Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de directeur en de adjunct-directeur van de Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen
Titre
26 AVRIL 2024. - Arrêté royal fixant le statut du directeur et du directeur adjoint de la Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics
Documentinformatie
Numac: 2024004405
Datum: 2024-04-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024004405
Date: 2024-04-26
Moniteur: Voir
Tekst (25)
Texte (25)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Definities
Section 1re. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, dient te worden verstaan onder:
  1° de wet: de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen;
  2° de wet van 11 december 1998: de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
  3° de DIOB: de Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet;
  4° de ministers: de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie;
  5° de directeur: de directeur van de DIOB, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, van de wet;
  6° de adjunct-directeur: de adjunct-directeur van de DIOB, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, van de wet.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° la loi : la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics ;
  2° la loi du 11 décembre 1998 : la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité ;
  3° la DEIPP : la Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, telle que visée à l'article 2, 2°, de la loi ;
  4° les ministres : le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et le ministre qui a la Justice dans ses attributions ;
  5° le directeur : le directeur de la DEIPP, tel que visé à l'article 5, § 1er, 1°, de la loi ;
  6° le directeur adjoint : le directeur adjoint de la DEIPP, tel que visé à l'article 5, § 1er, 1°, de la loi.
Afdeling 2. - Modaliteiten van samenstelling en van organisatie van de DIOB
Section 2. - Modalités de composition et d'organisation de la DEIPP
Art. 2. Onverminderd de wettelijke bepalingen in verband met de DIOB, bestaat de DIOB naast het door de FOD Binnenlandse Zaken ter beschikking gesteld personeel en de personeelsleden die worden gedetacheerd door de diensten bedoeld in artikel 21, § 1, eerste lid, van de wet, uit een directeur en een adjunct-directeur die de dagelijkse leiding en het beheer van de DIOB waarnemen.
Art. 2. Sans préjudice des dispositions légales relatives à la DEIPP, celle-ci se compose, outre de personnel mis à disposition par le SPF Intérieur et de membres du personnel qui sont détachés par les services visés à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, de la loi, d'un directeur et d'un directeur adjoint qui sont chargés de la gestion et l'administration quotidiennes de la DEIPP.
Art. 3. Bij afwezigheid of bij verhindering van de directeur oefent de adjunct-directeur diens opdrachten uit.
Art. 3. En cas d'absence ou d'empêchement du directeur, le directeur adjoint exerce ses missions.
HOOFDSTUK II. - De directeur en de adjunct-directeur
CHAPITRE II. - Le directeur et le directeur adjoint
Art. 4. De directeur en de adjunct-directeur worden aangesteld door de Koning, op voorstel van de ministers, na advies van de directeur-generaal van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken.
Art. 4. Le directeur et le directeur adjoint sont désignés par le Roi sur proposition des ministres, après avis du directeur général de la Direction générale Sécurité et Prévention du SPF Intérieur.
Art. 5. De functies van directeur en adjunct-directeur worden uitgeoefend in het kader van een mandaat.
Art. 5. Les fonctions de directeur et de directeur adjoint sont exercées dans le cadre d'un mandat.
Art. 6. Behoudens afwijkende bepalingen in dit besluit, is, tijdens de duur van hun mandaat, het statuut van het Rijkspersoneel van toepassing op de directeur en adjunct-directeur.
Art. 6. Pendant la durée de leur mandat, le statut des agents de l'Etat est applicable aux directeur et directeur adjoint, à l'exception des dispositions dérogatoires du présent arrêté.
Art. 7. Naast de voorwaarden vermeld in artikel 5, § 4, van de wet, moeten de kandidaten voor de functies van directeur en adjunct-directeur aan volgende voorwaarden van indiensttreding voldoen:
  1° een voor de opdrachten van de DIOB bijzonder nuttige ervaring hebben van ten minste vijf jaar;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde functie;
  3° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;
  4° houder zijn van een diploma vereist voor een functie van niveau A;
  5° batig gerangschikt zijn na de voorgeschreven vergelijkende selectie.
Art. 7. Outre les conditions énoncées à l'article 5, § 4, de la loi, les candidats aux fonctions de directeur et de directeur adjoint doivent répondre aux conditions suivantes d'entrée en service :
  1° disposer, au regard des missions de la DEIPP, d'une expérience particulièrement utile de minimum cinq ans ;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction visée ;
  3° avoir satisfait aux lois sur la milice ;
  4° être porteur d'un diplôme requis pour une fonction de niveau A ;
  5° être favorablement classé à l'issue de la sélection comparative prévue.
