Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden
Titre
26 AVRIL 2024. - Arrêté royal relatif à la procédure de création d'aires marines protégées, d'autorisation Natura 2000, d'approbation Natura 2000, et de permis d'environnement dans les espaces marins belges
Documentinformatie
Numac: 2024004561
Datum: 2024-04-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024004561
Date: 2024-04-26
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL 1. - Inleidende bepalingen TITEL 2. - Definities TITEL 3. - Algemene bepalingen TITEL 4. - Mariene beschermde gebieden HOOFDSTUK I. - Instelling en beschermingsdoelst... HOOFDSTUK II. - Natura 2000-gebieden Afdeling I. - Instelling Afdeling II. - Instandhoudingsdoelstellingen Afdeling III. - Instandhoudingsmaatregelen Afdeling IV. - Projecten met een mogelijke impa... Afdeling V. - Plannen met een mogelijke impact ... HOOFDSTUK III. - Permanente monitoring en monit... TITEL 5. - Procedure milieuvergunning HOOFDSTUK I. - Milieuvergunning voor de activit... Afdeling I. - Indienen van de aanvraag Afdeling II. - Milieueffectbeoordelingsrapport Onderafdeling I. - Toepassing Onderafdeling II. - Voorafgaandelijke vraag tot... Onderafdeling III. - Integratie Onderafdeling IV. - Inhoud milieueffectbeoordel... Afdeling III. - Ontvankelijkheid en retributie Onderafdeling I. - Ontvankelijkheid Onderafdeling II. - Retributie Onderafdeling III. - Aanvangsdatum termijn voor... Afdeling IV. - Publieksraadpleging Onderafdeling I. - Organisatie publieksraadpleging Onderafdeling II. - Waarschijnlijke grensoversc... Afdeling V. - Het onderzoek en de gemotiveerde ... Onderafdeling I. - Het onderzoek Onderafdeling II. - De gemotiveerde conclusie Afdeling VI. - Advies dienst Marien Milieu Afdeling VII. - Besluit tot het verlenen of wei... Onderafdeling I. - Termijn Onderafdeling II. - Inhoud besluit Onderafdeling III. - Bekendmaking Afdeling VIII. - Duur van de vergunning Afdeling IX. - Monitoringsprogramma's en perman... Afdeling X. - Wijzigen of uitbreiden van de voo... Afdeling XI. - Verval Afdeling XII. - Ingrepen en wijzigingen van de ... Afdeling XIII. - Overdracht HOOFDSTUK II. - Milieuvergunning voor de explor... Afdeling I. - Algemeen Afdeling II. - Ontvankelijkheid Afdeling III. - Raadgevende Commissie Zand en G... Afdeling IV. - dienst Continentaal Plat Afdeling V. - Continue monitoring Afdeling VI. - Duur vergunning continentaal plat HOOFDSTUK III. - Acties voor natuurherstel of -... TITEL 6. - Verwerking persoonsgegevens TITEL 7. - Fonds Leefmilieu TITEL 8. - Opheffingsbepalingen TITEL 9. - Overgangsbepalingen TITEL 10. - Inwerkingtredingsbepalingen
Inhoud
TITRE 1. - Dispositions introductives TITRE 2. - Définitions TITRE 3. - Dispositions générales TITRE 4. - Aires marines protégées. CHAPITRE I. - Création et objectifs de protecti... CHAPITRE II. - Zones Natura 2000 Section I. - Création Section II. - Objectifs de conservation Section III. - Mesures de conservation Section IV. - Projets ayant un impact potentiel... Section V. - Plans ayant un impact potentiel su... CHAPITRE III. - Surveillance permanente et surv... TITRE 5. - . - Procédure de permis d'environnement CHAPITRE I. - Permis d'environnement pour les a... Section I. - Introduction de la demande Section II. - Rapport d'évaluation des incidenc... Sous-section I. - Application Sous-section II. - Demande préalable d'avis Sous-section III. - Intégration Sous-section IV. - Contenu du rapport d'évaluat... Section III. - Recevabilité et rétribution Sous-section I. - Recevabilité Sous-section II. - Rétribution Sous-section III. - Date de début du délai pour... Section IV. - Consultation publique Sous-section I. - Organisation de la consultati... Sous-section II. - Incidences transfrontalières... Section V. - L'examen et la conclusion motivée ... Sous-section I. - L'examen Sous-section II. - La conclusion motivée Section VI. - Avis du service Milieu marin Section VII. - Décision d'accorder ou de refuse... Sous-section I. - Délais Sous-section II. - Contenu de la décision Sous-section III. - Publication Section VIII. - Durée du permis Section IX. - Programmes de surveillance et exa... Section X. - Modifier ou étendre les conditions... Section XI. - Expiration Section XII. - Interventions et modifications d... Section XIII. - Transfert CHAPITRE II. - Permis d'environnement pour l'ex... Section I. - Général Section II. - Recevabilité Section III. - Commission Consultative Sable et... Section IV. - service Plateau Continental Section V. - La surveillance continue Section VI. - Durée permis plateau continental CHAPITRE III. - Actions de restauration ou de g... TITRE 6. - Traitement des données à caractère p... TITRE 7. - Fonds Environnement TITRE 8. - Dispositions abrogatoires TITEL 9. - Dispositions transitoires TITRE 10. - Dispositions d'entrée en vigueur
Tekst (169)
Texte (169)
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
TITRE 1. - Dispositions introductives
Artikel 1. § 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
  § 2. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.
  § 3. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
  § 4. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2023/2413/EU van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2018/2001/EU, Verordening 2018/1999/EU en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn 2015/652/EU van de Raad.
Article 1er. § 1. Le présent arrêté prévoit la transposition partielle de la Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages.
  § 2. Le présent arrêté prévoit la transposition partielle de la Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages.
  § 3. Le présent arrêté prévoit la transposition partielle de la Directive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement, telle que modifiée par la directive 2014/52/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant la directive 2011/92/UE concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement.
  § 4. Le présent arrêté prévoit la transposition partielle de la Directive 2018/2001/UE du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, telle que modifiée par Directive 2023/2413/UE du Parlement européen et du Conseil du 18 octobre 2023 modifiant la directive 2018/2001/UE, le règlement 2018/1999/UE et la directive 98/70/CE en ce qui concerne la promotion de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, et abrogeant la directive 2015/652/UE du Conseil.
Art. 2. Dit besluit regelt volgende toelatingen, goedkeuringen en vergunningen:
  1° de Natura 2000-toelating;
  2° de Natura 2000-goedkeuring;
  3° de milieuvergunning.
Art. 2. Le présent arrêté régit les autorisations, approbations et permis suivants :
  1° l'autorisation Natura 2000 ;
  2° l'approbation Natura 2000 ;
  3° le permis d'environnement.
TITEL 2. - Definities
TITRE 2. - Définitions
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de wet: de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;
  2° dag: kalenderdag;
  3° betekenen: het verzenden bij ter post aangetekende brief;
  4° digitaal: per e-mail of elke andere geschikte vorm van digitale communicatie;
  5° dienst Continentaal Plat: de dienst Continentaal Plat van de Federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
  6° publiek: een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen alsook de verenigingen, organisaties of groepen van natuurlijke personen of rechtspersonen;
  7° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk kan ondervinden van of belanghebbende is bij elke milieubesluitvorming; niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en over rechtspersoonlijkheid beschikken worden geacht betrokken publiek te zijn;
  8° project: een activiteit die
  a) opgesomd staat in artikel 16 § 1 van de wet of in het koninklijk besluit krachtens artikel 16, § 2 van de wet; of
  b) beoogd wordt in artikel 3, § 1 van de wet continentaal plat; of
  c) een invloed heeft op het natuurlijk milieu;
  9° Natura 2000-toelating: een toelating die op basis van dit besluit vereist is om een project uit te voeren;
  10° Natura 2000-goedkeuring: een goedkeuring die op basis van dit besluit vereist is om een plan uit te voeren;
  11° Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
  12° Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
  13° staat van instandhouding van een habitat: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken soorten;
  14° staat van instandhouding van een soort: het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort.
  15° de gunstige staat van instandhouding van een habitat:
  de staat van instandhouding van een habitat wanneer:
  a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en;
  b) de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en;
  c) de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is;
  16° de gunstige staat van instandhouding van een soort:
  de staat van instandhouding van een soort wanneer:
  a) uit populatie dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en;
  b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en;
  c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
  17° te beschermen habitats: de habitattypes vermeld in bijlage I van de Habitatrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen;
  18° te beschermen soorten: de soorten, vermeld in bijlagen II en IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage I van de Vogelrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen, en de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de Vogelrichtlijn worden vermeld;
  19° speciale zone voor natuurbehoud: gebied ingesteld op basis van artikel 3 en 4 van de Habitatrichtlijn;
  20° speciale beschermingszone voor vogels: gebied ingesteld op basis van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;
  21° Natura 2000-gebied: een speciale zone voor natuurbehoud of een speciale beschermingszone voor vogels;
  22° prioritaire soorten: de soorten vermeld onder bijlage II van de Habitatrichtlijn met een sterretje (*) gemerkt;
  23° permanente monitoring: de evaluatie van de toestand van het marien milieu, waaronder de toestand van de mariene reservaten en de Natura 2000-gebieden;
  24° monitoring: de evaluatie waarbij de milieueffecten van een toegelaten project of goedgekeurd plan worden onderzocht en geëvalueerd;
  25° monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken: de evaluaties waarbij de milieueffecten van een vergunde activiteit worden onderzocht en geëvalueerd;
  26° vergunning: de milieuvergunning krachtens artikel 16 §§ 1 en 2 van de wet;
  27° voorwaarden: de condities opgelegd in de Natura 2000-toelating, de Natura 2000-goedkeuring, de vergunning of de vergunning continentaal plat;
  28° aanbevelingen: een beschrijving van de niet-bindende voorstellen voor de manier van uitvoering van de activiteit;
  29° het onderzoek: het onderzoek door de BMM van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en, in voorkomend geval van de aanvullende informatie die door de aanvrager wordt verstrekt, van alle via de raadplegingen ontvangen relevante informatie en haar eigen aanvullend onderzoek;
  30° vergunninghouder: de persoon aan wie een vergunning werd uitgereikt of overgedragen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
  31° Verdrag van Espoo: het verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband en zijn Aanhangsels I, II, III, IV, V, VI en VII, gedaan te Espoo op 25 februari 1991;
  32° het daartoe aangeduide contactpunt: het point of contact aangeduid in de appendix bij Beslissing I/3 van de Vergadering van de partijen bij het verdrag in uitvoering van artikel 3 van het Verdrag van Espoo;
  33° staat: een lidstaat van de Europese Unie of een verdragsluitende partij bij het Verdrag van Espoo;
  34° grensoverschrijdende aanzienlijke effecten: effecten die voortvloeien uit een vergunningsplichtige activiteit die is inbegrepen in het toepassingsgebied van het Verdrag van Espoo of van de Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten zoals gewijzigd door de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad;
  35° Raadgevende Commissie: de Raadgevende Commissie Marien Ruimtelijk Plan krachtens artikel 24, § 3 van de wet;
  36° ingreep: elke verandering van de vergunde activiteit, waardoor aan het mariene milieu een nadeel kan worden berokkend dat niet groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst;
  37° wijziging van de vergunning: elke verandering van de voorwaarden die tot gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst of elke niet-substantiële verandering aan de vergunde activiteit die als gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst;
  38° niet-substantieel: niet essentieel of geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit;
  39° de wet continentaal plat: de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
  40° vergunning continentaal plat: de milieuvergunning voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond krachtens artikel 3, § 1 en § 3 van de wet continentaal plat;
  41° de Raadgevende Commissie Zand en Grind: de Raadgevende Commissie krachtens artikel 3, § 5 van de wet continentaal plat;
  42° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
  43° Fonds Leefmilieu: het fonds voorzien krachtens de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° la loi : la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges ;
  2° jour : jour calendaire ;
  3° notifier : envoyer par courrier recommandé ;
  4° par voie numérique : par e-mail ou toute autre forme appropriée de communication numérique ;
  5° service Plateau Continental : le Service Plateau Continental du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie ;
  6° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales, ainsi que des associations, des organisations ou des groupes de personnes physiques ou morales ;
  7° public concerné : toute personne physique ou morale, ainsi que toute association, organisation ou groupe doté de la personnalité juridique qui est ou est susceptible d'être concerné ou intéressé par tout processus décisionnel en matière d'environnement ; les organisations non gouvernementales oeuvrant pour la protection de l'environnement et dotées de la personnalité juridique sont considérées comme public concerné ;
  8° projet : une activité qui
  a) est énumérée à l'article 16, § 1 de la loi ou à l'arrêté royal visé à l'article 16, § 2 de la loi ; ou
  b) qui fait l'objet de l'article 3, § 1 de la loi plateau continental ; ou
  c) a un impact sur le milieu naturel ;
  9° autorisation Natura 2000 : une autorisation requise sur la base du présent arrêté pour la mise en oeuvre d'un projet ;
  10° approbation Natura 2000 : une approbation requise sur la base du présent arrêté pour la mise en oeuvre d'un plan ;
  11° Directive Habitats : Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages;
  12° Directive Oiseaux : Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages ;
  13° état de conservation d'un habitat: l'ensemble des influences qui agissent sur un habitat naturel et sur les espèces qu'il abrite, et qui peuvent modifier la répartition naturelle, la structure et les fonctions de cet habitat à long terme ou qui peuvent affecter la survie à long terme des espèces concernées ;
  14° état de conservation d'une espèce: l'effet de l'ensemble des influences qui, agissant sur l'espèce, peuvent affecter à long terme la répartition et l'importance de ses populations.
  15° l'état de conservation favorable d'un habitat :
  l'état de conservation d'un habitat lorsque :
  a) son aire de répartition naturelle ainsi que les superficies qu'il couvre au sein de cette aire sont stables ou en extension, et ;
  b) la structure et les fonctions spécifiques nécessaires à son maintien à long terme existent et sont susceptibles de perdurer dans un avenir prévisible, et ;
  c) l'état de conservation des espèces typiques qu'il abrite est favorable ;
  16° l'état de conservation favorable d'une espèce :
  l'état de conservation d'une espèce lorsque :
  a) les données relatives à la dynamique de la population de l'espèce en question indiquent que cette espèce continue et est susceptible de continuer à long terme à constituer un élément viable des habitats naturels auxquels elle appartient, et ;
  b) l'aire de répartition naturelle de l'espèce ne diminue ni ne risque de diminuer dans un avenir prévisible, et ;
  c) il existe et il continuera probablement d'exister un habitat suffisamment étendu pour que ses populations se maintiennent à long terme ;
  17° habitats à protéger : les types d'habitats énumérés à l'annexe I de la directive Habitats qui se trouvent dans les espaces marins ;
  18° espèces à protéger : les espèces mentionnées aux annexes II et IV de la directive Habitats et à l'annexe I de la directive Oiseaux qui se trouvent dans les espaces marins et les oiseaux migrateurs qui sont régulièrement présents dans les espaces marins et qui ne sont pas mentionnés à l'annexe I de la directive Oiseaux ;
  19° zone spéciale de conservation de la nature : zone établie sur la base des articles 3 et 4 de la directive Habitats ;
  20° zone de protection spéciale des oiseaux : zone établie sur la base de l'article 4 de la directive Oiseaux ;
  21° zone Natura 2000: une zone spéciale de conservation de la nature ou une zone de protection spéciale des oiseaux ;
  22° espèces prioritaires : espèces figurant à l'annexe II de la directive Habitats, marquées d'un astérisque (*) ;
  23° surveillance permanente : l'évaluation de l'état du milieu marin, y compris l'état des réserves marines et des zones Natura 2000 ;
  24° surveillance : l'évaluation dans laquelle les incidences sur l'environnement d'un projet autorisé ou d'un plan approuvé sont examinées et évaluées ;
  25° programmes de surveillance et examens continus des incidences sur l'environnement: les évaluations dans lesquelles les incidences sur l'environnement d'une activité octroyée sont examinées et évaluées ;
  26° permis : le permis d'environnement visé à l'article 16 §§ 1 et 2 de la loi ;
  27° conditions : les stipulations imposées dans l'autorisation Natura 2000, l'approbation Natura 2000, le permis ou le permis plateau continental ;
  28° recommandations : une description des propositions non contraignantes concernant la manière dont l'activité devrait être mise en oeuvre ;
  29° l'examen : l'examen par l'UGMM des informations présentées dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement et, le cas échéant, des informations complémentaires fournies par le demandeur, ainsi que de toutes les informations pertinentes reçues lors des consultations et ses propres recherches complémentaires ;
  30° titulaire du permis : la personne à laquelle un permis a été délivré ou transféré conformément aux dispositions du présent arrêté ;
  31° Convention d'Espoo : la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans les contextes transfrontière et ses appendices I, II, III, IV, V, VI et VII, faite à Espoo le 25 février 1991 ;
  32° le point de contact désigné à cet effet : le point of contact indiqué dans l'annexe à la Décision I/3 de la Réunion des Parties à la Convention en application de l'article 3 de la Convention d'Espoo ;
  33° état : un état membre de l'Union européenne ou une partie contractante à la Convention d'Espoo ;
  34° incidences transfrontalières notables : effets résultants d'une activité soumise à permis qui entre dans le champ d'application de la Convention d'Espoo ou de la Directive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement, modifiée par la Directive 2014/52/UE du Parlement européen et du Conseil ;
  35° Commission consultative : la Commission consultative Plan d'Aménagement des Espaces Marins visée à l'article 24, § 3 de la loi ;
  36° intervention : toute transformation de l'activité octroyée, qui peut causer un préjudice au milieu marin qui n'est pas plus important ou d'une nature différente par rapport au préjudice régi par le permis applicable ;
  37° modification du permis: toute transformation des conditions qui peut avoir pour effet que le préjudice causé au milieu marin est plus important ou d'une nature différente par rapport au préjudice régi par le permis applicable, ou une transformation non substantiel de l'activité octroyée qui a pour effet que le préjudice causé au milieu marin est plus important ou d'une nature différente par rapport au préjudice régi par le permis applicable ;
  38° non substantiel : pas essentiel ou sans incidence importante sur l'activité octroyée ;
  39° la loi plateau continental : la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental ;
  40° le permis plateau continental: le permis d'environnement pour l'exploration et l'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du fond marin et du sous-sol visé à l'article 3, § 1 et § 3 de la loi plateau continental ;
  41° Commission consultative Sable et Gravier : la Commission consultative visée à l'article 3, § 5 de la loi plateau continental ;
  42° Règlement général sur la Protection des données : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
  43° Fonds Environnement : le fonds visé par la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
TITEL 3. - Algemene bepalingen
TITRE 3. - Dispositions générales
Art. 4. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor het marien milieu. De zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor het marien milieu, in het bijzonder voor de mariene beschermde gebieden, dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Art. 4. Tout le monde prend soin du milieu marin. Cette diligence implique en tout état de cause que toute personne qui sait ou peut raisonnablement soupçonner que ses actes ou omissions peuvent avoir des conséquences néfastes sur le milieu marin, en particulier sur les aires marines protégées, s'abstienne de tels actes ou, si cette abstention ne peut être raisonnablement exigée, prenne les mesures nécessaires pour prévenir ou, dans la mesure du possible, réduire ou éliminer ces conséquences.
Art. 5. Bij betekening gaan de termijnen in op de dag na de datum van de poststempel van de ter post aangetekende brief. Bij digitaal versturen gaan de termijnen in de dag na het digitaal versturen. De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.
Art. 5. Lors de la notification, les délais commencent à courir le lendemain de la date du cachet de la poste du courrier recommandé. Lors de l'envoi par voie numérique, les délais commencent à courir le lendemain de l'envoi par voie numérique. Les délais expirent à minuit le dernier jour.
Art. 6. De termijnen en de datums zoals bepaald in dit besluit worden gerekend vanaf de aanvangsdatum van de toepasselijke procedure zoals verder bepaald in dit besluit. De termijnen worden geschorst vanaf 15 juli tot en met 15 augustus.
Art. 6. Les délais et dates tels que fixés dans le présent arrêté sont calculés à partir de la date de début de la procédure applicable, telle qu'elle est précisée ultérieurement dans le présent arrêté. Les délais seront suspendus dès le 15 juillet jusqu'au 15 août.
Art. 7. § 1. De BMM vervult haar taken zoals beschreven in dit besluit in alle onafhankelijkheid, objectiviteit en neutraliteit. De BMM mag zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.
  § 2. Indien een toelating, goedkeuring of vergunning wordt aangevraagd op initiatief of onder toezicht van een federale overheidsdienst, -instelling of -instantie, wordt in ieder geval binnen de organisatie van de administratieve bevoegdheden van de federale overheid een passende scheiding aangebracht tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit dit besluit voortvloeiende taken.
  § 3. Om de volledigheid en kwaliteit van het milieueffectbeoordelingsrapport te waarborgen, dient de BMM te waarborgen dat zij beschikt over, of indien nodig toegang heeft tot, voldoende expertise om het milieueffectbeoordelingsrapport te onderzoeken.
Art. 7. § 1. L'UGMM remplit ses missions telles que décrites dans le présent arrêté en toute indépendance, objectivité et neutralité. L'UGMM ne doit pas se trouver dans une situation donnant lieu à un conflit d'intérêts.
  § 2. En tout état de cause, si une autorisation, approbation ou un permis est demandé à l'initiative ou sous le contrôle d'un service public fédéral, d'une instance ou d'un organisme fédéral, dans le cadre des compétences administratives du gouvernement fédéral, une séparation appropriée est faite entre les fonctions conflictuelles dans l'exécution des tâches découlant du présent arrêté.
  § 3. Afin de veiller à l'exhaustivité et à la qualité du rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement, l'UGMM veille à disposer d'une expertise suffisante pour examiner le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement, ou à avoir un accès au besoin à une telle expertise.
Art. 8. De retributies verschuldigd overeenkomstig de artikelen 25, 46, 59 en 88 van dit besluit zijn betaalbaar aan de BMM. Zij worden gestort op het daartoe door de minister bepaald rekeningnummer.
Art. 8. Les rétributions dues en vertu des articles 25, 46, 59 et 88 de cet arrêté sont payables à l'UGMM. Elles sont versées sur le numéro de compte indiqué par le ministre à cet effet.
TITEL 4. - Mariene beschermde gebieden
TITRE 4. - Aires marines protégées.
HOOFDSTUK I. - Instelling en beschermingsdoelstellingen van de mariene reservaten
CHAPITRE I. - Création et objectifs de protection des réserves marines
Art. 9. § 1. De dienst Marien Milieu maakt een voorstel op voor het aanduiden van een gebied als marien reservaat, dat volgende gegevens bevat:
  1° een grafisch plan dat aangeeft over welk gebied of welke gebieden het gaat;
  2° de geografische coördinaten;
  3° een wetenschappelijke beschrijving van het gebied, het aanwezige ecosysteem en zijn functies;
  4° een voorstel tot beschermingsdoelstellingen.
  § 2. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van de beschermingsdoelstellingen.
  § 3. De gebieden die in aanmerking komen als mariene reservaten worden ingesteld volgens de procedure krachtens artikel 24, § 1 en § 2 van de wet.
  § 4. Het instellingsbesluit, zoals bedoeld in paragraaf 3, bevat minstens de volgende elementen:
  1° de naam van het gebied;
  2° de afbakening van het gebied;
  3° de beschermingsdoelstellingen.
Art. 9. § 1. Le service Milieu marin émet une proposition pour indiquer une zone comme réserve marine, qui contient les données suivantes :
  1° un plan graphique indiquant la ou les zones concernées ;
  2° les coordonnées géographiques ;
  3° une description scientifique de la zone, de l'écosystème présent et de ses fonctions ;
  4° une proposition d'objectifs de protection.
  § 2. Chaque service public fédéral met, sur simple demande ou spontanément, à disposition toutes les informations et connaissances utiles dont il dispose en vue d'établir les objectifs de protection.
  § 3. Les zones éligibles en tant que réserves marines sont créées selon la procédure visé à l'article 24, § 1 et § 2 de la loi.
  § 4. L'arrêté de création, visé au paragraphe 3, contient au moins les éléments suivants :
  1° le nom de la zone ;
  2° la délimitation de la zone ;
  3° les objectifs de protection.
Art. 10. De beschermingsdoelstellingen zijn bindend voor de federale overheid.
Art. 10. Les objectifs de protection sont contraignants pour le gouvernement fédéral.
HOOFDSTUK II. - Natura 2000-gebieden
CHAPITRE II. - Zones Natura 2000
Afdeling I. - Instelling
Section I. - Création
Art. 11. § 1. De dienst Marien Milieu maakt een voorstel op voor de instelling van een Natura-2000 gebied, dat volgende gegevens bevat:
  1° een grafisch plan dat aangeeft over welk gebied of welke gebieden het gaat;
  2° de geografische coördinaten;
  3° een wetenschappelijke omschrijving.
  § 2. Voor de speciale zones voor natuurbehoud gebeurt de selectie op grond van de criteria van bijlage III van de Habitatrichtlijn en van de relevante wetenschappelijke gegevens.
  § 3. Voor de speciale beschermingszones voor vogels worden de gebieden geselecteerd die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van:
  1° de vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn die voorkomen in de zeegebieden;
  2° de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de Vogelrichtlijn worden vermeld.
  § 4. De gebieden die in aanmerking komen als Natura 2000-gebieden worden ingesteld volgens de procedure krachtens artikel 24, § 1 en § 2 van de wet. De aanwijzing van speciale beschermingszones voor vogels is definitief.
Art. 11. § 1. Le service Milieu marin prépare une proposition pour l'création d'une zone Natura 2000, qui contient les données suivantes :
  1° un plan graphique indiquant la ou les zones concernées ;
  2° les coordonnées géographiques ;
  3° une description scientifique.
  § 2. Pour les zones spéciales de conservation de la nature, la sélection est fondée sur les critères de l'annexe III de la Directive Habitats et sur des données scientifiques pertinentes.
  § 3. Pour les zones de protection spéciale des oiseaux, sont sélectionnées les zones qui, en termes de nombre et de surface, sont les plus adaptées à la conservation de :
  1° les espèces d'oiseaux énumérées à l'annexe I de la Directive Oiseaux, présentes dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique ;
  2° les oiseaux migrateurs qui sont régulièrement présents dans les espaces marins et qui ne sont pas mentionnés à l'annexe I de la directive Oiseaux.
  § 4. Les zones éligibles en tant que zones Natura 2000 sont créées selon la procédure visé à l'article 24, § 1 et § 2 de la loi. La désignation des zones de protection spéciale des oiseaux, est définitive.
Art. 12. § 1. In het geval van de aanwijzing van een gebied dat in aanmerking komt als speciale zone voor natuurbehoud, meldt de minister het gebied aan bij de Europese Commissie.
  § 2. Binnen zes jaar nadat de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard, wordt dit gebied definitief ingesteld als speciale zone voor natuurbehoud.
Art. 12. § 1. En cas de désignation d'une zone éligible comme zone spéciale de conservation de la nature, le ministre notifie la zone à la Commission européenne.
