Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt bedoeld met:
1° de wet van 15 december 1980: de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet van 30 april 1999: de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
4° het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
5° het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021: het samenwerkingsakkoord houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake het toelatingen tot arbeid en het beleid inzake verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten en wat betreft de oprichting van een elektronisch platform in het kader van de gecombineerde verblijfsaanvraagprocedure met het oog op tewerkstelling;
6° de minister: de minister bevoegd voor werkgelegenheid;
7° de afgevaardigde ambtenaar: de Direction de l'Emploi et des Permis de travail [Directie Werkgelegenheid en Arbeidsvergunningen] van het Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle [Departement Werkgelegenheid en Beroepsopleiding] van de Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Waalse overheidsdienst Economie, Werkgelegenheid en Onderzoek] met gedelegeerde bevoegdheden overeenkomstig het besluit van de Waalse regering met betrekking tot de delegaties van bevoegdheden aan de Service public de Wallonie [Overheidsdienst van Wallonië];
8° wettig verblijf: de verblijfsstatus van de vreemdeling die is toegelaten of gemachtigd om in het Koninkrijk te verblijven overeenkomstig de wet van 15 december 1980;
9° akte van tewerkstelling: de juridische overeenkomst die de prestaties regelt die de werknemer voor de werkgever verricht en die ook naar de vorm wordt beheerst door de bepalingen van:
a) de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaars;
b) de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten;
c) voor uitzendarbeid, de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
d) in geval van detachering, de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan;
e) de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
f) een ambtenarenstatuut;
g) een opleidingsschema;
h) elke andere regeling waarbij personen, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, onder het gezag van een andere persoon arbeid verrichten tegen betaling;
i) dit besluit;
10° opleiding: onderricht georganiseerd door een aan de onderneming externe of interne opleidingsverstrekker om de kennis en vaardigheden te verwerven of te verbeteren die nodig zijn om een beroep uit te oefenen;
11° diploma hoger onderwijs: elk door een bevoegde instantie afgeleverd document waaruit blijkt dat met succes een postsecundair studieprogramma van hoger onderwijs van ten minste drie jaar werd gevolgd, d.w.z. een geheel van cursussen dat wordt verstrekt door een onderwijsinstelling die als hogeronderwijsinstelling wordt erkend door de staat waar dit diploma wordt opgesteld, op voorwaarde dat de voor het behalen van het diploma hoger onderwijs vereiste studies ten minste drie jaar hebben geduurd, of hebben geleid tot een kwalificatie van niveau 6 van het Europees kwalificatiekader;
12° gastovereenkomst: de overeenkomst bedoeld in artikel 37, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
13° gastentiteit: de entiteit waarnaar de onderdaan van een derde land die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep tijdelijk wordt overgeplaatst, ongeacht haar rechtsvorm, gevestigd in het Franse taalgebied;
14° groep van vennootschappen: het geheel van de geassocieerde of verbonden vennootschappen bedoeld in de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gevestigd in ten minste drie verschillende landen;
15° detachering: de situatie waarin een gedetacheerde werknemer zich bevindt, in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, wanneer de gebruiker gevestigd is in een Franstalig gebied;
16° internationale docent: een onderdaan van een derde land met ten minste kwalificatieniveau 7 van het Europees kwalificatiekader, die lesgeeft aan een erkende instelling voor hoger onderwijs;
17° postdoctorale mandaathouder: de houder van een doctoraat of een kwalificatie van niveau 8 van het Europees kwalificatiekader die in het kader van de internationale mobiliteit wetenschappelijk onderzoek uitvoert aan een gastuniversiteit om de wetenschappelijke kennis die hij in het kader van zijn doctoraat heeft verworven, optimaal te benutten;
18° lasthebber: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in naam en voor rekening van de werkgever, die handelingsbekwaam is en wiens maatschappelijke zetel, bedrijfszetel of hoofdverblijfplaats zich in België bevindt;
19° gemeenschappelijk platform: het digitale platform dat werd opgericht door het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021;
20° werknemer: de onderdaan van een derde land die tot arbeid toegelaten is of die een toelating tot arbeid heeft aangevraagd;
21° werkgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een werknemer tewerkstelt of tewerk wil stellen;
22° onderzoeker: de onderdaan van een derde land die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) in het bezit zijn van een doctoraat of een kwalificatie van niveau 8 van het Europees kwalificatiekader of een passend diploma van hoger onderwijs dat toegang geeft tot doctoraatsprogramma's;
b) geselecteerd zijn door een onderzoeksinstelling die erkend is overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden gesloten;
c) toegelaten zijn tot het Belgische grondgebied om een onderzoeksactiviteit uit te oefenen waarvoor dergelijke diploma's in het algemeen vereist zijn;
23° stagiair: de onderdaan van een derde land die houder is van een diploma van het hoger onderwijs of die in een derde land een opleiding volgt die leidt tot een hogeronderwijsdiploma en die tot arbeid toegelaten is teneinde een opleidingsprogramma te volgen met het oog op het verwerven van kennis, praktijk en ervaring in een professionele omgeving;
24° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 die wordt toegelaten om te werken teneinde deel te nemen aan een vrijwilligersprogramma in het kader van het Europees Vrijwilligerswerk;
25° jonge au pair: de onderdaan van een derde land die tot arbeid wordt toegelaten om tijdelijk in een gezin te worden opgenomen met als doel de eigen talenkennis en kennis van Wallonië te verbeteren, in ruil voor licht huishoudelijk werk en kinderopvang;
26° gastinstelling: de onderzoeksinstelling, de instelling voor hoger onderwijs, de onderwijsinstelling, de organisatie belast met een vrijwilligersprogramma of de instelling die stagiairs ontvangt waartoe de onderdaan van een derde land behoort en die gevestigd is in een Franstalig gebied;
27° gastgezin: het gezin dat de jonge au pair tijdelijk opneemt en hem laat delen in het dagelijkse gezinsleven in een Franstalig gebied op basis van een overeenkomst gesloten tussen een vertegenwoordiger van dat gezin en de jonge au pair;
28° kwalificatie: het diploma of de beroepscertificatie zoals bedoeld in artikel 1.10° van het samenwerkingsakkoord van 26 februari 2015 tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de oprichting en het beheer van een Franstalig kwalificatiekader, afgekort "C.F.C. ", goedgekeurd bij het decreet van 7 mei 2015, ingedeeld van niveau 1 tot niveau 8 volgens het kwalificatiekader overeenkomstig titel V van hetzelfde samenwerkingsakkoord, of een kwalificatie die wordt verleend na succesvolle afronding van een programma dat is ingedeeld volgens de niveaus van de "International Standard Classification of Education 2011";
29° toelating tot arbeid: de beslissing die een toelating tot arbeid vormt in de zin van artikel 4 van de wet van 30 april 1999 en een arbeidsvergunning in de zin van artikel 5 van dezelfde wet;
30° onderdaan van een derde land: de persoon bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 30 april 1999.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
6 JUNI 2024. - Besluit van de Waalse regering betreffende de toelating tot arbeid van buitenlandse werknemers(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-08-2024 en tekstbijwerking tot 05-02-2026)
Titre
6 JUIN 2024. - Arrêté du Gouvernement wallon relatif à l'admission au travail de travailleurs étrangers(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-08-2024 et mise à jour au 05-02-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Definities
TITEL 2. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Voorwaarden voor de toelating to...
Afdeling 1. - Toelating tot arbeid
Afdeling 2. - Gecombineerde vergunning
Onderafdeling 1. - Gecombineerde vergunning voo...
Onderafdeling 2. - Gecombineerde vergunning voo...
Afdeling 3. - Arbeidskaart B
HOOFDSTUK 2. - De aanvraag voor toelating tot a...
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing van de toelating tot...
TITEL 3. - Specifieke werknemerscategorieën
HOOFDSTUK 1. - De hooggekwalificeerde persoon
HOOFDSTUK 2. - Onderdanen van derde landen die ...
HOOFDSTUK 3. - Mensen in verantwoordelijke posi...
HOOFDSTUK 4. - De persoon die krachtens een int...
HOOFDSTUK 5. - Professionele sportbeoefenaars, ...
HOOFDSTUK 6. - De kunstwerker
HOOFDSTUK 7. - De bedienaar van een eredienst e...
HOOFDSTUK 8. - De journalist
HOOFDSTUK 9. - De gespecialiseerde technicus
HOOFDSTUK 10. - De zeeman
HOOFDSTUK 11. - Personeel belast met het onderh...
HOOFDSTUK 12. - Langdurig ingezetenen in een an...
HOOFDSTUK 13. - Seizoenarbeiders
HOOFDSTUK 14. - Werknemers in opleiding
HOOFDSTUK 15. - De werknemer als onderdeel van ...
HOOFDSTUK 16. - Stagiairs, au pairs en vrijwill...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - De stagiair
Afdeling 3. - De vrijwilliger
Afdeling 4. - De au pair
HOOFDSTUK 17. - Lerenden
HOOFDSTUK 18. - De mobiele leraar
TITEL 4. - Vrijstellingen, ontheffingen en coll...
HOOFDSTUK 1. - Individuele vrijstellingen en on...
HOOFDSTUK 2. - Collectieve besluiten
TITEL 5. - Procedure
HOOFDSTUK 1. - Beslissing over een aanvraag voo...
HOOFDSTUK 2. - Weigering, intrekking en verlies...
HOOFDSTUK 3. - Beroepsmiddelen
TITEL 6. - Bezoldiging
TITEL 7. - Gegevensverwerking
TITEL 8. - Intrekkende, overgangs- en slotbepal...
Inhoud
TITRE 1er. - Définitions
TITRE 2. - Dispositions générales
CHAPITRE 1er. - Conditions d'admission au travail
Section 1e. - Admission au travail
Section 2. - Permis unique
Sous-section 1ère. - Permis unique pour une dur...
Sous-section 2. - Permis unique pour une durée ...
Section 3. - Permis de travail B
CHAPITRE 2. - Introduction de la demande d'admi...
CHAPITRE 3. - Renouvellement de l'admission au ...
TITRE 3. - Les catégories spécifiques de travai...
CHAPITRE 1er. - La personne hautement qualifiée
CHAPITRE 2. - Le ressortissant de pays tiers so...
CHAPITRE 3. - La personne exerçant un poste à r...
CHAPITRE 4. - La personne occupée en vertu d'un...
CHAPITRE 5. - Le sportif professionnel, l'arbit...
CHAPITRE 6. - Le travailleur des arts
CHAPITRE 7. - Le Ministre d'un culte et le délé...
CHAPITRE 8. - Le journaliste
CHAPITRE 9. - Le technicien spécialisé
CHAPITRE 10. - Le marin
CHAPITRE 11. - Le personnel qui assure l'entret...
CHAPITRE 12. - Le résident de longue durée dans...
CHAPITRE 13. - Le travailleur saisonnier
CHAPITRE 14. - Le travailleur en formation
CHAPITRE 15. - Le travailleur s'inscrivant dans...
CHAPITRE 16. - Le stagiaire, le jeune au pair e...
Section 1e. - Dispositions générales
Section 2. - Le stagiaire
Section 3. - Le volontaire
Section 4. - Le jeune au pair
CHAPITRE 17. - Les apprenants
CHAPITRE 18. - L'enseignant en mobilité
TITRE 4. - Dispenses, dérogations et décisions ...
CHAPITRE 1er. - Dispenses et dérogations indivi...
CHAPITRE 2. - Décisions collectives
TITRE 5. - Procédure
CHAPITRE 1er. - Décision sur la demande d'admis...
CHAPITRE 2. - Refus, retrait et perte de validité
CHAPITRE 3. - Voies de recours
TITRE 6. - Rémunération
TITRE 7. - Traitement de données
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires, transitoi...
Tekst (134)
Texte (134)
TITEL 1. - Definities
TITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° la loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
2° la loi du 30 avril 1999 : la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
3° l'accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers ;
4° l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers ;
5° l'accord de coopération d'exécution du 5 mars 2021 : l'accord de coopération portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi des autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers et portant création d'une plateforme électronique dans le cadre de la procédure de demande unique de séjour à des fins d'emploi ;
6° le Ministre : le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions ;
7° le fonctionnaire délégué : la Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche disposant d'une délégation de pouvoirs conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie ;
8° le séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume conformément à la loi du 15 décembre 1980 ;
9° l'acte d'occupation : l'acte juridique encadrant les prestations réalisées par le travailleur pour l'employeur, et qui est régi, en ce compris sur la forme, aux dispositions :
a) de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ;
b) de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
c) en cas de travail intérimaire, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travailleur intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ;
d) en cas de détachement, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci ;
e) de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires ;
f) d'un statut de la fonction publique ;
g) d'un régime de formation ;
h) d'un autre régime dans lequel les personnes, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, fournissent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en échange d'une rémunération ;
i) du présent arrêté ;
10° la formation : l'instruction organisée par un opérateur de formation externe ou interne à l'entreprise permettant d'acquérir ou d'approfondir des connaissances et compétences utiles à l'exercice d'une profession ;
11° le diplôme de l'enseignement supérieur : tout document délivré par une autorité compétente qui atteste la réussite d'un programme d'études supérieures post-secondaires aient duré au moins trois ans, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel ce diplôme est établi, à condition que les études nécessaires à l'obtention du diplôme de l'enseignement supérieur aient duré au moins 3 ans, ou aient donné lieu à une qualification de niveau 6 du cadre européen des certifications ;
12° la convention d'accueil : la convention visée à l'article 37, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 ;
13° l'entité hôte : l'entité dans laquelle le ressortissant de pays tiers faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe est transférée temporairement, quelle que soit sa forme juridique, établie dans la région de langue française ;
14° le groupe de sociétés : l'ensemble des sociétés liées ou associées visées aux articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des associations établies dans au moins trois pays différents ;
15° le détachement : la situation dans laquelle se trouve un travailleur détaché, au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et dans le respect de celles-ci, lorsque l'utilisateur est établi en région de langue française ;
16° le chargé de cours international : le ressortissant d'un pays tiers ayant au moins le niveau de qualification 7 du cadre européen des certifications, qui exerce des activités d'enseignement dans un établissement d'enseignement supérieur reconnu ;
17° le postdoctorant : le titulaire d'un doctorat ou d'une qualification de niveau 8 du cadre européen des certifications qui, dans le cadre de la mobilité internationale, effectue des recherches scientifiques dans une université d'accueil afin de valoriser les connaissances scientifiques qu'il a acquises à l'occasion de son doctorat ;
18° le mandataire : une personne physique ou morale, agissant au nom et pour le compte de l'employeur, disposant de la capacité juridique et dont le siège social ou l'unité d'établissement ou l'adresse de la résidence principale est située en Belgique ;
19° la plateforme commune : la plateforme numérique créée par l'accord de coopération d'exécution du 5 mars 2021 ;
20° le travailleur : le ressortissant d'un pays tiers qui est admis à travailler ou qui a introduit une demande d'admission à travailler ;
21° l'employeur : la personne physique ou morale qui occupe ou souhaite occuper un travailleur ;
22° le chercheur : le ressortissant d'un pays tiers qui remplit les conditions suivantes :
a) il est titulaire d'un doctorat ou d'une qualification de niveau 8 du cadre européen de certification ou d'un diplôme de l'enseignement supérieur approprié lui donnant accès aux programmes de recherches doctorales ;
b) il est sélectionné par un organisme de recherche agréé en vertu de l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitant conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues ;
c) il est admis sur le territoire belge pour mener une activité de recherche pour laquelle de tels diplômes sont généralement exigés ;
23° le stagiaire : le ressortissant d'un pays tiers titulaire d'un diplôme de l'enseignement supérieur ou qui suit un cycle d'études dans un pays tiers menant à l'obtention d'un diplôme de l'enseignement supérieur et qui est admis au travail pour suivre un programme de formation en vue d'acquérir des connaissances, de la pratique et de l'expérience dans un environnement professionnel ;
24° le volontaire : le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 55 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 qui est admis au travail pour participer à un programme de volontariat dans le cadre du service volontaire européen ;
25° le jeune au pair : le ressortissant d'un pays tiers qui est admis au travail pour être accueilli temporairement par une famille dans le but d'améliorer ses compétences linguistiques et sa connaissance de la Wallonie, en échange de petits travaux ménagers et de la garde d'enfants ;
26° l'entité d'accueil : l'organisme de recherche, l'établissement d'enseignement supérieur, l'établissement d'enseignement, l'organisme chargé d'un programme de volontariat ou une entité accueillant des stagiaires dont relève le ressortissant de pays tiers et qui est situé en région de langue française ;
27° la famille d'accueil : la famille qui accueille temporairement le jeune au pair et lui fait partager sa vie de famille quotidienne en région de langue française sur la base d'une convention conclue entre un représentant de cette famille et le jeune au pair ;
28° la qualification : le diplôme ou la certification professionnelle telle que visée à l'article 1.10° de l'accord de coopération du 26 février 2015 entre la Communauté française, la Région wallonne et la Commission communautaire française concernant la création et la gestion d'un Cadre francophone des certifications, en abrégé " C.F.C. " approuvé par le décret du 7 mai 2015, classées du niveau 1 au niveau 8 selon le cadre des certifications conformément au titre V du même accord de coopération, ou une qualification délivrée à l'issue de l'achèvement avec fruit d'un programme classé selon les niveaux de la " International Standard Classification of Education 2011 " ;
29° l'admission au travail : la décision qui constitue une autorisation au travail au sens de l'article 4 de la loi du 30 avril 1999 et un permis de travail au sens de l'article 5 de la même loi ;
30° le ressortissant de pays tiers : la personne visée à l'article 2, 4°, de la loi du 30 avril 1999.
1° la loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
2° la loi du 30 avril 1999 : la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
3° l'accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers ;
4° l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers ;
5° l'accord de coopération d'exécution du 5 mars 2021 : l'accord de coopération portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi des autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers et portant création d'une plateforme électronique dans le cadre de la procédure de demande unique de séjour à des fins d'emploi ;
6° le Ministre : le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions ;
7° le fonctionnaire délégué : la Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche disposant d'une délégation de pouvoirs conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie ;
8° le séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume conformément à la loi du 15 décembre 1980 ;
9° l'acte d'occupation : l'acte juridique encadrant les prestations réalisées par le travailleur pour l'employeur, et qui est régi, en ce compris sur la forme, aux dispositions :
a) de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ;
b) de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
c) en cas de travail intérimaire, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travailleur intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ;
d) en cas de détachement, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci ;
e) de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires ;
f) d'un statut de la fonction publique ;
g) d'un régime de formation ;
h) d'un autre régime dans lequel les personnes, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, fournissent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en échange d'une rémunération ;
i) du présent arrêté ;
10° la formation : l'instruction organisée par un opérateur de formation externe ou interne à l'entreprise permettant d'acquérir ou d'approfondir des connaissances et compétences utiles à l'exercice d'une profession ;
11° le diplôme de l'enseignement supérieur : tout document délivré par une autorité compétente qui atteste la réussite d'un programme d'études supérieures post-secondaires aient duré au moins trois ans, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel ce diplôme est établi, à condition que les études nécessaires à l'obtention du diplôme de l'enseignement supérieur aient duré au moins 3 ans, ou aient donné lieu à une qualification de niveau 6 du cadre européen des certifications ;
12° la convention d'accueil : la convention visée à l'article 37, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 ;
13° l'entité hôte : l'entité dans laquelle le ressortissant de pays tiers faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe est transférée temporairement, quelle que soit sa forme juridique, établie dans la région de langue française ;
14° le groupe de sociétés : l'ensemble des sociétés liées ou associées visées aux articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des associations établies dans au moins trois pays différents ;
15° le détachement : la situation dans laquelle se trouve un travailleur détaché, au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et dans le respect de celles-ci, lorsque l'utilisateur est établi en région de langue française ;
16° le chargé de cours international : le ressortissant d'un pays tiers ayant au moins le niveau de qualification 7 du cadre européen des certifications, qui exerce des activités d'enseignement dans un établissement d'enseignement supérieur reconnu ;
17° le postdoctorant : le titulaire d'un doctorat ou d'une qualification de niveau 8 du cadre européen des certifications qui, dans le cadre de la mobilité internationale, effectue des recherches scientifiques dans une université d'accueil afin de valoriser les connaissances scientifiques qu'il a acquises à l'occasion de son doctorat ;
18° le mandataire : une personne physique ou morale, agissant au nom et pour le compte de l'employeur, disposant de la capacité juridique et dont le siège social ou l'unité d'établissement ou l'adresse de la résidence principale est située en Belgique ;
19° la plateforme commune : la plateforme numérique créée par l'accord de coopération d'exécution du 5 mars 2021 ;
20° le travailleur : le ressortissant d'un pays tiers qui est admis à travailler ou qui a introduit une demande d'admission à travailler ;
21° l'employeur : la personne physique ou morale qui occupe ou souhaite occuper un travailleur ;
22° le chercheur : le ressortissant d'un pays tiers qui remplit les conditions suivantes :
a) il est titulaire d'un doctorat ou d'une qualification de niveau 8 du cadre européen de certification ou d'un diplôme de l'enseignement supérieur approprié lui donnant accès aux programmes de recherches doctorales ;
b) il est sélectionné par un organisme de recherche agréé en vertu de l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitant conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues ;
c) il est admis sur le territoire belge pour mener une activité de recherche pour laquelle de tels diplômes sont généralement exigés ;
23° le stagiaire : le ressortissant d'un pays tiers titulaire d'un diplôme de l'enseignement supérieur ou qui suit un cycle d'études dans un pays tiers menant à l'obtention d'un diplôme de l'enseignement supérieur et qui est admis au travail pour suivre un programme de formation en vue d'acquérir des connaissances, de la pratique et de l'expérience dans un environnement professionnel ;
24° le volontaire : le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 55 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 qui est admis au travail pour participer à un programme de volontariat dans le cadre du service volontaire européen ;
25° le jeune au pair : le ressortissant d'un pays tiers qui est admis au travail pour être accueilli temporairement par une famille dans le but d'améliorer ses compétences linguistiques et sa connaissance de la Wallonie, en échange de petits travaux ménagers et de la garde d'enfants ;
26° l'entité d'accueil : l'organisme de recherche, l'établissement d'enseignement supérieur, l'établissement d'enseignement, l'organisme chargé d'un programme de volontariat ou une entité accueillant des stagiaires dont relève le ressortissant de pays tiers et qui est situé en région de langue française ;
27° la famille d'accueil : la famille qui accueille temporairement le jeune au pair et lui fait partager sa vie de famille quotidienne en région de langue française sur la base d'une convention conclue entre un représentant de cette famille et le jeune au pair ;
28° la qualification : le diplôme ou la certification professionnelle telle que visée à l'article 1.10° de l'accord de coopération du 26 février 2015 entre la Communauté française, la Région wallonne et la Commission communautaire française concernant la création et la gestion d'un Cadre francophone des certifications, en abrégé " C.F.C. " approuvé par le décret du 7 mai 2015, classées du niveau 1 au niveau 8 selon le cadre des certifications conformément au titre V du même accord de coopération, ou une qualification délivrée à l'issue de l'achèvement avec fruit d'un programme classé selon les niveaux de la " International Standard Classification of Education 2011 " ;
29° l'admission au travail : la décision qui constitue une autorisation au travail au sens de l'article 4 de la loi du 30 avril 1999 et un permis de travail au sens de l'article 5 de la même loi ;
30° le ressortissant de pays tiers : la personne visée à l'article 2, 4°, de la loi du 30 avril 1999.
TITEL 2. - Algemene bepalingen
TITRE 2. - Dispositions générales
HOOFDSTUK 1. - Voorwaarden voor de toelating tot arbeid
CHAPITRE 1er. - Conditions d'admission au travail
Afdeling 1. - Toelating tot arbeid
Section 1e. - Admission au travail
Art. 2. § 1. Onderdanen van derde landen worden tot arbeid toegelaten als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het is onmogelijk om binnen een redelijke termijn, onder de werknemers die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt van het Franse taalgebied, een werkzoekende te vinden die in staat is om, zelfs met behulp van een adequate beroepsopleiding, de beoogde betrekking op een bevredigende wijze te vervullen;
2° de onderdaan van een derde land en zijn werkgever zijn gebonden door een akte van tewerkstelling waarbij deze laatste zich ertoe verbindt:
a) eventuele reiskosten naar België te dekken;
b) de onderdaan van een derde land medische en farmaceutische hulp en, indien nodig, ziekenhuisopname te bieden totdat hij recht heeft op prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de voorwaarden bepaald in het eerste lid, wordt een onderdaan van een derde land die zich op het grondgebied van het Koninkrijk bevindt, in afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999, tot arbeid toegelaten wanneer hij overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet van 15 december 1980 voor een periode van ten hoogste negentig dagen of overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel III voor een periode van meer dan negentig dagen tot het grondgebied van het Koninkrijk wordt toegelaten of gemachtigd.
§ 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is automatisch vervuld wanneer aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
(1) de voorgestelde baan staat op de huidige lijst van banen waarvoor de minister een structureel tekort aan arbeidskrachten in het Franse taalgebied heeft vastgesteld;
2° het Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, hierna "Forem" genoemd, toont één van de volgende situaties aan:
a) de werkgever heeft gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf weken in de periode van één jaar direct voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor toelating tot arbeid via het Forem een vacature met betrekking tot de functie gepubliceerd en er heeft geen kandidaat gesolliciteerd die de functie naar tevredenheid kan vervullen;
b) de werkgever heeft een beroep gedaan op het actieve beheer door Forem van de wervingsbehoefte voor de functie waarop de aanvraag betrekking heeft en er heeft geen geschikte kandidaat voor de functie gesolliciteerd;
c) na een voorselectie van kandidaten door Forem met de werkgever stelt Forem vast dat zij geen kandidaat kan voordragen die de functie naar tevredenheid kan vervullen.
De regel bedoeld in het eerste lid, 2°, a), is niet van toepassing wanneer de vacature duidelijk beperkend is.
§ 3. Aan de voorwaarde, bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid, 1°, wordt geacht te zijn voldaan indien de werkgever bij zijn aanvraag het bewijs levert dat hij in het kader van Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013, gedurende ten minste vijf weken in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag een werkaanbieding met betrekking tot de functie heeft gepubliceerd en dat geen enkele kandidaat die geschikt is om de functie op bevredigende wijze te vervullen, naar de functie heeft gesolliciteerd.
De regel bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing wanneer de vacatureadvertentie duidelijk beperkend is.
§ 4. In andere dan de in de tweede en derde paragrafen bedoelde gevallen beoordeelt de afgevaardigde ambtenaar op basis van de door de aanvrager verstrekte bewijsstukken of aan de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde is voldaan. Hij houdt rekening met de specifieke aard van de beoogde baan, de zonder gevolg gebleven aanwervingsprocedures van de werkgever en het deel van het Franstalige gebied waar de baan zal worden uitgevoerd.
De minister deelt de lijst, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, mee aan de regering. Deze lijst is beschikbaar voor het publiek.
§ 5. Dit artikel is van toepassing op:
1) elke gecombineerde vergunning bedoeld in onderafdeling 1 van afdeling 2 van dit hoofdstuk;
(2) arbeidskaarten B, zoals bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk.
De in paragraaf 1, eerste lid bedoelde voorwaarde geldt niet voor de in artikel 5, tweede lid, en in titel 3 bedoelde werknemers.
De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, b), is niet van toepassing op gedetacheerde werknemers.
1° het is onmogelijk om binnen een redelijke termijn, onder de werknemers die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt van het Franse taalgebied, een werkzoekende te vinden die in staat is om, zelfs met behulp van een adequate beroepsopleiding, de beoogde betrekking op een bevredigende wijze te vervullen;
2° de onderdaan van een derde land en zijn werkgever zijn gebonden door een akte van tewerkstelling waarbij deze laatste zich ertoe verbindt:
a) eventuele reiskosten naar België te dekken;
b) de onderdaan van een derde land medische en farmaceutische hulp en, indien nodig, ziekenhuisopname te bieden totdat hij recht heeft op prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de voorwaarden bepaald in het eerste lid, wordt een onderdaan van een derde land die zich op het grondgebied van het Koninkrijk bevindt, in afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999, tot arbeid toegelaten wanneer hij overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet van 15 december 1980 voor een periode van ten hoogste negentig dagen of overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel III voor een periode van meer dan negentig dagen tot het grondgebied van het Koninkrijk wordt toegelaten of gemachtigd.
§ 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is automatisch vervuld wanneer aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
(1) de voorgestelde baan staat op de huidige lijst van banen waarvoor de minister een structureel tekort aan arbeidskrachten in het Franse taalgebied heeft vastgesteld;
2° het Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, hierna "Forem" genoemd, toont één van de volgende situaties aan:
a) de werkgever heeft gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf weken in de periode van één jaar direct voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor toelating tot arbeid via het Forem een vacature met betrekking tot de functie gepubliceerd en er heeft geen kandidaat gesolliciteerd die de functie naar tevredenheid kan vervullen;
b) de werkgever heeft een beroep gedaan op het actieve beheer door Forem van de wervingsbehoefte voor de functie waarop de aanvraag betrekking heeft en er heeft geen geschikte kandidaat voor de functie gesolliciteerd;
c) na een voorselectie van kandidaten door Forem met de werkgever stelt Forem vast dat zij geen kandidaat kan voordragen die de functie naar tevredenheid kan vervullen.
De regel bedoeld in het eerste lid, 2°, a), is niet van toepassing wanneer de vacature duidelijk beperkend is.
§ 3. Aan de voorwaarde, bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid, 1°, wordt geacht te zijn voldaan indien de werkgever bij zijn aanvraag het bewijs levert dat hij in het kader van Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013, gedurende ten minste vijf weken in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag een werkaanbieding met betrekking tot de functie heeft gepubliceerd en dat geen enkele kandidaat die geschikt is om de functie op bevredigende wijze te vervullen, naar de functie heeft gesolliciteerd.
De regel bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing wanneer de vacatureadvertentie duidelijk beperkend is.
§ 4. In andere dan de in de tweede en derde paragrafen bedoelde gevallen beoordeelt de afgevaardigde ambtenaar op basis van de door de aanvrager verstrekte bewijsstukken of aan de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde is voldaan. Hij houdt rekening met de specifieke aard van de beoogde baan, de zonder gevolg gebleven aanwervingsprocedures van de werkgever en het deel van het Franstalige gebied waar de baan zal worden uitgevoerd.
De minister deelt de lijst, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, mee aan de regering. Deze lijst is beschikbaar voor het publiek.
§ 5. Dit artikel is van toepassing op:
1) elke gecombineerde vergunning bedoeld in onderafdeling 1 van afdeling 2 van dit hoofdstuk;
(2) arbeidskaarten B, zoals bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk.
