Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° vóór punt 1 wordt er een nieuw punt 1/1° toegevoegd dat luidt als volgt:
  "1/1° aangetekend schrijven: een schrijven dat door de bevoegde overheid of de minister ter beschikking wordt gesteld via analoge dragers of via het gemeenschappelijk elektronisch platform als bedoeld in artikel 40 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;"
  2° in punt 5° wordt de zinsnede ", minstens drie jaar hebben geduurd, of" geschrapt.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 MAART 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers
Titre
8 MARS 2024. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 dĂ©cembre 2018 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers
Documentinformatie
Info du document
Tekst (33)
Texte (33)
Article 1er. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 dĂ©cembre 2018 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° avant le point 1, il est ajouté un nouveau point 1/1°, rédigé comme suit :
  " 1/1° courrier recommandé : un courrier mis à disposition par l'autorité compétente ou le ministre via des supports analogiques ou via la plate-forme électronique commune telle que visée à l'article 40 de l'accord de coopération du 2 février 2018 ; "
  2° au point 5°, le membre de phrase " aient duré au moins trois ans, ou " est supprimé.
  1° avant le point 1, il est ajouté un nouveau point 1/1°, rédigé comme suit :
  " 1/1° courrier recommandé : un courrier mis à disposition par l'autorité compétente ou le ministre via des supports analogiques ou via la plate-forme électronique commune telle que visée à l'article 40 de l'accord de coopération du 2 février 2018 ; "
  2° au point 5°, le membre de phrase " aient duré au moins trois ans, ou " est supprimé.
Art. 2. In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "Een werknemer kan in eenzelfde periode slechts één toelating tot arbeid bekomen. De toelating tot arbeid voor een bepaalde duur is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever.";
  2° in paragraaf 1, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  "1° na het woord "docent" worden de woorden "of onderzoeker" ingevoegd.
  b) in punt 3°, wordt het getal "twee" vervangen door het getal "één" en wordt het leesteken "." vervangen door het leesteken ";";
  c) er wordt een nieuw punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° kan de houder van een gecombineerde vergunning een flexi-job uitoefenen, overeenkomstig artikel 16, § 3, 3°. ";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede ", overeenkomstig artikel 3 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders" opgeheven;
  4° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 3. De toelating tot arbeid voor bepaalde duur overeenkomstig hoofdstuk 9 wordt toegekend als de onderdaan van een derde land minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling presteert.
  De voorwaarde van het presteren van minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling als vermeld in het eerste lid, geldt niet voor aanvragen overeenkomstig artikel 17 .".
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "Een werknemer kan in eenzelfde periode slechts één toelating tot arbeid bekomen. De toelating tot arbeid voor een bepaalde duur is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever.";
  2° in paragraaf 1, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  "1° na het woord "docent" worden de woorden "of onderzoeker" ingevoegd.
  b) in punt 3°, wordt het getal "twee" vervangen door het getal "één" en wordt het leesteken "." vervangen door het leesteken ";";
  c) er wordt een nieuw punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° kan de houder van een gecombineerde vergunning een flexi-job uitoefenen, overeenkomstig artikel 16, § 3, 3°. ";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede ", overeenkomstig artikel 3 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders" opgeheven;
  4° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 3. De toelating tot arbeid voor bepaalde duur overeenkomstig hoofdstuk 9 wordt toegekend als de onderdaan van een derde land minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling presteert.
  De voorwaarde van het presteren van minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling als vermeld in het eerste lid, geldt niet voor aanvragen overeenkomstig artikel 17 .".
Art. 2. A l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 dĂ©cembre 2018 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Un travailleur ne peut obtenir qu'une seule admission au travail dans la mĂȘme pĂ©riode. L'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e est limitĂ©e Ă l'occupation auprĂšs d'un seul employeur. " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  " 1° les mots " ou chercheur " sont insérés aprÚs les mots " chargé de cours " ;
  b) au point 3°, les mots " deux ans " sont remplacés par les mots " un an " et le signe de ponctuation " . " est remplacé par le signe de ponctuation " ; " ;
  c) il est ajouté un nouveau point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° le titulaire d'un permis combiné peut exercer un flexi-job, conformément à l'article 16, § 3, 3°. " ;
  3° au paragraphe 2, alinĂ©a 2, le membre de phrase " , conformĂ©ment Ă l'article 3 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs " est abrogĂ© ;
  4° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. L'admission au travail à durée déterminée conformément au chapitre 9 est accordée si les prestations d'un ressortissant d'un pays tiers atteignent au moins 80 % d'un emploi à temps plein.
  La condition relative à des prestations atteignant au moins 80 % d'un emploi à temps plein, telle que visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas aux demandes conformément à l'article 17. ".
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Un travailleur ne peut obtenir qu'une seule admission au travail dans la mĂȘme pĂ©riode. L'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e est limitĂ©e Ă l'occupation auprĂšs d'un seul employeur. " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  " 1° les mots " ou chercheur " sont insérés aprÚs les mots " chargé de cours " ;
  b) au point 3°, les mots " deux ans " sont remplacés par les mots " un an " et le signe de ponctuation " . " est remplacé par le signe de ponctuation " ; " ;
  c) il est ajouté un nouveau point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° le titulaire d'un permis combiné peut exercer un flexi-job, conformément à l'article 16, § 3, 3°. " ;
  3° au paragraphe 2, alinĂ©a 2, le membre de phrase " , conformĂ©ment Ă l'article 3 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs " est abrogĂ© ;
  4° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. L'admission au travail à durée déterminée conformément au chapitre 9 est accordée si les prestations d'un ressortissant d'un pays tiers atteignent au moins 80 % d'un emploi à temps plein.
  La condition relative à des prestations atteignant au moins 80 % d'un emploi à temps plein, telle que visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas aux demandes conformément à l'article 17. ".
Art. 3. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7. Overeenkomstig artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 30 april 1999 kan de toelating tot arbeid van bepaalde duur in de volgende gevallen worden toegekend als de werknemer in België is binnengekomen voor de werkgever de toelating tot arbeid heeft verkregen en als de werknemer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden, vermeld in artikel 61/25-2, § 2, van de wet van 15 december 1980:
  1° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 17, met uitzondering van de personen, vermeld in punt 7°, voor de aanvragen van toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is;
  2° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
  3° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 18, § 2.
  Met toepassing van het eerste lid gelden voor de aanvraag van bijzondere categorieën van werknemers, vermeld in hoofdstuk 8, de volgende verblijfsvoorwaarden:
  1° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/27-1, § 2, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van de blauwe kaart betreft;
  2° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/12, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een onderzoeker betreft;
  3° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/18, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een stagiair betreft,
  4° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/27, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een vrijwilliger betreft.
  "Art. 7. Overeenkomstig artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 30 april 1999 kan de toelating tot arbeid van bepaalde duur in de volgende gevallen worden toegekend als de werknemer in België is binnengekomen voor de werkgever de toelating tot arbeid heeft verkregen en als de werknemer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden, vermeld in artikel 61/25-2, § 2, van de wet van 15 december 1980:
  1° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 17, met uitzondering van de personen, vermeld in punt 7°, voor de aanvragen van toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is;
  2° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
  3° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 18, § 2.
  Met toepassing van het eerste lid gelden voor de aanvraag van bijzondere categorieën van werknemers, vermeld in hoofdstuk 8, de volgende verblijfsvoorwaarden:
  1° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/27-1, § 2, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van de blauwe kaart betreft;
  2° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/12, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een onderzoeker betreft;
  3° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/18, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een stagiair betreft,
  4° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/27, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een vrijwilliger betreft.
Art. 3. L'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 7. Par dĂ©rogation Ă l'article 4, § 2, alinĂ©a 2, de la loi du 30 avril 1999, l'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e peut, dans les cas suivants, ĂȘtre accordĂ©e lorsque le travailleur est arrivĂ© en Belgique avant que l'employeur n'ait obtenu l'admission au travail, et Ă condition que le travailleur rĂ©pond aux conditions de sĂ©jour visĂ©es Ă l'article 61/25-2, § 2, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 :
  1° pour l'occupation des ressortissants étrangers visés à l'article 17, à l'exception des personnes visées au point 7°, pour ce qui concerne les demandes d'admission au travail dans le cadre du permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert au sein d'une entreprise ;
  2° pour l'occupation des ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en transposition de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée ;
  3° pour l'occupation des ressortissants étrangers, visés à l'article 18, § 2.
  En application de l'alinéa 1er, les conditions de séjour suivantes s'appliquent à la demande de catégories spéciales de travailleurs, visées au chapitre 8 :
  1° les conditions, visées à l'article 61/27-1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande de la carte bleue ;
  2° les conditions, visées à l'article 61/12, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un chercheur ;
  3° les conditions, visées à l'article 61/13/18, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un stagiaire ;
  4° les conditions, visées à l'article 61/13/27, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un bénévole.
  " Art. 7. Par dĂ©rogation Ă l'article 4, § 2, alinĂ©a 2, de la loi du 30 avril 1999, l'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e peut, dans les cas suivants, ĂȘtre accordĂ©e lorsque le travailleur est arrivĂ© en Belgique avant que l'employeur n'ait obtenu l'admission au travail, et Ă condition que le travailleur rĂ©pond aux conditions de sĂ©jour visĂ©es Ă l'article 61/25-2, § 2, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 :
  1° pour l'occupation des ressortissants étrangers visés à l'article 17, à l'exception des personnes visées au point 7°, pour ce qui concerne les demandes d'admission au travail dans le cadre du permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert au sein d'une entreprise ;
  2° pour l'occupation des ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en transposition de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée ;
  3° pour l'occupation des ressortissants étrangers, visés à l'article 18, § 2.
  En application de l'alinéa 1er, les conditions de séjour suivantes s'appliquent à la demande de catégories spéciales de travailleurs, visées au chapitre 8 :
  1° les conditions, visées à l'article 61/27-1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande de la carte bleue ;
  2° les conditions, visées à l'article 61/12, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un chercheur ;
  3° les conditions, visées à l'article 61/13/18, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un stagiaire ;
  4° les conditions, visées à l'article 61/13/27, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un bénévole.
Art. 4. Artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 9. § 1. In de volgende gevallen brengt de werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte tijdens de duurtijd van de toelating tot de arbeid:
  1° bij verbreking van de arbeidsovereenkomst;
  2° bij elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de toelating.
  De bevoegde overheid brengt de werkgever op de hoogte als die een nieuwe toelating tot arbeid moet aanvragen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, brengt de bevoegde overheid de werkgever op de hoogte binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  § 2. Als tijdens de eerste twaalf maanden van de toelating tot arbeid die is afgeleverd in het kader van de Europese blauwe kaart, een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in artikel 46, eerste lid, 1°.
  De bevoegde overheid kan zich verzetten tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving voor zover de voorwaarden in artikel 21 niet zijn vervuld.
  § 3. Als tijdens de geldigheid van een toelating tot arbeid afgeleverd in het kader van de seizoenarbeidersvergunning, een nieuwe arbeidsovereenkomst voor seizoenarbeid wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen onmiddellijk schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte, en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  De bevoegde overheid kan zich verzetten tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  In het eerste lid wordt onder seizoenarbeidersvergunning het volgende verstaan: de vergunning als bedoeld in artikel 12, 3° van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
  "Art. 9. § 1. In de volgende gevallen brengt de werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte tijdens de duurtijd van de toelating tot de arbeid:
  1° bij verbreking van de arbeidsovereenkomst;
  2° bij elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de toelating.
