Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
31 MEI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van regels voor de uitvoering van werken door de waterleverancier, de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening met toepassing van artikel 2.2.3 en 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
Titre
31 MAI 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant les règles relatives à l'exécution de travaux par le fournisseur d'eau, la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale et la Société flamande de Distribution d'Eau en application des articles 2.2.3 et 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Documentinformatie
Numac: 2024006792
Datum: 2024-05-31
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024006792
Date: 2024-05-31
Moniteur: Voir
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur.
Article 1er. Aux fins du présent arrêté, on entend par ministre : le ministre flamand qui a l'environnement, l'aménagement du territoire et la nature dans ses attributions.
Art. 2. Voor de toepassing van artikel 2.2.3 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt onder de houder van een vervoersvergunning, vermeld in artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, de waterleverancier verstaan.
  Voor de toepassing van artikel 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt onder de houder van een vervoersvergunning, vermeld in artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijke samenwerkingsverband en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening verstaan.
Art. 2. Aux fins de l'application de l'article 2.2.3 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, on entend par le titulaire d'une autorisation de transport, visé à l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, le fournisseur d'eau.
  Aux fins de l'application de l'article 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, on entend par le titulaire d'une autorisation de transport, visé à l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale et la Société flamande de Distribution d'Eau.
Art. 3. § 1. De waterleverancier vraagt met toepassing van artikel 2.2.3 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, de toepassing van de rechten en plichten vermeld in artikel 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten, en andere door middel van leidingen, aan de minister.
  De gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijke samenwerkingsverband en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening vragen met toepassing van de bepalingen van artikel 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, de toepassing van de rechten en plichten vermeld in artikel 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten, en andere door middel van leidingen, aan de minister.
  § 2. De aanvraag, vermeld in paragraaf 1, is ontvankelijk als hij al de volgende elementen bevat:
  1° de redenen die de eventuele bezetting van het private domein rechtvaardigen;
  2° het voorgestelde tracé of de vestiging van de infrastructuur, vermeld in artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en ook de aanduidingen van de nodige innemingen op een situatieplan op schaal van ten minste 1/25.000. Op het situatieplan worden ook al de volgende elementen vermeld:
  a) de openbare wegen;
  b) de buurt- en waterwegen;
  c) de spoor- en tramwegen die langs het voorgestelde tracé liggen of die het voorgestelde tracé kruisen;
  3° een uittreksel uit het kadastraal plan of een fotografische weergave van een kadastraal plan op dezelfde schaal, afzonderlijk voor iedere gemeente, waarbij de percelen worden aangeduid waaronder of waarop de infrastructuur, vermeld in artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, aangebracht moet worden, en de aanduiding van die infrastructuur;
  4° een lijst per betrokken gemeente met de namen en adressen van de belanghebbende eigenaars en huurders van de percelen, vermeld in punt 3°.
  § 3. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, onontvankelijk is, deelt de minister dat schriftelijk mee aan de aanvrager binnen tien dagen na de dag waarop hij die aanvraag heeft ontvangen.
  Bij de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, worden de redenen vermeld waarom de aanvraag onontvankelijk is.
Art. 3. § 1er. Le fournisseur d'eau demande au ministre, en application de l'article 2.2.3 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, l'application des droits et obligations visés aux articles 9 à 15 et à l'article 16 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations.
  La commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale et la Société flamande de Distribution d'Eau demandent au ministre, en application des dispositions de l'article 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, l'application des droits et obligations visés aux articles 9 à 15 et à l'article 16 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations.