  § 2. Dans les six ans qui suivent la déclaration par la Commission européenne d'une zone d'intérêt communautaire, la zone est établie définitivement comme zone spéciale de conservation de la nature.
Art. 13. § 1. Zodra de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard, wordt het gebied als Natura 2000-gebied beschouwd voor de toepassing van afdeling IV en V van dit besluit.
  § 2. Elke federale overheidsdienst neemt, binnen de haar toegewezen bevoegdheden, de nodige maatregelen om elke verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden in de gebieden waarvoor de Europese procedure tot aanduiding als gebied van communautair belang loopt.
  § 3. De speciale beschermingszones voor vogels zoals omschreven in artikel 7, § 5, van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden en de speciale zones voor natuurbehoud bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 3, van hetzelfde besluit worden geacht definitief te zijn aangewezen, in de zin van artikel 11, § 4 en 12, § 2.
Art. 13. § 1. Lorsqu'une zone est déclarée d'importance communautaire par la Commission européenne, elle est considérée comme une zone Natura 2000 aux fins des sections IV et V du présent arrêté.
  § 2. Chaque service public fédéral prend, dans le cadre des compétences qui lui sont attribuées, les mesures nécessaires pour éviter toute détérioration de la qualité des habitats à protéger et des habitats des espèces et toute perturbation significative des espèces à protéger dans les zones pour lesquelles la procédure européenne de désignation comme zones d'importance communautaire est en cours.
  § 3. Les zones de protection spéciale des oiseaux visées à l'article 7, § 5, de l'arrêté royal du 22 mai 2019 établissant le Plan d'aménagement des espaces marins pour la période de 2020 à 2026 dans les espaces marins belges et les zones spéciales de conservation de la nature visées à l'article 7, §§ 1 et 3 du même arrêté sont réputées définitivement désignées, au sens des articles 11, § 4, et 12, § 2.
Art. 14. Het instellingsbesluit, zoals bedoeld in artikel 11, § 4 en 12, § 2, bevat minstens de volgende elementen:
  1° de code van het Natura 2000-gebied;
  2° de naam van het gebied;
  3° de afbakening van het gebied met kaart en coördinaten;
  4° een wetenschappelijke omschrijving van het gebied;
  5° de soorten en/of habitats waarvoor het gebied is aangewezen en, in voorkomend geval, andere Europees beschermde soorten en habitats die in het gebied voorkomen.
Art. 14. L'arrêté de création, visé à l'article 11, § 4 et 12, § 2, contient au moins les éléments suivants :
  1° le code de la zone Natura 2000 ;
  2° le nom de la zone ;
  3° la délimitation de la zone à l'aide d'une carte et de coordonnées ;
  4° une description scientifique de la zone ;
  5° les espèces et/ou les habitats pour lesquels la zone a été désignée et, le cas échéant, les autres espèces et habitats européens protégés présents dans la zone.
Afdeling II. - Instandhoudingsdoelstellingen
Section II. - Objectifs de conservation
Art. 15. § 1. Voor elk Natura 2000-gebied wordt een wetenschappelijk rapport opgesteld, dat minstens de volgende elementen bevat:
  1° een wetenschappelijke beschrijving van het gebied en van de te beschermen habitats en/of de te beschermen soorten waarvoor het gebied is aangewezen of die erin voorkomen en, in voorkomend geval, een actualisering van de wetenschappelijke informatie;
  2° een analyse van de actuele staat van instandhouding van een habitat en actuele staat van instandhouding van een soort, op basis van de permanente monitoring;
  3° een inschatting van het potentieel van het gebied in kwestie en voor het behalen van de gunstige staat van instandhouding van een habitat en gunstige staat van instandhouding van een soort voor de relevante te beschermen habitats en/of de relevante te beschermen soorten;
  4° een beoordeling van het belang van het Natura 2000-gebied voor elke relevante te beschermen habitat en relevante te beschermen soort, en hieruit volgend een beoordeling van het belang van elke relevante te beschermen habitat en te beschermen soort binnen het te beschermen gebied in kwestie;
  5° een voorstel van instandhoudingsdoelstellingen voor de relevante te beschermen habitat en/of relevante te beschermen soort in het gebied;
  6° een beschrijving van de bedreigingen en kansen met betrekking tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld onder 5°.
  7° een oplijsting en analyse van de bestaande Natura 2000-toelatingen en Natura 2000-goedkeuringen die beïnvloed kunnen worden door het voorstel van instandhoudingsdoelstellingen.
  § 2. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van de instandhoudingsdoelstellingen.
  § 3. Op basis van het wetenschappelijk rapport, zoals bepaald in § 1, stelt de minister ontwerp- instandhoudingsdoelstellingen vast voor elk Natura 2000-gebied.
  § 4. De minister onderwerpt de ontwerp-instandhoudingsdoelstellingen aan een publieksraadpleging. Deze publieksraadpleging wordt minstens vijftien dagen voor de aanvang ervan bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst Marien Milieu. Deze bekendmaking vermeldt de begin- en einddatum van de publieksraadpleging en de wijze waarop het publiek zijn standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen kan kenbaar maken.
  § 5. De publieksraadpleging duurt zestig dagen.
  § 6. De minister stelt een verklaring op die weergeeft hoe met de standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen van het publiek rekening werd gehouden.
  § 7. De minister stelt de instandhoudingsdoelstellingen vast.
  § 8. De instandhoudingsdoelstellingen en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 9, worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst Marien Milieu. De minister maakt de instandhoudingsdoelstellingen en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 9, indien relevant, aan andere overheidsdiensten over.
Art. 15. § 1. Un rapport scientifique est établi pour chaque zone Natura 2000, contenant au moins les éléments suivants :
  1° une description scientifique de la zone et des habitats à protéger et/ou espèces à protéger pour lesquels la zone a été désignée ou qui s'y trouvent et, le cas échéant, une mise à jour des informations scientifiques ;
  2° une analyse de l'état actuel de conservation d'un habitat et l'état actuel de conservation d'une espèce, sur la base d'une surveillance permanente ;
  3° une évaluation du potentiel de la zone en question et pour atteindre l'état de conservation favorable d'un habitat et l'état de conservation favorable d'une espèce pour les habitats à protéger pertinent et/ou espèces à protéger pertinents ;
  4° une évaluation de l'intérêt de la zone Natura 2000 pour chaque habitat à protéger pertinent et espèce à protéger pertinent, et l'évaluation qui en découle de l'intérêt de chaque habitat à protéger pertinent et espèce à protéger pertinent au sein de la zone à protéger concernée ;
  5° une proposition des objectifs de conservation par habitat à protéger pertinent et/ou espèce à protéger pertinent dans la zone ;
  6° une description des menaces et des opportunités d'atteindre les objectifs de conservation, mentionnés sous 5° ;
  7° une liste et une analyse des autorisations et approbations Natura 2000 existantes susceptibles d'être affectées par les objectifs de conservation proposés.
  § 2. Chaque service public fédéral met, sur simple demande ou spontanément, à disposition toutes les informations et connaissances utiles dont il dispose en vue d'établir les objectifs de conservation.
  § 3. Sur la base du rapport scientifique visé au § 1, le ministre fixe un projet d'objectifs de conservation pour chaque zone Natura 2000.
  § 4. Le ministre soumet le projet d'objectifs de conservation à une consultation publique. Cette consultation publique est annoncée au moins quinze jours avant son début au Moniteur belge et sur le site web du service Milieu marin. Cet publication indique les dates de début et de fin de la consultation publique et la manière dont le public peut exprimer ses points de vue, commentaires, objections et avis.
  § 5. La consultation publique dure soixante jours.
  § 6. Le ministre prépare une déclaration reflétant la manière dont les points de vue, commentaires, objections et avis du public ont été pris en compte.
  § 7. Le ministre fixe les objectifs de conservation.
  § 8. Les objectifs de conservation et la déclaration, prévue au paragraphe 9, sont publiés au Moniteur belge et sur le site web du service Milieu marin. Le ministre transmets les objectifs de conservation et la déclaration, prévue au paragraphe 9, le cas échéant, à d'autres services publics.
Art. 16. De instandhoudingsdoelstellingen worden aangenomen ten laatste zes jaar na de definitieve aanwijzing van een speciale beschermingszone voor vogels zoals bepaald in artikel 11, § 4 en ten laatste zes jaar nadat de Europese Commissie een speciale zone voor natuurbehoud van communautair belang heeft verklaard.
Art. 16. Les objectifs de conservation sont adoptés au plus tard six ans après la désignation définitive d'une zone de protection spéciale des oiseaux prévue à l'article 11, § 4 et au plus tard six ans après que la Commission européenne a déclaré une zone spéciale de conservation de la nature d'intérêt communautaire.
Art. 17. De instandhoudingsdoelstellingen zijn bindend voor de federale overheid.
Art. 17. Les objectifs de conservation sont contraignants pour le gouvernement fédéral.
Afdeling III. - Instandhoudingsmaatregelen
Section III. - Mesures de conservation
Art. 18. § 1. De minister neemt de nodige instandhoudingsmaatregelen, gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
  § 2. De minister neemt de nodige stappen om elke verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden.
  § 3. Voor hetgeen bepaald in paragrafen 1 en 2, kan de minister acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen.
Art. 18. § 1. Le ministre prend les mesures de conservation nécessaires pour atteindre les objectifs de conservation.
  § 2. Le ministre prend les mesures nécessaires pour éviter toute détérioration de la qualité des habitats à protéger et des habitats des espèces et toute perturbation significative des espèces à protéger.
  § 3. Pour ce qui est prévu aux paragraphes 1 et 2, le ministre peut entreprendre des actions de restauration ou de gestion de la nature.
Art. 19. § 1. De minister kan voor elk van de Natura 2000-gebieden een ontwerp-beheerplan vaststellen of herzien.
  § 2. Dit ontwerp-beheerplan bevat minstens de volgende elementen:
  1° een evaluatie van het bestaande beschermingsregime, vertrekkend vanuit de resultaten van de permanente monitoring;
  2° een ontwerp van instandhoudingsmaatregelen en de te ondernemen stappen om de verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten tegen te gaan.
  § 3. De minister onderwerpt het ontwerp-beheerplan aan een publieksraadpleging. Deze publieksraadpleging wordt minstens vijftien dagen voor de aanvang ervan bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, op de Federale Portaalsite, op de website van de dienst Marien Milieu en door minstens één ander vrij te kiezen communicatiemiddel. Deze bekendmaking vermeldt de begin- en einddatum van de publieksraadpleging en de wijze waarop het publiek zijn standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen kan kenbaar maken.
  § 4. De publieksraadpleging duurt zestig dagen.
  § 5. De minister stelt een verklaring op die weergeeft hoe met de standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen van het publiek rekening werd gehouden.
  § 6. De minister neemt het ontwerp-beheerplan aan als beheerplan.
  § 7. De minister doet het nodige opdat dit beheerplan en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 5, publiek wordt gemaakt en, indien relevant, aan andere overheidsdiensten wordt overgemaakt.
Art. 19. § 1. Le ministre peut adopter ou réviser un projet de plan de gestion pour chacune des zones Natura 2000.
  § 2. Ce projet de plan de gestion comprend au moins les éléments suivants :
  1° une évaluation du régime de protection existant, à partir des résultats de la surveillance permanente ;
  2° un projet de mesures de conservation et les dispositions à prendre pour éviter toute détérioration de la qualité des habitats à protéger et des habitats des espèces et toute perturbation significative des espèces à protéger.
  § 3. Le ministre soumet le projet de plan de gestion à une consultation publique. Cette consultation publique est publiée au moins quinze jours avant son début au Moniteur belge, sur le site du Portail fédéral, sur le site web du service Milieu marin et par au moins un autre moyen de communication de libre choix. Cet avis indique les dates de début et de fin de la consultation publique et la manière dont le public peut exprimer ses points de vue, commentaires, objections et avis.
  § 4. La consultation publique dure soixante jours.
  § 5. Le ministre prépare une déclaration reflétant la manière dont les points de vue, commentaires, objections et avis du public ont été pris en compte.
  § 6. Le ministre adopte le projet de plan de gestion en tant que plan de gestion.
  § 7. Le ministre prend les mesures nécessaires pour que ce plan de gestion et la déclaration prévue au paragraphe 5 soient rendus publics et, le cas échéant, transmis à d'autres services publics.
Afdeling IV. - Projecten met een mogelijke impact op een Natura 2000-gebied
Section IV. - Projets ayant un impact potentiel sur une zone Natura 2000
Art. 20. Een project dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-toelating.
Art. 20. Un projet qui n'est pas directement lié ou nécessaire à la gestion d'une zone Natura 2000 et qui est susceptible d'avoir un effet significatif sur celui-ci, soit individuellement, soit en combinaison avec d'autres plans ou projets, doit faire l'objet d'une autorisation Natura 2000.
Art. 21. § 1. De procedure tot het bekomen van een Natura 2000-toelating bestaat uit volgende stappen:
  1° een optionele screening, zoals bepaald in artikel 22;
  2° het opstellen van een ontwerp van passende beoordeling door de initiatiefnemer;
  3° het evalueren van het ontwerp van passende beoordeling, het opmaken van een passende beoordeling door de BMM en het advies van de dienst Marien Milieu;
  4° de beslissing van de minister.
  § 2. Indien voor het project ook een vergunning of een vergunning continentaal plat vereist is, verloopt het behandelen van een Natura 2000-toelating volgens de termijnen bepaald in titel 5.
Art. 21. § 1. La procédure d'obtention d'autorisation Natura 2000 comprend les étapes suivantes :
  1° un screening facultatif, prévu à l'article 22;
  2° la préparation d'un projet d'évaluation appropriée par l'initiateur ;
  3° l'évaluation du projet d'évaluation appropriée, l'élaboration d'une évaluation appropriée par l'UGMM et l'avis du service Milieu marin ;
  4° la décision du ministre.
  § 2. Si le projet requit également un permis ou un permis plateau continental, le traitement d'une autorisation Natura 2000 suit les délais prévus au titre 5.
Art. 22. § 1. Om te bepalen of een project mogelijk significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden, kan de initiatiefnemer aan de BMM digitaal verzoeken om aan te geven of een Natura 2000-toelating vereist is. Bij dit verzoek wordt een screeningsnota gevoegd, waarin de initiatiefnemer een beschrijving geeft van het project en aangeeft of bij het uitvoeren van dit project sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden.
  § 2. De BMM beslist, op basis van dit verzoek en alle andere relevante informatie, binnen vijftien dagen na het verzoek, of er voor het betrokken project een Natura 2000-toelating vereist is.
  § 3. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal aan de initiatiefnemer en de dienst Marien Milieu.
Art. 22. § 1. Pour déterminer si un projet est susceptible d'avoir des conséquences significatives sur une ou plusieurs zones Natura 2000, l'initiateur peut demander par voie numérique à l'UGMM d'indiquer si une autorisation Natura 2000 est nécessaire. Cette demande est accompagnée d'une note de screening, dans laquelle l'initiateur fournit une description du projet et indique si la mise en oeuvre de ce projet peut avoir des conséquences néfastes sur les zones Natura 2000 concernées.
  § 2. L'UGMM décide, sur la base de cette demande et de toutes les autres informations pertinentes, dans un délai de quinze jours à compter de la demande, si une autorisation Natura 2000 est requise pour le projet en question.
  § 3. L'UGMM envoie sa décision par voie numérique à l'initiateur et au service Milieu marin.
Art. 23. § 1. De initiatiefnemer stelt een ontwerp van passende beoordeling op, op eigen initiatief of indien de BMM beslist heeft dat een Natura 2000-toelating vereist is voor het project, zoals bepaald in artikel 22, § 2.
  § 2. Het ontwerp van passende beoordeling bevat, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis, alle aspecten van het project die op zichzelf, of in combinatie met andere plannen of projecten, de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang kunnen brengen.
  Indien voor het betrokken gebied nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, dienen de gegevens op basis waarvan de aanmelding van het Natura 2000-gebied is gebeurd, aangevuld met de relevante ecologische informatie, als referentie gebruikt te worden.
  § 3. Het ontwerp van passende beoordeling bevat:
  1° de gegevens van de initiatiefnemer:
  a) naam, voornaam, adres, e-mailadres en desgevallend ondernemingsnummer van de initiatiefnemer;
  b) als de initiatiefnemer een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer. Als de initiatiefnemer een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer;
  2° een deel betreffende het project waarin volgende zaken beschreven worden:
  a) de doelstelling van het project;
  b) de locatie en periode van het project;
  c) de wijze van uitvoering van het project;
  3° een deel betreffende de mogelijke gevolgen van het project op de Natura 2000-gebieden:
  a) een beschrijving en waardering van de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen;
  b) een beschrijving van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een beschrijving van de maatregelen die mogelijk zijn om nadelige gevolgen te vermijden of te beperken tot een niveau waarop zij de instandhoudingsdoelstellingen niet meer in het gedrang brengen;
  c) een beschrijving van de voorzieningen die kunnen worden getroffen om een behoorlijke monitoring te verzekeren van de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen.
  Dit deel wordt per geval op passende wijze uitgewerkt. In voorkomend geval wordt het aangevuld met een overzicht van de moeilijkheden, zoals ontbrekende kennis, die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie.
Art. 23. § 1. L'initiateur prépare un projet d'évaluation appropriée, de sa propre initiative ou si l`UGMM décide qu'une autorisation Natura 2000 est nécessaire pour le projet, conformément à l'article 22, § 2.
  § 2. Le projet d'évaluation appropriée comprend, sur la base des meilleures connaissances scientifiques disponibles, tous les aspects du projet qui, par eux-mêmes ou en combinaison avec d'autres plans ou projets, peuvent compromettre les objectifs de conservation.
  Si aucun objectif de conservation n'a encore été défini pour la zone en question, les données sur la base desquelles la zone Natura 2000 a été notifiée, complétées par les informations écologiques pertinentes, doivent être utilisées comme référence.
  § 3. Le projet d'évaluation appropriée comprend :
  1° les coordonnées de l'initiateur :
  a) le nom, le prénom, l'adresse, l'adresse e-mail et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'initiateur ;
  b) si l'initiateur est une personne morale de droit privé, son numéro d'entreprise, ses statuts et les pièces justificatives des mandats des signataires du projet d'évaluation appropriée, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès de l'initiateur. Si l'initiateur est une personne morale de droit public, son numéro d'entreprise, les pièces justificatives des mandats des signataires du projet d'évaluation appropriée, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès de l'initiateur ;
  2° une partie concernant le projet dans laquelle sont décrits les éléments suivants :
  a) l'objectif du projet ;
  b) la localisation et la période du projet ;
  c) la méthode d'exécution du projet ;
  3° une partie sur les éventuelles incidences du projet sur les zones Natura 2000 :
  a) une description et une évaluation de l'impact du projet sur les objectifs de conservation ;
  b) une description de la manière dont les effets néfastes prévisibles sur les objectifs de conservation ont été pris en compte et une description des mesures possibles pour éviter ou réduire les effets néfastes à un niveau tel qu'ils ne portent plus atteinte aux objectifs de conservation ;
  c) une description des dispositions qui peuvent être prises pour assurer une surveillance adéquate des conséquences du projet sur les objectifs de conservation.
  Cette partie sera développée de manière appropriée au cas par cas. Le cas échéant, elle est complétée par un aperçu des difficultés, telles que le manque de connaissances, rencontrées lors de la collecte et du traitement des informations requises.
Art. 24. De initiatiefnemer betekent of verstuurt digitaal het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM en verstuurt een kopie van het ontwerp digitaal aan de dienst Marien Milieu.
Art. 24. L'initiateur notifie ou envoie par voie numérique le projet d'évaluation appropriée à l'UGMM et en envoie une copie numérique au service Milieu marin.
Art. 25. § 1. De BMM berekent het bedrag van de retributie op basis van de gegevens vervat in het ontwerp van passende beoordeling. De berekening van de retributie omvat:
  1° een vergoeding voor de administratieve kosten, te begroten op 50 euro, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen;
  2° een vergoeding voor de uitvoering van de passende beoordeling en alle daaraan verbonden kosten, op basis van een tarief van 692 euro (index 127,11; basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen.
  § 2. De BMM betekent de berekening van de retributie aan de initiatiefnemer binnen tien dagen na de aanvraag.
  § 3. De initiatiefnemer betekent het bewijs van betaling van de retributie aan de BMM.
  § 4. De termijn voor het verder behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-toelating gaat in de dag na de betekening door de initiatiefnemer van het bewijs van betaling van de retributie, zoals bepaald in paragraaf 3, aan de BMM.
Art. 25. § 1. L'UGMM calcule le montant de la rétribution sur la base des données dans l'évaluation appropriée. Le calcul de la rétribution couvre :
  1° une redevance pour les frais administratifs, fixée à 50 euros, indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation ;
  2° une redevance pour l'exécution de l'évaluation appropriée et tous les frais associés, sur la base d'un tarif de 692 euros (indice 127,11 ; base 2013) par jour-homme, indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation.
  § 2. L'UGMM notifie le calcul de la rétribution à l'initiateur dans les dix jours suivant la demande.
  § 3. L'initiateur notifie la preuve du paiement de la rétribution à l'UGMM.
  § 4. Le délai pour la poursuite du traitement de la demande d'autorisation Natura 2000 commence le jour après la notification par l'initiateur de la preuve du paiement de la rétribution prévue au paragraphe 3, à l'UGMM.
Art. 26. De BMM evalueert het ontwerp van passende beoordeling en stelt de passende beoordeling op. De BMM verstuurt de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4.
Art. 26. L'UGMM évalue le projet d'évaluation appropriée et prépare l'évaluation appropriée. L'UGMM envoie l'évaluation appropriée par voie numérique au service Milieu marin dans les soixante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
Art. 27. § 1. De dienst Marien Milieu verstuurt zijn advies over de passende beoordeling digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4.
  § 2. De BMM verstuurt de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4.
Art. 27. § 1. Le service Milieu marin envoie par voie numérique son avis sur l'évaluation appropriée à l'UGMM dans les septante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
  § 2. L'UGMM envoie par voie numérique au ministre l'évaluation appropriée et l'avis du service Milieu marin dans les quatre-vingt-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
Art. 28. § 1. De minister kan voor het project enkel een Natura 2000-toelating verlenen, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen. De minister kan aan deze toelating voorwaarden koppelen.
  § 2. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen vijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 28. § 1. Le ministre ne peut accorder une autorisation Natura 2000 pour le projet que s'il est certain, à partir de l'évaluation appropriée, que le projet ne portera pas atteinte aux objectifs de conservation de la zone Natura 2000 concernée. Le ministre peut assortir cette autorisation de conditions.
  § 2. Le ministre notifie la décision à l'initiateur dans les nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 29. § 1. In afwijking van artikel 28 kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het project worden toegelaten indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1° er is geen ander alternatief dat de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied niet of minder aantast;
  2° het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn;
  Ingeval het project significante gevolgen heeft voor een gebied met een prioritaire natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort, kunnen enkel dwingende redenen van groot openbaar belang in rekening genomen worden die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen enkel in rekening genomen worden na gunstig advies van de Europese Commissie. Dit advies van de Europese Commissie wordt door de minister gevraagd. Installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen;
  3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
  § 2. De initiatiefnemer betekent voor de afwijkingsmogelijkheid uit § 1, een gemotiveerde aanvraag aan de BMM binnen honderdentien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4.
  § 3. De BMM beoordeelt de gemotiveerde aanvraag en verstuurt haar advies over de vervulling van de voorwaarden, zoals bepaald in paragraaf 1, aan de dienst Marien Milieu binnen honderdzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4.
  § 4. De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal binnen honderdvijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4, aan de BMM.
  § 5. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4, aan de BMM.
  § 6. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen tweehonderdenvijf dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 29. § 1. En dérogation à l'article 28, nonobstant le fait que l'évaluation appropriée n'a pas fourni l'assurance requise, le projet peut être autorisé, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° il n'y a pas d'autre alternative qui n'affecte pas ou affecte moins les caractéristiques naturelles de la zone Natura 2000 ;
  2° le projet est nécessaire pour des raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris des raisons de nature économique ou sociale ; les installations de production d'énergie renouvelable, leur raccordement au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage soient présumés relever de l'intérêt public majeur ;
  Si le projet a un impact significatif sur un site arbitrant un habitat naturel prioritaire et/ou une espèce prioritaire, seules des raisons impératives d'intérêt public primordial liées à la santé humaine, à la sécurité publique ou à des effets bénéfiques significatifs sur l'environnement peuvent être prises en compte. D'autres raisons impératives d'intérêt public primordial ne peuvent être prises en compte qu'après un avis favorable de la Commission européenne. Cet avis de la Commission européenne est sollicité par le ministre. Les installations de production d'énergie renouvelable, leur raccordement au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage soient présumés relever de l'intérêt public majeur et de l'intérêt de la santé humaine et de la sécurité publique ;
  3° les mesures compensatoires nécessaires sont prises pour assurer la préservation de la cohésion générale du réseau Natura 2000. Le ministre informe la Commission européenne des mesures compensatoires prises.
  § 2. Pour l'option de dérogation au § 1, l'initiateur doit notifier une demande motivée à l'UGMM dans les cent et dix jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
  § 3. L'UGMM évalue la demande motivée et adresse son avis sur le respect des conditions énoncées au paragraphe 1 au service Milieu marin dans les cent septante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
  § 4. Le service Milieu marin envoie son avis à l'UGMM par voie numérique dans les cent quatre-vingt-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
  § 5. L'UGMM envoie son avis et l'avis du service Milieu marin par voie numérique au ministre dans les cent nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4.
  § 6. Le ministre notifie la décision à l'initiateur dans les deux cent cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 25, § 4. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 30. § 1. De minister kan een Natura 2000-toelating wijzigen, schorsen of opheffen in de volgende gevallen:
  1° wanneer uit de permanente monitoring en, in voorkomend geval, de monitoring blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden hebben voorgedaan door het project;
  2° wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd;
  3° wanneer de gegevens op grond waarvan de Natura 2000-toelating is verleend, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou genomen zijn;
  4° wanneer de Natura 2000-toelating in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend.
  § 2. Een Natura 2000-toelating wordt door de minister opgeheven of gewijzigd indien nieuwe wetenschappelijke inzichten aantonen dat dit nodig is om te vermijden dat de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten verslechtert en dat er een significante verstoring van de te beschermen soorten optreedt door het toegelaten project.
  § 3. Een Natura 2000-toelating wordt door de minister opgeheven of gewijzigd, indien deze niet meer verenigbaar is met gewijzigde instandhoudingsdoelstellingen.
  § 4. De minister neemt een beslissing over het wijzigen, schorsen of opheffen van een Natura 2000-toelating ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de BMM. De minister betekent de ontwerpbeslissing aan de toelatingshouder.
  Binnen dertig dagen na de betekening van de ontwerpbeslissing kan de toelatingshouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen.
