Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 APRIL 2024. - Koninklijk besluit van 19 april 2024 houdende het administratief en financieel statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière
Titre
19 AVRIL 2024. - Arrêté royal portant le statut administratif et financier des agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire
Documentinformatie
Numac: 2024004247
Datum: 2024-04-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024004247
Date: 2024-04-19
Moniteur: Voir
Inhoud
Deel 1. Personeel toepassingsgebied Deel 2. Definities en algemene bepalingen Deel 3. Administratief statuut Boek 1. Buitenlandse carrière TITEL 1. - Algemene bepaling TITEL 2. - Werving HOOFDSTUK 1. - Toelaatbaarheidsvereisten voor d... HOOFDSTUK 2. - Vergelijkende selectie TITEL 3. - Stage HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Organisatie van de stage HOOFDSTUK 3. - Duur van de stage HOOFDSTUK 4. - Eerste deel van de stage HOOFDSTUK 5. - Tweede deel van de stage HOOFDSTUK 6. - Definitieve beëindiging van de s... TITEL 4. - Benoeming en indiensttreding HOOFDSTUK 1. - Benoeming HOOFDSTUK 2. - Indiensttreding TITEL 5. - Hiërarchie, evaluatie, anciënniteit ... HOOFDSTUK 1. - Hiërarchie HOOFDSTUK 2. - Evaluatie HOOFDSTUK 3. - Anciënniteit HOOFDSTUK 4. - Bevordering tot de hogere klasse Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - Vereisten voor bevordering tot de... Afdeling 3. - Bevorderingsprocedure tot de hoge... Afdeling 4. - Mededeling van de beslissingen to... TITEL 6. - Administratieve standen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Dienstactiviteit HOOFDSTUK 3. - Non-activiteit HOOFDSTUK 4. - Disponibiliteit TITEL 7. - Arbeidsduur TITEL 8. - Verlof- en afwezighedenregeling HOOFDSTUK 1. - Jaarlijks vakantieverlof Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling Afdeling 2. - Jaarlijks vakantieverlof op het h... Afdeling 3. - Jaarlijks vakantieverlof op post HOOFDSTUK 2. - Andere verloven en afwezigheden Afdeling 1. - Andere verloven en afwezigheden o... Afdeling 2. - Andere verloven en afwezigheden o... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Omstandigheidsverlof Onderafdeling 3. - Uitzonderlijk verlof Onderafdeling 4. - Moederschapsbescherming Onderafdeling 5. - Omgezet moederschapsverlof Onderafdeling 6. - Borstvoedingspauze Onderafdeling 7. - Ouderschapsverlof Onderafdeling 8. - Adoptieverlof, opvangverlof,... Onderafdeling 9. - Verlof om dwingende redenen ... Onderafdeling 10. - Verlof wegens ziekte Onderafdeling 11. - Disponibiliteit wegens ziekte Onderafdeling 12. - Gemeenschappelijke bepaling... Onderafdeling 13. - Controle op de afwezigheden... Onderafdeling 14. - Dienstvrijstelling voor opl... Onderafdeling 15. - Dienstvrijstelling voor rei... Onderafdeling 16. - Dienstvrijstelling met het ... Onderafdeling 17. - Dienstvrijstelling voor het... Onderafdeling 18. - Terugroeping in dienst Onderafdeling 19. Feestdagen op post, op Belgoe... TITEL 9. - Overgang naar de carrière van de Rij... TITEL 10. - Definitieve ambtsneerlegging TITEL 11. - Ordemaatregelen HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepaling HOOFDSTUK 2. - Preventieve schorsing HOOFDSTUK 3. - Terugroeping naar het hoofdbestuur TITEL 12. - Tuchtregeling HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepaling HOOFDSTUK 2. - Tuchtfeiten HOOFDSTUK 3. - Tuchtstraffen HOOFDSTUK 4. - Tuchtoverheid HOOFDSTUK 5. - Tuchtprocedure en beroep Afdeling 1. - Het formuleren van het voorlopig ... Afdeling 2. - Het formuleren van het definitief... Afdeling 3. - Beslissing van de bevoegde overheid Afdeling 4. - Samenloop van tuchtfeiten HOOFDSTUK 6. - Verjaring van de tuchtvordering HOOFDSTUK 7. - Uitwissing van de tuchtstraf Boek 2. - Consulaire carrière TITEL 1. - Algemene bepalingen TITEL 2. - Hiërarchie, anciënniteit en bevorder... HOOFDSTUK 1. - Hiërarchie HOOFDSTUK 2. - Anciënniteit HOOFDSTUK 3. - Bevordering door overgang naar h... Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - Procedure voor de bevordering doo... Deel 4. Financieel statuut Boek 1. Algemene bepaling Boek 2. - Weddeschalen Boek 3. - Bevordering in weddeschaal Boek 4. - Forfaitaire vergoedingen TITEL 1. - Algemene bepalingen TITEL 2. - Transfervergoeding TITEL 3. - Postvergoeding en voorschot op de po... HOOFDSTUK 1. - Postvergoeding HOOFDSTUK 2. - Voorschot op de postvergoeding TITEL 4. - Waarnemingsvergoeding TITEL 5. - Terugkeervergoeding TITEL 6. - Vergoeding voor de uitgeoefende func... TITEL 7. - Vergoeding voor verblijfskosten Boek 5. - Tussenkomsten in de kosten eigen aan ... TITEL 1. - Algemene bepalingen TITEL 2. - Tussenkomst in de kosten van het hui... TITEL 3. - Tussenkomst voor de wagen van het po... TITEL 4. - Voorschot voor de wagen van het post... TITEL 5. - Terbeschikkingstelling van een diens... TITEL 6. - Tussenkomst in de kosten van het tra... TITEL 7. - Terbeschikkingstelling van een resid... HOOFDSTUK 1. - Terbeschikkingstelling van een r... HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van de ... HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van het... Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - Tussenkomst in de kosten van het ... Afdeling 3. - Tussenkomst in de kosten van het ... Afdeling 4. - Voorschot voor de huurwaarborg va... TITEL 8. - Tussenkomst in de kosten van de inri... TITEL 9. - Tussenkomst in de kosten gekoppeld a... HOOFDSTUK 1. - Tussenkomst in de kosten van de ... HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de schoolkosten HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten verbond... HOOFDSTUK 4. - Voorschot voor schoolkosten en k... TITEL 10. - Tussenkomst in de veiligheidskosten HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van de ... HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van de ... TITEL 11. - Tussenkomst in de medische kosten TITEL 12. - Tussenkomst in de verblijfskosten TITEL 13. - Tussenkomst in de reiskosten HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de reiskosten ver... HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van de ... HOOFDSTUK 4. - Tussenkomst in de kosten van de ... HOOFDSTUK 5. - Tussenkomst in de reiskosten in ... HOOFDSTUK 6. - Tussenkomst in de reiskosten ten... HOOFDSTUK 7. - Tussenkomst in de reiskosten in ... TITEL 14. - Verhuis HOOFDSTUK 1. - Verhuis verbonden aan een wijzig... HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van een... TITEL 15. - Tussenkomst in de kosten van repatr... TITEL 16. - Tussenkomst in de kosten verbonden ... Boek 6. - Bijzondere geldelijke regimes TITEL 1. - Geldelijk regime tijdens dienstreize... TITEL 2. - Geldelijk regime in geval van dispon... TITEL 3. - Geldelijk regime tijdens de verschil... HOOFDSTUK 1. - Jaarlijks vakantieverlof HOOFDSTUK 2. - Omstandigheidsverlof HOOFDSTUK 3. - Uitzonderlijk verlof HOOFDSTUK 4. - Moederschaps- en omgezet moeders... HOOFDSTUK 5. - Ouderschapsverlof HOOFDSTUK 6. - Adoptieverlof, opvangverlof, ple... HOOFDSTUK 7. - Verlof om dwingende redenen van ... HOOFDSTUK 8. - Verlof wegens ziekte HOOFDSTUK 9. - Disponibiliteit wegens ziekte HOOFDSTUK 10. - Deelname aan een georganiseerde... HOOFDSTUK 11. - Feestdagen op post, op Belgoeur... TITEL 4. - Geldelijk regime bij verloven en and... TITEL 5. - Geldelijk regime ij buitengewone oms... TITEL 6. - Geldelijk regime bij aanstelling op ... TITEL 7. - Geldelijk regime bij het overlijden ... Deel 5. Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Boek 1. Opheffingsbepalingen Boek 2. Overgangsbepalingen Boek 3. Slotbepalingen BIJLAGEN.
Inhoud
Partie 1re. Champ d'application personnel Partie 2. Définitions et dispositions générales Partie 3. Statut administratif Livre 1er. Carrière extérieure TITRE 1er. - Disposition générale TITRE 2. - Recrutement CHAPITRE 1er. - Conditions d'admissibilité à la... CHAPITRE 2. - Sélection comparative TITRE 3. - Stage CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Organisation du stage CHAPITRE 3. - Durée du stage CHAPITRE 4. - Première partie du stage CHAPITRE 5. - Seconde partie du stage CHAPITRE 6. - Cessation définitive du stage TITRE 4. - Nomination et entrée en fonction CHAPITRE 1er. - Nomination CHAPITRE 2. - Entrée en fonction TITRE 5. - Hiérarchie, évaluation, ancienneté e... CHAPITRE 1er. Hiérarchie CHAPITRE 2. - Evaluation CHAPITRE 3. - Ancienneté CHAPITRE 4. - Promotion à la classe supérieure Section 1re. - Disposition générale Section 2. - Conditions de promotion à la class... Section 3. - Procédure de promotion à la classe... Section 4. - Communication des décisions de pro... TITRE 6. - Positions administratives CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Activité de service CHAPITRE 3. - Non-activité CHAPITRE 4. - Disponibilité TITRE 7. - Durée de travail TITRE 8. - Régime de congé et d'absences CHAPITRE 1er. - Congé annuel de vacances Section 1re. - Disposition commune Section 2. - Congé annuel de vacances à l'admin... Section 3. - Congé annuel de vacances en poste CHAPITRE 2. - Autres congés et absences Section 1re. - Autres congés et absences à l'ad... Section 2. - Autres congés et absences en poste... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Congés de circonstances Sous-section 3. - Congé exceptionnel Sous-section 4. - Protection de la maternité Sous-section 5. - Congé de maternité converti Sous-section 6. - Pause d'allaitement Sous-section 7. - Congé parental Sous-section 8. - Congé d'adoption, congé d'acc... Sous-section 9. - Congé pour motifs impérieux d... Sous-section 10. - Congé de maladie Sous-section 11. - Disponibilité pour maladie Sous-section 12. - Dispositions communes pour l... Sous-section 13. - Contrôle des absences à Belg... Sous-section 14. - Dispense de service pour act... Sous-section 15. - Dispense de service pour jou... Sous-section 16. - Dispense de service en vue d... Sous-section 17. - Dispense de service pour pri... Sous-section 18. - Rappel en service Sous-section 19. Jours fériés en poste, à Belgo... TITRE 9. - Passerelle vers la carrière des agen... TITRE 10. - Cessation définitive de la fonction TITRE 11. - Mesures d'ordre CHAPITRE 1er. - Disposition commune CHAPITRE 2. - Suspension préventive CHAPITRE 3. - Rappel à l'administration centrale TITRE 12. - Régime disciplinaire CHAPITRE 1er. - Disposition commune CHAPITRE 2. - Faits disciplinaires CHAPITRE 3. - Peines disciplinaires CHAPITRE 4. - Autorité disciplinaire CHAPITRE 5. - Procédure disciplinaire et appel Section 1re. - Formulation de la proposition pr... Section 2. - Formulation de la proposition défi... Section 3. - Décision de l'autorité compétente Section 4. - Jonction de faits disciplinaires CHAPITRE 6. - Prescription de l'action discipli... CHAPITRE 7. - Effacement de la peine disciplinaire Livre 2. - Carrière consulaire TITRE 1er. - Dispositions générales TITRE 2. - Hiérarchie, ancienneté et promotion ... CHAPITRE 1er. - Hiérarchie CHAPITRE 2. - Ancienneté CHAPITRE 3. - Promotion par accession au niveau... Section 1re. - Disposition générale Section 2. - Procédure de promotion par accessi... Partie 4. Statut financier Livre 1er. Disposition générale Livre 2. - Echelles de traitement Livre 3. - Promotion barémique Livre 4. - Indemnités forfaitaires TITRE 1er. - Dispositions générales TITRE 2. - Indemnité de transfert TITRE 3. - Indemnité de poste et avance sur l'i... CHAPITRE 1er. - Indemnité de poste CHAPITRE 2. - Avance sur l'indemnité de poste TITRE 4. - Indemnité de gérance TITRE 5. - Indemnité de retour TITRE 6. - Indemnité pour la fonction exercée e... TITRE 7. - Indemnité pour frais de séjour Livre 5. - Interventions dans les frais propres... TITRE 1er. - Dispositions générales TITRE 2. - Intervention dans les frais de perso... TITRE 3. - Intervention pour la voiture du chef... TITRE 4. - Avance pour la voiture du chef de poste TITRE 5. - Mise à disposition d'un véhicule de ... TITRE 6. - Intervention dans les frais de trans... TITRE 7. - Mise à disposition d'une résidence p... CHAPITRE 1er. - Mise à disposition d'une réside... CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de la... CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de lo... Section 1re. - Disposition générale Section 2. - Intervention dans les frais du log... Section 3. - Intervention dans les frais de log... Section 4. - Avance pour la garantie locative d... TITRE 8. - Intervention dans les frais d'aménag... TITRE 9. - Intervention dans les frais liés à l... CHAPITRE 1er. - Intervention dans les frais de ... CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais scola... CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais liés ... CHAPITRE 4. - Avance pour frais scolaires et fr... TITRE 10. - Intervention dans les frais de sécu... CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de sé... CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de sé... TITRE 11. - Intervention dans les frais médicaux TITRE 12. - Intervention dans les frais de séjour TITRE 13. - Intervention dans les frais de voyage CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de vo... CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de vo... CHAPITRE 4. - Intervention dans les frais de vo... CHAPITRE 5. - Intervention dans les frais de vo... CHAPITRE 6. - Intervention dans les frais de vo... CHAPITRE 7. - Intervention dans les frais de vo... TITRE 14. - Déménagement CHAPITRE 1er. - Déménagement lié à un changemen... CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais d'un ... TITRE 15. - Intervention dans les frais de rapa... TITRE 16. - Intervention dans les frais liés au... Livre 6. - Régimes pécuniaires particuliers TITRE 1er. - Régime pécuniaire pendant des voya... TITRE 2. - Régime pécuniaire en cas de disponib... TITRE 3. - Régime pécuniaire pendant les différ... CHAPITRE 1er. - Congé annuel de vacances CHAPITRE 2. - Congé de circonstances CHAPITRE 3. - Congé exceptionnel CHAPITRE 4. - Congé de maternité et de maternit... CHAPITRE 5. - Congé parental CHAPITRE 6. - Congé d'adoption, congé d'accueil... CHAPITRE 7. - Congé pour motifs impérieux d'ord... CHAPITRE 8. - Congé de maladie CHAPITRE 9. - Disponibilité pour maladie CHAPITRE 10. - Participation à une cessation co... CHAPITRE 11. - Jours fériés en poste, à Belgoeu... TITRE 4. - Régime pécuniaire en cas de congés e... TITRE 5. - Régime pécuniaire en cas de circonst... TITRE 6. - Régime pécuniaire en cas d'affectati... TITRE 7. - Régime pécuniaire lors du décès d'un... Partie 5. Dispositions abrogatoires, transitoir... Livre 1er. Dispositions abrogatoires Livre 2. Dispositions transitoires Livre 3. Dispositions finales ANNEXES.
Tekst (510)
Texte (510)
Deel 1. Personeel toepassingsgebied
Partie 1re. Champ d'application personnel
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaar van de buitenlandse carrière en op de ambtenaar van de consulaire carrière.
  Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.
Article 1er. Le présent arrêté est applicable à l'agent de la carrière extérieure et à l'agent de la carrière consulaire.
  L'usage du masculin dans le présent arrêté est épicène.
Deel 2. Definities en algemene bepalingen
Partie 2. Définitions et dispositions générales
Art. 2. Dit deel is van toepassing op de ambtenaar van de buitenlandse carrière en op de ambtenaar van de consulaire carrière.
  De artikelen 3, 5, 6, § 4 en § 5, en 7 zijn van toepassing op de stagiair.
Art. 2. La présente partie est applicable à l'agent de la carrière extérieure et à l'agent de la carrière consulaire.
  Les articles 3, 5, 6, § 4 et § 5, et 7 sont applicables au stagiaire.
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de arbeidswet: de arbeidswet van 16 maart 1971;
  2° de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging: de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  3° het consulair wetboek: de wet van 21 december 2013 houdende het Consulair Wetboek;
  4° het statuut van het Rijkspersoneel: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
  5° het verlofbesluit: het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;
  6° de bezoldigingsregeling: het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  7° het besluit houdende organisatie van de FOD: het koninklijk besluit van 5 maart 2015 houdende de organisatie van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
  8° het toelagen- en vergoedingenbesluit: het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  9° de FOD: de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
  10° een post: een ambassade, consulaire post, een diplomatiek bureau of een permanente vertegenwoordiging in het buitenland;
  11° een consulaire post: een consulaire beroepspost zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, 3° van het consulair wetboek;
  12° Belgoeurop: de permanente vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie;
  13° Belotan: de permanente vertegenwoordiging van België bij de NAVO;
  14° de minister: de minister van Buitenlandse Zaken;
  15° de voorzitter: de voorzitter van het Directiecomité van de FOD;
  16° de directeur-generaal P&O: de directeur-generaal van de directie-generaal Personeel en Organisatie van de FOD;
  17° de directeur-generaal B&B: de directeur-generaal van de directie-generaal Begroting en Beheerscontrole van de FOD;
  18° de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling: de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning;
  19° de ambtenaar: elk personeelslid van wie de arbeidsrelatie met de FOD eenzijdig wordt bepaald en dat in vast verband benoemd wordt binnen de buitenlandse carrière of de consulaire carrière;
  20° het posthoofd: het hoofd van een ambassade, het hoofd van een consulaat-generaal dat niet werd opgericht in de schoot van een ambassade of het hoofd van een permanente vertegenwoordiging in het buitenland die niet in de schoot van een ambassade werd opgericht;
  21° de medewerker: de ambtenaar van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière aangesteld op post die geen posthoofd is of de ambtenaar van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière aangesteld op Belgoeurop of op Belotan die geen permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan is;
  22° de partner: de echtgenoot van de ambtenaar of de persoon waarmee de ambtenaar wettelijk samenwoont in de zin van de artikelen 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek en waarmee er geen huwelijksbeletsel bestaat in de zin van de artikelen 143 tot en met 164 van het Burgerlijk Wetboek;
  23° het kind: het kind van de ambtenaar, het kind van de partner van de ambtenaar dat deel uitmaakt van zijn gezin en het pleegkind, dat:
  a) ofwel jonger dan 18 jaar is;
  b) ofwel tussen de 18 en de 25 jaar is en voltijdse studies volgt;
  24° een pleegkind: elk kind dat bij de ambtenaar of zijn partner is geplaatst door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
  25° een pleegouder: de persoon die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
  26° een pleeggezin: het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder(s) werd(en) aangesteld;
  27° een plaatsing: alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van pleegzorgmaatregelen, zowel de plaatsing van minderjarige personen als de plaatsing van personen met een handicap;
  28° een langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal verblijven;
  29° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan zorg of steun, dit is elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging;
  30° de klasse: een groep van functies die een vergelijkbaar niveau van complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheid hebben;
  31° de functie: het geheel van taken en verantwoordelijkheden die de ambtenaar op zich neemt;
  32 de coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud: de rekenkundige uitdrukking van het verschil tussen de kost van het levensonderhoud van de ambtenaar aangesteld op een bepaalde post en de kost van het levensonderhoud voor een ambtenaar in België;
  33° de categorie van hardship: de moeilijkheidsgraad van het leven op post;
  34° een dienstvrijstelling: de toestemming gegeven aan de ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten;
  35° werkdagen: alle dagen van de week met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de Belgische wettelijke feestdagen;
  36° de controlearts: de arts aangeduid door het Bestuur van de medische expertise, die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° la loi sur le travail : la loi du 16 mars 1971 sur le travail ;
  2° la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
  3° le code consulaire : la loi du 21 décembre 2013 portant le Code consulaire ;
  4° le statut des agents de l'Etat : l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ;
  5° l'arrêté congé : l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat ;
  6° le statut pécuniaire : l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  7° l'arrêté portant organisation du SPF : l'arrêté royal du 5 mars 2015 portant organisation du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement ;
  8° l'arrêté allocations et indemnités : l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  9° le SPF : le Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement ;
  10° un poste : une ambassade, un poste consulaire, un bureau diplomatique ou une représentation permanente à l'étranger ;
  11° un poste consulaire : un poste consulaire de carrière comme défini à l'article 1er, alinéa 1er, 3° du code consulaire ;
  12° Belgoeurop : la représentation permanente de la Belgique auprès de l'Union européenne ;
  13° Belotan : la représentation permanente de la Belgique auprès de l'OTAN ;
  14° le ministre : le ministre des Affaires étrangères ;
  15° le président : le président du Comité de direction du SPF ;
  16° le directeur général P&O : le directeur général de la direction générale Personnel et Organisation du SPF ;
  17° le directeur général B&B : le directeur général de la direction générale Budget et Contrôle de gestion du SPF ;
  18° le directeur général Recrutement et Développement : le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ;
  19° l'agent : tout membre du personnel dont la relation de travail avec le SPF est définie unilatéralement et qui est nommé à titre définitif au sein de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire ;
  20° le chef de poste : le chef d'une ambassade, le chef d'un consulat général qui n'a pas été établi au sein d'une ambassade ou le chef d'une représentation permanente à l'étranger qui n'a pas été établie au sein d'une ambassade ;
  21° le collaborateur : l'agent de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire affecté en poste qui n'est pas chef de poste ou l'agent de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire affecté à Belgoeurop ou à Belotan qui n'est pas représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan ;
  22° le partenaire : le conjoint de l'agent ou le cohabitant légal de l'agent au sens des articles 1475 à 1479 du Code civil et avec lequel il n'existe pas d'obstacle au mariage au sens des articles 143 à 164 du Code civil ;
  23° l'enfant : l'enfant de l'agent, l'enfant du partenaire de l'agent qui fait partie de son ménage et l'enfant placé, qui :
  a) soit est âgé de moins de 18 ans ;
  b) soit est âgé de 18 à 25 ans et poursuit des études de plein exercice ;
  24° un enfant placé : tout enfant qui a été placé chez l'agent ou son partenaire par le tribunal, par un service de placement familial agréé par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
  25° un parent d'accueil : la personne qui a été désignée dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
  26° une famille d'accueil : la famille de la personne ou des personnes qui sont désignées comme parent(s) d'accueil ;
  27° un placement : toutes les formes de placement dans la famille qui peuvent être décidées dans le cadre des mesures de placement, aussi bien le placement de mineurs d'âge que le placement de personnes avec un handicap ;
  28° un placement familial de longue durée : le placement à propos duquel il est clair dès le début que l'enfant séjournera au minimum six mois au sein de la même famille d'accueil auprès des mêmes parents d'accueil ;
  29° une raison médicale rendant nécessaire des soins ou une aide : tout état de santé, consécutif ou non à une maladie ou à une intervention médicale, considéré comme tel par le médecin traitant et pour lequel le médecin estime qu'il nécessite des soins ou une aide, à savoir toute forme d'assistance ou de soin de type social, familial ou émotionnel ;
  30° la classe : un groupe des fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilité ;
  31° la fonction : l'ensemble des tâches et des responsabilités que l'agent assume ;
  32° le coefficient du coût de la vie : l'expression mathématique de la différence entre le coût de la vie pour l'agent affecté dans un poste déterminé et le coût de la vie pour un agent en Belgique ;
  33° le rang de pénibilité : le degré de difficulté de la vie en poste ;
  34° une dispense de service : l'autorisation accordée à l'agent de s'absenter pendant les heures de service pour une durée déterminée avec maintien de tous ses droits ;
  35° jours ouvrables : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés légaux belges ;
  36° le médecin-contrôleur : le médecin désigné par l'Administration de l'expertise médicale satisfaisant aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle.
Art. 4. § 1. Iedere bepaling die dit besluit wijzigt of het uitvoert, wordt aan het voorafgaandelijk advies van het Directiecomité onderworpen.
  § 2. Iedere wijziging van dit besluit is het voorwerp van een in Ministerraad overlegd besluit.
Art. 4. § 1er. Toute disposition qui modifie le présent arrêté ou l'exécute, est soumise à l'avis préalable du Comité de direction.
  § 2. Toute modification du présent arrêté fait l'objet d'un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Art. 5. De ambtenaar oefent de functie uit die hem op post, op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan wordt toevertrouwd.
Art. 5. L'agent remplit la fonction qui lui est confiée en poste, à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 6. § 1. De ambtenaar aangesteld op post is onderworpen:
  1° aan het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 6bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 37, 45 tot en met 48, 49 tot en met 51, 63 tot en met 67, 70 tot en met 75, 77 tot en met 81bis, 94, 98 tot en met 114, 116 en 117;
  2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 5 tot en met 7, 8, eerste lid, 19 tot en met 28 en 35 tot en met 62;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 23 tot en met 55, 63 tot en met 91 en 96 tot en met 100;
  4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 1, met uitzondering van het koninklijk bedoeld in punt 7 van deze bijlage.
  § 2. De ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur is onderworpen:
  1° aan het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 6bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 37, 45 tot en met 48, 63 tot en met 67, 70 tot en met 75, 77 tot en met 81bis, 94, 98 tot en met 114, 116 en 117;
  2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 5 tot en met 7, 8, eerste lid, 19 tot en met 28 en 35 tot en met 62;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 23 tot en met 35, 38 tot en met 41, 51, 52, 89 tot en met 91 en 96/2 tot en met 100;
  4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 1.
  § 3. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop en op Belotan is onderworpen:
  1° aan het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 6bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 37, 45 tot en met 48, 63 tot en met 67, 70 tot en met 75, 77 tot en met 81bis, 94, 98 tot en met 114, 116 en 117;
  2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 5 tot en met 7, 8, eerste lid, 19 tot en met 28 en 35 tot en met 62;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 23 tot en met 35, 38 tot en met 55, 89 tot en met 91 en 96/2 tot en met 100;
  4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 1.
  § 4. De artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en het artikel 148 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar deeltijds of voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.
  § 5. De partner vermijdt, in zijn contacten, elk woord, elke houding, elk voorkomen die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in de volledige neutraliteit van de ambtenaar, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid of die van zijn functie in het gedrang zouden kunnen brengen.
Art. 6. § 1er. L'agent affecté en poste est soumis :
  1° au statut des agents de l'Etat, à l'exception des articles 2 à 6bis, 14, 14bis, 15 à 19, 20 à 26, 27 à 37, 45 à 48, 49 à 51, 63 à 67, 70 à 75, 77 à 81bis, 94, 98 à 114, 116 et 117 ;
  2° au statut pécuniaire, à l'exception des articles 1, 3, 5 à 7, 8, alinéa 1er, 19 à 28 et 35 à 62 ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 23 à 55, 63 à 91 et 96 à 100 ;
  4° aux arrêtés énumérés en annexe 1, à l'exception de l'arrêté royal visé au point 7 de cette annexe.
  § 2. L'agent affecté à l'administration centrale est soumis :
  1° au statut des agents de l'Etat, à l'exception des articles 2 à 6bis, 14, 14bis, 15 à 19, 20 à 26, 27 à 37, 45 à 48, 63 à 67, 70 à 75, 77 à 81bis, 94, 98 à 114, 116 et 117;
  2° au statut pécuniaire, à l'exception des articles 1,3, 5 à 7, 8, alinéa 1er, 19 à 28 et 35 à 62 ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 23 à 35, 38 à 41, 51, 52, 89 à 91, et 96/2 à 100 ;
  4° aux arrêtés énumérés en annexe 1.
  § 3. L'agent affecté à Belgoeurop et à Belotan est soumis :
  1° au statut des agents de l'Etat, à l'exception des articles 2 à 6bis, 14, 14bis, 15 à 19, 20 à 26, 27 à 37, 45 à 48, 63 à 67, 70 à 75, 77 à 81bis, 94, 98 à 114, 116 et 117 ;
  2° au statut pécuniaire, à l'exception des articles 1, 3, 5 à 7, 8, alinéa 1er, 19 à 28 et 35 à 62 ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 23 à 35, 38 à 55, 89 à 91 et 96/2 à 100;
  4° aux arrêtés énumérés en annexe 1.
  § 4. Les articles 8, 9, 10 et 13 du statut des agents de l'Etat et l'article 148 sont applicables même lorsque l'agent est à temps partiel ou à temps plein en congé, en disponibilité ou en non-activité.
  § 5. Le partenaire évite, dans ses contacts, toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourraient être de nature à ébranler la confiance du public en la totale neutralité de l'agent, en sa compétence ou en sa dignité ou celle de sa fonction.
Art. 7. De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen.
Art. 7. La liberté d'expression qui est reconnue à l'article 10 du statut des agents de l'Etat ne peut pas porter atteinte aux relations internationales de la Belgique.
Deel 3. Administratief statuut
Partie 3. Statut administratif
Boek 1. Buitenlandse carrière
Livre 1er. Carrière extérieure
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Art. 8. Dit boek is van toepassing op de ambtenaar van de buitenlandse carrière.
Art. 8. Le présent livre est applicable à l'agent de la carrière extérieure.
TITEL 2. - Werving
TITRE 2. - Recrutement
HOOFDSTUK 1. - Toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie
CHAPITRE 1er. - Conditions d'admissibilité à la sélection comparative
Art. 9. § 1. De toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie zijn de volgende:
  1° Belg zijn;
  2° houder zijn van één van de diploma's of studiegetuigschriften die toegang geven tot het niveau A van de Rijksbesturen;
  3° een gedrag hebben dat overeenstemt met de eisen van de functie;
  4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  5° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
  6° zich persoonlijk niet bevinden in een toestand van belangenconflict;
  7° niet ontslagen zijn geweest wegens dringende reden of ambtshalve ontslagen zijn geweest uit zijn ambt of afgezet zijn geweest ten gevolge van een tuchtprocedure bedoeld in artikelen 77 tot en met 81bis van het statuut van het Rijkspersoneel en in de artikelen 148 tot en met 172 en dit, te rekenen vanaf drie jaar na de ontslagbeslissing of na de definitieve uitspraak door de FOD.
  § 2. De kandidaat voldoet aan de toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie bedoeld in paragraaf 1 op het moment van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het bericht bedoeld in artikel 10, § 2.
  De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling gaat de toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie bedoeld in paragraaf 1 na.
  Zodra de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan één van de toelaatbaarheidsvereisten bedoeld in paragraaf 1, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing en van de redenen ervan.
Art. 9. § 1er. Les conditions d'admissibilité à la sélection comparative sont les suivantes :
  1° être belge ;
  2° être titulaire d'un des diplômes ou certificats d'études qui permettent l'accès au niveau A dans les administrations de l'Etat ;
  3° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction ;
  4° jouir des droits civils et politiques ;
  5° avoir satisfait aux lois sur la milice ;
  6° ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêts ;
  7° ne pas avoir été licencié pour motif grave ou démis d'office de sa fonction ou révoqué à la suite d'une procédure disciplinaire visée aux articles 77 à 81bis du statut des agents de l'Etat et aux articles 148 à 172 et ce, à dater de trois ans après la décision de licenciement ou après le prononcé définitif de la peine disciplinaire par le SPF.
  § 2. Le candidat satisfait aux conditions d'admissibilité à la sélection comparative visées au paragraphe 1er au moment de la publication au Moniteur belge de l'avis visé à l'article 10, § 2.
  Le directeur général Recrutement et Développement vérifie les conditions d'admissibilité à la sélection comparative visées au paragraphe 1er.
  Dès que le directeur général Recrutement et Développement constate, pendant une sélection comparative, qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, une des conditions d'admissibilité visées au paragraphe 1er, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision ainsi que les motifs de celle-ci.
HOOFDSTUK 2. - Vergelijkende selectie
CHAPITRE 2. - Sélection comparative
Art. 10. § 1. Voor de werving in de buitenlandse carrière organiseert de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling, op verzoek van de minister, een vergelijkende selectie op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel die leidt tot een rangschikking van de geslaagden.
  § 2. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling kondigt de organisatie van een vergelijkende selectie aan door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Het bericht vermeldt:
  1° de uiterste datum voor kandidatuurstelling;
  2° de samenstelling van een reserve van geslaagden en de omvang ervan;
  3° de toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie;
  4° het programma van de vergelijkende selectie;
  5° de vereiste competenties voor het uitoefenen van de functie;
  6° het aantal geslaagden van elke proef van de vergelijkende selectie dat wordt toegelaten tot de volgende proef;
  7° de toelaatbaarheidsvereisten voor het eerste en voor het tweede deel van de stage;
  8° de benoemingsvereisten.
  De voorzitter of zijn afgevaardigde bepaalt de omvang van de reserve van geslaagden.
  De kandidaat beschikt over ten minste eenentwintig dagen, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad, om zijn kandidatuurstelling in te dienen.
Art. 10. § 1er. Pour le recrutement dans la carrière extérieure, le directeur général Recrutement et Développement organise, à la demande du ministre, une sélection comparative sur base d'une description de fonction et du profil de compétences qui conduit à un classement des lauréats.
  § 2. Le directeur général Recrutement et Développement annonce l'organisation d'une sélection comparative au moins par un avis au Moniteur belge.
  L'avis mentionne :
  1° la date limite d'introduction des candidatures ;
  2° la constitution d'une réserve de lauréats et l'importance de celle-ci ;
  3° les conditions d'admissibilité à la sélection comparative ;
  4° le programme de la sélection comparative ;
  5° les compétences requises pour l'exercice de la fonction ;
  6° le nombre de lauréats de chaque épreuve de la sélection comparative admis à l'épreuve suivante ;
  7° les conditions d'admissibilité à la première et à la seconde partie du stage ;
  8° les conditions de nomination.
  Le président ou son délégué détermine l'importance de la réserve de lauréats.
  Le candidat dispose d'au moins vingt et un jours, à compter de la date de publication de l'avis au Moniteur belge, pour introduire sa candidature.
Art. 11. § 1. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling stelt het programma vast van de vergelijkende selectie op en bepaalt daarin de vereiste competenties voor het uitoefenen van de functie in overleg met de voorzitter of zijn afgevaardigde.
  § 2. Het programma van de vergelijkende selectie omvat minstens:
  1° een schriftelijke proef die, naast de schriftelijke communicatievaardigheden, de vereiste competenties voor het uitoefenen van de functie evalueert;
  2° een mondelinge proef die, naast de mondelinge communicatievaardigheden, de motivatie van de kandidaat voor de behartiging van de Belgische belangen in het buitenland en de opdrachten van de FOD evalueert, alsook de vereiste competenties voor het uitoefenen van de functie;
  3° het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966;
  4° een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid;
  5° een test van de psychologische geschiktheid.
  Een vrijstelling wordt toegekend aan de kandidaat die geslaagd is voor het taalexamen bedoeld in eerste lid, 3°, overeenkomstig de artikelen 16 en 16bis, § 6 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966.
  De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling kent een vrijstelling toe voor het taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal bedoeld in het eerste lid, 4° :
  1° aan de kandidaat die geslaagd is voor deze proef tijdens een eerdere deelname aan een vergelijkende selectie voor de buitenlandse carrière;
  2° aan de kandidaat die houder is van een diploma of een studiegetuigschrift in het Engels dat toegang geeft tot het niveau A van de Rijksbesturen;
  3° aan de kandidaat die houder is van een diploma of van een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot het niveau A van de Rijksbesturen in vertalen, tolken, taal- en letterkunde of in de filologie, of meertalige communicatie in de Engelse taal;
  4° aan de kandidaat die geslaagd is voor een taalexamen met betrekking tot de Engelse taal waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de lijst van de erkende taalcertificaten bedoeld in het tweede lid, 4°.
  § 3. Het programma van de vergelijkende selectie kan een bijkomende proef voorzien die wordt georganiseerd door de directie-generaal Rekrutering en Ontwikkeling om de vereiste competenties voor het uitoefenen van de functie te evalueren
Art. 11. § 1er. Le directeur général Recrutement et Développement établit le programme de la sélection comparative et y détermine les compétences requises pour l'exercice de la fonction en concertation avec le président ou son délégué.
  § 2. Le programme de la sélection comparative comprend au moins :
  1° une épreuve écrite qui, outre les compétences de communication écrite, évalue les compétences requises pour l'exercice de la fonction ;
  2° une épreuve orale qui, outre les compétences de communication orale, évalue la motivation du candidat pour la défense des intérêts belges à l'étranger et les missions du SPF, ainsi que les compétences requises pour l'exercice de la fonction ;
  3° l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
  4° un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite ;
  5° un test d'aptitude psychologique.
  Une dispense est accordée au candidat lauréat de l'examen linguistique visé à l'alinéa 1er, 3°, conformément aux articles 16 et 16bis, § 6 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  Le directeur général Recrutement et Développement octroie une dispense de l'examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise visé à l'alinéa 1er, 4° :
  1° au candidat lauréat de cette épreuve lors d'une précédente participation à une sélection comparative pour la carrière extérieure ;
  2° au candidat titulaire d'un diplôme ou d'un certificat d'études en anglais donnant accès au niveau A dans les administrations de l'Etat ;
  3° au candidat titulaire d'un diplôme ou d'un certificat d'études donnant accès au niveau A dans les administrations de l'Etat en traduction, interprétation, lettres et littérature ou en philologie, ou communication multilingue dans la langue anglaise ;
  4° au candidat lauréat d'un examen linguistique portant sur la langue anglaise dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, tel qu'élaboré par le Conseil de l'Europe pour l'expression orale et l'expression écrite.
  Le ministre ou son délégué détermine la liste des certificats linguistiques reconnus visés à l'alinéa 2, 4°.
  § 3. Le programme de la sélection comparative peut prévoir une épreuve complémentaire organisée par la direction générale Recrutement et Développement pour évaluer les compétences requises pour l'exercice de la fonction.
Art. 12. § 1. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling bepaalt in overleg met de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde:
  1° de volgorde van de proeven van de vergelijkende selectie;
  2° het aantal punten dat aan de vergelijkende selectie in zijn geheel en aan elk van de proeven wordt toegekend;
  3° het aantal geslaagden dat, na elke proef van de vergelijkende selectie, wordt toegelaten tot de volgende proef.
  § 2. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling of zijn afgevaardigde duidt in overleg met de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde de leden van de jury van de proeven van de vergelijkende selectie aan.
  § 3. Een kandidaat is geslaagd voor een proef van de vergelijkende selectie wanneer hij minimum vijftig procent van de punten behaald voor die proef.
  Elke geslaagde voor elke proef wordt gerangschikt op basis van de resultaten die hij behaald heeft voor deze proef.
  De geslaagde voor een proef wordt toegelaten tot de volgende proef indien hij gunstig gerangschikt is rekening houdend met het aantal geslaagden bedoeld in paragraaf 1, 3°.
  Onverminderd artikel 11, § 2, tweede en derde lid, verliest de geslaagde voor een proef die niet tot de volgende proef wordt toegelaten, het voordeel van zijn slagen voor de eerdere proeven.
  § 4. Een kandidaat is geslaagd voor de vergelijkende selectie indien hij minimum zestig procent van de punten behaalt voor het geheel van de proeven.
  Elke geslaagde voor de vergelijkende selectie wordt gerangschikt op basis van de punten die behaald werden bij de proeven bedoeld in artikel 11, § 2, eerste lid, 1° en 2° en bij de eventuele bijkomende proef bedoeld in artikel 11, § 3.
  § 5. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere kandidaat bericht van zijn resultaat.
Art. 12. § 1er. Le directeur général Recrutement et Développement détermine en concertation avec le directeur général P&O ou son délégué :
  1° l'ordre des épreuves de la sélection comparative ;
  2° le nombre de points qui sont attribués à la sélection comparative dans son ensemble et à chacune des épreuves ;
  3° le nombre de lauréats qui, après chaque épreuve de la sélection comparative, sont admis à l'épreuve suivante.
  § 2. Le directeur général Recrutement et Développement ou son délégué désigne en concertation avec le directeur général P&O ou son délégué les membres du jury des épreuves de la sélection comparative.
  § 3. Un candidat est lauréat d'une épreuve de la sélection comparative s'il obtient au minimum cinquante pour cent des points à cette épreuve.
  Chaque lauréat de chaque épreuve est classé en fonction des résultats qu'il a obtenu à cette épreuve.
  Le lauréat d'une épreuve n'est admis à l'épreuve suivante que s'il est classé en ordre utile tenant compte du nombre de lauréats visé au paragraphe 1er, 3°.
  Sans préjudice de l'article 11, § 2, alinéas 2 et 3, le lauréat d'une épreuve qui n'est pas admis à l'épreuve suivante perd le bénéfice de sa réussite aux épreuves précédentes.
  § 4. Un candidat est lauréat de la sélection comparative s'il obtient au minimum soixante pour cent des points au total pour l'ensemble des épreuves.
  Chaque lauréat de la sélection comparative est classé sur base des points obtenus aux épreuves visées à l'article 11, § 2, alinéa 1er, 1° et 2° et à l'éventuelle épreuve complémentaire visé à l'article 11, § 3.
  § 5. Après la clôture du procès-verbal de la sélection comparative, chaque candidat reçoit communication de son résultat.
Art. 13. § 1. De geslaagde van de vergelijkende selectie die niet tot de stage wordt opgeroepen, wordt in de reserve van geslaagden behouden en behoudt het voordeel van zijn rangschikking voor de duur van de geldigheid van de reserve van de geslaagden.
  De reserve van geslaagden is geldig gedurende één jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie.
  De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling kan de geldigheid van de reserve van geslaagden, op behoorlijk gemotiveerd verzoek van de minister of van zijn afgevaardigde, verlengen, met een periode van telkens maximaal een jaar.
  § 2. Indien het, gedurende de periode van de geldigheid van de reserve van geslaagden, nodig is aan te werven, dan worden de geslaagden van de reserve die aan de in artikel 21 bedoelde vereisten voldoen, tot de stage opgeroepen in de volgorde van hun rangschikking.
  Onder de geslaagden van de reserves van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang gegeven aan de geslaagde van de vergelijkende selectie waarvan het proces-verbaal op de oudste datum is afgesloten.
Art. 13. § 1er. Le lauréat de la sélection comparative qui n'est pas appelé en stage est maintenu dans la réserve de lauréats et conserve le bénéfice de de son classement pour la durée de validité de la réserve de lauréats.
  La réserve de lauréats est valable un an à partir de la date de clôture du procès-verbal de la sélection comparative.
  Le directeur général Recrutement et Développement peut prolonger la validité de la réserve de lauréats, à la demande dûment motivée du ministre ou de son délégué, à concurrence d'une période d'un an maximum à chaque fois.
  § 2. Si, durant la période de validité de la réserve de lauréats, il est nécessaire de recruter, les lauréats de la réserve qui remplissent les conditions visées à l'article 21, sont appelés en stage dans l'ordre de leur classement.
  Entre les lauréats de réserves de deux ou plusieurs sélections comparatives, il est donné priorité au lauréat de la sélection comparative dont le procès-verbal a été clos à la date la plus ancienne.
Art. 14. De geslaagde die tot de stage wordt opgeroepen en een betrekking aanvaardt, is gehouden deze op te nemen.
  Diegene die, na aanvaarding, weigert om de stage aan te vangen, wordt geschrapt van de reserve van geslaagden.
  De geslaagde die voorlopig geen gevolg wenst te geven aan een oproep tot de stage wordt in de reserve van geslaagden gehouden en behoudt het voordeel van zijn rangschikking voor de duur van de geldigheid van de reserve.
Art. 14. Le lauréat qui est appelé en stage et accepte un emploi est tenu de l'occuper.
  Celui qui, après acceptation, refuse d'entrer en stage est rayé de la réserve de lauréats.
  Le lauréat qui provisoirement ne désire pas donner suite à un appel en stage est maintenu dans la réserve de lauréats et conserve le bénéfice de son classement pour la durée de validité de la réserve.
TITEL 3. - Stage
TITRE 3. - Stage
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 15. De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
Art. 15. Le stagiaire n'a pas la qualité d'agent au sens du présent arrêté.
Art. 16. § 1. De stagiair aangesteld op het hoofdbestuur is onderworpen:
  1° aan de artikelen 7 tot en met 7bis, § 2, 8 tot en met 13, 14ter tot en met 14octies, 40 tot en met 44, 82 tot en met 93, 95 en 95bis van het statuut van het Rijkspersoneel;
  2° aan de artikelen 2, 10 tot en met 13, § 2 en 14 en 15 van de bezoldigingsregeling;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 21,23 tot en met 35, 38 tot en met 41, 51, 52, 89 tot en met 91 en 96/2 tot en met 100;
  4° aan het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat;
  5° aan het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
  6° aan het koninklijk besluit bedoeld in punt 7 van bijlage 1.
  § 2. De stagiair aangesteld op post is onderworpen:
  1° aan de artikelen 7 tot en met 7bis, § 2, 8 tot en met 13, 14ter tot en met 14octies, 40 tot en met 44, 82 tot en met 93, 95 en 95bis van het statuut van het Rijkspersoneel;
  2° aan de artikelen 2, 10 tot en met 13, § 2 en 14 en 15 van de bezoldigingsregeling;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 21, 23 tot en met 55, 63 tot en met 91 en 96 tot en met 100;
  4° aan het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat;
  5° aan het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
  § 3. De stagiair aangesteld op Belgoeurop of op Belotan is onderworpen:
  1° aan de artikelen 7 tot en met 7bis, 8 tot en met 13, 14ter tot en met 14octies, 40 tot en met 44, 82 tot en met 93, 95 en 95bis van het statuut van het Rijkspersoneel;
  2° aan de artikelen 2, 10 tot en met 13, § 2 en 14 en 15 van de bezoldigingsregeling;
  3° aan het toelagen- en vergoedingenbesluit, met uitzondering van de artikelen 1, 21, 23 tot en met 35, 38 tot en met 55, 89 tot en met 91 en 96/2 tot en met 100;
  4° aan het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat;
  5° aan het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
  6° aan het koninklijk besluit bedoeld in punt 7 van bijlage 1.
  § 4. De stagiair is slechts onderworpen aan de bepalingen van het deel 3 en van de besluiten die het wijzigen of het aanvullen voor zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
Art. 16. § 1er. Le stagiaire affecté à l'administration centrale est soumis :
  1° aux articles 7 à 7bis, § 2, 8 à 13, 14ter à 14octies, 40 à 44, 82 à 93, 95 et 95bis du statut des agents de l'Etat ;
  2° aux articles 2, 10 à 13, § 2 et 14 et 15 du statut pécuniaire ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 21, 23 à 35, 38 à 41, 51, 52, 89 à 91 et 96/2 à 100 ;
  4° à l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat ;
  5° à l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
  6° à l'arrêté royal visé au point 7 de l'annexe 1.
