Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 MAART 2024. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake het recht op gezinshereniging
Titre
10 MARS 2024. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en matière de droit au regroupement familial
Documentinformatie
Numac: 2024005947
Datum: 2024-03-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024005947
Date: 2024-03-10
Moniteur: Voir
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet zet de volgende richtlijnen gedeeltelijk om:
  1° Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;
  2° Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
  3° Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming;
  4° Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement les directives suivantes:
  1° la directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial;
  2° la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE en 93/96/CEE;
  3° la directive 2011/95/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant les normes relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir bénéficier d'une protection internationale, à un statut uniforme pour les réfugiés ou les personnes pouvant bénéficier de la protection subsidiaire, et au contenu de cette protection;
  4° la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 3. In artikel 1/1, § 2, 3°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 augustus 2022, worden de woorden "door de gezinsleden van de begunstigden van de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus" vervangen door de woorden "door de gezinsleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten".
Art. 3. Dans l'article 1er/1, § 2, 3°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 août 2022, les mots "par les membres de la famille des bénéficiaires du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire" sont remplacés par les mots "par les membres de la famille d'un étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45".
Art. 4. In artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de zinnen die aanvangen met de woorden "de volgende familieleden" en eindigen met de woorden "als begunstigde van een internationale beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk is toegelaten", vervangen als volgt:
  "de volgende familieleden van hetzij een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, hetzij een vreemdeling die over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en sedert minimum twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Die laatstgenoemde termijn van twaalf maanden vervalt indien de echtelijke band of het geregistreerde partnerschap reeds bestond voor de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of indien zij een gemeenschappelijk minderjarig kind hebben";
  b) in paragraaf 1, eerste lid, 4°, tweede streepje, wordt het woord "gemeenschappelijke" ingevoegd tussen het woord "hun" en het woord "kinderen";
  c) paragraaf 1, eerste lid, 4°, derde streepje, wordt vervangen als volgt:
  "- de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner als bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven.
  Indien de vreemdeling die vervoegd wordt, als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk werd toegelaten, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de leeftijd die het kind had op het moment van de indiening van het verzoek om internationale bescherming dan wel de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38. Indien het kind de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na de procedure tot bekomen van internationale bescherming of de procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 van de vreemdeling die vervoegd wordt, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de internationale beschermingsstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45.
  De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden, rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken;";
  d) in paragraaf 1, eerste lid, 5°, worden de zinnen die aanvangen met de woorden "de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is" en eindigen met de woorden "als begunstigde van een internationale beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk is toegelaten.", vervangen als volgt:
  "de vreemdeling die door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met hetzij een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, hetzij met een vreemdeling die over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en sedert minimum twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, evenals de minderjarige kinderen van deze partner die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben en ongehuwd zijn en voor zover de geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven. Die laatstgenoemde termijn van twaalf maanden vervalt indien het geregistreerde partnerschap reeds bestond voor de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of indien zij een gemeenschappelijk minderjarig kind hebben.
  Indien de vreemdeling die vervoegd wordt, als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk werd toegelaten, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de leeftijd die het kind had op het moment van de indiening van het verzoek om internationale bescherming dan wel de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38. Indien het kind de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na de procedure tot bekomen van internationale bescherming of de procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 van de vreemdeling die vervoegd wordt, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de internationale beschermingsstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45.
  De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden, rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken.";
  e) in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt:
  "6° het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar, van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, of van diens echtgenoot of partner zoals bedoeld in de bepaling onder 4° of 5°, voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het omwille van zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;";
  f) in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 7° vervangen als volgt:
  "7° de ouders van een minderjarige vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, die met hem komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd wordt het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen.
  Indien de vreemdeling die vervoegd wordt, de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na diens procedure tot bekomen van internationale bescherming dan wel diens procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de internationale beschermingsstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45.
  De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden, rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken;";
  g) paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende:
  "8° de ouders van een minderjarige vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk werd toegelaten, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, ongehuwd is en in het Rijk verblijft onder begeleiding van één of beide ouders en op voorwaarde dat zij met hem in het Rijk samenleven of komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en mits de gezinsbanden reeds bestonden in het land van herkomst.";
  h) in paragraaf 2 wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
  "Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op de in § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten indien de bloed- of aanverwantschapsbanden of het geregistreerd partnerschap al bestonden vooraleer de vreemdeling het Rijk binnenkwam en voor zover de aanvraag tot verblijf op basis van dit artikel werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling of de toekenning van de subsidiaire bescherming dan wel na de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 van de vreemdeling die vervoegd wordt. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van deze termijn van een jaar, rekening met bijzondere omstandigheden en dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken.";
  i) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. Onder voorbehoud van artikel 11, § 2, en het bepaalde in artikel 42quater, kan, wanneer een onderdaan van een derde land overeenkomstig de artikelen 10, 10bis, 40bis, 40ter, 47/2, 1°, of 57/34/1 zelf tot een verblijf in de hoedanigheid van echtgenoot of ongehuwde partner toegelaten of gemachtigd werd, het recht om hem op basis van een huwelijk of een partnerschap te vervoegen slechts worden toegekend indien hij kan bewijzen dat hij gedurende twee jaar regelmatig in het Rijk heeft verbleven en voor zover de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden vervuld worden.".
Art. 4. A l'article 10 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er juin 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  a) au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les phrases commençant par les mots "les membres de la famille suivants" et finissant par les mots "protection internationale conformément à l'article 49, § 1er, alinéas 2 ou 3, ou à l'article 49/2, §§ 2 ou 3", sont remplacées par ce qui suit:
  "les membres de la famille suivants d'un étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45 ou d'un étranger qui dispose d'un droit de séjour d'une durée illimitée et qui a été admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins douze mois. Ce dernier délai de douze mois est supprimé si le lien conjugal ou le partenariat enregistré existait déjà avant l'arrivée dans le Royaume de l'étranger rejoint ou s'ils ont un enfant mineur commun";
  b) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, deuxième tiret, le mot "communs" est inséré après les mots "leurs enfants";
  c) le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, troisième tiret, est remplacé par ce qui suit:
  "- les enfants mineurs de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au premier tiret, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et sont non mariés, et pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord.
  Si l'étranger rejoint a été admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale ou conformément à l'article 57/45, le ministre ou son délégué tient compte de l'âge que l'enfant avait au moment de l'introduction de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38. Si l'enfant atteint l'âge de dix-huit ans pendant ou peu après la procédure d'obtention de la protection internationale ou la procédure d'obtention d'une admission au séjour conformément à l'article 57/45 de l'étranger rejoint, la demande de regroupement familial peut être introduite jusqu'à trois mois après la décision d'octroi du statut de protection internationale ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45.