Art. 8. De in artikel 7, 5°, bedoelde vergelijkende selectie wordt georganiseerd door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD Beleid en Ondersteuning.
Art. 8. La sélection comparative visée à l'article 7, 5°, est organisée par le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du SPF Stratégie et Appui.
Art. 9. § 1.. De bezoldiging van de directeur en de adjunct-directeur wordt vastgesteld in een van de weddenschalen die toegekend worden aan de Rijksambtenaren.
  De weddenschaal van de directeur is verbonden aan de klasse A4, die van de adjunct-directeur aan de klasse A3, overeenkomstig de bepalingen betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van de federale overheidsdiensten.
  § 2. De bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2023 betreffende de toekenning van maaltijdcheques aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zijn van toepassing op de directeur en de adjunct-directeur.
Art. 9. § 1. La rémunération du directeur et du directeur adjoint est fixée dans une des échelles de traitement qui sont accordées aux agents de l'Etat.
  L'échelle de traitement du directeur est rattachée à la classe A4 et celle du directeur adjoint à la classe A3, conformément aux dispositions relatives à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  § 2. Les dispositions de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale et de l'arrêté royal du 26 octobre 2023 relatif à l'octroi de chèques-repas aux membres du personnel de la fonction publique fédérale administrative sont applicables au directeur et au directeur adjoint.
Art. 10. De directeur en de adjunct-directeur die, op het ogenblik van hun indienstneming, vast benoemd zijn in een overheidsdienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, worden in ambtshalve verlof voor opdracht van algemeen belang geplaatst voor de duur van hun mandaat.
Art. 10. Le directeur et le directeur adjoint qui, au moment de leur entrée en service, sont nommés à titre définitif dans un service public visé à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, sont mis en congé d'office pour mission d'intérêt général pour la durée de leur mandat.
Art. 11. De directeur en de adjunct-directeur oefenen hun functie voltijds uit.
  Tijdens hun mandaat kunnen zij:
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor Europese verkiezingen, voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincie- of gemeenteraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding, cel algemene beleidscoördinatie, cel Algemeen Beleid of het kabinet van een minister of een staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  4° geen verlof krijgen voor onthaal en opleiding;
  5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
  6° geen verlof krijgen om mindervaliden en zieken te vergezellen en bij te staan;
  7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  8° geen toelating verkrijgen om hun functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;
  9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
  10° geen verloven verkrijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten.
Art. 11. Le directeur et le directeur adjoint exercent leurs fonctions à temps plein.
  Pendant leur mandat, ils ne peuvent pas obtenir :
  1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle, sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave ;
  2° un congé pour poser sa candidature aux élections européennes, aux élections des chambres législatives fédérales, des conseils des régions et des communautés ou des conseils provinciaux ou communaux ou pour exercer une fonction dans une cellule stratégique, une cellule de coordination de politique générale, une cellule de politique générale ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet d'un président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune, du Collège de la Commission communautaire flamande ou du Collège de la Commission communautaire française ;
  3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public ;
  4° un congé pour accueil et formation ;
  5° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps ;
  6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades ;
  7° un congé pour mission d'intérêt général ;
  8° l'autorisation d'exercer leurs fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans ;
  9° une absence de longue durée pour raisons personnelles ;
  10° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
Art. 12. De directeur en adjunct-directeur worden aangesteld voor een periode van vijf jaar, eenmaal verlengbaar.
Art. 12. Le directeur et le directeur adjoint sont désignés pour une période de cinq ans, renouvelable une fois.
Art. 13. § 1. Het mandaat eindigt van rechtswege en zonder dat het aan de directeur of aan de adjunct-directeur moet worden betekend:
  1° op het einde van de periode van vijf jaar, behoudens verlenging;
  2° wanneer de directeur of de adjunct-directeur de wettelijke pensioenleeftijd bereikt;
  3° als de directeur of de adjunct-directeur in een andere managementfunctie wordt aangesteld, vanaf de eerste dag dat hij de nieuwe functie effectief uitoefent;
  4° als de directeur of de adjunct-directeur effectief één van de in artikel 11 bedoelde verloven geniet;
  5° als aan de directeur of de adjunct-directeur de vernieuwing van diens veiligheidsmachtiging wordt geweigerd of diens veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken.
  § 2. De ministers kunnen het mandaat van de directeur of de adjunct-directeur verlengen als de procedure om hen te vervangen werd ingezet, op een regelmatige wijze vervolgd wordt, maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling.
