Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 FEBRUARI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering over de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting
Titre
23 FEVRIER 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale
Documentinformatie
Numac: 2024003122
Datum: 2024-02-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024003122
Date: 2024-02-23
Moniteur: Voir
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions préliminaires
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 1991/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la directive 1991/271/CEE du Conseil du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires.
Art. 2. Dit besluit heeft betrekking op de gemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikel 2.1.2, 12°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
Art. 2. Le présent arrêté vise l'obligation d'assainissement communale visée à l'article 2.1.2, 12°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018.
Art. 3. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° bevoegde entiteit: de personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij aanstelt om uitvoering te geven aan de in dit besluit toegewezen taken aan de bevoegde entiteit;
  2° exploitant: de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk;
  3° gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk: alle openbare saneringsinfrastructuur van het gemeentelijk niveau die wordt aangewend door de instantie die verantwoordelijk is om de gemeentelijke saneringsverplichting in te vullen, waaronder:
  a) openbare infrastructuur, bijvoorbeeld leidingen en retentievoorzieningen voor de afvoer van afvalwater;
  b) openbare infrastructuur, bijvoorbeeld leidingen, retentie- en infiltratievoorzieningen, bufferbekkens bestemd voor de infiltratie, buffering of de afvoer van niet-verontreinigd hemelwater als een gescheiden stelsel aanwezig is, met uitzondering van de onbevaarbare waterlopen, vermeld in artikel 1, punt 1, van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, en de binnenwateren, vermeld in artikel 2, 4°, van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022;
  c) openbare infrastructuur voor een decentrale zuivering van het ingezamelde afvalwater via collectieve kleinschalige waterzuiveringsinstallaties;
  d) bijbehorende inspectieputten en hydraulische structuren zoals overstorten, terugslagkleppen, wervelventielen, afsluiters, schuiven, pompstations en bergbezinkingsbekkens;
  e) huisaansluitingen;
  f) straatkolkaansluitingen, met inbegrip van de straatkolken en sifons;
  g) individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater als die worden aangelegd en beheerd door de instantie die invulling geeft aan de gemeentelijke saneringsverplichting, exclusief de privéwaterafvoer;
  4° huisaansluiting: de afvoerleiding voor het afvalwater of voor het niet-verontreinigd hemelwater vanaf de hoofdriool tot aan de rooilijn, of in voorkomend geval vanaf de vastgestelde opvang van het afvalwater of niet-verontreinigd hemelwater tot aan de rooilijn;
  5° knelpunten: onregelmatigheden in of nabij het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk met negatieve impact op de sanering van het afvalwater die niet gekoppeld zijn aan overstorten of aan de toestandsklasse van leidingen;
  6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid.
Art. 3. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° entité compétente : les membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement (" Vlaamse Milieumaatschappij ") désignés par le fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement afin de mettre en oeuvre les missions attribuées à l'entité compétente dans le présent arrêté ;
  2° exploitant : l'exploitant du réseau public de distribution d'eau ;
  3° réseau d'assainissement public communal : toute l'infrastructure d'assainissement publique du niveau communal qui est utilisée par l'instance responsable de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale, notamment :
  a) l'infrastructure publique, par exemple les conduits et dispositifs de rétention pour l'évacuation des eaux usées ;
  b) l'infrastructure publique, comme les conduits, les dispositifs de rétention et d'infiltration, les bassins tampons destinés à l'infiltration, au tamponnage ou à l'évacuation d'eaux pluviales non polluées lorsqu'un réseau séparé est présent, à l'exception des cours d'eau non navigables visés à l'article 1er, point 1 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, et des voies navigables intérieures visées à l'article 2, 4°, du Décret sur la navigation du 21 janvier 2022 ;
  c) l'infrastructure publique pour une épuration décentralisée des eaux usées collectées via de petites installations d'épuration d'eau collectives ;
  d) les chambres de visite et structures hydrauliques connexes, telles des trop-pleins, clapets anti-retour, vannes rotatives, vannes, tiroirs, stations de pompage et bassins de stockage ;
  e) les raccordements domestiques ;
  f) les raccordements d'un système de drainage, y compris les drains et siphons ;
  g) les installations de traitement d'eaux usées individuelles si celles-ci sont créées et gérées par l'instance qui met en oeuvre l'obligation d'assainissement communale, à l'exclusion de l'évacuation privée des eaux ;
  4° raccordement domestique : le conduit d'évacuation pour les eaux usées ou pour les eaux pluviales non polluées à partir de l'égout principal jusqu'à l'alignement, ou le cas échéant, à partir du captage constaté des eaux usées ou des eaux pluviales non polluées jusqu'à l'alignement ;
  5° goulets d'étranglement : les irrégularités dans ou à proximité du réseau d'assainissement public communal ayant un impact négatif sur l'assainissement des eaux usées qui ne sont pas associées à un déversement ou à l'état de classification des conduits ;
  6° ministre : le ministre flamand chargé de l'environnement et de la gestion des eaux.
HOOFDSTUK 2. - Nadere regels voor de gemeentelijke saneringsverplichting
CHAPITRE 2. - Modalités de l'obligation d'assainissement communale
Art. 4. § 1. De gemeentelijke saneringsverplichting omvat al de volgende activiteiten:
  1° het uitbouwen, duurzaam beheren en optimaliseren van de infrastructuur die wordt aangewend voor het opvangen en transporteren en in voorkomend geval decentraal of individueel zuiveren tot aan het overnamepunt met de bovengemeentelijke infrastructuur van het volgende water:
  a) huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van het gebruik van het water dat de exploitant levert;
  b) huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van het gebruik van water uit een private waterwinning;
  c) ander water dan het water, vermeld in punt a) en b), waarvoor een lozing op de afvalwaterriolering wettelijk is toegelaten;
  2° het uitbouwen, duurzaam beheren en optimaliseren van de openbare infrastructuur die wordt aangewend in het kader van de activiteiten, vermeld in punt 1°, hetzij voor het inzamelen, infiltreren, bufferen en afvoeren van hemelwater, hetzij ander water waarvoor een afvoer via die infrastructuur wettelijk is toegelaten waarbij maximaal ingezet wordt tot het infiltreren en bufferen via natuurlijke weg of via groen - blauwe infrastructuur en tot het gebruik van hemelwater;
  3° het maximaal aanzetten tot het infiltreren en bufferen via natuurlijke weg of via groen - blauwe infrastructuur en tot het gebruik van hemelwater;
  4° het nakomen van de verplichtingen die worden bepaald bij dit besluit.
  § 2. Om de gemeentelijke saneringsverplichting in te vullen, kan er per gemeente maar één instantie verantwoordelijk zijn.
  De instantie, vermeld in het eerste lid, kan beslissen om de gemeentelijke saneringsverplichting, volledig of gedeeltelijk, door een derde te laten uitvoeren. De instantie blijft in dat geval te allen tijde het aanspreekpunt voor de bevoegde entiteit en blijft de eindverantwoordelijkheid dragen voor de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting.
Art. 4. § 1er. L'obligation d'assainissement communale comprend toutes les activités suivantes :
  1° le développement, la gestion durable et l'optimisation de l'infrastructure utilisée pour le captage et le transport et, le cas échéant, la purification décentralisée ou individuelle jusqu'au point de reprise avec l'infrastructure supracommunale des eaux suivantes :
  a) eaux usées domestiques provenant de l'utilisation de l'eau fournie par l'exploitant ;
  b) eaux usées domestiques provenant de l'utilisation de l'eau provenant d'un captage d'eau privé ;
  c) eaux autres que les eaux visées aux points a) et b), pour lesquelles un déversement dans l'évacuation des eaux usées est autorisé par la loi ;
  2° le développement, la gestion durable et l'optimisation de l'infrastructure publique utilisée dans le cadre des activités visées au point 1°, soit pour la collecte, l'infiltration, le tamponnage et l'évacuation des eaux pluviales, soit pour d'autres eaux pour lesquelles une évacuation via cette infrastructure est autorisée par la loi, où l'on mise au maximum sur l'infiltration et le tamponnage par voie naturelle ou via des infrastructures vertes et bleues et sur l'utilisation des eaux pluviales ;
  3° inciter au maximum à l'infiltration et au tamponnage par voie naturelle ou via des infrastructures vertes et bleues et à l'utilisation des eaux pluviales ;
  4° l'exécution des obligations définies par le présent arrêté.
  § 2. Pour mettre en oeuvre l'obligation d'assainissement communale, une seule instance par commune peut être responsable.
  L'instance visée à l'alinéa 1er peut décider de faire réaliser l'obligation d'assainissement communale, entièrement ou partiellement, par un tiers. L'instance reste dans ce cas à tout moment le point de contact pour l'entité compétente et continue à assumer la responsabilité finale de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale.
Art. 5. § 1. Als niet de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk maar de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de entiteit die de gemeente na een marktbevraging heeft aangesteld, instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, sluit de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk daarvoor een overeenkomst als vermeld in artikel 2.6.1.3.3, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, met die andere partij af.
  In de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, kan de uitvoering van gemeentelijke saneringsplicht alleen in haar geheel worden toegewezen aan de gemeente, het gemeentebedrijf, een intercommunale of een intergemeentelijk samenwerkingsverband of een entiteit die de gemeente heeft aangesteld na een publieke marktbevraging.
  De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, wordt in samenspraak met de gemeente gesloten en bevat minstens de elementen die zijn opgenomen in de modelovereenkomst die de bevoegde entiteit conform het vierde lid te beschikking stelt. Bijkomende bepalingen die in de voormelde overeenkomst worden opgenomen, kunnen niet in strijd zijn met de bepalingen uit de modelovereenkomst en kunnen geen afbreuk doen aan de doelstellingen, vermeld in hoofdstuk 3 van dit besluit.