  Lors de l'appréciation de ce dernier délai de trois mois, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable le dépôt tardif de la demande;";
  d) au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, les phrases commençant par les mots "l'étranger lié par un partenariat enregistré" et finissant par les mots "protection internationale conformément à l'article 49, § 1er, alinéas 2 ou 3, ou à l'article 49/2, §§ 2 ou 3.", sont remplacées par ce qui suit:
  "l'étranger lié par un partenariat enregistré conformément à une loi à un étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45 ou à un étranger qui dispose d'un droit de séjour d'une durée illimitée et qui a été admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins douze mois, ainsi que les enfants mineurs de ce partenaire qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que le partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité doit avoir donné son accord. Ce dernier délai de douze mois est supprimé si le partenariat enregistré préexistait à l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume ou s'ils ont un enfant mineur commun.
  Si l'étranger rejoint a été admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale ou conformément à l'article 57/45, le ministre ou son délégué tient compte de l'âge que l'enfant avait au moment de l'introduction de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38. Si l'enfant atteint l'âge de dix-huit ans pendant ou peu après la procédure d'obtention de la protection internationale ou la procédure d'obtention d'une admission au séjour conformément à l'article 57/45 de l'étranger rejoint, la demande de regroupement familial peut être introduite jusqu'à trois mois après la décision d'octroi du statut de protection internationale ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45.
  Lors de l'appréciation de ce dernier délai de trois mois, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable le dépôt tardif de la demande.";
  e) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 6° est remplacé par ce qui suit:
  "6° l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans d'un étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée ou d'un étranger admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45, ou de son conjoint ou partenaire visé au 4° ou 5°, pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;";
  f) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 7° est remplacé par ce qui suit:
  "7° les parents d'un étranger mineur qui a été admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale ou conformément à l'article 57/45, qui viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans et à condition que l'étranger rejoint soit entré dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et n'ait pas été effectivement pris en charge par une telle personne par la suite, ou ait été laissé seul après être entré dans le Royaume.
  Si l'étranger rejoint atteint l'âge de dix-huit ans pendant ou peu après la procédure d'obtention de la protection internationale ou la procédure d'obtention d'une admission au séjour conformément à l'article 57/45, la demande de regroupement familial peut être introduite jusqu'à trois mois après la décision d'octroi du statut de protection internationale ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45.
  Lors de l'appréciation de ce dernier délai de trois mois, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable le dépôt tardif de la demande;";
  g) le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par un 8° rédigé comme suit:
  "8° les parents d'un étranger mineur qui a été admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection internationale, à condition que l'étranger rejoint soit non marié et qu'il réside dans le Royaume accompagné d'un ou des deux parents et pour autant qu'ils vivent ou viennent vivre avec lui dans le Royaume avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans et pour autant que les liens familiaux existaient déjà dans le pays d'origine.";
  h) dans le paragraphe 2, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
  "Les alinéas 2, 3 et 4 ne sont pas applicables aux membres de la famille, visés au § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, d'un étranger admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45, lorsque les liens de parenté ou d'alliance ou le partenariat enregistré sont antérieurs à l'entrée de cet étranger dans le Royaume et pour autant que la demande de séjour sur la base de cet article ait été introduite dans l'année suivant soit la décision reconnaissant la qualité de réfugié ou octroyant la protection subsidiaire, soit la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45 de l'étranger rejoint. Lors de l'appréciation de ce délai d'un an, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable le dépôt tardif de la demande.";
  i) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
  " § 3. Sous réserve de l'article 11, § 2, et les dispositions de l'article 42quater, lorsqu'un ressortissant d'un pays tiers a lui-même été admis ou autorisé à séjourner en tant que conjoint ou partenaire non marié conformément aux articles 10, 10bis, 40bis, 40ter, 47/2, 1°, ou 57/34/1, le droit de le rejoindre sur la base d'un mariage ou d'un partenariat ne peut être accordé que s'il peut prouver qu'il réside régulièrement dans le Royaume depuis deux ans et pour autant que les conditions du regroupement familial sont remplies.".
Art. 5. In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en van 1 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° er wordt een einde gesteld aan het verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd.";
  b) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing" vervangen door de woorden "op het eerste lid, 1°, 2°, 3° of 5° gebaseerde beslissing";
  c) in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden "op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3° " vervangen door de woorden "op basis van het eerste lid, 1°, 2°, 3° of 5° ";
  d) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8° bedoelde familieleden".
Art. 5. A l'article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois des 4 mai 2016 et 1er juin 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  a) le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par un 5°, rédigé comme suit:
  "5° il est mis fin au séjour de l'étranger qui a été rejoint.";
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "fondée sur le point 1°, 2° ou 3° " sont remplacés par les mots "fondée sur l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 5° ";
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3° " sont remplacés par les mots "sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 5° ";
  d) dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° " sont remplacés par les mots "des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° ".
Art. 6. In artikel 12bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 mei 2016, wordt paragraaf 1, tweede lid, aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° indien hij een familielid is van een minderjarige vreemdeling die de internationale bescherming geniet, zoals bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 8°. ".
Art. 6. A l'article 12bis de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 17 mai 2016, le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un 5°, rédigé comme suit:
  "5° s'il est un membre de la famille d'un étranger mineur bénéficiant de la protection internationale, visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 8°. ".
Art. 7. In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "De in artikel 10, § 1 eerste lid, 7°, bedoelde ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of van een vreemdeling die de subsidiaire bescherming geniet" vervangen door de woorden "De in artikel 10, § 1 eerste lid, 7° of 8°, bedoelde familieleden";
  b) in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° bedoeld familielid" vervangen door de woorden "Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8°, bedoeld familielid";
  c) in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "op basis van § 3" opgeheven.
Art. 7. A l'article 13 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "Le père et la mère visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 7°, d'un étranger reconnu réfugié au sens de l'article 48/3 ou d'un étranger bénéficiant de la protection subsidiaire" sont remplacés par les mots "Les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 7° ou 8° ";
  b) dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° " sont remplacés par les mots "Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° ";
  c) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, 1°, les mots "sur la base du § 3" sont abrogés.
Art. 8. In artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden in het eerste lid, 1°, de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7°, bedoelde familieleden" vervangen door de woorden "de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8°, bedoelde familieleden".
Art. 8. Dans l'article 15 de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 4 mai 2016, dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4 à 7° " sont remplacés par les mots "aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4 à 8° ".
Art. 9. In artikel 19 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 21 augustus 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 4, 1°, worden de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° " vervangen door de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8° ";
  b) in paragraaf 4, 2°, worden de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° " vervangen door de woorden "evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 8° ".
Art. 9. A l'article 19 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 août 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 4, 1°, les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° " sont remplacés par les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° ";
  b) dans le paragraphe 4, 2°, les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° " sont remplacés par les mots "ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 8° ".
