctionnaire technique, " et les mots " le fonctionnaire technique ";
au paragraphe 4, les mots " dans les conditions et délai visés au paragraphe 1er, alinéa 1er et au § 2, alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans le délai visé au paragraphe 3 " sont remplacés par les mots " dans les conditions et délais visés au paragraphe 1er et au paragraphe 2, alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans les délais visés au paragraphe 3 ".
HOODSTUK 6 - Wijzigingen in Boek I van het Milieuwetboek
CHAPITRE VI. - Modifications du Livre Ier du Code de l'Environnement
Art. 8. Artikel D.65 van Boek I van het Milieuwetboek wordt aangevuld met een paragraaf7, luidend als volgt:
" § 7. Dit artikel is niet van toepassing op vergunningsaanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of op een niet-geothermische warmtepomp met een vermogen van minder dan 50 MW.
Lid 1 is niet van toepassing op een aanvraag voor een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW die betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek. ". ".
Art. 8. L'article D.65 du Livre Ier du Code de l'Environnement est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit :
" § 7. Le présent article n'est pas applicable aux demandes de permis exclusivement relatives à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou à une pompe à chaleur non géothermique inférieure à 50 MW.
L'alinéa 1er n'est pas applicable pour la demande relative à une pompe à chaleur non géothermique inférieure à 50 MW qui concerne un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine. ". ".
Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel D.65/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. D.65/1. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder heruitrusting verstaan: de renovatie van elektriciteitscentrales die hernieuwbare energie produceren zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of bedrijfssystemen en uitrustingen, met als doel de capaciteit te wijzigen of het rendement of de capaciteit van de installatie te verhogen.
§ 2. Wanneer de heruitrusting van een elektriciteitscentrale op basis van hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, onderworpen is aan het voorafgaand onderzoek bedoeld in artikel D.65/2, § 2, aan een analyse van de noodzaak van een milieueffectenrapport bedoeld in artikel D.65 of aan een milieueffectenbeoordeling in toepassing van artikel D.64, is dit onderzoek, deze analyse of deze milieueffectenbeoordeling beperkt tot de mogelijke effecten die voortvloeien uit een wijziging of uitbreiding van het oorspronkelijke project.
Wanneer het project voor de heruitrusting van zonne-installaties niet gepaard gaat met het gebruik van extra ruimte en voldoet aan de toepasselijke milieueffectbeperkende maatregelen die zijn vastgesteld voor de oorspronkelijke zonne-installatie, is het project vrijgesteld van elke verplichting om een onderzoek uit te voeren overeenkomstig artikel D.65/2, § 2, om de noodzaak van een milieueffectbeoordeling te analyseren overeenkomstig artikel D.65, of om een milieueffectbeoordeling uit te voeren overeenkomstig artikel D.64. Voor dit type project geeft de milieueffectrapportage informatie over hoe de aanvraag voldoet aan de toepasselijke maatregelen voor het beperken van de milieueffecten die zijn vastgesteld voor de oorspronkelijke zonne-installatie.
§ 3. Wanneer de integratie van hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2 van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen in het elektriciteitssysteem een project vereist ter versterking van de netinfrastructuur in specifieke infrastructuurzones bedoeld in artikel 5 van hetzelfde decreet of buiten deze zones, en dit project het voorwerp uitmaakt van een voorafgaand onderzoek uitgevoerd in toepassing van artikel D.65/2, aan een analyse om na te gaan of het project een milieueffectbeoordeling vereist overeenkomstig artikel D.65, of aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig artikel D.64, is dit onderzoek, deze analyse of deze milieueffectbeoordeling beperkt tot de mogelijke effecten die voortvloeien uit de wijziging of uitbreiding ten opzichte van de aanvankelijke netinfrastructuur. ".
Art. 9. Dans le même Code, il est inséré un article D.65/1 rédigé comme suit :
" Art. D.65/1. § 1er. Au sens du présent article, on entend par rééquipement : la rénovation des centrales électriques produisant de l'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, le remplacement total ou partiel des installations ou des systèmes et des équipements d'exploitation, dans le but d'en modifier la capacité ou d'augmenter l'efficacité ou la capacité de l'installation.
§ 2. Lorsque le rééquipement d'une centrale électrique basée sur l'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables est soumis à l'examen préalable prévu à l'article D.65/2, § 2, à une analyse de la nécessité d'une évaluation des incidences sur l'environnement prévue à l'article D.65 ou à une évaluation des incidences sur l'environnement en application de l'article D.64, cet examen préalable, cette analyse ou cette évaluation des incidences sur l'environnement se limitent aux incidences potentielles découlant d'une modification ou d'une extension par rapport au projet initial.
Lorsque le projet pour le rééquipement d'installations solaires n'implique pas l'utilisation d'espace supplémentaire et est conforme aux mesures d'atténuation des incidences sur l'environnement applicables établies pour l'installation solaire d'origine, le projet est exempté de toute obligation de réaliser un examen préalable prévue à l'article D.65/2, § 2, d'analyser la nécessité d'une évaluation des incidences sur l'environnement prévue à l'article D.65, ou d'effectuer une évaluation des incidences sur l'environnement en application de l'article D.64. Pour ce type de projet, la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement renseigne en quoi la demande est conforme aux mesures d'atténuation des incidences sur l'environnement applicables établies pour l'installation solaire d'origine.
§ 3. Lorsque l'intégration de l'énergie renouvelable visée à l'article 2 du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables dans le système électrique nécessite un projet pour renforcer l'infrastructure du réseau dans des zones d'infrastructure spécifique visée à l'article 5 du même décret ou hors de ces zones, et que ce projet est soumis à un examen préalable réalisé en application de l'article D.65/2, à une analyse de la question de savoir si le projet nécessite une évaluation des incidences sur l'environnement prévue à l'article D.65, ou à une évaluation des incidences sur l'environnement en application de l'article D.64, cet examen préalable, cette analyse ou cette évaluation des incidences sur l'environnement se limitent aux incidences potentielles découlant de la modification ou de l'extension par rapport à l'infrastructure de réseau initiale. ".
Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel D.65/2 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. D.65/2. § 1. De vergunningsaanvraag voor een project voor één of meer installaties voor hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van installaties die verschillende types van technologie voor hernieuwbare energie combineren als bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen en de heruitrusting van elektriciteitscentrales die hernieuwbare energiebronnen gebruiken als bedoeld in artikel 2,, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, alsook de aansluiting van deze centrales en opslag op het net gelegen in een gebied voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie aangeduid in het kader van het decreet van 29 april 2024 tot versnelling van de inzet van hernieuwbare energie voor de betrokken technologie en de gekoppelde energieopslag, en die niet bedoeld is in artikel D.65, § 7, is vrijgesteld van een milieueffectbeoordeling, op voorwaarde dat de aanvraag voldoet aan de regels vastgesteld in artikel 4, § 2, b), van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen.
Voor dit soort projecten bevat de aanvulling van de milieueffectbeoordeling informatie over de manier waarop de aanvraag voldoet aan de regels waarnaar wordt verwezen in lid 1er en beschrijft eventuele aanvullende maatregelen die de aanvrager heeft genomen en hoe deze maatregelen de milieueffecten aanpakken.
Voor dit soort projecten wordt, in afwijking van artikel 83, lid 4, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling van het publiek uiterlijk 6 maanden vóór de indiening van de vergunningsaanvraag georganiseerd en wordt het verslag over de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling van de plaatselijke besturen uiterlijk 6 maanden vóór de indiening van de vergunningsaanvraag voltooid. De Regering bepaalt de voorwaarden van de oproep tot belangenverklaring, de vorm en inhoud van het verslag met betrekking tot de oproep tot belangenverklaring en de voorwaarden van de aanbiedingen tot deelneming, met als doel ervoor te zorgen dat projecten worden opengesteld onder economische voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de marktvoorwaarden.
De in lid 1 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op aanvragen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu van een andere regio of lidstaat van de Europese Unie, of wanneer een andere regio of lidstaat van de Europese Unie die aanzienlijke gevolgen kan ondervinden, daarom verzoekt.
§ 2. Wanneer een vergunningsaanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in paragraaf 1, lid 1, voert de overheid die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de volledigheid of ontvankelijkheid van het aanvraagdossier een voorafgaand onderzoek uit om te bepalen of het project een aanzienlijk onvoorzien negatief effect kan hebben, rekening houdend met de milieugevoeligheid van het geografisch gebied waarin het is gelegen, die niet is vastgesteld bij de milieubeoordeling van de plannen tot aanwijzing van de gebieden voor de versnelede uitrol van hernieuwbare energie bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen. Dit voorafgaand onderzoek is ook bedoeld om te bepalen of het project binnen het toepassingsgebied van artikel D.29-11 valt omdat het aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een andere regio of een andere lidstaat van de Europese Unie, of omdat een andere regio of een andere lidstaat van de Europese Unie daarom heeft verzocht.
Ten behoeve van het eerste onderzoek kan de overheid die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de volledigheid of ontvankelijkheid van het aanvraagdossier het advies inwinnen van elke instantie die zij daarom verzoekt. Deze overheid kan de aanvrager vragen aanvullende informatie te verstrekken waarover hij beschikt.
§ 3. Na het in paragraaf 2 bedoelde voorafgaand onderzoek kan de overheid die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de volledigheid of ontvankelijkheid van de aanvraag, op basis van een motivering die is gebaseerd op duidelijk bewijsmateriaal, besluiten dat het project zeer waarschijnlijk een aanzienlijk onvoorzien nadelig effect zal hebben, rekening houdend met de milieugevoeligheid van het geografische gebied waarin het project is gelegen, dat niet kan worden beperkt door de maatregelen die zijn opgenomen in de plannen tot aanwijzing van het desbetreffende gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie of door de door de aanvrager voorgestelde maatregelen.
In voorkomend geval neemt de overheid die belast is met de beoordeling van de volledigheid of de ontvankelijkheid van het aanvraagdossier de in lid 1 bedoelde beslissing op in haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard, onder de voorwaarden en volgens de procedures die zijn vastgelegd in de in artikel D.49 bedoelde wetten, decreten en reglementen.
De in lid 1 bedoelde beslissing wordt openbaar gemaakt overeenkomstig deel III, titel I, hoofdstuk III of, in voorkomend geval, overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld bij de wetten, decreten en reglementen die de in artikel D.49 bedoelde vergunning regelen.
§ 4. In het in paragraaf 3 bedoelde geval dient de aanvrager binnen 180 dagen na ontvangst van de in paragraaf 3 bedoelde beslissing een milieueffectrapportage in overeenkomstig dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, een passende effectrapportage overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. Binnen deze termijn kan de aanvrager in geval van naar behoren gemotiveerde buitengewone omstandigheden verzoeken om verlenging van de termijn met nog eens maximaal 180 dagen. Als het effectenonderzoek of passende effectenbeoordeling niet binnen de vereiste termijn wordt ingediend, vervalt de vergunningsaanvraag.
De behandeling van de vergunningsaanvraag wordt opgeschort vanaf de datum van verzending van de beslissing over de volledigheid of ontvankelijkheid van het dossier waarvoor een effectenonderzoek of een passende effectenbeoordeling vereist is, tot de datum van ontvangst van het volledige effectenonderzoek of passende beoordeling, die in de opschortingsperiode is inbegrepen.
In gerechtvaardigde omstandigheden, onder meer wanneer het nodig is de ontplooiing van de hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energie om de doelstellingen inzake klimaat en hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energie te bereiken, kan de Regering projecten voor windenergie en fotovoltaïsche zonne-energie vrijstellen van effectenonderzoek.