  De bevoegde overheid brengt de werkgever op de hoogte als die een nieuwe toelating tot arbeid moet aanvragen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, brengt de bevoegde overheid de werkgever op de hoogte binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  § 2. Als tijdens de eerste twaalf maanden van de toelating tot arbeid die is afgeleverd in het kader van de Europese blauwe kaart, een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in artikel 46, eerste lid, 1°.
  De bevoegde overheid kan zich verzetten tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving voor zover de voorwaarden in artikel 21 niet zijn vervuld.
  § 3. Als tijdens de geldigheid van een toelating tot arbeid afgeleverd in het kader van de seizoenarbeidersvergunning, een nieuwe arbeidsovereenkomst voor seizoenarbeid wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen onmiddellijk schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte, en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  De bevoegde overheid kan zich verzetten tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  In het eerste lid wordt onder seizoenarbeidersvergunning het volgende verstaan: de vergunning als bedoeld in artikel 12, 3° van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
Art. 4. L'article 9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 9. § 1er. Dans les cas suivants, l'employeur informe l'autorité compétente au plus tard dans les quinze jours civils, par écrit ou par voie électronique, pendant la durée de l'admission au travail :
  1° en cas de rupture du contrat de travail ;
  2° lors de toute modification significative des conditions de travail susceptible d'avoir des conséquences sur la validité de l'admission.
  L'autorité compétente informe l'employeur si celui-ci doit demander une nouvelle admission au travail. Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, l'autorité compétente informe l'employeur dans les quinze jours civils aprÚs la réception de la notification.
  § 2. Si un nouveau contrat de travail est conclu au cours des 12 premiers mois de l'admission au travail délivrée dans le cadre de la carte bleue européenne, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°.
  L'autoritĂ© compĂ©tente peut s'opposer Ă la modification conformĂ©ment Ă l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprĂšs la rĂ©ception de la notification, dans la mesure oĂč les conditions de l'article 21 ne sont pas remplies.
  § 3. Si un nouveau contrat de travail est conclu pendant la validité de l'admission au travail délivrée dans le cadre du permis de travailleur saisonnier, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente immédiatement par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail, conclu conformément à la section 2 du chapitre 8.
  L'autorité compétente peut s'opposer à la modification conformément à l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprÚs la réception de la notification.
  Dans l'alinéa 1er, on entend par permis de travailleur saisonnier : le permis tel que visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission à l'emploi et la politique en matiÚre de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers. ".
  " Art. 9. § 1er. Dans les cas suivants, l'employeur informe l'autorité compétente au plus tard dans les quinze jours civils, par écrit ou par voie électronique, pendant la durée de l'admission au travail :
  1° en cas de rupture du contrat de travail ;
  2° lors de toute modification significative des conditions de travail susceptible d'avoir des conséquences sur la validité de l'admission.
  L'autorité compétente informe l'employeur si celui-ci doit demander une nouvelle admission au travail. Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, l'autorité compétente informe l'employeur dans les quinze jours civils aprÚs la réception de la notification.
  § 2. Si un nouveau contrat de travail est conclu au cours des 12 premiers mois de l'admission au travail délivrée dans le cadre de la carte bleue européenne, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°.
  L'autoritĂ© compĂ©tente peut s'opposer Ă la modification conformĂ©ment Ă l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprĂšs la rĂ©ception de la notification, dans la mesure oĂč les conditions de l'article 21 ne sont pas remplies.
  § 3. Si un nouveau contrat de travail est conclu pendant la validité de l'admission au travail délivrée dans le cadre du permis de travailleur saisonnier, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente immédiatement par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail, conclu conformément à la section 2 du chapitre 8.
  L'autorité compétente peut s'opposer à la modification conformément à l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprÚs la réception de la notification.
  Dans l'alinéa 1er, on entend par permis de travailleur saisonnier : le permis tel que visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission à l'emploi et la politique en matiÚre de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers. ".
Art. 5. Artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 12. § 1. De toelating tot arbeid wordt geweigerd als:
  1° de aanvraag onvolledige, onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen bevat;
  2° de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, artikel 4/1 of artikel 5 van de wet van 30 april 1999, of in de uitvoeringsbesluiten niet zijn vervuld;
  3° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10;
  4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en de reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet naleeft, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling gelden;
  5° de natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling niet naleeft, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;
  6° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  7° aan de tewerkstelling onvoldoende inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen te voorzien in zijn behoeften of in de behoeften van die van zijn gezin als bepaald in art. 76, § 1;
  8° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
  9° de werkgever gedurende een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een volledige betrekking heeft afgeschaft om de vacature te creëren die de werkgever met die aanvraag wil vervullen.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 7°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 8°, 10°, 11° en 18°.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 9°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6° en 7°, en op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  § 2. De toelating tot arbeid kan geweigerd worden als:
  1° tegen de werkgever, de gastentiteit of de mandataris gedurende een jaar voor de aanvraag een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
  a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
  b) artikel 13/5, artikel 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht;
  c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
  d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
  2° de werkgever, de gastentiteit of de mandataris gedurende een jaar voor de aanvraag onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen heeft gebruikt bij een aanvraag van toelating tot arbeid;
  3° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
  4° het doel ervan is een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die in het land van oorsprong een tekort aan gekwalificeerde werknemers hebben;
  5° gedurende een jaar voor de aanvraag een toelating tot arbeid voor dezelfde werknemer in dezelfde categorie geweigerd of ingetrokken werd, zonder dat de aanvrager nieuwe elementen kan laten gelden;
  6° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de bepalingen van de fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
  7° de kredietwaardigheid van de onderneming of de gastentiteit ongunstig is;
  8° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt;
  9° de onderneming waarin buitenlandse werknemers zullen worden tewerkgesteld, minder dan drie jaar geleden is opgericht of geen personeelsleden in dienst heeft.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 4°, is alleen van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
  De weigeringsgronden, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, zijn niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op de aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  Bij de beoordeling van de toelating tot arbeid houdt de bevoegde overheid rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginsel.".
  "Art. 12. § 1. De toelating tot arbeid wordt geweigerd als:
  1° de aanvraag onvolledige, onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen bevat;
  2° de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, artikel 4/1 of artikel 5 van de wet van 30 april 1999, of in de uitvoeringsbesluiten niet zijn vervuld;
  3° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10;
  4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en de reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet naleeft, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling gelden;
  5° de natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling niet naleeft, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;
  6° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  7° aan de tewerkstelling onvoldoende inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen te voorzien in zijn behoeften of in de behoeften van die van zijn gezin als bepaald in art. 76, § 1;
  8° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
  9° de werkgever gedurende een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een volledige betrekking heeft afgeschaft om de vacature te creëren die de werkgever met die aanvraag wil vervullen.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 7°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 8°, 10°, 11° en 18°.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 9°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6° en 7°, en op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  § 2. De toelating tot arbeid kan geweigerd worden als:
  1° tegen de werkgever, de gastentiteit of de mandataris gedurende een jaar voor de aanvraag een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
  a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
  b) artikel 13/5, artikel 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht;
  c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
  d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
  2° de werkgever, de gastentiteit of de mandataris gedurende een jaar voor de aanvraag onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen heeft gebruikt bij een aanvraag van toelating tot arbeid;
  3° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
  4° het doel ervan is een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die in het land van oorsprong een tekort aan gekwalificeerde werknemers hebben;
  5° gedurende een jaar voor de aanvraag een toelating tot arbeid voor dezelfde werknemer in dezelfde categorie geweigerd of ingetrokken werd, zonder dat de aanvrager nieuwe elementen kan laten gelden;
  6° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de bepalingen van de fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
  7° de kredietwaardigheid van de onderneming of de gastentiteit ongunstig is;
  8° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt;
  9° de onderneming waarin buitenlandse werknemers zullen worden tewerkgesteld, minder dan drie jaar geleden is opgericht of geen personeelsleden in dienst heeft.
  De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 4°, is alleen van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
  De weigeringsgronden, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, zijn niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op de aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  Bij de beoordeling van de toelating tot arbeid houdt de bevoegde overheid rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 5. L'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 12. § 1er. L'admission au travail est refusée lorsque :
  1° la demande comprend des données ou des déclarations incomplÚtes, inexactes, falsifiées ou illicites, ou encore des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  2° les conditions d'admission visĂ©es Ă l'article 4, Ă l'article 4/1 ou Ă l'article 5 de la loi du 30 avril 1999, ou dans ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, ne sont pas remplies ;
  3° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10 ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables à l'occupation ;
  5° la personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, ne respecte pas les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé ;
  6° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
  7° l'occupation n'est pas associée à des revenus suffisants qui permettent au travailleur de pourvoir à ses besoins ou à ceux de sa famille, tels que visés à l'art. 76, § 1er ;
  8° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
  9° l'employeur a, pendant une période de six mois préalablement à la demande, supprimé un poste complet en vue de créer le poste qu'il souhaite pourvoir par la demande en question.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 7°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 8°, 10°, 11° et 18°.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 9°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6° et 7°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  § 2. L'admission au travail peut ĂȘtre refusĂ©e lorsque :
  1° pendant l'année précédant la demande, une sanction a été prononcée à l'encontre de l'employeur, de l'entité d'accueil ou du mandataire sur la base de l'une des dispositions suivantes :
  a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
  b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4, ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
  c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
  d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
  2° lors d'une demande d'admission au travail, l'employeur, l'entité d'accueil ou le mandataire a utilisé, pendant l'année précédant la demande, des données ou des déclarations inexactes, falsifiées ou obtenues de maniÚre illicite ou des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  3° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
  4° l'objectif est d'assurer un recrutement Ă©thique dans les secteurs oĂč il y a pĂ©nurie de travailleurs qualifiĂ©s dans le pays d'origine ;
  5° pendant l'annĂ©e prĂ©cĂ©dant la demande, une admission au travail pour le mĂȘme travailleur dans la mĂȘme catĂ©gorie a Ă©tĂ© refusĂ©e ou retirĂ©e, sans que le demandeur puisse faire valoir de nouveaux Ă©lĂ©ments ;
  6° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les dispositions du droit fiscal, social ou des sociétés ;
  7° la crédibilité de l'entreprise ou de l'entité d'accueil est défavorable ;
  8° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers ;
  9° l'entreprise dans laquelle des travailleurs étrangers seront occupés, a été établie depuis moins de trois ans ou n'occupe pas de membres du personnel.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 4°, s'applique uniquement aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
  Les motifs de refus visés à l'alinéa 1er, 7° à 9°, ne s'appliquent pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Lors de l'Ă©valuation de l'admission au travail, l'autoritĂ© compĂ©tente tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ©. ".
