Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 JULI 2024. - Koninklijk besluit houdende de oprichting en de opdrachten van Belgian Secure Communications
Titre
17 JUILLET 2024. - Arrêté royal portant la création et réglant les missions de Belgian Secure Communications
Documentinformatie
Numac: 2024007580
Datum: 2024-07-17
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024007580
Date: 2024-07-17
Moniteur: Voir
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK 1. - De organisatie en opdrachten
CHAPITRE 1er. - L'organisation et les missions
Artikel 1. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt de dienst Belgian Secure Communications, "BSC" genoemd, opgericht.
  BSC staat, wat zijn operationele werking betreft, onder het rechtstreekse gezag van de minister bevoegd voor Justitie. De strategische aansturing van BSC berust bij de Nationale Veiligheidsraad, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 22 december 2020 tot oprichting van de Nationale Veiligheidsraad, het Strategisch Comité Inlichtingen en Veiligheid en het Coördinatiecomité Inlichtingen en Veiligheid.
Article 1er. Il est créé auprès du Service public fédéral de la Justice, le service Belgian Secure Communications, dénommé " BSC ".
  Pour ce qui concerne son fonctionnement opérationnel, BSC est placé sous l'autorité directe du ministre qui a la Justice dans ses attributions. Le Conseil national de sécurité assure la direction stratégique de BSC, conformément à l'arrêté royal du 22 décembre 2020 portant création du Conseil national de sécurité, du Comité stratégique du renseignement et de la sécurité et du Comité de coordination du renseignement et de la sécurité.
Art. 2. § 1. BSC is belast met het aanbieden, het ontwikkelen, het beheren, het onderhouden, het opslaan en het beveiligen van beveiligde communicatie- en informatiesystemen en het leiden van projecten inzake beveiligde communicatie- en informatiesystemen om de beveiligde uitwisseling van geclassificeerde en niet-geclassificeerde informatie te verzekeren ten behoeve van overheidsinstellingen en -diensten en private ondernemingen en personen indien de nationale veiligheid dit vereist.
  De in het eerste lid bedoelde communicatie- en informatiesystemen worden in een richtlijn van de Nationale Veiligheidsraad vastgelegd.
  § 2. Op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en na eensluidend advies van de Nationale Veiligheidsraad kan de Koning bijkomende opdrachten aan BSC toekennen.
  § 3. BSC oefent haar opdrachten uit onder voorbehoud van de wettelijke en reglementaire bevoegdheden van de Nationale Veiligheidsoverheid, zoals bepaald in artikel 1quater van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, de bevoegdheden van de Veiligheid van de Staat, zoals bepaald in artikel 1quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst en artikel 7 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de bevoegdheden van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, zoals bepaald in artikel 1quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst en artikel 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de bevoegdheden van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, de bevoegdheden van het Nationaal Crisiscentrum, zoals voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 april 1988 tot oprichting van het coördinatie- en Crisiscentrum van de regering en de bevoegdheden van het Centrum voor Cybersecurity België, zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2014 tot oprichting van het Centrum voor Cybersecurity België.
Art. 2. § 1er. BSC est chargé de proposer, de développer, de gérer, de maintenir, de stocker, et de sécuriser des systèmes de communication et d'information sécurisés et de diriger des projets en matière de systèmes de communication et d'information sécurisés afin d'assurer l'échange sécurisé d'informations classifiées et non classifiées au profit des institutions et services publics, ainsi que des entreprises et des personnes privées lorsque la sécurité nationale l'exige.
  Les systèmes de communication et d'information visés à l'alinéa premier sont déterminés dans une directive du Conseil national de sécurité.
  § 2. Sur proposition du ministre ayant la Justice dans ses attributions et après avis conforme du Conseil national de sécurité, le Roi peut attribuer des missions supplémentaires à BSC.
  § 3. BSC exerce ses missions sous réserve des compétences réglementaires et légales du Conseil national de sécurité prévues à l'article 1erquater de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, aux attestations de sécurité, aux avis de sécurité et au service public réglementé, des compétences de la Sûreté de l'Etat, prévues à l'article 1erquinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, aux attestations de sécurité, aux avis de sécurité et au service public réglementé et à l'article 7 de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, des compétences du Service Général du Renseignement et de la Sécurité de l'armée, prévues à l'article 1erquinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, aux attestations de sécurité, aux avis de sécurité et au service public réglementé et à l'article 11 de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, des compétences de la police intégrée, structuré à deux niveau, des compétences du Centre de crise National, prévues à l'article 3 de l'arrêté royal du 18 avril 1988 portant création du Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et les compétences du Centre pour la Cybersécurité Belgique, prévues à l'article 3 de l'arrêté royal du 10 octobre 2014 portant création du Centre pour la Cybersécurité Belgique.
Art. 3. BSC beschikt voor de uitvoering van zijn opdrachten, bedoeld in artikel 2, over eigen werkingsmiddelen en personeels- en investeringskredieten.