  § 2. Le stagiaire affecté en poste est soumis :
  1° aux articles 7 à 7bis, § 2, 8 à 13, 14ter à 14octies, 40 à 44, 82 à 93, 95 et 95bis du statut des agents de l'Etat ;
  2° aux articles 2, 10 à 13, § 2 et 14 et 15 du statut pécuniaire ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 21, 23 à 55, 63 à 91 et 96 à 100 ;
  4° à l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat ;
  5° à l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
  § 3. Le stagiaire affecté à Belgoeurop ou à Belotan est soumis :
  1° aux articles 7 à 7bis, § 2, 8 à 13, 14ter à 14octies, 40 à 44, 82 à 93, 95 et 95bis du statut des agents de l'Etat ;
  2° aux articles 2, 10 à 13, § 2 et 14 et 15 du statut pécuniaire ;
  3° à l'arrêté allocations et indemnités, à l'exception des articles 1er, 21, 23 à 35, 38 à 55, 89 à 91 et 96/2 à 100 ;
  4° à l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat ;
  5° à l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
  6° à l'arrêté royal visé au point 7 de l'annexe 1.
  § 4. Le stagiaire n'est soumis aux dispositions de la partie 3 et des arrêtés qui la modifient ou la complètent que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
HOOFDSTUK 2. - Organisatie van de stage
CHAPITRE 2. - Organisation du stage
Art. 17. § 1. De minister neemt de nodige schikkingen voor:
  1° de organisatie van de stage, met inbegrip van het opstellen van het stageplan;
  2° het bepalen van de competenties vereist voor de benoeming in de klasse A2 van de stagiair, de indicatoren van de competenties en het niveau dat vereist is om te voldoen aan de competentie.
  § 2. De stage wordt geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de directeur-generaal P&O of van zijn afgevaardigde.
Art. 17. § 1er. Le ministre prend les dispositions requises pour :
  1° l'organisation du stage, en ce compris la rédaction du plan de stage ;
  2° la détermination des compétences requises pour la nomination à la classe A2 du stagiaire, les indicateurs des compétences et le niveau requis pour satisfaire à la compétence.
  § 2. Le stage est placé sous la responsabilité du directeur général P&O ou de son délégué.
HOOFDSTUK 3. - Duur van de stage
CHAPITRE 3. - Durée du stage
Art. 18. Onverminderd de artikelen 19, tweede lid en 20 duurt de stage vierentwintig maanden.
  De duur van het eerste deel van de stage is veertien maanden.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan de duur van het eerste deel van de stage worden uitgebreid, zonder dat zij meer dan achttien maanden kan zijn.
  De stagiair dient een gemotiveerd verzoek in bij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, die het bestaan van een uitzonderlijke omstandigheid onderzoekt en een beslissing neemt, die wordt gecommuniceerd aan de stagiair binnen een termijn van vijf werkdagen.
  De duur van het tweede deel van de stage wordt in evenredige mate bepaald.
Art. 18. Sans préjudice des articles 19, alinéa 2 et 20, le stage dure vingt-quatre mois.
  La durée de la première partie du stage est de quatorze mois.
  En cas de circonstances exceptionnelles, la durée de la première partie du stage peut être augmentée, sans qu'elle ne puisse être supérieure à dix-huit mois.
  Le stagiaire introduit une demande motivée auprès du directeur général P&O ou son délégué, qui examine l'existence d'une circonstance exceptionnelle et prend une décision, qui est communiquée au stagiaire dans un délai de cinq jours ouvrables.
  La durée de la seconde partie du stage est déterminée à due concurrence.
Art. 19. Onverminderd artikel 79 wordt het eerste deel van de stage voltijds verricht.
  Bij deeltijdse prestaties bedoeld in artikel 79 wordt de duur van het eerste deel van de stage in evenredige mate verlengd.
  Het tweede deel van de stage wordt voltijds verricht.
Art. 19. Sans préjudice de l'article 79, la première partie du stage s'accomplit à temps plein.
  En cas de prestations à temps partiel visées à l'article 79, la durée de la première partie du stage est prolongée à due concurrence.
  La seconde partie du stage s'accomplit à temps plein.
Art. 20. § 1. Onverminderd artikel 19 worden, voor de berekening van de duur van de verrichte stage, alle periodes tijdens dewelke de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  § 2. De periodes van afwezigheid tijdens het eerste deel van de stage, hebben een pro rata verlenging ervan of een verdaging van de stage naar de volgende stagesessie tot gevolg, van zodra zij in één of meerdere malen dertig werkdagen overschrijden, zelfs wanneer de stagiair zich in de stand dienstactiviteit bevindt.
  De periodes van afwezigheid tijdens het tweede deel van de stage hebben een pro rata verlenging ervan tot gevolg, van zodra zij in één of meerdere malen dertig werkdagen overschrijden, zelfs wanneer de stagiair zich in de stand dienstactiviteit bevindt.
  De verlenging houdt geen rekening met de dertig werkdagen afwezigheid bedoeld in het eerste en het tweede lid.
  Komen niet in aanmerking voor het berekenen van deze afwezigheidsdagen:
  1° het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in de artikelen 71 tot en met 73;
  2° de verloven toegestaan met toepassing van de artikelen 81, § 1 en § 2 en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de volgende verloven:
  a) de verloven bedoeld in de artikelen 14, 15 en 20 van het verlofbesluit tijdens het eerste deel van de stage;
  b) de verloven bedoeld in de artikelen 82, 83 en 128 tijdens het tweede deel van de stage.
  § 3. Tijdens zijn afwezigheden behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.
  § 4. De behoorlijk gemotiveerde beslissing tot het verdagen van de stage naar de volgende stagesessie bedoeld in paragraaf 2, eerste lid wordt genomen door de voorzitter of zijn afgevaardigde, na overleg met de directeur-generaal P&O.
  In geval van het verdagen van de stage naar de volgende stagesessie, herbegint de stagiair het eerste deel van de stage.
  In afwachting van de volgende stagesessie oefent hij een functie uit op het hoofdbestuur.
  Zijn evaluatie vindt plaats overeenkomstig artikel 24.
Art. 20. § 1er. Sans préjudice de l'article 19, pour le calcul de la durée du stage accompli, toutes les périodes pendant lesquelles le stagiaire est en activité de service sont prises en considération.
  § 2. Les périodes d'absence durant la première partie du stage entraînent une prolongation de celle-ci au prorata ou un report de stage à la session suivante, dès lors qu'elles dépassent en une ou plusieurs fois trente jours ouvrables même si le stagiaire est dans la position d'activité de service.
  Les périodes d'absence durant la seconde partie du stage entraînent une prolongation de celle-ci au prorata, dès lors qu'elles dépassent en une ou plusieurs fois trente jours ouvrables même si le stagiaire est dans la position d'activité de service.
  La prolongation ne prend pas en compte les trente jours ouvrables d'absence visés aux alinéas 1er et 2.
  N'interviennent pas dans le calcul de ces jours d'absence :
  1° les congés annuels de vacances visés aux articles 71 à 73 ;
  2° les congés accordés en application des articles 81, § 1er et § 2 et 82 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités ;
  3° les congés suivants :
  a) les congés visés aux articles 14, 15 et 20 de l'arrêté congé pendant la première partie du stage ;
  b) les congés visés aux articles 82, 83 et 128 pendant la seconde partie du stage.
  § 3. Pendant ses absences, l'intéressé conserve sa qualité de stagiaire.
  § 4. La décision dûment motivée de report du stage à la session de stage suivante visé au paragraphe 2, alinéa 1er, est prise par le président ou son délégué, après concertation avec le directeur général P&O.
  En cas de report du stage à la session de stage suivante, le stagiaire recommence la première partie du stage.
  Dans l'attente de la session de stage suivante, il exerce une fonction à l'administration centrale.
  Son évaluation a lieu conformément à l'article 24.
HOOFDSTUK 4. - Eerste deel van de stage
CHAPITRE 4. - Première partie du stage
Art. 21. § 1. De toelaatbaarheidsvereisten tot het eerste deel van de stage zijn de volgende:
  1° de toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 9, § 1
  2° geslaagd zijn voor de vergelijkende selectie;
  3° een positief resultaat hebben gekregen ingevolge een veiligheidsverificatie.
  Indien de geslaagde niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, wordt hij geschrapt uit de reserve van de geslaagden.
  § 2. Indien de geslaagde ten gevolge van de voorafgaande gezondheidsbeoordeling bedoeld in artikel I.4-25 van de Codex Welzijn op het werk tijdelijk ongeschikt wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-47 van de Codex Welzijn op het werk, wordt hij in de reserve van geslaagden gehouden en behoudt het voordeel van zijn rangschikking voor de duur van de geldigheid van de reserve.
  Indien de geslaagde ten gevolge van de voorafgaande gezondheidsbeoordeling bedoeld in artikel I.4-25 van de Codex Welzijn op het werk definitief ongeschikt wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-47 van de Codex Welzijn op het werk, wordt hij geschrapt uit de reserve van geslaagden.
Art. 21. § 1er. Les conditions d'admissibilité à la première partie du stage sont les suivantes :
  1° les conditions d'admissibilité à la sélection comparative visées à l'article 9, § 1er ;
  2° avoir réussi la sélection comparative ;
  3° avoir obtenu un résultat positif à la suite d'une vérification de sécurité.
  Si le lauréat ne satisfait pas aux conditions visées à l'alinéa 1er, il est rayé de la réserve des lauréats.
  § 2. Si à la suite de l'évaluation de santé préalable visée à l'article I.4-25 du Code du bien-être au travail, le lauréat est déclaré temporairement inapte par le conseiller en prévention-médecin du travail en vertu de l'article I.4-47 du Code du bien-être au travail, il est maintenu dans la réserve de lauréats et conserve le bénéfice de son classement pour la durée de validité de la réserve.
  Si à la suite de l'évaluation de santé préalable visée à l'article I.4-25 du Code du bien-être au travail, le lauréat est déclaré définitivement inapte par le conseiller en prévention-médecin du travail en vertu de l'article I.4-47 du Code du bien-être au travail, il est rayé de la réserve des lauréats.
Art. 22. De voorzitter of zijn afgevaardigde laat tot het eerste deel van de stage de geslaagde toe die gunstig gerangschikt is volgens het resultaat van de vergelijkende selectie en benoemt hem in de hoedanigheid van stagiair.
  De geslaagde treedt in die hoedanigheid in de stage in de klasse A1 met het genot van al zijn administratieve en geldelijke rechten, ten vroegste op de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelatingsbeslissing bedoeld in het eerste lid.
  Wanneer de geslaagde een opzegperiode volbrengt in toepassing van de toepasselijke bepalingen in een Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens één van de verdragen welke ze regelen, wordt de intrede in de stage bedoeld in het tweede lid uitgesteld tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegtermijn verstrijkt.
  Het tweede lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
Art. 22. Le président ou son délégué admet à la première partie du stage le lauréat classé en ordre utile selon le résultat de la sélection comparative et le nomme en qualité de stagiaire.
  Le lauréat entre en stage en cette qualité, dans la classe A1, avec la jouissance de tous ses droits administratifs et pécuniaires, au plus tôt le premier jour du troisième mois suivant celui de la décision d'admission visée à l'alinéa 1er.
  Lorsque le lauréat accomplit une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat qui fait partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités qui régissent celles-ci, l'entrée en stage visée à l'alinéa 2 est reportée jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à laquelle le délai de préavis expire.
  L'alinéa 2 ne porte pas préjudice aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant sur le statut des objecteurs de conscience.
Art. 23. Tijdens het eerste deel van de stage is de stagiair aangesteld op het hoofdbestuur.
  Het eerste deel van de stage neemt een einde wanneer de stagiair aangesteld wordt op post, op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 23. Pendant la première partie du stage, le stagiaire est affecté à l'administration centrale.
  La première partie du stage prend fin lorsque le stagiaire est affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 24. § 1. Tijdens het eerste deel van de stage stellen de hiërarchische meerderen, op regelmatige tijdstippen die worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde in functie van de duur van het eerste deel van de stage, een evaluatieverslag op van de stagiair.
  Het evaluatieverslag wordt onverwijld verzonden naar de stagiair.
  Wanneer de stagiair afwezig is, wordt het evaluatieverslag verzonden naar de stagiair binnen de vijftien dagen die volgen op de hervatting van het werk.
  De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken binnen de vijftien dagen na het verzenden van het evaluatieverslag.
  Het evaluatieverslag en de eventuele opmerkingen van de stagiair worden meegedeeld aan de directeur-generaal P&O of aan zijn afgevaardigde en worden opgenomen in het persoonlijk dossier van de stagiair.
  § 2. Indien de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde van oordeel is dat de evaluatieverslagen bedoeld in paragraaf 1 niet in hun geheel gunstig zijn, verzekert hij een opvolging van de stagiair tijdens het tweede deel van de stage.
  De nadere regels van de opvolging worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  § 3. De evaluatieverslagen zijn niet in hun geheel gunstig wanneer zij, aan het einde van het eerste deel van de stage, aantonen dat de stagiair niet voldoet aan alle competenties op het vereiste niveau.
Art. 24. § 1er. Pendant la première partie du stage, les supérieurs hiérarchiques établissent, à intervalles réguliers déterminés par le directeur général P&O ou son délégué en fonction de la durée de la première partie de stage, un rapport d'évaluation du stagiaire.
  Le rapport d'évaluation est envoyé sans délai au stagiaire.
  Lorsque le stagiaire est absent, le rapport d'évaluation est envoyé au stagiaire dans les quinze jours qui suivent la reprise du travail.
  Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans les quinze jours de l'envoi du rapport d'évaluation.
  Le rapport d'évaluation et les observations éventuelles du stagiaire sont communiqués au directeur général P&O ou à son délégué et sont versés au dossier personnel du stagiaire.
  § 2. Si le directeur général P&O ou son délégué estime que les rapports d'évaluation visés au paragraphe 1er ne sont pas dans l'ensemble favorables, il assure un suivi du stagiaire durant la seconde partie du stage.
  Les modalités du suivi sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
  § 3. Les rapports d'évaluation ne sont pas dans l'ensemble favorables s'il en ressort, à la fin de la première partie du stage, que le stagiaire ne satisfait pas à toutes les compétences au niveau requis.
HOOFDSTUK 5. - Tweede deel van de stage
CHAPITRE 5. - Seconde partie du stage
Art. 25. § 1. Wordt ambtshalve ontslagen, de stagiair die ten laatste op het moment van aanvang van het tweede deel van de stage niet voldoet aan de volgende vereisten:
  1° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, eerste lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966;
  2° houder zijn van een veiligheidsmachtiging met het niveau "geheim" of hoger;
  3° geslaagd zijn voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage.
  § 2. Het niet slagen voor het taalexamen bedoeld in paragraaf 1, 1° wordt niet beschouwd als een buitengewone omstandigheid bedoeld in artikel 18, derde lid.
Art. 25. § 1er. Est démis d'office le stagiaire qui au plus tard au moment du début de la seconde partie du stage ne remplit pas les conditions suivantes :
  1° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 1er de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
  2° être titulaire d'une habilitation de sécurité de niveau " secret " ou supérieur ;
  3° avoir réussi l'examen d'admission à la seconde partie du stage.
  § 2. L'échec à l'examen linguistique visé au paragraphe 1er, 1° n'est pas considéré comme une circonstance exceptionnelle visée à l'article 18, alinéa 3.
Art. 26. Het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage vindt ten vroegste plaats in de loop van de tiende maand die volgt op de datum van de intrede in de stage.
Art. 26. L'examen d'admission à la seconde partie du stage a lieu au plus tôt dans le courant du dixième mois qui suit la date d'entrée en stage.
Art. 27. Het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage omvat een proef waarvan de inhoud wordt bepaald door de minister of zijn afgevaardigde.
  Deze proef handelt over de verworven kennis tijdens de stage inzake de materies die bepaald zijn in het stageplan.
Art. 27. L'examen d'admission à la seconde partie du stage comporte une épreuve dont le contenu est déterminé par le ministre ou son délégué.
  Cette épreuve porte sur les connaissances acquises pendant le stage dans les matières qui sont déterminées dans le plan de stage.
Art. 28. § 1. De stagiair slaagt voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage indien hij zestig procent van de punten behaalt.
  § 2. De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde duidt de leden van de jury van dit examen aan.
  § 3. Het resultaat van het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage wordt ten laatste één maand na het examen overgemaakt aan de stagiair.
Art. 28. § 1er. Le stagiaire réussit l'examen d'admission à la seconde partie du stage s'il obtient soixante pour cent des points.
  § 2. Le directeur général P&O ou son délégué désigne les membres du jury de cet examen.
  § 3. Le résultat de l'examen d'admission à la seconde partie du stage est transmis au stagiaire au plus tard un mois après l'examen.
Art. 29. De stagiair die niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, kan een tweede maal deelnemen aan dit examen.
  Een nieuw examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage wordt georganiseerd in de loop van de derde maand die volgt op de datum van de overmaking van het resultaat.
  De stagiair oefent een functie uit op het hoofdbestuur tot zijn aanstelling op post, op Belgoeurop of op Belotan.
  Zijn evaluatie vindt plaats overeenkomstig artikel 24.
  De stagiair die definitief niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de kennisgeving van de beslissing.
Art. 29. Le stagiaire qui n'a pas réussi l'examen d'admission à la seconde partie du stage peut participer une seconde fois à cet examen.
  Un nouvel examen d'admission à la seconde partie du stage est organisé dans le courant du troisième mois qui suit la date de transmission du résultat.
  Le stagiaire exerce une fonction à l'administration centrale jusqu'à son affectation en poste, à Belgoeurop ou à Belotan.
  Son évaluation a lieu conformément à l'article 24.
  Le stagiaire qui échoue définitivement à l'examen d'admission à la seconde partie du stage est licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois qui prend cours le jour de la notification de la décision.
Art. 30. Tijdens het tweede deel van de stage is de stagiair aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 30. Pendant la seconde partie du stage, le stagiaire est affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 31. § 1. Tijdens het tweede deel van de stage stelt het posthoofd of, bij aanstelling op Belgoeurop of op Belotan, de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan, op regelmatige tijdstippen die worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde in functie van de duur van het tweede deel van de stage, een evaluatieverslag op van de stagiair.
  Het evaluatieverslag wordt onverwijld verzonden naar de stagiair.
  Wanneer de stagiair afwezig is, wordt het evaluatieverslag verzonden naar de stagiair binnen de vijftien dagen die volgen op de hervatting van het werk.
  De stagiair mag hierop zijn opmerkingen maken binnen de vijftien dagen na het verzenden van het evaluatieverslag.
  Het evaluatieverslag en de eventuele opmerkingen van de stagiair worden meegedeeld aan de directeur-generaal P&O of aan zijn afgevaardigde en worden opgenomen in het persoonlijk dossier van de stagiair.
  § 2. Indien de stagiair het voorwerp uitmaakt van de opvolging bedoeld in artikel 24, § 2, stelt de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde in de loop van de voorlaatste maand van het tweede deel van de stage een opvolgingsverslag op.
  Dit verslag wordt onverwijld verzonden naar de stagiair.
  Wanneer de stagiair afwezig is, wordt het evaluatieverslag verzonden naar de stagiair binnen de vijftien dagen die volgen op de hervatting van het werk.
  De stagiair mag hierop zijn opmerkingen maken binnen de vijftien dagen na het verzenden van het verslag.
  Het opvolgingsverslag en de eventuele opmerkingen van de stagiair worden meegedeeld aan de directeur-generaal P&O of aan zijn afgevaardigde en worden opgenomen in het persoonlijk dossier van de stagiair.
  § 3. In de loop van de laatste maand van het tweede deel van de stage stellen de hiërarchische meerderen bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid en het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan een eindevaluatieverslag op op basis van de evaluatieverslagen opgesteld tijdens het eerste en het tweede deel van de stage en bepalen of het eindevaluatieverslag gunstig is voor de stagiair.
  Indien de stagiair het voorwerp uitmaakt van de opvolging bedoeld in artikel 24, § 2, wordt rekening gehouden met het opvolgingsverslag bedoeld in paragraaf 2 bij het opstellen van het eindevaluatieverslag.
  Het eindevaluatieverslag wordt onverwijld verzonden naar de stagiair.
  Wanneer de stagiair afwezig is, wordt het eindevaluatieverslag verzonden naar de stagiair binnen de vijftien dagen die volgen op de hervatting van het werk.
  De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken binnen de vijftien dagen vanaf het verzenden van het eindevaluatieverslag.
  Het eindevaluatieverslag en de eventuele opmerkingen van de stagiair worden in het persoonlijk dossier van de stagiair opgenomen.
  Wanneer dit eindevaluatieverslag gunstig is voor de stagiair, stelt de voorzitter of zijn afgevaardigde aan de minister de stagiair voor benoeming voor.
  Wanneer dit eindverslag niet gunstig is voor de stagiair, dan vat de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde de evaluatiecommissie en legt haar een gemotiveerd voorstel van ontslag voor.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde maakt het evaluatiedossier van de stagiair over aan de evaluatiecommissie.
  § 4. Het eindevaluatieverslag is niet gunstig indien eruit blijkt dat de stagiair niet voldoet aan alle competenties op het vereiste niveau.
  § 5. De evaluatiecommissie nodigt de stagiair uit om te worden gehoord alvorens zijn advies te geven.
  De nadere regels voor het verhoor door de evaluatiecommissie worden bepaald door het reglement van inwendige orde van de evaluatiecommissie.
  § 6. De evaluatiecommissie geeft een advies en stelt voor aan de voorzitter of zijn afgevaardigde:
  1° ofwel de stagiair te benoemen;
  2° ofwel de stagiair te ontslaan.
  § 7. Het ontslag bedoeld in paragraaf 4, 2° wordt door de voorzitter of zijn afgevaardigde uitgesproken mits een opzeg van drie maanden die aanvangt op de dag van de kennisgeving van de beslissing.
Art. 31. § 1er. Pendant la seconde partie du stage, le chef de poste ou, en cas d'affectation à Belgoeurop ou à Belotan, le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan établit, à intervalles réguliers déterminés par le directeur général P&O ou son délégué en fonction de la durée de la seconde partie de stage, un rapport d'évaluation du stagiaire.
  Le rapport d'évaluation est envoyé sans délai au stagiaire.
  Lorsque le stagiaire est absent, le rapport d'évaluation est envoyé au stagiaire dans les quinze jours qui suivent la reprise du travail.
  Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans les quinze jours de l'envoi du rapport d'évaluation.
  Le rapport d'évaluation et les observations éventuelles du stagiaire sont communiqués au directeur général P&O ou à son délégué et sont versés au dossier personnel du stagiaire.
  § 2. Si le stagiaire fait l'objet du suivi visé à l'article 24, § 2, le directeur général P&O ou son délégué établit un rapport de suivi dans le courant de l'avant-dernier mois de la seconde partie du stage.
  Ce rapport est envoyé sans délai au stagiaire.
  Lorsque le stagiaire est absent, le rapport d'évaluation est envoyé au stagiaire dans les quinze jours qui suivent la reprise du travail.
  Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans les quinze jours de l'envoi du rapport.
  Le rapport de suivi et les observations éventuelles du stagiaire sont communiqués au directeur général P&O ou à son délégué et sont versés au dossier personnel du stagiaire.
  § 3. Dans le courant du dernier mois de la seconde partie du stage, les supérieurs hiérarchiques visés à l'article 24, § 1er, alinéa 1er et le chef de poste ou le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan établissent un rapport d'évaluation final sur base des rapports d'évaluation établis lors de la première et de la seconde partie du stage et déterminent si le rapport d'évaluation final est favorable au stagiaire.
  Si le stagiaire fait l'objet du suivi visé à l'article 24, § 2, le rapport de suivi visé au paragraphe 2 est également pris en compte lors de l'établissement du rapport d'évaluation final.
  Le rapport d'évaluation final est envoyé sans délai au stagiaire.
  Lorsque le stagiaire est absent, le rapport d'évaluation final est envoyé au stagiaire dans les quinze jours qui suivent la reprise du travail.
  Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans les quinze jours de l'envoi du rapport d'évaluation final.
  Le rapport d'évaluation final et les observations éventuelles du stagiaire sont versés au dossier personnel du stagiaire.
  Si le rapport d'évaluation final est favorable au stagiaire, le président ou son délégué propose au ministre le stagiaire à la nomination.
  Si le rapport d'évaluation final n'est pas favorable au stagiaire, le directeur général P&O ou son délégué saisit la commission d'évaluation et lui soumet une proposition motivée de licenciement.
  Le directeur général P&O ou son délégué transmet le dossier d'évaluation du stagiaire à la commission d'évaluation.
  § 4. Le rapport d'évaluation final n'est pas favorable s'il en ressort que le stagiaire ne satisfait pas à toutes les compétences au niveau requis.
  § 5. La commission d'évaluation invite le stagiaire à être entendu avant de rendre son avis.
  Les modalités de l'audition devant la commission d'évaluation sont déterminées par le règlement d'ordre intérieur de la commission d'évaluation.
  § 6. La commission d'évaluation émet un avis et propose au président ou son délégué :
  1° soit de nommer le stagiaire ;
  2° soit de licencier le stagiaire.
  § 7. Le licenciement visé au paragraphe 4, 2° est prononcé par le président ou son délégué moyennant un préavis de trois mois qui prend court le jour de la notification de la décision.
HOOFDSTUK 6. - Definitieve beëindiging van de stage
CHAPITRE 6. - Cessation définitive du stage
Art. 32. Onverminderd de artikelen 29, vijfde lid, 31, § 6, 33 en 34, geven tot ambtsneerlegging aanleiding:
  1° het vrijwillig ontslag;
  2° de oppensioenstelling.
  De stagiair die vrijwillig ontslag neemt, mag zijn dienst slechts verlaten na zijn ontslag te hebben betekend bij een aangetekende brief aan de voorzitter of zijn afgevaardigde. Deze betekening gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag en gaat in op de datum van verzending van de aangetekende brief. Deze termijn kan in onderlinge overeenstemming ingekort worden.
Art. 32. Sans préjudice des articles 29, alinéa 5, 31, § 6, 33 et 34, entraînent la cessation de la fonction :
  1° la démission volontaire ;
  2° la mise à la retraite.
  Le stagiaire qui démissionne volontairement, ne peut abandonner son service qu'après avoir notifié sa démission par lettre recommandée au président ou son délégué. Cette notification précède la démission de trente jours au moins et prend cours à la date d'envoi de la lettre recommandée. Ce délai peut être réduit de commun accord.
Art. 33. § 1. De stagiair kan worden ontslagen mits het naleven van een opzegtermijn van drie maanden indien hij niet het bewijs levert van een gedrag dat overeenstemt met de eisen van de functie.
  § 2. Elke zware fout begaan tijdens de stage kan aanleiding geven tot het ontslag zonder opzeg van de stagiair.
  § 3. In de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 en 2, wordt de stagiair voorafgaandelijk gehoord door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
  De stagiair verschijnt in persoon of via videoconferentie. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  Op gemotiveerd verzoek van de stagiair kan een uitstel van het verhoor worden toegekend.
  Indien de stagiair, hoewel een tweede keer regelmatig opgeroepen, niet verschijnt, spreekt de voorzitter of zijn afgevaardigde zich uit op basis van de stukken van het dossier.
  § 4. Het ontslag voorzien in de paragrafen 1 en 2 wordt uitgesproken door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
Art. 33. § 1er. Le stagiaire peut être licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois s'il ne fait pas preuve d'une conduite répondant aux exigences de la fonction.
  § 2. Toute faute grave commise pendant le stage peut donner lieu au licenciement sans préavis du stagiaire.
  § 3. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, le stagiaire est, au préalable, entendu par le président ou son délégué.
  Le stagiaire comparait en personne ou par vidéoconférence. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  Sur demande motivée du stagiaire, un report de l'audition peut être accordé.
  Si, bien que régulièrement convoqué une seconde fois, le stagiaire ne comparait pas, le président ou son délégué se prononce sur base des pièces du dossier.
  § 4. Le licenciement prévu aux paragraphes 1er et 2 est prononcé par le président ou son délégué.
Art. 34. § 1. Verliest ambtshalve en zonder opzeg de hoedanigheid van stagiair, de stagiair:
  1° die niet meer voldoet aan de Belgische nationaliteitsvereiste;
  2° die niet meer zijn burgerlijke of politieke rechten geniet;
  3° die niet langer aan de wetten over de dienstplicht voldoet;
  4° die zich persoonlijk bevindt in een toestand van belangenconflict;
  5° waarvan de medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
  6° die, zonder geldige reden, zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en voorafgaandelijk verwittigd werd en om opheldering verzocht werd;
  7° die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
  8° die, op de datum van de benoeming, niet zal voldoen aan de vereiste bedoeld in artikel 9, § 1, 7° ;
  9° die om tuchtredenen van ambtswege wordt ontslagen of afgezet.
  De bepaling bedoeld in het eerste lid, 6° is niet van toepassing op de stagiair die aan een georganiseerde werkonderbreking deelneemt.
  § 2. In het geval bedoeld in de paragraaf 1, eerste lid, 4°, wordt de stagiair voorafgaandelijk gehoord door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
  De stagiair verschijnt in persoon of via videoconferentie. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  Op gemotiveerd verzoek van de stagiair kan een uitstel van het verhoor worden toegekend.
  Indien de stagiair, hoewel een tweede keer regelmatig opgeroepen, niet verschijnt, spreekt de voorzitter of zijn afgevaardigde zich uit op basis van de stukken van het dossier.
Art. 34. § 1er. Perd d'office et sans préavis la qualité de stagiaire, le stagiaire :
  1° qui ne satisfait plus à la condition de nationalité belge ;
  2° qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques ;
  3° qui ne satisfait plus aux lois sur la milice ;
  4° qui se trouve personnellement dans une situation de conflit d'intérêts ;
  5° dont l'inaptitude médicale a été dûment constatée ;
  6° qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables et qui a été dûment et préalablement averti et interpellé ;
  7° qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation de la fonction ;
  8° qui, à la date de la nomination, ne satisfera pas à la condition visée à l'article 9, § 1er, 7° ;
  9° qui pour des raisons disciplinaires est démis d'office ou révoqué.
  La disposition visée à l'alinéa 1er, 6° n'est pas applicable au stagiaire qui participe à une action de cessation concertée du travail.
  § 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, le stagiaire est, au préalable, entendu par le président ou son délégué.
  Le stagiaire comparait en personne ou par vidéoconférence. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  Sur demande motivée du stagiaire, un report de l'audition peut être accordé.
  Si, bien que régulièrement convoqué une seconde fois, le stagiaire ne comparait pas, le président ou son délégué se prononce sur base des pièces du dossier.
TITEL 4. - Benoeming en indiensttreding
TITRE 4. - Nomination et entrée en fonction
HOOFDSTUK 1. - Benoeming
CHAPITRE 1er. - Nomination
Art. 35. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende vereisten voldoet:
  1° voldoen aan de toelaatbaarheidsvereisten voor de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 9, § 1;
  2° met goed gevolg de stage, voorzien in de artikelen 15 tot en met 31, hebben volbracht.
Art. 35. Nul ne peut être nommé agent s'il ne satisfait pas aux conditions suivantes :
  1° remplir les conditions d'admissibilité à la sélection comparative visées à l'article 9, § 1er ;
  2° avoir accompli avec succès le stage prévu aux articles 15 à 31.
Art. 36. De stagiair wordt door Ons, op voorstel van de minister, benoemd als ambtenaar in de klasse A2.
Art. 36. Le stagiaire est nommé par Nous, sur proposition du ministre, en tant qu'agent dans la classe A2.
HOOFDSTUK 2. - Indiensttreding
CHAPITRE 2. - Entrée en fonction
Art. 37. § 1. De stagiair legt de eed af bij zijn benoeming in de hoedanigheid van ambtenaar.
  Hij treedt in die hoedanigheid in dienst vanaf het moment van zijn eedaflegging.
  Indien hij weigert de eed af te leggen, wordt de stagiair ambtshalve ontslagen.
  § 2. De eedaflegging bedoeld in artikel 3, derde lid van het Consulair Wetboek vindt plaats bij de eedaflegging bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
  In afwijking van het eerste lid, vindt de eedaflegging bedoeld in artikel 3, derde lid van het Consulair Wetboek plaats bij de eerste aanstelling op post wanneer de stagiair aangesteld is op Belgoeurop of op Belotan tijdens het tweede deel van zijn stage.
Art. 37. § 1er. Le stagiaire prête serment lors de sa nomination en qualité d'agent.
  Il entre en fonction en cette qualité dès le moment de sa prestation de serment.
  S'il refuse de prêter serment, le stagiaire est démis d'office.
  § 2. La prestation de serment visée à l'article 3, alinéa 3 du Code consulaire a lieu lors de la prestation de serment visée au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la prestation de serment visée à l'article 3, alinéa 3 du Code consulaire a lieu lors de la première affectation en poste lorsque le stagiaire est affecté à Belgoeurop ou à Belotan pendant la seconde partie de son stage.
Art. 38. De eed bedoeld in artikel 37, § 1, eerste lid wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde.
  De eed bedoeld in artikel 37, § 2 wordt afgelegd in de handen van het consulaire posthoofd.
Art. 38. Le serment visé à l'article 37, § 1er, alinéa 1er est prêté entre les mains du ministre ou de son délégué.
  Le serment visé à l'article 37, § 2 est prêté entre les mains du chef de poste consulaire.
TITEL 5. - Hiërarchie, evaluatie, anciënniteit en bevordering tot de hogere klasse
TITRE 5. - Hiérarchie, évaluation, ancienneté et promotion à la classe supérieure
HOOFDSTUK 1. - Hiërarchie
CHAPITRE 1er. Hiérarchie
Art. 39. § 1. De buitenlandse carrière maakt deel uit van het niveau A van het Rijkspersoneel, zoals bepaald in artikel 3, § 1 van het statuut van het Rijkspersoneel.
  § 2. De buitenlandse carrière bevat vier klassen, genummerd van A2 tot A5 die de hoogste is.
  § 3. De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA21 of NA22 draagt de titel van ambassadesecretaris.
  De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA23, NA24 of NA25 draagt de titel van eerste ambassadesecretaris.
  De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA31 of NA32 draagt de titel van ambassaderaad.
  De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA33, NA34 of NA35 draagt de titel van eerste ambassaderaad.
  De ambtenaar benoemd in de klasse A4 draagt de titel van gevolmachtigd minister.
  De ambtenaar benoemd in de klasse A5 draagt de titel van buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur.
  § 4. In afwijking van paragraaf 3 draagt de ambtenaar die aangesteld is op post, op Belgoeurop of op Belotan de titel van de functie die hij uitoefent.
Art. 39. § 1er. La carrière extérieure se situe au niveau A des agents de l'Etat, tel que déterminé à l'article 3, § 1er du statut des agents de l'Etat.
  § 2. La carrière extérieure comprend quatre classes numérotées de A2 à A5 qui est la plus élevée.
  § 3. L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA21 ou NA22 porte le titre de secrétaire d'ambassade.
  L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA23, NA24 ou NA25 porte le titre de premier secrétaire d'ambassade.
  L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA31 ou NA32 porte le titre de conseiller d'ambassade.
  L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA33, NA34 ou NA35, porte le titre de premier conseiller d'ambassade.
  L'agent nommé dans la classe A4 porte le titre de ministre plénipotentiaire.
  L'agent nommé dans la classe A5 porte le titre d'ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 3, l'agent qui est affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan porte le titre de la fonction qu'il exerce.
HOOFDSTUK 2. - Evaluatie
CHAPITRE 2. - Evaluation
Art. 40. De aanstelling op het hoofdbestuur, op Belgoeurop, op Belotan of op post is een verandering van functie voor de toepassing van artikel 5, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt.
Art. 40. L'affectation à l'administration centrale, à Belgoeurop, à Belotan ou en poste est un changement de fonction pour l'application de l'article 5, alinéa 3, 3°, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale.
Art. 41. Voor het posthoofd en de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan vinden het evaluatiecyclusgesprek en, in voorkomend geval, het functioneringsgesprek schriftelijk of via videoconferentie plaats.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van de evaluatie via videoconferentie.
Art. 41. Pour le chef de poste et le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan, l'entretien de cycle d'évaluation et, le cas échéant, l'entretien de fonctionnement ont lieu par écrit ou par vidéoconférence.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'évaluation par vidéoconférence.
HOOFDSTUK 3. - Anciënniteit
CHAPITRE 3. - Ancienneté
Art. 42. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt de voorrang tussen de ambtenaren waarvan de anciënniteit wordt vergeleken, als volgt bepaald:
  1° de ambtenaar waarvan de klasse-anciënniteit het grootst is;
  2° bij gelijke klasse-anciënniteit, de ambtenaar waarvan de dienstanciënniteit het grootst is;
  3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
Art. 42. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de priorité entre les agents dont l'ancienneté est comparée s'établit de la façon suivante :
  1° l'agent dont l'ancienneté de classe est la plus élevée ;
  2° à égalité d'ancienneté de classe, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus élevée ;
  3° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
Art. 43. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij zijn wedde of, bij gebreke daaraan, zijn aanspraak op bevordering in zijn weddeschaal behoudt.
Art. 43. L'agent est réputé prester des services effectifs tant qu'il se trouve dans une position administrative qui lui vaut son traitement ou, à défaut, la conservation de ses titres à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art. 44. § 1. Voor het berekenen van de klasse-anciënniteit bedoeld in artikel 42, 1° komen alleen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 43 vanaf de datum waarop de ambtenaar in de beschouwde klasse werd opgenomen.
  § 2. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit bedoeld in artikel 42, 2° komen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 43, die de ambtenaar, in welke hoedanigheid dan ook, zonder vrijwillige onderbreking en als ambtenaar van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière heeft verricht.
  De onderbreking is vrijwillig als ze te wijten is aan de fout van de ambtenaar.
Art. 44. § 1er. Pour le calcul de l'ancienneté de classe visée à l'article 42, 1°, sont seuls admissibles les services effectifs au sens de l'article 43 à partir de la date à laquelle l'agent a été doté de la classe considérée.
  § 2. Pour le calcul de l'ancienneté de service visé à l'article 42, 2°, sont admissibles les services effectifs au sens de l'article 43, que l'agent a prestés, à quelque titre que ce soit, sans interruption volontaire et comme agent de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire.
  L'interruption est volontaire lorsqu'elle est due à la faute de l'agent.
Art. 45. De klasse- en de dienstanciënniteit zijn gelijk aan de som van de volle kalendermaanden tijdens dewelke voor het berekenen ervan in aanmerking komende diensten zijn verricht.
  Voor de toepassing van het eerste lid op de ambtenaar die gemachtigd is zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen:
  1° worden prestaties van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor twaalf volle kalendermaanden;
  2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd;
  3° worden de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn, verwaarloosd.
Art. 45. L'ancienneté de classe et l'ancienneté de service correspondent à la somme des mois entiers du calendrier compris dans les services admissibles pour leur calcul.
  Pour l'application de l'alinéa 1er à l'agent autorisé à exercer sa fonction par prestations réduites pour convenance personnelle :
  1° des prestations de 1976 heures de travail à temps partiel sont comptées par douze mois entiers de calendrier ;
  2° des prestations d'un douzième de 1976 heures de travail à temps partiel sont comptées pour un mois entier de calendrier, toute fraction d'heure étant négligée ;
  3° les services effectifs qui n'ont pas débuté le premier jour du mois ou qui ont pris fin avant le dernier jour du mois sont négligés.
HOOFDSTUK 4. - Bevordering tot de hogere klasse
CHAPITRE 4. - Promotion à la classe supérieure
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 46. Wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar in de hogere klasse; ze wordt "bevordering tot de hogere klasse" genoemd.
  De bevordering tot de hogere klasse wordt door Ons verleend.
Art. 46. Pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent à la classe supérieure ; elle est dénommée " promotion à la classe supérieure ".
  La promotion à la classe supérieure est attribuée par Nous.
Afdeling 2. - Vereisten voor bevordering tot de hogere klasse
Section 2. - Conditions de promotion à la classe supérieure
Art. 47. Om een bevordering tot de hogere klasse te bekomen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.
  Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn laatste evaluatie.
Art. 47. Pour obtenir une promotion à la classe supérieure, l'agent doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.
  En outre, il ne peut avoir obtenu la mention " insuffisant " au terme de sa dernière évaluation.
Art. 48. Kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2:
  1° die een klasse-anciënniteit van zes jaar heeft;
  2° die slaagt in een taalexamen met betrekking tot de kennis van een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de lijst van de andere talen bedoeld in het eerste lid, 2°, het vereiste niveau van de kennis van de taal alsook de nadere regels voor het behalen van de certificaten.
Art. 48. Peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 :
  1° qui compte une ancienneté de classe de six ans ;
  2° qui réussit un examen linguistique portant sur la connaissance d'une autre langue que la langue anglaise, française ou néerlandaise.
  Le ministre ou son délégué détermine la liste des autres langues visées à l'alinéa 1er, 2°, le niveau exigé de connaissance de la langue ainsi que les modalités d'obtention des certificats.
Art. 49. Kan worden bevorderd tot de klasse A4, de ambtenaar van de klasse A3 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft.
Art. 49. Peut être promu à la classe A4, l'agent de la classe A3 qui compte une ancienneté de classe de cinq ans.
Art. 50. Kan worden bevorderd tot de klasse A5, de ambtenaar van de klasse A4 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft.
Art. 50. Peut être promu à la classe A5, l'agent de la classe A4 qui compte une ancienneté de classe de cinq ans.
Art. 51. De vereisten voor bevordering naar de hogere klasse bedoeld in de artikelen 47 tot en met 50 zijn vervuld op de datum waarop de bekendmaking van de vacante betrekking wordt meegedeeld.
  De ambtenaar die tijdens de duur van de bevorderingsprocedure tot de hogere klasse zelfs tijdelijk ophoudt één van de vereisten bedoeld in de artikelen 47 tot en met 50 te vervullen, kan niet bevorderd worden.
Art. 51. Les conditions de promotion à la classe supérieure visées aux articles 47 à 50 sont remplies à la date à laquelle l'avis de vacance d'emploi est communiqué.
  L'agent qui pendant la durée de la procédure de promotion à la classe supérieure cesse, même temporairement, de remplir une des conditions visées aux articles 47 à 50 ne peut être promu.
Afdeling 3. - Bevorderingsprocedure tot de hogere klasse
Section 3. - Procédure de promotion à la classe supérieure
Art. 52. § 1. De vacature van door bevordering tot de hogere klasse te begeven betrekking wordt ter kennis gebracht van de bevorderbare ambtenaar door middel van een bekendmaking van vacante betrekking.
  De bekendmaking van vacante betrekking bevat de elementen betreffende de vacante functie en de bevorderingsprocedure om hem toe te laten te solliciteren met kennis van zaken.
  De bekendmaking van vacante betrekking wordt meegedeeld op één van de volgende wijzen:
  1° hetzij langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd;
  2° hetzij met een aangetekend schrijven naar het door de ambtenaar laatst meegedeelde adres;
  3° hetzij door bekendmaking in het Belgisch Staatsblad die gelijktijdig gepubliceerd wordt met een communicatie ten informatieve titel langs elektronische weg;
  4° hetzij via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  § 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de gemotiveerde kandidatuur die ingediend is met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, binnen een termijn van twintig werkdagen die aanvangt op de eerste werkdag volgend op de dag van de mededeling van de bekendmaking van vacante betrekking.
  De kandidatuur ingediend langs elektronische weg is enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat de ambtenaar beschikt over een ontvangstbevestiging van de kandidaatstelling.
  De kandidatuur ingediend via de diplomatieke tas is enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  § 3. Bij de motivering van zijn kandidatuur licht de ambtenaar de verscheidenheid van zijn ontwikkelde competenties toe.
Art. 52. § 1er. La vacance d'emploi à conférer par promotion à la classe supérieure est portée à la connaissance de l'agent susceptible d'être promu au moyen d'un avis de vacance d'emploi.
  L'avis de vacance d'emploi contient les éléments relatifs à la fonction vacante et à la procédure de promotion afin de lui permettre de postuler en connaissance de cause.
  L'avis de vacance d'emploi est communiqué par l'un des modes suivants :
  1° soit par voie électronique dont la réception est confirmée ;
  2° soit par lettre recommandée à la dernière adresse communiquée par l'agent ;
  3° soit par avis au Moniteur belge publié en même temps qu'une communication à titre informatif par voie électronique ;
  4° soit par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  § 2. Seule est prise en considération la candidature motivée introduite par lettre recommandée, par voie électronique ou par valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, dans un délai de vingt jours ouvrables qui commence à courir le premier jour ouvrable qui suit le jour de la communication de l'avis de vacance d'emploi.
  La candidature introduite par voie électronique n'est opposable qu'à la condition que l'agent dispose d'un accusé de réception de la candidature.
  La candidature introduite par la valise diplomatique n'est opposable qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  § 3. Lors de la motivation de sa candidature, l'agent explique la variété de ses compétences développées.
Art. 53. Het Directiecomité doet een voorlopig voorstel van rangschikking gebaseerd op de titels en verdiensten van de ambtenaren en hun geschiktheid om de vacante betrekking in te vullen.
  Met het oog op het rangschikken van de ambtenaren evalueert het Directiecomité de competenties vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking.
Art. 53. Le Comité de direction établit une proposition provisoire de classement basée sur les titres et mérites des agents et sur leur aptitude à remplir l'emploi vacant.
  En vue du classement des agents, le Comité de direction évalue les compétences reprises dans l'avis de vacance d'emploi.
Art. 54. § 1. Het voorlopig voorstel van rangschikking wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die zijn kandidatuur geldig heeft ingediend.
  Deze kennisgeving vindt plaats via een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat de ambtenaar heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont en bevat minstens de volgende elementen:
  1° de notulen van de zitting van het Directiecomité die het onderzoek van de kandidaturen en het voorlopig voorstel van rangschikking van de ambtenaren hernemen;
  2° de mogelijkheid voor de ambtenaar die zich benadeeld acht om binnen de twintig werkdagen na de kennisgeving een bezwaarschrift in te dienen ter attentie van het Directiecomité;
  3° de mogelijkheid voor de ambtenaar die zich benadeeld acht om te vragen om gehoord te worden door het Directiecomité;
  4° de mogelijkheid voor de ambtenaar om te vragen het bevorderingsdossier te raadplegen.
  § 2. Er wordt alleen rekening gehouden met het bezwaarschrift dat de ambtenaar heeft ingediend met een aangetekend schrijven, of langs elektronische weg of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post.
  Het bezwaarschrift ingediend langs elektronische weg is enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat de ambtenaar beschikt over een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift.
  Het bezwaarschrift ingediend via de diplomatieke tas is enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  Indien de ambtenaar vraagt om gehoord te worden, verschijnt hij in persoon of via videoconferentie. Hij mag zich niet laten bijstaan.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zich niet aanbiedt, spreekt het Directiecomité zich uit op basis van het bezwaarschrift.
  § 3. Indien, ingevolge het onderzoek van het bezwaarschrift, het Directiecomité het voorlopig voorstel van rangschikking niet verandert, wordt dit voorstel definitief en wordt het ter kennis gebracht van de ambtenaar die zijn kandidatuur geldig heeft ingediend.
  Voor de ambtenaar die een bezwaarschrift heeft ingediend, bevat de kennisgeving de notulen van de zitting van het Directiecomité die het onderzoek van de bezwaarschriften en het definitief voorstel van rangschikking hernemen.
  Voor de ambtenaar die geen bezwaarschrift heeft ingediend, bevat de kennisgeving enkel het deel van de notulen dat het definitief voorstel van rangschikking herneemt.
