Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het agentschap, vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
2° departement: het Departement Omgeving, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
3° kadastrale gegevens: het kadastrale nummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen, het bouwjaar en de kadastrale aard van het perceel;
4° landcommissie: de landcommissie, vermeld in artikel 5, 3°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, van de provincie waarin het perceel gelegen is waarvoor een vergoeding aangevraagd wordt.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 MAART 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering over het realisatiegericht instrumentarium.
Titre
22 MARS 2024. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif aux instruments orientĂ©s vers la rĂ©alisation
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
TITEL 2. - Compenserende vergoedingen
HOOFDSTUK 1. - Het schaderamingsrapport
HOOFDSTUK 2. - Het administratieve beheer en de...
Afdeling 1. - Procedure bij planschadevergoedin...
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaard...
Onderafdeling 4. - Vraag tot informatie en plaa...
Afdeling 2. - Procedure bij andere compenserend...
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaard...
Onderafdeling 4. - Vraag tot informatie en plaa...
Afdeling 3. - Algemene bepalingen over advies- ...
HOOFDSTUK 3. - De eigenaarsvergoeding
Afdeling 1. - Het bepalen van de eigenaarswaarde
Afdeling 2. - De objectieve factoren voor het b...
Afdeling 3. - Samenloop van de eigenaarsvergoed...
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen voo...
HOOFDSTUK 4. - De gebruikersvergoeding
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voo...
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de ber...
Afdeling 3. - Specifieke bepalingen voor de ber...
HOOFDSTUK 5. - Verwerking van gegevens
TITEL 3. - Koopplichten
HOOFDSTUK 1. - Koopplichten als vermeld in arti...
Afdeling 1. - Administratief beheer en procedur...
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaard...
Onderafdeling 4. - Schatting aankoopprijs
Onderafdeling 5. - Aanbod tot koop en intrekkin...
Onderafdeling 6. - Vraag tot informatie en plaa...
Afdeling 2. - Algemene bepalingen over advies- ...
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke invulling van ...
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke voorwaarden bi...
HOOFDSTUK 2. - Koopplichten als vermeld in arti...
Afdeling 1. - Administratief beheer en procedur...
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaard...
Onderafdeling 4. - Aanbod tot koop en intrekkin...
Onderafdeling 5. - Vraag tot informatie en plaa...
Afdeling 2. - Algemene bepalingen over advies- ...
HOOFDSTUK 3. - Samenloop van koopplichten
HOOFDSTUK 4. - Verwerking van gegevens
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van ...
TITEL 5. - Slotbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepaling voor kapitaals...
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions préliminaires
TITRE 2. - Indemnités compensatoires
CHAPITRE 1er. - Le rapport d'estimation des dom...
CHAPITRE 2. - La gestion administrative et la p...
Section 1re. - Procédure en cas d'indemnisation...
Sous-section 1re. - Champ d'application
Sous-section 2. - Demande
Sous-section 3. - Evaluation des conditions et ...
Sous-section 4. - Demande d'informations et de ...
Section 2. - Procédure en cas d'indemnités comp...
Sous-section 1re. - Champ d'application
Sous-section 2. - Demande
Sous-section 3. - Evaluation des conditions et ...
Sous-section 4. - Demande d'informations et de ...
Section 3. - Dispositions générales relatives a...
CHAPITRE 3. - L'indemnité de propriétaire
Section 1re. - La détermination de la valeur de...
Section 2. - Les facteurs objectifs pour la dét...
Section 3. - Cumul de l'indemnité de propriétai...
Section 4. - Dispositions communes Ă l'ensemble...
CHAPITRE 4. - L'indemnité d'usager
Section 1re. - Dispositions communes pour le ca...
Section 2. - Dispositions spécifiques pour le c...
Section 3. - Dispositions spécifiques pour le c...
CHAPITRE 5. - Traitement des données
TITRE 3. - Obligations d'achat
CHAPITRE 1er. - Obligations d'achat telles que ...
Section 1re. - Gestion administrative et procéd...
Sous-section 1re. - Champ d'application
Sous-section 2. - Demande
Sous-section 3. - Evaluation de la condition d'...
Sous-section 4. - Estimation du prix d'achat
Sous-section 5. - Offre d'achat et retrait d'un...
Sous-section 6. - Demande d'informations et de ...
Section 2. - Dispositions générales relatives a...
Section 3. - Interprétation commune de la notio...
Section 4. - Conditions communes Ă certaines ob...
CHAPITRE 2. - Obligations d'achat telles que vi...
Section 1re. - Gestion administrative et procéd...
Sous-section 1re. - Champ d'application
Sous-section 2. - Demande
Sous-section 3. - Evaluation des conditions d'a...
Sous-section 4. - Offre d'achat et retrait d'un...
Sous-section 5. - Demande d'informations et de ...
Section 2. - Dispositions générales relatives a...
CHAPITRE 3. - Concours d'obligations d'achat
CHAPITRE 4. - Traitement des données
TITRE 4. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Go...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
TITRE 5. - Dispositions finales
CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 2. - Disposition transitoire relative ...
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (156)
Texte (156)
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions préliminaires
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° agence : l'agence visée à l'article 7, § 1er, alinéa 2, du décret Instruments du 26 mai 2023 ;
2° dĂ©partement : le dĂ©partement de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire visĂ© Ă l'article 29, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande ;
3° données cadastrales : le numéro cadastral, la superficie cadastrale, le revenu cadastral, l'année de construction et la nature cadastrale de la parcelle ;
4° commission fonciÚre : la commission fonciÚre visée à l'article 5, 3°, du décret Instruments du 26 mai 2023, de la province dans laquelle se situe la parcelle pour laquelle une indemnité est demandée.
1° agence : l'agence visée à l'article 7, § 1er, alinéa 2, du décret Instruments du 26 mai 2023 ;
2° dĂ©partement : le dĂ©partement de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire visĂ© Ă l'article 29, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande ;
3° données cadastrales : le numéro cadastral, la superficie cadastrale, le revenu cadastral, l'année de construction et la nature cadastrale de la parcelle ;
4° commission fonciÚre : la commission fonciÚre visée à l'article 5, 3°, du décret Instruments du 26 mai 2023, de la province dans laquelle se situe la parcelle pour laquelle une indemnité est demandée.
Art. 2. Naast de wijzen van beveiligde zending, vermeld in artikel 3, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, wordt ook het opladen van vragen, verzoeken, berichten, documenten, adviezen en rapporten op een digitaal uitwisselingsplatform dat automatische notificaties aan de geadresseerde genereert, als beveiligde zending beschouwd.
De gegevensuitwisseling tussen de landcommissie, de initiatiefnemer en de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, gebeurt via een digitaal uitwisselingsplatform.
De gegevensuitwisseling tussen de landcommissie, de initiatiefnemer en de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, gebeurt via een digitaal uitwisselingsplatform.
Art. 2. Outre les modes d'envoi sécurisé mentionnés dans l'article 3, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023, le chargement de questions, de demandes, de messages, de documents, d'avis et de rapports sur une plate-forme d'échange numérique qui génÚre des notifications automatiques au destinataire est également considéré comme envoi sécurisé.
L'échange de données entre la commission fonciÚre, l'initiateur et l'instance concernée mentionnée dans l'article 17, alinéa 2, s'effectue par le biais d'une plate-forme d'échange numérique.
L'échange de données entre la commission fonciÚre, l'initiateur et l'instance concernée mentionnée dans l'article 17, alinéa 2, s'effectue par le biais d'une plate-forme d'échange numérique.
TITEL 2. - Compenserende vergoedingen
TITRE 2. - Indemnités compensatoires
HOOFDSTUK 1. - Het schaderamingsrapport
CHAPITRE 1er. - Le rapport d'estimation des dommages
Art. 3. In dit artikel wordt verstaan onder schaderamingsrapport: het schaderamingsrapport, vermeld in artikel 7, § 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
De landcommissie stelt, na raadpleging van de initiatiefnemer, het schaderamingsrapport op binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop de landcommissie het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen, heeft ontvangen. De initiatiefnemer of de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, dient het voormelde verzoek met een beveiligde zending in.
Bij het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen voor een ruimtelijk uitvoeringsplan verwijst de initiatiefnemer naar het voorontwerp of ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan zoals het is opgeladen op het digitaal platform, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende het geĂŻntegreerde planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen, planmilieueffectrapportage, ruimtelijke veiligheidsrapportage en andere effectbeoordelingen.
Een schaderamingsrapport voor een ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden gevraagd op basis van een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.9, eerste lid, artikel 2.2.14, eerste lid, of artikel 2.2.20, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, of een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.10, § 1, artikel 2.2.15, § 1, of artikel 2.2.21, § 1, van de voormelde codex. Het voormelde schaderamingsrapport kan ten vroegste worden gevraagd nadat het voormelde voorontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan door de bevoegde overheid conform de voormelde artikelen voor advies is verstuurd, en uiterlijk dertig dagen na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.
Bij het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen voor andere projecten, plannen of programma's dan een ruimtelijk uitvoeringsplan, voegt de initiatiefnemer al de volgende stukken toe:
1° de kadastrale gegevens van de percelen die deel uitmaken van het project, plan of programma;
2° alle nuttige informatie over het project, plan of programma met gedetailleerde inlichtingen over de gebruiksbeperking die zal gelden op de percelen;
3° per perceel de huidige bestemming en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften.
De raming in een schaderamingsrapport hoeft geen rekening te houden met de volgende factoren tot waardebepaling:
1° de verwervingswaarde van de percelen;
2° het tijdstip van verwerving van de percelen;
3° het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening op het moment van de verwerving;
4° het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden.
Het schaderamingsrapport bevat een globale berekening van de mogelijke compenserende vergoedingen op het niveau van het globale project, plan of programma. Het bevat geen weergave van de waardevermindering van een individueel perceel. Het houdt rekening met de diverse gebruiksbeperkingen of combinatie van gebruiksbeperkingen op de in het project, plan of programma begrepen gronden.
De raming in een schaderamingsrapport voor een ruimtelijk uitvoeringsplan gebeurt op basis van de oppervlaktegegevens zoals die blijken uit de cartografische ondergrond waarop het grafisch plan, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is ingetekend.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan bepalen welke taken van de initiatiefnemer, vermeld in dit hoofdstuk, door de voormelde minister of het departement worden uitgevoerd als de opmaak van een schaderamingsrapport wordt gevraagd ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of ten gevolge van een beslissing van de Vlaamse Regering om een gebied als watergevoelig openruimtegebied aan te wijzen als vermeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
De landcommissie stelt, na raadpleging van de initiatiefnemer, het schaderamingsrapport op binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop de landcommissie het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen, heeft ontvangen. De initiatiefnemer of de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, dient het voormelde verzoek met een beveiligde zending in.
Bij het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen voor een ruimtelijk uitvoeringsplan verwijst de initiatiefnemer naar het voorontwerp of ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan zoals het is opgeladen op het digitaal platform, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende het geĂŻntegreerde planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen, planmilieueffectrapportage, ruimtelijke veiligheidsrapportage en andere effectbeoordelingen.
Een schaderamingsrapport voor een ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden gevraagd op basis van een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.9, eerste lid, artikel 2.2.14, eerste lid, of artikel 2.2.20, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, of een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.10, § 1, artikel 2.2.15, § 1, of artikel 2.2.21, § 1, van de voormelde codex. Het voormelde schaderamingsrapport kan ten vroegste worden gevraagd nadat het voormelde voorontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan door de bevoegde overheid conform de voormelde artikelen voor advies is verstuurd, en uiterlijk dertig dagen na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.
Bij het verzoek om een schaderamingsrapport op te stellen voor andere projecten, plannen of programma's dan een ruimtelijk uitvoeringsplan, voegt de initiatiefnemer al de volgende stukken toe:
1° de kadastrale gegevens van de percelen die deel uitmaken van het project, plan of programma;
2° alle nuttige informatie over het project, plan of programma met gedetailleerde inlichtingen over de gebruiksbeperking die zal gelden op de percelen;
3° per perceel de huidige bestemming en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften.
De raming in een schaderamingsrapport hoeft geen rekening te houden met de volgende factoren tot waardebepaling:
1° de verwervingswaarde van de percelen;
2° het tijdstip van verwerving van de percelen;
3° het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening op het moment van de verwerving;
4° het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden.
Het schaderamingsrapport bevat een globale berekening van de mogelijke compenserende vergoedingen op het niveau van het globale project, plan of programma. Het bevat geen weergave van de waardevermindering van een individueel perceel. Het houdt rekening met de diverse gebruiksbeperkingen of combinatie van gebruiksbeperkingen op de in het project, plan of programma begrepen gronden.
De raming in een schaderamingsrapport voor een ruimtelijk uitvoeringsplan gebeurt op basis van de oppervlaktegegevens zoals die blijken uit de cartografische ondergrond waarop het grafisch plan, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is ingetekend.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan bepalen welke taken van de initiatiefnemer, vermeld in dit hoofdstuk, door de voormelde minister of het departement worden uitgevoerd als de opmaak van een schaderamingsrapport wordt gevraagd ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of ten gevolge van een beslissing van de Vlaamse Regering om een gebied als watergevoelig openruimtegebied aan te wijzen als vermeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Art. 3. Dans le présent article, on entend par rapport d'estimation des dommages : le rapport d'estimation des dommages visé à l'article 7, § 2, du décret Instruments du 26 mai 2023.
AprĂšs consultation de l'initiateur, la commission fonciĂšre rĂ©dige le rapport d'estimation des dommages dans les cent vingt jours Ă compter du jour oĂč elle a en reçu la demande. L'initiateur ou l'instance concernĂ©e mentionnĂ©e dans l'article 17, alinĂ©a 2, introduit la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©.
Lors de la demande d'Ă©tablissement d'un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exĂ©cution spatial, l'initiateur renvoie Ă l'avant-projet ou au projet de plan d'exĂ©cution spatial tel qu'il a Ă©tĂ© chargĂ© sur la plate-forme numĂ©rique visĂ©e Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 relatif au processus intĂ©grĂ© de planification pour les plans d'exĂ©cution spatiaux, la rĂ©daction de rapports d'incidences des plans sur l'environnement, de rapports de sĂ©curitĂ© spatiale ainsi que d'autres Ă©valuations des incidences.
Un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exĂ©cution spatial ne peut ĂȘtre demandĂ© que sur la base d'un avant-projet de plan d'exĂ©cution spatial tel que visĂ© Ă l'article 2.2.9, alinĂ©a 1er, Ă l'article 2.2.14, alinĂ©a 1er, ou Ă l'article 2.2.20, alinĂ©a 1er, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, ou d'un projet de plan d'exĂ©cution spatial tel que visĂ© Ă l'article 2.2.10, § 1er, Ă l'article 2.2.15, § 1er, ou Ă l'article 2.2.21, § 1er, du Code prĂ©citĂ©. Le rapport d'estimation des dommages prĂ©citĂ© peut ĂȘtre demandĂ© au plus tĂŽt aprĂšs que l'autoritĂ© compĂ©tente a transmis l'avant-projet du plan d'exĂ©cution spatial prĂ©citĂ© pour avis conformĂ©ment aux articles prĂ©citĂ©s et au plus tard trente jours aprĂšs l'adoption provisoire du projet de plan d'exĂ©cution spatial.
L'initiateur joint à la demande d'établissement d'un rapport d'estimation des dommages pour des projets, plans ou programmes autres qu'un plan d'exécution spatial toutes les piÚces suivantes :
1° les données cadastrales des parcelles qui font partie du projet, plan ou programme ;
2° toutes les informations utiles relatives au projet, plan ou programme accompagnées de renseignements détaillés sur la restriction d'usage qui s'appliquera aux parcelles ;
3° par parcelle, la destination actuelle et les prescriptions urbanistiques y afférentes.
L'estimation figurant dans un rapport d'estimation des dommages ne doit pas nécessairement tenir compte des facteurs d'évaluation suivants :
1° la valeur d'acquisition des parcelles ;
2° le moment de l'acquisition des parcelles ;
3° la zone d'affectation en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire au moment de l'acquisition ;
4° l'existence d'un bail à ferme ou de servitudes.
Le rapport d'estimation des dommages contient un calcul global des indemnités compensatoires possibles au niveau du projet, plan ou programme global. Il ne reflÚte pas la dépréciation d'une parcelle individuelle. Il tient compte des diverses restrictions d'usage ou de la combinaison de restrictions d'usage de terrains couverts par le projet, plan ou programme.
L'estimation figurant dans un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exécution spatial s'effectue sur la base des données de superficie telles qu'elles ressortent du fond cartographique sur lequel le plan graphique visé à l'article 2.2.5, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, a été dessiné.
Le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions peut déterminer quelles tùches de l'initiateur mentionnées dans le présent chapitre sont exécutées par le ministre précité ou le département si l'établissement d'un rapport d'estimation des dommages est demandé à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ou d'une décision du Gouvernement flamand de désigner une zone comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
AprĂšs consultation de l'initiateur, la commission fonciĂšre rĂ©dige le rapport d'estimation des dommages dans les cent vingt jours Ă compter du jour oĂč elle a en reçu la demande. L'initiateur ou l'instance concernĂ©e mentionnĂ©e dans l'article 17, alinĂ©a 2, introduit la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©.
Lors de la demande d'Ă©tablissement d'un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exĂ©cution spatial, l'initiateur renvoie Ă l'avant-projet ou au projet de plan d'exĂ©cution spatial tel qu'il a Ă©tĂ© chargĂ© sur la plate-forme numĂ©rique visĂ©e Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 relatif au processus intĂ©grĂ© de planification pour les plans d'exĂ©cution spatiaux, la rĂ©daction de rapports d'incidences des plans sur l'environnement, de rapports de sĂ©curitĂ© spatiale ainsi que d'autres Ă©valuations des incidences.
Un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exĂ©cution spatial ne peut ĂȘtre demandĂ© que sur la base d'un avant-projet de plan d'exĂ©cution spatial tel que visĂ© Ă l'article 2.2.9, alinĂ©a 1er, Ă l'article 2.2.14, alinĂ©a 1er, ou Ă l'article 2.2.20, alinĂ©a 1er, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, ou d'un projet de plan d'exĂ©cution spatial tel que visĂ© Ă l'article 2.2.10, § 1er, Ă l'article 2.2.15, § 1er, ou Ă l'article 2.2.21, § 1er, du Code prĂ©citĂ©. Le rapport d'estimation des dommages prĂ©citĂ© peut ĂȘtre demandĂ© au plus tĂŽt aprĂšs que l'autoritĂ© compĂ©tente a transmis l'avant-projet du plan d'exĂ©cution spatial prĂ©citĂ© pour avis conformĂ©ment aux articles prĂ©citĂ©s et au plus tard trente jours aprĂšs l'adoption provisoire du projet de plan d'exĂ©cution spatial.
L'initiateur joint à la demande d'établissement d'un rapport d'estimation des dommages pour des projets, plans ou programmes autres qu'un plan d'exécution spatial toutes les piÚces suivantes :
1° les données cadastrales des parcelles qui font partie du projet, plan ou programme ;
2° toutes les informations utiles relatives au projet, plan ou programme accompagnées de renseignements détaillés sur la restriction d'usage qui s'appliquera aux parcelles ;
3° par parcelle, la destination actuelle et les prescriptions urbanistiques y afférentes.
L'estimation figurant dans un rapport d'estimation des dommages ne doit pas nécessairement tenir compte des facteurs d'évaluation suivants :
1° la valeur d'acquisition des parcelles ;
2° le moment de l'acquisition des parcelles ;
3° la zone d'affectation en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire au moment de l'acquisition ;
4° l'existence d'un bail à ferme ou de servitudes.
Le rapport d'estimation des dommages contient un calcul global des indemnités compensatoires possibles au niveau du projet, plan ou programme global. Il ne reflÚte pas la dépréciation d'une parcelle individuelle. Il tient compte des diverses restrictions d'usage ou de la combinaison de restrictions d'usage de terrains couverts par le projet, plan ou programme.
L'estimation figurant dans un rapport d'estimation des dommages pour un plan d'exécution spatial s'effectue sur la base des données de superficie telles qu'elles ressortent du fond cartographique sur lequel le plan graphique visé à l'article 2.2.5, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, a été dessiné.
Le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions peut déterminer quelles tùches de l'initiateur mentionnées dans le présent chapitre sont exécutées par le ministre précité ou le département si l'établissement d'un rapport d'estimation des dommages est demandé à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ou d'une décision du Gouvernement flamand de désigner une zone comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
HOOFDSTUK 2. - Het administratieve beheer en de procedure bij de compenserende vergoedingen
CHAPITRE 2. - La gestion administrative et la procédure en cas d'indemnités compensatoires
Afdeling 1. - Procedure bij planschadevergoeding als vermeld in artikel 8, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
Section 1re. - Procédure en cas d'indemnisation des dommages résultant de la planification telle que visée à l'article 8, § 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1re. - Champ d'application
Art. 4. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Art. 4. Les dispositions de la présente section s'appliquent à l'indemnisation des dommages résultant de la planification visée à l'article 2.6.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan bepalen welke taken van de initiatiefnemer, vermeld in deze afdeling, door de voormelde minister of het departement worden uitgevoerd als een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt gevraagd ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of ten gevolge van een beslissing van de Vlaamse Regering om een gebied als watergevoelig openruimtegebied aan te wijzen als vermeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Art. 5. Le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions peut déterminer quelles tùches de l'initiateur mentionnées dans le présent chapitre sont exécutées par le ministre précité ou le département si une indemnisation des dommages résultant de la planification telle que visée à l'article 2.6.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 est demandée à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ou d'une décision du Gouvernement flamand de désigner une zone comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Sous-section 2. - Demande
Art. 6. De aanvrager van een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of van een vergoeding als vermeld in artikel 5.6.8 van de voormelde codex, dient de aanvraag met een beveiligde zending in bij de initiatiefnemer.
Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende begunstigden als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanvraag heeft betrekking op:
a) dezelfde compenserende vergoeding;
b) hetzelfde perceel;
c) dezelfde verwervingstitel als vermeld in het derde lid, 8° ;
2° de aanvrager legt een volmacht voor waarin hij de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een andere begunstigde.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie of de volgende stukken gevoegd:
1° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
2° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
3° het rekeningnummer waarop de compenserende vergoeding uitbetaald kan worden;
4° een verwijzing naar het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan of naar de beslissing van de Vlaamse Regering om een gebied als watergevoelig openruimtegebied aan te wijzen, vermeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, op grond waarvan een eigenaarsvergoeding wordt aangevraagd;
5° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een eigenaarsvergoeding wordt aangevraagd;
6° een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking zakelijk gerechtigde is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, a), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, met vermelding van het toepasselijke zakelijke recht en het aandeel van de aanvrager in dat zakelijke recht;
7° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
8° de meest recente titel die de verwerving van het perceel door de aanvrager aantoont;
9° de verwervingswaarde als die niet vermeld wordt in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
10° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
11° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
12° als er constructies aanwezig zijn op het perceel waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen, waaronder het bouwjaar en de functie;
13° de verwervingssubsidies die zijn toegekend of een verklaring op erewoord dat er geen zijn.
Als de aanvrager, vermeld in het eerste lid, de aanvraag, vermeld in het eerste lid, indient, vermeldt de aanvrager in zijn aanvraag of hij gehoord wil worden door de initiatiefnemer als de initiatiefnemer conform artikel 7 beslist dat de aanvraag volledig is.
Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende begunstigden als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanvraag heeft betrekking op:
a) dezelfde compenserende vergoeding;
b) hetzelfde perceel;
c) dezelfde verwervingstitel als vermeld in het derde lid, 8° ;
2° de aanvrager legt een volmacht voor waarin hij de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een andere begunstigde.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie of de volgende stukken gevoegd:
1° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
2° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
3° het rekeningnummer waarop de compenserende vergoeding uitbetaald kan worden;
4° een verwijzing naar het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan of naar de beslissing van de Vlaamse Regering om een gebied als watergevoelig openruimtegebied aan te wijzen, vermeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, op grond waarvan een eigenaarsvergoeding wordt aangevraagd;
5° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een eigenaarsvergoeding wordt aangevraagd;
6° een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking zakelijk gerechtigde is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, a), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, met vermelding van het toepasselijke zakelijke recht en het aandeel van de aanvrager in dat zakelijke recht;
7° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
8° de meest recente titel die de verwerving van het perceel door de aanvrager aantoont;
9° de verwervingswaarde als die niet vermeld wordt in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
10° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
11° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
12° als er constructies aanwezig zijn op het perceel waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen, waaronder het bouwjaar en de functie;
13° de verwervingssubsidies die zijn toegekend of een verklaring op erewoord dat er geen zijn.
Als de aanvrager, vermeld in het eerste lid, de aanvraag, vermeld in het eerste lid, indient, vermeldt de aanvrager in zijn aanvraag of hij gehoord wil worden door de initiatiefnemer als de initiatiefnemer conform artikel 7 beslist dat de aanvraag volledig is.
Art. 6. Le demandeur d'une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale telle que visée à l'article 2.6.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ou d'une indemnisation telle que visée à l'article 5.6.8 du Code précité introduit la demande par envoi sécurisé auprÚs de l'initiateur.
Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs bénéficiaires si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande concerne :
a) la mĂȘme indemnitĂ© compensatoire ;
b) la mĂȘme parcelle ;
c) le mĂȘme titre d'acquisition tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 3, 8° ;
2° le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un autre bénéficiaire.
Les informations ou les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
2° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel l'indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre versĂ©e ;
4° un renvoi au plan d'exécution spatial définitivement établi ou à la décision du Gouvernement flamand de désigner une zone comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, au titre desquels une indemnité de propriétaire est demandée ;
5° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une indemnité de propriétaire est demandée ;
6° une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est le titulaire du droit réel de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, a), du décret Instruments du 26 mai 2023, en indiquant le droit réel applicable et la part du demandeur dans ce droit réel ;
7° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
8° le titre le plus récent attestant de l'acquisition de la parcelle par le demandeur ;
9° la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
10° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
11° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
12° en présence de constructions sur la parcelle pour lesquelles une indemnité est demandée :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
13° les subventions à l'acquisition qui ont été octroyées ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas.
Lorsque le demandeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er introduit la demande visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, il mentionne dans sa demande s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par l'initiateur si celui-ci dĂ©cide, conformĂ©ment Ă l'article 7, que la demande est complĂšte.
Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs bénéficiaires si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande concerne :
a) la mĂȘme indemnitĂ© compensatoire ;
b) la mĂȘme parcelle ;
c) le mĂȘme titre d'acquisition tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 3, 8° ;
2° le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un autre bénéficiaire.
Les informations ou les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
2° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel l'indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre versĂ©e ;
4° un renvoi au plan d'exécution spatial définitivement établi ou à la décision du Gouvernement flamand de désigner une zone comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, au titre desquels une indemnité de propriétaire est demandée ;
5° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une indemnité de propriétaire est demandée ;
6° une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est le titulaire du droit réel de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, a), du décret Instruments du 26 mai 2023, en indiquant le droit réel applicable et la part du demandeur dans ce droit réel ;
7° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
8° le titre le plus récent attestant de l'acquisition de la parcelle par le demandeur ;
9° la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
10° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
11° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
12° en présence de constructions sur la parcelle pour lesquelles une indemnité est demandée :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
13° les subventions à l'acquisition qui ont été octroyées ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas.
Lorsque le demandeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er introduit la demande visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, il mentionne dans sa demande s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par l'initiateur si celui-ci dĂ©cide, conformĂ©ment Ă l'article 7, que la demande est complĂšte.
Art. 7. De initiatiefnemer gaat na of de aanvraag conform artikel 6 volledig is.
Als de aanvraag conform artikel 6 volledig is, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de aanvraag, vermeld in artikel 6, eerste lid, heeft ontvangen.
Als de aanvraag conform artikel 6 onvolledig is, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de aanvraag, vermeld in artikel 6, eerste lid, heeft ontvangen. De initiatiefnemer vermeldt in de voormelde kennisgeving ook de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de initiatiefnemer binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de kennisgeving van de onvolledigheid van de aanvraag heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de initiatiefnemer, verklaart de initiatiefnemer de aanvraag voor de compenserende vergoeding onontvankelijk. De initiatiefnemer brengt de voormelde aanvrager en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag binnen dertig dagen na de dag waarop de termijn om de ontbrekende stukken in te dienen, is verstreken.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de initiatiefnemer conform het derde lid, kan de initiatiefnemer de aanvraag voor de compenserende vergoeding alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie op de hoogte dat de aanvraag alsnog ontvankelijk werd verklaard.
Als de aanvraag conform artikel 6 volledig is, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de aanvraag, vermeld in artikel 6, eerste lid, heeft ontvangen.
Als de aanvraag conform artikel 6 onvolledig is, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de aanvraag, vermeld in artikel 6, eerste lid, heeft ontvangen. De initiatiefnemer vermeldt in de voormelde kennisgeving ook de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de initiatiefnemer binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de kennisgeving van de onvolledigheid van de aanvraag heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de initiatiefnemer, verklaart de initiatiefnemer de aanvraag voor de compenserende vergoeding onontvankelijk. De initiatiefnemer brengt de voormelde aanvrager en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag binnen dertig dagen na de dag waarop de termijn om de ontbrekende stukken in te dienen, is verstreken.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de initiatiefnemer conform het derde lid, kan de initiatiefnemer de aanvraag voor de compenserende vergoeding alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie op de hoogte dat de aanvraag alsnog ontvankelijk werd verklaard.
Art. 7. L'initiateur vérifie si la demande est complÚte conformément à l'article 6.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 6, l'initiateur en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč il a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 6, alinĂ©a 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 6, l'initiateur en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč il a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 6, alinĂ©a 1er.L'initiateur indique Ă©galement les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'initiateur dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification du caractĂšre incomplet de la demande, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'initiateur dans les dĂ©lais, celui-ci dĂ©clare la demande d'indemnitĂ© compensatoire irrecevable. L'initiateur informe le demandeur prĂ©citĂ© et la commission fonciĂšre de l'irrecevabilitĂ© de la demande par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter de l'expiration du dĂ©lai d'introduction des piĂšces manquantes.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'initiateur ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'initiateur peut malgré tout déclarer la demande d'indemnité compensatoire recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'initiateur informe le demandeur visé à l'article 6 et la commission fonciÚre que la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 6, l'initiateur en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč il a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 6, alinĂ©a 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 6, l'initiateur en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč il a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 6, alinĂ©a 1er.L'initiateur indique Ă©galement les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'initiateur dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification du caractĂšre incomplet de la demande, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'initiateur dans les dĂ©lais, celui-ci dĂ©clare la demande d'indemnitĂ© compensatoire irrecevable. L'initiateur informe le demandeur prĂ©citĂ© et la commission fonciĂšre de l'irrecevabilitĂ© de la demande par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter de l'expiration du dĂ©lai d'introduction des piĂšces manquantes.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'initiateur ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'initiateur peut malgré tout déclarer la demande d'indemnité compensatoire recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'initiateur informe le demandeur visé à l'article 6 et la commission fonciÚre que la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaarden en berekening van de compenserende vergoeding
Sous-section 3. - Evaluation des conditions et calcul de l'indemnité compensatoire
Art. 8. Als de aanvrager, vermeld in artikel 6, gehoord wil worden, hoort de initiatiefnemer die aanvrager binnen dertig dagen na de dag waarop die aanvrager er conform artikel 7 van op de hoogte is gebracht dat de aanvraag volledig is. De voormelde aanvrager kan tijdens de hoorzitting zijn aanvraagdossier toelichten. De initiatiefnemer maakt een verslag van de hoorzitting op.
Art. 8. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 6 dĂ©sire ĂȘtre entendu, l'initiateur l'entend dans les trente jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 7, de ce que la demande est complĂšte. Pendant l'audition, le demandeur prĂ©citĂ© peut commenter son dossier de demande. L'initiateur dresse un compte rendu de l'audition.
Art. 9. § 1. Als de aanvraag conform artikel 6 volledig is, en in voorkomend geval nadat de aanvrager is gehoord conform artikel 8, vraagt de initiatiefnemer met een beveiligde zending aan de landcommissie om een schaderapport als vermeld in artikel 7, § 2, derde lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, op te maken. De vraag om het schaderapport op te maken, wordt gesteld binnen zestig dagen na de dag waarop de aanvrager er conform artikel 7 van op de hoogte is gebracht dat de aanvraag volledig is. Als de aanvrager wordt gehoord conform artikel 8, wordt de voormelde termijn van zestig dagen verlengd met dertig dagen.
De initiatiefnemer bezorgt de volgende documenten samen met de vraag om een schaderapport op te maken, vermeld in het eerste lid, aan de landcommissie:
1° de aanvraag, vermeld in artikel 6;
2° het verslag van de hoorzitting, vermeld in artikel 8;
3° alle bijbehorende stukken.
§ 2. De initiatiefnemer adviseert de landcommissie over het feit of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De initiatiefnemer bezorgt samen met het voormelde advies de vraag tot opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, aan de landcommissie.
§ 3. Na de initiatiefnemer geraadpleegd te hebben over een ontwerp van schaderapport, maakt de landcommissie het schaderapport op en bezorgt dat met een beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de initiatiefnemer binnen honderdvijftig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt. Het schaderapport bevat per perceel een beoordeling of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, en, in het positieve geval, de berekening van de compenserende vergoeding en de wijze waarop de vergoeding berekend is. Het schaderapport houdt daarbij rekening met de berekening van de eigenaarswaarde per perceelsdeel waarop de gebruiksbeperking geldt, overeenkomstig artikel 31 en 32 van dit besluit.
§ 4. Conform artikel 15 kan de landcommissie met het oog op de opmaak van het schaderapport de aanvrager, vermeld in artikel 6, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 7 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het schaderapport op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 6, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de landcommissie geen schaderapport op. De landcommissie brengt de initiatiefnemer op de hoogte van het feit dat geen schaderapport wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de landcommissie, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6 van dit besluit, met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag voor een compenserende vergoeding waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 11, eerste of tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid, kan de initiatiefnemer alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag. De initiatiefnemer vraagt aan de landcommissie om een schaderapport op te maken conform paragraaf 3.
De initiatiefnemer bezorgt de volgende documenten samen met de vraag om een schaderapport op te maken, vermeld in het eerste lid, aan de landcommissie:
1° de aanvraag, vermeld in artikel 6;
2° het verslag van de hoorzitting, vermeld in artikel 8;
3° alle bijbehorende stukken.
§ 2. De initiatiefnemer adviseert de landcommissie over het feit of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De initiatiefnemer bezorgt samen met het voormelde advies de vraag tot opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, aan de landcommissie.
§ 3. Na de initiatiefnemer geraadpleegd te hebben over een ontwerp van schaderapport, maakt de landcommissie het schaderapport op en bezorgt dat met een beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de initiatiefnemer binnen honderdvijftig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt. Het schaderapport bevat per perceel een beoordeling of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, en, in het positieve geval, de berekening van de compenserende vergoeding en de wijze waarop de vergoeding berekend is. Het schaderapport houdt daarbij rekening met de berekening van de eigenaarswaarde per perceelsdeel waarop de gebruiksbeperking geldt, overeenkomstig artikel 31 en 32 van dit besluit.
§ 4. Conform artikel 15 kan de landcommissie met het oog op de opmaak van het schaderapport de aanvrager, vermeld in artikel 6, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 7 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het schaderapport op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 6, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de landcommissie geen schaderapport op. De landcommissie brengt de initiatiefnemer op de hoogte van het feit dat geen schaderapport wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de landcommissie, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6 van dit besluit, met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag voor een compenserende vergoeding waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 11, eerste of tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid, kan de initiatiefnemer alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de initiatiefnemer de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag. De initiatiefnemer vraagt aan de landcommissie om een schaderapport op te maken conform paragraaf 3.
Art. 9. § 1er. Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 6 et, le cas Ă©chĂ©ant, aprĂšs audition du demandeur conformĂ©ment Ă l'article 8, l'initiateur demande par envoi sĂ©curisĂ© Ă la commission fonciĂšre d'Ă©tablir un rapport des dommages tel que visĂ© Ă l'article 7, § 2, alinĂ©a 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. La demande d'Ă©tablissement du rapport des dommages est formulĂ©e dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 7, de ce que la demande est complĂšte. Si le demandeur est entendu conformĂ©ment Ă l'article 8, le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours est prorogĂ© de trente jours.
L'initiateur transmet les documents suivants à la commission fonciÚre conjointement avec la demande d'établissement d'un rapport des dommages visée à l'alinéa 1er :
1° la demande visée à l'article 6 ;
2° le compte rendu de l'audition visé à l'article 8 ;
3° toutes les piÚces y afférentes.
§ 2. L'initiateur rend un avis à la commission fonciÚre au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009. L'initiateur transmet la demande d'établissement du rapport des dommages mentionnée dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, à la commission fonciÚre conjointement avec l'avis précité.
§ 3. AprĂšs avoir consultĂ© l'initiateur au sujet d'un projet de rapport des dommages, la commission fonciĂšre Ă©tablit le rapport des dommages et le transmet par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur visĂ© Ă l'article 6 et Ă l'initiateur dans les cent cinquante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur formule la demande d'Ă©tablissement du rapport des dommages mentionnĂ©e dans le paragraphe 1er, alinĂ©a 1er. Le rapport des dommages contient, par parcelle, une Ă©valuation du respect ou non des conditions pour avoir droit Ă une indemnitĂ© compensatoire visĂ©e Ă l'article 2.6.1 du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, et, dans l'affirmative, le calcul de l'indemnitĂ© compensatoire et le mode de calcul de l'indemnitĂ©. Le rapport des dommages tient compte, Ă cet Ă©gard, du calcul de la valeur de propriĂ©taire par partie de parcelle grevĂ©e de la restriction d'usage conformĂ©ment aux articles 31 et 32 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 4. Conformément à l'article 15, la commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 6, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 7, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport des dommages.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 15, § 1er, alinéa 2, le demandeur visé à l'article 6 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la commission fonciÚre n'établit pas de rapport des dommages. La commission fonciÚre informe l'initiateur du fait qu'aucun rapport des dommages n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la commission fonciÚre, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'indemnitĂ© compensatoire de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 11, alinĂ©a 1er ou 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 15, § 1er, alinéa 2, l'initiateur peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'initiateur informe le demandeur visé à l'article 6 et la commission fonciÚre que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande. L'initiateur demande à la commission fonciÚre d'établir un rapport des dommages conformément au paragraphe 3.
L'initiateur transmet les documents suivants à la commission fonciÚre conjointement avec la demande d'établissement d'un rapport des dommages visée à l'alinéa 1er :
1° la demande visée à l'article 6 ;
2° le compte rendu de l'audition visé à l'article 8 ;
3° toutes les piÚces y afférentes.
§ 2. L'initiateur rend un avis à la commission fonciÚre au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009. L'initiateur transmet la demande d'établissement du rapport des dommages mentionnée dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, à la commission fonciÚre conjointement avec l'avis précité.