Art. 3. Pour l'accomplissement de ses missions visées à l'article 2, BSC dispose de moyens de travail et de crédits de personnel propres ainsi que de crédits d'investissement.
HOOFDSTUK 2. - Het management
CHAPITRE 2. - Le management
Art. 4. § 1. De dagelijkse leiding en het beheer van BSC wordt waargenomen door een directeur.
  De directeur wordt daarin bijgestaan door een adjunct-directeur.
  De adjunct-directeur vervangt de directeur in geval van verhindering of afwezigheid.
  § 2. De directeur en de adjunct-directeur behoren tot een verschillende taalrol.
  § 3. De directeur en de adjunct-directeur worden op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie, na eensluidend advies van de Nationale Veiligheidsraad door de Koning aangesteld voor een mandaat van vijf jaar.
  Het mandaat is éénmaal hernieuwbaar voor zover de betrokkene minimaal de eindvermelding "voldoet aan de verwachtingen" heeft gekregen na zijn eerste mandaat en na eensluidend advies van de Nationale Veiligheidsraad.
  § 4. De directeur of de adjunct-directeur worden in hun dienst van oorsprong ambtshalve in verlof geplaatst met een opdracht van algemeen belang voor de duur van hun mandaat.
  In afwijking van paragraaf 4, eerste lid van dit artikel, worden de directeur en de adjunct-directeur, bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, 4°, en artikel 6, § 1, tweede lid, 4°, met militaire hoedanigheid, gedetacheerd voor de duur van hun mandaat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het militair statuut. De loonkosten ten belope van maximum de wedde zoals bepaald in de artikelen 5, § 5 en 6, § 5 worden ten laste genomen van BSC.
Art. 4. § 1er. La direction et la gestion quotidiennes de BSC sont assurées par un directeur.
  Dans ce cadre, le directeur est assisté par un directeur adjoint.
  Le directeur adjoint remplace le directeur en cas d'empêchement ou d'absence.
  § 2. Le directeur et le directeur adjoint appartiennent à des rôles linguistiques différents.
  § 3. Le directeur et le directeur adjoint sont désignés par le Roi pour un mandat de cinq ans sur proposition du ministre ayant la Justice dans ses attributions, après avis conforme du Conseil national de sécurité.
  Le mandat est renouvelable une fois pour autant que l'intéressé ait reçu au minimum la mention finale " répond aux attentes " à l'issue de son premier mandat et après avis conforme du Conseil national de sécurité.
  § 4. Le directeur ou le directeur adjoint sont mis en congé d'office pour mission d'intérêt général dans leur service d'origine pour la durée de leur mandat.
  Par dérogation au paragraphe 4, alinéa 1er, de cet article, le directeur et le directeur adjoint visés à l'article 5, § 1er, alinéa 2, 4°, et à l'article 6, § 1er, alinéa 2, 4°, ayant la qualité militaire sont détachés pour la durée de leur mandat conformément aux dispositions pertinentes du statut militaire. Les coûts salariaux s'élevant au maximum au salaire prévu aux articles 5, § 5 et 6, § 5 seront supportés par BSC.
Art. 5. § 1. In afwijking van artikel 6bis en artikel 16, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel wordt de directeur aangewezen in de klasse A5 voor een mandaat van vijf jaar.
  De functie van directeur is toegankelijk voor ambtenaren:
  1° van niveau A of B uit het federaal administratief openbaar ambt, zoals vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° van niveau A, B of van minstens de graad inspecteur bij de geïntegreerde politie bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  3° van minstens de graad inspecteur bij de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat bedoeld in koninklijk besluit van 13 december 2006 houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat.
  4° van minstens de graad inspecteur bij de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht bedoeld in het koninklijk besluit van 4 juli 2014 tot vaststelling van het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van [de Algemene Dienst inlichting en veiligheid] van de Krijgsmacht;
  5° van niveau A of B, met militaire hoedanigheid, bij het Ministerie van Landsverdediging.
  § 2. Om aangewezen te worden tot directeur moet men aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° Belg zijn;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  3° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  4° beschikken over minstens vijf jaar ervaring in een leidinggevende functie binnen een veiligheids- of inlichtingencontext;
  5° beschikken over een voor de opdrachten van BSC relevante ervaring van ten minste acht jaar binnen een ICT-projectomgeving. Een jaar dat al wordt aangerekend als ervaring in een leidinggevende functie kan niet worden meegeteld als een jaar ervaring in ICT-projectomgeving;
  6° beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel, in het bijzonder wat de kennis van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën betreft;
  7° een goede kennis hebben van de werking van de overheidsdiensten en van de veiligheids- en inlichtingendiensten in het bijzonder;
  8° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "zeer geheim" krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst.
  § 3. De functiebeschrijving en het competentieprofiel voor de functie van de directeur worden bepaald door de minister bevoegd voor Justitie na eensluidend advies van de Nationale Veiligheidsraad.