Art. 10. In artikel 40bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 19 maart 2014 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven;";
  b) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner bedoeld onder 1° of 2°, die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn en die hen begeleiden of zich bij hen voegen;";
  c) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:
  "5° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad die het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over een minderjarige burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, uitoefenen, voor zover zij de minderjarige burger van de Unie op het Belgische grondgebied begeleiden en de daadwerkelijke zorg over hem dragen.";
  d) in paragraaf 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "De in § 2 bedoelde familieleden, hebben het recht de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen voor een periode van meer dan drie maanden mits zij, al naar gelang het geval, voldoen aan de in artikel 41, §§ 1 of 2, bedoelde voorwaarden.";
  e) in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, bedoelde burger van de Unie" vervangen door de woorden "De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde burger van de Unie";
  f) in paragraaf 4 wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "De in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, bedoelde burger van de Unie kan zich enkel laten begeleiden of vervoegen door de in § 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde familieleden, alsmede door zijn kinderen of door de kinderen van zijn echtgenoot of partner voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of partner en mits zij, al naar gelang het geval, voldoen aan de in artikel 41, §§ 1 of 2, bedoelde voorwaarden.";
  g) in paragraaf 4, vierde lid, wordt de eerste zin vervangen als volgt:
  "Het in § 2, eerste lid, 5°, bedoelde familielid moet, voor zover de minderjarige burger van de Unie nog niet over een duurzaam verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 42quinquies, § 1, beschikt, het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn kind, burger van de Unie, te voorzien, om niet ten laste te komen van het sociale zekerheidsstelsel van het Rijk, en over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt.".
Art. 10. A l'article 40bis de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois des 19 mars 2014 et 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
  "3° les descendants directs ainsi que ceux du conjoint ou du partenaire visé au 1° ou 2°, âgés de moins de vingt et un ans ou qui sont à leur charge dans le pays d'origine ou de provenance, qui les accompagnent ou les rejoignent, pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou le partenaire enregistré visé en ait le droit de garde et, en cas de garde partagée, à la condition que l'autre titulaire du droit de garde ait donné son accord;";
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit:
  "4° les ascendants directs ainsi que ceux du conjoint ou du partenaire visé au 1° ou 2°, qui sont à leur charge dans le pays d'origine ou de provenance et qui les accompagnent ou les rejoignent;";
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 5° est remplacé par ce qui suit:
  "5° les ascendants directs au premier degré qui exercent l'autorité parentale y compris le droit de garde sur un citoyen de l'Union mineur visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2°, dans la mesure où ils accompagnent le citoyen de l'Union mineur sur le territoire belge et s'en occupent effectivement.";
  d) dans le paragraphe 4, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "Les membres de la famille visés au § 2 ont le droit d'accompagner ou de rejoindre le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, pour une période de plus de trois mois, pour autant qu'ils remplissent, selon le cas, les conditions visées à l'article 41, §§ 1er ou 2.";
  e) dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots "Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2°, " sont remplacés par les mots "Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° et 3°, ";
  f) dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
  "Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, ne peut être accompagné ou rejoint que par les membres de la famille visés au § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, ainsi que par ses enfants ou par les enfants de son conjoint ou partenaire pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire dispose de l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants sont à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire et pour autant qu'ils remplissent, le cas échéant, les conditions visées à l'article 41, §§ 1er ou 2.";
  g) dans le paragraphe 4, alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit:
  "Le membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 5°, pour autant que le citoyen de l'Union mineur ne dispose pas encore d'un droit de séjour permanent tel que visé à l'article 42quinquies, § 1er, doit apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins et à ceux de son enfant, citoyen de l'Union, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume, et d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique.".
Art. 11. Artikel 40ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en vervangen bij de wet van 4 mei 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 40ter. § 1. Als Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer en verblijf wordt beschouwd: de Belg die, na een daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, terugkeert om zich op het grondgebied van het Rijk te vestigen.
  De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, en de andere familieleden bedoeld in artikel 47/2 van een Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en verblijf, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie zoals bedoeld in hoofdstuk I dan wel hoofdstuk Ibis, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
  1° het gezinsleven werd opgebouwd dan wel bestendigd tijdens het daadwerkelijke verblijf van de Belg en het familielid in een andere lidstaat van de Europese Unie; en
  2° de familieleden begeleiden of vervoegen de Belg op het grondgebied van het Rijk; en
  3° het gezinsleven werd niet beëindigd voor de binnenkomst van het familielid op het grondgebied van het Rijk dan wel voor de indiening van het verzoek om toekenning van een verblijfsrecht krachtens dit artikel.
  § 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die geen gebruik maakte van zijn recht van vrij verkeer en verblijf overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel niet voldoen aan de voorwaarden zoals voorzien in § 1:
  1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 2°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen;
  2° de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van de Belg of van diens echtgenoot of geregistreerde partner bedoeld in het eerste lid, 1°, beneden de leeftijd van achttien jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen. De rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, dient aan te tonen dat de Belg, diens echtgenoot of geregistreerde partner, het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over hem uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient hij aan te tonen dat de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming heeft gegeven. Indien de Belg, diens echtgenoot of de registreerde partner het ouderlijk gezag niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met andere geldige bewijzen die in dit verband worden voorgelegd;
  3° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad, die het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over een minderjarige Belg uitoefenen, voor zover zij de minderjarige Belg op het grondgebied begeleiden of zich bij hem voegen en de daadwerkelijke zorg over hem dragen en op voorwaarde dat zij hun identiteit aantonen door middel van een geldig identiteitsdocument.
  De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten bewijzen dat de Belg:
  1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in het eerste lid, 2°, de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;
  2° beschikt over voldoende huisvesting die hem in staat stelt zijn familielid of familieleden die hem begeleiden of zich bij hem voegen te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden opgelegd aan een onroerend goed dat als hoofdverblijfplaats wordt verhuurd zoals bepaald in artikel 2 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het oud Burgerlijk Wetboek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de Belg bewijst dat het onroerend goed aan de opgelegde voorwaarden voldoet;
  3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt.
  Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn.
  Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar indien de echtelijke band of het geregistreerd partnerschap dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk reeds vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging bestond of indien ze, in het geval van een wettelijk geregistreerd partnerschap, bewijzen dat ze vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging minstens één jaar hebben samengewoond.
  § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot weigering van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, die niet aantoont dat hij de daadwerkelijke zorg draagt voor de minderjarige Belg die hij begeleidt, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot weigering van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.
  Bij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het eerste lid, worden alle voorgelegde stukken en relevante omstandigheden mee in rekening gebracht.
  § 4. Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan er binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf in de hoedanigheid van familielid van een Belg, ook een einde worden gesteld aan het verblijfsrecht van de familieleden beoogd in § 2, wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden voorzien in de voorgaande paragrafen. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot einde van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot beëindiging van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.".