§ 3. AprĂšs avoir consultĂ© l'initiateur au sujet d'un projet de rapport des dommages, la commission fonciĂšre Ă©tablit le rapport des dommages et le transmet par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur visĂ© Ă l'article 6 et Ă l'initiateur dans les cent cinquante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur formule la demande d'Ă©tablissement du rapport des dommages mentionnĂ©e dans le paragraphe 1er, alinĂ©a 1er. Le rapport des dommages contient, par parcelle, une Ă©valuation du respect ou non des conditions pour avoir droit Ă une indemnitĂ© compensatoire visĂ©e Ă l'article 2.6.1 du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, et, dans l'affirmative, le calcul de l'indemnitĂ© compensatoire et le mode de calcul de l'indemnitĂ©. Le rapport des dommages tient compte, Ă cet Ă©gard, du calcul de la valeur de propriĂ©taire par partie de parcelle grevĂ©e de la restriction d'usage conformĂ©ment aux articles 31 et 32 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 4. Conformément à l'article 15, la commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 6, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 7, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport des dommages.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 15, § 1er, alinéa 2, le demandeur visé à l'article 6 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la commission fonciÚre n'établit pas de rapport des dommages. La commission fonciÚre informe l'initiateur du fait qu'aucun rapport des dommages n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la commission fonciÚre, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'indemnitĂ© compensatoire de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 11, alinĂ©a 1er ou 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 15, § 1er, alinéa 2, l'initiateur peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'initiateur informe le demandeur visé à l'article 6 et la commission fonciÚre que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande. L'initiateur demande à la commission fonciÚre d'établir un rapport des dommages conformément au paragraphe 3.
Art. 10. Op basis van het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, neemt de initiatiefnemer een ontwerpbeslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, en in het positieve geval, over de berekening van de compenserende vergoeding.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3.
Als de initiatiefnemer van oordeel is dat voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, terwijl het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vraagt de initiatiefnemer, voor een ontwerpbeslissing wordt genomen, aan de landcommissie om een aanvullend schaderapport op te maken dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 9, § 3 en § 4, en artikel 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing als een aanvullend schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, op de hoogte van de opmaak van het aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3.
Als de initiatiefnemer van oordeel is dat voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, terwijl het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vraagt de initiatiefnemer, voor een ontwerpbeslissing wordt genomen, aan de landcommissie om een aanvullend schaderapport op te maken dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 9, § 3 en § 4, en artikel 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing als een aanvullend schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, op de hoogte van de opmaak van het aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
Art. 10. Sur la base du rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, l'initiateur prend un projet de décision au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, et, dans l'affirmative, au sujet du calcul de l'indemnité compensatoire.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du rapport des dommages visĂ© Ă l'article 9, § 3.
Si l'initiateur estime qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, alors que le rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, l'initiateur demande à la commission fonciÚre, avant qu'un projet de décision ne soit pris, d'établir un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. L'article 9, §§ 3 et 4, et les articles 10 à 16 s'appliquent par analogie si un rapport des dommages complémentaire est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 6 de l'établissement du rapport des dommages complémentaire et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du rapport des dommages visĂ© Ă l'article 9, § 3.
Si l'initiateur estime qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, alors que le rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, l'initiateur demande à la commission fonciÚre, avant qu'un projet de décision ne soit pris, d'établir un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. L'article 9, §§ 3 et 4, et les articles 10 à 16 s'appliquent par analogie si un rapport des dommages complémentaire est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 6 de l'établissement du rapport des dommages complémentaire et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
Art. 11. De aanvrager, vermeld in artikel 6, kan bezwaar indienen bij de initiatiefnemer. Op straffe van onontvankelijkheid van het voormelde bezwaar wordt dat bezwaar met een beveiligde zending ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 10.
De initiatiefnemer brengt de landcommissie onmiddellijk op de hoogte van de indiening van het bezwaar, vermeld in het eerste lid. Als het voormelde bezwaar betrekking heeft op de berekening van de compenserende vergoeding, kan de initiatiefnemer daarover het advies van de landcommissie vragen. De landcommissie heeft zestig dagen om het advies te verlenen.
Conform artikel 16 kan de initiatiefnemer met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
De initiatiefnemer brengt de landcommissie onmiddellijk op de hoogte van de indiening van het bezwaar, vermeld in het eerste lid. Als het voormelde bezwaar betrekking heeft op de berekening van de compenserende vergoeding, kan de initiatiefnemer daarover het advies van de landcommissie vragen. De landcommissie heeft zestig dagen om het advies te verlenen.
Conform artikel 16 kan de initiatiefnemer met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Art. 11. Le demandeur visĂ© Ă l'article 6 peut introduire une rĂ©clamation auprĂšs de l'initiateur. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e est introduite par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 10.
L'initiateur informe immédiatement la commission fonciÚre de l'introduction de la réclamation visée à l'alinéa 1er. Si la réclamation précitée porte sur le calcul de l'indemnité compensatoire, l'initiateur peut solliciter l'avis de la commission fonciÚre à ce sujet. La commission fonciÚre dispose de soixante jours pour remettre l'avis.
Conformément à l'article 16, l'initiateur peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
L'initiateur informe immédiatement la commission fonciÚre de l'introduction de la réclamation visée à l'alinéa 1er. Si la réclamation précitée porte sur le calcul de l'indemnité compensatoire, l'initiateur peut solliciter l'avis de la commission fonciÚre à ce sujet. La commission fonciÚre dispose de soixante jours pour remettre l'avis.
Conformément à l'article 16, l'initiateur peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Art. 12. § 1. Als de aanvrager conform artikel 11 een bezwaar indient tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 10, neemt de initiatiefnemer, na onderzoek van het bezwaar, een definitieve beslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, en in het positieve geval, over de berekening van de compenserende vergoeding.
De initiatiefnemer neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, neemt de initiatiefnemer de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer het bezwaar, vermeld in artikel 11, heeft ontvangen.
Als de initiatiefnemer, na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 11, beslist dat is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, terwijl het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vraagt de initiatiefnemer, voor een definitieve beslissing wordt genomen, aan de landcommissie om een aanvullend schaderapport op te maken dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 9, § 3 en § 4, en artikel 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing als het voormelde aanvullende schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, op de hoogte van de opmaak van het voormelde aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
§ 2. Als de aanvrager geen bezwaar als vermeld in artikel 11 van dit besluit, indient of als het voormelde bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 8, § 1, derde lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
De initiatiefnemer neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, neemt de initiatiefnemer de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De initiatiefnemer brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, en de landcommissie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer het bezwaar, vermeld in artikel 11, heeft ontvangen.
Als de initiatiefnemer, na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 11, beslist dat is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, terwijl het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, vraagt de initiatiefnemer, voor een definitieve beslissing wordt genomen, aan de landcommissie om een aanvullend schaderapport op te maken dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 9, § 3 en § 4, en artikel 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing als het voormelde aanvullende schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 6, op de hoogte van de opmaak van het voormelde aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
§ 2. Als de aanvrager geen bezwaar als vermeld in artikel 11 van dit besluit, indient of als het voormelde bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 8, § 1, derde lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
Art. 12. § 1er. Si, conformément à l'article 11, le demandeur introduit une réclamation à l'encontre du projet de décision visé à l'article 10, l'initiateur prend une décision définitive, aprÚs examen de la réclamation, au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, et, dans l'affirmative, au sujet du calcul de l'indemnité compensatoire.
L'initiateur prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 16, alinĂ©a 2, l'initiateur prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 11.
Si, aprÚs avoir examiné la réclamation visée à l'article 11, l'initiateur décide qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, alors que le rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, l'initiateur demande à la commission fonciÚre, avant qu'une décision définitive ne soit prise, d'établir un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. L'article 9, §§ 3 et 4, et les articles 10 à 16 s'appliquent par analogie si le rapport des dommages complémentaire précité est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 6 de l'établissement du rapport des dommages complémentaire précité et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
§ 2. Si le demandeur n'introduit pas de rĂ©clamation telle que visĂ©e Ă l'article 11 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou si la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 8, § 1er, alinĂ©a 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
L'initiateur prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 16, alinĂ©a 2, l'initiateur prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'initiateur informe le demandeur visĂ© Ă l'article 6 et la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 11.
Si, aprÚs avoir examiné la réclamation visée à l'article 11, l'initiateur décide qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire visée à l'article 2.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, alors que le rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, l'initiateur demande à la commission fonciÚre, avant qu'une décision définitive ne soit prise, d'établir un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. L'article 9, §§ 3 et 4, et les articles 10 à 16 s'appliquent par analogie si le rapport des dommages complémentaire précité est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 6 de l'établissement du rapport des dommages complémentaire précité et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
§ 2. Si le demandeur n'introduit pas de rĂ©clamation telle que visĂ©e Ă l'article 11 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou si la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 8, § 1er, alinĂ©a 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Art. 13. Als een gerechtelijke vordering over de compenserende vergoeding tegen de initiatiefnemer wordt ingesteld, brengt de initiatiefnemer de landcommissie op de hoogte van die vordering. De initiatiefnemer bezorgt aan de landcommissie en aan het agentschap een kopie van de gerechtelijke uitspraak.
Art. 13. Si une action en justice est intentée à l'encontre de l'initiateur au sujet de l'indemnité compensatoire, l'initiateur en informe la commission fonciÚre. L'initiateur transmet à la commission fonciÚre et à l'agence une copie de la décision judiciaire.
Art. 14. Als een compenserende vergoeding wordt toegekend, bezorgt de initiatiefnemer de definitieve beslissing of de ontwerpbeslissing die aanleiding geeft tot betaling van de compenserende vergoeding, onmiddellijk aan het agentschap met een beveiligde zending en vraagt aan het agentschap om de compenserende vergoeding te betalen. Het agentschap betaalt de compenserende vergoeding binnen zestig dagen na de dag waarop het agentschap op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing of de ontwerpbeslissing die aanleiding geeft tot betaling van de compenserende vergoeding.
Art. 14. Si une indemnitĂ© compensatoire est octroyĂ©e, l'initiateur transmet immĂ©diatement Ă l'agence, par envoi sĂ©curisĂ©, la dĂ©cision dĂ©finitive ou le projet de dĂ©cision qui donne lieu au paiement de l'indemnitĂ© compensatoire et demande Ă l'agence de payer l'indemnitĂ© compensatoire. L'agence paie l'indemnitĂ© compensatoire dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč elle a Ă©tĂ© informĂ©e de la dĂ©cision dĂ©finitive ou du projet de dĂ©cision qui donne lieu au paiement de l'indemnitĂ© compensatoire.
Onderafdeling 4. - Vraag tot informatie en plaatsbezoek
Sous-section 4. - Demande d'informations et de visite des lieux
Art. 15. § 1. De landcommissie kan met het oog op de opmaak van het schaderapport, vermeld in artikel 9, § 3, met een beveiligde zending de aanvrager, vermeld in artikel 6, om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het voormelde schaderapport op te maken.
De aanvrager, vermeld in artikel 6, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de landcommissie binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De landcommissie brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de vraag tot informatie of de vraag tot een plaatsbezoek, en de landcommissie bezorgt de ontvangen informatie aan de initiatiefnemer.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 9, § 3, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de landcommissie de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 6, de gevraagde informatie aan de landcommissie bezorgt;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
De aanvrager, vermeld in artikel 6, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de landcommissie binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De landcommissie brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de vraag tot informatie of de vraag tot een plaatsbezoek, en de landcommissie bezorgt de ontvangen informatie aan de initiatiefnemer.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 9, § 3, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de landcommissie de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 6, de gevraagde informatie aan de landcommissie bezorgt;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
Art. 15. § 1er. La commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages visé à l'article 9, § 3, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 6, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'établissement du rapport des dommages précité.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 6 transmet Ă la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre en a formulĂ© la demande.
La commission fonciÚre informe l'initiateur de la demande d'informations ou de visite des lieux et lui transmet les informations reçues.
§ 2. Le délai visé à l'article 9, § 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la commission fonciÚre, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 6 des informations demandées à la commission fonciÚre ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 6 transmet Ă la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre en a formulĂ© la demande.
La commission fonciÚre informe l'initiateur de la demande d'informations ou de visite des lieux et lui transmet les informations reçues.
§ 2. Le délai visé à l'article 9, § 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la commission fonciÚre, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 6 des informations demandées à la commission fonciÚre ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
Art. 16. De initiatiefnemer kan met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in artikel 11, met een beveiligde zending de aanvrager, vermeld in artikel 6, om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
De aanvrager, vermeld in artikel 6, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de initiatiefnemer binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De termijn, vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de initiatiefnemer de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 6, de gevraagde informatie aan de initiatiefnemer heeft bezorgd;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
De aanvrager, vermeld in artikel 6, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de initiatiefnemer binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De termijn, vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de initiatiefnemer de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 6, de gevraagde informatie aan de initiatiefnemer heeft bezorgd;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
Art. 16. L'initiateur peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'article 11, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 6, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 6 transmet Ă l'initiateur, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur en a formulĂ© la demande.
Le délai visé à l'article 12, § 1er, alinéa 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'initiateur, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 6 des informations demandées à l'initiateur ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2 si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 6 transmet Ă l'initiateur, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč l'initiateur en a formulĂ© la demande.
Le délai visé à l'article 12, § 1er, alinéa 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'initiateur, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 6 des informations demandées à l'initiateur ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2 si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Afdeling 2. - Procedure bij andere compenserende vergoedingen dan de planschadevergoeding als vermeld in artikel 8, § 2, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
Section 2. - Procédure en cas d'indemnités compensatoires autres que l'indemnisation des dommages résultant de la planification telle que visée à l'article 8, § 2, du décret Instruments du 26 mai 2023
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1re. - Champ d'application
Art. 17. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de compenserende vergoedingen, vermeld in artikel 6, 2° tot en met 8°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
In deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie:
1° bij de bestemmingswijzigingscompensatie, de compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften en de gebruikerscompensatie, vermeld in respectievelijk artikel 6, 2°, 3° en 4°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) als de initiatiefnemer de gemeentelijke overheid is: het college van burgemeester en schepenen;
b) als de initiatiefnemer de provinciale overheid is: de deputatie;
c) als de initiatiefnemer de gewestelijke overheid is: het departement;
2° bij de vergoeding ingevolge actieve inschakeling in de waterbeheersing, vermeld in artikel 6, 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: de initiatiefnemer, vermeld in artikel 9, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° bij de vergoeding, vermeld in artikel 8 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen: de gewestelijke waterbeheerder, vermeld in artikel 2, 6°, van het voormelde decreet, die verantwoordelijk is voor het plan waarin de gebruiksbeperkingen worden opgelegd waardoor het recht op een compenserende vergoeding ontstaat;
4° bij de vergoeding voor de uitvoering van een natuurinrichtingsproject, vermeld in artikel 47, § 2, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, vermeld in artikel 6, 5°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: het natuurinrichtingsprojectcomité, vermeld in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
5° bij de vergoeding voor waardeverlies van gronden, vermeld in artikel 2.1.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als een landinrichtingsproject als vermeld in artikel 3.1.1 van het voormelde decreet, aanleiding geeft tot de vergoeding: het agentschap;
6° bij de vergoeding voor waardeverlies van gronden, vermeld in artikel 2.1.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als een project, plan of programma als vermeld in artikel 4.1.1 van het voormelde decreet, aanleiding geeft tot de vergoeding:
a) als de initiatiefnemer de gemeentelijke overheid is: het college van burgemeester en schepenen;
b) als de initiatiefnemer de provinciale overheid is: de deputatie;
c) als de initiatiefnemer een gewestelijke overheid is: een departement of een agentschap als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, dat verantwoordelijk is om het project, plan of programma te realiseren.
In deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie:
1° bij de bestemmingswijzigingscompensatie, de compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften en de gebruikerscompensatie, vermeld in respectievelijk artikel 6, 2°, 3° en 4°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) als de initiatiefnemer de gemeentelijke overheid is: het college van burgemeester en schepenen;
b) als de initiatiefnemer de provinciale overheid is: de deputatie;
c) als de initiatiefnemer de gewestelijke overheid is: het departement;
2° bij de vergoeding ingevolge actieve inschakeling in de waterbeheersing, vermeld in artikel 6, 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: de initiatiefnemer, vermeld in artikel 9, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° bij de vergoeding, vermeld in artikel 8 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen: de gewestelijke waterbeheerder, vermeld in artikel 2, 6°, van het voormelde decreet, die verantwoordelijk is voor het plan waarin de gebruiksbeperkingen worden opgelegd waardoor het recht op een compenserende vergoeding ontstaat;
4° bij de vergoeding voor de uitvoering van een natuurinrichtingsproject, vermeld in artikel 47, § 2, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, vermeld in artikel 6, 5°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: het natuurinrichtingsprojectcomité, vermeld in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
5° bij de vergoeding voor waardeverlies van gronden, vermeld in artikel 2.1.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als een landinrichtingsproject als vermeld in artikel 3.1.1 van het voormelde decreet, aanleiding geeft tot de vergoeding: het agentschap;
6° bij de vergoeding voor waardeverlies van gronden, vermeld in artikel 2.1.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als een project, plan of programma als vermeld in artikel 4.1.1 van het voormelde decreet, aanleiding geeft tot de vergoeding:
a) als de initiatiefnemer de gemeentelijke overheid is: het college van burgemeester en schepenen;
b) als de initiatiefnemer de provinciale overheid is: de deputatie;
c) als de initiatiefnemer een gewestelijke overheid is: een departement of een agentschap als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, dat verantwoordelijk is om het project, plan of programma te realiseren.
Art. 17. Les dispositions de la présente section s'appliquent aux indemnités compensatoires visées à l'article 6, 2° à 8°, du décret Instruments du 26 mai 2023.
Dans la présente section, on entend par l'instance concernée :
1° dans le cas de la compensation de modification de destination, de la compensation en conséquence de prescriptions de protection et de la compensation des usagers, respectivement mentionnées dans l'article 6, 2°, 3° et 4°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) si l'initiateur est l'autorité communale : le collÚge des bourgmestre et échevins ;
b) si l'initiateur est l'autorité provinciale : la députation ;
c) si l'initiateur est l'autorité régionale : le département ;
2° dans le cas de l'indemnitĂ© par suite de mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux visĂ©e Ă l'article 6, 6°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : l'initiateur visĂ© Ă l'article 9, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° dans le cas de l'indemnité visée à l'article 8 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau : le gestionnaire régional des eaux visé à l'article 2, 6°, du décret précité, qui est responsable du plan imposant les restrictions d'usage ouvrant le droit à une indemnité compensatoire ;
4° dans le cas de l'indemnitĂ© pour la mise en oeuvre d'un projet d'amĂ©nagement de la nature visĂ©e Ă l'article 47, § 2, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, visĂ©e Ă l'article 6, 5°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : le comitĂ© du projet d'amĂ©nagement de la nature visĂ© Ă l'article 20 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
5° dans le cas de l'indemnité pour la perte de valeur des terres visée à l'article 2.1.4 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, si un projet de rénovation rurale tel que visé à l'article 3.1.1 du décret précité donne lieu à l'indemnité : l'agence ;
6° dans le cas de l'indemnité pour la perte de valeur des terres visée à l'article 2.1.4 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, si un projet, plan ou programme tel que visé à l'article 4.1.1 du décret précité donne lieu à l'indemnité :
a) si l'initiateur est l'autorité communale : le collÚge des bourgmestre et échevins ;
b) si l'initiateur est l'autorité provinciale : la députation ;
c) si l'initiateur est une autoritĂ© rĂ©gionale : un dĂ©partement ou une agence au sens du chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande, qui est responsable de la rĂ©alisation du projet, plan ou programme.
Dans la présente section, on entend par l'instance concernée :
1° dans le cas de la compensation de modification de destination, de la compensation en conséquence de prescriptions de protection et de la compensation des usagers, respectivement mentionnées dans l'article 6, 2°, 3° et 4°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) si l'initiateur est l'autorité communale : le collÚge des bourgmestre et échevins ;
b) si l'initiateur est l'autorité provinciale : la députation ;
c) si l'initiateur est l'autorité régionale : le département ;
2° dans le cas de l'indemnitĂ© par suite de mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux visĂ©e Ă l'article 6, 6°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : l'initiateur visĂ© Ă l'article 9, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° dans le cas de l'indemnité visée à l'article 8 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau : le gestionnaire régional des eaux visé à l'article 2, 6°, du décret précité, qui est responsable du plan imposant les restrictions d'usage ouvrant le droit à une indemnité compensatoire ;
4° dans le cas de l'indemnitĂ© pour la mise en oeuvre d'un projet d'amĂ©nagement de la nature visĂ©e Ă l'article 47, § 2, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, visĂ©e Ă l'article 6, 5°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : le comitĂ© du projet d'amĂ©nagement de la nature visĂ© Ă l'article 20 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
5° dans le cas de l'indemnité pour la perte de valeur des terres visée à l'article 2.1.4 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, si un projet de rénovation rurale tel que visé à l'article 3.1.1 du décret précité donne lieu à l'indemnité : l'agence ;
6° dans le cas de l'indemnité pour la perte de valeur des terres visée à l'article 2.1.4 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, si un projet, plan ou programme tel que visé à l'article 4.1.1 du décret précité donne lieu à l'indemnité :
a) si l'initiateur est l'autorité communale : le collÚge des bourgmestre et échevins ;
b) si l'initiateur est l'autorité provinciale : la députation ;
c) si l'initiateur est une autoritĂ© rĂ©gionale : un dĂ©partement ou une agence au sens du chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande, qui est responsable de la rĂ©alisation du projet, plan ou programme.
Art. 18. De volgende momenten worden beschouwd als het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie:
1° bij de gebruikerscompensatie, vermeld in artikel 6, 4°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) het moment dat de gebruiksbeperkingen in werking treden die zijn veroorzaakt door een bestemmingswijziging of overdruk die is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg als vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
b) het moment dat de betrokken instantie de gebruiker van het onroerend goed op de hoogte brengt van de inrichting van een overstromingsgebied als vermeld in artikel 4, § 2, van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, en van het feit dat daardoor het recht op een gebruikersvergoeding ontstaat;
c) het moment dat de beslissing van de Vlaamse Regering houdende het opleggen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut, vermeld in artikel 5 van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, in werking treedt;
2° bij de vergoeding ingevolge actieve inschakeling in de waterbeheersing, vermeld in artikel 6, 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: het moment dat de gebruiker van het perceel in kwestie op de hoogte is gebracht van de actieve inschakeling in de waterbeheersing conform artikel 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° bij de vergoeding, vermeld in artikel 8 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen: het moment dat de eigenaar van het onroerend goed waarop de werken worden uitgevoerd, op de hoogte is gebracht van de werken conform artikel 5 van het voormelde decreet;
4° als er inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting: het moment dat de voormelde inrichtingswerken aanvangen;
5° als er erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden ingezet als vermeld in artikel 2.1.3 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting: het moment dat het besluit waarmee de erfdienstbaarheid tot openbaar nut wordt gevestigd, in werking treedt.
Als er inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd als vermeld in het eerste lid, 4°, brengt, afhankelijk van het soort project, de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, 4° tot en met 6°, de begunstigden van de eigenaars- en de gebruikersvergoeding schriftelijk op de hoogte van de aanvang van de inrichtingswerken, vermeld in het eerste lid, 4°, en van het feit dat daardoor het recht op een compenserende vergoeding ontstaat.
1° bij de gebruikerscompensatie, vermeld in artikel 6, 4°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) het moment dat de gebruiksbeperkingen in werking treden die zijn veroorzaakt door een bestemmingswijziging of overdruk die is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg als vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
b) het moment dat de betrokken instantie de gebruiker van het onroerend goed op de hoogte brengt van de inrichting van een overstromingsgebied als vermeld in artikel 4, § 2, van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, en van het feit dat daardoor het recht op een gebruikersvergoeding ontstaat;
c) het moment dat de beslissing van de Vlaamse Regering houdende het opleggen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut, vermeld in artikel 5 van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, in werking treedt;
2° bij de vergoeding ingevolge actieve inschakeling in de waterbeheersing, vermeld in artikel 6, 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023: het moment dat de gebruiker van het perceel in kwestie op de hoogte is gebracht van de actieve inschakeling in de waterbeheersing conform artikel 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° bij de vergoeding, vermeld in artikel 8 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen: het moment dat de eigenaar van het onroerend goed waarop de werken worden uitgevoerd, op de hoogte is gebracht van de werken conform artikel 5 van het voormelde decreet;
4° als er inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting: het moment dat de voormelde inrichtingswerken aanvangen;
5° als er erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden ingezet als vermeld in artikel 2.1.3 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting: het moment dat het besluit waarmee de erfdienstbaarheid tot openbaar nut wordt gevestigd, in werking treedt.
Als er inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd als vermeld in het eerste lid, 4°, brengt, afhankelijk van het soort project, de betrokken instantie, vermeld in artikel 17, tweede lid, 4° tot en met 6°, de begunstigden van de eigenaars- en de gebruikersvergoeding schriftelijk op de hoogte van de aanvang van de inrichtingswerken, vermeld in het eerste lid, 4°, en van het feit dat daardoor het recht op een compenserende vergoeding ontstaat.
Art. 18. Les moments suivants sont considérés comme correspondant à la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernée :
1° dans le cas de la compensation des usagers visée à l'article 6, 4°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) le moment de l'entrée en vigueur des restrictions d'usage résultant d'une modification de destination ou d'une surimpression fixée dans un plan d'exécution spatial ou un plan d'aménagement telle que visée à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilité publique ;
b) le moment oĂč l'instance concernĂ©e informe l'usager du bien immobilier de l'amĂ©nagement d'une zone inondable telle que visĂ©e Ă l'article 4, § 2, du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique, et de l'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© d'usager qui en rĂ©sulte ;
c) le moment de l'entrée en vigueur de la décision du Gouvernement flamand d'imposer une servitude d'utilité publique telle que visée à l'article 5 du décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilité publique ;
2° dans le cas de l'indemnitĂ© par suite de mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux visĂ©e Ă l'article 6, 6°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : le moment oĂč l'usager de la parcelle concernĂ©e est informĂ© de la mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux conformĂ©ment Ă l'article 9, § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° dans le cas de l'indemnitĂ© visĂ©e Ă l'article 8 du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau : le moment oĂč le propriĂ©taire du bien immobilier sur lequel les travaux sont rĂ©alisĂ©s est informĂ© des travaux conformĂ©ment Ă l'article 5 du dĂ©cret prĂ©citĂ© ;
4° en cas d'exĂ©cution de travaux d'amĂ©nagement imposĂ©s par force de loi tels que visĂ©s Ă l'article 2.1.1, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale : le moment oĂč les travaux d'amĂ©nagement dĂ©butent ;
5° en cas d'Ă©tablissement de servitudes d'utilitĂ© publique telles que visĂ©es Ă l'article 2.1.3 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale : le moment de l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© par lequel la servitude d'utilitĂ© publique est Ă©tablie.
Si des travaux d'aménagement imposés par force de loi tels que visés à l'alinéa 1er, 4°, sont réalisés, l'instance concernée mentionnée dans l'article 17, alinéa 2, 4° à 6°, informe, en fonction du type de projet, les bénéficiaires de l'indemnité de propriétaire et d'usager par écrit du début des travaux d'aménagement visés à l'alinéa 1er, 4°, et de l'ouverture du droit à une indemnité compensatoire qui en résulte.
1° dans le cas de la compensation des usagers visée à l'article 6, 4°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) le moment de l'entrée en vigueur des restrictions d'usage résultant d'une modification de destination ou d'une surimpression fixée dans un plan d'exécution spatial ou un plan d'aménagement telle que visée à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilité publique ;
b) le moment oĂč l'instance concernĂ©e informe l'usager du bien immobilier de l'amĂ©nagement d'une zone inondable telle que visĂ©e Ă l'article 4, § 2, du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique, et de l'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© d'usager qui en rĂ©sulte ;
c) le moment de l'entrée en vigueur de la décision du Gouvernement flamand d'imposer une servitude d'utilité publique telle que visée à l'article 5 du décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilité publique ;
2° dans le cas de l'indemnitĂ© par suite de mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux visĂ©e Ă l'article 6, 6°, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 : le moment oĂč l'usager de la parcelle concernĂ©e est informĂ© de la mobilisation active dans le cadre de la maĂźtrise des eaux conformĂ©ment Ă l'article 9, § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° dans le cas de l'indemnitĂ© visĂ©e Ă l'article 8 du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau : le moment oĂč le propriĂ©taire du bien immobilier sur lequel les travaux sont rĂ©alisĂ©s est informĂ© des travaux conformĂ©ment Ă l'article 5 du dĂ©cret prĂ©citĂ© ;
4° en cas d'exĂ©cution de travaux d'amĂ©nagement imposĂ©s par force de loi tels que visĂ©s Ă l'article 2.1.1, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale : le moment oĂč les travaux d'amĂ©nagement dĂ©butent ;
5° en cas d'Ă©tablissement de servitudes d'utilitĂ© publique telles que visĂ©es Ă l'article 2.1.3 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale : le moment de l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© par lequel la servitude d'utilitĂ© publique est Ă©tablie.
Si des travaux d'aménagement imposés par force de loi tels que visés à l'alinéa 1er, 4°, sont réalisés, l'instance concernée mentionnée dans l'article 17, alinéa 2, 4° à 6°, informe, en fonction du type de projet, les bénéficiaires de l'indemnité de propriétaire et d'usager par écrit du début des travaux d'aménagement visés à l'alinéa 1er, 4°, et de l'ouverture du droit à une indemnité compensatoire qui en résulte.
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Sous-section 2. - Demande
Art. 19. De aanvrager van een compenserende vergoedingen als vermeld in artikel 6, 2° tot en met 8°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, dient de aanvraag met een beveiligde zending in bij de landcommissie.
Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende begunstigden als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanvraag heeft betrekking op:
a) dezelfde compenserende vergoeding;
b) hetzelfde perceel;
c) dezelfde verwervingstitel als vermeld in het derde lid, 8° ;
2° de aanvrager legt een volmacht voor waarin hij de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een andere begunstigde.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie of de volgende stukken gevoegd:
1° het rekeningnummer waarop de compenserende vergoeding uitbetaald kan worden;
2° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
3° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
4° een verwijzing naar de beleidsbeslissing op grond waarvan een compenserende vergoeding wordt aangevraagd, en de vermelding welke van de compenserende vergoedingen, vermeld in artikel 6, 2° tot en met 8°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, wordt aangevraagd;
5° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een compenserende vergoeding wordt aangevraagd;
6° in voorkomend geval, de kennisgeving, vermeld in artikel 18, eerste lid 1°, b), 2° en 3°, en tweede lid, van dit besluit;
7° als een eigenaarsvergoeding wordt gevraagd:
a) een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking zakelijk gerechtigde is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, a), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, met de vermelding van het toepasselijke zakelijke recht en het aandeel van de aanvrager in dat zakelijke recht;
b) de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
c) de meest recente titel die de verwerving van het perceel door de aanvrager aantoont;
d) de verwervingswaarde, als die niet vermeld wordt in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
e) de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
f) een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
g) als er constructies aanwezig zijn op het perceel waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd:
1) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
2) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie;
h) de verwervingssubsidies die zijn toegekend of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
8° als een gebruikersvergoeding wordt gevraagd voor landbouwpercelen en niet-landbouwpercelen als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2 en 3:
a) een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking gebruiker is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, b), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
b) de bewijsstukken die de kosten door niet-terugverdienbare investeringen, vermeld in artikel 38, derde lid, van dit besluit, staven;
c) de bewijsstukken die de kosten van het alternatief, vermeld in artikel 38, tweede lid, van dit besluit, staven als de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, de kosten van het alternatief niet heeft vastgesteld conform artikel 41, negende lid, van dit besluit;
9° als een gebruikersvergoeding wordt gevraagd voor niet-landbouwpercelen als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit besluit: de bewijsstukken die het verlies aan beroepsinkomsten, genotsderving en kapitaalsderving op het perceel staven.
Als de aanvrager de bewijsstukken, vermeld in het derde lid, 8°, b) en c), en 9°, niet voegt bij de aanvraag, wordt het volgende aangenomen:
1° er zijn geen kosten door niet-terugverdienbare investeringen als vermeld in artikel 38, derde lid;
2° er zijn geen kosten van het alternatief als vermeld in artikel 38, tweede lid;
3° er is geen verlies aan beroepsinkomsten en er is geen genotsderving en kapitaalsderving.
Als de aanvrager, vermeld in het eerste lid, de aanvraag, vermeld in het eerste lid, indient, vermeldt de aanvrager in zijn aanvraag of hij gehoord wil worden door de landcommissie als de landcommissie conform artikel 20 beslist dat de aanvraag volledig is.
Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende begunstigden als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanvraag heeft betrekking op:
a) dezelfde compenserende vergoeding;
b) hetzelfde perceel;
c) dezelfde verwervingstitel als vermeld in het derde lid, 8° ;
2° de aanvrager legt een volmacht voor waarin hij de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een andere begunstigde.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie of de volgende stukken gevoegd:
1° het rekeningnummer waarop de compenserende vergoeding uitbetaald kan worden;
2° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
3° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
4° een verwijzing naar de beleidsbeslissing op grond waarvan een compenserende vergoeding wordt aangevraagd, en de vermelding welke van de compenserende vergoedingen, vermeld in artikel 6, 2° tot en met 8°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, wordt aangevraagd;
5° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een compenserende vergoeding wordt aangevraagd;
6° in voorkomend geval, de kennisgeving, vermeld in artikel 18, eerste lid 1°, b), 2° en 3°, en tweede lid, van dit besluit;
7° als een eigenaarsvergoeding wordt gevraagd:
a) een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking zakelijk gerechtigde is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, a), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, met de vermelding van het toepasselijke zakelijke recht en het aandeel van de aanvrager in dat zakelijke recht;
b) de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
c) de meest recente titel die de verwerving van het perceel door de aanvrager aantoont;
d) de verwervingswaarde, als die niet vermeld wordt in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
e) de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel vermeld staan of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
f) een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
g) als er constructies aanwezig zijn op het perceel waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd:
1) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
2) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie;
h) de verwervingssubsidies die zijn toegekend of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
8° als een gebruikersvergoeding wordt gevraagd voor landbouwpercelen en niet-landbouwpercelen als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2 en 3:
a) een bewijs dat de aanvrager op het ogenblik van de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking gebruiker is van het perceel of zijn gelijkgestelde is conform artikel 5, 2°, b), van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
b) de bewijsstukken die de kosten door niet-terugverdienbare investeringen, vermeld in artikel 38, derde lid, van dit besluit, staven;
c) de bewijsstukken die de kosten van het alternatief, vermeld in artikel 38, tweede lid, van dit besluit, staven als de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, de kosten van het alternatief niet heeft vastgesteld conform artikel 41, negende lid, van dit besluit;
9° als een gebruikersvergoeding wordt gevraagd voor niet-landbouwpercelen als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit besluit: de bewijsstukken die het verlies aan beroepsinkomsten, genotsderving en kapitaalsderving op het perceel staven.
Als de aanvrager de bewijsstukken, vermeld in het derde lid, 8°, b) en c), en 9°, niet voegt bij de aanvraag, wordt het volgende aangenomen:
1° er zijn geen kosten door niet-terugverdienbare investeringen als vermeld in artikel 38, derde lid;
2° er zijn geen kosten van het alternatief als vermeld in artikel 38, tweede lid;
3° er is geen verlies aan beroepsinkomsten en er is geen genotsderving en kapitaalsderving.
Als de aanvrager, vermeld in het eerste lid, de aanvraag, vermeld in het eerste lid, indient, vermeldt de aanvrager in zijn aanvraag of hij gehoord wil worden door de landcommissie als de landcommissie conform artikel 20 beslist dat de aanvraag volledig is.
Art. 19. Le demandeur d'indemnités compensatoires telles que visées à l'article 6, 2° à 8°, du décret Instruments du 26 mai 2023 introduit la demande par envoi sécurisé auprÚs de la commission fonciÚre.
Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs bénéficiaires si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande concerne :
a) la mĂȘme indemnitĂ© compensatoire ;
b) la mĂȘme parcelle ;
c) le mĂȘme titre d'acquisition tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 3, 8° ;
2° le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un autre bénéficiaire.
Les informations ou les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le numĂ©ro de compte sur lequel l'indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre versĂ©e ;
2° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
3° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
4° un renvoi à la décision politique au titre de laquelle une indemnité compensatoire est demandée et l'indication de l'indemnité compensatoire parmi celles visées à l'article 6, 2° à 8°, du décret Instruments du 26 mai 2023, qui est demandée ;
5° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une indemnité compensatoire est demandée ;
6° le cas Ă©chĂ©ant, la notification visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 1°, b), 2° et 3°, et alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
7° si une indemnité de propriétaire est demandée :
a) une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est le titulaire du droit réel de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, a), du décret Instruments du 26 mai 2023, en indiquant le droit réel applicable et la part du demandeur dans ce droit réel ;
b) les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
c) le titre le plus récent attestant de l'acquisition de la parcelle par le demandeur ;
d) la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
e) les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
f) une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
g) en présence de constructions sur la parcelle pour lesquelles une indemnité est demandée :
1) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
2) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
h) les subventions à l'acquisition qui ont été octroyées ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
8° si une indemnité d'usager est demandée pour des parcelles agricoles et des parcelles non agricoles telles que visées au chapitre 3, sections 2 et 3 :
a) une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est l'usager de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, b), du décret Instruments du 26 mai 2023 ;
b) les piĂšces justificatives Ă l'appui des coĂ»ts d'investissement non rĂ©cupĂ©rables visĂ© Ă l'article 38, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
c) les piĂšces justificatives Ă l'appui des coĂ»ts de l'alternative visĂ©s Ă l'article 38, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, si le ministre flamand qui a l'Agriculture dans ses attributions n'a pas fixĂ© les coĂ»ts de l'alternative conformĂ©ment Ă l'article 41, alinĂ©a 9, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
9° si une indemnitĂ© d'usager est demandĂ©e pour des parcelles non agricoles telles que visĂ©es au chapitre 3, section 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© : les piĂšces justificatives Ă l'appui de la perte de revenus professionnels, de la perte de jouissance et de la perte de capital sur la parcelle.
Si le demandeur ne joint pas les piÚces justificatives visées à l'alinéa 3, 8°, b) et c), et 9°, à la demande, il est admis que :
1° les coûts d'investissement non récupérables tels que visés à l'article 38, alinéa 3, sont inexistants ;
2° les coûts de l'alternative tels que visés à l'article 38, alinéa 2, sont inexistants ;
3° il n'y a ni perte de revenus professionnels, ni perte de jouissance, ni perte de capital.
Lorsque le demandeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er introduit la demande visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, il mentionne dans sa demande s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par la commission fonciĂšre si celle-ci dĂ©cide, conformĂ©ment Ă l'article 20, que la demande est complĂšte.
Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs bénéficiaires si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande concerne :
a) la mĂȘme indemnitĂ© compensatoire ;
b) la mĂȘme parcelle ;
c) le mĂȘme titre d'acquisition tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 3, 8° ;
2° le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un autre bénéficiaire.
