Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 APRIL 2024. - Decreet over het onderwijs XXXIV(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-06-2024 en tekstbijwerking tot 01-07-2024)
Titre
19 AVRIL 2024. - Décret relatif à l'enseignement XXXIV(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-06-2024 et mise à jour au 01-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 2024006155
Datum: 2024-04-19
Info du document
Numac: 2024006155
Date: 2024-04-19
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rech...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet rech...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet basi...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de Codex Secund...
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de Codex Hoger ...
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de Codificatie ...
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van het decreet van 7...
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van het Groeipakket...
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van het decreet van 2...
HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van het decreet van 3...
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 23. - Wijzigingen van het decreet ove...
HOOFDSTUK 24. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 27 mar...
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 27 mar...
CHAPITRE 4. - Modifications au décret du 20 jui...
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 25 fév...
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 8 juin...
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 15 jui...
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 14 déc...
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 10 jui...
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 23 ja...
CHAPITRE 11. - Modifications du décret du 13 fé...
CHAPITRE 12. - Modifications du décret du 8 mai...
CHAPITRE 13. - Modifications du Code de l'Ensei...
CHAPITRE 14. - Modifications du Code de l'Ensei...
CHAPITRE 15. - Modifications de la Codification...
CHAPITRE 16. - Modification du décret du 7 juil...
CHAPITRE 17. - Modifications du décret du 9 mar...
CHAPITRE 18. - Modifications du décret relatif ...
CHAPITRE 19. - Modification du décret du 27 avr...
CHAPITRE 20. - Modifications du décret du 26 av...
CHAPITRE 21. - Modification du décret du 3 juin...
CHAPITRE 22. - Modifications du décret du 5 mai...
CHAPITRE 23. - Modifications du décret du 16 ju...
CHAPITRE 24. - Dispositions finales
Tekst (238)
Texte (238)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire
Art.2. In artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
" § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, § 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, § 2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.".
" § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, § 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, § 2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.".
Art.2. Dans l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2023, le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Les prestations rendues par un membre du personnel dans un emploi organisé sur la base de l'article 154, § 2, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 251/1 ou de l'article 332/1 du Code de l'Enseignement secondaire, de l'article 48, § 2, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, de l'article 130ter du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, de l'article 82 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, de l'article 52, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, et de l'article 43, § 2, du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement, entrent en considération pour le calcul de l'ancienneté de service suivant les dispositions du présent article. ".
" § 5. Les prestations rendues par un membre du personnel dans un emploi organisé sur la base de l'article 154, § 2, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 251/1 ou de l'article 332/1 du Code de l'Enseignement secondaire, de l'article 48, § 2, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, de l'article 130ter du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, de l'article 82 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, de l'article 52, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, et de l'article 43, § 2, du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement, entrent en considération pour le calcul de l'ancienneté de service suivant les dispositions du présent article. ".
Art.3. In artikel 17 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt paragraaf 2 opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
Art.3. Dans l'article 17 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, le paragraphe 2 est rétabli dans la rédaction suivante :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 3°, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, n'est pas possible dans un emploi ou une fonction qui relève des dispositions de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 23, alinéa 1er, i), à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 3°, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, n'est pas possible dans un emploi ou une fonction qui relève des dispositions de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 23, alinéa 1er, i), à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
Art.4. Aan artikel 42bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 november 2023, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.".
" § 6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.".
Art.4. Dans l'article 42bis du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié en dernier lieu par le décret du 23 novembre 2023, il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Par dérogation au paragraphe 2, la disposition suivante s'applique au directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif. Si, au 1er septembre 2023, un directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif a été absent de manière ininterrompue pendant au moins les trois années scolaires entières précédentes dans la fonction d'administrateur d'internat parce qu'il a fait usage d'un ou de plusieurs régimes de congé tels que visés au paragraphe 4, le conseil d'administration peut prendre son emploi à prestations complètes en ligne de compte pour une déclaration de vacance à partir du 1er septembre 2023, mais uniquement à condition que le directeur intéressé marque explicitement son accord. Cet accord doit ressortir explicitement d'un document que le directeur intéressé signe pour accord. ".
" § 6. Par dérogation au paragraphe 2, la disposition suivante s'applique au directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif. Si, au 1er septembre 2023, un directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif a été absent de manière ininterrompue pendant au moins les trois années scolaires entières précédentes dans la fonction d'administrateur d'internat parce qu'il a fait usage d'un ou de plusieurs régimes de congé tels que visés au paragraphe 4, le conseil d'administration peut prendre son emploi à prestations complètes en ligne de compte pour une déclaration de vacance à partir du 1er septembre 2023, mais uniquement à condition que le directeur intéressé marque explicitement son accord. Cet accord doit ressortir explicitement d'un document que le directeur intéressé signe pour accord. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné
Art.5. In artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
" § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, § 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, § 2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.".
" § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, § 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, § 2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.".
Art.5. Dans l'article 6 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2023, le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Les prestations rendues par un membre du personnel dans un emploi organisé sur la base de l'article 154, § 2, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 251/1 ou de l'article 332/1 du Code de l'Enseignement secondaire, de l'article 48, § 2, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, de l'article 130ter du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, de l'article 82 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, de l'article 52, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, et de l'article 43, § 2, du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement, entrent en considération pour le calcul de l'ancienneté de service suivant les dispositions du présent article. ".
" § 5. Les prestations rendues par un membre du personnel dans un emploi organisé sur la base de l'article 154, § 2, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 251/1 ou de l'article 332/1 du Code de l'Enseignement secondaire, de l'article 48, § 2, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, de l'article 130ter du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, de l'article 82 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, de l'article 52, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, et de l'article 43, § 2, du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement, entrent en considération pour le calcul de l'ancienneté de service suivant les dispositions du présent article. ".
Art.6. In artikel 19 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt paragraaf 3 opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
" § 3. In afwijking van paragraaf 1, 1°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, § 1, eerste lid, h), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
" § 3. In afwijking van paragraaf 1, 1°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, § 1, eerste lid, h), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
Art.6. Dans l'article 19 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, le paragraphe 3 est rétabli dans la rédaction suivante :
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 1°, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, n'est pas possible dans un emploi ou une fonction qui relève des dispositions de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, h), à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 1°, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, n'est pas possible dans un emploi ou une fonction qui relève des dispositions de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
La désignation temporaire à titre provisoire, visée à l'alinéa 1er, prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, h), à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
Art.7. Aan artikel 39bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 november 2023, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.".
" § 6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.".
Art.7. Dans l'article 39bis du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié en dernier lieu par le décret du 23 novembre 2023, il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Par dérogation au paragraphe 2, la disposition suivante s'applique au directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif. Si, au 1er septembre 2023, un directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif a été absent dans la fonction d'administrateur d'internat de manière ininterrompue pendant les trois années scolaires entières précédentes parce qu'il a fait usage d'un ou de plusieurs régimes de congé tels que visés au paragraphe 4, le pouvoir organisateur peut considérer son emploi à prestations complètes comme un emploi vacant à partir du 1er septembre 2023, mais uniquement à condition que le directeur intéressé marque explicitement son accord. Cet accord doit ressortir explicitement d'un document que le directeur intéressé signe pour accord. ".
" § 6. Par dérogation au paragraphe 2, la disposition suivante s'applique au directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif. Si, au 1er septembre 2023, un directeur d'un internat de l'enseignement nommé à titre définitif a été absent dans la fonction d'administrateur d'internat de manière ininterrompue pendant les trois années scolaires entières précédentes parce qu'il a fait usage d'un ou de plusieurs régimes de congé tels que visés au paragraphe 4, le pouvoir organisateur peut considérer son emploi à prestations complètes comme un emploi vacant à partir du 1er septembre 2023, mais uniquement à condition que le directeur intéressé marque explicitement son accord. Cet accord doit ressortir explicitement d'un document que le directeur intéressé signe pour accord. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen
CHAPITRE 4. - Modifications au décret du 20 juin 1996 relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents
Art.8. In artikel 4 van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De Vlaamse Regering kan de beheersovereenkomst die ze met elke ouderkoepelvereniging heeft afgesloten uitzonderlijk en eenmalig verlengen met één jaar om de continuïteit in de werking van elke ouderkoepelvereniging te waarborgen.
Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering voor de verlenging, vermeld in het tweede lid, aan elke ouderkoepelvereniging dezelfde subsidie-enveloppe als de subsidie-enveloppe die toegekend werd voor het voorafgaande jaar.";
2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/1. In het geval van een verlenging van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, gelden onverkort de bepalingen van paragraaf 2 met betrekking tot het jaarlijks actieplan, de jaarlijkse rapportering en de periodieke opvolging van de werking.".
1° aan paragraaf 1 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De Vlaamse Regering kan de beheersovereenkomst die ze met elke ouderkoepelvereniging heeft afgesloten uitzonderlijk en eenmalig verlengen met één jaar om de continuïteit in de werking van elke ouderkoepelvereniging te waarborgen.
Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering voor de verlenging, vermeld in het tweede lid, aan elke ouderkoepelvereniging dezelfde subsidie-enveloppe als de subsidie-enveloppe die toegekend werd voor het voorafgaande jaar.";
2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/1. In het geval van een verlenging van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, gelden onverkort de bepalingen van paragraaf 2 met betrekking tot het jaarlijks actieplan, de jaarlijkse rapportering en de periodieke opvolging van de werking.".
Art.8. A l'article 4 du décret du 20 juin 1996 relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents, remplacé par le décret du 17 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, un alinéa 2 et un alinéa 3 rédigés comme suit sont ajoutés :
" Le Gouvernement flamand peut, exceptionnellement et une seule fois, prolonger le contrat de gestion qu'il a conclu avec toute association coordinatrice de parents d'un an afin de garantir la continuité dans le fonctionnement de toute association coordinatrice de parents.
Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand accorde, pour la prolongation visée à l'alinéa 2, à toute association coordinatrice de parents, la même enveloppe subventionnelle que celle accordée pour l'année précédente. " ;
2° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
" § 2/1. En cas de prolongation du contrat de gestion visée au paragraphe 1er, alinéa 2, les dispositions du paragraphe 2 relatives au plan d'action annuel, au rapportage annuel et au suivi périodique du fonctionnement restent pleinement en vigueur. ".
1° au paragraphe 1er, un alinéa 2 et un alinéa 3 rédigés comme suit sont ajoutés :
" Le Gouvernement flamand peut, exceptionnellement et une seule fois, prolonger le contrat de gestion qu'il a conclu avec toute association coordinatrice de parents d'un an afin de garantir la continuité dans le fonctionnement de toute association coordinatrice de parents.
Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand accorde, pour la prolongation visée à l'alinéa 2, à toute association coordinatrice de parents, la même enveloppe subventionnelle que celle accordée pour l'année précédente. " ;
2° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
" § 2/1. En cas de prolongation du contrat de gestion visée au paragraphe 1er, alinéa 2, les dispositions du paragraphe 2 relatives au plan d'action annuel, au rapportage annuel et au suivi périodique du fonctionnement restent pleinement en vigueur. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental
Art.9. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt 4° wordt de volgende zin toegevoegd:
"Deze definitie is niet van toepassing op de regelgeving inzake het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, en hoofdstuk IV/1, IV/2 en IV/3.";
2° tussen punt 4° en punt 4° bis, dat punt 4° bis/2 wordt, worden een nieuw punt 4° bis en een punt 4° bis/1 ingevoegd, die luiden als volgt:
"4° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
4° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
3° er wordt een punt 14° quater/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"14° quater/1: fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;".
1° aan punt 4° wordt de volgende zin toegevoegd:
"Deze definitie is niet van toepassing op de regelgeving inzake het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, en hoofdstuk IV/1, IV/2 en IV/3.";
2° tussen punt 4° en punt 4° bis, dat punt 4° bis/2 wordt, worden een nieuw punt 4° bis en een punt 4° bis/1 ingevoegd, die luiden als volgt:
"4° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
4° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
3° er wordt een punt 14° quater/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"14° quater/1: fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;".
Art.9. A l'article 3 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 4° est complété par la phrase suivante :
" La présente définition ne s'applique pas à la réglementation relative au droit à l'inscription, visée au chapitre IV, sections 3 et 4, et chapitres IV/1, IV/2 et IV/3. " ;
2° des nouveaux points 4° bis et 4° bis/1, rédigés comme suit, sont insérés entre les points 4° et 4° bis, qui devient le point 4° bis/2 :
" 4° bis isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
4° bis/1 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
3° il est inséré un point 14° quater/1, rédigé comme suit :
" 14° quater/1 : contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; ".
1° le point 4° est complété par la phrase suivante :
" La présente définition ne s'applique pas à la réglementation relative au droit à l'inscription, visée au chapitre IV, sections 3 et 4, et chapitres IV/1, IV/2 et IV/3. " ;
2° des nouveaux points 4° bis et 4° bis/1, rédigés comme suit, sont insérés entre les points 4° et 4° bis, qui devient le point 4° bis/2 :
" 4° bis isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
4° bis/1 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
3° il est inséré un point 14° quater/1, rédigé comme suit :
" 14° quater/1 : contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; ".
Art.10. In artikel 26bis/2, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede ", of, indien de leerplichtige geboren werd in 2002, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige twaalf jaar is geworden voor 1 januari" opgeheven.
Art.10. Dans l'article 26bis/2, § 1er, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " , ou, si l'élève scolarisable est né en 2002, au plus tard dans l'année scolaire dans laquelle il a accompli l'âge de douze ans avant le 1er janvier " est abrogé.
Art.11. In hoofdstuk IV, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2023, wordt een onderafdeling B/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling B/1. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
"Onderafdeling B/1. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
Art.11. Dans le chapitre IV, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2023, il est inséré une sous-section B/1, rédigée comme suit :
" Sous-section B/1. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
" Sous-section B/1. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
Art.12. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in onderafdeling B/1, ingevoegd bij artikel 11, een artikel 33/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 33/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 33/2 en 33/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een school inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.".
"Art. 33/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 33/2 en 33/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een school inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.".
Art.12. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la sous-section B/1, insérée par l'article 11, il est inséré un article 33/1, rédigé comme suit :
" Art. 33/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'école est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 33/2 et 33/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si une école estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si une école a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'école élabore une procédure de protection de l'élève concerné ou du groupe d'élèves concernés dans sa politique d'encadrement des élèves. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'école associe les élèves et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives pouvant être mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
" Art. 33/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'école est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 33/2 et 33/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si une école estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si une école a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'école élabore une procédure de protection de l'élève concerné ou du groupe d'élèves concernés dans sa politique d'encadrement des élèves. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'école associe les élèves et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives pouvant être mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
Art.13. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in dezelfde onderafdeling B/1 een artikel 33/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 33/2. § 1. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° mechanische fixatie bij leerlingen, jonger dan 12 jaar, is verboden;
6° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
7° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
8° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder mechanische fixatie: fixatie door middel van het aanwenden van mechanische hulpmiddelen bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon. Die mechanische hulpmiddelen kunnen niet zelfstandig door de persoon verwijderd worden. Hulpmiddelen voor het ondersteunen of corrigeren van de fysieke houding van de persoon bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon, en die niet zelfstandig door de persoon kunnen verwijderd worden, worden niet beschouwd als mechanische fixatie tenzij deze hulpmiddelen buiten hun oorspronkelijke doelstelling gebruikt worden.
§ 2. Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie, vermeld in paragraaf 1. Na elke afzondering of fixatie als vermeld in paragraaf 1, volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, zoals opgenomen in artikel 33/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 33/2. § 1. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° mechanische fixatie bij leerlingen, jonger dan 12 jaar, is verboden;
6° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
7° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
8° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder mechanische fixatie: fixatie door middel van het aanwenden van mechanische hulpmiddelen bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon. Die mechanische hulpmiddelen kunnen niet zelfstandig door de persoon verwijderd worden. Hulpmiddelen voor het ondersteunen of corrigeren van de fysieke houding van de persoon bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon, en die niet zelfstandig door de persoon kunnen verwijderd worden, worden niet beschouwd als mechanische fixatie tenzij deze hulpmiddelen buiten hun oorspronkelijke doelstelling gebruikt worden.
§ 2. Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie, vermeld in paragraaf 1. Na elke afzondering of fixatie als vermeld in paragraaf 1, volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, zoals opgenomen in artikel 33/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.13. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la même sous-section B/1, il est inséré un article 33/2, rédigé comme suit :
" Art. 33/2. § 1er. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes, n'est possible que dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'élève et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'élève, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° la contention mécanique des élèves de moins de 12 ans est interdite ;
6° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
7° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
8° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Dans l'alinéa 1er, 5°, on entend par contention mécanique : la contention au moyen de dispositifs mécaniques attachés à la personne ou se trouvant à proximité immédiate de celle-ci. Ces dispositifs mécaniques ne peuvent pas être enlevés de manière autonome par la personne. Les dispositifs destinés à soutenir ou à corriger la posture physique de la personne qui sont fixés à la personne ou à proximité immédiate de celle-ci et qui ne peuvent être enlevés de manière autonome par la personne ne sont pas considérés comme une contention mécanique, sauf si ces dispositifs sont utilisés en dehors de leur objectif initial.
§ 2. Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé au paragraphe 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention, visé au paragraphe 1er. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable prévu à l'article 33/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 33/2. § 1er. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes, n'est possible que dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'élève et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'élève, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° la contention mécanique des élèves de moins de 12 ans est interdite ;
6° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
7° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
8° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Dans l'alinéa 1er, 5°, on entend par contention mécanique : la contention au moyen de dispositifs mécaniques attachés à la personne ou se trouvant à proximité immédiate de celle-ci. Ces dispositifs mécaniques ne peuvent pas être enlevés de manière autonome par la personne. Les dispositifs destinés à soutenir ou à corriger la posture physique de la personne qui sont fixés à la personne ou à proximité immédiate de celle-ci et qui ne peuvent être enlevés de manière autonome par la personne ne sont pas considérés comme une contention mécanique, sauf si ces dispositifs sont utilisés en dehors de leur objectif initial.
§ 2. Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé au paragraphe 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention, visé au paragraphe 1er. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable prévu à l'article 33/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.14. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in dezelfde onderafdeling B/1 een artikel 33/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 33/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling en zijn ouders stemmen in, of als de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
6° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 33/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling en zijn ouders stemmen in, of als de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
6° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.14. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la même sous-section B/1, il est inséré un article 33/3, rédigé comme suit :
" Art. 33/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'élève sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'élève et ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'élève n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Les parents ou l'élève peuvent dans ce contexte impliquer le CLB. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'élève ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé à l'alinéa 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 33/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'élève sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'élève et ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'élève n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Les parents ou l'élève peuvent dans ce contexte impliquer le CLB. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'élève ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé à l'alinéa 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.15. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in dezelfde onderafdeling B/1 een artikel 33/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 33/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 33/2 en 33/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
5° de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.
De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
"Art. 33/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 33/2 en 33/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
5° de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.
De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
Art.15. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la même sous-section B/1, il est inséré un article 33/4, rédigé comme suit :
" Art. 33/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 33/2 et 33/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'élève est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'élève sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'élève peut contacter directement un membre du personnel de l'école. La possibilité est également prévue pour que l'élève puisse communiquer avec le membre du personnel.
L'école détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 33/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. 33/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 33/2 et 33/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'élève est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'élève sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'élève peut contacter directement un membre du personnel de l'école. La possibilité est également prévue pour que l'élève puisse communiquer avec le membre du personnel.
L'école détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 33/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
Art.16. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in dezelfde onderafdeling B/1 een artikel 33/5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 33/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 33/2 of 33/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders over het verloop van de maatregel;
h) de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
2° op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 33/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.
§ 3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.
Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarop de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De scholen kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
"Art. 33/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 33/2 of 33/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders over het verloop van de maatregel;
h) de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
2° op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 33/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.
§ 3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.
Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarop de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De scholen kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
Art.16. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la même sous-section B/1, il est inséré un article 33/5, rédigé comme suit :
" Art. 33/5. § 1er. Dès la première fois où l'école a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 33/2 ou 33/3 pour un élève, l'école enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'élève ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'élève et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) le débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'élève et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des élèves : la sauvegarde des droits de l'élève ;
2° au niveau de l'école : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée à l'article 33/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel, visés au paragraphe 1er.
L'autorité scolaire détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité scolaire prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'élève était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les écoles peuvent échanger entre elles les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention, et en vue de l'assurance qualité interne. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
" Art. 33/5. § 1er. Dès la première fois où l'école a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 33/2 ou 33/3 pour un élève, l'école enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'élève ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'élève et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) le débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'élève et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des élèves : la sauvegarde des droits de l'élève ;
2° au niveau de l'école : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée à l'article 33/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel, visés au paragraphe 1er.
L'autorité scolaire détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité scolaire prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'élève était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les écoles peuvent échanger entre elles les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention, et en vue de l'assurance qualité interne. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
Art.17. Aan artikel 34, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 5 april 2019 en gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Jongeren die verblijven in een voorziening veilig verblijf als vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of in het Vlaams detentiecentrum, vermeld in artikel 41 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende de volledige duur van hun verblijf in de voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum. In aanvulling op artikel 26 voldoet de jongere, die niet meer ingeschreven is in een school en die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft, hiermee aan de leerplicht.
Een jongere die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft en geen inschrijving meer heeft in een school, kan met akkoord van de betrokken personen, door de school die het tijdelijk onderwijs aan huis aanbiedt of door een andere school tijdens de duur van de opname, beschouwd worden als regelmatige leerling, in afwijking van artikel 20, in functie van een mogelijke studiebekrachtiging. De jongere moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende onderwijsniveau dat de betreffende school inricht.".
"Jongeren die verblijven in een voorziening veilig verblijf als vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of in het Vlaams detentiecentrum, vermeld in artikel 41 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende de volledige duur van hun verblijf in de voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum. In aanvulling op artikel 26 voldoet de jongere, die niet meer ingeschreven is in een school en die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft, hiermee aan de leerplicht.
Een jongere die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft en geen inschrijving meer heeft in een school, kan met akkoord van de betrokken personen, door de school die het tijdelijk onderwijs aan huis aanbiedt of door een andere school tijdens de duur van de opname, beschouwd worden als regelmatige leerling, in afwijking van artikel 20, in functie van een mogelijke studiebekrachtiging. De jongere moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende onderwijsniveau dat de betreffende school inricht.".
Art.17. L'article 34, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 5 avril 2019 et modifié par le décret du 20 décembre 2019, est complété par des alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
" Les jeunes qui résident dans une structure de type séjour sûr telle que visée à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ou dans le centre de détention flamand visé à l'article 41 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial pendant toute la durée de leur séjour dans la structure de type séjour sûr ou le centre de détention flamand. En complément à l'article 26, le jeune qui n'est plus inscrit dans une école et qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand remplit ainsi l'obligation scolaire.
Un jeune qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand et qui n'a plus d'inscription dans une école peut, avec l'accord des personnes concernées, être considéré par l'école qui propose l'enseignement temporaire en milieu familial ou par une autre école, pendant la durée de l'admission, comme un élève régulier, par dérogation à l'article 20, en fonction d'une éventuelle validation d'études. Le jeune doit satisfaire aux conditions d'admission pour le niveau d'enseignement concerné que l'école concernée organise. ".
" Les jeunes qui résident dans une structure de type séjour sûr telle que visée à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ou dans le centre de détention flamand visé à l'article 41 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial pendant toute la durée de leur séjour dans la structure de type séjour sûr ou le centre de détention flamand. En complément à l'article 26, le jeune qui n'est plus inscrit dans une école et qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand remplit ainsi l'obligation scolaire.
Un jeune qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand et qui n'a plus d'inscription dans une école peut, avec l'accord des personnes concernées, être considéré par l'école qui propose l'enseignement temporaire en milieu familial ou par une autre école, pendant la durée de l'admission, comme un élève régulier, par dérogation à l'article 20, en fonction d'une éventuelle validation d'études. Le jeune doit satisfaire aux conditions d'admission pour le niveau d'enseignement concerné que l'école concernée organise. ".
Art.18. In artikel 37 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 mei 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2, 12°, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dat beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.";
2° aan paragraaf 3, 17°, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.".
1° aan paragraaf 2, 12°, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dat beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.";
2° aan paragraaf 3, 17°, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.".
Art.18. A l'article 37 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 5 mai 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 12°, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'école a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 33/1, cette politique est explicitement reprise dans la description succincte de la politique d'encadrement des élèves. " ;
2° au paragraphe 3, 17°, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'école a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 33/1, cette politique est explicitement reprise dans la description succincte de la politique d'encadrement des élèves. ".
1° au paragraphe 2, 12°, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'école a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 33/1, cette politique est explicitement reprise dans la description succincte de la politique d'encadrement des élèves. " ;
2° au paragraphe 3, 17°, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'école a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 33/1, cette politique est explicitement reprise dans la description succincte de la politique d'encadrement des élèves. ".
Art.19. In artikel 37/17 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 4 februari 2022, wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/1. Scholen gelegen in een gemeente betrokken bij een fusie kunnen gedurende het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt, voor de organisatie van de aanmeldingsprocedure uitgaan van de situatie zoals deze van toepassing was voor de samenvoeging van de gemeenten.".
" § 2/1. Scholen gelegen in een gemeente betrokken bij een fusie kunnen gedurende het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt, voor de organisatie van de aanmeldingsprocedure uitgaan van de situatie zoals deze van toepassing was voor de samenvoeging van de gemeenten.".
Art.19. Dans l'article 37/17 du même décret, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 4 février 2022, un paragraphe 2/1 rédigé comme suit est inséré :
" § 2/1. Les écoles situées dans une commune faisant l'objet d'une fusion peuvent, pendant l'année scolaire au cours de laquelle la fusion intervient, se baser, pour l'organisation de la procédure de préinscription, sur la situation en vigueur avant la fusion des communes. ".
" § 2/1. Les écoles situées dans une commune faisant l'objet d'une fusion peuvent, pendant l'année scolaire au cours de laquelle la fusion intervient, se baser, pour l'organisation de la procédure de préinscription, sur la situation en vigueur avant la fusion des communes. ".
Art.20. Aan artikel 37/25, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 4 februari 2022, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
Art.20. Dans l'article 37/25, § 2, du même décret, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 4 février 2022, il est inséré un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
Art.21. In artikel 37/30 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daartoe gemandateerd is of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat, naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daartoe gemandateerd is of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat, naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
Art.21. A l'article 37/30 du même décret, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 4 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève communique sa décision, dans le délai de sept jours calendrier, aux parents de l'élève, par écrit ou par voie numérique, " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision, dans le délai de sept jours calendrier, aux parents de l'élève, par écrit ou par voie numérique, " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants :
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève communique sa décision, dans le délai de sept jours calendrier, aux parents de l'élève, par écrit ou par voie numérique, " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision, dans le délai de sept jours calendrier, aux parents de l'élève, par écrit ou par voie numérique, " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants :
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
Art.22. Aan artikel 37/61, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 18 februari 2022, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
Art.22. Dans l'article 37/61, § 2, du même décret, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 18 février 2022, il est inséré un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
Art.23. In artikel 37/66 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 18 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat, naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor gemandateerd is of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat, naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor gemandateerd is of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
Art.23. A l'article 37/66 du même décret, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 18 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants :
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants :
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
Art.24. In artikel 44quinquies, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2023, worden de zinnen "De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal acht maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zes maanden bewaard." vervangen door de zinnen "De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal negen maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zeven maanden bewaard.".
Art.24. Dans l'article 44quinquies, § 1er, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 28 avril 2023, les phrases " Les données dans le module d'enregistrement sont conservées pendant huit mois maximum. Les données au sein de la plateforme de tests sont conservées pendant six mois maximum. " sont remplacées par les phrases " Les données dans le module d'enregistrement sont conservées pendant neuf mois maximum. Les données au sein de la plateforme de tests sont conservées pendant sept mois maximum. ".
Art.25. Aan artikel 47bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 april 2018, wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de school een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan als vermeld in artikel 33/1 ontwikkelt, neemt de school het voormelde beleid op in haar beleid op leerlingenbegeleiding.".
"Als de school een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan als vermeld in artikel 33/1 ontwikkelt, neemt de school het voormelde beleid op in haar beleid op leerlingenbegeleiding.".
Art.25. L'article 47bis du même décret, inséré par le décret du 27 avril 2018, est complété par un alinéa 7, rédigé comme suit :
" Si l'école élabore une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive telle que visée à l'article 33/1, l'école intègre la politique précitée dans sa politique d'encadrement des élèves. ".
" Si l'école élabore une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive telle que visée à l'article 33/1, l'école intègre la politique précitée dans sa politique d'encadrement des élèves. ".
Art.26. In artikel 47ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 april 2018 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord "wordt" vervangen door de zinsnede "en het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 33/1, als de school daar een beleid over ontwikkelt, worden";
2° aan het tweede lid, 5°, wordt de zinsnede "met vermelding van het bevoegd personeel, vermeld in artikel 33/4, § 1, eerste lid, 3°, als er een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 33/1, is." toegevoegd.
1° in het eerste lid wordt het woord "wordt" vervangen door de zinsnede "en het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 33/1, als de school daar een beleid over ontwikkelt, worden";
2° aan het tweede lid, 5°, wordt de zinsnede "met vermelding van het bevoegd personeel, vermeld in artikel 33/4, § 1, eerste lid, 3°, als er een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 33/1, is." toegevoegd.
Art.26. A l'article 47ter du même décret, inséré par le décret du 27 avril 2018 et modifié par le décret du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " y est intégrée " sont remplacés par le membre de phrase " et la politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 33/1, lorsque l'école élabore une politique en la matière, y sont intégrées " ;
2° dans l'alinéa 2, 5°, le membre de phrase " avec indication du personnel compétent, visé à l'article 33/4, § 1er, alinéa 1er, 3°, lorsqu'il y a une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 33/1. " est ajouté.
1° dans l'alinéa 1er, les mots " y est intégrée " sont remplacés par le membre de phrase " et la politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 33/1, lorsque l'école élabore une politique en la matière, y sont intégrées " ;
2° dans l'alinéa 2, 5°, le membre de phrase " avec indication du personnel compétent, visé à l'article 33/4, § 1er, alinéa 1er, 3°, lorsqu'il y a une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 33/1. " est ajouté.
Art.27. In artikel 54, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 5 mei 2023, wordt tussen het woord "de" en het woord "leerling" het woord "regelmatige" ingevoegd.
Art.27. Dans l'article 54, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 5 mai 2023, le mot " régulier " est inséré après les mots " l'élève ".
Art.28. Aan artikel 125quinquies, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2011 en vervangen bij het decreet van 5 april 2019, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van dezelfde groep, vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.".
"3° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van dezelfde groep, vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.".
Art.28. L'article 125quinquies, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 17 juin 2011 et remplacé par le décret du 5 avril 2019, est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° une école est reprise par une autorité scolaire du même groupe, visé à l'article 3, 21°, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement et à condition qu'une école fasse partie du centre d'enseignement dont l'autorité scolaire est impliquée par une fusion de communes pendant l'année scolaire en cours. ".
" 3° une école est reprise par une autorité scolaire du même groupe, visé à l'article 3, 21°, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement et à condition qu'une école fasse partie du centre d'enseignement dont l'autorité scolaire est impliquée par une fusion de communes pendant l'année scolaire en cours. ".
Art.29. In artikel 125terdecies, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de woorden "met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan Agodi" vervangen door de woorden "met het oog op de controle door Agodi een verklaring op erewoord afleggen en ter beschikking houden".
Art.29. Dans l'article 125terdecies, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 21 décembre 2012, la phrase " En vue du contrôle, le centre d'enseignement est obligé de remettre à AgODi une déclaration sur l'honneur, dans laquelle il déclare respecter cette disposition. " est remplacée par la phrase " En vue du contrôle par AgODi, le centre d'enseignement est obligé de faire une déclaration sur l'honneur, dans laquelle il déclare respecter cette disposition, et de tenir celle-ci à disposition. ".
Art.30. In artikel 125quaterdecies, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de woorden "met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan Agodi" vervangen door de woorden "met het oog op de controle door Agodi een verklaring op erewoord afleggen en ter beschikking houden".
