Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 JULI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de uitbreiding van de procedure bij het Handhavingscollege, en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 1, artikel 105 tot en met 116 en artikel 138 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023
Titre
5 JUILLET 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procédure devant certaines juridictions administratives flamandes, en ce qui concerne l'extension de la procédure au Collège de maintien, et définissant l'entrée en vigueur de l'article 1er, des articles 105 à 116 et de l'article 138 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023
Documentinformatie
Numac: 2024008006
Datum: 2024-07-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024008006
Date: 2024-07-05
Moniteur: Voir
Tekst (39)
Texte (39)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procédure devant certaines juridictions administratives flamandes
Artikel 1. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021, 29 oktober 2021, 12 mei 2023 en 5 juli 2024, worden een punt 15° en een punt 16° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "15° bestuurlijk sanctieregister: het register, vermeld in artikel 77, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  16° maatregelenregister: het register, vermeld in artikel 81, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.".
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procédure devant certaines juridictions administratives flamandes, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 5 février 2021, du 29 octobre 2021, du 12 mai 2023 et du 5 juillet 2024, il est inséré un point 15° et un point 16°, rédigés comme suit :
  " 15° registre des sanctions administratives : le registre, mentionné à l'article 77, alinéa 1er, du décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  16° registre des mesures : le registre, mentionné à l'article 81, alinéa 1er, du décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. ".
Art. 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid," wordt geschrapt;
  2° de zinsnede "het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013," wordt geschrapt;
  3° de zinsnede "het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid," wordt geschrapt;
  4° tussen de zinsnede "het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017" en de woorden "en dit besluit" wordt de zinsnede ", het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023" ingevoegd.
Art. 2. A l'article 4 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juillet 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, " est supprimé ;
  2° le membre de phrase " au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, " est supprimé ;
  3° le membre de phrase " au décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale, " est supprimé ;
  4° entre le membre de phrase " le décret flamand sur les expropriations du 24 février 2017 " et les mots " et cet arrêté ", le membre de phrase " , le décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 " est inséré.
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt tussen de woorden "het omgevingsloket" en de woorden "of de Databank Hoger Onderwijs" de zinsnede ", het bestuurlijk sanctieregister, het maatregelenregister" ingevoegd;
  2° in paragraaf 3 wordt tussen het tweede en derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de beroepen, vermeld in artikel 25, wordt het verlenen van toegang tot het bestuurlijk sanctieregister en het maatregelenregister aan het College als de indiening van het administratief dossier beschouwd. In dat geval bevat het administratief dossier, in afwijking van het tweede lid, geen inventaris.".
Art. 3. A l'article 8 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juillet 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 4, le membre de phrase " , le registre des sanctions administratives, le registre des mesures " est inséré entre les mots " le guichet environnement " et les mots " ou la base de données de l'Enseignement supérieur " ;
  2° dans le paragraphe 3, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour les recours visés à l'article 25, l'octroi au Collège de l'accès au registre des sanctions administratives et au registre des mesures est considéré comme l'introduction du dossier administratif. Dans ce cas, par dérogation à l'alinéa 2, le dossier administratif ne contient pas d'inventaire. ".
Art. 4. In artikel 19, tweede lid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021, wordt tussen de woorden "als vermeld in" en de zinsnede "artikel 59" de zinsnede "artikel 26/2 en" ingevoegd.
Art. 4. A l'article 19, alinéa 2, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 29 octobre 2021, entre les mots " telle que visée à l' " et le membre de phrase " article 59 ", le membre de phrase " article 26/2 et à l' " est inséré.
Art. 5. In artikel 20, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de woorden "Bij de betekening conform" en de zinsnede "artikel 59/3, eerste en tweede lid, van dit besluit" wordt de zinsnede "artikel 26/3, eerste en tweede lid, en" ingevoegd;
  2° de zinsnede "artikel 31/1, § 4, tweede lid, van het decreet" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 31/1, § 4, eerste lid, van het decreet".
Art. 5. A l'article 20, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° entre les mots " Lors de la notification conformément à " et le membre de phrase " l'article 59/3, premier et deuxième alinéas du présent arrêté ", le membre de phrase " l'article 26/3, alinéas 1er et 2, et " est inséré ;
  2° le membre de phrase " article 31/1, § 4, deuxième alinéa du décret " est remplacé par le membre de phrase " article 31/1, § 4, alinéa 1er du décret ".
Art. 6. In artikel 20/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt tussen de zinsnede "artikel 21, § 7," en de woorden "van het decreet" de zinsnede "en artikel 31/1, § 5," ingevoegd;
  2° in paragraaf 2 wordt tussen de woorden "als vermeld in" en de zinsnede "artikel 59/2" de zinsnede "artikel 26/2 of" ingevoegd en wordt tussen de woorden "als de vordering tot vernietiging met toepassing van" en de zinsnede "artikel 71" de zinsnede "artikel 26/19 of" ingevoegd.
Art. 6. Dans l'article 20/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, entre le membre de phrase " article 21, § 7, " et les mots " du décret ", le membre de phrase " et l'article 31/1, § 5, " est inséré ;
  2° au paragraphe 2, il est inséré le membre de phrase " l'article 26/2 ou " entre les mots " telle que visée à " et le membre de phrase " l'article 59/2 ", et il est inséré le membre de phrase " l'article 26/19 ou " entre les mots " si la demande en annulation en application de " et le membre de phrase " l'article 71 ".
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van deel 2 vervangen door wat volgt:
  "Deel 2. Beroepen bij het Handhavingscollege".
Art. 7. Dans le même arrêté, l'intitulé de la partie 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Partie 2. Recours auprès du Collège de maintien ".
Art. 8. Artikel 25 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 25. Dit deel is van toepassing op de beroepen, vermeld in artikel 42, 46, 55, 68, 74 en 96, zesde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.".
Art. 8. L'article 25 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 25. Cette partie s'applique aux recours, mentionnés aux articles 42, 46, 55, 68, 74 et 96, alinéa 6, du décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. ".
Art. 9. In deel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt voor afdeling 1, die afdeling 1/1 wordt, een nieuwe afdeling 1, die bestaat uit artikel 25/1 tot en met 25/4, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1. Het verzoekschrift
  Art. 25/1. Met behoud van de toepassing van artikel 15, bevat het verzoekschrift, naargelang van het geval, het opschrift:
  1° "verzoek tot vernietiging";
  2° "verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing";
  3° "verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid";
  4° "vordering tot schorsing";
  5° "vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid".
  In de gevallen 2° tot en met 5° wordt het opschrift in voorkomend geval aangevuld met "en een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen".
