Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 APRIL 2024. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de toekenning van hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken
Titre
18 AVRIL 2024. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en ce qui concerne l'octroi de la qualité d'officier de police judiciaire à des fonctionnaires de l'Office des étrangers
Documentinformatie
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Artikel 81/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, wordt vernummerd tot artikel 81/2.
Art. 2. L'article 81/1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 4 mai 2016, est renuméroté en article 81/2.
Art. 3. In titel IV van dezelfde wet wordt een artikel 81/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 81/1. § 1. Wanneer de procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering vaststelt dat een persoon in illegaal verblijf niet in staat is zijn identiteit te bewijzen of daartoe geen medewerking verleent, valse documenten gebruikt of zich een valse naam aanmatigt, kan hij een officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken machtigen een zoeking in een informaticasysteem dat in beslag is genomen uit te voeren, overeenkomstig artikel 39bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, uitsluitend met het oog op de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon, en indien de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om het beoogde doel te bereiken.
De door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken verwerkte gegevens in het kader van de in het eerste lid bedoelde zoeking zijn toereikend, ter zake dienend en niet overmatig om het beoogde doel te bereiken.
Het resultaat van de zoeking en de bewijselementen die door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken worden verzameld, worden via een proces-verbaal overgezonden aan de procureur des Konings die de zoeking heeft bevolen.
Indien de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken de identiteit en de nationaliteit van een persoon vaststelt die geregistreerd is in de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op de het politieambt, worden deze gegevens ook meegedeeld aan de gegevensbank om deze te actualiseren.
§ 2. De Dienst Vreemdelingenzaken houdt een register bij van de zoekingen bedoeld in paragraaf 1. Dit register bevat:
1° een afschrift van de machtiging van de bevoegde magistraat;
2° een afschrift van het proces-verbaal bedoeld in paragraaf 1;
3° alle informatie die tijdens de zoeking bedoeld in paragraaf 1 werd aangetroffen en relevant is voor de in paragraaf 1 bedoelde finaliteit;
4° in voorkomend geval, de datum van kennisname van de in het register opgenomen informatie, alsook de namen van de personen die er kennis van genomen hebben.
De informatie opgenomen in het register wordt bewaard gedurende een termijn van tien jaar.
De directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingen-zaken is, in de zin van artikel 4, punt 7), van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG van de gegevens in het register bedoeld in het eerste lid, de gegevensverwerkingsverantwoordelijke. Enkel de officieren van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken die de zoeking bedoeld in paragraaf 1 verricht hebben, hebben toegang tot het register.
§ 3. De Koning wijst vijf ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan die bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Het aantal van vijf kan door de Koning worden verhoogd of verlaagd na advies van het College van procureurs-generaal.
Om, met toepassing van het eerste lid, te worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, voldoen de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan de volgende voorwaarden:
1° minstens de graad van attaché hebben;
2° een beroepservaring van ten minste vijf jaar, inzake het identificeren van illegaal verblijvende vreemdelingen, kunnen aantonen en de in het derde lid bedoelde opleiding gevolgd hebben;
3° geen politiek mandaat bekleden;
4° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer;
5° in het bezit zijn van een geldig positief veiligheidsadvies conform de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst.
De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken.
Om hun bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, in handen van de procureur-generaal te Brussel, de eed af in de volgende bewoordingen: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen."
§ 4. De bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 3 bedoelde ambtenaren, beperkt zich tot de in paragraaf 1 bepaalde bevoegdheid, en kan slechts uitgeoefend worden met de machtiging van een procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering, en met de in paragraaf 1 bepaalde beperkte finaliteit.
In de uitoefening van hun opdrachten staan ze onder het toezicht van de procureur-generaal, overeenkomstig artikel 367 van het Wetboek van strafvordering.
Zij kunnen hun bevoegdheid over het gehele grondgebied van het Rijk uitoefenen."
"Art. 81/1. § 1. Wanneer de procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering vaststelt dat een persoon in illegaal verblijf niet in staat is zijn identiteit te bewijzen of daartoe geen medewerking verleent, valse documenten gebruikt of zich een valse naam aanmatigt, kan hij een officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken machtigen een zoeking in een informaticasysteem dat in beslag is genomen uit te voeren, overeenkomstig artikel 39bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, uitsluitend met het oog op de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon, en indien de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om het beoogde doel te bereiken.
De door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken verwerkte gegevens in het kader van de in het eerste lid bedoelde zoeking zijn toereikend, ter zake dienend en niet overmatig om het beoogde doel te bereiken.
Het resultaat van de zoeking en de bewijselementen die door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken worden verzameld, worden via een proces-verbaal overgezonden aan de procureur des Konings die de zoeking heeft bevolen.
Indien de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken de identiteit en de nationaliteit van een persoon vaststelt die geregistreerd is in de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op de het politieambt, worden deze gegevens ook meegedeeld aan de gegevensbank om deze te actualiseren.