Les informations ou les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le numĂ©ro de compte sur lequel l'indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre versĂ©e ;
2° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
3° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
4° un renvoi à la décision politique au titre de laquelle une indemnité compensatoire est demandée et l'indication de l'indemnité compensatoire parmi celles visées à l'article 6, 2° à 8°, du décret Instruments du 26 mai 2023, qui est demandée ;
5° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une indemnité compensatoire est demandée ;
6° le cas Ă©chĂ©ant, la notification visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 1°, b), 2° et 3°, et alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
7° si une indemnité de propriétaire est demandée :
a) une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est le titulaire du droit réel de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, a), du décret Instruments du 26 mai 2023, en indiquant le droit réel applicable et la part du demandeur dans ce droit réel ;
b) les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
c) le titre le plus récent attestant de l'acquisition de la parcelle par le demandeur ;
d) la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
e) les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
f) une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
g) en présence de constructions sur la parcelle pour lesquelles une indemnité est demandée :
1) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
2) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
h) les subventions à l'acquisition qui ont été octroyées ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
8° si une indemnité d'usager est demandée pour des parcelles agricoles et des parcelles non agricoles telles que visées au chapitre 3, sections 2 et 3 :
a) une preuve que le demandeur, au moment de l'entrée en vigueur de la restriction d'usage, est l'usager de la parcelle ou la personne y assimilée conformément à l'article 5, 2°, b), du décret Instruments du 26 mai 2023 ;
b) les piĂšces justificatives Ă l'appui des coĂ»ts d'investissement non rĂ©cupĂ©rables visĂ© Ă l'article 38, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
c) les piĂšces justificatives Ă l'appui des coĂ»ts de l'alternative visĂ©s Ă l'article 38, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, si le ministre flamand qui a l'Agriculture dans ses attributions n'a pas fixĂ© les coĂ»ts de l'alternative conformĂ©ment Ă l'article 41, alinĂ©a 9, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
9° si une indemnitĂ© d'usager est demandĂ©e pour des parcelles non agricoles telles que visĂ©es au chapitre 3, section 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© : les piĂšces justificatives Ă l'appui de la perte de revenus professionnels, de la perte de jouissance et de la perte de capital sur la parcelle.
Si le demandeur ne joint pas les piÚces justificatives visées à l'alinéa 3, 8°, b) et c), et 9°, à la demande, il est admis que :
1° les coûts d'investissement non récupérables tels que visés à l'article 38, alinéa 3, sont inexistants ;
2° les coûts de l'alternative tels que visés à l'article 38, alinéa 2, sont inexistants ;
3° il n'y a ni perte de revenus professionnels, ni perte de jouissance, ni perte de capital.
Lorsque le demandeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er introduit la demande visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, il mentionne dans sa demande s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par la commission fonciĂšre si celle-ci dĂ©cide, conformĂ©ment Ă l'article 20, que la demande est complĂšte.
Art. 20. De landcommissie gaat na of de aanvraag conform artikel 19 volledig is.
Als de aanvraag conform artikel 19 volledig is, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de landcommissie de aanvraag, vermeld in artikel 19, eerste lid, heeft ontvangen.
Als de aanvraag conform artikel 19 onvolledig is, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de landcommissie de aanvraag, vermeld in artikel 19, eerste lid, heeft ontvangen. De landcommissie vermeldt in de voormelde kennisgeving ook de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de landcommissie binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de kennisgeving van de onvolledigheid van de aanvraag heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de landcommissie, verklaart de landcommissie de aanvraag voor de compenserende vergoeding onontvankelijk. De landcommissie brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag binnen dertig dagen na de dag waarop de termijn om de ontbrekende stukken in te dienen, is verstreken.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de landcommissie conform het derde lid, kan de landcommissie de aanvraag voor de compenserende vergoeding alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag alsnog ontvankelijk werd verklaard.
Als de aanvraag conform artikel 19 volledig is, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de landcommissie de aanvraag, vermeld in artikel 19, eerste lid, heeft ontvangen.
Als de aanvraag conform artikel 19 onvolledig is, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de landcommissie de aanvraag, vermeld in artikel 19, eerste lid, heeft ontvangen. De landcommissie vermeldt in de voormelde kennisgeving ook de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de landcommissie binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de kennisgeving van de onvolledigheid van de aanvraag heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de landcommissie, verklaart de landcommissie de aanvraag voor de compenserende vergoeding onontvankelijk. De landcommissie brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag binnen dertig dagen na de dag waarop de termijn om de ontbrekende stukken in te dienen, is verstreken.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de landcommissie conform het derde lid, kan de landcommissie de aanvraag voor de compenserende vergoeding alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag alsnog ontvankelijk werd verklaard.
Art. 20. La commission fonciÚre vérifie si la demande est complÚte conformément à l'article 19.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 19, la commission fonciĂšre en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč elle a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 19, alinĂ©a 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 19, la commission fonciĂšre en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč elle a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 19, alinĂ©a 1er. La commission fonciĂšre indique Ă©galement les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă la commission fonciĂšre dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification du caractĂšre incomplet de la demande, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă la commission fonciĂšre dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande d'indemnitĂ© compensatoire irrecevable. La commission fonciĂšre informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter de l'expiration du dĂ©lai d'introduction des piĂšces manquantes.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à la commission fonciÚre ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, la commission fonciÚre peut malgré tout déclarer la demande d'indemnité compensatoire recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, la commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée que la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 19, la commission fonciĂšre en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč elle a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 19, alinĂ©a 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 19, la commission fonciĂšre en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč elle a reçu la demande visĂ©e Ă l'article 19, alinĂ©a 1er. La commission fonciĂšre indique Ă©galement les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă la commission fonciĂšre dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification du caractĂšre incomplet de la demande, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă la commission fonciĂšre dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande d'indemnitĂ© compensatoire irrecevable. La commission fonciĂšre informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter de l'expiration du dĂ©lai d'introduction des piĂšces manquantes.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à la commission fonciÚre ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, la commission fonciÚre peut malgré tout déclarer la demande d'indemnité compensatoire recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, la commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée que la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaarden en berekening van de compenserende vergoeding
Sous-section 3. - Evaluation des conditions et calcul de l'indemnité compensatoire
Art. 21. Als de aanvrager, vermeld in artikel 19, gehoord wil worden, hoort de landcommissie of haar gemachtigde de aanvrager binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager er conform artikel 20 van op de hoogte is gebracht dat de aanvraag volledig is. De voormelde aanvrager kan tijdens de hoorzitting zijn aanvraagdossier toelichten. De landcommissie maakt een verslag van de hoorzitting op.
Art. 21. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 19 dĂ©sire ĂȘtre entendu, la commission fonciĂšre ou son mandataire l'entend dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 20, de ce que la demande est complĂšte. Pendant l'audition, le demandeur prĂ©citĂ© peut commenter son dossier de demande. La commission fonciĂšre dresse un compte rendu de l'audition.
Art. 22. § 1. De landcommissie maakt, na de betrokken instantie geraadpleegd te hebben over een ontwerp van schaderapport, een schaderapport als vermeld in artikel 7, § 2, derde lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, op en bezorgt dat met een beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie binnen honderdvijftig dagen na de dag waarop de aanvrager er conform artikel 20 van op de hoogte is gebracht dat de aanvraag volledig is. Het voormelde schaderapport bevat per perceel een beoordeling of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op de compenserende vergoeding en, in het positieve geval, de berekening van de compenserende vergoeding en de wijze waarop de vergoeding berekend is. Het schaderapport houdt daarbij rekening met de berekening van de eigenaarswaarde per perceelsdeel waarop de gebruiksbeperking geldt, overeenkomstig artikel 31 en 32, § 1 van dit besluit, of met de berekening van de gebruikersvergoeding, vermeld in artikel 37 tot en met 42 van dit besluit.
§ 2. Conform artikel 28 kan de landcommissie met het oog op de opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 19, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 20 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het voormelde schaderapport op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, wordt de aanvrager verondersteld afstand te doen van zijn aanvraag. In het voormelde geval maakt de landcommissie geen schaderapport als vermeld in paragraaf 1, op. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de landcommissie, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19 van dit besluit, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat de aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag voor een compenserende vergoeding waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 11, eerste en tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, kan de landcommissie alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag. De landcommissie maakt een schaderapport op conform paragraaf 1.
§ 2. Conform artikel 28 kan de landcommissie met het oog op de opmaak van het schaderapport, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 19, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 20 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het voormelde schaderapport op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, wordt de aanvrager verondersteld afstand te doen van zijn aanvraag. In het voormelde geval maakt de landcommissie geen schaderapport als vermeld in paragraaf 1, op. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de landcommissie, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19 van dit besluit, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat de aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag voor een compenserende vergoeding waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 11, eerste en tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, kan de landcommissie alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de landcommissie de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag. De landcommissie maakt een schaderapport op conform paragraaf 1.
Art. 22. § 1er. AprĂšs avoir consultĂ© l'instance concernĂ©e au sujet d'un projet de rapport des dommages, la commission fonciĂšre Ă©tablit un rapport des dommages tel que visĂ© Ă l'article 7, § 2, alinĂ©a 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 et le transmet par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur visĂ© Ă l'article 19 et Ă l'instance concernĂ©e dans les cent cinquante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 20, de ce que la demande est complĂšte. Le rapport des dommages prĂ©citĂ© contient, par parcelle, une Ă©valuation du respect ou non des conditions pour avoir droit Ă l'indemnitĂ© compensatoire et, dans l'affirmative, le calcul de l'indemnitĂ© compensatoire et le mode de calcul de l'indemnitĂ©. Le rapport des dommages tient compte, Ă cet Ă©gard, du calcul de la valeur de propriĂ©taire par partie de parcelle grevĂ©e de la restriction d'usage conformĂ©ment aux articles 31 et 32, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du calcul de l'indemnitĂ© d'usager visĂ©e aux articles 37 Ă 42 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Conformément à l'article 28, la commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 19, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 20, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport des dommages précité.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 28, alinéa 2, le demandeur est réputé renoncer à sa demande. Dans le cas précité, la commission fonciÚre n'établit pas de rapport des dommages tel que visé dans le paragraphe 1er. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la commission fonciÚre, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel le demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'indemnitĂ© compensatoire de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 11, alinĂ©as 1er et 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 28, alinéa 2, la commission fonciÚre peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, la commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande. La commission fonciÚre établit un rapport des dommages conformément au paragraphe 1er.
§ 2. Conformément à l'article 28, la commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 19, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 20, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport des dommages précité.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 28, alinéa 2, le demandeur est réputé renoncer à sa demande. Dans le cas précité, la commission fonciÚre n'établit pas de rapport des dommages tel que visé dans le paragraphe 1er. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la commission fonciÚre, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel le demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'indemnitĂ© compensatoire de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 11, alinĂ©as 1er et 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 28, alinéa 2, la commission fonciÚre peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, la commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande. La commission fonciÚre établit un rapport des dommages conformément au paragraphe 1er.
Art. 23. Op basis van het schaderapport, vermeld in artikel 22, § 1, neemt de landcommissie een ontwerpbeslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoedingen in het positieve geval, over de berekening van de compenserende vergoeding.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen tweehonderdveertig dagen na de dag waarop de aanvrager ervan op de hoogte is gebracht dat de aanvraag conform artikel 20 volledig is.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen tweehonderdveertig dagen na de dag waarop de aanvrager ervan op de hoogte is gebracht dat de aanvraag conform artikel 20 volledig is.
Art. 23. Sur la base du rapport des dommages visé à l'article 22, § 1er, la commission fonciÚre prend un projet de décision au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire et, dans l'affirmative, au sujet du calcul de l'indemnité compensatoire.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les deux cent quarante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 20, de ce que la demande est complĂšte.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les deux cent quarante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ©, conformĂ©ment Ă l'article 20, de ce que la demande est complĂšte.
Art. 24. De aanvrager, vermeld in artikel 19, kan bezwaar indienen bij de landcommissie. Op straffe van onontvankelijkheid van het voormelde bezwaar wordt dat bezwaar met een beveiligde zending ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 23.
Conform artikel 28 kan de landcommissie met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
De landcommissie brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van het bezwaar.
Conform artikel 28 kan de landcommissie met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
De landcommissie brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van het bezwaar.
Art. 24. Le demandeur visĂ© Ă l'article 19 peut introduire une rĂ©clamation auprĂšs de la commission fonciĂšre. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e est introduite par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 23.
Conformément à l'article 28, la commission fonciÚre peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
La commission fonciÚre informe l'instance concernée de l'introduction de la réclamation.
Conformément à l'article 28, la commission fonciÚre peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
La commission fonciÚre informe l'instance concernée de l'introduction de la réclamation.
Art. 25. § 1. Als de aanvrager conform artikel 24 een bezwaar indient tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 23, neemt landcommissie, na onderzoek van het bezwaar, een definitieve beslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding en in het positieve geval, over de berekening van de compenserende vergoeding.
De landcommissie neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, neemt de landcommissie de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de landcommissie het bezwaar, vermeld in artikel 24, heeft ontvangen.
Als de landcommissie, na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 24, van oordeel is dat voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding terwijl het schaderapport, vermeld in 22, § 1, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, maakt de landcommissie, voordat een definitieve beslissing wordt genomen, een aanvullend schaderapport op dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 22 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing als een aanvullend schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte van de opmaak van het voormelde aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
§ 2. Als de aanvrager geen bezwaar als vermeld in artikel 24 van dit besluit, indient of als het voormelde bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 8, § 2, derde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
De landcommissie neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 28, tweede lid, neemt de landcommissie de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de landcommissie het bezwaar, vermeld in artikel 24, heeft ontvangen.
Als de landcommissie, na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 24, van oordeel is dat voldaan is aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding terwijl het schaderapport, vermeld in 22, § 1, stelt dat niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, maakt de landcommissie, voordat een definitieve beslissing wordt genomen, een aanvullend schaderapport op dat alleen de berekening van de compenserende vergoeding bevat. Artikel 22 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing als een aanvullend schaderapport wordt opgemaakt. De landcommissie brengt de aanvrager, vermeld in artikel 19, en de betrokken instantie op de hoogte van de opmaak van het voormelde aanvullende schaderapport en de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure.
§ 2. Als de aanvrager geen bezwaar als vermeld in artikel 24 van dit besluit, indient of als het voormelde bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 8, § 2, derde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
Art. 25. § 1er. Si, conformément à l'article 24, le demandeur introduit une réclamation à l'encontre du projet de décision visé à l'article 23, la commission fonciÚre prend une décision définitive, aprÚs examen de la réclamation, au sujet du respect ou non des conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire et, dans l'affirmative, au sujet du calcul de l'indemnité compensatoire.
La commission fonciĂšre prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 28, alinĂ©a 2, la commission fonciĂšre prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 24.
Si, aprÚs avoir examiné la réclamation visée à l'article 24, la commission fonciÚre estime qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire alors que le rapport des dommages visé à l'article 22, § 1er, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, la commission fonciÚre établit, avant qu'une décision définitive ne soit prise, un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. Les articles 22 à 28 s'appliquent par analogie si un rapport des dommages complémentaire est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée de l'établissement du rapport des dommages complémentaire précité et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
§ 2. Si le demandeur n'introduit pas de rĂ©clamation telle que visĂ©e Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou si la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 8, § 2, alinĂ©a 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
La commission fonciĂšre prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 28, alinĂ©a 2, la commission fonciĂšre prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
La commission fonciĂšre informe le demandeur visĂ© Ă l'article 19 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 24.
Si, aprÚs avoir examiné la réclamation visée à l'article 24, la commission fonciÚre estime qu'il a été satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire alors que le rapport des dommages visé à l'article 22, § 1er, indique qu'il n'a pas été satisfait aux conditions précitées pour avoir droit à une indemnité compensatoire, la commission fonciÚre établit, avant qu'une décision définitive ne soit prise, un rapport des dommages complémentaire ne contenant que le calcul de l'indemnité compensatoire. Les articles 22 à 28 s'appliquent par analogie si un rapport des dommages complémentaire est établi. La commission fonciÚre informe le demandeur visé à l'article 19 et l'instance concernée de l'établissement du rapport des dommages complémentaire précité et des conséquences qui en découlent pour la suite de la procédure.
§ 2. Si le demandeur n'introduit pas de rĂ©clamation telle que visĂ©e Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou si la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 8, § 2, alinĂ©a 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Art. 26. Als de aanvrager een vordering instelt tegen de definitieve beslissing, brengt de landcommissie de betrokken instantie op de hoogte van die vordering. De landcommissie bezorgt aan het agentschap een kopie van de gerechtelijke uitspraak.
Art. 26. Si le demandeur intente une action à l'encontre de la décision définitive, la commission fonciÚre en informe l'instance concernée. La commission fonciÚre transmet à l'agence une copie de la décision judiciaire.
Art. 27. Als een compenserende vergoeding wordt toegekend, bezorgt de landcommissie de definitieve beslissing of de ontwerpbeslissing die aanleiding geeft tot betaling van de compenserende vergoeding onmiddellijk aan het agentschap met een beveiligde zending en vraagt aan het agentschap om de compenserende vergoeding te betalen. Het agentschap betaalt de compenserende vergoeding binnen zestig dagen na de dag waarop het agentschap op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing of de ontwerpbeslissing die aanleiding geeft tot betaling van de compenserende vergoeding.
Art. 27. Si une indemnitĂ© compensatoire est octroyĂ©e, la commission fonciĂšre transmet immĂ©diatement Ă l'agence, par envoi sĂ©curisĂ©, la dĂ©cision dĂ©finitive ou le projet de dĂ©cision qui donne lieu au paiement de l'indemnitĂ© compensatoire et demande Ă l'agence de payer l'indemnitĂ© compensatoire. L'agence paie l'indemnitĂ© compensatoire dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč elle a Ă©tĂ© informĂ©e de la dĂ©cision dĂ©finitive ou du projet de dĂ©cision qui donne lieu au paiement de l'indemnitĂ© compensatoire.
Onderafdeling 4. - Vraag tot informatie en plaatsbezoek
Sous-section 4. - Demande d'informations et de visite des lieux
Art. 28. De landcommissie kan met het oog op de opmaak van het schaderapport, vermeld in artikel 22, of met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in artikel 24, met een beveiligde zending de aanvrager, vermeld in artikel 19, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet is opgenomen in de aanvraag die conform artikel 20 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het voormelde schaderapport op te maken of om het bezwaar te behandelen.
De aanvrager, vermeld in artikel 19, bezorgt met een beveiligde zending informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de landcommissie binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De termijn, vermeld in artikel 22, § 1, en artikel 23, tweede lid, en de termijn, vermeld in artikel 25, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de landcommissie de vraag tot informatie of plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 19, de gevraagde informatie aan de landcommissie bezorgt;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
De aanvrager, vermeld in artikel 19, bezorgt met een beveiligde zending informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de landcommissie binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen negentig dagen na de dag waarop de landcommissie de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld.
De termijn, vermeld in artikel 22, § 1, en artikel 23, tweede lid, en de termijn, vermeld in artikel 25, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de landcommissie de vraag tot informatie of plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 19, de gevraagde informatie aan de landcommissie bezorgt;
2° de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
Art. 28. La commission fonciÚre peut, en vue de l'établissement du rapport des dommages visé à l'article 22 ou en vue du traitement de la réclamation visée à l'article 24, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 19, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 20, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport des dommages précité ou au traitement de la réclamation.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 19 transmet Ă la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre en a formulĂ© la demande.
Le délai visé à l'article 22, § 1er, et à l'article 23, alinéa 2, et le délai visé à l'article 25, § 1er, alinéa 3, sont suspendus pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la commission fonciÚre, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 19 des informations demandées à la commission fonciÚre ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2 si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 19 transmet Ă la commission fonciĂšre, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč la commission fonciĂšre en a formulĂ© la demande.
Le délai visé à l'article 22, § 1er, et à l'article 23, alinéa 2, et le délai visé à l'article 25, § 1er, alinéa 3, sont suspendus pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la commission fonciÚre, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur visé à l'article 19 des informations demandées à la commission fonciÚre ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2 si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Afdeling 3. - Algemene bepalingen over advies- en informatievragen
Section 3. - Dispositions générales relatives aux demandes d'avis et d'information
Art. 29. De landcommissie en de initiatiefnemer kunnen voor de uitvoering van de taken, die aan hen zijn toegewezen in dit hoofdstuk, adviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die ze nuttig achten. Tenzij anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de voormelde instanties het advies binnen dertig dagen na de dag waarop die instanties de adviesvraag hebben ontvangen.
Art. 29. Aux fins de l'exĂ©cution de tĂąches qui leur sont dĂ©volues dans le prĂ©sent chapitre, la commission fonciĂšre et l'initiateur peuvent recueillir des avis auprĂšs de tout service, de toute institution ou de toute organisation qu'ils jugent utiles. Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances prĂ©citĂ©es rendent l'avis dans les trente jours Ă compter du jour oĂč elles ont reçu la demande d'avis.
Art. 30. De initiatiefnemer of de betrokken instantie bezorgt alle informatie aan de landcommissie die de landcommissie nodig heeft om het schaderapport, vermeld in artikel 9 en 22, op te maken.
Art. 30. L'initiateur ou l'instance concernée transmet à la commission fonciÚre toutes les informations dont elle a besoin pour établir le rapport des dommages visé aux articles 9 et 22.
HOOFDSTUK 3. - De eigenaarsvergoeding
CHAPITRE 3. - L'indemnité de propriétaire
Afdeling 1. - Het bepalen van de eigenaarswaarde
Section 1re. - La détermination de la valeur de propriétaire
Art. 31. Indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een compenserende vergoeding, bevat het schaderapport het schattingsverslag met de analyse die leidt tot de eigenaarswaarde voor en na de gebruiksbeperking. Het schattingsverslag:
1° voldoet aan de vereisten bepaald in artikel 3.3.1.0.9/1, § 3, 3° en 4° van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met uitzondering van de vermelding van de belastbare grondslag van het vergelijkingspunt;
2° geeft aan op welke manier rekening gehouden is met de factoren, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en met welke andere factoren desgevallend rekening is gehouden.
De referentiedatum van de schatting is de datum waarop het recht op de eigenaarsvergoeding ontstaat.
1° voldoet aan de vereisten bepaald in artikel 3.3.1.0.9/1, § 3, 3° en 4° van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met uitzondering van de vermelding van de belastbare grondslag van het vergelijkingspunt;
2° geeft aan op welke manier rekening gehouden is met de factoren, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en met welke andere factoren desgevallend rekening is gehouden.
De referentiedatum van de schatting is de datum waarop het recht op de eigenaarsvergoeding ontstaat.
Art. 31. Si le demandeur satisfait aux conditions pour avoir droit à une indemnité compensatoire, le rapport des dommages contient le rapport d'estimation accompagné de l'analyse qui débouche sur la valeur de propriétaire avant et aprÚs la restriction d'usage. Le rapport d'estimation :
1° satisfait aux exigences énoncées dans l'article 3.3.1.0.9/1, § 3, 3° et 4° du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, à l'exception de l'indication de la base imposable du point de comparaison ;
2° indique la maniÚre dont les facteurs énoncés dans l'article 14, § 3, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023 ont été pris en compte et les autres facteurs qui ont été pris en compte le cas échéant
La date de référence de l'estimation est la date d'ouverture du droit à l'indemnité de propriétaire.
1° satisfait aux exigences énoncées dans l'article 3.3.1.0.9/1, § 3, 3° et 4° du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, à l'exception de l'indication de la base imposable du point de comparaison ;
2° indique la maniÚre dont les facteurs énoncés dans l'article 14, § 3, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023 ont été pris en compte et les autres facteurs qui ont été pris en compte le cas échéant
La date de référence de l'estimation est la date d'ouverture du droit à l'indemnité de propriétaire.
Afdeling 2. - De objectieve factoren voor het bepalen van de eigenaarswaarde
Section 2. - Les facteurs objectifs pour la détermination de la valeur de propriétaire
Art. 32. § 1. Ter uitvoering van artikel 14, § 4, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 gelden de volgende bepalingen:
1° onder bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, worden ook de stedenbouwkundige voorschriften begrepen die gelden voor het perceel of perceelsdeel in kwestie;
2° onder ontwikkelingsperspectief voor een woonreservegebied als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, wordt verstaan: een beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan over de wenselijkheid van de bebouwing van het woonreservegebied in kwestie;
3° bij het in rekening brengen van de aanwezigheid van constructies en opstanden, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 5°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, wordt ook rekening gehouden met de bouwfysische toestand en de vergunningstoestand ervan;
4° onder cultuurwaarde als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 6°, van het voormelde decreet, wordt verstaan: de geschiktheid van de bodem voor vormen van landbouwgebruik;
5° bij het in rekening brengen van de technische bebouwbaarheid als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 12°, van het voormelde decreet, wordt onder meer rekening gehouden met de fysische toestand van het perceel of perceelsdeel, de aanwezige vegetatie zoals bijvoorbeeld bebossing, en de gevoeligheid voor overstroming, erosie, grondverschuiving of -verzakking;
6° bij het in rekening brengen van de mate waarin een perceel of perceelsdeel stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 13°, van het voormelde decreet, wordt onder meer rekening gehouden met volgende elementen:
a) de nabijheid en de typologie van andere bebouwing;
b) de ontsluiting naar het verkeerswegennet;
c) in voorkomend geval, de specifieke bouwmogelijkheden op grond van gedetailleerde stedenbouwkundige voorschriften;
d) de aanwezigheid van voorzieningen in de onmiddellijke omgeving;
e) de demografische behoefte en het aanbod aan onbebouwde gronden met bebouwbare bestemming in de regio;
f) een eventuele beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan over de wenselijkheid van de bebouwing;
g) de gebeurlijke strijdigheid van bebouwing met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
h) de gebeurlijke onwenselijkheid van bebouwing in het licht van doelstellingen of zorgplichten binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Naast de factoren als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, kan de landcommissie bij het bepalen van de eigenaarswaarde ook rekening houden met de situering van het perceel of perceelsdeel ten opzichte van andere gronden in eigendom van dezelfde eigenaar, als die eigendomssituatie bekend is.
§ 2. Met de factoren als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 8° en 9° van het voormelde decreet wordt als volgt rekening gehouden: indien voor het perceel of perceelsdeel een planbatenheffing was verschuldigd die met toepassing van artikel 2.6.14, § 1 of § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 nog niet werd betaald, en de compenserende vergoeding betreft een planschadevergoeding, dan wordt de overeenkomstig artikel 31 en 32, § 1 van dit besluit bepaalde eigenaarswaarde van het goed voorafgaand aan de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking, verminderd met het bedrag van die planbatenheffing, ongeacht de toepassing van artikel 2.6.14, § 3 van dezelfde codex naar aanleiding van de bestemmingswijziging die aanleiding geeft tot de gebruiksbeperking.
1° onder bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, worden ook de stedenbouwkundige voorschriften begrepen die gelden voor het perceel of perceelsdeel in kwestie;
2° onder ontwikkelingsperspectief voor een woonreservegebied als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, wordt verstaan: een beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan over de wenselijkheid van de bebouwing van het woonreservegebied in kwestie;
3° bij het in rekening brengen van de aanwezigheid van constructies en opstanden, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 5°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, wordt ook rekening gehouden met de bouwfysische toestand en de vergunningstoestand ervan;
4° onder cultuurwaarde als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 6°, van het voormelde decreet, wordt verstaan: de geschiktheid van de bodem voor vormen van landbouwgebruik;
5° bij het in rekening brengen van de technische bebouwbaarheid als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 12°, van het voormelde decreet, wordt onder meer rekening gehouden met de fysische toestand van het perceel of perceelsdeel, de aanwezige vegetatie zoals bijvoorbeeld bebossing, en de gevoeligheid voor overstroming, erosie, grondverschuiving of -verzakking;
6° bij het in rekening brengen van de mate waarin een perceel of perceelsdeel stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 13°, van het voormelde decreet, wordt onder meer rekening gehouden met volgende elementen:
a) de nabijheid en de typologie van andere bebouwing;
b) de ontsluiting naar het verkeerswegennet;
c) in voorkomend geval, de specifieke bouwmogelijkheden op grond van gedetailleerde stedenbouwkundige voorschriften;
d) de aanwezigheid van voorzieningen in de onmiddellijke omgeving;
e) de demografische behoefte en het aanbod aan onbebouwde gronden met bebouwbare bestemming in de regio;
f) een eventuele beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan over de wenselijkheid van de bebouwing;
g) de gebeurlijke strijdigheid van bebouwing met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
h) de gebeurlijke onwenselijkheid van bebouwing in het licht van doelstellingen of zorgplichten binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Naast de factoren als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, kan de landcommissie bij het bepalen van de eigenaarswaarde ook rekening houden met de situering van het perceel of perceelsdeel ten opzichte van andere gronden in eigendom van dezelfde eigenaar, als die eigendomssituatie bekend is.
§ 2. Met de factoren als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, 8° en 9° van het voormelde decreet wordt als volgt rekening gehouden: indien voor het perceel of perceelsdeel een planbatenheffing was verschuldigd die met toepassing van artikel 2.6.14, § 1 of § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 nog niet werd betaald, en de compenserende vergoeding betreft een planschadevergoeding, dan wordt de overeenkomstig artikel 31 en 32, § 1 van dit besluit bepaalde eigenaarswaarde van het goed voorafgaand aan de inwerkingtreding van de gebruiksbeperking, verminderd met het bedrag van die planbatenheffing, ongeacht de toepassing van artikel 2.6.14, § 3 van dezelfde codex naar aanleiding van de bestemmingswijziging die aanleiding geeft tot de gebruiksbeperking.
Art. 32. § 1er. En exécution de l'article 14, § 4, du décret Instruments du 26 mai 2023, les dispositions suivantes s'appliquent :
1° par zone d'affectation en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire, telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 3°, du décret précité, on entend également les prescriptions urbanistiques applicables à la parcelle ou à la partie de parcelle concernée ;
2° par perspective de développement pour une zone de réserve d'habitat, telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 3°, du décret précité, on entend : une déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur au sujet de l'opportunité d'urbaniser la zone de réserve d'habitat concernée ;
3° lors de la prise en compte de la présence de constructions et d'élévations telles que visées à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 5°, du décret Instruments du 26 mai 2023, il est également tenu compte de leur état physique sur le plan constructif et de leur situation en termes de permis ;
4° par valeur culturale telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 6°, du décret précité, on entend : l'aptitude du sol à accueillir certaines formes d'utilisation agricole ;
5° lors de la prise en compte de la constructibilité technique telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 12°, du décret précité, il est notamment tenu compte de l'état physique de la parcelle ou de la partie de parcelle, de la végétation présente telle que, par exemple, le boisement, et de la sensibilité aux inondations, à l'érosion, aux glissements et effondrements de terrain ;
6° lors de la prise en compte de la mesure dans laquelle une parcelle ou partie de parcelle est constructible du point de vue urbanistique au sens de l'article 14, § 3, alinéa 1er, 13°, du décret précité, il est notamment tenu compte des éléments suivants :
a) la proximité et la typologie d'autres constructions ;
b) l'accÚs au réseau routier ;
c) le cas échéant, les possibilités spécifiques de construction sur la base de prescriptions urbanistiques détaillées ;
d) la présence d'équipements dans les environs immédiats ;
e) le besoin démographique et l'offre de terrains non bùtis à destination constructible dans la région ;
f) une éventuelle déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur au sujet de l'opportunité d'urbanisation ;
g) l'éventuelle incompatibilité de l'urbanisation avec des normes directement applicables dans d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire, visée à l'article 4.3.3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
h) l'éventuelle inopportunité de l'urbanisation au regard des objectifs ou des devoirs de diligence d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire, visée à l'article 4.3.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
Outre les facteurs Ă©noncĂ©s dans l'article 14, § 3, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023, la commission fonciĂšre peut Ă©galement tenir compte, pour la dĂ©termination de la valeur de propriĂ©taire, de la localisation de la parcelle ou de la partie de parcelle par rapport Ă d'autres terrains appartenant au mĂȘme propriĂ©taire si ce statut de propriĂ©tĂ© est connu.
§ 2. Il est tenu compte des facteurs mentionnĂ©s dans l'article 14, § 3, alinĂ©a 1er, 8° et 9°, du dĂ©cret prĂ©citĂ© de la façon suivante : si une taxe sur les bĂ©nĂ©fices rĂ©sultant de la planification Ă©tait due pour la parcelle ou la partie de parcelle et n'a pas encore Ă©tĂ© payĂ©e en application de l'article 2.6.14, § 1er ou § 2 du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009 et que l'indemnitĂ© compensatoire concerne une indemnisation des dommages rĂ©sultant de la planification, la valeur de propriĂ©taire du bien prĂ©alablement Ă l'entrĂ©e en vigueur de la restriction d'usage, dĂ©terminĂ©e conformĂ©ment aux articles 31 et 32, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est diminuĂ©e de cette taxe sur les bĂ©nĂ©fices rĂ©sultant de la planification, sans prĂ©judice de l'application de l'article 2.6.14, § 3 du mĂȘme Code suite Ă la modification de destination donnant lieu Ă la restriction d'usage.
1° par zone d'affectation en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire, telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 3°, du décret précité, on entend également les prescriptions urbanistiques applicables à la parcelle ou à la partie de parcelle concernée ;
2° par perspective de développement pour une zone de réserve d'habitat, telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 3°, du décret précité, on entend : une déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur au sujet de l'opportunité d'urbaniser la zone de réserve d'habitat concernée ;
3° lors de la prise en compte de la présence de constructions et d'élévations telles que visées à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 5°, du décret Instruments du 26 mai 2023, il est également tenu compte de leur état physique sur le plan constructif et de leur situation en termes de permis ;
4° par valeur culturale telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 6°, du décret précité, on entend : l'aptitude du sol à accueillir certaines formes d'utilisation agricole ;
5° lors de la prise en compte de la constructibilité technique telle que visée à l'article 14, § 3, alinéa 1er, 12°, du décret précité, il est notamment tenu compte de l'état physique de la parcelle ou de la partie de parcelle, de la végétation présente telle que, par exemple, le boisement, et de la sensibilité aux inondations, à l'érosion, aux glissements et effondrements de terrain ;
6° lors de la prise en compte de la mesure dans laquelle une parcelle ou partie de parcelle est constructible du point de vue urbanistique au sens de l'article 14, § 3, alinéa 1er, 13°, du décret précité, il est notamment tenu compte des éléments suivants :
a) la proximité et la typologie d'autres constructions ;
b) l'accÚs au réseau routier ;
c) le cas échéant, les possibilités spécifiques de construction sur la base de prescriptions urbanistiques détaillées ;
d) la présence d'équipements dans les environs immédiats ;
e) le besoin démographique et l'offre de terrains non bùtis à destination constructible dans la région ;
f) une éventuelle déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur au sujet de l'opportunité d'urbanisation ;
g) l'éventuelle incompatibilité de l'urbanisation avec des normes directement applicables dans d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire, visée à l'article 4.3.3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
h) l'éventuelle inopportunité de l'urbanisation au regard des objectifs ou des devoirs de diligence d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire, visée à l'article 4.3.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
Outre les facteurs Ă©noncĂ©s dans l'article 14, § 3, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023, la commission fonciĂšre peut Ă©galement tenir compte, pour la dĂ©termination de la valeur de propriĂ©taire, de la localisation de la parcelle ou de la partie de parcelle par rapport Ă d'autres terrains appartenant au mĂȘme propriĂ©taire si ce statut de propriĂ©tĂ© est connu.
§ 2. Il est tenu compte des facteurs mentionnĂ©s dans l'article 14, § 3, alinĂ©a 1er, 8° et 9°, du dĂ©cret prĂ©citĂ© de la façon suivante : si une taxe sur les bĂ©nĂ©fices rĂ©sultant de la planification Ă©tait due pour la parcelle ou la partie de parcelle et n'a pas encore Ă©tĂ© payĂ©e en application de l'article 2.6.14, § 1er ou § 2 du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009 et que l'indemnitĂ© compensatoire concerne une indemnisation des dommages rĂ©sultant de la planification, la valeur de propriĂ©taire du bien prĂ©alablement Ă l'entrĂ©e en vigueur de la restriction d'usage, dĂ©terminĂ©e conformĂ©ment aux articles 31 et 32, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est diminuĂ©e de cette taxe sur les bĂ©nĂ©fices rĂ©sultant de la planification, sans prĂ©judice de l'application de l'article 2.6.14, § 3 du mĂȘme Code suite Ă la modification de destination donnant lieu Ă la restriction d'usage.
Art. 33. Ter ondersteuning van de landcommissies stelt de Vlaamse Regering een dataset ter beschikking van verkopen van onbebouwde onroerende goederen in het Vlaamse Gewest. In deze dataset worden groepen afgezonderd, waarbij, voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn, minstens volgende criteria van onderscheid worden gehanteerd:
1° het al dan niet gelegen zijn aan een uitgeruste weg of een weg;
2° het al dan niet gelegen zijn op meer dan vijftig meter van een uitgeruste weg, voor wat de gronden in woongebied betreft;
3° de ligging in woonreservegebied conform artikel 1.1.2, 19°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, of in een ander type woongebied;
4° een gunstig of ongunstig ontwikkelingsperspectief van het woonreservegebied op grond van de beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan.
De in het eerste lid vermelde dataset wordt minstens driejaarlijks geactualiseerd.
1° het al dan niet gelegen zijn aan een uitgeruste weg of een weg;
2° het al dan niet gelegen zijn op meer dan vijftig meter van een uitgeruste weg, voor wat de gronden in woongebied betreft;
3° de ligging in woonreservegebied conform artikel 1.1.2, 19°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, of in een ander type woongebied;
4° een gunstig of ongunstig ontwikkelingsperspectief van het woonreservegebied op grond van de beleidsuitspraak in het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan.
De in het eerste lid vermelde dataset wordt minstens driejaarlijks geactualiseerd.
Art. 33. A l'appui des commissions fonciĂšres, le Gouvernement flamand met Ă disposition un ensemble de donnĂ©es sur les ventes de biens immobiliers non bĂątis en RĂ©gion flamande. Dans cet ensemble de donnĂ©es, des groupes sont sĂ©parĂ©s en utilisant au moins les critĂšres de distinction suivants dans la mesure oĂč les donnĂ©es nĂ©cessaires sont disponibles :
1° la situation ou non à front d'une voirie équipée ou d'une voirie ;
2° la situation ou non à plus de cinquante mÚtres d'une voirie équipée en ce qui concerne les terrains en zone d'habitat ;
3° la situation dans une zone de réserve d'habitat conformément à l'article 1.1.2, 19°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, ou dans un autre type de zone d'habitat ;
4° une perspective de développement favorable ou défavorable de la zone de réserve d'habitat en vertu de la déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur.
L'ensemble de données visé à l'alinéa 1er est actualisé au moins tous les trois ans.