  Art. 25/2. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 15 bevat het verzoekschrift:
  1° een omschrijving van het belang van de verzoeker;
  2° in geval van een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing hoogdringend is;
  3° in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is;
  4° als de verzoeker dat kent, het rolnummer waaronder het beroep is ingeschreven waarvan de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het accessorium vormt.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 15 bevat het verzoekschrift, in geval van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, ook:
  1° de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen;
  2° de uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, veilig te stellen.
  Art. 25/3. Met behoud van de toepassing van artikel 16 voegt de verzoeker, in voorkomend geval, bij het verzoekschrift de overtuigingsstukken die aantonen dat:
  1° de schorsing hoogdringend is;
  2° de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is;
  3° het verzoekschrift tijdig werd ingediend.
  Art. 25/4. Met behoud van de toepassing van artikel 19, betekent de griffier met een beveiligde zending een afschrift van het verzoekschrift aan de personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als ze kunnen worden bepaald op basis van het verzoekschrift en de bijkomende overtuigingsstukken.".
Art. 9. Dans la partie 2, chapitre 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 octobre 2015, 21 avril 2017 et 29 octobre 2021, il est ajouté pour la section 1re, qui devient la section 1/1, une nouvelle section 1re, composée des articles 25/1 à 25/4, rédigée comme suit :
  " Section 1re. La requête
  Art. 25/1. Sans préjudice de l'application de l'article 15, la requête comprend, selon le cas, la mention :
  1° " requête en annulation " ;
  2° " requête en annulation avec demande de suspension " ;
  3° " requête en annulation avec demande de suspension d'extrême urgence " ;
  4° " demande de suspension " ;
  5° " demande de suspension d'extrême urgence ".
  Dans les cas 2° à 5°, la mention est le cas échéant complétée par " et une demande d'ordonnance de mesures provisoires ".
  Art. 25/2. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 15, la requête comprend :
  1° une description de l'intérêt du demandeur ;
  2° en cas de demande de suspension d'urgence, un exposé des raisons qui démontrent que la suspension est urgente ;
  3° en cas de demande de suspension d'extrême urgence, un exposé des raisons qui démontrent que la suspension est extrêmement urgente ;
  4° si le demandeur le connaît, le numéro de rôle sous lequel le recours est inscrit, dont la demande de suspension d'urgence ou la demande de suspension d'extrême urgence forme l'accessoire.
  § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 15, la demande comprend aussi, en cas de requête en ordonnance de mesures provisoires :
  1° la description des mesures provisoires demandées ;
  2° l'exposé des faits établissant que les mesures provisoires sont nécessaires afin de sauvegarder les intérêts de la partie qui les sollicite ;
  Art. 25/3. Sans préjudice de l'application de l'article 16, le demandeur joint le cas échéant à la requête les pièces à conviction qui démontrent que :
  1° la suspension est urgente ;
  2° la suspension est extrêmement urgente ;
  3° la requête a été introduite dans les temps.
  Art. 25/4. Sans préjudice de l'application de l'article 19, le greffier signifie par un envoi sécurisé une copie de la requête aux personnes visées à l'article 31/0 du décret, si elles peuvent être définies sur la base de la requête et des pièces à conviction supplémentaires. ".
Art. 10. Artikel 25/4 van hetzelfde besluit, zoals ingevoegd bij artikel 9, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 25/4. De griffier betekent met een beveiligde zending een afschrift van het verzoekschrift aan:
  1° de verweerder;
  2° de personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als ze kunnen worden bepaald op basis van het verzoekschrift en de bijkomende overtuigingsstukken.
  Als het verzoekschrift een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid bevat, betekent de griffier het afschrift binnen een ordetermijn van twintig dagen, die ingaat de dag na de dag waarop de griffie het verzoekschrift heeft ontvangen. Die ordetermijn geldt niet in een verkorte procedure als vermeld in artikel 26/2.".
Art. 10. L'article 25/4 du même arrêté, tel qu'inséré par l'article 9, est remplacé par ce qui suit :
  " L'art. 25/4. Le greffier signifie à l'aide d'un envoi sécurisé une copie de la requête aux personnes suivantes :
  1° le défendeur ;
  2° les personnes mentionnées à l'article 31/0 du décret si elles peuvent être définies sur la base de la requête et des pièces à conviction supplémentaires.
  Si la demande contient une action en suspension d'urgence, le greffier signifie la copie dans un délai d'ordre de vingt jours, qui commence à courir le lendemain du jour où le greffe a reçu la requête. Ce délai d'ordre ne s'applique pas dans une procédure abrégée telle que visée à l'article 26/2. ".
Art. 11. In artikel 26 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wanneer een verzoekschrift een vordering tot schorsing, als vermeld in artikel 40, § 1, van het decreet, en een vordering tot vernietiging bevat, kan een verkorte procedure worden toegepast op deze vorderingen gezamenlijk of op een van de vorderingen afzonderlijk.";
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 27" vervangen door de zinsnede "artikel 26/6, eerste lid, en artikel 27, eerste lid,".
Art. 11. A l'article 26 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
  " Lorsqu'une demande comprend une action en suspension, telle que visée à l'article 40, § 1er, du décret, et une demande d'annulation, une procédure abrégée peut être appliquée à ces demandes conjointement ou à l'une d'entre elles séparément. " ;
  2° au paragraphe 2, le membre de phrase " l'article 27 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 26/6, alinéa 1er, et l'article 27, alinéa 1er, ".
Art. 12. Aan artikel 26/1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 19 en artikel 25/4 zijn niet van toepassing op de behandeling volgens de vereenvoudigde procedure.".
Art. 12. A l'article 26/1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Les articles 19 et 25/4 ne s'appliquent pas au traitement selon la procédure simplifiée. ".
Art. 13. Artikel 26/1, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit, zoals ingevoegd bij artikel 12, wordt vervangen door wat volgt:
  "Artikel 25/4 is niet van toepassing op de behandeling volgens de vereenvoudigde procedure.".
Art. 13. L'article 26/1, § 2, alinéa 3 du même arrêté, tel qu'inséré par l'article 12, est remplacé par ce qui suit :
  " L'article 25/4 ne s'applique pas au traitement selon la procédure simplifiée. ".
Art. 14. In artikel 26/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt een punt 3/1° ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "3/1° de namen van een of meer personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer van die personen op te roepen;";
  2° in paragraaf 1, 4°, wordt tussen de woorden "waarbinnen partijen" en de woorden "een nota" de zinsnede "en de personen vermeld in punt 3/1° " ingevoegd;
  3° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "en de personen vermeld in het eerste lid, 3/1° " toegevoegd;
  4° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 4°, bezorgt elke partij en persoon vermeld in het eerste lid, 3/1°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de personen vermeld in het eerste lid, 3/1°. ";
  5° in paragraaf 2, eerste lid, wordt tussen de woorden "de partijen" en de woorden "neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter" de zinsnede "en de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3/1°, " ingevoegd.