Art. 11. L'article 40ter de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et remplacé par la loi du 4 mai 2016, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 40ter. § 1er. Est considéré comme un Belge ayant fait usage de son droit de libre circulation et de séjour: le Belge qui, après avoir séjourné effectivement dans un autre Etat membre de l'Union européenne conformément à l'article 21 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, revient s'établir sur le territoire du Royaume.
  Les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, et les autres membres de la famille visés à l'article 47/2 d'un Belge qui a exercé son droit de libre circulation et de séjour sont soumis aux mêmes dispositions que les membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés au chapitre Ier ou au chapitre Ibis, pour autant que les conditions suivantes soient remplies:
  1° la vie familiale s'est développée ou consolidée pendant le séjour effectif du Belge et du membre de la famille dans un autre Etat membre de l'Union européenne; et
  2° les membres de la famille rejoignent ou accompagnent le Belge sur le territoire du Royaume; et
  3° la vie familiale n'a pas pris fin avant l'entrée du membre de la famille sur le territoire du Royaume ou avant l'introduction de la demande d'octroi d'un droit de séjour en vertu du présent article.
  § 2. Les dispositions de ce chapitre s'appliquent aux membres de la famille suivants d'un Belge qui n'a pas exercé son droit de libre circulation et de séjour conformément à l'article 21 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne ou qui ne remplissent pas les conditions prévues au § 1er:
  1° les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° à 2°, pour autant qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial;
  2° les descendants directs du Belge ou de son conjoint ou du partenaire enregistré visé à l'alinéa 1er, 1°, âgés de moins de dix-huit ans ou qui sont à leur charge dans le pays de provenance ou d'origine, pour autant qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial. Le descendant direct qui n'a pas encore atteint l'âge de dix-huit ans doit prouver que le Belge ou son conjoint ou partenaire enregistré, exerce l'autorité parentale sur lui, y compris le droit de garde. Si l'autorité parentale est partagée, il doit également prouver que l'autre titulaire de l'autorité parentale a donné son accord. Lorsque le Belge, son conjoint ou le partenaire enregistré ne peut apporter la preuve de l'autorité parentale par des documents officiels conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, le ministre ou son délégué tient compte d'autres preuves valables produites à cet égard;
  3° les ascendants directs au premier degré qui exercent l'autorité parentale, y compris le droit de garde, sur un Belge mineur, pour autant qu'ils accompagnent ou rejoignent le Belge mineur sur le territoire et s'en occupent effectivement et à condition qu'ils prouvent leur identité au moyen d'un document d'identité valable.
  Les membres de la famille visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, doivent prouver que le Belge:
  1° dispose de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers. Cette condition est réputée remplie lorsque les moyens de subsistance sont au moins équivalents à cent vingt pour cent du montant visé à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et tel qu'indexé selon l'article 15 de ladite loi. Pour l'évaluation des moyens de subsistance, il est tenu compte de leur nature et de leur régularité. Par contre, il n'est pas tenu compte des moyens provenant du revenu d'intégration sociale, de l'aide sociale financière, des allocations familiales de base et suppléments, des allocations d'insertion professionnelle et de l'allocation de transition. Il n'est tenu compte de l'allocation de chômage que si le Belge prouve qu'il cherche activement du travail. La condition relative aux moyens de subsistance n'est pas d'application si le Belge se fait accompagner ou rejoindre uniquement par les membres de sa famille visés à l'alinéa 1er, 2°, qui sont mineurs d'âge;
  2° dispose d'un logement suffisant lui permettant d'héberger le ou les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent et qui remplit les conditions posées à un bien immeuble donné en location à titre de résidence principale comme prévu à l'article 2 du livre III, titre VIII, chapitre II, section 2, de l'ancien Code civil. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la manière dont le Belge apporte la preuve que le bien immeuble remplit les conditions requises;
  3° dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
  Lorsqu'un certificat de non-empêchement à mariage a été délivré, il ne sera pas procédé à une nouvelle enquête à l'occasion de l'examen d'une demande de regroupement familial fondée sur le mariage célébré suite à la délivrance de ce certificat, sauf si de nouveaux éléments se présentent.
  En ce qui concerne les personnes visées à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, les conjoints ou partenaires doivent tous deux être âgés de plus de vingt et un ans. Toutefois, cet âge minimum est ramené à dix-huit ans lorsque le lien conjugal ou le partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage est préexistant à l'introduction de la demande de regroupement familial ou lorsque, dans le cas d'un partenariat enregistré conformément à une loi, ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'introduction de la demande de regroupement familial.
  § 3. Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision de refus de séjour d'un membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 3°, qui ne démontre pas qu'il s'occupe effectivement du mineur belge qu'il accompagne, il tient compte de la nature et de solidité des liens familiaux et de la relation de dépendance existant entre le membre de la famille et le Belge mineur, ainsi que des conséquences qu'une éventuelle décision de refus de séjour aurait sur le droit de libre circulation et de séjour du Belge mineur.
  Lors de l'évaluation de l'existence d'une relation de dépendance telle que visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de tous les documents présentés et des circonstances pertinentes.
  § 4. Sans préjudice des articles 42ter et 42quater, il peut également être mis fin au droit de séjour du membre de la famille visé au § 2, dans les cinq ans qui suivent la reconnaissance de leur droit de séjour en tant que membre de la famille d'un citoyen belge, lorsque les conditions prévues aux paragraphes précédents ne sont plus remplies. Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision de fin de séjour d'un membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 3°, il tient compte de la nature et de solidité des liens familiaux et de la relation de dépendance existant entre le membre de la famille et le Belge mineur, ainsi que des conséquences qu'une éventuelle décision de mettre fin au séjour aurait sur le droit de libre circulation et de séjour du Belge mineur.".
Art. 12. Artikel 42ter, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende:
  "7° de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in de eerste graad bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5°, draagt niet meer de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige burger van de Unie;
  8° de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, die zij begeleid of vervoegd hebben, beschikt niet meer over voldoende bestaansmiddelen en/of een ziektekostenverzekering bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid.".
Art. 12. L'article 42ter, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 février 2017, est complété par les 7° et 8° rédigés comme suit:
  "7° l'ascendant direct au premier degré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 5°, ne s'occupe plus effectivement du citoyen de l'Union mineur;
  8° le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, qu'ils ont accompagné ou rejoint ne dispose plus de ressources suffisantes et/ou d'une assurance maladie visées à l'article 40bis, § 4, alinéa 2.".
Art. 13. Artikel 42quater, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende:
  "7° de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in de eerste graad bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5°, draagt niet meer de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige burger van de Unie;
  8° de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, die zij begeleid of vervoegd hebben, beschikt niet meer over voldoende bestaansmiddelen en/of een ziektekostenverzekering bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid.".