  § 2. La demande, visée au paragraphe 1er, est recevable si elle contient l'ensemble des éléments suivants :
  1° les motifs qui justifient l'éventuelle occupation du domaine privé ;
  2° le tracé ou l'implantation proposés de l'infrastructure, visée à l'article 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, ainsi que les indications des emprises nécessaires sur un plan de situation à l'échelle d'au moins 1/25.000. Le plan de situation mentionne également l'ensemble des éléments suivants :
  a) les voies publiques ;
  b) les chemins vicinaux et les voies hydrauliques ;
  c) les voies ferrées et de tramway qui longent le tracé proposé ou qui le croisent ;
  3° un extrait du plan cadastral ou une représentation photographique d'un plan cadastral à la même échelle, séparément pour chaque commune, indiquant les parcelles sous ou sur lesquelles l'infrastructure, visée à l'article 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, doit être installée, et l'indication de cette infrastructure ;
  4° une liste par commune concernée reprenant les noms et adresses des propriétaires et locataires intéressés des parcelles, visées au point 3°.
  § 3. Si la demande, visée au paragraphe 1er, est irrecevable, le ministre en informe par écrit le demandeur dans les dix jours qui suivent la date à laquelle il a reçu cette demande.
  La notification, visée à l'alinéa 1er, mentionne les motifs d'irrecevabilité de la demande.
Art. 4. § 1. Bij de toepassing van artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 worden de volgende overheden geraadpleegd over het voorgestelde tracé of de vestigingsplaats van de infrastructuur die wordt uitgevoerd:
  1° de provincie(s) waarin de werken zijn gepland;
  2° de gemeente(n) waarin de werken zijn gepland.
  § 2. Met het oog op de raadpleging van de overheden, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de aanvrager op zijn vroegst veertien dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 3, aan de minister is bezorgd, en, als hij de aanvraag niet onontvankelijk heeft verklaard, een kopie van de stukken van de aanvraag die de provincies, respectievelijk de gemeente of gemeenten aanbelangen, aan elk van de provincies en gemeenten waarin die werken gepland zijn.
  § 3. Een afschrift van de aanvraag, vermeld in artikel 3, als die aanvraag betrekking heeft op een verklaring van openbaar nut, en een exemplaar van de bijbehorende stukken, die de gemeenten aanbelangen, ligt op bevel van de burgemeester van elke gemeente, vermeld in paragraaf 2, gedurende dertig dagen bij de diensten van het gemeentebestuur ter inzage.
  Op bevel van de burgemeester wordt tijdens de termijn, vermeld in het eerste lid, op de plaatsen die zijn voorbehouden voor de officiële berichten, een bekendmaking aangeplakt waaruit de terinzagelegging, vermeld in het eerste lid, blijkt.
  De burgemeester waakt erover dat de bekendmaking, vermeld in het tweede lid, wordt aangeplakt binnen tien dagen na de datum waarop de aanvraag, vermeld in artikel 3, werd ontvangen.
  Binnen de termijn, vermeld in het derde lid, brengt de burgemeester de belanghebbende eigenaars en huurders die voorkomen op de lijst, vermeld in artikel 3, § 2, 4°, schriftelijk op de hoogte van de aanvraag, vermeld in artikel 3.
  § 4. Als het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, wordt afgesloten, maakt de burgemeester een proces-verbaal op waarin de schriftelijke en mondelinge bezwaren en opmerkingen zijn opgenomen die tijdens dat openbaar onderzoek zijn ingediend.
  De burgemeester stuurt het proces-verbaal, vermeld in het eerste lid, binnen tien dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek naar de aanvrager.
  § 5. De deputatie en het college van burgemeester en schepenen van de provincies en de gemeenten, vermeld in paragraaf 2, bezorgen hun advies over de tracés of de vestigingsplaatsen voor de infrastructuur, vermeld in artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, die in de aanvraag, vermeld in artikel 3 van dit besluit, zijn voorgesteld, aan de aanvrager binnen dertig dagen nadat de aanvraag werd ontvangen.
  Als er geen advies wordt bezorgd binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het geacht gunstig zijn.
  De aanvrager bezorgt de adviezen, vermeld in het eerste lid, en het proces-verbaal, vermeld in paragraaf 4, aan de minister binnen negentig dagen nadat de aanvraag, vermeld in artikel 3, aan de minister bezorgd is.
  Als de aanvrager en de adviesverlenende instantie dezelfde zijn, is het advies, vermeld in het eerste lid, niet van toepassing.