Art. 14. A l'article 26/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 3/1°, rédigé comme suit :
  " 3/1° les noms d'une ou de plusieurs personnes mentionnées à l'article 31/0 du décret, si le président du Collège ou le juge administratif désigné par celui-ci a décidé de convoquer une ou plusieurs de ces personnes ; " ;
  2° au paragraphe 1er, 4°, entre les mots " dans lesquelles les parties " et les mots " peuvent introduire une note ", le membre de phrase " et les personnes mentionnées au point 3/1° " est inséré ;
  3° au paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " et les personnes mentionnées à l'alinéa 1er, 3/1° " est ajouté ;
  4° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " En même temps que l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 4°, chaque partie et personne mentionnées à l'alinéa 1er, 3/1°, remet une copie de cette note aux autres parties et aux personnes mentionnées à l'alinéa 1er, 3/1°. ".
  5° au paragraphe 2, alinéa 1er, entre le membre de phrase " les parties, " et les mots " le président du Collège ou le juge administratif désigné par lui ", le membre de phrase " et les personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3/1°, " est inséré.
Art. 15. In deel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt een afdeling 1/2, die bestaat uit artikel 26/3 tot en met 26/5, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1/2. Tussenkomst
  Art. 26/3. De griffier stelt de personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als ze kunnen worden bepaald, in de mogelijkheid om tussen te komen.
  De griffier deelt mee voor welke vordering het mogelijk is om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen, rekening houdend met de stand van de zaak.
  Een persoon als vermeld in artikel 31/0 van het decreet, die niet de mogelijkheid heeft gekregen om tussen te komen, kan alsnog tussenkomen als dat de procedure niet vertraagt.
  Art. 26/4. De tussenkomende partij of haar raadsman dagtekent en ondertekent de schriftelijke uiteenzetting, vermeld in artikel 26/3, tweede lid.
  De schriftelijke uiteenzetting bevat minstens al de volgende gegevens:
  1° het opschrift "Schriftelijke uiteenzetting";
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de tussenkomende partij, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de vordering ingeschreven is, als dat gekend is;
  4° een omschrijving van het belang van de tussenkomende partij;
  5° een inventaris van de overtuigingsstukken.
  De tussenkomende partij voegt bij haar schriftelijke uiteenzetting:
  1° als ze een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is: een afschrift van haar geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van haar organen, en ook het bewijs dat het orgaan dat daarvoor bevoegd is, beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van haar raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en die conform die inventaris genummerd zijn.
  Art. 26/5. In de volgende gevallen stelt de griffier de tussenkomende partij in staat om haar schriftelijke uiteenzetting te regulariseren:
  1° de stukken, vermeld in artikel 26/4, derde lid, 1°, zijn in voorkomend geval niet bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegd;
  2° de schriftelijke uiteenzetting is niet ondertekend door de tussenkomende partij of haar raadsman;
  3° de schriftelijke uiteenzetting bevat geen woonplaatskeuze in België als vermeld in artikel 7, § 1;
  4° de schriftelijke uiteenzetting vermeldt het rolnummer van de vordering niet of bevat geen verklaring dat de tussenkomende partij het rolnummer niet kent;
  5° de schriftelijke volmacht, vermeld in artikel 26/4, derde lid, 2°, is niet bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegd;
  6° de stukken, vermeld in artikel 26/4, derde lid, 3°, zijn niet bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegd;
  7° de inventaris van de overtuigingsstukken, die conform die inventaris genummerd zijn, is niet bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegd.
  De griffier stelt, in voorkomend geval, de tussenkomende partij in staat om de vormvereisten, vermeld in het eerste lid, te regulariseren binnen een vervaltermijn van acht dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het verzoek tot regularisatie.
  De tussenkomende partij die haar schriftelijke uiteenzetting tijdig regulariseert, wordt geacht die te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending of neerlegging van de schriftelijke uiteenzetting.
  Een schriftelijke uiteenzetting die niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.".
Art. 15. Dans la partie 2, chapitre 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 octobre 2015, 21 avril 2017 et 29 octobre 2021, il est ajouté une section 1/2, composée des articles 26/3 à 26/5, rédigée comme suit :
  " Section 1/2. Intervention
  Art. 26/3. Le greffier offre aux personnes visées à l'article 31/0 du décret, pour autant qu'elles puissent être déterminées, la possibilité d'intervenir.
  Le greffier communique pour quelle demande un exposé écrit peut être introduit, compte tenu de l'état de l'affaire.
  Une personne telle que mentionnée à l'article 31/0 du décret, qui n'a pas eu la possibilité d'intervenir, peut encore intervenir si cela ne retarde pas la procédure.
  Art. 26/4. La partie intervenante ou son conseil signe et date l'exposé écrit visé à l'article 26/3, alinéa 2.
  L'exposé écrit comprend au moins toutes les données suivantes :
  1° l'intitulé " Exposé écrit " ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siège de la partie intervenante, le domicile élu en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° s'il est connu, le numéro de rôle sous lequel la demande est inscrite ;
  4° une description de l'intérêt de la partie intervenante ;
  5° un inventaire des pièces à conviction.
  La partie intervenante joint à son exposé écrit :
  1° s'il s'agit d'une personne morale et qu'elle n'a pas de conseil qui soit un avocat : une copie de ses statuts coordonnés en vigueur et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que la preuve que l'organe compétent a décidé d'ester en justice ;
  2° la procuration écrite de son conseil, si ce dernier n'est pas un avocat ;
  3° les pièces à conviction mentionnées dans l'inventaire et numérotées conformément à cet inventaire.
  Art. 26/5. Dans les cas suivants, le greffier donne à la partie intervenante la possibilité de régulariser son exposé écrit :
  1° les pièces visées à l'article 26/4, alinéa 3, 1° n'ont pas été jointes à l'exposé écrit, le cas échéant ;
  2° l'exposé écrit n'a pas été signé par la partie intervenante ou son conseil ;
  3° l'exposé écrit n'indique pas le domicile élu en Belgique, tel que visé à l'article 7, § 1er ;
  4° l'exposé écrit n'indique pas le numéro de rôle ou ne contient pas de déclaration indiquant que la partie intervenante ne connaît pas le numéro de rôle ;
  5° la procuration écrite, visée à l'article 26/4, alinéa 3, 2° n'a pas été jointe à l'exposé écrit ;
  6° les pièces visées à l'article 26/4, alinéa 3, 3° n'ont pas été jointes à l'exposé écrit ;
  7° l'inventaire des pièces à conviction, numérotées conformément à cet inventaire, n'a pas été joint à l'exposé écrit.