Art. 13. L'article 42quater, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 février 2017, est complété par les 7° et 8° rédigés comme suit:
  "7° l'ascendant direct au premier degré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 5°, ne s'occupe plus effectivement du citoyen de l'Union mineur;
  8° le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, qu'ils ont accompagné ou rejoint ne dispose plus de ressources suffisantes et/ou d'une assurance maladie visées à l'article 40bis, § 4, alinéa 2.".
Art. 14. Artikel 47/1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 47/1. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van hoofdstuk I betreffende de familieleden van een burger van de Unie bedoeld in artikel 40bis dan wel de familieleden van een Belg die zijn recht van vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend bedoeld in artikel 40ter, § 1, van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/2.".
Art. 14. L'article 47/1 de la même loi, inséré par la loi du 19 mars 2014, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 47/1. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les dispositions du chapitre Ier relatives aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis ou aux membres de la famille d'un Belge qui a exercé son droit de libre circulation et de séjour visés à l'article 40ter, paragraphe 1er, s'appliquent aux autres membres de la famille visés à l'article 47/2.".
Art. 15. In artikel 47/2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 47/2. Als andere familieleden van een burger van de Unie worden beschouwd:
  1° de niet in artikel 40bis, § 2, 2°, bedoelde partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame partnerrelatie heeft en die de burger begeleidt of komt vervoegen, voor zover ze niet een van de personen bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn en evenmin een duurzame partnerrelatie onderhouden met een andere persoon;
  2° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn van of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie en deze laatste begeleiden of komen vervoegen;
  3° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven en deze laatste begeleiden of komen vervoegen.".
Art. 15. L'article 47/2 de la même loi, inséré par la loi du 19 septembre 2014, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 47/2. Sont considérés comme autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union:
  1° le partenaire non visé à l'article 40bis, § 2, 2°, avec lequel le citoyen de l'Union a une relation durable dûment attestée et qui accompagne ou vient rejoindre le citoyen, pour autant qu'ils ne soient pas une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil et qu'ils n'aient pas de relation durable avec une autre personne;
  2° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, qui, dans le pays de provenance, sont à charge ou font partie du ménage du citoyen de l'Union et accompagnent ou viennent rejoindre ce dernier;
  3° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, dont le citoyen de l'Union doit impérativement et personnellement s'occuper en raison de problèmes de santé graves et qu'ils accompagnent ou viennent rejoindre ce dernier.".
Art. 16. In artikel 47/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in artikel 47/1, 1°, " vervangen door de woorden "in artikel 47/2, 1°, ";
  b) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 2°, moeten bewijzen dat zij in het land van herkomst ten laste zijn van de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen dan wel dat zij er deel uitmaken van diens gezin.";
  c) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 3°, moeten bewijzen dat zij omwille van ernstige gezondheidsredenen, een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen, strikt behoeven.
  De Koning kan de wijzen waarop de andere familieleden het bewijs van hun gezondheidstoestand kunnen leveren, bepalen.";
  d) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " § 4. De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° tot 3°, bedoelde burger van de Unie moet tevens het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat de in artikel 47/2 bedoelde familieleden tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en dat hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten van zijn familieleden in het Rijk volledig dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij onder meer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.".
Art. 16. A l'article 47/3 de la même loi, inséré par la loi du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "visés à l'article 47/1, 1°, " sont remplacés par les mots "visés à l'article 47/2, 1°, ";
  b) dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "Les autres membres de la famille visés à l'article 47/2, 2°, doivent prouver qu'ils sont, dans le pays de provenance, à charge du citoyen de l'Union qu'ils accompagnent ou qu'ils souhaitent rejoindre, ou qu'ils font partie de son ménage dans ce pays.";
  c) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
  " § 3. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/2, 3°, doivent apporter la preuve que compte tenu de raisons de santé graves, le citoyen de l'Union qu'ils accompagnent ou qu'ils souhaitent rejoindre doit impérativement et personnellement s'occuper d'eux.
  Le Roi peut déterminer de quelles manières les autres membres de la famille peuvent apporter la preuve de leur état de santé.";
  d) l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit:
  " § 4. Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° à 3°, doit également apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantesafin d'éviter que les membres de sa famille visés à l'article 47/2 ne deviennent une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de leur séjour, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques pour les membres de sa famille dans le Royaume. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle du citoyen de l'Union, qui englobe notamment la nature et la régularité de ses revenus et le nombre de membres de la famille qui sont à sa charge.".
Art. 17. Artikel 47/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 47/4. Behalve als zij zelf burgers van de Unie zijn en op grond daarvan een verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 40, § 4, genieten en onverminderd het bepaalde in de artikelen 42ter en 42quater, kan de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de toekenning van hun verblijfsrecht een einde maken aan het verblijf van de andere familieleden of weigeren hun verblijfstitel te vernieuwen wanneer:
  1° de partner bedoeld in artikel 47/2, 1°, geen duurzame partnerrelatie meer onderhoudt met de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft;
  2° het familielid bedoeld in artikel 47/2, 2°, niet meer ten laste is of, in voorkomend geval, geen deel meer uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft;
  3° de burger van de Unie niet meer de persoonlijke zorg draagt voor het familielid bedoeld in artikel 47/2, 3°, of het familielid geen ernstige gezondheidsproblemen meer heeft dan wel niet langer de persoonlijke verzorging behoeft van de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft.
  Bij de beslissing om een einde te maken aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
Art. 17. L'article 47/4 de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 2016, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 47/4. A moins qu'ils soient eux-mêmes citoyens de l'Union et qu'ils bénéficient à ce titre d'un droit de séjour visé à l'article 40, § 4, et sans préjudice des dispositions des articles 42ter et 42quater, le ministre ou son délégué peut dans les cinq années suivant la reconnaissance de leur droit de séjour mettre fin au séjour des autres membres de la famille ou refuser de renouveler leur titre de séjour lorsque:
  1° le partenaire visé à l'article 47/2, 1°, n'entretient plus de relation durable avec le citoyen de l'Union qu'il a accompagné ou rejoint;
  2° le membre de la famille visé à l'article 47/2, 2°, n'est plus à charge ou, le cas échéant, ne fait plus partie du ménage du citoyen de l'Union qu'il a accompagné ou rejoint;
  3° le citoyen de l'Union ne s'occupe plus personnellement du membre de la famille visé à l'article 47/2, 3°, ou le membre de la famille ne présente plus de problèmes de santé graves, ou encore que le citoyen de l'Union qu'il a accompagné ou rejoint ne doit plus impérativement et personnellement s'occuper de lui.
  Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume, et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
Art. 18. Artikel 57/34 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 57/34. § 1. In gevallen waarin er bij een massale of imminente massale toestroom van ontheemden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, sprake is van omstandigheden die tot de scheiding van reeds in het land van oorsprong gevormde gezinnen hebben geleid, dan kunnen de familieleden bedoeld in de paragrafen 2 en 3, die zich nog niet op het grondgebied van de Europese Unie bevinden en bescherming behoeven in de zin van artikel 57/29, § 1, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, teneinde zich herenigd te zien met de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus.