De in paragraaf 1, eerste lid bedoelde voorwaarde geldt niet voor de in artikel 5, tweede lid, en in titel 3 bedoelde werknemers.
De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, b), is niet van toepassing op gedetacheerde werknemers.
Art. 2. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers est admis au travail lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° il est impossible de trouver dans un délai raisonnable, parmi les travailleurs disponibles sur le marché de l'emploi de la région de langue française, un demandeur d'emploi apte à occuper de façon satisfaisante, même au moyen d'une formation professionnelle adéquate, l'emploi envisagé ;
2° le ressortissant d'un pays tiers et son employeur sont liés par un acte d'occupation en vertu duquel ce dernier s'engage :
a) à prendre en charge les éventuels frais de voyage vers la Belgique ;
b) à assurer au ressortissant du pays tiers une assistance médico-pharmaceutique et, le cas échéant, son hospitalisation, jusqu'à ce qu'il soit en droit de bénéficier des prestations de l'assurance maladie-invalidité.
Sans préjudice des conditions énoncées à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers présent sur le territoire du Royaume est admis au travail, par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi du 30 avril 1999, lorsqu'il est admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, de la loi du 15 décembre 1980, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au titre I, chapitre III ou titre III.
§ 2. La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est d'office rencontrée lorsque l'une des conditions suivantes sont remplies :
1° l'emploi proposé figure sur la liste en vigueur des fonctions pour lesquelles le Ministre constate une pénurie structurelle de main-d'oeuvre en région de langue française ;
2° l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, ci-après nommé " le Forem ", atteste d'une des situations présentes :
a) l'employeur a publié, par l'intermédiaire du Forem, une offre d'emploi relative à la fonction pendant une période continue d'au moins cinq semaines au cours de la période d'un an précédant immédiatement l'introduction de la demande d'admission au travail et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi ;
b) l'employeur a fait appel à la gestion active par le Forem du besoin de recrutement pour la fonction concernée par la demande et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi ;
c) à la suite d'une procédure de présélection des candidats menée par le Forem avec l'employeur, le Forem constate ne pas pouvoir présenter un candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante.
La règle visée à l'alinéa 1er, 2°, a), ne s'applique pas lorsque l'annonce de l'offre d'emploi est manifestement restrictive.
§ 3. La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est réputée rencontrée lorsque l'employeur dépose, avec sa demande la preuve qu'il a publié, dans le cadre du règlement (UE) 2016/589 du Parlement européen et du Conseil du 13 avril 2016 relatif à un réseau européen des services de l'emploi (EURES) ; à l'accès des travailleurs aux services de mobilité et à la poursuite de l'intégration des marchés du travail, et modifiant les règlements (UE) n° 492/2011 et (UE) n° 1296/2013, une offre d'emploi relative à la fonction pendant au moins cinq semaines au cours de l'année précédant l'introduction de la demande et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi.
La règle visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas lorsque l'annonce de l'offre d'emploi est manifestement restrictive.
§ 4. Dans les autres cas que ceux visés aux paragraphes 2 et 3, le fonctionnaire délégué apprécie si la condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est remplie sur la base des justifications apportées par le demandeur. Il prend en compte les spécificités de l'emploi envisagé, les procédures de recrutement menées, sans succès par l'employeur et la partie du territoire de la région de langue française où l'emploi sera exercé.
Le Ministre communique la liste visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, au Gouvernement. Cette liste est mise à disposition du public.
§ 5. Le présent article s'applique :
1° à tout permis unique visé à la sous-section 1e de la section 2 du présent chapitre ;
2° aux permis de travail B, visé à la section 3 du présent chapitre.
La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux travailleurs visés à l'article 5, alinéa 2, et au Titre 3.
La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, b), ne s'applique pas aux travailleurs détachés.
1° il est impossible de trouver dans un délai raisonnable, parmi les travailleurs disponibles sur le marché de l'emploi de la région de langue française, un demandeur d'emploi apte à occuper de façon satisfaisante, même au moyen d'une formation professionnelle adéquate, l'emploi envisagé ;
2° le ressortissant d'un pays tiers et son employeur sont liés par un acte d'occupation en vertu duquel ce dernier s'engage :
a) à prendre en charge les éventuels frais de voyage vers la Belgique ;
b) à assurer au ressortissant du pays tiers une assistance médico-pharmaceutique et, le cas échéant, son hospitalisation, jusqu'à ce qu'il soit en droit de bénéficier des prestations de l'assurance maladie-invalidité.
Sans préjudice des conditions énoncées à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers présent sur le territoire du Royaume est admis au travail, par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi du 30 avril 1999, lorsqu'il est admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, de la loi du 15 décembre 1980, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au titre I, chapitre III ou titre III.
§ 2. La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est d'office rencontrée lorsque l'une des conditions suivantes sont remplies :
1° l'emploi proposé figure sur la liste en vigueur des fonctions pour lesquelles le Ministre constate une pénurie structurelle de main-d'oeuvre en région de langue française ;
2° l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, ci-après nommé " le Forem ", atteste d'une des situations présentes :
a) l'employeur a publié, par l'intermédiaire du Forem, une offre d'emploi relative à la fonction pendant une période continue d'au moins cinq semaines au cours de la période d'un an précédant immédiatement l'introduction de la demande d'admission au travail et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi ;
b) l'employeur a fait appel à la gestion active par le Forem du besoin de recrutement pour la fonction concernée par la demande et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi ;
c) à la suite d'une procédure de présélection des candidats menée par le Forem avec l'employeur, le Forem constate ne pas pouvoir présenter un candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante.
La règle visée à l'alinéa 1er, 2°, a), ne s'applique pas lorsque l'annonce de l'offre d'emploi est manifestement restrictive.
§ 3. La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est réputée rencontrée lorsque l'employeur dépose, avec sa demande la preuve qu'il a publié, dans le cadre du règlement (UE) 2016/589 du Parlement européen et du Conseil du 13 avril 2016 relatif à un réseau européen des services de l'emploi (EURES) ; à l'accès des travailleurs aux services de mobilité et à la poursuite de l'intégration des marchés du travail, et modifiant les règlements (UE) n° 492/2011 et (UE) n° 1296/2013, une offre d'emploi relative à la fonction pendant au moins cinq semaines au cours de l'année précédant l'introduction de la demande et qu'aucun candidat apte à exercer la fonction de manière satisfaisante n'a postulé à l'emploi.
La règle visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas lorsque l'annonce de l'offre d'emploi est manifestement restrictive.
§ 4. Dans les autres cas que ceux visés aux paragraphes 2 et 3, le fonctionnaire délégué apprécie si la condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est remplie sur la base des justifications apportées par le demandeur. Il prend en compte les spécificités de l'emploi envisagé, les procédures de recrutement menées, sans succès par l'employeur et la partie du territoire de la région de langue française où l'emploi sera exercé.
Le Ministre communique la liste visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, au Gouvernement. Cette liste est mise à disposition du public.
§ 5. Le présent article s'applique :
1° à tout permis unique visé à la sous-section 1e de la section 2 du présent chapitre ;
2° aux permis de travail B, visé à la section 3 du présent chapitre.
La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux travailleurs visés à l'article 5, alinéa 2, et au Titre 3.
La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, b), ne s'applique pas aux travailleurs détachés.
Art. 3. De afgevaardigde ambtenaar kan alle nuttige informatie vermelden in het besluit tot aflevering van de toelating tot arbeid.
Art. 3. Le fonctionnaire délégué peut mentionner toute information utile dans la décision d'octroi de l'admission au travail.
Afdeling 2. - Gecombineerde vergunning
Section 2. - Permis unique
Art. 4. De toelating tot arbeid voor een periode van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, is vervat in de gecombineerde vergunning of een andere verblijfsvergunning die wordt afgeleverd met het oog op het opnemen van een baan voor een periode van meer dan negentig dagen.
De toelating tot arbeid is alleen geldig als deze wordt gecombineerd met een gunstige verblijfsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Deze verliest van rechtswege zijn geldigheid als de bevoegde federale instantie het verblijfsrecht beëindigt.
De toelating tot arbeid is alleen geldig als deze wordt gecombineerd met een gunstige verblijfsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Deze verliest van rechtswege zijn geldigheid als de bevoegde federale instantie het verblijfsrecht beëindigt.
Art. 4. L'admission au travail pour une période de plus de nonante jours dans une période de cent-quatre-vingts jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980, est contenue dans le permis unique ou un autre titre de séjour délivré en vue d'occuper un emploi pour une période de plus de nonante jours.
L'admission au travail n'est valable que si elle est combinée à une décision favorable de séjour prise par l'Office des étrangers. Elle perd sa validité de plein droit si l'autorité fédérale compétente met fin au droit de séjour.
L'admission au travail n'est valable que si elle est combinée à une décision favorable de séjour prise par l'Office des étrangers. Elle perd sa validité de plein droit si l'autorité fédérale compétente met fin au droit de séjour.
Onderafdeling 1. - Gecombineerde vergunning voor beperkte duur
Sous-section 1ère. - Permis unique pour une durée limitée
Art. 5. De initiële toelating tot arbeid wordt afgeleverd voor een beperkte periode van maximaal een jaar.
In afwijking van het eerste lid worden de volgende onderdanen van derde landen toegelaten om te werken voor de duur van de akte van tewerkstelling of van de opdracht met een maximumduur van zesendertig maanden op voorwaarde dat de individuele jaarrekeningen betreffende de bezoldigingen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten of, bij ontstentenis daarvan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin geen individuele afrekeningen kunnen worden voorgelegd, door de werkgever aan de afgevaardigde ambtenaar worden overgemaakt op de verjaardatum van de afgifte van de gecombineerde vergunning:
1° de hooggekwalificeerde persoon bedoeld in artikel 23;
2° de hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° de persoon die een verantwoordelijke functie uitoefent als bedoeld in de artikelen 28, 29 en 30;
4° de persoon die tewerkgesteld is krachtens een internationaal verdrag als bedoeld in artikel 31;
5° de beroepssporter, scheidsrechter of trainer als bedoeld in de artikelen 32 en 33;
6° de journalist als bedoeld in artikel 36;
7° de persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 51 tot en met 56.
In afwijking van het eerste lid worden de volgende onderdanen van derde landen toegelaten om te werken voor de duur van de akte van tewerkstelling of van de opdracht met een maximumduur van zesendertig maanden op voorwaarde dat de individuele jaarrekeningen betreffende de bezoldigingen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten of, bij ontstentenis daarvan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin geen individuele afrekeningen kunnen worden voorgelegd, door de werkgever aan de afgevaardigde ambtenaar worden overgemaakt op de verjaardatum van de afgifte van de gecombineerde vergunning:
1° de hooggekwalificeerde persoon bedoeld in artikel 23;
2° de hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° de persoon die een verantwoordelijke functie uitoefent als bedoeld in de artikelen 28, 29 en 30;
4° de persoon die tewerkgesteld is krachtens een internationaal verdrag als bedoeld in artikel 31;
5° de beroepssporter, scheidsrechter of trainer als bedoeld in de artikelen 32 en 33;
6° de journalist als bedoeld in artikel 36;
7° de persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 51 tot en met 56.
Art. 5. L'admission initiale au travail est délivrée pour une durée limitée d'un an maximum.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ressortissants de pays tiers suivants sont admis au travail pour la durée du contrat d'occupation ou de la mission, sans pouvoir dépasser une durée maximale de trente-six mois, à condition que les comptes individuels de rémunération annuels visés à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux et à l'arrêté royal du 8 août 1980 relatif à la tenue des documents sociaux ou, à défaut, tout autre document permettant de justifier d'une situation particulière lorsque les comptes individuels ne peuvent pas être remis, soient transmis par l'employeur au fonctionnaire délégué à la date anniversaire de la délivrance du permis unique :
1° la personne hautement qualifiée visée à l'article 23 ;
2° la personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne visée à l'article 25 ;
3° la personne exerçant un poste à responsabilité visée aux articles 28, 29 et 30 ;
4° la personne occupée en vertu d'un traité international visée à l'article 31 ;
5° le sportif professionnel, arbitre ou entraineur visés aux articles 32 et 33 ;
6° le journaliste visé à l'article 36 ;
7° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visé aux articles 51 à 56.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ressortissants de pays tiers suivants sont admis au travail pour la durée du contrat d'occupation ou de la mission, sans pouvoir dépasser une durée maximale de trente-six mois, à condition que les comptes individuels de rémunération annuels visés à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux et à l'arrêté royal du 8 août 1980 relatif à la tenue des documents sociaux ou, à défaut, tout autre document permettant de justifier d'une situation particulière lorsque les comptes individuels ne peuvent pas être remis, soient transmis par l'employeur au fonctionnaire délégué à la date anniversaire de la délivrance du permis unique :
1° la personne hautement qualifiée visée à l'article 23 ;
2° la personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne visée à l'article 25 ;
3° la personne exerçant un poste à responsabilité visée aux articles 28, 29 et 30 ;
4° la personne occupée en vertu d'un traité international visée à l'article 31 ;
5° le sportif professionnel, arbitre ou entraineur visés aux articles 32 et 33 ;
6° le journaliste visé à l'article 36 ;
7° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visé aux articles 51 à 56.
Art. 6. De toelating tot arbeid voor een beperkte periode is van toepassing op de tewerkstelling van een werknemer door één werkgever.
In afwijking van het eerste lid is de toelating tot arbeid niet beperkt tot de tewerkstelling van een werknemer bij één werkgever wanneer het gaat om:
1° een bijkomende activiteit uitgeoefend door een onderdaan van een derde land die tot arbeid is toegelaten op basis van de artikelen 23, 28 en 31, waarvan de duur korter is dan zijn hoofdbetrekking;
2° een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart en die:
a) werkt als internationale docent;
b) gedurende ten minste twaalf maanden in het bezit is geweest van een dergelijke kaart en mits het dienstverband voldoet aan de voorwaarden van artikel 25.
In afwijking van het eerste lid is de toelating tot arbeid niet beperkt tot de tewerkstelling van een werknemer bij één werkgever wanneer het gaat om:
1° een bijkomende activiteit uitgeoefend door een onderdaan van een derde land die tot arbeid is toegelaten op basis van de artikelen 23, 28 en 31, waarvan de duur korter is dan zijn hoofdbetrekking;
2° een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart en die:
a) werkt als internationale docent;
b) gedurende ten minste twaalf maanden in het bezit is geweest van een dergelijke kaart en mits het dienstverband voldoet aan de voorwaarden van artikel 25.
Art. 6. L'admission au travail pour une durée limitée vaut pour l'occupation d'un travailleur par un seul employeur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'admission au travail n'est pas limitée à l'occupation d'un travailleur par un seul employeur lorsqu'il s'agit :
1° d'une activité complémentaire exercée par un ressortissant de pays tiers admise au travail sur base des articles 23, 28 et 31 et dont la durée est inférieure à son occupation principale ;
2° d'une personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne qui :
a) exerce des activités en tant que chargé de cours international ;
b) est titulaire d'une telle carte depuis au moins douze mois et à condition que l'emploi remplisse les conditions prévues à l'article 25.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'admission au travail n'est pas limitée à l'occupation d'un travailleur par un seul employeur lorsqu'il s'agit :
1° d'une activité complémentaire exercée par un ressortissant de pays tiers admise au travail sur base des articles 23, 28 et 31 et dont la durée est inférieure à son occupation principale ;
2° d'une personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne qui :
a) exerce des activités en tant que chargé de cours international ;
b) est titulaire d'une telle carte depuis au moins douze mois et à condition que l'emploi remplisse les conditions prévues à l'article 25.
Art. 7. § 1. Tijdens de tewerkstelling van de werknemer die is toegelaten om voor een beperkte periode te werken, informeert de werkgever de afgevaardigde ambtenaar in geval van verandering van werkgever, een verandering in een essentieel element van de arbeidsovereenkomst die een impact kan hebben op de toelating tot arbeid, een beëindiging van de arbeidsovereenkomst of het einde van de tewerkstelling in België.
Binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van een verandering van werkgever zoals bedoeld in § 2, tweede lid, 1°, a), of van een wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst, informeert de afgevaardigde ambtenaar de werkgever over de regels bepaald in paragraaf 2 en over het feit of het al dan niet nodig is om een nieuwe aanvraag in te dienen.
§ 2. Er moet een nieuwe aanvraag worden ingediend om tot de arbeid toegelaten te worden in geval van:
1° verandering van werkgever;
2° wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst.
2. In afwijking van het eerste lid is er geen nieuwe toelatingsaanvraag vereist indien:
1° de verandering van werkgever:
a) voortvloeit uit een fusie of een splitsing van een rechtspersoon, uit de inbreng van een geheel of een tak van bedrijvigheid, uit de overdracht van een geheel of een tak van bedrijvigheid of uit enige andere contractuele overdracht van een onderneming, in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement;
b) betrekking heeft op een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart, plaatsvindt na twaalf maanden dienstverband en op voorwaarde dat het dienstverband bij de nieuwe werkgever voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel 3;
2° ondanks de wijziging van een essentieel element van de overeenkomst nog steeds voldaan is aan de voorwaarden van deze beschikking.
Binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van een verandering van werkgever zoals bedoeld in § 2, tweede lid, 1°, a), of van een wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst, informeert de afgevaardigde ambtenaar de werkgever over de regels bepaald in paragraaf 2 en over het feit of het al dan niet nodig is om een nieuwe aanvraag in te dienen.
§ 2. Er moet een nieuwe aanvraag worden ingediend om tot de arbeid toegelaten te worden in geval van:
1° verandering van werkgever;
2° wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst.
2. In afwijking van het eerste lid is er geen nieuwe toelatingsaanvraag vereist indien:
1° de verandering van werkgever:
a) voortvloeit uit een fusie of een splitsing van een rechtspersoon, uit de inbreng van een geheel of een tak van bedrijvigheid, uit de overdracht van een geheel of een tak van bedrijvigheid of uit enige andere contractuele overdracht van een onderneming, in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement;
b) betrekking heeft op een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart, plaatsvindt na twaalf maanden dienstverband en op voorwaarde dat het dienstverband bij de nieuwe werkgever voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel 3;
2° ondanks de wijziging van een essentieel element van de overeenkomst nog steeds voldaan is aan de voorwaarden van deze beschikking.
Art. 7. § 1er. Pendant l'occupation du travailleur admis à travailler pour une durée limitée, l'employeur informe le fonctionnaire délégué en cas de changement d'employeur, d'une modification d'un élément essentiel du contrat de travail pouvant avoir un impact sur l'admission au travail, d'une rupture du contrat de travail ou d'une fin d'occupation en Belgique.
Dans les quinze jours ouvrables de la notification d'un changement d'employeur visé au § 2, alinéa 2, 1°, a), ou d'une modification d'un élément essentiel du contrat de travail, le fonctionnaire délégué informe l'employeur des règles énoncées au paragraphe 2 et de la nécessité ou non d'introduire une nouvelle demande.
§ 2. Une nouvelle demande d'admission au travail doit être introduite en cas :
1° de changement d'employeur ;
2° de modification d'un élément essentiel du contrat de travail.
Par dérogation à l'alinéa 1er, une nouvelle demande d'admission n'est pas requise lorsque :
1° le changement d'employeur :
a) résulte d'une fusion ou scission de personne morale, d'apport d'universalité ou de branche d'activité, de cession d'universalité ou de branche d'activité ou de tout autre transfert conventionnel d'entreprise, au sens de la convention collective de travail n° 32bis du 7 juin 1985 concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d'employeur du fait d'un transfert conventionnel d'entreprises et réglant les droits des travailleurs en cas de reprise de l'actif après faillite ;
b) concerne une personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne, intervient après douze mois d'emploi et à condition que l'emploi chez le nouvel employeur remplisse les conditions du chapitre 2 du titre 3 ;
2° les conditions fixées par le présent arrêté demeurent toujours réunies malgré la modification d'un élément essentiel du contrat.
Dans les quinze jours ouvrables de la notification d'un changement d'employeur visé au § 2, alinéa 2, 1°, a), ou d'une modification d'un élément essentiel du contrat de travail, le fonctionnaire délégué informe l'employeur des règles énoncées au paragraphe 2 et de la nécessité ou non d'introduire une nouvelle demande.
§ 2. Une nouvelle demande d'admission au travail doit être introduite en cas :
1° de changement d'employeur ;
2° de modification d'un élément essentiel du contrat de travail.
Par dérogation à l'alinéa 1er, une nouvelle demande d'admission n'est pas requise lorsque :
1° le changement d'employeur :
a) résulte d'une fusion ou scission de personne morale, d'apport d'universalité ou de branche d'activité, de cession d'universalité ou de branche d'activité ou de tout autre transfert conventionnel d'entreprise, au sens de la convention collective de travail n° 32bis du 7 juin 1985 concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d'employeur du fait d'un transfert conventionnel d'entreprises et réglant les droits des travailleurs en cas de reprise de l'actif après faillite ;
b) concerne une personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne, intervient après douze mois d'emploi et à condition que l'emploi chez le nouvel employeur remplisse les conditions du chapitre 2 du titre 3 ;
2° les conditions fixées par le présent arrêté demeurent toujours réunies malgré la modification d'un élément essentiel du contrat.
Onderafdeling 2. - Gecombineerde vergunning voor onbeperkte duur
Sous-section 2. - Permis unique pour une durée illimitée
Art. 8. § 1. Een onderdaan van een derde land heeft voor onbepaalde tijd toelating tot arbeid als hij:
1° het bewijs levert, over een maximumperiode van tien jaar wettelijk en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag:
a) vier jaar te hebben gewerkt met een toelating tot arbeid of een arbeidskaart B; of
b) drie jaar te hebben gewerkt voor een onderdaan van een land waarmee België gebonden is door een internationaal verdrag of overeenkomst inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van een verordening tot omzetting van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, mits hij gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, op basis van een toelating om te werken is tewerkgesteld;
3° in België een Europese blauwe kaart heeft verkregen op voorwaarde dat hij op basis van een toelating tot arbeid gedurende een onderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, tewerkgesteld is geweest.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, wordt de periode van vier jaar arbeid en de periode van drie jaar arbeid telkens met één jaar verminderd indien de echtgeno(o)t(e), de wettelijk samenwonende partner, het kind of de ouder van de onderdaan van een derde land legaal bij hem verblijft.
Bovendien wordt de arbeidsperiode geacht ononderbroken te zijn wanneer:
1° de onderbreking tussen twee opeenvolgende periodes wettelijk verblijf niet meer dan één jaar bedraagt;
2° de afwezigheid het gevolg is van een militaire dienstplicht indien de werknemer uiterlijk zestig dagen na het vervullen van de dienstplicht naar België is teruggekeerd.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld, mits de werknemer regelmatig in dienst was van een in België gevestigde werkgever:
1° periodes van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op weg naar het werk;
2° periodes van moederschapsbescherming, vaderschapsverlof en ouderschapsverlof;
3° periodes van verlof voor mantelzorgers, verlof voor medische bijstand of verlof voor palliatieve zorgen.
§ 4. Worden niet meegeteld de werkjaren met toelatingen tot arbeid of werkvergunningen die afgeleverd worden door de bevoegde autoriteiten, onder welke benaming dan ook, aan:
1° een onderdaan van derde landen die verbonden blijft door een akte van tewerkstelling met een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een onderdaan van derde landen die niet door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever verbonden is.
§ 5. Wanneer een aanvraag als bedoeld in artikel 5 of artikel 10 wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een toelating tot arbeid van beperkte duur ten behoeve van een onderdaan van een derde land die in het Franse taalgebied verblijft, en er aan de voorwaarden van de paragrafen 1 tot en met 4 is voldaan op basis van de gegevens die aan de werknemer zijn medegedeeld of die in zijn dossier zijn opgenomen, kan er aan de werknemer een vergunning voor onbepaalde duur worden afgeleverd, mits hij daar vooraf mee instemt. De afgevaardigde ambtenaar informeert de werkgever en de werknemer.
1° het bewijs levert, over een maximumperiode van tien jaar wettelijk en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag:
a) vier jaar te hebben gewerkt met een toelating tot arbeid of een arbeidskaart B; of
b) drie jaar te hebben gewerkt voor een onderdaan van een land waarmee België gebonden is door een internationaal verdrag of overeenkomst inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van een verordening tot omzetting van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, mits hij gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, op basis van een toelating om te werken is tewerkgesteld;
3° in België een Europese blauwe kaart heeft verkregen op voorwaarde dat hij op basis van een toelating tot arbeid gedurende een onderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, tewerkgesteld is geweest.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, wordt de periode van vier jaar arbeid en de periode van drie jaar arbeid telkens met één jaar verminderd indien de echtgeno(o)t(e), de wettelijk samenwonende partner, het kind of de ouder van de onderdaan van een derde land legaal bij hem verblijft.
Bovendien wordt de arbeidsperiode geacht ononderbroken te zijn wanneer:
1° de onderbreking tussen twee opeenvolgende periodes wettelijk verblijf niet meer dan één jaar bedraagt;
2° de afwezigheid het gevolg is van een militaire dienstplicht indien de werknemer uiterlijk zestig dagen na het vervullen van de dienstplicht naar België is teruggekeerd.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld, mits de werknemer regelmatig in dienst was van een in België gevestigde werkgever:
1° periodes van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op weg naar het werk;
2° periodes van moederschapsbescherming, vaderschapsverlof en ouderschapsverlof;
3° periodes van verlof voor mantelzorgers, verlof voor medische bijstand of verlof voor palliatieve zorgen.
§ 4. Worden niet meegeteld de werkjaren met toelatingen tot arbeid of werkvergunningen die afgeleverd worden door de bevoegde autoriteiten, onder welke benaming dan ook, aan:
1° een onderdaan van derde landen die verbonden blijft door een akte van tewerkstelling met een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een onderdaan van derde landen die niet door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever verbonden is.
§ 5. Wanneer een aanvraag als bedoeld in artikel 5 of artikel 10 wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een toelating tot arbeid van beperkte duur ten behoeve van een onderdaan van een derde land die in het Franse taalgebied verblijft, en er aan de voorwaarden van de paragrafen 1 tot en met 4 is voldaan op basis van de gegevens die aan de werknemer zijn medegedeeld of die in zijn dossier zijn opgenomen, kan er aan de werknemer een vergunning voor onbepaalde duur worden afgeleverd, mits hij daar vooraf mee instemt. De afgevaardigde ambtenaar informeert de werkgever en de werknemer.
Art. 8. § 1er. Un ressortissant d'un pays tiers est admis au travail pour une durée illimitée lorsque celui-ci :
1° justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande :
a) de quatre années de travail couvertes par une admission au travail ou un permis de travail B ; ou
b) de trois années pour le ressortissant d'un pays avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs étrangers ;
2° a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une norme transposant la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée pour autant qu'il ait été occupé sur base d'une admission au travail pendant une période ininterrompue de douze mois, couverte par un séjour légal ;
3° a obtenu une carte bleue européenne en Belgique pour autant qu'il ait été occupé sur base d'une admission au travail pendant une période interrompue de douze mois, couverte par un séjour légal.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, 1°, le délai de quatre années de travail et celui de trois années de travail sont respectivement réduits d'une année si le conjoint, le cohabitant légal, l'enfant ou le parent du ressortissant d'un pays tiers séjourne légalement avec lui.
En outre, la période de travail est réputée ininterrompue lorsque :
1° l'interruption entre deux périodes successives de séjour légal n'est pas supérieure à un an ;
2° l'absence résulte d'une obligation militaire si le travailleur est rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
§ 3. Pour l'application du paragraphe 1er, sont assimilées à des périodes de travail, pour autant que le travailleur était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique :
1° les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident de travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail ;
2° les périodes de protection de la maternité, de congé de paternité, de congé parental ;
3° les périodes de congé pour aidants proches, de congé pour assistance médiale ou de congé pour soins palliatifs.
§ 4. Ne sont pas prises en considération les années d'occupation couvertes par des admissions au travail ou des permis de travail accordés par les autorités compétentes, sous quelque appellation que ce soit, délivrés :
1° à un ressortissant de pays tiers qui reste lié par un acte d'occupation avec un employeur établi à l'étranger ;
2° à un ressortissant de pays tiers qui n'est pas lié à son employeur par un contrat de travail.
§ 5. Lorsqu'une demande visée à l'article 5 ou à l'article 10 est introduite en vue d'obtenir une admission au travail à durée limitée en faveur d'un ressortissant de pays tiers domicilié en région de langue française, et que les conditions des paragraphes 1er à 4 sont remplies sur la base d'informations communiquées ou figurant au dossier du travailleur, une autorisation à durée illimitée peut être délivrée au travailleur moyennant son accord préalable. Le fonctionnaire délégué en informe l'employeur et le travailleur.
1° justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande :
a) de quatre années de travail couvertes par une admission au travail ou un permis de travail B ; ou
b) de trois années pour le ressortissant d'un pays avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs étrangers ;
2° a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une norme transposant la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée pour autant qu'il ait été occupé sur base d'une admission au travail pendant une période ininterrompue de douze mois, couverte par un séjour légal ;
3° a obtenu une carte bleue européenne en Belgique pour autant qu'il ait été occupé sur base d'une admission au travail pendant une période interrompue de douze mois, couverte par un séjour légal.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, 1°, le délai de quatre années de travail et celui de trois années de travail sont respectivement réduits d'une année si le conjoint, le cohabitant légal, l'enfant ou le parent du ressortissant d'un pays tiers séjourne légalement avec lui.
En outre, la période de travail est réputée ininterrompue lorsque :
1° l'interruption entre deux périodes successives de séjour légal n'est pas supérieure à un an ;
2° l'absence résulte d'une obligation militaire si le travailleur est rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
§ 3. Pour l'application du paragraphe 1er, sont assimilées à des périodes de travail, pour autant que le travailleur était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique :
1° les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident de travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail ;
2° les périodes de protection de la maternité, de congé de paternité, de congé parental ;
3° les périodes de congé pour aidants proches, de congé pour assistance médiale ou de congé pour soins palliatifs.
§ 4. Ne sont pas prises en considération les années d'occupation couvertes par des admissions au travail ou des permis de travail accordés par les autorités compétentes, sous quelque appellation que ce soit, délivrés :
1° à un ressortissant de pays tiers qui reste lié par un acte d'occupation avec un employeur établi à l'étranger ;
2° à un ressortissant de pays tiers qui n'est pas lié à son employeur par un contrat de travail.
§ 5. Lorsqu'une demande visée à l'article 5 ou à l'article 10 est introduite en vue d'obtenir une admission au travail à durée limitée en faveur d'un ressortissant de pays tiers domicilié en région de langue française, et que les conditions des paragraphes 1er à 4 sont remplies sur la base d'informations communiquées ou figurant au dossier du travailleur, une autorisation à durée illimitée peut être délivrée au travailleur moyennant son accord préalable. Le fonctionnaire délégué en informe l'employeur et le travailleur.