  De bevoegde entiteit stelt een modelovereenkomst, na raadpleging van de exploitanten van het openbaar waterdistributienetwerk en de gemeenten, uiterlijk negentig dagen na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit ter beschikking. De voormelde modelovereenkomst bevat minimaal de volgende bepalingen:
  1° algemene modaliteiten over de overeenkomst in kwestie;
  2° bepalingen over de gegevensuitwisseling, controle en opvolging;
  3° tariefzetting en eventuele tegemoetkomingen of kortingen die niet decretaal zijn opgelegd;
  4° modaliteiten voor de ontbinding en opschorting van de overeenkomst.
  § 2. Als door de toepassing van dit besluit aanpassingen aan bestaande overeenkomsten nodig zijn, wordt uiterlijk een jaar na de dag waarop de modelovereenkomst, vermeld in paragraaf 1, ter beschikking is gesteld, een nieuwe overeenkomst gesloten om die bestaande overeenkomsten te vervangen.
  De exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk bezorgt uiterlijk dertig dagen nadat de overeenkomst vermeld in paragraaf 1 is opgesteld, gewijzigd of beëindigd ook een kopie van die overeenkomst aan de bevoegde entiteit.
Art. 5. § 1er. Lorsque ce n'est pas l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau qui assure la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale, mais la commune, la régie communale, l'intercommunale ou le partenariat intercommunal ou l'entité désignée par la commune après une enquête du marché, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau conclut à cet effet un contrat tel que visé à l'article 2.6.1.3.3, § 2, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, avec cette autre partie.
  Dans le contrat visé à l'alinéa 1er, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale peut uniquement être confiée dans son intégralité à la commune, la régie communale, une intercommunale ou un partenariat intercommunal ou une entité désignée par la commune après une enquête du marché.
  Le contrat visé à l'alinéa 1er est conclu en concertation avec la commune et comprend au minimum les éléments repris dans le contrat-type mis à disposition par l'entité compétente conformément à l'alinéa 4. Les dispositions supplémentaires reprises dans le contrat précité ne peuvent pas être en contradiction avec les dispositions du contrat-type et ne peuvent pas porter atteinte aux objectifs visés au chapitre 3 du présent arrêté.
  L'entité compétente met un contrat-type à disposition, après consultation des exploitants du réseau public de distribution d'eau et des communes, au plus tard nonante jours après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté. Le contrat-type précité comprend au minimum les dispositions suivantes :
  1° modalités générales relatives au contrat en question ;
  2° dispositions relatives à l'échange de données, au contrôle et au suivi ;
  3° fixation du tarif et éventuelles interventions ou réductions qui ne sont pas imposées par voie de décret ;
  4° modalités de dissolution et de suspension du contrat.
  § 2. Lorsque, du fait de la mise en oeuvre du présent arrêté, des adaptations aux contrats existants sont nécessaires, un nouveau contrat est conclu pour remplacer ces contrats existants au plus tard un an après la date à laquelle le contrat-type visé au paragraphe 1er est mis à disposition.
  L'exploitant du réseau public de distribution d'eau remet également une copie de ce contrat à l'entité compétente au plus tard trente jours après que le contrat visé au paragraphe 1er a été établi, modifié ou a pris fin.
Art. 6. Als via de overeenkomst, vermeld in artikel 5, § 1, wordt vastgelegd dat de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk niet verantwoordelijk is voor de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting, dient in hoofdstuk 3, 4 en 5 het begrip exploitant gelezen te worden als de betrokken gemeente, het betrokken intercommunale of het betrokken intergemeentelijk samenwerkingsverband of de entiteit die de betrokken gemeente na een publieke marktbevraging heeft aangesteld, die in de overeenkomst verantwoordelijk gesteld wordt om de gemeentelijke saneringsverplichting in te vullen.
Art. 6. S'il est constaté via le contrat visé à l'article 5, § 1er, que l'exploitant du réseau public de distribution d'eau n'est pas responsable de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale, la notion d'exploitant doit aux chapitres 3, 4 et 5 être lue comme étant la commune concernée, l'intercommunale concernée ou le partenariat intercommunal concerné ou l'entité désignée par la commune concernée après une enquête du marché, qui est rendu(e) responsable de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale dans le contrat.
HOOFDSTUK 3. - Openbare dienstverplichtingen om de gemeentelijke saneringsverplichting in te vullen
CHAPITRE 3. - Obligations de service public pour la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 7. De exploitant garandeert bij de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting de afstemming met de beheerders van het openbaar domein en met de instantie die verantwoordelijk is om de bovengemeentelijke saneringsverplichting in te vullen. In het bijzonder worden bij de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting de gemeenten nauw betrokken, gelet op hun bevoegdheden op het vlak van:
  1° het beheer van het openbaar domein;
  2° het voorzien in de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen;
  3° het ruimtelijk beleid;
  4° handhaving.
Art. 7. Dans le cadre de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale, l'exploitant garantit la coordination avec les gestionnaires du domaine public et avec l'instance responsable de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement supracommunale. En particulier, les communes sont étroitement associées dans le cadre de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale, compte tenu de leurs compétences en matière de :
  1° exploitation du domaine public ;
  2° assurer la propreté, la santé, la sécurité et la tranquillité sur les voies publiques ;
  3° politique d'aménagement du territoire ;
  4° maintien.
Afdeling 2. - Uitbouw van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk
Section 2. - Développement du réseau d'assainissement public communal
Art. 8. § 1. De exploitant is verantwoordelijk voor:
  1° de verdere uitbouw van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk om:
  a) de totale reductiedoelen voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor die gekoppeld is aan de gemeentelijke openbare saneringsinfrastructuur zoals die zijn vastgelegd in de geldende stroomgebiedbeheerplannen te bereiken;
  b) invulling te geven aan de geldende zoneringsplannen.
  2° het nemen van concrete initiatieven die gericht zijn op het bereiken van doelstellingen voor de plaatsing en het beheer van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater zoals die zijn vastgelegd in de geldende stroomgebiedbeheerplannen.
  § 2. In het kader van de invulling van de doelstellingen voor de plaatsing en het beheer van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, vermeld in paragraaf 1, 2°, voorziet de exploitant ten minste in:
  1° een aanbod voor de collectieve plaatsing en het collectieve beheer van de individuele behandelingsinstallatie van afvalwater dat afkomstig is van huishoudens onder de verantwoordelijkheid van de exploitant en waarbij de installatie in kwestie deel uitmaakt van het openbaar gemeentelijk saneringsnetwerk. De exploitant stemt het voormelde aanbod af op de prioritering voor de plaatsing van individuele behandelingsinstallaties van huishoudelijk afvalwater zoals die zijn opgenomen in de geldende stroomgebiedbeheerplannen;
  2° een opvolging die bestaat uit de volgende elementen:
  a) registreren of de abonnee of de titularis van een private waterwinning al dan niet ingaat op het aanbod voor de collectieve plaatsing en het collectieve beheer van de individuele behandelingsinstallatie van afvalwater onder de verantwoordelijkheid van de exploitant;
  b) als de abonnee of de titularis van een private waterwinning niet ingaat op het aanbod voor de collectieve plaatsing en het collectieve beheer ervan:
  1) de abonnee of de titularis van een private waterwinning informeren over de verplichting om een individuele behandelingsinstallatie van afvalwater te plaatsen, inclusief het tijdspad daarvoor zoals dat is opgenomen in de geldende stroomgebiedbeheerplannen, hetzij in de van toepassing zijnde wetgeving;
  2) informatie registreren over de informatieverplichting, vermeld in punt 1);
  3° de informatie uit de registratie, vermeld in punt a) en b), bezorgen aan de gemeentelijke toezichthouder en de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, technische richtlijnen opstellen over:
  1° het aanbod voor de collectieve plaatsing en het collectieve beheer van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater onder de verantwoordelijkheid van de exploitant en in het bijzonder richtlijnen voor situaties waarbij de goede werking van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater niet gegarandeerd kan worden en voor de omgang met zonevreemde, onvergunde of hoofdzakelijk vergunde wooneenheden;
  2° de opvolging en in het bijzonder de wijze van en het tijdspad voor het informeren van de abonnee of de titularis van een private waterwinning en om informatie aan de gemeentelijke toezichthouder en de bevoegde entiteit te bezorgen.
Art. 8. § 1er. L'exploitant est responsable :
  1° du développement ultérieur du réseau d'assainissement public communal pour :
  a) atteindre les objectifs de réduction globaux pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore associée à l'infrastructure d'assainissement publique communale tels que fixés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur ;
  b) mettre en oeuvre les plans de zonage en vigueur.
  2° de la prise d'initiatives concrètes visant à atteindre les objectifs pour le placement et la gestion d'installations de traitement d'eaux usées individuelles tels que fixés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur.