  § 4. De aanstelling gebeurt na een vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, georganiseerd door het Directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
  § 5. Tijdens het eerste mandaat van vijf jaar is de weddeschaal van de directeur de weddeschaal NA51, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Indien het mandaat hernieuwd wordt, is de weddeschaal van de directeur gedurende het tweede mandaat van vijf jaar de weddeschaal NA52, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van datzelfde koninklijk besluit.
  In afwijking van artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt worden de prestaties die erkend worden om te voldoen aan de in paragraaf 2, 4° tot 7° van dit artikel vermelde vereisten in aanmerking genomen bij het vaststellen van hun geldelijke anciënniteit.
Art. 5. § 1er. Par dérogation à l'article 6bis et à l'article 16, § 1, 6°, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, le directeur est désigné dans la classe A5 pour un mandat de cinq ans.
  La fonction de directeur est accessible aux agents :
  1° de niveau A ou B de la fonction publique administrative fédérale, telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ;
  2° de niveau A, B ou revêtus au moins du grade d'inspecteur auprès de la police intégrée visée dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux ;
  3° revêtus au moins du grade d'inspecteur auprès des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat, visée dans l'arrêté royal du 13 décembre 2006 portant le statut des agents des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat ;
  4° revêtus au moins du grade d'inspecteur auprès du Service général du renseignement et de la sécurité des forces armées, visé dans l'arrêté royal du 4 juillet 2014 fixant le statut de certains agents civils du Service général du renseignement et de la sécurité des forces armées ;
  5° de niveau A ou B, ayant la qualité militaire, auprès du Ministère de la Défense.
  § 2. Pour être désigné en tant que directeur, il faut remplir les conditions suivantes :
  1° être Belge ;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction visée ;
  3° jouir des droits civils et politiques ;
  4° avoir une expérience d'au moins cinq ans dans une fonction dirigeante dans un contexte de sécurité ou de renseignement ;
  5° disposer d'une expérience utile pertinente pour les missions de BSC d'au moins huit ans dans un environnement de projet TIC. Une année prise en compte au titre d'expérience en tant que dirigeant ne peut pas être comptabilisée au même titre qu'une année d'expérience dans un environnement de projet;
  6° disposer des compétences et des aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion et répondre aux conditions de connaissance et d'expérience spécifiques pour la fonction, fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétences, plus particulièrement en ce qui concerne les connaissances des nouvelles technologies de communication et d'information ;
  7° avoir une bonne connaissance du fonctionnement des services publics et des services de sécurité et de renseignement en particulier ;
  8° détenir une habilitation de sécurité du niveau " très secret " en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé.
  § 3. La description de fonction et le profil de compétences pour la fonction de directeur sont fixés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions et après avis conforme du Conseil national de sécurité.
  § 4. La désignation intervient à l'issue d'une sélection comparative, visée à l'article 20 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, organisée par la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui.
  § 5. Au cours du premier mandat de cinq ans, l'échelle de traitement du directeur est l'échelle de traitement NA51, visée à l'article 8, alinéa 5, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Si le mandat est renouvelé, l'échelle de traitement du directeur pendant le deuxième mandat de cinq ans est l'échelle de traitement NA52 visée à l'article 8, alinéa 5, du même arrêté royal.
  Par dérogation à l'article 18 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale, les prestations admises pour satisfaire aux conditions reprises au paragraphe 2, 4° à 7°, de cet article sont prises en considération pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire.
Art. 6. § 1. In afwijking van artikel 6bis en artikel 16, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel wordt de adjunct-directeur aangewezen in de klasse A4 voor een mandaat van vijf jaar.
  De functie van adjunct-directeur is toegankelijk voor ambtenaren:
  1° van niveau A of B uit het federaal administratief openbaar ambt, zoals vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° van niveau A, B of van minstens de graad inspecteur bij de geïntegreerde politie bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  3° van minstens de graad inspecteur bij de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat bedoeld in koninklijk besluit van 13 december 2006 houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
  4° van minstens de graad inspecteur bij de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht bedoeld in het koninklijk besluit van 4 juli 2014 tot vaststelling van het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van [de Algemene Dienst inlichting en veiligheid] van de Krijgsmacht;
  5° van niveau A of B, met militaire hoedanigheid, bij het Ministerie van Landsverdediging.
  § 2. Om aangewezen te worden tot adjunct-directeur moet men aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° Belg zijn;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  3° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  4° beschikken over minstens drie jaar ervaring in een leidinggevende functie binnen een veiligheids- of inlichtingencontext;
  5° beschikken over een voor de opdrachten van BSC relevante ervaring van ten minste vijf jaar binnen een ICT-projectomgeving. Een jaar dat al wordt aangerekend als ervaring in leidinggevende functie kan niet worden meegeteld als een jaar ervaring in ICT-projectomgeving, als het de uitoefening van dezelfde functie in dezelfde periode betreft;
  6° beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel, in het bijzonder wat de kennis van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën betreft;
  7° een goede kennis hebben van de werking van de overheidsdiensten en van de veiligheids- en inlichtingendiensten in het bijzonder;
  8° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "zeer geheim" krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst.