Wanneer de Regering wind- en zon-PV-projecten vrijstelt van dergelijke beoordelingen, neemt de aanvrager evenredige risicobeperkende maatregelen of, als dergelijke risicobeperkende maatregelen niet beschikbaar zijn, compenserende maatregelen, die, als andere evenredige compenserende maatregelen niet beschikbaar zijn, de vorm kunnen aannemen van financiële compensatie, om eventuele negatieve effecten aan te pakken. Als deze negatieve impact een effect heeft op de bescherming van soorten, betaalt de exploitant financiële compensatie aan programma's voor de bescherming van soorten voor de duur van de exploitatie van de installatie voor hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energie om de staat van instandhouding van de getroffen soorten te behouden of te verbeteren. De Regering specificeert voor elk project de mitigerende maatregelen, compenserende maatregelen en compensatiemethode, afhankelijk van het type infrastructuur en de omvang van de verwachte impact.
§ 5. De Regering kan in gerechtvaardigde omstandigheden, in het bijzonder wanneer dit noodzakelijk is om de ontplooiing van hernieuwbare energie te versnellen om de doelstellingen inzake klimaat en hernieuwbare energie te halen, de vergunningsaanvraag voor net- en opslagprojecten die noodzakelijk zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem vrijstellen van de milieueffectenbeoordeling, met inbegrip van die bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, op voorwaarde dat het net- of opslagproject gelegen is in een specifieke infrastructuurzone aangeduid in artikel 5 van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energie en dat het voldoet aan de vastgestelde regels, met inbegrip van die betreffende evenredige verzachtende maatregelen die moeten worden vastgesteld overeenkomstig lid 2, punt f), van hetzelfde artikel 5.
De in lid 1 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op aanvragen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu van een andere regio of lidstaat van de Europese Unie, of wanneer een andere regio of lidstaat van de Europese Unie die aanzienlijke gevolgen kan ondervinden, daarom verzoekt.
Wanneer de Regering net- en opslagprojecten vrijstelt van de relevante beoordelingen uit hoofde van deze paragraaf, voert de autoriteit die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de volledigheid of ontvankelijkheid van het aanvraagdossier een voorafgaand onderzoek uit om te bepalen of het project een aanzienlijk onvoorzien negatief effect kan hebben, rekening houdend met de milieugevoeligheid van de geografische gebieden waarin het zich bevindt, die niet werd geïdentificeerd tijdens de milieubeoordeling van de plannen tot aanduiding van de specifieke infrastructuurzones bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen. Dit voorafgaand onderzoek is gebaseerd op bestaande gegevens uit de milieueffectenbeoordeling van deze plannen.
Wanneer uit het voorafgaand onderzoek blijkt dat het project hoogstwaarschijnlijk een aanzienlijk onvoorzien nadelig effect zal hebben, zoals bedoeld in het vorige lid, zorgt de bevoegde instantie ervoor, op basis van bestaande gegevens, dat evenredige en passende risicobeperkende maatregelen worden genomen om dergelijke effecten aan te pakken. Als het niet mogelijk is om dergelijke verzachtende maatregelen toe te passen, zorgt de bevoegde overheid ervoor dat de aanvrager passende compenserende maatregelen neemt om dergelijke effecten te verhelpen, die, als er geen andere evenredige compenserende maatregelen beschikbaar zijn, de vorm kunnen aannemen van financiële compensatie voor soortbeschermingsprogramma's die gericht zijn op het behoud of de verbetering van de staat van instandhouding van de getroffen soorten. ".
Art. 10. Dans le même Code, il est inséré un article D.65/2 rédigé comme suit :
" Art. D.65/2. § 1er. La demande de permis relative à un projet pour une ou plusieurs installations d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, y compris les installations qui combinent différents types de technologie en matière d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables et le rééquipement de centrales électriques utilisant des sources d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, ainsi que le raccordement de ces installations et stockage au réseau situé dans une zone d'accélération d'énergies renouvelables désignée en vertu du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables pour la technologie concernée et le stockage colocalisé de l'énergie, et qui n'est pas visée à l'article D.65, § 7, est exemptée d'évaluation des incidences sur l'environnement, pour autant que la demande respecte les règles établies en vertu de l'article 4, § 2, b), du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables.
Pour ce type de projet, la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement renseigne en quoi la demande respecte les règles visées à l'alinéa 1er et décrit toute mesure supplémentaire adoptée par le demandeur et la manière dont ces mesures remédient aux incidences sur l'environnement.
Pour ce type de projet, par dérogation à l'article 83, alinéa 4, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, l'appel à manifestation d'intérêt à destination des citoyens est organisé au plus tard 6 mois avant le dépôt de la demande de permis et le rapport relatif à l'appel à manifestation d'intérêt à destination des pouvoirs locaux est clôturé au plus tard 6 mois avant le dépôt de la demande de permis. Le Gouvernement définit les modalités de l'appel à manifestation d'intérêt qui inclut une réunion publique d'information, la forme et le contenu du rapport relatif à l'appel à manifestation d'intérêt, ainsi que les modalités des offres de participation, qui ont pour objectif d'assurer l'ouverture des projets à des conditions équivalentes aux conditions de marché.
L'exemption visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas pour les demandes susceptibles d'avoir une incidence notable sur l'environnement d'une autre Région ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne, ou lorsqu'une autre Région ou un autre Etat membre de l'Union européenne susceptible d'être touché de manière notable en fait la demande.
§ 2. Lorsqu'une demande de permis est relative à un projet visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande procède à un examen préalable visant à déterminer si le projet est fortement susceptible d'avoir une incidence négative imprévue importante, compte tenu de la sensibilité environnementale de la zone géographique où il est situé, qui n'a pas été recensée lors de l'évaluation environnementale des plans désignant les zones d'accélération des énergies renouvelables visés à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables. Cet examen préalable vise également à déterminer si le projet entre dans le champ d'application de l'article D.29-11 parce que susceptible d'avoir une incidence notable sur l'environnement d'une autre Région ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou parce qu'une autre Région ou un autre Etat membre de l'Union européenne en a fait la demande.