  § 4. Indien het Directiecomité een nieuw voorlopig voorstel van rangschikking opmaakt, wordt deze, volgens de in paragraaf 1, tweede lid bedoelde procedure, ter kennis gebracht van de ambtenaar die geldig zijn kandidatuur heeft ingediend.
  Indien een ambtenaar zich benadeeld acht ingevolge het nieuw voorstel van voorlopige rangschikking, kan hij een bezwaarschrift indienen volgens de in paragraaf 2 bedoelde procedure.
  De ambtenaar die werd gehoord overeenkomstig paragraaf 2, mag niet vragen opnieuw gehoord te worden.
  § 5. Ingevolge het onderzoek van de bezwaarschriften, stelt het Directiecomité een definitief voorstel van rangschikking op dat ter kennis wordt gebracht van de ambtenaar die zijn kandidatuur geldig heeft ingediend.
  Voor de ambtenaar die een bezwaarschrift heeft ingediend, bevat de kennisgeving de notulen van de zitting van het Directiecomité die het onderzoek van de bezwaarschriften en het definitief voorstel van rangschikking hernemen.
  Voor de ambtenaar die geen bezwaarschrift heeft ingediend, bevat de kennisgeving enkel het deel van de notulen dat het definitief voorstel van rangschikking herneemt.
  Het definitief voorstel van rangschikking wordt overgemaakt aan de minister.
  § 6. Indien de minister niet kan instemmen met het definitief voorstel van rangschikking van het Directiecomité en indien hij een andere ambtenaar die zijn kandidatuur geldig heeft ingediend, voordraagt, is zijn voorstel behoorlijk gemotiveerd.
Art. 54. § 1er. La proposition provisoire de classement est notifiée à l'agent qui a valablement introduit sa candidature.
  Cette notification a lieu par lettre recommandée à la dernière adresse que l'agent a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi et comporte au moins les éléments suivants :
  1° le procès-verbal de la séance du Comité de direction reprenant l'examen des candidatures et la proposition provisoire de classement des agents ;
  2° la possibilité pour l'agent qui s'estime lésé d'introduire dans les vingt jours ouvrables de la notification une réclamation à l'attention du Comité de direction ;
  3° la possibilité pour l'agent qui s'estime lésé de demander à être entendu par le Comité de direction ;
  4° la possibilité pour l'agent de demander à consulter le dossier de promotion.
  § 2. Seule est prise en considération la réclamation que l'agent a ont introduite par lettre recommandée, par voie électronique ou par valise diplomatique pour l'agent affecté en poste.
  La réclamation introduite par voie électronique n'est opposable qu'à la condition que l'agent dispose d'un accusé de réception de la réclamation.
  La réclamation introduite par la valise diplomatique n'est opposable qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  Si l'agent demande à être entendu, il comparaît en personne ou par vidéoconférence. Il ne peut se faire assister.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ne se présente pas, le Comité de direction se prononce sur base de la réclamation.
  § 3. Si, à la suite de l'examen de la réclamation, le Comité de direction ne modifie pas la proposition provisoire de classement, cette proposition devient définitive et est notifiée à l'agent qui a valablement introduit sa candidature.
  Pour l'agent qui a introduit une réclamation, la notification comporte le procès-verbal de la séance du Comité de direction reprenant l'examen des réclamations et la proposition définitive de classement.
  Pour l'agent qui n'a pas introduit de réclamation,, la notification comporte uniquement la partie du procès-verbal reprenant la proposition définitive de classement.
  § 4. Si le Comité de direction établit une nouvelle proposition provisoire de classement, celle-ci est notifiée, selon la procédure visée au paragraphe 1er, alinéa 2, à l'agent qui a valablement introduit sa candidature.
  Si, à la suite de la nouvelle proposition provisoire de classement, un agent s'estime lésé, il peut introduire une réclamation selon la procédure visée au paragraphe 2.
  L'agent qui a été entendu conformément au paragraphe 2, ne peut pas demander à être de nouveau entendu.
  § 5. A la suite de l'examen des réclamations, le Comité de direction établit une proposition définitive de classement qui est notifiée à l'agent qui a valablement introduit sa candidature.
  Pour l'agent qui a introduit une réclamation, la notification comporte le procès-verbal de la séance du Comité de direction reprenant l'examen des réclamations et la proposition définitive de classement.
  Pour l'agent qui n'a pas introduit de réclamation, la notification comporte uniquement la partie du procès-verbal reprenant la proposition définitive de classement.
  La proposition définitive de classement est transmise au ministre.
  § 6. Si le ministre ne peut se rallier à la proposition définitive de classement du Comité de direction et s'il présente un autre agent qui a valablement introduit sa candidature, sa proposition est dûment motivée.
Art. 55. § 1. In afwijking van artikel 53, tweede lid, kan het Directiecomité de evaluatie van bepaalde competenties opgenomen in de bekendmaking van vacante betrekking delegeren aan een jury of aan een evaluatiecentrum.
  Het resultaat van de evaluatie wordt meegedeeld aan het Directiecomité dat overgaat tot een evaluatie van de andere competenties overeenkomstig artikel 53, eerste lid en 54.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde duidt de leden van de jury bedoeld in het eerste lid aan.
  § 2. Indien de bekendmaking van vacante betrekking dat vermeldt, wordt de ambtenaar die niet slaagt voor de evaluatie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid door het Directiecomité ongeschikt geacht voor het invullen van de vacante betrekking.
  De beslissing van het Directiecomité wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die heeft deelgenomen aan de evaluatie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
  Deze kennisgeving vindt plaats via een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat de ambtenaar heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, is de bevorderingsprocedure afgesloten in zijn hoofde.
Art. 55. § 1er. Par dérogation à l'article 53, alinéa 2, le Comité de direction peut déléguer l'évaluation de certaines compétences reprises dans l'avis de vacance d'emploi à un jury ou à un centre d'évaluation.
  Le résultat de l'évaluation est communiqué au Comité de direction qui procède à l'évaluation des autres compétences conformément aux articles 53, alinéa 1er et 54.
  Le directeur général P&O ou son délégué désigne les membres du jury visé à l'alinéa 1er.
  § 2. Si l'avis de vacances d'emploi en fait mention, l'agent qui échoue à l'évaluation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er est considéré par le Comité de direction comme étant inapte à remplir l'emploi vacant.
  La décision du Comité de direction est notifiée à l'agent qui a pris part à l'évaluation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  Cette notification se fait par lettre recommandée à la dernière adresse communiquée par l'agent, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi .
  Par dérogation au § 1, alinéa 2, la procédure de promotion est close dans son chef.
Afdeling 4. - Mededeling van de beslissingen tot bevordering
Section 4. - Communication des décisions de promotion
Art. 56. De beslissing tot bevordering wordt meegedeeld door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde aan elke ambtenaar die op geldige wijze zijn kandidatuur heeft ingediend.
Art. 56. La décision de promotion est communiquée par le directeur général P&O ou son délégué à tout agent qui a valablement introduit sa candidature.
TITEL 6. - Administratieve standen
TITRE 6. - Positions administratives
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 57. De artikelen 58, 59, 60, 1° en 2°, 62, 1° en 2° en 64 tot 68 zijn van toepassing op de stagiair.
Art. 57. Les articles 58, 59, 60, 1° et 2°, 62, 1° et 2° et 63 à 68 sont applicables au stagiaire.
Art. 58. De ambtenaar bevindt zich in één van de volgende administratieve standen:
  1° in dienstactiviteit
  2° in non-activiteit;
  3° in disponibiliteit.
Art. 58. L'agent est dans une des positions administratives suivantes :
  1° en activité de service ;
  2° en non-activité ;
  3° en disponibilité.
Art. 59. Voor de vaststelling van zijn administratieve stand wordt de ambtenaar altijd geacht in dienstactiviteit te zijn, behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem, hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid, in een andere administratieve stand plaatst.
Art. 59. Pour la détermination de sa position administrative, l'agent est toujours censé être en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant, soit de plein droit, soit sur décision de l'autorité compétente, dans une autre position administrative.
HOOFDSTUK 2. - Dienstactiviteit
CHAPITRE 2. - Activité de service
Art. 60. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht:
  1° op zijn wedde;
  2° op bevordering in weddeschaal;
  3° om zijn aanspraken op bevordering te doen gelden.
Art. 60. Sauf disposition formelle contraire, l'agent en activité de service a droit :
  1° au traitement ;
  2° à la promotion barémique ;
  3° à faire valoir ses titres à la promotion.
Art. 61. De afschaffing van de betrekking waarin de ambtenaar is aangesteld, kan geen aanleiding geven tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar.
  De ambtenaar wordt herplaatst en bevindt zich in de administratieve stand dienstactiviteit.
Art. 61. La suppression de l'emploi dans lequel l'agent est affecté ne peut donner lieu à la perte de la qualité d'agent.
  L'agent est réaffecté et se trouve dans la position administrative d'activité de service.
HOOFDSTUK 3. - Non-activiteit
CHAPITRE 3. - Non-activité
Art. 62. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft de ambtenaar in de administratieve stand non-activiteit geen recht:
  1° op zijn wedde;
  2° op bevordering in weddeschaal;
  3° om zijn aanspraken op bevordering te doen gelden.
Art. 62. Sauf disposition formelle contraire, l'agent qui est dans la position administrative de non-activité n'a pas droit :
  1° au traitement ;
  2° à la promotion barémique ;
  3° à faire valoir ses titres à la promotion.
Art. 63. De ambtenaar kan niet in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld.
Art. 63. L'agent ne peut être mis ou maintenu en non-activité s'il se trouve dans les conditions requises pour obtenir une pension de retraite.
Art. 64. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan van rechtswege in non-activiteit wanneer hij:
  1° afwezig is van zijn post, van Belgoeurop of van Belotan zonder voorafgaandelijk een verlof of een dienstvrijstelling te hebben gekregen;
  2° zonder geldige reden de duur van zijn verlof of van zijn dienstvrijstelling overschrijdt;
  3° nalaat een geneeskundig getuigschrift in te dienen wanneer hij tijdens het lopende jaar reeds driemaal afwezig is geweest als gevolg van ziekte of ongeval met een duur van één dag zonder een geneeskundig getuigschrift:
  a) voor de ambtenaar aangesteld op post: bij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde;
  b) voor de ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan: bij het Bestuur van de medische expertise;
  4° in vredestijd sommige militaire prestaties verricht of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut aangewezen wordt bij toepassing van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;
  5° wanneer hij afwezig is ingevolge een missie die aanleiding heeft gegeven tot vrijstelling van militaire dienst overeenkomstig artikel 16 van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962.
Art. 64. Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire ou d'une mesure administrative, l'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan se trouve de plein droit en non-activité lorsqu'il :
  1° s'absente de son poste, de Belgoeurop ou de Belotan sans avoir obtenu au préalable un congé ou une dispense de service ;
  2° dépasse sans motif valable le terme de son congé ou de sa dispense de service ;
  3° omet d'introduire un certificat médical alors qu'à trois reprises au cours de l'année en cours, il a déjà été absent par suite de maladie ou d'accident pour une journée sans certificat médical :
  a) pour l'agent affecté en poste : auprès du directeur général P&O ou son délégué ;
  b) pour l'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan : auprès de l'Administration de l'expertise médicale ;
  4° accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience ;
  5° s'absente en raison d'une mission ayant donné lieu à l'exemption du service militaire en application de l'article 16 des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962.
Art. 65. Onverminderd de eventuele toepassing van het verlofbesluit, een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur ambtshalve in non-activiteit wanneer hij:
  1° zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in de artikelen 4 en 61, vierde lid van het verlofbesluit;
  2° in vredestijd sommige militaire prestaties verricht of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut aangewezen wordt bij toepassing van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;
  3° wanneer hij afwezig is ingevolge een missie die aanleiding heeft gegeven tot vrijstelling van militaire dienst overeenkomstig artikel 16 van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962.
Art. 65. Sans préjudice de l'éventuelle application de l'arrêté congé, d'une peine disciplinaire ou d'une mesure administrative, l'agent affecté à l'administration centrale se trouve de plein droit en non-activité lorsqu'il :
  1° se trouve dans un des cas visés aux articles 4 et 61, alinéa 4 de l'arrêté congé ;
  2° accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience ;
  3° s'absente en raison d'une mission ayant donné lieu à l'exemption du service militaire en application de l'article 16 des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962.
HOOFDSTUK 4. - Disponibiliteit
CHAPITRE 4. - Disponibilité
Art. 66. De ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur kan, onder de voorwaarden bepaald door het verlofbesluit, zonder opzegging in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte of wegens gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid.
  Onder de voorwaarden bepaald door de artikelen 114 tot en met 117 kan de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan zonder opzegging in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte of wegens gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheden dan het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid.
  § 2. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft de ambtenaar in de administratieve stand disponibiliteit recht:
  1° op een wachtgeld, overeenkomstig artikelen 295 en 319;
  2° op bevordering in weddeschaal;
  3° om zijn aanspraken op bevordering te doen gelden.
Art. 66. § 1er. Aux conditions déterminées par l'arrêté congé, l'agent affecté à l'administration centrale peut être, sans préavis, en position de disponibilité pour maladie ou pour infirmité n'entraînant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celle des congés pour maladie ou infirmité.
  Aux conditions déterminées par les articles 114 à 117, l'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan peut être, sans préavis, en position de disponibilité pour maladie ou pour infirmité n'entraînant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celle des congés pour maladie ou infirmité.
  § 2. Sauf disposition formelle contraire, l'agent qui est dans la position administrative de disponibilité a droit :
  1° à un traitement d'attente, conformément aux articles 295 et 319 ;
  2° à la promotion barémique ;
  3° à faire valoir ses titres à la promotion.
Art. 67. De ambtenaar kan niet in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de vereisten om in ruste te worden gesteld.
Art. 67. L'agent ne peut être mis ou maintenu en disponibilité s'il se trouve dans les conditions requises pour obtenir une pension de retraite.
Art. 68. Elke ambtenaar in disponibiliteit blijft ter beschikking van de minister en kan, bij vacature, weder in de personeelsformaties tewerkgesteld worden onder door Ons te bepalen voorwaarden.
  Hij neemt, binnen de door de minister bepaalde termijnen, de hem toegewezen dienst op.
Art. 68. Tout agent en disponibilité reste à la disposition du ministre et peut, en cas de vacance d'emploi, être réaffecté dans les cadres aux conditions déterminées par Nous.
  Il prend, dans les délais déterminés par le ministre, le service qui lui est assigné.
TITEL 7. - Arbeidsduur
TITRE 7. - Durée de travail
Art. 69. De gemiddelde maximale arbeidsduur bedraagt 38 uur per week.
  Deze titel is van toepassing op de stagiair.
Art. 69. La moyenne du temps de travail maximum s'élève à 38 heures par semaine.
  Le présent titre est applicable au stagiaire.
TITEL 8. - Verlof- en afwezighedenregeling
TITRE 8. - Régime de congé et d'absences
HOOFDSTUK 1. - Jaarlijks vakantieverlof
CHAPITRE 1er. - Congé annuel de vacances
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling
Section 1re. - Disposition commune
Art. 70. Dit hoofdstuk is van toepassing op de stagiair.
Art. 70. Le présent chapitre est applicable au stagiaire.
Afdeling 2. - Jaarlijks vakantieverlof op het hoofdbestuur, op Belgoeurop, op Belotan, tussen twee posten of tussen Belgoeurop of Belotan en een post
Section 2. - Congé annuel de vacances à l'administration centrale, à Belgoeurop, à Belotan, entre deux postes ou entre Belgoeurop ou Belotan et un poste
Art. 71. Geniet, wat betreft het jaarlijks vakantieverlof, van dezelfde regeling als diegene van toepassing op de Rijksambtenaren, de ambtenaar die in dienstactiviteit is en die:
  1° is aangesteld op het hoofdbestuur;
  2° is aangesteld op Belgoeurop of op Belotan;
  3° de post waarop hij aangesteld werd, definitief verlaten heeft en nog niet werd aangesteld op zijn volgende post;
  4° Belgoeurop of Belotan, waarop hij aangesteld werd, definitief verlaten heeft en nog niet werd aangesteld op zijn volgende post.
Art. 71. Bénéficie, en ce qui concerne le congé annuel de vacances, du même régime que celui applicable aux agents de l'Etat, l'agent qui est en activité de service et qui :
  1° est affecté à l'administration centrale ;
  2° est affecté à Belgoeurop ou à Belotan ;
  3° a quitté définitivement le poste où il était affecté et n'a pas encore été affecté dans son poste suivant ;
  4° a quitté définitivement Belgoeurop ou Belotan où il était affecté et n'a pas encore été affecté dans son poste suivant.
Afdeling 3. - Jaarlijks vakantieverlof op post
Section 3. - Congé annuel de vacances en poste
Art. 72. De ambtenaar aangesteld op post en in dienstactiviteit geniet van de dagen jaarlijks vakantieverlof voorzien in artikel 10 van het verlofbesluit.
Art. 72. L'agent affecté en poste et en activité de service bénéficie des jours de congé annuel de vacances prévus à l'article 10 de l'arrêté congé.
Art. 73. De ambtenaar aangesteld op post geniet, naast de dagen jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 72, van een bijkomend aantal dagen jaarlijks vakantieverlof dat bepaald wordt in functie van de categorie van hardship van de post:
  1° vijf dagen voor de posten met categorie van hardship 1 en 2;
  2° tien dagen voor de posten met categorie van hardship 3 en 4;
  3° vijftien dagen voor de posten met de categorie van hardship 5;
  4° twintig dagen voor de posten met de categorie van hardship 6 en 7.
  Het Directiecomité bepaalt de categorie van hardship van de posten.
  De categorie van hardship van de posten wordt jaarlijks herzien.
  In afwijking van het derde lid, wordt de categorie van hardship van de posten herzien in de loop van het jaar in geval van uitzonderlijke omstandigheden.
Art. 73. L'agent affecté en poste bénéficie, en plus des jours de congé annuel de vacances prévus à l'article 72, d'un nombre de jours de congé annuel de vacances supplémentaire déterminé en fonction du rang de pénibilité du poste :
  1° cinq jours pour les postes de rang de pénibilité 1 et 2 ;
  2° dix jours pour les postes de rang de pénibilité 3 et 4 ;
  3° quinze jours pour les postes de rang de pénibilité 5 ;
  4° vingt jours pour les postes de rang de pénibilité 6 et 7.
  Le Comité de direction détermine le rang de pénibilité des postes.
  Le rang de pénibilité des postes est revu annuellement.
  Par dérogation à l'alinéa 3, le rang de pénibilité des postes est revu en cours d'année en cas de circonstances exceptionnelles.
Art. 74. § 1. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in de artikelen 72 en 73 wordt genomen naar keuze van de ambtenaar met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  Dat jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wordt geplaatst.
  § 2. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 72 kan maximum tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde nadere regels.
  In afwijking van eerste lid, is de overdracht, indien de ambtenaar zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, niet beperkt tot één jaar.
  Bij de terugkeer van de ambtenaar wordt het jaarlijks vakantieverlof opgenomen naar keuze van de ambtenaar met inachtneming van de behoeften van de dienst.
Art. 74. § 1er. Le congé annuel de vacances visé aux articles 72 et 73 est pris au choix de l'agent dans le respect des nécessités du service.
  Ce congé annuel de vacances est suspendu dès que l'agent obtient un congé de maladie ou est placé en disponibilité.
  § 2. Le congé annuel de vacances visé à l'article 72 peut être reporté au maximum jusqu'au 31 décembre de l'année suivante, selon les modalités déterminées par le président.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque l'agent n'a pas pu prendre l'entièreté ou une partie de son congé annuel de vacances à cause d'une absence pour maladie, un accident du travail ou sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à une année.
  Au retour de l'agent, le congé annuel de vacances est pris au choix de l'agent dans le respect des nécessités du service.
Art. 75. § 1. Het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof dat per jaar kan worden opgespaard, is begrensd tot het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 72 dat hoger ligt dan de minimumduur bij voltijdse prestaties bepaald in artikel 9 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
  § 2. Het totale aantal opgespaarde dagen jaarlijks vakantieverlof mag niet hoger liggen dan honderd dagen.
  § 3. Bij de vaststelling van de maximumduur van honderd dagen bepaald in paragraaf 2 wordt geen rekening gehouden met het jaarlijks vakantieverlof dat overgedragen wordt in toepassing van artikel 74, § 2.
  § 4. De opgespaarde dagen jaarlijks vakantieverlof worden genomen naar de keuze van de ambtenaar met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  § 5. Indien de ambtenaar een doorlopende periode van ten minste twintig dagen opgespaard jaarlijks vakantieverlof wenst op te nemen, vraagt hij dit, in afwijking van paragraaf 4, twee maanden voor de aanvang van zijn verlof, aan.
  Dit verlof kan hem niet geweigerd worden om dienstredenen.
Art. 75. § 1er. Le nombre de jours de congé annuel de vacances qui peut être épargné chaque année est limité au nombre de jours de congé annuel de vacances visé à l'article 72 supérieur à la durée minimale pour des prestations à temps plein déterminée à l'article 9 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public.
  § 2. Le nombre total de jours de congé annuel de vacances ainsi épargnés ne peut pas dépasser les cent jours.
  § 3. Pour déterminer la durée maximum de cent jours déterminée au paragraphe 2, il n'est pas tenu compte du congé annuel de vacances qui est reporté en application de l'article 74, § 2.
  § 4. Les jours de congé annuel de vacances épargnés sont pris au choix de l'agent dans le respect des nécessités du service.
  § 5. Si l'agent souhaite prendre une période continue d'au moins vingt jours de congé annuel de vacances épargnés, il en fait la demande, par dérogation au paragraphe 4, deux mois avant le début de son congé.
  Ce congé ne peut pas lui être refusé pour des raisons de service.
Art. 76. § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in de artikelen 72 en 73.
  § 2. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in de artikelen 72 en 73 wordt pro rata verminderd wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt of in de loop van het jaar de afwezigheden heeft verkregen waarbij hij in disponibiliteit is geplaatst.
  § 3. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 73 wordt pro rata verminderd wanneer de ambtenaar die aangesteld is op post in de loop van het jaar aangesteld wordt op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
  § 4. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 73 wordt pro rata berekend wanneer de ambtenaar die aangesteld is op post, in de loop van het jaar aangesteld wordt op een andere post waarvan de categorie van hardschip verschillend is.
  § 5. Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 73 wordt pro rata berekend wanneer de ambtenaar die aangesteld is op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan aangesteld wordt op post in de loop van het jaar.
  § 6. In geval van wijziging van de categorie van hardship van de post waar de ambtenaar is aangesteld, wordt het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 73 pro rata herberekend op de datum van de inwerkingtreding van deze wijziging.
  § 7. Indien het aantal vakantiedagen berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot en met 6 geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid.
  § 8. Voor de toepassing van paragrafen 4 en 5, verliest de ambtenaar, indien de dagen jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel 73 niet worden opgenomen tijdens de aanstelling op post, het voordeel van deze verlofdagen.
Art. 76. § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances visé aux articles 72 et 73.
  § 2. Le congé annuel de vacances visé aux articles 72 et 73 est réduit au prorata, lorsque l'agent entre en service en cours d'année, cesse définitivement sa fonction ou a obtenu en cours d'année les absences pendant lesquelles il est placé en disponibilité.
  § 3. Le congé annuel de vacances visé à l'article 73 est réduit au prorata lorsque l'agent qui est affecté en poste est affecté en cours d'année à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
  § 4. Le congé annuel de vacances visé à l'article 73 est calculé au prorata lorsque l'agent qui est affecté en poste est affecté en cours d'année dans un autre poste dont le rang de pénibilité est différent.
  § 5. Le congé annuel de vacances visé à l'article 73 est calculé au prorata lorsque l'agent qui est affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan est affecté en poste en cours d'année.
  § 6. En cas de modification du rang de pénibilité du poste dans lequel l'agent est affecté, le congé annuel de vacances visé à l'article 73 est recalculé au prorata à la date d'entrée en vigueur de cette modification.
  § 7. Si le nombre de jours de congé calculé conformément aux paragraphes 2 à 6 ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  § 8. Pour l'application des paragraphes 4 et 5, à défaut de prendre, durant l'affectation en poste, les jours de congé annuel de vacances visés à l'article 73, l'agent perd le bénéfice de ces jours de congé.
HOOFDSTUK 2. - Andere verloven en afwezigheden
CHAPITRE 2. - Autres congés et absences
Afdeling 1. - Andere verloven en afwezigheden op het hoofdbestuur, tussen twee posten of tussen Belgoeurop of Belotan en een post
Section 1re. - Autres congés et absences à l'administration centrale, entre deux postes ou entre Belgoeurop ou Belotan et un poste
Art. 77. § 1. Geniet, wat betreft de andere verloven en afwezigheden, van dezelfde regeling als die van toepassing op de Rijksambtenaren, met uitzondering van het artikel 48 van het verlofbesluit, de ambtenaar die in dienstactiviteit is en die:
  1° is aangesteld op het hoofdbestuur;
  2° de post waarop hij aangesteld was, definitief verlaten heeft en nog niet werd aangesteld op zijn volgende post;
  3° Belgoeurop of Belotan, waarop hij aangesteld was, definitief verlaten heeft en nog niet werd aangesteld op zijn volgende post.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan het verlof voor het vervullen van een opdracht bedoeld in de artikelen 99, 102, § 1 en 103 van het verlofbesluit, niet meer dan twee keer vier jaar bedragen over het geheel van de loopbaan.
Art. 77. § 1er. Bénéficie, en ce qui concerne les autres congés et absences, du même régime que celui applicable aux agents de l'Etat, à l'exception de l'article 48 de l'arrêté congé, l'agent qui est en activité de service et qui :
  1° est affecté à l'administration centrale ;
  2° a quitté définitivement le poste où il était affecté et n'a pas encore été affecté dans son poste suivant ;
  3° a quitté définitivement Belgoeurop ou Belotan où il était affecté et n'a pas encore été affecté dans son poste suivant.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le congé pour exécuter une mission visée aux articles 99, 102, § 1er et 103 de l'arrêté congé, ne peut excéder deux fois quatre ans sur l'ensemble de la carrière.
Art. 78. In afwijking van artikel 130, eerste lid, 5°, kan de ambtenaar niet definitief ongeschikt verklaard worden wegens ziekte alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft uitgeput waarop artikel 41 van het verlofbesluit hem recht geeft.
Art. 78. Par dérogation à l'article 130, alinéa 1er, 5°, l'agent ne peut être déclaré définitivement inapte pour maladie avant qu'il n'ait épuisé la somme de congés à laquelle lui donne droit l'article 41 de l'arrêté congé.
Art. 79. De stagiair is, wat de andere verloven en afwezigheden betreft, tijdens het eerste deel van de stage onderworpen aan het verlofbesluit, met uitzondering van de bepalingen betreffende:
  1° de stagiair voorzien in artikel 1, § 2 van het verlofbesluit;
  2° het verlof om een stage of een proefperiode te verrichten en het verlof om zijn kandidatuur bij verkiezingen in te dienen;
  3° het verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen;
  4° het verlof voor opdracht bedoeld in de artikelen 95 tot en met 112 van het verlofbesluit;
  5° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
  6° het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging, de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte;
  7° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid.
Art. 79. Le stagiaire est soumis, durant la première partie du stage, en ce qui concerne les autres congés et absences, à l'arrêté congé, à l'exception des dispositions relatives :
  1° au stagiaire prévues à l'article 1er, § 2 de l'arrêté congé ;
  2° au congé pour accomplir un stage ou une période d'essai et au congé pour présenter sa candidature à des élections ;
  3° au congé pour prestations réduites pour raisons médicales ;
  4° au congé pour mission prévu aux articles 95 à 112 de l'arrêté congé ;
  5° à l'absence de longue durée pour raisons personnelles ;
  6° au congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, de l'interruption de la carrière pour congé parental et de l'interruption de la carrière pour l'assistance ou les soins à un enfant mineur pendant ou juste après l'hospitalisation de l'enfant des suites d'une maladie grave ;
  7° aux prestations réduites pour convenance personnelle.
Afdeling 2. - Andere verloven en afwezigheden op post, op Belgoeurop en op Belotan
Section 2. - Autres congés et absences en poste, à Belgoeurop et à Belotan
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 80. Deze afdeling is van toepassing op de stagiair gedurende het tweede deel van de stage.
Art. 80. La présente section est applicable au stagiaire durant la seconde partie du stage.
Art. 81. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld:
  1° met het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen die samenleven als koppel;
  2° met de vader, de persoon getrouwd met de moeder of die met deze laatste samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
  3° met het kind, het kind bedoeld in artikel 3, 23° ongeacht zijn leeftijd.
Art. 81. Pour l'application de la présente section, sont assimilés :
  1° au mariage, l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes qui cohabitent en tant que couple ;
  2° au père, la personne mariée à la mère ou vivant en couple avec cette dernière au même domicile ;
  3° à l'enfant, l'enfant visé à l'article 3, 23° quel que soit son âge.
Onderafdeling 2. - Omstandigheidsverlof
Sous-section 2. - Congés de circonstances
Art. 82. § 1. De ambtenaar in dienstactiviteit geniet van het omstandigheidsverlof binnen de hierna bepaalde grenzen:
  1° het huwelijk van de ambtenaar: vier dagen;
  2° de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat: twintig dagen;
  3° het overlijden van de partner, het overlijden van het kind of het overlijden van het kind dat in het verleden geplaatst was bij de ambtenaar of zijn partner in het kader van langdurige pleegzorg: tien dagen, waarbij drie dagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven dagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden;
  4° het overlijden van de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, de schoondochter of de schoonzoon van de ambtenaar of van zijn partner: vier dagen waarbij drie dagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één dag door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden;
  5° het overlijden van de pleegvader of de pleegmoeder van de ambtenaar in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: vier dagen waarbij drie dagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één dag door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden;
  6° het huwelijk van een kind van de ambtenaar of van zijn partner: twee dagen;
  7° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder of een kleinkind van de ambtenaar of van zijn partner: één dag;
  8° het overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de ambtenaar of van zijn partner, die onder hetzelfde dak woont als de ambtenaar: twee dagen;
  9° het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de ambtenaar of van zijn partner, die niet onder hetzelfde dak woont als de ambtenaar: één dag;
  10° het overlijden van een pleegkind dat geplaatst werd bij de ambtenaar of bij zijn partner in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: één dag;
  11° de verandering van standplaats verbonden aan een wijziging van aanstelling: twee dagen;
  12° de priesterwijding, het intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn partner: één dag;
  13° de plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn partner: één dag;
  14° de deelneming van een kind van de ambtenaar of van zijn partner aan het feest van de "vrijzinnige jeugd": één dag;
  15° de oproeping als getuige voor een rechtscollege of de persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: voor de nodige duur.
  Voor de toepassing van de eerste lid, 2°, bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft de ambtenaar die de partner van de moeder van het kind is, recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet, sluit voor eenzelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit.
  § 2. De verloven bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2° en 6° tot en met 15° worden genomen binnen de twaalf maanden na de omstandigheid die het recht op verlof heeft doen ontstaan.
  Er kan van de periode waarin de verlofdagen bedoeld in paragraaf 1, 3°, 4° en 5° moeten worden opgenomen, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits het akkoord van de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, voor zover de verlofdagen worden genomen binnen de twaalf maanden na de omstandigheid die het recht op verlof heeft doen ontstaan.
  § 3. In geval een verlof wegens ziekte andere dan een beroepsziekte, of ten gevolge van een ongeval, ander dan een arbeidsongeval of een ongeval van of naar het werk, aansluit op de afwezigheid wegens het omstandigheidsverlof dat op grond van paragraaf 1, 3°, wordt toegekend, dan worden de opgenomen dagen van omstandigheidsverlof vanaf de vijfde dag in mindering gebracht van het saldo van de verloven waarop artikel 104 recht geeft, op voorwaarde dat deze vijfde dag aansluit op een vierde dag afwezigheid toegestaan op grond van paragraaf 1, 3°.
Art. 82. § 1er. L'agent en activité de service bénéficie des congés de circonstances dans les limites déterminées ci-après :
  1° le mariage de l'agent : quatre jours ;
  2° la naissance d'un enfant dont la filiation est établie à l'égard de l'agent : vingt jours ;
  3° le décès du partenaire, le décès de l'enfant ou le décès de l'enfant placé dans le passé chez l'agent ou son partenaire dans le cadre d'un placement de longue durée : dix jours, dont trois jours à choisir par l'agent pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et sept jours à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès ;
  4° le décès du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, de la belle-fille, du beau-fils de l'agent ou de son partenaire : quatre jours dont trois jours à choisir par l'agent pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès ;
  5° le décès du père d'accueil ou de la mère d'accueil auprès desquels l'agent était placé dans le cadre d'un placement familial de longue durée au moment du décès : quatre jours, dont trois jours à choisir par l'agent pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès ;
  6° le mariage d'un enfant de l'agent ou de son partenaire : deux jours ;
  7° le mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, d'un petit-enfant de l'agent ou de son partenaire : un jour ;
  8° le décès d'un parent ou allié, à quelque degré que ce soit, de l'agent ou de son partenaire, habitant sous le même toit que l'agent : deux jours ;
  9° le décès d'un parent ou allié au deuxième ou au troisième degré de l'agent ou de son partenaire, n'habitant pas sous le même toit que l'agent : un jour ;
  10° le décès d'un enfant qui était placé auprès de l'agent ou de son partenaire dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès : un jour ;
  11° le changement de résidence lié à un changement d'affectation : deux jours ;
  12° l'ordination, l'entrée au couvent ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant de l'agent ou de son partenaire : un jour ;
  13° la communion solennelle ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant de l'agent ou de son partenaire : un jour ;
  14° la participation à la fête de la jeunesse laïque, d'un enfant de l'agent ou de son partenaire : un jour ;
  15° la convocation comme témoin devant une juridiction ou la comparution personnelle ordonnée par une juridiction : pour la durée nécessaire.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, à défaut d'une personne qui prend ce congé sur la base de la filiation avec l'enfant, l'agent qui est le partenaire de la mère de l'enfant a droit au congé. Le droit au congé de maternité visé à l'article 39 de la loi sur le travail exclut pour un même parent le droit au congé de circonstances à la naissance.
  § 2. Les congés visés au paragraphe 1er, 1°, 2° et 6° à 15° sont pris dans les douze mois de la circonstance qui a ouvert le droit au congé.
  Il peut être dérogé à la période au cours de laquelle les jours de congé visés au paragraphe 1er, 3°, 4° et 5° doivent être pris à la demande de l'agent moyennant l'accord du directeur général P&O ou son délégué, pour autant les jours de congé soient pris dans les douze mois de la circonstance qui a ouvert le droit au congé.
  § 3. Si un congé résultant d'une maladie autre qu'une maladie professionnelle, ou d'un accident autre qu'un accident du travail ou qu'un accident survenu sur le chemin du travail, suit directement l'absence résultant du congé de circonstance accordé conformément au paragraphe 1er, 3°, les jours du congé de circonstance pris à partir du cinquième jour sont décomptés du solde des congés auxquels donne droit l'article 104, à condition que le cinquième jour suive un quatrième jour d'absence autorisé conformément au paragraphe § 1er, 3°.
Onderafdeling 3. - Uitzonderlijk verlof
Sous-section 3. - Congé exceptionnel
Art. 83. § 1. De ambtenaar in dienstactiviteit bekomt een zorgverlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan de hierna opgesomde personen die verblijven bij ambtenaar en die om medische redenen behoefte hebben aan zorg of steun:
  1° de partner;
  2° het kind;
  3° een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie of met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij;
  4° een bloed- of aanverwant van de ambtenaar of zijn partner.
  In afwijking van het eerste lid, voor de personen bedoelde in 1° tot en met 3°, geldt de vereiste van het verblijf bij de ambtenaar niet voor de ambtenaar die aangesteld is op een post met categorie van hardship 5 tot en met 7.
  De noodzaak van de aanwezigheid van de ambtenaar wordt bewezen aan de hand van een doktersattest.
  § 2. De duur van het verlof bedoeld in paragraaf 1, eerste lid is beperkt tot vijf dagen per jaar.
Art. 83. § 1er. L'agent en activité de service obtient un congé d'aidant dans le but de fournir des soins personnels ou une aide personnelle aux personnes énumérées ci-dessous qui résident avec l'agent et qui nécessitent des soins ou une aide pour une raison médicale :
  1° le partenaire ;
  2° l'enfant ;
  3° une personne accueillie en vue de son adoption ou en vue de l'exercice d'une tutelle officieuse ;
  4° un parent ou allié de l'agent ou de son partenaire.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les personnes visées aux 1° à 3°, la condition de résider avec l'agent ne s'applique pas pour l'agent qui est affecté dans un poste de rang de pénibilité 5 à 7.
  Une attestation médicale témoigne de la nécessité de la présence de l'agent.
  § 2. La durée du congé visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ne peut excéder cinq jours par année.
Onderafdeling 4. - Moederschapsbescherming
Sous-section 4. - Protection de la maternité
Art. 84. De ambtenaar in dienstactiviteit geniet van de moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 85 tot en met 91.
Art. 84. L'agent en activité de service bénéficie de la protection de la maternité visée aux articles 85 à 91.
Art. 85. Het moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet is niet van toepassing in geval van een miskraam vóór de honderd eenentachtigste dag van de zwangerschap.
Art. 85. Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi sur le travail ne s'applique pas en cas de fausse couche se produisant avant le cent quatre-vingt-unième jour de gestation.
Art. 86. Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling.
  Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich in moederschapsverlof.
Art. 86. Lorsque l'agent féminin a épuisé le congé prénatal et que l'accouchement se produit après la date prévue, le congé prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
  Durant cette période, l'agent féminin se trouve en congé de maternité.
Art. 87. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij is blijven verder werken vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.
  Bij vroeggeboorte wordt deze periode verminderd pro rata van de dagen waarop zij heeft gewerkt tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
  Worden gelijkgesteld met dagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden:
  1° het jaarlijks vakantieverlof:
  a) bedoeld in artikel 71 voor de ambtenaar die aangesteld is op Belgoeurop of Belotan;
  b) bedoeld in de artikelen 72 en 73 voor de ambtenaar die aangesteld is op post;
  2° de feestdagen;
  3° het omstandigheidsverlof en het uitzonderlijk verlof;
  4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° de afwezigheden wegens ziekte;
  6° de volledige werkverwijdering bedoeld in artikel 91.
  Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, verlengd met een periode van maximaal twee weken.
Art. 87. A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail, prolongé après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue.
  En cas de naissance prématurée, cette période est réduite au prorata des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
  Sont assimilés à des jours qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal :
  1° le congé annuel de vacances :
  a) visé à l'article 71 pour l'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan ;
  b) visé aux articles 72 et 73 pour l'agent affecté en poste ;
  2° les jours fériés ;
  3° le congé de circonstances et le congé exceptionnel ;
  4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial ;
  5° les absences pour maladie ;
  6° l'écartement complet du travail visé à l'article 91.
  En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa 2, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines.
Art. 88. Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op haar verzoek worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer de vrouwelijke ambtenaar de arbeidsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.
  Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de vrouwelijke ambtenaar de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid van de arbeidswet.
  Overeenkomstig artikel 39, derde lid van de arbeidswet, worden de verlofdagen van postnatale rust opgenomen binnen de acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.
Art. 88. Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail, les deux dernières semaines de la période de repos postnatal peuvent être converties, à sa demande, en jours de congé de repos postnatal, lorsque l'agent féminin peut prolonger la période d'interruption de travail d'au moins deux semaines après la neuvième semaine.
  Au plus tard quatre semaines avant la fin de la période obligatoire de repos postnatal, l'agent féminin informe par écrit le directeur général P&O ou son délégué de la conversion et du planning visés à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail.
  Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail, les jours de congé de repos postnatal sont pris dans les huit semaines à compter de la fin de la période ininterrompue de repos postnatal.
Art. 89. De zwangere of de borstgevende vrouwelijke ambtenaar mag geen overuren verrichten.
  Als overuren dienen te worden beschouwd, alle werk uitgevoerd boven de 38 uren per week.
Art. 89. En période de grossesse ou d'allaitement, l'agent féminin ne peut effectuer du travail supplémentaire.
  Est à considérer comme travail supplémentaire, tout travail effectué au-delà de 38 heures par semaine.
Art. 90. De vrouwelijke ambtenaar die in dienstactiviteit is, bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en te ondergaan.
  De aanvraag van de vrouwelijke ambtenaar moet worden gestaafd met elk nuttig bewijs.
Art. 90. L'agent féminin qui est en activité de service obtient, à sa demande, le congé nécessaire pour lui permettre de se rendre et de subir les examens médicaux prénatals qui ne peuvent avoir lieu en dehors des heures de service.
  La demande de l'agent féminin est appuyée de toute preuve utile.
Art. 91. De vrouwelijke ambtenaar die, met toepassing van artikelen 42 en 43 van de arbeidswet, is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode.
Art. 91. L'agent féminin qui, en application des articles 42 et 43 de la loi sur le travail, est dispensé de travail, est mis d'office en congé pour la durée nécessaire.
Art. 92. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting opgenomen blijft, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na die eerste zeven dagen.
  De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden.
  Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde:
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval, een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de eerste verlenging waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
Art. 92. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né reste dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours.
  La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines.
  A cet effet, l'agent féminin remet au directeur général P&O ou son délégué :
  1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation ;
  2° le cas échéant, à la fin de la première période de prolongation, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
Onderafdeling 5. - Omgezet moederschapsverlof
Sous-section 5. - Congé de maternité converti
Art. 93. § 1. Als de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de ambtenaar in dienstactiviteit die de vader van het kind is op zijn verzoek een omgezet moederschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien.
  § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het omgezet moederschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het moederschapsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had.
  De ambtenaar die de vader van het kind is en die het omgezet moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde van op de hoogte binnen de zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder.
  Dit geschrift vermeldt de begindatum van het omgezet moederschapsverlof en zijn vermoedelijke duur.
  De ambtenaar die de vader van het kind is, legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.
  § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die de vader van het kind is, genieten van omgezet moederschapsverlof onder de volgende vereisten:
  1° de pasgeborene heeft het ziekenhuis verlaten;
  2° de hospitalisatie van de moeder duurt langer dan zeven dagen.
  Het omgezet moederschapsverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag die volgt op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het moederschapsverlof dat nog niet was opgebruikt door de moeder.
  De ambtenaar die de vader van het kind is en die het omgezet moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde van op de hoogte.
  Dit geschrift vermeldt de begindatum van het verlof en zijn vermoedelijke duur.
  De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen die volgen op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Art. 93. § 1er. Si la mère de l'enfant décède ou est hospitalisée, l'agent, en activité de service, qui est le père de l'enfant obtient, à sa demande, un congé de maternité converti en vue d'assurer l'accueil de l'enfant.
  § 2. En cas de décès de la mère, la durée du congé de maternité converti est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère.
  L'agent qui est le père de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti en informe par écrit le directeur général P&O ou son délégué dans les sept jours à dater du décès de la mère.
  Cet écrit mentionne la date du début du congé de maternité converti et sa durée probable.
  L'agent qui est le père de l'enfant produit dans les meilleurs délais un extrait de l'acte de décès de la mère.
  § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, l'agent qui est le père de l'enfant peut bénéficier du congé de maternité converti aux conditions suivantes :
  1° le nouveau-né a quitté l'hôpital ;
  2° l'hospitalisation de la mère a une durée de plus de sept jours.
  Le congé de maternité converti ne peut débuter avant le septième jour qui suit le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère.
  L'agent qui est le père de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti en informe par écrit le directeur général P&O ou son délégué.
  Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable.
  La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
Onderafdeling 6. - Borstvoedingspauze
Sous-section 6. - Pause d'allaitement
Art. 94. § 1. De vrouwelijke ambtenaar in dienstactiviteit heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot negen maanden na de geboorte van het kind.
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur.
  De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze.
  De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes.
  Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
  De momenten waarop de vrouwelijke ambtenaar de borstvoedingspauze(s) kan nemen, worden overeengekomen tussen de vrouwelijke ambtenaar en het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan.
  Bij gebreke aan een akkoord organiseert de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde een bemiddeling.
  Als de bemiddeling mislukt, neemt de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde een met redenen omklede beslissing.
  § 3. De vrouwelijke ambtenaar die de borstvoedingspauzes wenst te genieten, brengt het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan twee weken op voorhand schriftelijk op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd.
  Het bewijs van borstvoeding wordt, vanaf het begin van de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes, geleverd door een medisch getuigschrift.
  De vrouwelijke ambtenaar die aangesteld is op Belgoeurop of op Belotan kan het bewijs van borstvoeding eveneens leveren door een attest van één van de volgende consultatiebureaus voor zuigelingen:
  1° O.N.E.;
  2° Kind en Gezin;
  3° Dienst für Kind und Familie.
  Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde elke maand een medisch getuigschrift of een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen.
Art. 94. § 1er. L'agent féminin, en activité de service, a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à neuf mois après la naissance de l'enfant.
  § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure.
  L'agent féminin qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour.
  L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour.
  Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois.
  La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
  Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent féminin peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent féminin et le chef de poste ou le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan.
  A défaut d'accord, le directeur général P&O ou son délégué organise une médiation.
  Si la médiation échoue, le directeur général P&O ou son délégué prend une décision motivée.
  § 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement, avertit par écrit deux semaines à l'avance le chef de poste ou le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan, à moins que celui-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
  Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement.
  La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement, apportée par un certificat médical.
  L'agent féminin qui est affecté à Belgoeurop ou à Belotan peut également apporter la preuve de l'allaitement par une attestation d'un des centres de consultation des nourrissons suivants :
  1° O.N.E. ;
  2° Kind en Gezin ;
  3° Dienst für Kind und Familie.
  Un certificat médical ou une attestation d'un centre de consultation des nourrissons est ensuite remis par l'agent féminin chaque mois au directeur général P&O ou son délégué.
Onderafdeling 7. - Ouderschapsverlof
Sous-section 7. - Congé parental
Art. 95. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of bij de adoptie van zijn kind, een ouderschapsverlof toegestaan dat kan genomen worden als voltijds verlof gedurende een periode van drie maanden.
  Naar keuze van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst per maand.
  De ambtenaar heeft recht op het ouderschapsverlof:
  1° naar aanleiding van de geboorte van zijn kind totdat het kind twaalf jaar wordt;
  2° in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin, in het consulaire bevolkingsregister van de post wanneer de ambtenaar aangesteld is op post of in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft indien de ambtenaar aangesteld was op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, totdat het kind twaalf jaar wordt.
  Wanneer het kind voor ten minste 66% getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, is er geen leeftijdsgrens.
  Aan de vereiste van de twaalfde verjaardag is uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof voldaan.
Art. 95. L'agent en activité de service obtient, lors de la naissance ou de l'adoption de son enfant, un congé parental qui peut être pris sous la forme d'un congé à temps plein durant une période de trois mois.
  Au choix de l'agent, cette période peut être fractionnée par mois.
  L'agent a droit au congé parental :
  1° en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire ;
  2° en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre consulaire de la population du poste lorsque l'agent est affecté en poste, ou au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où l'agent a sa résidence si l'agent était affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire.
  Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales, il n'y a pas de limite d'âge.
  La condition du douzième anniversaire est satisfaite au plus tard pendant la période de congé parental.
