Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 MEI 2024. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 4 oktober 2018 tot wijziging van verschillende teksten, wat betreft de waterlopen
Titre
23 MAI 2024. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon portant exĂ©cution du dĂ©cret du 4 octobre 2018 modifiant divers textes, en ce qui concerne les cours d'eau
Documentinformatie
Numac: 2024010538
Datum: 2024-05-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024010538
Date: 2024-05-23
Moniteur: Voir
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen inzake milieuvergunningen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives en matiĂšre de permis d'environnement
Afdeling 1. Wijzigingsbepalingen in het Besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen
Section 1re. Dispositions modificatives de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences, des installations et activitĂ©s classĂ©es ou des installations ou des activitĂ©s prĂ©sentant un risque pour le sol
Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 2021, wordt een punt 24° bis ingevoegd, luidend als volgt :
"24° bis "CENN-beheerder": als het project betrekking heeft op :
a) een onbevaarbare waterloop van eerste categorie: Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Directie Onbevaarbare Waterlopen;
b) onbevaarbare waterloop van tweede categorie: Provinciale technische dienst;
c) onbevaarbare waterlopen van derde categorie: Gemeentecollege
d) niet-beschermde waterloop Provinciale technische dienst
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences, des installations et activitĂ©s classĂ©es ou des installations ou des activitĂ©s prĂ©sentant un risque pour le sol, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 25 fĂ©vrier 2021, est insĂ©rĂ© un 24° bis rĂ©digĂ© comme suit :
" 24° bis " Gestionnaire CENN " : lorsque le projet concerne :
a) un cours d'eau non navigable de premiÚre catégorie : le SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Direction des cours d'eau non navigables ;
b) un cours d'eau non navigable de deuxiÚme catégorie : Service technique provincial ;
c) un cours d'eau non navigable de troisiÚme catégorie : CollÚge communal ;
d) un cours d'eau non classé : Service technique provincial ; ".
Art. 2. In bijlage I bij hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 2021, wordt rubriek 10.01.05 vervangen als volgt:
Art. 2. A l'annexe I du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 25 fĂ©vrier 2021, la rubrique 40.10.01.05 est remplacĂ©e comme suit :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-11-2024, p. 127545)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-11-2024, p. 127488)
Art. 3. In bijlage I bij hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 2021, wordt een rubriek 41.00.05 ingevoegd, luidend als volgt :
Art. 3. A l'annexe I du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 25 fĂ©vrier 2021, est insĂ©rĂ©e une rubrique 41.00.05 rĂ©digĂ©e comme suit :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-11-2024, p. 127545)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-11-2024, p. 127489)
Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
Section 2. - Dispositions modificatives de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 4. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2019, wordt aangevuld met volgend lid :
Als de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een waterkrachtcentrale bedoeld in de rubrieken 40.10.01.05.03 of 40.10.01.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die een risico voor de bodem vormen, bevat ze, naast het algemene aanvraagformulier, de gegevens vastgesteld door de Minister van Leefmilieu. ".
Art. 4. L'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 juillet 2019, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
" Si la demande de permis d'environnement est relative Ă  une centrale hydroĂ©lectrique visĂ©e Ă  la rubrique 40.10.01.05.03 ou 40.10.01.05.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences, des installations et activitĂ©s classĂ©es ou des installations ou des activitĂ©s prĂ©sentant un risque pour le sol, elle comprend, outre le formulaire gĂ©nĂ©ral de demande, les informations arrĂȘtĂ©es par le Ministre de l'Environnement. ".
Art. 5. Artikel 30 van hetzelfde besluit, voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2019, wordt aangevuld met volgend lid :
Als de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een waterkrachtcentrale bedoeld in de rubrieken 40.10.01.05.03 of 40.10.01.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die een risico voor de bodem vormen, bevat ze, naast het algemene aanvraagformulier, de gegevens vastgesteld door de Minister van Leefmilieu. ".
Art. 5. L'article 30 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 juillet 2019, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
" Si la demande de permis unique est relative Ă  une centrale hydroĂ©lectrique visĂ©e Ă  la rubrique 40.10.01.05.03 ou 40.10.01.05.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences, des installations et activitĂ©s classĂ©es ou des installations ou des activitĂ©s prĂ©sentant un risque pour le sol, elle comprend, outre le formulaire gĂ©nĂ©ral de demande, les informations arrĂȘtĂ©es par le Ministre de l'Environnement. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen van Boek I van het Milieuwetboek
CHAPITRE 2. - Dispositions modificatives du Livre Ier du Code de l'Environnement
Art. 6. In artikel R.52 van Boek I van het Milieuwetboek, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 6 september 2018, worden de woorden "de artikelen 12, § 1, en 14, § 1, van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen" vervangen door "artikel D.40 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt".
Art. 6. Dans l'article R.52 du Livre Ier du Code de l'Environnement, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 6 septembre 2018, les mots " des articles 12, § 1er, et 14, § 1er, de la loi du 28 dĂ©cembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables " sont remplacĂ©s par " de l'article D.40 du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau.
Art. 7. In het regelgevend gedeelte, deel VIII, titel 2, hoofdstuk II, van hetzelfde wetboek wordt een afdeling 1/1 ingevoegd, bestaande uit de artikelen R.105/1 tot en met R.105/2, luidend als volgt:
"Afdeling 1/1. - Provinciale vaststellende beambten
"Art. R. 105/1. § 1. De provincieraad kan provinciale vaststellende beambten aanwijzen die zijn belast met het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen bedoeld in titel V van deel II van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de bepalingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, en met het onderzoek naar en de vaststelling van de overtredingen van de artikelen D.408 en R.83 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Deze vaststellende beambten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° niet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing veroordeeld zijn voor een misdrijf of een overtreding van eerste of tweede categorie in de zin van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek;
2° beschikken over minstens:
a) een getuigschrift van het hoger middelbaar onderwijs;
b) een getuigschrift van het lager middelbaar onderwijs en een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie (vijf jaar) in dienst van een gemeente of een intercommunale;
3° de opleiding overeenkomstig § 2 met succes hebben voltooid.
De bevoegdheden van gerechtelijke politie kunnen slechts door beëdigde provinciale vaststellende beambten uitgeoefend worden. De beambten leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun administratieve standplaats.
De hoofdgriffier maakt een afschrift van de machtiging en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg die bevoegd zijn voor het Waalse grondgebied.
§ 2. Alvorens zijn functie van vaststellende beambte op te nemen, volgt de provinciale vaststellende beambte de eerste sessie van de basisopleiding bedoeld in artikel R.124, § 1, aangevuld, in het jaar van zijn indiensttreding, met de opleiding bedoeld in artikel R.124, § 2.
Voor het volgen van de in lid 1 bedoelde opleiding wordt na het volledig doorlopen van de cursus een aanwezigheidscertificaat afgegeven waarop de exacte inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren vermeld staan.
Elk jaar kan de provinciale vaststellende beambte die overeenkomstig artikel R.128 op de hoogte werd gebracht, verzoeken om deel te nemen aan de bijscholingscursus die overeenkomstig artikel R.127 wordt georganiseerd. Daartoe moet hij ten minste dertig dagen voor de dag van de opleiding een verzoek indienen bij de administratie.
§ 3. De provinciale vaststellende beambten oefenen hun bevoegdheden uit onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen. Zij beslissen zelfstandig en ontvangen geen andere instructies dan algemene instructies op dit gebied.
De Minister stelt de voorwaarden vast, waarbij de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de provinciale vaststellende beambten wordt gewaarborgd.
Art. R.105/2. § 1. Om hun status te bewijzen, dragen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich, waarvan de minimale gegevens in bijlage IX, deel 1/1, zijn vermeld.
§ 2. Bij het uitoefenen van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister en de Minister die verantwoordelijk is voor de Plaatselijke Besturen kunnen een lijst van onderscheidende tekens opstellen.
§ 3. De houders van een legitimatiekaart mogen de kaart enkel in de uitoefening van hun ambt gebruiken. Ze moeten de kaart op eenvoudig verzoek en desnoods spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie ze zich wenden in de uitoefening van hun ambt. Ze presenteren het op verzoek.
Als de houder de legitimatiekaart niet kan overleggen, wordt de geldigheid van de door de houder genomen maatregelen niet in twijfel getrokken.
§ 4. De legitimatiekaart wordt zo snel mogelijk teruggestuurd naar de bevoegde instantie van de provincie wanneer :
1° de kaart versleten is ;
2° één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
3° de houder definitief zijn functie neerlegt.
De reden voor het terugsturen van de kaart wordt vermeld en vervolgens wordt de kaart onbruikbaar gemaakt.
Als de houder wordt geschorst of uit zijn functie wordt ontheven, trekt de bevoegde instantie van de provincie of haar gedelegeerde de legitimatiekaart tijdelijk in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt.
Verlies, diefstal of vernietiging van de kaart moeten onmiddellijk aan de bevoegde instantie van de provincie of haar afgevaardigde medegedeeld worden.
In geval van verlies of diefstal moet de kaarthouder aangifte doen bij de politie.
Als de kaart na verlenging wordt teruggevonden, wordt ze onmiddellijk teruggestuurd naar de bevoegde instantie van de provincie of haar afgevaardigde, met vermelding van de reden voor de terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.
Art. R.105/3. § 1. Het besluit van provincieraad over de benoeming van een provinciale vaststellende beambte overeenkomstig artikel D.146, § 6, wordt naar de Administratie gestuurd met behulp van het formulier in bijlage X. Een kopie van de afgelegde eed is bijgevoegd.
De beëindiging van de functie van de in lid 1 bedoelde provinciale vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
§ 2. De in het paragraaf 1 bedoelde stukken worden toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen. ".
Art. 7. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie VIII, Titre 2, Chapitre II du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© une Section 1/1, comportant les articles R. 105/1 Ă  R.105/2, rĂ©digĂ©e comme suit :
" Section 1/1. - Agents constateurs provinciaux
Art. R. 105/1. § 1er. Le Conseil provincial peut désigner des agents constatateurs provinciaux qui seront chargés de surveiller et de contrÎler le respect des dispositions visées au titre V de la partie II du livre II du Code de l'environnement constituant le Code de l'eau et aux dispositions prises en vertu de celui-ci, et de rechercher et constater les infractions aux articles D.408 et R.83 du Livre II du Code de l'Environnement constituant Code de l'Eau.
Ces agents constatateurs remplissent les conditions suivantes :
1° n'avoir subi aucune condamnation pénale du chef d'un crime à raison d'une décision de justice coulée en force de chose jugée, d'un délit ou d'une infraction de premiÚre ou deuxiÚme catégorie au sens de la partie VIII du Livre Ier du Code de l'Environnement ;
2° disposer au moins, soit :
a) d'un certificat d'enseignement secondaire supérieur ;
b) d'un certificat d'enseignement secondaire inférieur et d'une expérience utile pour l'exercice de la fonction de cinq ans au service d'une province ou d'une intercommunale ;
3° avoir suivi avec succÚs la formation, conformément au § 2.
Les compĂ©tences de police judiciaire peuvent ĂȘtre exercĂ©es uniquement par des agents constatateurs provinciaux ayant prĂȘtĂ© serment. Les agents prĂȘtent serment devant le tribunal de premiĂšre instance de leur rĂ©sidence administrative.
Le greffier en chef communique à ses collÚgues des tribunaux de premiÚre instance compétents sur le territoire de la Région wallonne, copie de la commission et de l'acte de prestation de serment.
§ 2. Préalablement à son entrée en fonction en tant qu'agent constatateur, l'agent constatateur provincial suit la premiÚre session de la formation de base prévue à l'article R.124, § 1er, et complétée, dans l'année de son entrée en fonction, de la formation, visée à l'article R.124, § 2.
La participation à la session de formation, visée à l'alinéa 1er, donne lieu à la délivrance, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation et le nombre d'heures suivies.
Chaque année, l'agent constatateur provincial informé conformément à l'article R.128, peut solliciter sa participation à la session de recyclage organisée conformément à l'article R.127. A cet effet, il en formule la demande à l'Administration au moins trente jours avant le jour de la tenue de la formation.
§ 3. Les agents constatateurs provinciaux exercent leurs pouvoirs dans des conditions garantissant leur indépendance et leur impartialité. Ils décident en toute autonomie et ne reçoivent d'instructions autres que générales à cet égard.
Le Ministre fixe les conditions permettant d'assurer l'indépendance et l'impartialité des agents constatateurs provinciaux.
Art. R.105/2. § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises dans l'annexe IX, partie 1/1.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents constatateurs dĂ©signĂ©s conformĂ©ment Ă  la prĂ©sente section peuvent ĂȘtre porteurs de signes distinctifs. Le Ministre et le Ministre qui a les pouvoirs locaux dans ses attributions peuvent Ă©tablir la liste des signes distinctifs peut Ă©tablir la liste de ces signes distinctifs.
§ 3. Le titulaire d'une carte de légitimation l'utilise uniquement dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. Il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures entreprises par son titulaire.
§ 4. La carte de légitimation est restituée à l'organe compétent de la Province dans les meilleurs délais lorsque :
1° la carte est détériorée ;
2° une ou plusieurs données sont modifiées ou lorsque la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
3° le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier l'accompagnant, la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, l'organe compétent de la Province ou son délégué lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dÚs la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement l'organe compétent de la Province ou son délégué.
La perte et le vol font l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée aprÚs son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement à l'organe compétent de la Province ou à son délégué avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.
Art. R.105/3. § 1er. La décision du Conseil provincial portant sur la désignation d'un agent constatateur provincial conformément à l'article D.146, § 6, est transmise à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X. Une copie de la prestation de serment est jointe à l'envoi.
La fin de fonction de l'agent constatateur provincial, visé à l'alinéa 1er, est, sans délai, notifiée à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X.
§ 2. Les documents repris au paragraphe 1er sont envoyés sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3. ".
Art. 8. In bijlage V van het regelgevend deel van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2018, wordt pu14° geschrapt.
Art. 8. Dans l'annexe V de la partie rĂ©glementaire du mĂȘme Code, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2018, le 14° est supprimĂ©.
Art. 9. In bijlage IX van het regelgevend deel van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 2 juni 2022, wordt een deel 1/1 ingevoegd, luidend als volgt :
Deel 1. - De Provinciale vaststellende beambten
De legitimatiekaart neemt de vorm aan van een kaart in rechthoekige vorm, van het formaat `identiteitskaart', namelijk 86,60 mm X 53,98 mm. Op de achterkant staat het logo of zegel van de provincie in de rechterbenedenhoek.
De inhoud van de legitimatiekaart op de voorkant is de volgende :
1° op het bovenste deel: de identiteit van de provincie ;
midden links : een identiteitskleurenfoto van de houder; ;
3° midden rechts, onder de naam en de voornaam van de houders het volgnummer van de kaart.
Op de legitimatiekaart staat op de achterkant "Agent de police judiciaire" (Gerechtelijke politieagent). Na die vermelding volgen de bewoordingen " est autorisé à requérir assistance en cas de besoin " (" mag bijstand vragen in geval van nood).
De voornoemde vermeldingen worden in het Frans en in het Duits vermeld, met voorrang voor de taal van de houder.
De kleuren van de Belgische vlag staan op de achterkant van de legitimatiekaart. ".
Art. 9. Dans l'annexe IX de la partie rĂ©glementaire du mĂȘme Code, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 2 juin 2022, est insĂ©rĂ©e une partie 1/1 rĂ©digĂ©e comme suit :
" Partie 1/1. - Les agents constateurs provinciaux
La carte de légitimation des agents constatateurs provinciaux se présente sous la forme d'une carte de forme rectangulaire, au format carte d'identité, soit 86,60 mm de longueur et 53,98 mm de largeur. Le verso comporte le logo ou le sceau de la Province dans le coin inférieur droit.
La carte de légitimation porte au recto au minimum les mentions suivantes :
1° sur la partie supérieure : l'identité de la Province ;
2° sur la partie centrale gauche, une photographie d'identité en couleur du titulaire ;
3° sur la partie droite, sous le prénom et le nom du titulaire et le numéro d'ordre de la carte.
La carte de légitimation porte au verso la mention " Agent de police judiciaire ". Cette mention est suivie de l'indication " est autorisé à requérir assistance en cas de besoin ".
Les mentions précédentes sont inscrites en français et en allemand, avec priorité à la langue du titulaire.
Les couleurs du drapeau belge sont reproduites sur le verso de la carte de légitimation. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepalingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives du Livre II du Code de l'environnement constituant le Code de l'eau
Art. 10. In het regelgevend deel, Deel II, Titel V van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, wordt een Hoofdstuk I ingevoegd, bevattend artikel R. 57, luidend als volgt:
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden
Art. R. 57. De lijst van de vissoorten waarvan het vrij rondzwemmen in het Waalse Gewest is gewaarborgd, is opgenomen in bijlage LVIII. ".
Art. 10. Dans la partie réglementaire, Partie II, Titre V du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau, il est inséré un Chapitre Ier, comportant l'article R. 57, rédigé comme suit :
" CHAPITRE Ier - Généralités
Art. R. 57. La liste des espÚces piscicoles dont la libre circulation est assurée en Région wallonne figure à l'annexe LVIII. ".
Art. 11. In het regelgevend deel, Deel II, Titel V, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk II ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 58 tot en met R. 72,, luidend als volgt:
"HOOFDSTUK II - Onbevaarbare Waterlopen
Afdeling 1. - Indeling
Art. R. 58. De punten waarop onbevaarbare waterlopen in de eerste categorie worden ingedeeld, worden voor elk daarvan bepaald door de aanwijzingen in bijlage LIX.
Afdeling 2. - Atlas
Art. R. 59. Afhankelijk van de beschikbare gegevens kan de Atlas van onbevaarbare waterlopen als bedoeld in artikel D. 36 van dit boek het volgende bevatten:
1° de punten waar de afmetingen werden gemeten ;
2° de breedte van de kruin en het plafond;
3° de diepte onder de oevers;
4° de helling ;
5° het traject van de bestreken waterlopen en hun toegangspunten ;
6° de gegevens voor de niet-beschermde waterlopen.
Afdeling 3. - onderhouds- en kleine herstelwerken.
Art. R. 60. Het onderhoud en de kleine herstellingen die moeten worden uitgevoerd aan een waterloop of een deel van een waterloop van de tweede categorie die de grens van twee provincies vormt, worden uitgevoerd door de provincie op het grondgebied waarvan de waterloop stroomt, onmiddellijk stroomopwaarts van het punt vanwaar zij de grens vormt, en, indien het begin van het grensgedeelte samenvalt met de oorsprong van de waterloop, door de provincie die is aangewezen door de Regering die bevoegd is om die oorsprong vast te stellen.
Art. R. 61. Beheerders inspecteren onbevaarbare waterlopen minstens om de zes jaar. De inspectie heeft als doel:
1° de waterlopen of delen van waterlopen te bepalen waar onderhoud en kleine herstellingen worden uitgevoerd;
2° het type werk bepalen dat moet worden uitgevoerd;
3° het type werk bepalen dat moet worden uitgevoerd;
4° de werken identificeren die veroorzaakt of verergerd worden door het gebruik van de waterloop door privaat- of publiekrechtelijke personen of door de aanwezigheid van werken die toebehoren aan privaat- of publiekrechtelijke personen.
Art. R. 62. De beheerders stellen tijdig plannen op voor onderhoud en kleine herstellingen en bepalen hoe deze moeten worden uitgevoerd. Beheerders kunnen beslissen dat onderhoud en kleine herstellingswerken moeten worden uitgevoerd op een specifieke waterloop of op het geheel of een deel van een specifiek stroomgebied of deelstroomgebied.
Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, overleggen de beheerders met de afdeling Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, overeenkomstig de artikelen R. 79 en volgende.
Onderhoud en kleine herstellingen staan onder toezicht en leiding van de beheerders.
Art. R. 63. § 1. Het volgende onderhoud en kleine herstellingen mogen worden uitgevoerd door andere personen dan beheerders:
1° het verzamelen van puin, takken, houtwallen en grofvuil;
2° het onderhoud en de verwijdering van de vegetatie op de oevers van onbevaarbare waterlopen, in het bijzonder het verwijderen van takken, kreupelhout, struiken en planten van alle soorten die op de oevers groeien, zonder de kleine bedding van deze waterlopen te wijzigen, en het verwijderen van invasieve planten;
§ 2. De aangifte bedoeld in artikel D.37, § 3, van dit boek wordt in tweevoud opgesteld volgens het formulier vastgesteld door de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen.
