Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
6 SEPTEMBER 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Titre
6 SEPTEMBRE 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune
Documentinformatie
Numac: 2024008956
Datum: 2024-09-06
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024008956
Date: 2024-09-06
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° In punt 10°, b), wordt de zinsnede "of de GLMC-norm 8, vermeld in bijlage III bij verordening (EU) 2021/2115" opgeheven;
  2° In punt 12° wordt de zin "Als de bufferstroken of akkerranden kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende teelt, mogen ze worden begraasd of gemaaid." opgeheven;
  3° Er wordt een punt 20/1° ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "groenbedekker: gewas dat ingezaaid wordt met als hoofddoel de bodem bedekt te houden in de periode na de oogst van de hoofdteelt;".
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au point 10°, b), le membre de phrase " ou à la norme BCAE 8 figurant à l'annexe III du règlement (UE) 2021/2115 " est abrogé ;
  2° Au point 12°, la phrase " Si les bandes tampons ou les bordures de champ peuvent être distingués de la culture adjacente, ils peuvent être pâturés ou fauchés. " est abrogé ;
  3° Il est inséré un point 20° /1, rédigé comme suit :
  " couvert végétal : culture semée dans le but principal de maintenir le sol couvert dans la période après la récolte de la culture principale ; ".
Art. 2. In artikel 5, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "ii) en iii)" vervangen door de zinsnede "en ii)".
Art. 2. Dans l'article 5, alinéa 1er, 2°, du même arrêté, le membre de phrase " ii) et iii) " est remplacé par le membre de phrase " et ii) ".
Art. 3. Aan hoofdstuk 4, afdeling 1, van hetzelfde besluit wordt een artikel 49/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 49/1. De minister kan tijdelijke afwijkingen toestaan van de termijnen en perioden, vermeld in afdeling 2 als weersomstandigheden landbouwers in een bepaald jaar beletten aan die vereisten te voldoen.".
Art. 3. Au chapitre 4, section 1re, du même arrêté, il est inséré un article 49/1, rédigé comme suit :
  " Art. 49/1. Le ministre peut accorder des dérogations temporaires aux délais et périodes visés à la section 2 si les conditions météorologiques empêchent les agriculteurs de satisfaire à ces exigences au cours d'une année déterminée. ".
Art. 4. Artikel 58 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 58. De landbouwer neemt op minstens 80% van het totale bouwlandareaal van het bedrijf een van de volgende maatregelen en houdt die minstens aan vanaf 1 december van het jaar N tot en met 31 januari van het jaar N+1:
  1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien. Tot aan de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of nateelt worden de stoppels en de opslag behouden of blijven de plantenresten aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen;
  2° de stoppels en de opslag behouden na de oogst van de hoofdteelt;
  3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen na de oogst van de hoofdteelt;
  4° de teelt behouden tijdens de winter.
  Op percelen met een zware bodemtextuur, namelijk met een klei- of leembodem, is winterploegen toegestaan vanaf 15 oktober op andere kleibodems dan deze gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen, vermeld in het Koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd door de Koninklijke besluiten van 15 juli 1953, 8 maart 1968 en 15 februari 1974, en vanaf 1 december op leembodems. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende acties te ondernemen:
  1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien;
  2° de stoppels en de opslag behouden;
  3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen.
  Percelen op kleibodems die in de landbouwstreek Polders en Duinen liggen, zoals vastgelegd in het Koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.