Art. 9. De buitenlandse werknemer die is toegelaten om voor onbepaalde tijd te werken, mag van bezoldigd beroep of werkgever veranderen zonder een nieuwe aanvraag voor toelating tot arbeid in te dienen.
Art. 9. Le travailleur étranger admis au travail pour une durée illimitée peut changer de profession salariée ou d'employeur sans devoir introduire une nouvelle demande d'admission au travail.
Afdeling 3. - Arbeidskaart B
Section 3. - Permis de travail B
Art. 10. Een arbeidskaart B wordt toegekend aan een onderdaan van derde landen in de volgende arbeidssituaties:
1° de aanvraag voor toelating tot arbeid heeft betrekking op een periode van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
2° het gaat om een onderdaan van een derde land die wordt toegelaten om gedurende een beperkte periode te werken als grensarbeider zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
1° de aanvraag voor toelating tot arbeid heeft betrekking op een periode van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
2° het gaat om een onderdaan van een derde land die wordt toegelaten om gedurende een beperkte periode te werken als grensarbeider zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 10. Un permis de travail B est accordé à un ressortissant d'un pays tiers dans les situations d'occupation suivantes :
1° la demande d'admission au travail porte sur une période qui ne dépasse pas nonante jours dans une période de cent-quatre-vingts jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 ;
2° il s'agit d'un ressortissant de pays tiers admis au travail à durée limitée en tant que travailleur frontalier visé au chapitre VI du titre II de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
1° la demande d'admission au travail porte sur une période qui ne dépasse pas nonante jours dans une période de cent-quatre-vingts jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 ;
2° il s'agit d'un ressortissant de pays tiers admis au travail à durée limitée en tant que travailleur frontalier visé au chapitre VI du titre II de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 11. De arbeidskaart B is geldig voor de tewerkstelling van een werknemer door één werkgever voor een periode van minder dan negentig dagen.
Art. 11. Le permis de travail B vaut pour l'occupation d'un travailleur par un seul employeur pendant une période de moins de nonante jours.
HOOFDSTUK 2. - De aanvraag voor toelating tot arbeid indienen
CHAPITRE 2. - Introduction de la demande d'admission au travail
Art. 12. § 1. Met het oog op de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land dient de werkgever bij de afgevaardigde ambtenaar een aanvraag voor toelating tot arbeid in overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de onderdaan van een derde land. Deze wijst de werkgever uitdrukkelijk aan als zijn vertegenwoordiger.
Deze aanwijzing wordt geacht te zijn vastgesteld:
1° door het sluiten van een akte van tewerkstelling door beide partijen;
2° in geval van detachering, door ondertekening van de detacheringsbrief door beide partijen;
3° in geval van een statutaire tewerkstelling, door het voorleggen van de aanstellingsakte van de werknemer.
De werkgever of zijn lasthebber vult het aanvraagformulier in, dateert het en ondertekent het als vertegenwoordiger van de werknemer.
De afgevaardigde ambtenaar stuurt de onderdaan van een derde land een kopie van elke mededeling die naar zijn vertegenwoordiger werd gestuurd.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 vraagt de onderdaan van een derde land aan de afgevaardigde ambtenaar de toelating tot arbeid bedoeld in de artikelen 8 en 9.
§ 3. De werkgever of zijn vertegenwoordiger en de onderdaan van een derde land dienen de aanvraag in:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
Indien er niet wordt voldaan aan de bepalingen van het eerste lid wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
Het aanvraagformulier bevat:
1° de persoonsgegevens en het e-mailadres van de werkgever of van zijn vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, van de diplomatieke of consulaire post die verantwoordelijk is voor het adres van de onderdaan van een derde land die in het buitenland verblijft op het ogenblik dat de werkgever de aanvraag indient;
2° de persoonsgegevens van de werknemer, met inbegrip van het e-mailadres;
3° de details van de betrekking die de werknemer zal uitoefenen.
De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de onderdaan van een derde land. Deze wijst de werkgever uitdrukkelijk aan als zijn vertegenwoordiger.
Deze aanwijzing wordt geacht te zijn vastgesteld:
1° door het sluiten van een akte van tewerkstelling door beide partijen;
2° in geval van detachering, door ondertekening van de detacheringsbrief door beide partijen;
3° in geval van een statutaire tewerkstelling, door het voorleggen van de aanstellingsakte van de werknemer.
De werkgever of zijn lasthebber vult het aanvraagformulier in, dateert het en ondertekent het als vertegenwoordiger van de werknemer.
De afgevaardigde ambtenaar stuurt de onderdaan van een derde land een kopie van elke mededeling die naar zijn vertegenwoordiger werd gestuurd.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 vraagt de onderdaan van een derde land aan de afgevaardigde ambtenaar de toelating tot arbeid bedoeld in de artikelen 8 en 9.
§ 3. De werkgever of zijn vertegenwoordiger en de onderdaan van een derde land dienen de aanvraag in:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
Indien er niet wordt voldaan aan de bepalingen van het eerste lid wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
Het aanvraagformulier bevat:
1° de persoonsgegevens en het e-mailadres van de werkgever of van zijn vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, van de diplomatieke of consulaire post die verantwoordelijk is voor het adres van de onderdaan van een derde land die in het buitenland verblijft op het ogenblik dat de werkgever de aanvraag indient;
2° de persoonsgegevens van de werknemer, met inbegrip van het e-mailadres;
3° de details van de betrekking die de werknemer zal uitoefenen.
Art. 12. § 1er. En vue de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers, l'employeur demande au fonctionnaire délégué l'admission au travail conformément aux dispositions du présent chapitre.
L'employeur agit à titre de représentant du ressortissant d'un pays tiers. Celui-ci désigne expressément l'employeur comme son représentant.
Cette désignation est réputée établie :
1° par la conclusion d'un acte d'occupation par les deux parties ;
2° en cas de détachement, par la signature par les deux parties de la lettre de détachement ;
3° en cas de travail statutaire, par la production de l'acte de nomination du travailleur.
L'employeur ou son mandataire complète, date et signe le formulaire de demande en tant que représentant du travailleur.
Le fonctionnaire délégué adresse au ressortissant d'un pays tiers une copie de toute communication envoyée à son représentant
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le ressortissant d'un pays tiers demande au fonctionnaire délégué l'admission au travail visée aux articles 8 et 9.
§ 3. L'employeur ou son mandataire et le ressortissant d'un pays tiers introduisent la demande :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier recommandé, par voie électronique ou par toute autre voie conférant date certaine d'envoi dans les autres cas.
En cas de non-respect des dispositions visées à l'alinéa 1er, la demande est déclarée irrecevable.
Le formulaire de demande mentionne :
1° les données personnelles et l'adresse électronique de l'employeur ou de son mandataire et, le cas échéant, de la représentation diplomatique ou consulaire responsable de l'adresse du ressortissant d'un pays tiers résidant à l'étranger au moment où l'employeur introduit la demande ;
2° les données personnelles du travailleur dont l'adresse courriel ;
3° les données détaillées relatives à l'emploi qui sera occupé par le travailleur.
L'employeur agit à titre de représentant du ressortissant d'un pays tiers. Celui-ci désigne expressément l'employeur comme son représentant.
Cette désignation est réputée établie :
1° par la conclusion d'un acte d'occupation par les deux parties ;
2° en cas de détachement, par la signature par les deux parties de la lettre de détachement ;
3° en cas de travail statutaire, par la production de l'acte de nomination du travailleur.
L'employeur ou son mandataire complète, date et signe le formulaire de demande en tant que représentant du travailleur.
Le fonctionnaire délégué adresse au ressortissant d'un pays tiers une copie de toute communication envoyée à son représentant
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le ressortissant d'un pays tiers demande au fonctionnaire délégué l'admission au travail visée aux articles 8 et 9.
§ 3. L'employeur ou son mandataire et le ressortissant d'un pays tiers introduisent la demande :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier recommandé, par voie électronique ou par toute autre voie conférant date certaine d'envoi dans les autres cas.
En cas de non-respect des dispositions visées à l'alinéa 1er, la demande est déclarée irrecevable.
Le formulaire de demande mentionne :
1° les données personnelles et l'adresse électronique de l'employeur ou de son mandataire et, le cas échéant, de la représentation diplomatique ou consulaire responsable de l'adresse du ressortissant d'un pays tiers résidant à l'étranger au moment où l'employeur introduit la demande ;
2° les données personnelles du travailleur dont l'adresse courriel ;
3° les données détaillées relatives à l'emploi qui sera occupé par le travailleur.
Art. 13. Om ontvankelijk te zijn, moet een eerste aanvraag voor de toelating tot arbeid de volgende documenten bevatten:
1° een kopie van het geldige paspoort van de werknemer en, in voorkomend geval, een kopie van het document dat het verblijf van de buitenlandse ingezetene in België dekt;
2° in geval van detachering, een kopie van het door de buitenlandse instelling afgeleverde document waaruit blijkt dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op Belgisch grondgebied of, bij ontstentenis van een internationale overeenkomst ter zake, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden om onderworpen te worden aan het Belgische stelsel voor werknemers in loondienst;
3° als de aanvraag betrekking heeft op de uitoefening van een gereglementeerd beroep, de documenten waaruit blijkt dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden om dit beroep uit te oefenen;
4° voor werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, een afschrift van de akte van tewerkstelling;
5° voor de werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief waarin de duur van de detachering is vastgelegd, alsook de overeengekomen arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode en, in voorkomend geval, het paritair comité waaronder de arbeid valt;
6° voor de werknemers die niet onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, de documenten bedoeld in titel 3, volgens de specifieke categorie waartoe de arbeid behoort;
7° informatie die het mogelijk maakt de beroepskwalificaties van de werknemer te beoordelen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de diploma's.
Op straffe van onontvankelijkheid moeten de documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag voor toelating tot arbeid die wordt ingediend door middel van het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, wanneer deze aanvraag betrekking heeft op onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 1.
1° een kopie van het geldige paspoort van de werknemer en, in voorkomend geval, een kopie van het document dat het verblijf van de buitenlandse ingezetene in België dekt;
2° in geval van detachering, een kopie van het door de buitenlandse instelling afgeleverde document waaruit blijkt dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op Belgisch grondgebied of, bij ontstentenis van een internationale overeenkomst ter zake, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden om onderworpen te worden aan het Belgische stelsel voor werknemers in loondienst;
3° als de aanvraag betrekking heeft op de uitoefening van een gereglementeerd beroep, de documenten waaruit blijkt dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden om dit beroep uit te oefenen;
4° voor werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, een afschrift van de akte van tewerkstelling;
5° voor de werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief waarin de duur van de detachering is vastgelegd, alsook de overeengekomen arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode en, in voorkomend geval, het paritair comité waaronder de arbeid valt;
6° voor de werknemers die niet onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, de documenten bedoeld in titel 3, volgens de specifieke categorie waartoe de arbeid behoort;
7° informatie die het mogelijk maakt de beroepskwalificaties van de werknemer te beoordelen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de diploma's.
Op straffe van onontvankelijkheid moeten de documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag voor toelating tot arbeid die wordt ingediend door middel van het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, wanneer deze aanvraag betrekking heeft op onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 1.
Art. 13. Une demande initiale d'admission au travail contient, pour être recevable, les documents suivants :
1° une copie du passeport valable du travailleur et, le cas échéant, une copie du document couvrant le séjour du ressortissant étranger en Belgique ;
2° en cas de détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère déclarant que la législation de sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'emploi sur le territoire belge ou, en l'absence d'un accord international à cet égard, une déclaration de l'Office national de sécurité sociale indiquant que les conditions pour être soumis au régime belge des travailleurs salariés ne sont pas remplies ;
3° lorsque la demande concerne l'exercice d'une profession réglementée, les documents prouvant que le travailleur remplit les conditions d'exercice de cette profession ;
4° pour les travailleurs soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, la copie de l'acte d'occupation ;
5° pour les travailleurs soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que le travail convenu, les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement et, le cas échéant, la commission paritaire dont il ressort ;
6° pour les travailleurs qui ne sont pas soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er les documents prévus au titre 3, selon la catégorie spécifique à laquelle appartient le travail ;
7° les éléments permettant d'évaluer la qualification professionnelle du travailleur, y compris, le cas échéant, les diplômes.
Sous peine d'irrecevabilité, sont joints à la demande initiale d'admission au travail introduite par le formulaire visé à l'article 12, § 3, les documents mentionnés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 lorsque cette demande porte sur la sous-section 1ère de la Section 2 du Chapitre 1er.
1° une copie du passeport valable du travailleur et, le cas échéant, une copie du document couvrant le séjour du ressortissant étranger en Belgique ;
2° en cas de détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère déclarant que la législation de sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'emploi sur le territoire belge ou, en l'absence d'un accord international à cet égard, une déclaration de l'Office national de sécurité sociale indiquant que les conditions pour être soumis au régime belge des travailleurs salariés ne sont pas remplies ;
3° lorsque la demande concerne l'exercice d'une profession réglementée, les documents prouvant que le travailleur remplit les conditions d'exercice de cette profession ;
4° pour les travailleurs soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, la copie de l'acte d'occupation ;
5° pour les travailleurs soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que le travail convenu, les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement et, le cas échéant, la commission paritaire dont il ressort ;
6° pour les travailleurs qui ne sont pas soumis à la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er les documents prévus au titre 3, selon la catégorie spécifique à laquelle appartient le travail ;
7° les éléments permettant d'évaluer la qualification professionnelle du travailleur, y compris, le cas échéant, les diplômes.
Sous peine d'irrecevabilité, sont joints à la demande initiale d'admission au travail introduite par le formulaire visé à l'article 12, § 3, les documents mentionnés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 lorsque cette demande porte sur la sous-section 1ère de la Section 2 du Chapitre 1er.
Art. 14. Overeenkomstig artikel 25, lid 2, van de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2018 kan de onderdaan van een derde land of de werkgever tijdens de behandeling van de aanvraag worden verzocht binnen 15 dagen aanvullende informatie of documenten te verstrekken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om na te gaan of aan de voorwaarden voor de toelating tot arbeid is voldaan. In dat geval vermeldt de afgevaardigde ambtenaar de toelatingsvoorwaarde die wordt geverifieerd door de aanvullende informatie of het document. Bij gebreke daarvan zijn alleen de in artikel 13 bedoelde documenten vereist.
In afwijking van het eerste lid kan de afgevaardigde ambtenaar, onder opgave van bijzondere redenen, de termijn verlengen als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de complexiteit van het verzoek, waarbij deze verlenging niet meer dan dertig dagen mag bedragen.
In afwijking van het eerste lid kan de afgevaardigde ambtenaar, onder opgave van bijzondere redenen, de termijn verlengen als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de complexiteit van het verzoek, waarbij deze verlenging niet meer dan dertig dagen mag bedragen.
Art. 14. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, pendant l'examen de la demande, le ressortissant d'un pays tiers ou l'employeur peut être invité à fournir des informations ou des documents complémentaires dans les quinze jours dans la stricte mesure de ce qui est nécessaire à la vérification des conditions d'admission au travail. Dans ce cas, le fonctionnaire délégué cite la condition d'admission qui est vérifiée par l'information ou le document complémentaire. A défaut de cette citation, seuls les documents visés à l'article 13 sont exigibles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le fonctionnaire délégué peut, de manière spécialement motivée, proroger le délai en raison de circonstances exceptionnelles liées à la complexité de la demande, sans que cette prorogation puisse dépasser les trente jours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le fonctionnaire délégué peut, de manière spécialement motivée, proroger le délai en raison de circonstances exceptionnelles liées à la complexité de la demande, sans que cette prorogation puisse dépasser les trente jours.
Art. 15. Wanneer de aanvrager krachtens dit decreet een kopie van een arbeidsovereenkomst moet bijvoegen, bevat deze de persoonsgegevens van de werkgever en van de werknemer, de duur en de plaats van het werk, de werktijden, het salaris en het nummer van het paritaire comité waaronder de werkgever valt, de functie die de werknemer bekleedt en de indeling van de functie. Het moet naar behoren worden ingevuld, gedateerd en ondertekend door beide partijen.
Art. 15. Lorsqu'en vertu du présent arrêté le demandeur doit joindre une copie d'un contrat de travail, celui-ci contient les renseignements personnels de l'employeur et du travailleur, la durée et le lieu de travail, l'horaire de travail, le salaire et le numéro de la commission paritaire à laquelle l'employeur ressort, le poste occupé par le travailleur et la classification du poste. Il doit être dûment rempli, daté et signé par les deux parties.
Art. 16. In het geval van een aanvraag voor toelating tot arbeid voor onbepaalde tijd, moeten op het aanvraagformulier worden vermeld:
1° de persoonsgegevens van de onderdaan van het derde land waaronder het e-mailadres;
2° de gegevens met betrekking tot vorige arbeidsperiodes in België.
De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
1° een kopie van de loonfiches of een individuele bezoldigingsrekening voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
2° een kopie van de op het ogenblik van de indiening van de aanvraag geldende akte van tewerkstelling.
De documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag tot toelating om voor onbepaalde duur te werken.
1° de persoonsgegevens van de onderdaan van het derde land waaronder het e-mailadres;
2° de gegevens met betrekking tot vorige arbeidsperiodes in België.
De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
1° een kopie van de loonfiches of een individuele bezoldigingsrekening voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
2° een kopie van de op het ogenblik van de indiening van de aanvraag geldende akte van tewerkstelling.
De documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag tot toelating om voor onbepaalde duur te werken.
Art. 16. En cas de demande d'admission au travail pour une durée illimitée, le formulaire de demande mentionne :
1° les données personnelles du ressortissant du pays tiers dont l'adresse courriel ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Les documents suivants sont joints à la demande :
1° une copie des fiches de paie ou un compte individuel de rémunération pour la période complète de l'admission au travail la plus récente ;
2° une copie de l'acte d'occupation en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
Sont joints à la demande initiale d'admission au travail pour une durée illimitée les documents mentionnés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980.
1° les données personnelles du ressortissant du pays tiers dont l'adresse courriel ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Les documents suivants sont joints à la demande :
1° une copie des fiches de paie ou un compte individuel de rémunération pour la période complète de l'admission au travail la plus récente ;
2° une copie de l'acte d'occupation en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
Sont joints à la demande initiale d'admission au travail pour une durée illimitée les documents mentionnés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980.
Art. 17. De aanvrager voegt een vertaalde versie bij van de in dit besluit bedoelde documenten die niet in het Frans zijn opgesteld, onverminderd de mogelijkheid van de afgevaardigde ambtenaar om met aanvragers die in een ander taalgebied wonen, te corresponderen in de taal die de betrokken personen gebruiken.
Art. 17. Le demandeur joint une version traduite des documents visés par le présent arrêté, qui ne sont pas établis dans la langue française, sans préjudice de la faculté qui est laissée au fonctionnaire délégué de correspondre, avec les demandeurs résidant dans une autre région linguistique, dans la langue dont les intéressés font usage.
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing van de toelating tot arbeid
CHAPITRE 3. - Renouvellement de l'admission au travail
Art. 18. § 1. Wanneer de aanvankelijke toelating tot arbeid wordt verleend voor een periode van meer dan twaalf maanden, kan ze worden vernieuwd voor de duur van de akte van tewerkstelling, zonder een nieuwe maximumperiode van zesendertig maanden te overschrijden, op voorwaarde dat de werkgever aan de afgevaardigde ambtenaar de volgende documenten bezorgt op de verjaardatum van de toelating tot arbeid:
1° de individuele jaarlijkse bezoldigingsrekeningen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
2° of, bij gebrek daaraan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin de individuele rekeningen niet kunnen worden voorgelegd.
In geval van een voorlopige toelating tot arbeid als bedoeld in artikel 74, tweede lid, wordt automatisch aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden geacht te zijn voldaan indien de aanvraag tot hernieuwing betrekking heeft op dezelfde werkgever en dezelfde functie als die waarvoor de vorige toelating werd verleend.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toestemming heeft gekregen tot arbeid voor een periode van ten hoogste negentig dagen en die de duur van zijn verblijf met het oog op werk wenst te verlengen met een vaste periode die de totale periode van negentig dagen waarop de toelating(en) tot arbeid betrekking heeft, overschrijdt, dient een aanvraag in overeenkomstig de procedure die is vastgesteld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
1° de individuele jaarlijkse bezoldigingsrekeningen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
2° of, bij gebrek daaraan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin de individuele rekeningen niet kunnen worden voorgelegd.
In geval van een voorlopige toelating tot arbeid als bedoeld in artikel 74, tweede lid, wordt automatisch aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden geacht te zijn voldaan indien de aanvraag tot hernieuwing betrekking heeft op dezelfde werkgever en dezelfde functie als die waarvoor de vorige toelating werd verleend.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toestemming heeft gekregen tot arbeid voor een periode van ten hoogste negentig dagen en die de duur van zijn verblijf met het oog op werk wenst te verlengen met een vaste periode die de totale periode van negentig dagen waarop de toelating(en) tot arbeid betrekking heeft, overschrijdt, dient een aanvraag in overeenkomstig de procedure die is vastgesteld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
Art. 18. § 1er. Lorsque l'admission initiale au travail est octroyée pour une durée supérieure à douze mois, elle peut être renouvelée pour la durée de l'acte d'occupation, sans pouvoir dépasser une nouvelle durée maximale de trente-six mois, à condition que l'employeur transmette au fonctionnaire délégué, à la date d'anniversaire de l'admission au travail, les documents suivants :
1° les comptes individuels de rémunération annuels visés à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relative à la tenue des documents sociaux et à l'arrêté royal du 8 août 1980 relatif à la tenue des documents sociaux ;
2° ou, à défaut, tout autre document permettant de justifier d'une situation particulière lorsque les comptes individuels ne peuvent pas être remis.
Dans le cas de l'admission au travail provisoire visée à l'article 74, alinéa 2, les conditions visées à l'alinéa 1er sont d'office réputées remplies si la demande de renouvellement porte sur le même employeur et concerne la même fonction que celle pour laquelle l'admission précédente a été délivrée.
§ 2. Le ressortissant d'un pays tiers qui autorisé à travailler pour une période de nonante jours maximum, et qui veut prolonger la durée de son séjour à des fins de travail pour une durée déterminée qui dépasse la période totale de nonante jours couverts pas la ou les admissions au travail, introduit une demande conformément à la procédure prévue au chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.
1° les comptes individuels de rémunération annuels visés à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relative à la tenue des documents sociaux et à l'arrêté royal du 8 août 1980 relatif à la tenue des documents sociaux ;
2° ou, à défaut, tout autre document permettant de justifier d'une situation particulière lorsque les comptes individuels ne peuvent pas être remis.
Dans le cas de l'admission au travail provisoire visée à l'article 74, alinéa 2, les conditions visées à l'alinéa 1er sont d'office réputées remplies si la demande de renouvellement porte sur le même employeur et concerne la même fonction que celle pour laquelle l'admission précédente a été délivrée.
§ 2. Le ressortissant d'un pays tiers qui autorisé à travailler pour une période de nonante jours maximum, et qui veut prolonger la durée de son séjour à des fins de travail pour une durée déterminée qui dépasse la période totale de nonante jours couverts pas la ou les admissions au travail, introduit une demande conformément à la procédure prévue au chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.
Art. 19. § 1. De aanvraag voor de hernieuwing van de toelating tot arbeid wordt ingediend:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
§ 2. De aanvraag voor vernieuwing mag niet eerder dan vier maanden en niet later dan één maand voor de vervaldatum van de vorige toelating tot arbeid worden ingediend.
In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor de hernieuwing van de toelating tot arbeid ingediend:
1° voor seizoenarbeiders ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige toelating;
2° voor een arbeidskaart B, ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de vorige toelating.
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
§ 2. De aanvraag voor vernieuwing mag niet eerder dan vier maanden en niet later dan één maand voor de vervaldatum van de vorige toelating tot arbeid worden ingediend.
In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor de hernieuwing van de toelating tot arbeid ingediend:
1° voor seizoenarbeiders ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige toelating;
2° voor een arbeidskaart B, ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de vorige toelating.
Art. 19. § 1er. La demande de renouvellement de l'admission au travail est introduite :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier recommandé, par voie électronique ou par toute autre voie conférant date certaine d'envoi dans les autres cas.
§ 2. La demande de renouvellement est introduite au plus tôt quatre mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'admission au travail précédente.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la demande de renouvellement de l'admission au travail est introduite :
1° pour le travailleur saisonnier, au plus tôt deux mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'admission précédente ;
2° pour le permis de travail B, au plus tôt deux mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'autorisation précédente.
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier recommandé, par voie électronique ou par toute autre voie conférant date certaine d'envoi dans les autres cas.
§ 2. La demande de renouvellement est introduite au plus tôt quatre mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'admission au travail précédente.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la demande de renouvellement de l'admission au travail est introduite :
1° pour le travailleur saisonnier, au plus tôt deux mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'admission précédente ;
2° pour le permis de travail B, au plus tôt deux mois et au plus tard un mois avant l'échéance de la validité de l'autorisation précédente.
Art. 20. De aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid heeft betrekking op een tewerkstelling die rechtstreeks aansluit op de vorige toelating tot arbeid, bij dezelfde werkgever, onverminderd artikel 7, § 2, tweede lid, 1°, en voor dezelfde functies. Als dit niet mogelijk is, moet de houder een nieuwe aanvraag indienen.
Voor onderwijsgevende functies in het leerplichtig onderwijs, het hoger onderwijs of het onderwijs voor sociale promotie wordt de nieuwe toelating tot arbeid geacht rechtstreeks te volgen op de vorige toelating als de nieuwe toelating onmiddellijk na het einde van de schoolvakantie na de vorige toelating tot arbeid begint.
Voor onderwijsgevende functies in het leerplichtig onderwijs, het hoger onderwijs of het onderwijs voor sociale promotie wordt de nieuwe toelating tot arbeid geacht rechtstreeks te volgen op de vorige toelating als de nieuwe toelating onmiddellijk na het einde van de schoolvakantie na de vorige toelating tot arbeid begint.
Art. 20. La demande de renouvellement de l'admission au travail concerne une occupation directement consécutive à l'admission au travail précédente, auprès du même employeur, sans préjudice de l'article 7, § 2, alinéa 2, 1°, et pour les mêmes fonctions. A défaut, le titulaire introduit une nouvelle demande.
Pour les fonctions de professeur dans l'enseignement obligatoire, l'enseignement supérieur ou l'enseignement de promotion sociale, la nouvelle admission de travail est réputée directement consécutive à l'admission précédente si cette nouvelle admission débute immédiatement au terme des vacances scolaires qui suivent l'admission au travail précédente.
Pour les fonctions de professeur dans l'enseignement obligatoire, l'enseignement supérieur ou l'enseignement de promotion sociale, la nouvelle admission de travail est réputée directement consécutive à l'admission précédente si cette nouvelle admission débute immédiatement au terme des vacances scolaires qui suivent l'admission au travail précédente.
Art. 21. Op de hernieuwingsaanvraag zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen, vermeld in artikel 13, eerste lid, 2°, 3° en 7°.
Voor een hernieuwingsaanvraag voor de toelating tot arbeid wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, automatisch geacht te zijn vervuld.
Voor een hernieuwingsaanvraag voor de toelating tot arbeid wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, automatisch geacht te zijn vervuld.
Art. 21. Les dispositions du Chapitre 2, à l'exclusion des dispositions visées à l'article 13, alinéa 1er, 2°, 3° et 7°, sont applicables à la demande de renouvellement.
Pour la demande de renouvellement de l'admission au travail, la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, est d'office réputée remplie.
Pour la demande de renouvellement de l'admission au travail, la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, est d'office réputée remplie.
TITEL 3. - Specifieke werknemerscategorieën
TITRE 3. - Les catégories spécifiques de travailleurs
Art. 22. De voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op de in deze titel bedoelde werknemerscategorieën die met het oog op hun toelating tot arbeid aan bijzondere voorwaarden onderworpen zijn.
In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999 kan de in deze titel bedoelde werknemer België zijn binnengekomen om er te werken voordat de werkgever een toelating tot arbeid heeft gekregen
In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999 kan de in deze titel bedoelde werknemer België zijn binnengekomen om er te werken voordat de werkgever een toelating tot arbeid heeft gekregen
Art. 22. La condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux catégories de travailleurs visées au présent titre sont soumises à des conditions spécifiques en vue de leur admission au travail.
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi du 30 avril 1999 le travailleur visé au présent titre peut avoir pénétré en Belgique en vue d'y être occupé avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi du 30 avril 1999 le travailleur visé au présent titre peut avoir pénétré en Belgique en vue d'y être occupé avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation
HOOFDSTUK 1. - De hooggekwalificeerde persoon
CHAPITRE 1er. - La personne hautement qualifiée
Art. 23. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de hooggekwalificeerde persoon, op voorwaarde dat hij kan aantonen:
1° kwalificaties van ten minste niveau 6 van het Europees kwalificatiekader te hebben;
2° dat zijn jaarlijkse bezoldiging ten minste 50.310 euro bedraagt, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werknemer wordt geacht over de hogere beroepskwalificaties, bedoeld in het eerste lid, 1°, te beschikken als hij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:
1° houder zijn van een diploma hoger onderwijs;
2° een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën zijn;
3° ten minste drie jaar relevante beroepservaring hebben opgedaan in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een arbeidsvergunning.
Indien de hooggekwalificeerde op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt, bedraagt de vereiste bezoldiging ten minste 80% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, 2°.
Wanneer aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, 1°, is voldaan en het in het Franse taalgebied algemeen geldende loon voor de betrokken functie duidelijk hoger is dan de loongrens, bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de toelating tot arbeid enkel op basis van dit hoofdstuk worden verleend.
1° kwalificaties van ten minste niveau 6 van het Europees kwalificatiekader te hebben;
2° dat zijn jaarlijkse bezoldiging ten minste 50.310 euro bedraagt, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werknemer wordt geacht over de hogere beroepskwalificaties, bedoeld in het eerste lid, 1°, te beschikken als hij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:
1° houder zijn van een diploma hoger onderwijs;
2° een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën zijn;
3° ten minste drie jaar relevante beroepservaring hebben opgedaan in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een arbeidsvergunning.
Indien de hooggekwalificeerde op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt, bedraagt de vereiste bezoldiging ten minste 80% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, 2°.
Wanneer aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, 1°, is voldaan en het in het Franse taalgebied algemeen geldende loon voor de betrokken functie duidelijk hoger is dan de loongrens, bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de toelating tot arbeid enkel op basis van dit hoofdstuk worden verleend.