Art.30. Dans l'article 125quaterdecies, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 21 décembre 2012, les mots " à AgODi, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur " sont remplacés par les mots " à des fins de contrôle par AgODi, faire une déclaration sur l'honneur et la tenir à disposition ".
Art.31. In artikel 140, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2012 en gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 6° wordt punt c) opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"c) die effectief gebruikmaken van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor verblijf op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;";
2° er wordt een punt 6° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"6° /1 als voor de toepassing van paragraaf 1, 6°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 28° /1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de aard van de doorverwijzing en de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 28° /1, c), het INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 28° /1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie;
c) voor de leerlingen die voldoen aan paragraaf 1, 6°, c), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van het voldoen aan de betrokken indicator.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering en werkingsmiddelen van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
1° in punt 6° wordt punt c) opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"c) die effectief gebruikmaken van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor verblijf op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;";
2° er wordt een punt 6° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"6° /1 als voor de toepassing van paragraaf 1, 6°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 28° /1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de aard van de doorverwijzing en de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 28° /1, c), het INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 28° /1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie;
c) voor de leerlingen die voldoen aan paragraaf 1, 6°, c), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van het voldoen aan de betrokken indicator.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering en werkingsmiddelen van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
Art.31. A l'article 140, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2012 et modifié par les décrets des 9 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 6°, le point c) est rétabli dans la rédaction suivante :
" c) qui utilisent effectivement une décision de services d'aide à la jeunesse visée à l'article 2, § 1er, 28° du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour séjour sur renvoi d'une structure mandatée ou d'un Service social du Tribunal de la Jeunesse ; " ;
2° il est inséré un point 6° /1, rédigé comme suit :
" 6° /1 lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 6°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 28° /1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la nature du renvoi et la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 28° /1, c), le numéro NISS et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 28° /1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique ;
c) pour les élèves qui répondent au paragraphe 1, 6°, c), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du respect de l'indicateur concerné.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement et des moyens de fonctionnement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
1° au point 6°, le point c) est rétabli dans la rédaction suivante :
" c) qui utilisent effectivement une décision de services d'aide à la jeunesse visée à l'article 2, § 1er, 28° du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour séjour sur renvoi d'une structure mandatée ou d'un Service social du Tribunal de la Jeunesse ; " ;
2° il est inséré un point 6° /1, rédigé comme suit :
" 6° /1 lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 6°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 28° /1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la nature du renvoi et la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 28° /1, c), le numéro NISS et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 28° /1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique ;
c) pour les élèves qui répondent au paragraphe 1, 6°, c), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du respect de l'indicateur concerné.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement et des moyens de fonctionnement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
Art.32. In artikel 143, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 juli 2003 en 21 december 2012, worden de woorden "met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan Agodi" vervangen door de woorden "met het oog op de controle door Agodi een verklaring op erewoord afleggen en ter beschikking houden".
Art.32. Dans l'article 143, alinéa 3, du même décret, modifié par les décrets des 10 juillet 2003 et 21 décembre 2012, le membre de phrase " de présenter à AgODi, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. " est remplacé par le membre de phrase " , à des fins de contrôle par AgODi, de faire une déclaration sur l'honneur, dans laquelle elle déclare respecter cette disposition, et de tenir celle-ci à disposition. ".
Art.33. In artikel 144, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de woorden "met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming" vervangen door de woorden "met het oog op de controle door Agodi een verklaring op erewoord afleggen en ter beschikking houden".
Art.33. Dans l'article 144, alinéa 2, du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 2012, le membre de phrase " de présenter au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. " est remplacé par le membre de phrase " , à des fins de contrôle par AgODi, de faire une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition et de tenir celle-ci à disposition. "
Art.34. In artikel 154, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt de zinsnede ", vermeld in artikel 76, artikel 87bis, artikel 172sexies, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/4," vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 76 of artikel 87quinquies,".
Art.34. Dans l'article 154, § 2, alinéa 1er, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " visé aux articles 76, 87bis, 172sexies, 173quinquies/2, 173quinquies/3 ou 173quinquies/4, " sont remplacés par le membre de phrase " visé aux articles 76 ou 87quinquies, ".
Art.35. In artikel 154, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "uitgekeerd door de VDAB" en de woorden "of ten laste van subsidies" de zinsnede ", ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie" ingevoegd.
Art.35. Dans l'article 154, § 2, alinéa 1er, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou à charge des subventions ".
Art.36. Aan hoofdstuk IX van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 november 2023, wordt een afdeling 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 6. Flexi-jobs".
"Afdeling 6. Flexi-jobs".
Art.36. Le chapitre IX du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 23 novembre 2023, est complété par une section 6, rédigée comme suit :
" Section 6. Flexi-jobs ".
" Section 6. Flexi-jobs ".
Art.37. In hetzelfde decreet wordt in afdeling 6, toegevoegd bij artikel 36, artikel 156, opgeheven door het decreet van 28 juni 2002, opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 156. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 76, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2, kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 130bis en 141, § 4.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 156. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 76, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of beleids- en ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2, kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 130bis en 141, § 4.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.37. Dans le même décret, dans la section 6, insérée par l'article 36, l'article 156, abrogé par le décret du 28 juin 2002, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 156. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel de gestion et d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé à l'article 76, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel de gestion et d'appui d'une ou de plusieurs de ses écoles, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel de gestion et d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'école où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel de gestion et d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée aux articles 130bis et 141, § 4.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 156. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel de gestion et d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé à l'article 76, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel de gestion et d'appui d'une ou de plusieurs de ses écoles, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel de gestion et d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'école où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel de gestion et d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée aux articles 130bis et 141, § 4.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.38. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een hoofdstuk XIIbis/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk XIIbis/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs".
"Hoofdstuk XIIbis/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs".
Art.38. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un chapitre XIIbis/1, rédigé comme suit :
" Chapitre XIIbis/1. Dispositions particulières relatives à l'enseignement officiel ".
" Chapitre XIIbis/1. Dispositions particulières relatives à l'enseignement officiel ".
Art.39. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in hoofdstuk XIIbis/1, ingevoegd bij artikel 38, een artikel 173bis/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 173bis/1. Een publiekrechtelijk rechtspersoon kan de onderwijsbevoegdheid van een officiële school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.
Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
1° een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder gevoerd konden worden, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
2° de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.".
"Art. 173bis/1. Een publiekrechtelijk rechtspersoon kan de onderwijsbevoegdheid van een officiële school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.
Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
1° een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder gevoerd konden worden, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
2° de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.".
Art.39. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré au chapitre XIIbis/1, inséré par l'article 38, un article 173bis/1, rédigé comme suit :
" Art. 173bis/1. Une personne morale de droit public ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si le transfert vers un autre opérateur de l'enseignement officiel a été examiné dans un premier temps.
L'examen visé à l'alinéa 1er comprend au moins :
1° un rapport des entretiens menés avec un autre opérateur de l'enseignement officiel en vue du transfert ou, à titre subsidiaire et si des entretiens avec un tel autre opérateur n'ont pu être menés, un rapport des tentatives visant à trouver cet autre opérateur ;
2° la conclusion motivée sur la possibilité de transfert. ".
" Art. 173bis/1. Une personne morale de droit public ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si le transfert vers un autre opérateur de l'enseignement officiel a été examiné dans un premier temps.
L'examen visé à l'alinéa 1er comprend au moins :
1° un rapport des entretiens menés avec un autre opérateur de l'enseignement officiel en vue du transfert ou, à titre subsidiaire et si des entretiens avec un tel autre opérateur n'ont pu être menés, un rapport des tentatives visant à trouver cet autre opérateur ;
2° la conclusion motivée sur la possibilité de transfert. ".
Art.40. In artikel 177 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001, 7 juli 2006 en 22 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in de artikelen 12, 15 en 16" vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 en 16";
2° in paragraaf 1 wordt een punt 5° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"5° /1 het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/1 tot en met 33/5;";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "bedoeld in § 1, 6° " vervangen door de zinsnede "als vermeld in paragraaf 1, 5° /1 en 6°, ".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in de artikelen 12, 15 en 16" vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 en 16";
2° in paragraaf 1 wordt een punt 5° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"5° /1 het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/1 tot en met 33/5;";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "bedoeld in § 1, 6° " vervangen door de zinsnede "als vermeld in paragraaf 1, 5° /1 en 6°, ".
Art.40. A l'article 177 du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2001, 7 juillet 2006 et 22 juin 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " telles que visées aux articles 12, 15 et 16 " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées aux articles 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 et 16 " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 5° /1, rédigé comme suit :
" 5° /1 le non-respect des dispositions relatives à l'isolement et à la contention, visées aux articles 33/1 à 33/5 ; " ;
3° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " au sens du § 1er, 6° " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées dans le paragraphe 1er, 5° /1 et 6° ".
1° dans le paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " telles que visées aux articles 12, 15 et 16 " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées aux articles 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 et 16 " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 5° /1, rédigé comme suit :
" 5° /1 le non-respect des dispositions relatives à l'isolement et à la contention, visées aux articles 33/1 à 33/5 ; " ;
3° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " au sens du § 1er, 6° " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées dans le paragraphe 1er, 5° /1 et 6° ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande
Art.41. In artikel 5 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 maart 2019, wordt een punt 40° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"40° /1 vervangingsinkomsten: vergoedingen van alle aard die gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid of na stopzetting daarvan zijn verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten, bezoldigingen of beloningen uit verenigingsactiviteiten, vermeld in artikel 25, eerste lid, 6°, b), artikel 27, tweede lid, 4°, b), artikel 28, eerste lid, 3°, b), artikel 29, 31, tweede lid, 4°, artikel 32, tweede lid, 2°, artikel 33, derde lid, of artikel 90, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;".
"40° /1 vervangingsinkomsten: vergoedingen van alle aard die gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid of na stopzetting daarvan zijn verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten, bezoldigingen of beloningen uit verenigingsactiviteiten, vermeld in artikel 25, eerste lid, 6°, b), artikel 27, tweede lid, 4°, b), artikel 28, eerste lid, 3°, b), artikel 29, 31, tweede lid, 4°, artikel 32, tweede lid, 2°, artikel 33, derde lid, of artikel 90, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;".
Art.41. L'article 5 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, modifié en dernier lieu par le décret du 22 mars 2019, est complété par un point 40° /1, rédigé comme suit :
" 40° /1 revenus de remplacement : les indemnités de toute nature obtenues pendant l'exercice de l'activité professionnelle ou postérieurement à sa cessation en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de bénéfices, profits, rémunérations ou rétributions issus des activités d'association visées à l'article 25, alinéa 1er, 6°, b), à l'article 27, alinéa 2, 4°, b), à l'article 28, alinéa 1er, 3°, b), à l'article 29, à l'article 31, alinéa 2, 4°, à l'article 32, alinéa 2, 2°, à l'article 33, alinéa 3, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ; ".
" 40° /1 revenus de remplacement : les indemnités de toute nature obtenues pendant l'exercice de l'activité professionnelle ou postérieurement à sa cessation en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de bénéfices, profits, rémunérations ou rétributions issus des activités d'association visées à l'article 25, alinéa 1er, 6°, b), à l'article 27, alinéa 2, 4°, b), à l'article 28, alinéa 1er, 3°, b), à l'article 29, à l'article 31, alinéa 2, 4°, à l'article 32, alinéa 2, 2°, à l'article 33, alinéa 3, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ; ".
Art.42. In artikel 9, § 3, van hetzelfde decreet, toegevoegd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt het woord "hetzelfde" vervangen door het woord "een".
Art.42. Dans l'article 9, § 3, du même décret, inséré par le décret du 15 juin 2018, les mots " la même " sont remplacés par le mot " une ".
Art.43. In artikel 44, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt: "3° de gehuwde student;";
2° er worden een punt 4° en punt 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
"4° de alleenstaande student;
5° de zelfstandige student die zijn hoofdverblijfplaats niet bij een van de ouders heeft.".
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt: "3° de gehuwde student;";
2° er worden een punt 4° en punt 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
"4° de alleenstaande student;
5° de zelfstandige student die zijn hoofdverblijfplaats niet bij een van de ouders heeft.".
Art.43. A l'article 44, alinéa 2, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit : " 3° l'étudiant marié ; " ;
2° il est ajouté un point 4° et un point 5°, rédigés comme suit :
" 4° l'étudiant isolé ;
5° l'étudiant indépendant qui n'a pas sa résidence principale chez un des parents. ".
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit : " 3° l'étudiant marié ; " ;
2° il est ajouté un point 4° et un point 5°, rédigés comme suit :
" 4° l'étudiant isolé ;
5° l'étudiant indépendant qui n'a pas sa résidence principale chez un des parents. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes
Art.44. In artikel 2 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt 7° worden de volgende woorden toegevoegd:
"of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft";
2° aan punt 12° worden de volgende woorden toegevoegd:
"of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft".
1° aan punt 7° worden de volgende woorden toegevoegd:
"of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft";
2° aan punt 12° worden de volgende woorden toegevoegd:
"of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft".
Art.44. A l'article 2 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié en dernier lieu par le décret du 25 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 7° est complété par les mots suivants :
" ou à un ancien apprenant qui a obtenu au maximum cinq années scolaires auparavant un certificat partiel de la formation et qui a démontré qu'il a acquis toutes les compétences " ;
2° le point 12° est complété par les mots suivants :
" ou à un ancien apprenant qui a obtenu au maximum cinq années scolaires auparavant un certificat partiel de la formation et qui a démontré qu'il a acquis toutes les compétences ".
1° le point 7° est complété par les mots suivants :
" ou à un ancien apprenant qui a obtenu au maximum cinq années scolaires auparavant un certificat partiel de la formation et qui a démontré qu'il a acquis toutes les compétences " ;
2° le point 12° est complété par les mots suivants :
" ou à un ancien apprenant qui a obtenu au maximum cinq années scolaires auparavant un certificat partiel de la formation et qui a démontré qu'il a acquis toutes les compétences ".
Art.45. In artikel 10 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 19 juni 2015, 26 juni 2020 en 23 december 2021, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 98, § 2.".
"Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 98, § 2.".
Art.45. Dans l'article 10 du même décret, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 19 juin 2015, 26 juin 2020 et 23 décembre 2021, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Pour un nouveau domaine d'apprentissage à titre expérimental pour l'éducation de base, le Gouvernement flamand octroie un coefficient pour la taille moyenne des classes, tel que visé à l'article 85, § 2. Pour une nouvelle discipline à titre expérimental pour l'enseignement secondaire des adultes, le Gouvernement flamand octroie un coefficient pour la taille moyenne des classes, tel que visé à l'article 98, § 2. ".
" Pour un nouveau domaine d'apprentissage à titre expérimental pour l'éducation de base, le Gouvernement flamand octroie un coefficient pour la taille moyenne des classes, tel que visé à l'article 85, § 2. Pour une nouvelle discipline à titre expérimental pour l'enseignement secondaire des adultes, le Gouvernement flamand octroie un coefficient pour la taille moyenne des classes, tel que visé à l'article 98, § 2. ".
Art.46. In het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de volgende artikelen wordt de zinsnede "artikel 7" vervangen door de zinsnede "artikel 7 of artikel 10":
a) artikel 14, § 3, het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009;
b) artikel 24, § 1, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 maart 2022;
c) artikel 63, § 1, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009 en 4 mei 2018, en § 2, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018;
d) artikel 64, § 1, vervangen bij het decreet van 23 december 2016, en § 6, eerste en tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016 en gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018;
2° in artikel 130quater, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 2023, wordt de zinsnede "artikel 7, § 1" vervangen door de zinsnede "artikel 7 of artikel 10".
1° in de volgende artikelen wordt de zinsnede "artikel 7" vervangen door de zinsnede "artikel 7 of artikel 10":
a) artikel 14, § 3, het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009;
b) artikel 24, § 1, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 maart 2022;
c) artikel 63, § 1, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009 en 4 mei 2018, en § 2, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018;
d) artikel 64, § 1, vervangen bij het decreet van 23 december 2016, en § 6, eerste en tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016 en gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018;
2° in artikel 130quater, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 2023, wordt de zinsnede "artikel 7, § 1" vervangen door de zinsnede "artikel 7 of artikel 10".
Art.46. Dans le décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans les articles suivants, le membre de phrase " à l'article 7 " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 7 ou à l'article 10 " :
a) l'article 14, § 3, modifié en dernier lieu par le décret du 30 avril 2009 ;
b) l'article 24, § 1er, modifié en dernier lieu par le décret du 25 mars 2022 ;
c) l'article 63, § 1er, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009 et 4 mai 2018, et § 2, remplacé par le décret du 4 mai 2018 ;
d) l'article 64, § 1er, remplacé par le décret du 23 décembre 2016, et § 6, alinéas 1er et 2, inséré par le décret du 23 décembre 2016 et modifié par le décret du 4 mai 2018 ;
2° dans l'article 130quater, inséré par le décret du 14 juillet 2023, le membre de phrase " à l'article 7, § 1er " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 7 ou à l'article 10 ".
1° dans les articles suivants, le membre de phrase " à l'article 7 " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 7 ou à l'article 10 " :
a) l'article 14, § 3, modifié en dernier lieu par le décret du 30 avril 2009 ;
b) l'article 24, § 1er, modifié en dernier lieu par le décret du 25 mars 2022 ;
c) l'article 63, § 1er, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009 et 4 mai 2018, et § 2, remplacé par le décret du 4 mai 2018 ;
d) l'article 64, § 1er, remplacé par le décret du 23 décembre 2016, et § 6, alinéas 1er et 2, inséré par le décret du 23 décembre 2016 et modifié par le décret du 4 mai 2018 ;
2° dans l'article 130quater, inséré par le décret du 14 juillet 2023, le membre de phrase " à l'article 7, § 1er " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 7 ou à l'article 10 ".
Art.47. In artikel 25bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, vervangen bij het decreet van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2°, wordt tussen het woord "bedraagt" en de zinsnede "20, 40" de zinsnede "10," ingevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° in de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit een of meerdere leergebieden;";
3° in paragraaf 2, 3°, wordt de zinsnede "basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4." vervangen door de zinsnede "basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4;";
4° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° in het studiegebied informatie- en communicatietechnologie. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied informatie- en communicatietechnologie;";
5° aan paragraaf 2 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° in de opleidingen Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 1 en Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 2 van het studiegebied bijzondere educatieve noden en in de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europese talen richtgraad 3 en 4, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit één studiegebied en één taal.";
6° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen monitort de organisatie van de open modules door de centra minstens tot en met schooljaar 2026-2027 met het oog op beleidsconclusies door de Vlaamse Regering.".
1° in paragraaf 1, 2°, wordt tussen het woord "bedraagt" en de zinsnede "20, 40" de zinsnede "10," ingevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° in de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit een of meerdere leergebieden;";
3° in paragraaf 2, 3°, wordt de zinsnede "basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4." vervangen door de zinsnede "basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4;";
4° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° in het studiegebied informatie- en communicatietechnologie. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied informatie- en communicatietechnologie;";
5° aan paragraaf 2 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° in de opleidingen Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 1 en Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 2 van het studiegebied bijzondere educatieve noden en in de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europese talen richtgraad 3 en 4, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit één studiegebied en één taal.";
6° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen monitort de organisatie van de open modules door de centra minstens tot en met schooljaar 2026-2027 met het oog op beleidsconclusies door de Vlaamse Regering.".
Art.47. A l'article 25bis du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, remplacé par le décret du 21 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 2°, le membre de phrase " 10, " est inséré entre le membre de phrase " s'élève à " et le membre de phrase " 20, 40 " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° dans les domaines d'apprentissage visés à l'article 6 du même décret. Le module ouvert comprend uniquement des objectifs finaux ou des compétences de base d'un ou plusieurs domaines d'apprentissage ; " ;
3° dans le paragraphe 2, 3°, le membre de phrase " des compétences de base de la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ". " est remplacé par le membre de phrase " des compétences de base de la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 " ; " ;
4° dans le paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° dans la discipline 'informatie- en communicatietechnologie' (technologie d'information et de communication). Le module ouvert comprend exclusivement des compétences de base de la discipline 'informatie- en communicatietechnologie' ; " ;
5° le paragraphe 2 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° dans les formations " Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 1 " et " Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 2 " de la discipline 'bijzondere educatieve noden' (besoins éducatifs spéciaux) et dans les disciplines langues européennes principales degrés-guides 1 et 2, langues européennes secondaires degrés-guides 1 et 2, langues européennes degrés-guides 3 et 4, hébreu, langues orientales, langues scandinaves et langues slaves. Le module ouvert comprend exclusivement des compétences de base d'une seule discipline et d'une seule langue. " ;
6° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. L'Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes) supervise l'organisation des modules ouverts par les centres au moins jusqu'à l'année scolaire 2026-2027 en vue du développement de conclusions politiques par le Gouvernement flamand. ".
1° dans le paragraphe 1er, 2°, le membre de phrase " 10, " est inséré entre le membre de phrase " s'élève à " et le membre de phrase " 20, 40 " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° dans les domaines d'apprentissage visés à l'article 6 du même décret. Le module ouvert comprend uniquement des objectifs finaux ou des compétences de base d'un ou plusieurs domaines d'apprentissage ; " ;
3° dans le paragraphe 2, 3°, le membre de phrase " des compétences de base de la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ". " est remplacé par le membre de phrase " des compétences de base de la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 " ; " ;
4° dans le paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° dans la discipline 'informatie- en communicatietechnologie' (technologie d'information et de communication). Le module ouvert comprend exclusivement des compétences de base de la discipline 'informatie- en communicatietechnologie' ; " ;
5° le paragraphe 2 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° dans les formations " Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 1 " et " Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 2 " de la discipline 'bijzondere educatieve noden' (besoins éducatifs spéciaux) et dans les disciplines langues européennes principales degrés-guides 1 et 2, langues européennes secondaires degrés-guides 1 et 2, langues européennes degrés-guides 3 et 4, hébreu, langues orientales, langues scandinaves et langues slaves. Le module ouvert comprend exclusivement des compétences de base d'une seule discipline et d'une seule langue. " ;
6° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. L'Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes) supervise l'organisation des modules ouverts par les centres au moins jusqu'à l'année scolaire 2026-2027 en vue du développement de conclusions politiques par le Gouvernement flamand. ".
Art.48. In artikel 26bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van artikel 26, § 4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van een van de volgende opleidingen
georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24:
1° de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet;
2° de opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4;
3° de opleiding Start to ICT van het studiegebied informatie- en communicatietechnologie;
4° de opleiding Aanvullende Algemene Vorming van het studiegebied aanvullende algemene vorming;
5° de geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 24, § 1bis."; 2° in het tweede lid wordt punt 2° opgeheven.
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van artikel 26, § 4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van een van de volgende opleidingen
georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24:
1° de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet;
2° de opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4;
3° de opleiding Start to ICT van het studiegebied informatie- en communicatietechnologie;
4° de opleiding Aanvullende Algemene Vorming van het studiegebied aanvullende algemene vorming;
5° de geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 24, § 1bis."; 2° in het tweede lid wordt punt 2° opgeheven.
Art.48. A l'article 26bis du même décret, inséré par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'article 26, § 4, les centres peuvent organiser un enseignement intégré dans lequel, pour un même groupe d'apprenants, une partie du module est organisée simultanément avec un ou deux modules d'une des formations suivantes, sans que le nombre total de périodes de cours à organiser s'élève à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 :
1° les formations des domaines d'apprentissage visés à l'article 6 du même décret ;
2° les formations des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 " ;
3° la formation Start to ICT du domaine d'apprentissage informatie- en communicatietechnologie (technologie d'information et de commmunication) ;
4° la formation " Aanvullende Algemene Vorming " de la discipline " aanvullende algemene vorming " ;
5° les modules d'alphabétisation visés à l'article 24, § 1bis. " ;
2° dans l'alinéa 2, le point 2° est abrogé.
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'article 26, § 4, les centres peuvent organiser un enseignement intégré dans lequel, pour un même groupe d'apprenants, une partie du module est organisée simultanément avec un ou deux modules d'une des formations suivantes, sans que le nombre total de périodes de cours à organiser s'élève à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 :
1° les formations des domaines d'apprentissage visés à l'article 6 du même décret ;
2° les formations des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 " ;
3° la formation Start to ICT du domaine d'apprentissage informatie- en communicatietechnologie (technologie d'information et de commmunication) ;
4° la formation " Aanvullende Algemene Vorming " de la discipline " aanvullende algemene vorming " ;
5° les modules d'alphabétisation visés à l'article 24, § 1bis. " ;
2° dans l'alinéa 2, le point 2° est abrogé.
Art.49. In artikel 28 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "contactonderwijs" en de woorden "of als gecombineerd onderwijs" de zinsnede ", afstandsonderwijs" ingevoegd;
2° in het eerste lid worden de woorden "Gecombineerd onderwijs voldoet" vervangen door de woorden "Afstandsonderwijs en gecombineerd onderwijs voldoen";
3° in het eerste lid, 2°, worden tussen het woord "het" en het woord "omvat" de woorden "gecombineerd onderwijs" ingevoegd;
4° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het afstandsonderwijs wordt uiterlijk na het schooljaar 2025-2026 geëvalueerd.".
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "contactonderwijs" en de woorden "of als gecombineerd onderwijs" de zinsnede ", afstandsonderwijs" ingevoegd;
2° in het eerste lid worden de woorden "Gecombineerd onderwijs voldoet" vervangen door de woorden "Afstandsonderwijs en gecombineerd onderwijs voldoen";
3° in het eerste lid, 2°, worden tussen het woord "het" en het woord "omvat" de woorden "gecombineerd onderwijs" ingevoegd;
4° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het afstandsonderwijs wordt uiterlijk na het schooljaar 2025-2026 geëvalueerd.".
Art.49. A l'article 28 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " , comme enseignement à distance " est inséré entre les mots " enseignement de contact " et les mots " ou comme enseignement combiné " ;
2° dans l'alinéa 1er, les mots " L'enseignement combiné doit " sont remplacés par les mots " L'enseignement à distance et l'enseignement combiné doivent " ;
3° dans l'alinéa 1er, 2°, le mot " il " est remplacé par le membre de phrase " l'enseignement combiné " ;
4° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'enseignement à distance sera évalué au plus tard après l'année scolaire 2025-2026. ".
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " , comme enseignement à distance " est inséré entre les mots " enseignement de contact " et les mots " ou comme enseignement combiné " ;
2° dans l'alinéa 1er, les mots " L'enseignement combiné doit " sont remplacés par les mots " L'enseignement à distance et l'enseignement combiné doivent " ;
3° dans l'alinéa 1er, 2°, le mot " il " est remplacé par le membre de phrase " l'enseignement combiné " ;
4° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'enseignement à distance sera évalué au plus tard après l'année scolaire 2025-2026. ".
Art.50. Artikel 30 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.50. L'article 30 du même décret est abrogé.
Art.51. Aan titel III, hoofdstuk VI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt een artikel 37bis toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 37bis. In afwijking van artikel 37, tweede lid, 5°, kan een kandidaat-inwijkeling ingeschreven worden in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal bij een centrum voor basiseducatie of in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands Tweede Taal richtgraad 1 en 2 bij een centrum voor volwassenenonderwijs, georganiseerd als het afstandsonderwijs, vermeld in artikel 28, als een bewijs geleverd is waaruit blijkt dat de kandidaat-cursist een kandidaat-inwijkeling is.
In dit artikel wordt verstaan onder kandidaat-inwijkeling: de vreemdeling die in het buitenland een visum tot langdurig verblijf in België heeft aangevraagd en zijn of haar wil uit om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister, of de niet-visumplichtige vreemdeling die bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post in het buitenland zijn of haar wil uit om een langdurig verblijf in België te verkrijgen en om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop een vreemdeling kan bewijzen een kandidaat-inwijkeling te zijn.
In afwijking van artikel 6 van het bij het decreet van 7 juli 2023 over het onderwijs XXXIII bekrachtigde besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2022 over de NT2-test in het volwassenenonderwijs kan een cursist die ingeschreven is onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, ook op een later tijdstip dan drie maanden na het einde van de NT2-opleiding een NT2-test afleggen.".
"Art. 37bis. In afwijking van artikel 37, tweede lid, 5°, kan een kandidaat-inwijkeling ingeschreven worden in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal bij een centrum voor basiseducatie of in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands Tweede Taal richtgraad 1 en 2 bij een centrum voor volwassenenonderwijs, georganiseerd als het afstandsonderwijs, vermeld in artikel 28, als een bewijs geleverd is waaruit blijkt dat de kandidaat-cursist een kandidaat-inwijkeling is.
In dit artikel wordt verstaan onder kandidaat-inwijkeling: de vreemdeling die in het buitenland een visum tot langdurig verblijf in België heeft aangevraagd en zijn of haar wil uit om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister, of de niet-visumplichtige vreemdeling die bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post in het buitenland zijn of haar wil uit om een langdurig verblijf in België te verkrijgen en om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop een vreemdeling kan bewijzen een kandidaat-inwijkeling te zijn.
In afwijking van artikel 6 van het bij het decreet van 7 juli 2023 over het onderwijs XXXIII bekrachtigde besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2022 over de NT2-test in het volwassenenonderwijs kan een cursist die ingeschreven is onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, ook op een later tijdstip dan drie maanden na het einde van de NT2-opleiding een NT2-test afleggen.".
Art.51. Au titre III, chapitre VI, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, un article 37bis rédigé comme suit est ajouté :
" Art. 37bis. Par dérogation à l'article 37, alinéa 2, 5°, un candidat-immigrant peut être inscrit dans la formation néerlandais deuxième langue degré-guide 1 du domaine d'apprentissage néerlandais deuxième langue auprès d'un centre d'éducation de base ou dans la formation néerlandais deuxième langue degré-guide 1 ou la formation Lire et Ecrire pour des personnes alphabétisées dans un autre alphabet de la discipline néerlandais deuxième langue degrés-guides 1 et 2 auprès d'un centre d'éducation des adultes, organisée comme l'enseignement à distance, visé à l'article 28, si une preuve est fournie attestant que le candidat apprenant est un candidat-immigrant.
Dans le présent article, on entend par candidat-immigrant : l'étranger qui a demandé, à l'étranger, un visa de séjour de longue durée en Belgique et exprime sa volonté d'être inscrit au Registre national dans une commune de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, ou l'étranger non soumis à l'obligation de visa qui exprime, auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent à l'étranger, sa volonté d'obtenir un séjour de longue durée en Belgique et d'être inscrit au Registre national dans une commune de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
Le Gouvernement flamand arrête la manière dont un étranger peut prouver qu'il est un candidat-immigrant.
Par dérogation à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 2022 relatif au test NT2 dans l'éducation des adultes, confirmé par le décret du 7 juillet 2023 relatif à l'enseignement XXXIII, un apprenant inscrit aux conditions visées à l'alinéa 1er peut également passer un test NT2 à un moment ultérieur au délai de trois mois après la fin de la formation NT2. ".
" Art. 37bis. Par dérogation à l'article 37, alinéa 2, 5°, un candidat-immigrant peut être inscrit dans la formation néerlandais deuxième langue degré-guide 1 du domaine d'apprentissage néerlandais deuxième langue auprès d'un centre d'éducation de base ou dans la formation néerlandais deuxième langue degré-guide 1 ou la formation Lire et Ecrire pour des personnes alphabétisées dans un autre alphabet de la discipline néerlandais deuxième langue degrés-guides 1 et 2 auprès d'un centre d'éducation des adultes, organisée comme l'enseignement à distance, visé à l'article 28, si une preuve est fournie attestant que le candidat apprenant est un candidat-immigrant.
Dans le présent article, on entend par candidat-immigrant : l'étranger qui a demandé, à l'étranger, un visa de séjour de longue durée en Belgique et exprime sa volonté d'être inscrit au Registre national dans une commune de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, ou l'étranger non soumis à l'obligation de visa qui exprime, auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent à l'étranger, sa volonté d'obtenir un séjour de longue durée en Belgique et d'être inscrit au Registre national dans une commune de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
Le Gouvernement flamand arrête la manière dont un étranger peut prouver qu'il est un candidat-immigrant.