  § 2. Dans le cadre de la mise en oeuvre des objectifs pour le placement et la gestion d'installations de traitement d'eaux usées individuelles visés au paragraphe 1er, 2°, l'exploitant prévoit au moins :
  1° une offre pour le placement collectif et la gestion collective de l'installation de traitement d'eaux usées individuelle provenant de ménages sous la responsabilité de l'exploitant, l'installation en question faisant partie du réseau d'assainissement public communal. L'exploitant aligne l'offre précitée sur la priorisation pour le placement d'installations de traitement d'eaux usées domestiques individuelles telle que reprise dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur ;
  2° un suivi qui se compose des éléments suivants :
  a) consigner si l'abonné ou le titulaire d'un captage d'eau privé accepte ou non l'offre de placement et de gestion collective de l'installation de traitement d'eaux usées individuelle sous la responsabilité de l'exploitant ;
  b) si l'abonné ou le titulaire d'un captage d'eau privé n'accepte pas l'offre pour le placement collectif et la gestion collective de celui-ci :
  1) informer l'abonné ou le titulaire d'un captage d'eau privé de l'obligation de placer une installation de traitement d'eaux usées individuelle, en ce compris le calendrier à cet effet tel que repris dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, ou dans la législation en vigueur ;
  2) enregistrer les informations relatives à l'obligation d'information visée au point 1) ;
  3° transmettre les informations de l'enregistrement visé aux points a) et b) au fonctionnaire de surveillance communal et à l'entité compétente.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, établir des directives techniques concernant :
  1° l'offre pour le placement collectif et la gestion collective de l'installation de traitement d'eaux usées individuelle sous la responsabilité de l'exploitant et en particulier des directives pour les situations où le bon fonctionnement de l'installation de traitement d'eaux usées individuelle ne peut être garanti et pour la gestion des unités de logement étrangères à la zone, non autorisées ou principalement autorisées ;
  2° le suivi et, en particulier, la méthode et le calendrier pour informer l'abonné ou le titulaire d'un captage d'eau privé et pour fournir des informations au fonctionnaire de surveillance communal et à l'entité compétente.
Art. 9. Om het gemeentelijke openbaar saneringsnetwerk uit te bouwen, werkt de exploitant een programma uit dat ingebracht wordt in het meerjarenplan, vermeld in artikel 14.
  Tenzij er geen aansluiting mogelijk is op een collector en de creatie van nieuwe lozingspunten onwenselijk is, verzekert de exploitant tegen uiterlijk 31 december 2027 dat het gemeentelijk openbaar saneringswerk zo is uitgebouwd dat een zuiveringsgraad van 50% op het niveau van de gemeente gehaald kan worden.
  De exploitant realiseert het doel, vermeld in het tweede lid, en de doelen die zijn opgenomen in het meerjarenplan, vermeld in artikel 14, binnen de termijn van dat meerjarenplan, op voorwaarde dat de realisatie van de voormelde doelen niet gehypothekeerd wordt door overmacht of door factoren waar de exploitant geen vat op heeft.
Art. 9. Afin de développer le réseau d'assainissement public communal, l'exploitant élabore un programme qui est inséré dans le plan pluriannuel visé à l'article 14.
  Sauf si le raccordement à un collecteur n'est pas possible et que la création de nouveaux points de déversement n'est pas souhaitable, l'exploitant s'assure, au plus tard le 31 décembre 2027, que le réseau d'assainissement public communal a été développé de manière à ce qu'un degré de purification de 50 % puisse être atteint au niveau de la commune.
  L'exploitant réalise l'objectif visé à l'alinéa 2, et les objectifs repris dans le plan pluriannuel visé à l'article 14, dans le délai de ce plan pluriannuel, à condition que la réalisation des objectifs précités ne soit pas hypothéquée par un cas de force majeure ou par des facteurs échappant au contrôle de l'exploitant.
Afdeling 3. - Beheer van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk
Section 3. - Gestion du réseau d'assainissement public communal
Art. 10. § 1. De exploitant zet alle passende middelen in om de goede werking van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk op elk moment te verzekeren.
  § 2. De exploitant meldt onmiddellijk na de vaststelling aan de bevoegde entiteit de volgende onderbrekingen van de afvoer door een faling van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk:
  1° onderbrekingen van de opvang en het transport of calamiteiten met een impact op de kwaliteit van het watersysteem;
  2° onderbrekingen van de opvang en het transport met een verwachte duur van meer dan 24 uur en met een omvang van meer dan honderd huisaansluitingen of wooneenheden;
  3° onderbrekingen van de opvang en het transport van een publiek gebouw van categorie 1 als vermeld in artikel 10, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie.
  In de situaties, vermeld in het eerste lid, houdt de exploitant de bevoegde entiteit op de hoogte van de situatie en de evolutie van de situatie, zijn onderzoeken en de maatregelen die hij neemt. De bevoegde entiteit kan altijd advies geven over de situatie en aanbevelingen geven voor bijkomende acties en herstelmaatregelen.
  In de situaties, vermeld in het eerste lid, informeert de exploitant altijd ook de gemeenten en derden als ze betrokken partij zijn, waaronder de overige beheerders van het openbaar domein, exploitanten van nutsvoorzieningen, waterloopbeheerders, andere infrastructuurbeheerders, over de situatie, de evolutie van de situatie, zijn onderzoeken en de maatregelen die hij neemt.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, de situaties, vermeld in het eerste lid, vanuit technisch oogpunt nader specifiëren en richtlijnen opstellen voor onder meer de melding aan de bevoegde entiteit en andere derden als vermeld in het derde lid, de communicatie naar gebruikers en het voorzien in noodvoorzieningen.
  § 3. Derden die schade veroorzaken aan het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk, melden dat onmiddellijk aan de exploitant.
Art. 10. § 1er. L'exploitant met en oeuvre tous les moyens appropriés afin d'assurer à tout moment le bon fonctionnement du réseau d'assainissement public communal.
  § 2. L'exploitant informe l'entité compétente des interruptions suivantes de l'évacuation en raison d'une défaillance du réseau d'assainissement public communal, immédiatement après les avoir constatées :
  1° interruptions du captage et du transport ou calamités ayant un impact sur la qualité du système hydrographique ;
  2° interruptions du captage et du transport d'une durée escomptée de plus de 24 heures et d'une ampleur de plus de cent raccordements domestiques ou unités de logement ;
  3° interruptions du captage et du transport d'un bâtiment public de catégorie 1 tel que visé à l'article 10, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 2023 relatif à la qualité, la quantité et la fourniture des eaux destinées à la consommation humaine.
  Dans les situations visées à l'alinéa 1er, l'exploitant tient l'entité compétente informée de la situation et de l'évolution de la situation, de ses investigations et des mesures qu'il prend. L'entité compétente peut toujours donner des conseils concernant la situation et donner des recommandations pour des actions et mesures correctrices supplémentaires.
  Dans les situations visées à l'alinéa 1er, l'exploitant informe toujours également les communes et les tiers s'ils sont parties intéressées, y compris les autres gestionnaires du domaine public, les exploitants de services d'utilité publique, les gestionnaires des cours d'eau, les autres gestionnaires d'infrastructures, de la situation, de l'évolution de la situation, de ses investigations et des mesures qu'il prend.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, préciser sur le plan technique les situations visées à l'alinéa 1er et établir des directives pour, entre autres, la notification à l'entité compétente et à d'autres tiers comme visé à l'alinéa 3, la communication vers les utilisateurs et le fait de prévoir des dispositifs de secours.
  § 3. Les tiers qui causent des dommages au réseau d'assainissement public communal en informent immédiatement l'exploitant.
Art. 11. De exploitant inventariseert, uiterlijk de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding van dit besluit, het volledige gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk en knelpunten conform de richtlijnen van de bevoegde entiteit via een digitale toepassing die de bevoegde entiteit vaststelt.
  De exploitant houdt de inventarisatie, vermeld in het eerste lid, actueel conform de richtlijnen van de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging van of op voorstel van de exploitanten, de infrastructuur die moet worden geïnventariseerd vanuit technisch oogpunt nader specifiëren, nadere technische richtlijnen opstellen over de wijze waarop en termijn waarin die inventarisatie moet gebeuren.
Art. 11. Au plus tard le premier jour du sixième mois après l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'exploitant dresse l'inventaire de l'intégralité du réseau d'assainissement public communal et des goulets d'étranglement conformément aux directives de l'entité compétente via une application numérique prévue par l'entité compétente.
  L'exploitant tient à jour l'inventaire visé à l'alinéa 1er, conformément aux directives de l'entité compétente.
  L'entité compétente peut, après concertation ou sur proposition des exploitants, préciser l'infrastructure devant être inventoriée sur le plan technique et établir des directives techniques complémentaires concernant la façon dont l'inventorisation doit s'effectuer et dans quel délai.
Art. 12. § 1. Om beter zicht te krijgen op de kwaliteit van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk en ecologische, financiële en maatschappelijke risico's die zich stellen of kunnen stellen bij een falen ervan, onderwerpt de exploitant het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk aan een risicogebaseerde inspectie.
  § 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
  1° code van goede praktijk: code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen vastgelegd via ministerieel besluit van 20 augustus 2012;
  2° inspectieplan: het plan dat de uit te voeren voorinspecties en inspecties van het gemeentelijke openbaar saneringsnetwerk met een aanvaarde techniek aangeeft;
  3° risicokaart: een digitale kaart die gebaseerd is op de digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt, die het risico per rioolstreng weergeeft, conform de methodiek die is opgenomen in de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen;
  4° toestandskaart: een digitale kaart die gebaseerd is op de digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt, die de toestandsklasse per rioolstreng weergeeft zoals die is afgeleid uit de uitgevoerde inspecties conform de methodiek die is opgenomen in de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen;
  5° topkritische leiding: een leiding die ligt onder spoorwegen, hoofdgebouwen of snelwegen of een andere leiding die gekenmerkt is door een mogelijk hoge gevolgschade bij het structureel falen ervan;
  6° voorinspectie: een inspectie via een putcamera of via een andere gelijkwaardige en aanvaarde techniek waarmee de structurele toestand van een rioolstreng vanuit een inspectieput in kaart kan worden gebracht en waarbij alleen de eerste aansluitende buisdelen vanuit de inspectieput zichtbaar zijn.