Onderafdeling 8. - Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof, pleegzorgverlof
Sous-section 8. - Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil
Art. 96. § 1. Een adoptieverlof wordt toegestaan gedurende een periode van maximum zes weken aan de ambtenaar in dienstactiviteit die een minderjarig kind adopteert.
  Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen:
  1° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
  2° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
  3° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
  In geval van twee adoptieouders worden deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld.
  Het tweede lid is enkel van toepassing op de aanvraag ingediend overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Het verlof kan worden gesplitst per week en wordt genomen uiterlijk binnen de zeven maanden die volgen op de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar.
  In het kader van een interlandelijke adoptie kan de ambtenaar op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van het kind in zijn gezin voor te bereiden.
  § 2. De ambtenaar die het verlof bedoeld in paragraaf 1 wenst te genieten, deelt aan de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde de datum mee waarop het verlof aanvangt en de duur ervan.
  De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde een kortere termijn aanvaardt op verzoek van de ambtenaar.
  De ambtenaar legt, van zodra hij erover beschikt, de volgende documenten voor:
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister of in het consulair bevolkingsregister van de post wanneer de ambtenaar aangesteld op post is, bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
  3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt.
  De verklaring op eer bedoeld in het derde lid, 3° is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
  § 3. De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met vier weken, wanneer de ambtenaar voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel 82, § 1, 2° heeft gekregen.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 97 dat de ambtenaar reeds heeft gekregen voor hetzelfde kind.
Art. 96. § 1er. Un congé d'adoption est accordé pendant une période de maximum six semaines à l'agent, en activité de service, qui adopte un enfant mineur.
  Le congé d'adoption de six semaines par parent adoptif est allongé de la manière suivante pour le parent adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble :
  1° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 ;
  2° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 ;
  3° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
  S'il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires.
  L'alinéa 2 ne s'applique qu'à la demande introduite conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé d'adoption prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Le congé peut être fractionné par semaine et est pris au plus tard dans les sept mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille de l'agent.
  Dans le cadre d'une adoption internationale, l'agent peut, à sa demande, prendre maximum quatre semaines de ce congé avant que l'enfant ne soit effectivement accueilli dans la famille afin de préparer l'accueil effectif de l'enfant dans sa famille.
  § 2. L'agent qui souhaite bénéficier du congé visé au paragraphe 1er communique au directeur général P&O ou son délégué la date à laquelle le congé prend cours et sa durée.
  Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que le directeur général P&O ou son délégué n'accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
  L'agent présente, dès qu'il en dispose, les documents suivants :
  1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale communautaire compétente, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de quatre semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille ;
  2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers, ou au registre consulaire de la population du poste lorsque l'agent est affecté en poste, pour pouvoir prendre le congé restant ;
  3° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé d'adoption entre les deux parents adoptifs ou de l'attribution de ces semaines au seul parent adoptif qui utilise ce congé.
  La déclaration sur l'honneur visée à l'alinéa 3, 3° n'est nécessaire que si la famille qui adopte l'enfant se compose de deux parents adoptifs.
  § 3. La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins neuf points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximale du congé d'adoption est allongée de deux semaines par parent adoptif en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite de quatre semaines, lorsque l'agent a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 82, § 1er, 2°.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 97 que l'agent a déjà obtenu pour le même enfant.
Art. 97. Een opvangverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar in dienstactiviteit die de pleegvoogdij opneemt van een kind van minder dan tien jaar.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind van minder dan drie jaar en ten hoogste vier weken in de andere gevallen.
  Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
Art. 97. Un congé d'accueil est accordé à l'agent, en activité de service, qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans.
  Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de trois ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas.
  Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
Art. 98. § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar in dienstactiviteit die is aangesteld als pleegouder voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
  De duur van het pleegzorgverlof mag zes dagen per jaar niet overschrijden.
  § 2. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van de ambtenaar vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de normale uren:
  1° alle soorten zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
  2° de contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind of de pleeggast;
  3° de contacten met de dienst voor pleegzorg.
  In andere dan de in het eerste lid vermelde situaties geldt het recht op verlof slechts voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom een dergelijk verlof noodzakelijk is.
  § 3. De ambtenaar die gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, verwittigt de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde hiervan ten minste twee weken op voorhand.
  Indien dit niet mogelijk is, verwittigt hij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde zo spoedig mogelijk.
  Om het verlof te kunnen genieten, bewijst de ambtenaar dat hij pleegouder is.
  Op verzoek van de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde levert de ambtenaar het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid op het werk rechtvaardigen aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel.
Art. 98. § 1er. Un congé pour soins d'accueil est accordé à l'agent, en activité de service, qui a été désigné comme parent d'accueil pour remplir les obligations et les missions ou pour faire face à des situations qui découlent du placement dans sa famille d'une ou de plusieurs personnes qui lui ont été confiées dans le cadre de ce placement.
  La durée du congé pour soins d'accueil ne peut pas dépasser six jours par année.
  § 2. Les types d'obligations, missions et situations pour lesquels le congé est prévu dans le but de dispenser des soins d'accueil, concernent les évènements suivants qui sont en rapport avec la situation de placement et dans lesquels l'intervention de l'agent est requise, et ce pour autant que cela ne puisse se faire en dehors des heures normales :
  1° tous types d'audiences auprès des autorités judiciaires et administratives ayant compétence auprès de la famille d'accueil ;
  2° les contacts du parent d'accueil ou de la famille d'accueil avec les parents ou des tiers qui sont importants pour l'enfant ou la personne placée ;
  3° les contacts avec le service de placement.
  Dans les situations autres que celles visées à l'alinéa 1er, le droit au congé ne s'applique que pour autant que le service de placement compétent délivre une attestation qui précise pourquoi un tel congé est indispensable.
  § 3. L'agent qui fait usage du congé dans le but de dispenser des soins d'accueil en informe le directeur général P&O ou son délégué au moins deux semaines à l'avance.
  Dans le cas où il n'en a pas la possibilité, il avertit le directeur général P&O ou son délégué le plus vite possible.
  Pour pouvoir bénéficier du congé, l'agent prouve qu'il est parent d'accueil.
  A la demande du directeur général P&O ou son délégué, l'agent apporte la preuve de l'évènement qui légitime son absence au travail à l'aide des documents appropriés ou à défaut par tout autre moyen de preuve.
Art. 99. § 1. Onverminderd artikel 98, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit die is aangesteld als pleegouder en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een ononderbroken periode van maximum zes weken.
  Indien de ambtenaar ervoor kiest om het toegestane maximumaantal weken pleegouderverlof niet op te nemen, bedraagt het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week.
  Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen:
  1° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
  2° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
  4° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
  Het derde lid is enkel van toepassing op de aanvraag ingediend overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
  § 2. Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, neemt dit verlof een aanvang binnen de twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft of, wanneer de ambtenaar op post aangesteld is, in het consulair bevolkingsregister van de post.
  De ambtenaar die het pleegouderverlof wenst te genieten, deelt aan de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde de datum mee waarop het verlof aanvangt en de duur ervan.
  De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  De ambtenaar legt, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor:
  1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
  2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt.
  De verklaring op eer bedoeld in het vierde lid, 2° is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
  § 3. De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd ingeval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 97 dat de ambtenaar reeds heeft gekregen voor hetzelfde kind.
Art. 99. § 1er. Sans préjudice de l'article 98, l'agent, en activité de service, qui est désigné comme parent d'accueil et qui dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant mineur dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin de cet enfant, à un congé parental d'accueil pendant une période ininterrompue de maximum six semaines.
  Dans le cas où l'agent choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé parental d'accueil, le congé est au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
  Le congé parental d'accueil de six semaines par parent est allongé de la manière suivante pour le parent d'accueil ou pour les deux parents d'accueil ensemble :
  1° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 ;
  2° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 ;
  3° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
  L'alinéa 3 ne s'applique qu'à la demande introduite conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé parental d'accueil prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Si la famille d'accueil comprend deux personnes, qui sont désignées ensemble comme parent d'accueil de l'enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 3.
  § 2. Pour pouvoir exercer le droit au congé parental d'accueil, ce congé prend cours dans les douze mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie de la famille de l'agent dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence ou, lorsque l'agent est affecté en poste, dans le registre consulaire de la population du poste.
  L'agent qui souhaite bénéficier du congé parental d'accueil communique au directeur général P&O ou son délégué la date à laquelle le congé prend cours et sa durée.
  La communication se fait par écrit au minimum un mois avant le début du congé, sauf si le directeur général P&O ou son délégué accepte un délai plus court à la demande de la personne intéressée.
  L'agent présente, au plus tard au début du congé parental d'accueil, les documents suivants :
  1° les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé parental d'accueil ;
  2° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé parental d'accueil entre les deux parents d'accueil ou de l'attribution de ces semaines au seul parent d'accueil qui utilise ce congé.
  La déclaration sur l'honneur visée à l'alinéa 4, 2° n'est nécessaire que si la famille d'accueil se compose de deux parents d'accueil.
  § 3. La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins neuf points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximale du congé parental d'accueil est allongée de deux semaines par parent d'accueil en cas d'accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans le cadre d'un placement de longue durée.
  La durée maximum du congé parental d'accueil est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 97, que l'agent a déjà obtenu pour le même enfant.
Art. 100. Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal dagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind in toepassing van artikel 98.
  Het pleegzorgverlof in toepassing van artikel 98 wordt verminderd met het aantal dagen opvangverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar.
Art. 100. Le congé d'accueil est réduit du nombre de jours de congé pour soins d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant en application de l'article 98.
  Le congé pour soins d'accueil en application de l'article 98 est réduit du nombre de jours de congé d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année.
Onderafdeling 9. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang
Sous-section 9. - Congé pour motifs impérieux d'ordre familial
Art. 101. De ambtenaar in dienstactiviteit heeft recht op een verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor een periode van maximaal twintig dagen per jaar.
  Dit verlof wordt genomen per dag of per halve dag.
  De dwingende redenen van familiaal belang worden erkend door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  Als dwingende redenen van familiaal belang worden van ambtswege erkend:
  1° de ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;
  2° de opvang, tijdens de periodes van schoolvakantie, van het kind van de ambtenaar of van de partner van de ambtenaar dat de leeftijd van vijftien jaar niet heeft bereikt;
  3° de opvang, tijdens de periodes van schoolvakantie, van het kind van de ambtenaar of van de partner van de ambtenaar dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
  4° de opvang, tijdens de periodes van schoolvakantie, van het kind van de ambtenaar of van de partner van de ambtenaar dat onder het statuut van verlengde minderjarigheid wordt geplaatst.
Art. 101. L'agent, en activité de service, a droit à un congé pour motifs impérieux d'ordre familial pour une période maximum de vingt jours par année.
  Ce congé est pris par jour ou par demi-jour.
  Les motifs impérieux d'ordre familial sont reconnus par le directeur général P&O ou son délégué.
  Toutefois, sont reconnus d'office les motifs impérieux d'ordre familial suivants :
  1° l'hospitalisation d'une personne habitant sous le même toit que l'agent ou d'un parent ou d'un allié au premier degré n'habitant pas sous le même toit que l'agent ;
  2° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, de l'enfant de l'agent ou du partenaire de l'agent qui n'a pas atteint l'âge de quinze ans ;
  3° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, de l'enfant de l'agent ou du partenaire de l'agent qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans, lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médicosociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ;
  4° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, de l'enfant de l'agent ou du partenaire de l'agent qui se trouve sous le statut de la minorité prolongée.
Art. 102. Om het verlof in toepassing van artikel 101 te genieten, kan de ambtenaar er door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde toe gehouden worden het bewijs te leveren van het bestaan van een dwingende reden van familiaal belang.
Art. 102. Pour bénéficier du congé en application de l'article 101, l'agent peut être tenu par le directeur général P&O ou son délégué de fournir la preuve de l'existence d'un motif impérieux d'ordre familial.
Art. 103. De maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt pro rata verminderd overeenkomstig artikel 76, § 2.
Art. 103. La durée maximum du congé pour motifs impérieux d'ordre familial est réduite au prorata conformément à l'article 76, § 2.
Onderafdeling 10. - Verlof wegens ziekte
Sous-section 10. - Congé de maladie
Art. 104. De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, krijgt verlof wegens ziekte tot maximum eenentwintig dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit.
  Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is, wordt het aantal dagen bepaald in het eerste lid op tweeëndertig gebracht.
Art. 104. L'agent qui, par suite de maladie, est empêché d'exercer normalement sa fonction, obtient des congés de maladie à concurrence de vingt et un jours par douze mois d'ancienneté de service.
  Pour l'agent invalide de guerre, le nombre de jours déterminé à l'alinéa 1er est porté à trente-deux.
Art. 105. De medewerker die ziek wordt in de loop van de dag en van het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan de toelating krijgt het werk te verlaten om zich naar huis te begeven of medische zorgen te ontvangen, bekomt een dienstvrijstelling.
  Het posthoofd dat of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan die ziek wordt in de loop van de dag en van de hiërarchische meerdere of zijn afgevaardigde de toelating krijgt het werk te verlaten om zich naar huis te begeven of medische zorgen te ontvangen, bekomt een dienstvrijstelling.
Art. 105. Le collaborateur qui tombe malade au cours de la journée et qui obtient du chef de poste ou du représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan, l'autorisation de quitter le travail afin de rentrer chez lui ou de recevoir des soins médicaux, obtient une dispense de service.
  Le chef de poste ou le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan qui tombe malade au cours de la journée et qui obtient du supérieur hiérarchique ou de son délégué, l'autorisation de quitter le travail afin de rentrer chez lui ou de recevoir des soins médicaux, obtient une dispense de service.
Art. 106. § 1. De eenentwintig en tweeëndertig dagen waarvan sprake in artikel 104 worden verminderd pro rata van de tijdens de beschouwde periode van twaalf maanden niet verrichte prestaties, wanneer de ambtenaar in de loop van die periode:
  1° afwezig is geweest wegens ziekte, het verlof bedoeld in de artikelen 108 en 109 uitgezonderd;
  2° in non-activiteit werd geplaatst.
  § 2. Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  § 3. Enkel de dagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend.
Art. 106. § 1er. Les vingt et un et trente-deux jours visés à l'article 104 sont réduits au prorata des prestations non effectuées pendant la période de douze mois considérée, lorsqu'au cours de ladite période l'agent :
  1° a été absent pour maladie, à l'exclusion des congés visés aux articles 108 et 109 ;
  2° a été placé en non-activité.
  § 2. Si le nombre de jours de congé de maladie ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  § 3. Seuls les jours compris dans la période d'absence pour maladie sont comptabilisés.
Art. 107. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof, worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.
Art. 107. Le congé de maladie est temporairement interrompu pendant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial. Les jours de congé pour motifs impérieux qui coïncident avec le congé de maladie ne sont pas considérés comme des jours de congé de maladie.
Art. 108. § 1. Onder voorbehoud van artikel 110 en in afwijking van artikel 104, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van:
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte.
  Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 110 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen dat de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 104.
  § 2. Indien de aanstelling in een andere functie op dezelfde post, op een andere post, op Belgoeurop of op Belotan of op het hoofdbestuur niet mogelijk is, wordt de ambtenaar die bedreigd is door een beroepsziekte en die, omwille hiervan en volgens de nadere regels door Ons bepaald, tijdelijk ophoudt zijn functie uit te oefenen, ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige duur. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 108. § 1er. Sous réserve de l'article 110 et par dérogation à l'article 104, le congé de maladie est accordé sans limite de temps, lorsqu'il est provoqué par :
  1° un accident de travail ;
  2° un accident survenu sur le chemin du travail ;
  3° une maladie professionnelle.
  En outre et sauf pour l'application de l'article 110, les jours de congé accordés suite à un accident du travail, à un accident survenu sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle, même après la date de consolidation, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 104.
  § 2. Si l'affectation dans une autre fonction au sein du même poste, dans un autre poste, à Belgoeurop ou Belotan ou à l'administration centrale n'est pas possible, l'agent menacé par une maladie professionnelle et qui, pour cette raison et selon des modalités fixées par Nous, cesse temporairement d'exercer sa fonction, est mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art. 109. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 108, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 104 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de Staat.
  De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een arbeidsongeval dat of een beroepsziekte die de ambtenaar overkomen is bij een vorige werkgever, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 104 kan krijgen, voor zover dat de ambtenaar vergoedingen blijft genieten voor de ganse periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 22 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 of in iedere equivalente norm.
Art. 109. Les jours de congé de maladie accordés à la suite d'un accident causé par la faute d'un tiers et autre qu'un accident visé à l'article 108 ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 104, à concurrence du pourcentage de responsabilité imputé au tiers et qui sert de fondement à la subrogation légale de l'Etat.
  Les jours de congé de maladie accordés à la suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle dont l'agent a été victime chez un précédent employeur, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 104, pour autant que l'agent continue à bénéficier, pendant toute la période d'incapacité temporaire de travail, des indemnités visées à l'article 22 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail, à l'article 34 des lois relatives à la réparation des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970 ou par toute norme équivalente.
Art. 110. Onverminderd artikel 116 en in afwijking van artikel 130, eerste lid, 5°, kan de ambtenaar niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft uitgeput waarop artikel 104 hem recht geeft.
Art. 110. Sans préjudice de l'article 116 et par dérogation à l'article 130, alinéa 1er, 5°, l'agent ne peut être déclaré définitivement inapte pour maladie avant qu'il n'ait épuisé la somme de congés à laquelle lui donne droit l'article 104.
Art. 111. Elke ambtenaar krijgt jaarlijks het overzicht van het saldo van de verloven waarop artikel 104 hem recht geeft.
  Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met dit saldo, kan hij bij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde binnen de vijftig werkdagen een gemotiveerd bezwaar indienen.
  Deze laatste neemt een beslissing binnen de vijftig werkdagen.
  Wanneer deze termijn verstreken is zonder dat er een beslissing is genomen, is het bezwaar aanvaard.
Art. 111. Chaque agent reçoit annuellement l'aperçu du solde des congés auxquels lui donne droit l'article 104.
  Si l'agent n'est pas d'accord avec ce solde, il peut adresser dans les cinquante jours ouvrables une objection motivée au directeur général P&O ou à son délégué.
  Ce dernier prend une décision dans les cinquante jours ouvrables.
  Passé ce délai sans qu'une décision ait été prise, l'objection est acceptée.
Art. 112. De voorzitter of zijn afgevaardigde brengt de betrokken ambtenaar op de hoogte van de beslissing tot aanvraag van een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen bij het Bestuur van de medische expertise.
Art. 112. Le président ou son délégué informe l'agent intéressé de la décision de demander un examen dans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé auprès de l'Administration de l'expertise médicale.
Art. 113. Indien het Bestuur van de medische expertise de voorzitter of zijn afgevaardigde meedeelt dat een ambtenaar een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen heeft belemmerd of geweigerd, dan nodigt de voorzitter of zijn afgevaardigde de ambtenaar uit om de redenen hiervan mee te delen binnen de veertien dagen.
  Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om toelichting te geven of geen geldige reden kan aantonen, wordt hij in non-activiteit gezet vanaf de dag waarop hij het onderzoek heeft belemmerd of geweigerd tot de dag van hervatting van het werk.
Art. 113. Si l'Administration de l'expertise médicale informe le président ou son délégué qu'un agent a empêché ou refusé un examen dans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé, le président ou son délégué invite l'agent à en communiquer les raisons dans les quatorze jours.
  Si l'agent ne donne pas suite à cette demande d'explications ou ne peut fournir de motif valable, il est placé en non-activité à partir du jour où il a empêché ou refusé l'examen jusqu'au jour de sa reprise de travail.
Onderafdeling 11. - Disponibiliteit wegens ziekte
Sous-section 11. - Disponibilité pour maladie
Art. 114. De disponibiliteit van de ambtenaar wegens ziekte wordt uitgesproken door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
Art. 114. La mise en disponibilité de l'agent pour maladie est prononcée par le président ou son délégué.
Art. 115. § 1. Onverminderd artikel 108 bevindt de ambtenaar die afwezig is wegens ziekte na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 104, zich van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  § 3. Het artikel 109 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 115. § 1er. Sans préjudice de l'article 108, l'agent qui est absent pour maladie après avoir atteint le nombre de jours de congé accordés en vertu de l'article 104 se trouve de plein droit en disponibilité pour maladie.
  § 3. L'article 109 est applicable à l'agent en disponibilité pour maladie.
Onderafdeling 12. - Gemeenschappelijke bepalingen bij het verlof wegens ziekte en de disponibiliteit wegens ziekte
Sous-section 12. - Dispositions communes pour le congé de maladie et la disponibilité pour maladie
Art. 116. § 1. De medewerker die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, brengt hiervan onmiddellijk het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan op de hoogte.
  Het posthoofd dat of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, brengt hiervan onmiddellijk zijn hiërarchische meerdere of zijn afgevaardigde op de hoogte.
  § 2. Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan één dag, dient de ambtenaar aangesteld op post zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in bij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de waarschijnlijke duur van de ziekte, de verblijfplaats van de ambtenaar en of hij zich al dan niet mag verplaatsen.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, dient de ambtenaar onmiddellijk een geneeskundig getuigschrift in bij de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde wanneer de afwezigheid die het gevolg is van ziekte of ongeval maar één dag bedraagt en wanneer de ambtenaar tijdens het lopende jaar reeds driemaal afwezig is geweest als gevolg van ziekte of ongeval met een duur van één dag zonder een geneeskundig getuigschrift.
  § 3. Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan één dag, dient de ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise.
  Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van de ambtenaar en of de ambtenaar zich met het oog op de controle al dan niet mag verplaatsen.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, dient de ambtenaar onmiddellijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise wanneer de afwezigheid die het gevolg is van ziekte of ongeval maar één dag bedraagt en wanneer de ambtenaar tijdens het lopende kalenderjaar reeds drie maal afwezig is geweest als gevolg van ziekte of ongeval met een duur van één dag zonder een geneeskundig getuigschrift.
Art. 116. § 1er. Le collaborateur, qui, par suite de maladie ou accident, est empêché d'exercer normalement sa fonction, informe immédiatement le chef de poste ou le représentant permanant de Belgoeurop ou de Belotan.
  Le chef de poste ou le représentant de Belgoeurop ou de Belotan qui, par suite de maladie ou accident, est empêché d'exercer normalement sa fonction informe immédiatement son supérieur hiérarchique ou son délégué.
  § 2. Pour une absence pour maladie ou accident d'une durée supérieure à un jour, l'agent affecté en poste introduit le plus rapidement possible un certificat médical auprès du directeur général P&O ou de son délégué.
  Le certificat médical mentionne la durée probable de la maladie, la résidence de l'agent et s'il peut ou non se déplacer.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, l'agent introduit immédiatement un certificat médical auprès du directeur général P&O ou de son délégué lorsque l'absence par suite de maladie ou d'accident ne comporte qu'un seul jour et qu'à trois reprises au cours de l'année en cours, l'agent a déjà été absent par suite de maladie ou d'accident pour une durée d'un seul jour sans un certificat médical.
  § 3. Pour une absence pour maladie ou accident d'une durée supérieure à un jour, l'agent affecté à Belgoeurop et Belotan introduit le plus rapidement possible un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale.
  Le certificat médical mentionne la maladie, la durée probable de celle-ci, la résidence de l'agent et si l'agent peut se déplacer ou non en vue d'un contrôle.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, l'agent introduit immédiatement un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale lorsque l'absence par suite de maladie ou d'accident ne comporte qu'un seul jour et qu' à trois reprises au cours de l'année civile en cours, l'agent a déjà été absent par suite de maladie ou d'accident pour une durée d'un seul jour sans un certificat médical.
Art. 117. Wanneer de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan afwezig is wegens ziekte of een ongeval, wordt hij ten laatste aan het einde van een ononderbroken afwezigheidsperiode van vier maanden aangesteld op het hoofdbestuur.
Art. 117. Lorsque l'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan est absent pour cause de maladie ou d'accident, il est affecté à l'administration centrale au plus tard à l'issue d'une période d'absence ininterrompue de quatre mois.
Onderafdeling 13. - Controle op de afwezigheden op Belgoeurop of op Belotan in geval van ziekte, ongeval, arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte
Sous-section 13. - Contrôle des absences à Belgoeurop ou à Belotan en cas de maladie, d'accident, d'accident du travail, d'accident survenu sur le chemin du travail ou de maladie professionnelle
Art. 118. § 1. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan die ten gevolge van ziekte of ongeval afwezig is, staat onder het geneeskundig toezicht van het in het Bestuur van de medische expertise, overeenkomstig de artikelen 119 tot en met 122.
  § 2. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan die ten gevolge van arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte afwezig is, staat onder het geneeskundig toezicht van het in het Bestuur van de medische expertise, overeenkomstig de artikelen 119, § 1 en § 2, eerste tot en met derde lid, en 121.
Art. 118. § 1er. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan qui est absent pour maladie ou accident est sous le contrôle médical de l'Administration de l'expertise médicale, conformément aux articles 119 à 122.
  § 2. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan qui est absent pour accident du travail, accident survenu sur le chemin du travail ou maladie professionnelle est sous le contrôle médical de l'Administration de l'expertise médicale, conformément aux articles 119, § 1er et § 2, alinéa 1er à 3 et 121.
Art. 119. § 1. De ambtenaar ontvangt de controlearts, of gaat in op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts.
  De ambtenaar kan het medisch onderzoek niet weigeren.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren op vraag van de FOD of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
  Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar.
  Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar hem toelaat zich te verplaatsen, dan kan deze laatste ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts.
  Wanneer de controlearts de ambtenaar niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter.
  Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de ambtenaar heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, meldt de ambtenaar zich op het vermelde uur aan bij de controlearts.
  Wanneer de ambtenaar zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar afwezig was wegens redenen van overmacht op het ogenblik van de controle, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.
  De ambtenaar die het medisch onderzoek weigert of het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren, wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan daarbij hoogstens constateren dat:
  1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is;
  2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
  3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch ongerechtvaardigd is.
  De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
  De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 116, § 3 bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar. Indien de ambtenaar op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2° en 3° gaat de werkhervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of, onverminderd artikel 120, op de eerste dag volgend op het onderzoek.
  Wanneer de ambtenaar één dag afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt de ambtenaar zich van rechtswege in non-activiteit.
  Niettemin kan de ambtenaar opteren voor het gebruik van één dag jaarlijks vakantieverlof met akkoord van de voorzitter of van zijn afgevaardigde voor een afwezigheid van één dag waarvoor de ambtenaar geen arts geraadpleegd heeft wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval ongerechtvaardigd is.
Art. 119. § 1er. L'agent reçoit le médecin-contrôleur ou répond à la convocation lui demandant de se présenter auprès de ce médecin-contrôleur.
  L'agent ne peut pas refuser l'examen médical.
  Le contrôle de l'agent peut se faire à la demande du SPF ou à l'initiative de l'Administration de l'expertise médicale.
  Le contrôle de l'agent peut se faire à partir du premier jour d'absence et pendant la totalité de la période d'absence par suite de maladie ou d'accident.
  L'examen médical a lieu au domicile ou au lieu de résidence de l'agent.
  Lorsque le médecin qui a délivré le certificat médical estime que l'état de santé de l'agent lui permet de se déplacer, ce dernier peut être aussi convoqué par l'Administration de l'expertise médicale à se présenter chez le médecin-contrôleur pour un examen médical.
  Lorsque le médecin-contrôleur ne trouve pas l'agent au domicile ou au lieu de résidence indiqué, il laisse un message.
  Sauf dans le cas où le médecin qui a délivré le certificat médical à l'agent estime que l'état de santé de ce dernier ne lui permet pas de se déplacer, l'agent se rend chez le médecin-contrôleur à l'heure indiquée.
  Lorsque l'agent ne peut pas se déplacer mais était absent pour cas de force majeure lors du contrôle, il en informe immédiatement le médecin-contrôleur, afin qu'un nouveau contrôle puisse avoir lieu.
  L'agent qui refuse ou rend impossible l'exécution de l'examen médical par le médecin-contrôleur est placé de plein droit en non-activité.
  § 2. Le médecin-contrôleur vérifie si l'absence par suite de maladie ou d'accident est justifiée et peut constater tout au plus à cet égard que :
  1° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée ;
  2° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée pour une période plus courte que celle mentionnée sur le certificat médical ;
  3° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement injustifiée.
  Le médecin-contrôleur exerce sa mission conformément aux dispositions de l'article 3 de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle.
  Le médecin-contrôleur remet immédiatement, éventuellement après consultation de celui qui délivre le certificat médical visé à l'article 116, § 3, ses constatations écrites à l'agent. Si l'agent ne peut à ce moment marquer son accord avec les constatations du médecin-contrôleur, ceci est acté par ce dernier sur l'écrit précité.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2° et 3° la reprise du travail prend respectivement cours à la date fixée par le médecin-contrôleur ou, sans préjudice de l'article 120, le premier jour suivant celui de l'examen.
  Lorsque l'agent est absent par suite de maladie ou d'accident un jour et qu'il ne s'est pas fait examiner par un médecin et que le médecin-contrôleur estime après examen médical que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée, l'agent se trouve de plein droit en non-activité.
  L'agent peut toutefois choisir l'utilisation d'un jour de congé annuel de vacances avec l'accord du président ou de son délégué pour une absence d'un jour pour laquelle l'agent ne s'est pas fait examiner par un médecin lorsque le médecin-contrôleur a estimé que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée.
Art. 120. Binnen de twee werkdagen die volgen op de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij in onderling akkoord een arts-scheidsrechter aanwijzen met het oog op het beslechten van het medische geschil.
  Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  Het Bestuur van de medische expertise kan de controlearts en de ambtenaar kan diegene die hem het geneeskundig getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijk machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist over het medisch geschil binnen de drie werkdagen die volgen op zijn aanwijzing.
  Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
  Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt, de periode tussen de datum van werkhervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de verliezende partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing.
  Het Bestuur van de medische expertise en de ambtenaar worden schriftelijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd.
Art. 120. Dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations par le médecin-contrôleur, la partie la plus intéressée peut désigner de commun accord un médecin-arbitre en vue de régler le litige médical.
  Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
  L'Administration de l'expertise médicale peut donner au médecin-contrôleur, et l'agent peut donner à celui qui a rédigé le certificat médical, un mandat exprès pour la désignation du médecin-arbitre.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation.
  Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
  Si le médecin-arbitre prend une décision négative, la période entre la date de reprise du travail fixée par le médecin-contrôleur et la date de la décision du médecin-arbitre est convertie en non-activité.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement de l'agent, sont à charge de la partie perdante.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin-contrôleur.
  L'Administration de l'expertise médicale et l'agent sont avertis par écrit, par lettre recommandée à la poste.
Art. 121. Wanneer de ambtenaar tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, krijgt hij hiervoor voorafgaand de toestemming van het Bestuur van de medische expertise.
  De ambtenaar legt een gemotiveerde aanbeveling van zijn behandelend arts voor waaruit blijkt dat het verblijf in het buitenland de genezing en/of de behandeling niet in gevaar brengt. De arts vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de aangevraagde verblijfperiode in het buitenland.
Art. 121. Lorsque l'agent veut séjourner à l'étranger pendant une absence par suite de maladie ou accident, il reçoit à cet effet, l'autorisation préalable de l'Administration de l'expertise médicale.
  L'agent soumet une recommandation motivée de son médecin traitant qui démontre que le séjour à l'étranger ne met pas en danger la guérison et/ou le traitement. Le médecin mentionne également les dates de début et de fin de la période de séjour à l'étranger demandée.
Art. 122. Tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval heeft de ambtenaar de mogelijkheid, met het oog op zijn werkhervatting, om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten en aan activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding.
Art. 122. Pendant une absence par suite de maladie ou accident, l'agent a la possibilité, en vue de sa reprise du travail, de participer à des activités de formation et à des activités dans le cadre de l'accompagnement retour au travail.
Onderafdeling 14. - Dienstvrijstelling voor opleidingsactiviteiten
Sous-section 14. - Dispense de service pour activités de formation
Art. 123. Een dienstvrijstelling kan door de voorzitter of zijn afgevaardigde aan de ambtenaar worden toegekend, na goedkeuring van het posthoofd of de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan, om opleidingsactiviteiten bij te wonen in verband met zijn functie binnen en buiten de federale overheid.
  De dienstvrijstelling kan maximum 120 uren per jaar bedragen en kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden om dienstredenen of wanneer de opleiding niet overeenstemt met de uitgeoefende functie.
Art. 123. Une dispense de service peut être accordée par le président ou son délégué, à l'agent, après approbation du chef de poste ou du représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan, pour suivre des activités de formation en lien avec sa fonction au sein et en dehors de l'administration fédérale.
  La dispense de service peut comporter au maximum 120 heures par année et peut être refusée totalement ou partiellement pour des raisons de service ou lorsque la formation ne correspond pas avec la fonction exercée.
Onderafdeling 15. - Dienstvrijstelling voor reisdagen
Sous-section 15. - Dispense de service pour journées de voyage
Art. 124. § 1. In het geval van een periodieke terugkeerreis overeenkomstig artikel 269 geniet de ambtenaar van een dienstvrijstelling voor zijn reisdagen.
  De dienstvrijstelling wordt bepaald op basis van de categorie van verwijdering van de post:
  1° een halve dag voor een enkel traject van of naar een post behorend tot de categorie van verwijdering 1 of 2;
  2° één dag voor een enkel traject van of naar een post behorend tot de categorie van verwijdering 3 of 4;
  3° anderhalve dag voor een enkel traject van of naar een post behorend tot de categorie van verwijdering 5.
  Het Directiecomité bepaalt de categorie van verwijdering van de posten en de nadere regels voor de berekening ervan.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, geniet de ambtenaar, wanneer hij reist op een sluitingsdag van de post, van een compensatieverlof binnen de grenzen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
  Het compensatieverlof wordt genomen binnen de twaalf maanden volgend op de reisdag.
  Indien het compensatieverlof niet wordt genomen overeenkomstig het tweede lid, verliest de ambtenaar het voordeel ervan.
Art. 124. § 1er. Dans le cas d'un voyage de retour périodique conformément à l'article 269, l'agent bénéficie d'une dispense de service pour ses journées de voyage.
  La dispense de service est déterminée sur base du rang d'éloignement du poste :
  1° une demi-journée pour un trajet simple à partir de ou vers un poste de rang d'éloignement 1 ou 2 ;
  2° une journée pour un trajet simple à partir de ou vers un poste de rang d'éloignement 3 ou 4 ;
  3° une journée et demie pour un trajet simple à partir de ou vers un poste de rang d'éloignement 5.
  Le Comité de direction détermine le rang d'éloignement des postes et les modalités de calcul y afférentes.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, lorsqu'il voyage pendant un jour de fermeture du poste, l'agent bénéficie d'un congé de compensation dans les limites visées au paragraphe 1er, alinéa 2.
  Le congé de compensation est pris dans les douze mois suivant la journée de voyage.
  A défaut de prendre ce congé de compensation conformément à l'alinéa 2, l'agent en perd le bénéfice.
Onderafdeling 16. - Dienstvrijstelling met het oog op het voorbereiden van de aanstelling op post
Sous-section 16. - Dispense de service en vue de préparer l'affectation en poste
Art. 125. De ambtenaar geniet, tussen het einde van zijn aanstelling op post, op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan en zijn aanstelling op een andere post, van een dienstvrijstelling van vijf werkdagen om zijn aanstelling op de nieuwe post voor te bereiden.
Art. 125. L'agent bénéficie, entre la fin de son affectation en poste, à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan et son affectation dans un autre poste, d'une dispense de service de cinq jours ouvrables pour préparer son affectation dans le nouveau poste.
Onderafdeling 17. - Dienstvrijstelling voor het nemen van professionele contacten in België en gezondheidsonderzoeken
Sous-section 17. - Dispense de service pour prise de contacts professionnels en Belgique et évaluations de santé
Art. 126. De ambtenaar aangesteld op post geniet, per jaar, van maximum vijf werkdagen dienstvrijstelling teneinde hem toe te laten, tijdens een verblijf in België, professionele contacten te nemen met voor zijn functie relevante gesprekpartners en zich te onderwerpen aan de gezondheidsbeoordelingen voorzien door de Codex Welzijn op het werk.
  De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of Belotan geniet van een dienstvrijstelling om hem toe te laten zich te onderwerpen aan de gezondheidsbeoordelingen voorzien door de Codex Welzijn op het werk.
Art. 126. L'agent affecté en poste bénéficie, par année, de maximum cinq jours ouvrables de dispense de service pour lui permettre, lors d'un séjour en Belgique, de prendre des contacts professionnels avec des interlocuteurs pertinents pour sa fonction et de se soumettre aux évaluations de santé prévues par le Code du bien-être au travail.
  L'agent affecté à Belgoeurop ou Belotan bénéficie d'une dispense de service pour lui permettre de se soumettre aux évaluations de santé prévues par le Code du bien-être au travail.
Onderafdeling 18. - Terugroeping in dienst
Sous-section 18. - Rappel en service
Art. 127. De ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan kan in dienst teruggeroepen worden naar het hoofdbestuur.
Art. 127. L'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan peut être rappelé en service à l'administration centrale.
Onderafdeling 19. Feestdagen op post, op Belgoeurop en op Belotan
Sous-section 19. Jours fériés en poste, à Belgoeurop et à Belotan
Art. 128. § 1. De ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan geniet van veertien jaarlijkse feestdagen.
  § 2. Deze feestdagen worden jaarlijks bepaald door het posthoofd en de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop en van Belotan, die tijdens de maand januari aan de directeur-generaal P&O of aan zijn afgevaardigde de lijst met de veertien feestdagen van toepassing voor het lopende jaar meedelen.
Art. 128. § 1er. L'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan bénéficie de quatorze jours fériés annuels.
  § 2. Ces jours fériés sont déterminés annuellement par le chef de poste et le représentant permanent de Belgoeurop et de Belotan, qui communiquent, au mois de janvier, au directeur général P&O ou à son délégué, la liste des quatorze jours fériés d'application pour l'année en cours.
TITEL 9. - Overgang naar de carrière van de Rijksambtenaren
TITRE 9. - Passerelle vers la carrière des agents de l'Etat
Art. 129. Op gemotiveerd verzoek gericht aan de voorzitter of zijn afgevaardigde gaat de ambtenaar over naar de carrière van de Rijksambtenaren.
  Na deze overgang naar de carrière van de Rijksambtenaren is de ambtenaar definitief onderworpen aan het statuut van het Rijkspersoneel met behoud van zijn administratieve en geldelijke anciënniteit, zijn klasse of zijn niveau en zijn weddeschaal.
Art. 129. Sur demande motivée adressée au président ou son délégué, l'agent bascule dans la carrière des agents de l'Etat.
  Après ce basculement dans la carrière des agents de l'Etat, l'agent est définitivement soumis au statut des agents de l'Etat avec maintien de ses anciennetés administrative et pécuniaire, sa classe ou son niveau et son échelle de traitement.
TITEL 10. - Definitieve ambtsneerlegging
TITRE 10. - Cessation définitive de la fonction
Art. 130. Verliest ambtshalve en zonder opzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar:
  1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State;
  2° die niet meer aan de Belgische nationaliteitsvereiste voldoet;
  3° die niet meer zijn burgerlijke of politieke rechten geniet;
  4° die niet langer aan de wetten over de dienstplicht voldoet;
  5° van wie de definitieve medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld door het Bestuur van de medische expertise;
  6° die, zonder geldige reden, zijn functie verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en voorafgaandelijk verwittigd werd en om opheldering verzocht is;
  7° die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
  8° die om tuchtredenen wordt ontslagen van ambtswege of wordt afgezet.
  De termijn bedoeld in het eerste lid, 1° geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar.
  De bepaling bedoeld in het eerste lid, 6° is niet van toepassing op de ambtenaar die aan een georganiseerde werkonderbreking deelneemt.
Art. 130. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent :
  1° dont la nomination est constatée irrégulière dans le délai de recours en annulation devant le Conseil d'Etat ;
  2° qui ne satisfait plus à la condition de nationalité belge ;
  3° qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques ;
  4° qui ne satisfait plus aux lois sur la milice ;
  5° dont l'inaptitude médicale définitive a été dûment constatée par l'Administration de l'expertise médicale ;
  6° qui, sans motif valable, abandonne sa fonction et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables et qui a été dûment et préalablement averti et interpellé ;
  7° qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation de la fonction ;
  8° qui pour des raisons disciplinaires est démis d'office ou révoqué.
  Le délai visé sous l'alinéa 1er, 1° ne vaut pas en cas de fraude ou de dol de l'agent.
  La disposition visée à l'alinéa 1er, 6° n'est pas applicable à l'agent qui participe à une action de cessation concertée du travail.
Art. 131. Tot ambtsneerlegging geven aanleiding:
  1° het vrijwillig ontslag;
  2° de oppensioenstelling;
  3° een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State;
  4° de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid volgens de procedure bepaald door de artikelen 34 en 36 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt.
  De ambtenaar die vrijwillig ontslag neemt, mag zijn dienst slechts verlaten na zijn ontslag te hebben betekend bij een aangetekende brief aan de voorzitter of zijn afgevaardigde. Deze betekening gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag, dat ingaat op de datum van verzending van de aangetekende brief. Deze termijn kan in onderlinge overeenstemming ingekort worden.
Art. 131. Entraînent la cessation de la fonction :
  1° la démission volontaire ;
  2° la mise à la retraite ;
  3° une deuxième nomination définitive à temps plein dans un autre service public, dès que cette nomination n'est plus susceptible d'être annulée par le Conseil d'Etat ;
  4° l'inaptitude professionnelle définitivement constatée selon la procédure déterminée aux articles 34 et 36 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale.
  L'agent qui démissionne volontairement ne peut abandonner son service qu'après avoir notifié sa démission par lettre recommandée au président ou son délégué. Cette notification précède la démission de trente jours au moins, prenant cours à la date d'envoi de la lettre recommandée. Ce délai peut être réduit de commun accord.
Art. 132. De ambtenaar die minstens vijftien jaar dienstactiviteit telt, kan door het besluit waarbij hij uit zijn functie wordt ontslagen, gemachtigd worden, naar zijn keuze, de eretitel te voeren van zijn klasse en, desgevallend, van zijn weddeschaal of van de laatste functie die hij heeft uitgeoefend op post, op Belgoeurop of op Belotan.
  Deze machtiging kan bij koninklijk besluit ingetrokken worden, op een met redenen omkleed voorstel van de minister.
Art. 132. L'agent qui compte au moins quinze ans d'activité de service peut être autorisé, par l'arrêté qui lui accorde la démission de sa fonction, à conserver, à son choix, le titre honorifique de sa classe et, le cas échéant, de son échelle de traitement ou de la dernière fonction qu'il a exercée en poste, à Belgoeurop ou à Belotan.
  Cette autorisation peut être retirée par arrêté royal, sur proposition motivée du ministre.
TITEL 11. - Ordemaatregelen
TITRE 11. - Mesures d'ordre
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition commune
Art. 133. Deze titel is van toepassing op de stagiair.
Art. 133. Le présent titre est applicable au stagiaire.
HOOFDSTUK 2. - Preventieve schorsing
CHAPITRE 2. - Suspension préventive
Art. 134. § 1. Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop, op Belotan of op post preventief worden geschorst bij wijze van ordemaatregel.
  § 2. Deze preventieve schorsing kan voor de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan worden vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur.
Art. 134. § 1er. Lorsque l'intérêt du service le requiert, l'agent affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop, à Belotan ou en poste peut être suspendu préventivement à titre de mesure d'ordre.
  § 2. Cette suspension préventive peut être accompagnée pour l'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan d'un rappel à l'administration centrale.
Art. 135. Wanneer de ambtenaar op het hoofdbestuur is aangesteld, wordt de preventieve schorsing, op gemotiveerd voorstel van de voorzitter of zijn afgevaardigde, opgelegd door de overheid die de ambtenaar heeft aangesteld op het hoofdbestuur.
  Wanneer de ambtenaar op post, op Belgoeurop of op Belotan is aangesteld, wordt de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, op gemotiveerd voorstel van de voorzitter of zijn afgevaardigde, opgelegd door de overheid die de ambtenaar heeft aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 135. Lorsque l'agent est affecté à l'administration centrale, la suspension préventive est prononcée, sur proposition motivée du président ou son délégué, par l'autorité qui a affecté l'agent à l'administration centrale.
  Lorsque l'agent est affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan, la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, est prononcée, sur proposition motivée du président ou son délégué, par l'autorité qui a affecté l'agent en poste, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 136. De overheid bevoegd voor het uitspreken van de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, kan de wedde verminderen en kan aan de ambtenaar het recht ontzeggen aanspraak te maken op bevordering tot de hogere klasse en bevordering in weddeschaal in de volgende gevallen:
  1° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure;
  2° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een tuchtprocedure.
  De inhouding van wedde mag niet hoger zijn dan deze voorzien in artikel 23, vierde lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
  De inhouding van wedde mag evenmin tot gevolg hebben dat het loon wordt verminderd tot een bedrag dat lager is dan de werkloosheidsuitkering waarop de ambtenaar recht zou hebben indien hij onder de sociale zekerheid voor werknemers viel.
Art. 136. L'autorité compétente pour la prononciation de la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, peut diminuer le traitement et peut refuser à l'agent le droit de faire valoir ses titres à la promotion à la classe supérieure et à la promotion barémique dans les cas suivants :
  1° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure pénale ;
  2° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure disciplinaire.
  La retenue de traitement ne peut être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 4, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  La retenue de traitement ne peut non plus avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles l'agent aurait droit s'il bénéficiait du régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 137. § 1. De preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, kan pas worden voorgesteld nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de voorzitter of zijn afgevaardigde te worden gehoord in zijn middelen van verdediging over de feiten die een eventuele preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, verantwoorden.
  § 2. In geval van hoogdringendheid kan de voorzitter de ambtenaar onmiddellijk preventief schorsen en, desgevallend, terugroepen naar het hoofdbestuur, vooraleer hem te horen.
  De kennisgeving van de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, bevat de oproep voor het verhoor, waarvan de inhoud overeenstemt met het artikel 138, tweede lid, 1° en 3° tot en met 5°.
Art. 137. § 1er. La suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, ne peut être proposée qu'après que l'agent a eu la possibilité d'être entendu par le président ou son délégué dans ses moyens de défense sur les faits qui justifient une éventuelle suspension préventive, le cas échéant, accompagnée d'un rappel à l'administration centrale.
  § 2. En cas d'urgence, le président peut immédiatement suspendre préventivement l'agent et, le cas échéant, le rappeler à l'administration centrale avant de l'entendre.
  La notification de la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, comporte la convocation à l'audition, dont le contenu est conforme à l'article 138, alinéa 2, 1° et 3° à 5°.
Art. 138. De ambtenaar wordt opgeroepen voor het verhoor met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van minimum vijftien dagen na het versturen van de oproep.
  De oproep vermeldt:
  1° de feiten die een eventuele preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, van de ambtenaar verantwoorden;
  2° het voornemen van de voorzitter of zijn afgevaardigde om aan de bevoegde overheid voor te stellen een preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, van de ambtenaar uit te spreken alsook, in voorkomend geval, de maatregelen bedoeld in artikel 136;
  3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;
  4° het recht van de ambtenaar om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
  5° het recht van de ambtenaar om een schriftelijk verweer neer te leggen alsook de stukken die hij wenst toe te voegen aan het dossier tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor.
  Het dossier dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de feiten die een mogelijke preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, verantwoorden, wordt als bijlage gevoegd bij deze oproep.