§ 2. De Dienst Vreemdelingenzaken houdt een register bij van de zoekingen bedoeld in paragraaf 1. Dit register bevat:
1° een afschrift van de machtiging van de bevoegde magistraat;
2° een afschrift van het proces-verbaal bedoeld in paragraaf 1;
3° alle informatie die tijdens de zoeking bedoeld in paragraaf 1 werd aangetroffen en relevant is voor de in paragraaf 1 bedoelde finaliteit;
4° in voorkomend geval, de datum van kennisname van de in het register opgenomen informatie, alsook de namen van de personen die er kennis van genomen hebben.
De informatie opgenomen in het register wordt bewaard gedurende een termijn van tien jaar.
De directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingen-zaken is, in de zin van artikel 4, punt 7), van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG van de gegevens in het register bedoeld in het eerste lid, de gegevensverwerkingsverantwoordelijke. Enkel de officieren van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken die de zoeking bedoeld in paragraaf 1 verricht hebben, hebben toegang tot het register.
§ 3. De Koning wijst vijf ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan die bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Het aantal van vijf kan door de Koning worden verhoogd of verlaagd na advies van het College van procureurs-generaal.
Om, met toepassing van het eerste lid, te worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, voldoen de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan de volgende voorwaarden:
1° minstens de graad van attaché hebben;
2° een beroepservaring van ten minste vijf jaar, inzake het identificeren van illegaal verblijvende vreemdelingen, kunnen aantonen en de in het derde lid bedoelde opleiding gevolgd hebben;
3° geen politiek mandaat bekleden;
4° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer;
5° in het bezit zijn van een geldig positief veiligheidsadvies conform de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst.
De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken.
Om hun bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, in handen van de procureur-generaal te Brussel, de eed af in de volgende bewoordingen: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen."
§ 4. De bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 3 bedoelde ambtenaren, beperkt zich tot de in paragraaf 1 bepaalde bevoegdheid, en kan slechts uitgeoefend worden met de machtiging van een procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering, en met de in paragraaf 1 bepaalde beperkte finaliteit.
In de uitoefening van hun opdrachten staan ze onder het toezicht van de procureur-generaal, overeenkomstig artikel 367 van het Wetboek van strafvordering.
Zij kunnen hun bevoegdheid over het gehele grondgebied van het Rijk uitoefenen."
Art. 3. Dans le titre IV de la même loi, il est inséré un article 81/1 rédigé comme suit:
"Art. 81/1. § 1er. Lorsque le procureur du Roi constate, dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, qu'une personne en séjour illégal n'est pas en mesure de prouver son identité ou ne prête pas son concours à cette fin, utilise de faux documents ou s'attribue un faux nom, il peut, si les autres moyens d'investigation ne semblent pas suffire pour atteindre l'objectif visé, autoriser un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers à exécuter une recherche dans un système informatique qui a été saisi, conformément à l'article 39bis, § 2, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, aux fins exclusives d'établir l'identité et la nationalité de la personne concernée.
Les données traitées par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers dans le cadre de la recherche visée à l'alinéa 1er sont adéquates, pertinentes et non excessives en vue d'atteindre l'objectif visé.
Le résultat de la recherche et les éléments de preuve recueillis par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers sont transmis par le biais d'un procès-verbal au procureur du Roi qui a ordonné la recherche.
En cas d'établissement de l'identité et de la nationalité par un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers d'une personne qui est enregistrée dans la Banque de données Nationale Générale visée à l'article 44/7 de la loi sur la fonction de police, ces données sont aussi communiquées à cette banque de données afin de la mettre à jour.
§ 2. L'Office des étrangers tient à jour un registre des recherches visées au paragraphe 1er. Ce registre contient:
1° une copie de l'autorisation du magistrat compétent;
2° une copie du procès-verbal visé au paragraphe 1er;
3° toute information obtenue lors de la recherche visée au paragraphe 1er qui est pertinente pour la finalité visée au paragraphe 1er;
4° le cas échéant, la date de prise de connaissance de l'information contenue dans le registre, ainsi que le nom des personnes qui en ont pris connaissance.
Les informations consignées dans le registre sont conservées pendant une période de 10 ans.
Le directeur général de l'Office des étrangers est responsable du traitement du registre visé à l'alinéa 1er au sens de l'article 4, point 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016, relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE. Seuls les officiers de police judiciaire de l'Office des étrangers qui ont effectué la recherche visée au paragraphe 1er ont accès au registre.
§ 3. Le Roi désigne cinq fonctionnaires de l'Office des étrangers qui sont revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Le nombre de cinq peut être revu à la hausse ou à la baisse par le Roi, après avis du Collège des procureurs généraux.
Pour être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, en application de l'alinéa 1er, les fonctionnaires de l'Office des étrangers répondent aux conditions suivantes:
1° avoir au moins le grade d'attaché;
2° pouvoir justifier d'une expérience professionnelle d'au moins cinq ans en matière d'aide à l'identification des étrangers en séjour illégal et avoir suivi la formation visée au troisième alinéa;
3° ne pas exercer de mandat politique;
4° n'avoir subi aucune condamnation, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infractions à la réglementation relative à la police de la circulation routière;
5° être en possession d'un avis de sécurité positif valide conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé.