  De exploitant brengt uiterlijk 31 december 2027 de toestand van de leidingen in haar beheer voor de opvang en transport van afvalwater en niet-verontreinigd hemelwater in kaart en rapporteert daarover aan de bevoegde entiteit in een digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt.
  Aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1 en het vorige lid, wordt het volgende tijdspad en de volgende minimumvoorwaarden gekoppeld:
  1° uiterlijk de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding van dit besluit:
  a) is het bestaande gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk gebiedsdekkend in kaart gebracht en een risicokaart en een inspectieplan voor riolen tot en met 31 december 2027 beschikbaar gesteld via de digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt;
  b) is 25% van het inspectieplan voor riolen uitgevoerd en zijn minimaal 25% van de topkritische leidingen geïnspecteerd;
  2° eind 2025 is 50% van het inspectieplan uitgevoerd en zijn alle topkritische leidingen geïnspecteerd;
  3° tegen 31 december 2027 wordt minimaal 40% van de leidingen in beheer van de exploitant onderworpen aan een inspectie, deels gebiedsdekkend, deels risicogestuurd, tot het equivalente budget is bereikt;
  4° uiterlijk op 31 december 2027:
  a) is het inspectieplan volledig uitgevoerd en geëvalueerd;
  b) zijn de resultaten van de inspecties opgenomen in een toestandskaart en een geactualiseerde risicokaart;
  c) is er een maatregelenprogramma als vermeld in paragraaf 3 opgesteld;
  d) is een plan beschikbaar voor de verdere uitrol van de risicogebaseerde inspectie die is opgemaakt, rekening houdend met de technische richtlijnen die de bevoegde entiteit opstelt, en is het plan bezorgd aan de bevoegde entiteit.
  In het derde lid, 3°, wordt verstaan onder equivalent budget: het minimale budget dat de exploitant moet reserveren voor de risicogebaseerde inspectie van het openbaar gemeentelijk saneringsnetwerk, vermeld in artikel 11.
  De minimumvoorwaarden, vermeld in het derde lid, worden gedocumenteerd met een statustool. De bevoegde entiteit stelt de voormelde statustool uiterlijk negentig dagen na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit beschikbaar.
  De statustool, vermeld in het vijfde lid, gebruikt de volgende gegevens, die de exploitant periodiek bezorgt aan de bevoegde entiteit:
  1° het geplande inspectietype voor elk van de leidingen die geïnspecteerd moet worden;
  2° het uitgevoerde inspectietype voor elke geïnspecteerde leiding;
  3° de datum van de uitgevoerde inspectie voor elke geïnspecteerde leiding;
  4° de toestandsklasse van de leidingen die al zijn geïnspecteerd zoals opgenomen op de toestandskaart.
  In het zesde lid wordt verstaan onder inspectietype: de methodiek waarop de structurele toestand van een rioolstreng visueel wordt geïnspecteerd via bijvoorbeeld man-inspectie, rijdende camera of putcamera.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, nadere richtlijnen opstellen om de minimale inhoud van de statustool vanuit technisch oogpunt nader te specifiëren en voor de actualisatie van de gegevens.
  In de risicokaart wordt aan alle relevante leidingen die zijn opgenomen in de inventarisatie van het openbaar gemeentelijk saneringsnetwerk en in het beheer bij de exploitant, een risicoklasse toegekend. Bij de voormelde toekenning wordt het onderscheid gemaakt tussen topkritische, risicovolle en risicoarme leidingen, waarbij rekening gehouden wordt met de relevante bepalingen uit de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen en met eventueel aanvullende richtlijnen van de bevoegde entiteit.
  In het negende lid wordt verstaan onder:
  1° risicoarme leiding: een leiding die een lager risico heeft op falen met gevolgschade;
  2° risicovolle leiding: een leiding die een hoger risico heeft op falen met gevolgschade.
  Het deels gebiedsdekkende, deels risicogebaseerde inspectieplan wordt opgesteld en uitgevoerd conform de richtlijnen die de bevoegde entiteit vastlegt na raadpleging of op voorstel van de exploitanten. De voormelde richtlijnen bevatten onder meer:
  1° richtlijnen voor de inspectietechnieken die gebruikt moeten worden;
  2° richtlijnen over het werken met voorinspecties die gevolgd worden door een meer gedetailleerde na-inspectie;
  3° richtlijnen over het gebruik van inspectiedata die al beschikbaar zijn;
  4° richtlijnen over de inspectie van recente leidingen;
  5° richtlijnen over de rapportering.
  De gecodeerde schadebeelden die volgen uit de uitgevoerde inspecties worden op een genormaliseerde en uniforme manier vertaald naar een bijbehorende toestandsklasse. De voormelde schadebeelden worden weergegeven in een toestandskaart. De voormelde schadebeelden worden ook verwerkt in een geactualiseerde risicokaart.
  § 3. De exploitant stelt tegen uiterlijk 31 december 2027 op basis van de inspectieresultaten een maatregelenprogramma op om risico's met een significante ecologische, maatschappelijke en financiële impact te vermijden. De exploitant houdt het maatregelprogramma actueel en vult het systematisch aan met het oog op de verdere uitrol van het inspectieplan vermeld in paragraaf 2, derde lid.
  De exploitant stelt het maatregelenprogramma, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, nadere technische richtlijnen opstellen over:
  1° het type en de grootteorde van maatregelen die opgenomen moeten worden in het maatregelenprogramma, vermeld in het eerste lid;
  2° het tijdspad om de maatregelen, vermeld in punt 1°, te nemen;
  3° de wijze waarop het voormelde maatregelenprogramma ter beschikking wordt gesteld van de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit kan op elk moment het maatregelenprogramma, vermeld in het eerste lid, doorlichten om:
  1° inhoudelijk advies te verstrekken;
  2° suggesties te formuleren voor bijsturingen van het voormelde maatregelenprogramma.
  § 4. Maatregelen uit het maatregelenprogramma, vermeld in paragraaf 3, worden opgenomen in het meerjarige programma, vermeld in artikel 14, afhankelijk van de gebiedsspecifieke prioriteiten en beschikbare middelen.
Art. 12. § 1er. Afin d'avoir une meilleure vue sur la qualité du réseau d'assainissement public communal et les risques écologiques, financiers et sociaux qui se présentent ou peuvent se présenter en cas de défaillance de celui-ci, l'exploitant soumet le réseau d'assainissement public communal à une inspection axée sur les risques.
  § 2. Dans le présent paragraphe, on entend par :
  1° code de bonne pratique : code de bonne pratique pour la conception, l'aménagement et l'entretien de systèmes d'égouttage fixé par arrêté ministériel du 20 août 2012 ;
  2° plan d'inspection : le plan indiquant les préinspections et les inspections du réseau d'assainissement public communal à réaliser en utilisant une technique acceptée ;
  3° carte des risques : une carte numérique basée sur l'application numérique prévue par l'entité compétente, représentant le risque par section d'égouts, conformément à la méthodologie reprise dans le code de bonne pratique pour la conception, l'aménagement et l'entretien de systèmes d'égouttage ;
  4° carte d'état : une carte numérique basée sur l'application numérique définie par l'entité compétente, représentant la classe d'état par section d'égouts telle que celle-ci est déduite des inspections réalisées conformément à la méthodologie reprise dans le code de bonne pratique pour la conception, l'aménagement et l'entretien de systèmes d'égouttage ;
  5° conduit très critique : un conduit qui se trouve sous des voies ferrées, des bâtiments principaux ou autoroutes ou un autre conduit caractérisé par des dommages indirects potentiellement élevés en cas de défaillance structurelle de celui-ci ;
  6° préinspection ; une inspection via une caméra de regard ou via une autre technique similaire et acceptée par laquelle l'état structurel d'une section d'égouts peut être cartographié depuis une chambre de visite, seule les premières pièces de tubes de liaison étant visibles depuis la chambre de visite.
  Au plus tard le 31 décembre 2027, l'exploitant cartographie l'état des conduits sous sa gestion pour le captage et le transport d'eaux usées et eaux pluviales non polluées et fait rapport à l'entité compétente dans une application numérique définie par l'entité compétente.
  Le calendrier suivant et les conditions minimales suivantes sont associés à l'obligation visée au paragraphe 1er et à l'alinéa précédent :
  1° au plus tard le premier jour du sixième mois suivant l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  a) le réseau d'assainissement public communal existant basé sur les zones est cartographié et une carte des risques et un plan d'inspection pour les égouts jusqu'au 31 décembre 2027 sont mis à disposition via l'application numérique définie par l'entité compétente ;
  b) 25 % du plan d'inspection pour les égouts sont réalisés et au moins 25 % des conduits les plus critiques sont inspectés ;
  2° fin 2025, 50 % du plan d'inspection est réalisé et tous les conduits les plus critiques sont inspectés ;
  3° pour le 31 décembre 2027, au moins 40 % des conduits gérés par l'exploitant sont soumis à une inspection, partiellement basée sur les zones et partiellement basée sur les risques, jusqu'à ce que l'équivalent du budget soit atteint ;
  4° au plus tard le 31 décembre 2027 :
  a) le plan d'inspection est intégralement exécuté et évalué ;
  b) les résultats des inspections sont repris dans une carte d'état et une carte des risques actualisée ;
  c) un programme de mesures tel que visé au paragraphe 3 est établi ;
  d) un plan est à disposition pour le déploiement ultérieur de l'inspection basée sur les risques qui est établi, tenant compte des directives techniques établies par l'entité compétente, et le plan est transmis à l'entité compétente.