Art. 138. L'agent est convoqué pour l'audition par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi, dans un délai minimum de quinze jours à dater de l'envoi de la convocation.
  La convocation mentionne :
  1° les faits qui justifient une éventuelle suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, à l'encontre de l'agent ;
  2° l'intention du président ou de son délégué de proposer à l'autorité compétente de prononcer une suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, à l'encontre de l'agent ainsi que, le cas échéant, les mesures visées à l'article 136 ;
  3° le lieu, le jour et l'heure de l'audition ;
  4° le droit pour l'agent de se faire assister par la personne de son choix ;
  5° le droit pour l'agent de déposer un mémoire écrit ainsi que les pièces qu'il souhaite joindre au dossier, au plus tard trois jours avant l'audition.
  Le dossier qui contient toutes les pièces relatives aux faits qui justifient une éventuelle suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, est joint en annexe de cette convocation.
Art. 139. De ambtenaar verschijnt persoonlijk of via videoconferentie. Hij mag worden bijgestaan door een persoon naar keuze.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus, niet verschijnt, doet de voorzitter of zijn afgevaardigde uitspraak op grond van de stukken van het dossier.
  Hetzelfde geldt zodra de ambtenaar, hoewel een tweede keer regelmatig opgeroepen, niet verschijnt.
Art. 139. L'agent comparaît en personne ou par vidéoconférence. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  Si l'agent, bien que régulièrement convoqué, ne comparaît pas sans excuse valable, le président ou son délégué se prononce sur base des pièces du dossier.
  Il en va de même si, bien que régulièrement convoqué une seconde fois, l'agent ne comparait pas.
Art. 140. Binnen de zeven dagen na het verhoor van de ambtenaar worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
  Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overgemaakt met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De ambtenaar wordt uitgenodigd om zijn opmerkingen kenbaar te maken met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de notulen.
  De opmerkingen overgemaakt langs elektronische weg zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat de ambtenaar beschikt over een ontvangstbevestiging van de opmerkingen.
  De opmerkingen overgemaakt via de diplomatieke tas zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De afwezigheid van opmerkingen binnen de termijn bedoeld in het derde lid impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 140. Dans les sept jours de l'audition de l'agent, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
  Une copie de ce procès-verbal est immédiatement transmise à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  L'agent est invité à faire part de ses observations par lettre recommandée, par voie électronique ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste dans un délai de quinze jours à dater de l'envoi du procès-verbal.
  Les observations transmises par voie électronique ne sont opposables qu'à la condition que l'agent dispose d'un accusé de réception des observations.
  Les observations transmises par la valise diplomatique ne sont opposables qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  L'absence d'observations dans le délai visé à l'alinéa 3 implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 141. § 1. Binnen een termijn van acht weken vanaf de oproep voor het verhoor, beslist de bevoegde overheid over de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, alsook over de maatregelen bedoeld in artikel 136.
  § 2. De beslissing tot preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, wordt onverwijld ter kennis gebracht van de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Art. 141. § 1er. Dans un délai de huit semaines à partir de la convocation à l'audition, l'autorité compétente statue sur la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, ainsi que sur les mesures visées à l'article 136.
  § 2. La décision de suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, est immédiatement notifiée à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Art. 142. De preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, heeft uitwerking op de dag van de kennisgeving.
Art. 142. La suspension préventive, le cas échéant, accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, prend effet à partir du jour de la notification.
Art. 143. Binnen een termijn van tien dagen vanaf de dag die volgt op de kennisgeving kan de ambtenaar een beroep instellen tegen de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, bij de bevoegde raad van beroep bedoeld in artikel 82, eerste lid, 2° van het statuut van het Rijkspersoneel.
  Indien het advies van de raad van beroep ongunstig is voor de ambtenaar, blijft de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur, gehandhaafd.
  Indien het advies van de raad van beroep gunstig is voor de ambtenaar, beslist de bevoegde overheid definitief over het behoud of de opheffing van de preventieve schorsing, desgevallend vergezeld van een terugroeping naar het hoofdbestuur.
Art. 143. Dans un délai de dix jours à partir du jour qui suit la notification, l'agent peut introduire un recours contre la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, devant la chambre de recours compétente visée à l'article 82, alinéa 1er, 2° du statut des agents de l'Etat.
  Si l'avis de la chambre de recours est défavorable à l'agent, la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale, est maintenue.
  Si l'avis de la chambre de recours est favorable à l'agent, l'autorité compétente statue définitivement sur le maintien ou la levée de la suspension préventive, le cas échéant accompagnée d'un rappel à l'administration centrale.
Art. 144. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging mag de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen.
  Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de preventieve schorsing maximum gelden voor de duur van het onderzoek en/of de strafrechtelijke vervolging.
  In afwijking van het eerste lid, beslist de bevoegde overheid, indien zij in kennis wordt gesteld van de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of de seponering, over het behoud van de preventieve schorsing indien een tuchtprocedure wordt opgestart.
Art. 144. Sous réserve d'enquête pénale ou de poursuite pénale, la suspension préventive peut durer six mois au plus.
  En cas d'enquête pénale et/ou de poursuite pénale, la suspension préventive peut s'appliquer au maximum pendant la durée de l'enquête et/ou de la poursuite pénale.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si l'autorité compétente est informée de la décision pénale coulée en force de chose jugée, de l'accord à l'amiable ou du classement sans suite, elle statue sur le maintien de la suspension préventive en cas de lancement d'une procédure disciplinaire.
Art. 145. Indien de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, geen tuchtstraf oplegt of een andere tuchtstraf oplegt dan de inhouding van wedde, de tuchtschorsing, het ambtshalve ontslag of de afzetting, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en wordt de ingehouden wedde uitbetaald.
  Indien de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, de tuchtstraf inhouding van wedde, tuchtschorsing, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag van de kennisgeving van de preventieve schorsing. In dit geval wordt het bedrag van de tijdens de preventieve schorsing ingehouden wedde, in mindering gebracht van het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf.
  Indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil aan de ambtenaar uitbetaald.
Art. 145. Si l'autorité disciplinaire, à la suite d'une suspension préventive avec retenue de traitement, n'inflige aucune peine disciplinaire ou inflige une peine disciplinaire autre que la retenue de traitement, la suspension disciplinaire, la démission d'office ou la révocation, la suspension préventive est retirée et le traitement qui a été retenu est versé.
  Si l'autorité disciplinaire, à la suite d'une suspension préventive avec retenue de traitement, inflige la peine de la retenue de traitement, de la suspension disciplinaire, de la démission d'office ou de la révocation, la peine disciplinaire produit ses effets le jour de la notification de la suspension préventive. Dans ce cas, le montant du traitement retenu pendant la suspension préventive est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire.
  Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire, la différence est versée à l'agent.
HOOFDSTUK 3. - Terugroeping naar het hoofdbestuur
CHAPITRE 3. - Rappel à l'administration centrale
Art. 146. Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan naar het hoofdbestuur worden teruggeroepen bij wijze van ordemaatregel.
  Deze terugroeping naar het hoofdbestuur kan worden vergezeld van een preventieve schorsing.
  De bevoegde overheden, de procedure en de nadere regels voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing.
Art. 146. Lorsque l'intérêt du service l'exige, l'agent affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan peut être rappelé à l'administration centrale à titre de mesure d'ordre.
  Ce rappel à l'administration centrale peut être accompagné d'une suspension préventive.
  Les autorités compétentes, la procédure et les modalités pour le rappel à l'administration centrale sont les mêmes que pour la suspension préventive.
TITEL 12. - Tuchtregeling
TITRE 12. - Régime disciplinaire
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition commune
Art. 147. Deze titel is van toepassing op de stagiair.
Art. 147. Le présent titre est applicable au stagiaire.
HOOFDSTUK 2. - Tuchtfeiten
CHAPITRE 2. - Faits disciplinaires
Art. 148. Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt en in het bijzonder aan één van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, is een tuchtfeit en kan aanleiding geven tot één van de tuchtstraffen bedoeld in artikel 149, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
Art. 148. Tout action ou comportement qui constitue un manquement aux obligations professionnelles, et notamment à l'un des devoirs visés aux articles 7, 8, 9, § 1er, 10 et 12 du statut des agents de l'Etat, ou qui est de nature à porter atteinte à la dignité de la fonction, est un fait disciplinaire et est passible de l'une des peines disciplinaires visées à l'article 149, sans préjudice de l'application des lois pénales.
HOOFDSTUK 3. - Tuchtstraffen
CHAPITRE 3. - Peines disciplinaires
Art. 149. Uitsluitend de volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken:
  1° de terechtwijzing;
  2° de blaam;
  3° de inhouding van wedde;
  4° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  5° de tuchtschorsing;
  6° de lagere inschaling;
  7° de terugzetting in klasse;
  8° het ontslag van ambtswege;
  9° de afzetting.
Art. 149. Seules les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées :
  1° le rappel à l'ordre ;
  2° le blâme ;
  3° la retenue de traitement ;
  4° le déplacement disciplinaire ;
  5° la suspension disciplinaire ;
  6° la régression barémique ;
  7° la rétrogradation ;
  8° la démission d'office ;
  9° la révocation.
Art. 150. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste één maand en ten hoogste zesendertig maanden en mag niet hoger liggen dan die welke bepaald is in artikel 23, vierde lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
Art. 150. La retenue de traitement s'applique pendant un mois au moins et trente-six mois au plus et ne peut être supérieure à celle déterminée à l'article 23, alinéa 4 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
Art. 151. De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanstelling noch een overplaatsing bekomen gedurende de termijn die bepaald is voor de uitwissing van zijn tuchtstraf.
Art. 151. L'agent déplacé par mesure disciplinaire ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert pendant le délai qui est déterminé pour l'effacement de sa peine disciplinaire.
Art. 152. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden.
  De tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
  Gedurende de periode van de tuchtschorsing heeft de ambtenaar recht op zijn wedde en kan er hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan die welke bepaald is in artikel 23, vierde lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
  Gedurende de periode van de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Art. 152. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'un mois au moins et de trois mois au plus.
  La suspension disciplinaire place de plein droit l'agent dans la position administrative de non-activité.
  Durant la période de suspension disciplinaire, l'agent a droit au traitement et ne peut subir une retenue de traitement supérieure à celle déterminée à l'article 23, alinéa 4 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  Durant la période de suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art. 153. De lagere inschaling wordt opgelegd door de toekenning van een lagere weddeschaal in dezelfde klasse.
Art. 153. La régression barémique est infligée par l'attribution d'une échelle de traitement inférieure dans la même classe.
Art. 154. De terugzetting in klasse wordt opgelegd door de toekenning van een lagere klasse.
  De ambtenaar neemt in de nieuwe klasse rang in op de datum waarop deze toekenning uitwerking heeft.
Art. 154. La rétrogradation est infligée par l'attribution d'une classe inférieure.
  L'agent prend rang dans la nouvelle classe à la date à laquelle cette attribution produit ses effets.
HOOFDSTUK 4. - Tuchtoverheid
CHAPITRE 4. - Autorité disciplinaire
Art. 155. De tuchtstraf wordt uitgesproken door de minister, met uitzondering van de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting die door Ons worden opgelegd.
Art. 155. La peine disciplinaire est prononcée par le ministre, à l'exception de la rétrogradation, de la démission d'office et de la révocation qui sont infligées par Nous.
Art. 156. De tuchtstraf wordt uitgesproken na een voorlopig voorstel van de bevoegde hiërarchische meerdere.
  De minister wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan.
Art. 156. La peine disciplinaire est prononcée après une proposition provisoire du supérieur hiérarchique compétent.
  Le ministre désigne le supérieur hiérarchique compétent.
HOOFDSTUK 5. - Tuchtprocedure en beroep
CHAPITRE 5. - Procédure disciplinaire et appel
Afdeling 1. - Het formuleren van het voorlopig strafvoorstel
Section 1re. - Formulation de la proposition provisoire de peine
Art. 157. De hiërarchische meerdere voert het tuchtonderzoek.
  Wanneer het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de hiërarchische meerdere een tuchtverslag op dat de ten laste gelegde feiten vermeldt.
  Hij stelt een tuchtdossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.
Art. 157. Le supérieur hiérarchique mène l'enquête disciplinaire.
  Lorsque l'enquête disciplinaire est terminée, le supérieur hiérarchique rédige un rapport disciplinaire qui mentionne les faits reprochés.
  Il constitue un dossier disciplinaire qui contient toutes les pièces relatives aux faits reprochés.
Art. 158. Een voorlopig voorstel van tuchtstraf kan pas worden geformuleerd nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de hiërarchische meerdere te worden gehoord in zijn middelen van verdediging betreffende de feiten die hem ten laste worden gelegd.
Art. 158. Une proposition provisoire de peine disciplinaire ne peut être formulée qu'après que l'agent a eu la possibilité d'être entendu par le supérieur hiérarchique dans ses moyens de défense sur les faits qui lui sont reprochés.
Art. 159. Ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor roept de hiërarchische meerdere de ambtenaar op om door hem te worden gehoord.
  De oproep wordt verstuurd met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat de ambtenaar heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De oproep vermeldt:
  1° de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd;
  2° het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen;
  3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;
  4° het recht van de ambtenaar om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
  5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
  6° het recht van de ambtenaar om het horen van getuigen te vragen tot uiterlijk tien dagen voor het verhoor, waarbij de naam van de getuigen en het onderwerp van de getuigenissen dienen te worden vermeld;
  7° het recht van de ambtenaar om een schriftelijk verweer neer te leggen tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor;
  8° het recht van de ambtenaar om de stukken die hij wenst toe te voegen aan het dossier neer te leggen tot uiterlijk tien dagen voor het verhoor;
  9° desgevallend, de naam van de getuigen die worden opgeroepen door de hiërarchische meerdere en het onderwerp van hun getuigenissen.
  Het tuchtverslag en het tuchtdossier worden als bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief.
Art. 159. Au moins vingt et un jours avant l'audition, le supérieur hiérarchique convoque l'agent pour être entendu par lui.
  La convocation est envoyée par lettre recommandée à la dernière adresse que l'agent a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  La convocation mentionne :
  1° les faits reprochés à l'agent ;
  2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée ;
  3° le lieu, le jour et l'heure de l'audition ;
  4° le droit de l'agent de se faire assister par la personne de son choix ;
  5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition ;
  6° le droit de l'agent de demander l'audition de témoins au plus tard dix jours avant l'audition en mentionnant le nom des témoins et l'objet des témoignages ;
  7° le droit de l'agent de déposer un mémoire écrit au plus tard trois jours avant l'audition ;
  8° le droit de l'agent de déposer les pièces qu'il souhaite joindre au dossier au plus tard dix jours avant l'audition ;
  9° le cas échéant, le nom des témoins qui sont convoqués par le supérieur hiérarchique et l'objet de leurs témoignages.
  Le rapport disciplinaire et le dossier disciplinaire sont joints à la lettre de convocation.
Art. 160. § 1. De ambtenaar verschijnt persoonlijk of via videoconferentie. Hij mag worden bijgestaan door een persoon naar keuze.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  § 2. Het verhoor van de ambtenaar en, in voorkomend geval, van de getuige, is niet openbaar, tenzij de ambtenaar er zelf om verzoekt.
  De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
  Het verhoor van de getuige vindt plaats in de aanwezigheid van de ambtenaar en, in voorkomend geval, van de persoon naar keuze.
  De hiërarchische meerdere kan zich bij het verhoor laten bijstaan door een secretaris die hij aanduidt.
  § 3. Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus niet verschijnt, doet de hiërarchische meerdere uitspraak op grond van de stukken van het dossier.
  Hetzelfde geldt zodra de ambtenaar, hoewel een tweede keer regelmatig opgeroepen, niet verschijnt.
  De plaats, de dag en het uur van het uitgesteld verhoor of van het verhoor in voortzetting worden meegedeeld aan de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Art. 160. § 1er. L'agent comparaît en personne ou par vidéoconférence. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  § 2. L'audition de l'agent et, le cas échéant, du témoin n'est pas publique, sauf si l'agent en fait la demande.
  Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
  L'audition du témoin a lieu en présence de l'agent et, le cas échéant, de la personne de son choix.
  Le supérieur hiérarchique peut se faire assister lors de l'audition par un secrétaire qu'il désigne.
  § 3. Si l'agent, bien que régulièrement convoqué ne comparait pas sans excuse valable, le supérieur hiérarchique se prononce sur base des pièces du dossier.
  Il en va de même si, bien que régulièrement convoqué une seconde fois, l'agent ne comparait pas.
  Le lieu, le jour et l'heure de l'audition reportée ou de l'audition en continuation sont communiqués à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Art. 161. § 1. Binnen de tien dagen na het verhoor van de ambtenaar worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
  Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overgemaakt met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De ambtenaar wordt uitgenodigd om zijn opmerkingen kenbaar te maken met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor.
  De opmerkingen overgemaakt langs elektronische weg zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat de ambtenaar beschikt over een ontvangstbevestiging van de opmerkingen.
  De opmerkingen overgemaakt via de diplomatieke tas zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De afwezigheid van opmerkingen binnen de termijn bedoeld in het derde lid impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
  § 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
  Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overgemaakt met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaren aangesteld op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De getuige wordt uitgenodigd om zijn opmerkingen kenbaar te maken met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via diplomatieke tas indien het om een ambtenaar aangesteld op post gaat binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor.
  De opmerkingen overgemaakt langs elektronische weg zijn enkel tegenstelbaar mits de getuige beschikt over een ontvangstbevestiging van de opmerkingen.
  De opmerkingen overgemaakt via de diplomatieke tas zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De afwezigheid van opmerkingen binnen de termijn bedoeld in het derde lid impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 161. § 1er. Dans les dix jours de l'audition de l'agent, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
  Une copie de ce procès-verbal est immédiatement transmise à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  L'agent est invité à faire part de ses observations par lettre recommandée, par voie électronique ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste dans un délai de vingt jours après l'audition.
  Les observations transmises par voie électronique ne sont opposables qu'à la condition que l'agent dispose d'un accusé de réception des observations.
  Les observations transmises par la valise diplomatique ne sont opposables qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  L'absence d'observations dans le délai visé à l'alinéa 3 implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
  § 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
  Une copie de ce procès-verbal est immédiatement transmise au témoin par lettre recommandée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  Le témoin est invité à faire part de ses observations par lettre recommandée, par voie électronique ou par valise diplomatique s'il s'agit d'un agent affecté en poste dans un délai de vingt jours après l'audition.
  Les observations transmises par voie électronique ne sont opposables qu'à la condition que le témoin dispose d'un accusé de réception des observations.
  Les observations transmises par la valise diplomatique ne sont opposables qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  L'absence d'observations dans le délai visé à l'alinéa 3 implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 162. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het meedelen van de opmerkingen op de notulen van het verhoor van de ambtenaar, formuleert de hiërarchische meerdere een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf en brengt hij dit voorlopig voorstel ter kennis van het Directiecomité en van de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ontvangst wordt bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De kennisgeving van het dossier geldt als aanhangigmaking bij het Directiecomité.
Art. 162. Dans les quinze jours de l'expiration du délai pour la communication des observations sur le procès-verbal d'audition de l'agent, le supérieur hiérarchique formule une proposition provisoire motivée de peine disciplinaire et communique cette proposition provisoire au Comité de direction et à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont la réception est confirmée ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  La communication du dossier vaut saisine du Comité de direction.
Afdeling 2. - Het formuleren van het definitief strafvoorstel
Section 2. - Formulation de la proposition définitive de peine
Art. 163. Een definitief voorstel van tuchtstraf kan niet worden geformuleerd dan nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door het Directiecomité te worden gehoord over zijn middelen van verdediging betreffende de feiten die hem ten laste worden gelegd.
Art. 163. Une proposition définitive de peine disciplinaire ne peut être formulée qu'après que l'agent a eu la possibilité d'être entendu par le Comité de direction dans ses moyens de défense sur les faits qui lui sont reprochés.
Art. 164. Ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor roept het Directiecomité de ambtenaar op om door hem te worden gehoord.
  Deze oproep wordt verstuurd met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat de ambtenaar heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij de ambtenaar de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De oproep vermeldt:
  1° de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd;
  2° de door de hiërarchische meerdere voorlopig voorgestelde tuchtstraf;
  3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;
  4° het recht van de ambtenaar om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
  5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
  6° het recht van de ambtenaar om het horen van getuigen te vragen tot uiterlijk tien dagen voor het verhoor, waarbij de naam van de getuigen en het onderwerp van de getuigenissen dienen te worden vermeld;
  7° het recht van de ambtenaar om een schriftelijk verweer neer te leggen tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor;
  8° het recht van de ambtenaar om de stukken die hij wenst toe te voegen aan het dossier neer te leggen tot uiterlijk tien dagen voor het verhoor;
  9° desgevallend, de naam van de getuigen die worden opgeroepen door het Directiecomité en het onderwerp van hun getuigenissen.
Art. 164. Au moins vingt et un jours avant l'audition, le Comité de direction convoque l'agent pour être entendu par lui.
  Cette convocation est envoyée par lettre recommandée à la dernière adresse que l'agent a communiquée, par voie électronique dont l'agent a confirmé la réception ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  La convocation mentionne :
  1° les faits reprochés à l'agent ;
  2° la peine disciplinaire provisoire proposée par le supérieur hiérarchique ;
  3° le lieu, le jour et l'heure de l'audition ;
  4° le droit de l'agent de se faire assister par la personne de son choix ;
  5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition ;
  6° le droit de l'agent de demander l'audition de témoins au plus tard dix jours avant l'audition en mentionnant le nom des témoins et l'objet des témoignages ;
  7° le droit de l'agent de déposer un mémoire écrit au plus tard trois jours avant l'audition ;
  8° le droit de l'agent de déposer les pièces qu'il souhaite joindre au dossier au plus tard dix jours avant l'audition ;
  9° le cas échéant, le nom des témoins qui sont convoqués par le Comité de direction et l'objet de leurs témoignages.
Art. 165. § 1. De ambtenaar verschijnt persoonlijk of via videoconferentie. Hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze.
  De directeur-generaal P&O bepaalt de nadere regels van het verhoor via videoconferentie.
  § 2. Het verhoor van de ambtenaar en, in voorkomend geval, van de getuige, is niet openbaar, tenzij de ambtenaar er zelf om verzoekt.
  De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
  Het verhoor van de getuige vindt plaats in de aanwezigheid van de ambtenaar en, in voorkomend geval, van de persoon naar keuze.
  § 3. Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus niet verschijnt, doet het Directiecomité uitspraak op grond van de stukken van het dossier.
  Hetzelfde geldt zodra de ambtenaar, hoewel een tweede keer regelmatig opgeroepen, niet verschijnt.
  De plaats, de dag en het uur van het uitgesteld verhoor of van het verhoor in voortzetting worden meegedeeld aan de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij hij de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  § 4. Kan geen zitting hebben noch deelnemen aan de beraadslaging van het Directiecomité, de ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingesteld of elk personeelslid dat heeft deelgenomen aan het instellen van de tuchtvordering of dat, in welke hoedanigheid dan ook, aan de tuchtprocedure heeft deelgenomen.
Art. 165. § 1er. L'agent comparaît en personne ou par vidéoconférence. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le directeur général P&O détermine les modalités de l'audition par vidéoconférence.
  § 2. L'audition de l'agent et, le cas échéant, du témoin n'est pas publique, sauf si l'agent en fait la demande.
  Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
  L'audition du témoin a lieu en présence de l'agent et, le cas échéant, de la personne de son choix.
  § 3. Si l'agent, bien que régulièrement convoqué ne comparait pas sans excuse valable, le Comité de direction se prononce sur base des pièces du dossier.
  Il en va de même si, bien que régulièrement convoqué une seconde fois, l'agent ne comparait pas.
  Le lieu, le jour et l'heure de l'audition reportée ou de l'audition en continuation sont communiqués à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont il a confirmé la réception ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  § 4. Ne peut ni siéger ni participer à la délibération du Comité de direction, l'agent contre qui est engagée l'action disciplinaire ou tout membre du personnel qui a participé à l'engagement de l'action disciplinaire ou qui a pris part, à quelque titre que ce soit, à la procédure disciplinaire.
Art. 166. § 1. Binnen de tien dagen na het verhoor van de ambtenaar worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
  Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overgemaakt met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij hij de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De ambtenaar wordt uitgenodigd om zijn opmerkingen kenbaar te maken met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor.
  De opmerkingen overgemaakt langs elektronische weg zijn enkel tegenstelbaar mits de ambtenaar beschikt over een ontvangstbevestiging van de opmerkingen.
  De opmerkingen overgemaakt via de diplomatieke tas zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De afwezigheid van opmerkingen binnen de termijn bedoeld in het derde lid impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
  § 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
  Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overgemaakt met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg waarbij hij de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar aangesteld op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De getuige wordt uitgenodigd om zijn opmerkingen kenbaar te maken met een aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via diplomatieke tas indien het om een ambtenaar aangesteld op post gaat binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor.
  De opmerkingen overgemaakt langs elektronische weg zijn enkel tegenstelbaar mits de getuige beschikt over een ontvangstbevestiging van de opmerkingen.
  De opmerkingen overgemaakt via de diplomatieke tas zijn enkel tegenstelbaar op voorwaarde dat het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  De afwezigheid van opmerkingen binnen de termijn bedoeld in het derde lid impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 166. § 1er. Dans les dix jours de l'audition de l'agent, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
  Une copie de ce procès-verbal est immédiatement transmise à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont il a confirmé la réception ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  L'agent est invité à faire part de ses observations par lettre recommandée, par voie électronique ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste dans un délai de vingt jours après l'audition.
  Les observations transmises par voie électronique ne sont opposables qu'à la condition que l'agent dispose d'un accusé de réception des observations.
  Les observations transmises par la valise diplomatique ne sont opposables qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  L'absence d'observations dans le délai visé à l'alinéa 3 implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
  § 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
  Une copie de ce procès-verbal est immédiatement transmise au témoin par lettre recommandée, par voie électronique dont il a confirmé la réception ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  Le témoin est invité à faire part de ses observations par lettre recommandée, par voie électronique ou par valise diplomatique s'il s'agit d'un agent affecté en poste dans un délai de vingt jours après l'audition.
  Les observations transmises par voie électronique ne sont opposables qu'à la condition que le témoin dispose d'un accusé de réception des observations.
  Les observations transmises par la valise diplomatique ne sont opposables qu'à la condition que le bordereau d'inscription en établisse la date d'envoi.
  L'absence des observations dans le délai visé à l'alinéa 3 implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 167. § 1. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf, formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf.
  Deze termijn van twee maanden kan op gemotiveerde wijze verlengd worden.
  Het lid van het Directiecomité dat niet permanent aanwezig was tijdens het geheel van de verhoren, mag niet deelnemen aan de beraadslagingen en aan de stemming over het definitief voorstel van tuchtstraf.
  § 2. Het definitief voorstel van tuchtstraf wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij hij de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
  § 3. Binnen de twintig dagen vanaf de dag die volgt op de kennisgeving van het definitieve voorstel van tuchtstraf, kan de ambtenaar tegen dit voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep bedoeld in artikel 82, eerste lid, 2° van het statuut van het Rijkspersoneel.
Art. 167. § 1er. Dans un délai de deux mois à partir de la notification de la proposition provisoire de peine disciplinaire, le Comité de direction formule une proposition définitive de peine disciplinaire.
  Ce délai de deux mois peut être prolongé de manière motivée.
  Le membre du Comité de direction qui n'était pas présent de manière permanente pendant l'ensemble des auditions ne peut participer aux délibérations et au vote sur la proposition définitive de peine disciplinaire.
  § 2. La proposition définitive de peine disciplinaire est notifiée à l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont il a confirmé la réception ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
  § 3. Dans les vingt jours à partir du jour qui suit la notification de la proposition définitive de peine disciplinaire, l'agent peut introduire un recours contre cette proposition devant la chambre de recours compétente visée à l'article 82, alinéa 1er, 2° du statut des agents de l'Etat.
Afdeling 3. - Beslissing van de bevoegde overheid
Section 3. - Décision de l'autorité compétente
Art. 168. De bevoegde overheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan die welke definitief is voorgesteld.
  Ze kan slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.
  Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben voor een periode die de uitspraak voorafgaat, met uitzondering van hetgeen bepaald is in artikel 145.
Art. 168. L'autorité compétente ne peut prononcer de peine disciplinaire plus sévère que celle proposée définitivement.
  Elle ne peut prendre en considération que les faits qui ont justifié la procédure disciplinaire.
  Une peine disciplinaire ne peut avoir d'effet pour une période qui précède la décision, à l'exception de ce qui est déterminé à l'article 145.
Art. 169. § 1. Indien de raad van beroep gevat werd, beslist de bevoegde overheid binnen de vijftien dagen, te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep.
  Zij deelt zonder verwijl de beslissing mee aan:
  1° de ambtenaar met een aangetekend schrijven naar het laatste adres dat hij heeft meegedeeld, langs elektronische weg waarbij hij de ontvangst heeft bevestigd of via de diplomatieke tas voor de ambtenaar aangesteld op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont;
  2° de raad van beroep langs elektronische weg.
  Indien de bevoegde overheid afwijkt van het advies van de raad van beroep, kan zij geen andere feiten opwerpen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben.
  § 2. Indien de raad van beroep niet werd gevat, beslist de bevoegde overheid binnen de vijftien dagen vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 167, § 3.
Art. 169. § 1er. Si la chambre de recours a été saisie, l'autorité compétente décide dans les quinze jours à partir de la notification de l'avis de la chambre de recours.
  Elle communique sans délai la décision à :
  1° l'agent par lettre recommandée à la dernière adresse qu'il a communiquée, par voie électronique dont il a confirmé la réception ou par la valise diplomatique pour l'agent affecté en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi ;
  2° la chambre de recours par voie électronique.
  Si l'autorité compétente déroge à l'avis de la chambre de recours, elle ne peut évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la chambre de recours.
  § 2. Si la chambre de recours n'a pas été saisie, l'autorité compétente décide dans les quinze jours à dater de l'expiration du délai visé à l'article 167, § 3.
Afdeling 4. - Samenloop van tuchtfeiten
Section 4. - Jonction de faits disciplinaires
Art. 170. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot de uitspraak van één tuchtstraf.
  Wanneer de ambtenaar in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, kan een nieuwe procedure worden begonnen zonder dat de lopende procedure noodzakelijkerwijs wordt onderbroken.
Art. 170. Lorsque plus d'un fait est reproché à l'agent, il ne peut néanmoins donner lieu qu'à une seule procédure disciplinaire et qu'au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
  Lorsqu'un nouveau fait est reproché à l'agent au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sans que la procédure en cours ne soit nécessairement interrompue.
HOOFDSTUK 6. - Verjaring van de tuchtvordering
CHAPITRE 6. - Prescription de l'action disciplinaire
Art. 171. § 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten.
  De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de ambtenaar opgeroepen is om te worden gehoord door de hiërarchische meerdere.
  § 2. Indien in verband met dezelfde feiten een strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn in paragraaf 1, eerste lid gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid er door de gerechtelijke overheid van op de hoogte wordt gebracht dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt.
  § 3. De strafvordering doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.
  Indien de ambtenaar van mening is dat de tuchtstraf die hem opgelegd wordt, onverenigbaar is met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, dan kan hij binnen de zestig dagen na de kennisgeving van de strafrechtelijke uitspraak, bij de tuchtoverheid een verzoek indienen tot intrekking van de opgelegde tuchtstraf.
Art. 171. § 1er. L'autorité disciplinaire ne peut plus intenter de poursuite disciplinaire après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte.
  La poursuite disciplinaire est censée être engagée dès que l'agent est convoqué pour être entendu par le supérieur hiérarchique.
  § 2. Si une action pénale a été engagée au sujet des mêmes faits, le délai du paragraphe 1er, alinéa 1er est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire est mise au courant par l'autorité judiciaire qu'une décision a été prononcée qui est passée en force de chose jugée et qui met fin à l'action pénale.
  § 3. L'action pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire.
  Si l'agent estime que la peine disciplinaire qui lui est infligée est incompatible avec un prononcé pénal ultérieurement passé en force de chose jugée, il peut alors, dans les soixante jours après la notification du prononcé pénal, introduire auprès de l'autorité disciplinaire une requête en retrait de la peine disciplinaire infligée.
HOOFDSTUK 7. - Uitwissing van de tuchtstraf
CHAPITRE 7. - Effacement de la peine disciplinaire
Art. 172. § 1. Elke tuchtstraf, behalve de afzetting en het ontslag van ambtswege, wordt ambtshalve uitgewist in het persoonlijk dossier van de ambtenaar na verloop van een termijn van:
  1° zes maanden voor de terechtwijzing;
  2° negen maanden voor de blaam;
  3° één jaar voor de inhouding van wedde;
  4° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  5° twee jaar voor de tuchtschorsing;
  6° drie jaar voor de lagere inschaling en de terugzetting in graad.
  De termijn voor de uitwissing van de terechtwijzing, de blaam, de verplaatsing bij tuchtmaatregel, de lagere inschaling en de terugzetting in graad loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
  De termijn voor de uitwissing van de inhouding van wedde en de tuchtschorsing loopt daags na de dag waarop de tuchtstraf ophoudt uitwerking te hebben.
  § 2. De uitwissing heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De uitwissing heeft als gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer kan worden gehouden bij de evaluatie en bij de beoordeling van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar.
  Met de uitgewiste tuchtstraf kan wel rekening worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat indien nieuwe tuchtfeiten worden gepleegd.
Art. 172. § 1er. Toute peine disciplinaire, à l'exception de la révocation et de la démission d'office, est effacée d'office du dossier personnel de l'agent après écoulement d'un délai de :
  1° six mois pour le rappel à l'ordre ;
  2° neuf mois pour le blâme ;
  3° un an pour la retenue de traitement ;
  4° dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire ;
  5° deux ans pour la suspension disciplinaire ;
  6° trois ans pour la régression barémique et la rétrogradation.
  Le délai d'effacement du rappel à l'ordre, du blâme, du déplacement disciplinaire, de la régression barémique et de la rétrogradation prend cours à la date à laquelle la peine a été prononcée.
  Le délai d'effacement de la retenue de traitement et de la suspension disciplinaire prend cours le lendemain du jour où la peine cesse de produire ses effets.
  § 2. L'effacement ne produit d'effet que pour l'avenir. L'effacement a pour effet que la peine disciplinaire effacée ne peut plus être prise en compte pour l'évaluation et l'appréciation des titres à la promotion de l'agent.
  Il peut être tenu compte de la peine disciplinaire effacée dans la détermination du degré de la peine si de nouveaux faits sont commis.
Boek 2. - Consulaire carrière
Livre 2. - Carrière consulaire
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 173. Dit boek is van toepassing op de ambtenaar van de consulaire carrière.
Art. 173. Le présent livre est applicable à l'agent de la carrière consulaire.
Art. 174. Er wordt geen enkele selectie voor de toegang tot de consulaire carrière georganiseerd.
Art. 174. Aucune sélection n'est organisée pour l'accès à la carrière consulaire.
Art. 175. De artikelen 40, 43, 45, 58 tot en met 69, 74 tot en met 146 en 148 tot en met 172 zijn van toepassing op de ambtenaar van de consulaire carrière.
Art. 175. Les articles 40, 43, 45, 58 à 69, 71 à 146 et 148 à 172 sont applicables à l'agent de la carrière consulaire.
TITEL 2. - Hiërarchie, anciënniteit en bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière
TITRE 2. - Hiérarchie, ancienneté et promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure
HOOFDSTUK 1. - Hiërarchie
CHAPITRE 1er. - Hiérarchie
Art. 176. De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C1 of C2 draagt de titel van administratief assistent consulaire zaken.
  De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C3, C4 of C5 draagt de titel van administratief hoofd consulaire zaken.
  In afwijking van het eerste en het tweede lid draagt de ambtenaar die aangesteld is op post, op Belgoeurop of op Belotan de titel van de functie die hij uitoefent.
Art. 176. L'agent revêtu de l'échelle de traitement C1 ou C2 porte le titre d'assistant administratif affaires consulaires.
  L'agent revêtu de l'échelle de traitement C3, C4 ou C5 porte le titre de chef administratif affaires consulaires.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'agent qui est affecté en poste, à Belgoeurop ou à Belotan porte le titre de la fonction qu'il exerce.
HOOFDSTUK 2. - Anciënniteit
CHAPITRE 2. - Ancienneté
Art. 177. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt de voorrang tussen de ambtenaren waarvan de anciënniteit wordt vergeleken, als volgt bepaald:
  1° de ambtenaar waarvan de dienstanciënniteit het grootst is;
  2° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
Art. 177. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de priorité entre les agents dont l'ancienneté est comparée s'établit de la façon suivante :
  1° l'agent dont l'ancienneté de service est la plus élevée ;
  2° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
Art. 178. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit bedoeld in artikel 177, 1° komen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 43 die de ambtenaar, in welke hoedanigheid dan ook, zonder vrijwillige onderbreking en als ambtenaar van de consulaire carrière heeft verricht.
Art. 178. Pour le calcul de l'ancienneté de service visé à l'article 177, 1°, sont admissibles les services effectifs au sens de l'article 43 que l'agent a prestés, à quelque titre que ce soit, sans interruption volontaire et comme agent de la carrière consulaire.
HOOFDSTUK 3. - Bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière
CHAPITRE 3. - Promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 179. § 1. Wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar in het niveau A van de buitenlandse carrière; ze wordt "bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière" genoemd.
  Deze bevordering vindt plaats in de klasse A2.
  § 2. De bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière wordt toegekend na het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 181.
  Zij wordt toegekend door Ons.
Art. 179. § 1er. Pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent au niveau A de la carrière extérieure ; elle est dénommée " promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure ".
  Cette promotion se fait dans la classe A2.
  § 2. La promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure est attribuée après réussite des épreuves visées à l'article 181.
  Elle est attribuée par Nous.
Afdeling 2. - Procedure voor de bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière
Section 2. - Procédure de promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure
Art. 180. Om aan de proeven voor de overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière deel te nemen, moet de ambtenaar aan de volgende vereisten voldoen:
  1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden;
  2° geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op zijn laatste evaluatie;
  3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, eerste lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Voor de toepassing van de eerste lid, 3°, geniet de ambtenaar van dezelfde vrijstellingen als deze bedoeld in artikel 11, § 2, tweede lid.
Art. 180. Pour participer aux épreuves d'accession dans le niveau A de la carrière extérieure, l'agent doit satisfaire aux conditions suivantes :
  1° se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion ;
  2° ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant " lors de sa dernière évaluation ;
  3° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 1er de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 .
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, l'agent bénéficie des mêmes dispenses que celles visées à l'article 11, § 2, alinéa 2.
Art. 181. § 1. De proeven voor de overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière zijn in vier reeksen ingedeeld.
  § 2. De eerste reeks wordt georganiseerd door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
  De proeven van die reeks beogen het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren, te evalueren.
  Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van niet-slagen.
  Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
  De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling kent een vrijstelling toe voor de reeds geslaagde proeven.
  De ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid om deze opnieuw af te leggen.
  § 3. De tweede reeks omvat vier proeven die de verwerving van kennis beogen te evalueren.
  Elk van de vier proeven van de tweede reeks bestaat in het volgen van en het slagen voor een cursus van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte.
  De vier proeven van de tweede reeks worden gekozen in de vakken bepaald door de minister.
  De FOD kan ook zelf de vier proeven van de tweede reeks organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies is gunstig indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS studiepunten overeenkomt.
  De kandidaat die houder is van een master of van een diploma dat toegang verleent tot het niveau A, uitgereikt door een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte, wordt beschouwd als geslaagd van de proeven van deze reeks.
  De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
  Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
  De proeven van de tweede reeks geven aanleiding tot een dienstvrijstelling overeenkomstig artikel 123.
  § 4. De derde reeks bestaat uit een schriftelijke proef en een mondelinge proef die verband houden met een functie van de buitenlandse carrière.
  Ze wordt georganiseerd door de FOD, na overleg met de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
  Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de tweede reeks proeven.
  Geslaagd is alleen de kandidaat die ten minste 12 van de 20 punten heeft behaald voor elk van de twee proeven van de derde reeks.
  § 5. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
  De ambtenaar geniet van dezelfde vrijstellingen als deze bedoeld in artikel 11, § 2, derde lid.
Art. 181. § 1er. Les épreuves d'accession dans le niveau A de la carrière extérieure se répartissent en quatre séries.
  § 2. La première série est organisée par le directeur général Recrutement et Développement.
  Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité de l'agent à fonctionner au niveau A.
  Elles se concluent par une attestation de réussite ou un rapport d'échec.
  L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
  Le directeur général Recrutement et Développement accorde une dispense pour les épreuves déjà réussies.
  L'agent qui n'a pas réussi une épreuve est exclu de la possibilité de la présenter à nouveau pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de cette épreuve.
  § 3. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances.
  Chacune des quatre épreuves de la deuxième série consiste en le suivi et la réussite d'un cours d'au moins quatre crédits ECTS figurant au programme des masters d'une université ou d'une haute école de l'Espace économique européen.
  Les quatre épreuves de la deuxième série sont choisies dans les matières déterminées par le ministre.
  Le SPF peut également organiser lui-même les quatre épreuves de la deuxième série moyennant avis favorable de deux professeurs d'université, un de chaque rôle linguistique, spécialisés dans la matière de ces épreuves. L'avis est favorable si les épreuves sont du niveau d'un master et si chaque épreuve correspond au moins à quatre crédits ECTS.
  Le candidat titulaire d'un master ou d'un diplôme qui donne accès au niveau A, délivré par une université ou une haute école de l'Espace économique européen, est considéré comme lauréat des épreuves de cette série.
  La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'au lauréat de la première série d'épreuves.
  Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
  Les épreuves de la deuxième série donnent droit à une dispense de service conformément à l'article 123.
  § 4. La troisième série consiste en une épreuve écrite et une épreuve orale en relation avec une fonction de la carrière extérieure.
  Elle est organisée par le SPF, après concertation avec le directeur général Recrutement et Développement.
  Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la deuxième série d'épreuves.
  Seul le candidat qui a obtenu au moins 12 des 20 points pour chacune des deux épreuves de la troisième série réussit.
  § 5. La quatrième série consiste en un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
  L'agent bénéficie des mêmes dispenses que celles visées à l'article 11, § 2, alinéa 3.
Deel 4. Financieel statuut
Partie 4. Statut financier
Boek 1. Algemene bepaling
Livre 1er. Disposition générale
Art. 182. Tenzij anders bepaald, is dit deel van toepassing op de ambtenaar van de buitenlandse carrière, op de ambtenaar van de consulaire carrière en op de stagiair.
Art. 182. Sauf disposition contraire, la présente partie est applicable à l'agent de la carrière extérieure, à l'agent de la carrière consulaire et au stagiaire.
Boek 2. - Weddeschalen
Livre 2. - Echelles de traitement
Art. 183. Voor de ambtenaar van de buitenlandse carrière zijn de weddeschalen diegenen die bepaald zijn in artikel 8, tweede tot en met vijfde lid en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Art. 183. Pour l'agent de la carrière extérieure, les échelles de traitement sont celles déterminées par l'article 8, alinéas 2 à 5 et l'annexe I du statut pécuniaire.
Art. 184. Gedurende de stageperiode, eventueel verlengd of verdaagd overeenkomstig artikel 20, § 2, wordt de stagiair bekleed met de weddeschaal NA11.
  De ambtenaar die in de buitenlandse carrière wordt benoemd overeenkomstig artikel 36, wordt bekleed met de weddeschaal NA21.
Art. 184. Pendant la période du stage, éventuellement prolongé ou reporté conformément à l'article 20, § 2, le stagiaire est revêtu de l'échelle de traitement NA11.
  L'agent qui est nommé dans la carrière extérieure conformément à l'article 36, est revêtu de l'échelle de traitement NA21.
Art. 185. De bevordering tot de hogere klasse van de ambtenaar van de buitenlandse carrière heeft plaats in de eerste weddeschaal van de hogere klasse.
  In afwijking van het eerste lid krijgt de ambtenaar van de buitenlandse carrière die bevorderd is naar de hogere klasse en bezoldigd is in de weddeschaal bedoeld in de eerste kolom van onderstaande tabel, de weddeschaal van zijn klasse vermeld in de tweede kolom:
Art. 185. La promotion à la classe supérieure de l'agent de la carrière extérieure a lieu dans la première échelle de traitement de la classe supérieure.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent de la carrière extérieure qui est promu à la classe supérieure et est rémunéré dans l'échelle de traitement visée dans la première colonne du tableau ci-dessous, obtient l'échelle de traitement de sa classe mentionnée dans la deuxième colonne :
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2
NA23 NA32 NA23 NA32
NA24 NA33 NA24 NA33
NA25 NA34 NA25 NA34
NA34 NA42 NA34 NA42
NA35 NA43 NA35 NA43
NA43 NA52 NA43 NA52
NA44 NA53 NA44 NA53
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2 NA23 NA32 NA23 NA32 NA24 NA33 NA24 NA33 NA25 NA34 NA25 NA34 NA34 NA42 NA34 NA42 NA35 NA43 NA35 NA43 NA43 NA52 NA43 NA52 NA44 NA53 NA44 NA53
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2
NA23 NA32 NA23 NA32
NA24 NA33 NA24 NA33
NA25 NA34 NA25 NA34
NA34 NA42 NA34 NA42
NA35 NA43 NA35 NA43
NA43 NA52 NA43 NA52
NA44 NA53 NA44 NA53
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2 NA23 NA32 NA23 NA32 NA24 NA33 NA24 NA33 NA25 NA34 NA25 NA34 NA34 NA42 NA34 NA42 NA35 NA43 NA35 NA43 NA43 NA52 NA43 NA52 NA44 NA53 NA44 NA53
Art. 186. Voor de ambtenaar van de consulaire carrière zijn de weddeschalen diegenen die bepaald zijn in artikel 6, eerste lid en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
  De ambtenaar van de consulaire carrière die bevorderd wordt door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière overeenkomstig artikel 179, wordt bekleed met de weddeschaal NA21.
Art. 186. Pour l'agent de la carrière consulaire, les échelles de traitement sont celles déterminées par l'article 6, alinéa 1er et l'annexe I du statut pécuniaire.
  L'agent de la carrière consulaire qui est promu par accession au niveau A de la carrière extérieure conformément à l'article 179, est revêtu de l'échelle de traitement NA21.
Boek 3. - Bevordering in weddeschaal
Livre 3. - Promotion barémique
Art. 187. Wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar, in zijn klasse of in zijn graad, van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd.
  De bevordering in weddeschaal wordt door de minister of zijn afgevaardigde verleend voor de ambtenaar van de buitenlandse carrière en door de voorzitter of zijn afgevaardigde voor de ambtenaar van de consulaire carrière.
Art. 187. Pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent, dans sa classe ou dans son grade, de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait ; elle est dénommée " promotion barémique ".
  La promotion barémique est attribuée par le ministre ou son délégué pour l'agent de la carrière extérieure et par le président ou son délégué pour l'agent de la carrière consulaire.
Art. 188. § 1. De ambtenaar die tot het niveau opgenomen in kolom 1 van de tabel hieronder behoort, wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal van zijn klasse of van zijn graad die opgenomen is in kolom 2 van dezelfde tabel op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij minstens het aantal jaren schaalanciënniteit opgenomen in kolom 3 van dezelfde tabel heeft.