  Op percelen met een hoge en zeer hoge erosiegevoeligheid gelden de volgende verplichtingen in het kader van het basispakket, vermeld in bijlage 1 en 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, in combinatie met de verplichtingen op basis van de norm voor minimale bodembedekking, vermeld in het eerste en tweede lid:
  1° als de hoofdteelt vóór 15 oktober geoogst wordt, wordt er een groenbedekker of een nateelt ingezaaid vóór 1 december. Tot aan de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de nateelt worden de stoppels en de opslag behouden of blijven de plantenresten aan de oppervlakte liggen;
  2° als de hoofdteelt na 15 oktober geoogst wordt, wordt minstens een van de volgende maatregelen toegepast:
  a) een groenbedekker of een andere teelt wordt vóór 1 december ingezaaid, waarbij tot de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de andere teelt de stoppels en de opslag behouden worden of de plantenresten aan de oppervlakte blijven liggen;
  b) bij teelt van korrelmaïs, spruiten of andere koolsoorten: de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen tot de inzaai van de volgende teelt;
  c) winterploegen wordt toegepast op percelen met een leem- of een kleibodem, op basis van de bodemkaart of een bodemstaal. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende maatregelen te nemen:
  1) na de oogst van de hoofdteelt een groenbedekker inzaaien;
  2) de stoppels en de opslag behouden;
  3) de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen;
  3° als de hoofdteelt niet geoogst is op 1 december, minstens een van de volgende maatregelen nemen:
  a) tot de inzaai van de volgende teelt de teelt of de plantenresten behouden;
  b) winterploegen toepassen op percelen met een leem- of een kleibodem. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door de stoppels te behouden en de plantenresten te laten liggen.".
Art. 4. L'article 58 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 58. L'agriculteur prend l'une des mesures suivantes sur au moins 80 % de la surface totale des terres arables de l'entreprise et la maintient au moins du 1er décembre de l'année N au 31 janvier de l'année N+1 :
  1° semer un couvert végétal ou une culture successive. Jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de la culture successive, les chaumes et le stockage sont conservés ou les résidus végétaux sont laissés à la surface pour couvrir le sol ;
  2° conserver les chaumes et le stockage après la récolte de la culture principale ;
  3° laisser les résidus végétaux à la surface pour couvrir le sol après la récolte de la culture principale ;
  4° conserver la culture pendant l'hiver.
  Sur les parcelles dont la texture du sol est lourde, à savoir un sol argileux ou limoneux, le labourage d'hiver est autorisé à partir du 15 octobre sur des sols argileux autre que ceux situés dans la région agricole Polders et Dunes, visée à l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1953, 8 mars 1968 et 15 février 1974, et à partir du 1er décembre sur les sols limoneux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
  1° semer un couvert végétal ou une culture successive ;
  2° conserver les chaumes et le stockage ;
  3° laisser les résidus végétaux à la surface pour couvrir le sol.
  Les parcelles aux sols argileux situées dans la région agricole Polders et Dunes, telle que définie dans l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, sont exemptées de l'obligation visée à l'alinéa 1er.
  Sur les parcelles à vulnérabilité à l'érosion élevée et très élevée, les obligations suivantes s'appliquent dans le cadre du paquet de base, visé aux annexes 1re et 2 jointes au présent arrêté, en combinaison avec les obligations basées sur la norme de couverture minimale du sol, visées aux alinéas 1er et 2 :
  1° si la culture principale est récoltée avant le 15 octobre, un couvert végétal ou une culture successive est semé avant le 1er décembre. Jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de la culture successive, les chaumes et le stockage sont conservés ou les résidus végétaux sont laissés à la surface ;
  2° si la culture principale est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes est appliquée :
  a) un couvert végétal ou une autre culture est semé avant le 1er décembre, les chaumes et le stockage étant conservés ou les résidus végétaux étant laissés à la surface jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de l'autre culture ;
  b) en cas de culture de maïs à grain, choux de Bruxelles ou autres choux : laisser les résidus végétaux à la surface jusqu'au semis de la culture suivante ;
  c) le labourage d'hiver est appliqué aux parcelles aux sols limoneux ou argileux, sur la base de la carte des sols ou d'un échantillon de sol. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
  1) semer un couvert végétal après la récolte de la culture principale ;
  2) conserver les chaumes et le stockage ;
  3) laisser les résidus végétaux à la surface ;
  3° si la culture principale n'est pas récoltée avant le 1er décembre, prendre au moins l'une des mesures suivantes :
  a) conserver les résidus de culture ou de plantes jusqu'au semis de la culture suivante ;
  b) appliquer le labourage d'hiver à des parcelles aux sols limoneux et argileux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en conservant les chaumes et en laissant les résidus végétaux. ".