  A l'alinéa 3, 3°, on entend par budget équivalent : le budget minimal devant être réservé par l'exploitant pour l'inspection axée sur les risques du réseau d'assainissement communal public, visé à l'article 11.
  Les conditions minimales visées à l'alinéa 3 sont documentées par un outil d'état. L'entité compétente met l'outil d'état précité à disposition au plus tard nonante jours après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
  L'outil d'état visé à l'alinéa 5 utilise les données suivantes, que l'exploitant transmet périodiquement à l'entité compétente :
  1° le type d'inspection planifié pour chacun des conduits devant être inspecté ;
  2° le type d'inspection réalisé pour chaque conduit inspecté ;
  3° la date de l'inspection réalisée pour chaque conduit inspecté ;
  4° la classe d'état des conduits déjà inspectés telle que figurant sur la carte d'état.
  A l'alinéa 6, on entend par type d'inspection : la méthodologie par laquelle l'état structurel d'une section d'égouts est inspectée visuellement via par exemple une inspection par une personne, une caméra sur rails ou une caméra de regard.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, établir des directives complémentaires afin de préciser le contenu minimal de l'outil d'état sur le plan technique et pour l'actualisation des données.
  Dans la carte des risques, une catégorie de risque est attribuée à tous les conduits pertinents repris dans l'inventaire du réseau d'assainissement communal public et en gestion auprès de l'exploitant. Lors de l'attribution précitée, une distinction est établie entre les conduits les plus critiques, les conduits à haut risque et les conduits à faible risque, en tenant compte des dispositions pertinentes du code de bonne pratique pour la conception, l'aménagement et l'entretien de systèmes d'égouttage et des éventuelles directives complémentaires de l'entité compétente.
  A l'alinéa 9, on entend par :
  1° conduit à faible risque : un conduit présentant un risque moins élevé de défaillance avec dommage indirect ;
  2° conduit à haut risque : un conduit présentant un risque plus élevé de défaillance avec dommage indirect.
  Le plan d'inspection partiellement basé sur les zones et partiellement basé sur les risques est établi et mis en oeuvre conformément aux directives établies par l'entité compétente après consultation ou sur proposition des exploitants. Les directives précitées comprennent entre autres :
  1° les directives pour les techniques d'inspection qui doivent être utilisées ;
  2° les directives relatives au fonctionnement avec des préinspections suivies par une inspection postérieure plus détaillée ;
  3° les directives relatives à l'utilisation des données d'inspection qui sont déjà disponibles ;
  4° les directives relatives à l'inspection des conduits récents ;
  5° les directives relatives au rapportage.
  Les dégâts codés qui résultent des inspections réalisées sont traduits de manière normalisée et uniforme dans une classe d'état correspondante. Les dégâts précités sont représentés sur une carte d'état. Les dégâts précités sont également intégrés dans une carte des risques actualisée.
  § 3. Au plus tard le 31 décembre 2027, l'exploitant élabore, sur base des résultats d'inspection, un programme de mesures afin d'éviter les risques ayant un impact écologique, social et financier significatif. L'exploitant tient le programme de mesures à jour et le complète de façon systématique en vue du déploiement ultérieur du plan d'inspection visé au paragraphe 2, alinéa 3.
  L'exploitant met le programme de mesures visé à l'alinéa 1er à disposition de l'entité compétente.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, établir des directives techniques complémentaires concernant :
  1° le type et l'ordre de grandeur des mesures qui doivent être intégrées dans le programme de mesures visé à l'alinéa 1er ;
  2° le calendrier pour prendre les mesures visées au point 1° ;
  3° la façon dont le programme de mesures susmentionné est mis à disposition de l'entité compétente.
  L'entité compétente peut à tout moment soumettre le programme de mesures visé à l'alinéa 1er à un examen approfondi afin de :
  1° fournir des conseils sur le plan du contenu ;
  2° formuler des suggestions pour les ajustements au programme de mesures précité.
  § 4. Les mesures du programme de mesures visé au paragraphe 3 sont intégrées dans le programme pluriannuel visé à l'article 14, en fonction des priorités spécifiques à la zone et des moyens disponibles.
Art. 13. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 10 brengt de exploitant via een risicogebaseerde aanpak de impact van de overstorten, die aanwezig zijn op het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk, op de ontvangende waterlopen in kaart en rapporteert daarover aan de bevoegde entiteit in een digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt.
  § 2. De minister bepaalt de gebieden waarin prioritair de impact van de overstorten op de ontvangende waterlopen in kaart gebracht moet worden en maatregelen genomen moeten worden om de impact te reduceren. De minister houdt daarbij minstens rekening met de volgende criteria:
  1° de kwetsbaarheid van de ontvangende waterlopen voor een overstortwerking in de gebieden;
  2° het belang van het reduceren van de impact van de overstortwerking om de doelstellingen, vermeld in artikel 1.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, te realiseren;
  3° het belang van het reduceren van de impact van de overstortwerking om de doelstellingen te halen van het natuurbeleid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  4° het belang van het reduceren van de impact van de overstortwerking voor milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid in het gebied.
  De minister evalueert tweejaarlijks of bijkomende prioritaire gebieden bepaald moeten worden.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, nadere technische richtlijnen opstellen over de wijze waarop de effectieve impact van de overstorten op het ontvangende waterloopsegment worden begroot.
  § 3. De exploitant bezorgt, in samenwerking en afstemming met de Vennootschap, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, binnen twee jaar nadat het prioritaire gebied is bepaald, de volgende elementen aan de bevoegde entiteit via de digitale toepassing die de bevoegde entiteit vastlegt:
  1° het resultaat van de evaluatie van de effectieve impact van de overstorten die aanwezig zijn op het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk, op de ontvangende waterlopen;
  2° een maatregelprogramma om de impact te reduceren waar dat nodig is.
  De exploitant kan binnen twee jaar na de bepaling van de prioritaire gebieden een gemotiveerd verzoek tot verlenging van die termijn aan de minister voorleggen. De minister beslist over de verlenging binnen negentig dagen nadat die het gemotiveerd verzoek heeft ontvangen.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, nadere technische richtlijnen opstellen over:
  1° het type en de grootteorde van de maatregelen die opgenomen moeten worden in het maatregelenprogramma, vermeld in het eerste lid, 2° ;
  2° de wijze waarop het voormelde maatregelenprogramma ter beschikking moet worden gesteld van de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit kan op elk moment het maatregelenprogramma, vermeld in het eerste lid, 2°, doorlichten om:
  1° inhoudelijk advies te verstrekken;
  2° suggesties te formuleren voor bijsturingen ervan.
  § 4. De bevoegde entiteit stelt alle relevante en beschikbare informatie en de beschikbare ondersteunende tools ter beschikking van de exploitant om de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in te vullen.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, vanuit technisch oogpunt nader specifiëren via aanvullende technische richtlijnen.
  § 5. De maatregelen uit het maatregelenprogramma, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 2°, worden opgenomen in het meerjarenplan, vermeld in artikel 14, afhankelijk van de gebiedsspecifieke prioriteiten en beschikbare middelen.
Art. 13. § 1er. Dans le respect de l'application de l'article 10, l'exploitant cartographie l'impact des déversoirs, présents sur le réseau d'assainissement public communal, sur les cours d'eau récepteurs au moyen d'une approche basée sur les risques et fait rapport à ce sujet à l'entité compétente dans une application numérique définie par l'entité compétente.
  § 2. Le ministre détermine les zones où l'impact des déversements sur les cours d'eau récepteurs doit prioritairement être cartographié et où des mesures doivent être prises afin de réduire l'impact. Le ministre tient à cet égard au moins compte des critères suivants :
  1° la vulnérabilité des cours d'eau récepteurs pour un fonctionnement des déversoirs dans les zones ;
  2° l'importance de réduire l'impact du fonctionnement des déversoirs afin de réaliser les objectifs visés à l'article 1.2.2 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
  3° l'importance de réduire l'impact du fonctionnement des déversoirs afin d'atteindre les objectifs de la politique de la nature du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
  4° l'importance de réduire l'impact du fonctionnement des déversoirs pour l'environnement, la nature, le paysage, l'économie, l'agriculture et la sécurité de l'eau dans la zone.
  Tous les deux ans, le ministre évalue si des zones prioritaires supplémentaires doivent être déterminées.
  L'entité compétente peut, après concertation ou sur proposition des exploitants, établir des directives techniques complémentaires concernant la façon dont l'impact effectif des déversoirs sur le segment du cours d'eau récepteur est évalué.
  § 3. L'exploitant transmet, en collaboration et en coordination avec la Société visée à l'article 2.6.1.1.1, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, dans les deux ans de la détermination de la zone prioritaire, les éléments suivants à l'entité compétente via l'application numérique définie par l'entité compétente :
  1° le résultat de l'évaluation de l'impact effectif des déversoirs présents sur le réseau d'assainissement public communal, sur les cours d'eau récepteurs ;
  2° un programme de mesures afin de réduire l'impact là où cela est nécessaire.
  Dans les deux ans qui suivent la détermination des zones prioritaires, l'exploitant peut soumettre une demande motivée de prolongation de ce délai au ministre. Le ministre statue sur la prolongation dans les nonante jours qui suivent la réception de la demande motivée.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, établir des directives techniques complémentaires concernant :
  1° le type et l'ordre de grandeur des mesures qui doivent être intégrées dans le programme de mesures visé à l'alinéa 1er, 2° ;
  2° la façon dont le programme de mesures susmentionné doit être mis à disposition de l'entité compétente.
  L'entité compétente peut à tout moment soumettre le programme de mesures visé à l'alinéa 1er, 2° à un examen approfondi afin de :
  1° fournir des conseils sur le plan du contenu ;
  2° formuler des suggestions pour les ajustements à celui-ci.