Par dérogation à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 2022 relatif au test NT2 dans l'éducation des adultes, confirmé par le décret du 7 juillet 2023 relatif à l'enseignement XXXIII, un apprenant inscrit aux conditions visées à l'alinéa 1er peut également passer un test NT2 à un moment ultérieur au délai de trois mois après la fin de la formation NT2. ".
Art.52. Aan artikel 38, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 juni 2015 en gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het centrum kan een cursist of voormalige cursist vrijstellen van de evaluatie.".
"Het centrum kan een cursist of voormalige cursist vrijstellen van de evaluatie.".
Art.52. L'article 38, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 19 juin 2015 et modifié par le décret du 4 mai 2018, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Le centre peut exempter un apprenant ou ancien apprenant de l'évaluation. ".
" Le centre peut exempter un apprenant ou ancien apprenant de l'évaluation. ".
Art.53. In artikel 41, § 4, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een punt 2° ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° ter de opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor het algemeen gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het tso of bso voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs;".
"2° ter de opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor het algemeen gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het tso of bso voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs;".
Art.53. Dans l'article 41, § 4, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un point 2° ter, rédigé comme suit :
" 2° ter la formation de l'enseignement secondaire des adultes visée à l'article 42, ou la formation conduisant à une qualification professionnelle de niveau 5, combinée avec une preuve d'avoir réussi la partie générale propre à la subdivision choisie, d'un programme d'examen jusque l'obtention d'un diplôme d'enseignement secondaire dans l'AST ou l'ESP devant le jury de la Communauté flamande de l'enseignement secondaire à temps plein ; ".
" 2° ter la formation de l'enseignement secondaire des adultes visée à l'article 42, ou la formation conduisant à une qualification professionnelle de niveau 5, combinée avec une preuve d'avoir réussi la partie générale propre à la subdivision choisie, d'un programme d'examen jusque l'obtention d'un diplôme d'enseignement secondaire dans l'AST ou l'ESP devant le jury de la Communauté flamande de l'enseignement secondaire à temps plein ; ".
Art.54. In artikel 42 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, worden de woorden "de inspectie" vervangen door de zinsnede "het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen".
Art.54. Dans l'article 42 du même décret, modifié par le décret du 30 avril 2009, les mots " l'inspection " sont remplacés par le membre de phrase " l'Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes) ".
Art.55. In artikel 72quater, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt punt 1° opgeheven.
Art.55. Dans l'article 72quater, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié par le décret du 19 décembre 2014, le point 1° est abrogé.
Art.56. Aan artikel 85, § 2, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, worden de woorden "en voor leergebiedoverstijgende open modules" toegevoegd.
Art.56. Dans l'article 85, § 2, alinéa 3, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, les mots " et pour les modules ouverts dépassant les domaines d'apprentissage " sont ajoutés.
Art.57. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een artikel 85bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 85bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan personeel op de arbeidsmarkt in de wervingsambten eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 89, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, aanwenden voor de wervingsambten in een of meer van zijn centra om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie en de uitvoeringsbesluiten van dit decreet zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 27 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 85, § 3.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 85bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan personeel op de arbeidsmarkt in de wervingsambten eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 89, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, aanwenden voor de wervingsambten in een of meer van zijn centra om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie en de uitvoeringsbesluiten van dit decreet zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 27 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 85, § 3.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.57. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un article 85bis, rédigé comme suit :
" Art. 85bis. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel sur le marché du travail dans les fonctions de recrutement, une autorité de centre peut utiliser des fonds propres, les moyens de fonctionnement tels que visés à l'article 89, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement dans un ou plusieurs de ses centres, afin d'employer dans ce ou ces centres, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité de centre, dans le centre où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité du centre conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base et de ses arrêtés d'exécution ne s'appliquent pas aux travailleurs précités, sauf disposition expresse contraire.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 27 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation au sein de l'autorité du centre.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité de centre peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visé à l'article 85, § 3.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 85bis. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel sur le marché du travail dans les fonctions de recrutement, une autorité de centre peut utiliser des fonds propres, les moyens de fonctionnement tels que visés à l'article 89, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement dans un ou plusieurs de ses centres, afin d'employer dans ce ou ces centres, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité de centre, dans le centre où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité du centre conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base et de ses arrêtés d'exécution ne s'appliquent pas aux travailleurs précités, sauf disposition expresse contraire.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 27 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation au sein de l'autorité du centre.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité de centre peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visé à l'article 85, § 3.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.58. Aan artikel 87, § 2bis, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, worden de woorden "en voor leergebiedoverstijgende open modules" toegevoegd.
Art.58. Dans l'article 87, § 2bis, alinéa 3, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, les mots " et pour les modules ouverts dépassant les domaines d'apprentissage " sont ajoutés.
Art.59. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een artikel 98ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 98ter. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 108, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn centra aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 98, § 3, en 98bis.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 98ter. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 108, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn centra aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 98, § 3, en 98bis.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.59. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un article 98ter, rédigé comme suit :
" Art. 98ter. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité de centre peut utiliser des fonds propres, moyens de fonctionnement tels que visés à l'article 108, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'un ou de plusieurs de ses centres, afin d'employer dans ce ou ces centres, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité de centre, dans le centre où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité du centre conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation au sein de l'autorité du centre.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité de centre peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée aux articles 98, § 3, et 98bis.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 98ter. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité de centre peut utiliser des fonds propres, moyens de fonctionnement tels que visés à l'article 108, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'un ou de plusieurs de ses centres, afin d'employer dans ce ou ces centres, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité de centre, dans le centre où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité du centre conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation au sein de l'autorité du centre.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité de centre peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée aux articles 98, § 3, et 98bis.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.60. In artikel 128bis/1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, vervangen bij het decreet van 7 juli 2017 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt tussen de zinsnede "uitgekeerd door de VDAB," en de woorden "of met andere middelen" de zinsnede "ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie," ingevoegd.
Art.60. Dans l'article 128bis/1, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, remplacé par le décret du 7 juillet 2017 et modifié par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou avec d'autres moyens ".
Art.61. In titel VI, hoofdstuk I, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 7 juli 2017 en 8 juli 2022, wordt het opschrift van afdeling III vervangen door wat volgt:
"Afdeling III. Vervanging van afwezige personeelsleden".
"Afdeling III. Vervanging van afwezige personeelsleden".
Art.61. Dans le titre VI, chapitre Ier, du même décret, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 7 juillet 2017 et 8 juillet 2022, l'intitulé de la section III est remplacé par ce qui suit :
" Section III. Remplacement de membres du personnel absents ".
" Section III. Remplacement de membres du personnel absents ".
Art.62. Artikel 128ter van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 7 juli 2007, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 128ter. § 1. Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 335,85 vte aan de centra voor basiseducatie toegekend om afwezige personeelsleden in het ambt van leraar basiseducatie te vervangen. De voormelde vte kunnen alleen aangewend worden voor vervangingen in niet-vacante uren.
Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op hetzelfde aandeel aan vte voor vervanging van afwezige personeelsleden als het aandeel aan vte waar het centrum conform de berekening, vermeld in artikel 85, § 1, recht op heeft.
Elk centrum voor basiseducatie maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de vte voor vervangingen aangewend kunnen worden. Het centrum kan, afhankelijk van de lokale behoeften en prioriteiten, een eigen beleid voeren over de vervanging van afwezige personeelsleden die aangesteld zijn in het ambt van leraar basiseducatie.
Na onderhandelingen in het lokaal comité kan het centrumbestuur de vte voor de vervanging van afwezige personeelsleden die het dat schooljaar niet heeft aangewend, overdragen aan een ander centrum voor basiseducatie. De voormelde overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd. Het centrum waaraan de vte worden overgedragen, gebruikt die vte in hetzelfde schooljaar als het schooljaar waarin de vte worden overgedragen.
§ 2. Vanaf het schooljaar 2025-2026 kan het jaarlijkse aantal vte voor vervangingen, vermeld in paragraaf 1, mee evolueren in verhouding tot het aantal toegekende vte, vermeld in artikel 85, § 1.".
"Art. 128ter. § 1. Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 335,85 vte aan de centra voor basiseducatie toegekend om afwezige personeelsleden in het ambt van leraar basiseducatie te vervangen. De voormelde vte kunnen alleen aangewend worden voor vervangingen in niet-vacante uren.
Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op hetzelfde aandeel aan vte voor vervanging van afwezige personeelsleden als het aandeel aan vte waar het centrum conform de berekening, vermeld in artikel 85, § 1, recht op heeft.
Elk centrum voor basiseducatie maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de vte voor vervangingen aangewend kunnen worden. Het centrum kan, afhankelijk van de lokale behoeften en prioriteiten, een eigen beleid voeren over de vervanging van afwezige personeelsleden die aangesteld zijn in het ambt van leraar basiseducatie.
Na onderhandelingen in het lokaal comité kan het centrumbestuur de vte voor de vervanging van afwezige personeelsleden die het dat schooljaar niet heeft aangewend, overdragen aan een ander centrum voor basiseducatie. De voormelde overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd. Het centrum waaraan de vte worden overgedragen, gebruikt die vte in hetzelfde schooljaar als het schooljaar waarin de vte worden overgedragen.
§ 2. Vanaf het schooljaar 2025-2026 kan het jaarlijkse aantal vte voor vervangingen, vermeld in paragraaf 1, mee evolueren in verhouding tot het aantal toegekende vte, vermeld in artikel 85, § 1.".
Art.62. L'article 128ter du même décret, abrogé par le décret du 7 juillet 2007, est rétabli dans la lecture suivante :
" Art. 128ter. § 1er. A partir de l'année scolaire 2024-2025, 335,85 ETP seront accordés chaque année aux centres d'éducation de base pour remplacer les membres du personnel absents dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base. Les ETP précités peuvent uniquement être utilisés pour des remplacements dans des heures non vacantes.
Chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion d'ETP pour le remplacement de membres du personnel absents que la proportion d'ETP à laquelle le centre a droit conformément au calcul visé à l'article 85, § 1er.
Chaque centre d'éducation de base conclut des accords au sein du comité local quant à la manière dont les ETP pour les remplacements peuvent être utilisés. Le centre peut, en fonction des besoins et priorités locaux, mener sa propre politique concernant le remplacement de membres du personnel absents désignés dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base.
Après négociations au sein du comité local, l'autorité du centre peut transférer les ETP pour le remplacement de membres du personnel absents qu'elle n'a pas utilisés au cours de cette année scolaire à un autre centre d'éducation de base. Le transfert précité est déterminé au plus tard le 31 mai de l'année scolaire en cours. Le centre auquel les ETP sont transférés utilise ces ETP au cours de la même année scolaire que celle durant laquelle les ETP sont transférés.
§ 2. A partir de l'année scolaire 2025-2026, le nombre annuel d'ETP pour les remplacements, visé au paragraphe 1er, peut évoluer par rapport au nombre d'ETP octroyés, visé à l'article 85, § 1er. ".
" Art. 128ter. § 1er. A partir de l'année scolaire 2024-2025, 335,85 ETP seront accordés chaque année aux centres d'éducation de base pour remplacer les membres du personnel absents dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base. Les ETP précités peuvent uniquement être utilisés pour des remplacements dans des heures non vacantes.
Chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion d'ETP pour le remplacement de membres du personnel absents que la proportion d'ETP à laquelle le centre a droit conformément au calcul visé à l'article 85, § 1er.
Chaque centre d'éducation de base conclut des accords au sein du comité local quant à la manière dont les ETP pour les remplacements peuvent être utilisés. Le centre peut, en fonction des besoins et priorités locaux, mener sa propre politique concernant le remplacement de membres du personnel absents désignés dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base.
Après négociations au sein du comité local, l'autorité du centre peut transférer les ETP pour le remplacement de membres du personnel absents qu'elle n'a pas utilisés au cours de cette année scolaire à un autre centre d'éducation de base. Le transfert précité est déterminé au plus tard le 31 mai de l'année scolaire en cours. Le centre auquel les ETP sont transférés utilise ces ETP au cours de la même année scolaire que celle durant laquelle les ETP sont transférés.
§ 2. A partir de l'année scolaire 2025-2026, le nombre annuel d'ETP pour les remplacements, visé au paragraphe 1er, peut évoluer par rapport au nombre d'ETP octroyés, visé à l'article 85, § 1er. ".
Art.63. In artikel 130ter, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij de decreten van 16 maart 2018 en 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "uitgekeerd door de VDAB" en de woorden "of van andere middelen" de zinsnede ", ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie" ingevoegd.
Art.63. Dans l'article 130ter, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par les décrets des 16 mars 2018 et 8 juillet 2022, le membre de phrase " , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou d'autres moyens ".
Art.64. Aan titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, wordt een afdeling VI toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling VI. Vervanging van afwezige personeelsleden".
"Afdeling VI. Vervanging van afwezige personeelsleden".
Art.64. Au titre VI, chapitre II, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2023, une section VI rédigée comme suit est ajoutée :
" Section VI. Remplacement de membres du personnel absents ".
" Section VI. Remplacement de membres du personnel absents ".
Art.65. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in afdeling VI, toegevoegd bij artikel 64, een artikel 130sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 130sexties. Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 8306 leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend om personeelsleden in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs te vervangen in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging.
Onder reguliere vervanging moet worden begrepen een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
2° het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels.
Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan leraarsuren voor vervanging van personeelsleden in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging als het aandeel aan leraarsuren waar het centrum volgens de berekening van artikel 98, § 1, van dit decreet recht op heeft.
Elk centrum voor volwassenenonderwijs maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de leraarsuren, vermeld in het eerste lid, aangewend mogen worden.".
"Art. 130sexties. Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 8306 leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend om personeelsleden in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs te vervangen in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging.
Onder reguliere vervanging moet worden begrepen een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
2° het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels.
Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan leraarsuren voor vervanging van personeelsleden in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging als het aandeel aan leraarsuren waar het centrum volgens de berekening van artikel 98, § 1, van dit decreet recht op heeft.
Elk centrum voor volwassenenonderwijs maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de leraarsuren, vermeld in het eerste lid, aangewend mogen worden.".
Art.65. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, dans la section VI, ajoutée par l'article 64, il est inséré un article 130sexies, rédigé comme suit :
" Art. 130sexties. A partir de l'année scolaire 2024-2025, 8 306 heures d'enseignant seront accordées chaque année aux centres d'éducation des adultes pour remplacer les membres du personnel dans la fonction d'enseignant de l'enseignement secondaire des adultes pour les absences ne donnant pas droit à un remplacement régulier.
Par remplacement régulier, il faut entendre un remplacement d'une absence inférieure à une année scolaire, remplissant les conditions suivantes :
1° le membre du personnel à remplacer est désigné à un emploi financé ou subventionné dans l'enseignement ;
2° le membre du personnel absent peut être remplacé selon les règles usuelles de financement et de subventionnement.
Chaque centre d'éducation des adultes a droit à la même proportion d'heures d'enseignant pour le remplacement de membres du personnel pour les absences ne donnant pas droit à un remplacement régulier que la proportion d'heures d'enseignant à laquelle le centre a droit conformément au calcul de l'article 98, § 1er, du présent décret.
Chaque centre d'éducation des adultes conclut des accords au sein du comité local quant à la façon dont les heures d'enseignant visées à l'alinéa 1er peuvent être utilisées. ".
" Art. 130sexties. A partir de l'année scolaire 2024-2025, 8 306 heures d'enseignant seront accordées chaque année aux centres d'éducation des adultes pour remplacer les membres du personnel dans la fonction d'enseignant de l'enseignement secondaire des adultes pour les absences ne donnant pas droit à un remplacement régulier.
Par remplacement régulier, il faut entendre un remplacement d'une absence inférieure à une année scolaire, remplissant les conditions suivantes :
1° le membre du personnel à remplacer est désigné à un emploi financé ou subventionné dans l'enseignement ;
2° le membre du personnel absent peut être remplacé selon les règles usuelles de financement et de subventionnement.
Chaque centre d'éducation des adultes a droit à la même proportion d'heures d'enseignant pour le remplacement de membres du personnel pour les absences ne donnant pas droit à un remplacement régulier que la proportion d'heures d'enseignant à laquelle le centre a droit conformément au calcul de l'article 98, § 1er, du présent décret.
Chaque centre d'éducation des adultes conclut des accords au sein du comité local quant à la façon dont les heures d'enseignant visées à l'alinéa 1er peuvent être utilisées. ".
Art.66. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een artikel 189bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 189bis. In afwijking van artikel 64, § 4, kan een centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tot en met schooljaar 2024-2025 na een melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, die onderwijsbevoegdheid uitoefenen in een vestigingsplaats waar onderwijsinstellingen liggen die middelen hebben ontvangen als vermeld in artikel 67/1, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 34/1, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 91, tweede lid, en artikel 101, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in het eerste lid, tijdens een van de schooljaren 2021-2022 tot en met 2024-2025 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2025-2026.
Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 17, 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), tijdens een van de schooljaren 2022-2023 of 2023-2024 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2024-2025.".
"Art. 189bis. In afwijking van artikel 64, § 4, kan een centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tot en met schooljaar 2024-2025 na een melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, die onderwijsbevoegdheid uitoefenen in een vestigingsplaats waar onderwijsinstellingen liggen die middelen hebben ontvangen als vermeld in artikel 67/1, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 34/1, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 91, tweede lid, en artikel 101, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in het eerste lid, tijdens een van de schooljaren 2021-2022 tot en met 2024-2025 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2025-2026.
Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 17, 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), tijdens een van de schooljaren 2022-2023 of 2023-2024 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2024-2025.".
Art.66. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un article 189bis, rédigé comme suit :
" Art. 189bis. Par dérogation à l'article 64, § 4, un centre d'éducation des adultes qui a compétence d'enseignement pour la discipline technologie d'information et de communication peut, jusqu'à l'année scolaire 2024-2025 incluse, après notification à l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes, exercer cette compétence d'enseignement dans une implantation où se trouvent des établissements d'enseignement qui ont reçu des moyens visés à l'article 67/1, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, à l'article 34/1, § 1er, du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, à l'article 91, alinéa deux, et à l'article 101, alinéa deux, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes.
Les centres d'éducation des adultes qui ont exercé la compétence d'enseignement visée à l'alinéa 1er au cours d'une des années scolaires 2021-2022 à 2024-2025, peuvent continuer à exercer cette compétence d'enseignement jusqu'à l'année 2025-2026 incluse.
Les centres d'éducation des adultes qui ont exercé la compétence d'enseignement visée à l'article 17, 2°, du décret du 4 février 2022 contenant des mesures urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise du coronavirus (IX), au cours d'une des années scolaires 2022-2023 ou 2023-2024, peuvent continuer à exercer cette compétence d'enseignement jusqu'à l'année 2024-2025. ".
" Art. 189bis. Par dérogation à l'article 64, § 4, un centre d'éducation des adultes qui a compétence d'enseignement pour la discipline technologie d'information et de communication peut, jusqu'à l'année scolaire 2024-2025 incluse, après notification à l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes, exercer cette compétence d'enseignement dans une implantation où se trouvent des établissements d'enseignement qui ont reçu des moyens visés à l'article 67/1, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, à l'article 34/1, § 1er, du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, à l'article 91, alinéa deux, et à l'article 101, alinéa deux, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes.
Les centres d'éducation des adultes qui ont exercé la compétence d'enseignement visée à l'alinéa 1er au cours d'une des années scolaires 2021-2022 à 2024-2025, peuvent continuer à exercer cette compétence d'enseignement jusqu'à l'année 2025-2026 incluse.
Les centres d'éducation des adultes qui ont exercé la compétence d'enseignement visée à l'article 17, 2°, du décret du 4 février 2022 contenant des mesures urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise du coronavirus (IX), au cours d'une des années scolaires 2022-2023 ou 2023-2024, peuvent continuer à exercer cette compétence d'enseignement jusqu'à l'année 2024-2025. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux
Art.68. In artikel 6, § 2, 2°, van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra, vervangen bij het decreet van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt e) worden de woorden "Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie" vervangen door de zinsnede "7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt";
2° er worden een punt f) en een punt g) toegevoegd, die luiden als volgt:
"f) de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs, OV1 en OV2;
g) de leerlingen in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers.".
1° in punt e) worden de woorden "Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie" vervangen door de zinsnede "7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt";
2° er worden een punt f) en een punt g) toegevoegd, die luiden als volgt:
"f) de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs, OV1 en OV2;
g) de leerlingen in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers.".
Art.68. A l'article 6, § 2, 2°, du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux, remplacé par le décret du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point e), le membre de phrase " la formation Se-n-Se modernisée en spécialisation professionnelle " est remplacé par le membre de phrase " 7e année d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail " ;
2° il est ajouté les points f) et g), rédigés comme suit :
" f) les élèves de l'enseignement secondaire spécial, formes d'enseignement 1 et 2 ;
g) les élèves de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones. ".
1° dans le point e), le membre de phrase " la formation Se-n-Se modernisée en spécialisation professionnelle " est remplacé par le membre de phrase " 7e année d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail " ;
2° il est ajouté les points f) et g), rédigés comme suit :
" f) les élèves de l'enseignement secondaire spécial, formes d'enseignement 1 et 2 ;
g) les élèves de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande
Art.69. Artikel 20 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 3 juli 2020 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt opgeheven.
Art.69. L'article 20 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, remplacé par le décret du 3 juillet 2020 et modifié par le décret du 8 juillet 2022, est abrogé.
Art.70. In artikel 89, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "waarin hij deeltijds beroepssecundair onderwijs volgt" opgeheven.
Art.70. Dans l'article 89, § 1er, alinéa 2, du même décret, les mots " au cours de laquelle il suit un enseignement secondaire professionnel à temps partiel " sont abrogés.
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van 23 januari 2009 houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 23 janvier 2009 portant création de comités de négociations pour l'éducation de base et pour le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' (Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes)
Art.71. In het opschrift van het decreet van 23 januari 2009 houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "Vocvo vzw".
Art.71. Dans l'intitulé du décret du 23 janvier 2009 portant création de comités de négociations pour l'éducation de base et pour le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' (Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes), les mots " le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' " sont remplacés par les mots " Vocvo vzw ".
Art.72. In artikel 2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 3° worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "Vocvo vzw";
2° in punt 4° worden de woorden "in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "voor Vocvo vzw".
1° in punt 3° worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "Vocvo vzw";
2° in punt 4° worden de woorden "in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "voor Vocvo vzw".
Art.72. A l'article 2 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 3°, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont remplacés par les mots " Vocvo vzw " ;
2° au point 4°, les mots " dans le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' " sont remplacés par les mots " dans Vocvo vzw ".
1° au point 3°, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont remplacés par les mots " Vocvo vzw " ;
2° au point 4°, les mots " dans le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' " sont remplacés par les mots " dans Vocvo vzw ".
Art.73. In artikel 3, 4°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (Vocvo)" vervangen door de woorden "Vocvo vzw".
Art.73. Dans l'article 3, 4°, du même décret, le membre de phrase " le 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs' (Vocvo) " sont remplacés par les mots " Vocvo vzw ".
Art.74. In artikel 24, tweede lid, artikel 25, tweede lid, artikel 26, tweede lid, en artikel 29, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "het Vocvo" vervangen door de woorden "Vocvo vzw".
Art.74. Dans l'article 24, alinéa 2, article 25, alinéa 2, article 26, alinéa 2, et article 29, alinéa 3, du même décret, les mots " du Vocvo " sont remplacés par les mots " à Vocvo vzw ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het decreet van 13 februari 2009 houdende de organisatie van schoolsport
CHAPITRE 11. - Modifications du décret du 13 février 2009 portant organisation du sport scolaire
Art.75. In artikel 3, 1°, b), van het decreet van 13 februari 2009 houdende de organisatie van schoolsport, vervangen bij het decreet van 15 juni 2018, worden de woorden "het Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid" vervangen door de woorden "het Netwerk Lokaal Sportbeleid".
Art.75. Dans l'article 3, 1°, b), du décret du 13 février 2009 portant organisation du sport scolaire, remplacé par le décret du 15 juin 2018, les mots " du " Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid " " sont remplacés par les mots " du " Netwerk Lokaal Sportbeleid " ".
Art.76. In artikel 6, vierde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 4 december 2015, worden punt 3°, 5°, 8°, 9°, 11°, 12° en 13° opgeheven.
Art.76. Dans l'article 6, alinéa 4, du même décret, remplacé par le décret du 1er juillet 2011 et modifié par le décret du 4 décembre 2015, les points 3°, 5°, 8°, 9°, 11°, 12° et 13° sont abrogés.
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs
CHAPITRE 12. - Modifications du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement
Art.77. In artikel 44bis, § 1, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt tussen het woord "studieresultaten" en het woord "en" de zinsnede ", de registratie van gegevens inzake afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/5, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 123/24/5 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010," ingevoegd.
Art.77. Dans l'article 44bis, § 1er, alinéa 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, inséré par le décret du 9 juillet 2021, le membre de phrase ", l'enregistrement de données relatives à l'isolement et à la contention visées à l'article 33/5, § 1, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, et à l'article 123/24/5 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, " est inséré entre les mots " les résultats d'études " et le mot " et ".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010
CHAPITRE 13. - Modifications du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010
Art.78. In artikel 2, § 1, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014 en vervangen bij het decreet van 27 april 2018, wordt de zinsnede "met 123/25" vervangen door de zinsnede "met 123/24/5".
Art.78. Dans l'article 2, § 1er, alinéa 2, 3°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, inséré par le décret du 4 avril 2014 et remplacé par le décret du 27 avril 2018, le membre de phrase " à 123/25 " est remplacé par le membre de phrase " à 123/24/5 ".
Art.79. In artikel 3 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er worden een punt 1° /2 en een punt 1° /3 ingevoegd, die luiden als volgt: "1° /2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
1° /3 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
2° er wordt een punt 14° /0/0/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"14° /0/0/1 fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;";
3° in punt 38° wordt de zinsnede "en hoofdstuk 4/1" vervangen door de zinsnede ", hoofdstuk 4/1 en hoofdstuk 11".
1° er worden een punt 1° /2 en een punt 1° /3 ingevoegd, die luiden als volgt: "1° /2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
1° /3 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
2° er wordt een punt 14° /0/0/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"14° /0/0/1 fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;";
3° in punt 38° wordt de zinsnede "en hoofdstuk 4/1" vervangen door de zinsnede ", hoofdstuk 4/1 en hoofdstuk 11".
Art.79. A l'article 3 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un point 1° /2 et un point 1° /3, rédigés comme suit : " 1° /2 isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
1° /3 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
2° il est inséré un point 14° /0/0/1, rédigé comme suit :
" 14° /0/0/1 contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; " ;
3° au point 38°, le membre de phrase " et chapitre 4/1 " est remplacé par le membre de phrase " , chapitre 4/1 et chapitre 11 ".
1° il est inséré un point 1° /2 et un point 1° /3, rédigés comme suit : " 1° /2 isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
1° /3 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
2° il est inséré un point 14° /0/0/1, rédigé comme suit :
" 14° /0/0/1 contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; " ;
3° au point 38°, le membre de phrase " et chapitre 4/1 " est remplacé par le membre de phrase " , chapitre 4/1 et chapitre 11 ".
Art.80. In artikel 22/19, derde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019 en vervangen bij het decreet van 25 februari 2022, worden de woorden "en het schooljaar in kwestie" telkens vervangen door de woorden "in het voorgaande schooljaar".
Art.80. Dans l'article 22/19, alinéa 3, du même Code, inséré par le décret du 15 mars 2019 et remplacé par le décret du 25 février 2022, les mots " et de l'année scolaire en question " sont chaque fois remplacés par les mots " de l'année scolaire précédente ".
Art.81. In deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 november 2023, wordt een onderafdeling 2/6 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 2/6. Flexi-jobs".
"Onderafdeling 2/6. Flexi-jobs".
Art.81. Dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, du même Code, modifiée en dernier lieu par le décret du 23 novembre 2023, il est inséré une sous-section 2/6, rédigée comme suit :
" Sous-section 2/6. Flexi-jobs ".
" Sous-section 2/6. Flexi-jobs ".
Art.82. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2/6, ingevoegd bij artikel 81, een artikel 22/26 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 22/26. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 249 of 329, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 22/16, 211, § 3 en § 3bis, en artikel 308/5.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 22/26. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 249 of 329, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 22/16, 211, § 3 en § 3bis, en artikel 308/5.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.82. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, sous-section 2/6, insérée par l'article 81, un article 22/26, rédigé comme suit :
" Art. 22/26. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé à l'article 249 ou 329, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou plusieurs de ses écoles, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'école où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance, un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 22/16, à l'article 211, § 3 et § 3bis, et à l'article 308/5.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 22/26. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé à l'article 249 ou 329, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou plusieurs de ses écoles, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'école où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance, un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 22/16, à l'article 211, § 3 et § 3bis, et à l'article 308/5.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.83. In artikel 25 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011 en 19 juli 2013, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt:
" § 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 of 4 als het minimale aantal leerlingen respectievelijk 600 en 550, 900 en 850, of 1200 en 1150 bedraagt.
Het aantal punten, vermeld in het eerste lid, blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend als het minimale aantal leerlingen niet wordt bereikt.".
" § 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 of 4 als het minimale aantal leerlingen respectievelijk 600 en 550, 900 en 850, of 1200 en 1150 bedraagt.
Het aantal punten, vermeld in het eerste lid, blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend als het minimale aantal leerlingen niet wordt bereikt.".
Art.83. Dans l'article 25 du même Code, modifié par les décrets des 17 juin 2011 et 19 juillet 2013, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial comptant au moins 300 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 275 élèves réguliers. Le nombre de points est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 600 et 550, 900 et 850, ou 1 200 et 1 150.
Le nombre de points visé à l'alinéa 1er continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. ".
" § 4. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial comptant au moins 300 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 275 élèves réguliers. Le nombre de points est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 600 et 550, 900 et 850, ou 1 200 et 1 150.
Le nombre de points visé à l'alinéa 1er continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. ".
Art.84. In artikel 48/3, vierde lid, 2°, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2023, wordt de zinsnede "de eerste graad B-stroom," opgeheven.
Art.84. Dans l'article 48/3, alinéa 4, 2° du même Code, inséré par le décret du 22 décembre 2023, le membre de phrase " le premier degré de la filière B, " est abrogé.
Art.85. In artikel 51 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand bij beslissing of schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na de periode waarvoor de scholengemeenschap is gevormd, vermeld in het tweede lid, de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode.";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Tot en met 31 augustus 2026 kunnen geen nieuwe scholengemeenschappen worden gevormd. Op 1 september 2026 worden scholengemeenschappen gevormd voor een periode van zes schooljaren en daarna telkens op 1 september voor telkens een periode van zes schooljaren.";
4° in het derde lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° indien een school wordt overgenomen door een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand bij beslissing of schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na de periode waarvoor de scholengemeenschap is gevormd, vermeld in het tweede lid, de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode.";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Tot en met 31 augustus 2026 kunnen geen nieuwe scholengemeenschappen worden gevormd. Op 1 september 2026 worden scholengemeenschappen gevormd voor een periode van zes schooljaren en daarna telkens op 1 september voor telkens een periode van zes schooljaren.";
4° in het derde lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° indien een school wordt overgenomen door een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.".
Art.85. A l'article 51 du même Code, remplacé par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les centres d'enseignement sont créés sur une base volontaire par décision ou convention écrite relative à la création de ce centre d'enseignement. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, sa création se fait par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles de différentes autorités scolaires, sa création se fait par convention écrite entre ces autorités scolaires. Si, immédiatement après la période pour laquelle le centre d'enseignement est créé, visée à l'alinéa 2, rien ne change dans la composition du centre d'enseignement, le centre d'enseignement est prolongé de plein droit pour une nouvelle période. ".