Art. 188. § 1er. L'agent appartenant à un niveau repris dans la colonne 1 du tableau ci-dessous est promu à l'échelle de traitement supérieure de sa classe ou de son grade figurant dans la colonne 2 du même tableau le 1erjour du mois qui suit celui où il compte au moins le nombre d'années d'ancienneté d'échelle figurant dans la colonne 3 du même tableau.
Niveau Promotie naar de weddeschaal Minimale schaal
  anciënniteit
Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum
A en C Naar de tweede weddeschaal 3 jaar A et C Vers la deuxième échelle de traitement 3 ans
A Vanaf de derde weddeschaal 5 jaar A A partir de la troisième échelle de traitement 5 ans
C Vanaf de derde weddeschaal 6 jaar C A partir de la troisième échelle de traitement 6 ans
Niveau Promotie naar de weddeschaal Minimale schaal
  anciënniteit Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum A en C Naar de tweede weddeschaal 3 jaar A et C Vers la deuxième échelle de traitement 3 ans A Vanaf de derde weddeschaal 5 jaar A A partir de la troisième échelle de traitement 5 ans C Vanaf de derde weddeschaal 6 jaar C A partir de la troisième échelle de traitement 6 ans
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 moet de ambtenaar van de buitenlandse carrière voldoen aan de vereisten bedoeld in artikel 47 en de ambtenaar van de consulaire carrière aan de vereisten bedoeld in artikel 180, eerste lid, 1° en 2° om een bevordering in weddeschaal te verkrijgen.
Niveau Promotie naar de weddeschaal Minimale schaal
  anciënniteit
Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum
A en C Naar de tweede weddeschaal 3 jaar A et C Vers la deuxième échelle de traitement 3 ans
A Vanaf de derde weddeschaal 5 jaar A A partir de la troisième échelle de traitement 5 ans
C Vanaf de derde weddeschaal 6 jaar C A partir de la troisième échelle de traitement 6 ans
Niveau Promotie naar de weddeschaal Minimale schaal
  anciënniteit Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum A en C Naar de tweede weddeschaal 3 jaar A et C Vers la deuxième échelle de traitement 3 ans A Vanaf de derde weddeschaal 5 jaar A A partir de la troisième échelle de traitement 5 ans C Vanaf de derde weddeschaal 6 jaar C A partir de la troisième échelle de traitement 6 ans
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, pour obtenir une promotion barémique, l'agent de la carrière extérieure doit remplir les conditions visées à l'article 47 et l'agent de la carrière consulaire les conditions visées à l'article 180, alinéa 1er, 1° et 2°.
Boek 4. - Forfaitaire vergoedingen
Livre 4. - Indemnités forfaitaires
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 189. De bedragen opgenomen in dit boek en in bijlage 2 zijn verbonden aan de gezondheidsindex van mei 2022 en worden jaarlijks aangepast aan de stijging van de kost van het levensonderhoud in België.
Art. 189. Les montants repris sous le présent livre et sous l'annexe 2 sont rattachés à l'indice santé de mai 2022 et sont annuellement ajustés à l'augmentation du coût de la vie en Belgique.
Art. 190. Elke vergoeding opgenomen in dit boek wordt betaald op een bankrekening in België.
Art. 190. Toute indemnité reprise sous le présent livre est payée sur un compte bancaire en Belgique.
Art. 191. Elke onverschuldigde ontvangen vergoeding of voorschot wordt terugbetaald door de ambtenaar overeenkomstig de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 191. Toute indemnité ou avance indûment perçue est remboursée par l'agent selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
TITEL 2. - Transfervergoeding
TITRE 2. - Indemnité de transfert
Art. 192. § 1. Een transfervergoeding wordt toegekend aan:
  1° de ambtenaar die is aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan sedert minstens één jaar en die zal worden aangesteld op post;
  2° de ambtenaar die is aangesteld op post sedert minstens één jaar en die zal worden aangesteld op een andere post.
  § 2. De transfervergoeding is gelijk aan eenmaal het maandelijkse bedrag van de postvergoeding bedoeld in artikel 194 die toegekend zal worden aan de ambtenaar wanneer hij aangesteld zal zijn op post.
Art. 192. § 1er. Une indemnité de transfert est accordée à :
  1° l'agent qui est affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan depuis un an au moins et qui sera affecté en poste ;
  2° l'agent qui est affecté en poste depuis un an au moins et qui sera affecté dans un autre poste.
  § 2. L'indemnité de transfert est égale à une fois le montant mensuel de l'indemnité de poste visée à l'article 194 qui sera accordée à l'agent lorsqu'il sera affecté en poste.
Art. 193. De nadere regels van de betaling van de transfervergoeding worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 193. Les modalités de paiement de l'indemnité de transfert sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
TITEL 3. - Postvergoeding en voorschot op de postvergoeding
TITRE 3. - Indemnité de poste et avance sur l'indemnité de poste
HOOFDSTUK 1. - Postvergoeding
CHAPITRE 1er. - Indemnité de poste
Art. 194. § 1. Een postvergoeding wordt maandelijks toegekend aan de ambtenaar die aangesteld is op post.
  § 2. De postvergoeding is gelijk aan de som van de volgende bedragen:
  1° het bedrag voor de internationale mobiliteit bedoeld in artikel 195;
  2° het bedrag voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid bedoeld in artikel 196;
  3° het bedrag voor de verwijdering bedoeld in artikel 197;
  4° het bedrag voor de hardship bedoeld in artikel 198;
  5° het bedrag voor het kind bedoeld in artikel 199.
Art. 194. § 1er. Une indemnité de poste est accordée mensuellement à l'agent qui est affecté en poste.
  § 2. L'indemnité de poste est égale à la somme des montants suivants :
  1° le montant pour la mobilité internationale visé à l'article 195 ;
  2° le montant pour la fonction exercée et la disponibilité visé à l'article 196 ;
  3° le montant pour l'éloignement visé à l'article 197 ;
  4° le montant pour la pénibilité visé à l'article 198 ;
  5° le montant pour l'enfant visé à l'article 199.
Art. 195. § 1. Het bedrag voor de internationale mobiliteit wordt bepaald in bijlage 2 en vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud van de post.
  De coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud van de post wordt bepaald door de directeur-generaal P&O en minstens tweemaal per jaar herzien overeenkomstig de nadere regels bepaald door het Directiecomité.
  § 2. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 25%:
  1° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en voor zover zijn partner bij hem op post verblijft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 5 tot en met 7 en voor zover hij een partner heeft.
Art. 195. § 1er. Le montant pour la mobilité internationale est déterminé à l'annexe 2 et multiplié par le coefficient du coût de la vie du poste.
  Le coefficient du coût de la vie du poste est déterminé par le directeur général P&O et révisé au moins deux fois par an selon les modalités déterminées par le Comité de direction.
  § 2. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 25% :
  1° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4, et pour autant que son partenaire réside avec lui en poste ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 5 à 7, et pour autant qu'il ait un partenaire.
Art. 196. § 1. Het bedrag voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid is gelijk aan het bedrag verbonden aan de functiecode, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud van de post.
  De bedragen verbonden aan de functiecodes worden bepaald in bijlage 2.
  De functies verbonden aan de functiecodes worden bepaald in bijlage 3.
  De categorie bedoeld in bijlage 3 waartoe elke functie van posthoofd behoort, wordt bepaald door het Directiecomité en elke drie jaar herzien.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid kan het bedrag van de functiecode DM1 worden verbonden aan een functie in het consulaire domein of in het domein van de ontwikkelingssamenwerking die volgens bijlage 3 niet verbonden is aan de functiecode DM1.
  Telkens beslist wordt een ambtenaar aan te stellen in een functie op post of telkens de omstandigheden dit vereisen, legt het Directiecomité een lijst voor aan de minister van de functies die niet verbonden zijn aan de functiecode DM1 en waaraan hij voorstelt het bedrag verbonden aan de functiecode DM1 te verbinden.
  Bij het opstellen van deze lijst houdt het Directiecomité rekening met het aantal personeelsleden van de post geleid door de ambtenaar die de functie uitoefent.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid kan het bedrag verbonden aan de functiecode DM2 worden verbonden aan een functie in het domein van de ontwikkelingssamenwerking die volgens bijlage 3 niet verbonden is aan de functiecode DM2.
  Telkens beslist wordt een ambtenaar aan te stellen in een functie op post of telkens de omstandigheden dit vereisen, legt het Directiecomité een lijst voor aan de minister van de functies die niet verbonden zijn aan de functiecode DM2 en waaraan hij voorstelt het bedrag verbonden aan de functiecode DM2 te verbinden.
  Bij het opstellen van deze lijst houdt het Directiecomité rekening met het aantal personeelsleden van de post geleid door de ambtenaar die de functie uitoefent.
  § 4. Worden beschouwd als personeelsleden bedoeld in paragraaf 2, derde lid en paragraaf 3, derde lid wanneer zij geleid worden door de ambtenaar:
  1° de ambtenaren;
  2° de stagiairs;
  3° de Rijksambtenaren aangesteld op post;
  4° de leden van het uitgezonden contractueel personeel;
  5° de leden van het lokaal aangeworven contractueel personeel.
  § 5. Wanneer het aantal personeelsleden van de post een vermindering of verhoging kent, behoudt de medewerker die reeds aangesteld is op die post zijn functiecode, tenzij de vermindering of de verhoging van het aantal personeelsleden tot gevolg heeft hem een hogere functiecode toe te kennen en voor zover de vermindering of de verhoging van het aantal personeelsleden duurzaam is.
  Worden beschouwd als personeelsleden van de post bedoeld in het eerste lid:
  1° de ambtenaren;
  2° de stagiairs;
  3° de Rijksambtenaren aangesteld op post;
  4° de leden van het uitgezonden contractueel personeel die een functie uitoefenen in het diplomatieke of het consulaire domein of in het domein van ontwikkelingssamenwerking.
  § 6. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 25%:
  1° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en voor zover zijn partner bij hem op post verblijft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 5 tot en met 7 en voor zover hij een partner heeft.
Art. 196. § 1er. Le montant pour la fonction exercée et la disponibilité est égal au montant lié au code fonction, multiplié par le coefficient du coût de la vie du poste.
  Les montants liés aux codes fonction sont déterminés à l'annexe 2.
  Les fonctions liées aux codes fonction sont déterminées à l'annexe 3.
  La catégorie visée à l'annexe 3 à laquelle chaque fonction de chef de poste appartient est déterminée par le Comité de direction et révisée tous les trois ans.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le montant du code fonction CD1 peut être lié à une fonction dans le domaine consulaire ou dans le domaine de la coopération au développement qui, selon l'annexe 3, n'est pas liée au code fonction CD1.
  Chaque fois qu'il est décidé d'affecter un agent dans une fonction en poste ou chaque fois que les circonstances l'exigent, le Comité de direction soumet au ministre une liste de fonctions qui ne sont pas liées au code fonction CD1 et auxquelles il propose de lier le montant lié au code fonction CD1.
  Lors de l'établissement de cette liste, le Comité de direction tient compte du nombre de membres du personnel dirigés par l'agent qui exerce la fonction.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le montant lié au code fonction CD2 peut être lié à une fonction dans le domaine de la coopération au développement qui, selon l'annexe 3, n'est pas liée au code fonction CD2.
  Chaque fois qu'il est décidé d'affecter un agent dans une fonction en poste ou chaque fois que les circonstances l'exigent, le Comité de direction soumet au ministre une liste de fonctions qui ne sont pas liées au code fonction CD2 et auxquelles il propose de lier le montant lié au code fonction CD2.
  Lors de l'établissement de cette liste, le Comité de direction tient compte du nombre de membres du personnel dirigés par l'agent qui exerce la fonction .
  § 4. Sont considérés comme membres du personnel visés au paragraphe 2, alinéa 3 et paragraphe 3, alinéa 3, lorsqu'ils sont dirigés par l'agent :
  1° les agents ;
  2° les stagiaires ;
  3° les agents de l'Etat affectés en poste ;
  4° les membres du personnel contractuel expatrié;
  5° les membres du personnel contractuel recruté localement.
  § 5. Lorsque le nombre de membres du personnel du poste connaît une diminution ou une augmentation, le collaborateur déjà affecté au sein de ce poste conserve son code fonction, à moins que la diminution ou l'augmentation du nombre de membres du personnel n'ait pour effet de lui octroyer un code fonction supérieur et pour autant que la diminution ou l'augmentation du nombre de membres du personnel soit durable.
  Sont considérés comme membres du personnel du poste visé à l'alinéa 1er :
  1° les agents ;
  2° les stagiaires ;
  3° les agents de l'Etat affectés en poste ;
  4° les membres du personnel contractuel expatrié qui exercent une fonction dans le domaine diplomatique ou consulaire ou dans le domaine de la coopération au développement.
  § 6. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 25% :
  1° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4, et pour autant que son partenaire réside avec lui en poste ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 5 à 7, et pour autant qu'il ait un partenaire.
Art. 197. § 1. Het bedrag voor de verwijdering is gelijk aan het bedrag verbonden aan de categorie van verwijdering van de post.
  Het bedrag van elke categorie van verwijdering wordt bepaald in bijlage 2.
  § 2. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 100%:
  1° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en voor zover zijn partner bij hem op post verblijft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post van categorie van hardship 5 tot en met 7 en voor zover hij een partner heeft.
  § 3. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt eveneens vermeerderd met 50% per kind in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°.
  Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 100% voor het eerste kind en met 50% voor elk volgend kind:
  1° wanneer de ambtenaar geen partner heeft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en zijn partner niet bij hem op post verblijft.
Art. 197. § 1er. Le montant pour l'éloignement est égal au montant lié au rang d'éloignement du poste.
  Le montant de chaque rang d'éloignement est déterminé à l'annexe 2.
  § 2. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 100% :
  1° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4, et pour autant que son partenaire réside avec lui en poste ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 5 à 7, et pour autant qu'il ait un partenaire.
  § 3. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est également majoré de 50% par enfant dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°.
  Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 100% pour le premier enfant et de 50% pour chaque enfant suivant :
  1° lorsque l'agent n'a pas de partenaire ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4 et que son partenaire ne réside pas avec lui en poste.
Art. 198. § 1. Het bedrag voor de hardship is gelijk aan het bedrag verbonden aan de categorie van hardship van de post.
  Het bedrag van elke categorie van hardship wordt bepaald in bijlage 2.
  § 2. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 50%:
  1° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en voor zover zijn partner bij hem op post verblijft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 5 tot en met 7 en voor zover hij een partner heeft.
  § 3. Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt eveneens vermeerderd met 25% per kind in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°.
  Het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid wordt vermeerderd met 50% voor het eerste kind en met 25% voor elk volgend kind:
  1° wanneer de ambtenaar geen partner heeft;
  2° wanneer de ambtenaar aangesteld is op een post met categorie van hardship 1 tot en met 4 en zijn partner niet bij hem verblijft.
Art. 198. § 1er. Le montant pour la pénibilité est égal au montant lié au rang de pénibilité du poste.
  Le montant de chaque rang de pénibilité est déterminé à l'annexe 2.
  § 2. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 50% :
  1° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4, et pour autant que son partenaire réside avec lui en poste ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 5 à 7, et pour autant qu'il ait un partenaire.
  § 3. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est également majoré de 25% par enfant, dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°.
  Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er est majoré de 50% pour le premier enfant et de 25% pour chaque enfant suivant :
  1° lorsque l'agent n'a pas de partenaire ;
  2° lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 4 en poste et que son partenaire ne réside pas avec lui en poste.
Art. 199. Het bedrag voor het kind wordt vastgesteld in bijlage 2 en vermenigvuldigd met het aantal kinderen.
  Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld voor het kind dat een handicap heeft die erkend werd door de FOD Sociale Zekerheid of door Kind en Gezin.
  Als het kind dat een handicap heeft, geen voltijdse studies volgt na de leeftijd van 18 jaar, wordt dit bedrag toegekend tot de leeftijd van 21 jaar.
Art. 199. Le montant pour l'enfant est déterminé à l'annexe 2 et multiplié par le nombre d'enfants.
  Le montant visé à l'alinéa 1er est doublé pour l'enfant atteint d'un handicap reconnu par le SPF Sécurité sociale ou par Kind en Gezin.
  Si l'enfant atteint d'un handicap ne poursuit pas des études de plein exercice au-delà de 18 ans, ce montant est accordé jusqu'à l'âge de 21 ans.
Art. 200. Om te genieten van de vermeerderingen voor de partner bedoeld in de artikelen 195, § 2, 1°, 196, § 3, 1°, 197, § 2, 1° en 198, § 2, 1° dient de partner gedurende minstens acht maanden per jaar op post te verblijven met de ambtenaar.
  Indien de ambtenaar aangesteld wordt op post in de loop van het jaar, wordt de duur van het verblijf op post van de partner bedoeld in het eerste lid pro rata berekend.
  Ten laatste op 31 januari van elk jaar vult de ambtenaar de verklaring betreffende het verblijf van zijn partner op post in en maakt het over overeenkomstig de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 200. Pour bénéficier des majorations pour le partenaire visées aux articles 195, § 2, 1°, 196, § 3, 1°, 197, § 2, 1° et 198, § 2, 1°, le partenaire doit résider au moins huit mois par année en poste avec l'agent.
  Si l'agent est affecté en poste en cours d'année, la durée de résidence en poste du partenaire visée à l'alinéa 1er se calcule au prorata.
  Au plus tard le 31 janvier de chaque année, l'agent complète la déclaration relative à la résidence de son partenaire en poste et la transmet selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 201. Indien de partner van de ambtenaar eveneens ambtenaar is en geniet van de postvergoeding bedoeld in artikel 194, zijn de vermeerderingen voor de partner bedoeld in de artikelen 195, § 2, 196, § 3, 197, § 2, en 198, § 2 niet van toepassing.
Art. 201. Si le partenaire de l'agent est également agent et bénéficie de l'indemnité de poste visée à l'article 194, les majorations pour le partenaire visées aux articles 195, § 2, 196, § 3, 197, § 2 et 198, § 2 ne s'appliquent pas.
Art. 202. Indien de partner van de ambtenaar eveneens ambtenaar is en geniet van de postvergoeding bedoeld in artikel 194, worden de vermeerderingen per kind bedoeld in de artikelen 197, § 3 en 198, § 3 enkel toegekend aan de ambtenaar die aangesteld is op de post waarvan de categorie van verwijdering het hoogst is.
  Indien de ambtenaar en zijn partner, die eveneens ambtenaar is, aangesteld zijn op dezelfde post of op verschillende posten maar die dezelfde categorie van verwijdering hebben, worden de vermeerderingen per kind bedoeld in de artikelen 197, § 3 en 198, § 3 enkel toegekend aan de ambtenaar die de kinderbijslag ontvangt, tenzij de betrokken ambtenaren de wens hebben geuit om die aan de andere ambtenaar toe te kennen.
  Indien de partner van de ambtenaar eveneens ambtenaar is en geniet van de postvergoeding bedoeld in artikel 194, wordt het bedrag voor het kind bedoeld in artikel 199 enkel toegekend aan de ambtenaar die de kinderbijslag ontvangt, tenzij de betrokken ambtenaren de wens hebben geuit om dit aan de andere ambtenaar toe te kennen.
Art. 202. Si le partenaire de l'agent est également agent et bénéficie de l'indemnité de poste visée à l'article 194, les majorations par enfant visées aux articles 197, § 3, et 198, § 3 sont accordées uniquement à l'agent affecté dans le poste dont le rang d'éloignement est le plus élevé.
  Si l'agent et son partenaire qui est également agent sont affectés dans le même poste ou dans des postes différents mais ayant le même rang d'éloignement, les majorations par enfant visées aux articles 197, § 3 et 198, § 3 sont accordées uniquement à l'agent qui perçoit les allocations familiales, à moins que les agents concernés n'aient exprimé le souhait de les accorder à l'autre agent.
  Si le partenaire de l'agent est également agent et bénéficie de l'indemnité de poste visée à l'article 194, le montant pour l'enfant visé à l'article 199 est accordé uniquement à l'agent qui perçoit les allocations familiales, à moins que les agents concernés n'aient exprimé le souhait de l'accorder à l'autre agent.
Art. 203. De volgende bedragen worden ingehouden op de postvergoeding:
  1° voor de medewerker: het bedrag van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid van de ambtenaar voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit dat zou worden ingehouden wanneer hij aangesteld was op het hoofdbestuur;
  2° voor het posthoofd:
  a) het bedrag bedoeld onder 1° ;
  b) 391,05 euro als bijdrage in de lasten en de kosten verbonden aan de bezetting van de residentie die hem ter beschikking wordt gesteld.
  Voor het posthoofd zonder partner en zonder kind is het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°, b), gelijk aan 195,52 euro.
Art. 203. Les montants suivants sont retenus de l'indemnité de poste :
  1° pour le collaborateur : le montant des cotisations de sécurité sociale personnelles de l'agent pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité qui serait retenu s'il était affecté à l'administration centrale ;
  2° pour le chef de poste :
  a) le montant visé sous 1° ;
  b) 391,05 euros à titre de contribution dans les charges et les frais liés à l'occupation de la résidence mise à sa disposition.
  Pour le chef de poste sans partenaire et sans enfant, le montant visé à l'alinéa 1er, 2°, b) est égal à 195,52 euros.
Art. 204. De postvergoeding wordt berekend in dertigsten en achteraf betaald.
Art. 204. L'indemnité de poste est calculée en trentièmes et payée à terme échu.
HOOFDSTUK 2. - Voorschot op de postvergoeding
CHAPITRE 2. - Avance sur l'indemnité de poste
Art. 205. § 1. Een voorschot op de postvergoeding wordt, op vraag, toegekend aan de ambtenaar die is aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan voorafgaandelijk aan zijn aanstelling op post.
  § 2. Het voorschot op de postvergoeding is gelijk aan zesmaal het maandelijkse bedrag van de postvergoeding bedoeld in artikel 194 die zal worden toegekend aan de ambtenaar wanneer hij zal worden aangesteld op post.
  § 3. De nadere regels van de aanvraag, de betaling en de terugbetaling van het voorschot op de postvergoeding worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 205. § 1er. Une avance sur l'indemnité de poste est accordée, sur demande, à l'agent affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan préalablement à son affectation en poste.
  § 2. L'avance sur l'indemnité de poste est égale à six fois le montant mensuel de l'indemnité de poste visée à l'article 194 qui sera accordée à l'agent lorsqu'il sera affecté en poste.
  § 3. Les modalités de la demande, du paiement et du remboursement de l'avance sur l'indemnité de poste sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
TITEL 4. - Waarnemingsvergoeding
TITRE 4. - Indemnité de gérance
Art. 206. § 1. Een dagelijkse waarnemingsvergoeding van 17 euro wordt vanaf de éénentwintigste dag van waarneming toegekend aan de ambtenaar die de functie van tijdelijk zaakgelastigde uitoefent gedurende een ononderbroken periode van minimum éénentwintig dagen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt een dagelijkse waarnemingsvergoeding van 17 euro vanaf de eerste dag van waarneming toegekend aan de ambtenaar waarvan de functie verbonden is aan de functiecode DM3 "functie van voornaamste medewerker in het consulaire domein", DM4, CM22 of CM23 bedoeld in bijlage 3 en die de functie van tijdelijk zaakgelastigde uitoefent.
  § 3. Het bedrag van de waarnemingsvergoeding wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud van de post.
Art. 206. § 1er. Une indemnité de gérance journalière de 17 euros est accordée à partir du vingt-et-unième jour de gérance à l'agent qui exerce la fonction de chargé d'affaires ad interim durant une période ininterrompue de minimum vingt-et-un jours.
  § 2. Par dérogation au § 1er, une indemnité de gérance journalière de 17 euros est accordée à partir du premier jour de gérance à l'agent dont la fonction est liée au code fonction CD3 " fonction de collaborateur principal dans le domaine consulaire ", CD4, CC22 ou CC23 visés à l'annexe 3 et qui exerce la fonction de chargé d'affaires ad interim.
  § 3. Le montant de l'indemnité de gérance est multiplié par le coefficient du coût de la vie du poste.
Art. 207. De nadere regels van de betaling van de waarnemingsvergoeding worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 207. Les modalités de paiement de l'indemnité de gérance sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
TITEL 5. - Terugkeervergoeding
TITRE 5. - Indemnité de retour
Art. 208. § 1. Een terugkeervergoeding wordt maandelijks toegekend aan de ambtenaar die aangesteld is op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan na gedurende minstens één jaar op post te zijn aangesteld.
  § 2. De terugkeervergoeding wordt toegekend vanaf de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
  De terugkeervergoeding wordt toegekend tot op de datum van de toekenning van de transfervergoeding en uiterlijk tot vier jaar na de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
  Onverminderd het eerste en het tweede lid, wordt de terugkeervergoeding toegekend aan de ambtenaar tijdens de periode bedoeld in het eerste en het tweede lid wanneer hij in die periode aangesteld is op Belgoeurop of op Belotan na te zijn aangesteld geweest op het hoofdbestuur, of omgekeerd.
  De minister of zijn afgevaardigde kan, op behoorlijk gemotiveerd voorstel van het Directiecomité, de toekenning van de terugkeervergoeding eenmalig met één jaar verlengen na afloop van de vier jaar bedoeld in het tweede lid ten voordele van de ambtenaar die een leidinggevende of een expertisefunctie uitoefent die, omwille van de noden van de dienst, niet aan een ander personeelslid van de FOD kan toevertrouwd worden.
Art. 208. § 1er. Une indemnité de retour est accordée mensuellement à l'agent qui est affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan après avoir été affecté en poste pendant au moins un an.
  § 2. L'indemnité de retour est accordée à partir de l'affectation de l'agent à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
  L'indemnité de retour est accordée jusqu'à la date d'octroi de l'indemnité de transfert et au plus tard jusqu'à quatre ans après l'affectation de l'agent à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
  Sans préjudice des alinéas 1er et 2, l'indemnité de retour est accordée à l'agent pendant la période visée aux alinéas 1er et 2 lorsqu'il est affecté pendant cette période à Belgoeurop ou à Belotan après avoir été affecté à l'administration centrale, ou inversement.
  Le ministre ou son délégué peut, sur proposition dûment motivée du Comité de direction, prolonger d'une fois un an l'octroi de l'indemnité de retour au-delà des quatre ans visés à l'alinéa2 en faveur de l'agent qui exerce une fonction de direction ou d'expertise qui, pour les besoins du service, ne peut être confiée à un autre membre du personnel du SPF.
Art. 209. De terugkeervergoeding is gelijk aan:
  1° 1/51 van de geïndexeerde bruto jaarwedde van de ambtenaar voor de ambtenaar zonder partner en zonder kind;
  2° 1/31 van de geïndexeerde bruto jaarwedde van de ambtenaar voor:
  a) de ambtenaar met partner en zonder kind;
  b) de ambtenaar met of zonder partner en met één kind;
  3° 1/26,5 van de geïndexeerde bruto jaarwedde van de ambtenaar voor de ambtenaar met of zonder partner en met minstens twee kinderen.
  Voor de ambtenaar die geniet van één van de verloven bedoeld in artikel 210, § 1, tweede lid, 1° tot en met 5° wordt de terugkeervergoeding berekend overeenkomstig het eerste lid op basis van de geïndexeerde bruto jaarwedde waarop hij recht zou hebben indien hij niet genoot van één van die verloven.
Art. 209. L'indemnité de retour est égale à :
  1° 1/51 du traitement annuel brut indexé de l'agent pour l'agent sans partenaire et sans enfant ;
  2° 1/31 du traitement annuel brut indexé de l'agent pour :
  a) l'agent avec partenaire et sans enfant ;
  b) l'agent avec ou sans partenaire et avec un seul enfant ;
  3° 1/26,5 du traitement annuel brut indexé de l'agent pour l'agent avec ou sans partenaire et avec au moins deux enfants.
  Pour l'agent qui bénéficie d'un des congés visés à l'article 210, § 1er, alinéa 2, 1° à 5°, l'indemnité de retour est calculée conformément à l'alinéa 1er sur base du traitement annuel brut indexé auquel il aurait droit s'il ne bénéficiait pas d'un de ces congés.
Art. 210. § 1. Het bedrag van de terugkeervergoeding wordt betaald pro rata van de arbeidstijd van de ambtenaar.
  In afwijking van het eerste lid, wordt het bedrag van de terugkeervergoeding volledig betaald wanneer de ambtenaar geniet van één van de volgende verloven:
  1° een verlof voor erkende mantelzorgers bedoeld in artikel 117, § 1bis van het verlofbesluit;
  2° een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorg bedoeld in artikel 117, § 1 van het verlofbesluit;
  3° een loopbaanonderbreking voor medische bijstand bedoeld in artikel 117bis van het verlofbesluit;
  4° een ouderschapsverlof bedoeld in de artikelen 34 en 35 van het verlofbesluit;
  5° een verlof wegens opdracht van algemeen belang bedoeld in artikel 102, § 2 van het verlofbesluit, voor zover het een managementfunctie in een Belgische federale overheidsdienst betreft;
  6° een verlof wegens opdracht bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het verlofbesluit voor zover de ambtenaar een functie uitoefent binnen de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, een beleidscel of een secretariaat van een lid van de federale regering;
  7° een verlof bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1, tweede lid, 5°, wordt de betaling van de terugkeervergoeding geschorst tijdens de duur van het verlof wanneer de ambtenaar één van de volgende verloven verkrijgt:
  1° een verlof wegens opdracht bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het verlofbesluit wanneer de ambtenaar geen functie uitoefent binnen de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, een beleidscel of een secretariaat van een lid van de federale regering;
  2° een verlof wegens opdracht bedoeld in de artikelen 99 tot en met 112 van het verlofbesluit;
  3° een verlof voor volledige loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 116 tot en met 139 van het verlofbesluit;
  4° een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden bedoeld in de artikelen 113 tot en met 115 van het verlofbesluit.
  Na de schorsing omwille van één van de hieronder bedoelde verloven geniet de ambtenaar van de terugkeervergoeding binnen de grenzen van artikel 208, § 2:
  1° het verlof bedoeld in het eerste lid, 1° ;
  2° het verlof bedoeld in het eerste lid, 2° wanneer de opdracht niet erkend wordt als van algemeen belang of wanneer de opdracht plaatsvindt op het Belgische grondgebied.
  Na de schorsing wordt de periode gedurende dewelke de ambtenaar geniet van de terugkeervergoeding verlengd met de duur van de volgende verloven:
  1° het verlof bedoeld in het eerste lid, 2° wanneer de opdracht als van algemeen belang wordt erkend en plaatsvindt in het buitenland;
  2° het verlof bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°.
  Onverminderd artikel 208, § 2, vierde lid, neemt de verlengde periode gedurende dewelke de ambtenaar geniet van de terugkeervergoeding een einde op de datum van de toekenning van de transfervergoeding zonder dat de terugkeervergoeding kan worden toegekend gedurende een periode van meer dan vier jaar.
  Indien de verlofperiode bedoeld in het eerste lid de vier jaar overschrijdt, verliest de ambtenaar het recht op de terugkeervergoeding.
Art. 210. § 1er. Le montant de l'indemnité de retour est payé au prorata du temps de travail de l'agent.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant de l'indemnité de retour est payé intégralement lorsque l'agent bénéficie d'un des congés suivants :
  1° un congé pour aidants proches reconnus visé à l'article 117, § 1bis de l'arrêté congé ;
  2° une interruption de carrière pour soins palliatifs visée à l'article 117, § 1er de l'arrêté congé ;
  3° une interruption de carrière pour assistance médicale visée à l'article 117bis de l'arrêté congé ;
  4° un congé parental visé aux articles 34 et 35 de l'arrêté congé ;
  5° un congé pour mission d'intérêt général visé à l'article 102, § 2 de l'arrêté congé, pour autant qu'il s'agisse d'une fonction de management dans un service public fédéral belge ;
  6° un congé pour mission visé aux articles 95 à 98 de l'arrêté congé pour autant que l'agent exerce une fonction au sein de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, d'une cellule stratégique ou d'un secrétariat d'un membre du gouvernement fédéral ;
  7° un congé visé à l'article 4 de l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à disposition du Roi ou des Princes ou Princesses de Belgique.
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, alinéa 2, 5°, le paiement de l'indemnité de retour est suspendu pendant la durée du congé lorsque l'agent obtient l'un des congés suivants :
  1° un congé pour mission visé aux articles 95 à 98 de l'arrêté congé lorsque l'agent n'exerce pas une fonction au sein de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, d'une cellule stratégique ou d'un secrétariat d'un membre du gouvernement fédéral ;
  2° un congé pour mission visé aux articles 99 à 112 de l'arrêté congé ;
  3° un congé pour l'interruption complète de la carrière professionnelle visé aux articles 116 à 139 de l'arrêté congé ;
  4° une absence de longue durée pour raisons personnelles visée aux articles 113 à 115 de l'arrêté congé.
  Après la suspension en raison d'un des congés visés ci-dessous, l'agent bénéficie de l'indemnité de retour dans les limites de l'article 208, § 2 :
  1° le congé visé à l'alinéa 1er, 1° ;
  2° le congé visé à l'alinéa 1er, 2° lorsque la mission n'est pas reconnue d'intérêt général ou a lieu sur le territoire belge.
  Après la suspension, la période pendant laquelle l'agent bénéficie de l'indemnité de retour est prolongée de la durée des congés suivant :
  1° le congé visé à l'alinéa 1er, 2° lorsque la mission est reconnue d'intérêt général et a lieu à l'étranger ;
  2° le congé visé à l'alinéa 1er, 3° et 4°.
  Sans préjudice de l'article 208, § 2, alinéa 4, la période prolongée pendant laquelle l'agent bénéficie de l'indemnité de retour prend fin à la date d'octroi de l'indemnité de transfert sans pour autant que l'indemnité de retour ne puisse être accordée pendant une période supérieure à quatre ans.
  Si la période du congé visé à l'alinéa 1er est supérieure à quatre ans, l'agent perd le droit à l'indemnité de retour.
Art. 211. De postvergoeding wordt berekend in dertigsten en achteraf betaald.
Art. 211. L'indemnité de retour est calculée en trentièmes et payée à terme échu.
TITEL 6. - Vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid
TITRE 6. - Indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité
Art. 212. Onverminderd artikel 208, wordt maandelijks een vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid toegekend aan de ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 212. Sans préjudice de l'article 208, une indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité est accordée mensuellement à l'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 213. De vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid is gelijk aan:
  1° 2600 euro voor de permanente vertegenwoordiger van Belgoeurop of van Belotan;
  2° 2400 euro voor de adjunct-permanent vertegenwoordiger van Belgoeurop en voor de vertegenwoordiger bij het COPS;
  3° 2000 euro voor de adjunct-permanent vertegenwoordiger van Belotan;
  4° 1300 euro voor de ambtenaar die niet bedoeld wordt onder 1° tot en met 3°.
Art. 213. L'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité est égale à :
  1° 2600 euros pour le représentant permanent de Belgoeurop ou de Belotan ;
  2° 2400 euros pour le représentant permanent adjoint de Belgoeurop et pour le représentant auprès du COPS ;
  3° 2000 euros pour le représentant permanent adjoint de Belotan ;
  4° 1300 euros pour l'agent qui n'est pas visé aux 1° à 3°.
Art. 214. De vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid wordt berekend in dertigsten en achteraf betaald.
Art. 214. L'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité est calculée en trentièmes et payée à terme échu.
TITEL 7. - Vergoeding voor verblijfskosten
TITRE 7. - Indemnité pour frais de séjour
Art. 215. Een vergoeding voor verblijfskosten wordt toegekend aan de ambtenaar die belast is met een dienstreis in het buitenland of die zetelt in internationale commissies.
  De kosten gedekt door de vergoeding voor verblijfskosten en het bedrag van deze vergoeding worden bepaald door de minister.
  Wanneer de ambtenaar aangesteld is op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, wordt de vergoeding voor verblijfskosten verminderd met het bedrag van de tussenkomst van de FOD in de maaltijdcheque.
Art. 215. Une indemnité pour frais de séjour est accordée à l'agent chargé d'un voyage de service à l'étranger ou qui siège dans des commissions internationales.
  Les frais couverts par l'indemnité pour frais de séjour et le montant de cette indemnité sont déterminés par le ministre.
  Lorsque l'agent est affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan, l'indemnité pour frais de séjour est réduite du montant de la contribution du SPF au chèque-repas.
Boek 5. - Tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever
Livre 5. - Interventions dans les frais propres à l'employeur
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 216. Alle bedragen opgenomen in dit boek zijn verbonden aan de gezondheidsindex van mei 2022 en worden elke drie jaar aangepast aan de verhoging van de kost van het levensonderhoud in België.
Art. 216. Tous les montants repris sous le présent livre sont rattachés à l'indice santé de mai 2022 et sont ajustés tous les trois ans à l'augmentation du coût de la vie en Belgique.
Art. 217. Tenzij anders bepaald, worden de nadere regels van de betaling en de verantwoording van de tussenkomsten alsook de nadere regels van de vraag om betaling en de terugbetaling van de voorschotten van dit boek bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 217. Sauf disposition contraire, les modalités de paiement et de justification des interventions ainsi que les modalités de demande de paiement et de remboursement des avances du présent livre sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 218. Elke onverschuldigde ontvangen of niet verantwoorde tussenkomst wordt terugbetaald door de ambtenaar overeenkomstig de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 218. Toute intervention indûment perçue ou non justifiée est remboursée par l'agent selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 219. Enkel de kosten die niet kunnen worden teruggevorderd ingevolge het diplomatiek of consulair statuut komen in aanmerking voor een tussenkomst.
Art. 219. Seuls les frais qui ne sont pas récupérables eu égard au statut diplomatique ou consulaire, entrent en ligne de compte pour une intervention.
Art. 220. Elke tussenkomst wordt betaald op een bankrekening in België.
Art. 220. Toute intervention est payée sur un compte bancaire en Belgique.
TITEL 2. - Tussenkomst in de kosten van het huispersoneel van de posthoofden
TITRE 2. - Intervention dans les frais de personnel de maison des chefs de poste
Art. 221. Een maandelijkse forfaitaire tussenkomst in de kosten die verbonden zijn aan het huispersoneel dat logeert op de residentie en dat hij op contractuele basis en in zijn naam aanwerft, na goedkeuring van de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, wordt toegekend aan het posthoofd.
  Het bedrag van deze tussenkomst wordt bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 221. Une intervention forfaitaire mensuelle est accordée au chef de poste dans les frais liés au personnel de maison qui loge à la résidence et qu'il engage sur base contractuelle et en son nom, après approbation du directeur général P&O ou son délégué.
  Le montant de cette intervention est déterminé par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 222. Worden in aanmerking genomen als kosten die verbonden zijn aan het huispersoneel:
  1° de salarissen;
  2° de fiscale lasten;
  3° de socialezekerheidsbijdragen;
  4° de voeding;
  5° de kosten van verzekeringen die verbonden zijn aan de uitgeoefende functie;
  6° de werkkledij;
  7° de ontslagvergoeding op het moment van het einde van de aanstelling van het posthoofd;
  8° eenmaal per jaar, de reiskosten in het geval van een terugkeer naar het land van oorsprong van het lid van het huispersoneel;
  9° elke andere kost die wordt opgelegd door het lokale arbeidsrecht.
Art. 222. Sont pris en considération comme frais liés au personnel de maison :
  1° les salaires ;
  2° les charges fiscales ;
  3° les cotisations de sécurité sociale ;
  4° la nourriture ;
  5° les frais d'assurances qui sont liées à la fonction exercée ;
  6° les vêtements de travail ;
  7° l'indemnité de licenciement au moment de la fin de l'affectation du chef de poste ;
  8° les frais de voyage une fois par an, dans le cas d'un retour vers le pays d'origine du membre du personnel ;
  9° tout autre frais imposé par le droit du travail local.
Art. 223. Het posthoofd verantwoordt jaarlijks het gebruik van de maandelijkse forfaitaire tussenkomsten die hem werden toegekend.
  Indien aan het einde van het jaar de kosten die verbonden zijn aan het huispersoneel hoger zijn dan de ontvangen maandelijkse forfaitaire tussenkomsten, wordt op behoorlijk gemotiveerde vraag een bijkomende tussenkomst in deze kosten toegekend aan het posthoofd om het verschil te dekken.
Art. 223. Chaque année, le chef de poste justifie l'utilisation des interventions forfaitaires mensuelles qui lui ont été accordées.
  Si, au terme de l'année, les frais liés au personnel de maison sont supérieurs aux interventions forfaitaires mensuelles perçues, une intervention additionnelle dans ces frais est accordée sur demande dûment motivée au chef de poste pour couvrir la différence.
TITEL 3. - Tussenkomst voor de wagen van het posthoofd
TITRE 3. - Intervention pour la voiture du chef de poste
Art. 224. Een maandelijkse forfaitaire tussenkomst in de kosten van het onderhoud en het gebruik van zijn persoonlijke wagen, die hij gebruikt in het kader van de uitoefening van zijn functie in de schoot van het rechtsgebied van de post waarop hij is aangesteld, wordt toegekend aan het posthoofd.
  Het bedrag van deze tussenkomst bedraagt 1173 euro.
  Het posthoofd verantwoordt jaarlijks het gebruik van de maandelijkse forfaitaire tussenkomsten die hem werden toegekend.
  Het posthoofd waakt over het representatief karakter van het persoonlijk voertuig dat hij gebruikt in het kader van de uitoefening van zijn functie.
Art. 224. Une intervention forfaitaire mensuelle est accordée au chef de poste dans les frais d'entretien et d'usage de sa voiture personnelle qu'il utilise dans l'exercice de sa fonction au sein de la juridiction du poste auquel il est affecté.
  Le montant de cette intervention est de 1173 euros.
  Chaque année, le chef de poste justifie l'utilisation des interventions forfaitaires mensuelles qui lui ont été accordées.
  Le chef de poste veille au caractère représentatif de la voiture personnelle qu'il utilise dans le cadre de l'exercice de sa fonction.
TITEL 4. - Voorschot voor de wagen van het posthoofd
TITRE 4. - Avance pour la voiture du chef de poste
Art. 225. Een voorschot voor de wagen van het posthoofd wordt, op vraag, toegekend aan de ambtenaar aangesteld op post voorafgaandelijk aan zijn aanstelling als posthoofd.
  Het bedrag van dit voorschot is gelijk aan zesmaal het bedrag van de maandelijkse postvergoeding bedoeld in artikel 194 die zal worden toegekend aan de ambtenaar wanneer hij op post zal zijn aangesteld.
Art. 225. Une avance pour la voiture du chef de poste est accordée, sur demande, à l'agent affecté en poste préalablement à son affectation comme chef de poste.
  Le montant de cette avance est égal à six fois le montant de l'indemnité de poste mensuelle visée à l'article 194 qui sera accordée à l'agent lorsqu'il sera affecté en poste.
TITEL 5. - Terbeschikkingstelling van een dienstvoertuig
TITRE 5. - Mise à disposition d'un véhicule de fonction
Art. 226. Een dienstvoertuig wordt ter beschikking gesteld van de permanent vertegenwoordiger en de adjunct-permanent vertegenwoordiger van Belgoeurop, van de permanent vertegenwoordiger van Belotan en van de vertegenwoordiger bij het COPS.
Art. 226. Un véhicule de fonction est mis à la disposition du représentant permanent et du représentant permanent adjoint de Belgoeurop, du représentant permanent de Belotan et du représentant auprès du COPS.
TITEL 6. - Tussenkomst in de kosten van het transport van de medewerker
TITRE 6. - Intervention dans les frais de transport du collaborateur
Art. 227. Een maandelijkse forfaitaire tussenkomst wordt toegekend aan de medewerker aangesteld op post om de transportkosten te dekken die hij oploopt in de uitoefening van zijn functie.
  Het bedrag van de maandelijkse forfaitaire tussenkomst bedraagt 256,43 euro.
  De medewerker verantwoordt jaarlijks het gebruik van de tussenkomsten die hem werden toegekend.
Art. 227. Une intervention forfaitaire mensuelle est accordée au collaborateur affecté en poste pour couvrir les frais de transport qu'il encourt dans l'exercice de sa fonction.
  Le montant de l'intervention forfaitaire mensuelle est de 256,43 euros.
  Chaque année, le collaborateur justifie l'utilisation des interventions qui lui ont été accordées.
TITEL 7. - Terbeschikkingstelling van een residentie aan het posthoofd en tussenkomsten in de kosten verbonden aan het verblijf
TITRE 7. - Mise à disposition d'une résidence pour le chef de poste et interventions dans les frais liés au logement
HOOFDSTUK 1. - Terbeschikkingstelling van een residentie aan het posthoofd
CHAPITRE 1er. - Mise à disposition d'une résidence pour le chef de poste
Art. 228. Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, betrekt het posthoofd de residentie die hem ter beschikking wordt gesteld door de Belgische Staat, onmiddellijk.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden en de duur tijdens dewelke het posthoofd kan genieten van de tussenkomst in de kosten van het voorlopig verblijf bedoeld in artikel 231.
  De lasten en kosten verbonden aan het betrekken van de residentie worden ten laste genomen door de Belgische Staat.
Art. 228. Sauf circonstances exceptionnelles, le chef de poste occupe immédiatement la résidence mise à sa disposition par l'Etat belge.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables aux circonstances exceptionnelles et la durée pendant laquelle le chef de poste peut bénéficier de l'intervention dans les frais du logement provisoire visée à l'article 231.
  Les charges et frais liés à l'occupation de la résidence sont pris en charge par l'Etat belge.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van de beëindiging van het huurcontract
CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de la résiliation du contrat de bail
Art. 229. Een volledige tussenkomst in de kosten van de beëindiging van het huurcontract van het verblijf in België wordt toegekend aan de voorzichtige en redelijke ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan die zal worden aangesteld op post.
Art. 229. Une intervention intégrale dans les frais de résiliation du contrat de bail du logement en Belgique est accordée à l'agent prudent et raisonnable affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan qui sera affecté en poste.
HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van het verblijf op post
CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de logement en poste
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 230. In afwijking van artikel 220 bepaalt de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde de nadere regels van de betaling van de tussenkomsten in dit hoofdstuk.
Art. 230. Par dérogation à l'article 220, le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités de paiement des interventions du présent chapitre.
Afdeling 2. - Tussenkomst in de kosten van het voorlopig verblijf
Section 2. - Intervention dans les frais du logement provisoire
Art. 231. § 1. Een tussenkomst in de kosten van het voorlopig verblijf wordt toegekend aan de ambtenaar.
  Voor de medewerker wordt de tussenkomst toegekend voor de volgende periodes:
  1° vanaf zijn aanstelling op post tot de datum van inwerkingtreding van het huurcontract van het definitief verblijf;
  2° vanaf de datum van de verhuis uit zijn definitief verblijf tot het einde van zijn aanstelling op post.
  Onverminderd artikel 228, wordt de tussenkomst toegekend aan het posthoofd vanaf de datum van de verhuis uit de residentie die hem ter beschikking wordt gesteld tot het einde van zijn aanstelling op post.
  § 2. Behoudens in uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden kan de periode bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° niet langer duren dan twee maanden na de aanstelling op post.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden.
  § 3. Enkel de kost van de overnachting wordt in aanmerking genomen, met uitsluiting van de diensten en de maaltijden.
  De tussenkomst in de kosten van het voorlopig verblijf wordt toegekend aan de ambtenaar binnen de grenzen bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  § 4. Behoudens in uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden kunnen een tussenkomst in de kosten van het voorlopig verblijf en een tussenkomst in de kosten van het definitief verblijf niet worden toegekend voor eenzelfde periode.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden.