  § 3. De functiebeschrijving en het competentieprofiel voor de functie van de adjunct-directeur worden bepaald door de minister bevoegd voor Justitie en na eensluidend advies van de Nationale Veiligheidsraad.
  § 4. De aanstelling gebeurt na een vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, georganiseerd door het Directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
  § 5. Tijdens het eerste mandaat van vijf jaar is de weddeschaal van de adjunct-directeur de weddeschaal NA41, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Indien het mandaat hernieuwd wordt, is de weddeschaal van de adjunct-directeur gedurende het tweede mandaat van vijf jaar de weddeschaal NA42, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van datzelfde koninklijk besluit.
  In afwijking van artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt worden de prestaties die erkend worden om te voldoen aan de in paragraaf 2, 4° tot 7° vermelde vereisten in aanmerking genomen bij het vaststellen van hun geldelijke anciënniteit.
Art. 6. § 1er. Par dérogation à l'article 6bis et à l'article 16, § 1, 6°, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat le directeur adjoint est désigné dans la classe A4 pour un mandat de cinq ans.
  La fonction de directeur adjoint est accessible aux agents :
  1° de niveau A ou B de la fonction publique administrative fédérale, telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ;
  2° de niveau A, B ou revêtu au moins du grade d'inspecteur auprès de la police intégrée visée dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux ;
  3° revêtus au moins du grade d'inspecteur auprès des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat visée dans l'arrêté royal du 13 décembre 2006 portant le statut des agents des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat ;
  4° revêtus au moins du grade d'inspecteur auprès du Service général du renseignement et de la sécurité des forces armées, visé dans l'arrêté royal du 4 juillet 2014 fixant le statut de certains agents civils [du Service général du renseignement et de la sécurité] des forces armées ;
  5° de niveau A ou B, ayant la qualité militaire, auprès du Ministère de la Défense.
  § 2. Pour être désigné directeur adjoint, il faut remplir les conditions suivantes :
  1° être Belge ;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction visée ;
  3° jouir des droits civils et politiques ;
  4° avoir une expérience d'au moins trois ans dans une fonction dirigeante dans un contexte de sécurité ou de renseignement ;
  5° disposer d'une expérience utile pertinente pour les missions de BSC d'au moins cinq ans dans un environnement de projet TIC. Une année prise en compte au titre d'expérience en tant que dirigeant ne peut pas être comptabilisée au même titre qu'une année d'expérience dans un environnement de projet TIC dès lors qu'elle vise l'exercice de la même fonction sur la même période ;
  6° disposer des compétences et des aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion et répondre aux conditions de connaissance et d'expérience spécifiques pour la fonction, fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétences, plus particulièrement en ce qui concerne les connaissances des nouvelles technologies de communication et d'information ;
  7° avoir une bonne connaissance du fonctionnement des services publics et des services de sécurité et de renseignement en particulier ;
  8° détenir une habilitation de sécurité du niveau " très secret " en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé.
  § 3. La description de fonction et le profil de compétences pour la fonction de directeur adjoint sont fixés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions et après avis conforme du Conseil national de sécurité.
  § 4. La désignation intervient à l'issue d'une sélection comparative, visée à l'article 20 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, organisée par la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui.
  § 5. Au cours du premier mandat de cinq ans, l'échelle de traitement du directeur adjoint est l'échelle de traitement NA41, visée à l'article 8, alinéa 4, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Si le mandat est renouvelé, l'échelle de traitement du directeur adjoint pendant le deuxième mandat de cinq ans est l'échelle de traitement NA42 visée à l'article 8, alinéa 4, du même arrêté royal.
  Par dérogation à l'article 18 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale, les prestations admises pour satisfaire aux conditions reprises au paragraphe 2, 4° à 7°, sont prises en considération pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire.
Art. 7. § 1. De directeur en adjunct-directeur oefenen hun taak voltijds uit. Tijdens hun mandaat kunnen zij:
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de gewest- en gemeenschapsparlementen of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een beleidsorgaan of het kabinet van een minister of een Staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  4° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
  5° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  6° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;
  7° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
  8° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten.
  § 2. Zij mogen geen openbare of particuliere betrekking of activiteit uitoefenen die de onafhankelijkheid of de waardigheid van het ambt in gevaar zou kunnen brengen.
Art. 7. § 1er. Le directeur et le directeur adjoint exercent leur tâche à temps plein. Pendant leur mandat, ils ne peuvent obtenir :
  1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave ;
  2° un congé pour poser sa candidature aux élections de la Chambre des représentants, des parlements de communauté ou de région ou des conseils provinciaux ou pour exercer une fonction dans une organe stratégique ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française ;
  3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public ;
  4° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps ;
  5° un congé pour mission d'intérêt général ;
  6° l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans ;
  7° une absence de longue durée pour raisons personnelles ;
  8° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
  § 2. Ils ne peuvent exercer d'emploi ou d'activité public ou privé qui pourrait mettre en péril l'indépendance ou la dignité de la fonction.