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Aucun nouveau centre d'enseignement ne peut être créé jusqu'au 31 août 2026. Le 1er septembre 2026, des centres d'enseignement sont créés pour une période de six années scolaires, et ensuite chaque fois au 1er septembre pour chaque fois une période de six années scolaires. " ;
4° dans l'alinéa 3, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° si une école est reprise par une autre autorité scolaire du même réseau d'enseignement, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement et à condition qu'une école fasse partie du centre d'enseignement dont l'autorité scolaire est impliquée par une fusion de communes pendant l'année scolaire en cours. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les centres d'enseignement sont créés sur une base volontaire par décision ou convention écrite relative à la création de ce centre d'enseignement. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, sa création se fait par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles de différentes autorités scolaires, sa création se fait par convention écrite entre ces autorités scolaires. Si, immédiatement après la période pour laquelle le centre d'enseignement est créé, visée à l'alinéa 2, rien ne change dans la composition du centre d'enseignement, le centre d'enseignement est prolongé de plein droit pour une nouvelle période. ".
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Aucun nouveau centre d'enseignement ne peut être créé jusqu'au 31 août 2026. Le 1er septembre 2026, des centres d'enseignement sont créés pour une période de six années scolaires, et ensuite chaque fois au 1er septembre pour chaque fois une période de six années scolaires. " ;
4° dans l'alinéa 3, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° si une école est reprise par une autre autorité scolaire du même réseau d'enseignement, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement et à condition qu'une école fasse partie du centre d'enseignement dont l'autorité scolaire est impliquée par une fusion de communes pendant l'année scolaire en cours. ".
Art.86. In artikel 65, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden "pakketten uren-leraar" en de woorden "van de scholen die de scholengemeenschap vormen" worden de woorden "in het voorgaande schooljaar" ingevoegd;
2° tussen de woorden "totaliteit van de pakketten uren-leraar" en de woorden "van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden" worden de woorden "in het voorgaande schooljaar" ingevoegd.
1° tussen de woorden "pakketten uren-leraar" en de woorden "van de scholen die de scholengemeenschap vormen" worden de woorden "in het voorgaande schooljaar" ingevoegd;
2° tussen de woorden "totaliteit van de pakketten uren-leraar" en de woorden "van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden" worden de woorden "in het voorgaande schooljaar" ingevoegd.
Art.86. A l'article 65, § 2, alinéa 1er, du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " au cours de l'année scolaire précédente " sont insérés entre les mots " capitaux "périodes-professeur" " et les mots " des écoles constituant le centre d'enseignement " ;
2° les mots " au cours de l'année scolaire précédente " sont insérés entre les mots " capitaux "périodes-professeur" " et les mots " de toutes les écoles ayant adhéré à un centre d'enseignement ".
1° les mots " au cours de l'année scolaire précédente " sont insérés entre les mots " capitaux "périodes-professeur" " et les mots " des écoles constituant le centre d'enseignement " ;
2° les mots " au cours de l'année scolaire précédente " sont insérés entre les mots " capitaux "périodes-professeur" " et les mots " de toutes les écoles ayant adhéré à un centre d'enseignement ".
Art.87. In deel III, titel 1, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een hoofdstuk 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 6/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs".
"Hoofdstuk 6/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs".
Art.87. Dans la partie III, titre 1er, du même Code, modifiée en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un chapitre 6/1, rédigé comme suit :
" Chapitre 6/1. Dispositions particulières relatives à l'enseignement officiel ".
" Chapitre 6/1. Dispositions particulières relatives à l'enseignement officiel ".
Art.88. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt in hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 87, een artikel 99/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 99/1. Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een officiële school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.
Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
1° een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder konden worden gevoerd, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
2° de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.".
"Art. 99/1. Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een officiële school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.
Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
1° een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder konden worden gevoerd, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
2° de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.".
Art.88. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré au chapitre 6/1, inséré par l'article 87, un article 99/1, rédigé comme suit :
" Art. 99/1. Une administration publique ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si le transfert vers un autre opérateur de l'enseignement officiel a été examiné dans un premier temps.
L'examen visé à l'alinéa 1er comprend au moins :
1° un rapport des entretiens menés avec un autre opérateur de l'enseignement officiel en vue du transfert ou, à titre subsidiaire et si des entretiens avec un tel autre opérateur n'ont pu être menés, un rapport des tentatives visant à trouver cet autre opérateur ;
2° la conclusion motivée sur la possibilité de transfert. ".
" Art. 99/1. Une administration publique ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si le transfert vers un autre opérateur de l'enseignement officiel a été examiné dans un premier temps.
L'examen visé à l'alinéa 1er comprend au moins :
1° un rapport des entretiens menés avec un autre opérateur de l'enseignement officiel en vue du transfert ou, à titre subsidiaire et si des entretiens avec un tel autre opérateur n'ont pu être menés, un rapport des tentatives visant à trouver cet autre opérateur ;
2° la conclusion motivée sur la possibilité de transfert. ".
Art.89. Aan deel III, titel 1, hoofdstuk 7, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2012, 19 juli 2013, 20 april 2018 en 3 juli 2020, wordt een artikel 109/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 109/1. Het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1 tot en met 123/24/5, kan aanleiding geven tot sancties.
De sanctie, vermeld in het eerste lid, is een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het besluit waarborgt het recht op verdediging.".
"Art. 109/1. Het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1 tot en met 123/24/5, kan aanleiding geven tot sancties.
De sanctie, vermeld in het eerste lid, is een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het besluit waarborgt het recht op verdediging.".
Art.89. La partie III, titre 1er, chapitre 7, du même Code, modifiée par les décrets des 21 décembre 2012, 19 juillet 2013, 20 avril 2018 et 3 juillet 2020, est complétée par un article 109/1, rédigé comme suit :
" Art. 109/1. Le non-respect des dispositions relatives à l'isolement et à la contention, visées aux articles 123/24/1 à 123/24/5, peut donner lieu à des sanctions.
La sanction visée à l'alinéa 1er consiste dans un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. En cas d'une deuxième infraction ou d'une infraction suivante, le recouvrement peut s'élever à 10 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente.
Le Gouvernement flamand fixe les règles de la constatation des infractions et de l'application des sanctions visées aux alinéas 1er et 2. L'arrêté garantit le droit à la défense. ".
" Art. 109/1. Le non-respect des dispositions relatives à l'isolement et à la contention, visées aux articles 123/24/1 à 123/24/5, peut donner lieu à des sanctions.
La sanction visée à l'alinéa 1er consiste dans un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. En cas d'une deuxième infraction ou d'une infraction suivante, le recouvrement peut s'élever à 10 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente.
Le Gouvernement flamand fixe les règles de la constatation des infractions et de l'application des sanctions visées aux alinéas 1er et 2. L'arrêté garantit le droit à la défense. ".
Art.90. Aan artikel 112, eerste lid, 17°, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de school of het centrum een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 123/24/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de krachtlijnen van het beleid op leerlingenbegeleiding.".
"Als de school of het centrum een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 123/24/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de krachtlijnen van het beleid op leerlingenbegeleiding.".
Art.90. L'article 112, alinéa 1er, 17°, du même code, remplacé par le décret du 4 avril 2014, est complété par la phrase suivante :
" Si l'école ou le centre a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 123/24/1, cette politique est explicitement reprise dans les lignes directrices de la politique d'encadrement des élèves. ".
" Si l'école ou le centre a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 123/24/1, cette politique est explicitement reprise dans les lignes directrices de la politique d'encadrement des élèves. ".
Art.91. In artikel 115/9, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2023, worden de zinnen "De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal acht maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zes maanden bewaard." vervangen door de zinnen "De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal negen maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zeven maanden bewaard.".
Art.91. Dans l'article 115/9, § 1er, du même Code, inséré par le décret du 28 avril 2023, les phrases " Les données dans le module d'enregistrement sont conservées pendant huit mois maximum. Les données au sein de la plateforme de tests sont conservées pendant six mois maximum. " sont remplacées par les phrases " Les données dans le module d'enregistrement sont conservées pendant neuf mois maximum. Les données au sein de la plateforme de tests sont conservées pendant sept mois maximum. ".
Art.92. Aan artikel 117, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 5 april 2019 en gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019, worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Jongeren die verblijven in een voorziening veilig verblijf, vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of in het Vlaams detentiecentrum, vermeld in artikel 41 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende de volledige duur van hun verblijf in de voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum. In aanvulling op artikel 123 voldoet de jongere, die niet meer ingeschreven is in een school en die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft, hiermee aan de leerplicht.
Een jongere die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft en geen inschrijving meer heeft in een school, kan met akkoord van de betrokken personen, door de school die het tijdelijk onderwijs aan huis aanbiedt of door een andere school tijdens de duur van de opname, beschouwd worden als regelmatige leerling, in afwijking van artikel 252, 260/1 en 260/2, in functie van een mogelijke studiebekrachtiging. De jongere moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende structuuronderdeel dat de betreffende school inricht.".
"Jongeren die verblijven in een voorziening veilig verblijf, vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of in het Vlaams detentiecentrum, vermeld in artikel 41 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende de volledige duur van hun verblijf in de voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum. In aanvulling op artikel 123 voldoet de jongere, die niet meer ingeschreven is in een school en die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft, hiermee aan de leerplicht.
Een jongere die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft en geen inschrijving meer heeft in een school, kan met akkoord van de betrokken personen, door de school die het tijdelijk onderwijs aan huis aanbiedt of door een andere school tijdens de duur van de opname, beschouwd worden als regelmatige leerling, in afwijking van artikel 252, 260/1 en 260/2, in functie van een mogelijke studiebekrachtiging. De jongere moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende structuuronderdeel dat de betreffende school inricht.".
Art.92. L'article 117, § 1er, du même Code, remplacé par le décret du 5 avril 2019 et modifié par le décret du 20 décembre 2019, est complété par des alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
" Les jeunes qui résident dans une structure de type séjour sûr, visée à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ou dans le centre de détention flamand visé à l'article 41 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial pendant toute la durée de leur séjour dans la structure de type séjour sûr ou le centre de détention flamand. En complément à l'article 123, le jeune qui n'est plus inscrit dans une école et qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand remplit ainsi l'obligation scolaire.
Un jeune qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand et qui n'a plus d'inscription dans une école peut, avec l'accord des personnes concernées, être considéré par l'école qui propose l'enseignement temporaire en milieu familial ou par une autre école, pendant la durée de l'admission, comme un élève régulier, par dérogation aux articles 252, 260/1 et 260/2, en fonction d'une éventuelle validation d'études. Le jeune doit satisfaire aux conditions d'admission pour la subdivision structurelle concernée que l'école concernée organise. ".
" Les jeunes qui résident dans une structure de type séjour sûr, visée à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ou dans le centre de détention flamand visé à l'article 41 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial pendant toute la durée de leur séjour dans la structure de type séjour sûr ou le centre de détention flamand. En complément à l'article 123, le jeune qui n'est plus inscrit dans une école et qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand remplit ainsi l'obligation scolaire.
Un jeune qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand et qui n'a plus d'inscription dans une école peut, avec l'accord des personnes concernées, être considéré par l'école qui propose l'enseignement temporaire en milieu familial ou par une autre école, pendant la durée de l'admission, comme un élève régulier, par dérogation aux articles 252, 260/1 et 260/2, en fonction d'une éventuelle validation d'études. Le jeune doit satisfaire aux conditions d'admission pour la subdivision structurelle concernée que l'école concernée organise. ".
Art.93. Aan artikel 123/21 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 27 april 2018, wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de school of het centrum een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan als vermeld in artikel 123/24/1 ontwikkelt, neemt de school het voormelde beleid op in haar beleid op leerlingenbegeleiding.".
"Als de school of het centrum een beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan als vermeld in artikel 123/24/1 ontwikkelt, neemt de school het voormelde beleid op in haar beleid op leerlingenbegeleiding.".
Art.93. A l'article 123/21 du même Code, inséré par le décret du 27 avril 2018, il est ajouté un alinéa 7, libellé comme suit :
" Si l'école ou le centre élabore une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive telle que visée à l'article 123/24/1, l'école intègre la politique précitée dans sa politique d'encadrement des élèves. ".
" Si l'école ou le centre élabore une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive telle que visée à l'article 123/24/1, l'école intègre la politique précitée dans sa politique d'encadrement des élèves. ".
Art.94. In artikel 123/22 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 27 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "personeel" en het woord "en" de zinsnede ", het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1, als de school of het centrum daar een beleid over ontwikkelt," ingevoegd;
2° aan het derde lid, 5°, wordt de zinsnede "met vermelding van het bevoegde personeel, vermeld in artikel 123/24/4, § 1, 3°, als er een beleid is voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1." toegevoegd.
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "personeel" en het woord "en" de zinsnede ", het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1, als de school of het centrum daar een beleid over ontwikkelt," ingevoegd;
2° aan het derde lid, 5°, wordt de zinsnede "met vermelding van het bevoegde personeel, vermeld in artikel 123/24/4, § 1, 3°, als er een beleid is voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1." toegevoegd.
Art.94. A l'article 123/22 du même Code, inséré par le décret du 27 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " , la politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1, lorsque l'école ou le centre élabore une politique en la matière, " est inséré entre le mot " enseignant " et le mot " et " ;
2° dans l'alinéa 3, 5°, le membre de phrase " , avec indication du personnel compétent, visé à l'article 123/24/4, § 1er, 3°, lorsqu'il y a une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1. " est ajouté.
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " , la politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1, lorsque l'école ou le centre élabore une politique en la matière, " est inséré entre le mot " enseignant " et le mot " et " ;
2° dans l'alinéa 3, 5°, le membre de phrase " , avec indication du personnel compétent, visé à l'article 123/24/4, § 1er, 3°, lorsqu'il y a une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1. " est ajouté.
Art.95. Aan deel III, titel II, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een hoofdstuk 11 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 11. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
"Hoofdstuk 11. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
Art.95. La partie III, titre II, du même Code, modifiée en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, est complétée par un chapitre 11, rédigé comme suit :
" Chapitre 11. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
" Chapitre 11. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
Art.96. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt aan hoofdstuk 11, toegevoegd bij artikel 95, een artikel 123/24/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 123/24/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 123/24/2 en 123/24/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een school inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.".
"Art. 123/24/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 123/24/2 en 123/24/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een school inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.".
Art.96. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, le chapitre 11, ajouté par l'article 95, est complété par un article 123/24/1, rédigé comme suit :
" Art. 123/24/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'école est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 123/24/2 et 123/24/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si une école estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si une école a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'école élabore une procédure de protection de l'élève concerné ou du groupe d'élèves concernés dans sa politique d'encadrement des élèves. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'école associe les élèves et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives pouvant être mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
" Art. 123/24/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'école est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 123/24/2 et 123/24/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si une école estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si une école a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'école élabore une procédure de protection de l'élève concerné ou du groupe d'élèves concernés dans sa politique d'encadrement des élèves. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'école associe les élèves et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives pouvant être mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
Art.97. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 11 een artikel 123/24/2 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 123/24/2. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
6° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
7° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 123/24/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 123/24/2. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
6° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
7° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 123/24/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.97. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, le même chapitre 11 est complété par un article 123/24/2, rédigé comme suit :
" Art. 123/24/2. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes, n'est possible que dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'élève et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'élève, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
6° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
7° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'article 123/24/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 123/24/2. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes, n'est possible que dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'élève et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'élève, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
6° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
7° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'article 123/24/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.98. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 11 een artikel 123/24/3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 123/24/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling en, als de leerling minderjarig is, zijn ouders, stemmen in, of wanneer de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
6° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 123/24/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling en, als de leerling minderjarig is, zijn ouders, stemmen in, of wanneer de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
6° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.98. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, le même chapitre 11 est complété par un article 123/24/3, rédigé comme suit :
" Art. 123/24/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'élève sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'élève et, si l'élève est mineur, ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'élève n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment. Les parents ou l'élève peuvent dans ce contexte impliquer le CLB ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'élève ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé à l'alinéa 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 123/24/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'élève sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'élève et, si l'élève est mineur, ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'élève n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment. Les parents ou l'élève peuvent dans ce contexte impliquer le CLB ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'élève ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé à l'alinéa 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.99. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 11 een artikel 123/24/4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 123/24/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 123/24/2 en 123/24/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
5° de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.
De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
"Art. 123/24/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 123/24/2 en 123/24/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
5° de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.
De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
Art.99. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, le même chapitre 11 est complété par un article 123/24/4, rédigé comme suit :
" Art. 123/24/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 123/24/2 et 123/24/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'élève est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'élève sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'élève peut contacter directement un membre du personnel de l'école. La possibilité est également prévue pour que l'élève puisse communiquer avec le membre du personnel.
L'école détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 123/24/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. 123/24/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 123/24/2 et 123/24/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'élève est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'élève sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'élève peut contacter directement un membre du personnel de l'école. La possibilité est également prévue pour que l'élève puisse communiquer avec le membre du personnel.
L'école détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 123/24/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
Art.100. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 11 een artikel 123/24/5 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 123/24/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 123/24/2 of 123/24/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
h) de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens, die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
2° op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 123/21, 123/22 en 123/24/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.
§ 3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.
Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De scholen of centra kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
"Art. 123/24/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 123/24/2 of 123/24/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
h) de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens, die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
2° op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 123/21, 123/22 en 123/24/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.
§ 3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.
Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De scholen of centra kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
Art.100. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, le même chapitre 11 est complété par un article 123/24/5, rédigé comme suit :
" Art. 123/24/5. § 1er. Dès la première fois où l'école a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 123/24/2 ou 123/24/3 pour un élève, l'école enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'élève ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'élève et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) le débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'élève et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des élèves : la sauvegarde des droits de l'élève ;
2° au niveau de l'école : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée aux articles 123/21, 123/22 et 123/24/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel, visés au paragraphe 1er.
L'autorité scolaire détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité scolaire prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'élève était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les écoles ou centres peuvent échanger entre eux les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention, et en vue de l'assurance qualité interne. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
" Art. 123/24/5. § 1er. Dès la première fois où l'école a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 123/24/2 ou 123/24/3 pour un élève, l'école enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'élève ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'élève et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) le débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'élève et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des élèves : la sauvegarde des droits de l'élève ;
2° au niveau de l'école : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée aux articles 123/21, 123/22 et 123/24/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel, visés au paragraphe 1er.
L'autorité scolaire détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité scolaire prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'élève était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les écoles ou centres peuvent échanger entre eux les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention, et en vue de l'assurance qualité interne. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
Art.101. In artikel 134/2 van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 7 juli en 14 juli 2023, worden tussen het eerste en het tweede lid twee nieuwe leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Bij de organisatie van een structuuronderdeel van de derde graad en uitsluitend voor die leerling die dreigt ongekwalificeerd uit te stromen én waarvoor de school reeds schoolinterne trajecten doorliep die niet het verhoopte resultaat hebben, kan in die uitzonderlijke gevallen voor het realiseren van een bijzonder kwalificerend onderwijstraject een school samenwerken met:
1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs of centra voor volwassenenonderwijs;
2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
Dat onderwijstraject is een individueel traject op basis van de onderwijsbehoeften van de leerling die worden vastgesteld door de klassenraad. De klassenraad kan een bijzonder kwalificerend onderwijstraject voorstellen, waarbij na akkoord van het CLB en na instemming van de ouders van de leerling, de school het traject uitwerkt met een of meerdere partners. Na aanvaarding door de samenwerkende partner van het traject wordt dit opgestart. Het onderwijstraject wordt op regelmatige tijdstippen door de klassenraad in samenspraak met de betrokken personen, het CLB en de partners van het samenwerkingsverband geëvalueerd en indien nodig bijgestuurd.".
"Bij de organisatie van een structuuronderdeel van de derde graad en uitsluitend voor die leerling die dreigt ongekwalificeerd uit te stromen én waarvoor de school reeds schoolinterne trajecten doorliep die niet het verhoopte resultaat hebben, kan in die uitzonderlijke gevallen voor het realiseren van een bijzonder kwalificerend onderwijstraject een school samenwerken met:
1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs of centra voor volwassenenonderwijs;
2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
Dat onderwijstraject is een individueel traject op basis van de onderwijsbehoeften van de leerling die worden vastgesteld door de klassenraad. De klassenraad kan een bijzonder kwalificerend onderwijstraject voorstellen, waarbij na akkoord van het CLB en na instemming van de ouders van de leerling, de school het traject uitwerkt met een of meerdere partners. Na aanvaarding door de samenwerkende partner van het traject wordt dit opgestart. Het onderwijstraject wordt op regelmatige tijdstippen door de klassenraad in samenspraak met de betrokken personen, het CLB en de partners van het samenwerkingsverband geëvalueerd en indien nodig bijgestuurd.".
Art.101. Dans l'article 134/2 du Code de l'enseignement secondaire, modifié par les décrets des 7 juillet et 14 juillet 2023, deux nouveaux alinéas sont insérés entre les alinéas 1er et 2, rédigés comme suit :
" Lors de l'organisation d'une subdivision structurelle du troisième degré, et uniquement pour l'élève qui risque de quitter l'école sans qualification et pour lequel l'école a déjà suivi des parcours internes qui n'ont pas donné le résultat escompté, une école peut, dans ces cas exceptionnels, afin de réaliser un parcours d'enseignement qualifiant particulier, collaborer avec :
1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire ou un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ;
2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
Ce parcours d'enseignement est un parcours d'enseignement individuel sur base des besoins éducatifs de l'élève qui sont fixés par le conseil de classe. Le conseil de classe peut proposer un parcours éducatif qualifiant particulier, dans le cadre duquel, après accord du CLB et après accord des parents de l'élève, l'école élabore le parcours avec un ou plusieurs partenaires. Après acceptation par le partenaire de coopération du parcours, celui-ci est entamé. Le parcours d'enseignement sera évalué, et si nécessaire adapté, à intervalles réguliers par le conseil de classe en concertation avec les personnes concernées, le CLB et les partenaires de la structure de coopération. ".
" Lors de l'organisation d'une subdivision structurelle du troisième degré, et uniquement pour l'élève qui risque de quitter l'école sans qualification et pour lequel l'école a déjà suivi des parcours internes qui n'ont pas donné le résultat escompté, une école peut, dans ces cas exceptionnels, afin de réaliser un parcours d'enseignement qualifiant particulier, collaborer avec :
1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire ou un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ;
2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
Ce parcours d'enseignement est un parcours d'enseignement individuel sur base des besoins éducatifs de l'élève qui sont fixés par le conseil de classe. Le conseil de classe peut proposer un parcours éducatif qualifiant particulier, dans le cadre duquel, après accord du CLB et après accord des parents de l'élève, l'école élabore le parcours avec un ou plusieurs partenaires. Après acceptation par le partenaire de coopération du parcours, celui-ci est entamé. Le parcours d'enseignement sera évalué, et si nécessaire adapté, à intervalles réguliers par le conseil de classe en concertation avec les personnes concernées, le CLB et les partenaires de la structure de coopération. ".
Art.102. Aan artikel 135 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Voor de organisatie van het onthaaljaar, vermeld in paragraaf 1, kan een school voor leerlingen die ten minste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, samenwerken met een of meer centra voor volwassenenonderwijs en centra voor basiseducatie.
Bij de samenwerking, vermeld in het eerste lid, is de school altijd verantwoordelijk voor de coördinatie. Uitsluitend de school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het onthaaljaar, het uitwerken per leerling van een individueel leertraject als vermeld in artikel 147/4, de programmatie van het onthaaljaar, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van de financiering of subsidiëring zijn de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing op de school.
De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen:
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de invulling van de samenwerking;
3° de looptijd van de samenwerking;
4° de afspraken over de opvolging van de leerlingen en de kwaliteitszorg;
5° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
De school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een centrum voor volwassenenonderwijs of een centrum voor basiseducatie waarmee wordt samengewerkt.
Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor volwassenenonderwijs wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 40 leraarsuren.
Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor basiseducatie wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 0,05 VTE.".
" § 2. Voor de organisatie van het onthaaljaar, vermeld in paragraaf 1, kan een school voor leerlingen die ten minste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, samenwerken met een of meer centra voor volwassenenonderwijs en centra voor basiseducatie.
Bij de samenwerking, vermeld in het eerste lid, is de school altijd verantwoordelijk voor de coördinatie. Uitsluitend de school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het onthaaljaar, het uitwerken per leerling van een individueel leertraject als vermeld in artikel 147/4, de programmatie van het onthaaljaar, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van de financiering of subsidiëring zijn de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing op de school.
De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen:
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de invulling van de samenwerking;
3° de looptijd van de samenwerking;
4° de afspraken over de opvolging van de leerlingen en de kwaliteitszorg;
5° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
De school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een centrum voor volwassenenonderwijs of een centrum voor basiseducatie waarmee wordt samengewerkt.
Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor volwassenenonderwijs wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 40 leraarsuren.
Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor basiseducatie wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 0,05 VTE.".
Art.102. L'article 135 du même Code, modifié par le décret du 1er juillet 2011, dont le texte existant constituera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour l'organisation de l'année d'accueil visée au paragraphe 1er, une école peut, pour les élèves ayant au moins atteint l'âge de 16 ans, coopérer avec un ou plusieurs centres d'éducation des adultes et centres d'éducation de base.
Au sein de la structure de coopération, visée à l'alinéa 1er, l'école est toujours responsable de la coordination. Seule l'école est compétente et responsable de l'inscription des élèves à l'année d'accueil, de l'élaboration pour chaque élève d'un parcours d'apprentissage individualisé tel que visé à l'article 147/4, de la programmation de l'année d'accueil, de la validation des études et de la gestion de la qualité. Pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquent uniquement à l'école.
La coopération est coulée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
1° les partenaires avec qui on coopère ;
2° la concrétisation de la coopération ;
3° la durée de la coopération ;
4° les arrangements pris au sujet du suivi des élèves et de la gestion de la qualité ;
5° les arrangements pris sur l'affectation du personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération ;
L'école peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un centre d'éducation des adultes ou à un centre d'éducation de base avec lequel une coopération a été mise sur pied.
Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation des adultes, chaque période-professeur transférée est convertie en 40 heures d'enseignant.
Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation de base, chaque période-professeur transférée est convertie en 0,05 ETP. ".
" § 2. Pour l'organisation de l'année d'accueil visée au paragraphe 1er, une école peut, pour les élèves ayant au moins atteint l'âge de 16 ans, coopérer avec un ou plusieurs centres d'éducation des adultes et centres d'éducation de base.
Au sein de la structure de coopération, visée à l'alinéa 1er, l'école est toujours responsable de la coordination. Seule l'école est compétente et responsable de l'inscription des élèves à l'année d'accueil, de l'élaboration pour chaque élève d'un parcours d'apprentissage individualisé tel que visé à l'article 147/4, de la programmation de l'année d'accueil, de la validation des études et de la gestion de la qualité. Pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquent uniquement à l'école.
La coopération est coulée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
1° les partenaires avec qui on coopère ;
2° la concrétisation de la coopération ;
3° la durée de la coopération ;
4° les arrangements pris au sujet du suivi des élèves et de la gestion de la qualité ;
5° les arrangements pris sur l'affectation du personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération ;
L'école peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un centre d'éducation des adultes ou à un centre d'éducation de base avec lequel une coopération a été mise sur pied.
Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation des adultes, chaque période-professeur transférée est convertie en 40 heures d'enseignant.
Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation de base, chaque période-professeur transférée est convertie en 0,05 ETP. ".
Art.103. In artikel 177 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 7 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het eerste lid worden een punt 10° tot en met 14° toegevoegd, die luiden als volgt:
"10° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel bijzondere wetenschappelijke vorming in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
11° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding als de school al de derde graad van de arbeidsmarktfinaliteit organiseert;
12° een niet-niche structuuronderdeel van het studiedomein kunst en creatie in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al het studiedomein kunst en creatie in de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
13° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
14° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert.";
2° in het tweede lid wordt de zin "Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar." vervangen door de zin "Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend.";
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking:
1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie vrij;
2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat;
3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing.".
1° aan het eerste lid worden een punt 10° tot en met 14° toegevoegd, die luiden als volgt:
"10° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel bijzondere wetenschappelijke vorming in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
11° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding als de school al de derde graad van de arbeidsmarktfinaliteit organiseert;
12° een niet-niche structuuronderdeel van het studiedomein kunst en creatie in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al het studiedomein kunst en creatie in de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
13° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
14° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert.";
2° in het tweede lid wordt de zin "Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar." vervangen door de zin "Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend.";
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking:
1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie vrij;
2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat;
3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing.".
Art.103. A l'article 177 du même Code, remplacé par le décret du 7 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier sont ajoutés des points 10° à 14°, rédigés comme suit :
" 10° la subdivision structurelle transversale 'bijzondere wetenschappelijke vorming' dans la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
11° la subdivision structurelle transversale de la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur qui conduit à un diplôme donnant accès à une formation de bachelor si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité marché du travail ;
12° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche du domaine d'études art et création de la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur si l'école organise déjà le domaine d'études art et création dans le troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
13° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 4 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ;
14° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 3 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail. " ;
2° dans l'alinéa 2, la phrase " L'autorité scolaire communique la programmation par écrit aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente. " est remplacée par la phrase " L'autorité scolaire communique la programmation par écrit aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui commence le 1er février qui suit. " ;
3° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Lorsque la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, le Gouvernement flamand peut déroger aux délais visés dans le présent article. Moyennant dérogation accordée :
1° la programmation reste libre, aux conditions du présent article ;
2° la programmation peut uniquement porter sur les subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernées par la situation de force majeure ;
3° la norme minimale visée à l'article 179 ne s'applique pas. ".
1° à l'alinéa premier sont ajoutés des points 10° à 14°, rédigés comme suit :
" 10° la subdivision structurelle transversale 'bijzondere wetenschappelijke vorming' dans la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
11° la subdivision structurelle transversale de la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur qui conduit à un diplôme donnant accès à une formation de bachelor si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité marché du travail ;
12° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche du domaine d'études art et création de la 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur si l'école organise déjà le domaine d'études art et création dans le troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
13° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 4 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ;
14° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 3 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail. " ;
2° dans l'alinéa 2, la phrase " L'autorité scolaire communique la programmation par écrit aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente. " est remplacée par la phrase " L'autorité scolaire communique la programmation par écrit aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui commence le 1er février qui suit. " ;
3° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Lorsque la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, le Gouvernement flamand peut déroger aux délais visés dans le présent article. Moyennant dérogation accordée :
1° la programmation reste libre, aux conditions du présent article ;
2° la programmation peut uniquement porter sur les subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernées par la situation de force majeure ;
3° la norme minimale visée à l'article 179 ne s'applique pas. ".
Art.104. Artikel 178 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 7 juli 2023, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 178. Met behoud van de toepassing van artikel 176 vraagt het schoolbestuur de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt, bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aan uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde aanvraagtermijnen gelden als vervaltermijnen.
In het derde leerjaar van de derde graad wordt onder "de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt" als vermeld in het eerste lid, uitsluitend verstaan:
1° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
2° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert.
De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vijfde lid, 1° tot en met 8°. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties:
1° de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse Onderwijsraad;
3° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het vierde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria:
1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
2° de eventuele opheffing van een of meer bestaande structuuronderdelen die gelijktijdig met de programmatie doorgevoerd worden;
3° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
4° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
5° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap;
6° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:
a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters binnen en buiten de betrokken scholengemeenschap zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod;
8° in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32.
De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 15 december van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde beslissingstermijnen gelden als ordetermijnen.
Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking:
1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie afhankelijk van een beslissing van de Vlaamse Regering;
2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat;
3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing.".
"Art. 178. Met behoud van de toepassing van artikel 176 vraagt het schoolbestuur de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt, bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aan uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde aanvraagtermijnen gelden als vervaltermijnen.
In het derde leerjaar van de derde graad wordt onder "de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt" als vermeld in het eerste lid, uitsluitend verstaan:
1° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
2° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert.
De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vijfde lid, 1° tot en met 8°. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties:
1° de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse Onderwijsraad;
3° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het vierde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria:
1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
2° de eventuele opheffing van een of meer bestaande structuuronderdelen die gelijktijdig met de programmatie doorgevoerd worden;
3° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
4° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
5° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap;
6° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:
a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters binnen en buiten de betrokken scholengemeenschap zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod;
8° in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32.
De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 15 december van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde beslissingstermijnen gelden als ordetermijnen.
Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking:
1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie afhankelijk van een beslissing van de Vlaamse Regering;
2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat;
3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing.".