Art. 23. Le fonctionnaire délégué admet à travailler la personne hautement qualifiée, à condition qu'elle démontre :
1° des qualifications de niveau 6 minimum du cadre européen de certification ;
2° que sa rémunération annuelle s'élève à au moins 50.310 euros, calculée et adaptée conformément à l'article 81.
Le travailleur est réputé disposer des qualifications professionnelles supérieures visées à l'alinéa 1er, 1°, lorsqu'il remplit au moins une des conditions suivantes :
1° il est titulaire d'un diplôme de l'enseignement supérieur ;
2° il est un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou un spécialiste dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ;
3° il a acquis au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente au cours des sept années précédant la demande de permis de travail.
Lorsque la personne hautement qualifiée n'a pas atteint l'âge de trente ans au moment de l'introduction de la demande, la rémunération exigée atteint au moins 80 % du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
Lorsque la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, est remplie et que le salaire généralement applicable en région de langue française pour la fonction concernée est manifestement supérieur au seuil de rémunération visé à l'alinéa 1er, 2°, l'admission au travail ne peut être octroyée que sur la base du présent chapitre.
1° des qualifications de niveau 6 minimum du cadre européen de certification ;
2° que sa rémunération annuelle s'élève à au moins 50.310 euros, calculée et adaptée conformément à l'article 81.
Le travailleur est réputé disposer des qualifications professionnelles supérieures visées à l'alinéa 1er, 1°, lorsqu'il remplit au moins une des conditions suivantes :
1° il est titulaire d'un diplôme de l'enseignement supérieur ;
2° il est un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou un spécialiste dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ;
3° il a acquis au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente au cours des sept années précédant la demande de permis de travail.
Lorsque la personne hautement qualifiée n'a pas atteint l'âge de trente ans au moment de l'introduction de la demande, la rémunération exigée atteint au moins 80 % du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
Lorsque la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, est remplie et que le salaire généralement applicable en région de langue française pour la fonction concernée est manifestement supérieur au seuil de rémunération visé à l'alinéa 1er, 2°, l'admission au travail ne peut être octroyée que sur la base du présent chapitre.
Art. 24. De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald, in voorkomend geval vertaald, of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 23, tweede lid, 2° of 3°.
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald, in voorkomend geval vertaald, of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 23, tweede lid, 2° of 3°.
Art. 24. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes d'études supérieures obtenus par le travailleur, traduits le cas échéant ou, à défaut, les éléments justifiant du respect de l'article 23, alinéa 2, 2° ou 3°.
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes d'études supérieures obtenus par le travailleur, traduits le cas échéant ou, à défaut, les éléments justifiant du respect de l'article 23, alinéa 2, 2° ou 3°.
HOOFDSTUK 2. - Onderdanen van derde landen die een Europese blauwe kaart aanvragen
CHAPITRE 2. - Le ressortissant de pays tiers sollicitant une carte bleue européenne
Art. 25. § 1. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
Voor de toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent op basis van een Europese blauwe kaart de toelating tot arbeid aan de persoon die:
1° een akte van tewerkstelling voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd van ten minste zes maanden overlegt;
2° een jaarlijkse bezoldiging ontvangt van 65.053 euro of meer, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81;
3° aantoont dat hij over hogere beroepskwalificaties beschikt, verbonden aan een diploma uitgereikt door een onderwijsinstelling die als instelling voor hoger onderwijs erkend is door de staat waar die instelling gevestigd is.
Indien de onderdaan van een derde land op het ogenblik van de indiening van de aanvraag minder dan drie jaar geleden een diploma van hoger onderwijs heeft behaald, bedraagt de vereiste bezoldiging minstens 80% van het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°.
De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de houder van een Europese blauwe kaart die sinds ten minste twaalf maanden werd uitgereikt door een lidstaat van de Europese Unie en die voldoet aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, indien nodig, aangepast overeenkomstig het tweede lid.
§ 3. Ervaring wordt gelijkgesteld aan hogere beroepskwalificaties als tegelijk aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
1° de buitenlandse werknemer is een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën;
2° de buitenlandse werknemer heeft ten minste drie jaar relevante beroepservaring verworven in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag van een Europese blauwe kaart.
Voor de toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent op basis van een Europese blauwe kaart de toelating tot arbeid aan de persoon die:
1° een akte van tewerkstelling voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd van ten minste zes maanden overlegt;
2° een jaarlijkse bezoldiging ontvangt van 65.053 euro of meer, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81;
3° aantoont dat hij over hogere beroepskwalificaties beschikt, verbonden aan een diploma uitgereikt door een onderwijsinstelling die als instelling voor hoger onderwijs erkend is door de staat waar die instelling gevestigd is.
Indien de onderdaan van een derde land op het ogenblik van de indiening van de aanvraag minder dan drie jaar geleden een diploma van hoger onderwijs heeft behaald, bedraagt de vereiste bezoldiging minstens 80% van het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°.
De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de houder van een Europese blauwe kaart die sinds ten minste twaalf maanden werd uitgereikt door een lidstaat van de Europese Unie en die voldoet aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, indien nodig, aangepast overeenkomstig het tweede lid.
§ 3. Ervaring wordt gelijkgesteld aan hogere beroepskwalificaties als tegelijk aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
1° de buitenlandse werknemer is een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën;
2° de buitenlandse werknemer heeft ten minste drie jaar relevante beroepservaring verworven in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag van een Europese blauwe kaart.
Art. 25. § 1er. Ce chapitre transpose partiellement la directive (UE) 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil.
Aux fins de cet article, les dispositions du chapitre 1er du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
§ 2. Le fonctionnaire délégué admet à travailler au titre de carte bleue européenne la personne qui :
1° présente un acte d'occupation à durée indéterminée ou à durée déterminée d'au moins six mois ;
2° perçoit une rémunération annuelle égale ou supérieure à 65.053 euros, calculée et ajustée conformément à l'article 81 ;
3° démontre des qualifications professionnelles supérieures liées à un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel cet établissement est établi.
Lorsque, s au moment de l'introduction de la demande, le ressortissant de pays tiers a obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur depuis moins de trois ans, la rémunération exigée atteint au moins 80 % du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
Le fonctionnaire délégué admet à travailler le titulaire d'une carte bleue européenne délivrée par un Etat membre de l'Union européenne depuis au moins douze mois, qui remplit les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, le cas échéant adaptée conformément à l'alinéa 2.
§ 3. L'expérience est assimilée à des qualifications professionnelles supérieures si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° le travailleur étranger est un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou un spécialiste dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ;
2° le travailleur étranger a acquis au moins trois années d'expérience professionnelle pertinente au cours des sept années précédant la demande de carte bleue européenne.
Aux fins de cet article, les dispositions du chapitre 1er du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
§ 2. Le fonctionnaire délégué admet à travailler au titre de carte bleue européenne la personne qui :
1° présente un acte d'occupation à durée indéterminée ou à durée déterminée d'au moins six mois ;
2° perçoit une rémunération annuelle égale ou supérieure à 65.053 euros, calculée et ajustée conformément à l'article 81 ;
3° démontre des qualifications professionnelles supérieures liées à un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel cet établissement est établi.
Lorsque, s au moment de l'introduction de la demande, le ressortissant de pays tiers a obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur depuis moins de trois ans, la rémunération exigée atteint au moins 80 % du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
Le fonctionnaire délégué admet à travailler le titulaire d'une carte bleue européenne délivrée par un Etat membre de l'Union européenne depuis au moins douze mois, qui remplit les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, le cas échéant adaptée conformément à l'alinéa 2.
§ 3. L'expérience est assimilée à des qualifications professionnelles supérieures si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° le travailleur étranger est un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou un spécialiste dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ;
2° le travailleur étranger a acquis au moins trois années d'expérience professionnelle pertinente au cours des sept années précédant la demande de carte bleue européenne.
Art. 26. Wanneer de toelating tot arbeid op basis van de Europese blauwe kaart overeenkomstig artikel 6, tweede lid, niet beperkt is tot de tewerkstelling bij één enkele werkgever, brengt de nieuwe werkgever in geval van verandering van werkgever de afgevaardigde ambtenaar daarvan op de hoogte, met vermelding van zijn gegevens en die van de werknemer, alsook van de duur van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 25, § 2, eerste lid, 1°, en het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 25, § 2, eerste lid, 2°.
Deze vereiste schort het recht van de houder van de Europese blauwe kaart om de nieuwe baan te aanvaarden en uit te oefenen niet op.
Deze vereiste schort het recht van de houder van de Europese blauwe kaart om de nieuwe baan te aanvaarden en uit te oefenen niet op.
Art. 26. Lorsque, conformément à l'article 6, alinéa 2, l'admission au travail au titre de la carte bleue européenne n'est pas limitée à l'occupation d'un seul employeur, en cas de changement d'employeur, le nouvel employeur informe le fonctionnaire délégué en renseignant ses coordonnées et celles du travailleur, ainsi que la durée du contrat de travail visée à l'article 25, § 2, alinéa 1er, 1°, et le montant de la rémunération visé à l'article 25, § 2, alinéa 1er, 2°.
Cette exigence ne suspend pas le droit du titulaire d'une carte bleue européenne d'accepter et d'exercer le nouvel emploi.
Cette exigence ne suspend pas le droit du titulaire d'une carte bleue européenne d'accepter et d'exercer le nouvel emploi.
Art. 27. Voor de hooggekwalificeerde houder van een Europese blauwe kaart voegt de werkgever bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, de volgende documenten:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° een kopie van de door de werknemer behaalde diploma's van het hoger onderwijs of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 25, § 3.
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° een kopie van de door de werknemer behaalde diploma's van het hoger onderwijs of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 25, § 3.
Art. 27. Pour la personne hautement qualifiée titulaire d'une carte bleue européenne, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° une copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par le travailleur ou, à défaut, les éléments justifiant du respect de l'article 25, § 3.
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° une copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par le travailleur ou, à défaut, les éléments justifiant du respect de l'article 25, § 3.
HOOFDSTUK 3. - Mensen in verantwoordelijke posities
CHAPITRE 3. - La personne exerçant un poste à responsabilité
Art. 28. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de betrokken directieleden op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging ten minste 83.936 euro bedraagt, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art. 28. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le membre du personnel de direction à condition que sa rémunération annuelle s'élève à au moins 83.936 euros, calculée et adaptée conformément à l'article 81.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle il détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle il détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
Art. 29. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer die een verantwoordelijke functie uitoefent in een luchtvaartmaatschappij met een vestiging in een Franstalig gebied.
Voor de in het eerste lid bedoelde werknemer voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Voor de in het eerste lid bedoelde werknemer voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art. 29. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne ayant une unité d'établissement en région de langue française.
Pour le travailleur visé à l'alinéa 1er, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
Pour le travailleur visé à l'alinéa 1er, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
Art. 30. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer in dienst die in zijn land van herkomst een verantwoordelijke functie bekleedt in een toerismebureau.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art. 30. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur qui exerce, dans son pays d'origine., une fonction à responsabilité dans un office de tourisme.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
HOOFDSTUK 4. - De persoon die krachtens een internationaal verdrag wordt tewerkgesteld
CHAPITRE 4. - La personne occupée en vertu d'un traité international
Art. 31. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een onderdaan van een derde land die tewerkgesteld is in het kader van een internationaal verdrag dat door een federale, gewestelijke overheid of gemeenschapsoverheid is goedgekeurd binnen het kader van haar bevoegdheden.
Onverminderd de in het betrokken internationale verdrag bepaalde voorwaarden voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° als het gaat om een werknemer die is tewerkgesteld in het kader van internationale verdragen, een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° indien het een ambtenaar betreft die krachtens een internationaal verdrag is gedetacheerd, een afschrift van de akte van benoeming, vergezeld van een akte van detachering;
4° in het geval van een stagiair tewerkgesteld in het kader van een internationaal verdrag, een afschrift van de stageovereenkomst;
5° de verwijzing naar het internationale verdrag en de akte van bekrachtiging.
Onverminderd de in het betrokken internationale verdrag bepaalde voorwaarden voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° als het gaat om een werknemer die is tewerkgesteld in het kader van internationale verdragen, een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° indien het een ambtenaar betreft die krachtens een internationaal verdrag is gedetacheerd, een afschrift van de akte van benoeming, vergezeld van een akte van detachering;
4° in het geval van een stagiair tewerkgesteld in het kader van een internationaal verdrag, een afschrift van de stageovereenkomst;
5° de verwijzing naar het internationale verdrag en de akte van bekrachtiging.
Art. 31. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le ressortissant de pays tiers occupé en vertu d'un traité international approuvé par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de ses compétences.
Sans préjudice des conditions prévues par le traité international concerné, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° dans le cas d'un travailleur occupé en vertu de traités internationaux, une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° dans le cas d'un fonctionnaire nommé détaché en vertu d'un traité international, une copie de l'acte de nomination accompagnée d'un acte de détachement ;
4° dans le cas d'un stagiaire occupé en vertu d'un traité international, une copie de la convention de stage ;
5° la référence du traité international et de l'acte le ratifiant.
Sans préjudice des conditions prévues par le traité international concerné, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° dans le cas d'un travailleur occupé en vertu de traités internationaux, une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° dans le cas d'un fonctionnaire nommé détaché en vertu d'un traité international, une copie de l'acte de nomination accompagnée d'un acte de détachement ;
4° dans le cas d'un stagiaire occupé en vertu d'un traité international, une copie de la convention de stage ;
5° la référence du traité international et de l'acte le ratifiant.
HOOFDSTUK 5. - Professionele sportbeoefenaars, scheidsrechters en trainers
CHAPITRE 5. - Le sportif professionnel, l'arbitre et l'entraîneur
Art. 32. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan professionele sportbeoefenaars, scheidsrechters en trainers gebonden door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging niet lager is dan het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 23, eerste lid, 2°.
Een toelating tot arbeid voor een professionele sportbeoefenaar, scheidsrechter of trainer mag alleen worden verleend op basis van de voorwaarden die in dit hoofdstuk zijn voorzien.
§ 2. De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die hij krachtens de artikelen 13 en 14 moet voegen, een kopie van de arbeidsovereenkomst van de betaalde sportbeoefenaar bedoeld in de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
Een toelating tot arbeid voor een professionele sportbeoefenaar, scheidsrechter of trainer mag alleen worden verleend op basis van de voorwaarden die in dit hoofdstuk zijn voorzien.
§ 2. De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die hij krachtens de artikelen 13 en 14 moet voegen, een kopie van de arbeidsovereenkomst van de betaalde sportbeoefenaar bedoeld in de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
Art. 32. § 1er. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le sportif professionnel, l'arbitre et l'entraîneur lié par un contrat de travail pour sportif rémunéré, à condition que sa rémunération annuelle ne soit pas inférieure au montant de rémunération visé à l'article 23, alinéa 1er, 2°.
Une admission au travail pour un sportif professionnel, arbitre ou entraîneur ne peut être octroyée que sur la base des conditions prévues au présent chapitre.
§ 2. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, une copie du contrat de travail de sportif rémunéré visé aux articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail des sportifs rémunérés.
Une admission au travail pour un sportif professionnel, arbitre ou entraîneur ne peut être octroyée que sur la base des conditions prévues au présent chapitre.
§ 2. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, une copie du contrat de travail de sportif rémunéré visé aux articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail des sportifs rémunérés.
Art. 33. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een trainer die niet gebonden is door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat zijn jaarlijkse bezoldiging niet lager is dan het in artikel 34, eerste lid, bedoelde bezoldigingsbedrag.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een kopie van de arbeidsovereenkomst.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een kopie van de arbeidsovereenkomst.
Art. 33. Le fonctionnaire délégué admet à travailler, l'entraîneur qui n'est pas lié par un contrat de travail pour sportifs rémunérés, à condition que sa rémunération annuelle ne soit pas inférieure au montant de rémunération visé à l'article 34, alinéa 1er.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, une copie du contrat de travail.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, une copie du contrat de travail.
HOOFDSTUK 6. - De kunstwerker
CHAPITRE 6. - Le travailleur des arts
Art. 34. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de kunstwerker op voorwaarde dat zijn bezoldiging niet minder bedraagt dan 41.969 euro, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de kunstenaar;
2° een brief met toelichting van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot de arbeidsmarkt.
De akte van tewerkstelling, vermeld in het tweede lid, 1°, bevat de volgende gegevens:
1° een beschrijving van de diensten die door de kunstwerker zullen worden verleend;
2° de data en locaties van de voorstellingen waarvoor de kunstwerker werd aangeworven;
3° de gewerkte uren en hun verdeling per dag en per week;
4° het brutobedrag van het dag-, week- of maandloon;
5° de plaats, de wijze en de periode van betaling van het loon;
6° een clausule die voorziet in de tenlasteneming door de werkgever van de verplaatsingskosten tussen de woonplaats van de kunstenaar in het buitenland en de plaats van de artistieke uitvoering;
7° een clausule die bepaalt dat indien de kunstwerker geen recht heeft op uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkgever gedurende een periode van minstens één maand medische en farmaceutische bijstand verleent
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de kunstenaar;
2° een brief met toelichting van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot de arbeidsmarkt.
De akte van tewerkstelling, vermeld in het tweede lid, 1°, bevat de volgende gegevens:
1° een beschrijving van de diensten die door de kunstwerker zullen worden verleend;
2° de data en locaties van de voorstellingen waarvoor de kunstwerker werd aangeworven;
3° de gewerkte uren en hun verdeling per dag en per week;
4° het brutobedrag van het dag-, week- of maandloon;
5° de plaats, de wijze en de periode van betaling van het loon;
6° een clausule die voorziet in de tenlasteneming door de werkgever van de verplaatsingskosten tussen de woonplaats van de kunstenaar in het buitenland en de plaats van de artistieke uitvoering;
7° een clausule die bepaalt dat indien de kunstwerker geen recht heeft op uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkgever gedurende een periode van minstens één maand medische en farmaceutische bijstand verleent
Art. 34. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur des arts, à condition que sa rémunération ne soit pas inférieure à 41.969 euros, calculée et ajustée conformément à l'article 81.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation de l'artiste ;
2° une lettre comprenant une explication de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'accès à l'emploi.
L'acte d'occupation visé à l'alinéa 2, 1°, contient les éléments suivants :
1° une description des prestations à fournir par le travailleur des arts ;
2° les dates et lieux de représentations pour lesquels le travailleur des arts a été recruté ;
3° les heures prestées et leur répartition par jour et par semaine ;
4° le montant brut du salaire journalier, hebdomadaire ou mensuel ;
5° le lieu, le mode et la période du paiement du salaire ;
6° une clause prévoyant la prise en charge par l'employeur des frais de voyage entre le lieu de résidence de l'artiste à l'étranger et le lieu de la prestation artistique ;
7° une clause prévoyant qu'en l'absence pour le travailleur des arts du droit de bénéficier des prestations de l'assurance maladie-invalidité, l'employeur assure l'assistance médico-pharmaceutique pendant une durée d'au moins un mois
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation de l'artiste ;
2° une lettre comprenant une explication de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'accès à l'emploi.
L'acte d'occupation visé à l'alinéa 2, 1°, contient les éléments suivants :
1° une description des prestations à fournir par le travailleur des arts ;
2° les dates et lieux de représentations pour lesquels le travailleur des arts a été recruté ;
3° les heures prestées et leur répartition par jour et par semaine ;
4° le montant brut du salaire journalier, hebdomadaire ou mensuel ;
5° le lieu, le mode et la période du paiement du salaire ;
6° une clause prévoyant la prise en charge par l'employeur des frais de voyage entre le lieu de résidence de l'artiste à l'étranger et le lieu de la prestation artistique ;
7° une clause prévoyant qu'en l'absence pour le travailleur des arts du droit de bénéficier des prestations de l'assurance maladie-invalidité, l'employeur assure l'assistance médico-pharmaceutique pendant une durée d'au moins un mois
HOOFDSTUK 7. - De bedienaar van een eredienst en de afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie
CHAPITRE 7. - Le Ministre d'un culte et le délégué d'une organisation philosophique non-confessionnelle
Art. 35. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de bedienaar van een eredienst, evenals aan de afgevaardigde van niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties die door de federale overheid zijn erkend, op voorwaarde dat zijn activiteit betrekking heeft op het ambt binnen een plaatselijke geloofsgemeenschap, in de zin van artikel 2, 7° van het decreet van 18 mei 2017 betreffende de erkenning van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten.
De toelating tot arbeid voor een bedienaar van een erkende eredienst en een afgevaardigde van een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie kan enkel worden verleend op basis van de voorwaarden bepaald in dit artikel.
§ 2. De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° het bewijs dat het gaat om een plaatselijke religieuze gemeenschap van een erkende eredienst of een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie, erkend overeenkomstig het decreet van 18 mei 2017 betreffende de erkenning en de verplichtingen van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten;
2° het bewijs dat de betrokkene een bedienaar van de eredienst of een afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie is.
Het bewijs wordt geleverd door een kopie van de akte van benoeming door de federale overheid of door een bewijs van benoeming door het Belgische hoofd van de erkende eredienst of levensbeschouwelijke organisatie. De duur van de opdracht en de middelen van bestaan staan op dit bewijs vermeld.
De toelating tot arbeid voor een bedienaar van een erkende eredienst en een afgevaardigde van een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie kan enkel worden verleend op basis van de voorwaarden bepaald in dit artikel.
§ 2. De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° het bewijs dat het gaat om een plaatselijke religieuze gemeenschap van een erkende eredienst of een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie, erkend overeenkomstig het decreet van 18 mei 2017 betreffende de erkenning en de verplichtingen van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten;
2° het bewijs dat de betrokkene een bedienaar van de eredienst of een afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie is.
Het bewijs wordt geleverd door een kopie van de akte van benoeming door de federale overheid of door een bewijs van benoeming door het Belgische hoofd van de erkende eredienst of levensbeschouwelijke organisatie. De duur van de opdracht en de middelen van bestaan staan op dit bewijs vermeld.
Art. 35. § 1er. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le Ministre du culte ainsi que le délégué des organisations philosophiques non-confessionnelles reconnus par l'autorité fédérale, à condition que son activité concerne le ministère au sein d'une communauté cultuelle locale, au sens de l'article 2, 7° du décret du 18 mai 2017 relatif à la reconnaissance des établissements chargés de la gestion du temporel des cultes reconnus.
L'admission au travail pour un Ministre du culte reconnu et d'un délégué d'une organisation philosophique non-confessionnelle reconnue par l'autorité fédérale ne peut être octroyée que sur base des conditions prévues au présent article.
§ 2. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la preuve qu'il s'agit d'une communauté cultuelle locale d'un culte reconnu ou d'une organisation philosophique non-confessionnelle par l'autorité fédérale, reconnue en vertu du décret du 18 mai 2017 relatif à la reconnaissance et aux obligations des établissements chargés de la gestion du temporel des cultes reconnus ;
2° la preuve que l'intéressé est Ministre du culte ou délégué d'une organisation philosophique non-confessionnelle.
La preuve est apportée par une copie de l'acte de nomination de l'autorité fédérale ou par la preuve de la nomination par le responsable belge du culte ou de l'organisation philosophique reconnu. La durée de la mission et les moyens de subsistance sont indiqués sur cette preuve.
L'admission au travail pour un Ministre du culte reconnu et d'un délégué d'une organisation philosophique non-confessionnelle reconnue par l'autorité fédérale ne peut être octroyée que sur base des conditions prévues au présent article.
§ 2. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la preuve qu'il s'agit d'une communauté cultuelle locale d'un culte reconnu ou d'une organisation philosophique non-confessionnelle par l'autorité fédérale, reconnue en vertu du décret du 18 mai 2017 relatif à la reconnaissance et aux obligations des établissements chargés de la gestion du temporel des cultes reconnus ;
2° la preuve que l'intéressé est Ministre du culte ou délégué d'une organisation philosophique non-confessionnelle.
La preuve est apportée par une copie de l'acte de nomination de l'autorité fédérale ou par la preuve de la nomination par le responsable belge du culte ou de l'organisation philosophique reconnu. La durée de la mission et les moyens de subsistance sont indiqués sur cette preuve.
HOOFDSTUK 8. - De journalist
CHAPITRE 8. - Le journaliste
Art. 36. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een journalist die uitsluitend verbonden is aan een in het buitenland gevestigd medium en die regelmatig en rechtstreeks bijdraagt tot het verzamelen, schrijven, produceren of verspreiden van informatie ten behoeve van het publiek.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de tijdelijke of permanente perskaart van de journalist, afgeleverd door de bevoegde Belgische autoriteiten.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de tijdelijke of permanente perskaart van de journalist, afgeleverd door de bevoegde Belgische autoriteiten.
Art. 36. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le journaliste qui est lié exclusivement à un média établi à l'étranger et qui contribue régulièrement et directement à la collecte, la rédaction, la production ou la diffusion d'informations au profit du public.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation ;
2° en cas de détachement, une lettre de détachement signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, ainsi que les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents.
HOOFDSTUK 9. - De gespecialiseerde technicus
CHAPITRE 9. - Le technicien spécialisé
Art. 37. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de gespecialiseerde technicus wanneer:
1° hij door een akte van tewerkstelling verbonden is aan een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° hij naar België komt om een door deze werkgever in het buitenland vervaardigde of geleverde installatie te monteren, in bedrijf te stellen of te herstellen of om de voormelde diensten te verlenen in het kader van een waarborg die verbonden is aan de oorspronkelijke levering,
3° hij naar België komt voor een periode van maximaal zes maanden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de leveringsbon waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus dient te monteren, in werking te stellen of te herstellen, werd vervaardigd of geleverd door zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitendomein van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
3° een kopie van de akte van tewerkstelling tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, eventueel vergezeld van een vertaalde versie;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
1° hij door een akte van tewerkstelling verbonden is aan een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° hij naar België komt om een door deze werkgever in het buitenland vervaardigde of geleverde installatie te monteren, in bedrijf te stellen of te herstellen of om de voormelde diensten te verlenen in het kader van een waarborg die verbonden is aan de oorspronkelijke levering,
3° hij naar België komt voor een periode van maximaal zes maanden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de leveringsbon waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus dient te monteren, in werking te stellen of te herstellen, werd vervaardigd of geleverd door zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitendomein van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
3° een kopie van de akte van tewerkstelling tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, eventueel vergezeld van een vertaalde versie;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art. 37. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le technicien spécialisé lorsque :
1° il est lié par un acte d'occupation à un employeur établi à l'étranger ;
2° il vient en Belgique pour monter, mettre en service ou réparer une installation fabriquée ou fournie par cet employeur à l'étranger ou pour fournir les services précités dans le cadre d'une garantie liée à la fourniture initiale,
3° il vient en Belgique pour une période maximale de six mois.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie du bon de livraison prouvant que l'installation que le technicien spécialisé vient assembler, initier ou réparer, a été fabriquée ou fournie par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note indiquant le secteur et le domaine d'activité de l'employeur qui est établi à l'étranger et qui détache son employé ;
3° une copie de l'acte d'occupation entre le technicien et son employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
4° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
1° il est lié par un acte d'occupation à un employeur établi à l'étranger ;
2° il vient en Belgique pour monter, mettre en service ou réparer une installation fabriquée ou fournie par cet employeur à l'étranger ou pour fournir les services précités dans le cadre d'une garantie liée à la fourniture initiale,
3° il vient en Belgique pour une période maximale de six mois.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie du bon de livraison prouvant que l'installation que le technicien spécialisé vient assembler, initier ou réparer, a été fabriquée ou fournie par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note indiquant le secteur et le domaine d'activité de l'employeur qui est établi à l'étranger et qui détache son employé ;
3° une copie de l'acte d'occupation entre le technicien et son employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
4° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
HOOFDSTUK 10. - De zeeman
CHAPITRE 10. - Le marin
Art. 38. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de zeeman.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden aan boord van zeeschepen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake tewerkstelling, gedateerd en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn lasthebber of de kapitein.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden aan boord van zeeschepen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake tewerkstelling, gedateerd en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn lasthebber of de kapitein.
Art. 38. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le marin.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, la copie du contrat d'engagement maritime à bord de navires de mer conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, la copie du contrat d'engagement maritime à bord de navires de mer conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.
HOOFDSTUK 11. - Personeel belast met het onderhoud van graven van militairen met buitenlandse nationaliteit
CHAPITRE 11. - Le personnel qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère
Art. 39. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan het personeel dat verantwoordelijk is voor het onderhoud van de graven van militairen met buitenlandse nationaliteit.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° elk document waaruit blijkt dat de werknemer in dienst is van een officiële instelling belast met het onderhoud van militaire graven, met het oog op het verzekeren van het onderhoud van de graven van militairen van buitenlandse nationaliteit;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° elk document waaruit blijkt dat de werknemer in dienst is van een officiële instelling belast met het onderhoud van militaire graven, met het oog op het verzekeren van het onderhoud van de graven van militairen van buitenlandse nationaliteit;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
Art. 39. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le personnel qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien des sépultures militaires, en vue d'assurer l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère ;
2° la copie de l'acte d'occupation.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien des sépultures militaires, en vue d'assurer l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère ;
2° la copie de l'acte d'occupation.
HOOFDSTUK 12. - Langdurig ingezetenen in een andere EU-lidstaat
CHAPITRE 12. - Le résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne
Art. 40. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een buitenlandse ingezetene die in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene heeft verkregen op grond van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de betrokkene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen en waarop uitdrukkelijk de gelijkwaardige vermelding van "langdurig EU-ingezetene" is aangebracht;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de betrokkene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen en waarop uitdrukkelijk de gelijkwaardige vermelding van "langdurig EU-ingezetene" is aangebracht;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
Art. 40. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le ressortissant étranger qui a obtenu le statut de résidence de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne sur base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la copie du titre de séjour de résident de longue durée, obtenu par l'intéressé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention équivalente de " Résident de longue durée-UE " ;
2° la copie de l'acte d'occupation.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la copie du titre de séjour de résident de longue durée, obtenu par l'intéressé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention équivalente de " Résident de longue durée-UE " ;
2° la copie de l'acte d'occupation.
HOOFDSTUK 13. - Seizoenarbeiders
CHAPITRE 13. - Le travailleur saisonnier
Art. 41. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
Art. 41. Le présent chapitre transpose partiellement la directive 2014/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi en tant que travailleur saisonnier.