§ 3. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt de beheerder een kopie van de aangifte naar het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu of naar elke instantie die hij nuttig acht om te raadplegen, voor een advies over het eventueel opleggen van bijkomende uitvoeringsvoorwaarden. Op verzoek van de beheerder of het "DNF" kan een gezamenlijk bezoek ter plaatse worden georganiseerd. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Sectie 4. - Procedure voor domaniale vergunning van de beheerder
Art. R. 64. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1° "Openbaar domein": de kleine bedding van een onbevaarbare waterloop als bedoeld in artikel D. 34 van dit boek en als gedefinieerd in artikel D. 2, 56 bis van dit boek;
2° "Vergunninghouder": de houder van een domaniale vergunning.
Art. R. 65. § 1. De aanvraag voor een domaniale vergunning in de vorm van een eenzijdige rechtshandeling wordt in tweevoud opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen. Afhankelijk van de categorie van onbevaarbare waterlopen waar het project zich bevindt, wordt de aanvraag per werk naar de betrokken beheerder gestuurd, per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
§ 2. De beheerder stuurt de aanvrager binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging waarin staat of de aanvraag volledig is.
Indien de aanvraag onvolledig is, zendt de beheerder de aanvrager de lijst van de ontbrekende stukken en wijst erop dat de procedure hervat wordt met ingang van de datum van ontvangst van het volledige dossier. De beheerder kan ook de overlegging eisen van bijkomende documenten die hij nodig acht voor het onderzoek van het verzoek en bepaalt dat de procedure opnieuw start vanaf de datum van ontvangst van deze documenten. Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvullende informatie stuurt de beheerder een ontvangstbevestiging waarin staat of de aanvraag volledig is.
Als de beheerder de aanvrager niet binnen dertig dagen een ontvangstbevestiging stuurt, wordt de aanvraag als volledig beschouwd en wordt de procedure voortgezet.
§ 3. Voor het onderzoek van de aanvraag, overleggen de beheerders met het Departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, overeenkomstig de artikelen R. 79 en volgende.
§ 4. De beslissing tot toekenning van de vergunning vermeldt minstens:
1° de identiteit van de aanvrager;
2° de toestand, de identificatie en de beschrijving van de toegelaten werken;
3° de datum waarop de toekenning ingaat, en in voorkomend geval, de duur ervan;
4° 4° eventuele bijzondere voorwaarden verbonden aan de toekenning;
5° de termijn waarin de vergunning moet worden uitgevoerd;
6° de maatregelen tot bekendmaking van het besluit;
7° de beroepsmodaliteiten;
§ 5. Tegelijkertijd met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende post of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de beheerder ook een kopie van zijn beslissing:
1° aan de overheden die tijdens de procedure binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;
2° aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het project gevestigd wordt;
De vergunninghouder zal gedurende twintig dagen voor het begin van de uitvoering van de domaniale vergunning een bericht plaatsen in de buurt van de locatie waar het project zal worden uitgevoerd, vóór de weg en leesbaar vanaf de weg. Deze kennisgeving vermeldt het doel van de beslissing, waar deze kan worden geraadpleegd en hoe er beroep tegen kan worden aangetekend.
Deze kennisgeving wordt ook gedurende twintig dagen opgehangen op de gebruikelijke plaatsen in de gemeente of gemeenten op het grondgebied waarvan het project zich bevindt. Na afloop van de aanplaktermijn maakt de burgemeester een attest op ter bevestiging van de aanplakking.
De beslissing tot verlening van de vergunning is uitvoerbaar vanaf de dag volgend op het verstrijken van de beroepstermijn voorzien in artikel D. 46 van dit Boek, of vanaf de dag nadat deze is verzonden naar de vergunninghouder indien de vergunning in beroep is verleend.
Art. R. 66. Bij het afgeven van de domaniale vergunning, in de vorm van een eenzijdige rechtshandeling of een contract, kan de beheerder speciale voorwaarden stellen. Als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt de geldigheidsperiode in de vergunning vermeld.
De domaniale vergunning vervalt als deze niet binnen drie jaar na de datum van afgifte is geĂŻmplementeerd. Op verzoek van de vergunninghouder kan deze periode echter met een jaar worden verlengd. Dit verzoek moet per aangetekende post of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, dertig dagen voor het verstrijken van de termijn worden gedaan. De verlenging wordt toegestaan door de beheerder.
De vergunninghouder kan afstand doen van de domaniale vergunning door een aangetekende brief te sturen of op een andere manier die een bepaalde datum oplevert.
Wanneer de domaniale vergunning eindigt kan de beheerder het herstel van de plaats eisen tegen de voorwaarden die hij bepaalt.
Art. R. 67. De vergunninghouder moet de beheerder onmiddellijk op de hoogte brengen van elke wijziging van de gegevens in de domaniale vergunning die in de vorm van een eenzijdige handeling of in de vorm van een contract is afgegeven.
Wanneer een domaniale vergunning aan verschillende vergunninghouders wordt verleend, worden laatstgenoemden hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot het vervullen van alle verplichtingen die voortvloeien uit deze vergunning.
Elk schade veroorzaakt aan het openbaar domein moet de vergunninghouder zo spoedig mogelijk aan de beheerder melden.
De vergunninghouder treft de gepaste maatregelen om de veiligheid van de gebruikers op het openbaar domein te garanderen. In geen geval zal het de belangrijkste functies van de onbevaarbare waterloop waarnaar wordt verwezen in artikel D. 33/1 van dit boek belemmeren.
De domaniale vergunning wordt verleend onder voorbehoud en zonder afbreuk te doen aan de rechten van derden. De vergunninghouder kan geen aanspraak maken op enige schadevergoeding of schadeloosstelling indien, op welk moment dan ook, de beheerder het noodzakelijk acht om in het kader van het beheer van het openbaar domein maatregelen te nemen die de vergunninghouder de voordelen die voortvloeien uit de vergunning geheel of gedeeltelijk ontnemen.
De vergunninghouder stelt de beheerder tien dagen voor het begin van de uitvoering van de domaniale vergunning op de hoogte per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert. De vergunninghouder moet samenwerken met de beheerder en, indien van toepassing, met het Departement Natuur en Bossen van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, om hen in staat te stellen toezicht te houden op de specifieke voorwaarden die in de domaniale vergunning worden opgelegd. Dit toezicht houdt alleen de controle van de naleving van de opgelegde voorwaarden in, zonder dat de beheerder van het openbaar domein de verantwoordelijkheid op zich neemt.
De samenwerking met de beheerder kan betekenen dat de beheerder toegang moet krijgen tot de installaties van de vergunninghouder. De beheerder kan op elk moment toegang krijgen.
De vergunninghouder mag zich in geen geval beroepen op zakelijke rechten of ze verkrijgen op het openbaar domein, noch andere rechten laten gelden dan de rechten die uitdrukkelijk worden vermeld in de domaniale vergunning.
De werken die krachtens de domaniale vergunning tot stand zijn gekomen, blijven eigendom van de vergunninghouder.
Art. R. 68. De beheerder heeft het recht om toegestane werken te wijzigen of te verwijderen, eenzijdig of contractueel, in de volgende gevallen:
1° indien de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies bedoeld in artikel 15, § 66, niet meer nageleefd worden;
2° in geval van ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of in geval van schade of schaderisico voor het leefmilieu.
3° wanneer deze werken een ernstige bedreiging vormen voor de openbare veiligheid of om overstromingsgevaar te voorkomen;
4° wanneer deze werken een ernstige bedreiging vormen voor het aquatische milieu, en in het bijzonder wanneer dit laatste onderhevig is aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, de verbetering of het herstel ervan;
5° wanneer de vergunninghouder de bepalingen van deze titel overtreedt;
De beheerder brengt de vergunninghouder hiervan op de hoogte per aangetekende brief of op een andere manier met vermelding van een bepaalde datum, ten minste vijftien dagen voordat hij begint met de uitvoering van de werkzaamheden. De kosten voor het aanpassen van de installatie worden gedragen door de betrokken vergunninghouder.
Art. R. 69. § 1. De domaniale vergunning die is afgegeven in de vorm van een unilaterale akte kan te allen tijde worden gewijzigd, opgeschort of ingetrokken, zonder dat de vergunninghouder aanspraak kan maken op schadevergoeding.
§ 2. In dit geval zal de beheerder de vergunninghouder per aangetekende brief of op een andere manier met vermelding van een bepaalde datum op de hoogte brengen van de mogelijkheid om de verleende domaniale vergunning te wijzigen, op te schorten of in te trekken. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
1° de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
2° dat de vergunninghouder de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
3° hij heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° het feit dat de vergunninghouder het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de vergunninghouder erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen.
Als het advies van een bepaalde instantie is gevraagd in het kader van de procedure voor het verlenen van de vergunning, legt de beheerder het dossier voor advies voor aan deze instantie op het moment dat hij de vergunninghouder informeert. Als de instantie haar advies niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking stuurt, wordt haar advies geacht overeen te komen met dat van de beheerder.
§ 3. De beslissing tot intrekking, schorsing of wijziging van de domaniale vergunning wordt aan de vergunninghouder betekend binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de in paragraaf 2, 2°, bedoelde termijn, bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.
Afdeling 5. - Algemene bepalingen
Art. R. 70. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel D. 45 van dit boek, of in geval van een bijzonder gerechtvaardigde noodsituatie, informeert de beheerder de eigenaar per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert, dat hij de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of de verwijdering van de bestaande installatie of installaties vraagt. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
1° de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
2° dat de eigenaar de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
3° de eigenaar heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° het feit dat de eigenaar het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de eigenaar erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen.
§ 2. De beslissing van de beheerder wordt aan de eigenaar betekend binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de in paragraaf 1, 2°, bedoelde termijn, bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.
Art. R. 71. § 1. Op straffe van onontvankelijkheid en onverminderd de verzending langs elektronische weg, wordt het beroep bij de Regering bedoeld in artikel D. 46 van dit Boek per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, gericht aan de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
1° aan de betrokken beheerder;
2° aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht; ".
Art. 11. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre V du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre II comportant les articles R. 58 Ă  R. 72, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE II - Cours d'eau non navigables
Section 1Ăšre. - Classement
Art. R. 58. Les points à partir desquels les cours d'eau non navigables sont classés en premiÚre catégorie sont déterminés pour chacun d'eux, par les indications qui figurent à l'annexe LIX.
Section 2. - Atlas
Art. R. 59. En fonction des données disponibles, l'Atlas des cours d'eau non navigables visé à l'article D. 36 du présent livre peut contenir :
1° les points oĂč les dimensions ont Ă©tĂ© relevĂ©es ;
2° la largeur relevĂ©e en crĂȘte et au plafond ;
3° la profondeur constatée en contrebas des berges ;
4° la pente ;
5° le tracé des cours d'eau recouverts et leurs points d'accÚs ;
6° les données relatives aux cours d'eau non classés.
Section 3. - Travaux d'entretien et de petite réparation
Art. R. 60. Les travaux d'entretien et de petite réparation à faire à un cours d'eau ou partie de cours d'eau de deuxiÚme catégorie qui forme la limite de deux provinces sont exécutés par la province sur le territoire de laquelle coule le cours d'eau, immédiatement en amont du point à partir duquel il devient limitrophe, et, si le début de la partie limitrophe coïncide avec l'origine du cours d'eau, par la province désignée par le Gouvernement qui est compétent pour fixer cette origine.
Art. R. 61. Les gestionnaires procĂšdent au moins une fois tous les six ans Ă  la visite des cours d'eau non navigables. La visite a pour objet de :
1° déterminer les cours d'eau ou parties de cours d'eau sur lesquels des travaux d'entretien et de petite réparation sont à exécuter ;
2° déterminer le type de travaux à exécuter ;
3° planifier les travaux à exécuter ;
4° identifier les travaux qui sont occasionnés ou aggravés soit par l'usage du cours d'eau par des personnes de droit privé ou public, soit par la présence d'ouvrages appartenant à des personnes de droit privé ou public.
Art. R. 62. Les gestionnaires établissent en temps utile les projets de travaux d'entretien et de petite réparation et en déterminent le mode d'exécution. Les gestionnaires peuvent décider que les travaux d'entretien et de petite réparation sont à exécuter pour un cours d'eau déterminé ou pour tout ou partie d'un bassin ou d'un sous-bassin hydrographique déterminé.
Les gestionnaires se concertent prĂ©alablement Ă  la rĂ©alisation des travaux avec le DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, conformĂ©ment aux articles R. 79 et suivants.
La surveillance et la direction des travaux d'entretien et de petite réparation sont assurées par les gestionnaires.
Art. R. 63. § 1er. Les travaux d'entretien et de petite rĂ©paration suivants peuvent ĂȘtre exĂ©cutĂ©s par d'autres personnes que les gestionnaires :
1° la collecte de débris, de branchages, d'embùcles et de matériaux encombrants ;
2° l'entretien et l'évacuation de la végétation située sur les berges des cours d'eau non navigables, notamment l'enlÚvement des branches, broussailles, buissons et plantes quelconques croissant sur les berges, sans modifier le lit mineur de ces cours d'eau, et l'élimination des plantes invasives ;
§ 2. La dĂ©claration visĂ©e Ă  l'article D.37, § 3, du prĂ©sent livre, est Ă©tablie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 3. Si la dĂ©claration est recevable, le gestionnaire transmet une copie de la dĂ©claration au DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ou Ă  toute instance qu'il juge utile de consulter, pour avis sur l'Ă©ventuelle imposition de conditions complĂ©mentaires d'exĂ©cution. Une visite prĂ©alable de terrain en commun peut ĂȘtre organisĂ©e Ă  la demande du gestionnaire ou du DNF. Les instances envoient leur avis motivĂ© dans les quinze jours Ă  dater de leur saisine. A dĂ©faut, l'avis est rĂ©putĂ© favorable.
Section 4. - Procédure d'autorisation domaniale du gestionnaire
Art. R. 64. Pour l'application de la présente section, l'on entend par :
1° " Domaine public " : le lit mineur d'un cours d'eau non navigable tel que visé à l'article D. 34 du présent livre et tel que défini à l'article D. 2, 56 bis du présent livre ;
2° " Permissionnaire " : détenteur d'une autorisation domaniale.
Art. R. 65. § 1er. La demande d'autorisation domaniale dĂ©livrĂ©e sous forme d'un acte unilatĂ©ral est Ă©tablie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions. En fonction de la catĂ©gorie du cours d'eau non navigable oĂč est situĂ© le projet, la demande est envoyĂ©e au gestionnaire concernĂ© par les travaux, par recommandĂ© ou par tout envoi confĂ©rant date certaine ou remise contre rĂ©cĂ©pissĂ©.
§ 2. Le gestionnaire envoie au demandeur un accusĂ© de rĂ©ception, statuant sur le caractĂšre complet de la demande, dans un dĂ©lai de trente jours Ă  dater du jour oĂč il reçoit la demande.
Si la demande est incomplÚte, le gestionnaire envoie au demandeur la liste des documents manquants et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Le gestionnaire peut également exiger la production de documents complémentaires qu'il juge nécessaire à l'instruction de la demande et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Dans les trente jours de la réception des compléments, le gestionnaire envoie un accusé de réception, statuant sur le caractÚre complet de la demande.
Si le gestionnaire n'envoie pas au demandeur d'accusé de réception au terme du délai de trente jours, la demande est considérée comme complÚte et la procédure est poursuivie.
§ 3. Lors de l'instruction de la demande, le gestionnaire se concerte prĂ©alablement avec le DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, conformĂ©ment aux articles R. 79 et suivants.
§ 4. La décision accordant l'autorisation mentionne au minimum :
1° l'identité du demandeur ;
2° la situation, l'identification et la description des travaux autorisés ;
3° la date de délivrance de l'autorisation, et le cas échéant sa durée ;
4° le cas échéant, les conditions particuliÚres assortissant sa délivrance ;
5° le dĂ©lai dans lequel l'autorisation doit ĂȘtre mise en oeuvre ;
6° les mesures de publicité de la décision ;
7° les modalités de recours.
§ 5. Simultanément à l'envoi de la décision au demandeur par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le gestionnaire envoie également une copie de sa décision :
1° aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure ;
2° à la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles le projet s'implante.
Un avis indiquant que l'autorisation domaniale a Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©e est affichĂ© Ă  proximitĂ© du lieu oĂč le projet doit ĂȘtre implantĂ©, Ă  front de voirie et lisible Ă  partir de celle-ci, par les soins du permissionnaire, durant vingt jours avant le dĂ©but de la mise en oeuvre de l'autorisation domaniale. Cet avis mentionne l'objet de la dĂ©cision, l'endroit oĂč elle peut ĂȘtre consultĂ©e, ainsi que les modalitĂ©s de recours.
Cet avis est également affiché durant vingt jours aux endroits habituels d'affichage dans la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles le projet s'implante. A la fin du délai d'affichage, le bourgmestre établit une attestation certifiant cet affichage.
La décision accordant l'autorisation est exécutoire à partir du jour suivant l'expiration du délai de recours prévu à l'article D. 46 du présent livre, ou du lendemain de l'envoi qui en est fait au permissionnaire si l'autorisation est délivrée sur recours.
Art. R. 66. Lors de la délivrance de l'autorisation domaniale, délivrée sous forme d'un acte unilatéral ou d'un contrat, le gestionnaire peut déterminer des conditions particuliÚres. En cas d'octroi d'une autorisation à durée déterminée, il fixe dans l'autorisation la durée de validité de celle-ci.
L'autorisation domaniale est pĂ©rimĂ©e si elle n'a pas Ă©tĂ© mise en oeuvre dans un dĂ©lai de trois ans Ă  dater de sa dĂ©livrance. Toutefois, Ă  la demande du permissionnaire, elle peut ĂȘtre prorogĂ©e d'un an. Cette demande est introduite, par recommandĂ© ou toute autre modalitĂ© confĂ©rant date certaine, trente jours avant l'expiration du dĂ©lai de pĂ©remption. La prorogation est accordĂ©e par le gestionnaire.
Le permissionnaire peut renoncer à l'autorisation domaniale moyennant l'envoi d'un recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
Lorsque l'autorisation domaniale prend fin, le gestionnaire peut exiger la remise en état des lieux aux conditions qu'il détermine.
Art. R. 67. Le permissionnaire informe sans délai le gestionnaire de tout changement des données reprises dans l'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral ou sous forme d'un contrat.
Lorsqu'une autorisation domaniale est délivrée à plusieurs permissionnaires, ceux-ci sont tenus solidairement et indivisiblement de toutes les obligations découlant de l'autorisation.
Le permissionnaire signale au plus tÎt au gestionnaire tout dommage causé au domaine public.
Le permissionnaire prend les mesures adéquates afin d'assurer la sécurité des usagers sur le domaine public. En aucun cas, il ne porte atteinte aux principales fonctions du cours d'eau non navigable visées à l'article D. 33/1 du présent livre.
L'autorisation domaniale est délivrée sous réserve et sans préjudice du droit des tiers. Le permissionnaire ne peut prétendre à aucune indemnité, ni dédommagement quelconque si, à quelque époque que ce soit, le gestionnaire reconnaßt nécessaire de prendre, dans le cadre de la gestion du domaine public, des mesures qui le privent de tout ou partie des avantages résultant de l'autorisation.
Le permissionnaire avertit le gestionnaire, par recommandĂ© ou toute autre modalitĂ© confĂ©rant date certaine, du dĂ©but de la mise en oeuvre de l'autorisation domaniale, dix jours avant son commencement. Le permissionnaire collabore avec le gestionnaire, et le cas Ă©chĂ©ant avec le DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, en vue de permettre le contrĂŽle par ceux-ci des conditions particuliĂšres imposĂ©es dans l'autorisation domaniale. Cette surveillance implique uniquement le contrĂŽle du respect des conditions particuliĂšres imposĂ©es, sans que le gestionnaire du domaine public n'en assume la responsabilitĂ©.
La collaboration avec le gestionnaire peut impliquer l'accÚs du gestionnaire aux installations du permissionnaire. L'accÚs est accordé à tout moment au gestionnaire.