Art.104. L'article 178 du même Code, remplacé par le décret du 7 juillet 2023, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 178. Sans préjudice de l'application de l'article 176, l'autorité scolaire demande par écrit aux services compétents de la Communauté flamande la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177, en motivant sa demande, au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente, et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les périodes de demande susvisées valent délais d'échéance.
Dans la troisième année d'études du troisième degré, on entend exclusivement par " la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177 " telle que visée dans l'alinéa 1er :
1° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 4 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ;
2° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 3 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail.
La motivation de la demande, visée à l'alinéa 1er, tient en tout cas compte des critères visés à l'alinéa 5, 1° à 8°. La demande précitée doit être accompagnée des documents suivants :
1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
2° si l'école fait partie d'un centre d'enseignement : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.
Le Gouvernement flamand décide de la programmation après l'avis des instances suivantes :
1° l'inspection de l'enseignement et les services compétents de la Communauté flamande ;
2° le Conseil flamand de l'enseignement ;
3° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité marché du travail : le Conseil socio-économique de la Flandre.
En prenant sa décision, visée à l'alinéa 4, le Gouvernement flamand tient compte des critères cumulatifs suivants :
1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la subdivision structurelle ;
2° la suppression éventuelle d'une ou plusieurs subdivisions structurelles existantes mises en oeuvre en même temps que la programmation ;
3° les besoins quantitatifs et qualitatifs en termes d'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de la poursuite des études ou de l'entrée sur le marché du travail ;
4° la liberté de choix des parents et des élèves ;
5° la continuité des études des élèves au sein de l'école ou du centre d'enseignement ;
6° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité insertion sur le marché de l'emploi :
a) les préparatifs effectués en termes d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la subdivision structurelle programmée ;
b) les possibilités de coopération démontrables avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et des entreprises ;
7° les accords conclus avec d'autres dispensateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement concerné sur une offre d'études rationnelle et transparente ;
8° dans le cas d'une subdivision structurelle duale : la coordination au sein du forum de concertation, visé à l'article 357/32.
Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente et au plus tard le 15 décembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les délais de décision précités valent délais d'ordre.
Lorsque la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, le Gouvernement flamand peut déroger aux délais visés dans le présent article. Moyennant dérogation accordée :
1° la programmation reste dépendante d'une décision du Gouvernement flamand, aux conditions du présent article ;
2° la programmation peut uniquement porter sur les subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernées par la situation de force majeure ;
3° la norme minimale visée à l'article 179 ne s'applique pas. ".
" Art. 178. Sans préjudice de l'application de l'article 176, l'autorité scolaire demande par écrit aux services compétents de la Communauté flamande la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177, en motivant sa demande, au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente, et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les périodes de demande susvisées valent délais d'échéance.
Dans la troisième année d'études du troisième degré, on entend exclusivement par " la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177 " telle que visée dans l'alinéa 1er :
1° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 4 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ;
2° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 3 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail.
La motivation de la demande, visée à l'alinéa 1er, tient en tout cas compte des critères visés à l'alinéa 5, 1° à 8°. La demande précitée doit être accompagnée des documents suivants :
1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
2° si l'école fait partie d'un centre d'enseignement : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.
Le Gouvernement flamand décide de la programmation après l'avis des instances suivantes :
1° l'inspection de l'enseignement et les services compétents de la Communauté flamande ;
2° le Conseil flamand de l'enseignement ;
3° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité marché du travail : le Conseil socio-économique de la Flandre.
En prenant sa décision, visée à l'alinéa 4, le Gouvernement flamand tient compte des critères cumulatifs suivants :
1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la subdivision structurelle ;
2° la suppression éventuelle d'une ou plusieurs subdivisions structurelles existantes mises en oeuvre en même temps que la programmation ;
3° les besoins quantitatifs et qualitatifs en termes d'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de la poursuite des études ou de l'entrée sur le marché du travail ;
4° la liberté de choix des parents et des élèves ;
5° la continuité des études des élèves au sein de l'école ou du centre d'enseignement ;
6° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité insertion sur le marché de l'emploi :
a) les préparatifs effectués en termes d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la subdivision structurelle programmée ;
b) les possibilités de coopération démontrables avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et des entreprises ;
7° les accords conclus avec d'autres dispensateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement concerné sur une offre d'études rationnelle et transparente ;
8° dans le cas d'une subdivision structurelle duale : la coordination au sein du forum de concertation, visé à l'article 357/32.
Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente et au plus tard le 15 décembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les délais de décision précités valent délais d'ordre.
Lorsque la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, le Gouvernement flamand peut déroger aux délais visés dans le présent article. Moyennant dérogation accordée :
1° la programmation reste dépendante d'une décision du Gouvernement flamand, aux conditions du présent article ;
2° la programmation peut uniquement porter sur les subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernées par la situation de force majeure ;
3° la norme minimale visée à l'article 179 ne s'applique pas. ".
Art.105. Artikel 179/1 en 179/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013 en vervangen bij het decreet van 7 juli 2023, worden opgeheven.
Art.105. Les articles 179/1 et 179/2 du même Code, insérés par le décret du 19 juillet 2013 et remplacés par le décret du 7 juillet 2023, sont abrogés.
Art.106. In artikel 196 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "zeevisserijonderwijs" vervangen door de woorden "maritiem onderwijs";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist als de school de enige is die in het onderwijsnet in kwestie maritiem onderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar maritiem onderwijs gerichte structuuronderdelen natuurwetenschappen (tweede graad aso) en wetenschappen-wiskunde (derde graad aso) organiseert.".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "zeevisserijonderwijs" vervangen door de woorden "maritiem onderwijs";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist als de school de enige is die in het onderwijsnet in kwestie maritiem onderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar maritiem onderwijs gerichte structuuronderdelen natuurwetenschappen (tweede graad aso) en wetenschappen-wiskunde (derde graad aso) organiseert.".
Art.106. A l'article 196 du même Code, modifié par le décret du 19 juin 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " un enseignement de la pêche maritime " sont remplacés par les mots " un enseignement maritime " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les normes de rationalisation visées au paragraphe 1er ne sont pas requises si l'école est la seule à organiser dans le réseau d'enseignement concerné un enseignement maritime et, éventuellement, des subdivisions structurelles " natuurwetenschappen " (deuxième degré ESG) et " wetenschappen-wiskunde " (troisième degré ESG), axées sur l'enseignement maritime. ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " un enseignement de la pêche maritime " sont remplacés par les mots " un enseignement maritime " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les normes de rationalisation visées au paragraphe 1er ne sont pas requises si l'école est la seule à organiser dans le réseau d'enseignement concerné un enseignement maritime et, éventuellement, des subdivisions structurelles " natuurwetenschappen " (deuxième degré ESG) et " wetenschappen-wiskunde " (troisième degré ESG), axées sur l'enseignement maritime. ".
Art.107. Aan artikel 225, § 2, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17° /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
"Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17° /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
Art.107. L'article 225, § 2, du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, est complété par un alinéa 4 et un alinéa 5, rédigés comme suit :
" Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
" Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
Art.108. Aan artikel 233, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011 en 8 juli 2022, worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17° /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
"Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17° /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17° /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.".
Art.108. L'article 233, § 2, du même Code, modifié en dernier lieu par les décrets des 1er juillet 2011 et 8 juillet 2022, est complété par un alinéa 4 et un alinéa 5, rédigés comme suit :
" Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
" Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans. ".
Art.109. In artikel 251/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 249," vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 249, 48/2 of 48/3,".
Art.109. Dans l'article 251/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " visé à l'article 249, " est remplacé par le membre de phrase visé à l'article 249, 48/2 ou 48/3, ".
Art.110. In artikel 251/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "uitgekeerd door de VDAB" en de woorden "of ten laste van subsidies" de zinsnede ", ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie" ingevoegd.
Art.110. Dans l'article 251/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou à charge des subventions ".
Art.111. Aan artikel 253/17, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de decreten van 4 februari 2022 en 7 juli 2023, wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
Art.111. Dans l'article 253/17, § 2, du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par les décrets des 4 février 2022 et 7 juillet 2023, il est inséré un alinéa 10, rédigé comme suit :
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
Art.112. In artikel 253/22, derde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019, wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a) het LOP als de school of het centrum in een gemeente ligt die behoort tot het werkingsgebied van een LOP of als de school of het centrum het meedelen van de weigeringen gemandateerd heeft aan het LOP;".
"a) het LOP als de school of het centrum in een gemeente ligt die behoort tot het werkingsgebied van een LOP of als de school of het centrum het meedelen van de weigeringen gemandateerd heeft aan het LOP;".
Art.112. Dans l'article 253/22, alinéa 3, du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) à la LOP dans le cas où l'école ou le centre sont situés dans une commune qui relève de la zone d'action d'une LOP ou dans le cas où la LOP a été mandatée par l'école ou le centre pour la communication des refus ; ".
" a) à la LOP dans le cas où l'école ou le centre sont situés dans une commune qui relève de la zone d'action d'une LOP ou dans le cas où la LOP a été mandatée par l'école ou le centre pour la communication des refus ; ".
Art.113. In artikel 253/26 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd, of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd, of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, wordt tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de zinsnede ", het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
Art.113. A l'article 253/26 du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du 4 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants : " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants : " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " est inséré entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
Art.114. Aan artikel 253/48, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de decreten van 18 februari 2022 en 7 juli 2023, wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
"Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.".
Art.114. Dans l'article 253/48, § 2, du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par les décrets des 18 février 2022 et 7 juillet 2023, il est inséré un alinéa 10, rédigé comme suit :
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
" Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ".
Art.115. In artikel 253/54, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019, wordt tussen het woord "gerespecteerd" en de woorden "en dit tot en met de vijfde schooldag" de zinsnede ", ook rekening houdend met het aandeel zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 253/53, van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is zoals bepaald in artikel 253/44," ingevoegd.
Art.115. Dans l'article 253/54, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019, le membre de phrase " , en tenant également compte de la part fixée au paragraphe 2 de l'article 253/53 d'élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé à l'article 253/44, " est inséré entre le mot " inscriptions " et le membre de phrase " et ce, jusqu'au cinquième jour de classe ".
Art.116. In artikel 253/57 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het decreet van 18 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, worden tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de woorden "of het schoolbestuur dat daartoe gemandateerd is of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee" vervangen door de zinsnede "Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
"Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:";
3° in paragraaf 2, derde lid, worden tussen de woorden "deelt het schoolbestuur" en het woord "mee" de woorden "of het schoolbestuur dat daartoe gemandateerd is of het gemandateerde LOP" ingevoegd.
Art.116. A l'article 253/57 du même Code, inséré par le décret du 17 mai 2019 et modifié par le décret du vendredi 18 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants : " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots " ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " sont insérés entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " Une autorité scolaire, ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, qui refuse un élève, communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " est remplacé par le membre de phrase " Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
" Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants : " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots " ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée " sont insérés entre les mots " l'autorité scolaire " et le mot " communique ".
Art.117. Aan artikel 292, 2°, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014 en 17 juni 2016, wordt de zinsnede "In afwijking van het voormelde is het gemotiveerde advies niet nodig voor de toelating tot het eerste leerjaar B van opleidingsvorm 4" toegevoegd.
Art.117. Dans l'article 292, 2°, du même Code, modifié par les décrets des 21 mars 2014 et 17 juin 2016, le membre de phrase " Par dérogation à ce qui précède, l'avis motivé n'est pas nécessaire pour l'admission en première année B de la forme d'enseignement 4 " est ajouté.
Art.118. In artikel 332/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "uitgekeerd door de VDAB" en de woorden "of ten laste van subsidies" de zinsnede ", ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie" ingevoegd.
Art.118. Dans l'article 332/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou à charge des subventions ".
Art.119. In artikel 336 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing:
" § 3. De opleidingsprofielen, die voor elke opleiding van opleidingsvorm 3 de generieke en beroepsspecifieke competenties en de algemene vorming vastleggen, worden onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ontwikkeld in overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake:
1° de organisatie van opleidingsvorm 3;
2° de opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3;
3° de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een opleidingsprofiel moet omvatten en de procedure voor indiening en goedkeuring van een opleidingsprofiel.";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "en 3" opgeheven.
1° paragraaf 3 wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing:
" § 3. De opleidingsprofielen, die voor elke opleiding van opleidingsvorm 3 de generieke en beroepsspecifieke competenties en de algemene vorming vastleggen, worden onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ontwikkeld in overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake:
1° de organisatie van opleidingsvorm 3;
2° de opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3;
3° de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een opleidingsprofiel moet omvatten en de procedure voor indiening en goedkeuring van een opleidingsprofiel.";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "en 3" opgeheven.
Art.119. A l'article 336 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est rétabli dans la rédaction suivante :
" § 3. Les profils de formation, qui fixent, pour toute formation de la forme d'enseignement 3, les compétences génériques et professionnelles et la formation générale, sont élaborés sous la coordination des services compétents de la Communauté flamande en concertation avec l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires de l'enseignement subventionné et soumis à l'approbation du Gouvernement flamand. " ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les règles additionnelles concernant :
1° l'organisation de la forme d'enseignement 3 ;
2° les formations qui peuvent être organisées dans la forme d'enseignement 3 ;
3° les éléments organisationnels, de contenu et de forme qu'un profil de formation doit impérativement comprendre et la procédure d'introduction et d'approbation d'un profil de formation. " ;
3° dans le paragraphe 5, les mots " aux paragraphes 2 et 3 " sont remplacés par les mots " au paragraphe 2 ".
1° le paragraphe 3 est rétabli dans la rédaction suivante :
" § 3. Les profils de formation, qui fixent, pour toute formation de la forme d'enseignement 3, les compétences génériques et professionnelles et la formation générale, sont élaborés sous la coordination des services compétents de la Communauté flamande en concertation avec l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires de l'enseignement subventionné et soumis à l'approbation du Gouvernement flamand. " ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les règles additionnelles concernant :
1° l'organisation de la forme d'enseignement 3 ;
2° les formations qui peuvent être organisées dans la forme d'enseignement 3 ;
3° les éléments organisationnels, de contenu et de forme qu'un profil de formation doit impérativement comprendre et la procédure d'introduction et d'approbation d'un profil de formation. " ;
3° dans le paragraphe 5, les mots " aux paragraphes 2 et 3 " sont remplacés par les mots " au paragraphe 2 ".
Art.120. In artikel 357/8 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en vervangen bij het decreet van 7 juli 2023, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art.120. Dans l'article 357/8 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et remplacé par le décret du 7 juillet 2023, le paragraphe 2 est abrogé.
Art.121. Artikel 357/16 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2022, wordt opgeheven.
Art.121. L'article 357/16 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par le décret du 10 juin 2022, est abrogé.
Art.122. Aan artikel 357/25 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en vervangen bij het decreet van 10 juni 2022, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.".
"Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.".
Art.122. L'article 357/25, § 2, du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et remplacé par le décret du 10 juin 2022, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises. ".
" L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises. ".
Art.123. In artikel 357/29, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018, worden de woorden "per leerling" opgeheven.
Art.123. Dans l'article 357/29, alinéa 1er, du même Code, inséré par le décret du 30 novembre 2018, les mots " par élève " sont abrogés.
Art.124. Artikel 357/45 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij de decreten van 15 juni 2018 en 8 juli 2022, wordt opgeheven.
Art.124. L'article 357/45 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par les décrets des 15 juin 2018 et 8 juillet 2022, est abrogé.
Art.125. In artikel 357/50 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2022, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art.125. Dans l'article 357/50 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par le décret du 10 juin 2022, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art.126. Aan artikel 357/52 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2022, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.".
"Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.".
Art.126. L'article 357/52 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par le décret du 10 juin 2022, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises. ".
" L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises. ".
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013
CHAPITRE 14. - Modifications du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013
Art.128. In artikel I.2, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 2018 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "II.208, II.209, II.210," opgeheven;
2° aan het tweede lid wordt de zinsnede "en Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.)" toegevoegd.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "II.208, II.209, II.210," opgeheven;
2° aan het tweede lid wordt de zinsnede "en Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.)" toegevoegd.
Art.128. A l'article I.2, § 2 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, modifié par les décrets des 18 mai 2018 et 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " II.208, II.209, II.210, " est abrogé ;
2° le membre de phrase " et Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) " est ajouté à l'alinéa 2.
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " II.208, II.209, II.210, " est abrogé ;
2° le membre de phrase " et Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) " est ajouté à l'alinéa 2.
Art.129. In artikel I.3 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2023, wordt een punt 40° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"40° /1 masterpraktijkproef: een masterproef in het verkorte traject of consecutieve traject van een educatieve masteropleiding die een meerwaarde is voor de klas- en onderwijspraktijk;".
"40° /1 masterpraktijkproef: een masterproef in het verkorte traject of consecutieve traject van een educatieve masteropleiding die een meerwaarde is voor de klas- en onderwijspraktijk;".
Art.129. Dans l'article I.3 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 8 décembre 2023, il est inséré un point 40° /1, rédigé comme suit :
" 40° /1 épreuve pratique de master : une thèse de master dans le parcours raccourci ou le parcours consécutif d'une formation de master en sciences de l'éducation qui représente une valeur ajoutée pour la pratique de classe et d'enseignement ; ".
" 40° /1 épreuve pratique de master : une thèse de master dans le parcours raccourci ou le parcours consécutif d'une formation de master en sciences de l'éducation qui représente une valeur ajoutée pour la pratique de classe et d'enseignement ; ".
Art.130. Aan artikel II.1 van dezelfde codex wordt de zinsnede "en Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), vermeld in artikel III.119/1" toegevoegd.
Art.130. Dans l'article II.1 du même Code, le membre de phrase " et Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), visé à l'article III.119/1 " est ajouté.
Art.131. In artikel II.31, 1°, l), van dezelfde codex worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.131. Dans l'article II.31, 1°, l), du même Code, les mots " "Evangelische Theologische Faculteit" de Louvain " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.132. In artikel II.41 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, wordt tussen de zinsnede "door 2" en het woord "leden" het woord "stemgerechtigde" ingevoegd;
2° in het eerste lid, 2°, wordt tussen de zinsnede "door 1" en het woord "lid" het woord "stemgerecht" ingevoegd;
3° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De universiteiten kunnen beslissen om de Raad uit te breiden met niet-stemgerechtigde leden.";
4° het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Het mandaat van de stemgerechtigde en niet-stemgerechtigde leden eindigt door de herroeping van hun voordracht door de instelling die zij vertegenwoordigen.".
1° in het eerste lid, 1°, wordt tussen de zinsnede "door 2" en het woord "leden" het woord "stemgerechtigde" ingevoegd;
2° in het eerste lid, 2°, wordt tussen de zinsnede "door 1" en het woord "lid" het woord "stemgerecht" ingevoegd;
3° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De universiteiten kunnen beslissen om de Raad uit te breiden met niet-stemgerechtigde leden.";
4° het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Het mandaat van de stemgerechtigde en niet-stemgerechtigde leden eindigt door de herroeping van hun voordracht door de instelling die zij vertegenwoordigen.".
Art.132. A l'article II.41 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " ayant droit de vote " sont insérés après le membre de phrase " 2 membres " ;
2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots " ayant droit de vote " sont insérés après le mot " membre " ;
3° il est inséré, entre les premier et deuxième alinéas, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Les universités peuvent décider d'étendre le Conseil à des membres n'ayant pas droit de vote. " ;
4° l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Le mandat des membres ayant droit de vote et des membres n'ayant pas droit de vote se termine par le retrait de leur désignation par l'institution qu'ils représentent. ".
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " ayant droit de vote " sont insérés après le membre de phrase " 2 membres " ;
2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots " ayant droit de vote " sont insérés après le mot " membre " ;
3° il est inséré, entre les premier et deuxième alinéas, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Les universités peuvent décider d'étendre le Conseil à des membres n'ayant pas droit de vote. " ;
4° l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Le mandat des membres ayant droit de vote et des membres n'ayant pas droit de vote se termine par le retrait de leur désignation par l'institution qu'ils représentent. ".
Art.133. In artikel II.42 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"In de schoot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kiezen de leden, voor de duur van 2 jaar, onder de leden-rectoren één voorzitter en één ondervoorzitter.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"In de schoot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kiezen de leden, voor de duur van 2 jaar, onder de leden-rectoren één voorzitter en één ondervoorzitter.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.133. A l'article II.42 du même Code, modifié par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Au sein du 'Vlaamse Interuniversitaire Raad' (Conseil interuniversitaire flamand), les membres choisissent un président et un vice-président parmi les membres recteurs pour une durée de 2 ans. " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Au sein du 'Vlaamse Interuniversitaire Raad' (Conseil interuniversitaire flamand), les membres choisissent un président et un vice-président parmi les membres recteurs pour une durée de 2 ans. " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.134. In artikel II.43, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het getal "5" wordt vervangen door het getal "4";
2° het getal "8" wordt vervangen door het getal "5";
3° tussen de zinsnede "ten minste 6" en het woord "leden" wordt het woord "stemgerechtigde" ingevoegd.
1° het getal "5" wordt vervangen door het getal "4";
2° het getal "8" wordt vervangen door het getal "5";
3° tussen de zinsnede "ten minste 6" en het woord "leden" wordt het woord "stemgerechtigde" ingevoegd.
Art.134. A l'article II.43, alinéa 1er, du même Code, modifié par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le nombre " 5 " est remplacé par le nombre " 4 " ;
2° le nombre " 8 " est remplacé par le nombre " 5 " ;
3° les mots " ayant droit de vote " sont ajoutés après le membre de phrase " au moins 6 membres ".
1° le nombre " 5 " est remplacé par le nombre " 4 " ;
2° le nombre " 8 " est remplacé par le nombre " 5 " ;
3° les mots " ayant droit de vote " sont ajoutés après le membre de phrase " au moins 6 membres ".
Art.135. In artikel II.45 van dezelfde codex wordt de laatste zin opgeheven.
Art.135. Dans l'article II.45 du même Code, la dernière phrase est abrogée.
Art.136. In artikel II.46, § 1, van dezelfde codex worden het tweede en derde lid opgeheven.
Art.136. Dans l'article II.46, § 1er, du même Code, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art.137. In artikel II.105 van dezelfde codex worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.137. Dans l'article II.105, du même Code, les mots " "Evangelische Theologische Faculteit" de Louvain " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.138. In artikel II.109 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.138. Dans l'article II.109 du même Code, remplacé par le décret du 4 mai 2018 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.139. In artikel II.110 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.139. Dans l'article II.110 du même Code, remplacé par le décret du 4 mai 2018 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.140. In artikel II.114, § 7, van dezelfde codex, toegevoegd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.140. Dans l'article II.114, § 7, du même Code, ajouté par le décret du 3 juillet 2020, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.141. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, wordt een artikel II.114/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. II.114/1. Vanaf het academiejaar 2025-2026 kan een masteropleiding voor basisonderwijs aangeboden worden, die gericht is op het lesgeven in het basisonderwijs en op het uitbouwen van wetenschappelijke expertise die kan worden ingezet in het basisonderwijs ter versterking van de eigen klaspraktijk, het schoolbeleid en de schoolontwikkeling.
In toepassing van artikel II.68 worden de domeinspecifieke leerresultaten van deze opleiding gezamenlijk opgesteld door de betrokken universiteiten en hogescholen en gevalideerd door de accreditatieorganisatie.
In afwijking van artikel II.59 en II.71 wordt de masteropleiding voor basisonderwijs gezamenlijk aangeboden door een universiteit en een of meer hogescholen.
De betrokken universiteit reikt het diploma en de graad van master uit in het studiegebied psychologie en pedagogische wetenschappen en in het studiegebied onderwijs. De betrokken hogeronderwijsinstellingen vragen hiervoor gezamenlijk een `toets nieuwe opleiding' aan bij de accreditatieorganisatie volgens de procedure, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1. De accreditatieorganisatie gaat na of er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking tussen de hogescholen en de universiteiten. De accreditatieorganisatie kan enkel een positief accreditatiebesluit verlenen als er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking. Een tweede voorwaarde is een ruime betrokkenheid van het afnemend veld bij de opmaak van het curriculum. De bepalingen in artikel II.153, § 2 tot en met § 6, zijn niet van toepassing op de masteropleiding voor basisonderwijs.
De Vlaamse Regering kan maximaal vijf masteropleidingen voor basisonderwijs erkennen. Elke opleiding kan op slechts één vestiging worden aangeboden én in West-Vlaanderen voor de universiteiten die daar een vestigingsplaats hebben. Bovendien hebben de hogeronderwijsinstellingen de mogelijkheid om maximaal een derde van de studiepunten van de masteropleiding in co-creatie te organiseren op de vestigingsplaatsen van de hogescholen waarmee de universiteit de masteropleiding gezamenlijk aanbiedt.
Deel 2, titel 3, hoofdstuk 5, is voor deze erkenning niet van toepassing.
De Vlaamse Regering kan een masteropleiding voor basisonderwijs erkennen na ontvangst van een positief toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1, onderafdeling 4. De Vlaamse Regering neemt het besluit tot erkenning van de nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang van de masteropleiding voor basisonderwijs voor de eerste keer geheel doorlopen werd.
De hogescholen en de universiteiten die de gezamenlijk georganiseerde masteropleiding voor basisonderwijs aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. De financiering vanuit de werkingsenveloppe wordt als volgt verdeeld: de opgenomen studiepunten in een master basisonderwijs worden naar rato van de werklast verdeeld over de verschillende aanbieders, met minstens 30% voor de deelnemende hogescholen.".
"Art. II.114/1. Vanaf het academiejaar 2025-2026 kan een masteropleiding voor basisonderwijs aangeboden worden, die gericht is op het lesgeven in het basisonderwijs en op het uitbouwen van wetenschappelijke expertise die kan worden ingezet in het basisonderwijs ter versterking van de eigen klaspraktijk, het schoolbeleid en de schoolontwikkeling.
In toepassing van artikel II.68 worden de domeinspecifieke leerresultaten van deze opleiding gezamenlijk opgesteld door de betrokken universiteiten en hogescholen en gevalideerd door de accreditatieorganisatie.
In afwijking van artikel II.59 en II.71 wordt de masteropleiding voor basisonderwijs gezamenlijk aangeboden door een universiteit en een of meer hogescholen.
De betrokken universiteit reikt het diploma en de graad van master uit in het studiegebied psychologie en pedagogische wetenschappen en in het studiegebied onderwijs. De betrokken hogeronderwijsinstellingen vragen hiervoor gezamenlijk een `toets nieuwe opleiding' aan bij de accreditatieorganisatie volgens de procedure, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1. De accreditatieorganisatie gaat na of er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking tussen de hogescholen en de universiteiten. De accreditatieorganisatie kan enkel een positief accreditatiebesluit verlenen als er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking. Een tweede voorwaarde is een ruime betrokkenheid van het afnemend veld bij de opmaak van het curriculum. De bepalingen in artikel II.153, § 2 tot en met § 6, zijn niet van toepassing op de masteropleiding voor basisonderwijs.
De Vlaamse Regering kan maximaal vijf masteropleidingen voor basisonderwijs erkennen. Elke opleiding kan op slechts één vestiging worden aangeboden én in West-Vlaanderen voor de universiteiten die daar een vestigingsplaats hebben. Bovendien hebben de hogeronderwijsinstellingen de mogelijkheid om maximaal een derde van de studiepunten van de masteropleiding in co-creatie te organiseren op de vestigingsplaatsen van de hogescholen waarmee de universiteit de masteropleiding gezamenlijk aanbiedt.
Deel 2, titel 3, hoofdstuk 5, is voor deze erkenning niet van toepassing.
De Vlaamse Regering kan een masteropleiding voor basisonderwijs erkennen na ontvangst van een positief toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1, onderafdeling 4. De Vlaamse Regering neemt het besluit tot erkenning van de nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang van de masteropleiding voor basisonderwijs voor de eerste keer geheel doorlopen werd.
De hogescholen en de universiteiten die de gezamenlijk georganiseerde masteropleiding voor basisonderwijs aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. De financiering vanuit de werkingsenveloppe wordt als volgt verdeeld: de opgenomen studiepunten in een master basisonderwijs worden naar rato van de werklast verdeeld over de verschillende aanbieders, met minstens 30% voor de deelnemende hogescholen.".
Art.141. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, il est inséré un article II.114/1, rédigé comme suit :
" Art. II.114/1. A partir de l'année académique 2025-2026, une formation de master pour l'enseignement fondamental peut être proposée, axée sur l'enseignement dans l'enseignement fondamental et sur la constitution d'une expertise scientifique pouvant être utilisée dans l'enseignement fondamental afin de renforcer la propre pratique de classe, la politique de l'école et le développement de l'école.
En application de l'article II.68, les acquis de formation et d'éducation spécifiques au domaine de cette formation sont établis conjointement par les universités et les hautes écoles concernées et validés par l'organisation d'accréditation.
Par dérogation aux articles II.59 et II.71, la formation de master pour l'enseignement fondamental est proposée conjointement par une université et une ou plusieurs hautes écoles.
L'université concernée délivre le diplôme et le grade de master dans la discipline 'psychologie en pedagogische wetenschappen' et dans la discipline 'onderwijs' (enseignement). Les institutions d'enseignement supérieur concernées demandent pour ce faire conjointement une 'évaluation nouvelle formation' auprès de l'organisation d'accréditation, conformément à la procédure visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 9, section 3/1. L'organisation d'accréditation vérifie s'il est effectivement question d'une coopération structurelle et durable entre les hautes écoles et les universités. L'organisation d'accréditation ne peut accorder une décision d'accréditation positive que s'il existe effectivement une coopération structurelle et durable. Une deuxième condition consiste dans une large participation des demandeurs dans l'élaboration du curriculum. Les dispositions de l'article II.153, § 2 à § 6, ne s'appliquent pas à la formation de master pour l'enseignement fondamental.
Le Gouvernement flamand peut reconnaître un maximum de 5 formations de master pour l'enseignement fondamental. Chaque formation ne peut être proposée que sur un seul site et en Flandre occidentale pour les universités qui y ont un site. En outre, les institutions d'enseignement supérieur ont la possibilité d'organiser en co-création au maximum un tiers des crédits de la formation de master sur les sites des hautes écoles avec lesquelles l'université propose conjointement la formation de master.
La partie 2, titre 3, chapitre 5, ne s'applique pas à cette reconnaissance.
Le Gouvernement flamand peut reconnaître une formation de master pour l'enseignement fondamental après réception d'une décision d'évaluation positive de l'organisation d'accréditation, visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 9, section 3/1, sous-section 4. Le Gouvernement flamand adopte un arrêté portant reconnaissance de cette nouvelle formation dans un délai d'ordre de 30 jours prenant cours le lendemain du jour de réception de la décision d'évaluation positive et du rapport d'évaluation sous-jacent de l'organisation d'accréditation. L'arrêté entre en vigueur au moment de sa notification à l'institution. La formation reçoit un agrément en tant que nouvelle formation jusqu'à la fin de la deuxième année académique qui suit la fin de l'année académique au cours de laquelle le volume des études de la formation de master pour l'enseignement fondamental a été entièrement achevé pour la première fois.
Les hautes écoles et les universités qui offrent la formation de master pour l'enseignement fondamental organisée conjointement concluent un accord régissant le programme de formation, l'administration des étudiants et les transactions financières entre les institutions. Le financement de l'enveloppe de fonctionnement est réparti comme suit : les crédits intégrés dans un master en enseignement fondamental seront répartis entre les différents opérateurs au prorata de la charge de travail, avec un minimum de 30 % pour les hautes écoles participantes. ".
" Art. II.114/1. A partir de l'année académique 2025-2026, une formation de master pour l'enseignement fondamental peut être proposée, axée sur l'enseignement dans l'enseignement fondamental et sur la constitution d'une expertise scientifique pouvant être utilisée dans l'enseignement fondamental afin de renforcer la propre pratique de classe, la politique de l'école et le développement de l'école.
En application de l'article II.68, les acquis de formation et d'éducation spécifiques au domaine de cette formation sont établis conjointement par les universités et les hautes écoles concernées et validés par l'organisation d'accréditation.
Par dérogation aux articles II.59 et II.71, la formation de master pour l'enseignement fondamental est proposée conjointement par une université et une ou plusieurs hautes écoles.