  " Art. 12. § 1er. L'admission au travail est refusée lorsque :
  1° la demande comprend des données ou des déclarations incomplÚtes, inexactes, falsifiées ou illicites, ou encore des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  2° les conditions d'admission visĂ©es Ă l'article 4, Ă l'article 4/1 ou Ă l'article 5 de la loi du 30 avril 1999, ou dans ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, ne sont pas remplies ;
  3° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10 ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables à l'occupation ;
  5° la personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, ne respecte pas les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé ;
  6° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
  7° l'occupation n'est pas associée à des revenus suffisants qui permettent au travailleur de pourvoir à ses besoins ou à ceux de sa famille, tels que visés à l'art. 76, § 1er ;
  8° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
  9° l'employeur a, pendant une période de six mois préalablement à la demande, supprimé un poste complet en vue de créer le poste qu'il souhaite pourvoir par la demande en question.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 7°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 8°, 10°, 11° et 18°.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 9°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6° et 7°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  § 2. L'admission au travail peut ĂȘtre refusĂ©e lorsque :
  1° pendant l'année précédant la demande, une sanction a été prononcée à l'encontre de l'employeur, de l'entité d'accueil ou du mandataire sur la base de l'une des dispositions suivantes :
  a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
  b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4, ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
  c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
  d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
  2° lors d'une demande d'admission au travail, l'employeur, l'entité d'accueil ou le mandataire a utilisé, pendant l'année précédant la demande, des données ou des déclarations inexactes, falsifiées ou obtenues de maniÚre illicite ou des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  3° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
  4° l'objectif est d'assurer un recrutement Ă©thique dans les secteurs oĂč il y a pĂ©nurie de travailleurs qualifiĂ©s dans le pays d'origine ;
  5° pendant l'annĂ©e prĂ©cĂ©dant la demande, une admission au travail pour le mĂȘme travailleur dans la mĂȘme catĂ©gorie a Ă©tĂ© refusĂ©e ou retirĂ©e, sans que le demandeur puisse faire valoir de nouveaux Ă©lĂ©ments ;
  6° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les dispositions du droit fiscal, social ou des sociétés ;
  7° la crédibilité de l'entreprise ou de l'entité d'accueil est défavorable ;
  8° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers ;
  9° l'entreprise dans laquelle des travailleurs étrangers seront occupés, a été établie depuis moins de trois ans ou n'occupe pas de membres du personnel.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 4°, s'applique uniquement aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
  Les motifs de refus visés à l'alinéa 1er, 7° à 9°, ne s'appliquent pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Lors de l'Ă©valuation de l'admission au travail, l'autoritĂ© compĂ©tente tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ©. ".
Art. 6. Artikel 13 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 13. § 1. De toelating tot arbeid wordt ingetrokken als:
  1° voor de aanvraag gebruikgemaakt is van bedrieglijke praktijken, onvolledige, onjuiste of vervalste verklaringen, of als onrechtmatig verkregen gegevens werden bezorgd of onrechtmatig aanpassingen werden verricht;
  2° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
  3° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
  4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet nakomt, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemers;
  5° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10.
  § 2. De toelating tot arbeid kan ingetrokken worden als:
  1° tegen de werkgever of de gastentiteit een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
  a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
  b) artikel 13/5, artikel 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht;
  c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
  d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
  2° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
  3° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de verplichtingen die zijn opgelegd door fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
  4° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt.
  De intrekkingsgrond, vermeld in het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
  De intrekkingsgrond, vermeld in het eerste lid, 4°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  Bij de beoordeling van de toelating houdt de bevoegde overheid rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginsel.".
  "Art. 13. § 1. De toelating tot arbeid wordt ingetrokken als:
  1° voor de aanvraag gebruikgemaakt is van bedrieglijke praktijken, onvolledige, onjuiste of vervalste verklaringen, of als onrechtmatig verkregen gegevens werden bezorgd of onrechtmatig aanpassingen werden verricht;
  2° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
  3° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
  4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet nakomt, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemers;
  5° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10.
  § 2. De toelating tot arbeid kan ingetrokken worden als:
  1° tegen de werkgever of de gastentiteit een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
  a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
  b) artikel 13/5, artikel 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht;
  c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
  d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
  2° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
  3° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de verplichtingen die zijn opgelegd door fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
  4° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt.
  De intrekkingsgrond, vermeld in het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
  De intrekkingsgrond, vermeld in het eerste lid, 4°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
  Bij de beoordeling van de toelating houdt de bevoegde overheid rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 6. L'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 13. § 1er. L'admission à l'emploi est retirée lorsque :
  1° pour les besoins de la demande, il a été fait usage de pratiques frauduleuses, de déclarations incomplÚtes, inexactes ou falsifiées, ou que des données ont été obtenues ou des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  2° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
  3° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables aux travailleurs ;
  5° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10.
  § 2. L'admission Ă l'emploi peut ĂȘtre retirĂ©e lorsque :
  1° une sanction a été prononcée à l'encontre de l'employeur ou de l'entité d'accueil sur la base de l'une des dispositions suivantes :
  a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
  b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4, ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
  c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
  d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
  2° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
  3° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations imposées par le droit fiscal, social ou des sociétés ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 2°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 4°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Lors de l'Ă©valuation de l'admission, l'autoritĂ© compĂ©tente tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ©. ".
  " Art. 13. § 1er. L'admission à l'emploi est retirée lorsque :
  1° pour les besoins de la demande, il a été fait usage de pratiques frauduleuses, de déclarations incomplÚtes, inexactes ou falsifiées, ou que des données ont été obtenues ou des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
  2° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
  3° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables aux travailleurs ;
  5° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10.
  § 2. L'admission Ă l'emploi peut ĂȘtre retirĂ©e lorsque :
  1° une sanction a été prononcée à l'encontre de l'employeur ou de l'entité d'accueil sur la base de l'une des dispositions suivantes :
  a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
  b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4, ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
  c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
  d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
  2° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
  3° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations imposées par le droit fiscal, social ou des sociétés ;
  4° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 2°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
  Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 4°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Lors de l'Ă©valuation de l'admission, l'autoritĂ© compĂ©tente tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ©. ".
Art. 7. Artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 16. § 1. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en als hun arbeidsprestaties beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
  1° de onderdanen van derde landen die geen hoofdverblijfplaats hebben in België en die een van de volgende tijdelijke handelsactiviteiten verrichten die verband houden met de zakelijke belangen van de werkgever, waarbij geen diensten of goederen worden geleverd:
  a) het bijwonen van:
  1) conferenties en seminaries;
  2) interne en externe zakelijke bijeenkomsten;
  3) beurzen en tentoonstellingen;
  b) het onderhandelen over zakelijke overeenkomsten;
  c) het ondernemen van verkoops- of marketingactiviteiten;
  d) het uitvoeren van interne audits of klantenaudits;
  e) het verkennen van bedrijfsopportuniteiten;
  f) het geven of volgen van opleidingen;
  2° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een onderneming die in het buitenland gevestigd is, goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische nijverheid geleverd zijn;
  3° de journalisten die in het buitenland verblijven en die verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of persagentschappen of radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, en die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht;
  4° de werknemers die worden tewerkgesteld in een buitenlandse onderneming en die naar België komen om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische zetel van de groep van ondernemingen waartoe hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van de groep van ondernemingen;
  5° de leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT die zijn recht op kortetermijnmobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat de bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken, conform artikel 79;
  6° de onderdanen van derde landen die als vertegenwoordigers van hotels, reisbureaus of reisorganisaties, of die als gidsen een congres of beurs bijwonen of daaraan deelnemen of een rondreis begeleiden die is begonnen op het grondgebied van een derde land;
  7° vertalers en tolken: de onderdanen van derde landen die als vertalers of tolken diensten verlenen als werknemers van een rechtspersoon die op het grondgebied van een derde land gevestigd is.
  In het eerste lid, 5°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is, die afgegeven is door een andere lidstaat, beschikt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken in elke entiteit die in België is gevestigd en die tot de onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort, gedurende een maximale periode van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen:
  1° de onderdanen van derde landen die in het kader van onderzoek hun recht op kortetermijnmobiliteit uitoefenen op voorwaarde dat aan hun tewerkstelling inkomsten zijn verbonden die hen in staat stellen om te voorzien in hun behoeften of in de behoeften van hun gezin, conform artikel 76, § 1, eerste lid;
  2° de werknemers die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld zijn door een onderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en die zich tijdelijk naar België begeven om diensten te verrichten, op voorwaarde dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
  a) ze verblijven in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en ze beschikken daar over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) ze zijn wettig tewerkgesteld in de lidstaat waar ze verblijven, en de vergunning is ten minste geldig voor de duurtijd van het werk dat ze in België moeten uitvoeren;
  c) ze zijn in het bezit van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  d) ze beschikken over een paspoort en een verblijfsvergunning met een duurtijd die minimaal gelijkwaardig is met de duurtijd van de dienstverlening om hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.
  In het eerste lid, 1°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt die in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, die afgegeven is door een andere lidstaat, om op het Belgische grondgebied te verblijven om een deel van zijn onderzoek uit te voeren gedurende een periode van honderdtachtig dagen binnen elke periode van driehonderdzestig dagen.
  § 3. De volgende categorieën van personen worden van rechtswege toegelaten tot arbeid:
  1° de gedetacheerde werknemers die niet onderworpen zijn aan een voorafgaande Limosa-aangifte conform artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen als hun prestaties in België beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
  2° de onderzoekers of de internationale docenten die verbonden zijn aan een erkende Belgische onderzoeksinstelling, als hun prestaties beperkt zijn tot een periode van maximaal negentig dagen binnen elke periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
  3° de houders van een geldige toelating tot arbeid die is afgeleverd conform hoofdstuk 9 die een flexi-job uitoefenen.
  In het eerste lid, 3°, wordt onder flexi-job verstaan: de tewerkstelling als vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.".
  "Art. 16. § 1. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en als hun arbeidsprestaties beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
  1° de onderdanen van derde landen die geen hoofdverblijfplaats hebben in België en die een van de volgende tijdelijke handelsactiviteiten verrichten die verband houden met de zakelijke belangen van de werkgever, waarbij geen diensten of goederen worden geleverd:
  a) het bijwonen van:
  1) conferenties en seminaries;
  2) interne en externe zakelijke bijeenkomsten;
  3) beurzen en tentoonstellingen;
  b) het onderhandelen over zakelijke overeenkomsten;
  c) het ondernemen van verkoops- of marketingactiviteiten;
  d) het uitvoeren van interne audits of klantenaudits;
  e) het verkennen van bedrijfsopportuniteiten;
  f) het geven of volgen van opleidingen;
  2° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een onderneming die in het buitenland gevestigd is, goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische nijverheid geleverd zijn;
  3° de journalisten die in het buitenland verblijven en die verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of persagentschappen of radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, en die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht;
  4° de werknemers die worden tewerkgesteld in een buitenlandse onderneming en die naar België komen om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische zetel van de groep van ondernemingen waartoe hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van de groep van ondernemingen;
  5° de leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT die zijn recht op kortetermijnmobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat de bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken, conform artikel 79;
  6° de onderdanen van derde landen die als vertegenwoordigers van hotels, reisbureaus of reisorganisaties, of die als gidsen een congres of beurs bijwonen of daaraan deelnemen of een rondreis begeleiden die is begonnen op het grondgebied van een derde land;
  7° vertalers en tolken: de onderdanen van derde landen die als vertalers of tolken diensten verlenen als werknemers van een rechtspersoon die op het grondgebied van een derde land gevestigd is.