  Le greffier offre, le cas échéant, à la partie intervenante la possibilité de régulariser les exigences de forme, visées à l'alinéa 1er, dans un délai d'échéance de huit jours qui prend cours le lendemain de la notification de la demande en régularisation.
  La partie intervenante qui régularise son exposé écrit dans ce délai, est censée l'avoir introduit à la date du premier envoi ou dépôt de l'exposé écrit.
  Un exposé écrit qui n'est pas régularisé ou qui est régularisé de manière incomplète ou tardive, est censé ne pas avoir été introduit. ".
Art. 16. In deel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt een afdeling 1/3, die bestaat uit artikel 26/6 tot en met 26/21, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1/3. Schorsing
  Onderafdeling 1. - Schorsing bij hoogdringendheid
  Art. 26/6. De verweerder dient een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing in binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat na de betekening van de brief waarin de griffier de verweerder in de mogelijkheid stelt een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing in te dienen.
  Binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, dient de verweerder het administratief dossier in, als het nog niet is ingediend.
  Als de verweerder niet binnen die termijn, vermeld in het eerste lid, het administratief dossier indient, maant de griffier de verweerder aan om daartoe vooralsnog over te gaan binnen een door de griffier bepaalde termijn. Als de verweerder hieraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn.
  Art. 26/7. Een schriftelijke uiteenzetting over de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt ingediend binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier, conform artikel 26/3, tweede lid, de mogelijkheid geeft om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.
  Als een verzoekschrift een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid én een vordering tot vernietiging bevat, deelt de persoon vermeld in artikel 31/0 van het decreet, binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, mee in welke vorderingen hij wil tussenkomen.
  Art. 26/8. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt behandeld. Die zitting vindt plaats binnen een ordetermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag nadat het dossier in staat is;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
  Uiterlijk zeven dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in het eerste lid, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  Tegelijkertijd bezorgt de griffier de volgende stukken:
  1° de nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing aan de verzoeker en aan de tussenkomende partijen;
  2° in voorkomend geval, de schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing aan de verzoeker, de verweerder en de andere tussenkomende partijen.
  Onderafdeling 2. - Schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  Art. 26/9. Artikel 17, § 2, derde tot en met vijfde lid, artikel 25/4, 26, 26/1, 26/2 en 26/5 zijn niet van toepassing op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  Art. 26/10. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer van die personen op te roepen.
  De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift onmiddellijk aan de partijen en aan de personen vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van tevoren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt de nota tegelijkertijd aan de partijen en aan de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  Een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De tussenkomende partij bezorgt de schriftelijke uiteenzetting tegelijkertijd aan de partijen en aan de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  Art. 26/11. § 1. Als de schorsing op verzoek bij wijze van voorlopige maatregel wordt bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord, bepaalt de kamer, in afwijking van artikel 26/10, in het arrest waarbij de voorlopige schorsing wordt bevolen:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer personen vermeld in artikel 31/0 van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer van die personen op te roepen.
  De griffier betekent het arrest en een afschrift van het verzoekschrift onmiddellijk aan de partijen en aan de personen vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van te voren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van het arrest, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt tegelijkertijd de nota aan de partijen en aan de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  Een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend vanaf de dag na de betekening van het arrest, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De tussenkomende partij bezorgt de schriftelijke uiteenzetting tegelijkertijd aan de partijen en aan de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  Onderafdeling 3. - Zitting
  Art. 26/12. De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend. Hij leidt de zitting. De griffier stelt een proces-verbaal van de zitting op, dat hij samen met de kamervoorzitter ondertekent.
  De kamervoorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.
  Art. 26/13. De partij die aannemelijk maakt dat ze de taal van de rechtspleging onvoldoende beheerst, kan zich ter zitting laten bijstaan door een vertaler-tolk. Daarvan maakt de griffier een proces-verbaal op.
  De kamervoorzitter duidt de vertaler-tolk aan uit de lijst van de beëdigde vertalers-tolken die ter beschikking ligt op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel.
  De kosten van de vertaler-tolk zijn ten laste van het College.
  Onderafdeling 4. - Arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  Art. 26/14. Binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de sluiting van de debatten, spreekt de kamer waarbij een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid aanhangig is, een arrest uit.
  Het arrest wordt met redenen omkleed, overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het decreet, en vermeldt de volgende gegevens:
  1° de namen van de partijen, de door hen gekozen woonplaats en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die de partijen bijstaat of vertegenwoordigt;
  2° de oproeping van partijen, van hun raadsmannen, alsook hun eventuele aanwezigheid op de zitting;
  3° de datum van de uitspraak en de namen van de bestuursrechters die erover hebben beraadslaagd.
  De kamer kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.
  Art. 26/15. De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkend gedeelte van het arrest, het volgende uitvoeringsformulier aan:
  "De ministers en de besturen, ieder wat hen betreft, zorgen voor de uitvoering van dit arrest.".
  Art. 26/16. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing met toepassing van deze afdeling, aan de partijen.
  Onderafdeling 5. - Verzoek tot voortzetting
  Art. 26/17. Als het College de vordering tot schorsing heeft ingewilligd met toepassing van deze afdeling, kan de verweerder of tussenkomende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Als er geen verzoek tot voortzetting wordt ingediend, kan het College volgens de versnelde rechtspleging, vermeld in onderafdeling 6, de bestreden beslissing vernietigen.
  Als het College de vordering tot schorsing heeft verworpen, kan de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Als de verzoeker geen verzoek tot voortzetting indient, geldt ten aanzien van hem een vermoeden van afstand van geding.
  De termijn van dertig dagen gaat in de dag na de betekening van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de schorsing.
  Art. 26/18. De griffier betekent het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging aan de andere partijen.
  Als een vervaltermijn voor het indienen van een nota in het kader van de vordering tot vernietiging werd gestuit conform artikel 40, § 10, van het decreet, deelt de griffier, gelijktijdig met de betekening van het verzoek tot voortzetting, aan de partijen van wie de vervaltermijn werd gestuit, mee dat de vervaltermijn opnieuw aanvang neemt vanaf de dag na de betekening van het verzoek tot voortzetting.
  Onderafdeling 6. - Versnelde rechtspleging
  Art. 26/19. Als het College de vordering tot schorsing heeft ingewilligd met toepassing van deze afdeling en de verweerder of de tussenkomende partij binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 26/17, eerste lid, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend, deelt de griffier de partijen met een beveiligde zending mee dat de kamer uitspraak zal doen over de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing.