  § 5. Binnen zestig dagen na betekening zoals bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting, digitaal aan de dienst Marien Milieu. De dienst Marien Milieu verstuurt binnen vijfenzeventig dagen na betekening haar advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister. Binnen vijfennegentigdagen na betekening betekent de minister de beslissing aan de toelatingshouder. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 30. § 1. Le ministre peut modifier, suspendre ou abroger une autorisation Natura 2000 dans les cas suivants :
  1° lorsque la surveillance permanente et, le cas échéant, la surveillance montrent que de nouveaux effets néfastes pour les zone Natura 2000 concernées sont apparus à cause du projet ;
  2° lorsque les conditions ne sont pas remplies ;
  3° lorsque les données sur la base desquelles l'autorisation Natura 2000 a été accordée sont à ce point incorrectes ou incomplètes que, si les données correctes avaient été connues, une décision différente aurait été prise ;
  4° lorsque l'autorisation Natura 2000 a été accordée en violation des exigences légales.
  § 2. Une autorisation Natura 2000 est annulée ou modifiée par le ministre si de nouveaux éléments scientifiques montrent que cela est nécessaire pour éviter que la qualité des habitats à protéger et des habitats des espèces ne se détériore et que des perturbations significatives des espèces à protéger ne se produisent du fait du projet autorisé.
  § 3. Une autorisation Natura 2000 est annulée ou modifiée par le ministre si elle n'est plus compatible avec les objectifs de conservation modifiés.
  § 4. Le ministre prend la décision de modifier, suspendre ou abroger une autorisation Natura 2000 d'office ou à la demande motivée de l'UGMM. Le ministre notifie le projet de décision au titulaire de l'autorisation.
  Dans les trente jours suivant la notification du projet de décision, le titulaire de l'autorisation peut notifier des observations et des objections ainsi que toute demande d'audition à l'UGMM.
  § 5. Dans les soixante jours suivant la notification prévue au paragraphe 4, alinéa 1er, l'UGMM envoie son avis, accompagné, le cas échéant, d'une évaluation des commentaires et des objections, et, le cas échéant, du rapport de l'audition, par voie numérique au service Milieu marin. Le service Milieu marin envoie son avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la notification. Dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la notification, l'UGMM envoie par voie numérique son avis et l'avis du service Milieu marin au ministre. Dans les nonante-cinq jours suivant la notification, le ministre notifie la décision au titulaire de l'autorisation. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 31. § 1. De toelatingshouder kan een gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de Natura 2000-toelating betekenen aan de BMM. In deze gemotiveerde aanvraag geeft de toelatingshouder aan waarom door de wijziging van de Natura 2000-toelating er geen sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden.
  § 2. De BMM beslist, op basis van de gemotiveerde aanvraag en alle andere relevante informatie of er een nieuwe Natura 2000-toelating vereist is of niet. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal binnen vijftien dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag aan de toelatingshouder en de dienst Marien Milieu.
  § 3. Indien de BMM beslist dat er een nieuwe Natura 2000-toelating vereist is, kan de toelatingshouder een nieuwe Natura 2000-toelating aanvragen volgens de procedure zoals bepaald in artikel 23 tot en met 29.
  § 4. Indien de BMM beslist dat er geen nieuwe Natura 2000-toelating vereist is, verstuurt de BMM haar advies over de aangevraagde wijziging van de Natura 2000-toelating digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De minister betekent de beslissing aan de toelatingshouder binnen vijfennegentig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 31. § 1. Le titulaire de l'autorisation peut notifier à l'UGMM une demande motivée de modification de l'autorisation Natura 2000. Dans cette demande motivée, le titulaire de l'autorisation explique pourquoi la modification de l'autorisation Natura 2000 n'est pas susceptible d'avoir des effets néfastes sur les sites Natura 2000 concernés.
  § 2. Sur la base de la demande motivée et de toutes les autres informations pertinentes, l'UGMM décide si une nouvelle autorisation Natura 2000 est nécessaire ou non. L'UGMM envoie sa décision par voie numérique au titulaire de l'autorisation et au service Milieu marin dans les quinze jours suivant la réception de la demande motivée.
  § 3. Si l'UGMM décide qu'une nouvelle autorisation Natura 2000 est nécessaire, le titulaire de l'autorisation peut demander une nouvelle autorisation Natura 2000 conformément à la procédure prévue aux articles 23 à 29.
  § 4. Si L'UGMM décide qu'une nouvelle autorisation Natura 2000 n'est pas nécessaire, l'UGMM transmet son avis sur la modification demandée par voie numérique au service Milieu marin dans les soixante jours suivant la réception de la demande motivée. Le service Milieu marin envoie son avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la réception de la demande motivée. L'UGMM transmet par voie numérique son avis et l'avis du service Milieu marin au ministre dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la réception de cette demande motivée. Le ministre notifie la décision au titulaire de l'autorisation dans les nonante-cinq jours suivant la réception de cette demande motivée. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Afdeling V. - Plannen met een mogelijke impact op een Natura 2000-gebied
Section V. - Plans ayant un impact potentiel sur une zone Natura 2000
Art. 32. Een plan dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-goedkeuring.
Art. 32. Un plan qui n'est pas directement lié ou nécessaire à la gestion d'une zone Natura 2000 et qui est susceptible d'avoir un effet significatif sur celui-ci, soit individuellement, soit en combinaison avec d'autres plans ou projets, doit faire l'objet d'une approbation Natura 2000.
Art. 33. De procedure tot het bekomen van een Natura 2000-goedkeuring bestaat uit volgende stappen:
  1° een optionele screening, zoals bepaald in artikel 34;
  2° het opstellen van een ontwerp van passende beoordeling door de initiatiefnemer;
  3° het evalueren van het ontwerp van passende beoordeling, het opmaken van een passende beoordeling door de BMM en het advies van de dienst Marien Milieu;
  4° de beslissing van de minister.
Art. 33. La procédure d'obtention d'une approbation Natura 2000 comprend les étapes suivantes :
  1° un screening facultatif, prévu à l'article 34 ;
  2° la préparation d'un projet d'évaluation appropriée par l'initiateur ;
  3° l'évaluation du projet d'évaluation appropriée, l'élaboration d'une évaluation appropriée par l'UGMM et l'avis du service Milieu marin ;
  4° la décision du ministre.
Art. 34. § 1. Om te bepalen of een plan mogelijk significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden, kan de initiatiefnemer aan de BMM digitaal verzoeken om aan te geven of een Natura 2000-goedkeuring vereist is. Bij dit verzoek wordt een screeningsnota gevoegd, waarin de initiatiefnemer een beschrijving geeft van het plan en aangeeft of bij het uitvoeren van dit plan sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden.
  § 2. De BMM beslist, op basis van dit verzoek en alle andere relevante informatie, binnen vijftien dagen na het verzoek, of er voor het betrokken plan een Natura 2000-goedkeuring vereist is.
  § 3. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal aan de initiatiefnemer en de dienst Marien Milieu.
Art. 34. § 1. Pour déterminer si un plan est susceptible d'avoir des conséquences significatives sur une ou plusieurs zones Natura 2000, l'initiateur peut demander par voie numérique à l'UGMM d'indiquer si une approbation Natura 2000 est nécessaire. Cette demande peut être accompagnée d'une note de screening, dans laquelle l'initiateur fournit une description du plan et indique si la mise en oeuvre de ce plan peut avoir des conséquences néfastes sur les zones Natura 2000 concernées.
  § 2. L'UGMM décide, sur la base de cette demande et de toutes les autres informations pertinentes, dans un délai de quinze jours à compter de la demande, si une approbation Natura 2000 est requise pour le plan en question.
  § 3. L'UGMM envoie sa décision par voie numérique à l'initiateur et au service Milieu marin.
Art. 35. § 1. De initiatiefnemer stelt een ontwerp van passende beoordeling op, op eigen initiatief of indien de BMM beslist heeft dat een Natura 2000-goedkeuring vereist is voor het plan, zoals bepaald in artikel 34, § 2.
  § 2. Het ontwerp van passende beoordeling bevat, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis, alle aspecten van het plan die op zichzelf, of in combinatie met andere plannen of projecten, de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang kunnen brengen.
  Indien voor het betrokken gebied nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, dienen de gegevens op basis waarvan de aanmelding van het Natura 2000-gebied is gebeurd, aangevuld met de relevante ecologische informatie, als referentie gebruikt te worden.
  § 3. Het ontwerp van passende beoordeling bevat:
  1° de gegevens van de initiatiefnemer:
  a) benaming, adres, e-mailadres en desgevallend ondernemingsnummer van de initiatiefnemer;
  b) als de initiatiefnemer een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer. Als de initiatiefnemer een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer;
  2° een deel betreffende het plan waarin volgende zaken beschreven worden:
  a) de doelstelling van het plan;
  b) de locatie en periode van het plan;
  c) de wijze van uitvoering van het plan;
  3° een deel betreffende de mogelijke gevolgen van het plan op de Natura 2000-gebieden:
  a) een beschrijving en waardering van de gevolgen van het plan op de instandhoudingsdoelstellingen;
  b) een beschrijving van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een beschrijving van de maatregelen die mogelijk zijn om nadelige gevolgen te vermijden of te beperken tot een niveau waarop zij de instandhoudingsdoelstellingen niet meer in het gedrang brengen;
  c) een beschrijving van de voorzieningen die kunnen worden getroffen om een behoorlijke monitoring te verzekeren van de gevolgen van het plan op de instandhoudingsdoelstellingen;
  Dit deel wordt per geval op passende wijze uitgewerkt. In voorkomend geval wordt het aangevuld met een overzicht van de moeilijkheden, zoals ontbrekende kennis, die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie.
Art. 35. § 1. L'initiateur prépare un projet d'évaluation appropriée, de sa propre initiative ou si `UGMM décide qu'une approbation Natura 2000 est nécessaire pour le plan, conformément à l'article 34, § 2.
  § 2. Le projet d'évaluation appropriée comprend, sur la base des meilleures connaissances scientifiques disponibles, tous les aspects du plan qui, par eux-mêmes ou en combinaison avec d'autres plans ou projets, peuvent compromettre les objectifs de conservation.
  Si aucun objectif de conservation n'a encore été défini pour la zone en question, les données sur la base desquelles la zone Natura 2000 a été notifiée, complétées par les informations écologiques pertinentes, doivent être utilisées comme référence.
  § 3. Le projet d'évaluation appropriée comprend :
  1° les coordonnées de l'initiateur :
  a) la dénomination, l'adresse, l'adresse e-mail et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'initiateur ;
  b) si l'initiateur est une personne morale de droit privé, son numéro d'entreprise, ses statuts et les pièces justificatives des mandats des signataires du projet d'évaluation appropriée, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès de l'initiateur. Si l'initiateur est une personne morale de droit public, son numéro d'entreprise, les pièces justificatives des mandats des signataires du projet d'évaluation appropriée, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès de l'initiateur ;
  2° une partie concernant le plan dans laquelle sont décrits les éléments suivants :
  a) l'objectif du plan ;
  b) la localisation et la période du plan ;
  c) la méthode d'exécution du plan ;
  3° une partie sur les éventuelles incidences du plan sur les zones Natura 2000 :
  a) une description et une évaluation de l'impact du plan sur les objectifs de conservation ;
  b) une description de la manière dont les effets néfastes prévisibles sur les objectifs de conservation ont été pris en compte et une description des mesures possibles pour éviter ou réduire les effets néfastes à un niveau tel qu'ils ne portent plus atteints aux objectifs de conservation ;
  c) une description des dispositions qui peuvent être prises pour assurer une surveillance adéquate des conséquences du plan sur les objectifs de conservation ;
  Cette partie sera développée de manière appropriée au cas par cas. Le cas échéant, elle est complétée par un aperçu des difficultés, telles que le manque de connaissances, rencontrées lors de la collecte et du traitement des informations requises.
Art. 36. De initiatiefnemer betekent of verstuurt digitaal het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM en verstuurt een kopie van het ontwerp digitaal aan de dienst Marien Milieu.
Art. 36. L'initiateur notifie ou envoie par voie numérique le projet d'évaluation appropriée à l'UGMM et en envoie une copie numérique au service Milieu marin.
Art. 37. De termijn voor het verder behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-goedkeuring gaat in de dag na de betekening of het digitaal versturen door de initiatiefnemer van het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM.
Art. 37. Le délai pour la poursuite du traitement de la demande d'approbation Natura 2000 commence le jour après la notification ou l'envoi par voie électronique par l'initiateur du projet d'évaluation appropriée à l'UGMM.
Art. 38. De BMM evalueert het ontwerp van passende beoordeling en stelt de passende beoordeling op. De BMM verstuurt de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37.
Art. 38. L'UGMM évalue le projet d'évaluation appropriée et prépare l'évaluation appropriée. L'UGMM envoie l'évaluation appropriée par voie numérique au service Milieu marin dans les soixante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
Art. 39. § 1. De dienst Marien Milieu verstuurt zijn advies over de passende beoordeling digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Indien een plan door of in opdracht van de dienst Marien Milieu wordt opgesteld, verleent de dienst Marien Milieu geen advies.
  § 2. De BMM verstuurt de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37.
Art. 39. § 1. Le Service Milieu marin envoie par voie numérique son avis sur l'évaluation appropriée à l'UGMM dans les septante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37. Si un plan est mis en oeuvre par ou pour le compte du service Milieu marin, le service Milieu marin ne rends pas d'avis.
  § 2. L'UGMM envoie par voie numérique au ministre l'évaluation appropriée et l'avis du service Milieu marin par voie numérique dans les quatre-vingt-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
Art. 40. § 1. De minister kan voor het plan enkel een Natura 2000-goedkeuring verlenen, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen. De minister kan aan deze goedkeuring voorwaarden koppelen.
  § 2. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen vijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 40. § 1. Le ministre ne peut accorder une approbation Natura 2000 pour le plan que s'il est certain, à partir de l'évaluation appropriée, que le plan ne portera pas atteinte aux objectifs de conservation de la zone Natura 2000 concernée. Le ministre peut assortir cette approbation de conditions.
  § 2. Le ministre notifie la décision à l'initiateur dans les nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 41. § 1. In afwijking van artikel 40 kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden toegelaten indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1° er is geen ander alternatief dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet of minder aantast;
  2° het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; plannen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn;
  Ingeval het plan significante gevolgen heeft voor een gebied met een prioritaire natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort, kunnen enkel dwingende redenen van groot openbaar belang in rekening genomen worden die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen enkel in rekening genomen worden na gunstig advies van de Europese Commissie. Dit advies van de Europese Commissie wordt door de minister gevraagd. Plannen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen;
  3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
  § 2. De initiatiefnemer betekent voor de afwijkingsmogelijkheid uit § 1, een gemotiveerde aanvraag aan de BMM binnen honderdentien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37.
  § 3. De BMM beoordeelt de gemotiveerde aanvraag en verstuurt haar advies over de vervulling van de voorwaarden, zoals bepaald in paragraaf 1, aan de dienst Marien Milieu binnen honderdzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37.
  § 4. De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal binnen honderdvijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37, aan de BMM.
  § 5. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37, aan de BMM.
  § 6. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen tweehonderdenvijf dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 41. § 1. En dérogation à l'article 40, nonobstant le fait que l'évaluation appropriée n'a pas fourni l'assurance requise, le plan peut être autorisé, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° il n'y a pas d'autre alternative qui n'affecte pas ou affecte moins les caractéristiques naturelles de la zone Natura 2000 ;
  2° le plan est nécessaire pour des raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris des raisons de nature économique ou sociale ; les plans pour les installations de production d'énergie renouvelable, leur raccordement au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage soient présumés relever de l'intérêt public majeur ;
  Si le plan a un impact significatif sur un site arbitrant un habitat naturel prioritaire et/ou une espèce prioritaire, seules des raisons impératives d'intérêt public primordial liées à la santé humaine, à la sécurité publique ou à des effets bénéfiques significatifs sur l'environnement peuvent être prises en compte. D'autres raisons impératives d'intérêt public primordial ne peuvent être prises en compte qu'après un avis favorable de la Commission européenne. Cet avis de la Commission européenne est sollicité par le ministre. Les plans pour les installations de production d'énergie renouvelable, leur raccordement au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage soient présumés relever de l'intérêt public majeur et de l'intérêt de la santé humaine et de la sécurité publique ;
  3° les mesures compensatoires nécessaires sont prises pour assurer la préservation de la cohésion générale du réseau Natura 2000. Le ministre informe la Commission européenne des mesures compensatoires prises.
  § 2. Pour l'option de dérogation au § 1, l'initiateur doit notifier une demande motivée à l'UGMM dans les cent dix jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
  § 3. L'UGMM évalue la demande motivée et adresse son avis sur le respect des conditions énoncées au paragraphe 1 au service Milieu marin dans les cent septante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
  § 4. Le service Milieu marin envoie son avis à l'UGMM par voie numérique dans les cent quatre-vingt-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
  § 5. L'UGMM envoie son avis et l'avis du service Milieu marin par voie numérique au ministre dans un délai de cent nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37.
  § 6. Le ministre notifie la décision à l'initiateur dans un délai de deux cent cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 37. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 42. § 1. De minister kan een Natura 2000-goedkeuring wijzigen, schorsen of opheffen in de volgende gevallen:
  1° wanneer uit de permanente monitoring en, in voorkomend geval, de monitoring blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden hebben voorgedaan door het plan;
  2° wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd;
  3° wanneer de gegevens op grond waarvan de Natura 2000-goedkeuring is verleend, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou genomen zijn;
  4° wanneer de Natura 2000-goedkeuring in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend.
  § 2. Een Natura 2000-goedkeuring wordt door de minister opgeheven of gewijzigd indien nieuwe wetenschappelijke inzichten aantonen dat dit nodig is om te vermijden dat de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten verslechtert en dat er een significante verstoring van de beschermde soorten optreedt door het goedgekeurde plan.
  § 3. Een Natura 2000-goedkeuring wordt door de minister opgeheven of gewijzigd, indien deze niet meer verenigbaar is met de gewijzigde instandhoudingsdoelstellingen.
  § 4. De minister neemt een beslissing over het wijzigen, schorsen of opheffen van een Natura 2000-goedkeuring ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de BMM. De minister betekent de ontwerpbeslissing aan de goedkeuringshouder.
  Binnen dertig dagen na de betekening van de ontwerpbeslissing kan de goedkeuringshouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen.
  § 5. Binnen zestig dagen na betekening zoals bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies, met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting, digitaal aan de dienst Marien Milieu. De dienst Marien Milieu verstuurt binnen vijfenzeventig dagen na betekening haar advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister. Binnen vijfennegentig dagen na de betekening betekent de minister de beslissing aan de goedkeuringshouder. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 42. § 1. Le ministre peut modifier, suspendre ou abroger une approbation Natura 2000 dans les cas suivants :
  1° lorsque la surveillance permanente et, le cas échéant, la surveillance démontrent que de nouveaux effets néfastes pour les zone Natura 2000 concernées sont apparus à cause du plan ;
  2° lorsque les conditions ne sont pas remplies ;
  3° lorsque les données sur la base desquelles l'approbation Natura 2000 a été accordée sont à ce point incorrectes ou incomplètes que, si les données correctes avaient été connues, une décision différente aurait été prise ;
  4° lorsque l'approbation Natura 2000 a été accordée en violation des exigences légales.
  § 2. Une approbation Natura 2000 est annulée ou modifiée par le ministre si de nouveaux éléments scientifiques démontrent que cela est nécessaire pour éviter que la qualité des habitats à protéger et des habitats des espèces ne se détériore et que des perturbations significatives des espèces protégées se produisent du fait du plan approuvé.
  § 3. Une approbation Natura 2000 est annulée ou modifiée par le ministre si elle n'est plus compatible avec les objectifs de conservation modifiés.
  § 4. Le ministre prend la décision de modifier, suspendre ou abroger une approbation Natura 2000 d'office ou à la demande motivée de l'UGMM. Le ministre notifie le projet de décision au titulaire de l'approbation.
  Dans les trente jours suivant la notification du projet de décision, le titulaire de l'approbation peut notifier des observations et des objections ainsi que toute demande d'audition à l'UGMM.
  § 5. Dans les soixante jours suivant la notification prévue au paragraphe 4, alinéa 1er, l'UGMM envoie son avis, accompagné, le cas échéant, d'une évaluation des commentaires et des objections, et, le cas échéant, du rapport de l'audition, par voie numérique au service Milieu marin. Le service Milieu marin envoie son avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la notification. Dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la notification, l'UGMM envoie par voie numérique son avis et l'avis du service Milieu marin au ministre. Dans les nonante-cinq jours suivant la notification, le ministre notifie la décision au titulaire de l'approbation. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 43. § 1. De goedkeuringshouder kan een gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de Natura 2000-goedkeuring betekenen aan de BMM. In deze gemotiveerde aanvraag geeft de goedkeuringshouder aan waarom door de wijziging van de Natura 2000-goedkeuring er geen sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden.
  § 2. De BMM beslist, op basis van de gemotiveerde aanvraag en alle andere relevante informatie of er een nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is of niet. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal binnen vijftien dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag aan de goedkeuringshouder en de dienst Marien Milieu.
  § 3. Indien de BMM beslist dat er een nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is, kan de goedkeuringshouder een nieuwe Natura 2000-goedkeuring aanvragen volgens de procedure zoals bepaald in artikel 35 tot en met 41.
  § 4. Indien de BMM beslist dat er geen nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is, verstuurt de BMM haar advies over de aangevraagde wijziging van de Natura 2000-goedkeuring digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De minister betekent de beslissing aan de goedkeuringshouder binnen vijfennegentig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
Art. 43. § 1. Le titulaire de l'approbation peut notifier à l'UGMM une demande motivée de modification de l'approbation Natura 2000. Dans cette demande motivée, le titulaire de l'approbation explique pourquoi la modification de l'approbation Natura 2000 n'est pas susceptible d'avoir des effets néfastes sur les sites Natura 2000 concernés.
  § 2. Sur la base de la demande motivée et de toutes les autres informations pertinentes, l'UGMM décide si une nouvelle approbation Natura 2000 est nécessaire ou non. L'UGMM envoie sa décision par voie numérique au titulaire de l'approbation et au service Milieu marin dans les quinze jours suivant la réception de la demande motivée.
  § 3. Si l'UGMM décide qu'une nouvelle approbation Natura 2000 est nécessaire, le titulaire de l'approbation peut demander une nouvelle approbation Natura 2000 conformément à la procédure prévue aux articles 35 à 41.
  § 4. Si L'UGMM décide qu'une nouvelle approbation Natura 2000 n'est pas nécessaire, l'UGMM transmet son avis sur la modification demandée par voie numérique au service Milieu marin dans les soixante jours suivant la réception de la demande motivée. Le service Milieu marin envoie son avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la réception de la demande motivée. L'UGMM transmet par voie numérique son avis et l'avis du service Milieu marin au ministre dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la réception de cette demande motivée. Le ministre notifie la décision au titulaire de l'approbation dans les nonante-cinq jours suivant la réception de cette demande motivée. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
HOOFDSTUK III. - Permanente monitoring en monitoring
CHAPITRE III. - Surveillance permanente et surveillance
Art. 44. De BMM is belast met de permanente monitoring.
Art. 44. L'UGMM est chargée de la surveillance permanente.
Art. 45. § 1. De toestand van mariene reservaten in functie van de beschermingsdoelstellingen wordt minstens elke acht jaar na de instelling van de reservaten geëvalueerd op basis van de permanente monitoring en nieuwe wetenschappelijke kennis en inzichten. Indien nodig worden de beschermingsdoelstellingen herzien.
  § 2. Het wetenschappelijk rapport zoals bepaald in artikel 15 wordt minstens elke zes jaar na de instelling van de Natura 2000-gebieden geactualiseerd op basis van de permanente monitoring en nieuwe wetenschappelijke kennis en inzichten. Op basis van de actualisatie van het wetenschappelijk rapport worden de instandhoudingsdoelstellingen ten laatste zes jaar na hun aanneming geëvalueerd, en indien nodig, herzien volgens de procedure zoals bepaald in artikel 15, § 3 tot en met § 8.
Art. 45. § 1. L'état des réserves marines en fonction des objectifs de protection est évalué au moins tous les huit ans après la création des réserves, sur la base d'une surveillance permanente et des nouvelles connaissances scientifiques. Si nécessaire, les objectifs de protection seront revus.
  § 2. Le rapport scientifique prévu à l'article 15 est mis à jour au moins tous les six ans après l'création des zones Natura 2000 sur la base de la surveillance permanente et des nouvelles connaissances scientifiques. Sur la base de la mise à jour du rapport scientifique, les objectifs de conservation seront réexaminés et, le cas échéant, revus au plus tard six ans après leur adoption selon la procédure prévu à l'article 15, § 3 à § 8.
Art. 46. § 1. Het uitvoeren van monitoring, uitgevoerd door of in opdracht van de BMM, kan opgelegd worden als voorwaarde bij het verlenen van een Natura 2000-toelating. De houder van de Natura 2000-toelating is gehouden tot het betalen van een retributie voor de vergoeding van de kosten van deze monitoring.
  § 2. De retributie voor de monitoring opgelegd als voorwaarde in de Natura 2000-toelating bestaat uit een vergoeding voor de BMM voor de uitvoering van de monitoring en alle daaraan verbonden kosten, op basis van het tarief van 692 euro (index 127,11; basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen.
  § 3. De retributie zoals bepaald in paragraaf 2 is betaalbaar aan de BMM na factuur met vermelding van de betalingstermijn.
  § 4. De in de toelating of goedkeuring opgelegde monitoring is te onderscheiden van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating of -goedkeuring door de toelating - of goedkeuringshouder. Dit toezicht en deze inspecties zijn niet onderworpen aan een retributie.
  § 5. Het uitvoeren van monitoring kan opgelegd worden als voorwaarde bij het verlenen van een Natura 2000-goedkeuring.
Art. 46. § 1. L'exécution de la surveillance, mis en oeuvre par ou pour le compte de l'UGMM peut être imposée comme condition lors de l'octroi d'une autorisation Natura 2000. Le titulaire d'une autorisation Natura 2000 est obligé à payer une rétribution pour les frais de cette surveillance.
  § 2. La rétribution pour la surveillance imposée comme condition dans l'autorisation Natura 2000 consiste en une redevance pour l'UGMM pour l'exécution de la surveillance et tous les frais associés, sur la base d'un tarif de 692 euros (indice 127,11 ; base 2013) par jour-homme, indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation.
  § 3. La rétribution prévu au paragraphe 2 est payable à l'UGMM après facture indiquant le délai de paiement.
  § 4. La surveillance imposée dans l'autorisation ou l'approbation doit être distinguée du contrôle et des inspections effectuées par les autorités sur le respect des conditions de l'autorisation ou de l'approbation Natura 2000 par le titulaire de l'autorisation ou de l'approbation. Ce contrôle et ces inspections ne sont pas soumis à une rétribution.
  § 5. La réalisation de la surveillance peut être imposée comme condition à l'octroi de l'approbation Natura 2000.