Aux fins de l'examen préalable, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande peut solliciter l'avis de toute instance qu'elle sollicite. Cette autorité peut inviter le demandeur à fournir des informations complémentaires dont il dispose.
§ 3. A l'issue de l'examen préalable visé au paragraphe 2, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande peut décider, sur la base d'une motivation fondée sur des éléments de preuve clairs, que le projet est hautement susceptible d'avoir une incidence négative imprévue importante, compte tenu de la sensibilité environnementale de la zone géographique où le projet est situé, qui ne peut être atténuée par les mesures définies dans les plans désignant la zone d'accélération des énergies renouvelables concernée ou par les mesures proposées par le demandeur.
Le cas échéant, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande inclut la décision visée à l'alinéa 1er dans sa décision déclarant la demande complète et recevable, dans les conditions et suivant les modalités fixées par les lois, décrets et règlements visés à l'article D.49.
La décision visée à l'alinéa 1er est mise à la disposition du public conformément au chapitre III du Titre Ier de la Partie III ou, le cas échéant, selon les modalités prévues par les lois, décrets et règlements dont relève l'autorisation visée à l'article D.49.
§ 4. Dans le cas visé au paragraphe 3, le demandeur dépose une étude d'incidences sur l'environnement en application du présent chapitre et, le cas échéant, une évaluation appropriée des incidences en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, dans un délai de 180 jours à dater de la réception de la décision visée au paragraphe 3. Dans ce délai, le demandeur peut solliciter un prolongement du délai pour une nouvelle période de maximum 180 jours en cas de circonstances extraordinaires dûment justifiées. A défaut de dépôt de l'étude d'incidences ou de l'évaluation appropriée des incidences dans le délai requis, la demande de permis est caduque.
L'instruction de la demande de permis est suspendue à dater de l'envoi de la décision statuant sur le caractère complet ou recevable du dossier impliquant la réalisation d'une étude d'incidences ou d'une évaluation appropriée des incidences jusqu'au jour de la réception de l'étude d'incidences ou de l'évaluation appropriée complète, lequel est compris dans le délai de suspension.
Dans des circonstances justifiées, y compris lorsqu'il est nécessaire d'accélérer le déploiement de l'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables pour atteindre les objectifs en matière de climat et d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, le Gouvernement peut exempter d'étude d'incidences les projets éoliens et photovoltaïques solaires.
Lorsque le Gouvernement exempte des projets éoliens et photovoltaïques solaires de ces évaluations, le demandeur adopte des mesures d'atténuation proportionnées ou, si ces mesures d'atténuation ne sont pas disponibles, des mesures compensatoires, qui, si d'autres mesures compensatoires proportionnées ne sont pas disponibles, peuvent prendre la forme d'une compensation financière, afin de remédier à toute incidence négative. Lorsque cette incidence négative a un effet sur la protection des espèces, l'exploitant verse une compensation financière en faveur des programmes de protection des espèces pour la durée d'exploitation de l'installation d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables afin de maintenir ou d'améliorer l'état de conservation des espèces touchées. Le Gouvernement précise pour le projet les mesures d'atténuation, les mesures compensatoires et le mode d'estimation de la compensation en fonction du type d'infrastructure et de l'ampleur de l'impact attendu.
§ 5. Le Gouvernement peut, dans des circonstances justifiées, notamment lorsque cela est nécessaire pour accélérer le déploiement de l'énergie renouvelable pour atteindre les objectifs en matière de climat et d'énergie renouvelable, exempter la demande de permis des projets de réseau et de stockage qui sont nécessaire à l'intégration de l'énergie renouvelable dans le système électrique de l'évaluation des incidences sur l'environnement, y compris celle visée dans la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à condition que le projet de réseau ou de stockage se situe dans une zone d'infrastructure spécifique désignée à l'article 5 du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables et qu'il respecte les règles établies, y compris concernant des mesures d'atténuation proportionnées à adopter, conformément à l'alinéa 2, point f), du même article 5.
L'exemption visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas pour les demandes susceptibles d'avoir une incidence notable sur l'environnement d'une autre Région ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou lorsqu'une autre Région ou un autre Etat membre de l'Union européenne susceptible d'être touché de manière notable en fait la demande.
Lorsque le Gouvernement exempte les projets de réseau et de stockage en vertu du présent paragraphe des évaluations concernées, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande procède à un examen préalable visant à déterminer si le projet est fortement susceptible d'entraîner une incidence négative imprévue importante, compte tenu de la sensibilité environnementale des zones géographiques où il est situé, qui n'a pas été recensée lors de l'évaluation environnementale des plans désignant les zones d'infrastructure spécifiques visés à l'article 5 du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables. Cet examen préalable s'appuie sur les données existantes tirées de l'évaluation des incidences sur l'environnement de ces plans.
Lorsque l'examen préalable constate que le projet est fortement susceptible d'entraîner une incidence négative imprévue importante visée à l'alinéa précédent, l'autorité compétente veille, sur la base des données existantes, à ce que des mesures d'atténuation proportionnées et adéquates soient prises pour remédier à ces incidences. Lorsqu'il n'est pas possible d'appliquer de telles mesures d'atténuation, l'autorité compétente veille à ce que le demandeur adopte des mesures compensatoires adéquates pour remédier à ces incidences, qui, si d'autres mesures compensatoires proportionnées ne sont pas disponibles, peuvent prendre la forme d'une compensation financière en faveur de programmes de protection des espèces, visant à maintenir ou améliorer l'état de conservation des espèces touchées. ".