  De verweerder of de tussenkomende partij beschikt over een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de mededeling bij beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, om te vragen te worden gehoord.
  Als geen van die partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer de bestreden beslissing onmiddellijk vernietigen.
  Als een partij vraagt te worden gehoord, roept de kamervoorzitter de partijen bij beschikking, als vermeld in artikel 41, § 1, op om spoedig te verschijnen.
  Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de bestreden beslissing onmiddellijk vernietigen of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.".
  Art. 26/20. § 1. Als het College de vordering tot schorsing, met toepassing van deze afdeling, heeft verworpen en de verzoeker binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 26/17, tweede lid, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend, deelt de griffier de partijen met een beveiligde zending mee dat de kamer ten aanzien van de verzoeker de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening vraagt te worden gehoord.
  § 2. Als de verzoeker niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
  Als de verzoeker vraagt te worden gehoord, roept de kamervoorzitter de partijen bij beschikking, als vermeld in artikel 41, § 1, op om spoedig te verschijnen.
  Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de afstand van geding uitspreken of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.
  § 3. Als verschillende verzoekers gemeenschappelijk een verzoekschrift tot schorsing, met toepassing van deze afdeling, hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging maar door sommige van de verzoekers wordt ingediend, worden de overige verzoekers geacht afstand te doen van geding. De kamer doet uitspraak over de afstand van degenen die geen verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend in het arrest over de vordering tot vernietiging.".
  Onderafdeling 7. - Opheffing van de schorsing of van voorlopige maatregelen
  Art. 26/21. § 1. De vordering tot opheffing wordt bij verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en door een partij of door de raadsman van die partij ondertekend.
  Het verzoekschrift bevat:
  1° de opgave van het arrest waarin de schorsing of de voorlopige maatregelen werden bevolen;
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot opheffing, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° een uiteenzetting van de nieuwe feiten of de veranderde omstandigheden waaruit blijkt dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd zijn;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken.
  De verzoeker tot opheffing voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  § 2. De kamervoorzitter kan bij beschikking vaststellen dat er zich nieuwe feiten voordoen of dat de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd lijken te zijn.
  § 3. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de opheffing van de schorsing of van de voorlopige maatregelen wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van de overtuigingsstukken;
  3° de termijn waarbinnen partijen een nota kunnen indienen over de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1, of over de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2.
  De griffier betekent de beschikking aan de partijen en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee. In geval van toepassing van paragraaf 1 bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift tot opheffing van de schorsing of voorlopige maatregelen aan de overige partijen.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 3°, bezorgt elke partij een afschrift van de nota aan de overige partijen.
  § 4. Als de verzoeker tot opheffing niet verschijnt en evenmin vertegenwoordigd is op de zitting, wordt zijn vordering afgewezen.
  De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1.
  § 5. De partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2.".
Art. 16. Dans la partie 2, chapitre 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 octobre 2015, 21 avril 2017 et 29 octobre 2021, il est ajouté une section 1/3, composée des articles 26/6 à 26/21, rédigée comme suit : Section 1/3. Suspension
  {/chap}Sous-section 1re. - Suspension d'urgence
  {Art. 26/6. Le défendeur présente une note d'observation sur la suspension requise dans un délai d'échéance de vingt jours, qui commence à courir après la signification de la lettre dans laquelle le greffier donne au défendeur la possibilité de présenter une note d'observation sur la suspension requise.
  Dans le délai mentionné à l'alinéa 1er, le défendeur présente le dossier administratif, si cela n'a pas encore été fait.
  Si le défendeur n'introduit pas le dossier administratif dans ce délai, mentionné à l'alinéa 1er, le greffier somme le défendeur de le faire dans un délai défini par le greffier. Si le défendeur n'y donne pas suite, les faits cités par le demandeur sont réputés avérés, sauf si lesdits faits sont manifestement faux.
  Art. 26/7. Un exposé écrit sur la demande en suspension d'urgence est présenté dans un délai d'échéance de vingt jours, qui commence à courir le lendemain de la signification de la lettre dans laquelle le greffier, conformément à l'article 26/3, alinéa 2, donne la possibilité de présenter un exposé écrit.
  Lorsqu'une requête contient à la fois une demande en suspension d'urgence et une demande en annulation, la personne visée à l'article 31/0 du décret indique, dans le délai visé à l'alinéa 1er, dans quelles demandes elle entend intervenir.
  Art. 26/8. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la séance durant laquelle la demande en suspension sera traitée. Cette séance a lieu dans un délai d'ordre de vingt jours, qui commence à courir le lendemain de la mise en état du dossier ;
  2° le délai dans lequel le dossier administratif et les pièces à conviction peuvent être consultés au greffe.
  Au plus tard sept jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties par écrit du contenu de la disposition, mentionnée à l'alinéa 1er, et le greffier leur communique la composition de la chambre compétente.
  Le greffier remet en même temps les pièces suivantes :
  1° la note avec les remarques sur la suspension demandée au demandeur et aux parties intervenantes ;
  2° le cas échéant, l'exposé écrit sur la suspension demandée au demandeur, au défendeur et aux autres parties intervenantes.
  Sous-section 2 - Suspension d'extrême urgence
  Art. 26/9. L'article 17, § 2, alinéas 3 à 5, articles 25/4, 26, 26/1, 26/2 et 26/5 ne s'appliquent pas à la demande en suspension d'extrême urgence.
  Art. 26/10. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et l'heure de la séance lors de laquelle la demande en suspension d'extrême urgence sera traitée, éventuellement à son hôtel, y compris les jours fériés et de jour en jour ou d'heure à heure ;
  2° le délai dans lequel le dossier administratif et les pièces à conviction peuvent être consultés au greffe ;
  3° les noms d'une ou plusieurs personnes mentionnées à l'article 31/0 du décret, si la chambre a décidé de convoquer une ou plusieurs de ces personnes.
  Le greffier notifie la disposition et une copie de la requête immédiatement aux parties et aux personnes mentionnées à l'alinéa 1er, 3°, et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 2. Le défendeur introduit immédiatement le dossier administratif, s'il n'a pas encore été introduit. Si le défendeur n'a pas transmis le dossier administratif antérieurement, il le remet à la séance au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties de le consulter.
  § 3. Le défendeur peut introduire une note avec des remarques sur la suspension requise d'extrême urgence à partir du lendemain de la signification de la disposition, visée au paragraphe 1er, et au plus tard au début de la séance lors de laquelle la requête en suspension d'extrême urgence est traitée. Le défendeur remet la note en même temps aux parties et aux personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°.