TITEL 5. - Procedure milieuvergunning
TITRE 5. - . - Procédure de permis d'environnement
HOOFDSTUK I. - Milieuvergunning voor de activiteiten omschreven in artikel 16, § 1 en § 2 van de wet
CHAPITRE I. - Permis d'environnement pour les activités décrites à l'article 16, § 1 et § 2 de la loi
Art. 47. De activiteiten omschreven in artikel 16, § 1 en § 2, van de wet zijn onderworpen aan een voorafgaande vergunning. De procedure voor het verlenen van een vergunning omvat volgende stappen:
  1° het indienen van de aanvraag, met inbegrip van een milieueffectbeoordelingsrapport;
  2° het onderzoek van de volledigheid en ontvankelijkheid;
  3° de raadpleging van raadgevende instanties, het publiek en, indien relevant, andere staten;
  4° het onderzoek van de BMM en het opstellen door de BMM van de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van de activiteit op het milieu met advies over de aanvaardbaarheid van de activiteit;
  5° het advies van de dienst Marien Milieu;
  6° het besluit tot het verlenen of weigeren van de vergunning door de minister en de bekendmaking ervan.
Art. 47. Les activités prévues à l'article 16, § 1 et § 2, de la loi sont soumises à un permis préalable. La procédure d'octroi d'un permis comprend les étapes suivantes :
  1° l'introduction de la demande, y compris un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement ;
  2° la vérification si la demande est complète et recevable ;
  3° les consultations avec des instances consultatives, le public et, le cas échéant, d'autres états ;
  4° l'examen de l'UGMM et la rédaction par l'UGMM de la conclusion motivée sur les incidences notables du projet sur l'environnement avec avis sur l'acceptabilité de l'activité;
  5° l'avis du service Milieu marin ;
  6° la décision du ministre d'accorder ou de refuser le permis et sa publication.
Afdeling I. - Indienen van de aanvraag
Section I. - Introduction de la demande
Art. 48. § 1. De aanvraag wordt ingediend door de natuurlijke persoon of rechtspersoon of gevolmachtigde van de rechtspersoon die de vergunningsplichtige activiteit wenst uit te oefenen. De aanvrager, of, indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft, iedere deelnemer van dat samenwerkingsverband, is:
  a) een natuurlijk persoon uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
  b) een onderneming met rechtspersoonlijkheid, die is opgericht overeenkomstig de Belgische wetgeving of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van een ander land voor zover internationale verdragen waardoor België gebonden is, vereisen dat deze onderneming of iedere deelnemer van een samenwerkingsverband toegang heeft tot de Belgische markt.
  § 2. De aanvrager, die een onderneming met rechtspersoonlijkheid is of, indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft, iedere deelnemer van dat samenwerkingsverband, beschikt over een centrale administratie, een voornaamste inrichting of een maatschappelijke zetel gevestigd in een van de in paragraaf 1, b) bedoelde landen, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband vertegenwoordigt met de economie van het land waarin het gevestigd is.
  § 3. De aanvrager moet een contactpersoon aanstellen binnen het Belgisch grondgebied, waarlangs alle communicatie kan gevoerd worden.
  § 4. De aanvrager betekent of verstuurt digitaal de aanvraag aan de BMM. De aanvrager verstuurt een kopie van de aanvraag digitaal aan de minister, aan de BMM en de dienst Marien milieu.
Art. 48. § 1. La demande est introduite par la personne physique ou morale ou le représentant autorisé de la personne morale qui souhaite exercer l'activité soumise à permis. Le demandeur, ou, si le demandeur est un regroupement d'entreprises, chaque membre de ce regroupement d'entreprises, doit être :
  a) une personne physique d'un Etat membre de l'Espace économique européen ; ou
  b) une entreprise ayant la personnalité juridique, qui a été constituée conformément à la législation belge ou à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou d'un autre pays dans la mesure où les traités internationaux par lesquels la Belgique est liée exigent que cette entreprise ou chaque membre de ce regroupement d'entreprises ait accès au marché belge.
  § 2. Le demandeur, qui est une entreprise ayant la personnalité juridique ou, si le demandeur est un regroupement d'entreprises, chaque membre de ce regroupement d'entreprises, dispose d'une administration centrale, d'un établissement principal ou d'un siège social situé dans l'un des pays visés au paragraphe 1, b), pour autant que l'activité de cet établissement ou de ce siège social représente un lien effectif et continu avec l'économie du pays dans lequel il est situé.
  § 3. Le demandeur doit désigner une personne de contact sur le territoire belge, par l'intermédiaire duquel toutes les communications peuvent être effectuées.
  § 4. Le demandeur notifie la demande adressée à l'UGMM ou la transmet par voie numérique. Le demandeur envoie par voie numérique une copie de la demande au ministre, à l'UGMM et au service Milieu marin.
Art. 49. Iedere aanvraag omvat minstens:
  1° naam, voornaam, adres en e-mailadres van de aanvrager;
  2° een identificatie van de voorgenomen activiteit;
  3° als de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de aanvrager. Als de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de aanvrager;
  4° referenties die de financiële en economische draagkracht van de aanvrager aantonen en meer bepaald: passende bankverklaringen, balansen, uittreksels uit balansen of jaarrekeningen van de onderneming, of een verklaring betreffende de totale omzet en de omzet in werken van de onderneming over de laatste drie boekjaren; indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij niet in staat is de gevraagde referenties voor te leggen, kan de BMM de aanvrager toestaan zijn economische en financiële draagkracht aan te tonen met andere documenten die het geschikt acht;
  5° een milieueffectbeoordelingsrapport, opgesteld overeenkomstig de bepalingen onder Titel 5, Hoofdstuk 1, afdeling II, met, in voorkomend geval, daarin begrepen een ontwerp passende beoordeling, zoals bepaald in artikel 23.
Art. 49. Chaque demande doit comprendre au moins les éléments suivants :
  1° le nom, le prénom, l'adresse et l'adresse e-mail du demandeur ;
  2° une identification de l'activité envisagée;
  3° si le demandeur est une personne morale de droit privé, son numéro de société, ses statuts et les pièces justificatives des mandats des signataires du projet d'évaluation appropriée, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès du demandeur. Si le demandeur est une personne morale de droit public, son numéro de société, les pièces justificatives des mandats des signataires de la demande, ainsi que le nom, prénom, l'adresse e-mail et coordonnées du contact désigné sur le territoire belge auprès du demandeur ;
  4° des références démontrant la capacité financière et économique du demandeur et, plus particulièrement: relevés bancaires appropriés, bilans, extraits de bilans ou comptes annuels de la société, ou une déclaration concernant le chiffre d'affaires total et le chiffre d'affaires des travaux de la société pour les trois derniers exercices ; si le demandeur peut démontrer de manière plausible qu'il n'est pas en mesure de fournir les références demandées, l'UGMM peut autoriser le demandeur à démontrer sa capacité économique et financière à l'aide d'autres documents qu'elle jugera appropriés ;
  5° un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement, préparé conformément aux dispositions du Titre 5, Chapitre 1, section II, avec, le cas échéant, un projet d'évaluation appropriée, prévu à l'article 23.
Art. 50. De minister kan de lijst van de gegevens en documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, uitbreiden met bijkomende gegevens en documenten.
Art. 50. Le ministre peut ajouter des informations et des documents supplémentaires à la liste des informations et des documents qui doivent accompagner la demande.
Afdeling II. - Milieueffectbeoordelingsrapport
Section II. - Rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement
Onderafdeling I. - Toepassing
Sous-section I. - Application
Art. 51. Het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport gebeurt onder leiding van een coördinator, die zelf beschikt over de nodige bekwaamheid en, in voorkomend geval, zich laat bijstaan door deskundigen met de nodige bekwaamheid. De coördinator voert zijn opdracht onafhankelijk uit. Het verrichten door de coördinator van een strategische milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's heeft geen impact op deze onafhankelijkheid.
Art. 51. Le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement est établi sous la supervision d'un coordinateur, qui possède lui-même les compétences nécessaires et, le cas échéant, est assisté par des experts disposant des compétences nécessaires. Le coordinateur exerce sa mission en toute indépendance. La réalisation par le coordinateur d'une évaluation des incidences sur l'environnement stratégique de certains plans et programmes n'a pas d'impact sur cette indépendance.
Onderafdeling II. - Voorafgaandelijke vraag tot advies
Sous-section II. - Demande préalable d'avis
Art. 52. § 1. Voorafgaandelijk aan het indienen van de aanvraag en het bijhorende milieueffectbeoordelingsrapport, kan de aanvrager de BMM digitaal om advies vragen over de wijze waarop het milieueffectbeoordelingsrapport moet worden uitgewerkt. De BMM kan de aanvrager uitnodigen op een informatieve vergadering. Na deze vraag om advies brengt de BMM, op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie over de specifieke kenmerken van de activiteit (inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan) en over de te verwachten milieueffecten ervan, een digitaal niet-bindend advies uit over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de aanvrager in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie zoals bepaald in artikel 55. De BMM raadpleegt in dit geval digitaal de in artikel 64, § 1 bedoelde instanties en kan bijkomende adviesinstanties raadplegen die ze nuttig acht, vooraleer ze haar advies uitbrengt.
  § 2. De minister kan op eigen initiatief de BMM digitaal om voorafgaandelijk advies als bedoeld in § 1 vragen, ongeacht of de aanvrager daarom vraagt.
  § 3. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek van de aanvrager of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport. De BMM kan eveneens de instanties die over relevante informatie beschikken vragen om deze informatie ter beschikking te stellen aan de aanvrager.
Art. 52. § 1. Avant de soumettre la demande et le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement qui l'accompagne, le demandeur peut demander à l'UGMM, par voie numérique, des conseils sur la manière dont le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement doit être élaboré. L'UGMM peut inviter le demandeur à une réunion d'information. Après cette demande, sur la base des informations fournies par le demandeur sur les caractéristiques spécifiques de l'activité (y compris sa localisation et sa capacité technique) et ses incidences probables sur l'environnement, l'UGMM émet par voie numérique un avis non contraignant sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure par le demandeur dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement comme prévue à l'article 55. L'UGMM consulte dans ce cas par voie numérique les instances visées à l'article 64 § 1 et peut consulter s'il le juge utile d'autres instances consultatives avant d'émettre son avis.
  § 2. Le ministre peut, de sa propre initiative, demander par voie numérique à l'UGMM la demande préalable d'avis visée au § 1, que le demandeur en fasse ou non la demande.
  § 3. Chaque service public fédéral met, sur simple demande du demandeur ou spontanément, à disposition toutes les informations et connaissances utiles dont il dispose en vue d'établir le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement. L'UGMM peut également demander aux instances qui disposent d'informations pertinentes de les mettre à la disposition du demandeur.
Onderafdeling III. - Integratie
Sous-section III. - Intégration
Art. 53. Indien voor de activiteit ook een Natura 2000-toelating vereist is zoals bepaald in artikel 23, wordt het ontwerp passende beoordeling geïntegreerd in het milieueffectbeoordelingsrapport als een apart onderdeel hiervan. Het behandelen van een Natura 2000-toelating verloopt dan overeenkomstig de termijnen bepaald voor de vergunning in dit besluit.
Art. 53. Si l'activité nécessite également une autorisation Natura 2000 prévue à l'article 23, le projet d'évaluation appropriée est intégré dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement en tant que partie distincte de celui-ci. Le traitement d'une autorisation Natura 2000 se fera alors conformément aux délais fixés pour le permis dans le présent arrêté.
Art. 54. Indien de aanvrager wenst om één geïntegreerd milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen, in het geval zoals bepaald in artikel 19, § 2 van de wet, verstuurt de aanvrager de vraag hiertoe digitaal aan de BMM. De BMM verstuurt haar beslissing over deze vraag digitaal aan de aanvrager binnen vijftien dagen na ontvangst van deze vraag.
Art. 54. Si le demandeur souhaite préparer un seul rapport intégré d'évaluation des incidences sur l'environnement, dans le cas prévu à l'article 19, § 2 de la loi, il envoie sa demande à l'UGMM par voie numérique. L'UGMM enverra sa décision sur cette demande par voie numérique au demandeur dans les quinze jours suivant la réception de cette demande.
Onderafdeling IV. - Inhoud milieueffectbeoordelingsrapport
Sous-section IV. - Contenu du rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement
Art. 55. Een milieueffectbeoordelingsrapport bevat de volgende informatie:
  1° een beschrijving van de activiteit, bestaande uit:
  a) de locatie, de periode van de activiteit en, in voorkomend geval, de plannen voor de bouwwerken die nodig zijn voor het uitoefenen van de activiteit;
  b) een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit, de aard en de hoeveelheden van de technische middelen en materialen die bij de uitvoering van de activiteit worden gebruikt;
  c) een nota die het mogelijk maakt de kennis te beoordelen die de aanvrager ter beschikking heeft bij de uitvoering van de voorgenomen activiteit, en met name een overzicht van de referenties, diploma's en beroepstitels van het voornaamste leidinggevend personeel en een overzicht van de voornaamste activiteiten waaraan de aanvrager heeft deelgenomen de laatste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag;
  d) in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de productieprocessen en hoe het productieproces eruit ziet. Hierbij wordt minstens de energievraag, het energieverbruik, de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen weergegeven;
  e) een prognose van de soort en de hoeveelheid van verwachte residuen en emissies (zoals water-, lucht-, bodemverontreinigingen, geluidshinder boven en onder water) en de hoeveelheden en soorten tijdens de activiteit geproduceerde afvalstoffen;
  f) een beschrijving van de redelijke alternatieven (onder andere inzake lokalisatie, wijze van uitvoering of milieuvoorzieningen) die de aanvrager heeft onderzocht en die relevant zijn voor de activiteit;
  2° een beschrijving van de directe en indirecte milieueffecten van de activiteit, bestaande uit:
  a) een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het marien milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als de activiteit niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van de milieu-informatie en de wetenschappelijke kennis;
  b) een beschrijving en waardering van de milieueffecten van de activiteit en van de beschreven alternatieven op de volgende factoren: de fauna, de flora, de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de te beschermen soorten en de te beschermen habitats; de mens, met inbegrip van de bevolking en de menselijke gezondheid; de bodem, waaronder erosie, organisch materiaal, verdichting, afdekking; het water, waaronder hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit; de lucht; het klimaat; de energie- en grondstoffenvoorraden; de materiële goederen, het ruimtebeslag, het cultureel erfgoed, het landschap en het uitzicht op zee, zowel vanop land als vanop zee waargenomen; de onderlinge wisselwerkingen tussen voorgenoemde factoren;
  De milieueffecten van de activiteit en van de beschreven alternatieven op bovenstaande factoren moet worden beschreven ten gevolge van, onder meer:
  I. de bouwfase, de exploitatiefase of het bestaan van de activiteit en, in voorkomend geval, de ontmantelingsfase;
  II. de gebruikte technologieën en stoffen, waaronder de fysico-chemische effecten, als gevolg van de mobilisatie en overvloei van de sedimenten;
  III. het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen land, bodem, water en biodiversiteit (bijvoorbeeld de bathymetrische, sedimentologische en hydrodynamische effecten, de raming van het verlies aan bentische biomassa en het effect van dit verlies op het mariene ecosysteem); de mate waarin rekening wordt gehouden met het duurzaam gebruik hiervan;
  IV. de uitstoot van verontreinigde stoffen; geluidshinder, onder meer door het gebruik van akoestische toestellen op het mariene ecosysteem; trillingen; licht; warmte; straling; milieuhinder;
  V. het verwijderen en de recyclagemogelijkheden van de bouwstoffen en afvalstoffen;
  VI. de risico's voor de menselijke gezondheid, voor het cultureel erfgoed of het milieu, waaronder de kwetsbaarheid van de activiteit voor risico's op zware ongevallen en/of rampen;
  VII. het effect van de activiteit op het klimaat, waaronder de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen en de kwetsbaarheid van de activiteit voor klimaatverandering;
  VIII. Het gebruik van een natuurinclusief, circulair ontwerp voor de aangevraagde activiteit;
  IX. het effect van de activiteit op de visserij, voor elke activiteit in of met een impact op de zesmijlszone; een beschrijving van de verenigbaarheid met de uitoefening van de activiteiten van andere rechtmatige gebruikers van de zee;
  X. de cumulatieve effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde activiteiten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop de activiteit van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
  De te beschrijven en te waarderen effecten omvatten de directe en indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten op korte, middellange en lange termijn; deze beschrijving en waardering volgen, in voorkomend geval, de classificatie van de kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand, overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de mariene strategie voor de Belgische zeegebieden;
  c) een beschrijving, voor elk waarschijnlijk aanzienlijk effect op het milieu, van de te verwachten onzekerheden en risico's;
  d) een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken, leemten of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden; in voorkomend geval wordt rekening gehouden met de relevante Europese guidance documenten betreffende de in dit deel behandelde onderwerpen, in het bijzonder deze gericht op de integratie van de evaluatie van de impact op het klimaat;
  e) een aanduiding van de internationale en nationale wettelijke en reglementaire voorschriften en doelstellingen die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van de activiteit of de beschreven alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin de activiteit daarmee verenigbaar is;
  3° een beschrijving van:
  a) de kenmerken van de activiteit of de geplande maatregelen om de geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren; in deze beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate de aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, met betrekking tot zowel bouwfase, de exploitatiefase en de eventuele ontmantelingsfase;
  b) de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen om behoorlijke monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken te verzekeren;
  c) een voorstel tot afvalbeheersplan;
  d) maatregelen voor natuurherstel of de motivering waarom natuurherstel niet mogelijk is;
  4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de aanvrager heeft onderzocht en die relevant zijn voor de activiteit, en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten. In deze beschrijving wordt een vergelijking gemaakt tussen de activiteit en de beschreven alternatieven onder meer op grond van:
  a) het onderzoek naar de milieueffecten;
  b) de verenigbaarheid met de internationale en nationale wettelijke en reglementaire voorschriften;
  c) een globale evaluatie ten aanzien van de algemene doelstellingen en beginselen van de wet;
  5° elke aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaalde activiteit of type activiteit en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed. Indien een advies wordt uitgebracht door de BMM en de adviesinstanties in het geval artikel 52, § 1 of § 2, is het milieueffectbeoordelingsrapport gebaseerd op deze adviezen. Het milieueffectbeoordelingsrapport bevat in dit geval de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van de activiteit te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de opdrachtgever bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport rekening met de beschikbare resultaten van andere op grond van nationale of Uniewetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen;
  6° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieueffectbeoordelingsrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen;
  7° in voorkomend geval: het ontwerp passende beoordeling zoals bepaald in artikel 23;
  8° een niet-technische samenvatting van de gegevens onder 1° tot en met 6°. De samenvatting betreft:
  a) de beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de redelijkerwijze in aanmerking te nemen alternatieven;
  b) de moeilijkheden die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie;
  c) de resultaten van de vergelijking tussen de activiteit en de beschreven alternatieven op vlak van aanzienlijke milieueffecten;
  d) de wijze waarop rekening werd gehouden met de waarschijnlijk aanzienlijke effecten op het mariene milieu bij het uitwerken van de activiteit en de mogelijke maatregelen om nadelige effecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren.
Art. 55. Un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement contient les informations suivantes :
  1° une description de l'activité, consistant en :
  a) la localisation et la période de l'activité et, le cas échéant, les plans pour les travaux nécessaires pour l'exécution de l'activité ;
  b) une description des caractéristiques physiques de l'activité, de la nature et des quantités des moyens techniques et des matériaux utilisés dans l'exercice de l'activité ;
  c) une note permettant d'évaluer les connaissances dont dispose le demandeur pour exercer l'activité envisagée, et notamment un résumé des références, diplômes et titres professionnels des principaux dirigeants, ainsi qu'un résumé des principales activités auxquelles le demandeur a participé au cours des trois dernières années précédant la demande ;
  d) le cas échéant, une description des principales caractéristiques des processus de production et à quoi ressemble le processus de production. Au moins la demande d'énergie, la consommation d'énergie, les matériaux utilisés et les ressources naturelles sont indiquées ;
  e) une prévision du type et de la quantité de résidus et d'émissions attendus (tels que la pollution de l'eau, de l'air et du sol, la pollution sonore sur et sous l'eau), ainsi que des quantités et des types de déchets générés pendant l'activité ;
  f) une description des alternatives raisonnables (entre autres en matière d'emplacement, de modalité d'exécution ou de dispositions relatives à l'environnement) examinées par le demandeur qui sont pertinents pour l'activité ;
  2° une description des incidences directes et indirectes de l'activité sur l'environnement, consistant en :
  a) une description des aspects pertinents de l'état actuel du milieu marin (scénario de référence) et un aperçu de son évolution possible si l'activité n'est pas exercée, dans la mesure où les changements naturels par rapport au scénario de référence peuvent être raisonnablement évalués sur la base des informations environnementales et des connaissances scientifiques disponibles ;
  b) une description et une évaluation des incidences de l'activité sur l'environnement et des alternatives décrits selon les facteurs suivants : la faune, la flore, la biodiversité, avec un accent particulier sur les espèces à protéger et les habitats à protéger ; l'homme, y compris la population et la santé humaine ; le sol, y compris l'érosion, la matière organique, le compactage, la couverture ; l'eau, y compris les changements hydromorphologiques, la quantité et la qualité ; l'air ; le climat ; les ressources en énergie et en matières premières ; les biens matériels, l'occupation de l'espace, le patrimoine culturel, les paysages et la vue sur la mer, tant depuis la terre que depuis la mer ; les interactions entre les facteurs susmentionnés ;
  Les incidences de l'activité sur l'environnement et des alternatives décrites sur les facteurs susmentionnés doivent être décrites comme résultant, entre autres, de ce qui suit :
  I. la phase de construction, la phase d'exploitation ou l'existence de l'activité et, le cas échéant, la phase de démantèlement ;
  II. les technologies et les substances utilisées, y compris les effets physicochimiques, résultant de la mobilisation et du débordement des sédiments ;
  III. l'utilisation des ressources naturelles (terre, sol, eau et biodiversité) (par exemple, les effets bathymétriques, sédimentologiques et hydrodynamiques, l'estimation de la perte de biomasse benthique et l'impact de cette perte sur l'écosystème marin) ; la mesure dans laquelle leur utilisation durable est prise en compte ;
  IV. émissions de : substances polluées ; pollution sonore, y compris par l'utilisation d'appareils acoustiques dans l'écosystème marin ; vibrations ; lumière ; chaleur ; radiations ; nuisances environnementales ;
  V. les possibilités d'enlèvement et de recyclage des matériaux de construction et des déchets ;
  VI. les risques pour la santé humaine, le patrimoine culturel ou l'environnement, y compris la vulnérabilité de l'activité aux risques d'accidents majeurs et/ou de catastrophes ;
  VII. l'impact de l'activité sur le climat, y compris la nature et l'ampleur des émissions de gaz à effet de serre et la vulnérabilité de l'activité au changement climatique ;
  VIII. l'utilisation d'une conception inclusive de la nature et circulaire pour l'activité demandée ;
  IX. les effets de l'activité sur la pêche en mer, pour toute activité dans la zone des six milles ou ayant un impact sur celle-ci ; une description de la compatibilité avec l'exercice des activités des autres utilisateurs légitimes de la mer ;
  X. les effets cumulatifs avec d'autres activités existantes et/ou approuvées, compte tenu de tous les problèmes environnementaux existants liés aux zones d'importance environnementale que l'activité peut affecter, ou l'utilisation des ressources naturelles ;
  Les incidences à décrire et à évaluer comprennent les effets directs et indirects, secondaires, cumulatifs et transfrontaliers, permanents et temporaires, positifs et négatifs à court, moyen et long terme ; cette description et cette évaluation suivent, le cas échéant, la classification des descripteurs qualitatifs pour la description du bon état écologique, conformément à l'arrêté royal du 23 juin 2010 relatif à la stratégie pour le milieu marin concernant les espaces marins belges ;
  c) une description, pour chaque incidence notable probable sur l'environnement, des incertitudes et des risques probables ;
  d) une description des méthodes ou des preuves utilisées pour identifier et évaluer les incidences notables probables sur l'environnement, y compris un résumé des difficultés (par exemple, déficiences techniques, lacunes ou connaissances manquantes) rencontrées lors de la collecte des informations requises et des principales incertitudes ; le cas échéant, les documents d'orientation européens pertinents sur les sujets traités dans cette section sont pris en compte, en particulier ceux qui visent à intégrer l'évaluation de l'impact sur le climat ;
  e) une indication des exigences et objectifs juridiques et réglementaires internationaux et nationaux qui sont pertinents du point de vue de la politique environnementale pour la réalisation de l'activité ou des alternatives décrites, et un examen de la compatibilité de l'activité avec ces exigences et objectifs ;
  3° une description de :
  a) les caractéristiques de l'activité ou les mesures prévues pour éviter, prévenir ou limiter et, si cela n'est pas possible, compenser les incidences identifiées néfastes notables sur l'environnement ; cette description doit expliquer dans quelle mesure les incidences néfastes notables sur l'environnement seront évitées, prévenues, limitées ou compensées, tant pour la phase de construction que pour la phase d'exploitation et l'éventuelle phase de démantèlement ;
  b) les dispositions qui peuvent raisonnablement être prises pour assurer des programmes de surveillance et des examens continus des incidences sur l'environnement adéquates ;
  c) une proposition de plan de gestion de déchets ;
  d) des mesures pour la restauration de la nature ou la motivation pourquoi la restauration de la nature n'est pas possible ;
  4° une description des alternatives raisonnables que le demandeur a examinées et qui sont pertinentes pour l'activité, ainsi que leurs spécificités, en indiquant les principales raisons de l'option choisie, à la lumière des incidences sur l'environnement; Cette description compare l'activité et les alternatives décrites sur la base, notamment, de :
  a) l'enquête des incidences sur l'environnement;
  b) la compatibilité avec les exigences légales et réglementaires internationales et nationales ;
  c) une évaluation globale au regard des objectifs et principes généraux de la loi ;
  5° toute information supplémentaire importante au niveau des caractéristiques spécifiques d'une activité ou d'un type d'activité donnée et des aspects environnementaux susceptibles d'être affectés. Lorsqu'un avis est émis par l'UGMM et les instances consultatives dans le cas de l'article 52 § 1 ou § 2, le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement est basé sur ces avis. Le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement contient dans ce cas les informations qui peuvent être requises pour parvenir à une conclusion motivée sur les incidences notables de l'activité sur l'environnement, compte tenu des connaissances et méthodes d'évaluation existantes. Afin d'éviter le chevauchement des évaluations, le demandeur tient compte des résultats disponibles d'autres évaluations pertinentes effectuées en vertu de la législation fédérale, régionale ou de l'Union lors de la préparation du rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement ;
  6° une liste de références énumérant les sources utilisées pour les descriptions et les évaluations contenues dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement ;
  7° le cas échéant : un projet d'évaluation appropriée, prévu à l'article 23 ;
  8° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 6°. Le résumé couvre les points suivants :
  a) la description de l'activité envisagée et des alternatives qui pourraient raisonnablement être envisagées ;
  b) les difficultés rencontrées pour collecter et traiter les informations requises ;
  c) les résultats de la comparaison entre l'activité et les alternatives décrites en termes d'incidences notables sur l'environnement ;
  d) la manière dont les incidences notables probables sur le milieu marin ont été prises en compte lors de la conception de l'activité et les mesures possibles pour éviter, prévenir ou limiter et, si ce n'est pas possible, compenser les effets néfastes.