Art. 8. § 1. Behoudens anders bepaald in dit artikel, worden de directeur en de adjunct-directeur geëvalueerd overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 16 tot 18bis van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.
  § 2. In afwijking van artikel 16ter van bovenvermeld besluit, wordt de evaluatie uitgevoerd door:
  1° de minister bevoegd voor Justitie, eerste evaluator genoemd, wat betreft de directeur;
  2° de directeur, eerste evaluator genoemd, en de minister bevoegd voor Justitie, tweede evaluator genoemd, wat betreft de adjunct-directeur.
  § 3. In afwijking van artikel 16bis van bovenvermeld besluit hebben de tussentijdse evaluaties en de eindevaluatie betrekking op:
  1° de verwezenlijking van de doelstellingen die werden vastgelegd aan het begin van de evaluatiecyclus;
  2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;
  3° de persoonlijke bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen;
  4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen;
  5° de tijdige realisatie en de kwaliteit van alle evaluaties, doorgevoerd binnen zijn dienst.
Art. 8. § 1er.Sauf disposition contraire prévue dans le présent article, le directeur et le directeur adjoint sont évalués conformément aux dispositions des articles 16 à 18bis de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation.
  § 2. Par dérogation à l'article 16ter de l'arrêté précité, l'évaluation est effectuée par :
  1° le ministre ayant la Justice dans ses attributions, dénommé premier évaluateur, pour ce qui concerne le directeur ;
  2° le directeur, dénommé premier évaluateur, et le ministre ayant la Justice dans ses attributions, dénommé second évaluateur, pour ce qui concerne le directeur adjoint.
  § 3. Par dérogation à l'article 16bis de l'arrêté précité, les évaluations intermédiaires et l'évaluation finale portent sur :
  1° la réalisation des objectifs fixés au début du cycle d'évaluation ;
  2° la manière dont ces objectifs ont ou n'ont pas été atteints ;
  3° les contributions personnelles à la réalisation de ces objectifs ;
  4° les efforts consentis en termes de développement de ses compétences ;
  5° la réalisation en temps opportun et la qualité de l'ensemble des évaluations réalisées dans son service.
Art. 9. § 1. Het mandaat van directeur of adjunct-directeur eindigt van rechtswege en zonder dat het vooraf aan de betrokkene moet worden betekend:
  1° op het einde van de twee periodes bedoeld in artikel 3, § 3;
  2° wanneer de directeur of de adjunct-directeur de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt;
  3° wanneer de directeur of adjunct-directeur niet meer voldoet aan de voorwaarden om aangesteld te worden in de functie, zoals bedoeld in respectievelijk de artikelen 5 en 6;
  4° wanneer de tussentijdse evaluatie leidt tot een vermelding "onvoldoende". In dat geval wordt het mandaat van de directeur of de adjunct-directeur beëindigd op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vermelding werd toegekend. In dat geval kan de houder van de functie zich niet opnieuw kandidaat stellen voor de functie.
  Het verlof met een opdracht van algemeen wordt stop gezet en de directeur of adjunct-directeur wordt opnieuw geïntegreerd in zijn oorspronkelijke dienst waar hij tewerkgesteld wordt in de betrekking die hij voordien bekleedde, voor zover deze nog vacant is. Indien dit niet het geval zou zijn, dan zal hij tewerkgesteld worden in een vacante betrekking die overeenstemt met zijn graad en voor zover hij de voorwaarden ervan vervult.
  De directeur of adjunct-directeur, met militaire hoedanigheid, waarvan de detachering bedoeld in artikel 4, § 4, tweede lid, wordt stopgezet, wordt ter beschikking gesteld van zijn dienst van oorsprong.
  § 2. Als de directeur of de adjunct-directeur de wettelijke pensioenleeftijd bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum van wettelijke pensionering of van het einde van de verlenging.
  § 3. Indien het mandaat vroegtijdig eindigt, wordt een nieuwe directeur of adjunct-directeur aangesteld voor de resterende duur van het lopende mandaat op voorwaarde dat dit mandaat nog minstens twee jaar duurt. De artikelen 5 en 6 zijn van toepassing voor de aanwijzing van respectievelijk de nieuwe directeur of adjunct-directeur.
  Met het lopende mandaat wordt bedoeld een periode van maximaal tien jaar.
Art. 9. § 1er. Le mandat de directeur ou de directeur adjoint prend fin de plein droit et sans qu'il soit nécessaire de le notifier à l'avance à l'intéressé :
  1° au terme des deux périodes visées à l'article 3, § 3 ;
  2° lorsque le directeur ou de directeur adjoint a atteint l'âge légal de la pension ;
  3° lorsque le directeur ou le directeur adjoint ne remplit plus les conditions pour être désigné dans la fonction, telles que visées respectivement aux articles 5 et 6 ;
  4° lorsque l'évaluation intermédiaire conduit à une mention " insuffisant ". Dans ce cas, le mandat du directeur ou du directeur adjoint prend fin le premier jour du mois suivant celui au cours duquel la mention a été attribuée. Dans ce cas, le titulaire de la fonction ne peut pas se porter à nouveau candidat pour la fonction.