Art. 231. § 1er. Une intervention dans les frais du logement provisoire est accordée à l'agent.
  Pour le collaborateur, l'intervention est accordée pour les périodes suivantes :
  1° à partir de son affectation en poste jusqu'à la date d'entrée en vigueur du contrat de bail du logement définitif ;
  2° à partir de la date du déménagement de son logement définitif jusqu'à la fin de son affectation en poste.
  Sans préjudice de l'article 228, l'intervention est accordée au chef de poste à partir de la date du déménagement de la résidence mise à sa disposition jusqu'à la fin de son affectation en poste.
  § 2. Sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, la période visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° ne peut pas dépasser deux mois après l'affectation en poste.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles.
  § 3. Seul le coût de la nuitée est pris en considération à l'exclusion des services et des repas.
  L'intervention dans les frais de logement provisoire est accordée à l'agent dans les limites déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
  § 4. Sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, une intervention dans les frais de logement provisoire et une intervention dans les frais de logement définitif ne peuvent être accordées pour une même période.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles.
Afdeling 3. - Tussenkomst in de kosten van het definitief verblijf
Section 3. - Intervention dans les frais de logement définitif
Art. 232. Behoudens in uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden betrekt de medewerker het functieverblijf dat hem ter beschikking wordt gesteld door de Belgische Staat.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden.
Art. 232. Sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, le collaborateur occupe le logement de fonction mis à sa disposition par l'Etat belge.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles.
Art. 233. § 1. Een tussenkomst in de huur van het definitief verblijf, met uitsluiting van elke andere last, wordt toegekend aan de op post aangestelde medewerker die niet geniet van een functieverblijf dat hem ter beschikking wordt gesteld door de Belgische Staat.
  § 2. Het maximale bedrag van de tussenkomst in de huur van het definitief verblijf wordt bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 233. § 1er. Une intervention dans le loyer du logement définitif, à l'exclusion de toute autre charge, est octroyée au collaborateur affecté en poste qui ne bénéficie pas d'un logement de fonction mis à sa disposition par l'Etat belge.
  § 2. Le montant maximal de l'intervention dans le loyer du logement définitif est déterminé par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 234. Een volledige tussenkomst in de kosten van de agentschapscommissie wordt toegekend aan de medewerker voor het zoeken naar een definitief verblijf.
Art. 234. Une intervention intégrale dans les frais de commission d'agence est accordée au collaborateur pour la recherche d'un logement définitif.
Afdeling 4. - Voorschot voor de huurwaarborg van het definitief verblijf
Section 4. - Avance pour la garantie locative du logement définitif
Art. 235. Een voorschot wordt, op vraag, toegekend aan de ambtenaar voor het betalen van het bedrag van de huurwaarborg vereist door het huurcontract van zijn definitief verblijf.
Art. 235. Une avance est accordée, sur demande, à l'agent pour payer le montant de la garantie locative requise par le contrat de bail de son logement définitif.
TITEL 8. - Tussenkomst in de kosten van de inrichting van het verblijf
TITRE 8. - Intervention dans les frais d'aménagement du logement
Art. 236. § 1. Een tussenkomst in de kosten van de inrichting van het verblijf wordt toegekend:
  1° aan de medewerker die minstens één jaar is aangesteld op eenzelfde post;
  2° aan de ambtenaar die minstens zes maanden aangesteld is op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan na aangesteld geweest te zijn op post.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, 2° wordt de tussenkomst in de kosten van de inrichting van het verblijf toegekend aan de ambtenaar die minder dan zes maanden is aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan op het moment van zijn toelating tot het pensioen, voor zover hij op continue wijze een functie op post heeft vervuld gedurende de zeven jaren die voorafgaan aan zijn laatste aanstelling op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 236. § 1er. Une intervention dans les frais d'aménagement du logement est accordée :
  1° au collaborateur affecté au moins un an dans un même poste ;
  2° à l'agent affecté au moins six mois à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan après avoir été affecté en poste.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, l'intervention dans les frais d'aménagement du logement est accordée à l'agent affecté depuis moins de six mois à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan au moment de son admission à la pension, pour autant qu'il ait accompli une fonction en poste, de manière continue, au cours des sept années qui précèdent sa dernière affectation à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 237. Op post worden enkel de volgende kosten van de inrichting van het verblijf in aanmerking genomen voor zover het lokaal recht niet voorziet in een tenlasteneming van deze kosten door de eigenaar:
  1° de kosten van de opfrissing van binnenschilderwerk en -pleisterwerk;
  2° de kosten van het hernieuwen van behangpapier;
  3° de kosten voor het schuren en het behandelen met boenwas of het verglazen van parketten en plankenvloeren alsmede de aankoop en de plaatsing van kamerbreed tapijt of van een laminaatvloer;
  4° de kosten van het reinigen of het vervangen van gordijnen, overgordijnen en zonneschermen;
  5° de kosten voor de aansluiting van de nutsvoorzieningen alsook de kosten voor de aankoop van een adapter voor elektrische huishoudtoestellen;
  6° de kosten van de aankoop van waterfilters in de landen waar de kwaliteit van het door de verdeler geleverde drinkwater onvoldoende is;
  7° de kosten van de aankoop en de herstelling van spanningsstabilisatoren in de landen waar de elektriciteitsvoorziening willekeurig is;
  8° de kosten van de aankoop van muggenhorren in de landen waar een bescherming tegen de insecten nodig is;
  9° de kosten van de aankoop van de luchtreinigers en de filters;
  10° de kosten van de aankoop van luchtbevochtigers of luchtontvochtigers.
Art. 237. En poste, seuls les frais d'aménagement du logement suivants sont pris en considération pour autant que le droit local ne prévoie pas la prise en charge de ces frais par le propriétaire :
  1° les frais de rafraîchissement de peintures intérieures et le replâtrage de murs intérieurs ;
  2° les frais de renouvellement du papier peint ;
  3° les frais de raclage et la pose de cire ou la vitrification de parquets et planchers, ainsi que l'achat et la pose de tapis plain ou d'un revêtement stratifié ;
  4° les frais de nettoyage ou le renouvellement des rideaux, tentures et écrans solaires ;
  5° les frais de raccordement aux utilités publiques ainsi que les frais d'achat d'un adaptateur pour les appareils électroménagers ;
  6° les frais d'achat de filtres à eau dans les pays où la qualité de l'eau fournie par le distributeur est insatisfaisante ;
  7° les frais d'achat et de réparation de stabilisateurs de tension dans les pays où la fourniture d'électricité est aléatoire ;
  8° les frais d'achat de moustiquaires dans les pays où une protection contre les insectes s'avère nécessaire ;
  9° les frais d'achat de purificateurs d'air et de filtres ;
  10° les frais d'achat d'humidificateurs ou de déshumidificateurs.
Art. 238. In België worden enkel de volgende kosten van de inrichting van het verblijf in aanmerking genomen:
  1° de kosten van de opfrissing van binnenschilderwerk en -pleisterwerk;
  2° de kosten van het hernieuwen van behangpapier;
  3° de kosten voor het schuren en het behandelen met boenwas of het verglazen van parketten en plankenvloeren alsmede de aankoop en de plaatsing van kamerbreed tapijt of van een laminaatvloer;
  4° de kosten van het reinigen of het vervangen van gordijnen, overgordijnen en zonneschermen;
  5° de kosten voor de aansluiting van de nutsvoorzieningen alsook de kosten voor de aankoop van een adapter voor elektrische huishoudtoestellen.
Art. 238. En Belgique, seuls les frais d'aménagement du logement suivants sont pris en considération :
  1° les frais de rafraîchissement de peintures intérieures et le replâtrage de murs intérieurs ;
  2° les frais de renouvellement du papier peint ;
  3° les frais de raclage et la pose de cire ou la vitrification de parquets et planchers, ainsi que l'achat et la pose de tapis plain ou d'un revêtement stratifié ;
  4° les frais de nettoyage ou le renouvellement des rideaux, tentures et écrans solaires ;
  5° les frais de raccordement aux utilités publiques ainsi que les frais d'achat d'un adaptateur pour les appareils électroménagers.
Art. 239. § 1. De tussenkomst in de kosten van de inrichting van het verblijf bedoeld in artikel 237 bedraagt maximum 4000 euro, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de kost van het levensonderhoud van de post.
  § 2. De tussenkomst in de kosten van de inrichting van het verblijf bedoeld in artikel 238 bedraagt maximum 8000 euro.
Art. 239. § 1er. L'intervention dans les frais d'aménagement du logement visée à l'article 237 s'élève à maximum 4000 euros, multipliés par le coefficient du coût de la vie du poste.
  § 2. L'intervention dans les frais d'aménagement du logement visée à l'article 238 s'élève à maximum 8000 euros.
TITEL 9. - Tussenkomst in de kosten gekoppeld aan de voorschoolse opvang en aan de scholing
TITRE 9. - Intervention dans les frais liés à la garderie préscolaire et à la scolarité
HOOFDSTUK 1. - Tussenkomst in de kosten van de voorschoolse opvang
CHAPITRE 1er. - Intervention dans les frais de garderie préscolaire
Art. 240. § 1. Een jaarlijkse tussenkomst in de kosten van de voorschoolse opvang wordt toegekend aan de ambtenaar voor elk kind dat bij hem verblijft op post.
  § 2. De tussenkomst wordt toegekend voor de opvangdagen die vallen tussen de geboorte van het kind en het begin van zijn scholing, en ten laatste wanneer het kind de leeftijd van drie jaar bereikt.
  Enkel de kosten voor de voorschoolse opvang van het kind buiten het verblijf van de ambtenaar komen in aanmerking, en dit op voorwaarde dat het kind wordt toevertrouwd aan een crèche, een onthaalgezin of een andere structuur die naar behoren is goedgekeurd door de lokale autoriteiten.
  § 3. De volgende kosten worden niet in aanmerking genomen:
  1° de benodigdheden;
  2° het transport tussen de plaats van de opvang en het verblijf van de ambtenaar;
  3° de kleding;
  4° de voeding.
Art. 240. § 1er. Une intervention annuelle dans les frais de garderie préscolaire est accordée à l'agent pour chaque enfant qui réside avec lui en poste.
  § 2. L'intervention est accordée pour les jours de garderie qui interviennent entre la naissance de l'enfant et le début de sa scolarité, et au plus tard lorsque l'enfant atteint l'âge de trois ans.
  Seuls les frais de garderie préscolaire de l'enfant en dehors du logement de l'agent sont pris en considération, et pour autant que l'enfant soit confié à une crèche, une famille d'accueil ou une autre structure dûment agréée par les autorités locales.
  § 3. Les frais suivants ne sont pas pris en considération :
  1° les fournitures ;
  2° le transport entre le lieu de garde et le logement de l'agent ;
  3° les vêtements ;
  4° la nourriture.
Art. 241. De tussenkomst in de kosten van de voorschoolse opvang bedraagt maximum 1000 euro per kind en per jaar.
Art. 241. L'intervention dans les frais de garderie préscolaire s'élève à maximum 1000 euros par enfant et par année.
Art. 242. In afwijking van artikel 241, kan, wanneer de kosten van voorschoolse opvang meer dan 9100 euro per kind en per jaar bedragen, een bijkomende tussenkomst worden toegekend mits het voorafgaandelijk akkoord per jaar van de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  Het bedrag van de bijkomende tussenkomst wordt bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 242. Par dérogation à l'article 241, lorsque les frais de garderie préscolaire dépassent 9100 euros par enfant et par année, une intervention supplémentaire peut être accordée moyennant l'accord préalable par année du directeur général P&O ou de son délégué.
  Le montant de l'intervention supplémentaire est déterminé par le directeur général P&O ou son délégué.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de schoolkosten
CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais scolaires
Art. 243. Een tussenkomst in de schoolkosten wordt per schooljaar toegekend aan de ambtenaar aangesteld op post voor elk kind.
  De tussenkomst in de schoolkosten vangt aan bij het begin van de scholing van het kind en eindigt aan het eind van het trimester tijdens hetwelk het kind zijn verplichte scholing beëindigt.
Art. 243. Une intervention dans les frais scolaires est accordée par année scolaire à l'agent affecté en poste pour chaque enfant.
  L'intervention dans les frais scolaires prend cours dès le début de la scolarité de l'enfant et cesse à la fin du trimestre durant lequel l'enfant termine sa scolarité obligatoire.
Art. 244. In afwijking van het artikel 240, § 2 wordt, in de landen waar er geen kleuteronderwijs bestaat, de tussenkomst in de schoolkosten toegekend aan de ambtenaar voor de opvangdagen van het kind vanaf de leeftijd van drie jaar.
Art. 244. Par dérogation à l'article 240, § 2 dans les pays où il n'existe pas d'enseignement maternel, l'intervention dans les frais scolaires est accordée à l'agent pour les jours de garderie de l'enfant à partir de l'âge de trois ans.
Art. 245. Onverminderd artikel 244 kunnen enkel de studies met een voltijds leerplan die tijdens de normale schooluren plaatsvinden en de regelmatige aanwezigheid van het kind in de klas vereisen, aanleiding geven tot een tussenkomst in de schoolkosten.
Art. 245. Sans préjudice de l'article 244, seules les études de plein exercice, organisées suivant un horaire scolaire normal et qui requièrent la présence régulière de l'enfant en classe, peuvent donner lieu à une intervention dans les frais scolaires.
Art. 246. Wanneer de schoolkosten geheel gedekt worden door vergoedingen of terugbetalingen van andere administraties, andere organisaties of de werkgever van de partner, wordt de tussenkomst in de schoolkosten niet toegekend.
  Wanneer de schoolkosten gedeeltelijk gedekt worden door vergoedingen of terugbetalingen van andere administraties, andere organisaties of de werkgever van de partner, wordt de tussenkomst slechts toegekend ten belope van het deel dat niet gedekt is door deze vergoedingen of terugbetalingen.
Art. 246. Lorsque les frais scolaires sont couverts entièrement par des allocations ou des remboursements d'autres administrations, d'autres organisations ou de l'employeur du partenaire, l'intervention dans les frais scolaires n'est pas accordée.
  Lorsque les frais scolaires sont couverts partiellement par des allocations ou des remboursements d'autres administrations, d'autres organisations ou de l'employeur du partenaire, l'intervention n'est accordée à l'agent qu'à concurrence de la partie non couverte par ces allocations ou remboursements.
Art. 247. Enkel de volgende schoolkosten worden in aanmerking genomen:
  1° de inschrijvingskosten voor de lessen en voor de examens;
  2° de verplichte en niet-recupereerbare bijdragen;
  3° de inschrijvings-, reis- en verblijfskosten verbonden aan de verdediging van het Franse baccalaureaatsexamen in een andere stad dan de stad van de post waarop de ambtenaar aangesteld is;
  4° de kosten voor huisvesting en voor maaltijden wanneer het kind schoolloopt in een ander land dan dat waar de ambtenaar is aangesteld.
Art. 247. Seuls les frais scolaires suivants sont pris en considération :
  1° les frais d'inscription aux cours et aux examens ;
  2° les contributions obligatoires et non-récupérables ;
  3° les frais d'inscription, de voyage et d'hébergement liés à la présentation du baccalauréat français dans une ville autre que la ville du poste dans lequel l'agent est affecté ;
  4° les frais d'hébergement et de repas lorsque l'enfant est scolarisé dans un autre pays que celui où l'agent est affecté.
Art. 248. Voor elk kind wordt een tussenkomst in de schoolkosten bedoeld in artikel 247, 1° tot en met 4° toegekend aan de ambtenaar ten bedrage van 6500 euro per schooljaar.
  In afwijking van het eerste lid wordt een bijkomende tussenkomst toegekend aan de ambtenaar wanneer de schoolkosten van het kind dat schoolloopt in de stad van de post waar de ambtenaar is aangesteld, 6500 euro per kind en per schooljaar overschrijden.
  Behoudens uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, is, in de steden waar, voor eenzelfde taalregime, meerdere scholen bestaan die een internationaal erkend diploma afleveren, de bijkomende tussenkomst bedoeld in het tweede lid beperkt tot de schoolkosten van de minst dure internationale school.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde onderzoekt het bestaan van een uitzonderlijke omstandigheid.
Art. 248. Pour chaque enfant, une intervention dans les frais scolaires visés à l'article 247, 1° à 4°, est accordée à l'agent à concurrence de 6500 euros par année scolaire.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, une intervention supplémentaire est accordée à l'agent lorsque les frais scolaires de l'enfant scolarisé dans la ville du poste où l'agent est affecté dépassent 6500 euros par enfant et par année scolaire.
  Sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, dans les villes où existent, pour un même régime linguistique, plusieurs écoles délivrant un diplôme internationalement reconnu, l'intervention supplémentaire visée à l'alinéa 2 est limitée aux frais scolaires de l'école internationale la moins chère.
  Le directeur général P&O ou son délégué examine l'existence d'une circonstance exceptionnelle.
Art. 249. Wanneer het kind schoolloopt in het kleuter-, het lager of het middelbaar onderwijs, wordt een tussenkomst van 1000 euro in de kosten van aanvullende lessen die lokaal of op afstand worden gegeven in één van de Belgische landstalen, toegekend aan de ambtenaar per kind en per schooljaar.
Art. 249. Lorsque l'enfant poursuit sa scolarité dans le cycle maternel, primaire ou secondaire, une intervention de 1000 euros dans les frais de cours supplémentaires dispensés localement ou à distance dans l'une des langues nationales belges est accordée à l'agent par enfant et par année scolaire.
Art. 250. Wanneer het kind schoolloopt in het kleuter-, het lager of het middelbaar onderwijs, wordt een tussenkomst van 2000 euro in de kosten voor inhaallessen die nodig zijn om de integratie van het kind in een ander schoolsysteem te vergemakkelijken, toegekend aan de ambtenaar per kind en per aanstelling op post.
Art. 250. Lorsque l'enfant poursuit sa scolarité dans le cycle maternel, primaire ou secondaire, une intervention de 2000 euros dans les cours de rattrapage scolaire qui sont nécessaires pour faciliter l'intégration de l'enfant dans un autre système scolaire est accordée à l'agent par enfant et par affectation en poste.
HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten verbonden aan het hoger onderwijs
CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais liés à l'enseignement supérieur
Art. 251. Een tussenkomst in de kosten verbonden aan het hoger onderwijs wordt per schooljaar toegekend aan de ambtenaar aangesteld op post voor elk kind dat schoolloopt in een ander land dan dat waar de ambtenaar is aangesteld.
  Enkel de kosten voor huisvesting en voor de maaltijden verbonden aan het hoger onderwijs worden in aanmerking genomen, met uitsluiting van de inschrijvingskosten en ten belope van de volgende bedragen:
  1° 2000 euro per schooljaar voor de kosten van huisvesting;
  2° 2000 euro per schooljaar voor de kosten van de maaltijden.
Art. 251. Une intervention dans les frais liés à l'enseignement supérieur est accordée par année scolaire à l'agent affecté en poste pour chaque enfant scolarisé dans un autre pays que celui où l'agent est affecté.
  Seuls les frais d'hébergement et de repas liés à l'enseignement supérieur sont pris en considération, à l'exclusion des frais d'inscription et à concurrence des montants suivants :
  1° 2000 euros par année scolaire pour les frais d'hébergement ;
  2° 2000 euros par année scolaire pour les frais de repas.
HOOFDSTUK 4. - Voorschot voor schoolkosten en kosten van de voorschoolse opvang
CHAPITRE 4. - Avance pour frais scolaires et frais de garderie préscolaire
Art. 252. Een voorschot per schooljaar wordt, op vraag, aan de ambtenaar toegekend wanneer de opgelopen schoolkosten of de kosten van de voorschoolse opvang voor het geheel van de kinderen meer dan 10 000 euro per schooljaar bedragen.
  Het bedrag van dit voorschot is gelijk aan het bedrag van de op te lopen kosten.
Art. 252. Une avance par année scolaire est accordée, sur demande, à l'agent lorsque les frais scolaires ou les frais de garderie préscolaire encourus pour l'ensemble des enfants représentent un coût par année scolaire supérieur à 10 000 euros.
  Le montant de cette avance est égal au montant des frais à encourir.
TITEL 10. - Tussenkomst in de veiligheidskosten
TITRE 10. - Intervention dans les frais de sécurité
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 253. § 1. Een tussenkomst in de veiligheidskosten wordt toegekend aan de ambtenaar die aangesteld is op een post waar er een ernstige dreiging bestaat op het vlak van de veiligheid.
  § 2. De lijst met de posten waar er een ernstige dreiging bestaat op het vlak van de veiligheid, wordt bepaald door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
Art. 253. § 1er. Une intervention dans les frais de sécurité est accordée à l'agent qui est affecté dans un poste où il existe une menace sérieuse sur le plan de la sécurité.
  § 2. La liste des postes où il existe une menace sérieuse sur le plan de la sécurité est déterminée par le président ou son délégué.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van de beveiliging van het definitief verblijf en van het voertuig
CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de sécurisation du logement définitif et de la voiture
Art. 254. § 1. Een tussenkomst in de kosten van de beveiliging van het definitief verblijf en van het voertuig wordt toegekend aan de medewerker ten belope van een bedrag van maximum 10 000 euro, en dit voor de totale duur van zijn aanstelling op post.
  In geval van uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden wordt een tussenkomst die hoger is dan het bedrag bedoeld in eerste lidtoegekend in de kosten van de beveiliging van het definitief verblijf en van het voertuig.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden en het maximale bedrag van de tussenkomst.
  § 2. Enkel de kosten van de aankoop, de installatie, het onderhoud en de herstelling van de volgende beveiligingsapparatuur van het definitief verblijf worden in aanmerking genomen, voor zover deze kosten niet ten laste worden genomen door de eigenaar:
  1° sloten;
  2° kettingen;
  3° alarmsystemen;
  4° bewakingscamera's;
  5° veiligheidsverlichting;
  6° anti-glasversplinteringsfolie;
  7° traliewerk voor de ramen of elk ander middel voor de versterking van de toegangen, deuren, ramen en de ommuring van het verblijf;
  8° elke andere beveiligingsapparatuur die behoorlijk gemotiveerd wordt door ernstige bedreigingen op het vlak van de veiligheid die verbonden zijn aan de plaats van aanstelling en voorafgaandelijk goedgekeurd wordt door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  § 3. Enkel de kosten van het blinderen van de ramen van het voertuig worden in aanmerking genomen.
Art. 254. § 1er. Une intervention dans les frais de sécurisation du logement définitif et de la voiture est accordée au collaborateur à concurrence d'un montant de maximum 10 000 euros, et ce pour la durée totale de son affectation en poste.
  En cas de circonstances exceptionnelles dûment motivées, une intervention supérieure au montant visé à l'alinéa 1er est accordée dans les frais de sécurisation du logement définitif et de la voiture.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles et le montant maximal de l'intervention.
  § 2. Seuls les frais d'achat, d'installation, d'entretien et de réparation des dispositifs de sécurisation suivants du logement définitif sont pris en considération, pour autant que ces frais ne sont pas pris en charge par le propriétaire :
  1° serrures ;
  2° cadenas ;
  3° systèmes d'alarme ;
  4° caméras de surveillance ;
  5° éclairage de protection ;
  6° films de protection pour vitrage pare-éclats ;
  7° barreaux aux fenêtres ou de tout autre moyen de renforcement des accès, portes et fenêtres et enceinte du logement ;
  8° tout autre dispositif de sécurisation dûment justifié par des menaces sérieuses sur le plan de la sécurité liées au lieu d'affectation et approuvé préalablement par le directeur général P&O ou son délégué.
  § 3. Seuls les frais de blindage des vitres de la voiture sont pris en considération.
HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van de persoonlijk beveiliging
CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de sécurité personnelle
Art. 255. § 1. Een tussenkomst in de kosten van de persoonlijke beveiliging van de medewerker en van zijn partner en van het kind die bij hem verblijven op post, wordt toegekend aan de medewerker, ten belope van een bedrag van maximum 9300 euro per jaar.
  § 2. Enkel de volgende kosten van persoonlijke beveiliging worden in aanmerking genomen:
  1° wanneer zij niet gedekt worden door de tussenkomst in de kosten van het definitief verblijf, de kosten van de contracten met bewakingsfirma's;
  2° de kosten van de diensten van een chauffeur;
  3° de kost van de aanvullende premies voor levensverzekeringen of schuldsaldoverzekeringen die de medewerker afsluit omdat hij op een post is aangesteld waar er een ernstige dreiging bestaat op het vlak van de veiligheid;
  4° elke andere persoonlijke beveiligingsapparatuur die afdoende verantwoord wordt door ernstige bedreigingen op het vlak van de veiligheid die verbonden zijn aan de plaats van aanstelling en voorafgaandelijk goedgekeurd wordt door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 255. § 1er. Une intervention dans les frais de sécurité personnelle du collaborateur et de son partenaire et de l'enfant qui résident avec lui en poste, est accordée au collaborateur à concurrence d'un montant de maximum 9300 euros par an.
  § 2. Seuls les frais suivants de sécurité personnelle sont pris en considération :
  1° lorsqu'ils ne sont pas couverts par l'intervention dans les frais du logement définitif, les frais de contrats avec des firmes de gardiennage ;
  2° les frais des services d'un chauffeur;
  3° le coût des surprimes des contrats d'assurance-vie ou d'assurance solde restant dû que le collaborateur conclut du fait qu'il est affecté dans un poste où il existe une menace sérieuse sur le plan de la sécurité ;
  4° tout autre dispositif de sécurisation personnelle dûment justifié par des menaces sérieuses sur le plan de la sécurité liées au lieu d'affectation et approuvé préalablement par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 256. § 1. Een tussenkomst in de kosten van de persoonlijke beveiliging van het posthoofd en van zijn partner en van het kind die bij hem verblijven op post, wordt toegekend aan het posthoofd ten belope van een bedrag van maximum 5000 euro per jaar.
  § 2. Enkel de volgende kosten van persoonlijke beveiliging worden in aanmerking genomen:
  1° de kosten van de diensten van een chauffeur;
  2° de kost van de aanvullende premies voor levensverzekeringen of schuldsaldoverzekeringen die het posthoofd afsluit omdat hij op een post is aangesteld waar er een ernstige dreiging bestaat op het vlak van de veiligheid;
  3° elke andere persoonlijke beveiligingsapparatuur die afdoende verantwoord wordt door ernstige bedreigingen op het vlak van de veiligheid die verbonden zijn aan de plaats van aanstelling en voorafgaandelijk goedgekeurd wordt door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 256. § 1er. Une intervention dans les frais de sécurité personnelle du chef de poste et de son partenaire et de l'enfant qui résident avec lui en poste, est accordée au chef de poste à concurrence d'un montant de maximum 5000 euros par an.
  § 2. Seuls les frais suivants de sécurité personnelle sont pris en considération :
  1° les frais des services d'un chauffeur ;
  2° le coût des surprimes des contrats d'assurances-vie ou d'assurance solde restant dû que le chef de poste conclut du fait qu'il est affecté dans un poste où il existe une menace sérieuse pour la sécurité ;
  3° tout autre dispositif de sécurisation personnelle dûment justifié par des menaces sérieuses sur le plan de la sécurité liées au lieu d'affectation et approuvé préalablement par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 257. De bedragen bedoeld in de artikelen 255, § 1 en 256, § 1worden toegekend pro rata van het aantal dagen gedurende dewelke de ambtenaar is aangesteld op een post waar er een ernstige dreiging bestaat op het vlak van de veiligheid.
Art. 257. Les montants visés aux articles 255, § 1er et 256, § 1er sont accordés au prorata du nombre de jours durant lesquels l'agent est affecté dans un poste où il existe une menace sérieuse sur le plan de la sécurité.
Art. 258. In geval van uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden wordt een tussenkomst die hoger is dan de bedragen bedoeld in artikel 255, § 1en 256, § 1toegekend in de kosten van de persoonlijke beveiliging van de ambtenaar.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden en het maximale bedrag van de tussenkomst.
Art. 258. En cas de circonstances exceptionnelles dûment motivées, une intervention supérieure aux montants visés aux articles 255, § 1er et 256, § 1er est accordée dans les frais de sécurité personnelle de l'agent.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles et le montant maximal de l'intervention.
TITEL 11. - Tussenkomst in de medische kosten
TITRE 11. - Intervention dans les frais médicaux
Art. 259. Een tussenkomst in de medische kosten van de ambtenaar aangesteld op post en van zijn partner en van het kind wordt toegekend aan de ambtenaar.
Art. 259. Une intervention dans les frais médicaux de l'agent affecté en poste et de son partenaire et de l'enfant est accordée à l'agent.
Art. 260. De minister of zijn afgevaardigde bepaalt:
  1° de medische kosten en de eraan verbonden kosten die in aanmerking komen voor een tussenkomst en de voorwaarden waaronder deze kosten in aanmerking komen;
  2° de hoogte van de tussenkomst.
Art. 260. Le ministre ou son délégué détermine :
  1° les frais médicaux et les frais y afférents qui entrent en ligne de compte pour une intervention et les conditions dans lesquelles ces frais entrent en ligne de compte ;
  2° la hauteur de l'intervention.
TITEL 12. - Tussenkomst in de verblijfskosten
TITRE 12. - Intervention dans les frais de séjour
Art. 261. Een tussenkomst in de verblijfskosten wordt toegekend aan de ambtenaar belast met een dienstreis in het buitenland of die zetelt in internationale commissies.
  De ten laste genomen verblijfskosten en de grenzen binnen dewelke de tussenkomst wordt toegekend, worden bepaald door de minister.
Art. 261. Une intervention dans les frais de séjour est accordée à l'agent chargé d'un voyage de service à l'étranger ou qui siège dans des commissions internationales.
  Les frais de séjour pris en charge et les limites dans lesquelles l'intervention est accordée sont déterminés par le ministre.
TITEL 13. - Tussenkomst in de reiskosten
TITRE 13. - Intervention dans les frais de voyage
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 262. De tussenkomst in de reiskosten dekt de volgende kosten:
  1° het vervoerbewijs of een equivalent;
  2° de bagage;
  3° de verplaatsing naar de luchthaven in België en de verplaatsing van de luchthaven in het land van de aanstelling, of omgekeerd.
Art. 262. L'intervention dans les frais de voyage couvre les frais suivants :
  1° le titre de transport ou équivalent ;
  2° les bagages ;
  3° le déplacement vers l'aéroport en Belgique et le déplacement à partir de l'aéroport dans le pays d'affectation, ou inversement.
Art. 263. De nadere regels van de tussenkomst in de reiskosten voorzien in artikelen 265, 268 en 272 en de grenzen waarbinnen deze tussenkomst wordt toegekend, worden bepaald door de directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde.
  De nadere regels van de tussenkomst in de reiskosten voorzien in artikelen 274, 276 en 277 en de grenzen waarbinnen deze tussenkomst wordt toegekend, worden bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
Art. 263. Les modalités de l'intervention dans les frais de voyage visés aux articles 265, 268 et 272 et les limites dans lesquelles cette intervention est accordée sont déterminées par le directeur général B&B ou son délégué.
  Les modalités de l'intervention dans les frais de voyage visés aux articles 274, 276 et 277 et les limites dans lesquelles cette intervention est accordée sont déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
Art. 264. De tussenkomst wordt berekend op basis van het economisch meest voordelige tarief, rekening houdend met de duur van de reis.
Art. 264. L'intervention est calculée sur la base du tarif le plus avantageux d'un point de vue économique, tenant compte de la durée du voyage.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de reiskosten verbonden aan een wijziging van aanstelling
CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais de voyage liés à un changement d'affectation
Art. 265. § 1. Ingevolge de wijziging van de aanstelling van de ambtenaar, wordt een tussenkomst in zijn reiskosten toegekend.
Art. 265. § 1er. En cas de changement d'affectation de l'agent, une intervention est accordée dans ses frais de voyage.
Art. 266. § 1. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op post, wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten van de partner die bij de ambtenaar op post zal verblijven.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis vertrekkende vanuit Brussel wanneer de partner niet bij de ambtenaar verblijft.
  § 2. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op een andere post, wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten van de partner die niet bij de ambtenaar op post zal verblijven.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis naar Brussel.
  § 3. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten van de partner die bij de ambtenaar op post verblijft.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis naar Brussel.
Art. 266. § 1er. En cas d'affectation de l'agent en poste, une intervention est accordée dans les frais de voyage du partenaire qui résidera avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage à partir de Bruxelles lorsque le partenaire ne réside pas avec l'agent.
  § 2. En cas d'affectation de l'agent dans un autre poste, une intervention est accordée dans les frais de voyage du partenaire qui ne résidera pas avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage vers Bruxelles.
  § 3. En cas d'affectation de l'agent à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan, une intervention est accordée dans les frais de voyage du partenaire qui réside avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage vers Bruxelles.
Art. 267. § 1. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op post, wordt een tussenkomst in de reiskosten van het kind dat bij de ambtenaar op post zal verblijven, toegekend.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis vertrekkende vanuit Brussel wanneer het kind niet verblijft bij de ambtenaar.
  § 2. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op een andere post, wordt een tussenkomst in de reiskosten van het kind dat niet bij de ambtenaar op post zal verblijven, toegekend.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis naar Brussel.
  § 3. In geval van de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, wordt een tussenkomst in de reiskosten van het kind dat bij de ambtenaar op post verblijft, toegekend.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een reis naar Brussel.
Art. 267. § 1er. En cas d'affectation de l'agent en poste, une intervention est accordée dans les frais de voyage de l'enfant qui résidera avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage à partir de Bruxelles lorsque l'enfant ne réside pas avec l'agent.
  § 2. En cas d'affectation de l'agent dans un autre poste, une intervention est accordée dans les frais de voyage de l'enfant qui ne résidera pas avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage vers Bruxelles.
  § 3. En cas d'affectation de l'agent à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan, une intervention est accordée dans les frais de voyage de l'enfant qui réside avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage vers Bruxelles.
HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst in de kosten van de periodieke terugkeerreis
CHAPITRE 3. - Intervention dans les frais de voyage de retour périodique.
Art. 268. Er wordt een tussenkomst toegekend in de kosten van de periodieke terugkeerreis :
  1° van de ambtenaar;
  2° van de partner die bij de ambtenaar op post verblijft;
  3° van het kind dat bij de ambtenaar op post verblijft.
  Deze tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een heen- en terugreis naar en van Brussel.
Art. 268. Une intervention est accordée dans les frais de voyage de retour périodique :
  1° de l'agent ;
  2° du partenaire qui réside avec l'agent en poste ;
  3° de l'enfant qui réside avec l'agent en poste.
  Cette intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage aller et retour vers et depuis Bruxelles.
Art. 269. De periodiciteit van de periodieke terugkeerreizen wordt als volgt bepaald:
  1° één reis per periode van drie maanden wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post met categorie van hardship 7;
  2° één reis per periode van zes maanden wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post met categorie van hardship 6;
  3° één reis per periode van twaalf maanden wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post met categorie van hardship 1 tot en met 5.
Art. 269. La périodicité des voyages de retour périodique est déterminée comme suit :
  1° un voyage par période de trois mois lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 7 ;
  2° un voyage par période de six mois lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 6 ;
  3° un voyage par période de douze mois lorsque l'agent est affecté dans un poste de rang de pénibilité 1 à 5.
Art. 270. De minister kan, in geval van een bijzondere veiligheids- of gezondheidssituatie, voor een bepaald jaar en voor een bepaalde post, een hogere periodiciteit toekennen dan die voorzien in artikel 269.
Art. 270. En cas de situation sécuritaire ou sanitaire particulières, le ministre peut octroyer, pour une année déterminée et pour un poste déterminé, une périodicité supérieure à celle prévue à l'article 269.
Art. 271. § 1. De periodiciteit van de periodieke terugkeerreizen wordt berekend vanaf de datum van aanstelling van de ambtenaar op post.
  § 2. De tussenkomst in de kosten van periodieke terugkeerreis wordt toegekend wanneer deze plaatsvindt tijdens de periodes bepaald in artikel 269 of in een periode van dertig dagen vóór of na deze periode.
  Buiten de periodes bedoeld in het eerste lid wordt de tussenkomst toegekend na goedkeuring van de directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde op behoorlijk gemotiveerd verzoek van de ambtenaar.
  De ambtenaar die de post definitief verlaten heeft, kan geen aanspraak maken op de tussenkomst in de kosten van de periodieke terugkeerreizen die niet werden ondernomen.
Art. 271. § 1er. La périodicité des voyages de retour périodique est calculée à partir de la date d'affectation de l'agent en poste.
  § 2. L'intervention est accordée dans les frais de voyage de retour périodique lorsque le voyage est effectué durant les périodes déterminées à l'article 269 ou dans une période de trente jours avant ou après cette période.
  En dehors des périodes visées à l'alinéa 1er, l'intervention est accordée après autorisation du directeur général B&B ou son délégué sur demande dûment motivée de l'agent.
  L'agent qui a définitivement quitté le poste ne peut prétendre à l'intervention dans les frais de voyages de retour périodique qui n'ont pas été effectués.
HOOFDSTUK 4. - Tussenkomst in de kosten van de verluchtingsreis
CHAPITRE 4. - Intervention dans les frais de voyage d'aération
Art. 272. Wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post die een bijzonder hoog niveau van luchtvervuiling kent, wordt een tussenkomst toegekend in de kosten van de verluchtingsreis:
  1° van de ambtenaar;
  2° van de partner die bij de ambtenaar op post verblijft;
  3° van het kind dat bij de ambtenaar op post verblijft.
  De lijst van posten waarvan het niveau van luchtvervuiling bijzonder hoog is, wordt vastgesteld door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  De tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een heen- en terugreis naar en van Brussel.
Art. 272. Lorsque l'agent est affecté dans un poste qui connait un taux de pollution atmosphérique particulièrement élevé, une intervention est accordée dans les frais de voyage d'aération :
  1° de l'agent ;
  2° du partenaire qui réside avec l'agent en poste ;
  3° de l'enfant qui réside avec l'agent en poste.
  La liste des postes dont le taux de pollution atmosphérique est particulièrement élevé est déterminée par le directeur général P&O ou son délégué.
  L'intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage aller et retour vers et depuis Bruxelles.
Art. 273. § 1. Een tussenkomst in de kosten van de verluchtingsreis wordt toegekend voor één verluchtingsreis per periode van twaalf maanden.
  Deze periode wordt berekend vanaf de datum van de aanstelling van de ambtenaar op post.
  § 2. De ambtenaar kan geen aanspraak maken op de tussenkomst in de kosten van de verluchtingsreis die niet werden ondernomen tijdens de periode van twaalf maanden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
Art. 273. § 1er. Une intervention dans les frais de voyage d'aération est accordée pour un voyage d'aération par période de douze mois.
  Cette période se calcule à partir de la date d'affectation de l'agent en poste.
  § 2. L'agent ne peut prétendre à l'intervention dans les frais de voyage d'aération qui n'ont pas été effectués durant la période de douze mois visée au paragraphe 1er, alinéa 1er.
HOOFDSTUK 5. - Tussenkomst in de reiskosten in het kader van familiebezoeken
CHAPITRE 5. - Intervention dans les frais de voyage dans le cadre de visites familiales
Art. 274. In het kader van een familiebezoek wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten van de partner van de ambtenaar die niet bij hem op post verblijft.
  Een tussenkomst in de reiskosten wordt toegekend voor één reis per periode van twaalf maanden.
  Deze periode van twaalf maanden wordt berekend vanaf de datum van de aanstelling van de ambtenaar op post.
Art. 274. Dans le cadre d'une visite familiale, une intervention est accordée dans les frais de voyage du partenaire de l'agent qui ne réside pas avec lui en poste.
  Une intervention dans les frais de voyage est accordée pour un voyage par période de douze mois.
  Cette période de douze mois se calcule à partir de la date d'affectation de l'agent en poste.
Art. 275. In het kader van een familiebezoek wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten van het kind dat gescheiden van de ambtenaar leeft.
  Een tussenkomst in de reiskosten van elk kind wordt eenmaal per periode van twaalf maanden toegekend.
  Deze periode van twaalf maanden wordt berekend vanaf de datum van de aanstelling van de ambtenaar op post.
  In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar of zijn partner die bij hem op post verblijft de reis maken in plaats van het kind.
  Deze uitzondering kan maar eenmaal per schooljaar en per huishouden worden toegepast.
  De tussenkomst in de reiskosten is beperkt tot de kosten van een heen- en terugreis van en naar Brussel.
Art. 275. Dans le cadre d'une visite familiale, une intervention est accordée dans les frais de voyage de l'enfant qui vit séparé de l'agent.
  Une intervention dans les frais de voyage de chaque enfant est accordée par période de douze mois.
  Cette période de douze mois se calcule à partir de la date d'affectation de l'agent en poste.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent ou son partenaire qui réside avec lui en poste peut effectuer le voyage à la place de l'enfant.
  Cette dérogation ne peut toutefois être appliquée qu'une fois par année et par ménage.
  L'intervention dans les frais de voyage est limitée aux frais d'un voyage aller et retour depuis et vers Bruxelles.
HOOFDSTUK 6. - Tussenkomst in de reiskosten ten gevolge van het overlijden van een familielid
CHAPITRE 6. - Intervention dans les frais de voyage à la suite du décès d'un membre de la famille
Art. 276. Bij overlijden van een bloedverwant in rechtstreekse opgaande of nederdalende lijn van de ambtenaar of van zijn partner wordt een tussenkomst toegekend in de reiskosten :
  1° van de ambtenaar;
  2° van de partner die bij de ambtenaar op post verblijft;
  3° van het kind dat bij de ambtenaar op post verblijft.
Art. 276. En cas de décès d'un ascendant ou d'un descendant en ligne directe de l'agent ou de son partenaire, une intervention est accordée dans les frais de voyage :
  1° de l'agent ;
  2° du partenaire qui réside avec l'agent en poste ;
  3° de l'enfant qui réside avec l'agent en poste.
HOOFDSTUK 7. - Tussenkomst in de reiskosten in het kader van de overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière, in het kader van opleidingen en in het kader van de terugroeping in dienst
CHAPITRE 7. - Intervention dans les frais de voyage dans le cadre de l'accession au niveau A de la carrière extérieure, dans le cadre de formations et dans le cadre du rappel en service
Art. 277. Een volledige tussenkomst in de reiskosten wordt toegekend aan de ambtenaar van de consulaire carrière aangesteld op post in het kader van de proeven voor de overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière, ten belope van drie reizen van en naar de post.
  In afwijking van het eerste lid, wanneer de ambtenaar van de consulaire carrière aangesteld op post meer dan drie proeven aflegt in het kader van de overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière, wordt de tussenkomst in de reiskosten toegekend ten belope van één reis per proef en maximum vijf reizen voor het geheel van de overgangsprocedure.
Art. 277. Une intervention intégrale dans les frais de voyage est accordée à l'agent de la carrière consulaire affecté en poste dans le cadre des épreuves d'accession au niveau A de la carrière extérieure, à concurrence de trois voyages depuis et vers le poste.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque l'agent de la carrière consulaire affecté en poste présente plus de trois épreuves dans le cadre de l'accession au niveau A de la carrière extérieure, l'intervention dans les frais de voyage est accordée à concurrence d'un voyage par épreuve et de maximum cinq voyages pour l'ensemble de la procédure d'accession.
Art. 278. Een volledige tussenkomst in de reiskosten wordt toegekend aan de ambtenaar aangesteld op post voor elke opleiding georganiseerd of ondersteund door de FOD en wanneer hij in dienst wordt teruggeroepen.
Art. 278. Une intervention intégrale dans les frais de voyage est accordée à l'agent affecté en poste pour toute formation organisée ou soutenue par le SPF et lorsqu'il est rappelé en service.
TITEL 14. - Verhuis
TITRE 14. - Déménagement
HOOFDSTUK 1. - Verhuis verbonden aan een wijziging van aanstelling
CHAPITRE 1er. - Déménagement lié à un changement d'affectation
Art. 279. § 1. De verhuis van de meubelen en persoonlijke bezittingen van de ambtenaar wordt ten laste genomen ten belope van het volume bedoeld in artikel 280 onder de volgende vereisten:
  1° de verhuis is het gevolg van een wijziging van aanstelling van de ambtenaar van het hoofdbestuur, van Belgoeurop of van Belotan naar een post of omgekeerd, of van een post naar een andere post;
  2° de verhuis wordt georganiseerd vanaf één enkel adres op de plaats van aanstelling van de ambtenaar naar één enkel adres op de plaats van zijn nieuwe aanstelling.
  In afwijking van het eerste lid, 2° kan de verhuis van alle of een gedeelte van de meubelen en persoonlijke bezittingen van de ambtenaar eveneens georganiseerd worden vanaf en naar een opslagplaats in de gevallen voorzien in artikel 284, eerste lid, 1° tot en met 3°.
  § 2. Eén enkele verhuis wordt ten laste genomen tegen de vereisten voorzien in paragraaf 1 per ambtenaar en per wijziging van aanstelling.
Art. 279. § 1er. Le déménagement des meubles et effets personnels de l'agent est pris en charge à concurrence du volume visé à l'article 280 aux conditions suivantes :
  1° le déménagement résulte d'un changement d'affectation de l'agent de l'administration centrale, de Belgoeurop ou de Belotan vers un poste ou inversement, ou d'un poste vers un autre poste ;
  2° le déménagement est organisé au départ d'une seule adresse sur le lieu d'affectation de l'agent vers une seule adresse sur le lieu de sa nouvelle affectation.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le déménagement de tout ou partie des meubles et effets personnels de l'agent peut également être organisé à partir de et vers un garde-meuble dans les cas visés à l'article 284, alinéa 1er, 1° à 3°.
  § 2. Un seul déménagement est pris en charge aux conditions visées au paragraphe 1er par agent et par changement d'affectation.
Art. 280. § 1. Het maximale volume van de verhuis wordt bepaald door de directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde op basis van:
  1° de functiecode;
  2° het aantal kinderen die bij de ambtenaar op post verblijven;
  3° de beschikbaar van consumptiegoederen op post.
  De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt jaarlijks de lijst van de posten waar de beschikbaarheid van consumptiegoederen laag is en de categorieën van consumptiegoederen die in overweging worden genomen om deze lijst te bepalen.
  In afwijking van het eerste lid is het volume van de verhuis op zijn minst gelijk aan het verhuisde volume tijdens de vorige aanstelling van de ambtenaar en dat tot zijn aanstelling op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
  § 2. Wanneer de ambtenaar geniet van een gemeubeld verblijf ter beschikking gesteld door de Belgische Staat, kan de directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde het volume van de verhuis naar de bestemming van de post beperken.
Art. 280. § 1er. Le volume maximum de déménagement est déterminé par le directeur général B&B ou son délégué sur base :
  1° du code fonction ;
  2° du nombre d'enfants qui résident en poste avec l'agent ;
  3° de la disponibilité des biens de consommation en poste.
  Le directeur général B&B ou son délégué détermine annuellement la liste des postes où la disponibilité des biens de consommation est faible et les catégories de biens de consommation prises en considération pour déterminer cette liste.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le volume de déménagement est au moins égal au volume déménagé lors de la précédente affectation de l'agent, et ce, jusqu'à son affectation à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
  § 2. Lorsque l'agent bénéficie d'un logement meublé mis à disposition par l'Etat belge, le directeur général B&B ou son délégué peut limiter le volume de déménagement à destination du poste.