Le permissionnaire ne peut en aucun cas se prévaloir ou obtenir des droits réels sur le domaine public, ni faire valoir d'autres droits que ceux qui sont explicitement stipulés dans l'autorisation domaniale.
Les ouvrages établis en vertu de l'autorisation domaniale restent la propriété du permissionnaire.
Art. R. 68. Le gestionnaire a le droit de faire modifier ou supprimer les ouvrages autorisés, par acte unilatéral ou par contrat, dans les cas suivants :
1° lorsque les conditions particuliÚres fixées en vertu de l'article R. 66 ne sont plus remplies ;
2° lorsque survient un danger grave pour la santé de l'homme ou un préjudice ou un risque de préjudice à l'environnement ;
3° lorsque ces ouvrages présentent une menace grave pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations ;
4° lorsque ces ouvrages présentent une menace grave pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration ;
5° lorsque le permissionnaire contrevient aux dispositions du présent titre.
Le gestionnaire en informe le permissionnaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine au moins quinze jours avant de commencer l'exécution des travaux. Les frais inhérents à la modification de l'ouvrage sont à charge du permissionnaire concerné.
Art. R. 69. § 1er. L'autorisation domaniale dĂ©livrĂ©e sous la forme d'un acte unilatĂ©ral peut Ă  tout moment ĂȘtre modifiĂ©e, suspendue ou retirĂ©e, sans que le permissionnaire puisse prĂ©tendre de ce chef Ă  une quelconque indemnisation.
§ 2. Dans ce cas, le gestionnaire informe le permissionnaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, de la possibilité de modifier, suspendre ou retirer l'autorisation domaniale octroyée. Il précise :
1° les motifs qui justifient la mesure envisagée ;
2° que le permissionnaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
3° que le permissionnaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
4° que le permissionnaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire dĂ©termine, le cas Ă©chĂ©ant, le jour oĂč le permissionnaire est invitĂ© Ă  exposer oralement sa dĂ©fense.
Si l'avis d'une instance particuliĂšre a Ă©tĂ© requis dans le cadre de la procĂ©dure de dĂ©livrance de l'autorisation, le gestionnaire lui soumet le dossier pour avis en mĂȘme temps qu'elle en informe le permissionnaire. Si l'instance n'envoie pas son avis dans un dĂ©lai de trente jours Ă  dater de sa saisine, son avis est rĂ©putĂ© conforme Ă  celui du gestionnaire.
§ 3. La décision de retrait, de suspension ou de modification de l'autorisation domaniale est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 2, 2°, au permissionnaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
Section 5. - Dispositions générales
Art. R. 70. § 1er. Dans les cas visés à l'article D. 45 du présent livre, or le cas d'urgence spécialement motivée, le gestionnaire informe le propriétaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, qu'il sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou la suppression du ou des ouvrages existants. Il précise :
1° les motifs qui justifient la mesure ;
2° que le propriétaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
3° que le propriétaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
4° que le propriétaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire dĂ©termine, le cas Ă©chĂ©ant, le jour oĂč le propriĂ©taire est invitĂ© Ă  exposer oralement sa dĂ©fense.
§ 2. La décision du gestionnaire est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe1er, 2°, au propriétaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
Art. R. 71. § 1er. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, et sans prĂ©judice de l'envoi par voie Ă©lectronique, le recours au Gouvernement prĂ©vu Ă  l'article D. 46 du prĂ©sent livre est adressĂ© au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, Ă  l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandĂ© ou par toute autre modalitĂ© confĂ©rant date certaine, au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particuliÚre a été requis dans le cadre de la procédure de premiÚre instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
1° au gestionnaire concerné ;
2° aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure. ".
Art. 12. In het regelgevend gedeelte, deel II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk III ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 72 tot en met R. 78, luidend als volgt:
"HOOFDSTUK III - Niet beschermde waterlopen.
Afdeling I. - Onderhouds- en kleine herstelwerken.
Art. R. 72. Onverminderd artikel 3.65 van het Burgerlijk Wetboek voert de eigenaar op wiens grondgebied de niet-beschermde waterloop stroomt, de volgende onderhouds- en kleine herstellingswerken uit, enkel wanneer de veiligheid van goederen en personen dit vereist, waarbij hij ervoor zorgt dat de goede toestand of het goede ecologische potentieel van de niet-beschermde waterloop niet wordt aangetast:
1° het verwijderen van takken, struiken, kreupelhout en planten van alle soorten die in de kleine bedding groeien, wanneer zij de natuurlijke waterstroom belemmeren en zonder de bedding van de waterloop te wijzigen, alsook het verwijderen van invasieve planten ;
2° het verwijderen van stortplaatsen, afzettingen van welke aard dan ook of vreemde voorwerpen, evenals aardverschuivingen, zonder de kleine bedding te wijzigen;
3° reiniging onder bruggen en boogsecties;
4° het herstellen en beschermen van ingestorte oevers en dijken met geschikte materialen, alsook het terugsnoeien van struiken en heesters die er groeien wanneer ze de natuurlijke waterstroom belemmeren.
Het werk mag geen inbreuk maken op het gewone afwateringskanaal en wordt uitgevoerd op kosten van de eigenaar.
De werken waarnaar wordt verwezen in lid 1 worden uitgevoerd door oevereigenaars langs hun respectieve erven en over de halve breedte van niet beschermde waterlopen waar de waterloop twee eigendommen scheidt, op eigen kosten.
Art. R. 73. De speciale verplichtingen die worden opgelegd door het gewoonterecht of door titels of overeenkomsten, worden gehandhaafd en uitgevoerd onder leiding van de beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie.
Alle werken onder, in of over de kleine bedding van een niet beschermwaterloop worden onderhouden en hersteld door de eigenaars ervan.
Art. R. 74. Eigenaars zijn verplicht om de bevelen op te volgen die hen door de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie worden gegeven met betrekking tot het in goede staat houden van niet-beschermde waterlopen.
Art. R. 75. Als de eigenaar de artikelen R. 72 tot en met R. 74 niet naleeft, kan de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de eigenaar formeel aanmanen om binnen een bepaalde termijn onderhouds- en herstellingswerken uit te voeren. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende brief of door elk middel dat vaste datum verleent verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden. Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en herstelwerken aan kunstwerken die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen.
In dit geval worden de kosten van het werk op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.
Sectie II. - Werkzaamheden waarvoor voorafgaande vergunning vereist is
Art. R. 76. § 1. De voorafgaande en schriftelijke domaniale vergunning van de beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35 is vereist voor alle werken zoals verdieping, verbreding, herstel en in het algemeen alle wijzigingen onder, in of boven de zomerbedding van de onbevaarbare waterloop of de daarin gevestigde kunstwerken, alsook de verwijdering of aanleg van dergelijke waterlopen.
§ 2. De bepalingen van de artikelen R. 65 en R. 66 zijn van toepassing op aanvragen met betrekking tot werken waarvoor een voorafgaande vergunning vereist is en die betrekking hebben op niet beschermde waterlopen.
§ 3. De beheerder verantwoordelijk voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie stuurt zijn beslissing naar de aanvrager en naar elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.
De vergunning wordt geacht geweigerd te zijn als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in artikel 1:
§ 4. In geval van afwezigheid of overtreding van de vergunning afgegeven krachtens paragraaf 1 of krachtens voorgaande wetgeving, maant de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de overtreder formeel aan om een einde te maken aan de onregelmatigheid door werken uit te voeren en, indien nodig, de kleine bedding van de onbevaarbare waterloop of de daarin aangelegde werken te herstellen of te laten herstellen. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende brief of door elk middel dat vaste datum verleent verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden. Bij gebrek aan het in overeenstemming brengen of herstelling binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
§ 5. In afwijking van paragraaf 4 mag de beheerder van een onbevaarbare waterloop van de tweede categorie ambtshalve werkzaamheden (laten) uitvoeren of de waterloopbedding herstellen of laten herstellen zonder de overtreder daartoe eerst aan te manen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° in geval van noodsituaties;
2° indien het om dwingende technische, milieu- of veiligheidsredenen niet raadzaam is om de overtreder toe te staan de waterloop zelf te herstellen of te laten herstellen
3° indien de overtreder niet gemakkelijk te identificeren is en niet gemakkelijk kan worden geïdentificeerd.
§ 6. In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.
Art. R. 77. § 1. De beheerder van de onbevaarbare waterloop verzoekt om de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of, bij gebreke daarvan, het wegruimen van kunstwerken toegelaten vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, indien deze kunstwerken een ernstige bedreiging vormen:
1° voor de openbare veiligheid of ter voorkoming van overstromingsgevaar;
2° voor het aquatische milieu, met name wanneer het wordt onderworpen aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, verbetering of het herstel ervan.
§ 2. Tenzij er een specifieke reden voor hoogdringendheid is, brengt de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de eigenaar ervan op de hoogte, per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert, dat hij de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of de verwijdering van de bestaande installatie of installaties vraagt. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
1° de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
2° dat de eigenaar de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
3° de eigenaar heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° het feit dat de eigenaar het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de eigenaar wordt uitgenodigd om zijn verdediging mondeling toe te lichten.
§ 3. De beslissing van de beheerder bevoegd voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie wordt binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, 2°, ter kennis gebracht van de eigenaar bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.
Als de werkzaamheden niet binnen de toegewezen tijd worden uitgevoerd, mag de beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie ze zelf uitvoeren of laten uitvoeren. In dit geval is de eigenaar gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd.
Art. R. 78. § 1. Tegen de beslissingen genomen krachtens de artikelen R. 75 tot R. 77 kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving ervan of vanaf de bekendmaking van de beslissing langs administratieve weg.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet het in lid 1 bedoelde beroep worden toegezonden aan de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, per aangetekend schrijven of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. De Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde deelt zijn beslissing aan de aanvrager mee binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het beroepschrift of, in geval van meerdere beroepen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het laatste beroepschrift.
Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
1° aan de beheerder bevoegd voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie ;
2° aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht; ".
Art. 12. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre V du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre III, comportant les articles R. 72 Ă  R. 78, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE III - Cours d'eau non classés
Section Ire. - Travaux d'entretien et de petite réparation
Art. R. 72. Sans préjudice de l'article 3.65 du Code Civil, le propriétaire, sur le fond de qui le cours d'eau non classé s'écoule, exécute les travaux d'entretien et de petite réparation suivants, uniquement lorsque la sécurité des biens et des personnes l'exige, en veillant à ne pas endommager le bon état ou le bon potentiel écologique du cours d'eau non classé :
1° l'enlÚvement des, branches, buissons, broussailles et plantes quelconques croissant dans le lit mineur, lorsqu'ils entravent l'écoulement naturel des eaux et sans modifier le lit de ce cours d'eau, ainsi que l'élimination des plantes invasives ;
2° l'enlÚvement des atterrissements, dépÎts quelconques ou tout objet étranger, ainsi que les terres éboulées, sans modification du lit mineur ;
3° le curage sous les ponts et les parties voûtées ;
4° la réparation et la protection des berges affaissées et des digues au moyen de matériaux appropriés, ainsi que le recépage des buissons et arbustes y croissant lorsqu'ils entravent l'écoulement naturel des eaux.
Les travaux ne peuvent pas avoir pour effet d'empiéter sur le chenal ordinaire d'écoulement et sont réalisés aux frais du propriétaire.
Les travaux visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er sont rĂ©alisĂ©s par les propriĂ©taires riverains le long de leurs hĂ©ritages respectifs et sur la moitiĂ© de la largeur des cours d'eau non classĂ©s dans le cas oĂč le cours d'eau fait la sĂ©paration entre deux fonds, Ă  leur frais.
Art. R. 73. Les obligations spéciales imposées, soit par l'usage, soit par des titres ou des conventions, sont maintenues et sont exécutées sous la direction du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie.
Tous les ouvrages présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur d'un cours d'eau non classé, sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent.
Art. R. 74. Les propriétaires sont tenus d'obtempérer aux injonctions qui leur sont données par le gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie en ce qui concerne le maintien en bon état des cours d'eau non classés.
Art. R. 75. Si le propriĂ©taire ne se conforme pas aux articles R. 72 Ă  R. 74, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie peut mettre en demeure le propriĂ©taire d'exĂ©cuter les travaux d'entretien et de rĂ©paration endĂ©ans un dĂ©lai dĂ©terminĂ©. Cette mise en demeure est adressĂ©e par recommandĂ© ou par tout envoi confĂ©rant date certaine et prĂ©cise le dĂ©lai imparti au contrevenant pour s'exĂ©cuter. En l'absence d'exĂ©cution dans le dĂ©lai imparti, le mĂȘme gestionnaire peut y procĂ©der lui-mĂȘme ou y faire procĂ©der.
En cas d'extrĂȘme urgence, le mĂȘme gestionnaire peut exĂ©cuter les travaux d'entretien et de rĂ©paration, sans au prĂ©alable mettre en demeure le propriĂ©taire Ă  cet effet.
Dans tous les cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé à l'exécution des travaux.
Section II. - Travaux soumis à autorisation préalable
Art. R. 76. § 1er. L'autorisation préalable écrite du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie est requise pour tous travaux tels qu'approfondissement, élargissement, rectification, prise d'eau permanente et généralement toutes modifications sous, dans ou au-dessus du lit mineur du cours d'eau non classé ou des ouvrages y établis, ainsi que la suppression ou la création de tels cours d'eau.
§ 2. Les prescriptions des articles R. 65 et R. 66 sont applicables aux demandes relatives à des travaux soumis à autorisation préalable qui concernent les cours d'eau non classés.
§ 3. Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie envoie sa décision au demandeur, ainsi qu'à chaque instance consultée dans les cent vingt jours qui courent à dater du premier jour suivant la réception de la demande.
La dĂ©cision est censĂ©e ĂȘtre refusĂ©e Ă  dĂ©faut d'envoi dans le dĂ©lai prĂ©vu Ă  l'alinĂ©a 1er.
§ 4. En cas d'absence ou de violation de l'autorisation dĂ©livrĂ©e en vertu du paragraphe 1er ou en vertu d'une lĂ©gislation antĂ©rieure, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie met en demeure le contrevenant de mettre fin Ă  l'irrĂ©gularitĂ© par l'exĂ©cution de travaux et, si nĂ©cessaire, de remettre ou faire remettre le lit mineur du cours d'eau non classĂ© ou les ouvrages y Ă©tablis en Ă©tat. Cette mise en demeure est adressĂ©e par recommandĂ© ou par tout envoi confĂ©rant date certaine et prĂ©cise le dĂ©lai imparti au contrevenant pour s'exĂ©cuter. En l'absence de mise en conformitĂ© ou de remise en Ă©tat dans le dĂ©lai imparti, le gestionnaire peut y procĂ©der lui-mĂȘme ou y faire procĂ©der.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 4, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie peut d'office exécuter ou faire exécuter des travaux ou remettre ou faire remettre le lit mineur du cours d'eau en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, si l'une des conditions suivantes est rencontrée :
1° en cas d'extrĂȘme urgence ;
2° s'il est contre-indiquĂ© de permettre au contrevenant de remettre ou faire remettre lui-mĂȘme le cours d'eau en Ă©tat, pour des raisons impĂ©ratives d'ordre technique, environnemental ou de sĂ©curitĂ© ;
3° si le contrevenant n'est pas et ne peut pas aisĂ©ment ĂȘtre identifiĂ©.
§ 6. Dans tous les cas, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.
Art. R. 77. § 1er.Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou à défaut la suppression des ouvrages autorisés avant la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, lorsque ces ouvrages présentent une menace grave :
1° pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations ;
2° pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration.
§ 2. Sauf urgence spécialement motivée, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie informe le propriétaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, qu'il sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou la suppression du ou des ouvrages existants. Il précise :
1° les motifs qui justifient la mesure ;
2° que le propriétaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
3° que le propriétaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
4° que le propriétaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie dĂ©termine, le cas Ă©chĂ©ant, le jour oĂč le propriĂ©taire est invitĂ© Ă  exposer oralement sa dĂ©fense.
§ 3. La décision du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 2, 2°, au propriétaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
En l'absence d'exĂ©cution dans le dĂ©lai imparti, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie peut y procĂ©der lui-mĂȘme ou y faire procĂ©der. Dans ce cas, le propriĂ©taire est contraint au remboursement de tous les frais d'exĂ©cution sur simple Ă©tat dressĂ© par le gestionnaire qui a procĂ©dĂ© Ă  l'exĂ©cution.
Art. R. 78. § 1er.Un recours peut ĂȘtre exercĂ© contre les dĂ©cisions prises en vertu des articles R. 75 Ă  R. 77, dans les vingt jours Ă  partir de la notification qui leur en est faite ou Ă  partir de la publication de la dĂ©cision par la voie administrative.
Sous peine d'irrecevabilitĂ©, le recours prĂ©vu Ă  l'alinĂ©a 1er est adressĂ© au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, Ă  l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandĂ© ou par toute autre modalitĂ© confĂ©rant date certaine, au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particuliÚre a été requis dans le cadre de la procédure de premiÚre instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, qui courent à dater du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
1° au gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie ;
2° aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure. ".
Art. 13. In het regelgevend gedeelte, deel II, titel V, van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 79 tot en met R. 81, luidend als volgt
"Hoofdstuk IV - Overleg
Art. R. 79. § 1. In de volgende gevallen wordt voorafgaand overleg georganiseerd tussen de betrokken beheerder en de relevante territoriale directie van het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, hierna "DNF" genoemd:
1° het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en kleine herstellingen overeenkomstig artikel D. 37, § 1er, van dit Boek, met uitzondering van in, onder of boven de kleine bedding van :
a) het verwijderen van afval, kunstmatige materialen, dwars op de waterloop geplaatste hekken, palen, voorwerpen die van de bodem van de waterloop of de oevers zijn losgeraakt, en het snoeien en verwijderen van laaghangende takken ;
b) de verwijdering van struiken, ontwortelde bomen en dood hout;
c) in bebouwde gebieden of gebieden met een hoog overstromingsrisico, het maaien van invasieve kruidachtige vegetatie, het ontwortelen en verwijderen van stronken en wortels, en het verwijderen van stortplaatsen of grote obstakels voor de doorstroming ;
d) onderhoud en reparatie van werken die toebehoren aan de exploitant;
2° de uitvoering van werken die onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning krachtens artikel D. 40 van dit boek en de uitvoering van werken door beheerders andere dan deze van onderhoud en kleine herstellingen bedoeld in artikel D. 37, § 1er van dit boek;
3° het verkeer of de organisatie van het verkeer van niet voor de scheepvaart bestemde voertuigen op de oevers, dijken en in de ondiepe bedding van waterlopen, alsook in alle doorwadingen, behoudens voorafgaande vergunning krachtens artikel 58 bis van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
§ 2. Het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, hierna "DEE" genoemd, wordt ook geraadpleegd in de volgende gevallen:
1° de uitvoering van werken die krachtens artikel D.40 van dit boek onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning
2° de uitvoering van andere werken door de beheerders van waterlopen van de categorieën 2 en 3 dan die van onderhoud en kleine herstellingen bedoeld in artikel D.37, § 1, van dit boek.
De DEE wordt alleen geraadpleegd als de werken waarschijnlijk een of meer nieuwe wijzigingen van de fysische kenmerken van een waterloop zullen teweegbrengen, waardoor het bereiken van een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel van een oppervlaktewaterlichaam waarschijnlijk op een permanente en duurzame manier zal verslechteren of verhinderd zal worden.
De fysieke kenmerken van een waterloop worden gedefinieerd als alle natuurlijke of kunstmatige kenmerken die deel uitmaken van de kleine bedding van de waterloop.
Nieuwe wijziging betekent ofwel :
- Aanpassen van oevers: kunstmatig maken, rechttrekken, golfbreker, rechttrekken, andere ;
- Wijziging van het gewone stroomkanaal: creëren, verwijderen, verdiepen, verbreden, rechttrekken van een waterloop ;
- Wijziging van de longitudinale en/of laterale continuĂŻteit door de bouw van hydraulische constructies (sluizen, dammen, bruggen, enz.).