1° la situation ou non à front d'une voirie équipée ou d'une voirie ;
2° la situation ou non à plus de cinquante mÚtres d'une voirie équipée en ce qui concerne les terrains en zone d'habitat ;
3° la situation dans une zone de réserve d'habitat conformément à l'article 1.1.2, 19°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, ou dans un autre type de zone d'habitat ;
4° une perspective de développement favorable ou défavorable de la zone de réserve d'habitat en vertu de la déclaration de politique dans le plan structurel spatial communal ou dans le plan de politique spatiale communal en vigueur.
L'ensemble de données visé à l'alinéa 1er est actualisé au moins tous les trois ans.
Afdeling 3. - Samenloop van de eigenaarsvergoeding met subsidies
Section 3. - Cumul de l'indemnité de propriétaire avec des subventions
Art. 34. De eigenaarsvergoeding voor een perceel of een deel van een perceel wordt verminderd met de verwervingssubsidie die is toegekend en uitbetaald aan dezelfde eigenaar door een administratieve overheid om het perceel of het deel van het perceel te verwerven. Als het perceel of het deel van het perceel waarvoor een eigenaarsvergoeding is toegekend maar een deel is van de percelen waarvoor de verwervingssubsidie is toegekend, wordt de eigenaarsvergoeding verminderd in verhouding met de oppervlakte waarop de verwervingssubsidie betrekking heeft. Verwervingssubsidies die meer dan twintig jaar voor de aanvraag van de eigenaarsvergoeding zijn toegekend, worden niet in mindering gebracht van de eigenaarsvergoeding.
Art. 34. L'indemnitĂ© de propriĂ©taire pour une parcelle ou une partie de parcelle est diminuĂ©e de la subvention Ă l'acquisition octroyĂ©e et versĂ©e au mĂȘme propriĂ©taire par une autoritĂ© administrative pour acquĂ©rir la parcelle ou la partie de la parcelle. Si la parcelle ou la partie de la parcelle pour laquelle une indemnitĂ© de propriĂ©taire a Ă©tĂ© octroyĂ©e ne reprĂ©sente qu'une partie des parcelles pour lesquelles la subvention Ă l'acquisition a Ă©tĂ© octroyĂ©e, l'indemnitĂ© de propriĂ©taire est diminuĂ©e au prorata de la superficie Ă laquelle se rapporte la subvention Ă l'acquisition. Les subventions Ă l'acquisition qui ont Ă©tĂ© octroyĂ©es plus de vingt ans avant la demande d'indemnitĂ© de propriĂ©taire ne sont pas dĂ©duites de l'indemnitĂ© de propriĂ©taire.
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen voor alle eigenaarsvergoedingen
Section 4. - Dispositions communes à l'ensemble des indemnités de propriétaire
Art. 35. Eigenaarsvergoedingen van minder dan 500 euro worden niet toegekend.
Art. 35. Des indemnités de propriétaire inférieures à 500 euros ne sont pas octroyées.
Art. 36. De eigenaarsvergoeding wordt bepaald op basis van de eigenaarswaarde die het deel van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat, heeft op de referentiedatum.
De referentiedatum, vermeld in het eerste lid, is de datum waarop het recht op een eigenaarsvergoeding ontstaat conform artikel 13, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, of het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
De referentiedatum, vermeld in het eerste lid, is de datum waarop het recht op een eigenaarsvergoeding ontstaat conform artikel 13, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, of het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
Art. 36. L'indemnité de propriétaire est déterminée sur la base de la valeur de propriétaire que la partie de la parcelle grevée de la restriction d'usage possÚde à la date de référence.
La date de rĂ©fĂ©rence visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est la date d'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© de propriĂ©taire conformĂ©ment Ă l'article 13, § 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023, ou le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernĂ©e visĂ© Ă l'article 18 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
La date de rĂ©fĂ©rence visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est la date d'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© de propriĂ©taire conformĂ©ment Ă l'article 13, § 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023, ou le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernĂ©e visĂ© Ă l'article 18 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK 4. - De gebruikersvergoeding
CHAPITRE 4. - L'indemnité d'usager
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de berekening van de gebruikersvergoeding voor landbouwpercelen en niet-landbouwpercelen
Section 1re. - Dispositions communes pour le calcul de l'indemnité d'usager pour des parcelles agricoles et non agricoles
Art. 37. Voor de berekening van de gebruikersvergoeding wordt het volgende verstaan onder Y en Z als vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
1° Y = (de gebruikswaarde van een gemiddelde perceel in de streek (euro/ha) - de financiële minwaarde van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat voor het effectief ingaan van de gebruiksbeperking (euro/ha)) x de oppervlakte van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat (ha);
2° Z = (de gebruikswaarde van een gemiddelde perceel in de streek (euro/ha) - de financiële minwaarde van het deel van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat na het effectief ingaan van de gebruiksbeperking (euro/ha) x de oppervlakte van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat (ha) - (de kosten van het alternatief (euro) + de kosten door niet-terugverdienbare investeringen (euro)).
1° Y = (de gebruikswaarde van een gemiddelde perceel in de streek (euro/ha) - de financiële minwaarde van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat voor het effectief ingaan van de gebruiksbeperking (euro/ha)) x de oppervlakte van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat (ha);
2° Z = (de gebruikswaarde van een gemiddelde perceel in de streek (euro/ha) - de financiële minwaarde van het deel van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat na het effectief ingaan van de gebruiksbeperking (euro/ha) x de oppervlakte van het perceel waarop de gebruiksbeperking slaat (ha) - (de kosten van het alternatief (euro) + de kosten door niet-terugverdienbare investeringen (euro)).
Art. 37. Aux fins du calcul de l'indemnité d'usager, on entend par Y et Z, tels que visés à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, du décret Instruments du 26 mai 2023, ce qui suit :
1° Y = (la valeur d'usage d'une parcelle moyenne dans la région (euros/ha) - la moins-value financiÚre de la parcelle grevée de la restriction d'usage avant la prise de cours effective de la restriction d'usage (euros/ha) x la superficie de la parcelle grevée de la restriction d'usage (ha) ;
2° Z = (la valeur d'usage d'une parcelle moyenne dans la région (euros/ha) - la moins-value financiÚre de la partie de la parcelle grevée de la restriction d'usage aprÚs la prise de cours effective de la restriction d'usage (euros/ha) x la superficie de la parcelle grevée de la restriction d'usage (ha) - (les coûts de l'alternative (euros) + les coûts d'investissement non récupérables (euros)).
1° Y = (la valeur d'usage d'une parcelle moyenne dans la région (euros/ha) - la moins-value financiÚre de la parcelle grevée de la restriction d'usage avant la prise de cours effective de la restriction d'usage (euros/ha) x la superficie de la parcelle grevée de la restriction d'usage (ha) ;
2° Z = (la valeur d'usage d'une parcelle moyenne dans la région (euros/ha) - la moins-value financiÚre de la partie de la parcelle grevée de la restriction d'usage aprÚs la prise de cours effective de la restriction d'usage (euros/ha) x la superficie de la parcelle grevée de la restriction d'usage (ha) - (les coûts de l'alternative (euros) + les coûts d'investissement non récupérables (euros)).
Art. 38. De financiële minwaarde per hectare, vermeld in artikel 37, 1° en 2°, wordt op de volgende wijze berekend:
1° voor een gebruikswaardedaling die kleiner is dan of gelijk is aan het eindgebruik: de financiële minwaarde (euro/ha) = [de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha)] x de gebruikswaardedaling (procent)/eindgebruik (procent);
2° voor een gebruikswaardedaling die groter is dan het eindgebruik en kleiner is dan de gebruiksstopzetting: de financiële minwaarde (euro/ha) = [de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha)] + diverse schadeposten (euro/ha) x [de gebruikswaardedaling (procent) - het eindgebruik (procent)]/[de gebruiksstopzetting (procent) - het eindgebruik (procent)];
3° voor een gebruikswaardedaling die gelijk is aan of groter is dan de gebruiksstopzetting: de financiële minwaarde (euro/ha) = de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha) + diverse schadeposten (euro/ha).
De kosten van het alternatief, vermeld in artikel 37, 2°, zijn de kosten voor het nemen van maatregelen die het gebruik van het perceel in overeenstemming brengen met de mogelijkheden voor het gebruik van het perceel na het ingaan van de gebruiksbeperking. De kosten van het alternatief worden pas vergoed nadat die effectief zijn gemaakt.
De kosten door niet-terugverdienbare investeringen, vermeld in artikel 37, 2°, zijn investeringen op een perceel die door de gebruiksbeperking niet meer kunnen worden terugverdiend en die voor het perceel in kwestie niet vervat zitten onder de financiële minwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°. De volgende investeringen komen alleen in aanmerking in de volgende gevallen:
1° er wordt geen openbaar onderzoek georganiseerd over het plan waarin de gebruiksbeperking is opgenomen: de investeringen die zijn gedaan voordat het recht op een compenserende vergoeding ontstaat;
2° er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over het plan waarin de gebruiksbeperking is opgenomen: de investeringen die zijn gedaan voor de start van het openbaar onderzoek.
1° voor een gebruikswaardedaling die kleiner is dan of gelijk is aan het eindgebruik: de financiële minwaarde (euro/ha) = [de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha)] x de gebruikswaardedaling (procent)/eindgebruik (procent);
2° voor een gebruikswaardedaling die groter is dan het eindgebruik en kleiner is dan de gebruiksstopzetting: de financiële minwaarde (euro/ha) = [de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha)] + diverse schadeposten (euro/ha) x [de gebruikswaardedaling (procent) - het eindgebruik (procent)]/[de gebruiksstopzetting (procent) - het eindgebruik (procent)];
3° voor een gebruikswaardedaling die gelijk is aan of groter is dan de gebruiksstopzetting: de financiële minwaarde (euro/ha) = de genotsderving (euro/ha) + de kapitaalsderving (euro/ha) + diverse schadeposten (euro/ha).
De kosten van het alternatief, vermeld in artikel 37, 2°, zijn de kosten voor het nemen van maatregelen die het gebruik van het perceel in overeenstemming brengen met de mogelijkheden voor het gebruik van het perceel na het ingaan van de gebruiksbeperking. De kosten van het alternatief worden pas vergoed nadat die effectief zijn gemaakt.
De kosten door niet-terugverdienbare investeringen, vermeld in artikel 37, 2°, zijn investeringen op een perceel die door de gebruiksbeperking niet meer kunnen worden terugverdiend en die voor het perceel in kwestie niet vervat zitten onder de financiële minwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°. De volgende investeringen komen alleen in aanmerking in de volgende gevallen:
1° er wordt geen openbaar onderzoek georganiseerd over het plan waarin de gebruiksbeperking is opgenomen: de investeringen die zijn gedaan voordat het recht op een compenserende vergoeding ontstaat;
2° er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over het plan waarin de gebruiksbeperking is opgenomen: de investeringen die zijn gedaan voor de start van het openbaar onderzoek.
Art. 38. La moins-value financiÚre par hectare visée à l'article 37, 1° et 2°, est calculée comme suit :
1° pour une diminution de la valeur d'usage inférieure ou égale à l'usage final : la moins-value financiÚre (euros/ha) = [la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha)] x la diminution de la valeur d'usage (pour cent)/usage final (pour cent) ;
2° pour une diminution de la valeur d'usage supérieure à l'usage final et inférieure à la cessation de l'usage : la moins-value financiÚre (euros/ha) = [la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha)] + divers postes de dommages (euros/ha) x [la diminution de la valeur d'usage (pour cent) - l'usage final (pour cent)]/[la cessation de l'usage (pour cent) - l'usage final (pour cent)] ;
3° pour une diminution de la valeur d'usage égale ou supérieure à la cessation de l'usage : la moins-value financiÚre (euros/ha) = la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha) + divers postes de dommages (euros/ha).
Les coûts de l'alternative visés à l'article 37, 2°, sont les coûts pour la prise de mesures de mise en conformité de l'usage de la parcelle avec les possibilités d'usage de la parcelle aprÚs la prise de cours de la restriction d'usage. Les coûts de l'alternative ne sont remboursés qu'aprÚs avoir été effectivement exposés.
Les coĂ»ts d'investissement non rĂ©cupĂ©rables visĂ©s Ă l'article 37, 2° sont les investissements consentis dans une parcelle qui ne peuvent plus ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ©s en raison de la restriction d'usage et qui ne sont pas inclus, pour la parcelle concernĂ©e, dans la moins-value financiĂšre visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, 2° et 3°. Les investissements suivants ne sont Ă©ligibles que dans les cas suivants :
1° aucune enquĂȘte publique n'est organisĂ©e concernant le plan dans lequel figure la restriction d'usage : les investissements qui ont Ă©tĂ© consentis avant l'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© compensatoire ;
2° une enquĂȘte publique est organisĂ©e concernant le plan dans lequel figure la restriction d'usage : les investissements qui ont Ă©tĂ© consentis avant l'ouverture de l'enquĂȘte publique.
1° pour une diminution de la valeur d'usage inférieure ou égale à l'usage final : la moins-value financiÚre (euros/ha) = [la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha)] x la diminution de la valeur d'usage (pour cent)/usage final (pour cent) ;
2° pour une diminution de la valeur d'usage supérieure à l'usage final et inférieure à la cessation de l'usage : la moins-value financiÚre (euros/ha) = [la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha)] + divers postes de dommages (euros/ha) x [la diminution de la valeur d'usage (pour cent) - l'usage final (pour cent)]/[la cessation de l'usage (pour cent) - l'usage final (pour cent)] ;
3° pour une diminution de la valeur d'usage égale ou supérieure à la cessation de l'usage : la moins-value financiÚre (euros/ha) = la perte de jouissance (euros/ha) + la perte de capital (euros/ha) + divers postes de dommages (euros/ha).
Les coûts de l'alternative visés à l'article 37, 2°, sont les coûts pour la prise de mesures de mise en conformité de l'usage de la parcelle avec les possibilités d'usage de la parcelle aprÚs la prise de cours de la restriction d'usage. Les coûts de l'alternative ne sont remboursés qu'aprÚs avoir été effectivement exposés.
Les coĂ»ts d'investissement non rĂ©cupĂ©rables visĂ©s Ă l'article 37, 2° sont les investissements consentis dans une parcelle qui ne peuvent plus ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ©s en raison de la restriction d'usage et qui ne sont pas inclus, pour la parcelle concernĂ©e, dans la moins-value financiĂšre visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, 2° et 3°. Les investissements suivants ne sont Ă©ligibles que dans les cas suivants :
1° aucune enquĂȘte publique n'est organisĂ©e concernant le plan dans lequel figure la restriction d'usage : les investissements qui ont Ă©tĂ© consentis avant l'ouverture du droit Ă une indemnitĂ© compensatoire ;
2° une enquĂȘte publique est organisĂ©e concernant le plan dans lequel figure la restriction d'usage : les investissements qui ont Ă©tĂ© consentis avant l'ouverture de l'enquĂȘte publique.
Art. 39. Gebruikersvergoedingen van minder dan 25 euro worden niet toegekend.
Art. 39. Des indemnités d'usager inférieures à 25 euros ne sont pas octroyées.
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de berekening van de gebruikersvergoeding voor landbouwpercelen
Section 2. - Dispositions spécifiques pour le calcul de l'indemnité d'usager pour des parcelles agricoles
Art. 40. Een aanvrager of een begunstigde van een gebruikersvergoeding voor landbouwpercelen haalt beroepsinkomsten uit een perceel als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de voormelde aanvrager of begunstigde is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
2° het perceel waarvoor een gebruikersvergoeding wordt gevraagd, is geregistreerd als landbouwgrond conform artikel 3 van het voormelde decreet.
1° de voormelde aanvrager of begunstigde is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
2° het perceel waarvoor een gebruikersvergoeding wordt gevraagd, is geregistreerd als landbouwgrond conform artikel 3 van het voormelde decreet.
Art. 40. Un demandeur ou un bénéficiaire d'une indemnité d'usager pour des parcelles agricoles tire des revenus professionnels d'une parcelle si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° le demandeur ou bénéficiaire précité a été enregistré comme agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
2° la parcelle pour laquelle une indemnité d'usager est demandée a été enregistrée comme terre agricole conformément à l'article 3 du décret précité.
1° le demandeur ou bénéficiaire précité a été enregistré comme agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
2° la parcelle pour laquelle une indemnité d'usager est demandée a été enregistrée comme terre agricole conformément à l'article 3 du décret précité.
Art. 41. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing als een gebruikersvergoeding voor landbouwpercelen wordt gevraagd.
De genotsderving, vermeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt vier keer de gemiddelde jaarlijkse semibrutowinst van de verbouwde teelt (euro/ha). De voormelde semibrutowinst wordt berekend conform de forfaitaire grondslagen van aanslag uit het Wetboek van de Inkomstenbelasting.
Onder kapitaalsderving als vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt verstaan: het bedrijfsverlies aan dieren en materieel, het verlies voor de perceelsoppervlakte die aansluit aan de bedrijfszetel, en de bedrijfsontreddering van gebouwen die zijn veroorzaakt door de instelling van de gebruiksbeperking op het perceel (euro/ha).
Diverse schadeposten als vermeld in artikel 38, eerste lid, zijn posten die niet zijn opgenomen in de genotsderving, namelijk het verlies van de navette, het verlies van nutriëntenemissierechten en het verlies van grondgebonden productiepremies (euro/ha). De voormelde diverse schadeposten ontstaan vanaf het eindgebruik en zijn maximaal bij de gebruiksstopzetting.
Het eindgebruik, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling, waarbij het landbouwgebruik niet meer rendabel is. Het eindgebruik wordt bepaald per bedrijf op basis van de verbouwde teelten en het areaal ervan.
De gebruiksstopzetting, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij er op het perceel geen landbouwgebruik meer mogelijk is. De gebruiksstopzetting wordt bepaald per bedrijf op basis van de verbouwde teelten en het areaal ervan.
De gebruikswaardedaling, vermeld in het vierde en vijfde lid, en in artikel 38, eerste lid, is de procentuele daling van de gebruiksmogelijkheden van een perceel voor een verbouwde teelt. Er is geen gebruikswaardedaling als de gebruiksmogelijkheden gelijk zijn aan die van een gemiddeld perceel van de streek waarbij er geen gebruiksbeperking is.
De verbouwde teelt, vermeld in het eerste lid en in het vierde tot en met het zesde lid, wordt bepaald op basis van de teelten die gedurende vier jaar voor het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18 van dit besluit, zijn verbouwd conform de verzamelaanvraag, vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid. Er wordt alleen rekening gehouden met de teelten in de periode waarin de aanvrager of de begunstigde zelf het perceel in gebruik had.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, kan de gebruikswaardedaling, vermeld in het zesde lid, en de kosten van het alternatief, vermeld in artikel 38, tweede lid, vaststellen.
De genotsderving, vermeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt vier keer de gemiddelde jaarlijkse semibrutowinst van de verbouwde teelt (euro/ha). De voormelde semibrutowinst wordt berekend conform de forfaitaire grondslagen van aanslag uit het Wetboek van de Inkomstenbelasting.
Onder kapitaalsderving als vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt verstaan: het bedrijfsverlies aan dieren en materieel, het verlies voor de perceelsoppervlakte die aansluit aan de bedrijfszetel, en de bedrijfsontreddering van gebouwen die zijn veroorzaakt door de instelling van de gebruiksbeperking op het perceel (euro/ha).
Diverse schadeposten als vermeld in artikel 38, eerste lid, zijn posten die niet zijn opgenomen in de genotsderving, namelijk het verlies van de navette, het verlies van nutriëntenemissierechten en het verlies van grondgebonden productiepremies (euro/ha). De voormelde diverse schadeposten ontstaan vanaf het eindgebruik en zijn maximaal bij de gebruiksstopzetting.
Het eindgebruik, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling, waarbij het landbouwgebruik niet meer rendabel is. Het eindgebruik wordt bepaald per bedrijf op basis van de verbouwde teelten en het areaal ervan.
De gebruiksstopzetting, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij er op het perceel geen landbouwgebruik meer mogelijk is. De gebruiksstopzetting wordt bepaald per bedrijf op basis van de verbouwde teelten en het areaal ervan.
De gebruikswaardedaling, vermeld in het vierde en vijfde lid, en in artikel 38, eerste lid, is de procentuele daling van de gebruiksmogelijkheden van een perceel voor een verbouwde teelt. Er is geen gebruikswaardedaling als de gebruiksmogelijkheden gelijk zijn aan die van een gemiddeld perceel van de streek waarbij er geen gebruiksbeperking is.
De verbouwde teelt, vermeld in het eerste lid en in het vierde tot en met het zesde lid, wordt bepaald op basis van de teelten die gedurende vier jaar voor het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18 van dit besluit, zijn verbouwd conform de verzamelaanvraag, vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid. Er wordt alleen rekening gehouden met de teelten in de periode waarin de aanvrager of de begunstigde zelf het perceel in gebruik had.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, kan de gebruikswaardedaling, vermeld in het zesde lid, en de kosten van het alternatief, vermeld in artikel 38, tweede lid, vaststellen.
Art. 41. Les dispositions du présent article s'appliquent si une indemnité d'usager est demandée pour des parcelles agricoles.
La perte de jouissance visée à l'article 38, alinéa 1er, s'élÚve à quatre fois le bénéfice semi-brut annuel moyen de la culture mise en place (euros/ha). Le bénéfice semi-brut précité est calculé conformément aux bases forfaitaires de taxation du Code des impÎts sur les revenus.
Par perte de capital telle que visée à l'article 38, alinéa 1er, on entend : la perte professionnelle en cheptel et en matériel, la perte pour la superficie de la parcelle jouxtant le siÚge de l'exploitation et la désaffectation de constructions qui ont été occasionnées par l'instauration de la restriction d'usage sur la parcelle (euros/ha).
Les divers postes de dommages, tels que visés à l'article 38, alinéa 1er, sont des postes non repris dans la perte de jouissance, à savoir la perte des arriÚre-engrais, la perte des droits d'émissions de nutriments (euros/ha) et la perte des primes à la production liée au sol (euros/ha). Les divers postes de dommages précités apparaissent à partir de l'usage final et sont au maximum à la cessation de l'usage.
L'usage final visé à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage agricole n'est plus rentable. L'usage final est déterminé par exploitation sur la base des cultures mises en place et de leur superficie.
La cessation de l'usage visée à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage agricole n'est plus possible sur la parcelle. La cessation de l'usage est déterminée par exploitation sur la base des cultures mises en place et de leur superficie.
La diminution de la valeur d'usage visée aux alinéas 4 et 5 et à l'article 38, alinéa 1er, est la diminution en pourcentage des possibilités d'usage d'une parcelle pour une culture mise en place. Il n'y a pas diminution de la valeur d'usage si les possibilités d'usage sont équivalentes à celles d'une parcelle moyenne de la région non grevée d'une restriction d'usage.
La culture mise en place visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er et aux alinĂ©as 4 Ă alinĂ©a 6 est dĂ©terminĂ©e sur la base des cultures qui, durant les quatre annĂ©es qui prĂ©cĂšdent le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernĂ©e visĂ© Ă l'article 18 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont Ă©tĂ© mises en place conformĂ©ment Ă la demande unique visĂ©e Ă l'article 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 fĂ©vrier 2007 contenant des dispositions relatives Ă la crĂ©ation d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture. Seules les cultures pendant la pĂ©riode durant laquelle le demandeur ou le bĂ©nĂ©ficiaire occupait personnellement la parcelle sont prises en compte.
Le ministre flamand qui a l'Agriculture dans ses attributions peut fixer la diminution de la valeur d'usage visée à l'alinéa 6 et les coûts de l'alternative visés à l'article 38, alinéa 2.
La perte de jouissance visée à l'article 38, alinéa 1er, s'élÚve à quatre fois le bénéfice semi-brut annuel moyen de la culture mise en place (euros/ha). Le bénéfice semi-brut précité est calculé conformément aux bases forfaitaires de taxation du Code des impÎts sur les revenus.
Par perte de capital telle que visée à l'article 38, alinéa 1er, on entend : la perte professionnelle en cheptel et en matériel, la perte pour la superficie de la parcelle jouxtant le siÚge de l'exploitation et la désaffectation de constructions qui ont été occasionnées par l'instauration de la restriction d'usage sur la parcelle (euros/ha).
Les divers postes de dommages, tels que visés à l'article 38, alinéa 1er, sont des postes non repris dans la perte de jouissance, à savoir la perte des arriÚre-engrais, la perte des droits d'émissions de nutriments (euros/ha) et la perte des primes à la production liée au sol (euros/ha). Les divers postes de dommages précités apparaissent à partir de l'usage final et sont au maximum à la cessation de l'usage.
L'usage final visé à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage agricole n'est plus rentable. L'usage final est déterminé par exploitation sur la base des cultures mises en place et de leur superficie.
La cessation de l'usage visée à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage agricole n'est plus possible sur la parcelle. La cessation de l'usage est déterminée par exploitation sur la base des cultures mises en place et de leur superficie.
La diminution de la valeur d'usage visée aux alinéas 4 et 5 et à l'article 38, alinéa 1er, est la diminution en pourcentage des possibilités d'usage d'une parcelle pour une culture mise en place. Il n'y a pas diminution de la valeur d'usage si les possibilités d'usage sont équivalentes à celles d'une parcelle moyenne de la région non grevée d'une restriction d'usage.
La culture mise en place visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er et aux alinĂ©as 4 Ă alinĂ©a 6 est dĂ©terminĂ©e sur la base des cultures qui, durant les quatre annĂ©es qui prĂ©cĂšdent le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernĂ©e visĂ© Ă l'article 18 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont Ă©tĂ© mises en place conformĂ©ment Ă la demande unique visĂ©e Ă l'article 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 fĂ©vrier 2007 contenant des dispositions relatives Ă la crĂ©ation d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture. Seules les cultures pendant la pĂ©riode durant laquelle le demandeur ou le bĂ©nĂ©ficiaire occupait personnellement la parcelle sont prises en compte.
Le ministre flamand qui a l'Agriculture dans ses attributions peut fixer la diminution de la valeur d'usage visée à l'alinéa 6 et les coûts de l'alternative visés à l'article 38, alinéa 2.
Afdeling 3. - Specifieke bepalingen voor de berekening van de gebruikersvergoeding voor niet-landbouwpercelen
Section 3. - Dispositions spécifiques pour le calcul de l'indemnité d'usager pour des parcelles non agricoles
Art. 42. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing als een gebruikersvergoeding voor niet-landbouwpercelen wordt gevraagd.
De genotsderving, vermeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt viermaal de gemiddelde jaarlijks te behalen beroepsinkomsten op het perceel (euro/ha).
Onder kapitaalsderving als vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt verstaan: het bedrijfsverlies aan materieel, het verlies voor de perceelsoppervlakte die aansluit aan de bedrijfszetel, en de bedrijfsontreddering van gebouwen die zijn veroorzaakt door de instelling van de gebruiksbeperking op het perceel (euro/ha).
Diverse schadeposten als vermeld in artikel 38, eerste lid, zijn posten die niet zijn opgenomen in de genotsderving en die bij de aanvraag worden bewezen door de gebruiker. De voormelde diverse schadeposten ontstaan vanaf het eindgebruik en zijn maximaal bij de gebruiksstopzetting.
Het eindgebruik, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij het actuele gebruik niet meer rendabel is. Het eindgebruik wordt bepaald op basis van het actuele gebruik.
De gebruiksstopzetting, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij het actuele gebruik op het perceel niet meer mogelijk is. De gebruiksstopzetting wordt bepaald op basis van het actuele gebruik.
De gebruikswaardedaling, vermeld in het vierde en vijfde lid, en in artikel 38, eerste lid, is de procentuele daling van de gebruiksmogelijkheden van een perceel voor het actuele gebruik. Er is geen gebruikswaardedaling als de gebruiksmogelijkheden gelijk zijn aan die van een gemiddeld perceel van de streek waarbij er geen gebruiksbeperking is.
Het actuele gebruik, vermeld in het vierde lid tot en met zesde lid, wordt bepaald op basis van het type gebruik dat plaatsvond gedurende vier jaar voor het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18. Er wordt alleen rekening gehouden met het gebruik in de periode waarin de aanvrager of de begunstigde zelf het perceel in gebruik had.
De genotsderving, vermeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt viermaal de gemiddelde jaarlijks te behalen beroepsinkomsten op het perceel (euro/ha).
Onder kapitaalsderving als vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt verstaan: het bedrijfsverlies aan materieel, het verlies voor de perceelsoppervlakte die aansluit aan de bedrijfszetel, en de bedrijfsontreddering van gebouwen die zijn veroorzaakt door de instelling van de gebruiksbeperking op het perceel (euro/ha).
Diverse schadeposten als vermeld in artikel 38, eerste lid, zijn posten die niet zijn opgenomen in de genotsderving en die bij de aanvraag worden bewezen door de gebruiker. De voormelde diverse schadeposten ontstaan vanaf het eindgebruik en zijn maximaal bij de gebruiksstopzetting.
Het eindgebruik, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij het actuele gebruik niet meer rendabel is. Het eindgebruik wordt bepaald op basis van het actuele gebruik.
De gebruiksstopzetting, vermeld in artikel 38, eerste lid, is de gebruikswaardedaling waarbij het actuele gebruik op het perceel niet meer mogelijk is. De gebruiksstopzetting wordt bepaald op basis van het actuele gebruik.
De gebruikswaardedaling, vermeld in het vierde en vijfde lid, en in artikel 38, eerste lid, is de procentuele daling van de gebruiksmogelijkheden van een perceel voor het actuele gebruik. Er is geen gebruikswaardedaling als de gebruiksmogelijkheden gelijk zijn aan die van een gemiddeld perceel van de streek waarbij er geen gebruiksbeperking is.
Het actuele gebruik, vermeld in het vierde lid tot en met zesde lid, wordt bepaald op basis van het type gebruik dat plaatsvond gedurende vier jaar voor het moment waarop de gebruiksbeperking effectief ingaat op het perceel in kwestie, vermeld in artikel 18. Er wordt alleen rekening gehouden met het gebruik in de periode waarin de aanvrager of de begunstigde zelf het perceel in gebruik had.
Art. 42. Les dispositions du présent article s'appliquent si une indemnité d'usager est demandée pour des parcelles non agricoles.
La perte de jouissance visée à l'article 38, alinéa 1er, s'élÚve à quatre fois les revenus professionnels moyens à dégager annuellement de la parcelle (euros/ha).
Par perte de capital telle que visée à l'article 38, alinéa 1er, on entend : la perte professionnelle en matériel, la perte pour la superficie de la parcelle jouxtant le siÚge de l'exploitation et la désaffectation de constructions qui ont été occasionnées par l'instauration de la restriction d'usage sur la parcelle (euros/ha).
Les divers postes de dommages tels que visés à l'article 38, alinéa 1er, sont des postes non repris dans la perte de jouissance et qui sont prouvés par l'usager lors de la demande. Les divers postes de dommages précités apparaissent à partir de l'usage final et sont au maximum à la cessation de l'usage.
L'usage final visé à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage actuel n'est plus rentable. L'usage final est déterminé sur la base de l'usage actuel.
La cessation de l'usage visée à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage actuel n'est plus possible sur la parcelle. La cessation de l'usage est déterminée sur la base de l'usage actuel.
La diminution de la valeur d'usage visée aux alinéas 4 et 5 et à l'article 38, alinéa 1er, est la diminution en pourcentage des possibilités d'usage d'une parcelle pour l'usage actuel. Il n'y a pas diminution de la valeur d'usage si les possibilités d'usage sont équivalentes à celles d'une parcelle moyenne de la région non grevée d'une restriction d'usage.
L'usage actuel visé aux alinéas 4 à 6 est déterminé sur la base du type d'usage durant les quatre années qui précÚdent le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernée visé à l'article 18. Seul l'usage pendant la période durant laquelle le demandeur ou le bénéficiaire occupait personnellement la parcelle est pris en compte.
La perte de jouissance visée à l'article 38, alinéa 1er, s'élÚve à quatre fois les revenus professionnels moyens à dégager annuellement de la parcelle (euros/ha).
Par perte de capital telle que visée à l'article 38, alinéa 1er, on entend : la perte professionnelle en matériel, la perte pour la superficie de la parcelle jouxtant le siÚge de l'exploitation et la désaffectation de constructions qui ont été occasionnées par l'instauration de la restriction d'usage sur la parcelle (euros/ha).
Les divers postes de dommages tels que visés à l'article 38, alinéa 1er, sont des postes non repris dans la perte de jouissance et qui sont prouvés par l'usager lors de la demande. Les divers postes de dommages précités apparaissent à partir de l'usage final et sont au maximum à la cessation de l'usage.
L'usage final visé à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage actuel n'est plus rentable. L'usage final est déterminé sur la base de l'usage actuel.
La cessation de l'usage visée à l'article 38, alinéa 1er, correspond à la diminution de la valeur d'usage telle que l'usage actuel n'est plus possible sur la parcelle. La cessation de l'usage est déterminée sur la base de l'usage actuel.
La diminution de la valeur d'usage visée aux alinéas 4 et 5 et à l'article 38, alinéa 1er, est la diminution en pourcentage des possibilités d'usage d'une parcelle pour l'usage actuel. Il n'y a pas diminution de la valeur d'usage si les possibilités d'usage sont équivalentes à celles d'une parcelle moyenne de la région non grevée d'une restriction d'usage.
L'usage actuel visé aux alinéas 4 à 6 est déterminé sur la base du type d'usage durant les quatre années qui précÚdent le moment de la prise de cours effective de la restriction d'usage sur la parcelle concernée visé à l'article 18. Seul l'usage pendant la période durant laquelle le demandeur ou le bénéficiaire occupait personnellement la parcelle est pris en compte.
HOOFDSTUK 5. - Verwerking van gegevens
CHAPITRE 5. - Traitement des données
Art. 43. § 1. Conform artikel 7, § 3, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, verwerkt de landcommissie de informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, die noodzakelijk is om de taken uit te voeren in verband met de compenserende vergoedingen, vermeld in titel 2 van dit besluit.
§ 2. De landcommissie verzamelt, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, vermeld in het eerste lid, rechtstreeks bij de instantie of de overheid die over de inlichtingen beschikt, de volgende informatie:
1° de wettelijke identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen en, in voorkomend geval, de Kruispuntbankregisters;
2° de vergelijkingspunten voor de verkoopprijzen van gelijkaardige onroerende goederen;
3° de gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde;
4° gegevens in verband met persoonlijke en zakelijke rechten;
5° gegevens die een invloed kunnen hebben op het inkomen of het potentiële inkomen van een perceel, in het bijzonder de aanwezige teelt en dieren, het bemestingsregime, de bodemgeschiktheid en de landbouwstreek;
6° de stedenbouwkundige inlichtingen die vervat zijn in het plannen- en vergunningenregister en ook andere goedgekeurde vergunningen;
7° bodemattesten en gegevens over een eventuele verontreiniging;
8° in voorkomend geval, gegevens van aanvragers in verband met de unieke wijze van identificatie als landbouwer in het GBCS, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 22 december 20066 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, in het bijzonder het landbouwernummer en het exploitatienummer;
9° de verwervingsaktes van de percelen die betrekking hebben op de aanvraag;
10° de verwervingsaktes van de vergelijkingspunten;
11° gegevens over de planbatenheffing die verschuldigd is of was voor het perceel of perceelsdeel waarvoor een vergoeding wordt gevraagd.
§ 3. De landcommissie verwerkt de persoonsgegevens onder de volgende voorwaarden:
1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;
2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als vermeld in artikel 7, paragraaf 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en worden vervolgens niet verder op een wijze verwerkt die met die doeleinden onverenigbaar is;
3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
4° de persoonsgegevens zijn juist en worden geactualiseerd als dat nodig is;
5° alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die onjuist zijn, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onmiddellijk te wissen of te verbeteren;
6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen, op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging;
8° de landcommissie implementeert passende en technische en organisatorische maartregelen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat conform het risico is afgestemd, in overeenstemming met artikel 32 van de algemene verordening gegevensbeschermingen evalueert op regelmatige basis de geschiktheid van de veiligheidsmaatregelen en past ze aan waar nodig.
§ 4. De landcommissie is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, en kan dat aantonen.
§ 5. De landcommissie neemt overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkene te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening en informeren de betrokkene over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening.
§ 6. De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal vijf jaar bewaard:
1° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op het behandelen van een klacht. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de klacht afgehandeld is;
2° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een aanvraag tot openbaarmaking of hergebruik van een bestuursdocument. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat een beslissing genomen is over de aanvraag.
De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal dertig jaar bewaard: de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een vergoeding ter compensatie van een gebruiksbeperking op een onroerend goed. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de vergoeding is betaald of de aanvraag is geweigerd.
Als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beslissing met betrekking tot de bestuursdocumenten, vermeld in deze paragraaf, worden de lopende bewaartermijnen geschorst tot er een definitieve, in kracht van gewijsde gegane en uitvoerbare beslissing is genomen over het rechtsmiddel.
§ 7. Voor andere categorieën van bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 6, en die persoonsgegevens bevatten, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de selectiecommissies, vermeld in artikel III.88, § 1, van het Bestuursdecreet de maximale bewaartermijnen bepalen.
§ 2. De landcommissie verzamelt, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, vermeld in het eerste lid, rechtstreeks bij de instantie of de overheid die over de inlichtingen beschikt, de volgende informatie:
1° de wettelijke identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen en, in voorkomend geval, de Kruispuntbankregisters;
2° de vergelijkingspunten voor de verkoopprijzen van gelijkaardige onroerende goederen;
3° de gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde;
4° gegevens in verband met persoonlijke en zakelijke rechten;
5° gegevens die een invloed kunnen hebben op het inkomen of het potentiële inkomen van een perceel, in het bijzonder de aanwezige teelt en dieren, het bemestingsregime, de bodemgeschiktheid en de landbouwstreek;
6° de stedenbouwkundige inlichtingen die vervat zijn in het plannen- en vergunningenregister en ook andere goedgekeurde vergunningen;
7° bodemattesten en gegevens over een eventuele verontreiniging;
8° in voorkomend geval, gegevens van aanvragers in verband met de unieke wijze van identificatie als landbouwer in het GBCS, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 22 december 20066 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, in het bijzonder het landbouwernummer en het exploitatienummer;
9° de verwervingsaktes van de percelen die betrekking hebben op de aanvraag;
10° de verwervingsaktes van de vergelijkingspunten;
11° gegevens over de planbatenheffing die verschuldigd is of was voor het perceel of perceelsdeel waarvoor een vergoeding wordt gevraagd.
§ 3. De landcommissie verwerkt de persoonsgegevens onder de volgende voorwaarden:
1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;
2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als vermeld in artikel 7, paragraaf 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en worden vervolgens niet verder op een wijze verwerkt die met die doeleinden onverenigbaar is;
3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
4° de persoonsgegevens zijn juist en worden geactualiseerd als dat nodig is;
5° alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die onjuist zijn, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onmiddellijk te wissen of te verbeteren;
6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen, op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging;
8° de landcommissie implementeert passende en technische en organisatorische maartregelen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat conform het risico is afgestemd, in overeenstemming met artikel 32 van de algemene verordening gegevensbeschermingen evalueert op regelmatige basis de geschiktheid van de veiligheidsmaatregelen en past ze aan waar nodig.