Afdeling III. - Ontvankelijkheid en retributie
Section III. - Recevabilité et rétribution
Onderafdeling I. - Ontvankelijkheid
Sous-section I. - Recevabilité
Art. 56. De BMM gaat na of de aanvraag volledig en ontvankelijk is en verstuurt haar advies hierover samen met de aanvraag digitaal aan de minister binnen tien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4.
Art. 56. L'UGMM vérifie si la demande est complète et recevable et transmet son avis au ministre par voie numérique, en même temps que la demande, dans les dix jours à compter de la notification ou l' envoie par voie numérique prévue à l'article 48, § 4.
Art. 57. § 1. Een aanvraag is onvolledig wanneer gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van artikel 49, 1° - 4°, en artikel 50.
  § 2. Een aanvraag is onontvankelijk wanneer zij niet het vereiste milieueffectbeoordelingsrapport omvat of wanneer deze de gegevens of documenten, zoals bepaald in artikel 55, niet of op onvoldoende wijze omvat. In voorkomend geval is een aanvraag ook onontvankelijk indien zij geen ontwerp passende beoordeling, zoals bepaald in artikel 23, bevat. De minister betekent deze beslissing aan de aanvrager binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4. De beslissing vermeldt de reden van onontvankelijkheid.
  § 3. Wanneer de aanvraag onvolledig is in de zin van paragraaf 1, betekent de minister deze beslissing, binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4, aan de aanvrager met aanduiding van de ontbrekende gegevens. De procedure wordt geschorst en wordt hernomen op het moment dat de ontbrekende en/of bijkomende informatie door de aanvrager aan de BMM wordt betekend. De BMM onderzoekt of de aanvraag volledig is en verstuurt haar advies digitaal aan de minister binnen tien dagen vanaf de betekening van de ontbrekende gegevens aan de BMM. Wanneer de aanvraag onvolledig blijft, betekent de minister, binnen vijftien dagen vanaf de betekening van de ontbrekende gegevens aan de BMM, de beslissing van onontvankelijkheid wegens herhaalde onvolledigheid, met aanduiding van de ontbrekende gegevens, aan de aanvrager.
  § 4. Wanneer de aanvraag volledig en ontvankelijk is en de aanvrager het bewijs van betaling heeft betekend aan de BMM overeenkomstig artikel 59, § 4, betekent de minister een attest ter bevestiging hiervan aan de aanvrager binnen vijf dagen vanaf de betekening van het bewijs van betaling. De minister verstuurt een kopie van het attest digitaal aan de BMM, de dienst Marien Milieu en andere relevante overheidsdiensten.
  § 5. De beslissing tot ontvankelijkheid doet geen afbreuk aan de mogelijkheden voorzien in artikel 70.
Art. 57. § 1. La demande est incomplète si les informations ou les documents requis en vertu de l'article 49, 1° - 4° et article 50 sont manquants.
  § 2. La demande est irrecevable si elle ne comporte pas le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement requis ou si elle ne comporte pas ou pas suffisamment les informations ou documents prévus à l'article 55. Le cas échéant, une demande est également irrecevable si elle ne contient pas le projet d'évaluation appropriée prévu à l'article 23. Le ministre notifie cette décision au demandeur dans un délai de quinze jours à compter de la notification ou l'envoie par voie numérique prévue à l'article 48 § 4. La décision mentionne le motif de l'irrecevabilité.
  § 3. Si la demande est incomplète au sens du paragraphe 1, le ministre notifie cette décision au demandeur, dans un délai de quinze jours à compter de la notification ou l'envoie par voie numérique prévue à l'article 48 § 4, en indiquant les informations manquantes. La procédure est suspendue et reprend lorsque les informations manquantes et/ou complémentaires sont notifiées ou envoyées par voie électronique à l'UGMM par le demandeur. L'UGMM examine si la demande est complète et transmet son avis au ministre par voie numérique dans un délai de dix jours à compter de la notification des données manquantes à l'UGMM. Si la demande reste incomplète, le ministre notifie au demandeur, dans un délai de quinze jours à compter de la notification des données manquantes à l'UGMM, la décision d'irrecevabilité pour incomplétude répétée, en indiquant les données manquantes.
  § 4. Si la demande est complète et recevable et le demandeur a notifié ou envoyé par voie électronique la preuve du paiement à l'UGMM conformément à l'article 59, § 4, le ministre notifie au demandeur une attestation qui en atteste dans les cinq jours de la notification de la preuve de paiement. Le ministre envoi une copie de l'attestation à UGMM, le service Milieu marin et d'autres services public pertinents.
  § 5. La décision de recevabilité ne porte pas atteinte aux possibilités prévues à l'article 70.
Onderafdeling II. - Retributie
Sous-section II. - Rétribution
Art. 58. De aanvrager betaalt een retributie aan de BMM. Deze retributie dekt de kosten gemaakt voor het uitvoeren van het onderzoek van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en, in voorkomend geval, van de aanvullende informatie verstrekt door de aanvrager en alle via de raadplegingen ontvangen relevante informatie, het in voorkomend geval uitvoeren van haar eigen aanvullend onderzoek en de vergoeding voor de vereiste onderzoeken, te selecteren overeenkomstig artikel 70, voor het opstellen van de gemotiveerde conclusie en, in voorkomend geval, de passende beoordeling, en de daaraan verbonden administratieve kosten.
Art. 58. Le demandeur verse une rétribution à l'UGMM. Cette rétribution couvre les frais engagés pour l'examen par l'UGMM des informations présentées dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement et, le cas échéant, des informations complémentaires fournies par le demandeur, ainsi que de toutes les informations pertinentes reçues lors des consultations, l'exécution, le cas échéant, de ses propres recherches complémentaires et une redevance pour les enquêtes requises, à choisir conformément à l'article 70, pour la conclusion motivée et, le cas échéant, l'évaluation appropriée, et tous les frais administratifs associés.
Art. 59. § 1. De BMM berekent het bedrag van deze retributie op basis van de gegevens vervat in de aanvraag, waaronder het milieueffectbeoordelingsrapport.
  De berekening van de retributie omvat: een vergoeding voor de BMM op basis van het tarief van 692 euro (index 127,11; basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen.
  § 2. De BMM verstuurt digitaal de berekening van de retributie aan de aanvrager binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4, tenzij zij de aanvraag onvolledig of onontvankelijk acht zoals bepaald in artikel 57, § 1, § 2 en § 3. Aan de berekening wordt de mededeling toegevoegd dat na het verlenen van de vergunning een retributie is verschuldigd voor monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken, zoals bepaald in artikel 88.
  § 3. De BMM verstuurt digitaal de berekening van de retributie aan de aanvrager binnen vijftien dagen vanaf de betekening van de ontbrekende gegevens aan de BMM in het geval van artikel 57, § 3.
  § 4. De aanvrager betaalt de verschuldigde retributie en betekent een bewijs van betaling hiervan aan de BMM binnen dertig dagen na het digitaal versturen bedoeld in de paragrafen 2 en 3. Wanneer niet betaald wordt binnen deze termijn, wordt de aanvraag stopgezet.
  § 5. Indien na het opstellen van de gemotiveerde conclusie blijkt dat de werkelijke kosten gemaakt door de BMM lager zijn dan de betaalde retributie, stort de BMM het saldo terug aan de aanvrager van de vergunning. Indien na het opstellen van de gemotiveerde conclusie blijkt dat de werkelijke kosten van het onderzoek hoger zijn dan de betaalde retributie, wordt het saldo door de aanvrager van de vergunning aan de BMM gestort. De BMM verstuurt digitaal een bericht over de terugbetaling. Indien tijdens het onderzoek en tijdens het opstellen van de gemotiveerde conclusie de BMM vaststelt dat de werkelijke kosten de betaalde retributie met meer dan 10 % zal overschrijden, dan kan ze onverwijld aan de aanvrager een aanvraag tot betaling van een aanvullende retributie betekenen. Bij gebrek aan betaling van deze aanvullende retributie binnen dertig dagen te rekenen vanaf de betekening van deze aanvraag tot betaling, wordt de aanvrager geacht afstand te doen van zijn aanvraag.
Art. 59. § 1. L'UGMM calcule le montant de cette rétribution sur la base des informations contenues dans la demande, y compris le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement.
  Le calcul de la rétribution comprend : une redevance pour l'UGMM de 692 euros (indice 127,11 ; base 2013) par jour-homme indexé chaque année selon l'indice des prix à la consommation.
  § 2. L'UGMM envoie par voie numérique le calcul de la rétribution au demandeur dans les quinze jours de la notification ou l'envoie par voie numérique prévu à l'article 48, § 4, sauf s'il estime que la demande est incomplète ou irrecevable comme prévue à l'article 57, § 1, § 2 et § 3. Le calcul est assortie d'une mention indiquant qu'une rétribution est due pour les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement après l'octroi du permis, conformément à l'article 88.
  § 3. L'UGMM envoie par voie numérique le calcul de la rétribution au demandeur dans les quinze jours de la notification des informations manquantes à l'UGMM dans le cas de l'article 57, § 3.
  § 4. Le demandeur paie la rétribution due et notifie la preuve du paiement à l'UGMM dans les trente jours suivant l'envoie par voie numérique visée aux paragraphes 2 et 3. Si le paiement n'est pas effectué dans ce délai, la demande est interrompue.
  § 5. Si, à l'issue de la conclusion motivée, il s'avère que les coûts réels encourus par l'UGMM sont inférieurs à la rétribution payée, l'UGMM remboursera le solde au demandeur de permis. Si, à l'issue de la conclusion motivée, il s'avère que les coûts réels de l'examen sont supérieurs à la rétribution payée, le solde est versé à l'UGMM par le demandeur du permis. L'UGMM envoi par voie numérique un message concernant le remboursement. Si, au cours de l'examen et durant l'élaboration de la conclusion motivée, l'UGMM détermine que les coûts réels dépasseront de plus de 10 % la rétribution payée, l'UGMM peut immédiatement présenter au demandeur une demande de paiement d'une rétribution supplémentaire. A défaut de paiement de cette rétribution supplémentaire dans un délai de trente jours à compter de la notification de la demande, le demandeur est réputé avoir renoncé à sa demande.
Onderafdeling III. - Aanvangsdatum termijn voor het verder behandelen van de aanvraag
Sous-section III. - Date de début du délai pour la poursuite du traitement de la demande
Art. 60. De termijn voor het verder behandelen van de aanvraag volgens de afdelingen IV tot en met IX gaat in de dag na de betekening van het attest door de minister aan de aanvrager zoals bepaald in artikel 57, § 4.
Art. 60. Le délai pour la poursuite du traitement de la demande conformément aux sections IV à IX commence le jour après la notification de l'attestation par le ministre au demandeur prévue à l'article 57, § 4.
Afdeling IV. - Publieksraadpleging
Section IV. - Consultation publique
Onderafdeling I. - Organisatie publieksraadpleging
Sous-section I. - Organisation de la consultation publique
Art. 61. § 1. Binnen vijftien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, wordt de aanvraag door de BMM bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de BMM. De aanvraag wordt ook binnen dezelfde termijn bekendgemaakt door de aanvrager door middel van minstens één ander vrij te kiezen communicatiemiddel.
  § 2. De bekendmaking omvat:
  1° het feit dat een milieuvergunningsaanvraag wordt ingediend, en in voorkomend geval, een aanvraag tot Natura 2000-toelating;
  2° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
  3° de identiteit van de aanvrager;
  4° de coördinaten van de locatie van de activiteit;
  5° de aanvangsdatum van de termijn voor het behandelen van de aanvraag zoals bepaald in artikel 60;
  6° het feit dat de activiteit aan een milieueffectbeoordelingsprocedure is onderworpen en, voor zover relevant, het feit dat artikel 66 en 68 van toepassing zijn;
  7° de vermelding van de minister als beslissende instantie over de vergunningsaanvraag en de aard van het mogelijke besluit tot vergunning;
  8° de termijnen van de publieksraadpleging;
  9° de vermelding van de BMM als de overheidsinstantie waarbij relevante informatie kan worden verkregen, met vermelding van de tijd en plaats waar relevante informatie ter beschikking wordt gesteld, een vermelding van de website van de BMM en een vermelding dat op deze website het volledige aanvraagdossier kan worden geconsulteerd, met inbegrip van een indicatie van de beschikbaarheid van de informatie opgelijst in artikel 62;
  10° de praktische informatie over de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen in te dienen over de aanvraag en het milieueffectbeoordelingsrapport.
Art. 61. § 1. Dans les quinze jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60, l'UGMM publie la demande au Moniteur belge et sur son site internet. La demande est également rendue publique dans le même délai par le demandeur par au moins un autre moyen de communication de libre choix.
  § 2. La publication doit comprendre :
  1° le fait qu'une demande de permis d'environnement a été introduite, et le cas échéant, une demande d'autorisation Natura 2000 ;
  2° une brève description de l'objet de la demande de permis ;
  3° l'identité du demandeur ;
  4° les coordonnées de l'emplacement de l'activité ;
  5° la date de début du délai de traitement de la demande conformément à l'article 60 ;
  6° le fait que l'activité fait l'objet d'une procédure d'évaluation des incidences sur l'environnement et que, le cas échéant, les articles 66 et 68 sont applicables ;
  7° la mention du ministre comme autorité de décision sur la demande de permis et la nature de l'éventuelle décision d'octroi de permis ;
  8° les délais de la consultation publique ;
  9° la mention de l'UGMM en tant qu'autorité publique auprès de laquelle les informations pertinentes peuvent être obtenues, avec indication de l'heure et du lieu où les informations pertinentes sont mises à disposition, la mention du site web de l'UGMM et l'indication que sur ce site web le dossier de demande complet peut être consulté, y compris l'indication de la disponibilité des informations énumérées à l'article 62 ;
  10° les informations pratiques sur la possibilité de présenter des points de vue, observations, objections et avis sur la demande et le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement.
Art. 62. § 1. De BMM publiceert alle stukken van de aanvraag, met inbegrip van het milieueffectbeoordelingsrapport en, in voorkomend geval, het ontwerp passende beoordeling zoals bepaald in artikel 23, op haar website. Het publiek kan alle stukken van de aanvraag inzien bij de BMM.
  § 2. Zonder dat dit een substantiële vormvereiste is waarvan de niet naleving de wettigheid van het besluit van de minister in het gedrang zou kunnen brengen, vraagt de BMM alle kustgemeentes de aanvraag van maandag tot en met vrijdag, uitgezonderd feestdagen, elke dag gedurende minstens een halve dag ter inzage te leggen.
  § 3. De BMM stelt de, op het moment van de bekendmaking zoals bedoeld in artikel 61, § 1, reeds afgeleverde adviezen, zoals onder meer bepaald in artikel 52, ter beschikking van het publiek. De BMM stelt ook de andere informatie die relevant is voor het publiek in het kader van de publieksraadpleging, die pas beschikbaar wordt na het moment van bekendmaking zoals bepaald in artikel 61, § 1, ter beschikking van het publiek.
Art. 62. § 1. L'UGMM publie sur son site web tous les documents relatifs à la demande, y compris le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement et, le cas échéant, le projet d'évaluation approprié visé à l'article 23. Le public peut consulter tous les documents de la demande auprès de l'UGMM.
  § 2. Sans être une formalité substantielle dont le non-respect pourrait remettre en cause la légalité de la décision du ministre, l'UGMM demande à toutes les communes du littoral de mettre la demande à disposition pour consultation du lundi au vendredi inclus, hors jours fériés, à raison d'au moins une demi-journée chaque jour.
  § 3. L'UGMM met les avis, entre autre prévus à l'article 52, déjà délivrés au moment de la publication, prévue à l'article 61 § 1, à la disposition du public. L'UGMM met également à disposition d'autres informations pertinentes pour le public dans le cadre de la consultation publique, qui ne deviennent accessibles au public qu'après le moment de la publication prévu à l'article 61, § 1.
Art. 63. Binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, kan het publiek haar standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen digitaal versturen aan de BMM of betekenen aan de BMM.
Art. 63. Dans les soixante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60, le public peut envoyer par voie numérique ou notifier à l'UGMM de ses points de vue, commentaires, objections et avis.
Art. 64. § 1. De BMM legt de aanvraag digitaal voor advies voor aan de leden van de Raadgevende Commissie, binnen vijftien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. De adviezen worden bezorgd binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
  § 2. De BMM kan nog bijkomende adviesinstanties aanschrijven indien ze dit nuttig acht.
Art. 64. § 1. L'UGMM soumet la demande par voie numérique aux membres de la Commission consultative pour avis, dans les quinze jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Les avis sont rendus dans les soixante jours suivant du début du délai, prévu à l'article 60.
  § 2. L'UGMM peut écrire à d'autres instances consultatives s'il le juge utile.
Art. 65. De BMM verstuurt de ontvangen reacties voortvloeiend uit de artikelen 63 en 64 digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen vijfenzestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
Art. 65. L'UGMM envoie les réponses reçues en application des articles 63 et 64 par voie numérique au service Milieu marin dans les soixante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
Onderafdeling II. - Waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten
Sous-section II. - Incidences transfrontalières notables probables
Art. 66. § 1. Wanneer de BMM vaststelt dat de voorgenomen activiteit waarschijnlijk grensoverschrijdende aanzienlijke effecten kan hebben op de mens of het milieu in een andere staat, verstuurt de BMM digitaal een exemplaar van de aanvraag naar de bevoegde overheden van de staat binnen vijftien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. De BMM voegt hierbij ook de inlichtingen inzake het verdere verloop van de procedure, inzonderheid de termijnen, de mogelijke beslissingen waartoe een aanvraag kan leiden en een voorstel over de manier waarop het grensoverschrijdend overleg, zoals bepaald in paragraaf 4, kan worden georganiseerd.
  § 2. Een staat kan aan de BMM om een exemplaar van de aanvraag verzoeken, binnen vijfenveertig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, indien de staat van oordeel is dat de voorgenomen activiteit aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in die staat. De BMM verstuurt digitaal een exemplaar van de aanvraag en de inlichtingen inzake het verdere verloop van de procedure, binnen vijf dagen vanaf de ontvangst van dit verzoek.
  § 3. Binnen vijfenzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, kunnen de bevoegde overheden en het publiek van de voornoemde staten hun standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen over de aanvraag digitaal versturen aan de BMM of betekenen aan de BMM. De BMM verstuurt deze binnen vijf dagen na ontvangst digitaal aan de dienst Marien Milieu.
  § 4. Binnen negentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, kunnen, indien gewenst, de BMM en de dienst Marien Milieu overleg plegen met de bevoegde overheden van deze staten over de potentiële grensoverschrijdende effecten van de activiteit en over de te overwegen maatregelen om die effecten te beperken of teniet te doen. Bij het begin van dit overleg wordt de vastlegging van een redelijke tijdslijn voor dit overleg nagestreefd.
Art. 66. § 1. Lorsque l'UGMM détermine que l'activité envisagée est susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur l'homme ou l'environnement dans un autre état, il envoie par voie numérique une copie de la demande aux autorités compétentes de l'état dans les quinze jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. L'UGMM joint également des informations sur la suite de la procédure, en particulier les délais, les décisions éventuelles auxquelles une demande peut donner lieu et une proposition sur la manière d'organiser la consultation transfrontalière, prévue au paragraphe 4.
  § 2. Un état peut demander à l'UGMM une copie de la demande, dans les quarante-cinq jours à compter du début du délai prévu à l'article 60, s'il considère que l'activité envisagée peut avoir des incidences notables sur l'homme ou l'environnement dans cet état. L'UGMM envoie par voie numérique une copie de la demande et des informations sur la suite de la procédure dans les cinq jours suivant la réception de cette demande.
  § 3. Dans les septante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60, les autorités compétentes et le public des états susmentionnés peuvent envoyer par voie numérique ou notifier à l'UGMM leurs points de vue, commentaires, objections et avis sur la demande. L'UGMM les enverra par voie numérique au service Milieu marin dans les cinq jours suivant leur réception.
  § 4. Dans les nonante jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60, l'UGMM et le service Milieu marin peuvent, s'ils le souhaitent, consulter les autorités compétentes de ces états sur les incidences transfrontalières potentielles de l'activité et sur les mesures à envisager pour limiter ou annuler ces effets. Au début de cette consultation, un calendrier raisonnable sera tenté d'être établi pour cette consultation.
Art. 67. § 1. Wanneer een staat een aanvraag van een activiteit met waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten notifieert aan het daartoe aangeduide contactpunt in België, onderzoekt deze of de activiteit waarschijnlijke aanzienlijke effecten kan hebben op de mens of het milieu in de zeegebieden. Het daartoe aangeduide contactpunt vraagt ook alle inlichtingen op inzake het verdere verloop van de procedure, in zoverre de notificatie deze nog niet omvat, onder andere een beschrijving van de activiteit met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan, de aard van de mogelijke beslissing en de redelijke termijn waarbinnen de staat een antwoord verwacht. Het daartoe aangeduide contactpunt kan ook elke lopende aanvraag over een activiteit met waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten op de zeegebieden opvragen aan een staat.
  § 2. Indien het daartoe aangeduide contactpunt vaststelt dat de activiteit waarschijnlijke aanzienlijke effecten kan hebben op de zeegebieden, notificeert deze de goede ontvangst van het dossier en de intentie om aan de milieueffectenprocedure deel te nemen. Indien geen waarschijnlijke aanzienlijke effecten vastgesteld kunnen worden, notificeert het daartoe aangeduide contactpunt de goede ontvangst en de intentie om niet verder deel te nemen.
  Indien gevraagd door de staat, maakt het daartoe aangeduide contactpunt onverwijld de redelijk beschikbare en relevante informatie betreffende het potentieel aangetaste leefmilieu onder de Belgische rechtsmacht over aan de staat.
  Het daartoe aangeduide contactpunt, de BMM en de dienst Marien Milieu kunnen overleg plegen met de bevoegde overheden van de betrokken staat over de potentiële grensoverschrijdende effecten van de activiteit en over de te overwegen maatregelen om die effecten te beperken of teniet te doen. Bij het begin van dit overleg wordt de vastlegging van een redelijke tijdslijn voor dit overleg nagestreefd.
  § 3. Indien het daartoe aangeduide contactpunt vaststelt dat de activiteit waarschijnlijke aanzienlijke effecten kan hebben op de zeegebieden, verstuurt deze de aanvraag digitaal aan de BMM en de dienst Marien Milieu. Het daartoe aangeduide contactpunt maakt de aanvraag bekend in het Belgisch Staatsblad en publiceert de aanvraag op de website van de dienst Marien Milieu binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
  § 4. De bekendmaking omvat:
  1° het feit dat een milieuvergunningsaanvraag wordt ingediend, en in voorkomend geval een aanvraag tot Natura 2000-toelating;
  2° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
  3° de identiteit van de aanvrager;
  4° de coördinaten van de locatie van de activiteit;
  5° het feit dat de activiteit aan een milieueffectbeoordelingsprocedure is onderworpen en, voor zover relevant, het feit dat de artikelen 67 en 68 van toepassing zijn;
  6° de vermelding van de beslissende instantie voor de vergunningsaanvraag en de aard van het mogelijke besluit tot vergunning;
  7° de termijnen van de publieksraadpleging;
  8° de vermelding van het daartoe aangeduide contactpunt als de overheidsinstantie waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
  9° de vermelding van de website waar de nodige informatie over de aanvraag kan geraadpleegd worden;
  10° de praktische informatie over de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen in te dienen over de aanvraag en het milieueffectbeoordelingsrapport.
  § 5. Binnen een termijn zoals bepaald door betrokken staat, kan het publiek haar standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen over de aanvraag digitaal versturen of betekenen aan het daartoe aangeduide contactpunt.
  § 6. Het daartoe aangeduide contactpunt legt de aanvraag digitaal voor advies voor aan de leden van de Raadgevende Commissie binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De adviezen worden digitaal verstuurd aan het daartoe aangeduide contactpunt binnen de termijnen zoals vastgelegd door de betrokken staat.
  § 7. Het daartoe aangeduide contactpunt bezorgt de standpunten, opmerkingen en bezwaren en adviezen binnen de termijn zoals bepaald door de betrokken staat aan de minister en aan de betrokken staat.
  § 8. Indien de betrokken staat een beslissing neemt en deze bezorgt aan het daartoe aangeduide contactpunt, verstuurt deze laatste deze beslissing aan de minister, aan de dienst Marien Milieu en aan de BMM.
  § 9. De beslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bekendmaking vermeldt de mogelijkheid en de modaliteiten om beroep in te stellen tegen de genomen beslissing en een vermelding dat op de website van de dienst Marien Milieu de volledige inhoud van de beslissing en alle bijlagen kunnen worden geconsulteerd. De volledige inhoud van de beslissing en alle bijlagen wordt gepubliceerd op de website van de dienst Marien Milieu uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing wordt ontvangen door het daartoe aangeduide contactpunt. De tekst en alle bijlagen van het besluit blijft permanent op de website staan. Het daartoe aangeduide contactpunt verstuurt binnen dezelfde termijn de beslissing digitaal aan de leden van de Raadgevende Commissie.
Art. 67. § 1. Lorsqu'un état notifie au point de contact désigné à cet effet en Belgique une demande relative à une activité susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables, il examine si l'activité est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'homme ou l'environnement dans les espaces marins. Le point de contact désigné à cet effet demande également toutes les informations sur la suite de la procédure, dans la mesure où la notification ne les inclut pas déjà, notamment une description de l'activité avec toutes les informations disponibles sur son impact transfrontalier éventuel, la nature de la décision éventuelle et le délai raisonnable dans lequel l'état attend une réponse. Le point de contact désigné à cet effet peut également demander à un état de lui communiquer toute demande en cours concernant une activité susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur les espaces marins.
  § 2. Si le point de contact désigné à cet effet détermine que l'activité est susceptible d'avoir des incidences notables sur les espaces marins, il notifie la bonne réception du dossier et l'intention de participer à la procédure d'évaluation des incidences sur l'environnement. Si aucun effet notable probable ne peut être déterminé, le point de contact désigné à cet effet notifie la bonne réception du dossier et l'intention de ne pas participer davantage.
  A la demande de l'état, le point de contact désigné à cet effet transmet sans délai à l'état les informations raisonnablement disponibles et pertinentes concernant l'environnement susceptible d'être affecté sous juridiction belge.
  Le point de contact désigné à cet effet, l'UGMM et le service Milieu marin peuvent consulter les autorités compétentes de l'état concerné à propos des effets transfrontalières potentiels de l'activité et sur les mesures à envisager pour limiter ou annuler ces effets. Au début de cette consultation, un calendrier raisonnable sera tenté d'être établi pour cette consultation.
  § 3. Si le point de contact désigné à cet effet estime que l'activité est susceptible d'avoir des incidences significatives sur les espaces marins, il transmet la demande par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin. Le point de contact désigné à cet effet publie la demande au Moniteur belge et publie la demande sur le site web géré par le service Milieu marin dans les quinze jours à compter de la réception de la demande.