  § 6. De minister beslist over de aanvraag, vermeld in artikel 3, binnen honderdtwintig dagen vanaf de datum waarop de aanvraag werd ontvangen.
  § 7. In dringende gevallen kan de minister bepalen dat gevolg moet worden gegeven aan een aanvraag, als vermeld in artikel 3, binnen dertig dagen.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, past de minister de termijnen, vermeld in dit besluit, aan en deelt dat schriftelijk mee aan de aanvrager binnen vijf dagen nadat een aanvraag als vermeld in artikel 3, die ontvankelijk is, werd ontvangen.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, bedraagt de termijn om inzage te krijgen bij de diensten van het gemeentebestuur, minstens tien dagen.
  De aanvrager voegt een kopie van de beslissing, vermeld in het tweede lid, bij de stukken, vermeld in paragraaf 2, en bezorgt een kopie van die beslissing binnen vijf dagen nadat hij die beslissing heeft ontvangen, aan elk van de provincies en gemeenten waarin de werken gepland zijn.
  § 8. De minister brengt de aanvrager onmiddellijk op de hoogte van de beslissing.
Art. 4. § 1er. Lors de l'application des articles 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, les autorités suivantes sont consultées sur le tracé ou l'implantation proposés de l'infrastructure qui est réalisée :
  1° la ou les provinces dans lesquelles les travaux sont prévus ;
  2° la ou les communes dans lesquelles les travaux sont prévus.
  § 2. En vue de la consultation des autorités, visée au paragraphe 1er, le demandeur transmet, au plus tôt quatorze jours après la date à laquelle la demande, visée à l'article 3, a été transmise au ministre, et, si celui-ci n'a pas déclaré la demande irrecevable, une copie des pièces de la demande qui intéressent les provinces, respectivement la ou les communes, à chacune des provinces et communes dans lesquelles ces travaux sont prévus.
  § 3. Une copie de la demande, visée à l'article 3, si cette demande porte sur une déclaration d'utilité publique, et un exemplaire des pièces y afférentes, qui intéressent les communes, sont déposés, sur ordre du bourgmestre de chaque commune, visée au paragraphe 2, pendant trente jours aux services de l'administration communale pour consultation.
  Sur ordre du bourgmestre, pendant le délai, visé à l'alinéa 1er, une affiche est apposée aux endroits réservés aux avis officiels, indiquant la mise à disposition, visée à l'alinéa 1er.
  Le bourgmestre veille à ce que l'affiche, visée à l'alinéa 2, soit apposée dans les dix jours qui suivent la date à laquelle la demande, visée à l'article 3, a été reçue.
  Dans le délai, visé à l'alinéa 3, le bourgmestre informe par écrit les propriétaires et locataires intéressés qui figurent sur la liste, visée à l'article 3, § 2, 4°, de la demande, visée à l'article 3.
  § 4. Lorsque l'enquête publique, visée au paragraphe 3, est clôturée, le bourgmestre dresse un procès-verbal reprenant les objections et commentaires écrits et oraux qui ont été introduits pendant cette enquête publique.
  Le bourgmestre envoie le procès-verbal, visé à l'alinéa 1er, au demandeur dans les dix jours qui suivent la clôture de l'enquête publique.
  § 5. La députation et le collège des bourgmestre et échevins des provinces et des communes, visées au paragraphe 2, transmettent leur avis sur les tracés ou les implantations de l'infrastructure, visée à l'article 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, qui sont proposés dans la demande, visée à l'article 3 du présent arrêté, au demandeur dans les trente jours qui suivent la réception de la demande.
  S'il n'est pas transmis d'avis dans le délai, visé à l'alinéa 1er, l'avis est réputé être favorable.
  Le demandeur transmet les avis, visés à l'alinéa 1er, et le procès-verbal, visé au paragraphe 4, au ministre dans les nonante jours qui suivent la date à laquelle la demande, visée à l'article 3, a été transmise au ministre.
  Lorsque le demandeur et l'organe consultatif sont identiques, l'avis visé à l'alinéa 1er, n'est pas d'application.