  In het eerste lid, 5°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is, die afgegeven is door een andere lidstaat, beschikt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken in elke entiteit die in België is gevestigd en die tot de onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort, gedurende een maximale periode van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen:
  1° de onderdanen van derde landen die in het kader van onderzoek hun recht op kortetermijnmobiliteit uitoefenen op voorwaarde dat aan hun tewerkstelling inkomsten zijn verbonden die hen in staat stellen om te voorzien in hun behoeften of in de behoeften van hun gezin, conform artikel 76, § 1, eerste lid;
  2° de werknemers die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld zijn door een onderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en die zich tijdelijk naar België begeven om diensten te verrichten, op voorwaarde dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
  a) ze verblijven in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en ze beschikken daar over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) ze zijn wettig tewerkgesteld in de lidstaat waar ze verblijven, en de vergunning is ten minste geldig voor de duurtijd van het werk dat ze in België moeten uitvoeren;
  c) ze zijn in het bezit van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  d) ze beschikken over een paspoort en een verblijfsvergunning met een duurtijd die minimaal gelijkwaardig is met de duurtijd van de dienstverlening om hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.
  In het eerste lid, 1°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt die in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, die afgegeven is door een andere lidstaat, om op het Belgische grondgebied te verblijven om een deel van zijn onderzoek uit te voeren gedurende een periode van honderdtachtig dagen binnen elke periode van driehonderdzestig dagen.
  § 3. De volgende categorieën van personen worden van rechtswege toegelaten tot arbeid:
  1° de gedetacheerde werknemers die niet onderworpen zijn aan een voorafgaande Limosa-aangifte conform artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen als hun prestaties in België beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
  2° de onderzoekers of de internationale docenten die verbonden zijn aan een erkende Belgische onderzoeksinstelling, als hun prestaties beperkt zijn tot een periode van maximaal negentig dagen binnen elke periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
  3° de houders van een geldige toelating tot arbeid die is afgeleverd conform hoofdstuk 9 die een flexi-job uitoefenen.
  In het eerste lid, 3°, wordt onder flexi-job verstaan: de tewerkstelling als vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.".
Art. 7. L'article 16 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 16. § 1er. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les catégories suivantes de personnes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, et que leurs prestations de travail sont limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 :
  1° les ressortissants de pays tiers qui n'ont pas leur rĂ©sidence principale en Belgique et qui effectuent une des activitĂ©s commerciales temporaires suivantes liĂ©es aux intĂ©rĂȘts commerciaux de l'employeur, qui n'impliquent pas de fourniture de services ou de biens :
  a) participer à :
  1) des conférences et des séminaires ;
  2) des réunions d'affaires internes et externes ;
  3) des foires et des expositions ;
  b) négocier des accords commerciaux ;
  c) entreprendre des activités de vente ou de marketing ;
  d) réaliser des audits internes ou des audits de clients ;
  e) explorer des opportunités commerciales ;
  f) donner ou suivre des formations ;
  2° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour le compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de biens fournis par l'industrie belge ;
  3° les journalistes résidant à l'étranger, qui sont liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, qui viennent en Belgique dans le cadre de l'exécution de leur mission ;
  4° les travailleurs qui sont employés dans une entreprise étrangÚre, qui viennent en Belgique pour donner ou suivre une formation au siÚge belge du groupe d'entreprises auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'une convention de formation entre les siÚges dudit groupe d'entreprises ;
  5° le cadre TIC, le spécialiste TIC ou le travailleur stagiaire TIC qui exerce son droit à la mobilité à court terme, à condition que la rémunération ne soit pas moins favorable que celle de fonctions comparables conformément aux lois, conventions collectives ou pratiques applicables, conformément à l'article 79 ;
  6° les ressortissants de pays tiers qui, en tant que représentants d'hÎtels, d'agences ou organisations de voyage, ou qui, en tant que guides, assistent ou participent à un congrÚs ou une foire ou accompagnent un circuit touristique qui a commencé sur le territoire d'un pays tiers ;
  7° traducteurs et interprÚtes : les ressortissants de pays tiers qui fournissent des services de traduction ou d'interprétation en tant que travailleurs d'une personne morale établie sur le territoire d'un pays tiers.
  Dans l'alinĂ©a 1er, 5°, on entend par le droit Ă la mobilitĂ© Ă court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire au sein d'une entreprise, dĂ©livrĂ© par un autre Etat membre, de sĂ©journer sur le territoire belge et de travailler dans chaque entitĂ© Ă©tablie en Belgique et faisant partie de l'entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises, pendant une pĂ©riode maximale de 90 jours au sein d'une pĂ©riode de 180 jours.
  § 2. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les personnes suivantes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés :
  1° les ressortissants de pays tiers qui exercent leur droit à la mobilité de courte durée dans le cadre de recherches, à la condition que les revenus liés à leur occupation permettent aux travailleurs en question de pourvoir à leurs besoins et à ceux de leur famille, conformément à l'article 76, § 1er, alinéa 1er ;
  2° les travailleurs qui ne sont pas ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont employés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou par la Confédération suisse, et qui se rendent temporairement en Belgique pour y fournir des services, à la condition qu'ils remplissent une des conditions suivantes :
  a) ils sĂ©journent dans l'Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en ou la ConfĂ©dĂ©ration suisse, oĂč ils disposent d'un droit de sĂ©jour ou d'un titre de sĂ©jour de plus de trois mois ;
  b) ils sont employĂ©s lĂ©galement dans l'Etat membre oĂč ils sĂ©journent et le permis est valable au moins pour la durĂ©e du travail qu'ils doivent effectuer en Belgique ;
  c) ils sont en possession d'un contrat de travail en rÚgle ;
  d) ils sont titulaires d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée au moins équivalente à la durée des services, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de séjour.
  Dans l'alinéa 1er, 1°, on entend par le droit à la mobilité à court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour un chercheur, délivré par un autre Etat membre, de séjourner sur le territoire belge afin d'y effectuer une partie de ses recherches pendant une période maximale de 180 jours dans le cadre de chaque période de 360 jours.
  § 3. Les catégories de personnes suivantes sont admises de plein droit au travail :
  1° les travailleurs dĂ©tachĂ©s qui ne sont pas soumis Ă une dĂ©claration Limosa prĂ©alable conformĂ©ment Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 mars 2007 pris en exĂ©cution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 dĂ©cembre 2006 instaurant une dĂ©claration prĂ©alable pour les travailleurs salariĂ©s et indĂ©pendants dĂ©tachĂ©s, si leurs prestations en Belgique sont limitĂ©es Ă un maximum de 90 jours dans une pĂ©riode de 180 jours, calculĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 6, alinĂ©as 2 et 3, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 ;
  2° les chercheurs ou les chargés de cours internationaux attachés à un institut de recherche belge agréé, si leurs prestations sont limitées à une période maximale de 90 jours dans le cadre de chaque période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 ;
  3° les titulaires d'une admission au travail en cours de validité délivrée conformément au chapitre 9, qui exercent un flexi-job.
  Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par flexi-job : l'occupation telle que visée à l'article 3, 1°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiÚre sociale. ".
  " Art. 16. § 1er. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les catégories suivantes de personnes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, et que leurs prestations de travail sont limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 :
  1° les ressortissants de pays tiers qui n'ont pas leur rĂ©sidence principale en Belgique et qui effectuent une des activitĂ©s commerciales temporaires suivantes liĂ©es aux intĂ©rĂȘts commerciaux de l'employeur, qui n'impliquent pas de fourniture de services ou de biens :
  a) participer à :
  1) des conférences et des séminaires ;
  2) des réunions d'affaires internes et externes ;
  3) des foires et des expositions ;
  b) négocier des accords commerciaux ;
  c) entreprendre des activités de vente ou de marketing ;
  d) réaliser des audits internes ou des audits de clients ;
  e) explorer des opportunités commerciales ;
  f) donner ou suivre des formations ;
  2° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour le compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de biens fournis par l'industrie belge ;
  3° les journalistes résidant à l'étranger, qui sont liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, qui viennent en Belgique dans le cadre de l'exécution de leur mission ;
  4° les travailleurs qui sont employés dans une entreprise étrangÚre, qui viennent en Belgique pour donner ou suivre une formation au siÚge belge du groupe d'entreprises auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'une convention de formation entre les siÚges dudit groupe d'entreprises ;
  5° le cadre TIC, le spécialiste TIC ou le travailleur stagiaire TIC qui exerce son droit à la mobilité à court terme, à condition que la rémunération ne soit pas moins favorable que celle de fonctions comparables conformément aux lois, conventions collectives ou pratiques applicables, conformément à l'article 79 ;
  6° les ressortissants de pays tiers qui, en tant que représentants d'hÎtels, d'agences ou organisations de voyage, ou qui, en tant que guides, assistent ou participent à un congrÚs ou une foire ou accompagnent un circuit touristique qui a commencé sur le territoire d'un pays tiers ;
  7° traducteurs et interprÚtes : les ressortissants de pays tiers qui fournissent des services de traduction ou d'interprétation en tant que travailleurs d'une personne morale établie sur le territoire d'un pays tiers.
  Dans l'alinĂ©a 1er, 5°, on entend par le droit Ă la mobilitĂ© Ă court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire au sein d'une entreprise, dĂ©livrĂ© par un autre Etat membre, de sĂ©journer sur le territoire belge et de travailler dans chaque entitĂ© Ă©tablie en Belgique et faisant partie de l'entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises, pendant une pĂ©riode maximale de 90 jours au sein d'une pĂ©riode de 180 jours.
  § 2. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les personnes suivantes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés :
  1° les ressortissants de pays tiers qui exercent leur droit à la mobilité de courte durée dans le cadre de recherches, à la condition que les revenus liés à leur occupation permettent aux travailleurs en question de pourvoir à leurs besoins et à ceux de leur famille, conformément à l'article 76, § 1er, alinéa 1er ;
  2° les travailleurs qui ne sont pas ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont employés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou par la Confédération suisse, et qui se rendent temporairement en Belgique pour y fournir des services, à la condition qu'ils remplissent une des conditions suivantes :
  a) ils sĂ©journent dans l'Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en ou la ConfĂ©dĂ©ration suisse, oĂč ils disposent d'un droit de sĂ©jour ou d'un titre de sĂ©jour de plus de trois mois ;
  b) ils sont employĂ©s lĂ©galement dans l'Etat membre oĂč ils sĂ©journent et le permis est valable au moins pour la durĂ©e du travail qu'ils doivent effectuer en Belgique ;
  c) ils sont en possession d'un contrat de travail en rÚgle ;
  d) ils sont titulaires d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée au moins équivalente à la durée des services, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de séjour.
  Dans l'alinéa 1er, 1°, on entend par le droit à la mobilité à court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour un chercheur, délivré par un autre Etat membre, de séjourner sur le territoire belge afin d'y effectuer une partie de ses recherches pendant une période maximale de 180 jours dans le cadre de chaque période de 360 jours.
  § 3. Les catégories de personnes suivantes sont admises de plein droit au travail :
  1° les travailleurs dĂ©tachĂ©s qui ne sont pas soumis Ă une dĂ©claration Limosa prĂ©alable conformĂ©ment Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 mars 2007 pris en exĂ©cution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 dĂ©cembre 2006 instaurant une dĂ©claration prĂ©alable pour les travailleurs salariĂ©s et indĂ©pendants dĂ©tachĂ©s, si leurs prestations en Belgique sont limitĂ©es Ă un maximum de 90 jours dans une pĂ©riode de 180 jours, calculĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 6, alinĂ©as 2 et 3, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 ;
  2° les chercheurs ou les chargés de cours internationaux attachés à un institut de recherche belge agréé, si leurs prestations sont limitées à une période maximale de 90 jours dans le cadre de chaque période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 ;
  3° les titulaires d'une admission au travail en cours de validité délivrée conformément au chapitre 9, qui exercent un flexi-job.
  Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par flexi-job : l'occupation telle que visée à l'article 3, 1°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiÚre sociale. ".
Art. 8. In artikel 17, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 1° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) ofwel als leerkracht wordt tewerkgesteld in een onderwijsinstelling die de Vlaamse Gemeenschap heeft erkend;";
  2° in punt 7° wordt er tussen het woord "vermeld" en het woord "hoofdstuk" het woord "in" ingevoegd;
  3° punt 16° wordt vervangen door wat volgt:
  "16° gespecialiseerde technici die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld bij een werkgever die in het buitenland is gevestigd en die naar België komen om over te gaan tot de montage, het op gang brengen of de herstelling van een installatie die door die werkgever in het buitenland is vervaardigd of geleverd, of de voormelde diensten verlenen op grond van een garantiebeding in de oorspronkelijke leveringsovereenkomst, voor een periode van maximaal zes maanden;".
  1° aan punt 1° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) ofwel als leerkracht wordt tewerkgesteld in een onderwijsinstelling die de Vlaamse Gemeenschap heeft erkend;";
  2° in punt 7° wordt er tussen het woord "vermeld" en het woord "hoofdstuk" het woord "in" ingevoegd;
  3° punt 16° wordt vervangen door wat volgt:
  "16° gespecialiseerde technici die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld bij een werkgever die in het buitenland is gevestigd en die naar België komen om over te gaan tot de montage, het op gang brengen of de herstelling van een installatie die door die werkgever in het buitenland is vervaardigd of geleverd, of de voormelde diensten verlenen op grond van een garantiebeding in de oorspronkelijke leveringsovereenkomst, voor een periode van maximaal zes maanden;".
Art. 8. A l'article 17, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 1° est complété par un point c), rédigé comme suit :
  " c) soit occupé comme enseignant dans un établissement d'enseignement reconnu par la Communauté flamande ; " ;
  2° au point 7°, dans le texte néerlandais, le mot " in " est inséré entre le mot " vermeld " et le mot " hoofdstuk " ;
  3° le point 16° est remplacé par ce qui suit :
  " 16° les techniciens spécialisés occupés par un contrat de travail auprÚs d'un employeur établi à l'étranger, qui viennent en Belgique pour procéder au montage, à la mise en marche ou à la réparation d'une installation fabriquée ou livrée à l'étranger par cet employeur, ou pour fournir les services précités en vertu d'une clause de garantie du contrat de fourniture initial, pour une période de 6 mois au maximum ; ".
  1° le point 1° est complété par un point c), rédigé comme suit :
  " c) soit occupé comme enseignant dans un établissement d'enseignement reconnu par la Communauté flamande ; " ;
  2° au point 7°, dans le texte néerlandais, le mot " in " est inséré entre le mot " vermeld " et le mot " hoofdstuk " ;
  3° le point 16° est remplacé par ce qui suit :
  " 16° les techniciens spécialisés occupés par un contrat de travail auprÚs d'un employeur établi à l'étranger, qui viennent en Belgique pour procéder au montage, à la mise en marche ou à la réparation d'une installation fabriquée ou livrée à l'étranger par cet employeur, ou pour fournir les services précités en vertu d'une clause de garantie du contrat de fourniture initial, pour une période de 6 mois au maximum ; ".
Art. 9. In artikel 18 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16, 17 en 19 wordt de toelating tot arbeid van bepaalde duur uitgereikt aan de werkgever die in België gevestigd is, voor zover er geen kandidaat is op de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Europese en Economische Ruimte die, al dan niet via een nog te volgen beroepsopleiding of individuele beroepsopleiding, geschikt is om de arbeidsplaats in kwestie op een gepaste wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.
  De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden:
  1° de functie wordt vermeld op de knelpuntberoepenlijst die de VDAB jaarlijks publiceert;
  2° de functie vereist een kwalificatie van niveau 2, niveau 3 of niveau 4;
  3° de vacature voor de arbeidsplaats is gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES, gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken in de periode van 4 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid;
  4° de werkgever vraagt bij de publicatie van de vacature als vermeld in 3° actieve bemiddeling voor de invulling van de vacature door de VDAB.
  De termijn, vermeld in het tweede lid, 3°, bedraagt bij aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8 minimaal drie weken in de periode van een maand onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid.
  In het tweede lid wordt onder de VDAB verstaan: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
  In het tweede lid, 3°, wordt onder EURES verstaan: het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening als vermeld in Verordening 2016/589 (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "tweejaarlijks" vervangen door de woorden "uiterlijk om de twee jaar".
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16, 17 en 19 wordt de toelating tot arbeid van bepaalde duur uitgereikt aan de werkgever die in België gevestigd is, voor zover er geen kandidaat is op de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Europese en Economische Ruimte die, al dan niet via een nog te volgen beroepsopleiding of individuele beroepsopleiding, geschikt is om de arbeidsplaats in kwestie op een gepaste wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.
  De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden:
  1° de functie wordt vermeld op de knelpuntberoepenlijst die de VDAB jaarlijks publiceert;
  2° de functie vereist een kwalificatie van niveau 2, niveau 3 of niveau 4;
  3° de vacature voor de arbeidsplaats is gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES, gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken in de periode van 4 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid;
  4° de werkgever vraagt bij de publicatie van de vacature als vermeld in 3° actieve bemiddeling voor de invulling van de vacature door de VDAB.
  De termijn, vermeld in het tweede lid, 3°, bedraagt bij aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8 minimaal drie weken in de periode van een maand onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid.
  In het tweede lid wordt onder de VDAB verstaan: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
  In het tweede lid, 3°, wordt onder EURES verstaan: het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening als vermeld in Verordening 2016/589 (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "tweejaarlijks" vervangen door de woorden "uiterlijk om de twee jaar".
Art. 9. A l'article 18 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 16, 17 et 19, l'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e est dĂ©livrĂ©e Ă l'employeur Ă©tabli en Belgique, dans la mesure oĂč il n'y a pas de candidat sur le marchĂ© du travail d'un Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en qui, via une formation professionnelle ou une formation professionnelle individuelle Ă©ventuellement encore Ă suivre, convient pour occuper le poste en question de maniĂšre satisfaisante et dans un dĂ©lai raisonnable.
  Sous peine d'irrecevabilité, la demande satisfait aux conditions suivantes :
  1° la fonction figure sur la liste des professions en pénurie, publiée annuellement par le VDAB ;
  2° la fonction requiert une qualification de niveau 2, 3 ou 4 ;
  3° l'offre d'emploi a été publiée sur les plateformes du VDAB et d'EURES pendant une période continue d'au moins 9 semaines au cours de la période de 4 mois précédant immédiatement la demande d'admission au travail ;
  4° lors de la publication de l'offre d'emploi visée au point 3°, l'employeur demande au VDAB de procéder à une médiation active en vue de pourvoir à l'emploi vacant.
  Le délai visé à l'alinéa 2, 3°, est d'au moins trois semaines au cours de la période d'un mois précédant immédiatement la demande d'admission au travail dans le cas des demandes des travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Dans l'alinéa 2, on entend par VDAB : l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle, créé par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle).
  Dans l'alinéa 2, 3°, on entend par EURES : réseau européen des services de l'emploi tel que visé au rÚglement 2016/589 (UE) du Parlement européen et du Conseil du 13 avril 2016 relatif à un réseau européen des services de l'emploi (EURES), à l'accÚs des travailleurs aux services de mobilité et à la poursuite de l'intégration des marchés du travail, et modifiant les rÚglements (UE) n° 492/2011 et (UE) n° 1296/2013. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " tous les deux ans " sont remplacés par les mots " au plus tard tous les deux ans ".
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 16, 17 et 19, l'admission au travail Ă durĂ©e dĂ©terminĂ©e est dĂ©livrĂ©e Ă l'employeur Ă©tabli en Belgique, dans la mesure oĂč il n'y a pas de candidat sur le marchĂ© du travail d'un Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en qui, via une formation professionnelle ou une formation professionnelle individuelle Ă©ventuellement encore Ă suivre, convient pour occuper le poste en question de maniĂšre satisfaisante et dans un dĂ©lai raisonnable.
  Sous peine d'irrecevabilité, la demande satisfait aux conditions suivantes :
  1° la fonction figure sur la liste des professions en pénurie, publiée annuellement par le VDAB ;
  2° la fonction requiert une qualification de niveau 2, 3 ou 4 ;
  3° l'offre d'emploi a été publiée sur les plateformes du VDAB et d'EURES pendant une période continue d'au moins 9 semaines au cours de la période de 4 mois précédant immédiatement la demande d'admission au travail ;
  4° lors de la publication de l'offre d'emploi visée au point 3°, l'employeur demande au VDAB de procéder à une médiation active en vue de pourvoir à l'emploi vacant.
  Le délai visé à l'alinéa 2, 3°, est d'au moins trois semaines au cours de la période d'un mois précédant immédiatement la demande d'admission au travail dans le cas des demandes des travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
  Dans l'alinéa 2, on entend par VDAB : l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle, créé par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle).
  Dans l'alinéa 2, 3°, on entend par EURES : réseau européen des services de l'emploi tel que visé au rÚglement 2016/589 (UE) du Parlement européen et du Conseil du 13 avril 2016 relatif à un réseau européen des services de l'emploi (EURES), à l'accÚs des travailleurs aux services de mobilité et à la poursuite de l'intégration des marchés du travail, et modifiant les rÚglements (UE) n° 492/2011 et (UE) n° 1296/2013. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " tous les deux ans " sont remplacés par les mots " au plus tard tous les deux ans ".
Art. 10. Artikel 19, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Voor de toepassing van het eerste lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte, beroepsziekte, arbeidsongeval of tijdelijke werkloosheid, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze tewerkgesteld was door een in België gevestigde werkgever.
  Onder tijdelijke werkloosheid wordt het volgende verstaan: tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, slecht weer, collectieve sluiting, staking of lock-out.".
  "Voor de toepassing van het eerste lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte, beroepsziekte, arbeidsongeval of tijdelijke werkloosheid, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze tewerkgesteld was door een in België gevestigde werkgever.
  Onder tijdelijke werkloosheid wordt het volgende verstaan: tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, slecht weer, collectieve sluiting, staking of lock-out.".
Art. 10. L'article 19, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, sont assimilĂ©es aux pĂ©riodes d'emploi les pĂ©riodes d'incapacitĂ© de travail gĂ©nĂ©rale en consĂ©quence d'une maladie, d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou du chĂŽmage temporaire, qui se sont produits Ă un moment oĂč la personne concernĂ©e Ă©tait occupĂ©e de façon rĂ©guliĂšre par un employeur Ă©tabli en Belgique.
  On entend par chÎmage temporaire : le chÎmage temporaire pour cause de force majeure, d'intempéries, de fermeture collective, de grÚve ou de lock-out. ".
  " Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, sont assimilĂ©es aux pĂ©riodes d'emploi les pĂ©riodes d'incapacitĂ© de travail gĂ©nĂ©rale en consĂ©quence d'une maladie, d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou du chĂŽmage temporaire, qui se sont produits Ă un moment oĂč la personne concernĂ©e Ă©tait occupĂ©e de façon rĂ©guliĂšre par un employeur Ă©tabli en Belgique.