Le Roi détermine les conditions relatives à l'expérience et à la formation de ces fonctionnaires de l'Office des étrangers.
Pour pouvoir exercer leur compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er prêtent serment devant le procureur général de Bruxelles, dans les termes suivants: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées."
§ 4. La compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, conféré aux fonctionnaires visés au paragraphe 3, est limitée à la compétence prévue au paragraphe 1er, et peut seulement être exercée avec l'autorisation d'un procureur du Roi dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, en vue de la finalité restreinte prévue au paragraphe 1er.
Dans l'exercice de leurs missions, ils sont sous la surveillance du procureur général conformément à l'article 367 du Code d'instruction criminelle.
Ils peuvent exercer leur compétence sur l'ensemble du territoire du Royaume."
"Art. 81/1. § 1er. Lorsque le procureur du Roi constate, dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, qu'une personne en séjour illégal n'est pas en mesure de prouver son identité ou ne prête pas son concours à cette fin, utilise de faux documents ou s'attribue un faux nom, il peut, si les autres moyens d'investigation ne semblent pas suffire pour atteindre l'objectif visé, autoriser un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers à exécuter une recherche dans un système informatique qui a été saisi, conformément à l'article 39bis, § 2, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, aux fins exclusives d'établir l'identité et la nationalité de la personne concernée.
Les données traitées par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers dans le cadre de la recherche visée à l'alinéa 1er sont adéquates, pertinentes et non excessives en vue d'atteindre l'objectif visé.
Le résultat de la recherche et les éléments de preuve recueillis par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers sont transmis par le biais d'un procès-verbal au procureur du Roi qui a ordonné la recherche.
En cas d'établissement de l'identité et de la nationalité par un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers d'une personne qui est enregistrée dans la Banque de données Nationale Générale visée à l'article 44/7 de la loi sur la fonction de police, ces données sont aussi communiquées à cette banque de données afin de la mettre à jour.
§ 2. L'Office des étrangers tient à jour un registre des recherches visées au paragraphe 1er. Ce registre contient:
1° une copie de l'autorisation du magistrat compétent;
2° une copie du procès-verbal visé au paragraphe 1er;
3° toute information obtenue lors de la recherche visée au paragraphe 1er qui est pertinente pour la finalité visée au paragraphe 1er;
4° le cas échéant, la date de prise de connaissance de l'information contenue dans le registre, ainsi que le nom des personnes qui en ont pris connaissance.
Les informations consignées dans le registre sont conservées pendant une période de 10 ans.
Le directeur général de l'Office des étrangers est responsable du traitement du registre visé à l'alinéa 1er au sens de l'article 4, point 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016, relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE. Seuls les officiers de police judiciaire de l'Office des étrangers qui ont effectué la recherche visée au paragraphe 1er ont accès au registre.
§ 3. Le Roi désigne cinq fonctionnaires de l'Office des étrangers qui sont revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Le nombre de cinq peut être revu à la hausse ou à la baisse par le Roi, après avis du Collège des procureurs généraux.
Pour être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, en application de l'alinéa 1er, les fonctionnaires de l'Office des étrangers répondent aux conditions suivantes:
1° avoir au moins le grade d'attaché;
2° pouvoir justifier d'une expérience professionnelle d'au moins cinq ans en matière d'aide à l'identification des étrangers en séjour illégal et avoir suivi la formation visée au troisième alinéa;
3° ne pas exercer de mandat politique;
4° n'avoir subi aucune condamnation, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infractions à la réglementation relative à la police de la circulation routière;
5° être en possession d'un avis de sécurité positif valide conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé.
Le Roi détermine les conditions relatives à l'expérience et à la formation de ces fonctionnaires de l'Office des étrangers.
Pour pouvoir exercer leur compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er prêtent serment devant le procureur général de Bruxelles, dans les termes suivants: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées."
§ 4. La compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, conféré aux fonctionnaires visés au paragraphe 3, est limitée à la compétence prévue au paragraphe 1er, et peut seulement être exercée avec l'autorisation d'un procureur du Roi dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, en vue de la finalité restreinte prévue au paragraphe 1er.
Dans l'exercice de leurs missions, ils sont sous la surveillance du procureur général conformément à l'article 367 du Code d'instruction criminelle.
Ils peuvent exercer leur compétence sur l'ensemble du territoire du Royaume."
Art. 4. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 81/1, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd bij artikel 3, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan of later dan de datum vermeld in het eerste lid.
Aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers,
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan of later dan de datum vermeld in het eerste lid.
Aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers,
Art. 4. La présente loi entre en vigueur le premier jour du douzième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 81/1, § 3, sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, tel qu'inséré par l'article 3, qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, une date d'entrée en vigueur antérieure ou postérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er.
Adopté par la Chambre des représentants,
Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, une date d'entrée en vigueur antérieure ou postérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er.
Adopté par la Chambre des représentants,