  Un exposé écrit sur la suspension requise d'extrême urgence est introduit à partir du lendemain de la signification de la disposition, visée au paragraphe 1er, et au plus tard au début de la séance lors de laquelle la demande en suspension d'extrême urgence est traitée. La partie intervenante transmet l'exposé écrit en même temps aux parties et aux personnes, visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°.
  Art. 26/11. § 1er. Si la suspension est ordonnée sur demande par le biais d'une mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles soient entendues, la chambre détermine, en dérogation à l'article 26/10, dans l'arrêt par lequel la suspension provisoire est ordonnée :
  1° le lieu, le jour et l'heure de la séance lors de laquelle la confirmation de la suspension d'extrême urgence sera traitée, éventuellement à son hôtel, y compris les jours fériés et de jour en jour ou d'heure à heure ;
  2° le délai dans lequel le dossier administratif et les pièces à conviction peuvent être consultés au greffe ;
  3° les noms d'une ou plusieurs personnes mentionnées à l'article 31/0 du décret, si la chambre a décidé de convoquer une ou plusieurs de ces personnes.
  Le greffier notifie l'arrêt et une copie de la requête immédiatement aux parties et aux personnes mentionnées à l'alinéa 1er, 3°, et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 2. Le défendeur introduit immédiatement le dossier administratif, s'il n'a pas encore été introduit. Si le défendeur n'a pas transmis le dossier administratif antérieurement, il le remet à la séance au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties de le consulter.
  § 3. Le défendeur peut introduire une note avec des remarques sur la suspension requise d'extrême urgence à partir du lendemain de la signification de l'arrêt, visée au paragraphe 1er, et au plus tard au début de la séance lors de laquelle la confirmation de la suspension d'extrême urgence est traitée. Le défendeur remet en même temps la note aux parties et aux personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°.
  Un exposé écrit sur la suspension requise d'extrême urgence est introduit à partir du lendemain de la signification de l'arrêt, visé au paragraphe 1er, et au plus tard au début de la séance lors de laquelle la confirmation de la suspension d'extrême urgence est traitée. La partie intervenante transmet l'exposé écrit en même temps aux parties et aux personnes, visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°.
  Sous-section 3. - Séance
  Art. 26/12. Le président de la chambre déclare la séance ouverte. Il préside la séance. Le greffier établit un procès-verbal de la séance, qu'il signe avec le président de la chambre.
  Le président de la chambre déclare les débats clos et prend l'affaire en délibéré.
  Art. 26/13. La partie qui rend plausible qu'elle maîtrise insuffisamment la langue de la procédure peut se faire assister lors de la séance par un traducteur-interprète. Le greffier en établit un procès-verbal.
  Le président de la chambre désigne le traducteur-interprète parmi la liste des traducteurs-interprètes assermentés qui est à disposition au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles.
  Les frais du traducteur-interprète sont à charge du Collège.
  Sous-section 4. - Arrêt par lequel le prononcé est fait quant à la demande de suspension d'urgence ou la demande de suspension d'extrême urgence
  Art. 26/14. Dans un délai d'ordre de trente jours qui prend cours le lendemain de la clôture des débats, la chambre saisie de la requête en suspension d'extrême urgence rend un arrêt.
  L'arrêt est dûment motivé, conformément à l'article 32, alinéa 2, du décret, et mentionne les données suivantes :
  1° les noms des parties, le domicile qu'elles ont élu et, le cas échéant, le nom et la qualité de la personne qui assiste ou représente les parties ;
  2° la convocation des parties, de leurs conseils, ainsi que leur éventuelle présence lors de la séance ;
  3° la date du prononcé et les noms des juges administratifs qui en ont délibéré.
  La chambre peut ordonner l'exécution immédiate de l'arrêt.
  Art. 26/15. Le greffier appose sur la publication, après la partie dispositive de l'arrêt, la formule exécutoire suivante :
  " Les ministres et les administrations, chacun en ce qui les concerne, assurent l'exécution du présent arrêt. ".
  Art. 26/16. Le greffier envoie immédiatement aux parties une copie de l'arrêt qui statue sur la demande de suspension en application de la présente section.
  Sous-section 5. - Demande de poursuite
  Art. 26/17. Si le Collège a accédé à la demande en suspension en application de cette section, le défendeur ou la partie intervenante peut introduire une demande en poursuite de la procédure dans un délai de trente jours. Si aucune demande de poursuite n'est introduite, le Collège peut, conformément à la procédure accélérée mentionnée à la sous-section 6, annuler la décision contestée.
  Si le Collège a rejeté la demande en suspension, le demandeur peut introduire une demande en poursuite dans un délai de trente jours. Si le demandeur n'introduit pas de demande en poursuite, une présomption de désistement d'instance s'applique à son égard.
  Le délai de trente jours entre en vigueur le lendemain de la signification de l'arrêt se prononçant sur la suspension.
  Art. 26/18. Le greffier signifie la demande de poursuite de la procédure introduite aux autres parties.
  Si un délai d'introduction d'une note dans le cadre de la demande en annulation a été interrompu conformément à l'article 40, § 10 du décret, le greffier informe les parties dont le délai a été interrompu, en même temps que la signification de la demande de poursuite, que le délai recommencera à courir à partir du lendemain de la signification de la demande de poursuite.
  Sous-section 6. - Procédure accélérée
  Art. 26/19. Si le Collège a accédé à la demande en suspension en application de la présente section et que le défendeur ou la partie intervenante n'a pas introduit de demande de poursuite de la procédure dans le délai, mentionné à l'article 26/17, alinéa 1er, le greffier informe les parties par le biais d'un envoi sécurisé que la chambre se prononcera sur la demande en annulation de la décision contestée.
  Le défendeur ou la partie intervenante dispose d'un délai de quinze jours, qui entre en vigueur le lendemain de la communication par envoi sécurisé, mentionnée à l'alinéa 1er, pour demander à être entendu.
  Si aucune de ces parties ne demande à être entendue, la chambre peut immédiatement annuler la décision contestée.
  Si une partie demande à être entendue, le président de la chambre convoque les parties à comparaître à bref délai par ordonnance, comme stipulé à l'article 41, § 1er.
  Une fois que les parties ont été entendues, la chambre peut immédiatement annuler la décision contestée ou décider que la procédure est poursuivie. ".
  Art. 26/20. § 1er. Si le Collège a rejeté la demande en suspension, en application de la présente section, et que le demandeur n'a pas introduit de demande de poursuite de la procédure dans le délai, mentionné à l'article 26/17, alinéa 2, le greffier informe les parties par le biais d'un envoi sécurisé que la chambre prononcera vis-à-vis du demandeur le désistement d'instance, à moins que le demandeur demande dans un délai de quinze jours, qui commence à courir le jour de la signification, à être entendu.