L'université concernée délivre le diplôme et le grade de master dans la discipline 'psychologie en pedagogische wetenschappen' et dans la discipline 'onderwijs' (enseignement). Les institutions d'enseignement supérieur concernées demandent pour ce faire conjointement une 'évaluation nouvelle formation' auprès de l'organisation d'accréditation, conformément à la procédure visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 9, section 3/1. L'organisation d'accréditation vérifie s'il est effectivement question d'une coopération structurelle et durable entre les hautes écoles et les universités. L'organisation d'accréditation ne peut accorder une décision d'accréditation positive que s'il existe effectivement une coopération structurelle et durable. Une deuxième condition consiste dans une large participation des demandeurs dans l'élaboration du curriculum. Les dispositions de l'article II.153, § 2 à § 6, ne s'appliquent pas à la formation de master pour l'enseignement fondamental.
Le Gouvernement flamand peut reconnaître un maximum de 5 formations de master pour l'enseignement fondamental. Chaque formation ne peut être proposée que sur un seul site et en Flandre occidentale pour les universités qui y ont un site. En outre, les institutions d'enseignement supérieur ont la possibilité d'organiser en co-création au maximum un tiers des crédits de la formation de master sur les sites des hautes écoles avec lesquelles l'université propose conjointement la formation de master.
La partie 2, titre 3, chapitre 5, ne s'applique pas à cette reconnaissance.
Le Gouvernement flamand peut reconnaître une formation de master pour l'enseignement fondamental après réception d'une décision d'évaluation positive de l'organisation d'accréditation, visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 9, section 3/1, sous-section 4. Le Gouvernement flamand adopte un arrêté portant reconnaissance de cette nouvelle formation dans un délai d'ordre de 30 jours prenant cours le lendemain du jour de réception de la décision d'évaluation positive et du rapport d'évaluation sous-jacent de l'organisation d'accréditation. L'arrêté entre en vigueur au moment de sa notification à l'institution. La formation reçoit un agrément en tant que nouvelle formation jusqu'à la fin de la deuxième année académique qui suit la fin de l'année académique au cours de laquelle le volume des études de la formation de master pour l'enseignement fondamental a été entièrement achevé pour la première fois.
Les hautes écoles et les universités qui offrent la formation de master pour l'enseignement fondamental organisée conjointement concluent un accord régissant le programme de formation, l'administration des étudiants et les transactions financières entre les institutions. Le financement de l'enveloppe de fonctionnement est réparti comme suit : les crédits intégrés dans un master en enseignement fondamental seront répartis entre les différents opérateurs au prorata de la charge de travail, avec un minimum de 30 % pour les hautes écoles participantes. ".
Art.142. Aan artikel II.153, § 8, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 4 mei 2018 en 18 mei 2018, wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een besluit van de Vlaamse Regering over de erkenning van een nieuwe bachelorof masteropleiding vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur.".
"Een besluit van de Vlaamse Regering over de erkenning van een nieuwe bachelorof masteropleiding vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur.".
Art.142. L'article II.153, § 8, du même Code, modifié par les décrets des 4 mai 2018 et 18 mai 2018, est complété par un alinéa 7, rédigé comme suit :
" Un arrêté du Gouvernement flamand portant reconnaissance d'une nouvelle formation de bachelier ou de master s'éteint automatiquement si la direction de l'institution ne propose pas la formation dans la troisième année académique suivant la communication à la direction de l'institution. ".
" Un arrêté du Gouvernement flamand portant reconnaissance d'une nouvelle formation de bachelier ou de master s'éteint automatiquement si la direction de l'institution ne propose pas la formation dans la troisième année académique suivant la communication à la direction de l'institution. ".
Art.143. Aan artikel II.170/9, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2022, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° voor de anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die de toelating kregen om georganiseerd te worden conform artikel II.263, § 3, vierde lid, 1°, als de aanvraag bij de Commissie Hoger Onderwijs gebeurde na 1 september 2024.".
"7° voor de anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die de toelating kregen om georganiseerd te worden conform artikel II.263, § 3, vierde lid, 1°, als de aanvraag bij de Commissie Hoger Onderwijs gebeurde na 1 september 2024.".
Art.143. Dans l'article II.170/9, § 1er, alinéa 1er du même Code, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié par le décret du 15 juillet 2022, il est inséré un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° pour les formations initiales de bachelor ou de master enseignées en langue étrangère ayant reçu l'autorisation pour être organisées conformément à l'article II.263, § 3, alinéa 4, 1°, lorsque la demande auprès de la Commissie Hoger Onderwijs a été effectuée après le 1er septembre 2024. ".
" 7° pour les formations initiales de bachelor ou de master enseignées en langue étrangère ayant reçu l'autorisation pour être organisées conformément à l'article II.263, § 3, alinéa 4, 1°, lorsque la demande auprès de la Commissie Hoger Onderwijs a été effectuée après le 1er septembre 2024. ".
Art.144. Aan artikel II.170/9, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2022, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend.".
"In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend.".
Art.144. Dans l'article II.170/9, § 1er, du même Code, inséré par le décret du 8 mai 2018 et modifié par le décret du 15 juillet 2022, il est inséré un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 2, l'organisation conjointe par plusieurs institutions d'enseignement supérieur d'un parcours raccourci de formations accréditées dans chacune des institutions concernées ne nécessite pas de demande d'accréditation. "
" Par dérogation à l'alinéa 2, l'organisation conjointe par plusieurs institutions d'enseignement supérieur d'un parcours raccourci de formations accréditées dans chacune des institutions concernées ne nécessite pas de demande d'accréditation. "
Art.145. In artikel II.170/14, § 1, derde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt het woord "vier" vervangen door het woord "zes".
Art.145. Dans l'article II.170/14, § 1er, alinéa 3, du même Code, inséré par le décret du 18 mai 2018, le mot " quatre " est remplacé par le mot " six ".
Art.146. Aan artikel II.171 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 4 mei 2018, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. Als de aanvangsdatum van de erkenningen als nieuwe opleiding of van de accreditatie van de opleidingen die als een gezamenlijk verkort traject worden georganiseerd als vermeld in artikel II.170/9, § 1, vierde lid, verschillend is, dan geldt als aanvangsdatum van de erkenning als nieuwe opleiding of van de accreditatie van dit gezamenlijk georganiseerd verkort traject de vroegste aanvangsdatum van de apart georganiseerde opleidingen van de betrokken instellingen.".
" § 6. Als de aanvangsdatum van de erkenningen als nieuwe opleiding of van de accreditatie van de opleidingen die als een gezamenlijk verkort traject worden georganiseerd als vermeld in artikel II.170/9, § 1, vierde lid, verschillend is, dan geldt als aanvangsdatum van de erkenning als nieuwe opleiding of van de accreditatie van dit gezamenlijk georganiseerd verkort traject de vroegste aanvangsdatum van de apart georganiseerde opleidingen van de betrokken instellingen.".
Art.146. L'article II.171 du même Code, modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 4 mai 2018, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Si la date de début des reconnaissances en tant que nouvelle formation ou de l'accréditation des formations organisées sous la forme d'un parcours raccourci organisé conjointement tel que visé à l'article II.170/9, § 1er, alinéa 4, est différente, la date de début de la reconnaissance en tant que nouvelle formation ou de l'accréditation de ce parcours raccourci organisé conjointement est la première date de début des formations organisées séparément des institutions concernées. ".
" § 6. Si la date de début des reconnaissances en tant que nouvelle formation ou de l'accréditation des formations organisées sous la forme d'un parcours raccourci organisé conjointement tel que visé à l'article II.170/9, § 1er, alinéa 4, est différente, la date de début de la reconnaissance en tant que nouvelle formation ou de l'accréditation de ce parcours raccourci organisé conjointement est la première date de début des formations organisées séparément des institutions concernées. ".
Art.147. In artikel II.187 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017 en gewijzigd bij de decreten van 1 maart 2019, 5 april 2019 en 7 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "dubbel gerangschikte" opgeheven;
2° in paragraaf 3, vijfde lid, wordt het woord "beide" vervangen door het woord "meerdere";
3° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "van hun keuze" vervangen door de woorden "met de hoogste voorkeur";
4° in paragraaf 8 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen.";
5° in paragraaf 8 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur.".
1° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "dubbel gerangschikte" opgeheven;
2° in paragraaf 3, vijfde lid, wordt het woord "beide" vervangen door het woord "meerdere";
3° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "van hun keuze" vervangen door de woorden "met de hoogste voorkeur";
4° in paragraaf 8 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen.";
5° in paragraaf 8 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur.".
Art.147. A l'article II.187, du même Code, remplacé par le décret du 8 décembre 2017 et modifié par les décrets des 1er mars 2019, 5 avril 2019 et 7 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " doublement classés " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " les deux " sont remplacés par le mot " plusieurs " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " de leur choix " sont remplacés par les mots " ayant la plus haute préférence " ;
4° au paragraphe 8, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Les candidats à plusieurs examens d'admission tels que visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi qu'à l'article II.187/1, indiquent explicitement, au moment de leur inscription, leur ordre de préférence au niveau des formations. " ;
5° dans le paragraphe 8, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'ordre, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de cet ordre, les candidats admissibles dans le cadre de plusieurs classements ne sont inclus comme candidats classés en ordre utile sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation ayant la plus haute préférence. ".
1° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " doublement classés " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " les deux " sont remplacés par le mot " plusieurs " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots " de leur choix " sont remplacés par les mots " ayant la plus haute préférence " ;
4° au paragraphe 8, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Les candidats à plusieurs examens d'admission tels que visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi qu'à l'article II.187/1, indiquent explicitement, au moment de leur inscription, leur ordre de préférence au niveau des formations. " ;
5° dans le paragraphe 8, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'ordre, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de cet ordre, les candidats admissibles dans le cadre de plusieurs classements ne sont inclus comme candidats classés en ordre utile sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation ayant la plus haute préférence. ".
Art.148. In artikel II.187/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2, derde lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Kandidaten die voor meerdere toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding met de hoogste voorkeur, vermeld in paragraaf 7.";
2° aan paragraaf 7 worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2 en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen.
De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere gunstige rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 2, vijfde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur.".
1° aan paragraaf 2, derde lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Kandidaten die voor meerdere toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding met de hoogste voorkeur, vermeld in paragraaf 7.";
2° aan paragraaf 7 worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2 en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen.
De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere gunstige rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 2, vijfde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur.".
Art.148. A l'article II.187/1 du même Code, inséré par le décret du 15 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 3, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" Les candidats qui sont éligibles à un classement favorable pour plusieurs examens d'admission ne seront classés favorablement que pour la formation ayant la plus haute préférence, visée au paragraphe 7. " ;
2° le paragraphe 7 est complété par les alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
" Les candidats à plusieurs examens d'admission tels que visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi qu'à l'article II.187/1, indiquent explicitement, au moment de leur inscription, leur ordre de préférence au niveau des formations.
L'ordre, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de cet ordre, les candidats admissibles dans le cadre de plusieurs classements ne sont inclus comme candidats classés en ordre utile sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation ayant la plus haute préférence. ".
1° au paragraphe 2, alinéa 3, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" Les candidats qui sont éligibles à un classement favorable pour plusieurs examens d'admission ne seront classés favorablement que pour la formation ayant la plus haute préférence, visée au paragraphe 7. " ;
2° le paragraphe 7 est complété par les alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
" Les candidats à plusieurs examens d'admission tels que visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi qu'à l'article II.187/1, indiquent explicitement, au moment de leur inscription, leur ordre de préférence au niveau des formations.
L'ordre, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de cet ordre, les candidats admissibles dans le cadre de plusieurs classements ne sont inclus comme candidats classés en ordre utile sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation ayant la plus haute préférence. ".
Art.149. Aan artikel II.200, § 7, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2022 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Van de verplichting, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken als de student kan aantonen dat er sprake is van overmacht of bijzondere individuele omstandigheden.".
"Van de verplichting, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken als de student kan aantonen dat er sprake is van overmacht of bijzondere individuele omstandigheden.".
Art.149. L'article II.200, § 7 du même Code, inséré par le décret du 15 juillet 2022 et modifié par le décret du 7 juillet 2023, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Il peut être dérogé à l'obligation visée à l'alinéa 1er si l'étudiant peut démontrer qu'il y a force majeure ou circonstances individuelles particulières. ".
" Il peut être dérogé à l'obligation visée à l'alinéa 1er si l'étudiant peut démontrer qu'il y a force majeure ou circonstances individuelles particulières. ".
Art.150. In artikel II.221, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 8 december 2017, 15 juni 2018 en 15 juli 2022, wordt aan punt 22° de zinsnede "en in artikel II.200, § 7, tweede lid" toegevoegd.
Art.150. Dans l'article II.221, § 1er, du même Code, modifié par les décrets des 21 mars 2014, 8 décembre 2017, 15 juin 2018 et 15 juillet 2022, le membre de phrase " et à l'article II.200, § 7, alinéa 2 " est ajouté au point 22°.
Art.151. In artikel II.256, vijfde lid, van dezelfde codex, toegevoegd bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij het decreet van 22 april 2022, worden de woorden "de behandeling van de erkenningsaanvraag" vervangen door de woorden "de behandeling van de eerste erkenningsaanvraag voor een welbepaald buitenlands studiebewijs".
Art.151. Dans l'article II.256, alinéa 5, du même Code, inséré par le décret du 25 avril 2014 et modifié par le décret du 22 avril 2022, les mots " Le traitement de la demande de reconnaissance " est remplacé par les mots " Le traitement de la première demande de reconnaissance pour un certificat d'études étranger déterminé ".
Art.152. In artikel II.262, § 2, van dezelfde codex wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarvan de percentages van de opleidingsonderdelen die worden aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands, vermeld in artikel II.261, § 3, niet worden overschreden. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, § 2, 1° en 3°, worden niet meegeteld voor de berekening van deze grenzen.".
"De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarvan de percentages van de opleidingsonderdelen die worden aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands, vermeld in artikel II.261, § 3, niet worden overschreden. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, § 2, 1° en 3°, worden niet meegeteld voor de berekening van deze grenzen.".
Art.152. Dans l'article II.262, § 2, du même Code, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'institution peut proposer une formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère à condition qu'une formation initiale de bachelor ou de master équivalente soit proposée en Communauté flamande dont les pourcentages des parties de formation qui sont proposées dans une autre langue d'enseignement que le néerlandais, visés à l'article II.261, § 3, ne sont pas dépassés. Les parties de formations visées à l'article II.261, § 2, 1° et 3°, ne sont pas prises en compte pour le calcul de ces limites. ".
" L'institution peut proposer une formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère à condition qu'une formation initiale de bachelor ou de master équivalente soit proposée en Communauté flamande dont les pourcentages des parties de formation qui sont proposées dans une autre langue d'enseignement que le néerlandais, visés à l'article II.261, § 3, ne sont pas dépassés. Les parties de formations visées à l'article II.261, § 2, 1° et 3°, ne sont pas prises en compte pour le calcul de ces limites. ".
Art.153. In artikel II.380, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.153. Dans l'article II.380, du même Code, les mots " "Evangelische Theologische Faculteit" de Louvain " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.154. In artikel II.400, § 3, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste zin worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
2° in de derde zin worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
1° in de eerste zin worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
2° in de derde zin worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.154. A l'article II.400, § 3, du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la première phrase, les mots " Evangelische Theologische Faculteit de Heverlee " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
2° dans la troisième phrase, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
1° dans la première phrase, les mots " Evangelische Theologische Faculteit de Heverlee " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
2° dans la troisième phrase, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.155. In artikel III.114 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 1 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 en paragraaf 2 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Leuven" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
2° in paragraaf 3 en paragraaf 5 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
3° in paragraaf 7 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
1° in paragraaf 1 en paragraaf 2 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Leuven" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
2° in paragraaf 3 en paragraaf 5 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven";
3° in paragraaf 7 worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit" vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.155. A l'article III.114 du même Code, modifié par les décrets des 19 décembre 2014 et 1er mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans les paragraphes 1 et 2, les mots " Evangelische Theologische Faculteit à Louvain " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
2° dans les paragraphes 3 et 5, les mots " Evangelische Theologische Faculteit à Heverlee " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
3° dans le paragraphe 7, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
1° dans les paragraphes 1 et 2, les mots " Evangelische Theologische Faculteit à Louvain " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
2° dans les paragraphes 3 et 5, les mots " Evangelische Theologische Faculteit à Heverlee " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain " ;
3° dans le paragraphe 7, les mots " Evangelische Theologische Faculteit " sont remplacés par le membre de phrase " Evangelische Theologische Faculteit, Louvain ".
Art.156. In artikel III.119 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren" opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "en instellingen" opgeheven;
5° in paragraaf 3, eerste lid, worden in punt 2° de woorden "of de instelling" telkens opgeheven;
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren" opgeheven;
7° in paragraaf 3/1 worden de woorden "of instellingen" opgeheven;
8° in paragraaf 4 worden de woorden "of instelling" opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren" opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "en instellingen" opgeheven;
5° in paragraaf 3, eerste lid, worden in punt 2° de woorden "of de instelling" telkens opgeheven;
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren" opgeheven;
7° in paragraaf 3/1 worden de woorden "of instellingen" opgeheven;
8° in paragraaf 4 worden de woorden "of instelling" opgeheven.
Art.156. A l'article III.119 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 30 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et des institutions organisant d'excellentes formations artistiques " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " et institutions " sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, au point 2°, les mots " ou l'institution " sont chaque fois abrogés ;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots " et les institutions organisant d'excellentes formations artistiques " sont abrogés ;
7° dans le paragraphe 3/1, les mots " ou institutions " sont abrogés ;
8° dans le paragraphe 4, les mots " ou institution " sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et des institutions organisant d'excellentes formations artistiques " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " et institutions " sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, au point 2°, les mots " ou l'institution " sont chaque fois abrogés ;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots " et les institutions organisant d'excellentes formations artistiques " sont abrogés ;
7° dans le paragraphe 3/1, les mots " ou institutions " sont abrogés ;
8° dans le paragraphe 4, les mots " ou institution " sont abrogés.
Art.157. Aan deel 3, titel 3, hoofdstuk 5, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2023, wordt een artikel III.119/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. III.119/1. § 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
De toelage aan Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt vanaf het begrotingsjaar 2024 vastgesteld op 1.446.413 euro.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
§ 2. Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) is een ambtshalve geregistreerde instelling en heeft als doel het verstrekken van onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van dans. Het onderwijs dat binnen Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt verstrekt, wordt door het betrokken bestuur bekrachtigd met een graad van bachelor of master na het succesvol voltooien van de desbetreffende opleiding.
Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) kan krachtens artikel II.3 niet als hogeschool worden beschouwd.
§ 3. Om voor de subsidiëring, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, sluit Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering. In deze beheersovereenkomst worden doelstellingen opgenomen die betrekking hebben op de volgende domeinen:
1° onderwijs en studenten;
2° onderzoek;
3° dienstverlening;
4° samenwerkingsverbanden;
5° infrastructurele voorzieningen;
6° financiën en personeel;
7° organisatie.
§ 4. De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
§ 5. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.
§ 6. Lopende beheersovereenkomsten kunnen maximaal twee keer met ten hoogste een jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar af te sluiten. Na deze verlenging(en) kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal vier jaar worden gesloten na goedkeuring door de Vlaamse Regering van een nieuw door Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) opgesteld beleidsplan dat tegemoetkomt aan de vastgestelde tekortkomingen.".
"Art. III.119/1. § 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
De toelage aan Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt vanaf het begrotingsjaar 2024 vastgesteld op 1.446.413 euro.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
§ 2. Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) is een ambtshalve geregistreerde instelling en heeft als doel het verstrekken van onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van dans. Het onderwijs dat binnen Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt verstrekt, wordt door het betrokken bestuur bekrachtigd met een graad van bachelor of master na het succesvol voltooien van de desbetreffende opleiding.
Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) kan krachtens artikel II.3 niet als hogeschool worden beschouwd.
§ 3. Om voor de subsidiëring, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, sluit Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering. In deze beheersovereenkomst worden doelstellingen opgenomen die betrekking hebben op de volgende domeinen:
1° onderwijs en studenten;
2° onderzoek;
3° dienstverlening;
4° samenwerkingsverbanden;
5° infrastructurele voorzieningen;
6° financiën en personeel;
7° organisatie.
§ 4. De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
§ 5. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.
§ 6. Lopende beheersovereenkomsten kunnen maximaal twee keer met ten hoogste een jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar af te sluiten. Na deze verlenging(en) kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal vier jaar worden gesloten na goedkeuring door de Vlaamse Regering van een nieuw door Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) opgesteld beleidsplan dat tegemoetkomt aan de vastgestelde tekortkomingen.".
Art.157. Dans la partie 3, titre 3, chapitre 5, du même Code, modifiée en dernier lieu par le décret du 30 juin 2023, un article III.119/1 rédigé comme suit est ajouté :
" Art. III.119/1. § 1er. Le Gouvernement flamand peut participer, sous forme d'une allocation annuelle, au financement de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
L'allocation pour Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est établie à 1.446.413 euros à partir de l'année budgétaire 2024.
Le montant visé à l'alinéa 2 est indexé, dans les limites du budget de la Communauté flamande, à l'aide de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9.
§ 2. Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est une institution enregistrée d'office et a pour objet l'organisation d'enseignement, d'effectuer de la recherche scientifique et de fournir des services scientifiques dans le domaine de la danse. L'enseignement dispensé au sein de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est sanctionné par l'autorité concernée, après réussite de la formation concernée, par l'obtention d'un grade de bachelier ou de master.
Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) ne peut, en vertu de l'article II.3, pas être considéré comme une haute école.
§ 3. Pour entrer en considération pour la subvention visée au paragraphe 1er, Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) conclut un contrat de gestion d'une durée de cinq ans avec le Gouvernement flamand. Dans ce contrat figurent des objectifs relatifs aux domaines suivants :
1° enseignement et étudiants ;
2° recherche ;
3° prestation de services ;
4° accords de coopération ;
5° structures infrastructurelles ;
6° finances et personnel ;
7° organisation.
§ 4. Les arrêtés pris par le Gouvernement flamand en exécution des dispositions de la présente codification relatives au budget et au cadre organique pour les hautes écoles et relatives à la comptabilité générale, aux comptes annuels et au plan comptable pour les hautes écoles s'appliquent par analogie aux Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
§ 5. Le Gouvernement flamand peut diminuer le subventionnement de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), mais néanmoins pas plus qu'une fois par an et au prorata des défaillances constatées à ce qui a été convenu dans le contrat de gestion.
§ 6. Les contrats de gestion en cours peuvent être prolongés au maximum deux fois, d'un an au maximum, au cas où l'évaluation de la manière dont le contrat de gestion en cours a été exécuté n'est pas suffisamment positive pour conclure un nouveau contrat de gestion d'une durée de cinq ans. Après cette ou ces prolongation(s), un nouveau contrat de gestion d'une durée maximale de quatre ans peut être conclu après approbation par le Gouvernement flamand d'un nouveau plan de gestion élaboré par Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) qui répond aux lacunes identifiées. ".
" Art. III.119/1. § 1er. Le Gouvernement flamand peut participer, sous forme d'une allocation annuelle, au financement de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
L'allocation pour Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est établie à 1.446.413 euros à partir de l'année budgétaire 2024.
Le montant visé à l'alinéa 2 est indexé, dans les limites du budget de la Communauté flamande, à l'aide de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9.
§ 2. Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est une institution enregistrée d'office et a pour objet l'organisation d'enseignement, d'effectuer de la recherche scientifique et de fournir des services scientifiques dans le domaine de la danse. L'enseignement dispensé au sein de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) est sanctionné par l'autorité concernée, après réussite de la formation concernée, par l'obtention d'un grade de bachelier ou de master.
Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) ne peut, en vertu de l'article II.3, pas être considéré comme une haute école.
§ 3. Pour entrer en considération pour la subvention visée au paragraphe 1er, Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) conclut un contrat de gestion d'une durée de cinq ans avec le Gouvernement flamand. Dans ce contrat figurent des objectifs relatifs aux domaines suivants :
1° enseignement et étudiants ;
2° recherche ;
3° prestation de services ;
4° accords de coopération ;
5° structures infrastructurelles ;
6° finances et personnel ;
7° organisation.
§ 4. Les arrêtés pris par le Gouvernement flamand en exécution des dispositions de la présente codification relatives au budget et au cadre organique pour les hautes écoles et relatives à la comptabilité générale, aux comptes annuels et au plan comptable pour les hautes écoles s'appliquent par analogie aux Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.).
§ 5. Le Gouvernement flamand peut diminuer le subventionnement de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), mais néanmoins pas plus qu'une fois par an et au prorata des défaillances constatées à ce qui a été convenu dans le contrat de gestion.
§ 6. Les contrats de gestion en cours peuvent être prolongés au maximum deux fois, d'un an au maximum, au cas où l'évaluation de la manière dont le contrat de gestion en cours a été exécuté n'est pas suffisamment positive pour conclure un nouveau contrat de gestion d'une durée de cinq ans. Après cette ou ces prolongation(s), un nouveau contrat de gestion d'une durée maximale de quatre ans peut être conclu après approbation par le Gouvernement flamand d'un nouveau plan de gestion élaboré par Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) qui répond aux lacunes identifiées. ".
Art.158. In artikel IV.101, eerste lid, worden de woorden "Evangelische Theologische Faculteit te Leuven" telkens vervangen door de zinsnede "Evangelische Theologische Faculteit, Leuven".
Art.158. Dans l'article IV.101, alinéa 1er, le membre de phrase " "Evangelische Theologische Faculteit" de Louvain " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " "Evangelische Theologische Faculteit", Louvain ".
Art.159. Aan artikel V.19 van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Deeltijdse gastprofessoren kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een gastprofessor als flexi-jobwerknemer.".
"Deeltijdse gastprofessoren kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een gastprofessor als flexi-jobwerknemer.".
Art.159. L'article V.19 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Les professeurs invités à temps partiel peuvent également être employés comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 10 et 10bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent aux contrats de travail successifs d'un professeur invité en tant que travailleur exerçant un flexi-job. ".
" Les professeurs invités à temps partiel peuvent également être employés comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 10 et 10bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent aux contrats de travail successifs d'un professeur invité en tant que travailleur exerçant un flexi-job. ".
Art.160. Aan artikel V.31 van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Deeltijdse praktijkassistenten kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een praktijkassistent als flexi-jobwerknemer.".
"Deeltijdse praktijkassistenten kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een praktijkassistent als flexi-jobwerknemer.".
Art.160. L'article V.31 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Les assistants chargés d'exercices à temps partiel peuvent également être employés comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 10 et 10bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent aux contrats de travail successifs d'un assistant chargé d'exercices en tant que travailleur exerçant un flexi-job. ".
" Les assistants chargés d'exercices à temps partiel peuvent également être employés comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 10 et 10bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent aux contrats de travail successifs d'un assistant chargé d'exercices en tant que travailleur exerçant un flexi-job. ".
Art.161. Aan artikel V.50 van dezelfde codex wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.".
"Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.".
Art.161. L'article V.50 du même Code est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
" L'autorité de l'université peut également employer un membre du personnel administratif et technique à temps partiel comme travailleur exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique à ces membres du personnel. ".
" L'autorité de l'université peut également employer un membre du personnel administratif et technique à temps partiel comme travailleur exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique à ces membres du personnel. ".
Art.162. Aan artikel V.147 van dezelfde codex wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het hogeschoolbestuur contractueel buiten de personeelsformatie deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. De gastprofessoren kunnen niet ten laste van de werkingsuitkeringen bezoldigd worden. De gastprofessoren mogen geen andere tewerkstelling aan de hogeschool hebben. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.".
"In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het hogeschoolbestuur contractueel buiten de personeelsformatie deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. De gastprofessoren kunnen niet ten laste van de werkingsuitkeringen bezoldigd worden. De gastprofessoren mogen geen andere tewerkstelling aan de hogeschool hebben. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.".
Art.162. Dans l'article V.147 du même Code, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'autorité de la haute école peut employer des professeurs invités à temps partiel, sur base contractuelle, hors cadre comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Les professeurs invités ne peuvent être rémunérés à charge des allocations de fonctionnement. Les professeurs invités ne peuvent avoir d'autre occupation au sein de la haute école. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique à ces membres du personnel. ".
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'autorité de la haute école peut employer des professeurs invités à temps partiel, sur base contractuelle, hors cadre comme travailleurs exerçant un flexi-job comme visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale. Les professeurs invités ne peuvent être rémunérés à charge des allocations de fonctionnement. Les professeurs invités ne peuvent avoir d'autre occupation au sein de la haute école. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique à ces membres du personnel. ".
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016
CHAPITRE 15. - Modifications de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016
Art.163. In artikel VII.5, eerste lid, 1°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2023, wordt de zinsnede "artikel 6, 6°, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding" vervangen door de zinsnede "artikel 8, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding".
Art.163. Dans l'article VII.5, alinéa 1er, 1°, de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, modifié par le décret du 16 juin 2023, le membre de phrase " l'article 6, 6° du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves " est remplacé par le membre de phrase " l'article 8, 3° du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves ".
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie
CHAPITRE 16. - Modification du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base
Art.164. Aan artikel 27 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie, gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. In afwijking van artikel 88, § 1, 1°, c), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 32, 1°, vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
" § 2. In afwijking van artikel 88, § 1, 1°, c), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 32, 1°, vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.".
Art.164. Dans l'article 27 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base, modifié par le décret du 9 juillet 2021, dont le texte existant formera le paragraphe 1er, il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation à l'article 88, § 1er, 1°, c), du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire visée à l'alinéa 1er prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 32, 1°, à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
" § 2. Par dérogation à l'article 88, § 1er, 1°, c), du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, un membre du personnel peut être désigné temporairement à titre provisoire sur la base d'une demande valide d'équivalence de son diplôme introduite auprès du National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
La désignation temporaire à titre provisoire visée à l'alinéa 1er prend fin de plein droit et sans préavis conformément à l'article 32, 1°, à partir du moment où le membre du personnel ne se voit pas accorder, sur la base de la décision du NARIC, une équivalence qui satisfait comme titre de compétence pour une désignation à cette fonction. ".
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 17. - Modifications du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel
Art.165. In artikel 5, derde lid, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de woorden "van de vierde graad" telkens vervangen door de zinsnede "van de derde en vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de vierde graad van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama".
Art.165. Dans l'article 5, alinéa 3, du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, modifié par les décrets des 9 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les mots " de quatrième année " et " du quatrième degré " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " des troisième et quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, et du quatrième degré des domaines danse, musique et arts de la parole-théâtre ".
Art.166. Aan artikel 12, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt de zinsnede ", met uitzondering van de derde graad voor de leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs, waarvoor de specifieke eindtermen van het wetenschapsdomein kunst en cultuur gelden, conform artikel 5, derde lid" toegevoegd.
Art.166. Dans l'article 12, § 2, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, le membre de phrase " , à l'exception du troisième degré pour les élèves souhaitant transiter vers l'enseignement supérieur, auxquels les objectifs finaux spécifiques du domaine scientifique art et culture s'appliquent, conformément à l'article 5, alinéa 3 " est ajouté.
Art.167. Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 43. Een schoolbestuur kan de inschrijving van de volgende leerlingen weigeren:
1° een niet-regelmatige leerling;
2° een leerling die voor een opleiding in hetzelfde domein al is ingeschreven in een andere academie.".
"Art. 43. Een schoolbestuur kan de inschrijving van de volgende leerlingen weigeren:
1° een niet-regelmatige leerling;
2° een leerling die voor een opleiding in hetzelfde domein al is ingeschreven in een andere academie.".
Art.167. L'article 43 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 43. Une autorité scolaire peut refuser d'inscrire les élèves suivants :
1° un élève non régulier ;
2° un élève déjà inscrit à une formation dans le même domaine dans une autre académie. ".
" Art. 43. Une autorité scolaire peut refuser d'inscrire les élèves suivants :
1° un élève non régulier ;
2° un élève déjà inscrit à une formation dans le même domaine dans une autre académie. ".
Art.168. In artikel 52, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° wordt het woord "verslag" vervangen door het woord "IAC-verslag";
2° in punt 2° wordt het woord "verslag" vervangen door het woord "IAC-verslag".