  § 2. De minister of diens gemachtigde kent een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toe aan de volgende familieleden van de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus, die hiertoe een aanvraag indienen en voor zover het gezin reeds was gevormd ten tijde van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, en deze omstandigheden hebben geleid tot de scheiding van het gezin:
  1° de echtgenoot of de vreemdeling met wie een geregistreerd partnerschap werd gesloten dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk in België, mits deze laatste een duurzame en stabiele partnerrelatie onderhoudt met de begunstigde die vervoegd wordt en op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar;
  2° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met de begunstigde, mits deze vreemdeling een duurzame en stabiele partnerrelatie onderhoudt met de begunstigde die vervoegd wordt.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
  a) bewijzen dat ze een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden.
  Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond:
  - indien de partners bewijzen dat ze gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken op legale wijze hebben samengewoond;
  - ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling, of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag drie maal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal vijvenveertig of meer dagen betreffen;
  - ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
  b) met elkaar komen samenleven;
  c) beiden ouder zijn dan achttien jaar;
  d) ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden met een andere persoon;
  e) geen personen zijn bedoeld in artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek;
  f) ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het oud Burgerlijk Wetboek;
  3° de minderjarige, ongehuwde kinderen van de begunstigde, diens echtgenoot of geregistreerde partner zoals bedoeld onder 1° of 2°, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en voor zover de begunstigde die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
  4° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad die het ouderlijk gezag, inclusief het recht van bewaring, uitoefenen over de ongehuwde minderjarige begunstigde, en voor zover zij met hem komen samenleven alvorens deze de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft.
  De familieleden bedoeld in deze paragraaf dienen te bewijzen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage van deze wet.
  § 3. De minister of diens gemachtigde kan een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toekennen aan de andere naaste familieleden van de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus, wanneer zij ten tijde van de gebeurtenissen zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, met de begunstigde samenwoonden en op dat tijdstip volledig of hoofdzakelijk ten laste waren van de begunstigde.
  Het familielid bedoeld in het eerste lid moet bewijzen dat hij niet lijdt aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage van deze wet.
  Wanneer de minister of diens gemachtigde overweegt om de machtiging tot verblijf van het familielid te weigeren, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden. Bij deze beoordeling neemt de minister of diens gemachtigde alle door de verzoeker voorgelegde stukken in rekening.
  § 4. Het familielid moet samen met de aanvraag de documenten overmaken die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden in de voorgaande paragrafen alsook een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document. Indien behoorlijk wordt aangetoond dat deze laatste twee documenten niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, het familielid alsnog machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven.
  Indien wordt vastgesteld dat het familielid de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten binnen dezelfde materie, kan de minister of diens gemachtigde rekening houden met andere geldige bewijzen die in dit verband worden overgelegd. Indien dat niet mogelijk is, kan de minister of diens gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met het familielid en de begunstigde die vervoegd wordt, of tot elk onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse te laten uitvoeren.
  § 5. De minister of diens gemachtigde kan beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te weigeren, in de volgende gevallen:
  1° het familielid voldoet niet of niet meer aan een van de in de voorgaande paragrafen bepaalde voorwaarden;
  2° het familielid en de begunstigde die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
  3° met uitzondering van afwijkingen die worden bepaald bij een internationaal verdrag, bevindt het familielid zich in een van de gevallen bepaald in artikel 3, 5° tot 10° ;
  4° het familielid bevindt zich in één van de in artikel 57/32, § 1 bedoelde gevallen;
  5° het familielid is de echtgenoot van een polygame begunstigde en een andere echtgenoot van die begunstigde verblijft reeds in het Rijk.
  Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 57/35, kan de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf weigeren aan het familielid indien deze gemachtigd is tot een verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie die verplicht is om het in artikel 57/29, § 1, bedoelde besluit van de Raad van de Europese Unie, toe te passen.
  In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
  § 6. De familieleden die gemachtigd werden tot een verblijf in het Rijk op grond van dit artikel, genieten de tijdelijke beschermingsstatus. Zij zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet die van toepassing zijn op de vreemdelingen die, overeenkomstig artikel 57/30, gemachtigd werden tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus.
  § 7. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf, alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorwaarden van dit artikel voldoet.".
Art. 18. L'article 57/34 de la même loi, inséré par la loi du 18 février 2003, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 57/34. § 1er. Dans les cas où un afflux massif ou un afflux massif imminent de personnes déplacées visées à l'article 57/29, § 1er, implique des circonstances qui ont conduit à la séparation de familles déjà formées dans le pays d'origine, les membres de la famille visés aux paragraphes 2 et 3, qui ne sont pas encore sur le territoire de l'Union européenne et qui ont besoin d'une protection au sens de l'article 57/29, § 1er, peuvent demander une autorisation de séjour de plus de trois mois afin d'être réunis avec l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire.
  § 2. Le ministre ou son délégué accorde une autorisation de séjour de plus de trois mois aux membres de la famille suivants de l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire qui demandent à y séjourner, et pour autant que la famille était déjà constituée au moment des circonstances visées à l'article 57/29, § 1er, et que ces circonstances ont entraîné la séparation de la famille:
  1° le conjoint ou l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage en Belgique, pour autant que ce dernier entretienne une relation de partenariat durable et stable avec le bénéficiaire rejoint et que tous deux soient âgés de plus de dix-huit ans;
  2° l'étranger lié au bénéficiaire au moyen d'un partenariat enregistré conformément à une loi, pour autant que cet étranger entretienne une relation de partenariat durable et stable avec le bénéficiaire.
  Les partenaires, visés à l'alinéa 1er, 2°, doivent répondre aux conditions suivantes:
  a) prouver qu'ils entretiennent une relation de partenariat durable et stable dûment établie.
  Le caractère durable et stable de cette relation est démontré:
  - si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité de manière légale et ininterrompue pendant au moins un an avant la demande;
  - ou si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans précédant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, et qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comportent au total quarante-cinq jours ou davantage;
  - ou si les partenaires ont un enfant commun;
  b) venir vivre ensemble;
  c) être tous deux âgés de plus de dix-huit ans;
  d) être non marié et ne pas entretenir une relation de partenariat durable et stable avec une autre personne;
  e) ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil;
  f) n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 de l'ancien Code civil;
  3° les enfants mineurs non marié du bénéficiaire, de son conjoint ou de son partenaire enregistré visés aux 1° ou 2°, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et pour autant que le bénéficiaire rejoint, son conjoint ou partenaire enregistré, exerce l'autorité parentale y compris le droit de garde. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
  4° les ascendants directs au premier degré qui exercent l'autorité parentale, y compris le droit de garde, sur le bénéficiaire mineur non marié, et pour autant qu'ils viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
  Les membres de la famille visés dans ce paragraphe doivent apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut accorder une autorisation de séjour de plus de trois mois aux autres membres proches de la famille de l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire, si au moment des événements visés à l'article 57/29, § 1er, ils vivaient avec le bénéficiaire et, à ce moment, étaient entièrement ou principalement à charge du bénéficiaire.