  § 4. L'entité compétente met toutes les informations pertinentes et disponibles et les outils de soutien disponibles à disposition de l'exploitant afin qu'il exécute l'obligation visée au paragraphe 1.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, préciser sur le plan technique les obligations visées au paragraphe 1 par le biais de directives techniques complémentaires.
  § 5. Les mesures du programme de mesures visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, sont intégrées dans le plan pluriannuel visé à l'article 14, en fonction des priorités spécifiques à la zone et des moyens disponibles.
Afdeling 4. - Opmaak, opvolging en bijsturing van het meerjarenplan voor de gemeentelijke saneringsverplichting
Section 4. - Elaboration, suivi et ajustement du plan pluriannuel pour l'obligation d'assainissement communale
Art. 14. § 1. De exploitant neemt alle passende maatregelen om te kunnen voldoen aan de bepalingen, vermeld in afdeling 1 tot en met 3.
  § 2. In het kader van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, is de exploitant onder meer verantwoordelijk voor de opmaak, het actueel houden en cyclisch hernieuwen van een meerjarenplan voor de gemeentelijke saneringsverplichting.
  § 3. Het meerjarenplan, vermeld in paragraaf 2, wordt bij de opmaak en bij tussentijdse actualisaties door de exploitant bezorgd aan alle betrokken gemeenten en alle andere betrokken beheerders van het openbaar domein met het oog op een afstemming tussen het meerjarenplan en de investeringsagenda van de gemeenten en de betrokken beheerders van het openbaar domein.
  § 4. Uiterlijk de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding van dit besluit wordt een meerjarenplan voor de periode tot eind 2027 bezorgd aan de bevoegde entiteit. Het voormelde meerjarenplan bevat al de volgende elementen:
  1° de totale vuilvracht, uitgedrukt in kg stikstof per jaar en kilogram fosfor per jaar, die gesaneerd zal worden per waterlichaam, om volledige invulling te geven aan de plandoelstellingen voor eind 2027 voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor, vermeld in de geldende stroomgebiedbeheerplannen, en rekening houdend met de totale reductiedoelen voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor, vermeld in de geldende stroomgebiedbeheerplannen, met opgave van:
  a) een indicatief overzicht van de investeringen die daarvoor tot en met 31 december 2027 zijn gepland;
  b) een indicatief tijdspad om de doelstellingen voor de sanering van de betreffende vuilvracht, te bereiken;
  2° het totaal aantal individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater waarvoor de plaatsing en het beheer voorzien wordt per waterlichaam, rekening houdend met de totale doelstellingen en met de prioritering, vermeld in de geldende stroomgebiedheerplannen, met opgave van:
  a) de prioriteit voor de plaatsing volgens de geldende stroomgebiedbeheerplannen;
  b) een indicatief tijdspad om de doelstellingen voor de plaatsing en het beheer van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater te bereiken;
  3° een overzicht van de geplande initiatieven tot en met 31 december 2027 voor het opvolgingsprogramma, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 2° ;
  4° in het geval dat de plandoelstellingen voor eind 2027 voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor zoals vastgelegd in de geldende stroomgebiedbeheerplannen niet volledig gerealiseerd kunnen worden:
  a) een omstandige motivatie waarom en waar dit het geval is met inbegrip van een identificatie van de onderliggende oorzaken;
  b) remediëringsmaatregelen met een opdeling in maatregelen die door de exploitant genomen zullen worden om de betreffende plandoelstellingen zo spoedig mogelijk te realiseren en in maatregelen die door derden genomen kunnen worden.
  § 5. Met het oog op een afstemming met de gemeentelijke begrotingscyclus wordt uiterlijk tegen 31 december 2025 een meerjarenplan voor de periode vanaf 1 januari 2026 bezorgd aan de bevoegde entiteit. Het voormelde meerjarenplan heeft telkens een looptijd van 6 jaar en bevat de volgende elementen:
  1° een overzicht van alle investeringen die nog resteren om de totale doelstellingen voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor en voor de plaatsing en het beheer van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, vermeld in de geldende stroomgebiedbeheerplannen in te vullen, met opgave van:
  a) voor de periode 2026-2031:
  i. de totale vuilvracht, uitgedrukt in kg stikstof per jaar en kilogram fosfor per jaar, die gesaneerd zal worden per waterlichaam, om bij te dragen aan de invulling van de doelen voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor, vermeld in de geldende stroomgebiedsbeheerplannen en om de uitvoering te verzekeren van de reeds voorziene door de exploitant te nemen remediëringsmaatregelen voor de volledige invulling van de plandoelstellingen voor eind 2027 voor de vrachtreductie voor stikstof en fosfor, met opgave van:
  1) een indicatief overzicht van de investeringen die daarvoor zijn gepland tot en met 31 december 2031;
  2) een indicatief tijdspad om de doelstellingen voor de voormelde sanering van vuilvracht te bereiken;
  3) een raming van het budget;
  ii. het totaal aantal individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater waarvoor de plaatsing en het beheer voorzien wordt per waterlichaam, om bij te dragen aan de invulling van de totale doelstellingen en met de prioritering, vermeld in de geldende stroomgebiedheerplannen, met opgave van:
  1) de prioriteit voor de plaatsing volgens de geldende stroomgebiedbeheerplannen;
  2) een indicatief tijdspad om de doelstellingen voor de plaatsing en het beheer van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater te bereiken;
  b) voor de periode 2032-2037: de totale vuilvracht, uitgedrukt in kg stikstof per jaar en kilogram fosfor per jaar, die gesaneerd zal worden per waterlichaam om een volledige invulling te geven aan de totale doelstellingen voor vrachtreductie voor stikstof en fosfor en de totale doelstellingen voor de plaatsing en beheer van individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in de geldende stroomgebiedbeheerplannen
  i. een indicatief tijdspad om de totale doelstellingen voor de voormelde sanering van vuilvracht en de totale doelstellingen voor de plaatsing van individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater te bereiken;
  ii. een raming van het budget;
  2° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de geplande investeringen voor de verdere uitbouw van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk in overeenstemming met de geldende zoneringsplannen in het geval dat de doelstellingen inzake de vrachtreductie voor stikstof en fosfor vermeld in de geldende stroomgebiedheerplannen bereikt zijn;
  3° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de geplande initiatieven voor het opvolgingsprogramma, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 2° ;
  4° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de investeringen die conform artikel 12, § 3, gepland zijn om de risico's voor een onverwachte uitval van het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk met een significante ecologische, maatschappelijke en financiële impact als vermeld in artikel 12, § 1, te vermijden;
  5° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de investeringen die conform artikel 13, § 2, gepland zijn om de noodzakelijke maatregelen uit te voeren om risico's met een significante ecologische impact die worden veroorzaakt door overstorten aanwezig in het gemeentelijk openbaar saneringsnetwerk, te vermijden;
  6° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van alle investeringen of maatregelen om knelpunten weg te werken die de exploitant heeft gepland;
  7° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de andere geplande investeringen en maatregelen dan de investeringen en maatregelen, vermeld in 1° tot en met 5°, die gekoppeld zijn aan de gemeentelijke saneringsverplichting;
  8° een overzicht, inclusief een raming van het budget, van de andere geplande investeringen en maatregelen dan de investeringen en maatregelen, vermeld in 1° tot met 6° die gekoppeld zijn aan het bereiken van de doelstellingen die zijn opgenomen in de geldende stroomgebiedbeheerplannen, andere dan deze vermeld in punt 1° ;
  9° een financieringsplan met daarin de manier waarop de uitvoering van de investeringen en het beheer wordt gefinancierd.
  De exploitant houdt bij de opmaak van het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid, maximaal rekening met beschikbare informatie over geplande investeringen van andere beheerders van het openbaar domein zonder evenwel afbreuk te doen aan de eigen doelstellingen en de termijnen voor de realisatie ervan die daaraan zijn gekoppeld.
  Elke zes jaar start een nieuwe zesjarige cyclus voor de opmaak en de uitvoering van het meerjarenplan. De actualisatie van het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid, is gekoppeld aan de cyclus voor de opmaak van de gemeentelijke begroting. Het meerjarenplan kan ook tussentijds geactualiseerd worden als dat aangewezen of noodzakelijk is om invulling te geven aan de verplichtingen vermeld in dit besluit, de verplichtingen die voorvloeien uit een actualisatie van de stroomgebiedbeheerplannen of uit nieuwe beleidsdoelstellingen, of als het noodzakelijk is om in afstemming te werken met investeringen die andere beheerders van het openbaar domein plannen.
  De bevoegde entiteit kan, na raadpleging of op voorstel van de exploitanten, nadere richtlijnen opstellen om de inhoud van het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid en de wijze waarop het wordt bezorgd, vanuit technisch oogpunt nader te specificeren.
  § 6. De bevoegde entiteit kan, na raadpleging van de exploitanten of op voorstel van de exploitanten, nadere richtlijnen geven voor de wijze waarop het meerjarenplan, vermeld in paragraaf 2, bezorgd wordt aan de bevoegde entiteit.
  § 7. De bevoegde entiteit licht het meerjarenplan, vermeld in paragraaf 2, door om met het oog op een maximaal doelbereik ervan:
  1° na te gaan of het meerjarenplan de minimale inhoud, vermeld in paragraaf 4 en 5, bevat;
  2° na te gaan of de aangemelde doelstellingen, initiatieven en desgevallend remediëringsmaatregelen en de bijbehorende planning voor de realisatie ervan invulling geven aan:
  a) de plandoelstellingen en de totale reductiedoelen van voor de vrachtreductie van stikstof en fosfor vermeld in de geldende stroomgebiedbeheerplannen;
  b) de totale doelstellingen voor de plaatsing en beheer van individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater die zijn opgenomen in de geldende stroomgebiedbeheerplannen.