  Le congé pour mission d'intérêt générale est interrompu et le directeur ou directeur adjoint est réintégré dans son service d'origine où il est employé dans l'emploi qu'il occupait précédemment, pour autant qu'il soit encore vacant. Dans le cas contraire, il est employé dans un emploi vacant correspondant à son grade et pour autant qu'il en remplisse les conditions.
  Le directeur ou le directeur adjoint, ayant la qualité militaire, dont le détachement visé à l'article 4, § 4, 2ième alinéa, prend fin, est remis à la disposition de son service d'origine.
  § 2. Lorsque le directeur ou le directeur adjoint atteint l'âge légal de la pension en cours de mandat, il peut solliciter la prolongation de son mandat jusqu'au terme de celui-ci, par période maximale d'un an. La demande de prolongation est introduite au moins 6 mois avant la date du départ légal à la pension ou de la fin de la prolongation.
  § 3. Si le mandat prend fin prématurément, un nouveau directeur ou directeur-adjoint est désigné pour le reste de la durée du mandat en cours, à condition que ce mandat dure encore au moins deux ans. Les articles 5 et 6 s'appliquent respectivement à la désignation du nouveau directeur ou directeur adjoint.
  Le mandat en cours fait référence à une période de maximum dix ans.
Art. 10. De minister bevoegd voor Justitie kan het mandaat van de directeur of de adjunct-directeur verlengen als de procedure om hem te vervangen werd ingezet, op een regelmatige wijze vervolgd wordt, maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar.
Art. 10. Le ministre ayant la Justice dans ses attributions peut prolonger le mandat du directeur ou du directeur adjoint si la procédure pour pourvoir à son remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Cette prolongation est limitée à six mois et est renouvelable.
Art. 11. Behoudens uitdrukkelijk anders bepaald in dit besluit zijn de reglementaire bepalingen van toepassing op de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt van toepassing op de directeur en de adjunct-directeur.
Art. 11. Sauf disposition expresse contraire prévue dans le présent arrêté, les dispositions réglementaires applicables aux membres du personnel de la fonction publique administrative fédérale s'appliquent au directeur et au directeur adjoint.
Art. 12. De directeur en adjunct-directeur van BSC beschikken over een dienst identificatiekaart, waaruit hun hoedanigheid van personeelslid van BSC blijkt zoals bepaald in artikel 18.
Art. 12. Le directeur et le directeur adjoint de BSC disposent d'une carte d'identification de service attestant de leur qualité de membre du personnel de BSC comme prévu à l'article 18.
HOOFDSTUK 3. - De personeelsleden
CHAPITRE 3. - Les membres du personnel
Art. 13. De personeelsleden van BSC kunnen worden aangeworven of gedetacheerd of ter beschikking gesteld vanuit andere diensten.
  Het aantal personeelsleden waarover BSC beschikt en hun profiel wordt opgenomen in een personeelsplan dat ter goedkeuring aan de minister bevoegd voor Justitie wordt voorgelegd.
Art. 13. Les membres du personnel de BSC peuvent être recrutés ou détachés ou mis à disposition par d'autres services.
  Le nombre de membres du personnel dont dispose BSC ainsi que le profil de ces derniers sont repris dans le plan du personnel soumis à l'approbation du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Art. 14. § 1. Alle personeelsleden zijn houder van een veiligheidsmachtiging van het niveau "geheim" of "zeer geheim" krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. Het vereiste niveau van de vereiste veiligheidsmachtiging wordt opgenomen in de functiebeschrijving.
Art. 14. § 1. Tous les membres du personnel sont détenteurs d'une habilitation de sécurité du niveau " secret " ou " très secret " en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé. Le niveau d'habilitation de sécurité requis sera indiqué dans la description de fonction.
Art. 15. De personeelsleden van BSC beschikken over een dienst identificatiekaart, waaruit hun hoedanigheid van personeelslid van BSC blijkt.
  De minister bevoegd voor Justitie bepaalt het model van de legitimatiekaart.
Art. 15. Les membres du personnel de BSC disposent d'une carte d'identification de service attestant de leur qualité de membre du personnel de BSC.
  Le ministre ayant la Justice dans ses attributions fixe le modèle de carte de légitimation.
Afdeling 1. - Aangeworven personeel bij de dienst
Section 1er. - Personnel recruté auprès du service
Art. 16. De personeelsleden van BSC worden aangeworven bij de centrale diensten van de Federale Overheidsdienst Justitie.
  De reglementaire bepalingen van toepassing op de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zijn van toepassing.