  On entend par chÎmage temporaire : le chÎmage temporaire pour cause de force majeure, d'intempéries, de fermeture collective, de grÚve ou de lock-out. ".
Art. 11. In artikel 20 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.".
  "Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.".
Art. 11. Dans l'article 20 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " La présente section prévoit la transposition partielle de la directive 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil. ".
  " La présente section prévoit la transposition partielle de la directive 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil. ".
Art. 12. In artikel 21 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "één jaar" worden vervangen door de woorden "zes maanden";
  b) na het woord "arbeidsovereenkomst" worden de woorden "voor een hooggekwalificeerde baan" toegevoegd;
  2° in punt 2° wordt het getal "120" vervangen door het getal "130";
  3° in punt 3° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "hoger onderwijs" worden vervangen door de woorden "hoger onderwijs met een minimum kwalificatieniveau 6";
  b) er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Met hogere beroepskwalificaties als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt gelijkgesteld, beroepservaring die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° de buitenlandse werknemer is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
  2° de buitenlandse werknemer beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een Europese blauwe kaart.".
  1° in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "één jaar" worden vervangen door de woorden "zes maanden";
  b) na het woord "arbeidsovereenkomst" worden de woorden "voor een hooggekwalificeerde baan" toegevoegd;
  2° in punt 2° wordt het getal "120" vervangen door het getal "130";
  3° in punt 3° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "hoger onderwijs" worden vervangen door de woorden "hoger onderwijs met een minimum kwalificatieniveau 6";
  b) er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Met hogere beroepskwalificaties als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt gelijkgesteld, beroepservaring die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° de buitenlandse werknemer is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
  2° de buitenlandse werknemer beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een Europese blauwe kaart.".
Art. 12. A l'article 21 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " un an " sont remplacés par les mots " six mois " ;
  b) les mots " pour un emploi hautement qualifié " sont ajoutés aprÚs les mots " contrat de travail " ;
  2° au point 2°, le nombre " 120 " est remplacé par le nombre " 130 " ;
  3° au point 3°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " l'enseignement supérieur " sont remplacés par les mots " l'enseignement supérieur avec au minimum le niveau de qualification 6 " ;
  b) il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Est assimilée aux qualifications professionnelles supérieures telles que visées à l'alinéa 1er, 3°, l'expérience professionnelle qui remplit toutes les conditions suivantes :
  1° le travailleur étranger est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
  2° le travailleur étranger a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande de carte bleue européenne. ".
  1° au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " un an " sont remplacés par les mots " six mois " ;
  b) les mots " pour un emploi hautement qualifié " sont ajoutés aprÚs les mots " contrat de travail " ;
  2° au point 2°, le nombre " 120 " est remplacé par le nombre " 130 " ;
  3° au point 3°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " l'enseignement supérieur " sont remplacés par les mots " l'enseignement supérieur avec au minimum le niveau de qualification 6 " ;
  b) il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Est assimilée aux qualifications professionnelles supérieures telles que visées à l'alinéa 1er, 3°, l'expérience professionnelle qui remplit toutes les conditions suivantes :
  1° le travailleur étranger est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
  2° le travailleur étranger a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande de carte bleue européenne. ".
Art. 13. Na artikel 21 van hetzelfde besluit wordt een nieuw artikel 21/1 ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Art. 21/1. Houders van een geldige Europese blauwe kaart, afgeleverd door een andere Europese lidstaat, mogen in toepassing van artikel 16, § 1, 1° of artikel 16, § 2, 2° gedurende maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen een tijdelijke activiteit uitoefenen in het Vlaamse gewest, op voorwaarde dat de tijdelijke activiteit rechtstreeks in verband staat met de belangen van de werkgever in de eerste Europese lidstaat en met de beroepsmatige verplichtingen van de houder van een Europese blauwe kaart op basis van de arbeidsovereenkomst in de eerste Europese lidstaat.".
  "Art. 21/1. Houders van een geldige Europese blauwe kaart, afgeleverd door een andere Europese lidstaat, mogen in toepassing van artikel 16, § 1, 1° of artikel 16, § 2, 2° gedurende maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen een tijdelijke activiteit uitoefenen in het Vlaamse gewest, op voorwaarde dat de tijdelijke activiteit rechtstreeks in verband staat met de belangen van de werkgever in de eerste Europese lidstaat en met de beroepsmatige verplichtingen van de houder van een Europese blauwe kaart op basis van de arbeidsovereenkomst in de eerste Europese lidstaat.".
Art. 13. AprĂšs l'article 21 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un nouvel article 21/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 21/1. Les titulaires d'une carte bleue europĂ©enne en cours de validitĂ© dĂ©livrĂ©e par un autre Etat membre europĂ©en peuvent, en application de l'article 16, § 1er, 1° ou de l'article 16, § 2, 2°, exercer une activitĂ© temporaire en RĂ©gion flamande pendant 90 jours au maximum au cours d'une pĂ©riode de 180 jours, Ă condition que l'activitĂ© temporaire soit directement liĂ©e aux intĂ©rĂȘts de l'employeur dans le premier Etat membre europĂ©en et aux obligations professionnelles du titulaire de la carte bleue europĂ©enne sur la base du contrat de travail dans le premier Etat membre europĂ©en. ".
  " Art. 21/1. Les titulaires d'une carte bleue europĂ©enne en cours de validitĂ© dĂ©livrĂ©e par un autre Etat membre europĂ©en peuvent, en application de l'article 16, § 1er, 1° ou de l'article 16, § 2, 2°, exercer une activitĂ© temporaire en RĂ©gion flamande pendant 90 jours au maximum au cours d'une pĂ©riode de 180 jours, Ă condition que l'activitĂ© temporaire soit directement liĂ©e aux intĂ©rĂȘts de l'employeur dans le premier Etat membre europĂ©en et aux obligations professionnelles du titulaire de la carte bleue europĂ©enne sur la base du contrat de travail dans le premier Etat membre europĂ©en. ".
Art. 14. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt een artikel 24/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 24/1. Als de toelating tot arbeid is ingetrokken op basis van artikel 13, § 2, 1°, a), of artikel 13, § 2, 2°, of artikel 13, § 2, 3° betaalt de werkgever een schadevergoeding aan de seizoenarbeider.
  De schadevergoeding dekt alle verplichtingen die de werkgever had moeten nakomen als de toelating tot arbeid niet was ingetrokken. De werkgever betaalt een vergoeding die gelijk is aan het loon dat de seizoenarbeider zou ontvangen.".
  "Art. 24/1. Als de toelating tot arbeid is ingetrokken op basis van artikel 13, § 2, 1°, a), of artikel 13, § 2, 2°, of artikel 13, § 2, 3° betaalt de werkgever een schadevergoeding aan de seizoenarbeider.
  De schadevergoeding dekt alle verplichtingen die de werkgever had moeten nakomen als de toelating tot arbeid niet was ingetrokken. De werkgever betaalt een vergoeding die gelijk is aan het loon dat de seizoenarbeider zou ontvangen.".
Art. 14. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, il est insĂ©rĂ© un article 24/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 24/1. Si l'admission au travail a été retirée sur la base de l'article 13, § 2, 1°, a), ou de l'article 13, § 2, 2°, ou de l'article 13, § 2, 3°, l'employeur doit verser une indemnité au travailleur saisonnier.
  L'indemnité couvre toutes les obligations que l'employeur aurait dû remplir si l'admission au travail n'avait pas été retirée. L'employeur verse une indemnité égale au salaire que recevrait le travailleur saisonnier. ".
  " Art. 24/1. Si l'admission au travail a été retirée sur la base de l'article 13, § 2, 1°, a), ou de l'article 13, § 2, 2°, ou de l'article 13, § 2, 3°, l'employeur doit verser une indemnité au travailleur saisonnier.
  L'indemnité couvre toutes les obligations que l'employeur aurait dû remplir si l'admission au travail n'avait pas été retirée. L'employeur verse une indemnité égale au salaire que recevrait le travailleur saisonnier. ".
Art. 15. Artikel 26, punt 3° van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "3° de overgeplaatste werknemer toont het volgende aan:
  a) de leidinggevende-ICT: een leidinggevende positie bekleden conform art. 1, 11° ;
  b) de specialist-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 5 of beroepservaring indien al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1) de specialist-ICT is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
  2) de specialist-ICT beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
  c) de stagiair-werknemer-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 6 aan de hand van een universitair diploma;".
  "3° de overgeplaatste werknemer toont het volgende aan:
  a) de leidinggevende-ICT: een leidinggevende positie bekleden conform art. 1, 11° ;
  b) de specialist-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 5 of beroepservaring indien al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1) de specialist-ICT is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
  2) de specialist-ICT beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
  c) de stagiair-werknemer-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 6 aan de hand van een universitair diploma;".
Art. 15. L'article 26, point 3°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 3° le travailleur transféré démontre ce qui suit :
  a) le cadre TIC : occuper une position dirigeante conformément à l'art. 1, 11° ;
  b) le spécialiste TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 5 ou une expérience professionnelle si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1) le spécialiste TIC est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
  2) le spécialiste TIC a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ;
  c) le travailleur stagiaire TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 6 sur la base d'un diplÎme universitaire ; ".
  " 3° le travailleur transféré démontre ce qui suit :
  a) le cadre TIC : occuper une position dirigeante conformément à l'art. 1, 11° ;
  b) le spécialiste TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 5 ou une expérience professionnelle si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1) le spécialiste TIC est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
  2) le spécialiste TIC a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ;
  c) le travailleur stagiaire TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 6 sur la base d'un diplÎme universitaire ; ".
Art. 16. In artikel 42 van hetzelfde besluit, wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De natuurlijke persoon die in naam en voor rekening van de werkgever de aanvraag indient en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2020 betreffende de private arbeidsbemiddeling.".
  "De natuurlijke persoon die in naam en voor rekening van de werkgever de aanvraag indient en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2020 betreffende de private arbeidsbemiddeling.".
Art. 16. Dans l'article 42 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un alinĂ©a 2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " La personne physique qui introduit la demande au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, répond aux conditions visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé. ".
  " La personne physique qui introduit la demande au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, répond aux conditions visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé. ".
Art. 17. Artikel 43 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 43. De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer voegt bij het formulier, vermeld in artikel 41, al de volgende stukken:
  1° de documenten, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980;
  2° een kopie van de geldige verblijfstitel, vermeld in artikel 7, als de aanvraag wordt ingediend vanuit een wettig verblijf in België.".
  "Art. 43. De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer voegt bij het formulier, vermeld in artikel 41, al de volgende stukken:
  1° de documenten, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980;
  2° een kopie van de geldige verblijfstitel, vermeld in artikel 7, als de aanvraag wordt ingediend vanuit een wettig verblijf in België.".
Art. 17. L'article 43 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 43. L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur joint au formulaire visé à l'article 41 tous les documents suivants :
  1° les documents, visés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 ;
  2° une copie du titre de séjour valable, visé à l'article 7, si la demande est introduite à partir d'un séjour légal en Belgique. ".
  " Art. 43. L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur joint au formulaire visé à l'article 41 tous les documents suivants :
  1° les documents, visés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 ;
  2° une copie du titre de séjour valable, visé à l'article 7, si la demande est introduite à partir d'un séjour légal en Belgique. ".