§ 4. De landcommissie is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, en kan dat aantonen.
§ 5. De landcommissie neemt overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkene te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening en informeren de betrokkene over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening.
§ 6. De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal vijf jaar bewaard:
1° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op het behandelen van een klacht. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de klacht afgehandeld is;
2° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een aanvraag tot openbaarmaking of hergebruik van een bestuursdocument. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat een beslissing genomen is over de aanvraag.
De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal dertig jaar bewaard: de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een vergoeding ter compensatie van een gebruiksbeperking op een onroerend goed. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de vergoeding is betaald of de aanvraag is geweigerd.
Als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beslissing met betrekking tot de bestuursdocumenten, vermeld in deze paragraaf, worden de lopende bewaartermijnen geschorst tot er een definitieve, in kracht van gewijsde gegane en uitvoerbare beslissing is genomen over het rechtsmiddel.
§ 7. Voor andere categorieën van bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 6, en die persoonsgegevens bevatten, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de selectiecommissies, vermeld in artikel III.88, § 1, van het Bestuursdecreet de maximale bewaartermijnen bepalen.
Art. 43. § 1er. ConformĂ©ment Ă l'article 7, § 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023, la commission fonciĂšre traite les informations, y compris les donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, nĂ©cessaires Ă l'exĂ©cution des tĂąches liĂ©es aux indemnitĂ©s compensatoires visĂ©es dans le titre 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Si cela est nécessaire à l'accomplissement des tùches visées à l'alinéa 1er, la commission fonciÚre collecte, directement auprÚs de l'instance ou de l'autorité qui dispose des renseignements, les informations suivantes :
1° les données d'identification légales figurant dans le Registre national des personnes physiques et, le cas échéant, les registres Banque Carrefour ;
2° les points de comparaison pour les prix de vente de biens immobiliers similaires ;
3° les données relatives aux biens immobiliers et aux parcelles pour lesquels une indemnité est demandée, dont les données cadastrales, les données sur les servitudes et la valeur d'acquisition ;
4° les données relatives aux droits personnels et réels ;
5° les données susceptibles d'influencer le revenu ou le revenu potentiel d'une parcelle, en particulier la culture et le cheptel présents, le régime de fertilisation, la qualité du sol et la région agricole ;
6° les renseignements urbanistiques contenus dans le registre des plans et permis ainsi que d'autres permis approuvés ;
7° les attestations du sol et les données relatives à une éventuelle pollution ;
8° le cas échéant, les données de demandeurs relatives au mode unique d'identification en tant qu'agriculteur dans le SIGC visé à l'article 4, § 1er, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, en particulier le numéro d'agriculteur et le numéro d'exploitation ;
9° les actes d'acquisition des parcelles qui se rapportent à la demande ;
10° les actes d'acquisition des points de comparaison ;
11° les données relatives à la taxe sur les bénéfices résultant de la planification qui est ou était due pour la parcelle ou la partie de parcelle pour laquelle une indemnité est demandée.
§ 3. La commission fonciÚre traite les données à caractÚre personnel aux conditions suivantes :
1° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre licite, loyale et transparente au regard de la personne concernée ;
2° les données à caractÚre personnel sont collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes, telles que visées à l'article 7, paragraphe 3, du décret Instruments du 26 mai 2023, et ne sont pas traitées ultérieurement d'une maniÚre incompatible avec ces finalités ;
3° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre adéquate, pertinente et limitée à ce qui est nécessaire au regard des fins auxquelles elles sont traitées ;
4° les données à caractÚre personnel sont exactes et, si nécessaire, tenues à jour ;
5° toutes les mesures raisonnables sont prises pour effacer ou corriger immédiatement les données à caractÚre personnel qui sont inexactes, eu égard aux fins auxquelles elles sont traitées ;
6° les données à caractÚre personnel sont conservées sous une forme permettant de ne pas identifier l'intéressé plus longtemps qu'il ne faut pour les fins auxquelles les données à caractÚre personnel sont traitées ;
7° les données à caractÚre personnel sont traitées, à l'aide de mesures techniques ou organisationnelles appropriées, de façon à en garantir une sécurité appropriée, y compris la protection contre le traitement non autorisé ou illicite et contre la perte, la destruction ou les dégùts d'origine accidentelle ;
8° la commission fonciÚre met en oeuvre les mesures techniques et organisationnelles appropriées afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque conformément à l'article 32 du rÚglement général sur la protection des données, évalue réguliÚrement l'adéquation des mesures de sécurité et, au besoin, les adapte.
§ 4. La commission fonciÚre est responsable du respect des conditions énoncées à l'alinéa 3 et est en mesure de démontrer que celles-ci sont respectées.
§ 5. La commission fonciÚre prend, conformément à l'article 12 du rÚglement général sur la protection des données, des mesures appropriées pour informer l'intéressé du traitement de ses données à caractÚre personnel conformément aux articles 13 et 14 du rÚglement précité et pour informer l'intéressé des droits visés aux articles 15 à 22 et à l'article 34 du rÚglement précité.
§ 6. Les documents administratifs suivants sont conservés cinq ans maximum s'ils contiennent des données à caractÚre personnel :
1° les documents administratifs relatifs au traitement d'une plainte. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč la plainte a Ă©tĂ© traitĂ©e ;
2° les documents administratifs relatifs Ă une demande de publicitĂ© ou de rĂ©utilisation d'un document administratif. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč une dĂ©cision au sujet de la demande a Ă©tĂ© prise.
Les documents administratifs suivants sont conservĂ©s trente ans maximum s'ils contiennent des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel : les documents administratifs relatif Ă une indemnitĂ© en compensation d'une restriction d'usage d'un bien immobilier. Ce dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč l'indemnitĂ© a Ă©tĂ© versĂ©e ou la demande a Ă©tĂ© refusĂ©e.
Si un recours est introduit contre une décision concernant les documents administratifs mentionnés dans le présent paragraphe, les délais de conservation en cours sont suspendus jusqu'à ce qu'une décision définitive, coulée en force de chose jugée et exécutoire ait été prise au sujet du recours.
§ 7. Concernant les catégories de documents administratifs autres que les documents administratifs mentionnés dans le paragraphe 6 et qui contiennent des données à caractÚre personnel, le Gouvernement flamand peut fixer les durées de conservation maximales sur proposition des commissions de sélection visées à l'article III.88, § 1er, du décret de gouvernance.
§ 2. Si cela est nécessaire à l'accomplissement des tùches visées à l'alinéa 1er, la commission fonciÚre collecte, directement auprÚs de l'instance ou de l'autorité qui dispose des renseignements, les informations suivantes :
1° les données d'identification légales figurant dans le Registre national des personnes physiques et, le cas échéant, les registres Banque Carrefour ;
2° les points de comparaison pour les prix de vente de biens immobiliers similaires ;
3° les données relatives aux biens immobiliers et aux parcelles pour lesquels une indemnité est demandée, dont les données cadastrales, les données sur les servitudes et la valeur d'acquisition ;
4° les données relatives aux droits personnels et réels ;
5° les données susceptibles d'influencer le revenu ou le revenu potentiel d'une parcelle, en particulier la culture et le cheptel présents, le régime de fertilisation, la qualité du sol et la région agricole ;
6° les renseignements urbanistiques contenus dans le registre des plans et permis ainsi que d'autres permis approuvés ;
7° les attestations du sol et les données relatives à une éventuelle pollution ;
8° le cas échéant, les données de demandeurs relatives au mode unique d'identification en tant qu'agriculteur dans le SIGC visé à l'article 4, § 1er, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, en particulier le numéro d'agriculteur et le numéro d'exploitation ;
9° les actes d'acquisition des parcelles qui se rapportent à la demande ;
10° les actes d'acquisition des points de comparaison ;
11° les données relatives à la taxe sur les bénéfices résultant de la planification qui est ou était due pour la parcelle ou la partie de parcelle pour laquelle une indemnité est demandée.
§ 3. La commission fonciÚre traite les données à caractÚre personnel aux conditions suivantes :
1° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre licite, loyale et transparente au regard de la personne concernée ;
2° les données à caractÚre personnel sont collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes, telles que visées à l'article 7, paragraphe 3, du décret Instruments du 26 mai 2023, et ne sont pas traitées ultérieurement d'une maniÚre incompatible avec ces finalités ;
3° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre adéquate, pertinente et limitée à ce qui est nécessaire au regard des fins auxquelles elles sont traitées ;
4° les données à caractÚre personnel sont exactes et, si nécessaire, tenues à jour ;
5° toutes les mesures raisonnables sont prises pour effacer ou corriger immédiatement les données à caractÚre personnel qui sont inexactes, eu égard aux fins auxquelles elles sont traitées ;
6° les données à caractÚre personnel sont conservées sous une forme permettant de ne pas identifier l'intéressé plus longtemps qu'il ne faut pour les fins auxquelles les données à caractÚre personnel sont traitées ;
7° les données à caractÚre personnel sont traitées, à l'aide de mesures techniques ou organisationnelles appropriées, de façon à en garantir une sécurité appropriée, y compris la protection contre le traitement non autorisé ou illicite et contre la perte, la destruction ou les dégùts d'origine accidentelle ;
8° la commission fonciÚre met en oeuvre les mesures techniques et organisationnelles appropriées afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque conformément à l'article 32 du rÚglement général sur la protection des données, évalue réguliÚrement l'adéquation des mesures de sécurité et, au besoin, les adapte.
§ 4. La commission fonciÚre est responsable du respect des conditions énoncées à l'alinéa 3 et est en mesure de démontrer que celles-ci sont respectées.
§ 5. La commission fonciÚre prend, conformément à l'article 12 du rÚglement général sur la protection des données, des mesures appropriées pour informer l'intéressé du traitement de ses données à caractÚre personnel conformément aux articles 13 et 14 du rÚglement précité et pour informer l'intéressé des droits visés aux articles 15 à 22 et à l'article 34 du rÚglement précité.
§ 6. Les documents administratifs suivants sont conservés cinq ans maximum s'ils contiennent des données à caractÚre personnel :
1° les documents administratifs relatifs au traitement d'une plainte. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč la plainte a Ă©tĂ© traitĂ©e ;
2° les documents administratifs relatifs Ă une demande de publicitĂ© ou de rĂ©utilisation d'un document administratif. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč une dĂ©cision au sujet de la demande a Ă©tĂ© prise.
Les documents administratifs suivants sont conservĂ©s trente ans maximum s'ils contiennent des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel : les documents administratifs relatif Ă une indemnitĂ© en compensation d'une restriction d'usage d'un bien immobilier. Ce dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč l'indemnitĂ© a Ă©tĂ© versĂ©e ou la demande a Ă©tĂ© refusĂ©e.
Si un recours est introduit contre une décision concernant les documents administratifs mentionnés dans le présent paragraphe, les délais de conservation en cours sont suspendus jusqu'à ce qu'une décision définitive, coulée en force de chose jugée et exécutoire ait été prise au sujet du recours.
§ 7. Concernant les catégories de documents administratifs autres que les documents administratifs mentionnés dans le paragraphe 6 et qui contiennent des données à caractÚre personnel, le Gouvernement flamand peut fixer les durées de conservation maximales sur proposition des commissions de sélection visées à l'article III.88, § 1er, du décret de gouvernance.
TITEL 3. - Koopplichten
TITRE 3. - Obligations d'achat
HOOFDSTUK 1. - Koopplichten als vermeld in artikel 21, § 1, 1° tot en met 4°, en 7° van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
CHAPITRE 1er. - Obligations d'achat telles que visées à l'article 21, § 1er, 1° à 4° et 7° du décret Instruments du 26 mai 2023
Afdeling 1. - Administratief beheer en procedure van de koopplichten, vermeld in artikel 21, § 1, 1° tot en met 4°, en 7°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
Section 1re. - Gestion administrative et procédure des obligations d'achat visées à l'article 21, § 1er, 1° à 4° et 7°, du décret Instruments du 26 mai 2023
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1re. - Champ d'application
Art. 44. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende koopplichten:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
4° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
5° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
1° de koopplicht, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
4° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
5° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
Art. 44. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux obligations d'achat suivantes :
1° l'obligation d'achat visée aux articles 6 et 9 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
4° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
5° l'obligation d'achat visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.
1° l'obligation d'achat visée aux articles 6 et 9 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
4° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
5° l'obligation d'achat visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.
Art. 45. § 1. De tot aankoop verplichte entiteit oefent de volgende koopplichten uit in eigen naam en voor eigen rekening:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in een inrichtingsnota die het provinciebestuur of het gemeentebestuur vaststelt conform artikel 4.2.1, eerste lid van het voormelde decreet.
§ 2. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in eigen naam en voor eigen rekening:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in het landinrichtingsplan dat is vastgesteld conform artikel 3.3.1 van het voormelde decreet.
De Vlaamse Grondenbank is de tot aankoop verplichte entiteit voor de koopplichten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in naam en voor rekening van de tot aankoop verplichte entiteit:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
4° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in een inrichtingsnota die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 4.2.1, eerste lid, van het voormelde decreet.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, voert de Vlaamse Grondenbank de taken uit die in deze afdeling zijn toegewezen aan de tot aankoop verplichte entiteit, en wordt elke verwijzing in deze afdeling naar de tot aankoop verplichte entiteit als een verwijzing naar de Vlaamse Grondenbank beschouwd.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, raadpleegt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie en brengt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie op de hoogte van de diverse procedurestappen conform deze afdeling. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie:
1° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 1° : de gewestelijke waterbeheerder, vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 2° : de initiatiefnemer, vermeld in artikel 9, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 3° : het departement;
4° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 4° : een departement of een agentschap als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, dat verantwoordelijk is om het project, plan of programma te realiseren.
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in een inrichtingsnota die het provinciebestuur of het gemeentebestuur vaststelt conform artikel 4.2.1, eerste lid van het voormelde decreet.
§ 2. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in eigen naam en voor eigen rekening:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in het landinrichtingsplan dat is vastgesteld conform artikel 3.3.1 van het voormelde decreet.
De Vlaamse Grondenbank is de tot aankoop verplichte entiteit voor de koopplichten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in naam en voor rekening van de tot aankoop verplichte entiteit:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
4° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, als de koopplicht wordt toegepast voor goederen die liggen binnen de zone waar de koopplicht geldt, die is aangewezen in een inrichtingsnota die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 4.2.1, eerste lid, van het voormelde decreet.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, voert de Vlaamse Grondenbank de taken uit die in deze afdeling zijn toegewezen aan de tot aankoop verplichte entiteit, en wordt elke verwijzing in deze afdeling naar de tot aankoop verplichte entiteit als een verwijzing naar de Vlaamse Grondenbank beschouwd.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, raadpleegt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie en brengt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie op de hoogte van de diverse procedurestappen conform deze afdeling. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie:
1° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 1° : de gewestelijke waterbeheerder, vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
2° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 2° : de initiatiefnemer, vermeld in artikel 9, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
3° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 3° : het departement;
4° als de toepassing wordt gevraagd van de koopplicht, vermeld in het eerste lid, 4° : een departement of een agentschap als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, dat verantwoordelijk is om het project, plan of programma te realiseren.
Art. 45. § 1er. L'entité soumise à l'obligation d'achat accomplit les obligations d'achat suivantes en son nom propre et pour son propre compte :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial communal ou provincial ;
2° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans une note d'amĂ©nagement Ă©tablie par l'administration provinciale ou l'administration communale conformĂ©ment Ă l'article 4.2.1, alinĂ©a 1er du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
§ 2. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes en son nom propre et pour son propre compte :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans le plan de rĂ©novation rurale Ă©tabli conformĂ©ment Ă l'article 3.3.1 du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
La Banque fonciÚre flamande est l'entité soumise à l'obligation d'achat pour les obligations d'achat visées à l'alinéa 1er.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes au nom et pour le compte de l'entité soumise à l'obligation d'achat :
1° l'obligation d'achat visée aux articles 6 et 9 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ;
4° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans une note d'amĂ©nagement Ă©tablie par le Gouvernement flamand conformĂ©ment Ă l'article 4.2.1, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande exécute les tùches dévolues dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat et toute référence dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'entend comme faite à la Banque fonciÚre flamande.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande consulte l'instance concernée et l'informe des différentes étapes de la procédure conformément à la présente section. Pour l'application de la présente section, on entend par l'instance concernée :
1° si l'application de l'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er, 1°, est demandée : le gestionnaire régional des eaux visé à l'article 2, 6°, du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° si l'application de l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 2°, est demandĂ©e : l'initiateur visĂ© Ă l'article 9, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° si l'application de l'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er, 3°, est demandée : le département ;
4° si l'application de l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 4°, est demandĂ©e : un dĂ©partement ou une agence au sens du chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande, qui est responsable de la rĂ©alisation du projet, plan ou programme.
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial communal ou provincial ;
2° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans une note d'amĂ©nagement Ă©tablie par l'administration provinciale ou l'administration communale conformĂ©ment Ă l'article 4.2.1, alinĂ©a 1er du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
§ 2. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes en son nom propre et pour son propre compte :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans le plan de rĂ©novation rurale Ă©tabli conformĂ©ment Ă l'article 3.3.1 du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
La Banque fonciÚre flamande est l'entité soumise à l'obligation d'achat pour les obligations d'achat visées à l'alinéa 1er.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes au nom et pour le compte de l'entité soumise à l'obligation d'achat :
1° l'obligation d'achat visée aux articles 6 et 9 du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 2.4.10 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ;
4° l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 2.1.75 du dĂ©cret du 28 mars 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, si l'obligation d'achat est appliquĂ©e pour des biens situĂ©s dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat, qui a Ă©tĂ© dĂ©signĂ©e dans une note d'amĂ©nagement Ă©tablie par le Gouvernement flamand conformĂ©ment Ă l'article 4.2.1, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande exécute les tùches dévolues dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat et toute référence dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'entend comme faite à la Banque fonciÚre flamande.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande consulte l'instance concernée et l'informe des différentes étapes de la procédure conformément à la présente section. Pour l'application de la présente section, on entend par l'instance concernée :
1° si l'application de l'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er, 1°, est demandée : le gestionnaire régional des eaux visé à l'article 2, 6°, du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau ;
2° si l'application de l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 2°, est demandĂ©e : l'initiateur visĂ© Ă l'article 9, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003 ;
3° si l'application de l'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er, 3°, est demandée : le département ;
4° si l'application de l'obligation d'achat visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, 4°, est demandĂ©e : un dĂ©partement ou une agence au sens du chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă l'organisation de l'Administration flamande, qui est responsable de la rĂ©alisation du projet, plan ou programme.
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Sous-section 2. - Demande
Art. 46. De aanvrager tot de vervulling van een koopplicht als vermeld in artikel 44, of zijn gevolmachtigde dient de aanvraag om de voormelde kooplicht te vervullen met een beveiligde zending in bij de Vlaamse Grondenbank.
Als er verschillende eigenaars zijn, dienen de eigenaars samen een aanvraag als vermeld in het eerste lid, in. Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende eigenaars, als de voormelde aanvrager een volmacht voorlegt waarbij die aanvrager de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een of verschillende andere eigenaars.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie en de volgende stukken gevoegd:
1° in voorkomend geval, de volmacht, vermeld in het eerste of tweede lid;
2° de soort koopplicht die wordt ingeroepen en een verwijzing naar de handeling van de overheid die aanleiding geeft tot de koopplicht;
3° het rekeningnummer waarop de aankoopprijs uitbetaald kan worden;
4° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een koopplicht wordt gevraagd;
5° een bewijs dat de aanvrager de volle of de blote eigenaar is van het perceel, met vermelding van het aandeel van de aanvrager in de eigendom;
6° als de koopplicht wordt gevraagd op grond van een waardevermindering of een ernstige waardevermindering als vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 1°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
b) de meest recente verwervingstitel van het perceel;
c) de verwervingswaarde als die niet is vermeld in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
d) de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
e) een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
f) als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
1) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
2) een beschrijving van de gebouwen, waaronder het bouwjaar en de functie;
7° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
8° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
9° de nodige bewijsstukken die aantonen dat er door de gebruiksbeperking een waardevermindering of een ernstige waardevermindering van het onroerend goed is, of dat de leefbaarheid van de bedrijfsvoering ernstig in het gedrang is gekomen;
10° in voorkomend geval een bewijs dat het onroerend goed gebruikt wordt voor beroepsdoeleinden van landbouw of bosbouw;
11° een verklaring op erewoord van de aanvrager waarin wordt bevestigd dat het onroerend goed waarvoor de toepassing van een koopplicht wordt gevraagd, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) er is geen vordering van de aanvrager om een koopplicht te vervullen die op dezelfde feiten gebaseerd is, bij de burgerlijke rechter aanhangig of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de gedinginleidende akte waarbij het vervullen van de koopplicht wordt gevorderd;
b) de gebruiksbeperking wordt niet bij de administratieve rechter aangevochten door de aanvrager;
c) er is geen aanvraag voor een eigenaarsvergoeding voor hetzelfde goed ingediend of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de aanvraag of de definitieve beslissing over de aanvraag;
d) er is geen onteigeningsplan of onteigeningsbesluit van toepassing op een deel of het geheel van het onroerend goed of, als dat wel het geval is, is er een kopie van het onteigeningsplan of -besluit;
12° de nodige bewijsstukken die aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden die gelden om de koopplicht te vervullen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank de aanvraag, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de tot aankoop verplichte entiteit.
De Vlaamse Grondenbank brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van de aanvraag, vermeld in het eerste lid.
Als er verschillende eigenaars zijn, dienen de eigenaars samen een aanvraag als vermeld in het eerste lid, in. Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende eigenaars, als de voormelde aanvrager een volmacht voorlegt waarbij die aanvrager de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een of verschillende andere eigenaars.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie en de volgende stukken gevoegd:
1° in voorkomend geval, de volmacht, vermeld in het eerste of tweede lid;
2° de soort koopplicht die wordt ingeroepen en een verwijzing naar de handeling van de overheid die aanleiding geeft tot de koopplicht;
3° het rekeningnummer waarop de aankoopprijs uitbetaald kan worden;
4° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een koopplicht wordt gevraagd;
5° een bewijs dat de aanvrager de volle of de blote eigenaar is van het perceel, met vermelding van het aandeel van de aanvrager in de eigendom;
6° als de koopplicht wordt gevraagd op grond van een waardevermindering of een ernstige waardevermindering als vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 1°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023:
a) de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
b) de meest recente verwervingstitel van het perceel;
c) de verwervingswaarde als die niet is vermeld in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
d) de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
e) een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
f) als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
1) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
2) een beschrijving van de gebouwen, waaronder het bouwjaar en de functie;
7° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
8° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
9° de nodige bewijsstukken die aantonen dat er door de gebruiksbeperking een waardevermindering of een ernstige waardevermindering van het onroerend goed is, of dat de leefbaarheid van de bedrijfsvoering ernstig in het gedrang is gekomen;
10° in voorkomend geval een bewijs dat het onroerend goed gebruikt wordt voor beroepsdoeleinden van landbouw of bosbouw;
11° een verklaring op erewoord van de aanvrager waarin wordt bevestigd dat het onroerend goed waarvoor de toepassing van een koopplicht wordt gevraagd, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) er is geen vordering van de aanvrager om een koopplicht te vervullen die op dezelfde feiten gebaseerd is, bij de burgerlijke rechter aanhangig of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de gedinginleidende akte waarbij het vervullen van de koopplicht wordt gevorderd;
b) de gebruiksbeperking wordt niet bij de administratieve rechter aangevochten door de aanvrager;
c) er is geen aanvraag voor een eigenaarsvergoeding voor hetzelfde goed ingediend of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de aanvraag of de definitieve beslissing over de aanvraag;
d) er is geen onteigeningsplan of onteigeningsbesluit van toepassing op een deel of het geheel van het onroerend goed of, als dat wel het geval is, is er een kopie van het onteigeningsplan of -besluit;
12° de nodige bewijsstukken die aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden die gelden om de koopplicht te vervullen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank de aanvraag, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de tot aankoop verplichte entiteit.
De Vlaamse Grondenbank brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van de aanvraag, vermeld in het eerste lid.
Art. 46. Le demandeur de l'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 44 ou son mandataire introduit la demande d'accomplir l'obligation d'achat précitée par envoi sécurisé auprÚs de la Banque fonciÚre flamande.
En présence de plusieurs propriétaires, les propriétaires introduisent conjointement une demande telle que visée à l'alinéa 1er. Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs propriétaires si le demandeur précité produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un ou de plusieurs autres propriétaires.
Les informations et les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le cas échéant, la procuration visée à l'alinéa 1er ou 2 ;
2° le type d'obligation d'achat qui est invoqué et un renvoi à l'acte de l'autorité qui donne lieu à l'obligation d'achat ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel le prix d'achat peut ĂȘtre versĂ© ;
4° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une obligation d'achat est demandée ;
5° une preuve que le demandeur est le plein propriétaire ou le nu-propriétaire de la parcelle, en indiquant la part du demandeur dans la propriété ;
6° si l'obligation d'achat est demandée au titre d'une dépréciation ou d'une dépréciation importante telle que visée à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
b) le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
c) la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
d) les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
e) une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
f) si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
1) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
2) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
7° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
8° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
9° les piÚces justificatives nécessaires démontrant que la restriction d'usage entraßne une dépréciation ou une dépréciation importante du bien immobilier ou que la viabilité de l'exploitation s'en trouve gravement compromise ;
10° le cas échéant, une preuve que le bien immobilier est utilisé à des fins professionnelles agricoles ou sylvicoles ;
11° une déclaration sur l'honneur du demandeur certifiant que le bien immobilier pour lequel l'application d'une obligation d'achat est demandée satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
a) le juge civil n'a Ă©tĂ© saisi d'aucune action du demandeur tendant Ă l'accomplissement d'une obligation d'achat fondĂ©e sur les mĂȘmes faits ou, si tel est le cas, il y a une copie de l'acte introductif d'instance par lequel l'accomplissement de l'obligation d'achat est rĂ©clamĂ© ;
b) le demandeur ne conteste pas la restriction d'usage devant le juge administratif ;
c) aucune demande d'indemnitĂ© de propriĂ©taire pour le mĂȘme bien n'a Ă©tĂ© introduite ou, si tel est le cas, il y a une copie de la demande ou de la dĂ©cision dĂ©finitive au sujet de la demande ;
d) aucun plan d'expropriation ou arrĂȘtĂ© d'expropriation ne s'applique Ă une partie ou Ă l'ensemble du bien immobilier ou, si tel est le cas, il y a une copie du plan ou de l'arrĂȘtĂ© d'expropriation ;
12° les piÚces justificatives nécessaires démontrant qu'il a été satisfait aux conditions applicables pour accomplir l'obligation d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet immédiatement la demande visée à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat.
La Banque fonciÚre flamande informe l'instance concernée de l'introduction de la demande visée à l'alinéa 1er.
En présence de plusieurs propriétaires, les propriétaires introduisent conjointement une demande telle que visée à l'alinéa 1er. Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs propriétaires si le demandeur précité produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un ou de plusieurs autres propriétaires.
Les informations et les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le cas échéant, la procuration visée à l'alinéa 1er ou 2 ;
2° le type d'obligation d'achat qui est invoqué et un renvoi à l'acte de l'autorité qui donne lieu à l'obligation d'achat ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel le prix d'achat peut ĂȘtre versĂ© ;
4° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une obligation d'achat est demandée ;
5° une preuve que le demandeur est le plein propriétaire ou le nu-propriétaire de la parcelle, en indiquant la part du demandeur dans la propriété ;
6° si l'obligation d'achat est demandée au titre d'une dépréciation ou d'une dépréciation importante telle que visée à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret Instruments du 26 mai 2023 :
a) les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
b) le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
c) la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
d) les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
e) une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
f) si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
1) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
2) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
7° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
8° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
9° les piÚces justificatives nécessaires démontrant que la restriction d'usage entraßne une dépréciation ou une dépréciation importante du bien immobilier ou que la viabilité de l'exploitation s'en trouve gravement compromise ;
10° le cas échéant, une preuve que le bien immobilier est utilisé à des fins professionnelles agricoles ou sylvicoles ;
11° une déclaration sur l'honneur du demandeur certifiant que le bien immobilier pour lequel l'application d'une obligation d'achat est demandée satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
a) le juge civil n'a Ă©tĂ© saisi d'aucune action du demandeur tendant Ă l'accomplissement d'une obligation d'achat fondĂ©e sur les mĂȘmes faits ou, si tel est le cas, il y a une copie de l'acte introductif d'instance par lequel l'accomplissement de l'obligation d'achat est rĂ©clamĂ© ;
b) le demandeur ne conteste pas la restriction d'usage devant le juge administratif ;
c) aucune demande d'indemnitĂ© de propriĂ©taire pour le mĂȘme bien n'a Ă©tĂ© introduite ou, si tel est le cas, il y a une copie de la demande ou de la dĂ©cision dĂ©finitive au sujet de la demande ;
d) aucun plan d'expropriation ou arrĂȘtĂ© d'expropriation ne s'applique Ă une partie ou Ă l'ensemble du bien immobilier ou, si tel est le cas, il y a une copie du plan ou de l'arrĂȘtĂ© d'expropriation ;
12° les piÚces justificatives nécessaires démontrant qu'il a été satisfait aux conditions applicables pour accomplir l'obligation d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet immédiatement la demande visée à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat.
La Banque fonciÚre flamande informe l'instance concernée de l'introduction de la demande visée à l'alinéa 1er.
Art. 47. De tot aankoop verplichte entiteit gaat na of de aanvraag conform artikel 46 volledig is.
Als de aanvraag conform artikel 46 volledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie daarvan op de hoogte met een beveiligde zending binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 46, is ingediend. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit samen met de kennisgeving dat de aanvraag conform artikel 46 volledig is, met een beveiligde zending de aanvraag aan de Vlaamse Grondenbank en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een beoordelingsverslag als vermeld in artikel 48, § 1, op te maken.
Als de aanvraag conform artikel 46 onvolledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 46, is ingediend. De tot aankoop verplichte entiteit vermeldt in de voormelde kennisgeving de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de voormelde kennisgeving heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit, verklaart die entiteit, de aanvraag, vermeld in artikel 46, onontvankelijk. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de voormelde aanvraag. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit de ontbrekende stukken aan de Vlaamse Grondenbank en in voorkomend geval brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit conform het derde lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit de aanvraag tot vervulling van de koopplicht alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard.
Als de aanvraag conform artikel 46 volledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie daarvan op de hoogte met een beveiligde zending binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 46, is ingediend. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit samen met de kennisgeving dat de aanvraag conform artikel 46 volledig is, met een beveiligde zending de aanvraag aan de Vlaamse Grondenbank en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een beoordelingsverslag als vermeld in artikel 48, § 1, op te maken.
Als de aanvraag conform artikel 46 onvolledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 46, is ingediend. De tot aankoop verplichte entiteit vermeldt in de voormelde kennisgeving de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de voormelde kennisgeving heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit, verklaart die entiteit, de aanvraag, vermeld in artikel 46, onontvankelijk. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de voormelde aanvraag. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit de ontbrekende stukken aan de Vlaamse Grondenbank en in voorkomend geval brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de onontvankelijkheid van de aanvraag.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit conform het derde lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit de aanvraag tot vervulling van de koopplicht alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard.
Art. 47. L'entité soumise à l'obligation d'achat vérifie si la demande est complÚte conformément à l'article 46.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 46 a Ă©tĂ© introduite. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 45, § 1er, est demandĂ©e, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat transmet la demande Ă la Banque fonciĂšre flamande par envoi sĂ©curisĂ©, conjointement avec la notification que la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, et demande Ă la Banque fonciĂšre flamande d'Ă©tablir un rapport d'Ă©valuation tel que visĂ© Ă l'article 48, § 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 46 a Ă©tĂ© introduite. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat indique les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification prĂ©citĂ©e, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande visĂ©e Ă l'article 46 irrecevable. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 45, § 1er, est demandĂ©e, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat transmet les piĂšces manquantes Ă la Banque fonciĂšre flamande et, le cas Ă©chĂ©ant, l'informe de l'irrecevabilitĂ© de la demande.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'entité soumise à l'obligation d'achat ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout déclarer la demande d'accomplissement de l'obligation d'achat recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 46 a Ă©tĂ© introduite. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 45, § 1er, est demandĂ©e, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat transmet la demande Ă la Banque fonciĂšre flamande par envoi sĂ©curisĂ©, conjointement avec la notification que la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, et demande Ă la Banque fonciĂšre flamande d'Ă©tablir un rapport d'Ă©valuation tel que visĂ© Ă l'article 48, § 1er.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 46, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 46 a Ă©tĂ© introduite. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat indique les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification prĂ©citĂ©e, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande visĂ©e Ă l'article 46 irrecevable. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 45, § 1er, est demandĂ©e, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat transmet les piĂšces manquantes Ă la Banque fonciĂšre flamande et, le cas Ă©chĂ©ant, l'informe de l'irrecevabilitĂ© de la demande.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'entité soumise à l'obligation d'achat ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout déclarer la demande d'accomplissement de l'obligation d'achat recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaarde voor het vervullen van de koopplicht
Sous-section 3. - Evaluation de la condition d'accomplissement de l'obligation d'achat
Art. 48. § 1. De Vlaamse Grondenbank maakt, na raadpleging van de betrokken instantie, een beoordelingsverslag op en bezorgt dat met een beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 46, aan de tot aankoop verplichte entiteit als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, en aan de betrokken instantie. Het beoordelingsverslag wordt bezorgd binnen negentig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 47. In het beoordelingsverslag staat of voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen.
§ 2. Conform artikel 59 kan de Vlaamse Grondenbank met het oog op de opmaak van het beoordelingsverslag, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 46, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 47 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het voormelde beoordelingsverslag op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 59, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 46, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de Vlaamse Grondenbank geen beoordelingsverslag als vermeld in paragraaf 1, op. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van het feit dat geen beoordelingsverslag als vermeld in paragraaf 1, wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de Vlaamse Grondenbank, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46 van dit besluit, de betrokken instantie en de Vlaamse Grondenbank met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag om een koopplicht te vervullen waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 59, § 1, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een beoordelingsverslag op te maken conform paragraaf 1.
§ 2. Conform artikel 59 kan de Vlaamse Grondenbank met het oog op de opmaak van het beoordelingsverslag, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 46, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 47 volledig is verklaard, maar die essentieel is om het voormelde beoordelingsverslag op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 59, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 46, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de Vlaamse Grondenbank geen beoordelingsverslag als vermeld in paragraaf 1, op. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van het feit dat geen beoordelingsverslag als vermeld in paragraaf 1, wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de Vlaamse Grondenbank, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46 van dit besluit, de betrokken instantie en de Vlaamse Grondenbank met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager conform het tweede lid afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag om een koopplicht te vervullen waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 59, § 1, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een beoordelingsverslag op te maken conform paragraaf 1.
Art. 48. § 1er. AprĂšs consultation de l'instance concernĂ©e, la Banque fonciĂšre flamande Ă©tablit un rapport d'Ă©valuation et le transmet par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur visĂ© Ă l'article 46, Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat si l'application d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 45, § 1er, est demandĂ©e et Ă l'instance concernĂ©e. Le rapport d'Ă©valuation est transmis dans les nonante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 47. Le rapport d'Ă©valuation indique s'il a Ă©tĂ© satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat.
§ 2. Conformément à l'article 59, la Banque fonciÚre flamande peut, en vue de l'établissement du rapport d'évaluation visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 46, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 47, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport d'évaluation précité.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, le demandeur visé à l'article 46 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la Banque fonciÚre flamande n'établit pas de rapport d'évaluation tel que visé dans le paragraphe 1er. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat du fait qu'aucun rapport d'évaluation tel que visé dans le paragraphe 1er n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la Banque fonciÚre flamande, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'instance concernĂ©e et la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'accomplissement d'une obligation d'achat de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande et lui demande d'établir un rapport d'évaluation conformément au paragraphe 1er.
§ 2. Conformément à l'article 59, la Banque fonciÚre flamande peut, en vue de l'établissement du rapport d'évaluation visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 46, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 47, mais qui sont essentielles à l'établissement du rapport d'évaluation précité.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, le demandeur visé à l'article 46 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la Banque fonciÚre flamande n'établit pas de rapport d'évaluation tel que visé dans le paragraphe 1er. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat du fait qu'aucun rapport d'évaluation tel que visé dans le paragraphe 1er n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la Banque fonciÚre flamande, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'instance concernĂ©e et la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ©, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 2, au traitement de la demande d'accomplissement d'une obligation d'achat de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande et lui demande d'établir un rapport d'évaluation conformément au paragraphe 1er.
Art. 49. De Vlaamse Grondenbank vraagt met de beveiligde zending, vermeld in artikel 48, § 1, aan de aanvrager, vermeld in artikel 46, of die gehoord wil worden door de tot aankoop verplichte entiteit vóór de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, wordt genomen. De aanvrager laat aan de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending weten, binnen dertig dagen na de dag waarop de Vlaamse Grondenbank de vraag om gehoord te worden heeft verstuurd, of hij gehoord wil worden. Als de voormelde aanvrager niet binnen de voormelde termijn antwoordt, wordt aangenomen dat die aanvrager niet gehoord wil worden.
Als de voormelde aanvrager gehoord wil worden, hoort de tot aankoop verplichte entiteit die aanvrager binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van het beoordelingsverslag, vermeld in artikel 48, § 1. De tot aankoop verplichte entiteit maakt een verslag van de hoorzitting op.
Als de voormelde aanvrager gehoord wil worden, hoort de tot aankoop verplichte entiteit die aanvrager binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van het beoordelingsverslag, vermeld in artikel 48, § 1. De tot aankoop verplichte entiteit maakt een verslag van de hoorzitting op.
Art. 49. La Banque fonciĂšre flamande demande au demandeur visĂ© Ă l'article 46, par l'envoi sĂ©curisĂ© visĂ© Ă l'article 48, § 1er, s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat avant que le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50 ne soit pris. Le demandeur fait savoir Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu, dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la Banque fonciĂšre flamande a envoyĂ© la demande Ă ce sujet. A dĂ©faut de rĂ©ponse du demandeur prĂ©citĂ© dans le dĂ©lai prĂ©citĂ©, ce demandeur est rĂ©putĂ© ne pas vouloir ĂȘtre entendu.
Si le demandeur prĂ©citĂ© dĂ©sire ĂȘtre entendu, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat l'entend dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du rapport d'Ă©valuation visĂ© Ă l'article 48, § 1er. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dresse un compte rendu de l'audition.
Si le demandeur prĂ©citĂ© dĂ©sire ĂȘtre entendu, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat l'entend dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du rapport d'Ă©valuation visĂ© Ă l'article 48, § 1er. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dresse un compte rendu de l'audition.