§ 3. In de volgende gevallen wordt er geen voorafgaand overleg georganiseerd tussen de betrokken beheerder en het DNF of DEE:
1° in het geval van acties die gepland zijn in het kader van een PARIS als bedoeld in artikel D. 33/4 van dit Boek, op voorwaarde dat deze acties voldoende gedetailleerd zijn wat betreft de periode waarin ze zullen worden geïmplementeerd of uitgevoerd, hun locatie, duur, wijze van uitvoering en omvang. Zo niet, dan worden deze acties onderworpen aan de raadplegingsprocedure voordat ze worden uitgevoerd;
2° in geval van een dringende tussenkomst ten gevolge van een plotse en onvoorziene gebeurtenis die bij gebrek aan een snelle reactie schade zou kunnen berokkenen aan personen of goederen.
In het in lid 1, 2°, bedoelde geval brengt de betrokken beheerder het DNF zo snel mogelijk op de hoogte van zijn locatie en van de geplande noodmaatregelen.
Art. R. 80. § 1. Voorafgaande raadpleging komt ten minste overeen met een verzoek om een advies van het DEE dat elektronisch is verzonden door de betrokken beheerder in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1er, 1° en 2°, en § 2, of met een verzoek om een advies van de betrokken beheerder door het DNF in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 3°.
Verzoeken om advies aan het DNF zijn geldig wanneer ze op zijn minst naar het algemene e-mailadres van de territoriaal betrokken externe directie worden gestuurd.
§ 2. Het DNF, het DEE en de betrokken beheerder kunnen in onderling overleg besluiten het voorafgaand overleg uit te breiden tot andere personen of instanties, zoals de visserij- of visteeltfederaties en het riviercontract voor het betrokken deelstroomgebied.
Behalve wanneer een bezoek ter plaatse wordt georganiseerd krachtens artikel R. 81, wordt het advies verzonden binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking, wat overeenkomt met de eerste werkdag na het verzenden van het verzoek om advies via elektronische weg. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Het advies bevat minstens :
1° de identificatie van de geraadpleegde instantie;
2° de referenties van het project;
3° de naam, voornaam en hoedanigheid van de auteur van het advies;
4° in geval van een gunstig advies, de eventuele bijzondere voorwaarden die onder de bevoegdheid van de geraadpleegde instantie vallen;
5° in geval van ongunstig advies, de redenen die het rechtvaardigen.
§ 3. Er kan een algemeen advies worden uitgebracht voor een specifiek deel van de waterweg.
In het geval bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1°, beslist de beheerder over het al dan niet voortzetten van de geplande werkzaamheden, desgevallend na het voorstellen van een alternatieve oplossing door de geraadpleegde instantie.
Ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden wordt een kopie van de beslissing elektronisch naar de geraadpleegde instantie gestuurd.
Art. R. 81. § 1. Er wordt een voorbereidend bezoek ter plaatse georganiseerd wanneer :
1° het DNF of de betrokken verantwoordelijke er uitdrukkelijk om verzoekt binnen vijftien dagen na de voorlegging aan de geraadpleegde instantie, wat overeenstemt met de eerste werkdag die volgt op de verzending van de adviesaanvraag langs elektronische weg ;
2° de uitvoering van werken die krachtens artikel D.40 van dit boek onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning.
3° Artikel 58bis, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud is, met betrekking tot het verkeer of de organisatie van het verkeer van voertuigen die niet bestemd zijn voor de scheepvaart, van toepassing op de oevers, de dijken en de kleine beddingen van waterlopen, alsook op de doorwadingen.
Als er een bezoek ter plaatse wordt georganiseerd, nemen de beheerder en het DNF contact met elkaar op om in onderling overleg een datum voor het bezoek vast te stellen.
In onderling overleg kunnen het DNF en de beheerder besluiten dat een voorafgaand bezoek ter plaatse niet nodig is, als ze al over voldoende gegevens beschikken om hun advies uit te brengen.
§ 2. Ter voorbereiding van het bezoek ter plaatse stelt de betrokken beheerder in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1° en 2°, of het DNF in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 3°, een voorbereidend dossier samen dat hij per e-mail verzendt en dat ten minste het volgende bevat:
1° de algemene doelstellingen van de werken;
2° hun locatie op een N.G.I.-kaart. 1/25.000 of 1/10.000 ;
3° de plan(nen) van de werken, indien beschikbaar;
4° een voldoende beschrijving van de werken om een beoordeling te kunnen maken van hun impact op de kleine bedding van de waterloop en de oevers, op zowel flora als fauna, op natuurlijke habitats en ecosysteemdiensten;
5° informatie over de gewenste begindatum van de werken;
6° de datum, het tijdstip en de plaats van het bezoek ter plaatse, dat zal plaatsvinden in aanwezigheid van de aanvrager, in voorkomend geval, binnen een termijn van ten minste vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van verzending van het voorbereidend dossier.
§ 3. Het DNF vaardigt maximaal drie functionarissen af voor het veldbezoek, namelijk de visbeambte van het gebied, de bosbeambte van het gebied en, indien van toepassing, de Natura 2000 beambte.
De betrokken beheerder of het DNF stelt ter plaatse de notulen van het bezoek op, die door alle aanwezigen worden ondertekend. De betrokken manager of het DNF stuurt binnen drie werkdagen elektronisch een kopie naar elke deelnemer.
Het advies, waarvan de inhoud wordt gespecificeerd in artikel R. 80, § 2, wordt verstuurd binnen acht dagen na het bezoek ter plaatse. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
In het geval bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1°, beslist de beheerder over het al dan niet voortzetten van de geplande werkzaamheden, desgevallend na het voorstellen van een alternatieve oplossing door de geraadpleegde instantie.
Ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden wordt een kopie van de beslissing elektronisch naar de geraadpleegde instantie gestuurd. ".
Art. 13. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre V du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre IV, comportant les articles R. 79 Ă  R. 81, rĂ©digĂ© comme suit :
" Chapitre IV - Concertation
Art. R. 79. § 1er. Une concertation prĂ©alable est organisĂ©e entre le gestionnaire concernĂ© et la direction territorialement concernĂ©e du DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ci-aprĂšs dĂ©nommĂ© " DNF ", dans les cas suivants :
1° l'exécution de travaux d'entretien et de petite réparation en vertu de l'article D. 37, § 1er, du présent livre, à l'exception dans, en dessous ou au-dessus du lit mineur de :
a) l'enlÚvement de déchets, de matiÚres artificielles, de clÎtures établies en travers du cours d'eau, de tout piquet, d'objets détachés du fond du cours d'eau ou des berges, ainsi que l'élagage et l'enlÚvement des branches basses et pendantes ;
b) l'enlÚvement des arbustes, des arbres déracinés et de tout bois mort ;
c) dans une zone urbanisée ou dans une zone d'aléa d'inondation élevé, le faucardage et la fauche de la végétation herbacée envahissante, l'arrachage et l'enlÚvement de souches et de racines, et l'enlÚvement d'atterrissements ou d'obstacles majeurs à l'écoulement ;
d) l'entretien et la réparation d'ouvrages appartenant au gestionnaire ;
2° l'exécution de travaux soumis à autorisation domaniale préalable en vertu de l'article D. 40 du présent livre et l'exécution de travaux par les gestionnaires autres que ceux d'entretien et de petite réparation visés à l'article D. 37, § 1er du présent livre ;
3° la circulation ou l'organisation de la circulation de véhicules qui ne sont pas destinés à la navigation, sur les berges, les digues et dans le lit mineur des cours d'eau, ainsi que dans tous les passages à gué, soumise à autorisation préalable en vertu de l'article 58 bis de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
§ 2. Le Département de l'Environnement et de l'Eau du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ci-aprÚs dénommée " DEE ", est également concertée dans les cas suivants :
1° l'exécution de travaux soumis à autorisation domaniales préalables en vertu de l'article D.40 du présent livre
2° l'exécution de travaux par les gestionnaires des cours d'eau de 2e et 3e catégories autres que ceux d'entretien et de petite réparation visés à l'article D.37, § 1er du présent livre.
Le DEE n'est concertĂ© que lorsque les travaux sont de nature Ă  crĂ©er une ou plusieurs nouvelles modifications des caractĂ©ristiques physiques d'un cours d'eau, susceptibles de dĂ©tĂ©riorer ou d'empĂȘcher l'atteinte du bon Ă©tat ou bon potentiel Ă©cologique d'une masse d'eau de surface de maniĂšre permanente et durable.
Par caractéristique physique du cours d'eau, on entend tout élément naturel ou artificiel compris dans le lit mineur du cours d'eau.
Par nouvelle modification, on entend soit :
- Modification des berges : artificialisation, rectification, enrochement, redressement, autre ;
- Modification du chenal ordinaire d'écoulement : création, suppression, approfondissement, élargissement, rectification d'un cours d'eau ;
- Modification de la continuité longitudinale et/ou latérale par la construction d'ouvrage hydraulique (écluse, barrage, pont, etc.).
§ 3. Une concertation préalable n'est pas organisée entre le gestionnaire concerné et le DNF ou le DEE dans les cas suivants :
1° s'il s'agit d'actions planifiées dans le cadre d'un PARIS visé à l'article D. 33/4 du présent livre, pour autant que ces actions soient suffisamment détaillées quant à leur période de réalisation ou d'exécution, à leur localisation, à leur durée, à leur modalité d'exécution et à leur ampleur. Dans le cas contraire, ces actions seront soumises à la procédure de concertation avant leur mise en oeuvre ;
2° en cas d'intervention urgente en raison d'un évÚnement soudain et imprévisible qui pourrait causer des dommages aux personnes ou aux biens en l'absence d'une prompte réaction.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 2°, le gestionnaire concerné avertit dÚs que possible le DNF de sa localisation et des actions envisagées en urgence.
Art. R. 80. § 1er. La concertation préalable correspond au minimum à une demande d'avis du DNF ou du DEE adressée par voie électronique par le gestionnaire concerné dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 1° et 2°, et § 2, ou à une demande d'avis du gestionnaire concerné par le DNF dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 3°.
En ce qui concerne la demande d'avis au DNF, celle-ci est valablement adressée lorsqu'elle est envoyée, au minimum, sur l'adresse email générique de la Direction extérieure territorialement concernée.
§ 2. Le DNF, le DEE et le gestionnaire concerné peuvent décider d'un commun accord d'élargir la concertation préalable à d'autres personnes ou instances telles que les Fédérations halieutiques ou piscicoles et le Contrat de riviÚre du sous-bassin concerné.
Sauf lorsqu'une visite de terrain est organisée en vertu de l'article R. 81, l'avis est envoyé dans les quinze jours à dater de la saisine, correspondant au premier jour ouvrable qui suit l'envoi de la demande d'avis par voie électronique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
L'avis contient au minimum :
1° l'identification de l'instance consultée ;
2° les références du projet ;
3° les nom, prénom et qualité de l'auteur de l'avis ;
4° en cas d'avis favorable, les éventuelles conditions particuliÚres qui relÚvent de la compétence de l'instance consultée ;
5° en cas d'avis défavorable, les motifs qui le justifient.
§ 3. Un avis global peut ĂȘtre formulĂ© pour un linĂ©aire de cours d'eau dĂ©terminĂ©.
Dans le cas visé à l'article R. 79, § 1er, 1°, le gestionnaire décide du maintien ou non de l'exécution des travaux projetés, le cas échéant aprÚs proposition d'une solution alternative par l'instance consultée.
Au minimum deux jours ouvrables avant le début des travaux, une copie de la décision intervenue est adressée par voie électronique à l'instance consultée.
Art. R. 81. § 1er.Une visite préalable de terrain est organisée lorsque :
1° le DNF ou le gestionnaire concerné en fait expressément la demande endéans les quinze jours à dater de la saisine de l'instance consultée, correspondant au premier jour ouvrable qui suit l'envoi de la demande d'avis par voie électronique ;
2° les travaux sont soumis à autorisation domaniale préalable et écrite en vertu de l'article D. 40 du présent livre ;
3° l'article 58 bis, alinéa 2, de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature s'applique, s'agissant de la circulation ou de l'organisation de la circulation de véhicules qui ne sont pas destinés à la navigation, sur les berges, les digues et dans le lit mineur des cours d'eau, ainsi que dans les passages à gué.
Lorsqu'une visite de terrain est organisée, le gestionnaire et le DNF se contactent pour fixer de commun accord la date à laquelle celle-ci se tiendra.
D'un commun accord, le DNF et le gestionnaire peuvent décider qu'une visite préalable de terrain n'est pas indispensable, lorsqu'ils disposent déjà des données suffisantes pour émettre leur avis.
§ 2. Afin de préparer la visite de terrain, le gestionnaire concerné dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 1° et 2°, ou le DNF dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 3°, constitue et envoie par courrier électronique un dossier préparatoire qui contient au minimum :
1° les objectifs poursuivis par les travaux ;
2° leur localisation sur carte I.G.N. 1/25.000 ou 1/10.000 ;
3° le(s) plan(s) des travaux lorsqu'il en existe ;
4° une description suffisante des travaux, pour qu'il puisse ĂȘtre jugĂ© de leurs incidences sur le lit mineur du cours d'eau et ses berges, tant sur la flore que la faune, sur les habitats naturels et les services Ă©cosystĂ©miques ;
5° une information sur l'époque souhaitée de commencement des travaux ;
6° les date, heure et localisation de la visite de terrain, laquelle se tiendra en présence le cas échéant du demandeur, dans un délai d'au moins cinq jours ouvrables aprÚs la date d'envoi du dossier préparatoire.
§ 3. Le DNF délÚgue au maximum trois agents lors de la visite de terrain, à savoir l'agent du triage piscicole, l'agent du triage forestier et, le cas échéant, l'agent Natura 2000.
Le gestionnaire concerné ou le DNF rédige, sur place, le procÚs-verbal de la visite de terrain, lequel est signé par toutes les personnes présentes. Le gestionnaire concerné ou le DNF l'adresse dans les trois jours ouvrables en copie à chaque participant par voie électronique.
L'avis, dont le contenu est précisé à l'article R. 80, § 2, est envoyé dans les huit jours à dater de la visite de terrain. A défaut, l'avis est réputé favorable.
Dans le cas visé à l'article R. 79, § 1er, 1°, le gestionnaire décide du maintien ou non des travaux projetés, le cas échéant aprÚs proposition d'une solution alternative par l'instance consultée.
Au minimum deux jours ouvrables avant le début des travaux, une copie de la décision intervenue est adressée par voie électronique à l'instance consultée. ".
Art. 14. In het regelgevend gedeelte, Deel II, Titel V van boek II van hetzelfde wetboek, wordt een hoofdstuk V ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 82 tot en met R. 89/4, luidend als volgt:
"HOOFDSTUK V - Politiemaatregelen
Afdeling I-. Politiemaatregelen van toepassing op niet beschermde waterlopen
Art. R. 82. § 1. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door:
1° de overtreder van artikel D. 72 tot en met R. 74;
2° degene die, zonder de vereiste vergunning, op een wijze die daarmee in strijd is of niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, werken verricht of in stand houdt in de zomerbedding zoals bedoeld in artikel D. 76;
3° degene die, ofwel:
a) de zomerbedding of dijken van een onbevaarbare waterloop beschadigt of afzwakt;
b) de onbevaarbare waterloop belemmert of voorwerpen of materialen deponeert die door de stroom meegesleept kunnen worden op minder dan zes meter van de top van de oever of in gebieden met overstromingsgevaar en tot de vernietiging, beschadiging of verstopping van onbevaarbare waterlopen leidt;
c) de één meter brede strook land, landinwaarts gemeten vanaf de top van de oever van de onbevaarbare waterloop, op een andere wijze omploegt, egt, omspit of omwerkt.
d) de opstelling of plaats van peilschalen, peilnagels of enig ander markeringssysteem dat op verzoek van de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie is aangebracht, verwijdert, onherkenbaar maakt of op enige wijze wijzigt;
e) hekken of andere voorzieningen over niet beschermde waterlopen plaatst die de normale stroming van het water kunnen belemmeren;
f) een vijver of reservoir ledigt in een niet beschermde waterloop zonder de instructies van de beheerder op te volgen of zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel R.89/4 ;
g) een permanente inlaat van oppervlaktewater of een lozing van oppervlaktewater of kunstmatige waterlopen in een niet beschermde waterloop installeert zonder de instructies van de beheerder op te volgen of zonder de voorwaarden van de artikelen R.84 en R.85 na te leven;
h) een seizoensgebonden onttrekking aan de openbare weg verricht of zonder de in artikel R.86 voorgeschreven aangifte, zonder zich te houden aan de instructies van de beheerder of zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel R.87 ;
i) op niet beschermde waterlopen, op welke wijze dan ook, behalve in het geval van handelingen en werken die verband houden met de installatie, aanleg, wijziging, vernieuwing, verplaatsing, verbouwing of uitbreiding van weg-, spoorweg-, luchthaven- of waterwegcommunicatie-infrastructuur, infrastructuur die toegang verschaft tot privé-eigendom met een breedte die strikt noodzakelijk is voor een dergelijke toegang, of telecommunicatie-, vloeistof- of energienetwerken dekt;
j) de in artikel R. 89/2 bedoelde handelingen en werken verricht zonder de vereiste vergunning, op een wijze die niet in overeenstemming is met de vergunning of zonder te voldoen aan de vastgestelde voorwaarden ;
k) de toestanden veroorzaakt ten gevolge van de handelingen bedoeld in punt 3° laat voortbestaan;
4° de gebruiker of de eigenaar van een op een onbevaarbare waterloop gevestigd kunstwerk die er niet voor zorgt dat dat kunstwerk werkt overeenkomstig de voorschriften van de beheerder en, hoe dan ook, op zodanige wijze dat het water in de waterloop een minimumniveau bereikt, een maximumniveau niet overschrijdt of zich tussen een minimumniveau en een maximumniveau bevindt, aangegeven d.m.v. de peilnagel of elk ander positiebepalend systeem aangebracht overeenkomstig de onderrichtingen van de beheerder, en die zich, in noodgeval, niet houdt aan de bevelen van de beheerder van de waterloop;
§ 2. Hij die de bevelen van de beheerder van niet-bevaarbare waterlopen van de tweede categorie niet naleeft, in het bijzonder door niet op eigen kosten in de bedding van de onbevaarbare waterloop peilschalen of peilnagels of enig ander identificatiesysteem te plaatsen of door de plaats of de inrichting van bestaande peilschalen of peilnagels of identificatiesystemen te wijzigen, begaat een overtreding van de vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek 1 van het Milieuwetwetboek.
Afdeling II. - Politiemaatregelen voor onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen.
Art. R. 83. § 1. De in artikel D. 35 bedoelde beheerders mogen debietmetingen uitvoeren op alle onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen. Ze kunnen gebruikers of eigenaars van werken ook verplichten om op eigen kosten vaste of tijdelijke peilschalen of peilnagels of enig ander markeringssysteem in de bedding van deze waterlopen te plaatsen, of om de locatie of lay-out van bestaande peilschalen, peilnagels of markeringssystemen te wijzigen.
Het maximale waterdebiet dat kan worden onttrokken aan of geloosd in een onbevaarbare of niet beschermde waterloop wordt vastgesteld door de beheerders.
Gebruikers of eigenaars van installaties op onbevaarbare en niet beschermde waterlopen zijn verplicht om de bevelen van de beheerders op te volgen:
1° om alle vereiste manoeuvres uit te voeren, in het bijzonder het openen of sluiten van kleppen en poorten;
2° om de onttrekking(en) of lozing(en) van water te verminderen of tijdelijk op te schorten in periodes waarin de toestand van de watervoorraden en het aquatische milieu kwetsbaar is.
§ 2. Gebruikers en eigenaars van werken aan onbevaarbare of niet beschermde waterlopen moeten er ook voor zorgen dat deze installaties werken in overeenstemming met de instructies die hen door de beheerders zijn gegeven, en in ieder geval op zo'n manier dat het water in de waterloop een minimumpeil bereikt, een maximumpeil niet overschrijdt of zich tussen een minimumpeil en een maximumpeil bevindt dat wordt aangegeven door de peilbuis of door een ander markeringssysteem dat in overeenstemming met de instructies van de beheerder is geplaatst.