  De verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar.
  § 3. Bij een definitief vacant verklaarde betrekking, kunnen de ministers voorzien in de tijdelijke vervanging van de directeur of de adjunct-directeur, door een personeelslid van de DIOB van minstens niveau A1 ermee te belasten het mandaat uit te oefenen, indien de vervangingsprocedure werd ingezet, op een regelmatige wijze vervolgd wordt, maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling.
  Tot de vervanging kan alleen worden besloten door de ministers op voorstel van de directeur-generaal van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken.
Art. 13. § 1. Le mandat prend fin de plein droit et sans qu'il soit nécessaire de le notifier au directeur ou au directeur adjoint :
  1° au terme de la période de cinq ans, sauf renouvellement ;
  2° lorsque le directeur ou le directeur adjoint atteint l'âge légal du départ à la retraite ;
  3° lorsque le directeur ou le directeur adjoint est désigné dans une autre fonction de management, dès le premier jour où il exerce effectivement cette nouvelle fonction ;
  4° lorsque le directeur ou le directeur adjoint bénéficie de fait d'un des congés visés à l'article 11 ;
  5° lorsque le directeur ou le directeur adjoint se voit refuser le renouvellement de son habilitation de sécurité ou retirer son habilitation de sécurité.
  § 2. Les ministres peuvent prolonger le mandat du directeur ou du directeur adjoint si la procédure pour pourvoir à son remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation.
  La prolongation est limitée à six mois et est renouvelable.
  § 3. Les ministres peuvent pourvoir au remplacement temporaire du directeur ou du directeur adjoint, quand le poste est déclaré définitivement vacant, en chargeant un membre du personnel de la DEIPP au minimum de niveau A1 d'exercer le mandat, si la procédure pour pourvoir à ce remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation.
  Le remplacement ne peut être décidé par les ministres que sur proposition du directeur général de la Direction générale Sécurité et Prévention du SPF Intérieur.
Art. 14. Wanneer de evaluatie bedoeld in artikel 17 leidt tot een vermelding "onvoldoende", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
Art. 14. Si l'évaluation visée à l'article 17 conduit à une mention " insuffisant ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention.
Art. 15. Indien de directeur of de adjunct-directeur vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is een opzegging van zes maand vereist. Indien de ministers akkoord gaan, kan deze termijn worden ingekort.
Art. 15. Si le directeur ou le directeur adjoint demande qu'il soit mis fin à son mandat, un préavis de six mois est requis. Ce délai peut être réduit moyennant l'accord des ministres.
Art. 16. Onverminderd artikel 12, verlenen de ministers de directeur of adjunct-directeur, van wie het mandaat verstrijkt en die zijn kandidatuur stelt, hem een nieuw mandaat, mits hij een gunstige evaluatie kreeg op het einde van zijn vorige mandaat.
  Hij wordt in dit geval geacht voldaan te hebben aan de selectie bedoeld in artikel 8, zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd.
Art. 16. Sans préjudice de l'article 12, si le directeur ou le directeur adjoint dont le mandat a pris fin pose sa candidature, les ministres lui donnent un nouveau mandat pour autant qu'il ait fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue de son mandat précédent.
  Il est réputé, en ce cas, avoir satisfait à la sélection visée à l'article 8, sans qu'une nouvelle procédure de sélection ne doive être organisée.
Art. 17. De directeur en adjunct-directeur worden geëvalueerd door de ministers, overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op het federaal openbaar ambt, inzonderheid wat betreft de procedure, de te bereiken prestatiedoelstellingen en de te ontwikkelen competenties nuttig voor de functie.
Art. 17. Le directeur et le directeur adjoint sont évalués par les ministres, conformément aux dispositions réglementaires applicables à la fonction publique fédérale, notamment en ce qui concerne la procédure, les objectifs de performance à atteindre et les compétences à développer utiles pour le poste.
HOOFDSTUK III. - - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires et finales
Art. 18. In afwachting van de indiensttreding van de directeur en de adjunct-directeur, worden de aan hen toegekende taken uitgeoefend door de directeur-generaal van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken.
Art. 18. Dans l'attente de l'entrée en fonction du directeur et du directeur adjoint, les tâches qui leur sont attribuées sont exercées par le directeur général de la Direction Générale Sécurité et de la Prévention du SPF Intérieur.
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 19. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 20. De minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort en de minister tot wiens bevoegdheid Justitie behoort zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. Le Ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et le Ministre ayant la Justice dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.