Art. 16. Les membres du personnel de BSC sont engagé auprès des services centraux du Service Publique Fédéral Justice.
  Les dispositions réglementaires applicables aux membres du personnel de la fonction publique administrative fédérale s'appliquent aux membres du personnel de BSC recrutés à cette fin.
Art. 17. Een personeelslid dat zijn veiligheidsmachtiging verliest en de beslissing definitief is geworden, overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, wordt ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
  Indien hij zonder geldige reden, en na voorafgaand te zijn gehoord, weigert de voorgestelde functie te bekleden, wordt hij na tien werkdagen afwezigheid als ontslagnemend beschouwd.
Art. 17. Un membre du personnel qui perd son habilitation de sécurité et que la décision est devenue définitive, conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, est mis à la disposition du Service publique fédéral de la Justice.
  Si, après avoir été entendu et sans motif valable, il refuse d'occuper l'emploi proposé il est considéré comme démissionnaire après dix jours ouvrables d'absence.
Afdeling 2. - Gedetacheerd of ter beschikking gesteld personeel bij de dienst
Section 2. - Personnel détaché ou mis à disposition auprès du service
Art. 18. De personeelsleden kunnen worden gedetacheerd of ter beschikking gesteld vanuit:
  1° het federaal administratief openbaar ambt, zoals vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° de geïntegreerde politie zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  3° de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
  4° het Ministerie van Landsverdediging, de personeelsleden met militaire hoedanigheid.
  Om gedetacheerd of ter beschikking gesteld te kunnen worden aan BSC, mag men geen vermelding "onvoldoende" hebben verkregen op het einde van laatste evaluatieperiode.
Art. 18. Les membres du personnel peuvent être détachés ou mis à disposition de :
  1° la fonction publique administrative fédérale, telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ;
  2° la police intégrée visée par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux ;
  3° les services extérieurs de la Sûreté de l'Etat ;
  4° le Ministère de la Défense, les membres du personnel ayant la qualité militaire.
  Pour être détaché ou mis à disposition de BSC, il ne faut pas avoir obtenu une mention " insuffisant " au terme de la dernière période d'évaluation.
Art. 19. § 1. De detachering of terbeschikkingstelling duurt maximaal vijf jaar en is hernieuwbaar voor dezelfde periode voor zover de betrokkene geen ongunstige evaluatie heeft verkregen.
  De detachering wordt stopgezet zodra de betrokkene niet meer beschikt over de veiligheidsmachtiging, zoals bedoeld in artikel 14, § 1.
  Het personeelslid waarvan de detachering wordt stopgezet wordt ter beschikking gesteld van zijn dienst van oorsprong.
Art. 19. § 1er. Le détachement ou la mise à disposition a une durée de maximum cinq ans et est renouvelable pour la même période pour autant que la personne concernée n'ait pas obtenu une évaluation défavorable.
  Le détachement prend fin dès que la personne concernée ne dispose plus de l'habilitation de sécurité visée à l'article 14, § 1er.
  Le membre du personnel dont le détachement prend fin, est remis à la disposition de son service d'origine.
Art. 20. De personeelsleden die ter beschikking gesteld worden vanuit het federaal administratief openbaar ambt, zoals vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, verkrijgen tijdens de periode van de terbeschikkingstelling een verlof voor een opdracht van algemeen belang zoals bedoeld in de artikelen 99 en volgende van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
Art. 20. Pendant la durée de leur mise à disposition, les membres du personnel mis à disposition de la fonction publique administrative fédérale, telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, obtiennent un congé pour l'exercice d'une mission d'intérêt général visé aux articles 99 et suivants de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat.
Art. 21. De personeelsleden gedetacheerd vanuit de geïntegreerde politie zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, geschiedt onder de vorm van een structurele detachering zoals bepaald in artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen.
  De personeelsleden gedetacheerd vanuit de geïntegreerde politie zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, kunnen genieten van een tweetaligheidspremie conform de bijlage zoals bedoeld in artikel 21, § 3, van het koninklijk besluit van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen.
  De kosten van de detachering van de personeelsleden vanuit de geïntegreerde politie zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden ten laste genomen van BSC. Voor de toepassing hiervan betaalt de federale politie of de politiezone waartoe de politieambtenaar behoort, eerst, als werkgever, de wedde en alle eventuele weddebijslagen, toelagen, vergoedingen of tegemoetkomingen met inbegrip van de patronale bijdragen. Deze worden vervolgens trimestrieel terugbetaald door BSC.
Art. 21. Le détachement de membres du personnel de la police intégrée visée par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, intervient sous la forme d'un détachement structurel conformément à l'article 21, § 1er, de l'arrêté royal du 26 mars 2005 portant réglementation des détachements structurels de membres du personnel des services de police et de situations similaires et introduisant des mesures diverses.