  § 6. Le ministre statue sur la demande, visée à l'article 3, dans les cent vingt jours à compter de la date à laquelle la demande a été reçue.
  § 7. En cas d'urgence, le ministre peut déterminer qu'il doit être donné suite à une demande, visée à l'article 3, dans les trente jours.
  Dans le cas, visé à l'alinéa 1er, le ministre adapte les délais, visés dans le présent arrêté, et en informe par écrit le demandeur dans les cinq jours qui suivent la réception d'une demande, visée à l'article 3, qui est recevable.
  Dans le cas, visé à l'alinéa 1er, le délai pour obtenir la consultation auprès des services de l'administration communale est d'au moins dix jours.
  Le demandeur joint une copie de la décision, visée à l'alinéa 2, aux pièces, visées au paragraphe 2, et transmet une copie de cette décision dans les cinq jours qui suivent la réception de cette décision, à chacune des provinces et des communes dans lesquelles les travaux sont prévus.
  § 8. Le ministre informe immédiatement le demandeur de la décision.
Art. 5. De eigenaar van het private erf dat is bezwaard met een erfdienstbaarheid die is gevestigd met het oog op de oprichting en de exploitatie van de infrastructuur, vermeld in artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, kan binnen twee jaar nadat hem de verklaring van openbaar nut is betekend met het oog op de vestiging van de erfdienstbaarheid, de minister laten weten dat hij de aanvrager vraagt om het bezette terrein aan te kopen.
  Als geen minnelijke schikking getroffen kan worden voor de aankoop van het bezette terrein, wordt op verzoek van de aanvrager de verwerving en onmiddellijke inbezitneming van die terreinen van openbaar nut verklaard conform artikel 10, eerste lid, en artikel 14 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
  Het verzoek van de aanvrager, vermeld in het tweede lid, wordt gericht aan de minister binnen twee jaar na de datum waarop de aanvrager, vermeld in artikel 3, de vraag heeft ontvangen die de eigenaar van het bezette erf aan hem heeft verstuurd.
Art. 5. Le propriétaire du fonds privé grevé d'une servitude établie en vue de la réalisation et de l'exploitation de l'infrastructure, visée à l'article 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, peut, dans les deux ans qui suivent la signification qui lui a été faite de la déclaration d'utilité publique en vue de l'établissement de la servitude, faire savoir au ministre qu'il demande au demandeur d'acquérir le terrain occupé.
  Si aucun accord à l'amiable ne peut être conclu concernant l'acquisition du terrain occupé, l'acquisition et la prise de possession immédiate de ces terrains sont déclarées d'utilité publique sur requête du demandeur, conformément à l'article 10, alinéa 1er, et à l'article 14 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations.
  La requête du demandeur, visée à l'alinéa 2, est adressée au ministre dans les deux ans qui suivent la date à laquelle le demandeur, visé à l'article 3, a reçu la demande que le propriétaire du fonds occupé lui a adressée.
Art. 6. Met behoud van de toepassing van artikel 13, derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wordt de schaal van de minimumuitkeringen, als die jaarlijks zijn, aan de eigenaars van private erven of aan hen die de zakelijke rechten bezitten die aan die erven verbonden zijn, en die verschuldigd zijn wegens de bezetting van die erven door de infrastructuur, vermeld in artikel 2.2.3 of 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, op de volgende wijze vastgesteld: 0,01 euro per jaar en per strekkende meter leiding.
Art. 6. Sans préjudice de l'application de l'article 13, alinéa 3, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, l'échelle des allocations minimum, si elles sont annuelles, dues aux propriétaires de fonds privés ou à ceux qui détiennent les droits réels attachés à ces fonds, et qui sont dues en raison de l'occupation de ces fonds par l'infrastructure, visée à l'article 2.2.3 ou 2.6.1.3.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, est fixée comme suit : 0,01 euro par an et par mètre courant de canalisation.
Art. 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre flamand qui a l'environnement, l'aménagement du territoire et la nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.