Art. 50. Op basis van het beoordelingsverslag, vermeld in artikel 48, § 1, en, in voorkomend geval, van het verslag van de hoorzitting, vermeld in artikel 49, neemt de tot aankoop verplichte entiteit een ontwerpbeslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen honderdvijftig dagen na de dag waarop de aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 47.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het tweede lid, de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse Grondenbank.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen honderdvijftig dagen na de dag waarop de aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 47.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het tweede lid, de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse Grondenbank.
Art. 50. Sur la base du rapport d'évaluation visé à l'article 48, § 1er, et, le cas échéant, du compte rendu de l'audition visé à l'article 49, l'entité soumise à l'obligation d'achat prend un projet de décision au sujet du respect ou non des conditions pour accomplir l'obligation d'achat.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les cent cinquante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 47.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet le projet de décision visé à l'alinéa 1er à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 2.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les cent cinquante jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 47.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet le projet de décision visé à l'alinéa 1er à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 2.
Art. 51. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, kan de aanvrager bezwaar indienen bij de tot aankoop verplichte entiteit tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, eerste lid. Op straffe van onontvankelijkheid van het bezwaar wordt het bezwaar ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager, vermeld in artikel 46, op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing conform artikel 50, tweede lid.
Conform artikel 60 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank onmiddellijk op de hoogte van de indiening van het bezwaar.
Conform artikel 60 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank onmiddellijk op de hoogte van de indiening van het bezwaar.
Art. 51. Si le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50 considĂšre qu'il n'a pas Ă©tĂ© satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, le demandeur peut introduire, auprĂšs de l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, une rĂ©clamation Ă l'encontre du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50, alinĂ©a 1er. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, la rĂ©clamation est introduite dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision conformĂ©ment Ă l'article 50, alinĂ©a 2.
Conformément à l'article 60, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe immédiatement la Banque fonciÚre flamande de l'introduction de la réclamation.
Conformément à l'article 60, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe immédiatement la Banque fonciÚre flamande de l'introduction de la réclamation.
Art. 52. § 1. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen en als de aanvrager tijdig een bezwaar indient conform artikel 51, neemt de tot aankoop verplichte entiteit, na raadpleging van de betrokken instantie, een definitieve beslissing na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 51.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 60, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar conform artikel 51, heeft ontvangen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het derde lid, de definitieve beslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
§ 2. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50 van dit besluit, niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen en als de aanvrager, vermeld in artikel 46 van dit besluit, het bezwaar, vermeld in artikel 51 van dit besluit, niet tijdig indient, is conform artikel 23, § 2, tweede lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
§ 3. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, is de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 60, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar conform artikel 51, heeft ontvangen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het derde lid, de definitieve beslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
§ 2. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50 van dit besluit, niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen en als de aanvrager, vermeld in artikel 46 van dit besluit, het bezwaar, vermeld in artikel 51 van dit besluit, niet tijdig indient, is conform artikel 23, § 2, tweede lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
§ 3. Als volgens de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50, is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, is de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
Art. 52. § 1er. Si le projet de décision visé à l'article 50 considÚre qu'il n'a pas été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat et que le demandeur introduit une réclamation en temps utile conformément à l'article 51, l'entité soumise à l'obligation d'achat prend une décision définitive aprÚs avoir examiné la réclamation visée à l'article 51 et aprÚs avoir consulté l'instance concernée.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 60, § 1er, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation conformĂ©ment Ă l'article 51.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet la décision définitive à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 3.
§ 2. Si le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© considĂšre qu'il n'a pas Ă©tĂ© satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat et que le demandeur visĂ© Ă l'article 46 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'introduit pas la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 51 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 2, alinĂ©a 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
§ 3. Si le projet de décision visé à l'article 50 considÚre qu'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, le projet de décision constitue la décision définitive.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 60, § 1er, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation conformĂ©ment Ă l'article 51.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet la décision définitive à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 3.
§ 2. Si le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© considĂšre qu'il n'a pas Ă©tĂ© satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat et que le demandeur visĂ© Ă l'article 46 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'introduit pas la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 51 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 2, alinĂ©a 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
§ 3. Si le projet de décision visé à l'article 50 considÚre qu'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, le projet de décision constitue la décision définitive.
Onderafdeling 4. - Schatting aankoopprijs
Sous-section 4. - Estimation du prix d'achat
Art. 53. § 1. Als voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, maakt de Vlaamse Grondenbank een schattingsverslag op. Het schattingsverslag bevat de schatting van de aankoopprijs van de percelen waarvoor het vervullen van de koopplicht, wordt gevraagd.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank het schattingsverslag, vermeld in het eerste lid, met een beveiligde zending aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op een van de volgende momenten:
1° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 1: de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 46, op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing, conform artikel 52, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 3: de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 46, op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50.
§ 2. Conform artikel 59 kan de Vlaamse Grondenbank met het oog op de opmaak van het schattingsverslag, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 47 volledig is verklaard, maar die essentieel is om dat schattingsverslag op te maken. Minstens de volgende informatie die essentieel is om het voormelde schattingsverslag op te maken, kan opgevraagd worden, als die informatie niet al is begrepen in de aanvraag die conform artikel 47 volledig is verklaard:
1° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
2° de meest recente verwervingstitel van het perceel;
3° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
4° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
5° als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 59, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in 46, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de Vlaamse Grondenbank geen schattingsverslag als vermeld in paragraaf 1, op. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van het feit dat geen schattingsverslag als vermeld in paragraaf 1, wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de Vlaamse Grondenbank, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, de betrokken instantie en de Vlaamse Grondenbank met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag om een koopplicht te vervullen als vermeld in artikel 46, waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 59, § 1, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een schattingsverslag op te maken conform paragraaf 1.
§ 3. In voorkomend geval bevat het schattingsverslag, vermeld in paragraaf 1, een aanbod van de Vlaamse Grondenbank om het onroerend goed in kwestie te ruilen met een gelijkwaardige grond als vermeld in artikel 28, derde en vierde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank het schattingsverslag, vermeld in het eerste lid, met een beveiligde zending aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op een van de volgende momenten:
1° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 1: de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 46, op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing, conform artikel 52, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 3: de dag nadat de aanvrager, vermeld in artikel 46, op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50.
§ 2. Conform artikel 59 kan de Vlaamse Grondenbank met het oog op de opmaak van het schattingsverslag, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 47 volledig is verklaard, maar die essentieel is om dat schattingsverslag op te maken. Minstens de volgende informatie die essentieel is om het voormelde schattingsverslag op te maken, kan opgevraagd worden, als die informatie niet al is begrepen in de aanvraag die conform artikel 47 volledig is verklaard:
1° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
2° de meest recente verwervingstitel van het perceel;
3° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
4° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
5° als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 59, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in 46, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. In het voormelde geval maakt de Vlaamse Grondenbank geen schattingsverslag als vermeld in paragraaf 1, op. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van het feit dat geen schattingsverslag als vermeld in paragraaf 1, wordt opgemaakt. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de Vlaamse Grondenbank, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, de betrokken instantie en de Vlaamse Grondenbank met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat die aanvrager afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag om een koopplicht te vervullen als vermeld in artikel 46, waardoor de verdere behandeling van die aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de voormelde aanvraag belet niet dat de voormelde aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 59, § 1, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan. Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte dat er ten gevolge van overmacht geen afstand werd gedaan van de aanvraag en vraagt aan de Vlaamse Grondenbank om een schattingsverslag op te maken conform paragraaf 1.
§ 3. In voorkomend geval bevat het schattingsverslag, vermeld in paragraaf 1, een aanbod van de Vlaamse Grondenbank om het onroerend goed in kwestie te ruilen met een gelijkwaardige grond als vermeld in artikel 28, derde en vierde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Art. 53. § 1er. S'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, la Banque fonciÚre flamande établit un rapport d'estimation. Le rapport d'estimation contient l'estimation du prix d'achat des parcelles pour lesquelles l'accomplissement de l'obligation d'achat est demandée.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet le rapport d'estimation visé à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat par envoi sécurisé dans un délai de nonante jours prenant cours à l'un des moments suivants :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 52, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 3 : le jour suivant celui oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50.
§ 2. ConformĂ©ment Ă l'article 59, la Banque fonciĂšre flamande peut, en vue de l'Ă©tablissement du rapport d'estimation visĂ© au paragraphe 1er, solliciter auprĂšs du demandeur une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas dĂ©jĂ dans la demande dĂ©clarĂ©e complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 47, mais qui sont essentielles Ă l'Ă©tablissement du rapport d'estimation. Au moins les informations suivantes essentielles Ă l'Ă©tablissement du rapport d'estimation prĂ©citĂ© peuvent ĂȘtre demandĂ©es si ces informations ne figurent pas dĂ©jĂ dans la demande dĂ©clarĂ©e complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 47 :
1° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
2° le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
3° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
4° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
5° si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, le demandeur visé à l'article 46 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la Banque fonciÚre flamande n'établit pas de rapport d'estimation tel que visé dans le paragraphe 1er. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat du fait qu'aucun rapport d'estimation tel que visé dans le paragraphe 1er n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la Banque fonciÚre flamande, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46, l'instance concernĂ©e et la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ© au traitement de la demande d'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 46 de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande et lui demande d'établir un rapport d'estimation conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Le cas échéant, le rapport d'estimation visé au paragraphe 1er contient une offre, émanant de la Banque fonciÚre flamande, d'échange du bien immobilier contre un terrain équivalent, telle que visée à l'article 28, alinéas 3 et 4, du décret Instruments du 26 mai 2023.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet le rapport d'estimation visé à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat par envoi sécurisé dans un délai de nonante jours prenant cours à l'un des moments suivants :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 52, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 3 : le jour suivant celui oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50.
§ 2. ConformĂ©ment Ă l'article 59, la Banque fonciĂšre flamande peut, en vue de l'Ă©tablissement du rapport d'estimation visĂ© au paragraphe 1er, solliciter auprĂšs du demandeur une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas dĂ©jĂ dans la demande dĂ©clarĂ©e complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 47, mais qui sont essentielles Ă l'Ă©tablissement du rapport d'estimation. Au moins les informations suivantes essentielles Ă l'Ă©tablissement du rapport d'estimation prĂ©citĂ© peuvent ĂȘtre demandĂ©es si ces informations ne figurent pas dĂ©jĂ dans la demande dĂ©clarĂ©e complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 47 :
1° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
2° le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
3° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
4° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
5° si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, le demandeur visé à l'article 46 est réputé renoncer à la demande. Dans le cas précité, la Banque fonciÚre flamande n'établit pas de rapport d'estimation tel que visé dans le paragraphe 1er. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat du fait qu'aucun rapport d'estimation tel que visé dans le paragraphe 1er n'est établi. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les délais en raison de l'absence du préposé de la Banque fonciÚre flamande, le demandeur n'est pas réputé renoncer à la demande.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46, l'instance concernĂ©e et la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel ce demandeur a renoncĂ© au traitement de la demande d'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visĂ©e Ă l'article 46 de sorte que le traitement de cette demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande prĂ©citĂ©e n'empĂȘche pas le demandeur prĂ©citĂ© de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais, ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 59, § 1er, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande. Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande que, compte tenu de la force majeure, il n'y a pas eu renonciation à la demande et lui demande d'établir un rapport d'estimation conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Le cas échéant, le rapport d'estimation visé au paragraphe 1er contient une offre, émanant de la Banque fonciÚre flamande, d'échange du bien immobilier contre un terrain équivalent, telle que visée à l'article 28, alinéas 3 et 4, du décret Instruments du 26 mai 2023.
Art. 54. Op basis van het schattingsverslag, vermeld in artikel 53, § 1, neemt de tot aankoop verplichte entiteit een ontwerpbeslissing over de berekening van de aankoopprijs.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen een termijn van honderdtwintig dagen, die ingaat op een van de volgende momenten:
1° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 1: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 52, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 3: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het tweede lid, de ontwerpbeslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen een termijn van honderdtwintig dagen, die ingaat op een van de volgende momenten:
1° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 1: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 52, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 52, § 3: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 50.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het tweede lid, de ontwerpbeslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
Art. 54. Sur la base du rapport d'estimation visé à l'article 53, § 1er, l'entité soumise à l'obligation d'achat prend un projet de décision au sujet du calcul du prix d'achat.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée, par envoi sécurisé, du projet de décision visé à l'alinéa 1er dans un délai de cent vingt jours prenant cours à l'un des moments suivants :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 52, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 3 : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet le projet de décision à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 2.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 46 et l'instance concernée, par envoi sécurisé, du projet de décision visé à l'alinéa 1er dans un délai de cent vingt jours prenant cours à l'un des moments suivants :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 52, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 52, § 3 : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 50.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet le projet de décision à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 2.
Art. 55. De aanvrager, vermeld in artikel 46, kan bezwaar indienen bij de tot aankoop verplichte entiteit tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54. Op straffe van onontvankelijkheid van het voormelde bezwaar, wordt het ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager, vermeld in 46, op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54.
Conform artikel 60 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de voormelde aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Conform artikel 60 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de voormelde aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Art. 55. Le demandeur visĂ© Ă l'article 46 peut introduire, auprĂšs de l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, une rĂ©clamation Ă l'encontre du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 54. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, la rĂ©clamation prĂ©citĂ©e est introduite dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 46 a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 54.
Conformément à l'article 60, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur précité une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Conformément à l'article 60, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur précité une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Art. 56. § 1. Als de aanvrager, vermeld in 46, conform artikel 55 tijdig een bezwaar indient als vermeld in artikel 55, neemt de tot aankoop verplichte entiteit een definitieve beslissing over de berekening van de aankoopprijs na onderzoek van het bezwaar, vermeld in artikel 55.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de informatie die conform artikel 60 wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in artikel 60, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 60, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerst lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar, vermeld in 55, heeft ontvangen. De voormelde kennisgeving geldt als aanbod tot koop.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de entiteit tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het derde lid, de definitieve beslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, het bezwaar niet tijdig indient, is conform artikel 23, § 2, derde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54 van dit besluit, de definitieve beslissing. De kennisgeving van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54, tweede lid, van dit besluit, geldt als aanbod tot koop.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de informatie die conform artikel 60 wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in artikel 60, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 60, § 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 46, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerst lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar, vermeld in 55, heeft ontvangen. De voormelde kennisgeving geldt als aanbod tot koop.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, bezorgt de entiteit tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending samen met de kennisgeving, vermeld in het derde lid, de definitieve beslissing aan de Vlaamse Grondenbank.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, het bezwaar niet tijdig indient, is conform artikel 23, § 2, derde lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54 van dit besluit, de definitieve beslissing. De kennisgeving van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 54, tweede lid, van dit besluit, geldt als aanbod tot koop.
Art. 56. § 1er. Si le demandeur visé à l'article 46 introduit une réclamation en temps utile conformément à l'article 55, l'entité soumise à l'obligation d'achat prend une décision définitive au sujet du calcul du prix d'achat aprÚs examen de la réclamation visée à l'article 55.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 60 ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visĂ©e Ă l'article 60 n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 60, § 1er, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 55. La notification prĂ©citĂ©e vaut offre d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet la décision définitive à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 3.
§ 2. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 46 n'introduit pas la rĂ©clamation dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 54 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 2, alinĂ©a 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. La notification du projet de dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 54, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© vaut offre d'achat.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 60 ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visĂ©e Ă l'article 60 n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 60, § 1er, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 46 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation visĂ©e Ă l'article 55. La notification prĂ©citĂ©e vaut offre d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat transmet la décision définitive à la Banque fonciÚre flamande par envoi sécurisé conjointement avec la notification visée à l'alinéa 3.
§ 2. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 46 n'introduit pas la rĂ©clamation dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 54 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 2, alinĂ©a 3, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. La notification du projet de dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 54, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© vaut offre d'achat.
Onderafdeling 5. - Aanbod tot koop en intrekking van een aanvraag
Sous-section 5. - Offre d'achat et retrait d'une demande
Art. 57. De aanvrager, vermeld in artikel 46, deelt, binnen een termijn van zes maanden, die ingaat op een van de volgende momenten, met een beveiligde zending aan de tot aankoop verplichte entiteit mee of hij het aanbod, vermeld in artikel 56, al dan niet aanvaardt:
1° in de situatie, vermeld in artikel 56, § 1: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 56, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 56, § 2: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing conform artikel 54, tweede lid.
De tot aankoop verplichte entiteit deelt aan de voormelde aanvrager mee dat doordat de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, het aanbod, vermeld in artikel 56, wordt geacht geweigerd te zijn.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de betrokken instantie ervan op de hoogte of de voormelde aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 56, al dan niet aanvaardt.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van het feit of de voormelde aanvrager het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de voormelde aanvrager het aanbod aanvaardt, doet de tot aankoop verplichte entiteit het nodige voor het verlijden van de aankoopakte.
1° in de situatie, vermeld in artikel 56, § 1: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 56, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 56, § 2: de dag nadat de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing conform artikel 54, tweede lid.
De tot aankoop verplichte entiteit deelt aan de voormelde aanvrager mee dat doordat de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, het aanbod, vermeld in artikel 56, wordt geacht geweigerd te zijn.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de betrokken instantie ervan op de hoogte of de voormelde aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 56, al dan niet aanvaardt.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van het feit of de voormelde aanvrager het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de voormelde aanvrager het aanbod aanvaardt, doet de tot aankoop verplichte entiteit het nodige voor het verlijden van de aankoopakte.
Art. 57. Dans un délai de six mois prenant cours à l'un des moments suivants, le demandeur visé à l'article 46 notifie par envoi sécurisé à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'il accepte ou non l'offre visée à l'article 56 :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 56, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 56, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 56, § 2 : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision conformĂ©ment Ă l'article 54, alinĂ©a 2.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur précité qu'étant donné l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'offre visée à l'article 56 est réputée avoir été refusée.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe l'instance concernée de ce que le demandeur précité accepte ou non l'offre visée à l'article 56.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du fait que le demandeur précité accepte ou non l'offre.
Si le demandeur précité accepte l'offre, l'entité soumise à l'obligation d'achat fait le nécessaire pour la passation de l'acte d'achat.
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 56, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 56, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 56, § 2 : le jour suivant celui oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision conformĂ©ment Ă l'article 54, alinĂ©a 2.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur précité qu'étant donné l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'offre visée à l'article 56 est réputée avoir été refusée.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe l'instance concernée de ce que le demandeur précité accepte ou non l'offre visée à l'article 56.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du fait que le demandeur précité accepte ou non l'offre.
Si le demandeur précité accepte l'offre, l'entité soumise à l'obligation d'achat fait le nécessaire pour la passation de l'acte d'achat.
Art. 58. De aanvrager, vermeld in artikel 46, kan de aanvraag om een koopplicht te vervullen als vermeld in artikel 46, intrekken zolang het aanbod niet is aanvaard.
Art. 58. Le demandeur visé à l'article 46 peut retirer la demande d'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 46 tant que l'offre n'a pas été acceptée.
Onderafdeling 6. - Vraag tot informatie en plaatsbezoek
Sous-section 6. - Demande d'informations et de visite des lieux
Art. 59. § 1. De Vlaamse Grondenbank kan met het oog op de opmaak van het beoordelingsverslag, vermeld in artikel 48, § 1, of het schattingsverslag, vermeld in 53, § 1, met een beveiligde zending de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het voormelde beoordelingsverslag of het voormelde schattingsverslag op te maken.
De aanvrager, vermeld in artikel 46, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd aan de Vlaamse Grondenbank binnen zestig dagen na de dag waarop de Vlaamse Grondenbank de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de Vlaamse Grondenbank de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de Vlaamse Grondenbank de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van de vraag tot informatie of de vraag tot een plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, en bezorgt de Vlaamse Grondenbank de ontvangen informatie aan de tot aankoop verplichte entiteit. De Vlaamse Grondenbank brengt de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van de verlenging van de termijn, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 48, § 1, en artikel 50, tweede lid, of de termijn, vermeld in artikel 53, § 1, tweede lid, en artikel 54, tweede lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de Vlaamse Grondenbank de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de Vlaamse Grondenbank;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
§ 3. Als de informatie die conform paragraaf 1 is gevraagd, attesten omvat die verplicht zijn bij de verkoop van een onroerend goed, vraagt de aanvrager op zijn kosten die attesten op. Als de aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 56, niet aanvaardt, worden de kosten voor de voormelde attesten aan de aanvrager, vermeld in artikel 46, terugbetaald door de tot aankoop verplichte entiteit op basis van de ingediende facturen.
De aanvrager, vermeld in artikel 46, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd aan de Vlaamse Grondenbank binnen zestig dagen na de dag waarop de Vlaamse Grondenbank de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de Vlaamse Grondenbank de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de Vlaamse Grondenbank de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 45, § 1, wordt gevraagd, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van de vraag tot informatie of de vraag tot een plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, en bezorgt de Vlaamse Grondenbank de ontvangen informatie aan de tot aankoop verplichte entiteit. De Vlaamse Grondenbank brengt de tot aankoop verplichte entiteit op de hoogte van de verlenging van de termijn, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 48, § 1, en artikel 50, tweede lid, of de termijn, vermeld in artikel 53, § 1, tweede lid, en artikel 54, tweede lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de Vlaamse Grondenbank de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de Vlaamse Grondenbank;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
§ 3. Als de informatie die conform paragraaf 1 is gevraagd, attesten omvat die verplicht zijn bij de verkoop van een onroerend goed, vraagt de aanvrager op zijn kosten die attesten op. Als de aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 56, niet aanvaardt, worden de kosten voor de voormelde attesten aan de aanvrager, vermeld in artikel 46, terugbetaald door de tot aankoop verplichte entiteit op basis van de ingediende facturen.
Art. 59. § 1er. La Banque fonciÚre flamande peut, en vue de l'établissement du rapport d'évaluation visé à l'article 48, § 1er, ou du rapport d'estimation visé à l'article 53, § 1er, solliciter auprÚs du demandeur, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'établissement du rapport d'évaluation précité ou du rapport d'estimation précité.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 46 transmet Ă la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la Banque fonciĂšre flamande a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la Banque fonciĂšre flamande en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, la Banque fonciĂšre flamande peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et lui transmet les informations reçues. La Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat de la prorogation du délai visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le délai visé à l'article 48, § 1er, et à l'article 50, alinéa 2, ou le délai visé à l'article 53, § 1er, alinéa 2, et à l'article 54, alinéa 2, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la Banque fonciÚre flamande, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à la Banque fonciÚre flamande ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
§ 3. Si les informations demandées conformément au paragraphe 1er contiennent des attestations obligatoires lors de la vente d'un bien immobilier, le demandeur demande ces attestations à ses frais. Si le demandeur n'accepte pas l'offre visée à l'article 56, l'entité soumise à l'obligation d'achat rembourse au demandeur visé à l'article 46 les frais inhérents aux attestations précitées sur la base des factures introduites.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 46 transmet Ă la Banque fonciĂšre flamande, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la Banque fonciĂšre flamande a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč la Banque fonciĂšre flamande en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, la Banque fonciĂšre flamande peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 45, § 1er, est demandée, la Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et lui transmet les informations reçues. La Banque fonciÚre flamande informe l'entité soumise à l'obligation d'achat de la prorogation du délai visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le délai visé à l'article 48, § 1er, et à l'article 50, alinéa 2, ou le délai visé à l'article 53, § 1er, alinéa 2, et à l'article 54, alinéa 2, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par la Banque fonciÚre flamande, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à la Banque fonciÚre flamande ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
§ 3. Si les informations demandées conformément au paragraphe 1er contiennent des attestations obligatoires lors de la vente d'un bien immobilier, le demandeur demande ces attestations à ses frais. Si le demandeur n'accepte pas l'offre visée à l'article 56, l'entité soumise à l'obligation d'achat rembourse au demandeur visé à l'article 46 les frais inhérents aux attestations précitées sur la base des factures introduites.
Art. 60. § 1. De tot aankoop verplichte entiteit kan met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in artikel 51 en 55, met een beveiligde zending de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
De aanvrager bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd, aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de tot aankoop verplichte entiteit de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 52, § 1, derde lid, of artikel 56, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
De aanvrager bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd, aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de tot aankoop verplichte entiteit de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
§ 2. De termijn, vermeld in artikel 52, § 1, derde lid, of artikel 56, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie of een plaatsbezoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
Art. 60. § 1er. L'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée aux article 51 et 55, solliciter auprÚs du demandeur, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Le demandeur transmet Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
§ 2. Le délai visé à l'article 52, § 1er, alinéa 3, ou à l'article 56, § 1er, alinéa 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'entité soumise à l'obligation d'achat, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à l'entité soumise à l'obligation d'achat ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
Le demandeur transmet Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a formulĂ© la demande d'informations visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
§ 2. Le délai visé à l'article 52, § 1er, alinéa 3, ou à l'article 56, § 1er, alinéa 3, est suspendu pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'entité soumise à l'obligation d'achat, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à l'entité soumise à l'obligation d'achat ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
Afdeling 2. - Algemene bepalingen over advies- en informatievragen
Section 2. - Dispositions générales relatives aux demandes d'avis et d'information
Art. 61. De Vlaamse Grondenbank en de tot aankoop verplichte entiteit kunnen voor de uitvoering van de taken, die aan hen zijn toegewezen in dit hoofdstuk, adviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die ze nuttig achten. Tenzij anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de voormelde instanties het advies binnen dertig dagen na de dag waarop de adviesvraag is ontvangen.
Art. 61. Aux fins de l'exécution de tùches qui leur sont dévolues dans le présent chapitre, la Banque fonciÚre flamande et l'entité soumise à l'obligation d'achat peuvent recueillir des avis auprÚs de tout service, de toute institution ou de toute organisation qu'elles jugent utile de consulter. Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances précitées rendent l'avis dans les trente jours à compter du jour de la réception de la demande d'avis.
Art. 62. De tot aankoop verplichte entiteit bezorgt alle informatie aan de Vlaamse Grondenbank die de Vlaamse Grondenbank nodig heeft om het beoordelingsverslag, vermeld in artikel 48, § 1, en het schattingsverslag, vermeld in artikel 53, § 1, op te maken.
Art. 62. L'entité soumise à l'obligation d'achat transmet à la Banque fonciÚre flamande toutes les informations dont elle a besoin pour établir le rapport d'évaluation visé à l'article 48, § 1er, et le rapport d'estimation visé à l'article 53, § 1er.
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke invulling van het begrip `ernstig in het gedrang brengen van de leefbaarheid van de bedrijfsvoering'
Section 3. - Interprétation commune de la notion d'" atteinte grave à la viabilité de l'exploitation "
Art. 63. § 1. Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, geen landbouwer is, wordt het voorheen leefbaar zijn van het bedrijf, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van financiële parameters van de laatste drie jaar vóór het effectief ingaan van de gebruiksbeperking met name de liquiditeit, het werkkapitaal, de solvabiliteit en de rentabiliteit.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, geen landbouwer is, wordt de betekenisvolle invloed op de resultaten, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van financiële parameters met name de liquiditeit, het werkkapitaal, de solvabiliteit en de rentabiliteit voorafgaand aan het van kracht worden van de gebruiksbeperking en een gemotiveerde berekening van de invloed op de resultaten die nog wordt verwacht na het van kracht worden van de gebruiksbeperking.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, wordt het voorheen leefbaar zijn van het bedrijf, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van het arbeidsinkomen van de landbouwer van minstens de laatste drie jaar vóór het effectief ingaan van de gebruiksbeperking.
Voor de aanvrager, vermeld in het eerste lid, wordt de betekenisvolle invloed op de resultaten, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van de daling van het arbeidsinkomen van de landbouwer onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen ten gevolge van het van kracht worden van de gebruiksbeperking en een gemotiveerde berekening van de daling van het arbeidsinkomen die nog wordt verwacht na het van kracht worden van de gebruiksbeperking.
Voor aanvragen tot het vervullen van een koopplicht als vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting kan de Vlaamse Regering in de inrichtingsnota die wordt vastgesteld conform artikel 4.2.1, eerste lid, van dat decreet, een regeling vaststellen die afwijkt van het tweede lid van deze paragraaf. De Vlaamse Regering bepaalt in die inrichtingsnota waarom de gebruiksbeperking geacht wordt de leefbaarheid van de bedrijfsvoering ernstig in het gedrang te brengen en welke bewijsstukken voor de daling van het arbeidsinkomen de aanvrager moet aanleveren.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, geen landbouwer is, wordt de betekenisvolle invloed op de resultaten, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van financiële parameters met name de liquiditeit, het werkkapitaal, de solvabiliteit en de rentabiliteit voorafgaand aan het van kracht worden van de gebruiksbeperking en een gemotiveerde berekening van de invloed op de resultaten die nog wordt verwacht na het van kracht worden van de gebruiksbeperking.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, wordt het voorheen leefbaar zijn van het bedrijf, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van het arbeidsinkomen van de landbouwer van minstens de laatste drie jaar vóór het effectief ingaan van de gebruiksbeperking.
Voor de aanvrager, vermeld in het eerste lid, wordt de betekenisvolle invloed op de resultaten, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, aangetoond aan de hand van de daling van het arbeidsinkomen van de landbouwer onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen ten gevolge van het van kracht worden van de gebruiksbeperking en een gemotiveerde berekening van de daling van het arbeidsinkomen die nog wordt verwacht na het van kracht worden van de gebruiksbeperking.
Voor aanvragen tot het vervullen van een koopplicht als vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting kan de Vlaamse Regering in de inrichtingsnota die wordt vastgesteld conform artikel 4.2.1, eerste lid, van dat decreet, een regeling vaststellen die afwijkt van het tweede lid van deze paragraaf. De Vlaamse Regering bepaalt in die inrichtingsnota waarom de gebruiksbeperking geacht wordt de leefbaarheid van de bedrijfsvoering ernstig in het gedrang te brengen en welke bewijsstukken voor de daling van het arbeidsinkomen de aanvrager moet aanleveren.
Art. 63. § 1er. Si le demandeur visé à l'article 46 n'est pas agriculteur, l'état antérieur de viabilité de l'exploitation visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide de paramÚtres financiers des trois derniÚres années précédant la prise de cours effective de la restriction d'usage, notamment la liquidité, le fonds de roulement, la solvabilité et la rentabilité.
Si le demandeur visé à l'article 46 n'est pas agriculteur, l'impact significatif sur les résultats visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide de paramÚtres financiers, notamment la liquidité, le fonds de roulement, la solvabilité et la rentabilité, préalablement à l'entrée en vigueur de la restriction d'usage et d'un calcul motivé de l'impact sur les résultats encore escompté aprÚs l'entrée en vigueur de la restriction d'usage.
§ 2. Si le demandeur visé à l'article 46 est enregistré en tant qu'agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, l'état antérieur de viabilité de l'exploitation visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide des revenus du travail de l'agriculteur des trois derniÚres années au moins précédant la prise de cours effective de la restriction d'usage.
En ce qui concerne le demandeur visé à l'alinéa 1er, l'impact significatif sur les résultats visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide de la baisse des revenus du travail de l'agriculteur à moins de deux tiers du revenu comparable régional suite à l'entrée en vigueur de la restriction d'usage et d'un calcul motivé de la baisse des revenus du travail encore escomptée aprÚs l'entrée en vigueur de la restriction d'usage.
En ce qui concerne les demandes d'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, le Gouvernement flamand peut prévoir, dans la note d'aménagement établie conformément à l'article 4.2.1, alinéa 1er, de ce décret, un régime dérogeant à l'alinéa 2 du présent paragraphe. Dans cette note d'aménagement, le Gouvernement flamand expose les raisons pour lesquelles la restriction d'usage est considérée comme portant gravement atteinte à la viabilité de l'exploitation et détermine les piÚces justificatives de la baisse des revenus du travail que doit produire le demandeur.
Si le demandeur visé à l'article 46 n'est pas agriculteur, l'impact significatif sur les résultats visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide de paramÚtres financiers, notamment la liquidité, le fonds de roulement, la solvabilité et la rentabilité, préalablement à l'entrée en vigueur de la restriction d'usage et d'un calcul motivé de l'impact sur les résultats encore escompté aprÚs l'entrée en vigueur de la restriction d'usage.
§ 2. Si le demandeur visé à l'article 46 est enregistré en tant qu'agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, l'état antérieur de viabilité de l'exploitation visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide des revenus du travail de l'agriculteur des trois derniÚres années au moins précédant la prise de cours effective de la restriction d'usage.
En ce qui concerne le demandeur visé à l'alinéa 1er, l'impact significatif sur les résultats visé à l'article 26, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret Instruments du 26 mai 2023 est démontré à l'aide de la baisse des revenus du travail de l'agriculteur à moins de deux tiers du revenu comparable régional suite à l'entrée en vigueur de la restriction d'usage et d'un calcul motivé de la baisse des revenus du travail encore escomptée aprÚs l'entrée en vigueur de la restriction d'usage.
En ce qui concerne les demandes d'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, le Gouvernement flamand peut prévoir, dans la note d'aménagement établie conformément à l'article 4.2.1, alinéa 1er, de ce décret, un régime dérogeant à l'alinéa 2 du présent paragraphe. Dans cette note d'aménagement, le Gouvernement flamand expose les raisons pour lesquelles la restriction d'usage est considérée comme portant gravement atteinte à la viabilité de l'exploitation et détermine les piÚces justificatives de la baisse des revenus du travail que doit produire le demandeur.
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke voorwaarden bij bepaalde koopplichten
Section 4. - Conditions communes Ă certaines obligations d'achat
Art. 64. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de volgende koopplichten:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
1° de koopplicht, vermeld in artikel 42 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 1.3.3.3.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
3° de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
Art. 64. Les dispositions de la présente section s'appliquent aux obligations d'achat suivantes :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.
1° l'obligation d'achat visée à l'article 42 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 1.3.3.3.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
3° l'obligation d'achat visée à l'article 2.1.75 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.
Art. 65. De koopplicht, vermeld in artikel 64, is van toepassing op het deel van het onroerend goed dat ligt binnen het gebied waar die koopplicht geldt. Als het onroerend goed voor meer dan 80% ligt binnen het gebied waar de voormelde koopplicht geldt, kan de aanvrager die koopplicht inroepen voor het hele onroerend goed.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en als de bedrijfsvoering van de voormelde aanvrager ernstig in het gedrang komt ten gevolge van de gebruiksbeperking, in cumulatie met eventuele andere geplande of definitief besliste gebruiksbeperkingen, kan de voormelde aanvrager de koopplicht inroepen voor alle onroerende goederen die de aanvrager in gebruik heeft voor beroepsdoeleinden op het vlak van landbouw of bosbouw en die verbonden zijn met de bedrijfsvoering die ernstig in het gedrang is gekomen.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 46, is geregistreerd als landbouwer conform artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en als de bedrijfsvoering van de voormelde aanvrager ernstig in het gedrang komt ten gevolge van de gebruiksbeperking, in cumulatie met eventuele andere geplande of definitief besliste gebruiksbeperkingen, kan de voormelde aanvrager de koopplicht inroepen voor alle onroerende goederen die de aanvrager in gebruik heeft voor beroepsdoeleinden op het vlak van landbouw of bosbouw en die verbonden zijn met de bedrijfsvoering die ernstig in het gedrang is gekomen.
Art. 65. L'obligation d'achat visĂ©e Ă l'article 64 s'applique Ă la partie du bien immobilier situĂ©e dans la zone oĂč s'applique cette obligation d'achat. Si le bien immobilier se situe Ă plus de 80 % dans la zone oĂč s'applique l'obligation d'achat prĂ©citĂ©e, le demandeur peut invoquer cette obligation d'achat pour l'ensemble du bien immobilier.
Si le demandeur visé à l'article 46 est enregistré en tant qu'agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture et que l'exploitation du demandeur précité est gravement compromise suite à la restriction d'usage, en combinaison avec d'autres restrictions d'usage éventuelles projetées ou définitivement décidées, le demandeur précité peut invoquer l'obligation d'achat pour tous les biens immobiliers que le demandeur occupe à des fins professionnelles agricoles ou sylvicoles et qui sont rattachés à l'exploitation qui est gravement compromise.
Si le demandeur visé à l'article 46 est enregistré en tant qu'agriculteur conformément à l'article 4 du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture et que l'exploitation du demandeur précité est gravement compromise suite à la restriction d'usage, en combinaison avec d'autres restrictions d'usage éventuelles projetées ou définitivement décidées, le demandeur précité peut invoquer l'obligation d'achat pour tous les biens immobiliers que le demandeur occupe à des fins professionnelles agricoles ou sylvicoles et qui sont rattachés à l'exploitation qui est gravement compromise.
HOOFDSTUK 2. - Koopplichten als vermeld in artikel 21, § 1, 5° en 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
CHAPITRE 2. - Obligations d'achat telles que visées à l'article 21, § 1er, 5° et 6°, du décret Instruments du 26 mai 2023
Afdeling 1. - Administratief beheer en procedure van de koopplichten, vermeld in artikel 21, § 1, 5° en 6°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023
Section 1re. - Gestion administrative et procédure des obligations d'achat visées à l'article 21, § 1er, 5° et 6°, du décret Instruments du 26 mai 2023
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1re. - Champ d'application
Art. 66. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende koopplichten:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 4.4.2, § 2, van de voormelde codex.
§ 2. De tot aankoop verplichte entiteit oefent de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, uit in eigen naam en voor eigen rekening als die koopplicht ontstaat ten gevolge van een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
§ 3. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in naam en voor rekening van de tot aankoop verplichte entiteit:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 4.4.2, § 2, van de voormelde codex.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, voert de Vlaamse Grondenbank de taken uit die in deze afdeling zijn toegewezen aan de tot aankoop verplichte entiteit en wordt elke verwijzing in deze afdeling naar de tot aankoop verplichte entiteit beschouwd als een verwijzing naar de Vlaamse Grondenbank.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, raadpleegt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie en brengt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie op de hoogte van de diverse procedurestappen conform deze afdeling. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie: het departement.
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 4.4.2, § 2, van de voormelde codex.
§ 2. De tot aankoop verplichte entiteit oefent de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, uit in eigen naam en voor eigen rekening als die koopplicht ontstaat ten gevolge van een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
§ 3. De volgende koopplichten oefent de Vlaamse Grondenbank uit in naam en voor rekening van de tot aankoop verplichte entiteit:
1° de koopplicht, vermeld in artikel 2.6.2, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, als de koopplicht ontstaat ten gevolge van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
2° de koopplicht, vermeld in artikel 4.4.2, § 2, van de voormelde codex.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, voert de Vlaamse Grondenbank de taken uit die in deze afdeling zijn toegewezen aan de tot aankoop verplichte entiteit en wordt elke verwijzing in deze afdeling naar de tot aankoop verplichte entiteit beschouwd als een verwijzing naar de Vlaamse Grondenbank.
Als de toepassing wordt gevraagd van een koopplicht als vermeld in het eerste lid, raadpleegt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie en brengt de Vlaamse Grondenbank de betrokken instantie op de hoogte van de diverse procedurestappen conform deze afdeling. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder de betrokken instantie: het departement.
Art. 66. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux obligations d'achat suivantes :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 4.4.2, § 2, du Code précité.