  Les membres du personnel détachés de la police intégrée, telle que visée dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, peuvent bénéficier d'une allocation de bilinguisme, conformément à l'annexe visée à l'article 21, § 3, de l'arrêté royal du 26 mars 2005 portant réglementation des détachements structurels de membres du personnel des services de police et de situations similaires et introduisant des mesures diverses.
  Les coûts du détachement des membres du personnel de la police intégrée, telle que visée par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, sont supportés par BSC. Pour l'application de cette disposition, la police fédérale ou la zone de police à laquelle appartient le fonctionnaire de police paie d'abord, en tant qu'employeur, le traitement et tous les autres suppléments de traitement, allocations, indemnités ou interventions éventuels, en ce compris les cotisations patronales. Ceux-ci sont ensuite remboursés chaque trimestre par BSC.
Art. 22. De personeelsleden die ter beschikking gesteld worden vanuit de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat of vanuit de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht verkrijgen tijdens de periode van terbeschikkingstelling een verlof voor een opdracht van algemeen belang zoals bedoeld in de artikelen 99 en volgende van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
Art. 22. Pendant la durée de leur mise à disposition, les membres du personnel mises à disposition des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat ou du Service général du renseignement et de la sécurité des forces armées obtiennent un congé pour l'exercice d'une mission d'intérêt général visé aux articles 99 et suivants de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat.
Art. 23. De personeelsleden van de Veiligheid van de Staat behouden gedurende hun terbeschikkingstelling de basisbeschermingstoelage en de inlichtingentoelage, zoals bedoeld in de artikelen 252 tot 254 van het koninklijk besluit van 13 december 2006 houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat en kunnen deelnemen aan de bevorderingsbepalingen waarin hetzelfde besluit voorziet.
Art. 23. Pendant la durée de leur mise à disposition, les membres du personnel de la Sûreté de l'Etat maintiennent l'allocation de protection de base et l'allocation de renseignement, tel que visé aux articles 252 à 254 de l'arrêté royal du 13 décembre 2006 portant le statut des agents des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat et peuvent participer aux mesures de valorisation prévues par le même arrêté.
Art. 24. De personeelsleden met militaire hoedanigheid gedetacheerd vanuit het Ministerie van Landsverdediging, worden gedetacheerd voor de duur van hun mandaat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het militair statuut.
Art. 24. Les membres du personnel ayant la qualité militaire détaché par le Ministère de la Défense, est détaché pour la durée de son mandat conformément aux dispositions pertinentes du statut militaire.
Art. 25. De gedetacheerde personeelsleden worden geëvalueerd door hun oorspronkelijke dienst. De oorspronkelijke dienst vraagt daartoe alle nodige gegevens aan BSC.
Art. 25. Les membres du personnel détachés sont évalués par leur service d'origine. Le service d'origine demande toutes les données nécessaires au BSC.
Art. 26. De gedetacheerde of ter beschikking gestelde personeelsleden behouden de verlofrechten overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het statuut van hun oorspronkelijke dienst.
Art. 26. Les membres du personnel détachés ou mis à disposition conservent leurs droits à congé conformément aux dispositions pertinentes du statut de leur service d'origine.
HOOFDSTUK 4. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 27. In afwachting van de aanstelling van de directeur overeenkomstig artikel 5, kan de minister bevoegd voor Justitie een tijdelijke directeur aanduiden onder:
  1° de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt, zoals vastgelegd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° de personeelsleden van de geïntegreerde politie zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
  3° de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
  4° de personeelsleden bij het Ministerie van Landsverdediging, met militaire hoedanigheid.
  De tijdelijke directeur dient aan de voorwaarden te voldoen vervat in artikel 5. Wanneer meerdere personen aan deze voorwaarden voldoen, worden hun bekwaamheidsbewijzen en verdiensten vergeleken.
  De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege wanneer een directeur wordt aangesteld en kan niet langer duren dan 18 maanden.
  De tijdelijke directeur ontvangt gedurende deze periode een weddecomplement dat overeenstemt met het verschil tussen de wedde verbonden aan de functie waarin hij is benoemd en de weddeschaal NA51.
Art. 27. Dans l'attente de la désignation du directeur conformément à l'article 5, le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut désigner un directeur temporaire parmi :
  1° les membres du personnel de la fonction publique administrative fédérale, telle que définie à l'article 1erde la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ;
  2° les membres du personnel de la police intégrée visée par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
  3° des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat ;
  4° les membres du personnel auprès du Ministère de la Défense, ayant la qualité militaire.
  Le directeur temporaire doit satisfaire aux conditions énoncées à l'article 5. Lorsque plusieurs personnes remplissent ces conditions, les titres et mérites de ceux-ci sont comparés.
  La désignation temporaire prend fin de plein droit lorsqu'un directeur est désigné et ne peut pas durer plus de dix-huit mois.
  Pendant cette période, le directeur temporaire bénéficie d'un complément de traitement qui est égal à la différence entre le traitement lié à la fonction dans laquelle il est nommé et l'échelle de traitement NA51.
Art. 28. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit
Art. 28. Le ministre ayant la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.