Art. 42. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 42. Aux fins du présent chapitre, les dispositions du chapitre 2 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
Art. 43. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan seizoenarbeiders op voorwaarde dat ze gebonden zijn door een akte van tewerkstelling aan een werkgever voor een activiteit die onderhevig is aan het ritme van de seizoenen. Onder een activiteit die onderhevig is aan het ritme van de seizoenen wordt verstaan een activiteit die gekoppeld is aan een bepaalde tijd van het jaar met een terugkerende situatie of een reeks terugkerende gebeurtenissen die verband houden met seizoensomstandigheden waarin de behoefte aan arbeidskrachten aanzienlijk groter is dan die welke nodig is voor normale activiteiten, d.w.z. activiteiten in de land- en tuinbouw en de horeca.
Art. 43. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur saisonnier, à condition que celui-ci soit lié par un acte d'occupation à un employeur pour une activité soumise au rythme des saisons. Par activité soumise au rythme des saisons, il faut entendre une activité en lien avec une certaine époque de l'année présentant une situation récurrente ou une suite d'évènements récurrents liés aux conditions saisonnières pendant lesquels les besoins de main d'oeuvre sont nettement supérieurs à ceux qui sont nécessaires dans le cadre des activités courantes, à savoir l'activité dans le secteur de l'agriculture, de l'horticulture et de la restauration.
Art. 44. In afwijking van artikel 5, eerste lid, mogen seizoenarbeiders maximaal vijf maanden per periode van twaalf maanden werken.
Art. 44. Par dérogation à l'article 5, alinéa 1er, le travailleur saisonnier est admis au travail pour une durée maximale de cinq mois par période de douze mois.
Art. 45. Als de afgevaardigde ambtenaar de arbeidsvergunning intrekt door de fout van de werkgever, moet de werkgever een vergoeding betalen aan de seizoenarbeider. Deze compensatie dekt het salaris dat de seizoenarbeider had moeten ontvangen en alle andere verplichtingen die de werkgever niet is nagekomen en had moeten nakomen als de vergunning voor seizoenarbeid niet was ingetrokken.
Art. 45. Lorsque le fonctionnaire délégué retire l'autorisation d'occupation par faute de l'employeur, ce dernier verse une indemnité au travailleur saisonnier. Cette indemnité couvre le salaire que le travailleur saisonnier aurait dû percevoir et toute autre obligation dont l'employeur ne s'est pas acquitté et qu'il aurait dû respecter si l'autorisation délivrée aux fins d'un travail saisonnier n'avait pas été retirée.
Art. 46. Voor de toepassing van artikel 45 wordt de intrekking van de tewerkstellingsvergunning toegeschreven aan de schuld van de werkgever wanneer:
1° hij werd bestraft voor zwartwerk;
2° zijn bedrijf het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een faillissements- of vereffeningsprocedure of er geen economische activiteit wordt uitgeoefend;
3° hij een sanctie opgelegd heeft gekregen krachtens de wet van 30 april 1999;
4° hij zijn verplichtingen op het vlak van sociale zekerheid, fiscaliteit, arbeidsrechten en welzijn op het werk niet is nagekomen;
5° hij zijn verplichtingen uit hoofde van de akte van tewerkstelling niet is nagekomen;
6° de aanvrager in de twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacature te creëren waarin hij met een beroep op dit hoofdstuk tracht te voorzien;
7° de door of via de werkgever verstrekte huisvesting niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 16 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.
1° hij werd bestraft voor zwartwerk;
2° zijn bedrijf het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een faillissements- of vereffeningsprocedure of er geen economische activiteit wordt uitgeoefend;
3° hij een sanctie opgelegd heeft gekregen krachtens de wet van 30 april 1999;
4° hij zijn verplichtingen op het vlak van sociale zekerheid, fiscaliteit, arbeidsrechten en welzijn op het werk niet is nagekomen;
5° hij zijn verplichtingen uit hoofde van de akte van tewerkstelling niet is nagekomen;
6° de aanvrager in de twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacature te creëren waarin hij met een beroep op dit hoofdstuk tracht te voorzien;
7° de door of via de werkgever verstrekte huisvesting niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 16 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.
Art. 46. Pour l'application de l'article 45, le retrait de l'autorisation d'occupation est imputé à la faute de l'employeur lorsque :
1° il a été sanctionné pour travail non déclaré ;
2° son activité fait ou a fait l'objet d'une procédure de faillite, de liquidation ou qu'aucune activité économique n'est exercée ;
3° il a été sanctionné en vertu de la loi du 30 avril 1999 ;
4° il a manqué à ses obligations en matière de sécurité sociale, de fiscalité, de droits du travail, de bien-être au travail ;
5° il n'a pas satisfait à ses obligations découlant de l'acte d'occupation ;
6° dans les douze mois précédant immédiatement la date de la demande, il a supprimé un emploi à temps plein afin de créer la vacance de poste à laquelle il essaie de pourvoir en recourant au présent chapitre ;
7° le logement mis à disposition par l'employeur ou par son intermédiaire ne remplit pas les conditions visées à l'article 16 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.
1° il a été sanctionné pour travail non déclaré ;
2° son activité fait ou a fait l'objet d'une procédure de faillite, de liquidation ou qu'aucune activité économique n'est exercée ;
3° il a été sanctionné en vertu de la loi du 30 avril 1999 ;
4° il a manqué à ses obligations en matière de sécurité sociale, de fiscalité, de droits du travail, de bien-être au travail ;
5° il n'a pas satisfait à ses obligations découlant de l'acte d'occupation ;
6° dans les douze mois précédant immédiatement la date de la demande, il a supprimé un emploi à temps plein afin de créer la vacance de poste à laquelle il essaie de pourvoir en recourant au présent chapitre ;
7° le logement mis à disposition par l'employeur ou par son intermédiaire ne remplit pas les conditions visées à l'article 16 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.
Art. 47. Ten minste om de vijf jaar informeert de minister de Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië over de maatregelen die de regering heeft genomen om de toelating tot arbeid te vergemakkelijken van onderdanen van derde landen die als seizoenarbeider zijn toegelaten tot een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op werk als seizoenarbeider.
Art. 47. Au moins une fois tous les cinq ans, le Ministre informe le Conseil économique, social et environnemental de Wallonie des mesures prises par le Gouvernement pour faciliter l'admission au travail des ressortissants de pays tiers qui ont été admis dans un des Etats membres de l'Espace économique européen en tant que travailleurs saisonniers au titre de la directive 2014/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi en tant que travailleur saisonnier.
HOOFDSTUK 14. - Werknemers in opleiding
CHAPITRE 14. - Le travailleur en formation
Art. 48. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een werknemer die gebonden is door een akte van tewerkstelling met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgt in een bedrijf waarvan de bedrijfseenheid gevestigd is in een Franstalig gebied, in het kader van een opleidingsovereenkomst die wordt toegevoegd aan een verkoopovereenkomst tussen dit bedrijf en het buitenlandse bedrijf, op voorwaarde dat de duur van deze opleiding niet langer is dan zes maanden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de verkoopovereenkomst tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever, die ook voorziet in de opleiding van de gedetacheerde werknemers.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de verkoopovereenkomst tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever, die ook voorziet in de opleiding van de gedetacheerde werknemers.
Art. 48. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur qui est lié par un acte d'occupation à un employeur établi à l'étranger et qui suit une formation professionnelle spécifique dans une entreprise dont l'unité d'établissement est établie en région de langue française dans le cadre d'un contrat de formation ajouté à un contrat de vente entre cette entreprise et l'entreprise étrangère, à condition que la durée de cette formation ne dépasse pas six mois.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation liant le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie du contrat de vente entre la société belge et l'employeur établi à l'étranger prévoyant, en outre, la formation des travailleurs en situation de détachement.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation liant le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie du contrat de vente entre la société belge et l'employeur établi à l'étranger prévoyant, en outre, la formation des travailleurs en situation de détachement.
Art. 49. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een werknemer die in dienst is van een buitenlandse onderneming en die naar België komt om een opleiding te volgen op de Belgische hoofdzetel van de groep ondernemingen waartoe de onderneming behoort in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de ondernemingen van de groep.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° het bewijs dat de Belgische hoofdzetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst met vermelding van de duur van de opleiding;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° het bewijs dat de Belgische hoofdzetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst met vermelding van de duur van de opleiding;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art. 49. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur occupé par une société étrangère qui vient en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe de sociétés auquel appartient la société dans le cadre d'une convention de formation entre les sociétés de ce groupe.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la copie de l'acte d'occupation liant le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient ;
3° la copie du contrat de formation mentionnant la durée de la formation ;
4° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la copie de l'acte d'occupation liant le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient ;
3° la copie du contrat de formation mentionnant la durée de la formation ;
4° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement.
HOOFDSTUK 15. - De werknemer als onderdeel van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep
CHAPITRE 15. - Le travailleur s'inscrivant dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe
Art. 50. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 50. Le présent chapitre transpose partiellement la directive 2014/66/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe.
Pour l'application du présent chapitre, les dispositions du chapitre 3 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
Pour l'application du présent chapitre, les dispositions du chapitre 3 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
Art. 51. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer die het voorwerp is van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980 wanneer:
1° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
2° de overgeplaatste werknemer onmiddellijk vóór de datum van de overplaatsing ten minste drie opeenvolgende maanden als ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair in dienst is geweest van die vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de overgeplaatste werknemer beschikt over een kwalificatie van minstens niveau 6 van het Europees kwalificatiekader in het geval van een ICT-stagiair;
4° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige overplaatsingsduur binnen de onderneming niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
1° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
2° de overgeplaatste werknemer onmiddellijk vóór de datum van de overplaatsing ten minste drie opeenvolgende maanden als ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair in dienst is geweest van die vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de overgeplaatste werknemer beschikt over een kwalificatie van minstens niveau 6 van het Europees kwalificatiekader in het geval van een ICT-stagiair;
4° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige overplaatsingsduur binnen de onderneming niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
Art. 51. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le travailleur faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe de plus de nonante jours dans une période de cent-quatre-vingts jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsque :
1° l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou groupe de sociétés ;
2° immédiatement avant la date du transfert, le travailleur transféré est employé par cette société ou ce groupe de sociétés pendant au moins trois mois consécutifs en tant que cadre ICT, expert ICT ou employé stagiaire ICT ;
3° le travailleur transféré possède un diplôme d'au minimum le niveau 6 du cadre européen de certification s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT ;
4° la rémunération du travailleur transféré n'est pas moins favorable pendant toute la durée du transfert intra-entreprise que celle de postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou aux pratiques en vigueur.
1° l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou groupe de sociétés ;
2° immédiatement avant la date du transfert, le travailleur transféré est employé par cette société ou ce groupe de sociétés pendant au moins trois mois consécutifs en tant que cadre ICT, expert ICT ou employé stagiaire ICT ;
3° le travailleur transféré possède un diplôme d'au minimum le niveau 6 du cadre européen de certification s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT ;
4° la rémunération du travailleur transféré n'est pas moins favorable pendant toute la durée du transfert intra-entreprise que celle de postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou aux pratiques en vigueur.
Art. 52. § 1. De toelating tot arbeid voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend in overeenstemming met artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, wordt toegekend voor de duur van de overplaatsing, met een maximumduur van drie jaar voor ICT-managers en ICT-deskundigen en een maximumduur van één jaar voor ICT-stagiairs.
De in lid 1 bedoelde periode kan elke periode van mobiliteit naar andere lidstaten van de Europese Unie omvatten.
§ 2. Wanneer de maximale duur van de tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in paragraaf 1 is bereikt, kan voor dezelfde werknemer enkel een nieuwe aanvraag voor overplaatsing binnen een groep worden ingediend na het verstrijken van een termijn van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
De in lid 1 bedoelde periode kan elke periode van mobiliteit naar andere lidstaten van de Europese Unie omvatten.
§ 2. Wanneer de maximale duur van de tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in paragraaf 1 is bereikt, kan voor dezelfde werknemer enkel een nieuwe aanvraag voor overplaatsing binnen een groep worden ingediend na het verstrijken van een termijn van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
Art. 52. § 1er. L'admission au travail pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe de plus de nonante jours dans une période de cent-quatre-vingts jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980, est accordée pour la durée du transfert, avec une durée maximale de trois ans pour les cadres ICT et les experts ICT et une durée maximale d'un an pour les employés stagiaires ICT.
La période visée à l'alinéa 1er peut inclure toute période de mobilité vers d'autres Etats membres de l'Union européenne.
§ 2. Lorsque la durée maximale du transfert temporaire intragroupe visée au paragraphe 1er est atteinte, une nouvelle demande de transfert intragroupe ne peut être introduite pour ce même travailleur qu'à l'expiration d'une période de nonante jours dans une période de cent-quatre-vingt jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980.
La période visée à l'alinéa 1er peut inclure toute période de mobilité vers d'autres Etats membres de l'Union européenne.
§ 2. Lorsque la durée maximale du transfert temporaire intragroupe visée au paragraphe 1er est atteinte, une nouvelle demande de transfert intragroupe ne peut être introduite pour ce même travailleur qu'à l'expiration d'une période de nonante jours dans une période de cent-quatre-vingt jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980.
Art. 53. De toelating tot arbeid wordt verleend als onderdeel van een aanvraag voor een langlopende mobiliteitsvergunning als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° de onderdaan van een derde land is houder van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat tijdens de hele procedure;
2° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige tijdelijke overplaatsing binnen de groep is niet minder gunstig dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
1° de onderdaan van een derde land is houder van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat tijdens de hele procedure;
2° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige tijdelijke overplaatsing binnen de groep is niet minder gunstig dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
Art. 53. L'admission au travail est accordée dans le cadre d'une demande de permis de mobilité de longue durée si les conditions suivantes sont remplies :
1° le ressortissant d'un pays tiers est titulaire d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe en cours de validité délivré par le premier Etat membre tout au long de la procédure ;
2° l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés ;
3° la rémunération du travailleur transféré n'est pas moins favorable pendant toute la durée du transfert temporaire intragroupe que celle des postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou aux pratiques en vigueur.
1° le ressortissant d'un pays tiers est titulaire d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe en cours de validité délivré par le premier Etat membre tout au long de la procédure ;
2° l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés ;
3° la rémunération du travailleur transféré n'est pas moins favorable pendant toute la durée du transfert temporaire intragroupe que celle des postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou aux pratiques en vigueur.
Art. 54. Voor ICT-managers en ICT-deskundigen die het voorwerp uitmaken van een verzoek tot overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
Art. 54. Pour le cadre ICT et l'expert ICT faisant l'objet d'une demande de transfert intragroupe de plus de nonante jours, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation entre le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminé la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par le travailleur ;
4° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés.
1° une copie de l'acte d'occupation entre le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminé la durée du détachement, la description du poste et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par le travailleur ;
4° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés.
Art. 55. Voor een ICT-stagiair die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een kopie van de stageovereenkomst, ondertekend door de werkgever en de werknemer, waarin de duur van de detachering, het opleidingsprogramma en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de periode van detachering zijn opgenomen;
3° een kopie van de universitaire diploma's die de betrokkene heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een kopie van de stageovereenkomst, ondertekend door de werkgever en de werknemer, waarin de duur van de detachering, het opleidingsprogramma en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de periode van detachering zijn opgenomen;
3° een kopie van de universitaire diploma's die de betrokkene heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
Art. 55. Pour l'employé stagiaire ICT faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe de plus de nonante jours, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14 les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation entre le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une copie de la convention de stage, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, le programme de formation et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes universitaires obtenus par l'intéressé ;
4° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou groupe de sociétés.
1° une copie de l'acte d'occupation entre le travailleur et son employeur établi à l'étranger ;
2° une copie de la convention de stage, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, le programme de formation et les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° une copie des diplômes universitaires obtenus par l'intéressé ;
4° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou groupe de sociétés.
Art. 56. Voor de ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair die het voorwerp uitmaakt van een aanvraag tot langetermijnmobiliteit, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat en geldig voor de duur van de procedure;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode;
3° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
1° een kopie van de vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat en geldig voor de duur van de procedure;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode;
3° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
Art. 56. Pour le cadre ICT, l'expert ICT ou l'employé stagiaire ICT faisant l'objet d'une demande de mobilité de longue durée, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre et valable pendant la durée de la procédure ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés.
1° une copie du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre et valable pendant la durée de la procédure ;
2° une lettre de détachement, signée par l'employeur et le travailleur, dans laquelle est déterminée la durée du détachement, la description du poste les conditions d'emploi et de rémunération pendant la durée du détachement ;
3° la preuve que l'entité hôte et la société établie dans un pays tiers appartiennent à la même société ou au même groupe de sociétés.
HOOFDSTUK 16. - Stagiairs, au pairs en vrijwilligers
CHAPITRE 16. - Le stagiaire, le jeune au pair et le volontaire
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1e. - Dispositions générales
Art. 57. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
Art. 57. Le présent chapitre transpose partiellement la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
Art. 58. Voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 zijn de bepalingen van hoofdstuk 5, titel II, van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 58. Aux fins des sections 2 et 3, les dispositions du chapitre 5, titre II, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent.
Afdeling 2. - De stagiair
Section 2. - Le stagiaire
Art. 59. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de stagiair als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de stagiair is aan het gastbedrijf gebonden door een stageovereenkomst met een maximale duur van twaalf maanden;
2° de stagiair levert het bewijs van hogere beroepskwalificaties op basis van een diploma van het hoger onderwijs behaald tijdens de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of toont aan dat hij een studieprogramma volgt dat tot een dergelijk diploma leidt;
3° de stage heeft betrekking op hetzelfde kwalificatieniveau en hetzelfde domein als het diploma bedoeld in 2°.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, die:
a) voorziet in theoretische en praktische opleiding;
b) een beschrijving van het stageprogramma bevat, met inbegrip van de onderwijsdoelstelling of de pedagogische onderdelen ervan;
c) de duur van de stage bepaalt, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;
d) de voorwaarden voor plaatsing en omkadering van de stagiair opnoemt;
e) de stage-uren vastlegt;
f) indien van toepassing, de voorziene bezoldiging;
2° een kopie van het diploma hoger onderwijs behaald in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of een bewijs van inschrijving voor een studiecyclus die tot een diploma hoger onderwijs leidt;
3° de verbintenis van de stagiair om tijdens de duur van de stage in België geen andere betrekking te bekleden dan die waarvoor toelating tot arbeid wordt verleend.
1° de stagiair is aan het gastbedrijf gebonden door een stageovereenkomst met een maximale duur van twaalf maanden;
2° de stagiair levert het bewijs van hogere beroepskwalificaties op basis van een diploma van het hoger onderwijs behaald tijdens de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of toont aan dat hij een studieprogramma volgt dat tot een dergelijk diploma leidt;
3° de stage heeft betrekking op hetzelfde kwalificatieniveau en hetzelfde domein als het diploma bedoeld in 2°.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, die:
a) voorziet in theoretische en praktische opleiding;
b) een beschrijving van het stageprogramma bevat, met inbegrip van de onderwijsdoelstelling of de pedagogische onderdelen ervan;
c) de duur van de stage bepaalt, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;
d) de voorwaarden voor plaatsing en omkadering van de stagiair opnoemt;
e) de stage-uren vastlegt;
f) indien van toepassing, de voorziene bezoldiging;
2° een kopie van het diploma hoger onderwijs behaald in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of een bewijs van inschrijving voor een studiecyclus die tot een diploma hoger onderwijs leidt;
3° de verbintenis van de stagiair om tijdens de duur van de stage in België geen andere betrekking te bekleden dan die waarvoor toelating tot arbeid wordt verleend.
Art. 59. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le stagiaire lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° le stagiaire est lié à l'entité d'accueil par une convention de stage d'une durée maximale de douze mois ;
2° le stagiaire démontre des qualifications professionnelles supérieures sur la base d'un diplôme de l'enseignement supérieur obtenu au cours des deux années précédant la demande ou démontre qu'il suit un programme d'études qui mène à ce diplôme ;
3° le stage porte sur le même niveau de qualification et couvre le même domaine que le diplôme tel que visé au 2°.
L'entité d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, qui :
a) prévoit une formation théorique et pratique ;
b) contient une description du programme de stage, y compris son objectif éducatif ou ses volets pédagogiques ;
c) fixe la durée du stage, laquelle ne dépasse pas douze mois ;
d) énumère les conditions de placement et d'encadrement du stagiaire ;
e) fixe les heures de stage ;
f) le cas échéant, la rémunération prévue ;
2° une copie du diplôme de l'enseignement supérieur obtenu dans les deux ans qui précèdent la demande ou la preuve d'inscription à un cycle d'études menant à l'obtention d'un diplôme de l'enseignement supérieur ;
3° l'engagement du stagiaire à n'occuper aucun poste en Belgique durant la durée du stage autre que celui pour lequel l'admission au travail est accordée.
1° le stagiaire est lié à l'entité d'accueil par une convention de stage d'une durée maximale de douze mois ;
2° le stagiaire démontre des qualifications professionnelles supérieures sur la base d'un diplôme de l'enseignement supérieur obtenu au cours des deux années précédant la demande ou démontre qu'il suit un programme d'études qui mène à ce diplôme ;
3° le stage porte sur le même niveau de qualification et couvre le même domaine que le diplôme tel que visé au 2°.
L'entité d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, qui :
a) prévoit une formation théorique et pratique ;
b) contient une description du programme de stage, y compris son objectif éducatif ou ses volets pédagogiques ;
c) fixe la durée du stage, laquelle ne dépasse pas douze mois ;
d) énumère les conditions de placement et d'encadrement du stagiaire ;
e) fixe les heures de stage ;
f) le cas échéant, la rémunération prévue ;
2° une copie du diplôme de l'enseignement supérieur obtenu dans les deux ans qui précèdent la demande ou la preuve d'inscription à un cycle d'études menant à l'obtention d'un diplôme de l'enseignement supérieur ;
3° l'engagement du stagiaire à n'occuper aucun poste en Belgique durant la durée du stage autre que celui pour lequel l'admission au travail est accordée.
Afdeling 3. - De vrijwilliger
Section 3. - Le volontaire
Art. 60. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de vrijwilliger van het Europees solidariteitskorps voor maximaal twaalf maanden.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° de vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de gastorganisatie, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met daarin:
a) een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
b) de duur van de vrijwilligersdienst;
c) de voorwaarden voor plaatsing en toezicht in het kader van vrijwilligerswerk;
d) de vrijwilligersuren;
e) de middelen die beschikbaar zijn om de kosten van levensonderhoud en huisvesting van de stagiair te dekken, en een minimumbedrag als zakgeld voor de volledige duur van het verblijf;
f) indien van toepassing, de opleiding die aan de vrijwilliger wordt gegeven om hem of haar te helpen bij het uitvoeren van het vrijwilligerswerk;
2° een certificaat van het Agence nationale pour la mise en oeuvre du corps européen de solidarité [Nationale agentschap voor de invoering van het Europees solidariteitskorps] waarin wordt bevestigd dat de vrijwilliger bij de gastorganisatie is geplaatst in het kader van een goedgekeurd vrijwilligersprogramma van het Europees solidariteitskorps;
3° een door de vrijwilliger ondertekende verbintenis om tijdens de duur van het verblijf in België geen andere functie uit te oefenen dan die waarvoor toelating tot arbeid is verleend.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° de vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de gastorganisatie, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met daarin:
a) een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
b) de duur van de vrijwilligersdienst;
c) de voorwaarden voor plaatsing en toezicht in het kader van vrijwilligerswerk;
d) de vrijwilligersuren;
e) de middelen die beschikbaar zijn om de kosten van levensonderhoud en huisvesting van de stagiair te dekken, en een minimumbedrag als zakgeld voor de volledige duur van het verblijf;
f) indien van toepassing, de opleiding die aan de vrijwilliger wordt gegeven om hem of haar te helpen bij het uitvoeren van het vrijwilligerswerk;
2° een certificaat van het Agence nationale pour la mise en oeuvre du corps européen de solidarité [Nationale agentschap voor de invoering van het Europees solidariteitskorps] waarin wordt bevestigd dat de vrijwilliger bij de gastorganisatie is geplaatst in het kader van een goedgekeurd vrijwilligersprogramma van het Europees solidariteitskorps;
3° een door de vrijwilliger ondertekende verbintenis om tijdens de duur van het verblijf in België geen andere functie uit te oefenen dan die waarvoor toelating tot arbeid is verleend.
Art. 60. Le fonctionnaire délégué admet à travailler, pour une période maximale de douze mois, le volontaire relevant du corps européen de solidarité.
L'entité d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la convention de volontariat conclue entre le volontaire et l'entité d'accueil, datée et signée par les deux parties, qui comprend :
a) une description du programme de volontariat ;
b) la durée du service volontaire ;
c) les conditions de placement et d'encadrement dans le cadre du service volontaire ;
d) les heures de volontariat ;
e) les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du stagiaire, et une somme d'argent minimale comme argent de poche durant toute la durée du séjour ;
f) le cas échéant, la formation qui sera dispensée au volontaire pour l'aider à accomplir le service volontaire ;
2° une attestation de l'Agence nationale pour la mise en oeuvre du corps européen de solidarité confirmant le placement du volontaire dans le cadre d'un programme de volontariat agréé du corps européen de solidarité auprès de l'entité d'accueil ;
3° l'engagement, signé par le volontaire, de ne pas occuper en Belgique pendant la période du séjour un autre poste que celui pour lequel l'admission au travail est accordée.
L'entité d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° la convention de volontariat conclue entre le volontaire et l'entité d'accueil, datée et signée par les deux parties, qui comprend :
a) une description du programme de volontariat ;
b) la durée du service volontaire ;
c) les conditions de placement et d'encadrement dans le cadre du service volontaire ;
d) les heures de volontariat ;
e) les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du stagiaire, et une somme d'argent minimale comme argent de poche durant toute la durée du séjour ;
f) le cas échéant, la formation qui sera dispensée au volontaire pour l'aider à accomplir le service volontaire ;
2° une attestation de l'Agence nationale pour la mise en oeuvre du corps européen de solidarité confirmant le placement du volontaire dans le cadre d'un programme de volontariat agréé du corps européen de solidarité auprès de l'entité d'accueil ;
3° l'engagement, signé par le volontaire, de ne pas occuper en Belgique pendant la période du séjour un autre poste que celui pour lequel l'admission au travail est accordée.
Afdeling 4. - De au pair
Section 4. - Le jeune au pair
Art. 61. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de jonge au pair die:
1° tussen achttien en dertig jaar oud is op de datum van toekenning van de toelating tot arbeid;
2° een basiskennis heeft van de taal die gewoonlijk door het gastgezin wordt gebruikt of zich ertoe verbindt deze basiskennis te verwerven door onmiddellijk na aankomst in een Franstalige regio een intensieve taalcursus te volgen;
3° een diploma secundair onderwijs heeft;
4° zich ertoe verbindt om tijdens de duur van de au pair plaatsing geen enkele andere activiteit uit te oefenen die enige vorm van arbeid of tewerkstelling voor rekening of onder leiding of toezicht van een werkgever inhoudt;
5° niet eerder een toelating heeft gekregen om in een Franstalig gebied te werken in welke hoedanigheid dan ook.
De vertegenwoordiger van het gastgezin voegt de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die moeten worden bijgevoegd krachtens de artikelen 13, 1°, 6° en 7°, en 14:
1° een overeenkomst gesloten tussen de jonge au pair en de vertegenwoordiger van het gastgezin, die de rechten en plichten van de partijen vastlegt, waaronder:
a) het ter beschikking stellen van een eenpersoonskamer aan de jonge au pair en van de vrije toegang tot de woning;
b) de maandelijkse betaling aan de jonge au pair, per bankoverschrijving, van een vast bedrag van ten minste 750 euro, bij wijze van zakgeld, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de jonge au pair;
c) de verbintenis van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een aanvullende verzekering af te sluiten die de risico's dekt van medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ongeval of ziekte;
d) een toezegging van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een verzekering af te sluiten die een eventuele vroegtijdige repatriëring van de jonge au pair ten gevolge van ziekte of ongeval dekt;
e) de voorwaarden waaronder de jonge au pair lessen buiten het gezin kan volgen;
f) het maximale aantal uren dat de jonge au pair aan de taken van het gastgezin zal moeten besteden, zoals vastgelegd in een typisch weekrooster;
g) het aan de au pair aangeboden culturele programma;
h) het begrijpen door de jonge au pair van de taal waarin de overeenkomst is opgesteld of eventueel de vertaling ervan;
i) de beweegredenen van de jonge au pair;
2° voor elk lid van het gastgezin dat bij het begin van de verblijfsperiode van de jonge au pair ten minste achttien jaar oud is, een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
3° een verbintenis om de toegang tot de woning toe te laten aan de toezichthoudende ambtenaren;
4° indien het gezin een kind heeft dat jonger is dan vijf jaar, het bewijs dat de dagopvang is gepland voor een periode die overeenstemt met de maximale duur van het verblijf van de jonge au pair of voor de periode tot op het ogenblik dat het gezin geen kind meer heeft dat jonger is dan vijf jaar;
5° het bewijs dat het gezin over voldoende financiële middelen beschikt om de jonge au pair op te nemen.
§ 2. Het gastgezin heeft minstens één kind jonger dan dertien jaar wanneer de au pair wordt toegelaten.
De au pair mag niet meer dan vier uur per dag of twintig uur per week licht huishoudelijk werk doen en voor de kinderen zorgen. De au pair heeft minstens één volle dag per week vrij.
De jonge au pair behoudt de volledige vrijheid om zijn of haar filosofische of religieuze overtuigingen uit te oefenen.
§ 3. Naast de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde voorwaarden, is de toelating tot arbeid onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° het gastgezin ontvangt geen meerdere jonge au pairs tegelijk;
2° de toelating tot arbeid duurt niet langer dan één jaar;
3° de toelating tot arbeid kan slechts één keer verlengd worden, op voorwaarde dat de totale duur van de plaatsing niet langer is dan één jaar;
§ 4. Verandering van gastgezin is slechts één keer mogelijk, zolang de totale duur van het au pairverblijf niet meer dan een jaar bedraagt.
De vertegenwoordiger van het nieuwe gastgezin dient een nieuwe aanvraag voor toelating tot arbeid in, die onderworpen is aan de in dit artikel vermelde voorwaarden.
1° tussen achttien en dertig jaar oud is op de datum van toekenning van de toelating tot arbeid;
2° een basiskennis heeft van de taal die gewoonlijk door het gastgezin wordt gebruikt of zich ertoe verbindt deze basiskennis te verwerven door onmiddellijk na aankomst in een Franstalige regio een intensieve taalcursus te volgen;
3° een diploma secundair onderwijs heeft;
4° zich ertoe verbindt om tijdens de duur van de au pair plaatsing geen enkele andere activiteit uit te oefenen die enige vorm van arbeid of tewerkstelling voor rekening of onder leiding of toezicht van een werkgever inhoudt;
5° niet eerder een toelating heeft gekregen om in een Franstalig gebied te werken in welke hoedanigheid dan ook.