Art. 11. In hetzelfde decreet wordt artikel D.69, gewijzigd bij het decreet van 24 mei 2018, waarvan huidige tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, voor projecten met betrekking tot een installatie voor hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen gelegen buiten een krachtens het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen aangewezen gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, brengt de instantie belast met de beoordeling van de volledigheid of de ontvankelijkheid van het aanvraagdossier, rekening houdend met de door de aanvrager verstrekte informatie, een advies uit over de omvang en de gedetailleerdheid van de informatie in het effectenonderzoek.
Daartoe kan de overheid die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de volledigheid of ontvankelijkheid van het aanvraagdossier het advies inwinnen van elke instantie die zij daarom nuttig acht.
In voorkomend geval neemt de overheid die belast is met de beoordeling van de volledigheid of de ontvankelijkheid van het aanvraagdossier de in lid 1 bedoelde beslissing op in haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard, onder de voorwaarden en volgens de procedures die zijn vastgelegd in de in artikel D.49 bedoelde wetten, decreten en reglementen.
Als het advies een wijziging inhoudt van de reikwijdte of gedetailleerdheid van de informatie in het effectenonderzoek, moet de aanvrager het volledige effectenonderzoek indienen binnen 180 dagen na ontvangst van het besluit over de volledigheid of ontvankelijkheid van het dossier. Deze documenten worden in evenveel exemplaren toegezonden als er exemplaren zijn van de aanvankelijke aanvraag. Als het effectenonderzoek of passende effectenbeoordeling niet binnen de vereiste termijn wordt ingediend, vervalt de vergunningsaanvraag.
De behandeling van de vergunningsaanvraag wordt opgeschort vanaf de datum van verzending van de beslissing over de volledigheid of ontvankelijkheid van het dossier waarvoor een effectenonderzoek of een passende effectenbeoordeling vereist is, tot de datum van ontvangst van het volledige effectenonderzoek of passende beoordeling, die in de opschortingsperiode is inbegrepen.
De procedure bedoeld in deze paragraaf kan slechts één keer over dezelfde aanvraag uitgevoerd worden. ".
Art. 11. Dans le même Code, l'article D.69, modifié par le décret du 24 mai 2018, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les projets relatifs à une installation d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables situés en dehors d'une zone d'accélération d'énergies renouvelables désignée en vertu du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de la demande, compte tenu des informations fournies par le demandeur, émet un avis sur la portée et le niveau de détail des informations figurant dans l'étude d'incidences.
A cette fin, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de la demande peut solliciter l'avis de toute instance qu'elle juge utile.
L'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de la demande inclut l'avis visé à l'alinéa 1er dans sa décision déclarant la demande complète et recevable, dans les conditions et suivant les modalités fixées par les lois, décrets et règlements visés à l'article D.49.
Si l'avis implique une modification de la portée ou du niveau de détail des informations figurant dans l'étude d'incidences, le demandeur dépose l'étude d'incidences complétée dans un délai de 180 jours à dater de la réception de la décision statuant sur le caractère complet ou recevable du dossier. L'étude d'incidences est déposée en autant d'exemplaires que la demande initiale en compte. A défaut de dépôt de l'étude d'incidences dans le délai requis, la demande de permis est caduque.
L'instruction de la demande de permis est suspendue à dater de l'envoi de la décision statuant sur le caractère complet ou recevable du dossier impliquant une modification de la portée ou du niveau de détail des informations figurant dans l'étude d'incidences jusqu'au jour de la réception de l'étude d'incidences complétée, lequel est compris dans le délai de suspension.
La procédure prévue au présent paragraphe ne peut être mise en oeuvre qu'une seule fois pour la même demande. ".
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
CHAPITRE VII. - Modification du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau
Art. 12. Artikel D.22, § 9, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, wordt aangevuld met twee leden, luidend als volgt :
""Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, worden de planning, de bouw en de exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie, de aansluiting van die installaties op het net, het bijbehorende net zelf en opslagactiva, in de zin van artikel 16septies van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, bij de afweging van de rechtsbelangen in individuele gevallen geacht in het hoger openbaar belang te zijn.
In specifieke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, kan de Regering de toepassing van het vorige lid beperken tot bepaalde delen van het grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken overeenkomstig de prioriteiten bepaald in het Lucht-Klimaat-Energieplan bedoeld in het decreet van 16 november 2023 betreffende koolstofneutraliteit. ".
Art. 12. L'article D.22, § 9, du Livre II du Code de l'Environnement, constituant le Code de l'Eau, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, la planification, la construction et l'exploitation d'installations d'énergie renouvelable, le raccordement de ces installations au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage, au sens de l'article 16septies de la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, sont présumés relever de l'intérêt général majeur lors de la mise en balance des intérêts juridiques dans les cas individuels.
Dans des circonstances spécifiques dûment justifiées, le Gouvernement peut restreindre l'application de l'alinéa 2 à certaines parties du territoire, à certains types de technologie ou à des projets présentant certaines caractéristiques techniques conformément aux priorités définies dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone. ".
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het Wetboek van Ruimtelijke ontwikkeling
CHAPITRE VIII. - Modifications du Code du Développement territorial
Art. 13. Artikel D.IV.22 van het Wetboek van Ruimtelijke ontwikkeling, laatst gewijzigd bij het decreet van 13 december 2023, wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
"De vergunning wordt afgegeven door de gemachtigd ambtenaar wanneer deze uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder of een warmtepomp. ".
Art. 13. L'article D.IV.22 du Code du Développement territorial, modifié en dernier lieu par le décret du 13 décembre 2023, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le permis est délivré par le fonctionnaire délégué lorsqu'il concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une pompe à chaleur. ".
Art. 14. Artikel D.IV.35 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij het decreet van 13 december 2023, wordt aangevuld met twee leden, luidend als volgt:
"In afwijking van de leden 1 tot en met 6, kan voor aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW, geen verzoek om advies in eerste aanleg worden ingediend.
Lid 7 is niet van toepassing op een aanvraag voor een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW die betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek. ".
Art. 14. L'article D.IV.35 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 13 décembre 2023, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Par dérogation aux alinéas 1er à 6, les demandes exclusivement relatives à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW ne peuvent pas faire l'objet en première instance d'une demande d'avis.