Art. 18. In artikel 46 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
  1° in punt 2° wordt de zinsnede "of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 21, tweede lid" toegevoegd;
  2° er wordt een tweede en derde lid ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, in het kader van een aanvraag langetermijnmobiliteit, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een geldige Europese blauwe kaart die is afgeleverd door de eerste Europese lidstaat;
  2° het bewijs van twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat;
  3° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  4° een bewijs van bezoldiging conform artikel 21, 2°.
  In het tweede lid wordt onder langetermijnmobiliteit verstaan: houders van een Europese blauwe kaart die na twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat op het grondgebied van een tweede Europese lidstaat binnenkomen, er verblijven en er werken met het oog op een hooggekwalificeerde baan.".
  1° in punt 2° wordt de zinsnede "of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 21, tweede lid" toegevoegd;
  2° er wordt een tweede en derde lid ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, in het kader van een aanvraag langetermijnmobiliteit, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een geldige Europese blauwe kaart die is afgeleverd door de eerste Europese lidstaat;
  2° het bewijs van twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat;
  3° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  4° een bewijs van bezoldiging conform artikel 21, 2°.
  In het tweede lid wordt onder langetermijnmobiliteit verstaan: houders van een Europese blauwe kaart die na twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat op het grondgebied van een tweede Europese lidstaat binnenkomen, er verblijven en er werken met het oog op een hooggekwalificeerde baan.".
Art. 18. A l'article 46 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 2° est complété par le membre de phrase " , ou une preuve d'expérience conformément à l'article 21, alinéa 2 " ;
  2° il est inséré un alinéa 2 et un alinéa 3, rédigés comme suit :
  " Pour les travailleurs tels que visés à l'article 17, alinéa 1er, 3°, dans le cadre d'une demande de mobilité de longue durée, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une carte bleue européenne en cours de validité délivrée par le premier Etat membre européen ;
  2° la preuve d'un séjour légal de 12 mois dans le premier Etat membre européen ;
  3° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
  4° une preuve de rémunération conformément à l'article 21, 2°.
  Dans l'alinéa 2, on entend par mobilité de longue durée : les titulaires d'une carte bleue européenne qui, aprÚs 12 mois de séjour légal dans le premier Etat membre européen, entrent, séjournent et travaillent sur le territoire d'un deuxiÚme Etat membre européen aux fins d'un emploi hautement qualifié. ".
  1° le point 2° est complété par le membre de phrase " , ou une preuve d'expérience conformément à l'article 21, alinéa 2 " ;
  2° il est inséré un alinéa 2 et un alinéa 3, rédigés comme suit :
  " Pour les travailleurs tels que visés à l'article 17, alinéa 1er, 3°, dans le cadre d'une demande de mobilité de longue durée, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une carte bleue européenne en cours de validité délivrée par le premier Etat membre européen ;
  2° la preuve d'un séjour légal de 12 mois dans le premier Etat membre européen ;
  3° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
  4° une preuve de rémunération conformément à l'article 21, 2°.
  Dans l'alinéa 2, on entend par mobilité de longue durée : les titulaires d'une carte bleue européenne qui, aprÚs 12 mois de séjour légal dans le premier Etat membre européen, entrent, séjournent et travaillent sur le territoire d'un deuxiÚme Etat membre européen aux fins d'un emploi hautement qualifié. ".
Art. 19. In artikel 50, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan, of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 26, 3°, b);".
  "3° een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan, of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 26, 3°, b);".
Art. 19. Dans l'article 50, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 3° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 3° une photocopie des diplÎmes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, ler cas échéant, d'une version traduite, ou une preuve d'expérience conformément à l'article 26, 3°, b) ; ".
  " 3° une photocopie des diplÎmes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, ler cas échéant, d'une version traduite, ou une preuve d'expérience conformément à l'article 26, 3°, b) ; ".
Art. 20. In artikel 54 van hetzelfde besluit wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, van de stageovereenkomst of van de plaatsingsovereenkomst, die is gedagtekend en ondertekend door beide partijen;".
  "1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, van de stageovereenkomst of van de plaatsingsovereenkomst, die is gedagtekend en ondertekend door beide partijen;".
Art. 20. Dans l'article 54 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° une copie du contrat de travail visé aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, du contrat de stage ou du contrat de placement, datée et signée par les deux parties ; ".
  " 1° une copie du contrat de travail visé aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, du contrat de stage ou du contrat de placement, datée et signée par les deux parties ; ".
Art. 21. Aan artikel 57 van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° het schriftelijk bewijs dat de betrokkene als bedienaar van de erkende eredienst noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks bezoldigd wordt door een buitenlandse overheid.
  Het schriftelijk bewijs als vermeld in het eerste lid wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aangetoond aan de hand van één of meerdere van de volgende stukken:
  1° een kopie van een arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een gedagtekende en schriftelijke verklaring van de Federale Overheidsdienst Justitie waaruit blijkt dat de bedienaar van de erkende eredienst wordt bezoldigd door de federale overheid in het kader van artikel 181 van de Grondwet en de Wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale vrijzinnige Raad;
  3° een gedagtekende en schriftelijke verklaring van het federaal erkend representatief orgaan van de erkende eredienst waarin verklaard wordt dat de betrokken bedienaar van de erkende eredienst niet wordt bezoldigd door een buitenlandse overheid.
  "3° het schriftelijk bewijs dat de betrokkene als bedienaar van de erkende eredienst noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks bezoldigd wordt door een buitenlandse overheid.
  Het schriftelijk bewijs als vermeld in het eerste lid wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aangetoond aan de hand van één of meerdere van de volgende stukken:
  1° een kopie van een arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een gedagtekende en schriftelijke verklaring van de Federale Overheidsdienst Justitie waaruit blijkt dat de bedienaar van de erkende eredienst wordt bezoldigd door de federale overheid in het kader van artikel 181 van de Grondwet en de Wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale vrijzinnige Raad;
  3° een gedagtekende en schriftelijke verklaring van het federaal erkend representatief orgaan van de erkende eredienst waarin verklaard wordt dat de betrokken bedienaar van de erkende eredienst niet wordt bezoldigd door een buitenlandse overheid.
Art. 21. L'article 57 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un point 3°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 3° la preuve écrite que, en tant que ministre d'un culte reconnu, la personne concernée n'est pas rémunérée directement ou indirectement par une autorité étrangÚre.
  Sous peine d'irrecevabilité, la preuve écrite visée à l'alinéa 1er est apportée par un ou plusieurs des documents suivants :
  1° une copie d'un contrat de travail de droit belge, daté et signé par les deux parties ;
  2° une déclaration écrite et datée du Service public fédéral Justice démontrant que le ministre du culte reconnu est rémunéré par l'autorité fédérale en vertu de l'article 181 de la Constitution et de la loi du 2 août 1974 relative aux traitements des titulaires de certaines fonctions publiques, des ministres des cultes reconnus et des délégués du Conseil central laïque ;
  3° une déclaration écrite et datée de l'organe représentatif, reconnu par l'autorité fédérale, du culte reconnu confirmant que le ministre du culte reconnu en question n'est pas rémunéré par une autorité étrangÚre.
  " 3° la preuve écrite que, en tant que ministre d'un culte reconnu, la personne concernée n'est pas rémunérée directement ou indirectement par une autorité étrangÚre.
  Sous peine d'irrecevabilité, la preuve écrite visée à l'alinéa 1er est apportée par un ou plusieurs des documents suivants :
  1° une copie d'un contrat de travail de droit belge, daté et signé par les deux parties ;
  2° une déclaration écrite et datée du Service public fédéral Justice démontrant que le ministre du culte reconnu est rémunéré par l'autorité fédérale en vertu de l'article 181 de la Constitution et de la loi du 2 août 1974 relative aux traitements des titulaires de certaines fonctions publiques, des ministres des cultes reconnus et des délégués du Conseil central laïque ;
  3° une déclaration écrite et datée de l'organe représentatif, reconnu par l'autorité fédérale, du culte reconnu confirmant que le ministre du culte reconnu en question n'est pas rémunéré par une autorité étrangÚre.
Art. 22. Aan artikel 59, punt 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden "of de voormelde diensten die op grond van een garantiebeding in de oorspronkelijke leveringsovereenkomst verricht zijn" toegevoegd.
Art. 22. L'article 59, point 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par les mots " ou les services prĂ©citĂ©s qui sont fournis en vertu d'une clause de garantie du contrat de fourniture initial ".
Art. 23. Artikel 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 63. Voor de aanvragen, vermeld in artikel 18, voegt de werkgever al de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een uitgebreide beschrijving van de functie en van het takenpakket;
  3° het curriculum vitae dat een volledig overzicht bevat van de gevolgde opleidingen, de werkervaring en de nevenactiviteiten van de buitenlandse werknemer;
  4° in voorkomend geval, het diploma, het getuigschrift of het ervaringsbewijs dat de kwalificatie van de werknemer voor de specifieke functie aantoont.
  De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, bevat de persoonlijke gegevens van de werkgever en de werknemer, de duur en de plaats van de tewerkstelling, het werkrooster, het loon, het nummer en de naam van het paritair comité waaronder de werkgever ressorteert, de functie van de werknemer en de classificatie van de functie.
  De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, kan geen arbeidsovereenkomst zijn als vermeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, en geen PWA-arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3 tot en met 6 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.
  Op verzoek van de bevoegde overheid legt de werkgever het bewijs van attestering voor door de publieke arbeidsbemiddelingsdienst, een overheidsdienst of door de diplomatieke of consulaire post van het land waar de buitenlandse werknemer is gevestigd, dat de waarachtigheid van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 4°, aantoont.
  In het vierde lid wordt onder publieke arbeidsbemiddelingsdienst verstaan: de dienst die lid is van de internationale vereniging zonder winstoogmerk World Association of Public Employment Services.".
  "Art. 63. Voor de aanvragen, vermeld in artikel 18, voegt de werkgever al de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een uitgebreide beschrijving van de functie en van het takenpakket;
  3° het curriculum vitae dat een volledig overzicht bevat van de gevolgde opleidingen, de werkervaring en de nevenactiviteiten van de buitenlandse werknemer;
  4° in voorkomend geval, het diploma, het getuigschrift of het ervaringsbewijs dat de kwalificatie van de werknemer voor de specifieke functie aantoont.
  De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, bevat de persoonlijke gegevens van de werkgever en de werknemer, de duur en de plaats van de tewerkstelling, het werkrooster, het loon, het nummer en de naam van het paritair comité waaronder de werkgever ressorteert, de functie van de werknemer en de classificatie van de functie.
  De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, kan geen arbeidsovereenkomst zijn als vermeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, en geen PWA-arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3 tot en met 6 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.
  Op verzoek van de bevoegde overheid legt de werkgever het bewijs van attestering voor door de publieke arbeidsbemiddelingsdienst, een overheidsdienst of door de diplomatieke of consulaire post van het land waar de buitenlandse werknemer is gevestigd, dat de waarachtigheid van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 4°, aantoont.
  In het vierde lid wordt onder publieke arbeidsbemiddelingsdienst verstaan: de dienst die lid is van de internationale vereniging zonder winstoogmerk World Association of Public Employment Services.".
Art. 23. L'article 63 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 63. Pour les demandes visées à l'article 18, l'employeur joint tous les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
  2° une description détaillée de la fonction et des tùches ;
  3° le curriculum vitae contenant un aperçu complet des formations suivies, de l'expérience professionnelle et des activités secondaires du travailleur étranger ;
  4° le cas échéant, le diplÎme, le certificat ou le certificat d'expérience qui prouve la qualification du travailleur pour la fonction spécifique.