Art. 281. § 1. De verhuis omvat de volgende activiteiten:
  1° de demontage en de verpakking;
  2° het in- en uitladen;
  3° het transport;
  4° het uitpakken en de hermontage van de door de aangewezen verhuismaatschappij gedemonteerde meubelen.
  § 2. De meerkosten van de verhuis van de goederen van buitensporige omvang of die niet het primaire karakter van meubilair hebben, worden niet ten laste genomen.
  De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt de lijst van de goederen van buitensporige omvang en de goederen die niet het primaire karakter van meubilair hebben.
Art. 281. § 1er. Le déménagement vise les activités suivantes :
  1° le démontage et l'emballage ;
  2° le chargement et le déchargement ;
  3° le transport ;
  4° le déballage et le remontage des meubles ayant été démontés par la société de déménagement désignée.
  § 2. Les surcoûts de déménagement pour les biens de taille démesurée ou ceux qui n'ont pas pour nature première de meubler ne sont pas pris en charge.
  Le directeur général B&B ou son délégué détermine la liste des biens de taille démesurée et des biens qui n'ont pas pour nature première de meubler.
Art. 282. De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels van het transport van de meubelen en de persoonlijke bezittingen van de ambtenaar.
Art. 282. Le directeur général B&B ou son délégué détermine les modalités de transport des meubles et effets personnels de l'agent.
Art. 283. § 1. Wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post waar de beschikbaarheid van voertuigen beperkt is, wordt hem een bijkomende tenlasteneming toegekend voor de verhuis van een persoonlijk voertuig.
  De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt jaarlijks de lijst van de posten waar de beschikbaarheid van voertuigen beperkt is.
  De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels van het transport van het persoonlijk voertuig van de ambtenaar.
  § 2. De verhuiskosten van een persoonlijk voertuig die ten laste worden genomen overeenkomstig paragraaf 1, worden, bij elke wijziging van aanstelling van de ambtenaar en dit tot een aanstelling op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, ten laste genomen.
Art. 283. § 1er. Lorsque l'agent est affecté dans un poste où la disponibilité des voitures est faible, une prise en charge supplémentaire lui est accordée pour le déménagement d'une voiture personnelle.
  Le directeur général B&B ou son délégué détermine annuellement la liste des postes où la disponibilité des voitures est faible.
  Le directeur général B&B ou son délégué détermine les modalités de transport de la voiture personnelle de l'agent.
  § 2. Les frais de déménagement d'une voiture personnelle pris en charge conformément au paragraphe 1er sont pris en charge à chaque changement d'affectation de l'agent, et ce, jusqu'à une affectation à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 284. De huur van de opslagplaats wordt ten laste genomen in de volgende gevallen:
  1° wanneer de ambtenaar posthoofd is;
  2° wanneer de ambtenaar een medewerker is die een gemeubeld verblijf betrekt dat te zijner beschikking wordt gesteld door de Belgische Staat;
  3° wanneer de ambtenaar is aangesteld op een post waarvan de categorie van hardship gelijk is aan of hoger is dan 5;
  4° wanneer de ambtenaar is aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan na aangesteld geweest te zijn op post en niet onmiddellijk een nieuw verblijf vindt.
  Voor de ambtenaar bedoeld in het eerste lid, 4° is de tenlasteneming van de huur van de opslagplaats beperkt tot maximum drie maanden na de aankomst in België van de meubelen en de persoonlijke bezittingen.
  Indien de ambtenaar op het moment van zijn definitieve ambtsneerlegging geniet van de tenlasteneming van de huur van een opslagplaats bedoeld in het eerste lid, 4°, loopt deze tenlasteneming verder na zijn ambtsneerlegging zonder dat deze een periode van drie maanden mag overschrijden na de aankomst in België van de meubelen en de persoonlijke bezittingen.
Art. 284. Le loyer du garde-meuble est pris en charge dans les cas suivants :
  1° lorsque l'agent est chef de poste ;
  2° lorsque l'agent est un collaborateur qui occupe un logement meublé mis à sa disposition par l'Etat belge ;
  3° lorsque l'agent est affecté dans un poste dont le rang de pénibilité est égal ou supérieur à 5 ;
  4° lorsque l'agent est affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan après avoir été affecté en poste et ne trouve pas immédiatement un nouveau logement.
  Pour l'agent visé à l'alinéa 1er, 4°, la prise en charge du loyer du garde-meuble est limitée à maximum trois mois après l'arrivée en Belgique des meubles et effets personnels.
  Si au moment de la cessation définitive de sa fonction, l'agent bénéficie de la prise en charge du loyer d'un garde-meuble visée à l'alinéa 1er, 4°, cette prise en charge se poursuit après la cessation de sa fonction sans pour autant qu'elle ne puisse dépasser trois mois après l'arrivée en Belgique des meubles et effets personnels.
Art. 285. De tenlasteneming van de verhuis van een deel van de meubelen en de persoonlijke bezittingen van de ambtenaar uit de opslagplaats maakt een einde aan de tenlasteneming van de huur van de opslagplaats en de verhuis van het resterende deel van de meubelen en de persoonlijke bezittingen van de ambtenaar uit de opslagplaats.
Art. 285. La prise en charge du déménagement d'une partie des meubles et effets personnels de l'agent hors du garde-meuble met fin à la prise en charge du loyer du garde-meuble et du déménagement du reste des meubles et effets personnels de l'agent hors du garde-meuble.
Art. 286. In de situatie voorzien in artikel 284, eerste lid, 4° neemt de tenlasteneming van de verhuiskosten een einde van zodra alle of een deel van de meubelen en de persoonlijke bezitting van de ambtenaar verhuisd werden van de opslagplaats naar een adres in België, en uiterlijk twaalf maanden te rekenen vanaf de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan.
Art. 286. Dans le cas visé à l'article 284, alinéa 1er, 4°, la prise en charge du déménagement prend fin dès que tout ou partie des meubles et effets personnels de l'agent ont été déménagés hors du garde-meuble vers une adresse en Belgique, et au plus tard douze mois à partir de l'affectation de l'agent à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan.
Art. 287. Bij de definitieve ambtsneerlegging wordt de verhuis van de plaats van aanstelling naar één enkel adres ten laste genomen ten belope van een verhuis naar België voor zover het vertrek vanaf de plaats van aanstelling plaatsvindt in de loop van de maand die volgt op de maand van het einde van de aanstelling op post.
  Onverminderd het eerste lid wordt, in het geval van de definitieve ambtsneerlegging, de tenlasteneming van de opslagplaats toegekend binnen de volgende grenzen:
  1° voor de huur: tot drie maanden na de aankomst van de meubelen en de persoonlijke bezittingen vanaf de plaats van aanstelling;
  2° voor de verhuis van de meubelen en persoonlijke bezittingen vanaf de opslagplaats:
  a) ten belope van een verhuis naar één enkel adres in België;
  b) tot zes maanden vanaf de definitieve ambtsneerlegging.
  In afwijking van het tweede lid, 2°, b) wordt de tenlasteneming van de verhuis van de meubelen en de persoonlijke bezittingen uit de opslagplaats binnen de grenzen bepaald in het tweede lid, 1° en 2°, a) verlengd tot het einde van de tenlasteneming van de huur van de opslagplaats wanneer de tenlasteneming van de huur van de opslagplaats de zes maanden na de definitieve ambtsneerlegging overschrijdt.
Art. 287. En cas de cessation définitive de la fonction, le déménagement du lieu d'affectation vers une seule adresse est pris en charge à hauteur d'un déménagement vers la Belgique pour autant que le départ du déménagement du lieu d'affectation ait lieu dans le courant du mois qui suit le mois de la fin de l'affectation en poste.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, en cas de cessation définitive de la fonction, la prise en charge du garde-meuble est accordée dans les limites suivantes :
  1° pour le loyer : jusqu'à trois mois après l'arrivée des meubles et effets personnels en provenance du lieu d'affectation ;
  2° pour le déménagement des meubles et effets personnels du garde-meuble :
  a) à hauteur d'un déménagement vers une seule adresse en Belgique ;
  b) jusqu'à six mois après la cessation définitive de las fonction.
  Par dérogation à l'alinéa2, 2°, b), la prise en charge du déménagement des meubles et effets personnels hors du garde-meuble dans les limites visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, a) est prolongée jusqu'à la fin de la prise en charge du loyer du garde-meuble lorsque la prise en charge du loyer du garde-meuble dépasse six mois après la cessation définitive de la fonction.
Art. 288. § 1. Een verzekering voor het dekken van de risico's tijdens de verhuis en tijdens de periode van de opslag in de opslagplaats wordt ten laste genomen.
  § 2. De verzekeringspolis wordt onderschreven op basis van een inventaris van de waarde van de meubelen en de persoonlijke bezittingen van de ambtenaar die dienen te worden verhuisd of te worden opgeslagen in de opslagplaats.
  De directeur-generaal B&B of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels van de berekening van de maximaal te verzekeren waarde.
Art. 288. § 1er. Une assurance est prise en charge pour couvrir les risques pendant le déménagement et pendant la période d'entreposage en garde-meuble.
  § 2. La police d'assurance est souscrite sur la base d'un inventaire de la valeur des meubles et effets personnels de l'agent à déménager ou à entreposer dans le garde-meuble.
  Le directeur général B&B ou son délégué détermine les modalités de calcul de la valeur maximale à assurer.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst in de kosten van een lokale verhuis
CHAPITRE 2. - Intervention dans les frais d'un déménagement local
Art. 289. In geval van uitzonderlijke behoorlijk gemotiveerde omstandigheden wordt een tussenkomst toegekend in de kosten van de lokale verhuis van de medewerker aangesteld op post.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden en het maximale bedrag van de tussenkomst.
Art. 289. En cas de circonstances exceptionnelles dûment motivées, une intervention est accordée dans les frais du déménagement local du collaborateur affecté en poste.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités applicables en cas de circonstances exceptionnelles et le montant maximal de l'intervention.
TITEL 15. - Tussenkomst in de kosten van repatriëring van het stoffelijk overschot
TITRE 15. - Intervention dans les frais de rapatriement de la dépouille
Art. 290. Er wordt een volledige tussenkomst toegekend in de kosten van repatriëring naar de plaats van begraving van het stoffelijk overschot:
  1° van de ambtenaar die op post overleden is;
  2° van de partner die overleden is terwijl hij bij de ambtenaar op post verbleef;
  3° van het kind dat overleden is terwijl het bij de ambtenaar op post verbleef.
Art. 290. Une intervention intégrale est accordée dans les frais de rapatriement jusqu'au lieu d'inhumation de la dépouille :
  1° de l'agent qui est décédé en poste ;
  2° du partenaire qui est décédé alors qu'il résidait avec l'agent en poste ;
  3° de l'enfant qui est décédé alors qu'il résidait avec l'agent en poste.
TITEL 16. - Tussenkomst in de kosten verbonden aan de opleidingen en aan de examens
TITRE 16. - Intervention dans les frais liés aux formations et aux examens
Art. 291. § 1. Een volledige tussenkomst in de inschrijvingskosten voor elke opleiding wordt toegekend binnen de grenzen van artikel 70 van het verlofbesluit en van artikel 123.
  De tussenkomst is beperkt tot de inschrijvingskosten van de opleidingen waarvan de duur gelijk is aan of minder bedraagt dan zestig uur.
  § 2. De tussenkomst in de inschrijvingskosten van een opleiding in één van de talen bedoeld in artikel 48, tweede lid, is beperkt tot 75% wanneer het private lessen betreft.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de andere nadere regels volgens dewelke de inschrijvingskosten voor de opleidingen voor één van de talen bedoeld in artikel 48, tweede lid ten laste worden genomen.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid wordt een volledige tussenkomst toegekend in de inschrijvingskosten van de opleidingen in het kader van de toegang tot het niveau A van de buitenlandse carrière bedoeld in artikel 181 alsook voor de opleidingen die georganiseerd of ondersteund worden door de FOD.
Art. 291. § 1er. Une intervention intégrale est accordée dans les frais d'inscription à toute formation dans les limites de l'article 70 de l'arrêté congé et de l'article 123.
  L'intervention est limitée aux frais d'inscription aux formations dont la durée est égale ou inférieure à soixante heures.
  § 2. L'intervention dans les frais d'inscription à une formation pour une des langues visées à l'article 48, alinéa 2, est limitée à 75% lorsqu'il s'agit de cours particuliers.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les autres modalités selon lesquelles les frais d'inscription des formations pour une des langues visées à l'article 48, alinéa 2 sont pris en charge.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 2, une intervention intégrale est accordée dans les frais d'inscription aux formations dans le cadre de l'accession au niveau A de la carrière extérieure visé à l'article 181 ainsi qu'aux formations organisées ou soutenues par le SPF.
Art. 292. Een volledige tussenkomst in de inschrijvingskosten van de volgende examens wordt toegekend:
  1° het taalexamen bedoeld in artikel 48, eerste lid, 2° voor de talen bedoeld in artikel 48, tweede lid ten belope van maximum twee inschrijvingen;
  2° de proeven van de tweede reeks proeven voor de toegang tot het niveau A van de buitenlandse carrière bedoeld in artikel 181, § 3;
  3° het taalexamen bedoeld in artikel 181, § 5.
Art. 292. Une intervention intégrale est accordée dans les frais d'inscription aux examens suivants :
  1° l'examen linguistique visé à l'article 48, alinéa 1er, 2° pour les langues visées à l'article 48, alinéa 2, à concurrence de maximum deux inscriptions ;
  2° les épreuves de la deuxième série d'épreuves d'accession dans le niveau A de la carrière extérieure visée à l'article 181, § 3 ;
  3° l'examen linguistique visé à l'article 181, § 5.
Art. 293. Een tussenkomst in de kosten van de ontwikkeling van de partner in het kader van zijn professioneel project wordt toegekend ten belope van 2500 euro per jaar.
Art. 293. Une intervention dans les frais de développement du partenaire dans le cadre de son projet professionnel est accordée à concurrence de 2500 euros par an.
Boek 6. - Bijzondere geldelijke regimes
Livre 6. - Régimes pécuniaires particuliers
TITEL 1. - Geldelijk regime tijdens dienstreizen bij een post
TITRE 1er. - Régime pécuniaire pendant des voyages de service auprès d'un poste
Art. 294. De ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan en belast met een dienstreis met een duur van meer dan dertig opeenvolgende dagen bij een post geniet niet meer van de vergoeding voor verblijfskosten noch van de tussenkomst in de verblijfskosten vanaf de eenendertigste dag van zijn dienstreis.
  Onverminderd artikel 208 geniet de ambtenaar vanaf de eenendertigste dag van zijn dienstreis:
  1° van een forfaitaire vergoeding waarvan het bedrag gelijk is aan de vergoeding voor verblijfskosten;
  2° van een tussenkomst in de kosten van het verblijf bedoeld in artikel 231;
  3° van de tussenkomst in de kosten van een periodieke terugkeerreis bedoeld in de artikelen 268 tot en met 271.
Art. 294. L'agent affecté à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan et chargé d'un voyage de service d'une durée supérieure à trente jours consécutifs auprès d'un poste ne bénéficie plus de l'indemnité pour frais de séjour ni de l'intervention dans les frais de séjour à partir du trente-et-unième jour de son voyage de service.
  Sans préjudice de l'article 208, l'agent bénéficie à partir du 31ème jour de son voyage de service :
  1° d'une indemnité forfaitaire dont le montant est égal à l'indemnité pour frais de séjour ;
  2° d'une intervention dans les frais de logement visée à l'article 231 ;
  3° de l'intervention dans les frais d'un voyage de retour périodique visé aux articles 268 à 271.
TITEL 2. - Geldelijk regime in geval van disponibiliteit van een ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur
TITRE 2. - Régime pécuniaire en cas de disponibilité d'un agent affecté à l'administration centrale
Art. 295. Een wachtgeld waarvan de bedragen worden bepaald door het verlofbesluit wordt toegekend aan de ambtenaar aangesteld op het hoofdbestuur die in disponibiliteit wordt gesteld in toepassing van artikel 66, eerste lid.
  Het wachtgeld en de vergoedingen die eventueel worden toegekend aan de ambtenaar in disponibiliteit worden onderworpen aan het mobiliteitsregime dat van toepassing is op de retributies van de ambtenaar in dienstactiviteit.
Art. 295. Un traitement d'attente dont les montants sont déterminés par l'arrêté congé est alloué à l'agent affecté à l'administration centrale qui est mis en disponibilité par application de l'article 66, alinéa 1er.
  Le traitement d'attente et les indemnités qui sont éventuellement alloués à l'agent en disponibilité, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions de l'agent en activité de service.
TITEL 3. - Geldelijk regime tijdens de verschillende verloven en afwezigheden van de ambtenaar aangesteld op post, op Belgoeurop of op Belotan
TITRE 3. - Régime pécuniaire pendant les différents congés et absences de l'agent affectés en poste, à Belgoeurop ou à Belotan
HOOFDSTUK 1. - Jaarlijks vakantieverlof
CHAPITRE 1er. - Congé annuel de vacances
Art. 296. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het jaarlijks vakantieverlof.
Art. 296. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé annuel de vacances.
Art. 297. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het jaarlijks vakantieverlof.
Art. 297. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé annuel de vacances.
HOOFDSTUK 2. - Omstandigheidsverlof
CHAPITRE 2. - Congé de circonstances
Art. 298. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het omstandigheidsverlof.
Art. 298. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé de circonstances.
Art. 299. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het omstandigheidsverlof.
Art. 299. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé de circonstances.
HOOFDSTUK 3. - Uitzonderlijk verlof
CHAPITRE 3. - Congé exceptionnel
Art. 300. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het uitzonderlijk verlof.
Art. 300. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres durant le congé exceptionnel.
Art. 301. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het uitzonderlijk verlof.
Art. 301. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé exceptionnel.
HOOFDSTUK 4. - Moederschaps- en omgezet moederschapsverlof
CHAPITRE 4. - Congé de maternité et de maternité converti
Art. 302. De verschuldigde wedde voor de periode gedurende dewelke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
  De wedde bedoeld in het eerste lid is niet verschuldigd in geval van een miskraam vóór de honderd eenentachtigste dag van de zwangerschap.
  De verschuldigde wedde voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 87 mag niet meer dan vierentwintig weken bestrijken.
Art. 302. Le traitement dû pour la période pendant laquelle l'agent féminin se trouve en congé de maternité ne peut couvrir plus de quinze semaines ou de dix-neuf semaines en cas de naissance multiple.
  Le traitement visé à l'alinéa 1er n'est pas dû en cas de fausse couche se produisant avant le cent quatre-vingt-huitième jour de gestation.
  Le traitement dû pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 87 ne peut couvrir plus de vingt-quatre semaines.
Art. 303. In afwijking van artikel 302 is de wedde eveneens verschuldigd voor de verlenging van het prenataal verlof bedoeld in artikel 86.
Art. 303. Par dérogation à l'article 302, le traitement est également dû pour la prolongation du congé prénatal visé à l'article 86.
Art. 304. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het moederschapsverlof en het omgezet moederschapsverlof.
Art. 304. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé de maternité et le congé de maternité converti.
Art. 305. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het moederschapsverlof en het omgezet moederschapsverlof.
Art. 305. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé de maternité et le congé de maternité converti.
HOOFDSTUK 5. - Ouderschapsverlof
CHAPITRE 5. - Congé parental
Art. 306. De ambtenaar die geniet van een ouderschapsverlof, heeft geen recht op zijn wedde.
Art. 306. L'agent qui bénéficie d'un congé parental n'a pas droit à son traitement.
Art. 307. De ambtenaar aangesteld op post verliest het voordeel van de postvergoeding tijdens het ouderschapsverlof.
  De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het ouderschapsverlof.
Art. 307. L'agent affecté en poste perd le bénéfice de l'indemnité de poste durant le congé parental.
  L'agent affecté en poste conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé parental.
Art. 308. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan verliest het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het ouderschapsverlof.
Art. 308. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan perd le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé parental.
HOOFDSTUK 6. - Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof
CHAPITRE 6. - Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil
Art. 309. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegouderverlof en het pleegzorgverlof.
Art. 309. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil.
Art. 310. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegouderverlof en het pleegzorgverlof.
Art. 310. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil.
HOOFDSTUK 7. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang
CHAPITRE 7. - Congé pour motifs impérieux d'ordre familial
Art. 311. De ambtenaar die geniet van een verlof om dwingende redenen van familiaal belang, heeft geen recht op zijn wedde.
Art. 311. L'agent qui bénéficie d'un congé pour motifs impérieux d'ordre familial n'a pas droit à son traitement.
Art. 312. De ambtenaar aangesteld op post verliest het voordeel van de postvergoeding tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang.
  De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang.
Art. 312. L'agent affecté en poste perd le bénéfice de l'indemnité de poste durant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial.
  L'agent affecté en poste conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial.
Art. 313. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan verliest het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang.
Art. 313. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan perd le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial.
HOOFDSTUK 8. - Verlof wegens ziekte
CHAPITRE 8. - Congé de maladie
Art. 314. Indien de ambtenaar nog geen zesendertig maanden in dienst is, wordt zijn wedde desalniettemin gewaarborgd gedurende drieënzestig werkdagen wanneer hij verhinderd is zijn functie normaal uit te oefenen wegens ziekte.
  Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde werkdagen op vijfennegentig gebracht.
Art. 314. Si l'agent n'est pas en service depuis trente-six mois, son traitement lui est néanmoins garanti pendant soixante-trois jours ouvrables lorsqu'il est empêché d'exercer normalement sa fonction par suite de maladie.
  Pour l'agent invalide de guerre, le nombre de jours ouvrables fixé à l'alinéa 1er est porté à nonante-cinq.
Art. 315. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens het verlof wegens ziekte.
Art. 315. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant le congé de maladie.
Art. 316. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens het verlof wegens ziekte.
Art. 316. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant le congé de maladie.
Art. 317. De ambtenaar aangesteld op post die het slachtoffer is van een erkend arbeidsongeval of een erkend arbeidswegongeval in de zin van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever voor de duur van zijn ongeschiktheid.
Art. 317. L'agent affecté en poste qui est victime d'un accident de travail reconnu ou accident survenu sur le chemin du travail reconnu dans le sens de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur pendant la durée de son incapacité.
Art. 318. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan die het slachtoffer is van een erkend arbeidsongeval of een erkend arbeidswegongeval in de zin van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid voor de duur van zijn ongeschiktheid.
Art. 318. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan qui est victime d'un accident de travail reconnu ou d'un accident survenu sur le chemin du travail reconnu au sens de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité pendant la durée de son incapacité.
HOOFDSTUK 9. - Disponibiliteit wegens ziekte
CHAPITRE 9. - Disponibilité pour maladie
Art. 319. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste wedde.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan:
  1° de vergoedingen die de ambtenaar in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn in disponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.
  Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste wedde, in voorkomend geval herzien bij toepassing van artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der federale overheidsdiensten.
  Het wachtgeld en de vergoedingen die eventueel worden toegekend aan de ambtenaar in disponibiliteit, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van ambtenaren in dienstactiviteit.
Art. 319. L'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente égal à 60% de son dernier traitement.
  Toutefois, le montant de ce traitement d'attente ne peut en aucun cas être inférieur :
  1° aux indemnités que l'agent obtiendrait dans la même situation si le régime de la sécurité sociale lui avait été applicable dès le début de son absence ;
  2° à la pension qu'il obtiendrait si, à la date de sa mise en disponibilité, il avait été admis à la retraite anticipée pour cause d'inaptitude physique.
  Le traitement d'attente est établi sur base du dernier traitement, revu, s'il y échet, en application de l'article 9 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des services publics fédéraux.
  Le traitement d'attente et les indemnités qui sont éventuellement accordées à l'agent en disponibilité, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions des agents en activité de service.
Art. 320. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens de disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 320. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur durant la disponibilité pour maladie.
Art. 321. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens de disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 321. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant la disponibilité pour maladie.
HOOFDSTUK 10. - Deelname aan een georganiseerde werkonderbreking
CHAPITRE 10. - Participation à une cessation concertée du travail
Art. 322. De ambtenaar die deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking heeft geen recht op zijn wedde.
Art. 322. L'agent qui participe à une cessation concertée du travail n'a pas droit à son traitement.
Art. 323. De ambtenaar aangesteld op post verliest het voordeel van de postvergoeding tijdens de deelname aan een georganiseerde werkonderbreking.
  De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens de deelname aan een georganiseerde werkonderbreking.
Art. 323. L'agent affecté en poste perd le bénéfice de l'indemnité de poste durant la participation à une cessation concertée du travail.
  L'agent affecté en poste conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur durant la participation à une cessation concertée du travail.
Art. 324. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan verliest het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens de deelname aan een georganiseerde werkonderbreking.
Art. 324. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan perd le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant la participation à une cessation concertée du travail.
HOOFDSTUK 11. - Feestdagen op post, op Belgoeurop en op Belotan, terugroeping in dienst en dienstvrijstellingen
CHAPITRE 11. - Jours fériés en poste, à Belgoeurop et à Belotan, rappel en service et dispenses de service
Art. 325. De ambtenaar aangesteld op post behoudt het voordeel van de postvergoeding alsook van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever tijdens feestdagen, tijdens een terugroeping in dienst of tijdens de dienstvrijstellingen bedoeld in de artikelen 123 tot en met 126.
Art. 325. L'agent affecté en poste conserve le bénéfice de l'indemnité de poste ainsi que des interventions dans les frais propres à l'employeur pendant les jours fériés, pendant un rappel en service ou pendant les dispenses de service visées aux articles 123 à 126.
Art. 326. De ambtenaar aangesteld op Belgoeurop of op Belotan behoudt het voordeel van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid tijdens feestdagen, tijdens een terugroeping in dienst of tijdens de dienstvrijstellingen bedoeld in de artikelen 123 tot en met 126.
Art. 326. L'agent affecté à Belgoeurop ou à Belotan conserve le bénéfice de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité pendant les jours fériés, pendant un rappel en service ou pendant les dispenses de service visées aux articles 123 à 126.
TITEL 4. - Geldelijk regime bij verloven en andere afwezigheden tussen twee posten of tussen Belgoeurop of Belotan en een post
TITRE 4. - Régime pécuniaire en cas de congés et autres absences entre deux postes ou entre Belgoeurop ou Belotan et un poste
Art. 327. De ambtenaar die een jaarlijks vakantieverlof, een ander verlof of een andere afwezigheid bedoeld in de artikelen 71 en 77 neemt nadat hij de post waarop hij aangesteld werd definitief verlaten heeft en voordat hij op zijn volgende post wordt aangesteld, geniet niet van de postvergoeding noch van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever gedurende dit verlof of deze afwezigheid.
  Tijdens deze periodes geniet de ambtenaar van de transfervergoeding.
Art. 327. L'agent qui prend un congé annuel de vacances, un autre congé ou une absence visé aux articles 71 et 77, après qu'il a quitté définitivement le poste où il était affecté et avant l'affectation dans son poste suivant ne bénéficie pas de l'indemnité de poste ni des interventions dans les frais propres à l'employeur durant ce congé ou cette absence.
  Durant ces périodes, l'agent bénéficie de l'indemnité de transfert.
Art. 328. De ambtenaar die een jaarlijks vakantieverlof, een ander verlof of een andere afwezigheid bedoeld in de artikelen 71 en 77 neemt nadat hij Belgoeurop of Belotan definitief verlaten heeft en voordat hij op post wordt aangesteld, geniet niet van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid gedurende dit verlof of deze afwezigheid.
  Tijdens deze periodes geniet de ambtenaar van de transfervergoeding.
Art. 328. L'agent qui prend un congé annuel de vacances, un autre congé ou une absence visé aux articles 71 et 77, après qu'il a quitté définitivement Belgoeurop ou Belotan et avant l'affectation en poste ne bénéficie pas de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité durant ce congé ou cette absence.
  Durant ces périodes, l'agent bénéficie de l'indemnité de transfert.
TITEL 5. - Geldelijk regime ij buitengewone omstandigheden
TITRE 5. - Régime pécuniaire en cas de circonstances exceptionnelles
Art. 329. Dit geldelijk regime is van toepassing in de volgende buitengewone omstandigheden:
  1° de aanstelling van de ambtenaar op het hoofdbestuur ingevolge:
  a) een terugroeping naar het hoofdbestuur;
  b) een terugroeping naar het hoofdbestuur vergezeld van een preventieve schorsing;
  c) een verplaatsing bij tuchtmaatregel
  d) de evacuatie van de ambtenaar van de post omwille van een gewapend conflict;
  e) de persona non grata-verklaring van een ambtenaar door de Ontvangststaat;
  2° de aanstelling van de ambtenaar op Belgoeurop of op Belotan ingevolge:
  a) een verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  b) de evacuatie van de ambtenaar van de post omwille van een gewapend conflict;
  c) de persona non grata-verklaring van de ambtenaar door de Ontvangststaat;
  3° de preventieve schorsing of de tuchtschorsing van de ambtenaar die aangesteld is op post;
  4° de preventieve schorsing of de tuchtschorsing van de ambtenaar die aangesteld is op het hoofdbestuur;
  5° de preventieve schorsing of de tuchtschorsing van de ambtenaar die aangesteld is op Belgoeurop of op Belotan;
  6° het verplichte vertrek van de partner en/of van het kind die bij de ambtenaar op post verblijven.
Art. 329. Ce régime pécuniaire est applicable dans les circonstances exceptionnelles suivantes :
  1° l'affectation de l'agent à l'administration centrale à la suite de
  a) un rappel à l'administration centrale ;
  b) un rappel à l'administration centrale accompagné d'une suspension préventive ;
  c) un déplacement disciplinaire ;
  d) l'évacuation de l'agent du poste en raison d'un conflit armé ;
  e) la déclaration d'un agent comme persona non-grata par l'Etat d'accueil ;
  2° l'affectation de l'agent à Belgoeurop ou à Belotan à la suite de :
  a) un déplacement disciplinaire ;
  b) l'évacuation de l'agent du poste en raison d'un conflit armé ;
  c) la déclaration d'un agent comme persona non-grata par l'Etat d'accueil ;
  3° la suspension préventive ou la suspension disciplinaire de l'agent qui est affecté en poste ;
  4° la suspension préventive ou la suspension disciplinaire de l'agent qui est affecté à l'administration centrale ;
  5° la suspension préventive ou la suspension disciplinaire de l'agent qui est affecté à Belgoeurop ou à Belotan ;
  6° le départ obligé du partenaire et/ou de l'enfant qui résident en poste avec l'agent.
Art. 330. § 1. In de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 1°, a), b) en c) en 2°, a), verliest de ambtenaar het voordeel van de postvergoeding en behoudt hij het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever bedoeld in de artikelen 230 tot en met 235, 240 tot en met 250, 259, 260, 262, 265 tot en met 267, 279 tot en met 290 voor de periode en volgens de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, voor zover de ambtenaar geniet van de tussenkomst in de schoolkosten bedoeld in de artikelen 240 tot en met 250 op het moment van het plaatsvinden van de buitengewone omstandigheid.
  In afwijking van artikel 208, § 1 geniet de ambtenaar van de terugkeervergoeding vanaf zijn aanstelling op het hoofdbestuur, op Belgoeurop of op Belotan, zelfs indien hij niet op post werd aangesteld gedurende minstens één jaar.
  In afwijking van artikel 212 geniet de ambtenaar bedoeld in artikel 329, 2°, a) van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid vanaf de stopzetting van de toekenning van de postvergoeding.
  In het geval bedoeld in artikel 329, 1°, b) verliest de ambtenaar het voordeel van de terugkeervergoeding voor de duur van de preventieve schorsing.
  § 2. In de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 1°, d) en e) en 2°, b) en c) behoudt de ambtenaar het voordeel van de postvergoeding voor de periode en volgens de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde.
  In afwijking van artikel 208, § 1 geniet de ambtenaar van de terugkeervergoeding vanaf de stopzetting van de toekenning van de postvergoeding, zelfs indien hij niet op post werd aangesteld gedurende minstens één jaar.
  In afwijking van artikel 212 geniet de ambtenaar bedoeld in artikel 329, 2°, b) en c) van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid vanaf de stopzetting van de toekenning van de postvergoeding.
  In afwijking van artikel 236, § 1, 1°, wordt de tussenkomst in de kosten eigen aan de werkgever bedoeld in de artikelen 237 en 239, § 1 toegekend aan de ambtenaar die minder dan één jaar aangesteld was op post.
  § 3. In de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 3° verliest de ambtenaar het voordeel van de postvergoeding voor de duur van de preventieve schorsing of van de tuchtschorsing en behoudt hij het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever.
  § 4. In de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 4° verliest de ambtenaar het voordeel van de terugkeervergoeding voor de duur van de preventieve schorsing of van de tuchtschorsing.
  § 5. In de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 5° verliest de ambtenaar het voordeel van de terugkeervergoeding en van de vergoeding voor de uitgeoefende functie en de beschikbaarheid voor de duur van de preventieve schorsing of van de tuchtschorsing.
  § 6. Wanneer de ambtenaar, zijn partner en/of het kind niet onmiddellijk een verblijf vinden in België wegens één van de buitengewone omstandigheden bedoeld in artikel 329, 1°, d) en e), 2°, b) et c), 6° wordt een [00e2][80][008b][00e2][80][008b]tussenkomst in de verblijfskosten toegekend ten belope van een bedrag bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, rekening houdende met de familiale situatie van de ambtenaar.
  De directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde bepaalt de nadere regels voor de tussenkomst in deze verblijfskosten alsook de periode gedurende dewelke de tussenkomst bedoeld in het eerste lid wordt toegekend.
Art. 330. § 1er. Dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 1°, a), b) et c), et 2°, a), l'agent perd le bénéfice de l'indemnité de poste et conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur visées aux articles 230 à 235, 240 à 250, 259, 260, 262, 265 à 267, 279 à 290 pour la période et selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué, pour autant que l'agent bénéficie de l'intervention dans les frais scolaires visée aux articles 240 à 250 au moment de la survenance de la circonstance exceptionnelle.
  Par dérogation à l'article 208, § 1er, l'agent bénéficie de l'indemnité de retour dès son affectation à l'administration centrale, à Belgoeurop ou à Belotan, même s'il n'a pas été affecté en poste pendant au moins un an.
  Par dérogation à l'article 212, l'agent visé à l'article 329, 2°, a) bénéficie de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité à partir de la cessation de l'octroi de l'indemnité de poste.
  Dans le cas visé à l'article 329, 1°, b), l'agent perd le bénéfice de l'indemnité de retour pour la durée de la suspension préventive.
  § 2. Dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 1°, d) et e) et 2°, b) et c), l'agent conserve le bénéfice de l'indemnité de poste pour la période et selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué.
  Par dérogation à l'article 208, § 1er l'agent bénéficie de l'indemnité de retour à partir de la cessation de l'octroi de l'indemnité de poste, même s'il n'a pas été affecté en poste pendant au moins un an.
  Par dérogation à l'article 212, l'agent visé à l'article 329, 2°, b) et c) bénéficie de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité à partir de la cessation de l'octroi de l'indemnité de poste.
  Par dérogation à l'article 236, § 1er, 1°, l'intervention dans les frais propres à l'employeur visée aux articles 237 et 239, § 1er est accordée à l'agent qui a été affecté moins d'un an en poste.
  § 3. Dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 3°, l'agent perd le bénéfice de l'indemnité de poste pour la durée de la suspension préventive ou de la suspension disciplinaire et conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur.
  § 4. Dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 4°, l'agent perd le bénéfice de l'indemnité de retour pour la durée de la suspension préventive ou de la suspension disciplinaire.
  § 5. Dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 5°, l'agent perd le bénéfice de l'indemnité de retour et de l'indemnité pour la fonction exercée et la disponibilité pour la durée de la suspension préventive ou de la suspension disciplinaire.
  § 6. Lorsque l'agent, son partenaire et/ou l'enfant ne trouvent pas immédiatement de logement en Belgique à la suite d'une des circonstances exceptionnelles visées à l'article 329, 1°, d) et e), 2°, b) et c), 6° une intervention dans les frais de logement est accordée à concurrence d'un montant déterminé par le directeur général P&O ou son délégué, tenant compte de la situation familiale de l'agent.
  Le directeur général P&O ou son délégué détermine les modalités de l'intervention dans ces frais de logement ainsi que la période durant laquelle l'intervention visée à l'alinéa 1er est octroyée.
TITEL 6. - Geldelijk regime bij aanstelling op het hoofdbestuur wegens ziekte of ongeval
TITRE 6. - Régime pécuniaire en cas d'affectation à l'administration centrale pour cause de maladie ou d'accident
Art. 331. Ingevolge de aanstelling op het hoofdbestuur van de ambtenaar wegens ziekte of ongeval, behoudt de ambtenaar het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever bedoeld in de artikelen 230 tot en met 235, 240 tot en met 250, 259, 260, 262, 265 tot en met 267, 279 tot en met 290 voor de periode en volgens de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, voor zover de ambtenaar geniet van de tussenkomst in de schoolkosten bedoeld in de artikelen 240 tot en met 250 op het moment van het plaatsvinden van de buitengewone omstandigheid.
Art. 331. A la suite de l'affectation à l'administration centrale de l'agent pour cause de maladie ou d'accident, l'agent conserve le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur visées aux articles 230 à 235, 240 à 250, 259, 260, 262, 265 à 267, 279 à 290 pour la période et selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué, pour autant que l'agent bénéficie de l'intervention dans les frais scolaires visée aux articles 240 à 250 au moment de la survenance de la circonstance exceptionnelle.
TITEL 7. - Geldelijk regime bij het overlijden van een ambtenaar op post
TITRE 7. - Régime pécuniaire lors du décès d'un agent en poste
Art. 332. Ingevolge het overlijden van de ambtenaar op post, behouden zijn partner en het kind het voordeel van de tussenkomsten in de kosten eigen aan de werkgever bedoeld in de artikelen 230 tot en met 235, 240 tot en met 250, 259, 260, 262, 265 tot en met 267, 279 tot en met 290 voor de periode en volgens de nadere regels bepaald door de directeur-generaal P&O of zijn afgevaardigde, voor zover de ambtenaar genoot van de tussenkomst in de schoolkosten bedoeld in de artikelen 240 tot en met 250 op het moment van overlijden.
Art. 332. A la suite du décès de l'agent en poste, son partenaire ainsi que l'enfant conservent le bénéfice des interventions dans les frais propres à l'employeur visées aux articles 230 à 235, 240 à 250, 259, 260, 262, 265 à 267, 279 à 290 pour la période et selon les modalités déterminées par le directeur général P&O ou son délégué, pour autant que l'agent bénéficiait de l'intervention dans les frais scolaires visée aux articles 240 à 250 au moment du décès.
Deel 5. Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Partie 5. Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Boek 1. Opheffingsbepalingen
Livre 1er. Dispositions abrogatoires
Art. 333. Worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 15 juli 1920 betreffende de inrichting van het diplomatiek korps;
  2° het koninklijk besluit van 15 juli 1920 houdende nieuwe inrichting van het consulair korps;
  3° het koninklijk besluit van 16 augustus 1923 betreffende de inrichting van het korps der kanseliers, de dragomannen en tolken;
  4° het besluit van de Regent van 15 oktober 1946 tot vaststelling van het reglement der buitenlandsche diensten van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken en Buitenlandschen Handel;
  5° het koninklijk besluit van 22 juli 2008 tot regeling van de toekenning van een terugkeervergoeding voor bepaalde ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
  6° het koninklijk besluit van 21 juli 2016 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière;
  7° het ministerieel besluit van 8 mei 2023 tot vaststelling van de periodiciteit van de verlofreizen ten laste van de Staat voor bepaalde personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Art. 333. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 15 juillet 1920 portant règlement organique du corps diplomatique ;
  2° l'arrêté royal du 15 juillet 1920 portant règlement organique du corps consulaire ;
  3° l'arrêté royal du 16 août 1923 portant règlement organique du corps des agents de chancellerie, des drogmans et des interprètes ;
  4° l'arrêté du Régent du 15 octobre 1946 fixant le règlement des services extérieurs du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur ;
  5° l'arrêté royal du 22 juillet 2008 réglant l'octroi d'une indemnité de retour en faveur de certains agents du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement ;
  6° l'arrêté royal du 21 juillet 2016 fixant le statut des agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire ;
  7° l'arrêté ministériel du 8 mai 2023 déterminant la périodicité des voyages de congé aux frais de l'Etat en faveur de certains membres du personnel du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
Boek 2. Overgangsbepalingen
Livre 2. Dispositions transitoires
Art. 334. § 1. In afwijking van artikel 74, § 2, geniet de ambtenaar die, op datum van 31 december van het jaar tijdens hetwelk dit besluit in werking treedt, het jaarlijks vakantieverlof waarop hij recht had voor 1 augustus 2014 niet heeft opgenomen, van een vergoeding tijdens zijn eerste aanstelling op het hoofdbestuur die volgt op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  § 2. De vergoeding bedoeld in paragraaf 1 is gelijk aan:
  1° voor de ambtenaar zonder partner en zonder kind: 75% van de maandelijkse brutowedde ten belope van het aantal verlofdagen zonder dat dit aantal negentig dagen kan overschrijden;
  2° voor de andere ambtenaren: 100% van de maandelijkse brutowedde ten belope van het aantal verlofdagen zonder dat dit aantal negentig dagen kan overschrijden.
  Deze vergoeding wordt berekend in dertigsten en is niet cumuleerbaar met de terugkeervergoeding bedoeld in artikel 208.
  § 3. De ambtenaar die, gedurende de periode van 1 januari 2019 tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het geheel van de dagen jaarlijks vakantieverlof waarop hij recht had wanneer hij aangesteld was op het hoofdbestuur niet heeft opgenomen, geniet van deze dagen jaarlijks vakantieverlof tot en met 31 december van het jaar dat volgt op de datum van zijn volgende aanstelling op het hoofdbestuur.
Art. 334. § 1er. Par dérogation à l'article 74, § 2, l'agent qui, à la date du 31 décembre de l'année au cours de laquelle le présent arrêté entre en vigueur, n'a pas pris les jours de congés annuels de vacances auxquels il avait droit avant le 1er août 2014 bénéficie d'une indemnité lors de sa première affectation à l'administration centrale qui suit la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
  § 2. L'indemnité visée au paragraphe 1er est égale à :
  1° pour l'agent sans partenaire et sans enfant : 75% du traitement mensuel brut au prorata du nombre de jours de congés sans pour autant que ce nombre ne puisse dépasser nonante jours ;
  2° pour les autres agents : 100 % du traitement mensuel brut au prorata du nombre de jours de congés sans pour autant que ce nombre ne puisse dépasser nonante jours.
  Cette indemnité est calculée en trentièmes et n'est pas cumulable avec l'indemnité de retour visée à l'article 208.
  § 3. L'agent qui, durant la période du 1er janvier 2019 à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, n'a pas pris l'entièreté des jours de congé annuel de vacances auxquels il avait droit quand il était affecté à l'administration centrale, bénéficie de ces jours de congé annuel de vacances jusqu'au 31 décembre de l'année qui suit la date de sa prochaine affectation à l'administration centrale.
Art. 335. De ambtenaar die, op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, aangesteld is op Belgoeurop of op Belotan, wordt, voor de duur van zijn aanstelling, vergoed op grond van de bepalingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing waren.
Art. 335. L'agent qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est affecté à Belgoeurop ou à Belotan est, pour la durée de son affectation, rémunéré sur base des dispositions qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 336. De ambtenaar die, op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, is aangesteld op Belgoeurop of op Belotan geniet van de terugkeervergoeding bedoeld in artikel 208 wanneer hij vervolgens wordt aangesteld op het hoofdbestuur.
Art. 336. L'agent qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est affecté à Belgoeurop ou à Belotan bénéficie de l'indemnité de retour visée à l'article 208 lorsqu'il est ensuite affecté à l'administration centrale.
Art. 337. De stages en de beroepen inzake stages die lopend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit worden beheerst door de bepalingen die voor die datum van toepassing waren.
Art. 337. Les stages et les recours concernant les stages en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sont régis par les dispositions en vigueur avant cette date.
Art. 338. De bij de inwerkingtreding van dit besluit lopende vergelijkende selecties worden beheerst door de bepalingen die voor die datum van toepassing waren.
Art. 338. Les sélections comparatives en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sont régies par les dispositions en vigueur avant cette date.
Art. 339. De reserve van geslaagden samengesteld op grond van een vergelijkende selectie die werd afgesloten of lopend was op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel, blijft geldig tot het verstrijken van de termijn bepaald voor hun geldigheid. Zij kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 13, § 1, derde lid.
  De stage die volgt uit een selectie vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 15 en volgende. De stagiair wordt benoemd in de buitenlandse carrière overeenkomstig de artikelen 35 en 36.
Art. 339. La réserve de lauréats constituée sur base d'une sélection comparative qui a été clôturée avant ou était en cours à la date d'entrée en vigueur du présent article, reste valable jusqu'à expiration du terme déterminé pour leur validité. Elles peuvent être prolongées conformément à l'article 13, § 1er, alinéa 3.
  Le stage qui résulte d'une sélection mentionnée à l'alinéa 1er, est effectué conformément aux dispositions des articles 15 et suivants. Le stagiaire est nommé dans la carrière extérieure conformément aux articles 35 et 36.
Art. 340. De ambtenaar van de consulaire carrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, moet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 180 om te kunnen deelnemen aan de proeven bedoeld in artikel 181.
  De ambtenaar van de consulaire carrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, is vrijgesteld van de eerste reeks proeven bedoeld in artikel 181, § 2.
  De ambtenaar van de consulaire carrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, behoudt het voordeel van het (de) behaalde brevet(ten).
Art. 340. L'agent de la carrière consulaire porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, doit satisfaire aux conditions visées à l'article 180 pour pouvoir participer aux épreuves visées à l'article 181.
  L'agent de la carrière consulaire porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, est dispensé de la première série d'épreuves visée à l'article 181, § 2.
  L'agent de la carrière consulaire porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, conserve le bénéfice de l'obtention du ou des brevets.
Art. 341. De bevorderings-, tuchtprocedures en procedures inzake ordemaatregelen die lopend zijn op het ogenblik van de inwerkintreding van dit besluit, worden beheerst door de bepalingen die voor die datum van toepassing waren.
Art. 341. Les procédures de promotion, disciplinaires et les procédures de mesures d'ordre en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sont régies par les dispositions en vigueur avant cette date.
Art. 342. De reiskosten bedoeld in artikel 277, tweede lid die het voorwerp hebben uitgemaakt van een tussenkomst vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden in overweging genomen voor de berekening van het aantal verplaatsingen dat recht geeft op een tussenkomst krachtens datzelfde artikel.
Art. 342. Les frais de voyage visés à l'article 277, alinéa 2 qui ont fait l'objet d'une intervention avant l'entrée en vigueur du présent arrêté sont pris en compte dans le calcul du nombre de déplacements qui donnent lieu à une intervention en vertu de ce même article.
Boek 3. Slotbepalingen
Livre 3. Dispositions finales
Art. 343. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026, met uitzondering van artikel 339 dat in werking treedt op 1 januari 2025.
Art. 343. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2026, à l'exception de l'article 339 qui entre en vigueur le 1er janvier 2025.
Art. 344. De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 344. Le ministre qui a les Affaires étrangères dans ses attributions et le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-05-2024, p. 64131)
Art. N1.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-05-2024, p. 64131)
Art. N2.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-05-2024, p. 64132)
Art. N2.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-05-2024, p. 64132)