L'alinéa 7 n'est pas applicable pour une demande exclusivement relative à une pompe à chaleur de moins de 50 MW qui concerne un bien pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine. ".
Art. 15. Artikel D.IV.36 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met volgend lid :
"In afwijking van lid 3 wordt het advies van het gemeentecollege niet gevraagd voor vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, tenzij deze laatste betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek. ".
Art. 15. L'article D.IV.36 du même Code est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 3, l'avis du collège communal n'est pas sollicité pour les permis qui concernent exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW sauf si cette dernière concerne un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine. ".
Art. 16. In hetzelfde Wetboek wordt artikel D.IV.40, gewijzigd bij het decreet van 13 december 2023, waarvan huidige tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging.
In afwijking van paragraaf 1, leden 1 tot en met 4, zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging. ".
Art. 16. Dans le même Code, l'article D.IV.40, modifié en dernier lieu par le décret du 13 décembre 2023, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les demandes qui portent exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéas 1er à 4, les demandes qui portent exclusivement sur une pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet. ".
Art. 17. Artikel D.IV.48 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij het decreet van 13 december 2023, wordt aangevuld met drie leden, luidend als volgt:
" In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd, binnen dertig dagen na de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor het verzenden van de ontvangstbevestiging, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden. of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor de verzending van de ontvangstbevestiging.
In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar tot toekenning of weigering van de vergunning binnen een termijn van negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij ontstentenis daarvan, de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarbinnen hij de ontvangstbevestiging diende te verzenden, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden.
De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op een aanvraag voor een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW die betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek. ".
Art. 17. L'article D.IV.48 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 13 décembre 2023, est complété par trois alinéas rédigés comme suit :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les trente jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation de pompe à chaleur géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les nonante jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Les alinéas 5 et 6 ne sont pas applicables lorsque la demande concerne une pompe à chaleur sur un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine. ".
Art. 18. In hetzelfde Wetboek wordt artikel D.IV.49 waarvan de huidige tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de vergunning voor vergunningsaanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een capaciteit van 15 kW of minder geacht te zijn verleend wanneer de gemachtigd ambtenaar zijn besluit niet binnen de in artikel D.IV.48, lid 5, bedoelde termijn aan de aanvrager heeft toegezonden en op voorwaarde dat de capaciteit van de zonne-energie-installatie de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijdt. ".
Art. 18. Dans le même Code, l'article D.IV.49, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les demandes de permis portant exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW, le permis est réputé octroyé lorsque le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, alinéa 5, et à condition que la capacité de l'équipement d'énergie solaire ne dépasse pas la capacité existante de raccordement au réseau de distribution. ".
Art. 19. In artikel D.IV.53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 28 september 2023, worden aan lid 4 de woorden ", met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder" toegevoegd.
Art. 19. Dans l'article D.IV.53 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 28 septembre 2023, l'alinéa 4 est complété par les mots ", à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ".
Art. 20. In artikel D.IV.67 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 28 september 2023, worden aan lid 4 de woorden ", met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder" toegevoegd.
Art. 20. Dans l'article D.IV.67 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 28 septembre 2023, l'alinéa 4 est complété par les mots ", à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ".
HOOFDSTUK IX. - Wijziging in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud
CHAPITRE IX. - Modifications de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature
Art. 21. De wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud bevat een hoofdstuk III/1 getiteld "Bijzondere bepalingen met betrekking tot hernieuwbare energiebronnen".
Art. 21. Dans la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, il est inséré un chapitre III/1 intitulé " Dispositions particulières relatives aux énergies renouvelables ".
Art. 22. In hoofdstuk III/1, ingevoegd bij artikel 21, wordt een artikel 31bis/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 31 bis/1. In het kader van de vergunningsprocedure, de planning, de bouw en de exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie zoals bedoeld in artikel 2, 1° van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, wordt de aansluiting van deze installaties op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden bij de afweging van de rechtsbelangen in individuele gevallen voor de toepassing van de artikelen 5, § 2, 1°, § 3, 3°, en 29, § 2, vierde lid, vermoed in het hoger openbaar belang en in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid te zijn.
In specifieke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, kan de Regering de toepassing van het vorige lid beperken tot bepaalde delen van het grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken overeenkomstig de prioriteiten bepaald in het Lucht-Klimaat-Energieplan bedoeld in het decreet van 16 november 2023 betreffende koolstofneutraliteit. ".
Art. 22. Dans le chapitre III/1 de la même loi, inséré par l'article 21, il est inséré un article 31bis/1 rédigé comme suit :
" Art. 31bis/1. Dans le cadre de la procédure d'octroi de permis, la planification, la construction et l'exploitation d'installations d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, le raccordement de ces installations au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage sont présumés relever de l'intérêt public majeur et de l'intérêt de la santé et de la sécurité publiques lors de la mise en balance des intérêts juridiques dans les cas individuels aux fins des articles 5, § 2, 1°, § 3, 3°, et 29, § 2, alinéa 4.
Dans des circonstances spécifiques dûment justifiées, le Gouvernement peut restreindre l'application du présent article à certaines parties du territoire, à certains types de technologie ou à des projets présentant certaines caractéristiques techniques conformément aux priorités définies dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone. ".
Art. 23. In hetzelfde hoofdstuk III/1 van dezelfde wet wordt een artikel 31bis/2 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 31 bis/2. Wanneer nieuwe mitigerende maatregelen om het doden of verstoren van krachtens de artikelen 2, 2bis, 3 en 29 beschermde soorten of andere milieueffecten zoveel mogelijk te voorkomen, nog niet op grote schaal op hun doeltreffendheid zijn getest, kan de bevoegde overheid toestaan dat zij gedurende een beperkte periode voor een of meer proefprojecten worden gebruikt, op voorwaarde dat de doeltreffendheid van deze mitigerende maatregelen nauwlettend wordt gecontroleerd en dat onmiddellijk passende actie wordt ondernomen wanneer zij ondoeltreffend blijken te zijn. ".