  De bevoegde entiteit licht voorgestelde remediëringsmaatregelen en de motivatie hiervoor door met het oog op een maximaal doelbereik en stelt desgevallend wijzigingen aan de remediëringsmaatregelen voor. De bevoegde entiteit rapporteert over deze doorlichting en over voorstellen tot wijzigingen aan de remediëringsmaatregelen aan de toezichthoudende ambtenaar.
  De bevoegde entiteit kan in overleg met de exploitant op elk moment het meerjarenplan doorlichten om:
  1° inhoudelijk advies te verstrekken;
  2° suggesties te formuleren voor bijsturingen van het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid.
Art. 14. § 1er. L'exploitant prend toutes les mesures appropriées afin de pouvoir répondre aux dispositions visées aux sections 1 à 3.
  § 2. Dans le cadre de l'obligation visée au paragraphe 1, l'exploitant est entre autres responsable de l'élaboration, de la mise à jour et du renouvellement cyclique d'un plan pluriannuel pour l'obligation d'assainissement communale.
  § 3. Le plan pluriannuel visé au paragraphe 2 est remis par l'exploitant, lors de son élaboration et de ses mises à jour intermédiaires, à toutes les communes concernées et à tous les autres gestionnaires du domaine public concernés en vue d'une coordination entre le plan pluriannuel et le programme d'investissements des communes et des gestionnaires du domaine public concernés.
  § 4. Au plus tard le premier jour du sixième mois suivant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un plan pluriannuel pour la période jusque fin 2027 est transmis à l'entité compétente. Le plan pluriannuel précité comprend tous les éléments suivants :
  1° la charge polluée totale, exprimée en kg d'azote par an et kilogramme de phosphore par an, qui sera assainie par masse d'eau afin de réaliser pleinement les objectifs du plan pour fin 2027 pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore, visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, et compte tenu des objectifs de réduction globaux pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore, visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, accompagnée :
  a) d'un aperçu indicatif des investissements prévus à cet effet jusqu'au 31 décembre 2027 ;
  b) d'un calendrier indicatif pour atteindre les objectifs pour l'assainissement de la charge polluée concernée ;
  2° le nombre total d'installations de traitement d'eaux usées individuelles dont le placement et la gestion sont prévus par masse d'eau, compte tenu des objectifs globaux et de la fixation des priorités, visé dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, avec mention :
  a) de la priorité pour le placement, en fonction des plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur ;
  b) d'un calendrier indicatif pour atteindre les objectifs pour le placement et la gestion des installations de traitement d'eaux usées individuelles ;
  3° un aperçu des initiatives prévues jusqu'au 31 décembre 2027 pour le programme de suivi visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2° ;
  4° dans l'hypothèse où les objectifs du plan pour fin 2027 pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore tels que fixés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques ne peuvent pas être intégralement réalisés :
  a) une motivation détaillée de la raison et des endroits où c'est le cas, en ce compris une identification des causes sous-jacentes ;
  b) des mesures correctives avec une subdivision entre les mesures qui seront prises par l'exploitant pour réaliser aussi rapidement que possible les objectifs du plan concernés et les mesures qui peuvent être prises par des tiers.
  § 5. En vue d'un alignement avec le cycle budgétaire communal, un plan pluriannuel est remis à l'entité compétente au plus tard le 31 décembre 2025 pour la période commençant le 1er janvier 2026. Le plan pluriannuel précité a chaque fois une durée de 6 ans et comprend les éléments suivants :
  1° un aperçu de tous les investissements restant à réaliser pour atteindre les objectifs globaux de réduction de la charge pour l'azote et le phosphore, ainsi que pour le placement et la gestion des installations de traitement d'eaux usées individuelles énumérées dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, avec mention de :
  a) pour la période 2026-2031 :
  i. la charge polluée totale, exprimée en kg d'azote par an et kilogramme de phosphore par an, qui sera assainie par masse d'eau afin de contribuer à la réalisation des objectifs pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore, visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, et pour garantir la mise en oeuvre des mesures correctives déjà prévues à prendre par l'exploitant pour la mise en oeuvre intégrale des objectifs du plan pour fin 2027 pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore, accompagnée :
  1) d'un aperçu indicatif des investissements prévus à cet effet jusqu'au 31 décembre 2031 ;
  2) d'un calendrier indicatif pour atteindre les objectifs pour l'assainissement de la charge polluée susmentionné ;
  3) d'une estimation du budget ;
  ii. le nombre total d'installations de traitement d'eaux usées individuelles dont le placement et la gestion sont prévus par masse d'eau, afin de contribuer à la mise en oeuvre des objectifs globaux et avec la fixation des priorités, visé dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, avec mention :
  1) de la priorité pour le placement, en fonction des plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur ;
  2) d'un calendrier indicatif pour atteindre les objectifs pour le placement et la gestion des installations de traitement d'eaux usées individuelles ;
  b) pour la période 2032-2037 : la charge polluée totale, exprimée en kg d'azote par an et kilogramme de phosphore par an, qui sera assainie par masse d'eau afin de réaliser pleinement les objectifs globaux pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore et les objectifs globaux pour le placement et la gestion d'installations de traitement d'eaux usées individuelles visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur
  i. un calendrier indicatif pour atteindre les objectifs globaux pour l'assainissement de la charge polluée susmentionnée et les objectifs globaux pour le placement d'une installation de traitement d'eaux usées individuelle ;
  ii. une estimation du budget ;
  2° un aperçu, y compris une estimation du budget, des investissements planifiés pour le développement ultérieur du réseau d'assainissement public communal conformément aux plans de zonage en vigueur dans le cas où les objectifs en matière de réduction de la charge pour l'azote et le phosphore visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur sont atteints ;
  3° un aperçu, y compris une estimation du budget, des initiatives prévues pour le programme de suivi visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2° ;
  4° un aperçu, y compris une estimation du budget, des investissements planifiés conformément à l'article 12, § 3 afin d'éviter les risques de défaillance imprévue du réseau d'assainissement public communal ayant un impact écologique, social et financier significatif, comme visé à l'article 12, § 1er ;
  5° un aperçu, y compris une estimation du budget, des investissements planifiés conformément à l'article 13, § 2 afin de mettre en oeuvre les mesures nécessaires pour réduire les risques ayant un impact écologique significatif causés par des déversoirs présents dans le réseau d'assainissement public communal ;
  6° un aperçu, y compris une estimation du budget, de l'ensemble des investissements ou mesures pour supprimer les goulets d'étranglement prévus par l'exploitant ;
  7° un aperçu, y compris une estimation du budget, des autres investissements et mesures projetés que les investissements et mesures visés aux points 1° à 5°, qui sont associés à l'obligation d'assainissement communale ;
  8° un aperçu, y compris une estimation du budget, des autres investissements et mesures projetés que les investissements et mesures visés aux points 1° à 6° qui sont associés à la réalisation des objectifs repris dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur, autres que ceux visés au point 1° ;
  9° un plan de financement comprenant la façon dont la réalisation des investissements et la gestion sont financées.
  Lors de l'élaboration du plan pluriannuel visé à l'alinéa 1er, l'exploitant tient compte au maximum des informations disponibles relatives aux investissements projetés d'autres gestionnaires du domaine public sans toutefois porter atteinte aux propres objectifs et aux délais pour leur réalisation qui y sont associés.
  Tous les 6 ans, un nouveau cycle de 6 ans commence pour l'élaboration et la mise en oeuvre du plan pluriannuel. L'actualisation du plan pluriannuel visé à l'alinéa 1er est liée au cycle pour l'élaboration du budget communal. Le plan pluriannuel peut également faire l'objet d'une actualisation intermédiaire si cela est indiqué ou nécessaire pour mettre en oeuvre les obligations visées dans le présent arrêté, les obligations qui découlent d'une actualisation des plans de gestion des bassins hydrographiques ou de nouveaux objectifs politiques, ou si cela est nécessaire pour travailler en accord avec des investissements projetés par d'autres gestionnaires du domaine public.
  L'entité compétente peut, après consultation ou sur proposition des exploitants, établir des directives complémentaires afin de préciser sur le plan technique le contenu du plan pluriannuel visé à l'alinéa 1er et les modalités de sa transmission.
  § 6. L'entité compétente peut, après consultation des exploitants ou sur proposition des exploitants, donner des directives complémentaires concernant les modalités de transmission du plan pluriannuel visé au paragraphe 2 à l'entité compétente.
  § 7. L'entité compétente procède à un examen approfondi du plan pluriannuel visé au paragraphe 2 en vue d'une portée maximale de celui-ci :
  1° vérifier si le plan pluriannuel comprend le contenu minimal visé aux paragraphes 4 et 5 ;
  2° vérifier si les objectifs, initiatives et le cas échéant mesures correctives déclarés, et le calendrier y associé pour leur réalisation, mettent en oeuvre :
  a) les objectifs du plan et les objectifs de réduction globaux pour la réduction de la charge pour l'azote et le phosphore visés dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur ;
  b) les objectifs globaux pour le placement et la gestion de l'installation de traitement d'eaux usées individuelle qui sont repris dans les plans de gestion des bassins hydrographiques en vigueur.