§ 2. L'entité soumise à l'obligation d'achat accomplit l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 en son nom propre et pour son propre compte si cette obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial communal ou provincial.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes au nom et pour le compte de l'entité soumise à l'obligation d'achat :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 4.4.2, § 2, du Code précité.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande exécute les tùches dévolues dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat et toute référence dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'entend comme faite à la Banque fonciÚre flamande.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande consulte l'instance concernée et l'informe des différentes étapes de la procédure conformément à la présente section. Pour l'application de la présente section, on entend par l'instance concernée : le département.
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 4.4.2, § 2, du Code précité.
§ 2. L'entité soumise à l'obligation d'achat accomplit l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 en son nom propre et pour son propre compte si cette obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial communal ou provincial.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande accomplit les obligations d'achat suivantes au nom et pour le compte de l'entité soumise à l'obligation d'achat :
1° l'obligation d'achat visée à l'article 2.6.2, § 4, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, si l'obligation d'achat naßt à la suite d'un plan d'exécution spatial régional ;
2° l'obligation d'achat visée à l'article 4.4.2, § 2, du Code précité.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande exécute les tùches dévolues dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat et toute référence dans la présente section à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'entend comme faite à la Banque fonciÚre flamande.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'alinéa 1er est demandée, la Banque fonciÚre flamande consulte l'instance concernée et l'informe des différentes étapes de la procédure conformément à la présente section. Pour l'application de la présente section, on entend par l'instance concernée : le département.
Onderafdeling 2. - Aanvraag
Sous-section 2. - Demande
Art. 67. De aanvrager tot de vervulling van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 1, of zijn gevolmachtigde dient de aanvraag om de voormelde koopplicht te vervullen met een beveiligde zending in bij de Vlaamse Grondenbank.
Als er verschillende eigenaars zijn, dienen de eigenaars samen één aanvraag als vermeld in het eerste lid, in. Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende eigenaars, als de aanvrager een volmacht voorlegt waarbij die aanvrager de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een of verschillende andere eigenaars.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie en de volgende stukken gevoegd:
1° in voorkomend geval, de volmacht, vermeld in het eerste of tweede lid;
2° de soort koopplicht die wordt ingeroepen en een verwijzing naar de handeling van de overheid die aanleiding geeft tot de koopplicht;
3° het rekeningnummer waarop de aankoopprijs uitbetaald kan worden;
4° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een koopplicht wordt gevraagd;
5° een bewijs dat de aanvrager de volle of de blote eigenaar is van het perceel, met vermelding van het aandeel van de aanvrager in de eigendom;
6° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
7° de meest recente verwervingstitel van het perceel;
8° de verwervingswaarde als die niet is vermeld in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
9° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
10° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
11° als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie;
12° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
13° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
14° een verklaring op erewoord van de aanvrager waarin wordt bevestigd dat het onroerend goed waarvoor de toepassing van een koopplicht wordt gevraagd, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) er is geen vordering van de aanvrager om een koopplicht te vervullen die op dezelfde feiten gebaseerd is, bij de burgerlijke rechter aanhangig is of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de gedinginleidende akte waarbij het vervullen van de koopplicht wordt gevorderd;
b) de gebruiksbeperking wordt niet bij de administratieve rechter aangevochten door de aanvrager;
c) er is geen aanvraag voor een eigenaarsvergoeding voor hetzelfde goed ingediend of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de aanvraag of de definitieve beslissing over de aanvraag;
d) er is geen onteigeningsplan of onteigeningsbesluit van toepassing is op een deel of het geheel van het onroerend goed of, als dat wel het geval is, is er een kopie van het onteigeningsplan of -besluit;
15° de nodige bewijsstukken die aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden die gelden om de koopplicht te vervullen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank de aanvraag, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de tot aankoop verplichte entiteit.
De Vlaamse Grondenbank brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van de aanvraag, vermeld in het eerste lid.
Als er verschillende eigenaars zijn, dienen de eigenaars samen één aanvraag als vermeld in het eerste lid, in. Een aanvrager als vermeld in het eerste lid, kan een gezamenlijke aanvraag indienen voor verschillende eigenaars, als de aanvrager een volmacht voorlegt waarbij die aanvrager de opdracht krijgt de aanvraag in te dienen in naam van een of verschillende andere eigenaars.
Bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende informatie en de volgende stukken gevoegd:
1° in voorkomend geval, de volmacht, vermeld in het eerste of tweede lid;
2° de soort koopplicht die wordt ingeroepen en een verwijzing naar de handeling van de overheid die aanleiding geeft tot de koopplicht;
3° het rekeningnummer waarop de aankoopprijs uitbetaald kan worden;
4° de kadastrale gegevens van de percelen waarvoor een koopplicht wordt gevraagd;
5° een bewijs dat de aanvrager de volle of de blote eigenaar is van het perceel, met vermelding van het aandeel van de aanvrager in de eigendom;
6° de persoonlijke of zakelijke rechten op het perceel die niet in de eigendomstitels zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
7° de meest recente verwervingstitel van het perceel;
8° de verwervingswaarde als die niet is vermeld in de verwervingstitel of een motivering waarom die niet bekend is;
9° de erfdienstbaarheden die niet in de eigendomstitel zijn vermeld of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
10° een lijst van niet-zichtbare constructies of een verklaring op erewoord dat er geen zijn;
11° als er constructies betrokken zijn in de koopplicht:
a) een afschrift van de geldende vergunningen en, als die beschikbaar zijn, de bijbehorende plannen;
b) een beschrijving van de gebouwen waaronder het bouwjaar en de functie;
12° het rijksregisternummer van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
13° het ondernemingsnummer van de aanvrager, vermeld in de Kruispuntenbank van Ondernemingen, als de aanvrager een onderneming is;
14° een verklaring op erewoord van de aanvrager waarin wordt bevestigd dat het onroerend goed waarvoor de toepassing van een koopplicht wordt gevraagd, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) er is geen vordering van de aanvrager om een koopplicht te vervullen die op dezelfde feiten gebaseerd is, bij de burgerlijke rechter aanhangig is of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de gedinginleidende akte waarbij het vervullen van de koopplicht wordt gevorderd;
b) de gebruiksbeperking wordt niet bij de administratieve rechter aangevochten door de aanvrager;
c) er is geen aanvraag voor een eigenaarsvergoeding voor hetzelfde goed ingediend of, als dat wel het geval is, is er een kopie van de aanvraag of de definitieve beslissing over de aanvraag;
d) er is geen onteigeningsplan of onteigeningsbesluit van toepassing is op een deel of het geheel van het onroerend goed of, als dat wel het geval is, is er een kopie van het onteigeningsplan of -besluit;
15° de nodige bewijsstukken die aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden die gelden om de koopplicht te vervullen.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, bezorgt de Vlaamse Grondenbank de aanvraag, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de tot aankoop verplichte entiteit.
De Vlaamse Grondenbank brengt de betrokken instantie op de hoogte van de indiening van de aanvraag, vermeld in het eerste lid.
Art. 67. Le demandeur de l'accomplissement d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 1er, ou son mandataire introduit la demande d'accomplir l'obligation d'achat précitée par envoi sécurisé auprÚs de la Banque fonciÚre flamande.
En présence de plusieurs propriétaires, les propriétaires introduisent conjointement une seule demande telle que visée à l'alinéa 1er. Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs propriétaires si le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un ou de plusieurs autres propriétaires.
Les informations et les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le cas échéant, la procuration visée à l'alinéa 1er ou 2 ;
2° le type d'obligation d'achat qui est invoqué et un renvoi à l'acte de l'autorité qui donne lieu à l'obligation d'achat ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel le prix d'achat peut ĂȘtre versĂ© ;
4° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une obligation d'achat est demandée ;
5° une preuve que le demandeur est le plein propriétaire ou le nu-propriétaire de la parcelle, en indiquant la part du demandeur dans la propriété ;
6° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
7° le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
8° la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
9° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
10° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
11° si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
12° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
13° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
14° une déclaration sur l'honneur du demandeur certifiant que le bien immobilier pour lequel l'application d'une obligation d'achat est demandée satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
a) le juge civil n'a Ă©tĂ© saisi d'aucune action du demandeur tendant Ă l'accomplissement d'une obligation d'achat fondĂ©e sur les mĂȘmes faits ou, si tel est le cas, il y a une copie de l'acte introductif d'instance par lequel l'accomplissement de l'obligation d'achat est rĂ©clamĂ© ;
b) le demandeur ne conteste pas la restriction d'usage devant le juge administratif ;
c) aucune demande d'indemnitĂ© de propriĂ©taire pour le mĂȘme bien n'a Ă©tĂ© introduite ou, si tel est le cas, il y a une copie de la demande ou de la dĂ©cision dĂ©finitive au sujet de la demande ;
d) aucun plan d'expropriation ou arrĂȘtĂ© d'expropriation ne s'applique Ă une partie ou Ă l'ensemble du bien immobilier ou, si tel est le cas, il y a une copie du plan ou de l'arrĂȘtĂ© d'expropriation ;
15° les piÚces justificatives nécessaires démontrant qu'il a été satisfait aux conditions applicables pour accomplir l'obligation d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet immédiatement la demande visée à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat.
La Banque fonciÚre flamande informe l'instance concernée de l'introduction de la demande visée à l'alinéa 1er.
En présence de plusieurs propriétaires, les propriétaires introduisent conjointement une seule demande telle que visée à l'alinéa 1er. Un demandeur tel que visé à l'alinéa 1er peut introduire une demande conjointe pour plusieurs propriétaires si le demandeur produit une procuration le chargeant d'introduire la demande au nom d'un ou de plusieurs autres propriétaires.
Les informations et les piÚces suivantes sont jointes à la demande visée à l'alinéa 1er :
1° le cas échéant, la procuration visée à l'alinéa 1er ou 2 ;
2° le type d'obligation d'achat qui est invoqué et un renvoi à l'acte de l'autorité qui donne lieu à l'obligation d'achat ;
3° le numĂ©ro de compte sur lequel le prix d'achat peut ĂȘtre versĂ© ;
4° les données cadastrales des parcelles pour lesquelles une obligation d'achat est demandée ;
5° une preuve que le demandeur est le plein propriétaire ou le nu-propriétaire de la parcelle, en indiquant la part du demandeur dans la propriété ;
6° les droits personnels ou réels sur la parcelle qui ne figurent pas dans les titres de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
7° le titre d'acquisition de la parcelle le plus récent ;
8° la valeur d'acquisition si elle ne figure pas dans le titre d'acquisition ou les motifs pour lesquels elle n'est pas connue ;
9° les servitudes qui ne figurent pas dans le titre de propriété ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
10° une liste des constructions non apparentes ou une déclaration sur l'honneur selon laquelle il n'y en a pas ;
11° si des constructions sont concernées par l'obligation d'achat :
a) une copie des permis en vigueur et, s'ils sont disponibles, les plans y afférents ;
b) une description des bùtiments, dont l'année de construction et la fonction ;
12° le numéro de registre national du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
13° le numéro d'entreprise du demandeur mentionné dans la Banque-Carrefour des Entreprises si le demandeur est une entreprise ;
14° une déclaration sur l'honneur du demandeur certifiant que le bien immobilier pour lequel l'application d'une obligation d'achat est demandée satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
a) le juge civil n'a Ă©tĂ© saisi d'aucune action du demandeur tendant Ă l'accomplissement d'une obligation d'achat fondĂ©e sur les mĂȘmes faits ou, si tel est le cas, il y a une copie de l'acte introductif d'instance par lequel l'accomplissement de l'obligation d'achat est rĂ©clamĂ© ;
b) le demandeur ne conteste pas la restriction d'usage devant le juge administratif ;
c) aucune demande d'indemnitĂ© de propriĂ©taire pour le mĂȘme bien n'a Ă©tĂ© introduite ou, si tel est le cas, il y a une copie de la demande ou de la dĂ©cision dĂ©finitive au sujet de la demande ;
d) aucun plan d'expropriation ou arrĂȘtĂ© d'expropriation ne s'applique Ă une partie ou Ă l'ensemble du bien immobilier ou, si tel est le cas, il y a une copie du plan ou de l'arrĂȘtĂ© d'expropriation ;
15° les piÚces justificatives nécessaires démontrant qu'il a été satisfait aux conditions applicables pour accomplir l'obligation d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, la Banque fonciÚre flamande transmet immédiatement la demande visée à l'alinéa 1er à l'entité soumise à l'obligation d'achat.
La Banque fonciÚre flamande informe l'instance concernée de l'introduction de la demande visée à l'alinéa 1er.
Art. 68. De tot aankoop verplichte entiteit gaat na of de aanvraag, conform artikel 67, volledig is.
Als de aanvraag conform artikel 67 volledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie daarvan op de hoogte met een beveiligde zending binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 67, is ingediend.
Als de aanvraag conform artikel 67 onvolledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 67, is ingediend. De tot aankoop verplichte entiteit vermeldt in de voormelde kennisgeving de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de voormelde kennisgeving heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit, verklaart de tot aankoop verplichte entiteit, de voormelde aanvraag om een koopplicht te vervullen onontvankelijk. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de voormelde aanvraag.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit conform het derde lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit de aanvraag tot vervulling van de koopplicht alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard.
Als de aanvraag conform artikel 67 volledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie daarvan op de hoogte met een beveiligde zending binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 67, is ingediend.
Als de aanvraag conform artikel 67 onvolledig is, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvraag, vermeld in artikel 67, is ingediend. De tot aankoop verplichte entiteit vermeldt in de voormelde kennisgeving de stukken die ontbreken. De voormelde aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen dertig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager de voormelde kennisgeving heeft ontvangen, waarna de bepalingen van het eerste en tweede lid opnieuw van overeenkomstige toepassing zijn. Als de ontbrekende stukken niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit, verklaart de tot aankoop verplichte entiteit, de voormelde aanvraag om een koopplicht te vervullen onontvankelijk. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de onontvankelijkheid van de voormelde aanvraag.
Als de ontbrekende stukken niet of niet tijdig worden bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit conform het derde lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit de aanvraag tot vervulling van de koopplicht alsnog ontvankelijk verklaren als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie op de hoogte dat de aanvraag ten gevolge van overmacht alsnog ontvankelijkheid werd verklaard.
Art. 68. L'entité soumise à l'obligation d'achat vérifie si la demande est complÚte conformément à l'article 67.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 67, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 67 a Ă©tĂ© introduite.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 67, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 67 a Ă©tĂ© introduite. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat indique les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification prĂ©citĂ©e, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande prĂ©citĂ©e d'accomplissement d'une obligation d'achat irrecevable. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'entité soumise à l'obligation d'achat ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout déclarer la demande d'accomplissement de l'obligation d'achat recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Si la demande est complĂšte conformĂ©ment Ă l'article 67, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 67 a Ă©tĂ© introduite.
Si la demande est incomplĂšte conformĂ©ment Ă l'article 67, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 par envoi sĂ©curisĂ© dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande visĂ©e Ă l'article 67 a Ă©tĂ© introduite. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat indique les piĂšces manquantes dans la notification prĂ©citĂ©e. Le demandeur prĂ©citĂ© transmet les piĂšces manquantes Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur prĂ©citĂ© a reçu la notification prĂ©citĂ©e, aprĂšs quoi les dispositions des alinĂ©as 1er et 2 s'appliquent Ă nouveau par analogie. Si les piĂšces manquantes ne sont pas transmises Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dans les dĂ©lais, celle-ci dĂ©clare la demande prĂ©citĂ©e d'accomplissement d'une obligation d'achat irrecevable. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e de l'irrecevabilitĂ© de la demande prĂ©citĂ©e par envoi sĂ©curisĂ©.
Si les piÚces manquantes ne sont pas transmises à l'entité soumise à l'obligation d'achat ou ne le sont pas dans les délais conformément à l'alinéa 3, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout déclarer la demande d'accomplissement de l'obligation d'achat recevable si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 et l'instance concernée que, compte tenu de la force majeure, la demande a malgré tout été déclarée recevable.
Onderafdeling 3. - Beoordeling van de voorwaarden voor het vervullen van de koopplicht en de bepaling van de aankoopprijs
Sous-section 3. - Evaluation des conditions d'accomplissement de l'obligation d'achat et de paiement du prix d'achat
Art. 69. De tot aankoop verplichte entiteit vraagt met de beveiligde zending, vermeld in artikel 68, tweede lid, aan de aanvrager, vermeld in artikel 67, of die gehoord wil worden door de tot aankoop verplichte entiteit vóór de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, wordt genomen. De voormelde aanvrager laat aan de tot aankoop verplichte entiteit met een beveiligde zending weten, binnen dertig dagen na de dag waarop de vraag om gehoord te worden is verstuurd, of die gehoord wil worden. Als de voormelde aanvrager niet binnen de voormelde termijn antwoordt, wordt aangenomen dat de aanvrager niet gehoord wil worden.
Als de voormelde aanvrager gehoord wil worden, hoort de tot aankoop verplichte entiteit die aanvrager binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 68, tweede lid. De tot aankoop verplichte entiteit maakt een verslag van de hoorzitting op.
Als de voormelde aanvrager gehoord wil worden, hoort de tot aankoop verplichte entiteit die aanvrager binnen zestig dagen na de dag waarop die aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 68, tweede lid. De tot aankoop verplichte entiteit maakt een verslag van de hoorzitting op.
Art. 69. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat demande au demandeur visĂ© Ă l'article 67, par l'envoi sĂ©curisĂ© visĂ© Ă l'article 68, alinĂ©a 2, s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu par l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat avant que le projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 70 ne soit pris. Le demandeur prĂ©citĂ© fait savoir Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, s'il dĂ©sire ĂȘtre entendu, dans les trente jours Ă compter du jour oĂč la demande Ă ce sujet a Ă©tĂ© envoyĂ©e. A dĂ©faut de rĂ©ponse du demandeur prĂ©citĂ© dans le dĂ©lai prĂ©citĂ©, le demandeur est rĂ©putĂ© ne pas vouloir ĂȘtre entendu.
Si le demandeur prĂ©citĂ© dĂ©sire ĂȘtre entendu, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat l'entend dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 68, alinĂ©a 2. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dresse un compte rendu de l'audition.
Si le demandeur prĂ©citĂ© dĂ©sire ĂȘtre entendu, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat l'entend dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč ce demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 68, alinĂ©a 2. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat dresse un compte rendu de l'audition.
Art. 70. § 1. De tot aankoop verplichte entiteit neemt, in voorkomend geval, na kennisname van het verslag van de hoorzitting, vermeld in artikel 69, tweede lid, en na raadpleging van de betrokken instantie, een ontwerpbeslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen en in het positieve geval, over de berekening van de aankoopprijs.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen honderdtachtig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 68.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de ontwerpbeslissing.
§ 2. Conform artikel 75 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de opmaak van de ontwerpbeslissing, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 67, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 68 volledig is verklaard, maar die essentieel is om de voormelde ontwerpbeslissing op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 75, tweede lid, van dit besluit, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 67 van dit besluit, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat de voormelde aanvrager afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag, vermeld in artikel 67 van dit besluit, waardoor de verdere behandeling van de aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de aanvraag belet niet dat de aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de tot aankoop verplichte entiteit, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 75, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de ontwerpbeslissing, vermeld in het eerste lid, binnen honderdtachtig dagen na de dag waarop de voormelde aanvrager op de hoogte is gebracht van de volledigheid van de aanvraag conform artikel 68.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de ontwerpbeslissing.
§ 2. Conform artikel 75 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de opmaak van de ontwerpbeslissing, vermeld in paragraaf 1, de aanvrager, vermeld in artikel 67, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag is begrepen die conform artikel 68 volledig is verklaard, maar die essentieel is om de voormelde ontwerpbeslissing op te maken.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, binnen de termijn, vermeld in artikel 75, tweede lid, van dit besluit, die in voorkomend geval is verlengd, wordt de aanvrager, vermeld in artikel 67 van dit besluit, verondersteld afstand te doen van de aanvraag. De tot aankoop verplichte entiteit brengt de voormelde aanvrager en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de vaststelling dat de voormelde aanvrager afstand heeft gedaan van de behandeling van de aanvraag, vermeld in artikel 67 van dit besluit, waardoor de verdere behandeling van de aanvraag is stopgezet. De stopzetting van de aanvraag belet niet dat de aanvrager een nieuwe aanvraag kan indienen binnen de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023. Als het plaatsbezoek niet tijdig kan plaatsvinden door de afwezigheid van de aangestelde van de tot aankoop verplichte entiteit, wordt niet verondersteld dat de aanvrager afstand doet van de aanvraag.
Als de informatie die conform het eerste lid wordt gevraagd, niet of niet tijdig wordt gegeven of als het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel artikel 75, tweede lid, kan de tot aankoop verplichte entiteit alsnog vaststellen dat er geen afstand van de aanvraag werd gedaan als de aanvrager overmacht aantoont. Als overmacht wordt aangetoond, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie op de hoogte dat geen afstand van de aanvraag werd gedaan.
Art. 70. § 1er. L'entité soumise à l'obligation d'achat prend, le cas échéant, aprÚs avoir pris connaissance du compte rendu de l'audition visé à l'article 69, alinéa 2, et aprÚs avoir consulté l'instance concernée, un projet de décision au sujet du respect ou non des conditions pour accomplir l'obligation d'achat et, dans l'affirmative, au sujet du calcul du prix d'achat.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les cent quatre-vingts jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 68.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du projet de décision.
§ 2. Conformément à l'article 75, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue de l'élaboration du projet de décision visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 67, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 68, mais qui sont essentielles à l'élaboration du projet de décision.
Si les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 75, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, le demandeur visĂ© Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est rĂ©putĂ© renoncer Ă la demande. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel le demandeur prĂ©citĂ© a renoncĂ© au traitement de la demande visĂ©e Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© de sorte que le traitement de la demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande n'empĂȘche pas le demandeur de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les dĂ©lais en raison de l'absence du prĂ©posĂ© de l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, le demandeur n'est pas rĂ©putĂ© renoncer Ă la demande.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 75, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les cent quatre-vingts jours Ă compter du jour oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du caractĂšre complet de la demande conformĂ©ment Ă l'article 68.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du projet de décision.
§ 2. Conformément à l'article 75, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue de l'élaboration du projet de décision visé au paragraphe 1er, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 67, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 68, mais qui sont essentielles à l'élaboration du projet de décision.
Si les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er ne sont pas fournies ou si la visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 75, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, le demandeur visĂ© Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est rĂ©putĂ© renoncer Ă la demande. L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur prĂ©citĂ© et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, du constat selon lequel le demandeur prĂ©citĂ© a renoncĂ© au traitement de la demande visĂ©e Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© de sorte que le traitement de la demande a Ă©tĂ© interrompu. L'interruption de la demande n'empĂȘche pas le demandeur de pouvoir introduire une nouvelle demande dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 24, alinĂ©a 1er, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. Si la visite des lieux ne peut pas intervenir dans les dĂ©lais en raison de l'absence du prĂ©posĂ© de l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, le demandeur n'est pas rĂ©putĂ© renoncer Ă la demande.
Si les informations demandées conformément à l'alinéa 1er ne sont pas fournies ou ne le sont pas dans les délais ou si la visite des lieux visée à l'alinéa 1er n'intervient pas dans le délai visé à l'article 75, alinéa 2, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut malgré tout constater qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande si le demandeur établit l'existence de force majeure. Si la force majeure est établie, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 et l'instance concernée qu'il n'y a pas eu renonciation à la demande.
Art. 71. De aanvrager kan bezwaar indienen bij de tot aankoop verplichte entiteit tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70. Op straffe van onontvankelijkheid van het bezwaar wordt het bezwaar ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager, vermeld in artikel 67, op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70.
Conform artikel 75 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Conform artikel 75 kan de tot aankoop verplichte entiteit met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in het eerste lid, aan de aanvrager om een plaatsbezoek verzoeken of vragen om informatie te bezorgen die essentieel is om het bezwaar te beoordelen.
Art. 71. Le demandeur peut introduire, auprĂšs de l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, une rĂ©clamation Ă l'encontre du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 70. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, la rĂ©clamation est introduite dans les trente jours Ă compter du jour oĂč le demandeur visĂ© Ă l'article 67 a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 70.
Conformément à l'article 75, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Conformément à l'article 75, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue du traitement de la réclamation visée à l'alinéa 1er, solliciter auprÚs du demandeur une visite des lieux ou lui demander de transmettre des informations essentielles à l'appréciation de la réclamation.
Art. 72. § 1. Als de aanvrager, vermeld in artikel 67, een bezwaar indient tegen de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, neemt de tot aankoop verplichte entiteit, na onderzoek van het bezwaar en na raadpleging van de betrokken instantie, een definitieve beslissing over het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen en in het positieve geval, over de berekening van de aankoopprijs.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 75, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar conform artikel 71, heeft ontvangen.
Als voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, geldt de kennisgeving van de definitieve beslissing, vermeld in het derde lid, als aanbod tot koop.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de definitieve beslissing.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 67 van dit besluit, geen bezwaar indient of als het bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 23, § 3, tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
In de situatie, vermeld in het eerste lid, en als voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, geldt de kennisgeving van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, als aanbod tot koop.
De tot aankoop verplichte entiteit neemt een definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie. Ook als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in artikel 75, tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, neemt de tot aankoop verplichte entiteit de definitieve beslissing op basis van de beschikbare informatie.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de aanvrager, vermeld in artikel 67, en de betrokken instantie met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve beslissing, vermeld in het eerste lid, binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit het bezwaar conform artikel 71, heeft ontvangen.
Als voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, geldt de kennisgeving van de definitieve beslissing, vermeld in het derde lid, als aanbod tot koop.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van de definitieve beslissing.
§ 2. Als de aanvrager, vermeld in artikel 67 van dit besluit, geen bezwaar indient of als het bezwaar niet tijdig is ingediend, is conform artikel 23, § 3, tweede lid van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, de ontwerpbeslissing de definitieve beslissing.
In de situatie, vermeld in het eerste lid, en als voldaan is aan de voorwaarden om de koopplicht te vervullen, geldt de kennisgeving van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, als aanbod tot koop.
Art. 72. § 1er. Si le demandeur visé à l'article 67 introduit une réclamation à l'encontre du projet de décision visé à l'article 70, l'entité soumise à l'obligation d'achat prend une décision définitive, aprÚs avoir examiné la réclamation et aprÚs avoir consulté l'instance concernée, au sujet du respect ou non des conditions pour accomplir l'obligation d'achat et, dans l'affirmative, au sujet du calcul du prix d'achat.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 75, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation conformĂ©ment Ă l'article 71.
S'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, la notification de la décision définitive visée à l'alinéa 3 vaut offre d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande de la décision définitive.
§ 2. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'introduit pas de rĂ©clamation ou si la rĂ©clamation n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 3, alinĂ©a 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Dans la situation visée à l'alinéa 1er et s'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, la notification du projet de décision visée à l'article 70, § 1er, alinéa 2, vaut offre d'achat.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles. MĂȘme si les informations demandĂ©es ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'article 75, alinĂ©a 2, qui, le cas Ă©chĂ©ant, a Ă©tĂ© prorogĂ©, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat prend la dĂ©cision dĂ©finitive sur la base des informations disponibles.
L'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat informe le demandeur visĂ© Ă l'article 67 et l'instance concernĂ©e, par envoi sĂ©curisĂ©, de la dĂ©cision dĂ©finitive visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a reçu la rĂ©clamation conformĂ©ment Ă l'article 71.
S'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, la notification de la décision définitive visée à l'alinéa 3 vaut offre d'achat.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande de la décision définitive.
§ 2. Si le demandeur visĂ© Ă l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'introduit pas de rĂ©clamation ou si la rĂ©clamation n'a pas Ă©tĂ© introduite dans les dĂ©lais, le projet de dĂ©cision constitue la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 23, § 3, alinĂ©a 2, du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Dans la situation visée à l'alinéa 1er et s'il a été satisfait aux conditions pour accomplir l'obligation d'achat, la notification du projet de décision visée à l'article 70, § 1er, alinéa 2, vaut offre d'achat.
Onderafdeling 4. - Aanbod tot koop en intrekking van een aanvraag
Sous-section 4. - Offre d'achat et retrait d'une demande
Art. 73. De aanvrager, vermeld in artikel 67, deelt, binnen een termijn van zes maanden, die ingaat op een van de volgende momenten, met een beveiligde zending aan de tot aankoop verplichte entiteit mee of hij het aanbod, vermeld in artikel 72, al dan niet aanvaardt:
1° in de situatie, vermeld in artikel 72, § 1: de dag nadat de aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 72, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 72, § 2,: de dag nadat de aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid.
De tot aankoop verplichte entiteit deelt aan de aanvrager, vermeld in artikel 67, mee dat doordat de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, het aanbod wordt geacht geweigerd te zijn.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de betrokken instantie ervan op de hoogte of de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van het feit of de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod aanvaardt, doet de tot aankoop verplichte entiteit het nodige voor het verlijden van de aankoopakte.
1° in de situatie, vermeld in artikel 72, § 1: de dag nadat de aanvrager op de hoogte is gebracht van de definitieve beslissing conform artikel 72, § 1, derde lid;
2° in de situatie, vermeld in artikel 72, § 2,: de dag nadat de aanvrager op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid.
De tot aankoop verplichte entiteit deelt aan de aanvrager, vermeld in artikel 67, mee dat doordat de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, het aanbod wordt geacht geweigerd te zijn.
De tot aankoop verplichte entiteit brengt de betrokken instantie ervan op de hoogte of de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de toepassing van een koopplicht als vermeld in artikel 66, § 2, wordt gevraagd, brengt de tot aankoop verplichte entiteit de Vlaamse Grondenbank op de hoogte van het feit of de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod al dan niet aanvaardt.
Als de aanvrager, vermeld in artikel 67, het aanbod aanvaardt, doet de tot aankoop verplichte entiteit het nodige voor het verlijden van de aankoopakte.
Art. 73. Dans un délai de six mois prenant cours à l'un des moments suivants, le demandeur visé à l'article 67 notifie par envoi sécurisé à l'entité soumise à l'obligation d'achat s'il accepte ou non l'offre visée à l'article 72 :
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 72, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 72, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 72, § 2 : le jour suivant celui oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 70, § 1er, alinĂ©a 2.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 qu'étant donné l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'offre est réputée avoir été refusée.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe l'instance concernée de ce que le demandeur visé à l'article 67 accepte ou non l'offre.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du fait que le demandeur visé à l'article 67 accepte ou non l'offre.
Si le demandeur visé à l'article 67 accepte l'offre, l'entité soumise à l'obligation d'achat fait le nécessaire pour la passation de l'acte d'achat.
1° dans la situation visĂ©e Ă l'article 72, § 1er : le jour suivant celui oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© de la dĂ©cision dĂ©finitive conformĂ©ment Ă l'article 72, § 1er, alinĂ©a 3 ;
2° dans la situation visĂ©e Ă l'article 72, § 2 : le jour suivant celui oĂč le demandeur a Ă©tĂ© informĂ© du projet de dĂ©cision visĂ© Ă l'article 70, § 1er, alinĂ©a 2.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe le demandeur visé à l'article 67 qu'étant donné l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'offre est réputée avoir été refusée.
L'entité soumise à l'obligation d'achat informe l'instance concernée de ce que le demandeur visé à l'article 67 accepte ou non l'offre.
Si l'application d'une obligation d'achat telle que visée à l'article 66, § 2, est demandée, l'entité soumise à l'obligation d'achat informe la Banque fonciÚre flamande du fait que le demandeur visé à l'article 67 accepte ou non l'offre.
Si le demandeur visé à l'article 67 accepte l'offre, l'entité soumise à l'obligation d'achat fait le nécessaire pour la passation de l'acte d'achat.
Art. 74. De aanvrager, vermeld in artikel 67, kan de aanvraag, vermeld in artikel 67, intrekken zolang het aanbod niet is aanvaard.
Art. 74. Le demandeur visé à l'article 67 peut retirer la demande visée à l'article 67 tant que l'offre n'a pas été acceptée.
Onderafdeling 5. - Vraag tot informatie en plaatsbezoek
Sous-section 5. - Demande d'informations et de visite des lieux
Art. 75. De tot aankoop verplichte entiteit kan met het oog op de opmaak van de ontwerpbeslissing, vermeld in artikel 70, of met het oog op de behandeling van het bezwaar, vermeld in artikel 71, met een beveiligde zending de aanvrager, vermeld in artikel 67, om een plaatsbezoek verzoeken, of om informatie vragen die niet al in de aanvraag die conform artikel 68 volledig is verklaard, begrepen was, maar die essentieel is om de ontwerpbeslissing op te maken of om het bezwaar te behandelen.
De aanvrager, vermeld in artikel 67, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen zestig dagen vanaf de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de tot aankoop verplichte entiteit de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
De termijn, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 72, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie of plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
Als de gevraagde informatie, vermeld in het eerste lid, attesten omvat die verplicht zijn bij de verkoop van een onroerend goed, vraagt de aanvrager op zijn kosten die attesten op. Als de aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 73, niet aanvaardt, worden de kosten voor de voormelde attesten aan de aanvrager terugbetaald door de tot aankoop verplichte entiteit op basis van de ingediende facturen.
De aanvrager, vermeld in artikel 67, bezorgt met een beveiligde zending de informatie die conform het eerste lid is gevraagd aan de tot aankoop verplichte entiteit binnen zestig dagen vanaf de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie heeft gesteld. Het plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zestig dagen na de dag waarop de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot een plaatsbezoek heeft gesteld. Na een gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de tot aankoop verplichte entiteit de voormelde termijn van zestig dagen verlengen.
De termijn, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 72, § 1, derde lid, wordt geschorst voor de periode die ingaat op de dag nadat de tot aankoop verplichte entiteit de vraag tot informatie of plaatsbezoek, vermeld in het eerste lid, heeft gesteld en die eindigt op een van de volgende momenten:
1° op de dag nadat de aanvrager de gevraagde informatie heeft bezorgd aan de tot aankoop verplichte entiteit;
2° op de dag nadat het plaatsbezoek heeft plaatsgevonden;
3° op de dag nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd, is verstreken als de gevraagde informatie niet wordt gegeven of als het plaatsbezoek niet plaatsvindt binnen de termijn, vermeld in het tweede lid.
Als de gevraagde informatie, vermeld in het eerste lid, attesten omvat die verplicht zijn bij de verkoop van een onroerend goed, vraagt de aanvrager op zijn kosten die attesten op. Als de aanvrager het aanbod, vermeld in artikel 73, niet aanvaardt, worden de kosten voor de voormelde attesten aan de aanvrager terugbetaald door de tot aankoop verplichte entiteit op basis van de ingediende facturen.
Art. 75. L'entité soumise à l'obligation d'achat peut, en vue de l'élaboration du projet de décision visé à l'article 70 ou en vue du traitement de la réclamation visée à l'article 71, solliciter, auprÚs du demandeur visé à l'article 67, par envoi sécurisé, une visite des lieux ou lui demander des informations qui ne figurent pas déjà dans la demande déclarée complÚte conformément à l'article 68, mais qui sont essentielles à l'élaboration du projet de décision ou au traitement de la réclamation.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 67 transmet Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a formulĂ© la demande d'informations. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
Le délai visé à l'article 70, § 1er, alinéa 2, et à l'article 72, § 1er, alinéa 3, sont suspendus pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'entité soumise à l'obligation d'achat, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à l'entité soumise à l'obligation d'achat ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Si les informations visées à l'alinéa 1er contiennent des attestations obligatoires lors de la vente d'un bien immobilier, le demandeur demande ces attestations à ses frais. Si le demandeur n'accepte pas l'offre visée à l'article 73, l'entité soumise à l'obligation d'achat rembourse au demandeur les frais inhérents aux attestations précitées sur la base des factures introduites.
Le demandeur visĂ© Ă l'article 67 transmet Ă l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat, par envoi sĂ©curisĂ©, les informations demandĂ©es conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat a formulĂ© la demande d'informations. La visite des lieux visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er intervient dans les soixante jours Ă compter du jour oĂč l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat en a formulĂ© la demande. Sur demande motivĂ©e du demandeur, l'entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat peut proroger le dĂ©lai prĂ©citĂ© de soixante jours.
Le délai visé à l'article 70, § 1er, alinéa 2, et à l'article 72, § 1er, alinéa 3, sont suspendus pour la période prenant cours le jour suivant la formulation, par l'entité soumise à l'obligation d'achat, de la demande d'informations ou de visite des lieux visée à l'alinéa 1er et se terminant à l'un des moments suivants :
1° le jour suivant la transmission par le demandeur des informations demandées à l'entité soumise à l'obligation d'achat ;
2° le jour suivant la visite des lieux ;
3° le jour suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2, qui, le cas échéant, a été prorogé, si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la visite des lieux n'intervient pas dans le délai visé à l'alinéa 2.
Si les informations visées à l'alinéa 1er contiennent des attestations obligatoires lors de la vente d'un bien immobilier, le demandeur demande ces attestations à ses frais. Si le demandeur n'accepte pas l'offre visée à l'article 73, l'entité soumise à l'obligation d'achat rembourse au demandeur les frais inhérents aux attestations précitées sur la base des factures introduites.
Afdeling 2. - Algemene bepalingen over advies- en informatievragen
Section 2. - Dispositions générales relatives aux demandes d'avis et d'information
Art. 76. De tot aankoop verplichte entiteit kan voor de uitvoering van de taken die aan haar zijn toegewezen in dit hoofdstuk, adviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die ze nuttig acht. Tenzij anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de voormelde instanties het advies binnen dertig dagen na de dag waarop de adviesvraag is ontvangen.
Art. 76. Aux fins de l'exécution de tùches qui lui sont dévolues dans le présent chapitre, l'entité soumise à l'obligation d'achat peut recueillir des avis auprÚs de tout service, de toute institution ou de toute organisation qu'elle juge utile de consulter. Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances précitées rendent l'avis dans les trente jours à compter du jour de la réception de la demande d'avis.
HOOFDSTUK 3. - Samenloop van koopplichten
CHAPITRE 3. - Concours d'obligations d'achat
Art. 77. Als voor een onroerend goed op een verschillende dag aanvragen voor de toepassing van verschillende koopplichten zijn ingediend bij de Vlaamse Grondenbank, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteiten onmiddellijk op de hoogte van de aanvragen.
Als gelijktijdig aan de voorwaarden is voldaan voor het vervullen van verschillende koopplichten, wordt de koopplicht toegepast die het eerst is ingediend bij de Vlaamse Grondenbank.
De procedure voor de koopplicht die het eerst is ingediend bij de Vlaamse Grondenbank, wordt voortgezet. De procedure voor de andere koopplicht of koopplichten wordt stopgezet. De tot aankoop verplichte entiteit of de Vlaamse Grondenbank brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van welke koopplicht wordt voortgezet en welke wordt stopgezet.
Als gelijktijdig aan de voorwaarden is voldaan voor het vervullen van verschillende koopplichten, wordt de koopplicht toegepast die het eerst is ingediend bij de Vlaamse Grondenbank.