Art. 23. Dans le même chapitre III/1 de la même loi, il est inséré un article 31bis/2 rédigé comme suit :
" Art. 31bis/2. Lorsque de nouvelles mesures d'atténuation visant à prévenir autant que possible la mise à mort ou la perturbation d'espèces protégées en vertu des articles 2, 2bis, 3 et 29, ou toute autre incidence sur l'environnement, n'ont pas été largement testées en ce qui concerne leur efficacité, l'autorité compétente peut autoriser son utilisation pour un ou plusieurs projets pilotes pour une période limitée, à condition que l'efficacité de ces mesures d'atténuation soit étroitement contrôlée et que des mesures appropriées soient prises immédiatement si elles s'avèrent inefficaces. ".
Art. 24. In hetzelfde hoofdstuk III/1 van dezelfde wet wordt een artikel 31bis/3 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 31 bis/3. Wanneer een project voor hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen de nodige mitigerende maatregelen bevat, wordt het doden of verstoren bedoeld in de artikelen 2 en 2bis niet als opzettelijk beschouwd. ".
Art. 24. Dans le même chapitre III/1 de la même loi, il est inséré un article 31bis/3 rédigé comme suit :
" Art. 31bis/3. Lorsqu'un projet d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables comporte les mesures d'atténuation nécessaires, toute mise à mort ou perturbation visée aux articles 2 et 2bis n'est pas considérée comme intentionnelle. ".
Art. 25. In hetzelfde hoofdstuk III/1 van dezelfde wet wordt een artikel 31bis/4 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 31 bis/4. Onverminderd artikel D.65/2, § 4, van Boek I van het Milieuwetboek, in afwijking van artikel 29, § 2, is elk vergunningsplichtig project voor een installatie voor hernieuwbare energie bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, nieuwe aanvragen voor installaties voor hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van installaties die verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie combineren als bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen en de herinrichting van elektriciteitscentrales die hernieuwbare energiebronnen gebruiken bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, gelegen in een gebied voor het versneld uitrollen van hernieuwbare energie aangewezen krachtens het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen, niet onderworpen aan een effectbeoordeling op Natura 2000-gebieden, op voorwaarde dat het project voldoet aan de regels vastgesteld krachtens artikel 4, § 2, b), van het decreet van 29 april 2024 betreffende het versneld uitrollen van hernieuwbare energiebronnen. ".
Art. 25. Dans le même chapitre III/1 de la même loi, il est inséré un article 31bis/4 rédigé comme suit :
" Art. 31bis/4. Sans préjudice de l'article D.65/2, § 4, du Livre Ier du Code de l'Environnement, par dérogation à l'article 29, § 2, tout projet soumis à permis pour une installation d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, les nouvelles demandes pour des installations d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, y compris les installations qui combinent différents types de technologie en matière d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables et le rééquipement de centrales électriques utilisant des sources d'énergie renouvelable visée à l'article 2, 1°, du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables, situé dans une zone d'accélération d'énergies renouvelables désignée en vertu du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables ne fait pas l'objet d'une évaluation des incidences sur les sites Natura 2000, pour autant que le projet respecte les règles établies en application de l'article 4, § 2, b), du décret du 29 avril 2024 relatif à l'accélération du déploiement des énergies renouvelables. ".
HOOFDSTUK X. - Wijziging in het Waalse Erfgoedwetboek
CHAPITRE X. - Modifications du Code wallon du Patrimoine
Art. 26. In artikel D.34 van het Waalse Erfgoedwetboek, wordt lid 3 aangevuld met de woorden ", met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op een installatie voor zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder".
Art. 26. Dans l'article D.34, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, l'alinéa 3 est complété par les mots ", à l'exception des actes et travaux relatifs exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ".
Art. 27. In artikel D.38 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
aan lid 1 wordt de punten 10° en 11° toegevoegd, luidend als volgt:
"10° wanneer de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder;
11° wanneer de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de installatie van een warmtepomp. ";
het artikel wordt aangevuld met volgend lid :
"In afwijking van lid 1 dient de door de Regering aangeduide dienst de aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op het plaatsen van zonne-energie-apparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW, vermeld in paragraaf 1, 10°, niet in bij een erfgoedvergadering. ".
Art. 27. Dans l'article D.38 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
à l'alinéa 1er, sont insérés les 10° et 11° rédigés comme suit :
" 10° lorsque la demande porte exclusivement sur l'installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW;
11° lorsque la demande porte exclusivement sur l'installation d'une pompe à chaleur. ";
l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le service désigné par le Gouvernement ne soumet pas à réunion de patrimoine la demande qui porte exclusivement sur l'installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW visée à l'alinéa 1er, 10°. ".
Art. 28. In artikel D.47 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
lid 2 wordt vervangen door wat volgt:
"In het in het eerste lid, 1°, bedoelde geval deelt de Regering de aanvrager haar beslissing over de aanvraag voor een erfgoedvergunning mee aan de aanvrager binnen veertig dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging van de volledige aanvraag of, bij uitzondering, binnen de dertig dagen voor een aanvraag bedoeld in artikel D.38, eerste lid, 10°. De Regering stuurt een kopie van haar beslissing naar de Commissie en naar de gemeente op wiens grondgebied het goed zich bevindt. ";
er wordt tussen de leden 3 en 4 twee leden ingevoegd, luidend als volgt:
"In afwijking van het tweede en derde lid zal de Regering, indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op hernieuwbare energieprojecten, haar beslissing betreffende de aanvraag voor een erfgoedvergunning aan de aanvrager meedelen binnen de zes maanden na het versturen van de ontvangstbevestiging van de volledige aanvraag of, bij wijze van uitzondering, binnen drie maanden voor een aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op de aanpassing van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kW en voor gekoppelde energieopslag, alsook voor de aansluiting van deze elektriciteitscentrales, installaties en opslag op het net. De Regering stuurt een kopie van haar beslissing naar de Commissie en naar de gemeente op wiens grondgebied het goed zich bevindt.