Art. R. 84. Wanneer water wordt geloosd in een onbevaarbare waterloop of een niet beschermde waterloop, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1° alle nodige maatregelen worden genomen om het terugvloeien van water naar oevergebieden te voorkomen en om te verhinderen dat de bedding van de waterloop wordt verstopt en dichtgeslibd;
2° de voorkant van de watervrijlatingsconstructies mag niet buiten de taludhelling uitsteken;
3° het lozen is gericht in de stroomrichting van de waterloop onder een hoek van niet minder dan vijfendertig graden en niet meer dan negentig graden ten opzichte van de oever waarop het lozen zich bevindt;
4° de lozingsstructuur mag in geen geval de natuurlijke stroming van de waterloop verstoren;
5° Als de situatie het vereist, moet de oever van de waterloop gestabiliseerd worden op het punt waar het water wordt geloosd, volgens de instructies van de beheerder;
6° Als de situatie het vereist en volgens de instructies van de beheerder worden de oevers beschermd met metselwerk, beton, golfbrekers of andere middelen, met inbegrip van technieken voor oeverstabilisatie op basis van planten.
Art. R. 85. In het geval van een permanente inlaatinstallatie van oppervlaktewater, niet geschikt om te drinken en niet bestemd voor menselijke consumptie, in een onbevaarbare waterloop of in een niet beschermde waterloop, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1° het is verboden een dam op te werpen over een waterloop;
2° de voorkant van de inlaatinstallaties mag niet buiten de taludhelling uitsteken;
3° Als de situatie het vereist, moet de oever van de waterloop gestabiliseerd worden op het punt waar het water wordt geloosd, volgens de instructies van de beheerder;
4° Als de situatie het vereist en volgens de instructies van de beheerder worden de oevers beschermd met metselwerk, beton, golfbrekers of andere middelen, met inbegrip van technieken voor oeverstabilisatie op basis van planten.
5° bij de waterinname wordt een adequaat stroomregelsysteem geïnstalleerd om ervoor te zorgen dat het instroomdebiet altijd beschikbaar is voor de waterloop.
Art. R. 86. § 1 Onverminderd artikel 3.130 van het Burgerlijk Wetboek mogen werken, ondernemingen en activiteiten uitgevoerd door een natuurlijke of rechtspersoon, publiek of privaat, die betrekking hebben op de seizoensgebonden onttrekking van water aan onbevaarbare of niet beschermde waterlopen, al dan niet hersteld, alleen worden uitgevoerd krachtens een oeverrecht en na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaande aangifte.
Er is echter geen voorafgaande aangifte vereist voor onttrekkingen door een natuurlijke of rechtspersoon, publiek of privaat, met oeverrechten, voor huishoudelijke doeleinden, of voor het drenken van vee door middel van een apparaat dat is geplaatst in een weide die wordt doorkruist of begrensd door een waterloop en waarmee vee kan worden gedrenkt zonder dat vee toegang heeft tot de waterloop, zoals een snuitpomp, trog of vijver, ongeacht hoe ze worden gevoederd. Behoeften zoals het vullen van zwembaden en siervijvers, het schoonmaken van voertuigen en het besproeien van gazons worden niet als huishoudelijke behoeften beschouwd.
Onttrekkingen die zijn vrijgesteld van voorafgaande aangifte overeenkomstig lid 2 moeten niettemin voldoen aan de voorwaarden opgelegd door artikel R.87, § 3, of door de waterloopbeheerder.
§ 2. Het is verboden om vanaf de openbare weg seizoensgebonden water te halen uit een onbevaarbare of niet beschermde waterloop.
§ 3. De aangifte moet per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert, worden verzonden of tegen ontvangstbewijs worden afgegeven aan de bevoegde beheerder naargelang de categorie van de onbevaarbare waterloop waar het project zich bevindt, of aan de beheerder die verantwoordelijk is voor de onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie in het geval van een niet beschermde waterloop.
Er moeten twee exemplaren van de aangifte worden gemaakt met behulp van het formulier dat is vastgesteld door de minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen.
De aangifte is onontvankelijk als zij in strijd met lid 3 is verzonden of afgeleverd of als de krachtens lid 4 vereiste gegevens of documenten ontbreken.
§ 4. Als de aangifte niet-ontvankelijk is, stuurt de beheerder de aangever binnen vijftien dagen na ontvangst van de aangifte een kopie van de aangifte met de vermelding "niet-ontvankelijk", samen met een kopie van de gemotiveerde beslissing die de niet-ontvankelijkheid van de aangifte rechtvaardigt.
§ 5. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt de beheerder een kopie van de aangifte naar het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu of naar elke instantie die hij nuttig acht om te raadplegen, voor een advies over het eventueel opleggen van bijkomende uitvoeringsvoorwaarden. Op verzoek van de beheerder of een van de bovengenoemde departementen kan vooraf een gezamenlijk bezoek ter plaatse worden georganiseerd. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte stuurt de beheerder de aangever een kopie van de aangifte, gemerkt "geregistreerd".
Waar nodig zal de beheerder de aangever informeren dat aanvullende uitvoeringsvoorwaarden vereist zijn. In dat geval stuurt zij de aangever de in lid 2 bedoelde kopie, waaraan zij een kopie van de aanvullende uitvoeringsvoorwaarden toevoegt.
Indien de aangifte niet binnen de termijn bedoeld in het lid 2 wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
§ 6. Om de 6 jaar is een nieuwe aangifte vereist.
Art. R. 87. § 1. Bij het uitvoeren van een seizoensgebonden onttrekking als bedoeld in artikel R. 86 moet de aangever zich houden aan de bepalingen en debiet- en/of volumewaarden en de onttrekkingsperioden die in zijn aangifte en in eventuele aanvullende uitvoeringsvoorwaarden van de beheerder zijn opgenomen. Onverminderd artikel D. 33/12 kan de betrokken beheerder, als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden, de periode(n) van onttrekking specificeren en, indien nodig, verschillende onttrekkingspercentages vaststellen, met name afhankelijk van de tijd van het jaar of de beschikbare middelen.
§ 2. Elke onttrekkingsstructuur en -installatie is uitgerust met geschikte middelen om het onttrokken volume te meten. Wanneer water wordt onttrokken door het uit de waterloop te pompen, moet de pompinstallatie worden uitgerust met een volumemeter. De keuze van de meter en de omstandigheden waarin hij wordt geïnstalleerd, moeten ervoor zorgen dat de gemeten volumes nauwkeurig zijn. Volumetrische meters met een resetsysteem zijn verboden.
De meetinstrumenten voor het onttrokken volume moeten regelmatig worden onderhouden, gecontroleerd en, indien nodig, vervangen, zodat ze te allen tijde betrouwbare informatie leveren.
De aangever moet de volgende informatie over de werking van de seizoensgebonden wateronttrekkingsfaciliteit vastleggen in een register of notitieboekje:
1° de aflezing van de volumetrische meterindex aan het begin en einde van elke bemonsteringscampagne;
2° incidenten die zich hebben voorgedaan op het niveau van de verrichting en, in voorkomend geval, op het niveau van de meting van de opgenomen volumes;
3° onderhoud, inspectie en vervanging van meetapparatuur.
De betrokken beheerder kan, als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden, specifieke registratieprocedures vaststellen en de registratiefrequentie verhogen tijdens perioden die gevoelig zijn voor de toestand van de watervoorraden en het aquatische milieu.
§ 3. De locatie van onttrekkingswerken en -installaties wordt zo gekozen dat overexploitatie of aanzienlijke aantasting van de waterloop, inclusief de oevers, wordt voorkomen. Wateronttrekkingswerken en -installaties moeten zo worden ontworpen dat waterverspilling wordt voorkomen.
De aangever controleert regelmatig de seizoensbemonsteringen door middel van pompen of een ander proces. Het zorgt ervoor dat de werken en installaties die voor de onttrekking worden gebruikt, regelmatig zodanig worden onderhouden dat de bescherming van de waterloop gegarandeerd is.
De aangever moet ook alle nodige maatregelen nemen, in het bijzonder door geen brandstoffen en andere producten op het winningsgebied op te slaan die de kwaliteit van het water dat uit het pompsysteem komt, zouden kunnen wijzigen, om elk risico van waterverontreiniging te voorkomen. De betrokken manager kan als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden het volgende opleggen:
1° de installatie van een zeef ter hoogte van de onttrekkingsleiding, waarvan het de kenmerken bepaalt ;
2° een maximale pompcapaciteit, uitgedrukt in debiet per uur, afhankelijk van de waterloop waaruit het water wordt gehaald.
§ 4. Elk incident of ongeval dat de waterkwaliteit of het kwantitatieve beheer negatief heeft beïnvloed of waarschijnlijk negatief zal beïnvloeden en de eerste maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen, moeten zo snel mogelijk door de melder worden gemeld aan de beheerder aan wie de melding is doorgegeven en aan de afdeling Politie en Controles van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu.
Onverminderd de maatregelen die door de beheerder kunnen worden voorgeschreven, moet de aangever alle passende maatregelen nemen of laten nemen om een einde te maken aan de oorzaak van het incident of het ongeval dat het aquatische milieu heeft aangetast, om de gevolgen ervan te evalueren en om het te verhelpen.
§ 5. Binnen een maand na afloop van elke seizoenbemonsteringscampagne zendt de aangever de betrokken beheerder een samenvatting van het in paragraaf 2 bedoelde register of notitieboekje toe, met vermelding van :
1° de waarden van de dagelijks en/of over de bemonsteringsperiode opgenomen volumes;
2° bij bemonstering door pompen, de aflezing van de volumetrische meterindex op het einde van de bemonsteringscampagne;
3° eventuele bedrijfsincidenten die van invloed kunnen zijn geweest op de watervoorraden en de maatregelen die zijn genomen om deze te verhelpen.
Art. R. 88. De territoriaal bevoegde Directie van het Departement Natuur en Bossen kan de personen onderworpen aan de verplichting waarvan sprake in artikel 16bis van dit boek een afwijking ervan toestaan voor de gronden die als biodiversiteitsvriendelijk zeer extensief weideland gebruikt worden.".
"Art. R. 89/1. Het is verboden om onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen op welke manier dan ook te bedekken, behalve in het geval van de volgende handelingen en werken, onderworpen aan een vergunning krachtens artikel D. 40 of R. 76, betreffende de installatie, bouw, verbouwing, vernieuwing, verplaatsing, verbouwing of uitbreiding :
1° van de weg-, spoor-, luchthaven- of waterwegen-infrastructuur;
2° van de infrastructuur voor overstromingsrisicobeheersing of -beheer;
3° van de infrastructuur die toegang geeft tot een stuk grond of privé-eigendom, met een breedte die strikt noodzakelijk is voor deze toegang;
4° van de telecommunicatie-, vloeistof- of energienetwerken.
"Art. R. 89/2. § 1. Binnen een afstand van zes meter van de oever van een onbevaarbare of niet beschermde waterloop is het verboden om zonder voorafgaande toestemming van de beheerder te bouwen, vaste of mobiele installaties te plaatsen, een bestaande constructie te verbouwen, om te vormen, producten, uitrustingen of materialen van welke aard ook te deponeren of het reliëf van de bodem ingrijpend te wijzigen. De minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen kan een lijst opstellen van constructies en installaties die zijn vrijgesteld van deze vergunning.
§ 2. De aanvraag voor een vergunning bedoeld in paragraaf 1 wordt in tweevoud opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen. Afhankelijk van de categorie waterlopen waarin het project zich bevindt, en zonder afbreuk te doen aan elektronische indiening, wordt de aanvraag per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert, of tegen ontvangstbewijs verzonden naar de betrokken beheerder.
De beheerder kan de overlegging verlangen van aanvullende documenten die hij noodzakelijk acht voor het onderzoek van de aanvraag. De beslissing bepaalt dat de procedure opnieuw begint te lopen te rekenen vanaf ontvangst ervan.
§ 3. De beheerder stuurt zijn beslissing aan de aanvrager, alsook aan elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag of de aanvullingen. Anders wordt het geacht te zijn geweigerd.
"Art. R. 89/3. § 1. Tegen de beslissingen genomen krachtens de artikelen R. 83, § 1, R. 86, § 2, en R. 89/2, § 3, kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving ervan of vanaf de bekendmaking van de beslissing langs administratieve weg.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid en onverminderd de mogelijkheid tot indiening langs elektronische weg, moet het in lid 1 bedoelde beroep worden toegezonden aan de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, per aangetekend schrijven of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. De Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde deelt zijn beslissing aan de aanvrager mee binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het beroepschrift of, in geval van meerdere beroepen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het laatste beroepschrift.
Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
1° aan de betrokken beheerder;
2° aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;
Als de beslissing niet binnen de in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verstuurd, wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd.
"Art. R. 89/4. Het legen van vijvers en reservoirs is verboden van 1 december tot en met 31 augustus, tenzij de persoon die verantwoordelijk is voor het legen aantoont dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° De lozing bedraagt niet meer dan een derde van het debiet van de ontvangende waterloop;
2° Het temperatuurverschil tussen het water van de ontvangende waterloop en het lozingswater bedraagt maximaal 5° C ;
3° Het verschil in troebelheid tussen het geloosde drainwater en het water aan de ingang van de vijvers en reservoirs bedraagt niet meer dan 70 NTU, gemiddeld over een half uur;
4° de verzadigingsgraad van opgeloste zuurstof in het geloosde afvalwater gemiddeld over een half uur hoger blijft dan 50%; als de verzadigingsgraad van opgeloste zuurstof in het inlaatwater van de vijvers en reservoirs lager is dan 50%, kan dit worden aanvaard als grenswaarde voor het geloosde afvalwater.
Wanneer een vijver of reservoir zal worden geleegd of (opnieuw) zal worden geblokkeerd, moeten de territoriaal bevoegde externe directie van het departement Natuur en Bos en de beheerder van de betrokken waterloop ten minste twintig dagen vóór de datum waarop de vijver of het reservoir zal worden geleegd of (opnieuw) zal worden geblokkeerd, daarvan in kennis worden gesteld.
Behalve in het geval van een naar behoren toegestane dam mag de onttrekking van water aan een waterloop voor het vullen van vijvers of reservoirs niet meer bedragen dan een derde van het momentane debiet van de waterloop.
De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op productievijvers die worden beheerd door een aquaculturist die geregistreerd is bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. ".
Art. 14. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre V du Livre II du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre V, comportant les articles R. 82 Ă  R. 89/4, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE V - Mesures de police
Section Ire. - Mesures de police applicables aux cours d'eau non classés
Art. R. 82. § 1er. Commet une infraction de troisiÚme catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement :
1° celui qui contrevient aux articles R. 72 à R. 74 ;
2° celui qui, sans l'autorisation requise, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées, effectue ou maintient des travaux dans le lit mineur tels que visés à l'article R. 76 ;
3° celui qui, soit :
a) dégrade ou affaiblit le lit mineur ou les digues d'un cours d'eau non classé ;
b) obstrue le cours d'eau non classĂ© ou dĂ©pose Ă  moins de six mĂštres de la crĂȘte de berge ou dans des zones soumises Ă  l'alĂ©a d'inondation des objets ou des matiĂšres pouvant ĂȘtre entrainĂ©s par les flots et causer la destruction, la dĂ©gradation ou l'obstruction des cours d'eau non classĂ©s ;
c) laboure, herse, bĂȘche ou ameublit d'une autre maniĂšre la bande de terre d'une largeur d'un mĂštre, mesurĂ©e Ă  partir de la crĂȘte de la berge du cours d'eau non classĂ© vers l'intĂ©rieur des terres ;
d) enlĂšve, rend mĂ©connaissable ou modifie quoi que ce soit Ă  la disposition ou Ă  l'emplacement des Ă©chelles de niveau, des clous de jauge ou de tout autre systĂšme de repĂ©rage mis en place Ă  la requĂȘte du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie ;
e) pose en travers des cours d'eau non classés des clÎtures ou d'autres dispositifs susceptibles d'entraver l'écoulement normal des eaux ;
f) procÚde à la vidange d'un étang ou d'un réservoir dans un cours d'eau non classé sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées à l'article R.89/4 ;
g) installe une prise d'eau permanente de surface ou un rejet d'eau de surface ou de voies artificielles d'écoulement dans un cours d'eau non classé sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées aux article R.84 et R.85 ;
h) procÚde à un prélÚvement saisonnier à partir de la voie publique ou sans la déclaration requise en vertu de l'article R.86, sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées à l'article R.87 ;
i) couvre de quelque maniÚre que ce soit les cours d'eau non classés sauf s'il s'agit d'actes et travaux concernant l'installation, la construction, la modification, le renouvellement, le déplacement, la transformation ou l'extension d'infrastructures de communications routiÚres, ferroviaires, aéroportuaires ou fluviales, d'infrastructures donnant accÚs à une propriété privée d'une largeur strictement nécessaire à cet accÚs, ou de réseaux de télécommunication, de fluide ou d'énergie ;
j) procÚde à des actes et travaux visés à l'article R. 89/2 sans l'autorisation requise, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées ;
k) laisse subsister les situations créées à la suite des actes visés au 3° ;
4° l'usager ou le propriétaire d'un ouvrage établi sur un cours d'eau non classé qui ne s'assure pas que cet ouvrage fonctionne en conformité aux instructions qui lui sont données par le gestionnaire et, en tout état de cause, d'une maniÚre telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou de tout autre systÚme de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire.
§ 2. Commet une infraction de quatriÚme catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement, celui qui néglige de se conformer aux injonctions du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxiÚme catégorie, notamment en ne plaçant pas à ses frais, dans le lit du cours d'eau non classé, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre systÚme de repérage ou en modifiant l'emplacement ou la disposition des échelles ou des clous ou des systÚmes de repérage existants.
Section II. - Mesures de police communes aux cours d'eau non navigables et aux cours d'eau non classés
Art. R. 83. § 1er. Les gestionnaires visés à l'article D. 35 peuvent effectuer des mesures de débit sur tous les cours d'eau non navigables et les cours d'eau non classés. Ils peuvent également obliger les usagers ou les propriétaires d'ouvrages de placer, à leur frais, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre systÚme de repérage fixes ou temporaires dans le lit de ces cours d'eau, ou de modifier l'emplacement ou la disposition des échelles, des clous ou des systÚmes de repérage existants.
Le dĂ©bit d'eau maximum pouvant ĂȘtre prĂ©levĂ© ou dĂ©versĂ© dans un cours d'eau non navigable ou non classĂ© est fixĂ© par les gestionnaires.
Les usagers ou les propriétaires d'ouvrages établis sur les cours d'eau non navigables et non classés sont tenus d'obtempérer aux injonctions qui leur sont données par les gestionnaires :
1° pour effectuer toute manoeuvre nécessaire, notamment l'ouverture ou la fermeture des vannes et vantaux ;
2° pour réduire ou suspendre temporairement le ou les prélÚvement(s) ou rejet(s) d'eau pendant les périodes sensibles pour l'état des ressources en eau et des milieux aquatiques.
§ 2. Les usagers et les propriétaires d'ouvrages sur les cours d'eau non navigables ou non classés sont également tenus de veiller à ce que ces ouvrages fonctionnent en conformité des instructions qui leur sont données par les gestionnaires, et en tout état de cause, d'une maniÚre telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou par tout autre systÚme de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire.
Art. R. 84. En cas d'installation d'un rejet d'eau dans un cours d'eau non navigable ou dans un cours d'eau non classé, les conditions suivantes sont d'application :
1° toutes les dispositions nécessaires sont prises pour éviter le refoulement des eaux vers les propriétés riveraines et pour éviter l'obstruction et l'affouillement du lit du cours d'eau ;
2° les faces avant des ouvrages de remise d'eau sont réalisées sans faire saillie par rapport à l'inclinaison de la berge ;
3° le rejet est dirigé dans le sens du courant du cours d'eau suivant un angle de minimum trente-cinq degré et de maximum nonante degrés par rapport à la berge d'appui sur laquelle se situe le rejet ;
4° en aucun cas, l'ouvrage de rejet ne peut perturber l'écoulement naturel du cours d'eau ;
5° Si la situation le nĂ©cessite, la berge du cours d'eau doit ĂȘtre stabilisĂ©e au droit de la remise d'eau selon les indications du gestionnaire ;
6° Si la situation le nécessite et selon les indications du gestionnaire, les berges seront protégées à l'aide d'un ouvrage en maçonnerie, en béton, à l'aide d'enrochements ou de tout autre moyen en ce comprises les techniques végétales de stabilisation de berge.