Art. 5. Aan artikel 59, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° het bouwlandareaal bedraagt niet meer dan 10 hectare.".
Art. 5. L'article 59, alinéa 1er, du même arrêté, est complété par un point 3° rédigé comme suit :
  " 3° les terres arables ne dépassent pas 10 hectares. ".
Art. 6. In artikel 60 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De landbouwer voldoet aan de norm voor gewasrotatie door een van de volgende maatregelen toe te passen:
  1° op perceelsniveau, met uitzondering van het areaal met meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land, gewasrotatie toepassen door een van de volgende maatregelen te nemen:
  a) een andere hoofdteelt telen dan het voorgaande jaar;
  b) na de hoofdteelt van het voorgaande jaar een nateelt aanhouden die minstens twaalf weken op het perceel aanwezig blijft en die tot een andere gewassoort behoort dan de hoofdteelt van het jaar in kwestie;
  2° gewasdiversificatie toepassen door de volgende minimumvereisten in acht te nemen:
  a) als de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan 10 en niet meer dan 30 hectare bedraagt, worden op het bouwland van dat bedrijf ten minste twee verschillende hoofdteelten geteeld, waarbij de omvangrijkste teelt niet meer dan 75% van dat bouwland bestrijkt;
  b) als de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan 30 hectare bedraagt, worden op het bouwland van dat bedrijf ten minste drie verschillende hoofdteelten geteeld, waarbij de omvangrijkste teelt niet meer dan 75 percent van dat bouwland bestrijkt en de twee omvangrijkste teelten samen niet meer dan 95% van dat bouwland bestrijken."
  2° in paragraaf 1, derde lid, 3°, worden de woorden "op een zandbodem" geschrapt;
  3° aan paragraaf 1, derde lid, worden punt 4° en een punt 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "4° percelen met aardbeien;
  5° percelen voor forcerie van witloof.";
  4° in paragraaf 1 worden het vierde tot en met achtste lid, vervangen door wat volgt:
  "De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen een gewasrotatie wil toepassen die afwijkt van de bepalingen in paragraaf 1, eerste lid, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde entiteit.
  Een aanvraag als vermeld in het vierde lid, bevat al de volgende gegevens:
  1° de voor- en achternaam of de benaming van de aanvrager;
  2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
  3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
  4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met vermelding van de bepalingen van het eerste lid waarvan de aanvrager wil afwijken.
  De aanvrager dient een aanvraag als vermeld in het vierde lid, in bij de bevoegde entiteit minimaal dertig werkdagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen. Als voormelde aanvraag conform het vijfde lid onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
  De bevoegde entiteit kan voor een aanvraag als vermeld in het vierde lid de toelating geven om van de bepalingen in het eerste lid af te wijken en beslist binnen twintig werkdagen nadat ze de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt conform het zesde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf de dag waarop de bevoegde entiteit de bijkomende gegevens ontvangt."