De vertegenwoordiger van het gastgezin voegt de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die moeten worden bijgevoegd krachtens de artikelen 13, 1°, 6° en 7°, en 14:
1° een overeenkomst gesloten tussen de jonge au pair en de vertegenwoordiger van het gastgezin, die de rechten en plichten van de partijen vastlegt, waaronder:
a) het ter beschikking stellen van een eenpersoonskamer aan de jonge au pair en van de vrije toegang tot de woning;
b) de maandelijkse betaling aan de jonge au pair, per bankoverschrijving, van een vast bedrag van ten minste 750 euro, bij wijze van zakgeld, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de jonge au pair;
c) de verbintenis van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een aanvullende verzekering af te sluiten die de risico's dekt van medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ongeval of ziekte;
d) een toezegging van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een verzekering af te sluiten die een eventuele vroegtijdige repatriëring van de jonge au pair ten gevolge van ziekte of ongeval dekt;
e) de voorwaarden waaronder de jonge au pair lessen buiten het gezin kan volgen;
f) het maximale aantal uren dat de jonge au pair aan de taken van het gastgezin zal moeten besteden, zoals vastgelegd in een typisch weekrooster;
g) het aan de au pair aangeboden culturele programma;
h) het begrijpen door de jonge au pair van de taal waarin de overeenkomst is opgesteld of eventueel de vertaling ervan;
i) de beweegredenen van de jonge au pair;
2° voor elk lid van het gastgezin dat bij het begin van de verblijfsperiode van de jonge au pair ten minste achttien jaar oud is, een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
3° een verbintenis om de toegang tot de woning toe te laten aan de toezichthoudende ambtenaren;
4° indien het gezin een kind heeft dat jonger is dan vijf jaar, het bewijs dat de dagopvang is gepland voor een periode die overeenstemt met de maximale duur van het verblijf van de jonge au pair of voor de periode tot op het ogenblik dat het gezin geen kind meer heeft dat jonger is dan vijf jaar;
5° het bewijs dat het gezin over voldoende financiële middelen beschikt om de jonge au pair op te nemen.
§ 2. Het gastgezin heeft minstens één kind jonger dan dertien jaar wanneer de au pair wordt toegelaten.
De au pair mag niet meer dan vier uur per dag of twintig uur per week licht huishoudelijk werk doen en voor de kinderen zorgen. De au pair heeft minstens één volle dag per week vrij.
De jonge au pair behoudt de volledige vrijheid om zijn of haar filosofische of religieuze overtuigingen uit te oefenen.
§ 3. Naast de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde voorwaarden, is de toelating tot arbeid onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° het gastgezin ontvangt geen meerdere jonge au pairs tegelijk;
2° de toelating tot arbeid duurt niet langer dan één jaar;
3° de toelating tot arbeid kan slechts één keer verlengd worden, op voorwaarde dat de totale duur van de plaatsing niet langer is dan één jaar;
§ 4. Verandering van gastgezin is slechts één keer mogelijk, zolang de totale duur van het au pairverblijf niet meer dan een jaar bedraagt.
De vertegenwoordiger van het nieuwe gastgezin dient een nieuwe aanvraag voor toelating tot arbeid in, die onderworpen is aan de in dit artikel vermelde voorwaarden.
Art. 61. § 1er. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le jeune au pair qui :
1° est âgé de dix-huit à trente ans à la date d'octroi de l'autorisation de travail ;
2° dispose d'une connaissance de base de la langue usuelle de la famille d'accueil ou prend l'engagement d'acquérir cette connaissance de base par la poursuite d'un cours intensif de langue immédiatement après l'arrivée en région de langue française ;
3° possède un niveau d'instruction secondaire ;
4° prend l'engagement de n'exercer, pendant la durée du placement au pair, aucune autre activité comprenant toute forme de travail ou d'emploi pour le compte ou sous la direction ou la surveillance d'un employeur ;
5° n'a pas déjà bénéficié d'une autorisation de travail en région de langue française à quelque titre que ce soit.
Le représentant de la famille d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13, 1°, 6° et 7°, et 14, les documents suivants :
1° une convention conclue entre le jeune au pair et le représentant de la famille d'accueil, définissant les droits et obligations des parties, y compris :
a) la mise à disposition d'une chambre individuelle au jeune au pair et le libre accès à l'habitation ;
b) le versement mensuel au jeune au pair, par virement bancaire, d'une somme fixe d'au moins 750 euros, à titre d'argent de poche, indépendamment d'éventuelles périodes d'inactivité du jeune au pair ;
c) l'engagement du représentant de la famille d'accueil de souscrire une assurance complémentaire couvrant les risques en matière de frais médicaux, pharmaceutiques et d'hospitalisation en cas d'accident ou de maladie ;
d) l'engagement du représentant de la famille d'accueil de souscrire une assurance pour l'éventuel rapatriement anticipé du jeune au pair par cause de maladie ou d'accident ;
e) les modalités qui permettront au jeune au pair d'assister à des cours à l'extérieur de la famille ;
f) le nombre maximal d'heures que le jeune au pair devra consacrer aux tâches de la famille d'accueil repris dans un planning hebdomadaire type ;
g) le programme culturel proposé au jeune au pair ;
h) la compréhension par le jeune au pair de la langue dans laquelle la convention a été rédigée ou, le cas échéant, de sa traduction ;
i) les motivations du jeune au pair ;
2° pour chaque membre de la famille d'accueil âgé d'au moins dix-huit ans au début de la période de séjour du jeune au pair, un extrait de casier judiciaire visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle ;
3° l'engagement d'autoriser l'accès à l'habitation aux fonctionnaires chargés de la surveillance ;
4° lorsque la famille comporte un enfant âgé de moins de cinq ans, la preuve que son accueil de jour a été prévu pour une période correspondant à la durée maximale du séjour du jeune au pair ou pour la période jusqu'au moment où la famille ne comporte plus d'enfant âgé de moins de cinq ans ;
5° la preuve que la famille dispose des capacités financières pour assurer l'accueil du jeune au pair.
§ 2. La famille d'accueil compte au moins un enfant âgé de moins de treize ans lors de l'admission au travail du travailleur au pair.
La participation du jeune au pair aux petits travaux ménagers et à la garde d'enfants n'excède pas quatre heures par jour ni vingt heures par semaine. Le jeune au pair dispose d'au moins un jour complet de congé par semaine.
Le jeune au pair conserve toute possibilité de participer à l'exercice de ses conceptions philosophiques ou de son culte.
§ 3. Outre le respect des conditions visées aux paragraphes 1er et 2, l'admission au travail est subordonnée aux conditions suivantes :
1° la famille d'accueil n'accueille pas simultanément plusieurs jeunes au pair ;
2° l'admission au travail n'excède pas un an ;
3° l'admission au travail ne peut être renouvelée qu'une seule fois, dans la mesure où le placement n'excède pas une durée totale d'un an ;
§ 4. Un changement de famille d'accueil n'est possible qu'une seule fois, dans la mesure où la durée totale du placement du jeune au pair n'excède pas une durée totale d'un an.
Le représentant de la nouvelle famille d'accueil introduit une nouvelle demande d'admission au travail qui est soumises aux conditions visées par le présent article.
1° est âgé de dix-huit à trente ans à la date d'octroi de l'autorisation de travail ;
2° dispose d'une connaissance de base de la langue usuelle de la famille d'accueil ou prend l'engagement d'acquérir cette connaissance de base par la poursuite d'un cours intensif de langue immédiatement après l'arrivée en région de langue française ;
3° possède un niveau d'instruction secondaire ;
4° prend l'engagement de n'exercer, pendant la durée du placement au pair, aucune autre activité comprenant toute forme de travail ou d'emploi pour le compte ou sous la direction ou la surveillance d'un employeur ;
5° n'a pas déjà bénéficié d'une autorisation de travail en région de langue française à quelque titre que ce soit.
Le représentant de la famille d'accueil joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13, 1°, 6° et 7°, et 14, les documents suivants :
1° une convention conclue entre le jeune au pair et le représentant de la famille d'accueil, définissant les droits et obligations des parties, y compris :
a) la mise à disposition d'une chambre individuelle au jeune au pair et le libre accès à l'habitation ;
b) le versement mensuel au jeune au pair, par virement bancaire, d'une somme fixe d'au moins 750 euros, à titre d'argent de poche, indépendamment d'éventuelles périodes d'inactivité du jeune au pair ;
c) l'engagement du représentant de la famille d'accueil de souscrire une assurance complémentaire couvrant les risques en matière de frais médicaux, pharmaceutiques et d'hospitalisation en cas d'accident ou de maladie ;
d) l'engagement du représentant de la famille d'accueil de souscrire une assurance pour l'éventuel rapatriement anticipé du jeune au pair par cause de maladie ou d'accident ;
e) les modalités qui permettront au jeune au pair d'assister à des cours à l'extérieur de la famille ;
f) le nombre maximal d'heures que le jeune au pair devra consacrer aux tâches de la famille d'accueil repris dans un planning hebdomadaire type ;
g) le programme culturel proposé au jeune au pair ;
h) la compréhension par le jeune au pair de la langue dans laquelle la convention a été rédigée ou, le cas échéant, de sa traduction ;
i) les motivations du jeune au pair ;
2° pour chaque membre de la famille d'accueil âgé d'au moins dix-huit ans au début de la période de séjour du jeune au pair, un extrait de casier judiciaire visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle ;
3° l'engagement d'autoriser l'accès à l'habitation aux fonctionnaires chargés de la surveillance ;
4° lorsque la famille comporte un enfant âgé de moins de cinq ans, la preuve que son accueil de jour a été prévu pour une période correspondant à la durée maximale du séjour du jeune au pair ou pour la période jusqu'au moment où la famille ne comporte plus d'enfant âgé de moins de cinq ans ;
5° la preuve que la famille dispose des capacités financières pour assurer l'accueil du jeune au pair.
§ 2. La famille d'accueil compte au moins un enfant âgé de moins de treize ans lors de l'admission au travail du travailleur au pair.
La participation du jeune au pair aux petits travaux ménagers et à la garde d'enfants n'excède pas quatre heures par jour ni vingt heures par semaine. Le jeune au pair dispose d'au moins un jour complet de congé par semaine.
Le jeune au pair conserve toute possibilité de participer à l'exercice de ses conceptions philosophiques ou de son culte.
§ 3. Outre le respect des conditions visées aux paragraphes 1er et 2, l'admission au travail est subordonnée aux conditions suivantes :
1° la famille d'accueil n'accueille pas simultanément plusieurs jeunes au pair ;
2° l'admission au travail n'excède pas un an ;
3° l'admission au travail ne peut être renouvelée qu'une seule fois, dans la mesure où le placement n'excède pas une durée totale d'un an ;
§ 4. Un changement de famille d'accueil n'est possible qu'une seule fois, dans la mesure où la durée totale du placement du jeune au pair n'excède pas une durée totale d'un an.
Le représentant de la nouvelle famille d'accueil introduit une nouvelle demande d'admission au travail qui est soumises aux conditions visées par le présent article.
HOOFDSTUK 17. - Lerenden
CHAPITRE 17. - Les apprenants
Art. 62. De afgevaardigde ambtenaar verleent de houder van een diploma hoger onderwijs die stage loopt om een eerdere opleiding voort te zetten of in het kader van een studiecyclus in een derde land die leidt tot het behalen van een diploma of getuigschrift van het hoger onderwijs, toelating tot de arbeid.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van het diploma hoger onderwijs van de betrokkene dat:
a) is verkregen in de twee jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
b) toelating geeft om de bijkomende opleiding te starten;
2° de stageovereenkomst gesloten met de bevoegde instelling, ondertekend door beide partijen, met vermelding van de begin- en einddatum en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van het diploma hoger onderwijs van de betrokkene dat:
a) is verkregen in de twee jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
b) toelating geeft om de bijkomende opleiding te starten;
2° de stageovereenkomst gesloten met de bevoegde instelling, ondertekend door beide partijen, met vermelding van de begin- en einddatum en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden.
Art. 62. Le fonctionnaire délégué admet à travailler le titulaire d'un diplôme de l'enseignement supérieur qui effectue un stage en continuation d'une formation préalable ou dans le cadre de la poursuite dans un pays tiers d'un cycle d'études menant à l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie du diplôme d'enseignement supérieur de la personne concernée qui :
a) a été obtenu dans les deux années précédant l'introduction de la demande ;
b) permet de commencer la formation complémentaire ;
2° le contrat de stage conclu avec l'institution compétente, signé par les deux parties, précisant les dates de début et de fin ainsi que les conditions de travail et de rémunération.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie du diplôme d'enseignement supérieur de la personne concernée qui :
a) a été obtenu dans les deux années précédant l'introduction de la demande ;
b) permet de commencer la formation complémentaire ;
2° le contrat de stage conclu avec l'institution compétente, signé par les deux parties, précisant les dates de début et de fin ainsi que les conditions de travail et de rémunération.
Art. 63. De afgevaardigde ambtenaar verleent toelating tot arbeid aan de stagiair die in dienst is van een Belgische overheidsdienst of van een in België gevestigde internationale publiekrechtelijke instelling waarvan het statuut geregeld is bij een in werking getreden verdrag, akkoord of overeenkomst, of die tewerkgesteld is in het kader van een door die instelling goedgekeurd programma.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en het bedrag van de vergoeding;
2° in het geval van een stagiair die wordt tewerkgesteld in het kader van een programma dat is goedgekeurd door een in België gevestigde publiekrechtelijke instelling van internationaal recht waarvan het statuut wordt beheerst door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door die internationale instelling;
3° in het geval van een uitwisselingsprogramma op basis van wederkerigheid, het bewijs van wederkerigheid.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en het bedrag van de vergoeding;
2° in het geval van een stagiair die wordt tewerkgesteld in het kader van een programma dat is goedgekeurd door een in België gevestigde publiekrechtelijke instelling van internationaal recht waarvan het statuut wordt beheerst door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door die internationale instelling;
3° in het geval van een uitwisselingsprogramma op basis van wederkerigheid, het bewijs van wederkerigheid.
Art. 63. Le fonctionnaire délégué admet à travailler, le stagiaire qui est engagé par un pouvoir public belge ou par une institution de droit international public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité, accord ou convention entré en vigueur, ou qui est engagé dans le cadre d'un programme approuvé par cette institution.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, indiquant la durée du stage et le montant de la compensation ;
2° dans le cas d'un stagiaire employé dans le cadre d'un programme approuvé par une institution de droit international public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité entré en vigueur, la preuve de l'approbation du programme par cette institution internationale ;
3° dans le cas d'un programme d'échange réciproque, la preuve de la réciprocité.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, indiquant la durée du stage et le montant de la compensation ;
2° dans le cas d'un stagiaire employé dans le cadre d'un programme approuvé par une institution de droit international public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité entré en vigueur, la preuve de l'approbation du programme par cette institution internationale ;
3° dans le cas d'un programme d'échange réciproque, la preuve de la réciprocité.
HOOFDSTUK 18. - De mobiele leraar
CHAPITRE 18. - L'enseignant en mobilité
Art. 64. De afgevaardigde ambtenaar verleent toegang tot de arbeid aan een leerkracht uit een derde land die vreemde talen of cultuur geeft in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school, en die daartoe in België wordt ontvangen in het kader van een van kracht zijnde samenwerkingsakkoord of een samenwerkingsprogramma tussen een lid van de Regering of de Regering van de Franse Gemeenschap en een Staat of een in het buitenland gevestigde organisatie.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de leerkracht;
2° een kopie van het document dat de duur van de opleiding vreemde taal of cultuur bepaalt;
3° een kopie van de samenwerkingsovereenkomst of het samenwerkingsprogramma.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de leerkracht;
2° een kopie van het document dat de duur van de opleiding vreemde taal of cultuur bepaalt;
3° een kopie van de samenwerkingsovereenkomst of het samenwerkingsprogramma.
Art. 64. Le fonctionnaire délégué admet à travailler l'enseignant en provenance d'un pays tiers qui dispense dans un établissement scolaire organisé ou subventionné par la Communauté française des cours de langue ou de culture étrangère, et qui est accueilli en Belgique à cette fin dans le cadre d'une convention de collaboration en vigueur ou d'un programme de coopération conclu par un membre du Gouvernement ou du Gouvernement de la Communauté française avec un Etat ou un organisme qui se situe à l'étranger.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation de l'enseignant ;
2° une copie de l'acte déterminant la durée des cours de langue ou de culture étrangère ;
3° une copie de la convention de collaboration ou du programme de coopération.
L'employeur joint au formulaire visé à l'article 12, § 3, et aux documents à joindre en vertu des articles 13 et 14, les documents suivants :
1° une copie de l'acte d'occupation de l'enseignant ;
2° une copie de l'acte déterminant la durée des cours de langue ou de culture étrangère ;
3° une copie de la convention de collaboration ou du programme de coopération.
TITEL 4. - Vrijstellingen, ontheffingen en collectieve besluiten
TITRE 4. - Dispenses, dérogations et décisions collectives
HOOFDSTUK 1. - Individuele vrijstellingen en ontheffingen
CHAPITRE 1er. - Dispenses et dérogations individuelles
Art. 65. § 1. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien in internationale overeenkomsten, heeft een onderdaan van een derde land van wie de prestaties in België beperkt zijn tot maximum 90 dagen binnen elke periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, en die voldoet aan een van de volgende voorwaarden, van rechtswege toelating tot arbeid:
1° hij is een gedetacheerde werknemer die niet onderworpen is aan een voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van hoofdstuk 8 van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is houder van een geldige Europese blauwe kaart uitgereikt door een andere lidstaat;
3° hij is een kind dat gemachtigd is om te werken overeenkomstig de artikelen 7.2 tot 7.14 van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
Het eerste lid, 2°, strekt tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
§ 2. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien door internationale overeenkomsten, worden de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid indien zij voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de wet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en indien hun arbeid beperkt is tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
1° een onderdaan van een derde land die zijn hoofdverblijfplaats niet in België heeft en die een van de volgende tijdelijke economische activiteiten uitoefent die verband houden met de economische belangen van de werkgever:
a) deelnemen aan:
(1) een conferentie of seminarie;
(2) een interne of externe zakelijke bijeenkomst;
(3) een beurs of tentoonstelling;
b) onderhandelen over een commerciële overeenkomst;
c) verkoop- of marketingactiviteiten ondernemen;
d) interne audits of audits bij klanten uitvoeren;
e) commerciële mogelijkheden verkennen;
f) opleidingen geven of volgen;
2° een persoon die naar het Franse taalgebied is gekomen om goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische industrie zijn geleverd voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming;
3° een in het buitenland verblijvende journalist die uitsluitend verbonden is aan een in het buitenland gevestigd mediabedrijf dat regelmatig en rechtstreeks bijdraagt tot het vergaren, schrijven, produceren of verspreiden van informatie ten behoeve van het publiek;
4° een werknemer in dienst van een buitenlandse onderneming die naar België komt om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische hoofdzetel van de groep ondernemingen waartoe zijn onderneming behoort in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de hoofdzetels van die groep;
5° een ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair die zijn recht op kortdurende mobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat zijn bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of praktijken;
6° de onderdaan van een derde land die als gids of vertegenwoordiger van een hotel, reisbureau of reisorganisatie een congres of beurs bijwoont of eraan deelneemt of een toeristisch circuit begeleidt dat op het grondgebied van een derde land is begonnen;
7° een onderdaan van een derde land die als werknemer van een in een derde land gevestigde rechtspersoon vertaal- of tolkdiensten verricht;
8° het lid van een organisatie die een activiteit van sociale, culturele, ecologische of caritatieve aard uitoefent en die naar het Franse taalgebied komt om deel te nemen aan een Belgische organisatie die een gelijkaardige activiteit uitoefent, erkend of gesubsidieerd door een Belgische overheid in het kader van een programma van permanente vorming, professionele herscholing of uitwisselingen van goede praktijken;
9° een persoon in dienst van een in het buitenland gevestigde werkgever die naar een Franstalig gebied komt om prototypetests van voertuigen of door een onderzoeksorganisatie ontwikkelde prototypetests uit te voeren;
10° huishoudelijk personeel dat een toerist vergezelt die in een Franstalig gebied verblijft;
11° een kunstenaar die een overeenkomst van artistieke dienstverlening heeft gesloten met een operator gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
In het eerste lid, 5°, wordt onder kortdurende mobiliteit verstaan: het recht voor een onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgeleverd door een andere lidstaat, om op Belgisch grondgebied te verblijven en te werken in elke in België gevestigde entiteit die deel uitmaakt van de onderneming of van dezelfde groep van ondernemingen, op voorwaarde dat zijn werkprestaties beperkt zijn tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
Voor de toepassing van het eerste lid, 9° betekent "prototype" het originele of eerste model van een product dat intensief experimenteel wordt gebruikt voordat het product in productie kan gaan.
§ 3. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien in internationale overeenkomsten wordt aan een werknemer die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet, van rechtswege toelating tot arbeid verleend:
1° hij voldoet aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2 van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
3° hij is in dienst van een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat;
4° hij begeeft zich tijdelijk naar België om er diensten te verlenen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a) hij verblijft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat, waar hij een verblijfsrecht of een verblijfsvergunning voor meer dan drie maanden heeft;
b) hij is legaal tewerkgesteld in de lidstaat waar hij woont, op voorwaarde dat zijn verblijfsvergunning geldig is voor ten minste de duur van het in België uit te voeren werk;
c) hij heeft een geldig arbeidscontract;
d) hij is in het bezit van een paspoort en een verblijfsvergunning voor een periode die ten minste gelijk is aan de duur van de verleende dienst, om zijn terugkeer naar het land van herkomst of verblijf te garanderen.
§ 4. De volgende categorieën personen hebben van rechtswege toelating om te werken:
1° een persoon, met inbegrip van een student die nog is ingeschreven aan een instelling in zijn derde land van herkomst, die naar België komt om een bezoldigde stage van ten hoogste twaalf maanden uit te voeren die is goedgekeurd door de bevoegde overheid in het kader van een ontwikkelingssamenwerking of een samenwerkingsakkoord als bedoeld in artikel 82 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hoger onderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, of door de minister;
2° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent tewerkgesteld in het kader van een gastovereenkomst;
3° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent die deel uitmaakt van een door de overheid ondersteund samenwerkingsverband tussen een universiteit en een bedrijf;
4° een postdoctoraal onderzoeker die een toelage voor wetenschappelijk onderzoek of een beurs voor academisch onderzoek ontvangt.
Het eerste lid, 2° zet richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
1° hij is een gedetacheerde werknemer die niet onderworpen is aan een voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van hoofdstuk 8 van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is houder van een geldige Europese blauwe kaart uitgereikt door een andere lidstaat;
3° hij is een kind dat gemachtigd is om te werken overeenkomstig de artikelen 7.2 tot 7.14 van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
Het eerste lid, 2°, strekt tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
§ 2. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien door internationale overeenkomsten, worden de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid indien zij voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de wet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en indien hun arbeid beperkt is tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
1° een onderdaan van een derde land die zijn hoofdverblijfplaats niet in België heeft en die een van de volgende tijdelijke economische activiteiten uitoefent die verband houden met de economische belangen van de werkgever:
a) deelnemen aan:
(1) een conferentie of seminarie;
(2) een interne of externe zakelijke bijeenkomst;
(3) een beurs of tentoonstelling;
b) onderhandelen over een commerciële overeenkomst;
c) verkoop- of marketingactiviteiten ondernemen;
d) interne audits of audits bij klanten uitvoeren;
e) commerciële mogelijkheden verkennen;
f) opleidingen geven of volgen;
2° een persoon die naar het Franse taalgebied is gekomen om goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische industrie zijn geleverd voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming;
3° een in het buitenland verblijvende journalist die uitsluitend verbonden is aan een in het buitenland gevestigd mediabedrijf dat regelmatig en rechtstreeks bijdraagt tot het vergaren, schrijven, produceren of verspreiden van informatie ten behoeve van het publiek;
4° een werknemer in dienst van een buitenlandse onderneming die naar België komt om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische hoofdzetel van de groep ondernemingen waartoe zijn onderneming behoort in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de hoofdzetels van die groep;
5° een ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair die zijn recht op kortdurende mobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat zijn bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of praktijken;
6° de onderdaan van een derde land die als gids of vertegenwoordiger van een hotel, reisbureau of reisorganisatie een congres of beurs bijwoont of eraan deelneemt of een toeristisch circuit begeleidt dat op het grondgebied van een derde land is begonnen;
7° een onderdaan van een derde land die als werknemer van een in een derde land gevestigde rechtspersoon vertaal- of tolkdiensten verricht;
8° het lid van een organisatie die een activiteit van sociale, culturele, ecologische of caritatieve aard uitoefent en die naar het Franse taalgebied komt om deel te nemen aan een Belgische organisatie die een gelijkaardige activiteit uitoefent, erkend of gesubsidieerd door een Belgische overheid in het kader van een programma van permanente vorming, professionele herscholing of uitwisselingen van goede praktijken;
9° een persoon in dienst van een in het buitenland gevestigde werkgever die naar een Franstalig gebied komt om prototypetests van voertuigen of door een onderzoeksorganisatie ontwikkelde prototypetests uit te voeren;
10° huishoudelijk personeel dat een toerist vergezelt die in een Franstalig gebied verblijft;
11° een kunstenaar die een overeenkomst van artistieke dienstverlening heeft gesloten met een operator gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
In het eerste lid, 5°, wordt onder kortdurende mobiliteit verstaan: het recht voor een onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgeleverd door een andere lidstaat, om op Belgisch grondgebied te verblijven en te werken in elke in België gevestigde entiteit die deel uitmaakt van de onderneming of van dezelfde groep van ondernemingen, op voorwaarde dat zijn werkprestaties beperkt zijn tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
Voor de toepassing van het eerste lid, 9° betekent "prototype" het originele of eerste model van een product dat intensief experimenteel wordt gebruikt voordat het product in productie kan gaan.
§ 3. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien in internationale overeenkomsten wordt aan een werknemer die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet, van rechtswege toelating tot arbeid verleend:
1° hij voldoet aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2 van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
3° hij is in dienst van een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat;
4° hij begeeft zich tijdelijk naar België om er diensten te verlenen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a) hij verblijft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat, waar hij een verblijfsrecht of een verblijfsvergunning voor meer dan drie maanden heeft;
b) hij is legaal tewerkgesteld in de lidstaat waar hij woont, op voorwaarde dat zijn verblijfsvergunning geldig is voor ten minste de duur van het in België uit te voeren werk;
c) hij heeft een geldig arbeidscontract;
d) hij is in het bezit van een paspoort en een verblijfsvergunning voor een periode die ten minste gelijk is aan de duur van de verleende dienst, om zijn terugkeer naar het land van herkomst of verblijf te garanderen.
§ 4. De volgende categorieën personen hebben van rechtswege toelating om te werken:
1° een persoon, met inbegrip van een student die nog is ingeschreven aan een instelling in zijn derde land van herkomst, die naar België komt om een bezoldigde stage van ten hoogste twaalf maanden uit te voeren die is goedgekeurd door de bevoegde overheid in het kader van een ontwikkelingssamenwerking of een samenwerkingsakkoord als bedoeld in artikel 82 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hoger onderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, of door de minister;
2° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent tewerkgesteld in het kader van een gastovereenkomst;
3° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent die deel uitmaakt van een door de overheid ondersteund samenwerkingsverband tussen een universiteit en een bedrijf;
4° een postdoctoraal onderzoeker die een toelage voor wetenschappelijk onderzoek of een beurs voor academisch onderzoek ontvangt.
Het eerste lid, 2° zet richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
Art. 65. § 1er. Sans préjudice de dispositions plus favorables prévues par des accords internationaux, est de plein droit admis à travailler, le ressortissant de pays tiers dont les prestations en Belgique sont limitées à un maximum de 90 jours dans le cadre de chaque période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, aliénas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 et qui remplit une des conditions suivantes :
1° il est un travailleur détaché qui n'est pas soumis à une déclaration Limosa préalable conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés ;
2° il est titulaire d'une carte bleue européenne en cours de validité délivrée par un autre Etat membre ;
3° il est un enfant autorisé à travailler conformément aux articles 7.2 à 7.14 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
L'alinéa 1er, 2°, transpose partiellement la directive (UE) 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil.
§ 2. Sans préjudice de dispositions plus favorables prévues par des accords internationaux, les catégories suivantes de personnes sont de plein droit admises à travailler, si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, et que leurs prestations de travail sont limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 :
1° le ressortissant d'un pays tiers qui n'a pas sa résidence principale en Belgique et qui effectue une des activités économiques temporaires suivantes, liées aux intérêts économiques de l'employeur :
a) participer à :
(1) une conférence ou à un séminaire ;
(2) une réunion d'affaires interne ou externe ;
(3) une foire ou une exposition ;
b) négocier un accord commercial ;
c) entreprendre des activités de vente ou de marketing ;
d) réaliser des audits internes ou des audits de clients ;
e) explorer des opportunités commerciales ;
f) donner ou suivre des formations ;
2° la personne venue en région de langue française pour recevoir des marchandises livrées par l'industrie belge pour le compte d'une entreprise établie à l'étranger ;
3° le journaliste résidant à l'étranger qui est lié exclusivement à un média établi à l'étranger qui contribue régulièrement et directement à la collecte, la rédaction, la production ou la diffusion d'information au profit du public ;
4° le travailleur employé par une société étrangère qui vient en Belgique pour donner ou suivre une formation au siège belge du groupe d'entreprises auquel appartient son entreprise dans le cadre d'une convention de formation entre les sièges de ce groupe ;
5° le cadre ICT, l'expert ICT ou l'employé stagiaire ICT qui exerce son droit à la mobilité de courte durée, à condition que sa rémunération ne soit pas moins favorable que celle de postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou pratiques applicables ;
6° le ressortissant d'un pays tiers qui, en tant que guide ou représentant d'un hôtel, d'une agence ou d'une organisation de voyage, assiste ou participe à un congrès ou une foire ou accompagne un circuit touristique qui a commencé sur le territoire d'un pays tiers ;
7° le ressortissant d'un pays tiers qui fournit des services de traduction ou d'interprétation en tant que travailleur d'une personne morale établie dans un pays tiers ;
8° le membre d'un organisme exerçant une activité de nature sociale, culturelle, environnementale ou caritative, venu en région de langue française pour participer auprès d'un organisme belge exerçant une activité similaire, reconnu ou subsidié par un pouvoir public belge dans le cadre d'un programme de formation continuée, de recyclage professionnel ou d'échanges de bonnes pratiques ;
9° la personne occupée par un employeur établi à l'étranger qui vient en région de langue française afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche ;
10° le travailleur domestique qui accompagne un touriste en séjour en région de langue française ;
11° l'artiste ayant conclu une convention de prestation artistique avec un opérateur subsidié par la Communauté française.