Art. R. 85. En cas d'installation d'une prise d'eau permanente de surface, non potabilisable et non destinée à la consommation humaine, dans un cours d'eau non navigable ou dans un cours d'eau non classé, les conditions suivantes sont d'application :
1° la création d'un barrage en travers du cours d'eau est interdite ;
2° les faces avant des ouvrages de prise d'eau sont réalisées sans faire saillie par rapport à l'inclinaison de la berge ;
3° Si la situation le nĂ©cessite, la berge du cours d'eau doit ĂȘtre stabilisĂ©e au droit de la remise d'eau selon les indications du gestionnaire ;
4° Si la situation le nécessite et selon les indications du gestionnaire, les berges seront protégées à l'aide d'un ouvrage en maçonnerie, en béton, à l'aide d'enrochements ou de tout autre moyen en ce comprises les techniques végétales de stabilisation de berge
5° un systÚme adéquat de régulation du débit de la prise d'eau est installé pour assurer la disponibilité permanente du débit réservé au cours d'eau.
Art. R. 86. § 1er.Sans prĂ©judice de l'article 3.130 du Code civil, les ouvrages, travaux et activitĂ©s rĂ©alisĂ©s par toute personne physique ou morale, publique ou privĂ©e et entraĂźnant des prĂ©lĂšvements saisonniers d'eau dans les cours d'eau non navigables ou non classĂ©s, restituĂ©s ou non, ne peuvent ĂȘtre exĂ©cutĂ©s qu'en vertu d'un droit de riverainetĂ© et aprĂšs avoir fait l'objet d'une dĂ©claration prĂ©alable.
Ne sont néanmoins pas soumis à déclaration préalable, les prélÚvements réalisés par toute personne physique ou morale, publique ou privée, disposant d'un droit de riveraineté, pour des besoins domestiques, ou pour l'abreuvement du bétail au moyen de tout dispositif placé dans une prairie traversée ou bordée d'un cours d'eau et permettant l'abreuvement du bétail sans accÚs du bétail au cours d'eau, tel que pompe à museau, bac ou mare quel que soit leur mode d'alimentation. Les besoins tels le remplissage de piscines et d'étangs d'agrément, le nettoyage de véhicules et l'arrosage de pelouses ne sont pas considérés comme besoins domestiques.
Les prélÚvements exonérés de déclaration préalable en vertu de l'alinéa 2 devront néanmoins respecter les conditions imposées par l'article R.87, § 3, ou par le gestionnaire du cours d'eau.
§ 2. Il est interdit de procéder à un prélÚvement saisonnier d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé à partir de la voie publique.
§ 3. La dĂ©claration est envoyĂ©e par recommandĂ© ou par tout envoi confĂ©rant date certaine ou remise contre rĂ©cĂ©pissĂ© au gestionnaire concernĂ© en fonction de la catĂ©gorie du cours d'eau non navigable oĂč est situĂ© le projet, ou au gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxiĂšme catĂ©gorie s'il s'agit d'un cours d'eau non classĂ©.
La dĂ©claration est Ă©tablie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
La déclaration est irrecevable si elle a été envoyée ou remise en violation de l'alinéa 3 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 4.
§ 4. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire transmet au déclarant, dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " non recevable ", auquel il joint une copie de la décision motivée justifiant l'irrecevabilité de la déclaration.
§ 5. Si la dĂ©claration est recevable, le gestionnaire transmet un exemplaire de la dĂ©claration au DĂ©partement de l'Environnement et de l'Eau et au DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, pour avis sur l'Ă©ventuelle imposition de conditions complĂ©mentaires d'exĂ©cution. Une visite prĂ©alable de terrain en commun peut ĂȘtre organisĂ©e Ă  la demande du gestionnaire ou d'un des dĂ©partements prĂ©citĂ©s. Les instances envoient leur avis motivĂ© dans les quinze jours Ă  dater de leur saisine. A dĂ©faut, l'avis est rĂ©putĂ© favorable.
Le gestionnaire transmet au déclarant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception de la déclaration, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " enregistrée ".
Le cas échéant, le gestionnaire indique au déclarant que des conditions complémentaires d'exécution sont requises. Dans ce cas, il transmet au déclarant l'exemplaire visé à l'alinéa 2, auquel il joint un exemplaire des conditions complémentaires d'exécution.
A défaut d'envoi dans le délai visé à l'alinéa 2, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
§ 6. Une nouvelle déclaration est requise tous les 6 ans.
Art. R. 87. § 1er. Lors de la réalisation d'un prélÚvement saisonnier tel que visé à l'article R. 86, le déclarant est tenu de respecter les dispositions et valeurs de débit et/ou de volume, ainsi que les périodes de prélÚvement figurant dans sa déclaration et dans les éventuelles conditions complémentaires d'exécution imposées par le gestionnaire. Sans préjudice de l'article D. 33/12, le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, préciser la ou les périodes de prélÚvement et fixer, si nécessaire, plusieurs débits de prélÚvements, notamment en fonction des périodes de l'année ou des ressources disponibles.
§ 2. Chaque ouvrage et installation de prĂ©lĂšvement est Ă©quipĂ© de moyens de mesure appropriĂ©s du volume prĂ©levĂ©. Lorsque le prĂ©lĂšvement d'eau est effectuĂ© par pompage dans le cours d'eau, l'installation de pompage doit ĂȘtre Ă©quipĂ©e d'un compteur volumĂ©trique. Le choix et les conditions de montage du compteur doivent permettre de garantir la prĂ©cision des volumes mesurĂ©s. Les compteurs volumĂ©triques Ă©quipĂ©s d'un systĂšme de remise Ă  zĂ©ro sont interdits.
Les moyens de mesure du volume prĂ©levĂ© doivent ĂȘtre rĂ©guliĂšrement entretenus, contrĂŽlĂ©s et, si nĂ©cessaire, remplacĂ©s, de façon Ă  fournir en permanence une information fiable.
Le déclarant consigne sur un registre ou cahier, les éléments suivants du suivi de l'exploitation de l'ouvrage ou de l'installation de prélÚvement saisonnier :
1° le relevé de l'index du compteur volumétrique au début et à la fin de chaque campagne de prélÚvement ;
2° les incidents survenus au niveau de l'exploitation et, selon le cas, au niveau de la mesure des volumes prélevés ;
3° les entretiens, contrÎles et remplacements des moyens de mesure.
Le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, fixer des modalités d'enregistrement particuliÚres ainsi qu'une augmentation de la fréquence d'enregistrement, pendant les périodes sensibles pour l'état de la ressource en eau et des milieux aquatiques.
§ 3. Le site d'implantation des ouvrages et installations de prĂ©lĂšvement est choisi en vue de prĂ©venir toute surexploitation ou dĂ©gradation significative du cours d'eau, y compris ses berges. Les ouvrages et installations de prĂ©lĂšvement d'eau doivent ĂȘtre conçus de façon Ă  Ă©viter le gaspillage d'eau.
Le déclarant surveille réguliÚrement les opérations de prélÚvement saisonnier par pompage ou tout autre procédé. Il s'assure de l'entretien régulier des ouvrages et installations utilisés pour les prélÚvements de maniÚre à garantir la protection du cours d'eau.
Le déclarant prend également toutes les dispositions nécessaires, notamment par l'absence de stockage sur le site de prélÚvement des carburants et autres produits susceptibles d'altérer la qualité des eaux issues du systÚme de pompage, en vue de prévenir tout risque de pollution des eaux. Le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, imposer :
1° l'installation d'une crépine au niveau du tuyau de prélÚvement, dont il détermine les caractéristiques ;
2° une puissance maximale de la pompe, exprimée en débit par heure, en fonction du cours d'eau dans lequel est opéré le prélÚvement.
§ 4. Tout incident ou accident ayant porté ou susceptible de porter atteinte à la qualité des eaux ou à leur gestion quantitative et les premiÚres mesures prises pour y remédier sont déclarés au gestionnaire à qui a été adressée la déclaration et au Département de la Police et des ContrÎles du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par le déclarant dans les meilleurs délais.
Sans préjudice des mesures que peut prescrire le gestionnaire, le déclarant doit prendre ou faire prendre toutes mesures utiles pour mettre fin à la cause de l'incident ou l'accident portant atteinte au milieu aquatique, pour évaluer ses conséquences et y remédier.
§ 5. Le déclarant communique au gestionnaire concerné dans le mois suivant la fin de chaque campagne de prélÚvement saisonnier, une synthÚse du registre ou cahier visé au paragraphe 2, indiquant :
1° les valeurs des volumes prélevés quotidiennement et/ou sur la campagne de prélÚvement ;
2° pour les prélÚvements par pompage, le relevé de l'index du compteur volumétrique, en fin de campagne de prélÚvement ;
3° les incidents d'exploitation rencontrés ayant pu porter atteinte à la ressource en eau et les mesures mises en oeuvre pour y remédier.
Art. R. 88. La Direction territorialement compĂ©tente du DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts peut accorder aux personnes soumises Ă  l'obligation prĂ©vue Ă  l'article D. 42/1 du prĂ©sent livre une dĂ©rogation Ă  celle-ci pour les terres faisant l'objet d'un pĂąturage trĂšs extensif favorable Ă  la biodiversitĂ©.
Art. R. 89/1. Il est interdit de couvrir de quelque maniÚre que ce soit les cours d'eau non navigables et les cours d'eau non classés, sauf s'il s'agit des actes et travaux suivants, moyennant autorisation en vertu de l'article D. 40 ou R. 76, concernant l'installation, la construction, la modification, le renouvellement, le déplacement, la transformation ou l'extension :
1° d'infrastructures de communications routiÚres, ferroviaires, aéroportuaires ou fluviales ;
2° d'infrastructures de lutte ou de gestion des risques d'inondations ;
3° d'infrastructures donnant accÚs à une parcelle ou une propriété privée, d'une largeur strictement nécessaire à cet accÚs ;
4° de réseaux de télécommunication, de fluide ou d'énergie.
Art. R. 89/2. § 1er. A moins de six mĂštres de la crĂȘte de berge d'un cours d'eau non navigable ou non classĂ©, il est interdit de construire, placer des installations fixes ou mobiles, de reconstruire, transformer une construction existante, rĂ©aliser un dĂ©pĂŽt de quelques produits, matĂ©riels ou matĂ©riaux que ce soit ou modifier sensiblement le relief du sol, sans l'autorisation prĂ©alable du gestionnaire. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions peut Ă©tablir la liste des constructions et installations dispensĂ©es de cette autorisation.
§ 2. La demande d'autorisation visĂ©e au paragraphe 1er est Ă©tablie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions. En fonction de la catĂ©gorie du cours d'eau oĂč est situĂ© le projet, et sans prĂ©judice de l'envoi par voie Ă©lectronique, la demande est envoyĂ©e au gestionnaire concernĂ© par recommandĂ© ou par tout envoi confĂ©rant date certaine ou remise contre rĂ©cĂ©pissĂ©.
Le gestionnaire peut exiger la production de documents complémentaires qu'il juge nécessaire à l'instruction de la demande. Dans ce cas, la procédure recommence à dater de leur réception.
§ 3. Le gestionnaire notifie sa dĂ©cision au demandeur dans les cent vingt jours Ă  partir du premier jour suivant la rĂ©ception de la demande ou ses complĂ©ments. A dĂ©faut, elle est censĂ©e ĂȘtre refusĂ©e.
Art. R. 89/3. § 1er.Un recours peut ĂȘtre exercĂ© contre les dĂ©cisions prises en vertu des articles R. 83, § 1er, R. 86, § 2, et R. 89/2, § 3, dans les vingt jours Ă  partir de la notification qui leur en est faite ou Ă  partir de la publication de la dĂ©cision par la voie administrative.
Sous peine d'irrecevabilitĂ©, et sans prĂ©judice de l'envoi par voie Ă©lectronique, le recours prĂ©vu Ă  l'alinĂ©a 1er est adressĂ© au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, Ă  l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandĂ© ou par toute autre modalitĂ© confĂ©rant date certaine, au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particuliÚre a été requis dans le cadre de la procédure de premiÚre instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, qui courent à dater du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
1° au gestionnaire concerné ;
2° aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, la décision prise en premiÚre instance est confirmée.
Art. R. 89/4. La vidange des étangs et réservoirs est interdite du 1er décembre au 31 août inclus, sauf si le responsable de la vidange prouve que les conditions suivantes sont respectées :
1° Le débit de vidange ne dépasse pas le tiers du débit du cours d'eau récepteur ;
2° La différence de température entre l'eau du cours d'eau récepteur et l'eau de vidange rejetée est de maximum 5° C ;
3° La différence de turbidité entre les eaux de vidange rejetées et l'eau à l'entrée des étangs et réservoirs n'excÚde pas 70 NTU, en moyenne sur une demi-heure ;
4° le taux de saturation en oxygĂšne dissous dans les eaux de vidange rejetĂ©es reste supĂ©rieur Ă  50%, en moyenne sur une demi-heure ; si le taux de saturation en oxygĂšne dissous est infĂ©rieur Ă  50% dans l'eau alimentant Ă  l'entrĂ©e les Ă©tangs et rĂ©servoirs, celui-ci peut ĂȘtre admis comme valeur limite pour les eaux de vidange rejetĂ©es.
La vidange et la (re)mise en eau d'un Ă©tang ou rĂ©servoir font l'objet d'une information prĂ©alable de la Direction extĂ©rieure territorialement compĂ©tente du DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts et du gestionnaire du cours d'eau concernĂ© minimum vingt jours avant la date de la vidange ou de la remise en eau.
Sauf s'il s'agit d'un étang de barrage dûment autorisé, le prélÚvement d'eau dans le cours d'eau en vue du remplissage des étangs ou des réservoirs ne peut dépasser le tiers du débit instantané du cours d'eau.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux étangs de production exploités par un aquaculteur enregistré par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaßne Alimentaire. ".
Art. 15. In het regelgevend gedeelte, deel II, titel V, van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 89/5 tot en met R. 89/9, luidend als volgt
"HOOFDSTUK VI - Subsidies
"Art. R. 89/5. In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° "subsidiegerechtigde": de private of publieke entiteit die de begunstigde van de subsidie en de opdrachtgever is;
2° begeleidingsdienst: "Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Ontwikkeling, Landelijke Aangelegenheden, Waterlopen en Dierenwelzijn - Directie onbevaarbare waterlopen"
"Art. R. 89/6. In afwijking van de artikelen 2bis, 11, 13 en 14 van het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken, en verenigingen van Polders of van Wateringen, wordt het tarief van de subsidies voor de uitvoering van de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek vastgesteld op :
1° tachtig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 3° en 6°, van dit boek
2° zestig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 1°, van dit boek
3° vijfenveertig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor het werk bedoeld in artikel D. 54/1, 2°, 4° en 5°, van dit boek ;
4° vijfendertig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 7°, van dit boek.
"Art. R. 89/7. De projecten die door de begunstigde worden ingediend om subsidies te verkrijgen voor het uitvoeren van de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek moeten vergezeld zijn van de adviezen van de beheerder van de betrokken onbevaarbare waterloop en van de dienst Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, evenals van de volgende documenten:
1° de documenten en specificaties van de geplande werken, in het bijzonder het bijzonder bestek voor de publiekrechtelijke aannemer, de beschrijvende en samenvattende opmetingsstaten, het inschrijvingsmodel en de uitvoeringsplannen;
2° de berekeningsnota's die naar dit werk verwijzen, indien van toepassing;
3° de kostenraming van de werkzaamheden met, zo nodig, de kosten van de voorafgaande proeven;
4° een toelichtende nota over de wijze waarop de eenheidsprijzen worden vastgelegd;
5° een attest van de begunstigde waaruit blijkt dat hij eigenaar is van alle gronden die nodig zijn om de werken uit te voeren;
6- in geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen, een grondinnemingsdossier met een schatting van de waarde ervan
in voorkomend geval de milieu- en stedenbouwkundige vergunning of de globale vergunning.
"Art. R. 89/8. § 1. De begeleidingsdienst helpt de subsidiegerechtigden bij het opmaken van de documenten die nodig zijn voor de technische, administratieve en budgettaire opvolging. Hij wordt ermee belast het uitvoerig advies aan de Minister over te maken.
Het project wordt opgemaakt door de subsidiegerechtigde en door hem overgemaakt aan de begeleidingsdienst, die het ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. De minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen beslist of de subsidie al dan niet wordt toegekend.
§ 2. De kennisgeving aan de subsidiegerechtigde door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de goedkeuring van het project en de subsidiepercentages staat gelijk aan een principeverbintenis om de subsidie toe te kennen.
§ 3. Binnen drie maanden na de kennisgeving van de in paragraaf 2 bedoelde principiële belofte gaat de subsidiegerechtigde over tot de opening van de inschrijvingen. Via de begeleidingsdienst maakt hij het volledige dossier betreffende de gunning van de opdracht vervolgens over aan de Minister. De principiële belofte vervalt na afloop van die termijn.
§ 4. De Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen legt het budget voor de uitgaven vast en vaardigt een ministerieel besluit uit tot toekenning van de subsidies.
Het bedrag van de subsidie wordt aan de subsidiegerechtigde meegedeeld op basis van het goedgekeurde project, in het bijzonder de goedgekeurde aanbesteding voor de publiekrechtelijke rechtspersoon.
Voor de berekening van de subsidie is het in aanmerking te nemen bedrag de som van:
1° de kosten van de in aanmerking komende werkzaamheden, btw inbegrepen, bepaald door de aanbesteding;
2° een vast bedrag van 10 % van het totaalbedrag van de werkzaamheden voor onderzoekskosten, kosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen;
3° het bedrag van de schatting vastgesteld bij de verwerving van niet-bebouwde onroerende goederen.
De overige algemene kosten gemaakt door de subsidiegerechtigde komen niet in aanmerking voor subsidies.
Elke andere tegemoetkoming dan die van de subsidiegerechtigde wordt afgetrokken van het globale bedrag van de te subsidiëren uitgave.
"Art. R. 89/9. § 1. Het volledige dossier met betrekking tot de toekenning van de subsidie, of het contract in het geval van een publiekrechtelijke persoon, bevat een kopie van de volgende documenten:
1° de beraadslaging waarbij de subsidiegerechtigde de datum van de opening van de inschrijvingen en, zo nodig, de lijst van de te raadplegen ondernemingen vastlegt;
2° het goedgekeurde bestek;
3° het bericht van de opdracht;
4° het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
5° het verslag over de aanbesteding van de opdracht;
6° de inschrijving ingediend door de aannemer die door de subsidiegerechtigde aangewezen is;
7° de vergelijkende tabel van de eenheidsprijzen van de ingediende inschrijvingen;
8° de beraadslaging waarbij de subsidiegerechtigde de aanwijzing van de aannemer met redenen omkleedt.
9° indien van toepassing, gaat het dossier vergezeld van de akte van aankoop van onbebouwde onroerende goederen.
§ 2. De Minister verantwoordelijk voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde kan het gebruik van de toegekende subsidies laten controleren.
§ 3. Het definitieve subsidiebedrag wordt berekend op basis van het werkelijke bedrag van de gesubsidieerde werkzaamheden dat in de eindafrekening wordt vermeld, met inbegrip van de aankoopkosten inzake inneming en erfdienstbaarheid en de overige kosten zoals bedoeld in artikel R. 89/8, beperkt tot 10 % van het globale bedrag van de werkzaamheden. Als het bedrag van de eindafrekening van de gesubsidieerde werkzaamheden kleiner is dan het bedrag dat aanvankelijk in aanmerking werd genomen voor de berekening van de subsidie, wordt het bedrag van deze subsidie herzien op grond van de werkelijke kosten van bedoelde werkzaamheden.
§ 4. De Minister kan ook subsidies toekennen voor werkzaamheden van ondernemingen die niet konden worden voorzien bij het uitwerken van het oorspronkelijke project en die nu noodzakelijk blijken voor de goede uitvoering daarvan. In dit geval mag de aanvullende subsidie niet meer bedragen dan tien procent van de oorspronkelijke subsidie.