  § 4. La publication doit comprendre :
  1° le fait qu'une demande de permis d'environnement a été introduite, et le cas échéant une demande d'autorisation Natura 2000 ;
  2° une brève description de l'objet de la demande de permis ;
  3° l'identité du demandeur ;
  4° les coordonnées de l'emplacement de l'activité ;
  5° le fait que l'activité fait l'objet d'une procédure d'évaluation des incidences sur l'environnement et que, le cas échéant, les articles 67 et 68 sont applicables ;
  6° la mention de l'autorité de décision pour la demande de permis et la nature de l'éventuelle décision d'octroi de permis ;
  7° les délais de la consultation publique ;
  8° l'indication du point de contact désigné à cet effet comme étant l'autorité publique auprès de laquelle les informations pertinentes peuvent être obtenues ;
  9° l'indication du site web où les informations nécessaires sur la demande peuvent être consultées ;
  10° les informations pratiques sur la possibilité de présenter des points de vue, observations, objections et avis sur la demande et le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement.
  § 5. Dans un délai déterminé par l'état concerné, le public peut notifié ou envoyé par voie numérique au point de contact désigné à cet effet ses points de vue, observations, objections et avis sur la demande.
  § 6. Le point de contact désigné à cet effet soumet par voie numérique la demande aux membres de la Commission consultative pour avis, dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande. Les avis sont envoyés par voie numérique au point de contact dans les délais fixés par l'état concerné.
  § 7. Le point de contact désigné à cet effet transmet les points de vue, commentaires, objections et avis au ministre et à l'état concerné dans un délai prévu par l'état concerné.
  § 8. Si l'état concerné prend une décision et la transmet au point de contact désigné à cet effet, ce dernier envoie cette décision par voie numérique au ministre, au service Milieu marin et à l'UGMM.
  § 9. La décision est publiée par extrait au Moniteur belge. La publication indique la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise et une indication que le contenu intégral de la décision et de toutes ses annexes peut être consulté sur le site web du service Milieu marin. Le contenu intégral de la décision et de toutes ses annexes est publié sur le site web du service Milieu marin au plus tard dix jours après la date de réception de la décision par le point de contact désigné à cet effet. Le texte et toutes ses annexes de la décision restera en permanence sur le site web. Le point de contact désigné à cet effet envoie la décision par voie numérique aux membres de la Commission consultative dans le même délai.
Art. 68. § 1. De toezending van informatie aan een andere staat en de ontvangst van informatie door een andere staat over een aanvraag in de zeegebieden zijn onderworpen aan de door de Belgische wetgeving opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom en van de nationale veiligheid.
  § 2. Bij de toezending van informatie door een andere staat en de ontvangst van informatie van een andere staat over een aanvraag buiten de zeegebieden dienen de beperkingen ter bescherming van het industrieel geheim en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom en van de nationale veiligheid, voorzien in de regelgeving van de staat die de informatie bezorgt, gerespecteerd te worden.
Art. 68. § 1. La transmission d'informations à un autre état et la réception d'informations par un autre état sur une demande dans les espaces marins sont soumises aux restrictions imposées par le droit belge pour protéger le secret industriel et commercial, y compris la propriété intellectuelle, et de la sécurité nationale.
  § 2. La transmission d'informations d'un autre état et la réception d'informations d'un autre état concernant une demande en dehors des espaces marins doivent respecter les limitations de la protection des secrets industriels et commerciaux, y compris la propriété intellectuelle et de la sécurité nationale, prévues par la réglementation de l'état fournissant les informations.
Afdeling V. - Het onderzoek en de gemotiveerde conclusie van de BMM
Section V. - L'examen et la conclusion motivée de l'UGMM
Onderafdeling I. - Het onderzoek
Sous-section I. - L'examen
Art. 69. De BMM gaat bij haar onderzoek van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie na of het milieueffectbeoordelingsrapport alle nodige informatie bevat. De BMM kijkt na of de meegedeelde gegevens en hun waardering, afzonderlijk beschouwd en in hun onderlinge samenhang, volledig en afdoende zijn.
Art. 69. Lors de l'examen des informations présentées dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement, l'UGMM vérifie si le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement contient toutes les informations nécessaires. L'UGMM vérifie que les données communiquées et leur valeur, considérées séparément et dans leur interrelation, sont complètes et suffisantes.
Art. 70. De BMM kan het milieueffectbeoordelingsrapport aanvullen en bijwerken op elk onderdeel waarvoor het aanvulling of bijwerking aangewezen acht. De BMM kan hiertoe de aanvrager om aanvulling en bijwerking verzoeken of de aanvulling en bijwerking zelf verrichten of doen verrichten. Ze kan hiertoe alle onderzoeken uitvoeren of doen uitvoeren die het, overeenkomstig de noodwendigheden van het dossier en naar redelijkheid, nuttig acht. De BMM kan de instanties die over relevante informatie beschikken vragen om deze informatie ter beschikking te stellen.
Art. 70. L'UGMM peut compléter et mettre à jour le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement pour toute partie pour laquelle elle estime qu'un complément ou une mise à jour est approprié. A cette fin, l'UGMM peut demander des compléments et des mises à jour au demandeur, ou procéder ou faire procéder elle-même à ces compléments et mises à jour. A cette fin, elle peut procéder ou faire procéder à toute enquête qu'elle juge utile conformément aux nécessités du dossier et dans la limite du raisonnable. L'UGMM peut demander aux instances qui disposent d'informations pertinentes de les mettre à sa disposition.
Onderafdeling II. - De gemotiveerde conclusie
Sous-section II. - La conclusion motivée
Art. 71. § 1. In de gemotiveerde conclusie maakt de BMM een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten van de activiteit en adviseert de BMM over de aanvaardbaarheid van de activiteit voor het marien milieu in het licht van deze beoordeling.
  § 2. De BMM houdt bij het opstellen van de gemotiveerde conclusie op geïntegreerde wijze rekening met de interacties tussen de effecten op het milieu van de voorgenomen activiteit en de globale effecten van de bestaande activiteiten en houdt onder meer rekening met:
  1° het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer, het beginsel dat de vervuiler betaalt, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het herstelbeginsel;
  2° de informatie uit het milieueffectbeoordelingsrapport;
  3° de resultaten van het onderzoek van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie;
  4° de standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen ingediend tijdens de publieksraadpleging zoals bepaald in artikel 63;
  5° de adviezen die werden uitgebracht tijdens de publieksraadpleging zoals bepaald in artikel 64;
  6° in voorkomend geval, de standpunten, bezwaren, opmerkingen en adviezen ingediend en het overleg gepleegd zoals bepaald in artikel 66;
  7° de in voorkomend geval aanvullende informatie die door de aanvrager wordt verstrekt;
  8° indien van toepassing, haar eigen aanvullend onderzoek.
  § 3. De BMM stelt een advies op dat deel uitmaakt van de gemotiveerde conclusie. Dit advies bevat de redenen waarom de activiteit al dan niet aanvaardbaar wordt geacht. In de gevallen waar de BMM de voorgenomen activiteit aanvaardbaar acht bevat dit advies ook:
  1° de voorwaarden om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren waardoor de activiteit aanvaardbaar wordt geacht, en eventuele andere bijkomende voorwaarden;
  2° de voorwaarden inzake de vereiste monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken en, desgevallend en indien mogelijk, een indicatieve berekening van de retributie die hiervoor overeenkomstig artikel 88 zal moeten worden betaald;
  3° indien toepasselijk: de compensatie in milieuvoordelen die aangewezen is om de nadelige effecten van de activiteit te compenseren. De BMM kan adviseren dat deze compensatie kan bestaan uit effectief natuurherstel of, indien dit niet mogelijk wordt geacht, kan bestaan uit het storten van een bijdrage in het Fonds Leefmilieu;
  4° de aanbevelingen.
Art. 71. § 1. Dans la conclusion motivée, l'UGMM fait une évaluation des incidences notables sur l'environnement de l'activité et émet un avis sur l'acceptabilité de l'activité pour le milieu marin au regard de cette évaluation.
  § 2. En rédigeant la conclusion motivée, l'UGMM tient compte de manière intégrée des interactions entre les effets sur l'environnement de l'activité envisagée et les effets globaux des activités existantes et tient compte, entre autres, des éléments suivants :
  1° le principe d'un niveau de protection élevé, le principe d'action préventive, le principe de précaution, le principe de gestion durable, le principe du pollueur-payeur, le principe selon lequel les atteintes à l'environnement doivent être corrigées, en priorité, à la source, et le principe de réparation ;
  2° les informations du rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement ;
  3° les résultats de l'enquête sur les informations présentées dans le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement ;
  4° les points de vue, commentaires, objections et avis soumis lors de la consultation publique prévue à l'article 63 ;
  5° les avis émis lors de la consultation publique prévue à l'article 64 ;
  6° le cas échéant, les points de vue, objections, commentaires et avis présentés et les consultations menées conformément à l'article 66 ;
  7° les informations complémentaires fournies par le demandeur, le cas échéant ;
  8° ses propres recherches complémentaires, le cas échéant;
  § 3. L'UGMM émet un avis qui fait partie de la conclusion motivée. Cet avis comprend les raisons pour lesquelles l'activité envisagée est ou n'est pas considérée comme acceptable. Dans les cas où l'UGMM considère que l'activité envisagée est acceptable, cet avis contient également :
  1° les conditions pour éviter, prévenir ou limiter et, si cela n'est pas possible, compenser les incidences néfastes notables sur l'environnement grâce auxquelles l'activité est considérée comme acceptable, et toutes autres conditions supplémentaires ;
  2° les conditions relatives aux programmes de surveillance et examens continus des incidences sur l'environnement requis et, le cas échéant et si possible, un calcul indicatif de la rétribution à payer à ce titre conformément à l'article 88 ;
  3° le cas échéant : la compensation en avantages environnementaux appropriés pour compenser les effets néfastes de l'activité. L'UGMM peut rendre comme avis que cette compensation peut se faire par une restauration efficace de la nature ou, si ce n'est pas possible, peut se faire par le versement d'une contribution au Fonds Environnement ;
  4° les recommandations.
Art. 72. Indien wordt overgegaan tot één enkel geïntegreerd onderzoek, zoals bepaald in artikel 20, § 2 van de wet, onderzoekt de BMM in haar gemotiveerde conclusie of aan de voorwaarden van artikel 20, § 2 wordt voldaan.
Art. 72. Si une enquête intégrée unique est effectuée, conformément à l'article 20, § 2 de la loi, l'UGMM examinera dans sa conclusion motivée si les conditions de l'article 20, § 2 sont remplies.
Art. 73. De BMM beoordeelt in voorkomend geval het ontwerp van passende beoordeling en stelt de passende beoordeling op, zoals bepaald in artikel 26.
Art. 73. Le cas échéant, l'UGMM évalue le projet d'évaluation appropriée et prépare l'évaluation appropriée, prévue à l'article 26.
Art. 74. § 1. De BMM kan de minister digitaal om een verlenging van de termijn voor de gemotiveerde conclusie vragen indien de BMM dit nodig acht voor een grondig onderzoek, binnen vijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn zoals bepaald in artikel 60. De minister kan, binnen honderd dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60, beslissen om een verlenging van tachtig dagen toe te staan. Deze beslissing wordt digitaal verstuurt aan de aanvrager, de BMM en de dienst Marien Milieu.
  § 2. De BMM verstuurt de gemotiveerde conclusie met, in voorkomend geval, de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen honderd dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. Ingeval de adviestermijn is verlengd overeenkomstig paragraaf 1, verstuurt de BMM de gemotiveerde conclusie met in voorkomend geval de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen honderdtachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
Art. 74. § 1. L'UGMM peut demander au ministre, par voie numérique, une prolongation de la période de la conclusion motivée si elle l'estime nécessaire à une enquête approfondie, dans les nonante cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Le ministre peut, dans les cent jours à compter du début du délai prévu à l'article 60, décider d'accorder une prolongation de quatre-vingt jours. Cette décision est envoyée par voie numérique au demandeur, à l'UGMM et au service Milieu marin.
  § 2. L'UGMM envoie la conclusion motivée avec, le cas échéant, l'évaluation appropriée par voie numérique au service Milieu marin dans les cent jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Si le délai d'avis a été prolongé conformément au paragraphe 1, l'UGMM envoie la conclusion motivée avec, le cas échéant, l'évaluation appropriée par voie numérique au service Milieu marin dans les cent quatre-vingt jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
Afdeling VI. - Advies dienst Marien Milieu
Section VI. - Avis du service Milieu marin
Art. 75. De dienst Marien Milieu verstuurt zijn advies over de aanvraag digitaal aan de BMM binnen honderdvijftien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. Ingeval de adviestermijn is verlengd na toepassing van artikel 74, § 1, verstuurt de dienst Marien Milieu zijn advies over de aanvraag digitaal aan de BMM binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
Art. 75. Le service Milieu marin transmet son avis sur la demande à l'UGMM par voie numérique dans les cent quinze jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Si le délai d'avis a été prolongé conformément à l'article 74, § 1, le service Milieu marin envoie son avis à l'UGMM par voie numérique dans les cent nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
Art. 76. De BMM verstuurt de gemotiveerde conclusie met, in voorkomend geval, de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen honderdvijfentwintig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. Ingeval de adviestermijn is verlengd overeenkomstig artikel 74, § 1, verstuurt de BMM de gemotiveerde conclusie met, in voorkomend geval, de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen tweehonderdenvijf dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
Art. 76. L'UGMM transmet par voie numérique au ministre la conclusion motivée avec, le cas échéant, l'évaluation appropriée et l'avis du service Milieu marin dans les cent vingt-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Si le délai d'avis a été prolongé conformément à l'article 74, § 1, l'UGMM envoie la conclusion motivée avec, le cas échéant, l'évaluation appropriée et l'avis du service Milieu marin par voie numérique au ministre dans les deux cent cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
Afdeling VII. - Besluit tot het verlenen of weigeren van de vergunning
Section VII. - Décision d'accorder ou de refuser le permis
Onderafdeling I. - Termijn
Sous-section I. - Délais
Art. 77. De minister neemt een besluit tot het verlenen of weigeren van de vergunning.
Art. 77. Le ministre prends la décision d'accorder ou de refuser le permis.
Art. 78. § 1. De minister betekent het ontwerp van besluit tot verlening of weigering van de vergunning aan de aanvrager binnen honderdvijfendertig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. In voorkomend geval wordt gelijktijdig het ontwerp van beslissing omtrent de Natura 2000-toelating betekend aan de aanvrager. De aanvrager kan aan de minister zijn gemotiveerde opmerkingen betekenen binnen honderdvijfenveertig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
  § 2. De minister betekent, na kennis te hebben genomen van de eventuele opmerkingen van de aanvrager, het besluit tot verlening of weigering van de vergunning aan de aanvrager binnen honderdvijfenvijftig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
  § 3. In de gevallen waar de adviestermijn is verlengd overeenkomstig artikel 74, § 1, bedragen de drie voormelde termijnen uit de paragrafen 1 en 2 respectievelijk tweehonderdvijftien, tweehonderdvijfentwintig en tweehonderdvijfendertig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
  § 4. In de gevallen zoals bepaald in artikel 66 betekent de minister het besluit eveneens aan de bevoegde overheden van de betrokken staten. De betekening gebeurt gelijktijdig met de betekening van het besluit aan de aanvrager.
Art. 78. § 1. Le ministre notifie le projet de décision d'octroi ou de refus du permis au demandeur dans les cent trente-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. Le cas échéant, le projet de décision concernant l'autorisation Natura 2000 est notifié simultanément au demandeur. Le demandeur peut notifier ses observations motivées au ministre dans les cent quarante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
  § 2. Le ministre, après avoir pris connaissance des observations éventuelles du demandeur, lui notifie la décision d'octroi ou de refus du permis dans les cent cinquante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60. En même temps que la notification, le ministre transmet la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
  § 3. Dans les cas où le délai d'avis a été prolongé conformément à l'article 74 § 1, les trois délais précités dans les paragraphes 1 et 2 sont, respectivement, de deux cent quinze, deux cent vingt-cinq et deux cent trente-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
  § 4. Dans les cas prévus à l'article 66, le ministre notifie également la décision aux autorités compétentes des états concernés. La notification est effectuée en même temps que la notification de la décision au demandeur.
Art. 79. § 1. In voorkomend geval wordt gelijktijdig met het besluit tot verlenen of weigeren van de vergunning een beslissing omtrent de Natura 2000-toelating genomen door de minister zoals bepaald in artikel 28 en betekend aan de aanvrager.
  § 2. In het geval van de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid zoals bepaald in artikel 29, bedragen de vijf voormelde termijnen uit artikel 29, § 2 tot en met § 6 respectievelijk honderdzeventig, tweehonderddertig, tweehonderdvijfenveertig, tweehonderdvijfenvijftig en tweehonderdvijfenzestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
  In de gevallen waar de adviestermijn is verlengd overeenkomstig artikel 74, § 1, bedragen de vijf voormelde termijnen uit artikel 29, § 2 tot en met § 6 respectievelijk tweehonderdvijftig, driehonderdentien, driehonderdvijfentwintig, driehonderdvijfendertig en driehonderdvijfenveertig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
Art. 79. § 1. Le cas échéant, en même temps que la décision d'accorder ou de refuser le permis, une décision relative à l'autorisation Natura 2000 est prise par le ministre prévue à l'article 28 et notifiée au demandeur.
  § 2. Dans le cas de l'application de l'option de dérogation prévu à l'article 29, les cinq délais précités de l'article 29 § 2 à § 6 sont respectivement de cent soixante-dix, deux cent trente, deux cent quarante-cinq, deux cent cinquante-cinq et deux cent soixante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
  Dans les cas où le délai d'avis a été prolongé conformément à l'article 74 § 1, les cinq délais précités de l'article 29, § 2 à § 6 sont respectivement de deux cent cinquante, trois cent dix, trois cent vingt-cinq, trois cent trente-cinq et trois cent quarante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
Onderafdeling II. - Inhoud besluit
Sous-section II. - Contenu de la décision
Art. 80. Het besluit over de vergunningsaanvraag is met redenen omkleed en bevat minstens de volgende informatie:
  1° de identiteit van de vergunninghouder;
  2° de identificatie van de vergunde activiteit;
  3° een verwijzing naar de algemene doelstellingen en beginselen van de wet, in het bijzonder het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer, het beginsel dat de vervuiler betaalt, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het herstelbeginsel;
  4° de gemotiveerde conclusie van de BMM en het advies dat deel uitmaakt van de gemotiveerde conclusie;
  5° het advies van de dienst Marien Milieu;
  6° een samenvatting van afgeleverde adviezen en de resultaten van de publieksraadpleging en de wijze waarop deze zijn meegenomen of op een of andere manier behandeld;
  7° de duur waarvoor de vergunning wordt verleend;
  8° de termijn waarbinnen met de werken die nodig zijn voor het uitoefenen van de activiteit moet worden gestart en de termijn waarbinnen met de exploitatie van de activiteit moet worden gestart;
  9° een beschrijving van alle kenmerken van de activiteit en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren;
  10° de voorwaarden;
  11° de voorwaarden met betrekking tot de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken en met betrekking tot de eventuele verplichting tot, en termijnen voor, het opstellen van tussentijdse rapporten over deze programma's en onderzoeken ;
  12° de aanbevelingen;
  13° de mogelijkheid en de modaliteiten voor het betrokken publiek om beroep in te stellen tegen het genomen besluit.
Art. 80. La décision relative à la demande de permis est motivée et contient au moins les informations suivantes :
  1° l'identité du titulaire du permis ;
  2° l'identification de l'activité octroyée ;
  3° une référence aux objectifs et principes généraux de la loi, notamment le principe d'un niveau de protection élevé, le principe d'action préventive, le principe de précaution, le principe de gestion durable, le principe du pollueur-payeur, le principe selon lequel les atteintes à l'environnement doivent être corrigées, en priorité à la source, et le principe de réparation ;
  4° la conclusion motivée de l'UGMM et l'avis de l'UGMM qui fait partie de la conclusion motivée ;
  5° l'avis du service Milieu marin ;
  6° un résumé des avis émis et des résultats de la consultation publique, et la manière dont ils ont été pris en compte ou traités d'une manière ou d'une autre ;
  7° la durée pour laquelle le permis est accordé ;
  8° le délai dans lequel les travaux nécessaires à l'exercice de l'activité doivent commencer et le délai dans lequel l'exploitation de l'activité doit commencer ;
  9° une description de toutes les caractéristiques de l'activité et/ou des mesures prévues pour éviter, prévenir ou limiter les incidences notables néfastes sur l'environnement et, si cela n'est pas possible, les compenser ;
  10° les conditions ;
  11° les conditions concernant les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement et concernant les éventuelles obligations et délais pour la rédaction de rapports intermédiaires sur ces programmes et examens ;
  12° les recommandations ;
  13° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise pour le public concerné.
Art. 81. § 1. De minister kan aan het gebruik van de vergunning alle voorwaarden verbinden. De volgende voorwaarden kunnen onder meer worden opgelegd:
  1° de voorwaarde dat de vergunninghouder compensaties in milieuvoordelen om de nadelige effecten van de activiteit te compenseren moet uitvoeren; deze compensatie kan bestaan uit effectief natuurherstel of, indien dit niet mogelijk wordt geacht, kan bestaan uit het storten van een door de minister te bepalen bijdrage in het Fonds Leefmilieu;
  2° de voorwaarde dat de vergunninghouder bij het uitoefenen van de activiteit dient te waarborgen dat een noodplan voor bijzondere risico's voor accidentele verontreiniging op elk ogenblik tijdens de uitoefening van de activiteiten beschikbaar is. Een noodplan voor een bijzonder risico omvat ten minste:
  a) de procedure die moet worden gevolgd voor het melden van een accidentele verontreiniging of dreigende accidentele verontreiniging aan de overheid hiertoe aangeduid in de vergunning;
  b) een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door de personen die in opdracht van de vergunninghouder ter plekke aanwezig zijn, om de verontreiniging als gevolg van het voorval te voorkomen, te beperken of te bestrijden;
  c) de procedures en de contactpersonen ter plekke voor de coördinatie tussen maatregelen ter plekke en maatregelen van de overheid ter bestrijding van de verontreiniging. Het noodplan wordt meegedeeld aan de BMM door de vergunninghouder vooraleer aan de vergunning uitvoering wordt gegeven;
  3° de voorwaarde dat de vergunninghouder bij het uitoefenen van de activiteit dient te waarborgen dat een afvalbeheersplan beschikbaar is;
  4° de voorwaarde dat de vergunninghouder een verzekering moet aangaan inzake bepaalde risico's voor accidentele verontreiniging; de minister kan beslissen dat de vergunninghouder een kopie van deze verzekering moet betekenen aan de BMM voorafgaandelijk aan de exploitatie van de vergunning en dat zonder deze verzekering met de uitvoering van de activiteit niet kan worden gestart;
  5° de voorwaarde dat de vergunninghouder voor bepaalde aspecten van de vergunde activiteit een financiële zekerheid moet stellen en het bewijs hiervan moet betekenen aan de BMM vooraleer uitvoering aan de vergunning wordt gegeven. De financiële zekerheid kan de vorm aannemen van een bankgarantie op eerste verzoek, van een borgsom of van een hypotheek;
  6° de voorwaarden die bij het einde van de activiteit nagekomen moeten worden; de minister kan de vergunninghouder verplichten tot het stellen van een financiële zekerheid tot voldoening van de voorwaarden die bij het einde van de activiteit nagekomen moeten worden.
  § 2. De minister legt bij elke vergunning als voorwaarde op dat de vergunninghouder jaarlijks, voor 15 maart, een uitvoeringsverslag van het voorbije kalenderjaar indient bij de BMM, waarin weergegeven wordt hoe de vergunning werd uitgevoerd. Als voorwaarde moet worden opgelegd dat de vergunninghouder het jaarlijks uitvoeringsverslag moet bewaren gedurende vijf kalenderjaren. De personen bedoeld in artikel 4.2.4.9, 4.2.4.10 en 4.2.4.11 van het Belgisch Scheepvaartwetboek van 8 mei 2019 kunnen de jaarlijkse uitvoeringsverslagen steeds op eenvoudig verzoek inzien. De minister kan nadere regels over de vorm en inhoud van het verslag bepalen.
Art. 81. § 1. Le ministre peut assortir l'utilisation du permis de toute condition. Les conditions suivantes peuvent entre autres être imposées :
  1° la condition selon laquelle le titulaire du permis doit verser une compensation en avantages environnementaux pour compenser les effets néfastes de l'activité ; cette compensation peut se faire par une restauration efficace de la nature ou, si ce n'est pas possible, par le versement d'une contribution, à déterminer par le ministre, au Fonds Environnement ;
  2° la condition selon laquelle, lors de l'exercice de l'activité, le titulaire du permis doit veiller à ce qu'un plan d'urgence pour les risques particuliers de pollution accidentelle soit disponible à tout moment pendant l'exercice de l'activité. Un plan d'urgence pour un risque particulier comprend au moins les éléments suivants :
  a) la procédure à suivre pour signaler une pollution accidentelle ou une pollution accidentelle imminente à l'autorité désignée à cet effet dans le permis ;
  b) une description détaillée des mesures qui doivent être prises immédiatement par les personnes qui se trouvent sur place au nom du titulaire du permis, afin de prévenir, limiter ou combattre la pollution résultant de l'incident ;
  c) les procédures et les personnes de contact sur le terrain pour la coordination entre les mesures sur place et les mesures gouvernementales de lutte contre la pollution. Le plan d'urgence est communiqué à l'UGMM par le titulaire du permis avant la mise en oeuvre du permis ;
  3° la condition selon laquelle, lors de l'exercice de l'activité, le titulaire du permis doit veiller à ce qu'un plan de gestion des déchets soit disponible ;
  4° la condition que le titulaire du permis souscrive une assurance couvrant certains risques de pollution accidentelle ; le ministre peut décider que le titulaire du permis doit notifier une copie de cette assurance à l'UGMM préalablement à l'exploitation du permis et que sans cette assurance, l'exercice de l'activité ne peut être démarré ;
  5° la condition selon laquelle le titulaire du permis doit fournir une garantie financière pour certains aspects de l'activité octroyée et en apporter la preuve à l'UGMM préalablement à la mise en oeuvre du permis. La garantie financière peut prendre la forme d'une garantie bancaire à première demande, d'un cautionnement ou d'une hypothèque ;
  6° les conditions à remplir à la fin de l'activité ; le ministre peut exiger du titulaire du permis qu'il fournisse une garantie financière pour satisfaire aux conditions à respecter à la fin de l'activité.
  § 2. Le ministre assortit chaque permis d'une condition selon laquelle le titulaire du permis doit, avant le 15 mars, soumettre à l'UGMM un rapport annuel d'exécution de l'année civile précédente, reflétant la manière dont le permis a été exécuté. La condition doit être imposée que le titulaire du permis doit conserver le rapport annuel d'exécution pendant cinq années civiles. Les personnes visées aux articles 4.2.4.9, 4.2.4.10 et 4.2.4.11 du Code belge de la Navigation du 8 mai 2019 peuvent consulter les rapports annuels d'exécution à tout moment sur simple demande. Le ministre peut préciser d'autres règles concernant la forme et le contenu du rapport.