  L'entité compétente examine de façon approfondie les mesures correctives proposées et leur motivation en vue d'une portée maximale et propose le cas échéant des modifications aux mesures correctives. L'entité compétente fait rapport de cet examen approfondi et des propositions de modification des mesures correctives au fonctionnaire de surveillance.
  En concertation avec l'exploitant, l'entité compétente peut à tout moment procéder à un examen approfondi du plan pluriannuel afin de :
  1° fournir des conseils sur le plan du contenu ;
  2° formuler des suggestions concernant les ajustements du plan pluriannuel visé à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 4. - Rapportering
CHAPITRE 4. - Rapports
Art. 15. § 1. De exploitant wordt belast met de jaarlijkse rapportering over de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting. De exploitant stelt jaarlijks voor 15 juli minstens de informatie over de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting in het voorgaande jaar, kosteloos ter beschikking van de bevoegde entiteit. Voor gemeenten die het rioolbeheer op hun afzonderlijk gebied uitvoeren, geldt voor de rapportering van het financiële luik uitstel tot 30 september om een vooraf-invulling van de rapportering vanuit de beheers- en beleidscyclus toe te laten.
  § 2. De rapportering, vermeld in het eerste lid, verloopt via een digitale tool die de bevoegde entiteit vastlegt en omvat al de volgende elementen:
  1° informatie over de financiering, namelijk:
  a) de opbrengsten;
  b) de kosten;
  c) de cashflow;
  d) mogelijkheden voor de optimalisatie van het financieel management.
  2° informatie over de kostendrijvers;
  3° informatie over de organisatie van de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting;
  4° informatie over het meerjarenprogramma, vermeld in artikel 14, namelijk:
  a) de uitgevoerde investeringsprojecten om de doelstellingen te bereiken, inclusief de uitgave die daaraan is gekoppeld;
  b) de status over de doelstellingen en de eventuele tussendoelen voor de sanering van de totale vuilvracht, uitgedrukt in kg stikstof per jaar en kilogram fosfor per jaar en voor de plaatsing en het beheer van individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
  c) de status over de doelstellingen voor de overige elementen uit het meerjarenprogramma.
  5° ecologische indicatoren.
  De minister kan na raadpleging van de exploitant en de bevoegde entiteit, de lijst met de gegevens, vermeld in het eerste lid, verder aanvullen.
  § 3. De bevoegde entiteit kan de concrete rapporteringsvelden en de mate van detail waarin de informatie wordt aangeleverd, vanuit technisch oogpunt nader specifiëren via technische richtlijnen.
Art. 15. § 1er. L'exploitant est chargé du rapportage annuel relatif à la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale. Chaque année avant le 15 juillet, l'exploitant met gratuitement à disposition de l'entité compétente au minimum les informations relatives à l'exécution de l'obligation d'assainissement communale. Pour les communes qui exécutent la gestion des égouts sur leur zone distincte, un report jusqu'au 30 septembre est d'application pour le rapportage du volet financier afin de permettre une mise en oeuvre préalable des rapports à partir du cycle de gestion et du cycle politique.
  § 2. Le rapportage visé à l'alinéa 1er s'effectue via un outil numérique déterminé par l'entité compétente et comprend tous les éléments suivants :
  1° des informations concernant le financement, à savoir :
  a) les produits ;
  b) les frais ;
  c) le cash-flow ;
  d) les possibilités pour l'optimisation du management financier.
  2° les informations relatives aux facteurs de coût ;
  3° les informations concernant l'organisation de la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement communale ;
  4° les informations concernant le programme pluriannuel visé à l'article 14, à savoir :
  a) les projets d'investissement réalisés afin d'atteindre les objectifs, en ce compris les dépenses qui y sont associées ;
  b) l'état d'avancement des objectifs et éventuels objectifs intermédiaires pour l'assainissement de la totalité de la charge polluante, exprimée en kg d'azote par an et kilogramme de phosphore par an et pour le placement et la gestion d'installations de traitement d'eaux usées individuelles ;
  c) l'état des objectifs pour les autres éléments du programme pluriannuel.
  5° les indicateurs écologiques.
  Le ministre peut, après consultation de l'exploitant et de l'entité compétente, compléter la liste avec les données visées à l'alinéa 1er.
  § 3. L'entité compétente peut préciser sur le plan technique les champs de rapportage concrets et le degré de détail avec lequel les informations sont fournies via des directives techniques.
HOOFDSTUK 5. - Opvolging
CHAPITRE 5. - Suivi
Art. 16. De minister kan na raadpleging van de exploitanten, met het oog op de aansturing, de evaluatie en de opvolging van de exploitanten, voor de uitvoering en de invulling van de taken en verplichtingen die aan de minister worden toegewezen in dit besluit, de volgende elementen vastleggen:
  1° kritische prestatie-indicatoren;
  2° de frequentie en wijze van rapportering over de kritische prestatie-indicatoren;
  3° indicatieve doelstellingen en indicatieve tussentijdse doelstellingen voor de kritische prestatie-indicatoren in kwestie.
Art. 16. Le ministre peut, après consultation des exploitants, en vue du pilotage, de l'évaluation et du suivi des exploitants, pour l'exécution et la mise en oeuvre des missions et obligations confiées au ministre dans le présent arrêté, arrêter les éléments suivants :
  1° les indicateurs de performance critiques ;
  2° la fréquence et le mode de rapportage relatif aux indicateurs de performance critiques ;
  3° les objectifs indicatifs et objectifs indicatifs intermédiaires pour les indicateurs de performance critiques en question.
Art. 17. Op verzoek van de bevoegde entiteit werkt de exploitant mee aan de uitbouw van de digitale toepassingen om invulling te geven aan de rapporterings-, inventarisatie- en informatieverplichtingen die zijn opgenomen in dit besluit.
  Om invulling te geven aan het eerste sluiten de bevoegde entiteit en exploitant specifieke overeenkomsten waarin concrete afspraken over de volgende elementen worden opgenomen:
  1° de inhoudelijke uitbouw, de communicatie en de ondersteuning naar de exploitanten toe;
  2° de financiering van de digitale toepassing vermeld in het eerste lid.
Art. 17. A la demande de l'entité compétente, l'exploitant participe au développement des applications numériques afin de remplir les obligations de rapportage, d'inventaire et d'information reprises dans le présent arrêté.
  Afin de mettre en oeuvre le premier, l'entité compétente et l'exploitant concluent des contrats spécifiques reprenant des accords concrets concernant les éléments suivants :
  1° le développement en termes de contenu, la communication et le soutien aux exploitants ;
  2° le financement de l'application numérique visée à l'alinéa 1er.
Art. 18. Als bij de rapportering blijkt dat de doelstellingen die zijn opgenomen in het meerjarenplan niet worden bereikt binnen het tijdspad in het voormelde meerjarenplan:
  1° motiveert de exploitant dat omstandig ten aanzien van de bevoegde entiteit. Deze motivatie omvat al de volgende elementen:
  a) een analyse van de oorzaken waarom de doelstellingen, vermeld in het tweede lid, niet zijn bereikt;
  b) een identificatie van de partijen die in gebreke blijven;
  c) oplossingen om de oorzaken, vermeld in punt 1°, te remediëren en maatregelen om herhaling in de toekomst te vermijden.
  2° meldt de exploitant de remediëringsmaatregelen aan die door de exploitant genomen zullen worden om de betreffende doelstellingen zo spoedig mogelijk te realiseren.
  De bevoegde entiteit licht de motivatie en de aangemelde remediëringsmaatregelen, vermeld in het eerste lid, door en stelt desgevallend een remediëringstraject op. De bevoegde entiteit rapporteert over zijn bevindingen aan de toezichthoudende ambtenaar en de minister.
Art. 18. S'il apparaît à l'occasion du rapportage que les objectifs repris dans le plan pluriannuel ne sont pas atteints dans les délais du plan pluriannuel susmentionné :
  1° l'exploitant le motive de façon circonstanciée à l'égard de l'entité compétente. Cette motivation comprend tous les éléments suivants :
  a) une analyse des raisons pour lesquelles les objectifs visés à l'alinéa 2 ne sont pas atteints ;
  b) une identification des parties défaillantes ;
  c) des solutions afin de remédier aux causes visées au point 1°, et des mesures afin d'éviter une répétition dans le futur.
  2° l'exploitant notifie les mesures correctives qui seront prises par l'exploitant afin de réaliser le plus rapidement possible les objectifs concernés.
  L'entité compétente procède à un examen approfondi de la motivation et des mesures correctives déclarées visées à l'alinéa 1er, et établit le cas échéant un parcours de remédiation. L'entité compétente fait rapport de ses constatations au fonctionnaire de surveillance et au ministre.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 19. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 betreffende de rapportering over de uitvoering van de saneringsverplichting door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit, gewijzigd bij het ministerieel beluit van 20 februari 2018;
  2° het ministerieel besluit van 20 februari 2018 tot aanvulling van de lijst, opgenomen in bijlage 1a en 1b bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 betreffende de rapportering over de uitvoering van de saneringsverplichting door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit.
Art. 19. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 relatif aux rapports concernant l'exécution de l'obligation d'assainissement par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou la commune, la régie communale, l'intercommunale ou le partenariat intercommunal ou l'entité désignée par la commune après une enquête du marché, modifié par l'arrêté ministériel du 20 février 2018 ;
  2° l'arrêté ministériel du 20 février 2018 complétant la liste, reprise aux annexes 1a et 1b de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 relatif aux rapports concernant l'exécution de l'obligation d'assainissement par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou la commune, la régie communale, l'intercommunale ou le partenariat intercommunal ou l'entité désignée par la commune après une enquête du marché.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. La ministre flamande qui a l'environnement, l'aménagement du territoire et la nature dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.