De procedure voor de koopplicht die het eerst is ingediend bij de Vlaamse Grondenbank, wordt voortgezet. De procedure voor de andere koopplicht of koopplichten wordt stopgezet. De tot aankoop verplichte entiteit of de Vlaamse Grondenbank brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van welke koopplicht wordt voortgezet en welke wordt stopgezet.
Art. 77. Lorsque des demandes d'application de plusieurs obligations d'achat pour un bien immobilier ont été introduites auprÚs de la Banque fonciÚre flamande à des jours différents, la Banque fonciÚre flamande informe immédiatement les entités soumises à l'obligation d'achat des demandes.
S'il a été satisfait simultanément aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat, l'obligation d'achat qui a été introduite en premier auprÚs de la Banque fonciÚre flamande est appliquée.
La procédure de l'obligation d'achat qui a été introduite en premier auprÚs de la Banque fonciÚre flamande est poursuivie. La procédure de l'autre ou des autres obligations d'achat est interrompue. L'entité soumise à l'obligation d'achat ou la Banque fonciÚre flamande informe le demandeur par envoi sécurisé de l'obligation d'achat qui est poursuivie et de celle qui est interrompue.
S'il a été satisfait simultanément aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat, l'obligation d'achat qui a été introduite en premier auprÚs de la Banque fonciÚre flamande est appliquée.
La procédure de l'obligation d'achat qui a été introduite en premier auprÚs de la Banque fonciÚre flamande est poursuivie. La procédure de l'autre ou des autres obligations d'achat est interrompue. L'entité soumise à l'obligation d'achat ou la Banque fonciÚre flamande informe le demandeur par envoi sécurisé de l'obligation d'achat qui est poursuivie et de celle qui est interrompue.
Art. 78. Als voor een onroerend goed op dezelfde dag aanvragen voor de toepassing van verschillende koopplichten zijn ingediend bij de Vlaamse Grondenbank, brengt de Vlaamse Grondenbank de tot aankoop verplichte entiteiten onmiddellijk op de hoogte van de aanvragen met de vraag om onderling te bepalen wie de koopplicht vervult als gelijktijdig is voldaan aan de voorwaarden voor het vervullen van de koopplichten.
Als gelijktijdig is voldaan aan de voorwaarden voor het vervullen van verschillende koopplichten, beslissen de tot aankoop verplichte entiteiten in onderlinge overeenstemming welke koopplicht wordt uitgeoefend. De procedure voor de koopplicht die wordt uitgeoefend, wordt voortgezet. De procedure voor de andere koopplicht of koopplichten wordt stopgezet.
Als gelijktijdig is voldaan aan de voorwaarden voor het vervullen van verschillende koopplichten en de tot aankoop verplichte entiteiten komen onderling niet overeen welke koopplicht wordt uitgeoefend, beslist de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, welke koopplicht moet worden vervuld. De voormelde minister beslist met het oog op het belang van elke tot aankoop verplichte entiteit bij de uitoefening van de koopplicht. De procedure voor de andere koopplicht wordt stopgezet.
De tot aankoop verplichte entiteit of de Vlaamse Grondenbank brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing, vermeld in het tweede of derde lid.
Als gelijktijdig is voldaan aan de voorwaarden voor het vervullen van verschillende koopplichten, beslissen de tot aankoop verplichte entiteiten in onderlinge overeenstemming welke koopplicht wordt uitgeoefend. De procedure voor de koopplicht die wordt uitgeoefend, wordt voortgezet. De procedure voor de andere koopplicht of koopplichten wordt stopgezet.
Als gelijktijdig is voldaan aan de voorwaarden voor het vervullen van verschillende koopplichten en de tot aankoop verplichte entiteiten komen onderling niet overeen welke koopplicht wordt uitgeoefend, beslist de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, welke koopplicht moet worden vervuld. De voormelde minister beslist met het oog op het belang van elke tot aankoop verplichte entiteit bij de uitoefening van de koopplicht. De procedure voor de andere koopplicht wordt stopgezet.
De tot aankoop verplichte entiteit of de Vlaamse Grondenbank brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing, vermeld in het tweede of derde lid.
Art. 78. Lorsque des demandes d'application de plusieurs obligations d'achat pour un bien immobilier ont Ă©tĂ© introduites auprĂšs de la Banque fonciĂšre flamande le mĂȘme jour, la Banque fonciĂšre flamande en informe immĂ©diatement les entitĂ©s soumises Ă l'obligation d'achat en leur demandant de dĂ©cider entre elles qui accomplira l'obligation d'achat s'il a Ă©tĂ© satisfait simultanĂ©ment aux conditions d'accomplissement des obligations d'achat.
S'il a été satisfait simultanément aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat, les entités soumises à l'obligation d'achat décident de commun accord quelle obligation d'achat sera accomplie. La procédure de l'obligation d'achat qui sera accomplie est poursuivie. La procédure de l'autre ou des autres obligations d'achat est interrompue.
S'il a Ă©tĂ© satisfait simultanĂ©ment aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat et que les entitĂ©s soumises Ă l'obligation d'achat ne tombent pas d'accord sur l'obligation d'achat qui sera accomplie, le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions dĂ©cide quelle obligation d'achat doit ĂȘtre accomplie. Le ministre prĂ©citĂ© dĂ©cide dans l'intĂ©rĂȘt de chaque entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat lors de l'accomplissement de l'obligation d'achat. La procĂ©dure de l'autre obligation d'achat est interrompue.
L'entité soumise à l'obligation d'achat ou la Banque fonciÚre flamande informe le demandeur par envoi sécurisé de la décision visée à l'alinéa 2 ou 3.
S'il a été satisfait simultanément aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat, les entités soumises à l'obligation d'achat décident de commun accord quelle obligation d'achat sera accomplie. La procédure de l'obligation d'achat qui sera accomplie est poursuivie. La procédure de l'autre ou des autres obligations d'achat est interrompue.
S'il a Ă©tĂ© satisfait simultanĂ©ment aux conditions d'accomplissement de plusieurs obligations d'achat et que les entitĂ©s soumises Ă l'obligation d'achat ne tombent pas d'accord sur l'obligation d'achat qui sera accomplie, le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions dĂ©cide quelle obligation d'achat doit ĂȘtre accomplie. Le ministre prĂ©citĂ© dĂ©cide dans l'intĂ©rĂȘt de chaque entitĂ© soumise Ă l'obligation d'achat lors de l'accomplissement de l'obligation d'achat. La procĂ©dure de l'autre obligation d'achat est interrompue.
L'entité soumise à l'obligation d'achat ou la Banque fonciÚre flamande informe le demandeur par envoi sécurisé de la décision visée à l'alinéa 2 ou 3.
HOOFDSTUK 4. - Verwerking van gegevens
CHAPITRE 4. - Traitement des données
Art. 79. § 1. Conform artikel 23, § 5, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, verwerkt de Vlaamse Grondenbank voor de uitvoering van haar taken in verband met de koopplichten, vermeld in deze titel, de informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, die daarvoor noodzakelijk is.
§ 2. De Vlaamse Grondenbank verzamelt, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taken, onder meer rechtstreeks bij de instantie of de overheid die over de inlichtingen beschikt, de volgende informatie:
1° de wettelijke identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen en, in voorkomend geval, de Kruispuntbankregisters;
2° de vergelijkingspunten voor de verkoopprijzen van gelijkaardige onroerende goederen;
3° de gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde;
4° gegevens in verband met persoonlijke en zakelijke rechten;
5° gegevens die een invloed kunnen hebben op het inkomen of het potentiële inkomen van een perceel, in het bijzonder de aanwezige teelt en dieren, het bemestingsregime, de bodemgeschiktheid en de landbouwstreek;
6° de stedenbouwkundige inlichtingen vervat in het plannen- en vergunningenregister, en ook andere goedgekeurde vergunningen;
7° bodemattesten en gegevens over een eventuele verontreiniging;
8° in voorkomend geval, gegevens van aanvragers in verband met de unieke wijze van identificatie als landbouwer in het GBCS, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, in het bijzonder het landbouwernummer en het exploitatienummer;
9° de verwervingsaktes van de percelen die betrekking hebben op de aanvraag;
10° de verwervingsaktes van de vergelijkingspunten.
§ 3. De Vlaamse Grondenbank verwerkt de persoonsgegevens onder de volgende voorwaarden:
1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;
2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als vermeld in artikel 23, paragraaf 5 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 en worden vervolgens niet verder op een wijze verwerkt die met die doeleinden onverenigbaar is;
3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
4° de persoonsgegevens zijn juist en worden geactualiseerd als dat nodig is;
5° alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die onjuist zijn, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onmiddellijk te wissen of te verbeteren;
6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen, op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging;
8° de Vlaamse Grondenbank implementeert passende en technische en organisatorische maartregelen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat conform het risico is afgestemd, in overeenstemming met artikel 32 van de algemene verordening gegevensbeschermingen evalueert op regelmatige basis de geschiktheid van de veiligheidsmaatregelen en past ze aan waar nodig.
§ 4. De Vlaamse Grondenbank is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, en kan dat aantonen.
§ 5. De Vlaamse Grondenbank neemt overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkene te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening en informeren de betrokkene over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening.
§ 6. De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal vijf jaar bewaard:
1° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op het behandelen van een klacht. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de klacht afgehandeld is;
2° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een aanvraag tot openbaarmaking of hergebruik van een bestuursdocument. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat een beslissing genomen is over de aanvraag;
De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal dertig jaar bewaard: de bestuursdocumenten die betrekking hebben op de aanvraag tot aankoop van een onroerend goed, het bepalen van de aankoopprijs en de betaling ervan. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het onroerend goed is aangekocht of de aanvraag werd geweigerd;
Als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beslissing met betrekking tot de bestuursdocumenten, vermeld in deze paragraaf, worden de lopende bewaartermijnen geschorst tot er een definitieve, in kracht van gewijsde gegane en uitvoerbare beslissing is genomen over het rechtsmiddel.
§ 7. Voor andere categorieën van bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 6, en die persoonsgegevens bevatten, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de selectiecommissies, vermeld in artikel III.88, § 1, van het Bestuursdecreet de maximale bewaartermijnen bepalen.
§ 2. De Vlaamse Grondenbank verzamelt, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taken, onder meer rechtstreeks bij de instantie of de overheid die over de inlichtingen beschikt, de volgende informatie:
1° de wettelijke identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen en, in voorkomend geval, de Kruispuntbankregisters;
2° de vergelijkingspunten voor de verkoopprijzen van gelijkaardige onroerende goederen;
3° de gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde;
4° gegevens in verband met persoonlijke en zakelijke rechten;
5° gegevens die een invloed kunnen hebben op het inkomen of het potentiële inkomen van een perceel, in het bijzonder de aanwezige teelt en dieren, het bemestingsregime, de bodemgeschiktheid en de landbouwstreek;
6° de stedenbouwkundige inlichtingen vervat in het plannen- en vergunningenregister, en ook andere goedgekeurde vergunningen;
7° bodemattesten en gegevens over een eventuele verontreiniging;
8° in voorkomend geval, gegevens van aanvragers in verband met de unieke wijze van identificatie als landbouwer in het GBCS, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, in het bijzonder het landbouwernummer en het exploitatienummer;
9° de verwervingsaktes van de percelen die betrekking hebben op de aanvraag;
10° de verwervingsaktes van de vergelijkingspunten.
§ 3. De Vlaamse Grondenbank verwerkt de persoonsgegevens onder de volgende voorwaarden:
1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;
2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als vermeld in artikel 23, paragraaf 5 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 en worden vervolgens niet verder op een wijze verwerkt die met die doeleinden onverenigbaar is;
3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
4° de persoonsgegevens zijn juist en worden geactualiseerd als dat nodig is;
5° alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die onjuist zijn, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onmiddellijk te wissen of te verbeteren;
6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen, op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging;
8° de Vlaamse Grondenbank implementeert passende en technische en organisatorische maartregelen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat conform het risico is afgestemd, in overeenstemming met artikel 32 van de algemene verordening gegevensbeschermingen evalueert op regelmatige basis de geschiktheid van de veiligheidsmaatregelen en past ze aan waar nodig.
§ 4. De Vlaamse Grondenbank is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, en kan dat aantonen.
§ 5. De Vlaamse Grondenbank neemt overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkene te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening en informeren de betrokkene over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening.
§ 6. De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal vijf jaar bewaard:
1° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op het behandelen van een klacht. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de klacht afgehandeld is;
2° de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een aanvraag tot openbaarmaking of hergebruik van een bestuursdocument. De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat een beslissing genomen is over de aanvraag;
De volgende bestuursdocumenten worden, als ze persoonsgegevens bevatten, maximaal dertig jaar bewaard: de bestuursdocumenten die betrekking hebben op de aanvraag tot aankoop van een onroerend goed, het bepalen van de aankoopprijs en de betaling ervan. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het onroerend goed is aangekocht of de aanvraag werd geweigerd;
Als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beslissing met betrekking tot de bestuursdocumenten, vermeld in deze paragraaf, worden de lopende bewaartermijnen geschorst tot er een definitieve, in kracht van gewijsde gegane en uitvoerbare beslissing is genomen over het rechtsmiddel.
§ 7. Voor andere categorieën van bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 6, en die persoonsgegevens bevatten, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de selectiecommissies, vermeld in artikel III.88, § 1, van het Bestuursdecreet de maximale bewaartermijnen bepalen.
Art. 79. § 1er. Conformément à l'article 23, § 5, du décret Instruments du 26 mai 2023, la Banque fonciÚre flamande traite les informations, y compris les données à caractÚre personnel, nécessaires à l'exécution de ses tùches liées aux obligations d'achat visées dans le présent titre.
§ 2. Si cela est nécessaire à l'accomplissement de ses tùches, la Banque fonciÚre flamande collecte, entre autres directement auprÚs de l'instance ou de l'autorité qui dispose des renseignements, les informations suivantes :
1° les données d'identification légales figurant dans le Registre national des personnes physiques et, le cas échéant, les registres Banque Carrefour ;
2° les points de comparaison pour les prix de vente de biens immobiliers similaires ;
3° les données relatives aux biens immobiliers et aux parcelles pour lesquels une indemnité est demandée, dont les données cadastrales, les données sur les servitudes et la valeur d'acquisition ;
4° les données relatives aux droits personnels et réels ;
5° les données susceptibles d'influencer le revenu ou le revenu potentiel d'une parcelle, en particulier la culture et le cheptel présents, le régime de fertilisation, la qualité du sol et la région agricole ;
6° les renseignements urbanistiques contenus dans le registre des plans et permis ainsi que d'autres permis approuvés ;
7° les attestations du sol et les données relatives à une éventuelle pollution ;
8° le cas échéant, les données de demandeurs relatives au mode unique d'identification en tant qu'agriculteur dans le SIGC visé à l'article 4, § 1er, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, en particulier le numéro d'agriculteur et le numéro d'exploitation ;
9° les actes d'acquisition des parcelles qui se rapportent à la demande ;
10° les actes d'acquisition des points de comparaison.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande traite les données à caractÚre personnel aux conditions suivantes :
1° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre licite, loyale et transparente au regard de la personne concernée ;
2° les données à caractÚre personnel sont collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes, telles que visées à l'article 23, paragraphe 5, du décret Instruments du 26 mai 2023, et ne sont pas traitées ultérieurement d'une maniÚre incompatible avec ces finalités ;
3° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre adéquate, pertinente et limitée à ce qui est nécessaire au regard des fins auxquelles elles sont traitées ;
4° les données à caractÚre personnel sont exactes et, si nécessaire, tenues à jour ;
5° toutes les mesures raisonnables sont prises pour effacer ou corriger immédiatement les données à caractÚre personnel qui sont inexactes, eu égard aux fins auxquelles elles sont traitées ;
6° les données à caractÚre personnel sont conservées sous une forme permettant de ne pas identifier l'intéressé plus longtemps qu'il ne faut pour les fins auxquelles les données à caractÚre personnel sont traitées ;
7° les données à caractÚre personnel sont traitées, à l'aide de mesures techniques ou organisationnelles appropriées, de façon à en garantir une sécurité appropriée, y compris la protection contre le traitement non autorisé ou illicite et contre la perte, la destruction ou les dégùts d'origine accidentelle ;
8° la Banque fonciÚre flamande met en oeuvre les mesures techniques et organisationnelles appropriées afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque conformément à l'article 32 du rÚglement général sur la protection des données, évalue réguliÚrement l'adéquation des mesures de sécurité et, au besoin, les adapte.
§ 4. La Banque fonciÚre flamande est responsable du respect des conditions énoncées à l'alinéa 3 et est en mesure de démontrer que celles-ci sont respectées.
§ 5. La Banque fonciÚre flamande prend, conformément à l'article 12 du rÚglement général sur la protection des données, des mesures appropriées pour informer l'intéressé du traitement de ses données à caractÚre personnel conformément aux articles 13 et 14 du rÚglement précité et pour informer l'intéressé des droits visés aux articles 15 à 22 et à l'article 34 du rÚglement précité.
§ 6. Les documents administratifs suivants sont conservés cinq ans maximum s'ils contiennent des données à caractÚre personnel :
1° les documents administratifs relatifs au traitement d'une plainte. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč la plainte a Ă©tĂ© traitĂ©e ;
2° les documents administratifs relatifs Ă une demande de publicitĂ© ou de rĂ©utilisation d'un document administratif. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč une dĂ©cision au sujet de la demande a Ă©tĂ© prise.
Les documents administratifs suivants sont conservĂ©s trente ans maximum s'ils contiennent des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel : les documents administratifs relatifs Ă la demande d'achat d'un bien immobilier, Ă la fixation du prix d'achat et Ă son paiement. Ce dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč le bien immobilier a Ă©tĂ© achetĂ© ou la demande a Ă©tĂ© refusĂ©e.
Si un recours est introduit contre une décision concernant les documents administratifs mentionnés dans le présent paragraphe, les délais de conservation en cours sont suspendus jusqu'à ce qu'une décision définitive, coulée en force de chose jugée et exécutoire ait été prise au sujet du recours.
§ 7. Concernant les catégories de documents administratifs autres que les documents administratifs mentionnés dans le paragraphe 6 et qui contiennent des données à caractÚre personnel, le Gouvernement flamand peut fixer les durées de conservation maximales sur proposition des commissions de sélection visées à l'article III.88, § 1er, du décret de gouvernance.
§ 2. Si cela est nécessaire à l'accomplissement de ses tùches, la Banque fonciÚre flamande collecte, entre autres directement auprÚs de l'instance ou de l'autorité qui dispose des renseignements, les informations suivantes :
1° les données d'identification légales figurant dans le Registre national des personnes physiques et, le cas échéant, les registres Banque Carrefour ;
2° les points de comparaison pour les prix de vente de biens immobiliers similaires ;
3° les données relatives aux biens immobiliers et aux parcelles pour lesquels une indemnité est demandée, dont les données cadastrales, les données sur les servitudes et la valeur d'acquisition ;
4° les données relatives aux droits personnels et réels ;
5° les données susceptibles d'influencer le revenu ou le revenu potentiel d'une parcelle, en particulier la culture et le cheptel présents, le régime de fertilisation, la qualité du sol et la région agricole ;
6° les renseignements urbanistiques contenus dans le registre des plans et permis ainsi que d'autres permis approuvés ;
7° les attestations du sol et les données relatives à une éventuelle pollution ;
8° le cas échéant, les données de demandeurs relatives au mode unique d'identification en tant qu'agriculteur dans le SIGC visé à l'article 4, § 1er, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, en particulier le numéro d'agriculteur et le numéro d'exploitation ;
9° les actes d'acquisition des parcelles qui se rapportent à la demande ;
10° les actes d'acquisition des points de comparaison.
§ 3. La Banque fonciÚre flamande traite les données à caractÚre personnel aux conditions suivantes :
1° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre licite, loyale et transparente au regard de la personne concernée ;
2° les données à caractÚre personnel sont collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes, telles que visées à l'article 23, paragraphe 5, du décret Instruments du 26 mai 2023, et ne sont pas traitées ultérieurement d'une maniÚre incompatible avec ces finalités ;
3° les données à caractÚre personnel sont traitées de maniÚre adéquate, pertinente et limitée à ce qui est nécessaire au regard des fins auxquelles elles sont traitées ;
4° les données à caractÚre personnel sont exactes et, si nécessaire, tenues à jour ;
5° toutes les mesures raisonnables sont prises pour effacer ou corriger immédiatement les données à caractÚre personnel qui sont inexactes, eu égard aux fins auxquelles elles sont traitées ;
6° les données à caractÚre personnel sont conservées sous une forme permettant de ne pas identifier l'intéressé plus longtemps qu'il ne faut pour les fins auxquelles les données à caractÚre personnel sont traitées ;
7° les données à caractÚre personnel sont traitées, à l'aide de mesures techniques ou organisationnelles appropriées, de façon à en garantir une sécurité appropriée, y compris la protection contre le traitement non autorisé ou illicite et contre la perte, la destruction ou les dégùts d'origine accidentelle ;
8° la Banque fonciÚre flamande met en oeuvre les mesures techniques et organisationnelles appropriées afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque conformément à l'article 32 du rÚglement général sur la protection des données, évalue réguliÚrement l'adéquation des mesures de sécurité et, au besoin, les adapte.
§ 4. La Banque fonciÚre flamande est responsable du respect des conditions énoncées à l'alinéa 3 et est en mesure de démontrer que celles-ci sont respectées.
§ 5. La Banque fonciÚre flamande prend, conformément à l'article 12 du rÚglement général sur la protection des données, des mesures appropriées pour informer l'intéressé du traitement de ses données à caractÚre personnel conformément aux articles 13 et 14 du rÚglement précité et pour informer l'intéressé des droits visés aux articles 15 à 22 et à l'article 34 du rÚglement précité.
§ 6. Les documents administratifs suivants sont conservés cinq ans maximum s'ils contiennent des données à caractÚre personnel :
1° les documents administratifs relatifs au traitement d'une plainte. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč la plainte a Ă©tĂ© traitĂ©e ;
2° les documents administratifs relatifs Ă une demande de publicitĂ© ou de rĂ©utilisation d'un document administratif. Le dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč une dĂ©cision au sujet de la demande a Ă©tĂ© prise.
Les documents administratifs suivants sont conservĂ©s trente ans maximum s'ils contiennent des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel : les documents administratifs relatifs Ă la demande d'achat d'un bien immobilier, Ă la fixation du prix d'achat et Ă son paiement. Ce dĂ©lai commence Ă courir Ă partir du moment oĂč le bien immobilier a Ă©tĂ© achetĂ© ou la demande a Ă©tĂ© refusĂ©e.
Si un recours est introduit contre une décision concernant les documents administratifs mentionnés dans le présent paragraphe, les délais de conservation en cours sont suspendus jusqu'à ce qu'une décision définitive, coulée en force de chose jugée et exécutoire ait été prise au sujet du recours.
§ 7. Concernant les catégories de documents administratifs autres que les documents administratifs mentionnés dans le paragraphe 6 et qui contiennent des données à caractÚre personnel, le Gouvernement flamand peut fixer les durées de conservation maximales sur proposition des commissions de sélection visées à l'article III.88, § 1er, du décret de gouvernance.
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
TITRE 4. - Dispositions modificatives
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de kennisgeving van werken ter uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 octobre 1997 relatif Ă la notification des travaux en exĂ©cution du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau
Art. 80. Aan artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de kennisgeving van werken ter uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2006, worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt:
"7° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een compenserende vergoeding gevraagd kan worden conform titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
8° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een koopplicht gevraagd kan worden conform titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
"7° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een compenserende vergoeding gevraagd kan worden conform titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
8° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een koopplicht gevraagd kan worden conform titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
Art. 80. A l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 octobre 1997 relatif Ă la notification des travaux en exĂ©cution du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 mai 2006, un point 7° et un point 8° rĂ©digĂ©s comme suit sont ajoutĂ©s :
" 7° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 2 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 ;
8° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une obligation d'achat peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. ".
" 7° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 2 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 ;
8° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une obligation d'achat peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 prĂ©cisant les rĂšgles et compĂ©tences en vue de l'exĂ©cution du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau sur les cours d'eau non navigables
Art. 81. Aan artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt:
"7° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een compenserende vergoeding gevraagd kan worden conform titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
8° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een koopplicht gevraagd kan worden conform titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
"7° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een compenserende vergoeding gevraagd kan worden conform titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
8° de vermelding van de uiterste datum waarop en de instantie waarbij een koopplicht gevraagd kan worden conform titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
Art. 81. A l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 prĂ©cisant les rĂšgles et compĂ©tences en vue de l'exĂ©cution du dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau sur les cours d'eau non navigables, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, un point 7° et un point 8° rĂ©digĂ©s comme suit sont ajoutĂ©s :
" 7° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 2 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 ;
8° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une obligation d'achat peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. ".
" 7° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une indemnitĂ© compensatoire peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 2 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 ;
8° la mention de la date limite Ă laquelle et de l'instance auprĂšs de laquelle une obligation d'achat peut ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment au titre 3 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exĂ©cution de la politique naturelle zonale
Art. 82. In artikel 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en 14 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "binnen een periode van twee jaar" worden telkens opgeheven;
2° de woorden "binnen twee jaar" worden opgeheven;
3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
1° de woorden "binnen een periode van twee jaar" worden telkens opgeheven;
2° de woorden "binnen twee jaar" worden opgeheven;
3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
Art. 82. A l'article 61 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exĂ©cution de la politique naturelle zonale, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 juillet 2007 et 14 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° les mots " dans une période de deux ans " sont abrogés ;
2° les mots " dans deux ans " sont chaque fois abrogés ;
3° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
1° les mots " dans une période de deux ans " sont abrogés ;
2° les mots " dans deux ans " sont chaque fois abrogés ;
3° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
Art. 83. In hoofdstuk VIII, afdeling 3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, 7 maart 2008 en 14 juli 2017, wordt onderafdeling B, die bestaat uit artikel 63 en 64, opgeheven.
Art. 83. Dans le chapitre VIII, section 3, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 juillet 2007, 7 mars 2008 et 14 juillet 2017, la sous-section B, comportant les articles 63 et 64, est abrogĂ©e.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gecoördineerd op 15 juni 2018
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003, coordonnĂ© le 15 juin 2018
Art. 84. In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van de onteigening ten algemene nutte, het recht van voorkoop, de aankoopplicht, de vergoedingsplicht en de afbakening van overstromingsgebieden van titel I van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gecoördineerd op 15 juni 2018, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "binnen een periode van vijf jaar" telkens opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede ", op voorwaarde dat aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, voldaan is" opgeheven;
3° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.";
4° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden "binnen een periode van vijf jaar" telkens opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede ", op voorwaarde dat aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, voldaan is" opgeheven;
3° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.";
4° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden opgeheven.
Art. 84. A l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution de l'expropriation d'utilitĂ© publique, du droit de prĂ©emption, de l'obligation d'achat, de l'obligation d'indemnitĂ© et de la dĂ©limitation des zones d'inondation du titre Ier du dĂ©cret sur la politique intĂ©grĂ©e de l'eau du 18 juillet 2003, coordonnĂ© le 15 juin 2018, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 mars 2012, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " dans une période de cinq ans " et les mots " dans les cinq ans " sont respectivement abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " , à condition que les conditions, telles que visées au présent article, soient remplies " est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. " ;
4° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, les mots " dans une période de cinq ans " et les mots " dans les cinq ans " sont respectivement abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " , à condition que les conditions, telles que visées au présent article, soient remplies " est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. " ;
4° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
Art. 85. In artikel 11 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid opgeheven.
Art. 85. Dans l'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a 1er est abrogĂ©.
Art. 86. In titel IV, hoofdstuk II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 maart 2012, 11 januari 2013 en 26 april 2019, worden afdeling II, die bestaat uit artikel 12, en afdeling III, die bestaat uit artikel 13, opgeheven.
Art. 86. Dans le titre IV, chapitre II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 mars 2012, 11 janvier 2013 et 26 avril 2019, la section II, comportant l'article 12, et la section III, comportant l'article 13, sont abrogĂ©es.
Art. 87. In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "binnen een periode van één jaar na de datum van actieve inschakeling, zoals bekendgemaakt werd overeenkomstig artikel 9," opgeheven.
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2, hoofdstuk 1 tot en met 3 en hoofdstuk 5 en 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "binnen een periode van één jaar na de datum van actieve inschakeling, zoals bekendgemaakt werd overeenkomstig artikel 9," opgeheven.
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2, hoofdstuk 1 tot en met 3 en hoofdstuk 5 en 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
Art. 87. A l'article 14 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 mars 2012, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " dans une période d'un an aprÚs la date d'insertion active, telle que publiée conformément à l'article 9 " est abrogé.
2° un alinéa 4 rédigé comme suit est ajouté :
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par le titre 1er et le titre 2, chapitres 1er à 3 et chapitre 5 et 6, du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " dans une période d'un an aprÚs la date d'insertion active, telle que publiée conformément à l'article 9 " est abrogé.
2° un alinéa 4 rédigé comme suit est ajouté :
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par le titre 1er et le titre 2, chapitres 1er à 3 et chapitre 5 et 6, du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
Art. 88. In titel IV, hoofdstuk III, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2012, worden afdeling II, die bestaat uit artikel 15 tot en met 19, afdeling III, die bestaat uit artikel 20 tot en met 26, en afdeling IV, die bestaat uit artikel 27, opgeheven.
Art. 88. Dans le titre IV, chapitre III, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 mars 2012, la section II, comportant les articles 15 Ă 19, la section III, comportant les articles 20 Ă 26, et la section IV, comportant l'article 27, sont abrogĂ©es.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014 betreffende de landinrichting
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale
Art. 89. Aan artikel 2.1.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014 betreffende de landinrichting wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
"De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.".
Art. 89. A l'article 2.1.1.3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 relatif Ă la rĂ©novation rurale, un alinĂ©a 2 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 2 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 2 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. ".
Art. 90. Artikel 2.1.1.4 tot en met 2.1.1.9 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 90. Les articles 2.1.1.4 Ă 2.1.1.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont abrogĂ©s.
Art. 91. In artikel 2.1.4.12 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "de termijn van vijf jaar" vervangen door de zinsnede "de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023,";
3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid opgeheven;
4° paragraaf 4 en paragraaf 5 worden opgeheven.
1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "de termijn van vijf jaar" vervangen door de zinsnede "de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023,";
3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid opgeheven;
4° paragraaf 4 en paragraaf 5 worden opgeheven.
Art. 91. A l'article 2.1.4.12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. " ;
2° dans le paragraphe 2, les mots " du délai de cinq ans " sont remplacés par le membre de phrase " du délai visé à l'article 24, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023 " ;
3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont abrogés ;
4° les paragraphes 4 et 5 sont abrogés.
1° au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci. " ;
2° dans le paragraphe 2, les mots " du délai de cinq ans " sont remplacés par le membre de phrase " du délai visé à l'article 24, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023 " ;
3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont abrogés ;
4° les paragraphes 4 et 5 sont abrogés.
Art. 92. In deel 2, titel 1, hoofdstuk 4, afdeling 5, van hetzelfde besluit worden onderafdeling 2, die bestaat uit artikel 2.1.4.13, en onderafdeling 3, die bestaat uit artikel 2.1.4.14, opgeheven.
Art. 92. Dans la partie 2, titre 1er, chapitre 4, section 5, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la sous-section 2, comportant l'article 2.1.4.13, et la sous-section 3, comportant l'article 2.1.4.14, sont abrogĂ©es.
TITEL 5. - Slotbepalingen
TITRE 5. - Dispositions finales
HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires
Art. 93. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende nadere regelen betreffende de aankoop na weigering van stabiliteitswerken in toepassing van artikel 4.4.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 december 2009, 10 juni 2011, 9 september 2011 en 24 februari 2017;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 tot oprichting van de kapitaalschadecommissies en tot regeling van de kapitaalschadecompensatie ter uitvoering van het decreet grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 september 2016, 28 september 2018 en 25 januari 2019;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2016 houdende nadere uitwerking van de regelgeving inzake kapitaalschadecompensatie en gebruikerscompensatie;
5° het ministerieel besluit van 4 oktober 2010 houdende de vaststelling van de kosten van het alternatief en de gebruikswaardendaling na de instelling van de maatregel, vermeld in artikel 2, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende nadere regelen betreffende de aankoop na weigering van stabiliteitswerken in toepassing van artikel 4.4.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 december 2009, 10 juni 2011, 9 september 2011 en 24 februari 2017;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 tot oprichting van de kapitaalschadecommissies en tot regeling van de kapitaalschadecompensatie ter uitvoering van het decreet grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 september 2016, 28 september 2018 en 25 januari 2019;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2016 houdende nadere uitwerking van de regelgeving inzake kapitaalschadecompensatie en gebruikerscompensatie;
5° het ministerieel besluit van 4 oktober 2010 houdende de vaststelling van de kosten van het alternatief en de gebruikswaardendaling na de instelling van de maatregel, vermeld in artikel 2, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Art. 93. Les rÚglements suivants sont abrogés :
1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant modalitĂ©s d'achat aprĂšs refus de travaux de stabilitĂ© en application de l'article 4.4.2, § 2, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 dĂ©cembre 2009, 10 juin 2011, 9 septembre 2011 et 24 fĂ©vrier 2017 ;
2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 portant crĂ©ation des commissions pour les dĂ©gĂąts de capital et rĂ©glant la compensation des dĂ©gĂąts de capital en exĂ©cution du dĂ©cret de la politique fonciĂšre et immobiliĂšre, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 septembre 2016, 28 septembre 2018 et 25 janvier 2019 ;
3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique ;
4° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2016 portant spĂ©cification de la rĂ©glementation relative Ă la compensation des dĂ©gĂąts de capital et la compensation des usagers ;
5° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 4 octobre 2010 fixant les coĂ»ts de l'alternative et la baisse de la valeur d'utilisation aprĂšs l'instauration de la mesure visĂ©e Ă l'article 2, § 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique.
1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant modalitĂ©s d'achat aprĂšs refus de travaux de stabilitĂ© en application de l'article 4.4.2, § 2, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 dĂ©cembre 2009, 10 juin 2011, 9 septembre 2011 et 24 fĂ©vrier 2017 ;
2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 portant crĂ©ation des commissions pour les dĂ©gĂąts de capital et rĂ©glant la compensation des dĂ©gĂąts de capital en exĂ©cution du dĂ©cret de la politique fonciĂšre et immobiliĂšre, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 septembre 2016, 28 septembre 2018 et 25 janvier 2019 ;
3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique ;
4° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2016 portant spĂ©cification de la rĂ©glementation relative Ă la compensation des dĂ©gĂąts de capital et la compensation des usagers ;
5° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 4 octobre 2010 fixant les coĂ»ts de l'alternative et la baisse de la valeur d'utilisation aprĂšs l'instauration de la mesure visĂ©e Ă l'article 2, § 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 27 mars 2009 Ă©tablissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilitĂ© publique.
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepaling voor kapitaalschadecommissies
CHAPITRE 2. - Disposition transitoire relative aux commissions pour les dégùts de capital
Art. 94. De taken van de kapitaalschadecommissies, vermeld in artikel 6.1.1, § 2 en § 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, en artikel 5, tweede lid, van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, zoals van kracht voor 15 april 2024, worden vanaf 15 april 2024 uitgevoerd door de landcommissies, vermeld in artikel 2.2.1 en 2.2.2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting en conform artikel 2.2.3 tot en met 2.2.5 van het voormelde decreet.
Art. 94. A partir du 15 avril 2024, les tùches des commissions pour les dégùts de capital visées à l'article 6.1.1, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique fonciÚre et immobiliÚre, et à l'article 5, alinéa 2, du décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation, surimpressions et servitudes d'utilité publique, tels qu'en vigueur avant le 15 avril 2024, sont exécutées par les commissions fonciÚres visées aux articles 2.2.1 et 2.2.2 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale et conformément aux articles 2.2.3 à 2.2.5 du décret précité.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 95. De volgende artikelen van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 treden in werking op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit:
1° artikel 1 tot en met 4;
2° artikel 5 tot en met 19;
3° artikel 20 tot en met 29;
4° artikel 30;
5° artikel 31 tot en met 33;
6° artikel 34 en 35;
7° artikel 37;
8° artikel 38 tot en met 40 en 44;
9° artikel 45 en 46;
10° artikel 47 tot en met 55;
11° artikel 56 tot en met 59;
12° artikel 60 tot en met 68, artikel 78 tot en met 81 en artikel 83;
13° artikel 87, 1° en 2°, artikel 97 tot en met 99 en artikel 100, 2° ;
14° artikel 108 tot en met 112 en artikel 114.
1° artikel 1 tot en met 4;
2° artikel 5 tot en met 19;
3° artikel 20 tot en met 29;
4° artikel 30;
5° artikel 31 tot en met 33;
6° artikel 34 en 35;
7° artikel 37;
8° artikel 38 tot en met 40 en 44;
9° artikel 45 en 46;
10° artikel 47 tot en met 55;
11° artikel 56 tot en met 59;
12° artikel 60 tot en met 68, artikel 78 tot en met 81 en artikel 83;
13° artikel 87, 1° en 2°, artikel 97 tot en met 99 en artikel 100, 2° ;
14° artikel 108 tot en met 112 en artikel 114.
Art. 95. Les articles suivants du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023 entrent en vigueur Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
1° les articles 1er à 4 ;
2° les articles 5 à 19 ;
3° les articles 20 à 29 ;
4° l'article 30 ;
5° les articles 31 à 33 ;
6° les articles 34 et 35 ;
7° l'article 37 ;
8° les articles 38 à 40 et l'article 44 ;
9° les articles 45 et 46 ;
10° les articles 47 à 55 ;
11° les articles 56 à 59 ;
12° les articles 60 à 68, les articles 78 à 81 et l'article 83 ;
13° l'article 87, 1° et 2°, les articles 97 à 99 et l'article 100, 2° ;
14° les articles 108 à 112 et l'article 114.
1° les articles 1er à 4 ;
2° les articles 5 à 19 ;
3° les articles 20 à 29 ;
4° l'article 30 ;
5° les articles 31 à 33 ;
6° les articles 34 et 35 ;
7° l'article 37 ;
8° les articles 38 à 40 et l'article 44 ;
9° les articles 45 et 46 ;
10° les articles 47 à 55 ;
11° les articles 56 à 59 ;
12° les articles 60 à 68, les articles 78 à 81 et l'article 83 ;
13° l'article 87, 1° et 2°, les articles 97 à 99 et l'article 100, 2° ;
14° les articles 108 à 112 et l'article 114.
Art. 96. Dit besluit treedt in werking op 15 april 2024, met uitzondering van artikel 17, tweede lid, 4°, dat in werking treedt op de datum van inwerkingtreding van artikel 36 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.
Art. 96. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 15 avril 2024, Ă l'exception de l'article 17, alinĂ©a 2, 4°, qui entre en vigueur Ă la date d'entrĂ©e en vigueur de l'article 36 du dĂ©cret Instruments du 26 mai 2023.
Art. 97. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 97. La ministre flamande qui a l'environnement, l'amĂ©nagement du territoire et la nature dans ses attributions est chargĂ©e de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-04-2024, p. 41289)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 10-04-2024)