Art. 82. De minister legt bij elke vergunning als voorwaarde op dat een retributie dient betaald te worden voor de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken en hoe deze retributie wordt berekend.
Art. 82. Le ministre assortit chaque permis d'une condition selon laquelle une rétribution pour les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement doit être payé et comment cette rétribution est calculée.
Onderafdeling III. - Bekendmaking
Sous-section III. - Publication
Art. 83. § 1. Het besluit wordt door de dienst Marien Milieu bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bekendmaking vermeldt de mogelijkheid en de modaliteiten voor het betrokken publiek om beroep in te stellen tegen het genomen besluit en een vermelding dat op de website van de BMM de volledige inhoud van het besluit en alle bijlagen kunnen worden geconsulteerd.
  § 2. De BMM publiceert de volledige inhoud van het besluit en alle bijlagen van het besluit op haar website binnen tien dagen na ontvangst van het besluit. De tekst van het besluit en alle bijlagen blijven permanent op de website staan.
  § 3. De dienst Marien Milieu verstuurt binnen dezelfde termijn het besluit digitaal aan de leden van de Raadgevende Commissie.
  § 4. Het daartoe aangeduide contactpunt verstuurt het besluit aan de betrokken staten ingeval toepassing wordt gemaakt van artikel 66.
  § 5. Het publiek kan het besluit opvragen of inzien bij de BMM en de dienst Marien Milieu.
Art. 83. § 1. La décision est publiée par le service Milieu marin par extrait au Moniteur belge. La publication indique la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise pour le public concerné et une indication que le contenu intégral de la décision et de toutes ses annexes peut être consulté sur le site web de l'UGMM.
  § 2. L'UGMM publie le contenu intégral de la décision et de toutes ses annexes sur son site web dans les dix jours après réception de la décision. Le texte de la décision et toutes ses annexes resteront en permanence sur le site web.
  § 3. Le service Milieu marin envoie la décision par voie numérique aux membres de la Commission consultative dans le même délai.
  § 4. Le point contact désigné à cet effet envoie la décision aux états concernés en cas d'application des articles 66.
  § 5. Le public peut récupérer ou consulter la décision auprès de l'UGMM et auprès du service Milieu marin.
Afdeling VIII. - Duur van de vergunning
Section VIII. - Durée du permis
Art. 84. § 1. Een vergunning wordt verleend voor een duur van hoogstens vijfentwintig jaar.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, wanneer de vergunning een activiteit betreft die het voorwerp uitmaakt van een domeinconcessie krachtens artikel 6/3 of artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, is de duur van deze vergunning gelijk aan de duur van de domeinconcessie.
  Deze bepaling is eveneens van toepassing voor de vergunningen voor de bouw en de exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit water, stromen of winden en de vergunningen aan de netbeheerder voor de bouw en de exploitatie van installaties noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit die verleend zijn overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en het koninklijk besluit van 9 september 2003 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.
  § 3. Voor afgeleverde milieuvergunningen van activiteiten die niet het voorwerp uitmaken van een domeinconcessie, zoals bedoeld in paragraaf 2, kan de duur verlengd worden met hoogstens vijfentwintig jaar. De vergunninghouder betekent de aanvraag tot verlenging minstens een jaar voor het aflopen van de duur van de oorspronkelijke vergunning. De aanvraag tot verlenging bevat een aanvullend milieueffectbeoordelingsrapport en een aanvulling met de relevante gegevens komende uit de tot dan uitgevoerde monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken. Het aanvullend milieueffectbeoordelingsrapport is beperkt tot de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten en de impact op het marien milieu van de aangevraagde verlenging van de vergunning ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning en de waarschijnlijk aanzienlijke gecumuleerde effecten die voortvloeien uit zowel de bestaande vergunning als de aangevraagde verlenging.
  De aanvraag tot verlenging wordt ingediend volgens dezelfde modaliteiten als voorzien in de artikelen 48 tot en met 55 en wordt behandeld volgens de procedure zoals bepaald in de artikelen 56 tot en met 88. Een verlenging van de termijn heeft slechts betrekking op de verlenging en laat voor het overige de oorspronkelijke vergunning bestaan.
  Het onderzoek en de gemotiveerde conclusie van de BMM, het advies van de dienst Marien Milieu en het besluit van de minister moeten beperkt blijven tot de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten en de impact op het marien milieu van de aangevraagde verlenging van de vergunning ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning en de waarschijnlijk aanzienlijke gecumuleerde effecten die voortvloeien uit zowel de bestaande vergunning als de aangevraagde verlenging.
  § 4. De duur van de vergunning gaat in tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad van het besluit waarbij de vergunning wordt verleend, tenzij de vergunning dit anders bepaalt. Wanneer voor de vergunde activiteit één of meer bijkomende vergunningen of concessies zijn vereist op grond van de wet of andere wetgeving, blijft een betekende vergunning geschorst totdat iedere bijkomend vereiste vergunning of concessie is verleend en de kennisgeving ervan is gebeurd overeenkomstig de toepasselijke wetgeving. Indien een van de bijkomend vereiste vergunningen of concessies definitief is geweigerd in laatste administratieve aanleg, vervalt een betekende vergunning van rechtswege op de dag van de kennisgeving van deze weigering overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
Art. 84. § 1. Le permis est accordé pour une durée maximale de vingt-cinq ans.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1, lorsque le permis concerne une activité qui fait l'objet d'une concession domaniale visé à l'article 6/3 ou de l'article 13/1 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, la durée de ce permis est égal à la durée de la concession domaniale.
  Cette disposition s'applique également aux permis de construction et d'exploitation d'installations de production d'électricité à partir d'eau, de cours d'eau ou du vent et aux permis accordés au gestionnaire du réseau pour la construction et l'exploitation d'installations pour la transmission d'électricité qui ont été accordées conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 7 septembre 2003 établissant la procédure d'octroi des permis et autorisations requis pour certaines activités exercées dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique et l'arrêté royal du 9 septembre 2003 fixant les règles relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique.
  § 3. Pour les permis d'environnement délivrés concernant des activités qui ne font pas l'objet d'une concession domaniale, prévu au paragraphe 2, la durée peut être prolongée de vingt-cinq ans au maximum. Le titulaire du permis notifie la demande de prolongation au moins un an avant l'expiration de la durée du permis initial. La demande de prolongation contient un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement supplémentaire et un supplément des données pertinentes venant des programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement exécutés jusqu'à ce jour. Le rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement supplémentaire se limite aux incidences notables probables sur l'environnement et l'impact sur le milieu marin de la prolongation demandée du permis par rapport au permis initial et les effets cumulés notables probables résultant à la fois du permis existant et la prolongation demandée.
  La demande de prolongation est introduite selon les modalités prévues aux articles 48 à 55 et est traitée selon la procédure prévue aux articles 56 à 88. Une prolongation du permis ne concerne que la prolongation et ne change en rien l'existence du permis initial.
  L'examen et la conclusion motivée de l'UGMM, l'avis du service Milieu marin et la décision du ministre doivent se limiter aux incidences notables probables sur l'environnement et à l'impact sur le milieu marin de la prolongation demandée du permis par rapport au permis initial et aux effets cumulés notables probables résultant à la fois du permis existant et de la prolongation demandée.
  § 4. La durée du permis court à compter dix jours après la publication au Moniteur Belge de la décision accordant le permis, à moins que le permis n'en dispose autrement. Lorsque l'activité octroyée nécessite un ou plusieurs permis ou concessions supplémentaires en vertu de la loi ou d'une autre législation, un permis notifié reste suspendu jusqu'à ce que chaque permis ou concession supplémentaire requis ait été accordé et notifié conformément à la législation applicable. Si l'un des permis ou concessions supplémentaires requis a été définitivement refusé en dernier ressort administratif, tout permis délivré expire automatiquement le jour de la notification de ce refus conformément au droit applicable.
Art. 85. § 1. Elke vergunning bepaalt de termijn waarbinnen met de werken die nodig zijn voor het uitoefenen van de activiteit moet worden gestart. Deze termijn gaat in wanneer de duur van de vergunning, zoals bepaald in artikel 84, § 4, ingaat en wordt geschorst tot iedere bijkomende vereiste vergunning of concessie is verleend en de kennisgeving ervan is gebeurd, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
  § 2. Elke vergunning bepaalt de termijn waarbinnen met de exploitatie van de activiteit moet worden gestart. Deze termijn gaat in wanneer de duur van de vergunning, zoals bepaald in artikel 84, § 4, ingaat en wordt geschorst tot iedere bijkomende vereiste vergunning of concessie is verleend en de kennisgeving ervan is gebeurd, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
Art. 85. § 1. Chaque permis stipule le délai dans lequel les travaux nécessaires à l'exercice de l'activité doivent commencer. Cette période commence lorsque la durée du permis, telle que stipulée à l'article 84, § 4, prend effet et est suspendue jusqu'à ce que chaque permis ou concession supplémentaire requis ait été accordé et notifié, conformément à la législation applicable.
  § 2. Chaque permis stipule le délai dans lequel l'exploitation de l'activité doit commencer. Ce délai commence lorsque la durée du permis, prévue à l'article 84, § 4, prend effet et est suspendu jusqu'à ce que chaque permis ou concession supplémentaire requis ait été accordé et notifié, conformément à la législation applicable.
Afdeling IX. - Monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken
Section IX. - Programmes de surveillance et examens continus des incidences sur l'environnement.
Art. 86. De monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken worden uitgevoerd door of in opdracht van de BMM. Op basis van de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken evalueert de BMM de verdere aanvaardbaarheid van de vergunde activiteit voor het marien milieu.
Art. 86. Les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement sont exécutés par ou pour le compte de l'UGMM. Sur la base des programmes de surveillance et des examens continus des incidences sur l'environnement, l'UGMM évalue l'acceptabilité ultérieure de l'activité octroyée pour le milieu marin.
Art. 87. In de gevallen waar de BMM vaststelt dat de activiteit waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten kan hebben op het marien milieu in andere staten of in de gevallen waar de bevoegde overheden van deze staten er om verzoeken, wordt in de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken ook de waarschijnlijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten onderzocht van de activiteit en worden deze geëvalueerd door de BMM. Indien de resultaten van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken aannemelijk maken dat er zich grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voordoen of kunnen voordoen, wordt de betrokken staat hierover ingelicht en kan worden overgegaan tot onderling overleg inzake de maatregelen om de grensoverschrijdende aanzienlijke effecten te beperken of teniet te doen.
Art. 87. Lorsque l'UGMM détermine que l'activité est susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur le milieu marin dans d'autres états ou lorsque les autorités compétentes de ces états en font la demande, les incidences transfrontalières notables probables de l'activité sont également examinées dans les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement et évaluées par l'UGMM. Si les résultats des programmes de surveillance et des examens continus des incidences sur l'environnement indiquent que des incidences transfrontalières notables se produisent ou risquent de se produire, l'état concerné en est informé et des concertations mutuelles peuvent avoir lieu sur les mesures à prendre pour réduire ou annuler les incidences transfrontalières notables.
Art. 88. § 1. De vergunninghouder is gehouden tot het betalen van een retributie voor de in de vergunning opgelegde monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken.De uit te voeren monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken worden geselecteerd overeenkomstig de noden van het dossier en naar redelijkheid van de te verwachten milieueffecten.
  § 2. Deze retributie bestaat uit een vergoeding voor de BMM voor de uitvoering van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken en alle daaraan verbonden kosten op basis van het tarief van 692 euro (index 127,11; basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen.
  § 3. De retributie is betaalbaar aan de BMM na factuur met vermelding van de betalingstermijn.
  § 4. De in de vergunning opgelegde monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken zijn te onderscheiden van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de vergunning door de exploitant. Dit toezicht en deze inspecties zijn niet onderworpen aan een retributie.
Art. 88. § 1. Le titulaire d'un permis est obligé à payer une rétribution pour les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement imposés dans le permis. Les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement à réaliser sont sélectionnés en fonction des besoins du dossier et dans le respect des incidences environnementales escomptées.
  § 2. Cette rétribution consiste en une redevance pour l'exécution de ces programmes de surveillance et examens continus des incidences sur l'environnement et tous les frais associés sur la base d'un tarif de 692 euros (indice 127,11 ; base 2013) par jour-homme, indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation.
  § 3. La rétribution est payable à l'UGMM après facture indiquant le délai de paiement.
  § 4. Les programmes de surveillance et examens continus des incidences sur l'environnement imposés dans le permis doivent être distinguée du contrôle et des inspections effectuées par les autorités sur le respect des conditions du permis par le titulaire du permis. Ce contrôle et ces inspections ne sont pas soumis à une rétribution.
Afdeling X. - Wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning, schorsing en opheffing van de vergunning
Section X. - Modifier ou étendre les conditions du permis, suspension et abrogation du permis
Art. 89. § 1. De minister kan steeds de voorwaarden van een vergunning wijzigen of uitbreiden.
  § 2. Bij het nemen van het besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van een vergunning houdt de minister in het bijzonder rekening met:
  1° de algemene doelstellingen en beginselen van de wet, in het bijzonder het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer, het beginsel dat de vervuiler betaalt, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het herstelbeginsel;
  2° de resultaten van de milieueffectenbeoordelingen overeenkomstig artikel 17 van de wet;
  3° de resultaten van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken na vergunning.
Art. 89. § 1. Le ministre peut toujours modifier ou étendre les conditions d'un permis.
  § 2. Pour prendre la décision de modifier ou d'étendre les condition d'un permis, le ministre tient notamment compte :
  1° des objectifs et principes généraux de la loi, notamment le principe d'un niveau de protection élevé, le principe d'action préventive, le principe de précaution, le principe de gestion durable, le principe du pollueur-payeur, le principe selon lequel les atteintes à l'environnement doivent être corrigées, en priorité, à la source, et le principe de réparation ;
  2° les résultats des évaluations des incidences sur l'environnement conformément à l'article 17 de la loi ;
  3° les résultats des programmes de surveillance et des examens continus des incidences sur l'environnement après permis.
Art. 90. § 1. Ter bescherming van het marien milieu kan de minister in de volgende gevallen de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of geheel of gedeeltelijk opheffen:
  1° wanneer uit de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor het mariene milieu door de activiteit hebben voorgedaan;
  2° wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd;
  3° wanneer er onaanvaardbare risico's en de hinder voor het marien milieu ontstaan die niet via voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
  4° wanneer de gegevens op grond waarvan de vergunning is verleend, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou genomen zijn;
  5° wanneer de vergunning is in strijd met de wettelijke voorschriften verleend.
  § 2. Iedere schorsing is tijdelijk en geldt voor een door de minister bepaalde termijn. Een opheffing is definitief.
Art. 90. § 1. Afin de protéger le milieu marin, le ministre peut suspendre ou abroger tout ou partie du permis dans les cas suivants :
  1° lorsque les programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement montrent que de nouveaux effets néfastes sur le milieu marin à cause de l'activité sont apparus ;
  2° lorsque les conditions ne sont pas remplies ;
  3° lorsque des risques et des nuisances inacceptables pour le milieu marin apparaissent et ne peuvent être ramenés à un niveau acceptable par le biais de conditions ;
  4° lorsque les données sur la base desquelles le permis a été accordée sont à ce point incorrectes ou incomplètes que, si les données correctes avaient été connues, une décision différente aurait été prise ;
  5° lorsque le permis a été accordée en violation des exigences légales ;
  § 2. Chaque suspension est temporaire et a une durée déterminée par le ministre. Une abrogation est définitive.
Art. 91. § 1. De minister neemt het besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning, of over het schorsen of opheffen van de vergunning ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de BMM, zoals bepaald in paragraaf 2.
  § 2. De BMM kan een digitaal gemotiveerd verzoek tot het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden, het schorsen of opheffen van de vergunning aan de minister richten indien de BMM op grond van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken vaststelt dat zich nieuwe nadelige gevolgen of schade voor het marien milieu heeft voorgedaan. Indien de BMM vraagt om de voorwaarden te wijzigen of uit te breiden, kan de BMM de minister digitaal verzoeken om de vergunning te schorsen in afwachting van een besluit tot het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden.
  § 3. De minister betekent het ontwerpbesluit aan de vergunninghouder over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning, het schorsen of het opheffen van de vergunning.
  Binnen dertig dagen na de betekening kan de vergunninghouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen.
  § 4. Binnen zestig dagen na betekening, zoals bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting digitaal aan de dienst Marien Milieu. De dienst Marien Milieu verstuurt binnen vijfenzeventig dagen na betekening haar advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister.
  Binnen honderd dagen na betekening betekent de minister de beslissing aan de vergunninghouder. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu. Het besluit wordt bekendgemaakt volgens de modaliteiten als voorzien in artikel 83, § 1, § 2 en § 5.
Art. 91. § 1. Le ministre prend la décision de modifier ou étendre des conditions du permis, ou de suspendre ou abroger le permis d'office ou à la demande motivée de l'UGMM, prévu au paragraphe 2.
  § 2. L'UGMM peut demander au ministre, par voie numérique, de modifier ou étendre les conditions du permis ou de suspendre ou d'abroger le permis si l'UGMM détermine, sur la base des programmes de surveillance en examens continus des incidences sur l'environnement, que de nouvelles conséquences ou de nouveaux dommages néfastes au milieu marin se sont produits. Quand l'UGMM demande de modifier ou étendre les conditions, l'UGMM peut demander par voie numérique au ministre de suspendre le permis dans l'attente d'une décision de modifier ou étendre les conditions.
  § 3. Le ministre notifie le titulaire du permis du projet de la décision de modifier ou étendre des conditions du permis, de suspendre ou d'abroger le permis.
  Dans les trente jours suivant la notification, le titulaire du permis peut présenter ses observations et objections, ainsi que toute demande d'audition à l'UGMM.
  § 4. Dans les soixante jours suivant la notification prévu au paragraphe 3, alinéa 1er, l'UGMM envoie son avis, accompagné, le cas échéant, de l'évaluation des commentaires et des objections et, le cas échéant, du rapport de l'audition, par voie numérique au service Milieu marin. Le service Milieu marin envoie son avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la notification. Dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la notification, l'UGMM transmet son avis et l'avis du service Milieu marin par voie numérique au ministre.
  Dans les cent jours suivant la notification, le ministre notifie la décision au titulaire du permis. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin. La décision est publiée conformément les modalités prévues à l'article 83, § 1, § 2 et § 5.
Art. 92. Ieder besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden bevat minstens een bepaling van de dag waarop het besluit uitwerking heeft.
Art. 92. Toute décision visant à modifier ou étendre les conditions contient au moins une disposition relative à la date d'entrée en vigueur de la décision.
Art. 93. Ieder besluit tot schorsing van een vergunning bevat minstens :
  1° een bepaling van de dag waarop de schorsing uitwerking heeft;
  2° een bepaling van de dag waarop de schorsing eindigt;
  3° een omstandige beschrijving van het motief of motieven om te schorsen uit artikel 90, § 1, 1° tot en met 5° ;
  4° een omschrijving van de maatregelen die ter bescherming van het marien milieu dienen te worden genomen in de schorsingsperiode, met vermelding van de persoon of personen die instaan voor uitvoering ervan.
Art. 93. Toute décision de suspension d'un permis contient au moins :
  1° la détermination de la date d'entrée en vigueur de la suspension ;
  2° la détermination de la date de fin de la suspension ;
  3° une description détaillée du ou des motifs de suspension de l'article 90, § 1, 1° à 5° ;
  4° une description des mesures à prendre pour protéger le milieu marin pendant la période de suspension, en indiquant la ou les personnes responsables de leur mise en oeuvre.
Art. 94. Ieder besluit tot opheffing van een vergunning bevat minstens :
  1° een bepaling van de dag waarop de opheffing uitwerking heeft;
  2° een vermelding dat de opheffing definitief is;
  3° een omstandige beschrijving van het motief of motieven om op te heffen uit artikel 90, § 1, 1° tot en met 5°.
Art. 94. Toute décision d'abrogation d'un permis contient au moins :
  1° la détermination du jour où l'abrogation prend effet ;
  2° l'indication que l'abrogation est définitive ;
  3° une description détaillée du ou des motifs d'abrogation de l'article 90, § 1, 1° à 5°.
Afdeling XI. - Verval
Section XI. - Expiration
Art. 95. § 1. Behoudens toepassing van de schorsing en verval uit artikel 84, § 4, tweede en derde zin en de schorsing van de termijn uit artikel 85, § 1, tweede zin en artikel 85, § 2, tweede zin vervalt een vergunning in de volgende gevallen:
  1° op de dag na het verstrijken van de termijn waarbinnen met de werken die nodig zijn voor het uitoefenen van de activiteit moet worden gestart, wanneer de werken niet gestart zijn binnen deze termijn;
  2° op de dag na het verstrijken van de termijn waarbinnen met de exploitatie van de activiteit moet gestart worden, wanneer er geen exploitatie is gestart binnen deze termijn;
  3° nadat met de exploitatie van de activiteit is gestart, op de dag na de dag waarop de activiteit gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd;
  4° wanneer een vergunning wordt overgenomen zonder het naleven van de overdrachtsprocedure zoals bepaald in artikel 99, § 1.
  § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad voor State.
Art. 95. § 1. Sous réserve de l'application de la suspension et l'expiration prévu à l'article 84, § 4, deuxième et troisième phrase, et la suspension du délai prévu à l'article 85, § 1 seconde phrase et à article 85, § 2 seconde phrase, un permis expire dans les cas suivants :
  1° le lendemain de l'expiration du délai dans lequel les travaux nécessaires à l'exercice de l'activité doivent commencer, si les travaux n'ont pas commencé dans ce délai ;
  2° le lendemain de l'expiration du délai dans lequel l'exploitation de l'activité doit commencer, si aucune exploitation n'a commencé dans ce délai ;
  3° après le début de l'exploitation de l'activité, le lendemain du jour où l'activité n'a pas été exploitée pendant deux années consécutives ;
  4° quand un permis a été transféré sans respect de la procédure de transfert prévue à l'article 99, § 1.
  § 2. Les délais, mentionnés au paragraphe 1, sont suspendus durant la période où un recours en annulation du permis est en cours devant le Conseil d'Etat.
Afdeling XII. - Ingrepen en wijzigingen van de vergunning
Section XII. - Interventions et modifications du permis
Art. 96. § 1. Ingrepen aan een vergunde activiteit zijn niet vergunningsplichtig.
  § 2. De vergunninghouder verzoekt de BMM digitaal om aan te geven of het gaat om een ingreep. Bij dit verzoek kan een nota worden gevoegd, waarin de vergunninghouder een beschrijving geeft van de ingreep en aangeeft waarom het gaat om een ingreep.
  § 3. De BMM geeft, op basis van dit verzoek en alle andere relevante informatie, binnen dertig dagen na het verzoek, een positief of negatief advies over het verzoek of de aangevraagde verandering een ingreep betreft. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal aan de vergunninghouder en de dienst Marien Milieu. Bij een negatief advies kan een wijziging van de vergunning worden aangevraagd.
  § 4. Indien het advies positief is of indien er geen advies door de BMM wordt uitgebracht binnen dertig dagen na het verzoek, kan de ingreep worden uitgevoerd. Elke ingreep van een vergunde activiteit wordt door de vergunninghouder bijgehouden in het jaarlijks uitvoeringsverslag.
Art. 96. § 1. Les interventions dans le cadre d'une activité octroyée ne sont pas soumises à permis.
  § 2. Le titulaire du permis demande par voie numérique à l'UGMM d'indiquer si il s'agit d'une intervention. Cette demande peut être accompagnée d'une note dans laquelle le titulaire du permis fournit une description de l'intervention et explique pourquoi il s'agit d'une intervention.
  § 3. Sur la base de cette demande et de toutes les autres informations pertinentes, l'UGMM donnera un avis positif ou négatif dans les trente jours suivant la demande sur la question de savoir si la transformation demandée concerne une intervention. L'UGMM envoie sa décision par voie numérique au titulaire du permis et au service Milieu marin. En cas d'avis négatif, une modification du permis peut être demandée.
  § 4. Si l'avis est positif ou s'il n'y a pas de décision de l'UGMM dans un délais de trente jours après la demande, l'intervention peut être réalisée. Chaque intervention d'une activité octroyée est consignée par le titulaire du permis dans le rapport annuel d'exécution.
Art. 97. § 1. Een wijziging van de vergunning wordt onderworpen aan een vereenvoudigde procedure.
  § 2. De vergunninghouder verzoekt de BMM digitaal om een advies over de vraag of het gaat om een wijziging van de vergunning. De BMM verstuurt binnen dertig dagen na de aanvraag een positief of negatief advies digitaal aan de aanvrager. Bij een positief advies kan een aanvraag tot wijziging van de vergunning worden ingediend overeenkomstig paragrafen 3 tot en met 5. Bij een negatief advies dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.
  § 3. De vergunninghouder betekent een aanvraag tot wijziging van de vergunning aan de BMM, waarbij een aanvullend milieueffectbeoordelingsrapport wordt bijgevoegd dat zich beperkt tot de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten en de impact op het marien milieu van de aangevraagde wijziging van de vergunning ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning en tot de waarschijnlijk aanzienlijke gecumuleerde effecten die voortvloeien uit de oorspronkelijke vergunning en de aangevraagde wijziging van de vergunning.
  § 4. De aanvraag tot wijziging van de vergunning wordt ingediend volgens dezelfde modaliteiten als voorzien in de artikelen 48 tot en met 55 en wordt behandeld volgens de procedure in de artikelen 56 tot en met 88.
  § 5. Een wijziging van de vergunning heeft slechts betrekking op de verandering van de voorwaarden of de verandering aan de vergunde activiteit en laat voor het overige de oorspronkelijke vergunning bestaan. Het onderzoek en de gemotiveerde conclusie van de BMM moeten beperkt blijven tot de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten en de impact op het marien milieu van de aangevraagde wijziging van de vergunning ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning en tot de waarschijnlijk aanzienlijke gecumuleerde effecten die voortvloeien uit de oorspronkelijke vergunning en de aangevraagde wijziging van de vergunning.
  § 6. Een wijziging van de vergunning geldt uiterlijk tot de datum waarop de geldingstermijn van de oorspronkelijke vergunning verstrijkt.
Art. 97. § 1. La modification du permis fait l'objet d'une procédure simplifiée.
  § 2. Le titulaire du permis demande à l'UGMM un avis sur la question s'il s'agit d'une modification du permis. L'UGMM envoie au demandeur par voie numérique un avis positif ou négatif dans les trente jours suivant la demande. En cas d'avis positif, une demande de modification du permis peut être soumise conformément aux paragraphes 3 à 5. En cas d'avis négatif, un nouveau permis doit être demandé.