§ 5. In geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen wordt het definitieve subsidiebedrag vastgelegd op basis van de akte van aankoop van het goed, waarvan een afschrift aan de begeleidingsdienst overgemaakt wordt.
§ 6. De artikelen 16 en 18 van het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken, en verenigingen van Polders of van Wateringen, zijn niet van toepassing op de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek.
§ 7. De Minister kan voorschotten op de toegekende subsidies uitbetalen naar rato van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden. De subsidie wordt uitbetaald tegen overlegging van een aangifte van schuldvordering van de subsidiegerechtigde, gestaafd met een stand van de werkzaamheden. ".
Art. 15. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre V du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre VI, comportant les articles R. 89/5 Ă  R. 89/9, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE VI - Subsides
Art. R. 89/5. Au sens du présent chapitre, l'on entend par :
1° " allocataire " : la personne de droit privé ou de droit public bénéficiaire de la subvention et maßtre de l'ouvrage ;
2° " service d'accompagnement " : SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, DĂ©partement du DĂ©veloppement, de la RuralitĂ©, des Cours d'Eau et du Bien-ĂȘtre animal, Direction des Cours d'eau non navigables.
Art. R. 89/6. Par dĂ©rogation aux articles 2bis, 11,13 et 14 de l'arrĂȘtĂ© du RĂ©gent du 2 juillet 1949 relatif Ă  l'intervention de l'Etat en matiĂšre de subsides pour l'exĂ©cution de travaux par les provinces, communes, associations de communes, commissions d'assistance publique, fabriques d'Ă©glises et association de polders ou de wateringues, le taux des subventions en vue de la rĂ©alisation de travaux visĂ©s Ă  l'article D. 54/1 du prĂ©sent livre est fixĂ© Ă  :
1° quatre-vingt pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 3° et 6°, du présent livre
2° soixante-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 1°, du présent livre ;
3° quarante-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 2°, 4° et 5°, du présent livre ;
4° trente-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 7°, du présent livre.
Art. R. 89/7. Les projets introduits par l'allocataire pour l'obtention de subventions en vue de la rĂ©alisation de travaux visĂ©s Ă  l'article D. 54/1 du prĂ©sent livre sont accompagnĂ©s des avis du gestionnaire du cours d'eau non navigable concernĂ© et du DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ainsi que des documents suivants :
1° les documents et les spécifications des travaux envisagés, notamment le cahier spécial des charges des travaux pour la personne du droit public, les métrés descriptif et récapitulatif, le modÚle de soumission et les plans d'exécution ;
2° les notes de calculs se référant à ces travaux, s'il échet ;
3° le devis estimatif des travaux comprenant, le cas échéant, le coût des essais préalables ;
4° une note explicative du mode de détermination des prix unitaires ;
5° l'attestation de l'allocataire établissant qu'il dispose de tous les terrains nécessaires à la réalisation des travaux ;
6° en cas d'acquisition de biens immobiliers non bùtis, un dossier d'emprise avec une estimation de leur valeur ;
7° le permis d'urbanisme, le permis d'environnement ou le permis unique, s'il échet.
Art. R. 89/8. § 1er. Le service d'accompagnement assiste les allocataires en vue d'établir les documents nécessaires au suivi technique, administratif et budgétaire des dossiers. Il est chargé de remettre un avis circonstancié au Ministre.
L'allocataire établit le projet et le transmet au service d'accompagnement qui le soumet à l'approbation du Ministre. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions décide s'il est opportun ou non d'octroyer la subvention.
§ 2. La notification à l'allocataire par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions de l'approbation du projet et des taux de subvention vaut promesse de principe d'octroi de subvention.
§ 3. Dans les douze mois à dater de la notification de la promesse de principe visée au paragraphe 2, l'allocataire procÚde à l'ouverture des soumissions. Il transmet ensuite au Ministre, via le service d'accompagnement, le dossier complet relatif à l'attribution du marché. La promesse de principe devient caduque à l'expiration de ce délai.
§ 4. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions fait procĂ©der Ă  l'engagement budgĂ©taire de la dĂ©pense et prend un arrĂȘtĂ© ministĂ©riel octroyant les subsides.
Le montant de la subvention est notifié à l'allocataire, sur base du projet approuvé, notamment la soumission approuvée pour la personne du droit public.
Pour le calcul de la subvention, le montant à prendre en considération est la somme :
1° du coût des travaux subsidiables, T.V.A comprise, déterminé par l'adjudication ;
2° d'un forfait de dix pour cent du montant global des travaux pour frais d'étude, de coordination sécurité, d'essais géotechniques préalables, de contrÎle des matériaux ;
3° du montant de l'estimation établie en cas d'acquisition d'immeubles non bùtis.
Les autres frais généraux exposés par l'allocataire ne sont pas subventionnés.
Toute autre intervention que celle de l'allocataire est déduite du montant global de la dépense à subventionner.
Art. R. 89/9. § 1er. Le dossier complet relatif à l'attribution de la subvention, ou du marché pour la personne du droit public, comprend une copie des documents suivants :
1° la dĂ©libĂ©ration par laquelle l'allocataire arrĂȘte les conditions de la subvention, ou du marchĂ© et le cas Ă©chĂ©ant, la liste des entreprises Ă  consulter ;
2° le cahier des charges approuvé ;
3° l'avis de marché ;
4° le procÚs-verbal de l'ouverture des soumissions ;
5° le rapport d'adjudication du marché ;
6° la soumission déposée par l'adjudicataire désigné par l'allocataire ;
7° le tableau comparatif des prix unitaires des soumissions déposées ;
8° la délibération par laquelle l'allocataire motive la désignation de l'adjudicataire ;
9° s'il échet, le dossier est accompagné de l'acte d'acquisition d'immeubles non bùtis.
§ 2. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué peut faire procéder au contrÎle de l'emploi des subventions attribuées.
§ 3. Le montant définitif de la subvention est calculé sur base du montant effectif des travaux subventionnés figurant au décompte final, en ce compris les frais d'acquisition d'emprise et les autres frais tels que précisés à l'article R. 89/8, § 4, limités à dix pour cent du montant global des travaux. Lorsque le montant du décompte final des travaux subventionnés est inférieur à celui retenu initialement pour le calcul de la subvention, le montant de celle-ci est revu sur la base de la dépense réelle relative aux dits travaux.
§ 4. Le Ministre peut étendre l'octroi des subventions aux travaux d'entreprises qui étaient imprévisibles au moment de l'élaboration du projet initial et qui se sont avérés nécessaires pour la bonne exécution de celle-ci. Dans ce cas, la subvention supplémentaire ne peut pas excéder dix pour cent de la subvention initiale.
§ 5. Dans le cas d'acquisition d'immeubles non bĂątis, le montant dĂ©finitif de la subvention est arrĂȘtĂ© sur la base de l'acte d'acquisition du bien dont une copie est transmise au service d'accompagnement.
§ 6. Les articles 16 et 18 de l'arrĂȘtĂ© du RĂ©gent du 2 juillet 1949 relatif Ă  l'intervention de l'Etat en matiĂšre de subsides pour l'exĂ©cution de travaux par les provinces, communes, associations de communes, commissions d'assistance publique, fabriques d'Ă©glises et association des polders ou de wateringues ne sont pas applicables pour les travaux visĂ©s Ă  l'article D. 54/1 du prĂ©sent livre.
§ 7. Au prorata des travaux effectivement exécutés, le ministre ou son délégué peut opérer la liquidation d'acomptes sur les subsides octroyés. La subvention est liquidée sur présentation d'une déclaration de créance de l'allocataire appuyée par un état d'avancement des travaux. ".
Art. 16. In het regelgevend deel, Deel II, Titel VI van Boek II van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 89/10 tot en met R. 89/18, dat als -volgt luidt ::
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
"Art. R. 89/10. Aangezien de grenzen van bepaalde Wateringen zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één provincie, hebben de volgende provinciale overheden het recht om tussen te komen in de uitvoering van Titel VI van het decreetgevend deel van dit Boek: die van Henegouwen voor de Wateringen Rhosnes, Kain-Ramegnies-Chin en Pottes-Escanaffles, die van Luik voor de Wateringen Trois Sarts, die van Luxemburg voor de Wateringen Ambly, d'Opont, de Humain, de Bourdon en de Carlsbourg, en die van Namen voor de Wateringen van Forville, d'Aische-en-Refail, de l'Orneau, du Ry de Jennevaux, de la Ligne, de l'Eau d'Heure en de Telnay.
"Art. R. 89/11. Onverminderd de bepalingen van titel V van dit Boek, gelden voor de onbevaarbare waterlopen in de Wateringen districten de volgende bepalingen:
1° de vergunningsaanvraag bedoeld in artikel D. 40 wordt voor advies voorgelegd aan het bestuur van de Watering;
2° voor het openen van sluizen, sluisdeuren en poorten zijn de gebruikers of eigenaars van bouwwerken eveneens verplicht de bevelen van de voorzitter van de Watering op te volgen; in geval van nood of wanneer het water de hoogte van de peilnagel of een ander identificatiesysteem overschrijdt, zijn ze verplicht de bevelen van de bewakers, sluiswachters en, bij afwezigheid van deze agenten, de ontvanger-griffier op te volgen.
"Art. R. 89/12. Met betrekking tot drainage- en irrigatiekanalen, die niet overeenkomen met een waterloop, gelegen in de Wateringen district, is het verboden :
1° bruggen, sluizen, dammen, kistdammen of andere permanente of tijdelijke constructies te bouwen, te verwijderen of te wijzigen zonder toestemming van het bestuur van de Watering;
2° de bedding of oevers te verplaatsen of te wijzigen of op enigerlei wijze afbreuk te doen aan hun normale en regelmatige toestand, in het bijzonder door ophogingen, afzettingen of het verwijderen van beplantingen, gras, aarde, modder, zand, grind of andere materialen, zonder toestemming van de het bestuur van de Watering;
3° inbreuk maken op de voorwaarden waaronder deze vergunningen worden verleend;
4° het belemmeren van de normale doorstroming van het water, in het bijzonder door het gooien of storten van voorwerpen van welke aard ook;
5° de oevers of de daarop gevestigde werken op welke wijze ook beschadigen, verlagen of verzwakken, behoudens met de in 1° en 2° bedoelde toestemming;
6° om er te vissen zonder vergunning van het bestuur van de Watering.
"Art. R. 89/13. Met betrekking tot dijken die deel uitmaken van het Wateringdomein, is het verboden :
1° zonder toestemming van het bestuur beplantingen aan te planten of bebouwingen op te richten, permanente of tijdelijke constructies op te richten, bestaande beplantingen, constructies of structuren te verwijderen of te wijzigen;
2° de bedding of oevers te verplaatsen of te wijzigen of op enigerlei wijze afbreuk te doen aan hun normale en regelmatige toestand, in het bijzonder door ophogingen, afzettingen of het verwijderen van beplantingen, gras, aarde, modder, zand, grind of andere materialen, zonder toestemming van het bestuur;
3° dieren te laten grazen of dieren van welke aard ook te laten verblijven zonder toestemming van het bestuur;
4° inbreuk maken op de voorwaarden waaronder deze vergunningen worden verleend;
5° met voertuigen over deze dijken te rijden, tenzij ze daarvoor zijn uitgerust.
Lid 1, 1° tot en met 4°, is van toepassing op wegen die deel uitmaken van het Wateringdomein.
"Art. R. 89/14. Het is verboden om zonder toestemming van het bestuur van de Watering te graven, putten te graven, pompen te plaatsen, drinkbakken te plaatsen binnen een afstand van tien meter van drainage- en irrigatiekanalen en dijken, evenals op land met een ondergronds drainagesysteem, of om deze werken te verwijderen of te wijzigen.
De winning van turf is in het hele gebied van de Watering verboden zonder vergunning van het bestuur van de Watering.
Weiden voor begrazing die langs drainage- en irrigatieroutes en dijken liggen, worden omheind op de manier en op de afstand die door het bestuur zijn voorgeschreven om te voorkomen dat vee er doorheen loopt.
"Art. R. 89/15. Omwonenden, gebruikers en eigenaars van bouwwerken zijn verplicht om voorrang te verlenen aan leden van het bestuur en personeel van de Wateringen, aan de bevoegde ambtenaren die door de regering zijn aangesteld en aan de personen die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden die door de Wateringen zijn opgedragen.
Oeverbewoners, gebruikers en eigenaars van werken moeten toestaan dat materiaal dat verwijderd is uit waterlopen en drainage- of irrigatiekanalen, evenals het materiaal dat nodig is om het werk uit te voeren, op hun land wordt gedeponeerd.
"Art. R. 89/16. Het bestuur van de Watering kan te allen tijde de vergunningen die het krachtens de artikelen R. 89/12 tot en met R. 89/14 heeft verleend, intrekken of de voorwaarden waaronder ze zijn verleend, wijzigen indien de toegestane aanplantingen, constructies of werken schadelijk zijn voor de belangen van de Watering.
Het in lid 1 bedoelde bestuur kan de nodige werkzaamheden voorschrijven om een einde te maken aan de schade of om te voorkomen dat opnieuw schade wordt veroorzaakt door aanplantingen, constructies of werken waarvoor geen vergunning is verleend of die zonder vergunning bestaan.
Onverminderd de sancties waarin artikel R. 89/18 voorziet, kunnen de voorgeschreven werkzaamheden automatisch door de Watering worden uitgevoerd als de eigenaar of gebruiker weigert of nalaat ze uit te voeren. In dit geval wordt de uitgave teruggevorderd van de eigenaar of gebruiker volgens de methode die is vastgesteld voor de terugvordering van belasting ten gunste van de Watering.
"Art. R. 89/17. Tegen beslissingen van het bestuur van de Watering op grond van de artikelen R. 89/12, R. 89/13, R. 89/14 en R. 89/16 kan beroep worden ingesteld bij het provinciecollege. Elk beroep wordt ingediend binnen de twintig dagen van de kennisgeving van de beslissing.
"Art. R. 89/18. Onverminderd de zwaardere straffen waarin het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder de artikelen 549 en 550, voorziet, vallen overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk onder de vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek Ier van het Milieuwetboek. ".
Art. 16. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre VI du Livre II du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre Ier, comportant les articles R. 89/10 Ă  R. 89/18, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE Ier - Dispositions générales
Art. R. 89/10. Considérant que la circonscription de certaines wateringues s'étend sur le territoire de plus d'une province, les autorités provinciales suivantes ont qualité pour intervenir en exécution du Titre VI de la partie décrétale du présent livre : celles de Hainaut pour les wateringues de la Rhosnes, de Kain-Ramegnies-Chin et de Pottes-Escanaffles, celles de LiÚge pour la wateringue des Trois Sarts, celles de Luxembourg pour les wateringues d'Ambly, d'Opont, de Humain, de Bourdon, et de Carlsbourg, et celles de Namur pour les wateringues de Forville, d'Aische-en-Refail, de l'Orneau, du Ry de Jennevaux, de la Ligne, de l'Eau d'Heure et de Telnay.
Art. R. 89/11. Sans préjudice des dispositions du Titre V du présent livre, les cours d'eau non navigables situés dans les circonscriptions des wateringues sont régis par les dispositions suivantes :
1° la demande d'autorisation visée à l'article D. 40 est soumise pour avis à la direction de la wateringue ;
2° pour l'ouverture des écluses, vannes et vantaux, les usagers ou les propriétaires d'ouvrages sont tenus d'obtempérer également aux réquisitions du président de la wateringue ; en cas d'urgence ou lorsque les eaux dépassent la hauteur du clou de jauge ou de tout autre systÚme de repérage, ils sont tenus d'obéir aux injonctions des gardes, des éclusiers et, à défaut de ces agents, du receveur-greffier.
Art. R. 89/12. En ce qui concerne les voies d'assÚchement et d'irrigation, qui ne correspondent pas à un cours d'eau, situées dans la circonscription des wateringues, il est interdit :
1° d'établir, de supprimer ou de modifier aucun pont, écluse, barrage, batardeau et généralement aucun ouvrage permanent ou temporaire sans une autorisation de la direction de la wateringue ;
2° d'en déplacer ou modifier le lit ou les berges ou de préjudicier d'une façon quelconque, notamment par des empiétements, par des dépÎts ou par l'enlÚvement de plantations, de gazon, terre, boue, sable, gravier, ou autres matériaux à leur état normal et régulier sans une autorisation de la direction de la wateringue ;
3° d'enfreindre les conditions mises à l'octroi de ces autorisations ;
4° d'obstruer l'écoulement normal des eaux, notamment en y jetant ou en y déposant des objets quelconques ;
5° de dégrader, d'abaisser ou d'affaiblir de quelque maniÚre que ce soit les berges ou les ouvrages qui y sont établis, sauf l'autorisation prévue aux 1° et 2° ;
6° d'y pratiquer la pĂȘche sans une autorisation de la direction de la wateringue.
Art. R. 89/13. En ce qui concerne les digues faisant partie du domaine des wateringues, il est interdit :
1° d'y faire des plantations ou des constructions, d'y établir aucun ouvrage permanent ou temporaire, de supprimer ou de modifier les plantations, constructions ou ouvrages existants sans une autorisation de la direction ;
2° de les dégrader, abaisser ou affaiblir ou de préjudicier d'une façon quelconque, notamment par des empiétements ou par l'enlÚvement de plantations, gazon, terre, sable, gravier ou autres matériaux, à leur état normal et régulier sans une autorisation de la direction ;
3° d'y faire pùturer ou d'y laisser séjourner des animaux, de quelque espÚce qu'ils soient, sans une autorisation de la direction ;
4° d'enfreindre les conditions mises à l'octroi de ces autorisations ;
5° de passer sur ces digues avec des véhicules, à moins qu'ils ne soient aménagés à cet effet.
L'alinéa 1er, 1° à 4°, est applicable aux chemins faisant partie du domaine des wateringues.
Art. R. 89/14. Il est interdit, sans autorisation de la direction de la wateringue, de pratiquer des fouilles, de creuser des puits, de placer des pompes, d'établir des abreuvoirs à moins de dix mÚtres des voies d'assÚchement et d'irrigation et digues, ainsi que sur les terrains pourvus d'un réseau de drainage souterrain, de supprimer ou de modifier ces ouvrages.
L'extraction de la tourbe est interdite dans toute la circonscription de la wateringue, sans une autorisation de la direction de la wateringue.
Les prairies Ă  pĂąturer situĂ©es le long des voies d'assĂšchement et d'irrigation et digues, sont pourvues d'une clĂŽture Ă©tablie de la façon et Ă  la distance prescrites par la direction en vue d'empĂȘcher tout passage du bĂ©tail.
Art. R. 89/15. Les riverains, les usagers et les propriétaires d'ouvrages sont tenus de livrer passage aux membres de la direction et du personnel de la wateringue, aux fonctionnaires compétents désignés par le Gouvernement, ainsi qu'aux personnes chargées de l'exécution des travaux ordonnés par la wateringue.
Les riverains, les usagers et les propriétaires d'ouvrages laissent déposer sur leurs terrains les matiÚres enlevées des cours d'eau et voies d'assÚchement ou d'irrigation et les matériaux nécessaires pour l'exécution des travaux.
Art. R. 89/16. La direction de la wateringue peut, en tout temps, retirer les autorisations qu'elle a octroyĂ©es en vertu des articles R. 89/12 Ă  R. 89/14, ou en modifier les conditions d'octroi, lorsque les plantations, constructions ou ouvrages autorisĂ©s nuisent aux intĂ©rĂȘts de la wateringue.
La direction visée à l'alinéa 1er peut prescrire les travaux nécessaires pour faire cesser le dommage ou pour prévenir le retour du dommage causé par des plantations, constructions ou ouvrages autorisés ou existants sans autorisation.
Sans prĂ©judice des peines prĂ©vues Ă  l'article R. 89/18, les travaux prescrits peuvent ĂȘtre exĂ©cutĂ©s d'office par la wateringue, si le propriĂ©taire ou l'usager refuse ou nĂ©glige de les exĂ©cuter. Dans ce cas, la dĂ©pense est rĂ©cupĂ©rĂ©e Ă  charge du propriĂ©taire ou de l'usager selon le mode Ă©tabli pour le recouvrement de l'impĂŽt au profit de la wateringue.