  Le membre de la famille visé à l'alinéa 1er doit apporter la preuve qu'il n'est pas atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
  Lorsque le ministre ou son délégué envisage de refuser l'autorisation de séjour du membre de la famille, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux. Lors de cette évaluation, le ministre ou son délégué tient compte de tous les documents présentés par le demandeur.
  § 4. Le membre de la famille doit joindre à la demande les documents qui prouvent qu'il remplit les conditions visées aux paragraphes précédents, ainsi qu'un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi et, s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent. En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire ces deux derniers documents, le ministre ou son délégué peut, compte tenu des circonstances, néanmoins autoriser le membre de la famille à séjourner sur le territoire du Royaume.
  Lorsqu'il est constaté que le membre de la famille ne peut apporter la preuve des liens de parenté ou d'alliance invoqués, par des documents officiels conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, le ministre ou son délégué peut tenir compte d'autres preuves valables produites au sujet de ce lien. A défaut, le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des entretiens avec le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint ou à toute enquête jugée nécessaire, et proposer, le cas échéant, une analyse complémentaire.
  § 5. Le ministre ou son délégué peut décider de refuser la demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois dans les cas suivants:
  1° le membre de la famille ne remplit pas ou plus une des conditions visées aux paragraphes précédents;
  2° le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  3° sauf dérogations prévues par un traité international, le membre de la famille se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, 5° à 10° ;
  4° le membre de la famille se trouve dans un des cas visés à l'article 57/32, § 1er;
  5° le membre de la famille est le conjoint d'un bénéficiaire polygame et un autre conjoint de ce bénéficiaire séjourne déjà dans le Royaume.
  Sous réserve des dispositions de l'article 57/35, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation de séjour au membre de la famille lorsque celui-ci est autorisé à séjourner dans un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1er.
  Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
  § 6. Les membres de la famille autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base du présent article, bénéficient du statut de protection temporaire. Ils sont soumis aux dispositions de la présente loi qui sont applicables aux étrangers qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaires du statut de protection temporaire conformément à l'article 57/30.
  § 7. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande en vue d'obtenir l'autorisation de séjour ainsi que la manière dont le membre de la famille peut prouver qu'il remplit les conditions du présent article.".
Art. 19. In dezelfde wet wordt een artikel 57/34/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 57/34/1. § 1. De minister of zijn gemachtigde kan een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toekennen aan de familieleden bedoeld in artikel 57/34, §§ 2 en 3, van een vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus en die niet afdoende kunnen bewijzen dat zij zelf bescherming behoeven in de zin van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1.
  Zij dienen het bewijs te leveren dat:
  1° zij familielid zijn in de zin van artikel 57/34, §§ 2 of 3 van de begunstigde die vervoegd wordt;
  2° zij een gezin vormden met de begunstigde tentijde van de omstandigheden die hebben geleid tot de massale of imminente massale toestroom van ontheemden bedoeld in artikel 57/29, § 1;
  3° de scheiding van het gezin werd veroorzaakt door omstandigheden eigen aan deze massale of imminente massale toestroom van ontheemden;
  4° de begunstigde die zij vervoegen beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen zoals bepaald in artikel 10, § 5, om zichzelf en zijn familieleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. Deze voorwaarde is niet van toepassing op de familieleden bedoeld in artikel 57/34, § 2, 4°, of indien de begunstigde zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 57/34, § 2, 3° ;
  5° de begunstigde die zij vervoegen over behoorlijke huisvesting beschikt die toelaat het familielid of de familieleden, die gevraagd heeft of hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2 van het oud Burgerlijk Wetboek alsook over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden. Deze voorwaarde is niet van toepassing op de familieleden onder artikel 57/34, § 2, 4° ;
  6° zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
  De voorwaarden vervat in het tweede lid, 4° en 5°, zijn niet van toepassing voor zover de aanvraag tot machtiging tot verblijf op basis van dit artikel werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot toekenning van de tijdelijke beschermingsstatus aan de begunstigde die vervoegd wordt.
  § 2. Het familielid moet samen met de aanvraag de documenten overmaken die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden van § 1, alsook een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document. Indien behoorlijk wordt aangetoond dat deze laatste twee documenten niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, het familielid alsnog machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven.
  § 3. De minister of diens gemachtigde kan beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te weigeren, in de volgende gevallen:
  1° het familielid voldoet niet of niet meer aan een van de in de eerste paragraaf bepaalde voorwaarden;
  2° het familielid en de begunstigde die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
  3° met uitzondering van afwijkingen, die worden bepaald bij een internationaal verdrag, bevindt het familielid zich in een van de gevallen bepaald in artikel 3, 5° tot 10° ;
  4° het familielid bevindt zich in één van de in artikel 57/32, § 1, bedoelde gevallen;
  5° het familielid is de echtgenoot van een polygame begunstigde en een andere echtgenoot van die begunstigde verblijft reeds in het Rijk.
  Wanneer de minister of diens gemachtigde overweegt om de machtiging tot verblijf te weigeren houdt deze rekening met het hoger belang van het kind.
  § 4. De minister of diens gemachtigde kan beslissen om de machtiging tot verblijf in het Rijk dat aan het familielid werd toegekend te beëindigen, in de volgende gevallen:
  1° er werd een einde gesteld aan de machtiging tot verblijf van de begunstigde die begeleid dan wel vervoegd werd of de tijdelijke beschermingsstatus van de begunstigde wordt beëindigd of ingetrokken op basis van artikel 57/36, § 1, of elke andere bepaling in deze wet;
  2° het familielid voldoet niet meer aan een van de in de eerste paragraaf bepaalde voorwaarden;
  3° het familielid en de begunstigde die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
  4° het familielid, dat gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 57/34, § 2, 1° of 2°, of de begunstigde die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap afgesloten met een andere persoon.
  Wanneer de minister of diens gemachtigde overweegt om de machtiging tot verblijf te beëindigen houdt deze rekening met het hoger belang van het kind.
  § 5. De familieleden bedoeld in paragraaf 1 die gemachtigd werden tot een verblijf, worden in het bezit gesteld van een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de begunstigde die vervoegd wordt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf, de inschrijving en het model van de verblijfstitel die bij de inschrijving wordt afgeleverd alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorwaarden van onderhavig artikel voldoet.