  § 2. Si le demandeur ne demande pas à être entendu, la chambre prononce le désistement d'instance.
  Si le demandeur demande à être entendu, le président de la chambre convoque les parties à comparaître à bref délai par ordonnance, comme stipulé à l'article 41, § 1er.
  Une fois que les parties ont été entendues, la chambre peut prononcer le désistement d'instance ou décider que la procédure est poursuivie.
  § 3. Si plusieurs demandeurs ont introduit conjointement une demande en suspension, en application de la présente section, et qu'une demande en poursuite de la procédure n'est introduite que par certains des demandeurs, les autres demandeurs sont réputés s'être désistés de l'instance. La chambre se prononce sur le désistement des parties qui n'ont pas introduit de demande de poursuite de la procédure dans l'arrêt sur la demande d'annulation. ".
  Sous-section 7. - Levée de la suspension ou des mesures provisoires
  Art. 26/21. § 1er. La demande d'annulation est introduite par requête. La requête est datée et signée par une partie ou par le conseil de celle-ci.
  La requête comprend :
  1° la mention de l'arrêt ordonnant la suspension ou les mesures provisoires ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siège du demandeur d'annulation, le domicile élu en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° un exposé des nouveaux faits ou des circonstances modifiées attestant que la suspension ou les mesures provisoires ne sont plus justifiées ;
  4° un inventaire des pièces à conviction.
  Le demandeur de l'annulation joint à la requête :
  1° s'il est une personne morale et qu'il n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts coordonnés en vigueur, ainsi que de l'acte de désignation de ses organes, et la preuve que l'organe compétent a décidé d'ester en justice ;
  2° la procuration écrite de son conseil, si ce dernier n'est pas un avocat ;
  3° les pièces à conviction mentionnées dans l'inventaire et numérotées conformément à cet inventaire.
  § 2. Le président de la chambre peut fixer par disposition que de nouveaux faits se présentent ou que les circonstances ont changé de manière telle que la suspension ou les mesures provisoires ne semblent plus être justifiées.
  § 3. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et l'heure de la séance traitant de l'annulation de la suspension ou des mesures provisoires ;
  2° le délai dans lequel les pièces à conviction peuvent être consultées au greffe ;
  3° le délai dans lequel les parties peuvent introduire une note sur la demande en annulation, mentionnée au paragraphe 1er, ou sur les constats du président de la chambre, mentionnés au paragraphe 2.
  Le greffier signifie la décision aux parties et leur communique la composition de la chambre compétente. En cas d'application du paragraphe 1er, le greffier remet une copie de la requête en annulation de la suspension ou des mesures provisoires aux autres parties.
  En même temps que l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 3°, chaque partie remet une copie de la note aux autres parties.
  § 4. Si le demandeur en annulation ne comparaît pas et n'est pas représenté à la séance, la demande est rejetée.
  Les autres parties qui ne sont ni présentes ni représentées sont réputées accepter la demande en annulation visée au paragraphe 1er.
  § 5. Les parties qui ne sont ni présentes ni représentées sont réputées accepter les constats du président de la chambre visés au paragraphe 2. ".
Art. 17. In artikel 27, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt de zinsnede "het afschrift van het verzoekschrift, vermeld in artikel 19, 1° " vervangen door de zinsnede "de brief waarin de griffier de verweerder in de mogelijkheid stelt een antwoordnota in te dienen".
Art. 17. A l'article 27, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 21 avril 2017 et du 29 octobre 2021, le membre de phrase " de la copie de la requête, visée à l'article 19, 1° " est remplacé par les mots " du courrier dans lequel le greffier offre au défendeur l'occasion d'introduire une note de réponse ".
Art. 18. In deel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt een sectie 1/1, die bestaat uit artikel 27/1, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Sectie 1/1. De schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij
  Art. 27/1. Een schriftelijke uiteenzetting en eventuele geïnventariseerde overtuigingsstukken over de vordering tot vernietiging worden ingediend binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier, conform artikel 26/3, tweede lid, de mogelijkheid geeft om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.".
Art. 18. Dans la partie 2, chapitre 2, section 2, sous-section 1re, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 21 avril 2017 et 29 octobre 2021, il est ajouté une section 1/1, composée des articles 27/1, rédigée comme suit :
  " Section 1/1. L'exposé écrit de la partie intervenante :
  Art. 27/1. Un exposé écrit et toute pièce justificative inventoriée sur la requête en annulation sont présentés dans un délai d'échéance de quarante-cinq jours, qui commence à courir le lendemain de la signification de la lettre dans laquelle le greffier, conformément à l'article 26/3, alinéa 2, donne la possibilité de présenter un exposé écrit. ".
Art. 19. Aan artikel 28 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Tegelijkertijd bezorgt de griffier, in voorkomend geval, een afschrift van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij aan de verzoeker.".
Art. 19. A l'article 28 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
  " En même temps le greffier transmet, le cas échéant, une copie de l'exposé écrit de la partie intervenante au demandeur. ".
Art. 20. Aan artikel 29, derde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  "of, in voorkomend geval, op de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij.".
Art. 20. L'article 29, alinéa 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, est complété par le membre de phrase suivant :
  " ou, le cas échéant, dans l'exposé écrit de la partie intervenante. ".
Art. 21. Aan artikel 30 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt de zinsnede "en de tussenkomende partij." toegevoegd.
Art. 21. L'article 30 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, est complété par les mots " et à la partie intervenante. ".
Art. 22. In artikel 45, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan" vervangen door de woorden "de datum van de uitspraak".
Art. 22. A l'article 45, 3°, du même arrêté, le membre de phrase " le prononcé en séance publique, sa date " est remplacé par les mots " la date du prononcé ".
Art. 23. In deel 2, hoofdstuk 2, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015 en 21 april 2017, wordt een onderafdeling 3, die bestaat uit artikel 51/1 en 51/2, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 3. Hervatting van het geding
  Art. 51/1. Zolang geen verzoek tot hervatting van het geding is ingediend conform artikel 51/2, blijft het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin ze is opgetreden, zonder gevolg voor de behandeling van de zaak.
  Art. 51/2. § 1. De rechtsopvolger van een partij kan, vóór de sluiting van de debatten, het geding hervatten bij een verzoekschrift dat ondertekend is door de rechtsopvolger of zijn raadsman.
  Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
  1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  2° de redenen waarom het geding wordt hervat;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de zaak is ingeschreven, als hij dat kent;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken, die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  De verzoeker tot hervatting voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en waaruit de hoedanigheid van de rechtsopvolger blijkt.
  De griffier bezorgt een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen.