1° in punt 1° wordt het woord "verslag" vervangen door het woord "IAC-verslag";
2° in punt 2° wordt het woord "verslag" vervangen door het woord "IAC-verslag".
Art.168. A l'article 52, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 1°, le mot " rapport " est remplacé par les mots " rapport IAC " ;
2° dans le point 2°, le mot " rapport " est remplacé par les mots " rapport IAC ".
1° dans le point 1°, le mot " rapport " est remplacé par les mots " rapport IAC " ;
2° dans le point 2°, le mot " rapport " est remplacé par les mots " rapport IAC ".
Art.169. In artikel 53, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden de woorden "gemotiveerd verslag" vervangen door het woord "GC-verslag";
2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een OV-4 verslag als vermeld in artikel 294, § 2, 2°, van de voormelde codex;";
3° aan het eerste lid worden een punt 5° en een punt 6° toegevoegd, die luiden als volgt:
"5° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
6° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs.".
1° in punt 1° worden de woorden "gemotiveerd verslag" vervangen door het woord "GC-verslag";
2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een OV-4 verslag als vermeld in artikel 294, § 2, 2°, van de voormelde codex;";
3° aan het eerste lid worden een punt 5° en een punt 6° toegevoegd, die luiden als volgt:
"5° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
6° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs.".
Art.169. A l'article 53, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " rapport motivé " sont remplacés par les mots " rapport GC " ;
2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° disposer d'un rapport GC tel que visé à l'article 352 du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ou d'un rapport OV4 tel que visé à l'article 294, § 2, 2° du même Code ; " ;
3° l'alinéa premier est complété par un point 5° et un point 6°, rédigés comme suit :
" 5° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 15 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
6° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 294 du Code de l'enseignement secondaire. ".
1° au point 1°, les mots " rapport motivé " sont remplacés par les mots " rapport GC " ;
2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° disposer d'un rapport GC tel que visé à l'article 352 du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ou d'un rapport OV4 tel que visé à l'article 294, § 2, 2° du même Code ; " ;
3° l'alinéa premier est complété par un point 5° et un point 6°, rédigés comme suit :
" 5° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 15 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
6° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 294 du Code de l'enseignement secondaire. ".
Art.170. In artikel 61 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.
Art.170. Dans l'article 61 du même décret, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.171. Aan artikel 67 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2020 en 8 juli 2022, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. Een leerling kan in de loop van het schooljaar zijn opleiding voortzetten in een andere academie als de capaciteit van die academie toereikend is en de directeur toestemming geeft. De nieuwe academie meldt de inschrijving van de leerling aan de oorspronkelijke academie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, wordt de leerling geteld als financierbare leerling in de academie waar hij op 1 februari ingeschreven is.".
" § 6. Een leerling kan in de loop van het schooljaar zijn opleiding voortzetten in een andere academie als de capaciteit van die academie toereikend is en de directeur toestemming geeft. De nieuwe academie meldt de inschrijving van de leerling aan de oorspronkelijke academie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, wordt de leerling geteld als financierbare leerling in de academie waar hij op 1 februari ingeschreven is.".
Art.171. L'article 67 du même décret, modifié par les décrets des 3 juillet 2020 et 8 juillet 2022, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Un élève peut, dans le courant de l'année scolaire, poursuivre sa formation dans une autre académie si la capacité de cette académie est suffisante et si le directeur donne son autorisation. La nouvelle académie avise l'académie d'origine et l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) de l'inscription de l'élève. Sans préjudice de l'application des conditions visées aux paragraphes 1er à 4, l'élève est compté comme élève admissible au financement dans l'académie dans laquelle il est inscrit au 1er février. ".
" § 6. Un élève peut, dans le courant de l'année scolaire, poursuivre sa formation dans une autre académie si la capacité de cette académie est suffisante et si le directeur donne son autorisation. La nouvelle académie avise l'académie d'origine et l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) de l'inscription de l'élève. Sans préjudice de l'application des conditions visées aux paragraphes 1er à 4, l'élève est compté comme élève admissible au financement dans l'académie dans laquelle il est inscrit au 1er février. ".
Art.172. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023, wordt een artikel 72/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 72/1. In afwijking van de bepalingen in artikel 69 tot en met 72 en artikel 79 kan de Vlaamse Regering wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toestaan dat voor de structuuronderdelen die in de door de overmacht getroffen vestigingsplaatsen worden georganiseerd, eenmalig hetzelfde aantal lestijden en administratieve omkaderingseenheden wordt toegekend als die van het vorige schooljaar. Als de academie meer leerlingen inschrijft in de getroffen structuuronderdelen dan in het vorige schooljaar, geldt in dat geval de reguliere omkaderingsberekening.".
"Art. 72/1. In afwijking van de bepalingen in artikel 69 tot en met 72 en artikel 79 kan de Vlaamse Regering wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toestaan dat voor de structuuronderdelen die in de door de overmacht getroffen vestigingsplaatsen worden georganiseerd, eenmalig hetzelfde aantal lestijden en administratieve omkaderingseenheden wordt toegekend als die van het vorige schooljaar. Als de academie meer leerlingen inschrijft in de getroffen structuuronderdelen dan in het vorige schooljaar, geldt in dat geval de reguliere omkaderingsberekening.".
Art.172. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2023, il est inséré un article 72/1, rédigé comme suit :
" Art. 72/1. Par dérogation aux dispositions des articles 69 à 72 et 79, le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, autoriser que, pour les subdivisions structurelles organisées au sein des implantations touchées par la force majeure, le même nombre de périodes de cours et d'unités d'encadrement administratif que l'année scolaire précédente soient, une seule fois, attribuées. Si l'académie inscrit davantage d'élèves dans les subdivisions structurelles concernées qu'au cours de l'année scolaire précédente, le calcul de l'encadrement normal s'applique dans ce cas. ".
" Art. 72/1. Par dérogation aux dispositions des articles 69 à 72 et 79, le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, autoriser que, pour les subdivisions structurelles organisées au sein des implantations touchées par la force majeure, le même nombre de périodes de cours et d'unités d'encadrement administratif que l'année scolaire précédente soient, une seule fois, attribuées. Si l'académie inscrit davantage d'élèves dans les subdivisions structurelles concernées qu'au cours de l'année scolaire précédente, le calcul de l'encadrement normal s'applique dans ce cas. ".
Art.173. In artikel 76/1, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij:
1° A: het totale aantal lestijden van de academie van het voorafgaande schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar;
2° B: X/Y, waarbij:
a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs;
b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar.";
2° in het derde lid, 1°, wordt de zinsnede "op 1 februari X" vervangen door de zinsnede "op 1 februari X-1".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij:
1° A: het totale aantal lestijden van de academie van het voorafgaande schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar;
2° B: X/Y, waarbij:
a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs;
b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar.";
2° in het derde lid, 1°, wordt de zinsnede "op 1 februari X" vervangen door de zinsnede "op 1 februari X-1".
Art.173. A l'article 76/1, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Une académie a droit à des périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial qui sont calculées au moyen de la formule A*B, où :
1° A : le nombre total de périodes de cours de l'académie de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci ;
2° B : X/Y, où :
a) X : le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial pour l'enseignement artistique à temps partiel ;
b) Y : le nombre total de périodes de cours pour l'enseignement artistique à temps partiel de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci. " ;
2° dans l'alinéa 3, 1°, le membre de phrase " le 1er février X " est remplacé par le membre de phrase " le 1er février X-1 ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Une académie a droit à des périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial qui sont calculées au moyen de la formule A*B, où :
1° A : le nombre total de périodes de cours de l'académie de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci ;
2° B : X/Y, où :
a) X : le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial pour l'enseignement artistique à temps partiel ;
b) Y : le nombre total de périodes de cours pour l'enseignement artistique à temps partiel de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci. " ;
2° dans l'alinéa 3, 1°, le membre de phrase " le 1er février X " est remplacé par le membre de phrase " le 1er février X-1 ".
Art.174. In hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 5, afdeling 2, onderafdeling 4, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021, 25 februari 2022 en 23 november 2023, een artikel 76/2 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 76/2. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 83 en 84, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn academies aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die academie of academies een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de academie waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 73, § 3.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 76/2. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 83 en 84, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn academies aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die academie of academies een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de academie waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 73, § 3.
De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.174. Dans le même décret, il est ajouté au chapitre 5, section 2, sous-section 4, modifié par les décrets des 9 juillet 2021, 25 février 2022 et 23 novembre 2023, un article 76/2, rédigé comme suit :
" Art. 76/2. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, moyens de fonctionnement tels que visés aux articles 83 et 84, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou de plusieurs de ses académies, afin d'employer dans cette ou ces académies, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'académie où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 73, § 3.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 76/2. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, moyens de fonctionnement tels que visés aux articles 83 et 84, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou de plusieurs de ses académies, afin d'employer dans cette ou ces académies, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'académie où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 73, § 3.
La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.175. In artikel 82, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt tussen de zinsnede "uitgekeerd door de VDAB," en de woorden "of ten laste van de eigen middelen" de zinsnede "ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie," ingevoegd.
Art.175. Dans l'article 82, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 2022, le membre de phrase " , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou à charge des fonds propres ".
Art.176. In artikel 92 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° werkzoekend uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn;";
2° in paragraaf 1 wordt aan punt 5° een zinsnede toegevoegd, die luidt als volgt:
"of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of met eenzelfde tegemoetkoming bij de equivalente instanties van de andere gemeenschappen zoals bepaald in de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, artikel 1 en 5, § 1, II;";
3° in paragraaf 1 wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
"7° jongere zijn met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 6, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag;";
4° in paragraaf 1 wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
"10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming in de ziekteverzekering;";
5° in paragraaf 2 worden de woorden "leerling die ten laste is" vervangen door de woorden "jongere behorende tot de leefeenheid";
6° tussen paragraaf 2 en paragraaf 3 wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2bis. Als voor de toepassing van paragraaf 1 gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
1° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 10° : het rijksregisternummer of het identificatienummer beschikbaar in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 8° : het identificatienummer beschikbaar in de databanken van het Agentschap Opgroeien;
3° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 9° : het rijksregisternummer.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de inning van het inschrijvingsgeld. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het resultaat van de gegevensverwerking wordt gedeeld met de academies met het oog op het innen van het inschrijvingsgeld.
De maximale bewaartermijnen voor deze gegevens, die worden bewaard conform artikel 5, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende criteria:
1° de termijn die nodig is voor de bevoegde dienst om op basis van de gegevens het inschrijvingsgeld van de onderwijsinstellingen te innen en te controleren;
2° de termijn die nodig is voor de onderwijsinstellingen om het ontvangen inschrijvingsgeld te verantwoorden.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° werkzoekend uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn;";
2° in paragraaf 1 wordt aan punt 5° een zinsnede toegevoegd, die luidt als volgt:
"of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of met eenzelfde tegemoetkoming bij de equivalente instanties van de andere gemeenschappen zoals bepaald in de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, artikel 1 en 5, § 1, II;";
3° in paragraaf 1 wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
"7° jongere zijn met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 6, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag;";
4° in paragraaf 1 wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
"10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming in de ziekteverzekering;";
5° in paragraaf 2 worden de woorden "leerling die ten laste is" vervangen door de woorden "jongere behorende tot de leefeenheid";
6° tussen paragraaf 2 en paragraaf 3 wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2bis. Als voor de toepassing van paragraaf 1 gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
1° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 10° : het rijksregisternummer of het identificatienummer beschikbaar in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 8° : het identificatienummer beschikbaar in de databanken van het Agentschap Opgroeien;
3° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 9° : het rijksregisternummer.
De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de inning van het inschrijvingsgeld. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het resultaat van de gegevensverwerking wordt gedeeld met de academies met het oog op het innen van het inschrijvingsgeld.
De maximale bewaartermijnen voor deze gegevens, die worden bewaard conform artikel 5, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende criteria:
1° de termijn die nodig is voor de bevoegde dienst om op basis van de gegevens het inschrijvingsgeld van de onderwijsinstellingen te innen en te controleren;
2° de termijn die nodig is voor de onderwijsinstellingen om het ontvangen inschrijvingsgeld te verantwoorden.".
Art.176. A l'article 92 du même décret, modifié par les décrets des 9 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° être chômeur complet indemnisé à la recherche d'un emploi ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est ajouté au point 5° un membre de phrase, rédigé comme suit :
" ou percevoir un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins comme visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, ou une même intervention auprès des instances équivalentes des autres communautés, comme prévu dans la loi spéciale de réformes institutionnelles, articles 1 et 5, § 1er, II ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° être un jeune ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 6, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 concernant les modalités d'obtention d'une allocation de soins ; " ;
4° dans le paragraphe 1er, le point 10° est remplacé par ce qui suit :
" 10° être bénéficiaire de l'intervention majorée dans l'assurance maladie ; " ;
5° dans le paragraphe 2, les mots " élève qui est à la charge " sont remplacés par les mots " jeune qui fait partie de l'unité de vie " ;
6° entre les paragraphes 2 et 3, il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
1° pour les élèves répondant aux conditions 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° et 10° : le numéro de registre national ou le numéro d'identification disponible dans la Banque Carrefour de la Sécurité sociale ;
2° pour les élèves répondant à la condition 8° : le numéro d'identification disponible dans les bases de données de l'Agence Grandir ;
3° pour les élèves répondant à la condition 9° : le numéro de registre national.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé de la perception du droit d'inscription. Ce service compétent est le responsable du traitement des données, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). Le résultat du traitement des données est partagé avec les académies en vue de la perception du droit d'inscription.
Les délais de conservation maximum de ces données qui sont conservées conformément à l'article 5, alinéa 1er, e), du règlement général sur la protection des données, sont définis dans des règles de gestion visées à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018. A cette fin, les critères suivants sont pris en compte :
1° le délai nécessaire au service compétent pour percevoir et contrôler le droit d'inscription des établissements d'enseignement sur base des données ;
2° le délai nécessaire aux établissements d'enseignement pour justifier le droit d'inscription perçu. ".
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° être chômeur complet indemnisé à la recherche d'un emploi ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est ajouté au point 5° un membre de phrase, rédigé comme suit :
" ou percevoir un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins comme visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, ou une même intervention auprès des instances équivalentes des autres communautés, comme prévu dans la loi spéciale de réformes institutionnelles, articles 1 et 5, § 1er, II ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° être un jeune ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 6, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 concernant les modalités d'obtention d'une allocation de soins ; " ;
4° dans le paragraphe 1er, le point 10° est remplacé par ce qui suit :
" 10° être bénéficiaire de l'intervention majorée dans l'assurance maladie ; " ;
5° dans le paragraphe 2, les mots " élève qui est à la charge " sont remplacés par les mots " jeune qui fait partie de l'unité de vie " ;
6° entre les paragraphes 2 et 3, il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
1° pour les élèves répondant aux conditions 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° et 10° : le numéro de registre national ou le numéro d'identification disponible dans la Banque Carrefour de la Sécurité sociale ;
2° pour les élèves répondant à la condition 8° : le numéro d'identification disponible dans les bases de données de l'Agence Grandir ;
3° pour les élèves répondant à la condition 9° : le numéro de registre national.
Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé de la perception du droit d'inscription. Ce service compétent est le responsable du traitement des données, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). Le résultat du traitement des données est partagé avec les académies en vue de la perception du droit d'inscription.
Les délais de conservation maximum de ces données qui sont conservées conformément à l'article 5, alinéa 1er, e), du règlement général sur la protection des données, sont définis dans des règles de gestion visées à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018. A cette fin, les critères suivants sont pris en compte :
1° le délai nécessaire au service compétent pour percevoir et contrôler le droit d'inscription des établissements d'enseignement sur base des données ;
2° le délai nécessaire aux établissements d'enseignement pour justifier le droit d'inscription perçu. ".
Art.177. In artikel 111, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de woorden "het schooljaar dat volgt" vervangen door de woorden "de drie schooljaren die volgen".
Art.177. Dans l'article 111, § 2, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2021, les mots " l'année scolaire suivant " sont remplacés par les mots " les trois années scolaires suivant ".
Art.178. Aan artikel 114, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019 en 3 juli 2020, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, 3°, kan in een gemeente die als gevolg van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur het resultaat is van een fusie van verschillende gemeenten in 2019 of 2025, maximaal één nieuwe academie vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;
2° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.".
"In afwijking van het eerste lid, 3°, kan in een gemeente die als gevolg van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur het resultaat is van een fusie van verschillende gemeenten in 2019 of 2025, maximaal één nieuwe academie vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;
2° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.".
Art.178. Dans l'article 114, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 5 avril 2019 et 3 juillet 2020, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, dans une commune qui, suite au décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, est le résultat de la fusion de plusieurs communes en 2019 ou 2025, au maximum une nouvelle académie peut être admise à partir du 1er septembre au régime de financement ou de subventionnement si elle remplit les conditions suivantes au 1er octobre de l'année de création :
1° il n'y a pas encore d'implantation principale d'une académie établie sur le territoire de la commune ;
2° pendant trois années scolaires consécutives, l'autorité scolaire prend en charge le financement de la fonction de directeur, visée à l'article 77, et le cas échéant les périodes de cours pour l'appui à la gestion, visées à l'article 76, sur base de l'article 82. Dans l'enseignement communautaire, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 2. Dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 3. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, dans une commune qui, suite au décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, est le résultat de la fusion de plusieurs communes en 2019 ou 2025, au maximum une nouvelle académie peut être admise à partir du 1er septembre au régime de financement ou de subventionnement si elle remplit les conditions suivantes au 1er octobre de l'année de création :
1° il n'y a pas encore d'implantation principale d'une académie établie sur le territoire de la commune ;
2° pendant trois années scolaires consécutives, l'autorité scolaire prend en charge le financement de la fonction de directeur, visée à l'article 77, et le cas échéant les périodes de cours pour l'appui à la gestion, visées à l'article 76, sur base de l'article 82. Dans l'enseignement communautaire, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 2. Dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 3. ".
Art.179. Aan artikel 117, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2020 en 9 juli 2021, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de programmatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.".
"De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de programmatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.".
Art.179. Dans l'article 117, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 3 juillet 2020 et 9 juillet 2021, il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de programmation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption. ".
" Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de programmation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption. ".
Art.180. Aan artikel 125 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.".
"De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.".
Art.180. Dans l'article 125 du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de rationalisation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption. ".
" Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de rationalisation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption. ".
Art.181. Aan artikel 131, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide schoolbesturen wordt ondertekend, wordt de overdracht van omkadering geregeld, die wordt berekend volgens de gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt.
Beide schoolbesturen kunnen tot één maand na de ontvangst van de geverifieerde omkaderingsgegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanpassingen aan de regeling voor de overdracht van lestijden zoals gemeld voor 1 maart overeenkomen.".
"In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide schoolbesturen wordt ondertekend, wordt de overdracht van omkadering geregeld, die wordt berekend volgens de gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt.
Beide schoolbesturen kunnen tot één maand na de ontvangst van de geverifieerde omkaderingsgegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanpassingen aan de regeling voor de overdracht van lestijden zoals gemeld voor 1 maart overeenkomen.".
Art.181. Dans l'article 131, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 9 juillet 2021, un alinéa 3 et un alinéa 4 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" La convention d'un transfert d'une subdivision structurelle devant être signée par les deux autorités scolaires, règle le transfert de l'encadrement, qui est calculé selon les données fournies par l'Agence de Services d'Enseignement.
Jusqu'à un mois après la réception des données en matière d'encadrement vérifiées, l'Agence de Services d'Enseignement, les deux autorités scolaires peuvent convenir d'ajustements au régime applicable au transfert de périodes de cours tel que communiqué pour le 1er mars. ".
" La convention d'un transfert d'une subdivision structurelle devant être signée par les deux autorités scolaires, règle le transfert de l'encadrement, qui est calculé selon les données fournies par l'Agence de Services d'Enseignement.
Jusqu'à un mois après la réception des données en matière d'encadrement vérifiées, l'Agence de Services d'Enseignement, les deux autorités scolaires peuvent convenir d'ajustements au régime applicable au transfert de périodes de cours tel que communiqué pour le 1er mars. ".
Art.182. In artikel 141, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 20 december 2019 en 7 juli 2023, worden tussen de woorden "studenten hoger onderwijs" en de woorden "aan deelnemen" de woorden "of zestien leerlingen buitengewoon basis- of secundair onderwijs" ingevoegd.
Art.182. Dans l'article 141, § 1er, alinéa 1er, du même décret, modifié par les décrets des 20 décembre 2019 et 7 juillet 2023, les mots " ou seize élèves de l'enseignement fondamental ou secondaire spécial " sont insérés entre les mots " étudiants de l'enseignement supérieur " et les mots " y participent ".
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van het Groeipakketdecreet van 2018
CHAPITRE 18. - Modifications du décret relatif au Panier de croissance de 2018
Art.183. In artikel 3, § 1, 12°, van het Groeipakketdecreet van 2018 worden tussen de woorden "hoger beroepsonderwijs" en het woord "inricht" de woorden "of die de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" ingevoegd.
Art.183. Dans l'article 3, § 1er, 12°, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, les mots " ou la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 " sont insérés après les mots " de l'enseignement supérieur professionnel ".
Art.184. In artikel 35, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "en in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" vervangen door de zinsnede ", in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs en in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs".
Art.184. Dans l'article 35, alinéa 2, du même décret, les mots " ou dans la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel " sont remplacés par le membre de phrase " , dans la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel et dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ".
Art.185. In artikel 48 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 22 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "hoger beroepsonderwijs" en het woord "zit" de woorden "of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" ingevoegd;
2° in paragraaf 6, eerste lid, worden tussen de woorden "hoger beroepsonderwijs" en de zinsnede ", bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag" de woorden "of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "hoger beroepsonderwijs" en het woord "zit" de woorden "of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" ingevoegd;
2° in paragraaf 6, eerste lid, worden tussen de woorden "hoger beroepsonderwijs" en de zinsnede ", bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag" de woorden "of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs" ingevoegd.
Art.185. A l'article 48 du même décret, modifié par le décret du 22 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 " sont insérés après les mots " de l'enseignement supérieur professionnel ".
2° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, les mots " ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 " sont insérés entre les mots " de l'enseignement supérieur professionnel " et le membre de phrase " , l'allocation de participation ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 " sont insérés après les mots " de l'enseignement supérieur professionnel ".
2° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, les mots " ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 " sont insérés entre les mots " de l'enseignement supérieur professionnel " et le membre de phrase " , l'allocation de participation ".
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 19. - Modification du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves
Art.186. In artikel 48, § 2, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019 en 8 juli 2022, wordt tussen de zinsnede "uitgekeerd door de VDAB," en de woorden "ten laste van subsidies" de zinsnede "ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie," ingevoegd.
Art.186. Dans l'article 48, § 2, alinéa 1er, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, modifié par les décrets des 5 avril 2019 et 8 juillet 2022, le membre de phrase " à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre le membre de phrase " versée par le VDAB, " et les mots " à charge des subventions ".
HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen van het decreet van 26 april 2019 betreffende het kwaliteitstoezicht voor beroepskwalificerende trajecten op basis van een gemeenschappelijk kwaliteitskader
CHAPITRE 20. - Modifications du décret du 26 avril 2019 relatif à la surveillance de la qualité des parcours de qualification professionnelle sur la base d'un cadre commun de qualité
Art.187. Aan artikel 2 van het decreet van 26 april 2019 betreffende het kwaliteitstoezicht voor beroepskwalificerende trajecten op basis van een gemeenschappelijk kwaliteitskader wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"13° verwerkingsverantwoordelijke: de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
"13° verwerkingsverantwoordelijke: de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
Art.187. Dans l'article 2 du décret du 26 avril 2019 relatif à la surveillance de la qualité des parcours de qualification professionnelle sur la base d'un cadre commun de qualité, un point 13° est ajouté, rédigé comme suit :
" 13° responsable du traitement : le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
" 13° responsable du traitement : le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
Art.188. Aan hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023, wordt een hoofdstuk 4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 4. Bepalingen voor de beleidsvelden werkgelegenheid en professionele vorming".
"Hoofdstuk 4. Bepalingen voor de beleidsvelden werkgelegenheid en professionele vorming".
Art.188. Dans le même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2023, il est ajouté un chapitre 4, rédigé comme suit :
" Chapitre 4. Dispositions pour les domaines politiques de l'emploi et de la formation professionnelle ".
" Chapitre 4. Dispositions pour les domaines politiques de l'emploi et de la formation professionnelle ".
Art.189. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 188, een artikel 10 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 10. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beleidsvelden werkgelegenheid en professionele vorming.".
"Art. 10. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beleidsvelden werkgelegenheid en professionele vorming.".
Art.189. Dans le même décret, au chapitre 4, inséré par l'article 188, il est inséré un article 10, rédigé comme suit :
" Art. 10. Le présent chapitre s'applique aux domaines politiques de l'emploi et de la formation professionnelle. ".
" Art. 10. Le présent chapitre s'applique aux domaines politiques de l'emploi et de la formation professionnelle. ".
Art.190. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel 11 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 11. In het kader van monitoring van de doelmatigheid en het bereik van de maatregel beroepskwalificerende trajecten, bezorgt de organisatie voor het einde van de maand januari per erkend beroepskwalificerend traject de volgende gegevens die betrekking hebben op het voorgaande kalenderjaar aan het Departement Werk en Sociale Economie:
1° de voor- en achternaam en het rijksregisternummer van de lerende;
2° de begindatum van het beroepskwalificerend traject;
3° de beroepskwalificatie, deelkwalificatie of competenties die de lerende heeft behaald of de vermelding dat de lerende geen beroeps- of deelkwalificatie of competenties heeft behaald.
In het kader van beleidsmatige evaluatie van beroepskwalificerende trajecten kan het Departement Werk en Sociale Economie bijkomende gegevens, die geen persoonsgegevens zijn, opvragen. De organisatie bezorgt de voormelde gegevens aan het Departement Werk en Sociale Economie binnen dertig dagen nadat ze de voormelde vraag heeft ontvangen.
De organisatie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de overdracht van de gegevens, vermeld in het eerste lid.
De organisatie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, slechts zo lang als nodig voor de monitoring en met een maximumtermijn van tien jaar.
Het Departement Werk en Sociale Economie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de monitoring, vermeld in het eerste lid.
Het Departement Werk en Sociale Economie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, slechts zo lang als nodig voor de monitoring en met een maximumtermijn van tien jaar.".
"Art. 11. In het kader van monitoring van de doelmatigheid en het bereik van de maatregel beroepskwalificerende trajecten, bezorgt de organisatie voor het einde van de maand januari per erkend beroepskwalificerend traject de volgende gegevens die betrekking hebben op het voorgaande kalenderjaar aan het Departement Werk en Sociale Economie:
1° de voor- en achternaam en het rijksregisternummer van de lerende;
2° de begindatum van het beroepskwalificerend traject;
3° de beroepskwalificatie, deelkwalificatie of competenties die de lerende heeft behaald of de vermelding dat de lerende geen beroeps- of deelkwalificatie of competenties heeft behaald.
In het kader van beleidsmatige evaluatie van beroepskwalificerende trajecten kan het Departement Werk en Sociale Economie bijkomende gegevens, die geen persoonsgegevens zijn, opvragen. De organisatie bezorgt de voormelde gegevens aan het Departement Werk en Sociale Economie binnen dertig dagen nadat ze de voormelde vraag heeft ontvangen.
De organisatie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de overdracht van de gegevens, vermeld in het eerste lid.
De organisatie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, slechts zo lang als nodig voor de monitoring en met een maximumtermijn van tien jaar.
Het Departement Werk en Sociale Economie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de monitoring, vermeld in het eerste lid.
Het Departement Werk en Sociale Economie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, slechts zo lang als nodig voor de monitoring en met een maximumtermijn van tien jaar.".
Art.190. Dans le même décret, le même chapitre 4 est complété par un article 11, rédigé comme suit :
" Art. 11. Dans le cadre du suivi de l'efficacité et de la portée de la mesure parcours de qualification professionnelle, l'organisation transmet au Département de l'Emploi et de l'Economie sociale, avant la fin du mois de janvier, par parcours de qualification professionnelle reconnu, les données suivantes, qui ont trait à l'année calendaire précédente :
1° les prénom et nom et le numéro de registre national de l'apprenant ;
2° la date de début du parcours de qualification professionnelle ;
3° la qualification professionnelle, la qualification partielle ou les compétences obtenues par l'apprenant, ou la mention que l'apprenant n'a pas obtenu de qualification professionnelle ou partielle ou de compétences.
Dans le cadre de l'évaluation politique de parcours de qualification professionnelle, le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale peut demander des données supplémentaires, qui ne sont pas des données à caractère personnel. L'organisation transmet les données précitées au Département de l'Emploi et de l'Economie sociale dans les trente jours après avoir reçu la demande précitée.
L'organisation est le responsable du traitement des données à caractère personnel dans le cadre du transfert des données, visé à l'alinéa 1er.
L'organisation ne conserve les données visées à l'alinéa 1er que le temps nécessaire pour le suivi et pour une période maximale de dix ans.
Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale est le responsable du traitement des données à caractère personnel dans le cadre du suivi, visé à l'alinéa 1er.
Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ne conserve les données visées à l'alinéa 1er que le temps nécessaire pour le suivi et pour une période maximale de 10 ans. ".
" Art. 11. Dans le cadre du suivi de l'efficacité et de la portée de la mesure parcours de qualification professionnelle, l'organisation transmet au Département de l'Emploi et de l'Economie sociale, avant la fin du mois de janvier, par parcours de qualification professionnelle reconnu, les données suivantes, qui ont trait à l'année calendaire précédente :
1° les prénom et nom et le numéro de registre national de l'apprenant ;
2° la date de début du parcours de qualification professionnelle ;
3° la qualification professionnelle, la qualification partielle ou les compétences obtenues par l'apprenant, ou la mention que l'apprenant n'a pas obtenu de qualification professionnelle ou partielle ou de compétences.
Dans le cadre de l'évaluation politique de parcours de qualification professionnelle, le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale peut demander des données supplémentaires, qui ne sont pas des données à caractère personnel. L'organisation transmet les données précitées au Département de l'Emploi et de l'Economie sociale dans les trente jours après avoir reçu la demande précitée.
L'organisation est le responsable du traitement des données à caractère personnel dans le cadre du transfert des données, visé à l'alinéa 1er.
L'organisation ne conserve les données visées à l'alinéa 1er que le temps nécessaire pour le suivi et pour une période maximale de dix ans.
Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale est le responsable du traitement des données à caractère personnel dans le cadre du suivi, visé à l'alinéa 1er.
Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ne conserve les données visées à l'alinéa 1er que le temps nécessaire pour le suivi et pour une période maximale de 10 ans. ".
Art.191. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel 12 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 12. De bewijzen van beroepskwalificatie worden uiterlijk uitgereikt en geregistreerd in de databank, vermeld in artikel 13, twee maanden nadat het beroepskwalificerend traject beëindigd is.
Een bewijs van deelkwalificatie en een bewijs van competenties kunnen tijdens een traject worden uitgereikt aan de lerende die ervoor in aanmerking komt, als de lerende erom vraagt.
De organisatie registreert de volgende gegevens om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken aan de lerende:
1° de voor- en achternaam en het rijksregisternummer van de lerende;
2° de beroepskwalificatie die is beoordeeld;
3° het resultaat van de beoordeling;
4° een overzicht van de bewezen competenties;
5° de beslissing om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken;
6° de datum van de beoordeling.
De organisatie is in het geval, vermeld in het eerste lid, de verwerkingsverantwoordelijke.
De organisatie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, tot een jaar na de betekening van de beslissing om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken.".
"Art. 12. De bewijzen van beroepskwalificatie worden uiterlijk uitgereikt en geregistreerd in de databank, vermeld in artikel 13, twee maanden nadat het beroepskwalificerend traject beëindigd is.
Een bewijs van deelkwalificatie en een bewijs van competenties kunnen tijdens een traject worden uitgereikt aan de lerende die ervoor in aanmerking komt, als de lerende erom vraagt.