A l'alinéa 1er, 5°, on entend par mobilité de courte durée : le droit pour le ressortissant d'un pays tiers en possession d'un titre valable pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, délivré par un autre Etat membre, de résider et de travailler sur le territoire belge dans toute entité établie en Belgique et appartenant à la société ou au même groupe de sociétés, à condition que ses prestations de travail soient limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 9°, on entend par " prototype " l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer en production.
§ 3. Sans préjudice de dispositions plus favorables prévues par des accords internationaux, est de plein droit admis au travail le travailleur qui remplit les conditions cumulatives suivantes :
1° il répond à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés ;
2° il n'est pas ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen
3° il est employé par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse ;
4° il se rend temporairement en Belgique pour fournir des services, lorsqu'il remplit une des conditions suivantes :
a) il séjourne dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse, dans lequel il dispose d'un droit de séjour ou d'un titre de séjour de plus de trois mois ;
b) il exerce légalement une activité salariée dans l'Etat membre dans lequel il réside, pour autant que son titre de séjour soit valable au moins pour la durée du travail à effectuer en Belgique ;
c) il est en possession d'un contrat de travail en règle ;
d) il est titulaire d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée au moins équivalente à la durée du service fourni, afin de garantir son retour dans son pays d'origine ou de résidence.
§ 4. Les catégories de personnes suivantes sont admises de plein droit à travailler :
1° la personne, y compris l'étudiant restant inscrit dans un établissement de son pays tiers d'origine, venant effectuer en Belgique un stage rémunéré n'excédant pas douze mois et approuvé par l'autorité compétente dans le cadre de la coopération au développement ou d'une convention de collaboration visée à l'article 82 du décret de la Communauté française du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études ou par le Ministre ;
2° le chercheur, l'assistant chargé d'exercices ou chargé de cours international occupé dans le cadre d'une convention d'accueil ;
3° le chercheur, l'assistant chargé d'exercices ou chargé de cours international qui s'inscrit dans un partenariat soutenu par les pouvoirs publics entre une université et une entreprise ;
4° le postdoctorant qui bénéficie d'une allocation de recherche scientifique ou d'un subside à savant.
L'alinéa 1er, 2°, transpose partiellement la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
1° il est un travailleur détaché qui n'est pas soumis à une déclaration Limosa préalable conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés ;
2° il est titulaire d'une carte bleue européenne en cours de validité délivrée par un autre Etat membre ;
3° il est un enfant autorisé à travailler conformément aux articles 7.2 à 7.14 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
L'alinéa 1er, 2°, transpose partiellement la directive (UE) 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil.
§ 2. Sans préjudice de dispositions plus favorables prévues par des accords internationaux, les catégories suivantes de personnes sont de plein droit admises à travailler, si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, et que leurs prestations de travail sont limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 :
1° le ressortissant d'un pays tiers qui n'a pas sa résidence principale en Belgique et qui effectue une des activités économiques temporaires suivantes, liées aux intérêts économiques de l'employeur :
a) participer à :
(1) une conférence ou à un séminaire ;
(2) une réunion d'affaires interne ou externe ;
(3) une foire ou une exposition ;
b) négocier un accord commercial ;
c) entreprendre des activités de vente ou de marketing ;
d) réaliser des audits internes ou des audits de clients ;
e) explorer des opportunités commerciales ;
f) donner ou suivre des formations ;
2° la personne venue en région de langue française pour recevoir des marchandises livrées par l'industrie belge pour le compte d'une entreprise établie à l'étranger ;
3° le journaliste résidant à l'étranger qui est lié exclusivement à un média établi à l'étranger qui contribue régulièrement et directement à la collecte, la rédaction, la production ou la diffusion d'information au profit du public ;
4° le travailleur employé par une société étrangère qui vient en Belgique pour donner ou suivre une formation au siège belge du groupe d'entreprises auquel appartient son entreprise dans le cadre d'une convention de formation entre les sièges de ce groupe ;
5° le cadre ICT, l'expert ICT ou l'employé stagiaire ICT qui exerce son droit à la mobilité de courte durée, à condition que sa rémunération ne soit pas moins favorable que celle de postes comparables conformément aux lois, conventions collectives de travail ou pratiques applicables ;
6° le ressortissant d'un pays tiers qui, en tant que guide ou représentant d'un hôtel, d'une agence ou d'une organisation de voyage, assiste ou participe à un congrès ou une foire ou accompagne un circuit touristique qui a commencé sur le territoire d'un pays tiers ;
7° le ressortissant d'un pays tiers qui fournit des services de traduction ou d'interprétation en tant que travailleur d'une personne morale établie dans un pays tiers ;
8° le membre d'un organisme exerçant une activité de nature sociale, culturelle, environnementale ou caritative, venu en région de langue française pour participer auprès d'un organisme belge exerçant une activité similaire, reconnu ou subsidié par un pouvoir public belge dans le cadre d'un programme de formation continuée, de recyclage professionnel ou d'échanges de bonnes pratiques ;
9° la personne occupée par un employeur établi à l'étranger qui vient en région de langue française afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche ;
10° le travailleur domestique qui accompagne un touriste en séjour en région de langue française ;
11° l'artiste ayant conclu une convention de prestation artistique avec un opérateur subsidié par la Communauté française.
A l'alinéa 1er, 5°, on entend par mobilité de courte durée : le droit pour le ressortissant d'un pays tiers en possession d'un titre valable pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, délivré par un autre Etat membre, de résider et de travailler sur le territoire belge dans toute entité établie en Belgique et appartenant à la société ou au même groupe de sociétés, à condition que ses prestations de travail soient limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 9°, on entend par " prototype " l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer en production.
§ 3. Sans préjudice de dispositions plus favorables prévues par des accords internationaux, est de plein droit admis au travail le travailleur qui remplit les conditions cumulatives suivantes :
1° il répond à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés ;
2° il n'est pas ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen
3° il est employé par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse ;
4° il se rend temporairement en Belgique pour fournir des services, lorsqu'il remplit une des conditions suivantes :
a) il séjourne dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse, dans lequel il dispose d'un droit de séjour ou d'un titre de séjour de plus de trois mois ;
b) il exerce légalement une activité salariée dans l'Etat membre dans lequel il réside, pour autant que son titre de séjour soit valable au moins pour la durée du travail à effectuer en Belgique ;
c) il est en possession d'un contrat de travail en règle ;
d) il est titulaire d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée au moins équivalente à la durée du service fourni, afin de garantir son retour dans son pays d'origine ou de résidence.
§ 4. Les catégories de personnes suivantes sont admises de plein droit à travailler :
1° la personne, y compris l'étudiant restant inscrit dans un établissement de son pays tiers d'origine, venant effectuer en Belgique un stage rémunéré n'excédant pas douze mois et approuvé par l'autorité compétente dans le cadre de la coopération au développement ou d'une convention de collaboration visée à l'article 82 du décret de la Communauté française du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études ou par le Ministre ;
2° le chercheur, l'assistant chargé d'exercices ou chargé de cours international occupé dans le cadre d'une convention d'accueil ;
3° le chercheur, l'assistant chargé d'exercices ou chargé de cours international qui s'inscrit dans un partenariat soutenu par les pouvoirs publics entre une université et une entreprise ;
4° le postdoctorant qui bénéficie d'une allocation de recherche scientifique ou d'un subside à savant.
L'alinéa 1er, 2°, transpose partiellement la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
Art. 66. De minister kan in individuele gevallen afwijken van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1° en 2°, om redenen van economische, sociale, volksgezondheids-, openbare orde of openbare veiligheid die door de aanvrager worden aangevoerd.
Art. 66. Le Ministre peut déroger aux conditions visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, pour des cas individuels pour des raisons d'ordre économique, social, de santé public, d'ordre public ou de sécurité publique fournies par le demandeur.
HOOFDSTUK 2. - Collectieve besluiten
CHAPITRE 2. - Décisions collectives
Art. 67. De minister kan vaststellen dat er in een Franstalig gebied een tekort aan arbeidskrachten is als gevolg van een ernstige natuurlijke, gezondheids-, militaire, industriële of sociale crisis. In dat geval kan de minister vaststellen dat de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, vervuld is voor een categorie van werknemers, voor een hernieuwbare periode van maximaal zes maanden.
De minister stelt maandelijks een overzicht op van de op grond van dit artikel ingediende, ingewilligde en geweigerde aanvragen. Hij stuurt het door naar de regering.
De minister stelt maandelijks een overzicht op van de op grond van dit artikel ingediende, ingewilligde en geweigerde aanvragen. Hij stuurt het door naar de regering.
Art. 67. Le Ministre peut constater une pénurie conjoncturelle de main-d'oeuvre en région de langue française provoquée par une grave crise naturelle, sanitaire, militaire, industrielle ou sociale. Dans ce cas, le Ministre peut constater que la condition visée à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, est remplie pour une catégorie de travailleurs, pendant une période maximale de six mois, renouvelable.
Le Ministre établit mensuellement le relevé des demandes introduites, acceptées et refusées en vertu du présent article. Il le transmet au Gouvernement.
Le Ministre établit mensuellement le relevé des demandes introduites, acceptées et refusées en vertu du présent article. Il le transmet au Gouvernement.
Art. 68. Overeenkomstig artikel 4, § 3, van de wet van 30 april 1999 verleent de afgevaardigde ambtenaar, met instemming van het bevoegde paritair comité, een collectieve afwijking van de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1° en 2°, aan de werkgever die onderdanen van derde landen wenst aan te werven.
Collectieve afwijking ontslaat de werkgever niet van de verplichting om voor elke werknemer een aanvraag voor toelating tot arbeid in te dienen.
Collectieve afwijking ontslaat de werkgever niet van de verplichting om voor elke werknemer een aanvraag voor toelating tot arbeid in te dienen.
Art. 68. Conformément à l'article 4, § 3, de la loi du 30 avril 1999, le fonctionnaire délégué accorde, sur avis conforme de la commission paritaire compétente, une dérogation collective aux conditions visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, à un employeur qui souhaite engager des ressortissants de pays tiers.
La dérogation collective ne dispense pas l'employeur d'introduire une demande d'admission au travail dans le chef de chaque travailleur.
La dérogation collective ne dispense pas l'employeur d'introduire une demande d'admission au travail dans le chef de chaque travailleur.
TITEL 5. - Procedure
TITRE 5. - Procédure
Art. 69. § 1. Deze titel vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
De bepalingen van deze titel worden geïnterpreteerd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2018.
§ 2. De werkgever draagt de kosten die voortvloeien uit de in deze titel bedoelde procedure zonder deze door te rekenen aan de werknemer.
De bepalingen van deze titel worden geïnterpreteerd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2018.
§ 2. De werkgever draagt de kosten die voortvloeien uit de in deze titel bedoelde procedure zonder deze door te rekenen aan de werknemer.
Art. 69. § 1er. Le présent titre transpose partiellement la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre.
Les dispositions du présent titre s'interprètent conformément aux dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.
§ 2. L'employeur assume les frais engendrés par la procédure visée au présent titre, sans les répercuter sur le travailleur.
Les dispositions du présent titre s'interprètent conformément aux dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.
§ 2. L'employeur assume les frais engendrés par la procédure visée au présent titre, sans les répercuter sur le travailleur.
HOOFDSTUK 1. - Beslissing over een aanvraag voor toelating tot arbeid
CHAPITRE 1er. - Décision sur la demande d'admission au travail
Art. 70. De afgevaardigde ambtenaar beslist of de aanvraag ontvankelijk is en stelt de aanvrager hiervan in kennis:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art. 70. Le fonctionnaire délégué se prononce sur la recevabilité de la demande et en informe le demandeur :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Art. 71. Indien de aanvraag onvolledig is, stelt de afgevaardigde ambtenaar de aanvrager in kennis van de lijst van ontbrekende documenten:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
De aanvrager zendt de ontbrekende documenten binnen vijftien werkdagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn verklaart de afgevaardigde ambtenaar de aanvraag onontvankelijk.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het besluit tot onontvankelijkheid:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
De aanvrager zendt de ontbrekende documenten binnen vijftien werkdagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn verklaart de afgevaardigde ambtenaar de aanvraag onontvankelijk.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het besluit tot onontvankelijkheid:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art. 71. Lorsque la demande est incomplète, le fonctionnaire délégué notifie au demandeur la liste des documents manquants :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Le demandeur transmet les documents manquants au fonctionnaire délégué dans un délai de quinze jours ouvrables à dater de la notification visée à l'alinéa 1er. Passé ce délai, le fonctionnaire délégué déclare la demande irrecevable.
Le fonctionnaire délégué notifie la décision d'irrecevabilité :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Le demandeur transmet les documents manquants au fonctionnaire délégué dans un délai de quinze jours ouvrables à dater de la notification visée à l'alinéa 1er. Passé ce délai, le fonctionnaire délégué déclare la demande irrecevable.
Le fonctionnaire délégué notifie la décision d'irrecevabilité :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Art. 72. Wanneer de aanvraag ontvankelijk is, kan de afgevaardigde ambtenaar de aanvrager overeenkomstig artikel 14 om aanvullende informatie verzoeken.
De aanvrager zendt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het in het eerste lid bedoelde verzoek toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn zal de afgevaardigde ambtenaar het verzoek weigeren.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het weigeringsbesluit:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
De aanvrager zendt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het in het eerste lid bedoelde verzoek toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn zal de afgevaardigde ambtenaar het verzoek weigeren.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het weigeringsbesluit:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art. 72. Lorsque la demande est recevable, le fonctionnaire délégué peut solliciter auprès du demandeur les informations complémentaires conformément à l'article 14.
Le demandeur transmet les informations complémentaires au fonctionnaire délégué dans un délai de quinze jours à dater de la sollicitation visée à l'alinéa 1er. Passé ce délai, le fonctionnaire délégué refuse la demande.
Le fonctionnaire délégué notifie la décision de refus :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Le demandeur transmet les informations complémentaires au fonctionnaire délégué dans un délai de quinze jours à dater de la sollicitation visée à l'alinéa 1er. Passé ce délai, le fonctionnaire délégué refuse la demande.
Le fonctionnaire délégué notifie la décision de refus :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par voie électronique dans les autres cas.
Art. 73. § 1. De afgevaardigde ambtenaar deelt zijn besluit over de toelating tot arbeid uiterlijk honderdtwintig dagen na de kennisgeving van het besluit over de ontvankelijkheid van de aanvraag mee.
In afwijking van het eerste lid wordt de termijn verkort tot:
1° dertig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op een aanvraag voor een persoon die houder is van een Europese blauwe kaart die werd uitgereikt door een andere lidstaat van de Europese Unie;
2° zestig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating als bedoeld in artikel 10;
b) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die in de loop van de laatste vijf jaar reeds minstens één keer als seizoenarbeider tot het Belgische grondgebied is toegelaten en die tijdens elk van deze verblijven heeft voldaan aan de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders;
3° negentig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating op grond van de Europese blauwe kaart die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 1° ;
b) een aanvraag tot toelating van een ICT-manager, een ICT-deskundige of een ICT-stagiair;
c) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 2°, b);
d) een aanvraag tot toelating voor een stagiair, vrijwilliger of au pair.
§ 2. Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het eerste lid niet van toepassing in de gevallen bedoeld in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst.
In afwijking van het eerste lid wordt de termijn verkort tot:
1° dertig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op een aanvraag voor een persoon die houder is van een Europese blauwe kaart die werd uitgereikt door een andere lidstaat van de Europese Unie;
2° zestig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating als bedoeld in artikel 10;
b) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die in de loop van de laatste vijf jaar reeds minstens één keer als seizoenarbeider tot het Belgische grondgebied is toegelaten en die tijdens elk van deze verblijven heeft voldaan aan de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders;
3° negentig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating op grond van de Europese blauwe kaart die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 1° ;
b) een aanvraag tot toelating van een ICT-manager, een ICT-deskundige of een ICT-stagiair;
c) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 2°, b);
d) een aanvraag tot toelating voor een stagiair, vrijwilliger of au pair.
§ 2. Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het eerste lid niet van toepassing in de gevallen bedoeld in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst.
Art. 73. § 1er. Le fonctionnaire délégué notifie sa décision sur l'admission au travail au plus tard cent vingt jours après la notification de la décision sur la recevabilité de la demande.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le délai est réduit à :
1° trente jours lorsque la décision porte sur une demande pour une personne titulaire d'une carte bleue européenne délivrée par un autre Etat membre de l'Union européenne ;
2° soixante jours lorsque la décision porte sur :
a) une demande d'admission visée à l'article 10 ;
b) une demande d'admission pour un travailleur saisonnier qui a déjà été admis sur le territoire belge en tant que travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq années précédentes et qui a respecté les conditions applicables aux travailleurs saisonniers pendant chacun de ses séjours ;
3° nonante jours lorsque la décision porte sur :
a) une demande d'admission au titre de la carte bleue européenne qui ne remplit pas les conditions visées au 1° ;
b) une demande d'admission pour un cadre ICT, un expert ICT ou un stagiaire ICT ;
c) une demande d'admission pour un travailleurs saisonnier qui ne remplit pas les conditions visées au 2°, b) ;
d) une demande d'admission pour un stagiaire, un volontaire ou jeune au pair.
§ 2. Conformément à l'article 25, § 4, de l'accord de coopération du 2 février 2028, à défaut, d'une décision dans le délai visé au paragraphe 1er, l'admission au travail est réputée accordée. Dans ce cas, le fonctionnaire délégué délivre une attestation d'admission implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 1er ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le délai est réduit à :
1° trente jours lorsque la décision porte sur une demande pour une personne titulaire d'une carte bleue européenne délivrée par un autre Etat membre de l'Union européenne ;
2° soixante jours lorsque la décision porte sur :
a) une demande d'admission visée à l'article 10 ;
b) une demande d'admission pour un travailleur saisonnier qui a déjà été admis sur le territoire belge en tant que travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq années précédentes et qui a respecté les conditions applicables aux travailleurs saisonniers pendant chacun de ses séjours ;
3° nonante jours lorsque la décision porte sur :
a) une demande d'admission au titre de la carte bleue européenne qui ne remplit pas les conditions visées au 1° ;
b) une demande d'admission pour un cadre ICT, un expert ICT ou un stagiaire ICT ;
c) une demande d'admission pour un travailleurs saisonnier qui ne remplit pas les conditions visées au 2°, b) ;
d) une demande d'admission pour un stagiaire, un volontaire ou jeune au pair.
§ 2. Conformément à l'article 25, § 4, de l'accord de coopération du 2 février 2028, à défaut, d'une décision dans le délai visé au paragraphe 1er, l'admission au travail est réputée accordée. Dans ce cas, le fonctionnaire délégué délivre une attestation d'admission implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 1er ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
Art. 74. § 1. De afgevaardigde ambtenaar deelt zijn besluit over de verlenging van de toelating tot arbeid uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van het besluit over de ontvankelijkheid van de aanvraag mee.
Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het tweede lid niet van toepassing op de in titel II van die uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent een voorlopige toelating tot arbeid wanneer de vorige toelating tot arbeid vervalt tijdens het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing, op voorwaarde dat de aanvraag ontvankelijk is en ingediend werd binnen de in artikel 19, § 2, bedoelde termijnen. Tijdelijke toelatingen tot arbeid zijn 30 dagen geldig en kunnen één keer hernieuwd worden.
Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het tweede lid niet van toepassing op de in titel II van die uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent een voorlopige toelating tot arbeid wanneer de vorige toelating tot arbeid vervalt tijdens het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing, op voorwaarde dat de aanvraag ontvankelijk is en ingediend werd binnen de in artikel 19, § 2, bedoelde termijnen. Tijdelijke toelatingen tot arbeid zijn 30 dagen geldig en kunnen één keer hernieuwd worden.
Art. 74. § 1er. Le fonctionnaire délégué notifie sa décision sur le renouvellement de l'admission au travail au plus tard trente jours après la notification de la décision sur la recevabilité de la demande.
Conformément à l'article 25, § 4, de l'accord de coopération du 2 février 2028, à défaut, d'une décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'admission au travail est réputée accordée. Dans ce cas, le fonctionnaire délégué délivre une attestation d'admission implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 2 ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
§ 2. Le fonctionnaire délégué accorde une admission au travail provisoire lorsque l'admission au travail précédente arrive à échéance durant l'examen de la demande de renouvellement pour autant que cette dernière soit recevable et ait été introduite dans les délais visés à l'article 19, § 2. L'admission au travail provisoire est valable trente jours et peut être renouvelée une fois.
Conformément à l'article 25, § 4, de l'accord de coopération du 2 février 2028, à défaut, d'une décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'admission au travail est réputée accordée. Dans ce cas, le fonctionnaire délégué délivre une attestation d'admission implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 2 ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
§ 2. Le fonctionnaire délégué accorde une admission au travail provisoire lorsque l'admission au travail précédente arrive à échéance durant l'examen de la demande de renouvellement pour autant que cette dernière soit recevable et ait été introduite dans les délais visés à l'article 19, § 2. L'admission au travail provisoire est valable trente jours et peut être renouvelée une fois.
HOOFDSTUK 2. - Weigering, intrekking en verlies van geldigheid
CHAPITRE 2. - Refus, retrait et perte de validité
Art. 75. § 1. De afgevaardigde ambtenaar weigert de toegang tot arbeid indien:
1° de aanvraag gegevens, verklaringen of documenten bevat die onvolledig, onjuist, vervalst of onwettig zijn, gelet op de gewestelijke regels inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° de voorwaarden, vermeld in de artikelen 4, 4/1 of 5 van de wet van 30 april 1999 of in de uitvoeringsbesluiten ervan, niet vervuld zijn;
3° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
4° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt;
5° de werknemer niet voldoet aan de door de wet- of regelgeving opgelegde voorwaarden voor toegang tot het beoogde beroep;
6° het duidelijk is dat de onderdaan van een derde land niet over de vereiste vaardigheden beschikt voor de aangeboden betrekking;
7° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid;
8° de betrekking in strijd is met de normen die van toepassing zijn op de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers, zoals bepaald in wetten, reglementen en internationale verdragen;
9° de inkomsten uit de arbeid de werknemer niet in staat stellen zichzelf of zijn gezin te onderhouden, in de zin van artikel 79;
10° de onderneming of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van onderdanen van derde landen te vergemakkelijken, en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
11° de werkgever in een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacante betrekking te creëren waarin hij door middel van deze aanvraag wenst te voorzien;
12° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
13° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
14° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming;
15° tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag de toelating tot arbeid reeds werd geweigerd of ingetrokken voor dezelfde functie in dezelfde categorie, indien de aanvrager geen nieuwe elementen voorlegt. ;
De weigeringsgronden, vermeld in het eerste lid, 9°, zijn niet van toepassing op de aanvraag, vermeld in hoofdstuk 16 van titel 3.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar kan de toegang tot arbeid weigeren indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever failliet, kennelijk insolvent is of er tegen hem een faillissementsprocedure loopt;
De weigeringsgronden, bedoeld in het eerste lid, 1°, zijn niet van toepassing op verzoeken betreffende:
1° de hooggekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 23;
2° de houder van een blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° het lid van het leidinggevend personeel als bedoeld in artikel 28;
4° een persoon die het voorwerp is van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 48 en 49.
§ 3. Bij elke beslissing om een verzoek te weigeren wordt rekening gehouden met de omstandigheden van elk individueel geval, met inbegrip van de belangen van de werknemer, en wordt het evenredigheidsbeginsel nageleefd.
1° de aanvraag gegevens, verklaringen of documenten bevat die onvolledig, onjuist, vervalst of onwettig zijn, gelet op de gewestelijke regels inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° de voorwaarden, vermeld in de artikelen 4, 4/1 of 5 van de wet van 30 april 1999 of in de uitvoeringsbesluiten ervan, niet vervuld zijn;
3° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
4° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt;
5° de werknemer niet voldoet aan de door de wet- of regelgeving opgelegde voorwaarden voor toegang tot het beoogde beroep;
6° het duidelijk is dat de onderdaan van een derde land niet over de vereiste vaardigheden beschikt voor de aangeboden betrekking;
7° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid;
8° de betrekking in strijd is met de normen die van toepassing zijn op de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers, zoals bepaald in wetten, reglementen en internationale verdragen;
9° de inkomsten uit de arbeid de werknemer niet in staat stellen zichzelf of zijn gezin te onderhouden, in de zin van artikel 79;
10° de onderneming of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van onderdanen van derde landen te vergemakkelijken, en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
11° de werkgever in een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacante betrekking te creëren waarin hij door middel van deze aanvraag wenst te voorzien;
12° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
13° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
14° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming;
15° tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag de toelating tot arbeid reeds werd geweigerd of ingetrokken voor dezelfde functie in dezelfde categorie, indien de aanvrager geen nieuwe elementen voorlegt. ;
De weigeringsgronden, vermeld in het eerste lid, 9°, zijn niet van toepassing op de aanvraag, vermeld in hoofdstuk 16 van titel 3.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar kan de toegang tot arbeid weigeren indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever failliet, kennelijk insolvent is of er tegen hem een faillissementsprocedure loopt;
De weigeringsgronden, bedoeld in het eerste lid, 1°, zijn niet van toepassing op verzoeken betreffende:
1° de hooggekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 23;
2° de houder van een blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° het lid van het leidinggevend personeel als bedoeld in artikel 28;
4° een persoon die het voorwerp is van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 48 en 49.
§ 3. Bij elke beslissing om een verzoek te weigeren wordt rekening gehouden met de omstandigheden van elk individueel geval, met inbegrip van de belangen van de werknemer, en wordt het evenredigheidsbeginsel nageleefd.
Art. 75. § 1er. Le fonctionnaire délégué refuse l'admission au travail lorsque :
1° la demande contient des données, des déclarations ou des documents incomplets, inexacts, falsifiés ou illicites, eu égard aux règles régionales relatives à l'occupation des travailleurs étrangers ;
2° les conditions visées aux articles 4, 4/1 ou 5 de la loi du 30 avril 1999, ou dans ses arrêtés d'exécution, ne sont pas remplies ;
3° l'employeur ou l'entité hôte ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des étrangers, y compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'y appliquent ;
4° l'employeur ne respecte pas ses obligations légales et réglementaires relatives à son activité professionnelle ;
5° le travailleur ne remplit pas les conditions d'accès à la profession envisagée imposées par la loi ou la réglementation ;
6° il est manifeste que le ressortissant d'un pays tiers ne dispose pas des aptitudes nécessaires à l'occupation dans l'emploi proposé ;
7° l'emploi est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique ;
8° l'emploi contrevient aux normes applicables à l'embauche et l'emploi de travailleurs étrangers, prévues par les lois, règlements et traités internationaux ;
9° le revenu lié à l'emploi ne permet pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de sa famille, au sens de l'article 79 ;
10° l'entreprise ou l'entité hôte a été constituée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers, et n'exerce aucune activité économique ou sociale ;
11° au cours d'une période de six mois précédant la demande, l'employeur a supprimé un emploi à temps plein afin de créer le poste vacant qu'il souhaite pourvoir par cette demande ;
12° le travailleur fait l'objet d'une décision négative quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif et n'a pas été suspendue par le juge ;
13° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement du travailleur le nécessitent ;
14° la rémunération est moins favorable que celle de travailleurs exerçant la même fonction dans la même entreprise ;
15° pendant l'année précédant la demande, il a déjà refusé ou retiré l'admission au travail du même travail dans la même catégorie, si le demandeur ne fait pas valoir d'éléments nouveaux. ;
Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 9°, ne s'applique pas à la demande visée au chapitre 16 du titre 3.
§ 2. Le fonctionnaire délégué peut refuser l'admission au travail lorsque :
1° l'employeur ou l'entité hôte a été sanctionné, pénalement ou administrativement, dans l'année qui précède l'introduction de la demande, en application du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations ;
2° l'employeur est en faillite, manifestement insolvable ou fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite ;
Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 1°, ne s'applique pas aux demandes qui concernent :
1° la personne hautement qualifiée visée à l'article 23 ;
2° la personne titulaire d'une carte bleue visée à l'article 25 ;
3° le membre du personnel de direction visé à l'article 28 ;
4° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visée aux articles 48 et 49.
§ 3. Toute décision de refus d'une demande tient compte des circonstances propres à chaque cas d'espèce, y compris l'intérêt du travailleur, et respecte le principe de proportionnalité.
1° la demande contient des données, des déclarations ou des documents incomplets, inexacts, falsifiés ou illicites, eu égard aux règles régionales relatives à l'occupation des travailleurs étrangers ;
2° les conditions visées aux articles 4, 4/1 ou 5 de la loi du 30 avril 1999, ou dans ses arrêtés d'exécution, ne sont pas remplies ;
3° l'employeur ou l'entité hôte ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des étrangers, y compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'y appliquent ;
4° l'employeur ne respecte pas ses obligations légales et réglementaires relatives à son activité professionnelle ;
5° le travailleur ne remplit pas les conditions d'accès à la profession envisagée imposées par la loi ou la réglementation ;
6° il est manifeste que le ressortissant d'un pays tiers ne dispose pas des aptitudes nécessaires à l'occupation dans l'emploi proposé ;
7° l'emploi est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique ;
8° l'emploi contrevient aux normes applicables à l'embauche et l'emploi de travailleurs étrangers, prévues par les lois, règlements et traités internationaux ;
9° le revenu lié à l'emploi ne permet pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de sa famille, au sens de l'article 79 ;
10° l'entreprise ou l'entité hôte a été constituée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers, et n'exerce aucune activité économique ou sociale ;
11° au cours d'une période de six mois précédant la demande, l'employeur a supprimé un emploi à temps plein afin de créer le poste vacant qu'il souhaite pourvoir par cette demande ;
12° le travailleur fait l'objet d'une décision négative quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif et n'a pas été suspendue par le juge ;
13° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement du travailleur le nécessitent ;
14° la rémunération est moins favorable que celle de travailleurs exerçant la même fonction dans la même entreprise ;
15° pendant l'année précédant la demande, il a déjà refusé ou retiré l'admission au travail du même travail dans la même catégorie, si le demandeur ne fait pas valoir d'éléments nouveaux. ;
Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 9°, ne s'applique pas à la demande visée au chapitre 16 du titre 3.
§ 2. Le fonctionnaire délégué peut refuser l'admission au travail lorsque :
1° l'employeur ou l'entité hôte a été sanctionné, pénalement ou administrativement, dans l'année qui précède l'introduction de la demande, en application du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations ;
2° l'employeur est en faillite, manifestement insolvable ou fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite ;
Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 1°, ne s'applique pas aux demandes qui concernent :
1° la personne hautement qualifiée visée à l'article 23 ;
2° la personne titulaire d'une carte bleue visée à l'article 25 ;
3° le membre du personnel de direction visé à l'article 28 ;
4° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visée aux articles 48 et 49.