Art. 6. A l'article 60 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'agriculteur répond à la norme de rotation des cultures en appliquant l'une des mesures suivantes :
  1° appliquer la rotation des cultures au niveau de la parcelle, à l'exclusion des superficies couvertes de cultures pérennes, des herbes et autres plantes fourragères herbacées ou des jachères, en prenant l'une des mesures suivantes:
  a) cultiver une culture principale différente de celle de l'année précédente;
  b) maintenir après la culture principale de l'année précédente une culture successive qui reste sur la parcelle pendant au moins douze semaines et qui appartient à une espèce végétale différente de la culture principale de l'année en question ;
  2° appliquer la diversification des cultures en respectant les exigences minimales suivantes :
  a) lorsque la superficie des terres arables d'une entreprise est supérieure à 10 hectares et inférieure à 30 hectares, au moins deux cultures principales différentes sont cultivées sur les terres arables de cette entreprise, la culture la plus vaste ne dépassant pas 75 % de ces terres arables ;
  b) lorsque la superficie des terres arables d'une entreprise est supérieure à 30 hectares, au moins trois cultures principales différentes sont cultivées sur les terres arables de cette entreprise. La culture la plus vaste ne dépasse pas 75 % de ces terres arables et les deux cultures les plus vastes ensemble ne dépassent pas 95 % de ces terres arables. "
  2° au paragraphe 1er, alinéa 3, 3°, les mots " sur un sol sablonneux " sont abrogés ;
  3° le paragraphe 1er, alinéa 3, est complété par les points 4° et 5° rédigés comme suit :
  " 4° parcelles avec fraises ;
  5° parcelles pour forçage de chicons. " ;
  4° au paragraphe 1er, les alinéas 4 à 8 sont remplacés par ce qui suit :
  " L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer une rotation des cultures qui déroge aux dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, doit introduire une demande motivée auprès de l'entité compétente à cet effet.
  Une demande telle que visée à l'alinéa 4 comprend toutes les données suivantes :
  1° les prénom et nom ou la dénomination du demandeur ;
  2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir la dérogation ;
  3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
  4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec mention des dispositions de l'alinéa 1er auxquelles le demandeur veut déroger.
  Le demandeur introduit une demande telle que visée à l'alinéa 4 auprès de l'entité compétente au minimum trente jours ouvrables avant le début de la période pour laquelle le demandeur veut obtenir la dérogation. Lorsque la demande précitée est incomplète ou comprend insuffisamment d'informations conformément à l'alinéa 5, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
  Pour une demande telle que visée à l'alinéa 4, l'entité compétente peut autoriser une dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après avoir reçu la demande précitée. Lorsque l'entité compétente demande des informations complémentaires conformément à l'alinéa 6, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir du jour auquel l'entité compétente reçoit les informations complémentaires. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 62, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024;
  2° artikel 63;
  3° artikel 64, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2024;
  4° artikel 65, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024.
Art. 7. Dans le même arrêté, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 62, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024 ;
  2° l'article 63 ;
  3° l'article 64, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mars 2024 ;
  4° l'article 65, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024.
Art. 8. Aan artikel 69 van hetzelfde besluit worden een tweede lid en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Landbouwers zijn vrijgesteld van het ploegverbod, vermeld in het eerste lid, om schade die werd aangebracht door wilde dieren of invasieve soorten aan ecologisch kwetsbaar blijvend grasland te herstellen, onverminderd de bepalingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en zijn uitvoeringsbesluiten.
  Indien de landbouwer gebruik wenst te maken van de vrijstelling, vermeld in het tweede lid, meldt hij dit aan de bevoegde entiteit vooraleer over te gaan tot het herstel. De minister kan bepalen welke documenten of bewijsstukken deze melding moet omvatten."
Art. 8. L'article 69 du même arrêté est complété par des alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
  " Les agriculteurs sont exemptés de l'interdiction de labour visée à l'alinéa 1er pour réparer les dommages aux prairies permanentes écologiquement sensibles causés par des animaux sauvages ou des espèces invasives, sans préjudice des dispositions du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel et de ses arrêtés d'exécution.
  Si l'agriculteur souhaite bénéficier de l'exemption visée à l'alinéa 2, il en informe l'entité compétente avant de procéder à la réparation. Le ministre peut déterminer les documents ou pièces justificatives à joindre à cette notification. ".
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van artikel 1, 3° en artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2024, en artikel 4, derde lid, dat uitwerking heeft met ingang van 20 augustus 2024.
Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2025, à l'exception de l'article 1er, 3° et de l'article 4, alinéas 1er, 2 et 4, qui produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2024, et de l'article 4, alinéa 3, qui produit ses effets à partir du 20 août 2024.
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10. Le ministre flamand qui a l'agriculture dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.