De organisatie registreert de volgende gegevens om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken aan de lerende:
1° de voor- en achternaam en het rijksregisternummer van de lerende;
2° de beroepskwalificatie die is beoordeeld;
3° het resultaat van de beoordeling;
4° een overzicht van de bewezen competenties;
5° de beslissing om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken;
6° de datum van de beoordeling.
De organisatie is in het geval, vermeld in het eerste lid, de verwerkingsverantwoordelijke.
De organisatie bewaart de gegevens, vermeld in het eerste lid, tot een jaar na de betekening van de beslissing om een bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie of bewijs van competenties uit te reiken.".
Art.191. Dans le même décret, le même chapitre 4 est complété par un article 12, rédigé comme suit :
" Art. 12. Les preuves des qualifications professionnelles sont délivrées et enregistrées dans la base de données visée à l'article 13 au plus tard deux mois après la fin du parcours de qualification professionnelle.
Une certification de qualification partielle et une certification de compétences peuvent être délivrées au cours d'un parcours à l'apprenant qui en est éligible, si l'apprenant le demande.
L'organisation enregistre les données suivantes afin de fournir à l'apprenant une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences :
1° les prénom et nom et le numéro de registre national de l'apprenant ;
2° la qualification professionnelle évaluée ;
3° le résultat de l'évaluation ;
4° un aperçu des compétences prouvées ;
5° la décision de délivrer une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences ;
6° la date de l'évaluation.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, l'organisation est le responsable du traitement.
L'organisation conserve les données visées à l'alinéa 1er pendant un an après la notification de la décision de délivrer une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences. ".
" Art. 12. Les preuves des qualifications professionnelles sont délivrées et enregistrées dans la base de données visée à l'article 13 au plus tard deux mois après la fin du parcours de qualification professionnelle.
Une certification de qualification partielle et une certification de compétences peuvent être délivrées au cours d'un parcours à l'apprenant qui en est éligible, si l'apprenant le demande.
L'organisation enregistre les données suivantes afin de fournir à l'apprenant une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences :
1° les prénom et nom et le numéro de registre national de l'apprenant ;
2° la qualification professionnelle évaluée ;
3° le résultat de l'évaluation ;
4° un aperçu des compétences prouvées ;
5° la décision de délivrer une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences ;
6° la date de l'évaluation.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, l'organisation est le responsable du traitement.
L'organisation conserve les données visées à l'alinéa 1er pendant un an après la notification de la décision de délivrer une certification professionnelle, une certification de qualification partielle ou une certification de compétences. ".
Art.192. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel 13 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 13. In dit artikel wordt verstaan onder leer- en ervaringsbewijzendatabank: de leer- en ervaringsbewijzendatabank, vermeld in artikel 20 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.
De organisatie registreert de volgende gegevens in de leer- en ervaringsbewijzendatabank:
1° het rijksregisternummer van de lerende die een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie of een bewijs van competenties heeft verworven;
2° de naam van het bewijs van beroepskwalificatie, deelkwalificatie of competenties;
3° de datum waarop het bewijs is uitgereikt aan de lerende.".
"Art. 13. In dit artikel wordt verstaan onder leer- en ervaringsbewijzendatabank: de leer- en ervaringsbewijzendatabank, vermeld in artikel 20 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.
De organisatie registreert de volgende gegevens in de leer- en ervaringsbewijzendatabank:
1° het rijksregisternummer van de lerende die een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie of een bewijs van competenties heeft verworven;
2° de naam van het bewijs van beroepskwalificatie, deelkwalificatie of competenties;
3° de datum waarop het bewijs is uitgereikt aan de lerende.".
Art.192. Dans le même décret, le même chapitre 4 est complété par un article 13, rédigé comme suit :
" Art. 13. Dans le présent article, on entend par base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle : la base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle, visée à l'article 20 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.
L'organisation enregistre les données suivantes dans la base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle :
1° le numéro de registre national de l'apprenant qui a acquis une certification professionnelle, une certification partielle ou une certification des compétences ;
2° le nom de la certification professionnelle, de la certification partielle ou de la certification des compétences ;
3° la date à laquelle la certification est délivrée à l'apprenant. ".
" Art. 13. Dans le présent article, on entend par base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle : la base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle, visée à l'article 20 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.
L'organisation enregistre les données suivantes dans la base de données de titres d'apprentissage et de compétence professionnelle :
1° le numéro de registre national de l'apprenant qui a acquis une certification professionnelle, une certification partielle ou une certification des compétences ;
2° le nom de la certification professionnelle, de la certification partielle ou de la certification des compétences ;
3° la date à laquelle la certification est délivrée à l'apprenant. ".
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van het decreet van 3 juni 2022 over de organisatie van de zomerscholen
CHAPITRE 21. - Modification du décret du 3 juin 2022 relatif à l'organisation des écoles d'été
Art.193. Aan het decreet van 3 juni 2022 over de organisatie van zomerscholen wordt een artikel 7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 7. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een organisator van een zomerschool kan de projectsubsidies, vermeld in artikel 6, aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die zomerschool een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
§ 3. De organisator van een zomerschool sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij de organisator van de zomerschool hebben.".
"Art. 7. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een organisator van een zomerschool kan de projectsubsidies, vermeld in artikel 6, aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die zomerschool een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
§ 3. De organisator van een zomerschool sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij de organisator van de zomerschool hebben.".
Art.193. Dans le décret du 3 juin 2022 relatif à l'organisation des écoles d'été, un article 7 est ajouté, rédigé comme suit :
" Art. 7. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. Un organisateur d'une école d'été peut utiliser les subventions de projet visées à l'article 6 afin d'employer dans cette école d'été, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
§ 3. L'organisateur d'une école d'été conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'organisateur de l'école d'été. ".
" Art. 7. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. Un organisateur d'une école d'été peut utiliser les subventions de projet visées à l'article 6 afin d'employer dans cette école d'été, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
§ 3. L'organisateur d'une école d'été conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'organisateur de l'école d'été. ".
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun
CHAPITRE 22. - Modifications du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage
Art.194. In artikel 52, § 2, eerste lid, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun wordt tussen de woorden "uitgekeerd door de VDAB" en de woorden "of ten laste van subsidies" de zinsnede ", ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie" ingevoegd.
Art.194. Dans l'article 52, § 2, alinéa 1er, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, le membre de phrase " , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale " est inséré entre les mots " versée par le VDAB " et les mots " ou à charge des subventions ".
Art.195. In artikel 56, § 1, van hetzelfde decreet, wordt de zinsnede "besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot bepaling van de inhoud van het gemotiveerd verslag en van het attest bij het verslag voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in een school voor gewoon onderwijs of tot het buitengewoon onderwijs" vervangen door de zinsnede "besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot bepaling van de inhoud van het GC-verslag en van het attest bij het IAC-verslag of OV4-verslag".
Art.195. Dans l'article 56, § 1er, du même décret, le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2015 fixant le contenu du rapport motivé et de l'attestation jointe au rapport sur l'accès à un programme adapté individuellement dans une école d'enseignement ordinaire ou à l'enseignement spécial " est remplacé par le membre de phrase " arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2015 fixant le contenu du rapport GC ou de l'attestation jointe au rapport IAC ou au rapport OV4 ".
HOOFDSTUK 23. - Wijzigingen van het decreet over de onderwijsinternaten van 16 juni 2023
CHAPITRE 23. - Modifications du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement
Art.196. In artikel 3, § 1, van het decreet over de onderwijsinternaten van 16 juni 2023 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er worden voor punt 1°, dat punt 1° /2 wordt, een nieuw punt 1° en punt 1° /1 ingevoegd, die luiden als volgt:
"1° afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
1° /1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
2° er wordt een punt 3° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"3° /1 fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;".
1° er worden voor punt 1°, dat punt 1° /2 wordt, een nieuw punt 1° en punt 1° /1 ingevoegd, die luiden als volgt:
"1° afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
1° /1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;";
2° er wordt een punt 3° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"3° /1 fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;".
Art.196. A l'article 3, § 1er, du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement, les modifications suivantes sont apportées :
1° avant le point 1°, qui devient le point 1° /2, sont insérés un nouveau point 1° et un point 1° /1, rédigés comme suit :
" 1° isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
1° /1 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
2° un point 3° /1 est inséré, rédigé comme suit :
" 3° /1 contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; ".
1° avant le point 1°, qui devient le point 1° /2, sont insérés un nouveau point 1° et un point 1° /1, rédigés comme suit :
" 1° isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
1° /1 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ; " ;
2° un point 3° /1 est inséré, rédigé comme suit :
" 3° /1 contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ; ".
Art.197. In artikel 15, tweede lid, 6°, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het woord "een" en het woord "interne" wordt het woord "leerplichtige" ingevoegd;
2° de woorden "als vermeld in" worden vervangen door het woord "overeenkomstig".
1° tussen het woord "een" en het woord "interne" wordt het woord "leerplichtige" ingevoegd;
2° de woorden "als vermeld in" worden vervangen door het woord "overeenkomstig".
Art.197. A l'article 15, alinéa 2, 6°, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " soumis à l'obligation scolaire " sont insérés après le mot " interne " ;
2° les mots " tel que visé " sont remplacés par le mot " conformément ".
1° les mots " soumis à l'obligation scolaire " sont insérés après le mot " interne " ;
2° les mots " tel que visé " sont remplacés par le mot " conformément ".
Art.198. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 5/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 5/1. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
"Hoofdstuk 5/1. Principieel verbod op afzondering en fixatie".
Art.198. Dans le même décret, il est inséré un chapitre 5/1, rédigé comme suit :
" Chapitre 5/1. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
" Chapitre 5/1. Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ".
Art.199. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 5/1, ingevoegd bij artikel 198, een artikel 21/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 21/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door het onderwijsinternaat is verboden, behalve onder de in artikel 21/2 en 21/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een onderwijsinternaat inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als een onderwijsinternaat reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt het onderwijsinternaat een procedure ter bescherming van de betrokken interne of de groep van de betrokken internen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
Het onderwijsinternaat betrekt de internen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen. Het beleid met betrekking tot afzondering en fixatie wordt opgenomen in het reglement, vermeld in artikel 22.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven ingezet worden om afzondering en fixatie in de toekomst te vermijden.".
"Art. 21/1. § 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door het onderwijsinternaat is verboden, behalve onder de in artikel 21/2 en 21/3 omschreven voorwaarden.
Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
§ 2. Als een onderwijsinternaat inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als een onderwijsinternaat reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt het onderwijsinternaat een procedure ter bescherming van de betrokken interne of de groep van de betrokken internen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1° de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2° de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3° algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
Het onderwijsinternaat betrekt de internen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen. Het beleid met betrekking tot afzondering en fixatie wordt opgenomen in het reglement, vermeld in artikel 22.
§ 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven ingezet worden om afzondering en fixatie in de toekomst te vermijden.".
Art.199. Dans le même décret, il est inséré dans le chapitre 5/1, inséré par l'article 198, un article 21/1, rédigé comme suit :
" Art. 21/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'internat de l'enseignement est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 21/2 et 21/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si un internat de l'enseignement estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si un internat de l'enseignement a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'internat de l'enseignement élabore une procédure de protection de l'interne concerné ou du groupe d'internes concernés. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'internat de l'enseignement associe les internes et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er. La politique relative à l'isolement et à la contention est intégrée dans le règlement visé à l'article 22.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
" Art. 21/1. § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'internat de l'enseignement est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 21/2 et 21/3.
L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
§ 2. Si un internat de l'enseignement estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si un internat de l'enseignement a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'internat de l'enseignement élabore une procédure de protection de l'interne concerné ou du groupe d'internes concernés. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
L'internat de l'enseignement associe les internes et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er. La politique relative à l'isolement et à la contention est intégrée dans le règlement visé à l'article 22.
§ 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur. ".
Art.200. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 5/1 een artikel 21/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 21/2. § 1. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de interne of anderen, is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de interne en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° mechanische fixatie bij internen, jonger dan 12 jaar, is verboden;
6° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
7° het personeel van het onderwijsinternaat heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de interne met de focus op het welbevinden van de interne;
8° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder mechanische fixatie: fixatie door middel van het aanwenden van mechanische hulpmiddelen bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon. Die mechanische hulpmiddelen kunnen niet zelfstandig door de persoon verwijderd worden. Hulpmiddelen voor het ondersteunen of corrigeren van de fysieke houding van de persoon bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon, en die niet zelfstandig door de persoon verwijderd kunnen worden, worden niet beschouwd als mechanische fixatie tenzij deze hulpmiddelen buiten hun oorspronkelijke doelstelling gebruikt worden.
§ 2. Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de interne en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 21/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 21/2. § 1. Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de interne of anderen, is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2° de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3° de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de interne en de situatie;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° mechanische fixatie bij internen, jonger dan 12 jaar, is verboden;
6° het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
7° het personeel van het onderwijsinternaat heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de interne met de focus op het welbevinden van de interne;
8° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder mechanische fixatie: fixatie door middel van het aanwenden van mechanische hulpmiddelen bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon. Die mechanische hulpmiddelen kunnen niet zelfstandig door de persoon verwijderd worden. Hulpmiddelen voor het ondersteunen of corrigeren van de fysieke houding van de persoon bevestigd aan of in de directe omgeving van de persoon, en die niet zelfstandig door de persoon verwijderd kunnen worden, worden niet beschouwd als mechanische fixatie tenzij deze hulpmiddelen buiten hun oorspronkelijke doelstelling gebruikt worden.
§ 2. Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de interne en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 21/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.200. Dans le même décret, le même chapitre 5/1 est complété par un article 21/2, rédigé comme suit :
" Art. 21/2. § 1er. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'interne ou d'autres personnes, est interdit sauf dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'interne et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'interne, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° la contention mécanique des internes de moins de 12 ans est interdite ;
6° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
7° pendant la mesure, le personnel de l'internat de l'enseignement entretient des contacts réguliers avec l'interne, tout en se concentrant sur son bien-être ;
8° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Dans l'alinéa 1er, 5°, on entend par contention mécanique : la contention au moyen de dispositifs mécaniques attachés à la personne ou se trouvant à proximité immédiate de celle-ci. Ces dispositifs mécaniques ne peuvent pas être enlevés de manière autonome par la personne. Les dispositifs destinés à soutenir ou à corriger la posture physique de la personne qui sont fixés à la personne ou à proximité immédiate de celle-ci et qui ne peuvent être enlevés de manière autonome par la personne ne sont pas considérés comme une contention mécanique, sauf si ces dispositifs sont utilisés en dehors de leur objectif initial.
§ 2. Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention. Un débriefing avec l'interne et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'article 21/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 21/2. § 1er. L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'interne ou d'autres personnes, est interdit sauf dans les conditions suivantes :
1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'interne et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'interne, et est adaptée à la situation ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° la contention mécanique des internes de moins de 12 ans est interdite ;
6° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
7° pendant la mesure, le personnel de l'internat de l'enseignement entretient des contacts réguliers avec l'interne, tout en se concentrant sur son bien-être ;
8° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Dans l'alinéa 1er, 5°, on entend par contention mécanique : la contention au moyen de dispositifs mécaniques attachés à la personne ou se trouvant à proximité immédiate de celle-ci. Ces dispositifs mécaniques ne peuvent pas être enlevés de manière autonome par la personne. Les dispositifs destinés à soutenir ou à corriger la posture physique de la personne qui sont fixés à la personne ou à proximité immédiate de celle-ci et qui ne peuvent être enlevés de manière autonome par la personne ne sont pas considérés comme une contention mécanique, sauf si ces dispositifs sont utilisés en dehors de leur objectif initial.
§ 2. Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention. Un débriefing avec l'interne et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'article 21/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.201. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 5/1 een artikel 21/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 21/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de interne of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de interne is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de interne en zijn ouders stemmen in, of wanneer de interne niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de interne;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van het onderwijsinternaat heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de interne met de focus op het welbevinden van de interne;
6 bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de interne en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
"Art. 21/3. Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de interne of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de interne is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de interne en zijn ouders stemmen in, of wanneer de interne niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar;
2° afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de interne;
3° de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4° tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van het onderwijsinternaat heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de interne met de focus op het welbevinden van de interne;
6 bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de interne en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.".
Art.201. Dans le même décret, le même chapitre 5/1 est complété par un article 21/3, rédigé comme suit :
" Art. 21/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'interne ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'interne sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'interne et ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'interne n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'interne ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'internat de l'enseignement entretient des contacts réguliers avec l'interne, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement et de la contention. Un débriefing avec l'interne et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
" Art. 21/3. L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'interne ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'interne sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
1° l'interne et ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'interne n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment ;
2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'interne ;
3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
5° pendant la mesure, le personnel de l'internat de l'enseignement entretient des contacts réguliers avec l'interne, tout en se concentrant sur son bien-être ;
6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement et de la contention. Un débriefing avec l'interne et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué. ".
Art.202. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 5/1 een artikel 21/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 21/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 21/2 en 21/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de interne mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de interne;
5° de interne kan rechtstreeks contact nemen met een internaatsmedewerker, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de interne met de internaatsmedewerker kan communiceren.
Het onderwijsinternaat bepaalt, als onderdeel van zijn beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 21/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
"Art. 21/4. De afzonderingskamer, vermeld in artikel 21/2 en 21/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2° er is fysieke nabijheid op maat van de interne mogelijk;
3° alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4° de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de interne;
5° de interne kan rechtstreeks contact nemen met een internaatsmedewerker, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de interne met de internaatsmedewerker kan communiceren.
Het onderwijsinternaat bepaalt, als onderdeel van zijn beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 21/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.".
Art.202. Dans le même décret, le même chapitre 5/1 est complété par un article 21/4, rédigé comme suit :
" Art. 21/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 21/2 et 21/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'interne est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'interne sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'interne peut contacter directement un collaborateur d'internat. La possibilité est également prévue pour que l'interne puisse communiquer avec le collaborateur d'internat.
L'internat de l'enseignement détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 21/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. 21/4. La chambre d'isolement, visée aux articles 21/2 et 21/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
2° une proximité physique adaptée à l'interne est possible ;
3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'interne sont prévues dans la chambre d'isolement ;
5° l'interne peut contacter directement un collaborateur d'internat. La possibilité est également prévue pour que l'interne puisse communiquer avec le collaborateur d'internat.
L'internat de l'enseignement détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 21/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er. ".
Art.203. In hetzelfde decreet wordt in hetzelfde hoofdstuk 5/1 een artikel 21/5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 21/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat het onderwijsinternaat een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 21/2 of 21/3, heeft moeten nemen bij een interne registreert het onderwijsinternaat de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de interne of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de interne en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
h) info over de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de interne te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op internenniveau: het vrijwaren van de rechten van de interne;
2° op onderwijsinternaatsniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 21/1, en om de kwaliteit van zorg voor de interne te verhogen.
§ 3. Het onderwijsinternaatsbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens met betrekking tot deze gegevens.
Het onderwijsinternaatsbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het onderwijsinternaatsbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het onderwijsinternaatsbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de interne ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De onderwijsinternaten kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen van 27 april 2016 in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming.".
"Art. 21/5. § 1. Vanaf de eerste keer dat het onderwijsinternaat een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 21/2 of 21/3, heeft moeten nemen bij een interne registreert het onderwijsinternaat de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a) het type maatregel;
b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c) het verloop van de maatregel;
d) het tijdstip van begin en einde;
e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f) of er verwondingen bij de interne of bij derden zijn;
g) de eventuele opmerkingen van de interne en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
h) info over de nabespreking.
§ 2. De persoonsgegevens die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de interne te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op internenniveau: het vrijwaren van de rechten van de interne;
2° op onderwijsinternaatsniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 21/1, en om de kwaliteit van zorg voor de interne te verhogen.
§ 3. Het onderwijsinternaatsbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens met betrekking tot deze gegevens.
Het onderwijsinternaatsbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het onderwijsinternaatsbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het onderwijsinternaatsbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
§ 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de interne ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
§ 5. De onderwijsinternaten kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen van 27 april 2016 in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming.".
Art.203. Dans le même décret, le même chapitre 5/1 est complété par un article 21/5, rédigé comme suit :
" Art. 21/5. § 1er. Dès la première fois où l'internat de l'enseignement a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 21/2 ou 21/3 pour un interne, l'internat de l'enseignement enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'interne ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'interne et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) les informations relatives au débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'interne et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des internes : la sauvegarde des droits de l'interne ;
2° au niveau de l'internat de l'enseignement : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée à l'article 21/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'interne.
§ 3. L'autorité de l'internat de l'enseignement est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel portant sur ces données.
L'autorité de l'internat de l'enseignement détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité de l'internat d'enseignement prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité de l'internat de l'enseignement et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'interne était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les internats de l'enseignement peuvent échanger entre eux les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
" Art. 21/5. § 1er. Dès la première fois où l'internat de l'enseignement a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 21/2 ou 21/3 pour un interne, l'internat de l'enseignement enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
a) le type de mesure ;
b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
c) le déroulement de la mesure ;
d) la date de début et de fin ;
e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
f) les blessures éventuelles subies par l'interne ou par des tiers ;
g) les remarques éventuelles de l'interne et des parents sur le déroulement de la mesure ;
h) les informations relatives au débriefing.
§ 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'interne et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° au niveau des internes : la sauvegarde des droits de l'interne ;
2° au niveau de l'internat de l'enseignement : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée à l'article 21/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'interne.
§ 3. L'autorité de l'internat de l'enseignement est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel portant sur ces données.
L'autorité de l'internat de l'enseignement détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité de l'internat d'enseignement prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité de l'internat de l'enseignement et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
§ 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'interne était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
§ 5. Les internats de l'enseignement peuvent échanger entre eux les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). ".
Art.204. Aan artikel 26 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Met de ORE, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen in elk onderwijsinternaat betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering.".
" § 4. Met de ORE, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen in elk onderwijsinternaat betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering.".
Art.204. Dans l'article 26 du même décret, il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Les ORE visées aux paragraphes 1er et 2 permettent l'organisation d'emplois dans des fonctions de recrutement dans chaque internat de l'enseignement conformément aux dispositions applicables à l'encadrement octroyé. ".
" § 4. Les ORE visées aux paragraphes 1er et 2 permettent l'organisation d'emplois dans des fonctions de recrutement dans chaque internat de l'enseignement conformément aux dispositions applicables à l'encadrement octroyé. ".
Art.205. In artikel 27, § 1, tweede lid, 2°, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "één interne" en de zinsnede ", met" de woorden "die valt onder toepassing van artikel 25, § 1, van dit decreet" ingevoegd.
Art.205. Dans l'article 27, § 1er, alinéa 2, 2°, du même décret, les mots " qui relève de l'application de l'article 25, § 1er, du présent décret " sont insérés entre les mots " un seul interne " et le membre de phrase " , à l'exception ".
Art.206. Aan hoofdstuk 7, afdeling 4, van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 3. Flexi-jobs".
"Onderafdeling 3. Flexi-jobs".
Art.206. Dans le chapitre 7, section 4, du même décret, il est inséré une sous-section 3, rédigée comme suit :
" Sous-section 3. Flexi-jobs ".
" Sous-section 3. Flexi-jobs ".
Art.207. In hetzelfde decreet wordt in onderafdeling 3, toegevoegd bij artikel 206, een artikel 34/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 34/1. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een bestuur kan bij een tekort aan ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 36 en 37, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar werkingsbudget, voor de wervingsambten van het ondersteunend personeel van een of meer van zijn onderwijsinternaten aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat onderwijsinternaat of die onderwijsinternaten een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het bestuur in het onderwijsinternaat waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het bestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het bestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een bestuur enkel het werkingsbudget gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 167.
De mogelijkheid om het werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
"Art. 34/1. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
§ 2. Een bestuur kan bij een tekort aan ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 36 en 37, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar werkingsbudget, voor de wervingsambten van het ondersteunend personeel van een of meer van zijn onderwijsinternaten aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat onderwijsinternaat of die onderwijsinternaten een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
Het tekort aan ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het bestuur in het onderwijsinternaat waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
§ 3. Het bestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het bestuur hebben.
§ 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een bestuur enkel het werkingsbudget gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 167.
De mogelijkheid om het werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.".
Art.207. Dans le même décret, dans la sous-section 3, ajoutée par l'article 206, il est ajouté un article 34/1, rédigé comme suit :
" Art. 34/1. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé aux articles 36 et 37, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en budget de fonctionnement, pour les fonctions de recrutement du personnel d'appui d'un ou de plusieurs de ses internats de l'enseignement, afin d'employer dans cet ou ces internats de l'enseignement, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité, dans l'internat de l'enseignement où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité peut uniquement utiliser le budget de fonctionnement obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 167.
La faculté d'utiliser le budget de fonctionnement, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
" Art. 34/1. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
§ 2. En cas de pénurie de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé aux articles 36 et 37, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en budget de fonctionnement, pour les fonctions de recrutement du personnel d'appui d'un ou de plusieurs de ses internats de l'enseignement, afin d'employer dans cet ou ces internats de l'enseignement, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
La pénurie de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité, dans l'internat de l'enseignement où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
§ 3. L'autorité conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité.
§ 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité peut uniquement utiliser le budget de fonctionnement obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 167.
La faculté d'utiliser le budget de fonctionnement, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne. ".
Art.208. In artikel 36, § 1 en § 2, van hetzelfde decreet wordt het getal "12.925.900" telkens vervangen door het getal "13.507.000".
Art.208. Dans l'article 36, § 1er et § 2, du même décret, le nombre " 12.925.900 " est chaque fois remplacé par le nombre " 13.507.000 ".
Art.209. In artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet wordt het getal "34.371" vervangen door het getal "35.885,08".
Art.209. Dans l'article 37, § 2, du même décret, le nombre " 34.371 " est remplacé par le nombre " 35.885,08 ".
Art.210. In artikel 40 van hetzelfde decreet wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Opdat het bijkomend werkingsbudget kan uitgekeerd worden aan het onderwijsinternaat, registreert het onderwijsinternaat jaarlijks voor welke leerplichtige interne de beide ouders of desgevallend de enige ouder een ambulant beroep als binnenschipper, kermis- en circusexploitant en -artiest uitoefenen. Hiervoor houdt het onderwijsinternaat, op het onderwijsinternaat en ter inzage van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap, een ingevulde en door de Burgerlijke Stand ondertekende verklaring bij.".
"Opdat het bijkomend werkingsbudget kan uitgekeerd worden aan het onderwijsinternaat, registreert het onderwijsinternaat jaarlijks voor welke leerplichtige interne de beide ouders of desgevallend de enige ouder een ambulant beroep als binnenschipper, kermis- en circusexploitant en -artiest uitoefenen. Hiervoor houdt het onderwijsinternaat, op het onderwijsinternaat en ter inzage van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap, een ingevulde en door de Burgerlijke Stand ondertekende verklaring bij.".
Art.210. Dans l'article 40 du même décret, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Pour que le budget de fonctionnement supplémentaire puisse être distribué à l'internat de l'enseignement, ce dernier enregistre chaque année les internes soumis à l'obligation scolaire dont les deux parents ou le cas échéant le seul parent exerce(nt) une profession ambulante telle que batelier, forain, exploitant et artiste de cirque. L'internat de l'enseignement conserve pour ce faire, dans l'internat de l'enseignement et à la disposition du service compétent de la Communauté flamande, une déclaration complétée et signée par l'Etat civil. ".
" Pour que le budget de fonctionnement supplémentaire puisse être distribué à l'internat de l'enseignement, ce dernier enregistre chaque année les internes soumis à l'obligation scolaire dont les deux parents ou le cas échéant le seul parent exerce(nt) une profession ambulante telle que batelier, forain, exploitant et artiste de cirque. L'internat de l'enseignement conserve pour ce faire, dans l'internat de l'enseignement et à la disposition du service compétent de la Communauté flamande, une déclaration complétée et signée par l'Etat civil. ".
Art.211. In artikel 43, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door VDAB of ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie;".
"3° ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door VDAB of ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie;".
Art.211. Dans l'article 43, § 2, alinéa premier, du même décret, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB ou à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ; ".
" 3° à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB ou à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ; ".
Art.212. Aan artikel 54, § 1, van hetzelfde decreet wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"8° elke inbreuk op de bepalingen rond het principieel verbod op afzondering en fixatie.".
"8° elke inbreuk op de bepalingen rond het principieel verbod op afzondering en fixatie.".
Art.212. L'article 54, § 1er, du même décret, est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° toute infraction aux dispositions relatives à l'interdiction de principe de l'isolement et de la contention. ".
" 8° toute infraction aux dispositions relatives à l'interdiction de principe de l'isolement et de la contention. ".
Art.213. In artikel 168, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het getal "31.727" vervangen door het getal "35.885,08".
Art.213. Dans l'article 168, § 1er, alinéa 2, du même décret, le nombre " 31.727 " est remplacé par le nombre " 35.885,08 ".
HOOFDSTUK 24. - Slotbepalingen
CHAPITRE 24. - Dispositions finales
Art. 214. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2024.
Artikel 31, 107 en 108 hebben uitwerking met ingang van 1 februari 2023.
Artikel 35, 60, 63, 110, 118, 175, 186, 194 en 211 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2023.
Artikel 2, 4, 5, 7, 168, 169, 183 tot en met 185, 205, 208, 209 en 213 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2023.
Artikel 34, 54, 55, 76, 84, 109, 147, 148 en 197 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 45 en 46 hebben uitwerking met ingang van 1 februari 2024.
Artikel 178 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2024.
Artikel 8, 36, 37, 57, 59, 81, 82, 159 tot en met 162, 174, 193, 206 en 207 hebben uitwerking met ingang van 1 april 2024.
Artikel 67 treedt in werking op 1 januari 2025.
Artikel 127 treedt in werking op 1 september 2025.
Artikel 31, 107 en 108 hebben uitwerking met ingang van 1 februari 2023.
Artikel 35, 60, 63, 110, 118, 175, 186, 194 en 211 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2023.
Artikel 2, 4, 5, 7, 168, 169, 183 tot en met 185, 205, 208, 209 en 213 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2023.
Artikel 34, 54, 55, 76, 84, 109, 147, 148 en 197 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 45 en 46 hebben uitwerking met ingang van 1 februari 2024.
Artikel 178 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2024.
Artikel 8, 36, 37, 57, 59, 81, 82, 159 tot en met 162, 174, 193, 206 en 207 hebben uitwerking met ingang van 1 april 2024.
Artikel 67 treedt in werking op 1 januari 2025.
Artikel 127 treedt in werking op 1 september 2025.
Art. 214. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2024.
Les articles 31, 107 et 108 produisent leurs effets le 1er février 2023.
Les articles 35, 60, 63, 110, 118, 175, 186, 194 et 211 produisent leurs effets le 1er juillet 2023.
Les articles 2, 4, 5, 7, 168, 169, 183 à 185, 205, 208, 209 et 213 produisent leurs effets le 1er septembre 2023.
Les articles 34, 54, 55, 76, 84, 109, 147, 148 et 197 produisent leurs effets le 1er janvier 2024.
Les articles 45 et 46 produisent leurs effets le 1er février 2024.
L'article 178 produit ses effets le 1er mars 2024.
Les articles 8, 36, 37, 57, 59, 81, 82, 159 à 162, 174, 193, 206 et 207 produisent leurs effets le 1er avril 2024.
L'article 67 entre en vigueur le 1er janvier 2025.
L'article 127 entre en vigueur le 1er septembre 2025.
Les articles 31, 107 et 108 produisent leurs effets le 1er février 2023.
Les articles 35, 60, 63, 110, 118, 175, 186, 194 et 211 produisent leurs effets le 1er juillet 2023.
Les articles 2, 4, 5, 7, 168, 169, 183 à 185, 205, 208, 209 et 213 produisent leurs effets le 1er septembre 2023.
Les articles 34, 54, 55, 76, 84, 109, 147, 148 et 197 produisent leurs effets le 1er janvier 2024.
Les articles 45 et 46 produisent leurs effets le 1er février 2024.
L'article 178 produit ses effets le 1er mars 2024.
Les articles 8, 36, 37, 57, 59, 81, 82, 159 à 162, 174, 193, 206 et 207 produisent leurs effets le 1er avril 2024.
L'article 67 entre en vigueur le 1er janvier 2025.
L'article 127 entre en vigueur le 1er septembre 2025.