§ 3. Toute décision de refus d'une demande tient compte des circonstances propres à chaque cas d'espèce, y compris l'intérêt du travailleur, et respecte le principe de proportionnalité.
Art. 76. De afgevaardigde ambtenaar trekt de toelating tot arbeid in wanneer:
1° een frauduleuze praktijk, een onvolledige, onjuiste of vervalste aangifte of een onwettig uitgevoerde aanpassing, met betrekking tot de regels inzake tewerkstelling van buitenlandse werknemers werd vastgesteld;
2° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
3° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, met internationale overeenkomsten of akkoorden over de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
4° de rechtspersoon of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
5° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
6° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
7° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming, rekening houdend met elk element dat hem ter kennis wordt gebracht;
8° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot arbeid, met inbegrip van de verplichting om individuele bezoldigingsrekeningen over te maken, zoals bepaald in artikel 5, tweede lid.
De afgevaardigde ambtenaar kan de toelating tot arbeid intrekken indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt.
Elk besluit om de toelating tot arbeid in te trekken houdt rekening met de omstandigheden van elk individueel geval, inclusief de belangen van de werknemer, en respecteert het evenredigheidsbeginsel.
1° een frauduleuze praktijk, een onvolledige, onjuiste of vervalste aangifte of een onwettig uitgevoerde aanpassing, met betrekking tot de regels inzake tewerkstelling van buitenlandse werknemers werd vastgesteld;
2° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
3° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, met internationale overeenkomsten of akkoorden over de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
4° de rechtspersoon of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
5° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
6° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
7° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming, rekening houdend met elk element dat hem ter kennis wordt gebracht;
8° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot arbeid, met inbegrip van de verplichting om individuele bezoldigingsrekeningen over te maken, zoals bepaald in artikel 5, tweede lid.
De afgevaardigde ambtenaar kan de toelating tot arbeid intrekken indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt.
Elk besluit om de toelating tot arbeid in te trekken houdt rekening met de omstandigheden van elk individueel geval, inclusief de belangen van de werknemer, en respecteert het evenredigheidsbeginsel.
Art. 76. Le fonctionnaire délégué retire l'admission au travail lorsque :
1° une pratique frauduleuse, une déclaration incomplète, inexacte ou falsifiée a été constatée ou une adaptation effectuée illégalement, eu égard aux règles relatives à l'occupation des travailleurs étrangers ;
2° l'employeur ou l'entité hôte ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des étrangers, y compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'y appliquent ;
3° l'emploi est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et règlements, aux accords internationaux ou aux accords sur l'embauche et l'emploi de travailleurs étrangers ;
4° la personne morale ou l'entité hôte a été constituée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers et n'exerce aucune activité économique ou sociale ;
5° le travailleur fait l'objet d'une décision négative quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif et n'a pas été suspendue par le juge ;
6° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement du travailleur le nécessitent ;
7° la rémunération est moins favorable que celle de travailleurs exerçant la même fonction dans la même entreprise, compte tenu de tout élément porté à sa connaissance ;
8° l'employeur, l'entité hôte ou le travailleur ne respecte pas les conditions liées à l'admission au travail, y compris l'obligation de transmission des comptes individuels de rémunération, telle que prévue à l'article 5, alinéa 2.
Le fonctionnaire délégué peut retirer l'admission au travail lorsque :
1° l'employeur ou l'entité hôte a été sanctionné, pénalement ou administrativement, dans l'année qui précède l'introduction de la demande, en application du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations ;
2° l'employeur ne respecte pas ses obligations légales et réglementaires relatives à son activité professionnelle.
Toute décision de retrait de l'admission au travail tient compte des circonstances propres à chaque cas d'espèce, y compris l'intérêt du travailleur, et respecte le principe de proportionnalité.
1° une pratique frauduleuse, une déclaration incomplète, inexacte ou falsifiée a été constatée ou une adaptation effectuée illégalement, eu égard aux règles relatives à l'occupation des travailleurs étrangers ;
2° l'employeur ou l'entité hôte ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des étrangers, y compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'y appliquent ;
3° l'emploi est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et règlements, aux accords internationaux ou aux accords sur l'embauche et l'emploi de travailleurs étrangers ;
4° la personne morale ou l'entité hôte a été constituée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers et n'exerce aucune activité économique ou sociale ;
5° le travailleur fait l'objet d'une décision négative quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif et n'a pas été suspendue par le juge ;
6° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement du travailleur le nécessitent ;
7° la rémunération est moins favorable que celle de travailleurs exerçant la même fonction dans la même entreprise, compte tenu de tout élément porté à sa connaissance ;
8° l'employeur, l'entité hôte ou le travailleur ne respecte pas les conditions liées à l'admission au travail, y compris l'obligation de transmission des comptes individuels de rémunération, telle que prévue à l'article 5, alinéa 2.
Le fonctionnaire délégué peut retirer l'admission au travail lorsque :
1° l'employeur ou l'entité hôte a été sanctionné, pénalement ou administrativement, dans l'année qui précède l'introduction de la demande, en application du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations ;
2° l'employeur ne respecte pas ses obligations légales et réglementaires relatives à son activité professionnelle.
Toute décision de retrait de l'admission au travail tient compte des circonstances propres à chaque cas d'espèce, y compris l'intérêt du travailleur, et respecte le principe de proportionnalité.
Art. 77. De toelating tot arbeid voor een beperkte periode verliest van rechtswege zijn geldigheid als de houder niet langer legaal in België verblijft.
Art. 77. L'admission au travail pour une durée limitée perd sa validité de plein droit dans les cas où son titulaire n'est plus en situation de séjour légal en Belgique.
HOOFDSTUK 3. - Beroepsmiddelen
CHAPITRE 3. - Voies de recours
Art. 78. § 1. De afgevaardigde ambtenaar brengt de beslissing tot weigering of intrekking ter kennis van de werkgever of zijn vertegenwoordiger en van de onderdaan van een derde land die voldoet aan de voorwaarden van artikel 9 van de wet van 30 april 1999.
De kennisgeving vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° in alle andere gevallen, met elk middel dat bewijskracht en een zekere datum van verzending en ontvangst verleent.
§ 2. Het besluit tot weigering of intrekking vermeldt de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de minister, evenals de formele vereisten en termijnen waaraan moet worden voldaan.
Het weigerings- of intrekkingsbesluit vermeldt ook welke overheidsinstanties op de hoogte werden gebracht van het besluit.
§ 3. Het beroep moet de door de eiser gedateerde en ondertekende motiveringsbrief bevatten samen met alle documenten die nodig zijn om te reageren op de redenen voor de weigering of intrekking.
De eiser kan aanvullende documenten indienen binnen maximaal een maand na het indienen van het beroep. De periode loopt van de dag nadat het beroep is ingesteld tot de dag voordat een maand vervallen is. Indien de vervaldag op een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag valt, zal deze uitgesteld worden tot de eerstvolgende werkdag.
Het beroep moet worden gericht aan de direction de l'Emploi et des Permis de travail du département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]. Het vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer het beroep binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per post in alle andere gevallen.
Zolang het beroep bij de minister loopt, wordt een aanvraag die na het beroep wordt ingediend, onontvankelijk verklaard als deze wordt ingediend voor dezelfde werkgever en dezelfde werknemer.
§ 4. De minister kan de eiser om aanvullende informatie vragen. De eiser stuurt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het verzoek naar de minister. Na het verstrijken van deze termijn neemt de minister een weigeringsbesluit en stelt hij de eiser hiervan op de hoogte.
De minister deelt zijn beslissing over het beroep uiterlijk twee maanden na ontvangst van het beroep mee.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen beslissing is genomen, wordt de toelating tot arbeid geacht te zijn bevestigd. In dat geval geeft de minister een certificaat van impliciete bevestiging af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het derde lid niet van toepassing op de in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 5. De minister stuurt een kopie van het besluit naar de afgevaardigde ambtenaar die het besluit uitvoert.
Het besluit beschrijft de beroepsprocedures en de formele vereisten en deadlines waaraan moet worden voldaan.
De in dit artikel bedoelde kennisgevingen worden gedaan:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° met elk middel dat bewijskracht verleent en een zekere datum van verzending en ontvangst in andere gevallen.
De kennisgeving vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° in alle andere gevallen, met elk middel dat bewijskracht en een zekere datum van verzending en ontvangst verleent.
§ 2. Het besluit tot weigering of intrekking vermeldt de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de minister, evenals de formele vereisten en termijnen waaraan moet worden voldaan.
Het weigerings- of intrekkingsbesluit vermeldt ook welke overheidsinstanties op de hoogte werden gebracht van het besluit.
§ 3. Het beroep moet de door de eiser gedateerde en ondertekende motiveringsbrief bevatten samen met alle documenten die nodig zijn om te reageren op de redenen voor de weigering of intrekking.
De eiser kan aanvullende documenten indienen binnen maximaal een maand na het indienen van het beroep. De periode loopt van de dag nadat het beroep is ingesteld tot de dag voordat een maand vervallen is. Indien de vervaldag op een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag valt, zal deze uitgesteld worden tot de eerstvolgende werkdag.
Het beroep moet worden gericht aan de direction de l'Emploi et des Permis de travail du département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]. Het vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer het beroep binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per post in alle andere gevallen.
Zolang het beroep bij de minister loopt, wordt een aanvraag die na het beroep wordt ingediend, onontvankelijk verklaard als deze wordt ingediend voor dezelfde werkgever en dezelfde werknemer.
§ 4. De minister kan de eiser om aanvullende informatie vragen. De eiser stuurt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het verzoek naar de minister. Na het verstrijken van deze termijn neemt de minister een weigeringsbesluit en stelt hij de eiser hiervan op de hoogte.
De minister deelt zijn beslissing over het beroep uiterlijk twee maanden na ontvangst van het beroep mee.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen beslissing is genomen, wordt de toelating tot arbeid geacht te zijn bevestigd. In dat geval geeft de minister een certificaat van impliciete bevestiging af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het derde lid niet van toepassing op de in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 5. De minister stuurt een kopie van het besluit naar de afgevaardigde ambtenaar die het besluit uitvoert.
Het besluit beschrijft de beroepsprocedures en de formele vereisten en deadlines waaraan moet worden voldaan.
De in dit artikel bedoelde kennisgevingen worden gedaan:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° met elk middel dat bewijskracht verleent en een zekere datum van verzending en ontvangst in andere gevallen.
Art. 78. § 1er. Le fonctionnaire délégué notifie la décision de refus ou de retrait à l'employeur ou à son mandataire ainsi qu'au ressortissant d'un pays tiers qui remplit les conditions énoncées à l'article 9 de la loi du 30 avril 1999.
La notification a lieu :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par toute voie conférant valeur probante et date certaine d'envoi et de réception dans les autres cas.
§ 2. La décision de refus ou de retrait mentionne la possibilité de recours auprès du Ministre, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
La décision de refus ou de retrait mentionne également quelles sont les autorités publiques averties de la décision.
§ 3. Le recours comporte la lettre de motivation datée et signée par le requérant ainsi que tous les documents nécessaires pour répondre aux motifs de refus ou de retrait.
Le requérant peut joindre des documents supplémentaires dans un délai d'un mois maximum après l'introduction du recours. Le délai se compte du lendemain du jour de l'introduction du recours jusqu'à la veille de l'échéance d'un mois. Si le jour d'échéance tombe un samedi, dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au jour ouvrable suivant.
Le recours est adressé à la direction de l'Emploi et des Permis de travail du département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche. Il a lieu :
1° via la plateforme commune lorsque le recours entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier dans les autres cas.
Tant que le recours auprès du Ministre est pendant, la requête introduite après le recours est déclarée irrecevable s'il s'agit d'une demande introduite pour le même employeur et pour le même travailleur.
§ 4. Le Ministre peut solliciter auprès du requérant des informations complémentaires. Le requérant transmet les informations complémentaires au Ministre dans un délai de quinze jours à dater de la sollicitation. Passé ce délai, le Ministre rend une décision de refus et la notifie au requérant.
Le Ministre notifie sa décision sur le recours au plus tard dans les deux mois de la réception du recours.
A défaut, d'une décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'admission au travail est réputée confirmée. Dans ce cas, le Ministre délivre une attestation de confirmation implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 3 ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
§ 5. Le Ministre adresse une copie de la décision au fonctionnaire délégué qui l'exécute.
La décision indique les voies de recours ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
Les notifications visées dans le présent article sont réalisées :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par toute voie qui confère valeur probante et date certaine d'envoi et de réception dans les autres cas.
La notification a lieu :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par toute voie conférant valeur probante et date certaine d'envoi et de réception dans les autres cas.
§ 2. La décision de refus ou de retrait mentionne la possibilité de recours auprès du Ministre, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
La décision de refus ou de retrait mentionne également quelles sont les autorités publiques averties de la décision.
§ 3. Le recours comporte la lettre de motivation datée et signée par le requérant ainsi que tous les documents nécessaires pour répondre aux motifs de refus ou de retrait.
Le requérant peut joindre des documents supplémentaires dans un délai d'un mois maximum après l'introduction du recours. Le délai se compte du lendemain du jour de l'introduction du recours jusqu'à la veille de l'échéance d'un mois. Si le jour d'échéance tombe un samedi, dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au jour ouvrable suivant.
Le recours est adressé à la direction de l'Emploi et des Permis de travail du département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche. Il a lieu :
1° via la plateforme commune lorsque le recours entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par courrier dans les autres cas.
Tant que le recours auprès du Ministre est pendant, la requête introduite après le recours est déclarée irrecevable s'il s'agit d'une demande introduite pour le même employeur et pour le même travailleur.
§ 4. Le Ministre peut solliciter auprès du requérant des informations complémentaires. Le requérant transmet les informations complémentaires au Ministre dans un délai de quinze jours à dater de la sollicitation. Passé ce délai, le Ministre rend une décision de refus et la notifie au requérant.
Le Ministre notifie sa décision sur le recours au plus tard dans les deux mois de la réception du recours.
A défaut, d'une décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'admission au travail est réputée confirmée. Dans ce cas, le Ministre délivre une attestation de confirmation implicite.
Conformément à l'article 5/1 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'alinéa 3 ne s'applique pas dans les cas visés au titre II de cet accord de coopération d'exécution.
§ 5. Le Ministre adresse une copie de la décision au fonctionnaire délégué qui l'exécute.
La décision indique les voies de recours ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
Les notifications visées dans le présent article sont réalisées :
1° via la plateforme commune lorsque la demande entre dans le champ d'application de l'accord de coopération du 2 février 2018 ;
2° par toute voie qui confère valeur probante et date certaine d'envoi et de réception dans les autres cas.
TITEL 6. - Bezoldiging
TITRE 6. - Rémunération
Art. 79. Het inkomen wordt geacht de voltijds of deeltijds tewerkgestelde werknemer in staat te stellen in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien indien het betaalde loon niet lager is dan het gewaarborgd gemiddeld maandinkomen voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborging van een gemiddeld minimummaandinkomen.
Het eerste lid is van toepassing onverminderd de toepassing van de bezoldigingsvoorwaarden verschuldigd krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning verbindend zijn verklaard overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Het eerste lid is van toepassing onverminderd de toepassing van de bezoldigingsvoorwaarden verschuldigd krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning verbindend zijn verklaard overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Art. 79. Le revenu est réputé permettre au travailleur, qu'il soit occupé à temps plein ou à temps partiel, de subvenir à ses besoins et à ceux de sa famille si le salaire versé n'est pas inférieur au revenu moyen mensuel garanti prévu par la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
L'alinéa 1er s'applique sans préjudice de l'application des conditions de rémunération dues en vertu des conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
L'alinéa 1er s'applique sans préjudice de l'application des conditions de rémunération dues en vertu des conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
Art. 80. § 1. De in dit besluit genoemde bezoldigingsbedragen vormen de tegenprestatie voor de arbeidsprestaties of voor de opdracht en zijn vastgelegd of kunnen vastgelegd worden. Ze worden aan alle partijen en aan de afgevaardigde ambtenaar meegedeeld vóór de tewerkstelling van de werknemer in België.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor de gedetacheerde werknemer het begrip loon bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan.
In afwijking van paragraaf 1 geldt voor betaalde sportbeoefenaars het begrip loon bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
In afwijking van paragraaf 1 worden voor de in titel 3, hoofdstukken 16 tot en met 18, bedoelde personen middelen die afkomstig zijn van een toelage, een beurs, een garantstellingsverklaring van een organisatie die deelneemt aan een scholierenuitwisseling, een organisatie die stagiairs ontvangt, een organisatie die deelneemt aan een vrijwilligerswerkprogramma, een gastgezin of een organisatie die als tussenpersoon voor jonge au pairs optreedt, gelijkgesteld met loon.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor de gedetacheerde werknemer het begrip loon bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan.
In afwijking van paragraaf 1 geldt voor betaalde sportbeoefenaars het begrip loon bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
In afwijking van paragraaf 1 worden voor de in titel 3, hoofdstukken 16 tot en met 18, bedoelde personen middelen die afkomstig zijn van een toelage, een beurs, een garantstellingsverklaring van een organisatie die deelneemt aan een scholierenuitwisseling, een organisatie die stagiairs ontvangt, een organisatie die deelneemt aan een vrijwilligerswerkprogramma, een gastgezin of een organisatie die als tussenpersoon voor jonge au pairs optreedt, gelijkgesteld met loon.
Art. 80. § 1er. Les montants de rémunération visés dans le présent arrêté constituent la contrepartie des prestations de travail ou de l'engagement et sont déterminées ou déterminables. Ils sont communiqués à toutes les parties et au fonctionnaire délégué avant l'occupation du travailleur en Belgique.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour le travailleur détaché, la notion de rémunération visée à l'article 5, § 3, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci s'applique.
Par dérogation au paragraphe 1er, pour le sportif rémunéré, la notion de rémunération visée à l'article 2, § 1er, de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré s'applique.
Par dérogation au paragraphe 1er, pour les personnes visées aux chapitres 16 à 18 du titre 3, sont assimilées à la notion de rémunération les ressources provenant d'une indemnité, d'une bourse, d'une déclaration de prise en charge par un organisme participant à un programme d'échange d'élèves, une entité accueillant des stagiaires, un organisme participant à un programme de volontariat, une famille d'accueil ou un organisme servant d'intermédiaire pour les jeunes au pair.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour le travailleur détaché, la notion de rémunération visée à l'article 5, § 3, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci s'applique.
Par dérogation au paragraphe 1er, pour le sportif rémunéré, la notion de rémunération visée à l'article 2, § 1er, de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré s'applique.
Par dérogation au paragraphe 1er, pour les personnes visées aux chapitres 16 à 18 du titre 3, sont assimilées à la notion de rémunération les ressources provenant d'une indemnité, d'une bourse, d'une déclaration de prise en charge par un organisme participant à un programme d'échange d'élèves, une entité accueillant des stagiaires, un organisme participant à un programme de volontariat, une famille d'accueil ou un organisme servant d'intermédiaire pour les jeunes au pair.
Art. 81. § 1. Onverminderd artikel 79 wordt, wanneer de werknemer deeltijds werkt, de salarisdrempel aangepast door deze te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller overeenkomt met het aantal uren tewerkstelling per week en de noemer met een voltijdse tewerkstelling bij de werkgever of, bij gebreke daarvan, in de activiteitensector.
§ 2. De bedragen van de salarisdrempels worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de index van de conventionele lonen van werknemers voor het derde kwartaal (basis 2010 = 100) volgens de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex. Het resultaat wordt afgerond tot op de euro.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° de index van de conventionele lonen van werknemers: de index vastgesteld door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van de gemiddelde lonen van volwassen werknemers in de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° de basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2024;
3° de nieuwe index: de index van het derde kwartaal (basis 2010 = 100) voor het jaar voorafgaand aan de indexering;
4° de initiële index: de index voor het derde kwartaal van 2023 (basis 2010 = 100).
§ 2. De bedragen van de salarisdrempels worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de index van de conventionele lonen van werknemers voor het derde kwartaal (basis 2010 = 100) volgens de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex. Het resultaat wordt afgerond tot op de euro.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° de index van de conventionele lonen van werknemers: de index vastgesteld door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van de gemiddelde lonen van volwassen werknemers in de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° de basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2024;
3° de nieuwe index: de index van het derde kwartaal (basis 2010 = 100) voor het jaar voorafgaand aan de indexering;
4° de initiële index: de index voor het derde kwartaal van 2023 (basis 2010 = 100).
Art. 81. § 1er. Sans préjudice de l'article 79, lorsque le travailleur est occupé à temps partiel, le seuil de rémunération est adapté en le multipliant par la fraction dont le numérateur correspond au nombre d'heures d'occupation hebdomadaire et le dénominateur à l'occupation à temps plein au sein de l'employeur ou, à défaut, dans le secteur d'activité.
§ 2. Les montants des seuils de rémunération sont adaptés le 1er janvier de chaque année à l'indice des salaires conventionnels des employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) selon la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro près.
A l'alinéa 1er, on entend par :
1° l'indice des salaires conventionnels des employés : l'indice établi par le Service public fédéral Emploi, Travail et Dialogue social sur la base du calcul de la moyenne des salaires des employés adultes du secteur privé, telle qu'établie par convention collective ;
2° les montants de base : les montants en vigueur au 1er janvier 2024 ;
3° le nouvel indice : l'indice du troisième trimestre (base sur 2010 = 100) pour l'année précédant l'indexation ;
4° l'indice initial : l'indice du troisième trimestre 2023 (base sur 2010 = 100).
§ 2. Les montants des seuils de rémunération sont adaptés le 1er janvier de chaque année à l'indice des salaires conventionnels des employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) selon la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro près.
A l'alinéa 1er, on entend par :
1° l'indice des salaires conventionnels des employés : l'indice établi par le Service public fédéral Emploi, Travail et Dialogue social sur la base du calcul de la moyenne des salaires des employés adultes du secteur privé, telle qu'établie par convention collective ;
2° les montants de base : les montants en vigueur au 1er janvier 2024 ;
3° le nouvel indice : l'indice du troisième trimestre (base sur 2010 = 100) pour l'année précédant l'indexation ;
4° l'indice initial : l'indice du troisième trimestre 2023 (base sur 2010 = 100).
Art. 82. Krachtens artikel 65, § 2, eerste lid, 5°, artikel 51, 4° en artikel 53, 3°, wordt de bezoldiging geacht even gunstig te zijn als die welke in het Franse taalgebied wordt aangeboden aan werknemers die vergelijkbare functies uitoefenen, wanneer zij gelijk is aan of hoger is dan:
1° 65.053 euro in het geval van een ICT-kaderlid;
2° 52.042 euro in het geval van een ICT-deskundige;
3° 32.527 euro in het geval van een ICT-stagiair.
De in het eerste lid bedoelde bezoldigingsbedragen worden aangepast overeenkomstig artikel 81.
1° 65.053 euro in het geval van een ICT-kaderlid;
2° 52.042 euro in het geval van een ICT-deskundige;
3° 32.527 euro in het geval van een ICT-stagiair.
De in het eerste lid bedoelde bezoldigingsbedragen worden aangepast overeenkomstig artikel 81.
Art. 82. En application de l'article 65, § 2, alinéa 1er, 5°, de l'article 51, 4°, et de l'article 53, 3°, la rémunération est réputée aussi favorable que celle offerte en région de langue française aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables si elle est égale ou supérieure à :
1° 65.053 euros s'il s'agit d'un cadre ICT ;
2° 52.042 euros s'il s'agit d'un expert ICT ;
3° 32.527 euros s'il s'agit d'un stagiaire ICT.
Les montants de rémunération prévus à l'alinéa 1er sont adaptés conformément à l'article 81.
1° 65.053 euros s'il s'agit d'un cadre ICT ;
2° 52.042 euros s'il s'agit d'un expert ICT ;
3° 32.527 euros s'il s'agit d'un stagiaire ICT.
Les montants de rémunération prévus à l'alinéa 1er sont adaptés conformément à l'article 81.
TITEL 7. - Gegevensverwerking
TITRE 7. - Traitement de données
Art. 83. De Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek] met een delegatie van bevoegdheden overeenkomstig het besluit van de Waalse regering van 23 mei 2019 met betrekking tot de delegatie van bevoegdheden aan de Service public de Wallonie [Overheidsdienst van Wallonië] komt tussen als enige verantwoordelijke voor de verwerking.
Op grond van titel 5 wisselt zij de nodige persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken.
Op grond van titel 5 wisselt zij de nodige persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken.
Art. 83. La Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche disposant d'une délégation de pouvoirs conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie intervient en tant qu'unique responsable du traitement.
En application du titre 5, elle échange les données à caractère personnel nécessaires avec l'Office des étrangers.
En application du titre 5, elle échange les données à caractère personnel nécessaires avec l'Office des étrangers.
Art. 84. De Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek] bewaart de gegevens overeenkomstig artikel 25 van het samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021.
De bewaartermijn wordt verlengd in geval van gerechtelijke of administratieve procedures totdat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput.
De bewaartermijn wordt verlengd in geval van gerechtelijke of administratieve procedures totdat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput.
Art. 84. La Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche conserve les données conformément à l'article 25 de l'accord de coopération du 5 mars 2021.
La durée de conservation est prolongée en cas d'action judiciaire ou administrative jusqu'à ce que les voies de recours soient éteintes.
La durée de conservation est prolongée en cas d'action judiciaire ou administrative jusqu'à ce que les voies de recours soient éteintes.
Art. 85. Krachtens het samenwerkingsakkoord tussen de federale, gewestelijke en gemeenschapsadministraties met het oog op het harmoniseren en op elkaar afstemmen van initiatieven om te komen tot een geïntegreerd e-government van 26 augustus 2013, worden de organisatie en coördinatie van de verschillende gegevensstromen toevertrouwd aan de service-integrator voor het Waal Gewest en de Federatie Wallonië-Brussel, de Banque carrefour d'Echanges de Données (BCED).
Art. 85. En application de l'accord de coopération entre les administrations fédérales, régionales et communautaires, afin d'harmoniser et aligner les initiatives visant à réaliser un e-gouvernement intégré du 26 août 2013, l'organisation et la coordination des divers flux de données sont confiées à l'intégrateur de services pour la Région wallonne et la Fédération Wallonie-Bruxelles, la Banque carrefour d'Echanges de Données (BCED).
TITEL 8. - Intrekkende, overgangs- en slotbepalingen
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 86. Het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en tot opheffing van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers wordt opgeheven.
Art. 86. L'arrêté du Gouvernement wallon du 16 mai 2019 relatif à l'occupation des travailleurs étrangers et abrogeant l'arrêté royal du 9 juin 1999 portant exécution de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers est abrogé.
Art. 87. Afdeling 2 - van hoofdstuk VI van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 87. La section 2 du chapitre VI de l'arrêté royal du 9 juin 1999 portant exécution de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 mai 2019, est abrogée.
Art. 88. Tewerkstellingsvergunningen, arbeidskaarten en arbeidstoelatingen die worden afgeleverd krachtens de bepalingen die vóór 1 september 2024 van kracht waren, blijven geldig tot ze vervallen.
Op aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen, arbeidskaarten en arbeidstoelatingen die vóór 1 september 2024 zijn ingediend, blijven de bepalingen van toepassing die vóór die datum golden, tenzij die bepalingen voor de betrokkene minder gunstig zijn dan de bepalingen in dit besluit.
Onderdanen van derde landen die een vrijstelling van arbeidsvergunning genieten krachtens het Koninklijk Besluit van 9 juni 1999 of het Besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019 vóór 1 september 2024, blijven toegelaten om te werken tot hun verblijfsrecht vervalt.
Op aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen, arbeidskaarten en arbeidstoelatingen die vóór 1 september 2024 zijn ingediend, blijven de bepalingen van toepassing die vóór die datum golden, tenzij die bepalingen voor de betrokkene minder gunstig zijn dan de bepalingen in dit besluit.
Onderdanen van derde landen die een vrijstelling van arbeidsvergunning genieten krachtens het Koninklijk Besluit van 9 juni 1999 of het Besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019 vóór 1 september 2024, blijven toegelaten om te werken tot hun verblijfsrecht vervalt.
Art. 88. Les autorisations d'occupation, les permis de travail et les autorisations de travail délivrés en vertu des dispositions en vigueur avant le 1er septembre 2024 restent valables jusqu'à leur expiration.
Les demandes d'autorisations d'occupation, du permis de travail et d'autorisation de travail introduites avant le 1er septembre 2024 restent soumises aux dispositions en vigueur avant cette date, sauf si ces dispositions sont moins favorables à l'intéressé que celles prévues par le présent arrêté.
Les ressortissants de pays tiers bénéficiant d'une dispense de permis de travail en vertu de l'arrêté royal du 9 juin 1999 ou de l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 mai 2019 avant le 1er septembre 2024 continuent d'être admis au travail jusqu'à l'expiration de leur droit de séjour.
Les demandes d'autorisations d'occupation, du permis de travail et d'autorisation de travail introduites avant le 1er septembre 2024 restent soumises aux dispositions en vigueur avant cette date, sauf si ces dispositions sont moins favorables à l'intéressé que celles prévues par le présent arrêté.
Les ressortissants de pays tiers bénéficiant d'une dispense de permis de travail en vertu de l'arrêté royal du 9 juin 1999 ou de l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 mai 2019 avant le 1er septembre 2024 continuent d'être admis au travail jusqu'à l'expiration de leur droit de séjour.
Art. 89. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2024, met uitzondering van artikel 12, § 1, vijfde lid, dat in werking treedt op een door de minister te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2027.
Art. 89. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2024 à l'exception de l'article 12, § 1er, alinéa 5, qui entre en vigueur à une date déterminée par le Ministre et, au plus tard, au 1er janvier 2027.
Art. 90. De minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 90. Le Ministre est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Art.87/1. [1 Aanvragen die op of na 1 september 2024 overeenkomstig artikel 61 van dit besluit worden ingediend, worden behandeld volgens de procedure voor vergunning B bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel 2, totdat de procedure bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk 1 van Titel 2 van toepassing is.]1
Art.87/1. [1 Les demandes introduites à partir du 1er septembre 2024 en vertu de l'article 61 du présent arrêté sont traitées par le biais de la procédure du Permis B visée à la section 3 du Chapitre 1er du Titre 2 jusqu'à ce que la procédure visée à la section 2 du Chapitre 1er du Titre 2 s'applique.]1