Art. R. 89/17. Un recours peut ĂȘtre exercĂ© auprĂšs du CollĂšge provincial contre les dĂ©cisions prises par la direction de la wateringue, en vertu des articles R. 89/12, R. 89/13, R. 89/14 et R. 89/16. Le recours est exercĂ© dans les vingt jours de la notification de la dĂ©cision.
Art. R. 89/18. Sans préjudice des peines plus sévÚres prévues par le Code pénal, notamment les articles 549 et 550, les infractions aux dispositions du présent chapitre relÚvent de la quatriÚme catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'environnement. ".
Art. 17. In het regelgevend gedeelte, deel II, titel VI van boek II van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 89/19 en R. 89/20, luidend als volgt:
"HOOFDSTUK II. - Administratie van de Wateringen
"Art. R. 89/19. De ingenieur belast met de buitendienst van de Directie onbevaarbare Waterlopen, van het Departement Ontwikkeling, Landelijke Aangelegenheden, Waterlopen en Dierenwelzijn van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, bevoegd voor het district waarin het hoofdkantoor van een Watering gelegen is, wordt opgeroepen voor de algemene vergaderingen van deze administraties.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn vervanger is aangewezen om te handelen overeenkomstig de artikelen D. 133/1, D. 134, D. 138, D. 140, D. 142 en D. 143 van dit Boek.
De voorzitters van de Wateringen moeten de in lid 1 bedoelde ambtenaar op de hoogte brengen:
1° van de aanvangsdatum van de werken, behalve bij dringende werken zoals bepaald in artikel D. 134 van dit Boek;
2° van de datum van oplevering van andere werken dan onderhoud en kleine herstellingen.
"Art. R. 89/20. § 1. Het speciale politiereglement voor de Wateringen, goedgekeurd door de Regering, wordt bekendgemaakt in elk van de gemeenten op het grondgebied waarvan de Watering zich uitstrekt. Hiertoe zal de directie van Watering de tekst van de goedgekeurde speciale politiereglementen naar de burgemeesters van deze gemeenten sturen. De bekendmaking gebeurt binnen de twee maanden na deze mededeling door de burgemeesters, door middel van affiches en andere publicatiemiddelen die in deze gemeenten in gebruik zijn.
Van deze publicatie wordt melding gemaakt in het Bestuursmemoriaal van de provincie of, in voorkomend geval, van elk van de provincies op het grondgebied waarvan het gebied van de watering zich uitstrekt.
§ 2. Binnen acht dagen na deze bekendmaking legt het bestuur van de Watering het feit en de datum van publicatie vast in de volgende bewoordingen: "Deze aangifte is ondertekend en gedateerd door de voorzitter van de Watering en door de ontvanger-griffier ingeschreven in het register van de beraadslagingen van het bestuur".
§ 3. Binnen achtenveertig uur na de aangifte stuurt de ontvanger-griffier gewaarmerkte kopieën van het bijzonder politiereglement en de aangifte naar de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg en de vrederechters die territoriaal bevoegd zijn voor het gebied van de Watering. ".
Art. 17. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre VI du Livre II du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre II, comportant les articles R. 89/19 et R. 89/20, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE II - Administration des wateringues
Art. R. 89/19. L'ingĂ©nieur en charge du service extĂ©rieur de la Direction des cours d'eau non navigables, du DĂ©partement du DĂ©veloppement, de la RuralitĂ©, des Cours d'Eau et du Bien-ĂȘtre animal du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, compĂ©tent pour la circonscription dans laquelle est situĂ© le siĂšge d'une wateringue, est convoquĂ© aux assemblĂ©es gĂ©nĂ©rales de ces administrations.
Le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er ou son remplaçant est désigné pour intervenir en exécution des articles D. 133/1, D. 134, D. 138, D. 140, D. 142 et D. 143 du présent livre.
Les présidents des wateringues sont tenus d'aviser le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er :
1° de la date à laquelle les travaux sont entamés, sauf s'il s'agit des travaux urgents prévus à l'article D. 134 du présent livre ;
2° de la date de la réception des travaux autres que ceux d'entretien et de petite réparation.
Art. R. 89/20. § 1er. Les rÚglements de police particuliers des wateringues, approuvés par le Gouvernement, sont publiés dans chacune des communes sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue. A cette fin, la direction de la wateringue communique le texte du rÚglement de police particulier, dûment approuvé, aux bourgmestres de ces communes. La publication est faite, dans les deux mois de cette communication, par les soins des bourgmestres, par voie d'affiches et selon les autres modes de publication en usage dans ces communes.
Mention de cette publication est faite au Mémorial administratif de la province ou, le cas échéant, de chacune des provinces sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue.
§ 2. Dans les huit jours qui suivent cette publication, la direction de la wateringue constate le fait et la date de la publication dans les termes suivants : " Cette déclaration est signée et datée par le président de la wateringue et inscrite par le receveur-greffier dans le registre des délibérations de la direction ".
§ 3. Dans les quarante-huit heures qui suivent la déclaration, des copies conformes du rÚglement de police particulier et de la déclaration sont transmises par le receveur-greffier aux greffes des tribunaux de premiÚre instance et des justices de paix dont la compétence territoriale s'étend à la circonscription de la wateringue. ".
Art. 18. In het regelgevend gedeelte, deel II, titel VI van boek II van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, bestaande uit de artikelen R. 89/21 en R. 89/22, luidend als volgt:
"HOOFDSTUK III - Door Wateringen uit te voeren werkzaamheden
"Art. R. 89/21. § 1. De aangifte, bedoeld in artikel D. 133 van dit Boek, wordt in vier exemplaren opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor de onbevaarbare waterlopen.
§ 2. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt het provinciecollege een kopie van de verklaring naar de beheerder van de betrokken onbevaarbare waterloop en een kopie naar het Departement Natuur en Bossen van het Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu voor een advies over de vraag of aanvullende voorwaarden moeten worden opgelegd. De betrokken beheerder en het Departement Natuur en Bossen sturen hun met redenen omkleed advies binnen de vijftien dagen na de aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Binnen de termijn bepaald in artikel D. 133 van dit Boek stuurt het Provinciecollege de aangever een kopie van de aangifte waaraan het woord " geregistreerd " is toegevoegd Waar nodig zal het Provinciecollege de aangever informeren dat aanvullende uitvoeringsvoorwaarden vereist zijn. In dat geval stuurt hij een kopie van deze voorwaarden op hetzelfde moment dat hij zijn beslissing naar de aangever stuurt.
§ 3. Indien de aangifte niet-ontvankelijk is, zendt het Provinciecollege de aangever binnen de in artikel D. 133 van dit boek gestelde termijn een afschrift van de aangifte met de vermelding "niet-ontvankelijk" toe, samen met een afschrift van de met redenen omklede beslissing die de niet-ontvankelijkheid van de aangifte rechtvaardigt.
"Art. R. 89/22. Het advies van de bevoegde ambtenaar aangeduid in artikel R. 89/19, van het departement Natuur en Bossen van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, en indien van toepassing van de beheerder van de waterloop van de derde categorie, wordt gevraagd voorafgaand aan elke beslissing met betrekking tot de uitvoering van bouw- en verbeteringswerken. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Het advies bevat minstens :
1° de identificatie van de geraadpleegde instantie;
2° de referenties van het project;
3° de naam, voornaam en hoedanigheid van de auteur van het advies;
4° in geval van een gunstig advies, de eventuele aanvullende voorwaarden die onder de bevoegdheid van de geraadpleegde instantie vallen en waaraan de bouw en de exploitatie van de inrichting onderworpen moeten worden;
5° in geval van ongunstig advies, de redenen die het rechtvaardigen. ".
Art. 18. Dans la partie rĂ©glementaire, Partie II, Titre VI du Livre II du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un Chapitre III, comportant les articles R. 89/21 et R. 89/22, rĂ©digĂ© comme suit :
" CHAPITRE III - Travaux à exécuter par les Wateringues
Art. R. 89/21. § 1er. La dĂ©claration visĂ©e Ă  l'article D. 133 du prĂ©sent livre est Ă©tablie en quatre exemplaires au moyen du formulaire arrĂȘtĂ© par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si la dĂ©claration est recevable, le CollĂšge provincial transmet un exemplaire de la dĂ©claration au gestionnaire du cours d'eau non navigable concernĂ© et un exemplaire au DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts de la Direction gĂ©nĂ©rale Agriculture, Ressources naturelles et Environnement pour avis sur l'Ă©ventuelle imposition de conditions complĂ©mentaires d'exĂ©cution. Le gestionnaire concernĂ© et le DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts envoient leur avis motivĂ© dans les quinze jours Ă  dater de leur saisine. A dĂ©faut, l'avis est rĂ©putĂ© favorable.
Le CollĂšge provincial transmet au dĂ©clarant, dans le dĂ©lai prĂ©vu Ă  l'article D. 133 du prĂ©sent livre, un exemplaire de la dĂ©claration sur lequel est ajoutĂ©e la mention " enregistrĂ©e ". Le cas Ă©chĂ©ant, le CollĂšge provincial indique au dĂ©clarant que des conditions complĂ©mentaires d'exĂ©cution sont requises. Dans ce cas, il lui envoie un exemplaire de ces conditions en mĂȘme temps qu'il envoie sa dĂ©cision au dĂ©clarant.
§ 3. Si la déclaration est irrecevable, le CollÚge provincial transmet au déclarant, dans le délai prévu à l'article D. 133 du présent livre, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " non recevable ", auquel il joint une copie de la décision motivée justifiant l'irrecevabilité de la déclaration.
Art. R. 89/22. L'avis du fonctionnaire compĂ©tent dĂ©signĂ© Ă  l'article R. 89/19, du DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, et le cas Ă©chĂ©ant du gestionnaire du cours d'eau de troisiĂšme catĂ©gorie, est demandĂ© prĂ©alablement Ă  toute dĂ©cision relative Ă  l'exĂ©cution de travaux de construction et d'amĂ©lioration. Ces instances envoient leur avis motivĂ© dans les soixante jours Ă  dater de leur saisine. A dĂ©faut, l'avis est rĂ©putĂ© favorable.
L'avis contient au minimum :
1° l'identification de l'instance consultée ;
2° les références du projet ;
3° les nom, prénom et qualité de l'auteur de l'avis ;
4° en cas d'avis favorable, les Ă©ventuelles conditions particuliĂšres qui relĂšvent de la compĂ©tence de l'instance consultĂ©e, et auxquelles devrait ĂȘtre soumise l'autorisation ;
5° en cas d'avis défavorable, les motifs qui le justifient. ".
Art. 20. In artikel R. 277, § 2, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "van de weg" ingevoegd tussen de woorden "op het openbaar domein" en de woorden "worden gecontroleerd door de gemeente".
Art. 20. A l'article R. 277, § 2, du mĂȘme Code, les mots " de la voirie " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " sur le domaine public " et les mots " , sont rĂ©alisĂ©s sous le contrĂŽle de la commune ".
Art. 21. In hetzelfde Wetboek worden de bijlagen LVIII en LIX ingevoegd, die als bijlagen 1 tot 2 bij dit besluit gaan.
Art. 21. Dans le mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© les annexes LVIII et LIX, qui sont jointes en annexes 1 Ă  2au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 22. In artikel 4 van het besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 24 maart 2005, worden de woorden "Met uitzondering van de artikelen 32 tot en met 52, 55 tot en met 155, 423 tot en met 429, 441 en 442 van het decreetgevende deel van Boek II van het Milieuwetboek zoals bepaald bij artikel 1, evenals artikel 2, 1° en 2°, " opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 3 mars 2005 relatif au Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 24 mars 2005, les mots " A l'exception des articles 32 Ă  52, 55 Ă  155, 423 Ă  429, 441 et 442, de la partie dĂ©crĂ©tale du livre II du Code de l'environnement, telle que prĂ©vue par l'article 1er ainsi que l'article 2, 1° et 2°, " sont abrogĂ©s.
Art. 23. Artikel R.114, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 5 december 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 27 mei 2009, 5 februari 2015 en 23 juni 2016, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 23. L'article R.114, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 5 dĂ©cembre 2008 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement wallon des 27 mai 2009, 5 fĂ©vrier 2015 et 23 juin 2016, du mĂȘme Code est abrogĂ©.
Art. 24. De artikelen R.142bis en 142quater, ingevoegd bij het besluit van de Waalse regering van 17 oktober 2013, van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.
Art. 24. Les articles R.142bis et 142quater, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 octobre 2013, du mĂȘme Code sont abrogĂ©s.
Art. 25. Bijlage XIXbis, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 17 oktober 2013, van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.
Art. 25. L'annexe XIXbis, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 octobre 2013, du mĂȘme Code est abrogĂ©e.
HOOFDSTUK 4. Wijziging in het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden "Art. 26. In bijlage 2 bij het besluit van de Waalse Regering 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, laatst vervangen bij het besluit van 27 februari 2003, worden de woorden "overeenkomstig hoofdstuk IV van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen " vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel D.43, § 1 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. ".
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă  la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage " Art. 26. Dans l'article 5, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă  la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du 27 fĂ©vrier 2003, les mots " au chapitre IV de la loi du 28 dĂ©cembre 1967 sur les cours d'eau non navigables. " sont remplacĂ©s par les mots " Ă  l'article D.43, § 1er, du Livre II, du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau. ".
HOOFDSTUK 5. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires et finales
Art. 27. De vóór de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen voor milieuvergunning, globale vergunning en geïntegreerde vergunning alsmede de desbetreffende administratieve beroepen worden behandeld volgens de regels van kracht op de datum van indiening van bovenvermelde aanvraag.
Art. 27. Les demandes de permis d'environnement, de permis unique et de permis intĂ©grĂ© introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ainsi que les recours administratifs sont traitĂ©s selon les rĂšgles en vigueur au jour de l'introduction de la demande.
Art. 28. Worden opgeheven:
1° het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen;
2° het koninklijk besluit van 16 juli 1959 - Wateringen waarvan het gebied zich over meer dan een provincie uitstrekt.- Aanwijzing van de bevoegde provinciale overheden;
3° het koninklijk besluit van 20 november 1959 tot vaststelling van de wijze van bekendmaking van de bijzondere politiereglementen van de polders en van de Wateringen;
4° het koninklijk besluit van 9 mei 1960 houdende aanwijzing van de ambtenaren bevoegd ter uitvoering van de wetten betreffende de polders en de Wateringen;
5° het koninklijk besluit van 26 maart 1968 betreffende de inwerkingtreding van de wet van 28 november 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
6° het koninklijk besluit van 29 november 1968 houdende vaststelling van de procedure bij de onderzoeken de commodo et incommodo, voorgeschreven door de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2007`;
7° het koninklijk besluit van 30 september 1969 houdende bepaling van de punten vanaf waar de onbevaarbare waterlopen in de eerste categorie gerangschikt zijn, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 14 oktober 1988;
8° het Ministerieel besluit van 16 juni 1970 waarbij de bevoegdheid van de onderscheiden provinciën wordt bepaald inzake het uitvoeren van ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken aan de waterlopen of gedeelten van waterlopen van de tweede categorie die de grens tussen twee provinciën vormen;
9° het Koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 17 oktober 2013;
10° het Ministerieel besluit van 17 oktober 1970 houdende aanwijzing van de ambtenaren van het Rijk en van de provinciën, die het recht hebben de bij de artikelen 20 en 23 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen bedoelde overtredingen op te sporen en bij middel van processen-verbaal vast te stellen, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 december 1992.;
11° het koninklijk besluit van 29 mei 1973 tot vrijstelling van het grondgebied van sommige gemeenten van de toepassing van artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement op de onbevaarbare waterlopen;
12° het koninklijk besluit van 24 januari 1974 tot vrijstelling van het grondgebied van sommige gemeenten van de toepassing van artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement op de onbevaarbare waterlopen;
13° het ministerieel besluit van 28 maart 1977 betreffende het overleg inzake werken aan onbevaarbare waterlopen in het Waalse gewest;
Gelet op de omzendbrief nr. 71 van 6 augustus 1993 - Advies van de Afdeling Natuur en Bossen betreffende werken uitgevoerd of toegelaten door de Afdeling Water op onbevaarbare waterlopen van categorie 1;
15° het besluit van de Waalse Regering van 17 oktober 2013 houdende verplichting om de weidegronden gelegen langs de waterlopen te omheinen en houdende wijziging van verscheidene bepalingen.
16° de omzendbrief nr. 71 van 6 augustus 1993 - Advies van de Afdeling Natuur en Bossen betreffende werken uitgevoerd of toegelaten door de Afdeling Water op onbevaarbare waterlopen van categorie 1;
Art. 28. Sont abrogés :
1° l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1958 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral de police des polders et des wateringues ;
2° l'arrĂȘtĂ© royal du 16 juillet 1959 - Wateringues situĂ©es sur le territoire de plus d'une province - DĂ©signation des autoritĂ©s provinciales compĂ©tentes ;
3° l'arrĂȘtĂ© royal du 20 novembre 1959 dĂ©terminant les formes de la publication des rĂšglements de police particuliers des polders et des wateringues ;
4° l'arrĂȘtĂ© royal du 9 mai 1960 portant dĂ©signation des fonctionnaires compĂ©tents pour l'exĂ©cution des lois relatives aux polders et aux wateringues.
5° l'arrĂȘtĂ© royal du 26 mars 1968 relatif Ă  la mise en vigueur de la loi du 28 novembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
6° l'arrĂȘtĂ© royal du 29 novembre 1968 fixant la procĂ©dure des enquĂȘtes de commodo et incommodo et des recours prĂ©vus par la loi du 28 dĂ©cembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 20 dĂ©cembre 2007 ;
7° l'arrĂȘtĂ© royal du 30 septembre 1969 dĂ©terminant les points Ă  partir desquels les cours d'eau non navigables sont classĂ©s en premiĂšre catĂ©gorie, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 14 octobre 1988 ;
8° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 16 juin 1970 fixant la compĂ©tence des provinces respectives en matiĂšre d'exĂ©cution de travaux de curage, d'entretien et de rĂ©paration Ă  faire aux cours d'eau ou parties de cours d'eau de deuxiĂšme catĂ©gorie qui forment la limite de deux provinces ;
9° l'arrĂȘtĂ© royal du 5 aoĂ»t 1970 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral de police des cours d'eau non navigables, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 octobre 2013 ;
10° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 17 octobre 1970 dĂ©signant les fonctionnaires de l'Etat et des provinces qui ont le droit de rechercher et de constater par des procĂšs-verbaux les infractions visĂ©es aux articles 20 et 23 de la loi du 28 dĂ©cembre 1967, relative aux cours d'eau non navigables, modifiĂ© en dernier par l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif rĂ©gional wallon du 23 dĂ©cembre 1992 ;
11° l'arrĂȘtĂ© royal du 29 mai 1973 soustrayant le territoire de certaines communes Ă  l'application de l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 aoĂ»t 1970 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral de police des cours d'eau non navigables ;
12° l'arrĂȘtĂ© royal du 24 janvier 1974 soustrayant le territoire de certaines communes Ă  l'application de l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 aoĂ»t 1970 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral de police des cours d'eau non navigables ;
13° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 28 mars 1977 relatif Ă  la concertation en matiĂšre de travaux dans les cours d'eau non navigables dans la RĂ©gion wallonne du pays ;
14° la circulaire n° 71 du 6 aoĂ»t 1993 - Avis de la Division de la Nature et des ForĂȘts concernant les travaux exĂ©cutĂ©s ou autorisĂ©s par la Division de l'Eau sur les cours d'eau non navigables de 1Ăšre catĂ©gorie ;
15° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 octobre 2013 organisant l'obligation de clĂŽturer les terres pĂąturĂ©es situĂ©es en bordure des cours d'eau et modifiant diverses dispositions ;
16° la circulaire n° 71 du 6 aoĂ»t 1993 - Avis de la Division de la Nature et des ForĂȘts concernant les travaux exĂ©cutĂ©s ou autorisĂ©s par la Division de l'Eau sur les cours d'eau non navigables de 1Ăšre catĂ©gorie.
Art. 29. Dit besluit treedt in werking 10 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 29. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur 10 jours aprĂšs sa publication au Moniteur belge.
Art. 30. De Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 30. Le ministre qui a les cours d'eau non navigables dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlage.
Art. N. Annexe.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-11-2024, p. 127562)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-11-2024, p. 127505)