Voor de aanvragen bedoeld in artikel D.38, eerste lid, 10°, wordt de erfgoedvergunning geacht te zijn verleend als de Regering haar beslissing niet binnen de termijn van dertig dagen, bedoeld in het tweede lid, aan de aanvrager heeft meegedeeld en op voorwaarde dat de capaciteit van de zonne-energie-apparatuur de bestaande capaciteit voor aansluiting op het distributienet niet overschrijdt. De Regering zal tegelijkertijd de aanvrager, de Commissie en de gemeente op wiens grondgebied het eigendom zich bevindt, op de hoogte brengen. ".
Art. 28. Dans l'article D.47 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 1°, le Gouvernement notifie au demandeur sa décision concernant la demande d'autorisation patrimoniale dans un délai de quarante jours à compter de l'envoi de l'accusé de réception de la demande complète ou, par exception, dans un délai de trente jours pour une demande visée à l'article D.38, alinéa 1er, 10°. Le Gouvernement communique une copie de sa décision à la Commission et à la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien. ";
il est inséré deux alinéas rédigés comme suit entre les alinéas 3 et 4 :
" Par dérogation aux alinéas 2 et 3, dans l'hypothèse où la demande porte exclusivement sur des projets d'énergie renouvelable, le Gouvernement notifie au demandeur sa décision concernant la demande d'autorisation patrimoniale dans un délai de six mois à compter de l'envoi de l'accusé de réception de la demande complète ou, par exception, dans un délai de trois mois pour une demande portant exclusivement sur le rééquipement de centrales électriques utilisant des sources d'énergie renouvelable, pour les nouvelles installations d'une puissance électrique inférieure à 150 kW et pour le stockage colocalisé de l'énergie, ainsi que pour le raccordement de ces centrales, installations et stockage au réseau. Le Gouvernement communique une copie de sa décision à la Commission et à la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien.
Pour les demandes visées à l'article D.38, alinéa 1er, 10°, l'autorisation patrimoniale est réputée octroyée lorsque le Gouvernement n'a pas notifié sa décision au demandeur dans le délai de trente jours visé à l'alinéa 2 et à condition que la capacité de l'équipement d'énergie solaire ne dépasse pas la capacité existante de raccordement au réseau de distribution. Le Gouvernement en avertit simultanément le demandeur, la Commission et la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien. ".
Art. 29. In artikel D.48, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt lid 3 aangevuld met de woorden ", met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op een installatie voor zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder".
Art. 29. Dans l'article D.48, § 1er, du même Code, l'alinéa 3 est complété par les mots ", à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ".
Art. 30. In artikel D.51, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden twee leden ingevoegd tussen het tweede en het derde lid, luidend als volgt`:
"In afwijking van het tweede lid wordt, wanneer voor het verrichten van de handelingen en werken waarop de verleende erfgoedvergunning betrekking heeft, een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning of een globale vergunning vereist is, de vergunningsaanvraag ingediend binnen achttien maanden na de datum waarop de erfgoedvergunning werd verleend wanneer de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op hernieuwbare energieprojecten of binnen zes maanden voor een aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op heruitrusting van elektriciteitscentrales die hernieuwbare energiebronnen gebruiken, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kW en voor gekoppelde energieopslag, alsook voor de aansluiting van deze elektriciteitscentrales, installaties en opslag op het net.
De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op handelingen en werken die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder. ".
Art. 30. Dans l'article D.51, § 1er, du même Code, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" Par dérogation à l'alinéa 2, lorsque la réalisation des actes et travaux qui ont fait l'objet de l'autorisation patrimoniale octroyée requiert l'obtention d'un permis d'urbanisme, d'un permis d'environnement ou d'un permis unique, la demande de permis est introduite dans les dix-huit mois de la date d'octroi de l'autorisation patrimoniale lorsque la demande porte exclusivement sur des projets d'énergie renouvelable ou dans les six mois pour une demande portant exclusivement sur le rééquipement de centrales électriques utilisant des sources d'énergie renouvelable, pour les nouvelles installations d'une puissance électrique inférieure à 150 kW et pour le stockage colocalisé de l'énergie, ainsi que pour le raccordement de ces centrales, installations et stockage au réseau.
Les alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables pour les actes et travaux relatifs exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW. ".
Art. 31. In artikel D.52, lid 1, van hetzelfde Wetboek, wordt punt 2° aangevuld met de woorden ", met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op een installatie voor zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder".
Art. 31. Dans l'article D.52, alinéa 1er, du même Code, le 2° est complété par les mots ", à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ".
HOOFDSTUK XI. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 11. - Disposition transitoire
Art. 32. De aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning of erfgoedvergunning waarvan het ontvangstbewijs dateert van vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet wordt verder behandeld volgens de op bedoelde datum vigerende bepalingen.
De aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning en een globale vergunning waarvan de ontvangstbevestiging dateert van voor de inwerkingtreding van de overeenkomstig artikel 4 aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, zullen verder worden behandeld overeenkomstig de op die datum geldende bepalingen.
Art. 32. La demande de permis d'urbanisme, de permis d'environnement, de permis unique ou d'autorisation patrimoniale dont l'accusé de réception est antérieur à la date d'entrée en vigueur du présent décret poursuit son instruction selon les dispositions en vigueur à cette date.
La demande de permis d'urbanisme, de permis d'environnement et de permis unique dont l'accusé de réception est antérieur à l'entrée en vigueur des zones d'accélération des énergies renouvelables désignées conformément à l'article 4 poursuit son instruction selon les dispositions en vigueur à cette date.
Art. 33. Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2024.
Art. 33. Le présent décret entre en vigueur le 1er juillet 2024.