  Le contrat de travail visé à l'alinéa 1er, 1°, comprend les données personnelles de l'employeur et du travailleur, la durée et le lieu d'occupation, l'horaire de travail, la rémunération, le numéro et le nom de la commission paritaire dont relÚve l'employeur, la fonction du travailleur ainsi que la classification de la fonction.
  Le contrat de travail, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peut ni ĂȘtre de contrat de travail tel que visĂ© au chapitre II, section 2, de la loi du 20 juillet 2001 visant Ă favoriser le dĂ©veloppement de services et d'emplois de proximitĂ©, ni ĂȘtre de contrat de travail ALE tel que visĂ© aux articles 3 Ă 6 de la loi du 7 avril 1999 relative au contrat de travail ALE.
  A la demande de l'autoritĂ© compĂ©tente, l'employeur prĂ©sente la preuve de l'attestation du service public de l'emploi, d'un service public ou du poste diplomatique ou consulaire du pays oĂč le travailleur Ă©tranger est Ă©tabli, qui prouve la vĂ©racitĂ© des donnĂ©es mentionnĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 3° Ă 4°.
  Dans l'alinéa 4, on entend par service public de l'emploi : le service qui est membre de l'association internationale sans but lucratif World Association of Public Employment Services. ".
  " Art. 63. Pour les demandes visées à l'article 18, l'employeur joint tous les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
  2° une description détaillée de la fonction et des tùches ;
  3° le curriculum vitae contenant un aperçu complet des formations suivies, de l'expérience professionnelle et des activités secondaires du travailleur étranger ;
  4° le cas échéant, le diplÎme, le certificat ou le certificat d'expérience qui prouve la qualification du travailleur pour la fonction spécifique.
  Le contrat de travail visé à l'alinéa 1er, 1°, comprend les données personnelles de l'employeur et du travailleur, la durée et le lieu d'occupation, l'horaire de travail, la rémunération, le numéro et le nom de la commission paritaire dont relÚve l'employeur, la fonction du travailleur ainsi que la classification de la fonction.
  Le contrat de travail, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peut ni ĂȘtre de contrat de travail tel que visĂ© au chapitre II, section 2, de la loi du 20 juillet 2001 visant Ă favoriser le dĂ©veloppement de services et d'emplois de proximitĂ©, ni ĂȘtre de contrat de travail ALE tel que visĂ© aux articles 3 Ă 6 de la loi du 7 avril 1999 relative au contrat de travail ALE.
  A la demande de l'autoritĂ© compĂ©tente, l'employeur prĂ©sente la preuve de l'attestation du service public de l'emploi, d'un service public ou du poste diplomatique ou consulaire du pays oĂč le travailleur Ă©tranger est Ă©tabli, qui prouve la vĂ©racitĂ© des donnĂ©es mentionnĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 3° Ă 4°.
  Dans l'alinéa 4, on entend par service public de l'emploi : le service qui est membre de l'association internationale sans but lucratif World Association of Public Employment Services. ".
Art. 24. In artikel 65, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, worden de woorden "volledige periode de recentste toelating tot arbeid" vervangen door de woorden "de periode van de laatste zes maanden van de recentste toelating tot arbeid, die de aanvraag tot toelating tot arbeid van onbepaalde duur voorafgaat".
Art. 24. Dans l'article 65, § 2, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " toute la pĂ©riode de la derniĂšre admission au travail " sont remplacĂ©s par les mots " la pĂ©riode des six derniers mois de la derniĂšre admission au travail, qui prĂ©cĂšde la demande d'admission au travail Ă durĂ©e indĂ©terminĂ©e ".
Art. 25. In artikel 66, derde lid van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "werkgever of de werknemer" worden vervangen door "aanvrager";
  2° de woorden "aangetekende brief" worden vervangen door "aangetekend schrijven".
  1° de woorden "werkgever of de werknemer" worden vervangen door "aanvrager";
  2° de woorden "aangetekende brief" worden vervangen door "aangetekend schrijven".
Art. 25. A l'article 66, alinĂ©a 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " L'employeur ou le travailleur " sont remplacés par les mots " Le demandeur " ;
  2° dans le texte néerlandais, les mots " aangetekende brief " sont remplacés par les mots " aangetekend schrijven ".
  1° les mots " L'employeur ou le travailleur " sont remplacés par les mots " Le demandeur " ;
  2° dans le texte néerlandais, les mots " aangetekende brief " sont remplacés par les mots " aangetekend schrijven ".
Art. 26. In artikel 67 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de aanvrager, en elektronisch ter kennis gegeven aan de werknemer.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het beroep tegen een weigering of intrekking van een toelating van bepaalde duur blijft zonder gevolg wanneer voor de tewerkstelling van de werknemer die het voorwerp uitmaakt van het beroepsdossier, tijdens de behandeling van het beroep een toelating tot arbeid afgeleverd wordt."
  3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener.".
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de aanvrager, en elektronisch ter kennis gegeven aan de werknemer.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het beroep tegen een weigering of intrekking van een toelating van bepaalde duur blijft zonder gevolg wanneer voor de tewerkstelling van de werknemer die het voorwerp uitmaakt van het beroepsdossier, tijdens de behandeling van het beroep een toelating tot arbeid afgeleverd wordt."
  3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener.".
Art. 26. A l'article 67 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision de refus ou de retrait de l'admission au travail est signifiée par l'autorité compétente au demandeur par courrier recommandé et notifiée au travailleur par voie électronique. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. L'appel contre le refus ou le retrait d'une admission à durée déterminée reste sans effet si, pour l'occupation du travailleur faisant l'objet du dossier d'appel, une admission au travail est délivrée pendant le traitement de l'appel. ".
  3° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel. ".
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision de refus ou de retrait de l'admission au travail est signifiée par l'autorité compétente au demandeur par courrier recommandé et notifiée au travailleur par voie électronique. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. L'appel contre le refus ou le retrait d'une admission à durée déterminée reste sans effet si, pour l'occupation du travailleur faisant l'objet du dossier d'appel, une admission au travail est délivrée pendant le traitement de l'appel. ".
  3° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel. ".
Art. 27. In artikel 70 van hetzelfde besluit, wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.".
  "De natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.".
Art. 27. Dans l'article 70 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un alinĂ©a 2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " La personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, respecte les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé. ".
  " La personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, respecte les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé. ".
Art. 28. In artikel 73 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. De bevoegde overheid beslist over de aanvraag van een toelating tot arbeid uiterlijk honderdtwintig dagen nadat ze de aanvrager op de hoogte heeft gebracht dat de aanvraag volledig is.
  In uitzonderlijke omstandigheden die verbonden zijn aan de complexiteit van de aanvraag, kan de bevoegde overheid de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengen. De bevoegde overheid brengt de werkgever daarvan op de hoogte.
  Als de bevoegde overheid na het verstrijken van de termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, geen beslissing over de toelating tot arbeid neemt, wordt de aanvraag van toelating tot arbeid geacht gunstig te zijn beoordeeld.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "vernieuwing" vervangen door het woord "hernieuwing".
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. De bevoegde overheid beslist over de aanvraag van een toelating tot arbeid uiterlijk honderdtwintig dagen nadat ze de aanvrager op de hoogte heeft gebracht dat de aanvraag volledig is.
  In uitzonderlijke omstandigheden die verbonden zijn aan de complexiteit van de aanvraag, kan de bevoegde overheid de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengen. De bevoegde overheid brengt de werkgever daarvan op de hoogte.
  Als de bevoegde overheid na het verstrijken van de termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, geen beslissing over de toelating tot arbeid neemt, wordt de aanvraag van toelating tot arbeid geacht gunstig te zijn beoordeeld.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "vernieuwing" vervangen door het woord "hernieuwing".
Art. 28. A l'article 73 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. L'autorité compétente statue sur la demande d'admission au travail au plus tard cent vingt jours aprÚs avoir informé le demandeur que sa demande est complÚte.
  Dans des circonstances exceptionnelles liées à la complexité de la demande, l'autorité compétente peut prolonger le délai mentionné à l'alinéa 1er. L'autorité compétente en informe l'employeur.
  Si, à l'expiration des délais visés aux alinéas 1er et 2, l'autorité compétente ne prend pas de décision sur l'admission au travail, la demande d'admission au travail est censé avoir fait l'objet d'une évaluation favorable. " ;
  2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 3, le mot " vernieuwing " est remplacé par le mot " hernieuwing ".
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. L'autorité compétente statue sur la demande d'admission au travail au plus tard cent vingt jours aprÚs avoir informé le demandeur que sa demande est complÚte.
  Dans des circonstances exceptionnelles liées à la complexité de la demande, l'autorité compétente peut prolonger le délai mentionné à l'alinéa 1er. L'autorité compétente en informe l'employeur.
  Si, à l'expiration des délais visés aux alinéas 1er et 2, l'autorité compétente ne prend pas de décision sur l'admission au travail, la demande d'admission au travail est censé avoir fait l'objet d'une évaluation favorable. " ;
  2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 3, le mot " vernieuwing " est remplacé par le mot " hernieuwing ".
Art. 29. In artikel 74 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De bevoegde overheid betekent haar beslissing om de toelating tot arbeid toe te kennen, te weigeren of in te trekken met een aangetekend schrijven aan de aanvrager, en brengt de werknemer elektronisch op de hoogte van deze beslissing.";
  2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener.".
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De bevoegde overheid betekent haar beslissing om de toelating tot arbeid toe te kennen, te weigeren of in te trekken met een aangetekend schrijven aan de aanvrager, en brengt de werknemer elektronisch op de hoogte van deze beslissing.";
  2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener.".
Art. 29. A l'article 74 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'autorité compétente notifie sa décision d'accorder, de refuser ou de retirer l'admission au travail par courrier recommandé au demandeur, et en informe le travailleur par voie électronique. " ;
  2° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel. ".
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'autorité compétente notifie sa décision d'accorder, de refuser ou de retirer l'admission au travail par courrier recommandé au demandeur, et en informe le travailleur par voie électronique. " ;
  2° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel. ".
Art. 30. In artikel 76, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt opgeheven;
  2° in het vierde lid wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste".
  1° het derde lid wordt opgeheven;
  2° in het vierde lid wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste".
Art. 30. A l'article 76, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 3 est abrogé ;
  2° dans l'alinéa 4, les mots " qui précÚde " sont remplacés par le membre de phrase " 1er ".
  1° l'alinéa 3 est abrogé ;
  2° dans l'alinéa 4, les mots " qui précÚde " sont remplacés par le membre de phrase " 1er ".
Art. 31. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 32. Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2024.
Art. 32. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er mai 2024.
Art. 33. De toelatingen tot arbeid die toegekend zijn in toepassing van art. 18, § 1, vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven geldig totdat ze verstrijken. Aanvragen tot hernieuwing van deze toelating, ingediend door dezelfde werkgever voor eenzelfde functie, worden beoordeeld op basis van de bepalingen die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 33. Les admissions au travail accordĂ©es en application de l'art. 18, § 1er, avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, restent valables jusqu'Ă leur expiration. Les demandes de renouvellement de cette admission, introduites par le mĂȘme employeur pour la mĂȘme fonction, sont Ă©valuĂ©es sur la base des dispositions applicables avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.