  § 3. Le titulaire du permis notifie à l'UGMM une modification du permis dans laquelle un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement supplémentaire sera préparé, limité aux incidences notables probables sur l'environnement et à l'impact sur le milieu marin de la modification du permis demandée par rapport au permis initial et aux effets notables probables cumulés qui découlent du permis initial et de la modification du permis demandée.
  § 4. La demande de modification du permis est introduite selon les modalités prévues aux articles 48 à 55 et est traitée selon la procédure prévue aux articles 56 à 88.
  § 5. Une modification du permis ne concerne que la transformation des conditions ou la transformation de l'activité octroyée et ne change en rien l'existence du permis initial. L'examen et la conclusion motivée de l'UGMM doivent se limiter aux incidences notables probables sur l'environnement et à l'impact sur le milieu marin de la modification du permis demandée par rapport au permis initial et aux effets notables probables cumulés qui découlent du permis initial et de la modification du permis demandée.
  § 6. La modification du permis est valide au plus tard jusqu'à la date d'expiration du permis initial.
Art. 98. Wanneer een bestaande activiteit vergunningsplichtig wordt, onder meer ingevolge aanduiding door de Koning in uitvoering van artikel 16, § 2 van de wet, moet een vergunning worden aangevraagd binnen driehonderd dagen nadat de activiteit vergunningsplichtig werd. De activiteit mag zonder vergunning worden uitgevoerd tot de definitieve beslissing over de aanvraag is betekend.
Art. 98. Lorsqu'une activité existante devient soumise à permis, notamment en vertu d'une désignation par le Roi en application de l'article 16, § 2 de la loi, un permis doit être demandé dans les trois cent jours suivant la date à laquelle l'activité est devenue soumise à permis. L'activité peut être exercée sans permis jusqu'à ce que la décision finale sur la demande soit notifiée.
Afdeling XIII. - Overdracht
Section XIII. - Transfert
Art. 99. § 1. Een vergunning die is verleend overeenkomstig dit besluit kan slechts geheel of gedeeltelijk geldig worden overgedragen mits formele en uitdrukkelijke instemming van de minister. De vergunninghouder betekent de vraag tot overdracht aan de BMM. De vergunninghouder vermeldt in deze vraag de informatie vermeld in artikel 48, § 1 tot en met § 3 en in artikel 49, 1° tot en met 4° in hoofde van de kandidaat-overnemer. De BMM verstuurt de vraag tot overdracht digitaal aan de minister en de dienst Marien Milieu binnen tien dagen na ontvangst van de vraag tot overdracht. De minister betekent de beslissing over de overdracht aan de vergunninghouder en de kandidaat-overnemer binnen vijftien dagen na ontvangst van de vraag tot overdracht. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de instemming digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.
  § 2. In het geval van een vraag tot overdracht van een vergunning aan een winnende inschrijver in de zin van artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, kan de minister beslissen om de termijn waarbinnen de beslissing over de overdracht wordt genomen, te verkorten of te verlengen.
  § 3. De BMM schrijft binnen vijftien dagen na de betekening de identiteit van de nieuwe vergunninghouder in de vergunning met vermelding van de datum waarop de instemming is betekend.
  § 4. Bij instemming van de minister wordt de overnemer de vergunninghouder en is deze nieuwe vergunninghouder gehouden tot naleving van de vergunning en alle daaraan verbonden voorwaarden.
Art. 99. § 1. Un permis délivré conformément au présent arrêté ne peut être valablement transféré en tout ou en partie qu'avec l'accord formel et explicite du ministre. Le titulaire du permis notifie la demande de transfert auprès de l'UGMM. Le titulaire du permis inclut dans cette demande l'information mentionnée à l'article 48, § 1 à § 3 et à l'article 49, 1° à 4° pour le compte du candidat repreneur. L'UGMM envoie la demande de transfert par voie numérique au ministre et au service Milieu marin dans les dix jours suivant la réception de la demande de transfert. Le ministre notifie la décision concernant le transfert au titulaire du permis et au candidat-repreneur dans les quinze jours suivant la réception de la demande de transfert. Simultanément à la notification, le ministre envoie l'accord par voie numérique à l'UGMM et au service Milieu marin.
  § 2. En cas de transfert d'un permis à un soumissionnaire retenu au sens de l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, le ministre peut décider de raccourcir ou de prolonger le délai dans lequel la décision concernant le transfert est prise.
  § 2. L'UGMM enregistre dans le permis l'identité du nouveau titulaire du permis dans les quinze jours suivant la notification, en indiquant la date à laquelle l'accord a été notifié.
  § 3. Avec l'accord du ministre, le cessionnaire devient le titulaire du permis et ce nouveau titulaire est tenu de respecter le permis et toutes ses conditions.
HOOFDSTUK II. - Milieuvergunning voor de exploratie en exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond
CHAPITRE II. - Permis d'environnement pour l'exploration et l'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du fond marin et du sous-sol
Afdeling I. - Algemeen
Section I. - Général
Art. 100. Onder voorbehoud van de artikelen 101 tot en met 105 zijn de bepalingen van titel 5, hoofdstuk I van overeenkomstige toepassing voor de vergunning continentaal plat.
Art. 100. Sous réserve des articles 101 à 105, les dispositions du titre 5, chapitre 1, s'appliquent mutatis mutandis au permis plateau continental.
Afdeling II. - Ontvankelijkheid
Section II. - Recevabilité
Art. 101. § 1. In afwijking van artikel 57, § 4, betekent de minister, wanneer de aanvraag volledig en ontvankelijk is, een attest ter bevestiging van de volledigheid en ontvankelijkheid aan de aanvrager binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bedoeld in artikel 48, § 4. De minister verstuurt een kopie van het attest digitaal aan de BMM, de dienst Marien Milieu, de dienst Continentaal Plat en andere relevante overheidsdiensten.
  § 2. Titel 5, hoofdstuk I, afdeling III, onderafdeling II is niet van toepassing op de vergunning continentaal plat.
Art. 101. § 1. Par dérogation à l'article 57, § 4, le ministre notifie au demandeur, si la demande est complète et recevable, une attestation qui en atteste dans les quinze jours de la notification ou l'envoie par voie numérique prévue à l'article 48, § 4. le ministre envoi une copie de l'attestation par voie numérique à UGMM, au service Milieu marin, au service Plateau Continental et aux autres services public pertinents.
  § 2. Le Titre 5, chapitre I, section III, sous-section II ne s'applique pas au permis plateau continental.
Afdeling III. - Raadgevende Commissie Zand en Grind
Section III. - Commission Consultative Sable et Gravier
Art. 102. Ten behoeven van dit hoofdstuk moeten de woorden "Raadgevende Commissie" in de artikelen 64, 67 en 83 begrepen worden als "de Raadgevende Commissie Zand en Grind".
Art. 102. Aux fins du présent chapitre, les termes " Commission Consultative " dans les articles 64, 67 et 83 doivent être entendus comme " la Commission Consultative Sable et Gravier ".
Afdeling IV. - dienst Continentaal Plat
Section IV. - service Plateau Continental
Art. 103. § 1. De aanvraag wordt onder dezelfde modaliteiten als voorzien in artikel 48, § 4 verstuurd aan de dienst Continentaal Plat.
  § 2. De beslissing tot verlenging van de termijn voor de gemotiveerde conclusie wordt onder dezelfde modaliteiten als voorzien in artikel 74, § 1 verstuurd aan de dienst Continentaal Plat.
  § 3. De gemotiveerde conclusie met, in voorkomend geval, de passende beoordeling wordt onder dezelfde modaliteiten als voorzien in artikel 74, § 2 verstuurd aan de dienst Continentaal Plat.
  § 4. Onverminderd artikel 75, verstuurt de dienst Continentaal Plat zijn advies over de aanvraag digitaal aan de BMM binnen honderdvijftien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60. Ingeval de adviestermijn wordt verlengd na toepassing van artikel 74, § 1, verstuurt de dienst Continentaal Plat zijn advies over de aanvraag digitaal aan de BMM binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 60.
  § 5. Het advies van de dienst Continentaal Plat wordt onder dezelfde modaliteiten als voorzien in artikel 76 verstuurd aan de minister.
  § 6. De minister betekent het besluit waarvan sprake in artikel 78, § 2 en in artikel 91, § 4, eveneens aan de dienst Continentaal plat.
  § 7. De beslissing van de BMM over het verzoek of de aangevraagde verandering een ingreep betreft, wordt onder dezelfde modaliteiten als voorzien in artikel 96, § 3 verstuurd aan de dienst Continentaal Plat.
  § 8. De minister verstuurt de instemming waarvan sprake in artikel 99, § 1 eveneens digitaal aan de dienst Continentaal plat.
Art. 103. § 1. La demande est envoyée selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 48, § 4 au service Plateau Continental.
  § 2. La décision à la prolongation du délai pour la conclusion motivée est envoyée selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 74, § 1, au service Plateau Continental.
  § 3. La conclusion motivée avec, le cas échéant, l'évaluation appropriée, est envoyée selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 74, § 2, au service Plateau Continental.
  § 4. Sans préjudice de l'article 75, le service Plateau Continental envoie son avis sur la demande à l'UGMM par voie numérique dans les cent quinze jours à compter du début du délais, prévu à l'article 60. Si le délai d'avis a été prolongé conformément à l'article 74, § 1, le service Plateau Continental transmet son avis sur la demande à l'UGMM par voie numérique dans les cent nonante-cinq jours à compter du début du délai, prévu à l'article 60.
  § 5. L'avis du service Plateau Continental est envoyé selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 76 au ministre.
  § 6. Le ministre notifie la décision visée à l'article 78, § 2 et 91, § 4 également au service Plateau Continental.
  § 7. La décision de l'UGMM sur la question de savoir si la transformation demandée concerne une intervention est envoyée selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 96, § 3 au service Plateau Continental.
  § 8. Le ministre envoie l'accord visée à l'article 99, § 1 également au service Plateau Continental par voie numérique.
Afdeling V. - Continue monitoring
Section V. - La surveillance continue
Art. 104. § 1. Ten behoeve van dit hoofdstuk zijn de bepalingen die betrekking hebben op de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken, zoals artikel 55, 3°, b), artikel 71, § 3, 2°, artikel 80, 11°, artikel 82, artikel 86, artikel 87, artikel 88, artikel 89, § 2, 3°, artikel 90, § 1, 1° en artikel 91, § 2 niet van toepassing op de vergunning continentaal plat. De continue monitoring verloopt overeenkomstig artikel 3 van de wet continentaal plat en diens uitvoeringsbesluiten.
  § 2. Indien de resultaten van de continue monitoring aannemelijk maken dat er zich grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voordoen of kunnen voordoen, wordt de staat waar deze grensoverschrijdende aanzienlijke effecten zich voordoen of kunnen voordoen hierover ingelicht en kan worden overgegaan tot onderling overleg inzake de maatregelen om de grensoverschrijdende aanzienlijke effecten te beperken of teniet te doen.
  § 3. Onverminderd artikel 89, § 2, 1° en 2°, houdt de minister bij het nemen van het besluit over het wijzigen of het uitbreiden van de voorwaarden van een vergunning continentaal plat, in het bijzonder rekening met de resultaten van de continue monitoring.
  § 4. Onverminderd artikel 90, § 1, 2° tot en met 5°, kan de minister de vergunning continentaal plat geheel of gedeeltelijk schorsen of geheel of gedeeltelijk opheffen wanneer uit de continue monitoring blijkt dat de vergunde activiteiten onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de sedimentafzettingen of voor het marien milieu hebben.
  § 5. De BMM of de dienst Continentaal Plat kunnen een digitaal gemotiveerd verzoek tot het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning continentaal plat, de schorsing of de opheffing van de vergunning continentaal plat aan de minister richten indien ze vaststellen op grond van de continue monitoring dat de betrokken activiteiten onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de sedimentafzettingen of voor het marien milieu hebben. De BMM of de dienst Continentaal Plat informeert digitaal de Raadgevende Commissie Zand en Grind.
  Indien de BMM of de dienst Continentaal Plat vraagt om de voorwaarden te wijzigen of uit te breiden, kan de BMM of de dienst Continentaal Plat de minister digitaal verzoeken om de vergunning continentaal plat te schorsen in afwachting van een besluit tot het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden. De BMM of de dienst Continentaal Plat informeert digitaal de Raadgevende Commissie Zand en Grind.
  § 6. De minister betekent het ontwerpbesluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning continentaal plat, de schorsing of de opheffing van de vergunning continentaal plat aan de vergunninghouder.
  Binnen dertig dagen na de betekening kan de vergunninghouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen.
  § 7. Binnen zestig dagen na betekening zoals bedoeld in paragraaf 6, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting digitaal aan de dienst Marien Milieu en de Raadgevende Commissie Zand en Grind. De dienst Marien Milieu en de Raadgevende Commissie Zand en Grind versturen binnen vijfenzeventig dagen na betekening hun advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies, het advies van de dienst Marien Milieu en het advies van de Raadgevende Commissie Zand en Grind digitaal aan de minister.
  Binnen honderd dagen na betekening betekent de minister de beslissing aan de vergunninghouder. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM, de dienst Marien Milieu, de Raadgevende Commissie Zand en Grind en aan de dienst Continentaal Plat. Het besluit wordt bekendgemaakt volgens de modaliteiten als voorzien in artikel 83, § 1, § 2 en § 5.
Art. 104. § 1. Aux fins du présent chapitre, les dispositions relatives aux programmes de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement, telles que l'article 55, 3°, b), l'article 71, § 3, 2°, l'article 80, 11°, l'article 82, l'article 86, l'article 87, l'article 88, l'article 89, § 2, 3°, l'article 90, § 1, 1° et l'article 91, § 2 ne s'appliquent pas au permis plateau continental. La surveillance continue procède conformément à l'article 3 de la loi plateau continental et à ses arrêtés d'exécution.
  § 2. Si les résultats de la surveillance continue indiquent que des incidences transfrontalières notables se produisent ou risquent de se produire, l'état où ces incidences transfrontalières notables se produisent ou risquent de se produire en est informé et des concertations mutuelles peuvent avoir lieu sur les mesures à prendre pour réduire ou annuler les incidences transfrontalières notables.
  § 3. Sans préjudice de l'article 89, § 2, 1° et 2°, lorsqu'il prend la décision de modifier ou d'étendre les conditions du permis plateau continental, le ministre tient notamment compte des résultats de la surveillance continue.
  § 4. Sans préjudice de l'article 90, § 1, 2° jusqu'à 5° le ministre peut suspendre ou abroger tout ou partie du permis plateau continental lorsque la surveillance continue montre des effets néfastes inacceptables des activités octroyées sur les dépôts de sédiments ou sur le milieu marin.
  § 5. L'UGMM ou le service Plateau Continental peuvent demander au ministre, par voie numérique, de modifier ou d'étendre les conditions du permis plateau continental ou de suspendre ou d'abroger le permis plateau continental s'ils déterminent, sur la base de la surveillance continue, que les activités autorisées causent des effets néfastes inacceptables sur les dépôts de sédiments ou sur le milieu marin. L'UGMM ou le service Plateau Continental informe par voie numérique la Commission Consultative Sable et Gravier.
  Quand l'UGMM ou le service Plateau Continental demandent de modifier ou étendre les conditions, l'UGMM ou le service Plateau Continental peuvent demander par voie numérique de suspendre le permis plateau continental dans l'attente d'une décision de modifier ou étendre les conditions. L'UGMM ou le service Plateau Continental informe par voie numérique la Commission Consultative Sable et Gravier.
  § 6. Le ministre notifie le titulaire du permis du projet de la décision de modifier ou étendre les conditions du permis plateau continental, ou de suspendre ou abroger le permis plateau continental.
  Dans les trente jours suivant la notification, le titulaire du permis peut présenter ses observations et objections, ainsi que toute demande d'audition à l'UGMM.
  § 7. Dans les soixante jours suivant la notification prévu au paragraphe 6, alinéa 1er, l'UGMM envoie son avis, accompagné, le cas échéant, de l'évaluation des commentaires et des objections et, le cas échéant, du rapport de l'audition, par voie numérique au service Milieu marin et la Commission Consultative Sable et Gravier. Le service Milieu marin et la Commission Consultative Sable et Gravier envoient leur avis par voie numérique à l'UGMM dans les septante-cinq jours suivant la notification. Dans les quatre-vingt-cinq jours suivant la notification, l'UGMM transmet son avis, l'avis du service Milieu marin et l'avis de la Commission Consultative Sable et Gravier par voie numérique au ministre.
  Le ministre notifie la décision au titulaire du permis dans les cent jours suivant la notification. Simultanément avec la notification, le ministre envoie la décision par voie numérique à l'UGMM, au service Milieu marin, à la Commission Consultative Sable et Gravier et au service Plateau Continental. La décision est publiée conformément aux modalités prévues à l'article 83, § 1, § 2 et § 5.
Afdeling VI. - Duur vergunning continentaal plat
Section VI. - Durée permis plateau continental
Art. 105. In afwijking van artikel 84, § 1 is de duur van de vergunning continentaal plat gelijk aan de duur van de concessie verleend krachtens artikel 3, § 2 van de wet continentaal plat.
Art. 105. Par dérogation de l'article 84, § 1, la durée du permis plateau continental est adaptée à celle de la concession domaniale visée à l'article 3, § 2 de la loi plateau continental.
HOOFDSTUK III. - Acties voor natuurherstel of -beheer
CHAPITRE III. - Actions de restauration ou de gestion de la nature
Art. 106. Indien vergunningsplichtige acties voor natuurherstel of -beheer door of in opdracht van de dienst Marien Milieu worden opgestart, verzoekt de dienst Marien Milieu digitaal aan de BMM om een uitzondering te verkrijgen op de vergunningsplicht. Dit verzoek dient vergezeld te gaan van een nota, waarin de dienst Marien Milieu een beschrijving geeft van de actie en aangeeft waarom de actie natuurherstel of -beheer tot doel heeft.
Art. 106. Si des actions de restauration ou de gestion de la nature nécessitant un permis sont entreprises par ou au nom du service Milieu marin, le service Milieu marin demande par voie numérique à l'UGMM d'obtenir une dérogation à l'obligation de permis. Cette demande doit être accompagnée d'une note dans laquelle le service Milieu marin fournit une description de l'action et explique pourquoi l'action vise à restaurer ou à gérer la nature.
Art. 107. De BMM verleent, binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek zoals bepaald in artikel 106, een positief of negatief advies. De BMM verstuurt haar advies digitaal aan de dienst Marien Milieu.
Art. 107. L'UGMM rend un avis positif ou négatif dans un délai de quinze jours après réception de la demande prévue à l'article 106. L'UGMM envoie son avis par voie numérique au service Milieu marin.
Art. 108. Bij een positief advies kan de actie uitgevoerd worden door of in opdracht van de dienst Marien Milieu. Bij een negatief advies van de BMM dient een vergunning te worden aangevraagd door de dienst Marien Milieu.
Art. 108. Si l'avis est positif, l'action peut être menée par ou pour le compte du service Milieu marin. En cas d'avis négatif de l'UGMM, un permis doit être demandé par le service Milieu marin.
TITEL 6. - Verwerking persoonsgegevens
TITRE 6. - Traitement des données à caractère personnel
Art. 109. § 1. De BMM treedt op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor wat betreft de verwerking van de persoonsgegevens van de initiatiefnemer of de aanvrager voor het verlenen van een toelating, goedkeuring of vergunning of vergunning continentaal plat.
  § 2. De persoonsgegevens mogen enkel het voorwerp uitmaken van een verwerking in het kader van het behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-toelating, Natura 2000-goedkeuring of vergunning of vergunning continentaal plat.
  § 3. De BMM bewaart de persoonsgegevens niet langer dan voor de gerechtvaardigde doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van tien jaar
Art. 109. § 1. L'UGMM agit en tant que responsable du traitement au sens de l'article 4.7 du Règlement général sur la protection des données en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel de l'initiateur ou du demandeur aux fins de l'octroi d'une autorisation, d'une approbation ou d'un permis ou d'une permis plateau continental.
  § 2. Les données personnelles ne peuvent faire l'objet d'un traitement que dans le cadre du traitement de la demande d'autorisation Natura 2000, d'approbation Natura 2000 ou de permis ou d'une permis plateau continental.
  § 3. L'UGMM ne conserve pas les données à caractère personnel plus longtemps que nécessaire aux fins légitimes du traitement, avec un délai maximal de conservation de dix ans.
TITEL 7. - Fonds Leefmilieu
TITRE 7. - Fonds Environnement
Art. 110. Het Fonds Leefmilieu wordt beheerd door de dienst Marien Milieu. De uitgaven die op basis van dit fonds worden gedaan zijn alle kosten die verband houden met de bescherming en bevordering van het marien milieu in de zeegebieden, met inbegrip van paraatheid voor olie-incidenten. De uitgaven worden beslist door de dienst Marien Milieu in samenspraak met de minister.
Art. 110. Le Fonds Environnement est géré par le service Milieu marin. Les dépenses engagées dans le cadre de ce fonds sont toutes les dépenses liées à la protection et à la promotion du milieu marin dans les espaces marins, y compris la préparation aux incidents pétroliers. Les dépenses sont décidées par le service Milieu marin en concertation avec le ministre.
TITEL 8. - Opheffingsbepalingen
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires
Art. 111. Worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 juli 2018 en 22 juli 2019;
  2.° het koninklijk besluit van 9 september 2003 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 juli 2018 en 22 juli 2019;
  3.° het koninklijk besluit van 27 oktober 2016 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 oktober 2018;
  4° het koninklijk besluit van 21 oktober 2018 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat.
Art. 111. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 7 septembre 2003 établissant la procédure d'octroi des permis et autorisations requis pour certaines activités exercées dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique, modifié par les arrêtés royaux du 5 juillet 2018 et du 22 juillet 2019 ;
  2° l'arrêté royal du 9 septembre 2003 fixant les règles relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique, modifié par les arrêtés royaux du 5 juillet 2018 et du 22 juillet 2019 ;
  3° l'arrêté royal du 27 octobre 2016 relatif à la procédure de désignation et de gestion des zones marines protégées, modifié par l'arrêté royal du 21 octobre 2018 ;
  4° l'arrêté royal du 21 octobre 2018 fixant les règles relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement en application de la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental.
TITEL 9. - Overgangsbepalingen
TITEL 9. - Dispositions transitoires
Art. 112. § 1. Elke procedure tot het verlenen van een Natura 2000-toelating, Natura 2000-goedkeuring of vergunning, die is ingediend voor de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt verder behandeld overeenkomstig de regels die op het moment van deze indiening van toepassing waren.
  § 2. Elke procedure tot wijziging, schorsing of opheffing van een Natura 2000-toelating, Natura 2000-goedkeuring of vergunning waarvan de minister een ontwerpbesluit tot wijziging, schorsing of opheffing heeft genomen voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt verder behandeld overeenkomstig de regels die op het moment van het nemen van dit ontwerpbesluit van toepassing waren.
  § 3. Elke procedure tot verlenging, overdracht of wijziging van een vergunning, waarvan de aanvraag tot verlenging, overdracht of wijziging is ingediend voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt verder behandeld overeenkomstig de regels die op het moment van deze indiening van toepassing waren.
Art. 112. {/chap} § 1. Toute procédure d'octroi d'une autorisation Natura 2000, d'approbation Natura 2000 ou de permis, introduite avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, continuera d'être traitée conformément aux règles qui étaient applicables le moment de cette introduction.
  § 2. Toute procédure de modification, suspension ou abrogation d'une autorisation Natura 2000, d'approbation Natura 2000 ou de permis, pour lequel le ministre a pris un projet de décision de modification, suspension ou abrogation avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, continuera d'être traitée conformément aux règles qui étaient applicables au moment où le projet de décision a été pris.
  § 3. Toute procédure de prolongation, transfert ou modification d'un permis, pour lequel la demande de prolongation, transfert ou modification a été introduite avant le dixième jour après la publication au moniteur Belge du présent arrêté, continuera d'être traitée conformément aux règles qui étaient applicables le moment de cette introduction.
Art. 113. § 1. Elke procedure tot het wijzigen, schorsen of opheffen van een, voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatblad van dit besluit, afgeleverde Natura 2000-toelating of Natura 2000-goedkeuring, waarvan de minister een ontwerpbesluit tot het wijzigen, schorsen of opheffen heeft genomen na de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt behandeld overeenkomstig de regels van dit besluit.
  § 2. Elke procedure tot het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden, het schorsen of opheffen van een, voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatblad van dit besluit, afgeleverde vergunning, waarvan de minister een ontwerpbesluit tot het wijzingen of uitbreiden van de voorwaarden, het schorsen of opheffen heeft genomen na de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, wordt behandeld overeenkomstig de regels van dit besluit.
  § 3. Elke procedure tot wijziging van een, voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatblad van dit besluit, afgeleverde Natura 2000-toelating of Natura 2000-goedkeuring waarvan de aanvraag tot wijziging is ingediend na de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt behandeld overeenkomstig de regels van dit besluit.
  § 4. Elke procedure tot verlenging, overdracht of wijziging van de vergunning van een, voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, afgeleverde vergunning waarvan de aanvraag tot verlenging, overdracht of wijziging van de vergunning is ingediend na de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, wordt behandeld overeenkomstig de regels van dit besluit.
Art. 113. § 1. Toute procédure à modifier, suspendre ou abroger une autorisation Natura 2000 ou approbation Natura 2000 délivrée avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, pour lequel le ministre a pris un projet de décision à modifier, suspendre ou abroger après le dixième jour après la publication au moniteur Belge du présent arrêté, sera traitée conformément aux règles du présent arrêté.
  § 2. Toute procédure à modifier ou étendre les conditions, suspendre ou abroger un permis délivré avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, pour lequel le ministre a pris un projet de décision à modifier ou étendre les conditions, suspendre ou abroger après le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, sera traitée conformément aux règles du présent arrêté.
  § 3. Toute procédure de modification d'une autorisation Natura 2000 ou d'approbation Natura 2000 délivrée avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, pour laquelle la demande de modification a été introduite après le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, sera traitée conformément aux règles du présent arrêté.
  § 4. Toute procédure de prolongation, transfert ou modification du permis d'un permis délivré avant le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, pour laquelle la demande de prolongation, transfert ou modification du permis a été introduite après le dixième jour après la publication au Moniteur belge du présent arrêté, sera traitée conformément aux règles du présent arrêté.
TITEL 10. - Inwerkingtredingsbepalingen
TITRE 10. - Dispositions d'entrée en vigueur
Art. 114. Dit besluit treedt in werking op de tiende dag na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van titel 5, hoofdstuk II en artikel 111, 4° die in werking treden op een door Ons vast te stellen datum en uiterlijk op 31 december 2024.
Art. 114. Cet arrêté entre en vigueur le dixième jour après sa publication au Moniteur Belge, à l'exception du titre 5, chapitre II et de l'article 111, 4° qui entrent en vigueur à une date qui sera fixée par Nous et au plus tard le 31 décembre 2024.
Art. 115. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor het Marien Milieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 115. Le ministre qui a l'économie dans ses attributions et le ministre qui a le milieu marin dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.