  § 2. De vroeger neergelegde processtukken worden geacht te blijven gelden.".
Art. 23. Dans la partie 2, chapitre 2, section 3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 octobre 2015 et 21 avril 2017, il est ajouté une sous-section 3, composée des articles 51/1 et 51/2, rédigée comme suit :
  " Sous-section 3. Reprise d'instance
  Art. 51/1. Tant qu'aucune requête de reprise de l'instance n'est introduite conformément à l'article 51/2, le décès d'une partie, son changement d'état ou la modification de la qualité dans laquelle elle est intervenue, reste sans conséquence pour le traitement de l'affaire.
  Art. 51/2. § 1er. Le successeur d'une partie peut, avant la clôture des débats, reprendre l'instance par une requête qui est signée par le successeur ou son conseil.
  La requête est datée et comprend :
  1° le nom, la qualité, le domicile ou le siège du demandeur, le domicile élu en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  2° les raisons pour lesquelles l'instance est reprise ;
  3° la mention du numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il le connaît ;
  4° un inventaire des pièces à conviction, numérotées conformément à cet inventaire.
  Le demandeur de la reprise joint à la requête :
  1° s'il est une personne morale et qu'il n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts coordonnés en vigueur, ainsi que de l'acte de désignation de ses organes, et la preuve que l'organe compétent a décidé d'ester en justice ;
  2° la procuration écrite de son conseil, si ce dernier n'est pas un avocat ;
  3° les pièces à conviction qui sont mentionnées dans l'inventaire et attestant de la qualité du successeur.
  Le greffier remet aux parties une copie de la requête.
  § 2. Les actes de procédure déposés antérieurement sont réputés toujours valables. ".
Art. 24. In deel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, 21 april 2017 en 29 oktober 2021, wordt een afdeling 3/1, die bestaat uit artikel 51/3, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 3/1. Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
  Art. 51/3. Als de kamer vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest waarmee uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging daarvoor een zitting op een nabije datum.
  Het arrest dat de geldboete oplegt, geldt in elk geval als op tegenspraak gewezen.
  De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep, aan de partijen. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep is opgelegd.
  De bedragen die verschuldigd zijn overeenkomstig dit artikel, worden vijfjaarlijks op 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.".
Art. 24. Dans la partie 2, chapitre 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 octobre 2015, 21 avril 2017 et 29 octobre 2021, il est ajouté une section 3/1, composée de l'article 51/3, rédigée comme suit :
  " Section 3/1. Amende pour recours manifestement abusif
  Art. 51/3. Si la chambre estime qu'une amende pour recours manifestement abusif peut être justifiée, l'arrêt statuant sur la demande d'annulation fixe à cet effet une séance à une date proche.
  L'arrêt qui impose l'amende est en tout cas réputé contradictoire.
  Le greffier envoie immédiatement aux parties une copie de l'arrêt se prononçant sur l'amende pour recours manifestement abusif. Les dispositions de la cinquième partie du Code judiciaire qui ont trait à la saisie et à l'exécution, sont également applicables à l'exécution de l'arrêt imposant une amende pour recours manifestement abusif.
  Les montants dus conformément à cet article sont indexés tous les cinq ans le 1er janvier, conformément à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. ".
Art. 25. In artikel 52, § 2, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "partij" vervangen door het woord "partijen".
Art. 25. Dans l'article 52, § 2, alinéa 4, du même arrêté, le mot " partie " est remplacé par le mot " parties ".
Art. 26. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van deel 3 vervangen door wat volgt:
  "Deel 3. Beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen".
Art. 26. Dans le même arrêté, l'intitulé de la partie 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Partie 3. Recours auprès du Conseil du Contentieux des Permis ".
Art. 27. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 1. Het verzoekschrift".
Art. 27. Dans le même arrêté, l'intitulé de la partie 3, chapitre 2, section 1re est remplacé par ce qui suit :
  " Section 1re. La requête ".
Art. 28. In artikel 58, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het woord "niet" en de woorden "in werking" worden opgeheven;
  2° de zinsnede ", niet in werking" wordt toegevoegd.
Art. 28. A l'article 58, alinéa 2, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la version néerlandaise, le mot " niet " et les mots " in werking " sont abrogés ;
  2° dans la version néerlandaise, le membre de phrase " , niet in werking " est ajouté.
Art. 29. Aan artikel 59/1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 19 is niet van toepassing op de behandeling volgens de vereenvoudigde procedure.".
Art. 29. A l'article 59/1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " L'article 19 ne s'applique pas au traitement selon la procédure simplifiée. ".
Art. 30. In artikel 59/1, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit, zoals ingevoegd bij artikel 29, wordt de zinsnede "Artikel 19" vervangen door de zinsnede "Artikel 58/1, eerste en tweede lid,".
Art. 30. A l'article 59/1, § 2, alinéa 3 du même arrêté, tel qu'inséré par l'article 29, le membre de phrase " Article 19 " est remplacé par le membre de phrase " Article 58/1, alinéas 1er et 2, ".
Art. 31. In artikel 66, tweede lid, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan" vervangen door de woorden "de datum van de uitspraak".
Art. 31. A l'article 66, alinéa 2, 3° du même arrêté, le membre de phrase " le jugement en séance publique, sa date " est remplacé par les mots " la date de ce jugement ".
Art. 32. In artikel 88, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan" vervangen door de woorden "de datum van de uitspraak".
Art. 32. A l'article 88, 3°, du même arrêté, le membre de phrase " le jugement en séance publique, sa date " est remplacé par les mots " la date du jugement ".
Art. 33. In artikel 112, § 1, eerste lid, 4°, van hetzelfde besluit worden de woorden "in openbare zitting" opgeheven.
Art. 33. A l'article 112, § 1er, alinéa 1er, 4°, du même arrêté, les mots " en séance publique " sont abrogés.
Art. 34. In artikel 112/21, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, wordt de zinsnede "de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan" vervangen door de woorden "de datum van de uitspraak".
Art. 34. A l'article 112/21, 3°, du même arrêté, introduit par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023, le membre de phrase " le jugement en séance publique, sa date " est remplacé par les mots " la date du jugement ".
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 35. Artikel 1, artikel 105 tot en met 116 en artikel 138 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, treden in werking op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Art. 35. L'article 1er, les articles 105 à 116 et l'article 138 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, entrent en vigueur le dixième jour suivant la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 36. Artikel 10, artikel 13 en artikel 30 van dit besluit treden in werking op 31 december 2024.
Art. 36. Les articles 10, 13 et 30 du présent arrêté entrent en vigueur le 31 décembre 2024.
Art. 37. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 37. Le ministre flamand compétent pour la justice et le maintien est chargé d'exécuter le présent arrêté.