  § 6. Op aanvraag van de betrokkene wordt de verblijfstitel door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats vernieuwd, op voorwaarde dat de aanvraag werd ingediend voor het verstrijken van de titel en het familielid nog steeds voldoet aan de voorwaarden van onderhavig artikel en mits de minister of zijn gemachtigde de machtiging voor een nieuwe periode heeft vernieuwd.
  De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten, om na te gaan of het familielid voldoet aan de voorwaarden van dit artikel.
  § 7. De Koning bepaalt binnen welke termijnen en onder welke voorwaarden de vernieuwing van de verblijfstitel moet worden aangevraagd.".
Art. 19. Dans la même loi, il est inséré un article 57/34/1 rédigé comme suit:
  "Art. 57/34/1. § 1er. Le ministre ou son délégué peut accorder une autorisation de séjour de plus de trois mois aux membres de la famille, visés à l'article 57/34, §§ 2 et 3, d'un étranger qui a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire conformément à l'article 57/30, et qui ne sont pas en mesure de prouver de manière suffisante qu'ils ont eux-mêmes besoin de protection au sens de la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 visée à l'article 57/29, § 1er.
  Ils doivent apporter la preuve que:
  1° ils sont un membre de la famille, au sens de l'article 57/34, §§ 2 ou 3, du bénéficiaire rejoint;
  2° ils entretenaient une vie familiale avec le bénéficiaire au moment des circonstances qui ont entraîné l'afflux massif ou l'afflux massif imminent de personnes déplacées visé à l'article 57/29, § 1er;
  3° la séparation de la famille a été causée par les circonstances entourant cet afflux massif ou par l'afflux massif imminent de personnes déplacées;
  4° le bénéficiaire qu'ils rejoignent dispose de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers tels que prévus à l'article 10, § 5, pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics. Cette condition ne s'applique pas aux membres de la famille visés à l'article 57/34, § 2, 4°, ou si le bénéficiaire n'est rejoint que par les membres de la famille visés à l'article 57/34, § 2, 3° ;
  5° le bénéficiaire qu'ils rejoignent dispose d'un logement suffisant pour pouvoir recevoir le ou les membres de sa famille qui demandent à le rejoindre et qui répond aux conditions posées à un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, comme prévu à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, de l'ancien Code civil, ainsi que d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions posées. Cette condition ne s'applique pas aux membres de la famille visés à l'article 57/34, § 2, 4° ;
  6° ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
  Les conditions prévues à l'alinéa 2, 4° et 5°, ne sont pas applicables pour autant que la demande d'autorisation de séjour sur base de cet article ait été introduite au cours de l'année suivant la décision d'octroi du statut de protection temporaire au bénéficiaire rejoint.
  § 2. Le membre de la famille doit joindre à la demande les documents qui prouvent qu'il remplit les conditions visées au paragraphe 1er, ainsi qu'un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi ainsi qu'un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans. En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire ces deux derniers documents, le ministre ou son délégué peut, compte tenu des circonstances, néanmoins autoriser le membre de la famille à séjourner sur le territoire du Royaume.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut décider de refuser la demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois dans les cas suivants:
  1° le membre de la famille ne remplit pas ou plus une des conditions visées au paragraphe 1er;
  2° le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  3° sauf dérogations prévues par un traité international, le membre de la famille se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, 5° à 10° ;
  4° le membre de la famille se trouve dans un des cas visés à l'article 57/32, § 1er;
  5° le membre de la famille est le conjoint d'un bénéficiaire polygame et un autre conjoint de ce bénéficiaire séjourne déjà dans le Royaume.
  Lorsque le ministre ou son délégué envisage de refuser l'autorisation de séjour, il tient compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
  § 4. Le ministre ou son délégué peut décider de mettre fin à l'autorisation de séjour dans le Royaume accordée au membre de la famille dans l'un des cas suivants:
  1° il a été mis fin à l'autorisation de séjour du bénéficiaire qui a été accompagné ou rejoint ou le statut de protection temporaire du bénéficiaire a pris fin ou a été retiré sur la base de l'article 57/36, § 1er, ou toute autre disposition de la présente loi;
  2° le membre de la famille ne remplit plus une des conditions visées au paragraphe 1er;
  3° le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  4° le membre de la famille, autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que partenaire enregistré sur la base de l'article 57/34, § 2, 1° ou 2°, ou le bénéficiaire rejoint, s'est marié avec une autre personne ou est lié à une autre personne par un partenariat enregistré conformément à une loi.
  Lorsque le ministre ou son délégué envisage de mettre fin à l'autorisation de séjour, il tient compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
  § 5. Les membres de la famille visées au paragraphe 1er qui sont autorisées au séjour, se voient délivrer un titre de séjour de la même durée de validité que le titre de séjour du bénéficiaire rejoint.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande en vue d'obtenir l'autorisation de séjour, de l'enregistrement et du modèle du titre de séjour délivré lors de l'enregistrement ainsi que la manière dont le membre de la famille peut prouver qu'il remplit les conditions précédentes.
  § 6. Le titre de séjour est renouvelé, à la demande de l'intéressé, par l'administration communale du lieu de sa résidence, à la condition que cette demande ait été introduite avant l'expiration du titre et que le membre de la famille remplisse toujours les conditions du présent article et sous réserve que le ministre ou son délégué ait renouvelé l'autorisation pour une nouvelle période.
  Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles en vue du renouvellement du titre de séjour, afin de vérifier si le membre de la famille remplit les conditions du présent article.
  § 7. Le Roi détermine les délais et les conditions dans lesquels le renouvellement du titre de séjour doit être demandé.".
Art. 20. In artikel 57/36, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "werd afgegeven op basis van artikel 57/30" vervangen door de woorden "werd afgegeven op basis van artikel 57/30 of 57/34";
  b) in het tweede lid worden woorden "die werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 57/34" vervangen door de woorden "die werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 57/34/1".
Art. 20. A l'article 57/36, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 18 février 2003, les modifications suivants sont apportées:
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "sur la base de l'article 57/30" sont remplacés par les mots "sur la base de l'article 57/30 ou 57/34";
  b) dans l'alinéa 2, les mots "qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 57/34" sont remplacés par les mots "qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 57/34/1".
Art. 21. In artikel 74/21 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34 weigeren" vervangen door de woorden "kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, artikel 10bis, artikel 57/34 of artikel 57/34/1 weigeren";
  b) in het tweede lid worden de woorden "kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34" vervangen door de woorden "kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, artikel 10bis, artikel 57/34 of artikel 57/34/1".
Art. 21. A l'article 74/21 de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34" sont remplacés par les mots "le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, de l'article 10bis, de l'article 57/34, ou de l'article 57/34/1";
  b) dans l'alinéa 2, les mots "le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34" sont remplacés par les mots "le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, de l'article 10bis, de l'article 57/34, ou de l'article 57/34/1".