Artikel 1. Aan artikel 1, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt de volgende zin toegevoegd:
"Percelen blijvend grasland uit de voorgaande campagne kunnen niet als braakliggend land beschouwd worden;"
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 JANUARI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Titre
26 JANVIER 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand portant modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune
Documentinformatie
Info du document
Tekst (11)
Texte (11)
Article 1er. L'article 1er, 11°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune, est complété par la phrase suivante :
" Les parcelles de pâturage permanent de la campagne précédente ne peuvent pas être considérées comme des terres en jachère ; "
" Les parcelles de pâturage permanent de la campagne précédente ne peuvent pas être considérées comme des terres en jachère ; "
Art. 2. In artikel 4, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de verhouding tussen de btw-verkoophandelingen als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van de verkoop van de volgende producten ten opzichte van de btw-verkoophandelingen van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie, zonder rekening te houden met de met de actieve landbouwer verbonden ondernemingen, is groter dan of gelijk aan een derde:
a) bier, dat gemaakt is met graan dat voor minstens 75% afkomstig is van eigen teelt;
b) gedistilleerde dranken die gemaakt zijn met granen, noten of fruit die voor minstens 75% afkomstig zijn van eigen teelt
c) consumptie-ijs en yoghurt die gemaakt zijn met melk die voor minstens 75% afkomstig is van eigen dieren".
"2° de verhouding tussen de btw-verkoophandelingen als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van de verkoop van de volgende producten ten opzichte van de btw-verkoophandelingen van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie, zonder rekening te houden met de met de actieve landbouwer verbonden ondernemingen, is groter dan of gelijk aan een derde:
a) bier, dat gemaakt is met graan dat voor minstens 75% afkomstig is van eigen teelt;
b) gedistilleerde dranken die gemaakt zijn met granen, noten of fruit die voor minstens 75% afkomstig zijn van eigen teelt
c) consumptie-ijs en yoghurt die gemaakt zijn met melk die voor minstens 75% afkomstig is van eigen dieren".
Art. 2. Dans l'article 4, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° le ratio entre les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'activité agricole et de la vente des produits suivants et les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'ensemble des activités économiques de l'exploitation en question, sans tenir compte des exploitations liées à l'agriculteur actif, est supérieur ou égal à un tiers :
a) bière à base de céréales provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
b) boissons spiritueuses à base de céréales, de noix ou de fruits provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
c) glaces de consommation et yaourt à base du lait provenant à 75 % au moins de leurs propres animaux ".
" 2° le ratio entre les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'activité agricole et de la vente des produits suivants et les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'ensemble des activités économiques de l'exploitation en question, sans tenir compte des exploitations liées à l'agriculteur actif, est supérieur ou égal à un tiers :
a) bière à base de céréales provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
b) boissons spiritueuses à base de céréales, de noix ou de fruits provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
c) glaces de consommation et yaourt à base du lait provenant à 75 % au moins de leurs propres animaux ".
Art. 3. In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Onderhoud van braakliggend land bestaat uit het beperken van opslag van houtige planten en verruiging zodat beweiding of teelt mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Braakliggend land wordt jaarlijks gemaaid.".
"Onderhoud van braakliggend land bestaat uit het beperken van opslag van houtige planten en verruiging zodat beweiding of teelt mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Braakliggend land wordt jaarlijks gemaaid.".
Art. 3. Dans l'article 6 du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'entretien des jachères consiste à limiter le stockage des végétaux ligneux et la surcroissance pour permettre le pâturage ou la culture sans nécessiter d'activités préparatoires autres que l'utilisation des méthodes et des machines agricoles habituelles. Des jachères sont fauchées annuellement. ".
" L'entretien des jachères consiste à limiter le stockage des végétaux ligneux et la surcroissance pour permettre le pâturage ou la culture sans nécessiter d'activités préparatoires autres que l'utilisation des méthodes et des machines agricoles habituelles. Des jachères sont fauchées annuellement. ".
Art. 4. Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 32. Per campagnejaar wordt de waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve, bepaald bij de eerste toekenning van de rechten uit de reserve. De waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve in een bepaald jaar, stemt overeen met de gemiddelde waarde van de betalingsrechten, vermeld in artikel 26, lid 8, van verordening (EU) 2021/2115, die bepaald wordt door de som van de waarden van alle betalingsrechten te delen door het aantal betalingsrechten in dat jaar. De waarde van de bestaande rechten na verhoging wordt op dezelfde manier bepaald.".
"Art. 32. Per campagnejaar wordt de waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve, bepaald bij de eerste toekenning van de rechten uit de reserve. De waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve in een bepaald jaar, stemt overeen met de gemiddelde waarde van de betalingsrechten, vermeld in artikel 26, lid 8, van verordening (EU) 2021/2115, die bepaald wordt door de som van de waarden van alle betalingsrechten te delen door het aantal betalingsrechten in dat jaar. De waarde van de bestaande rechten na verhoging wordt op dezelfde manier bepaald.".
Art. 4. L'article 32 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 32. Par année de campagne, la valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve est déterminée lors du premier octroi des droits issus de la réserve. La valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve dans une année déterminée correspond à la valeur moyenne des droits au paiement, mentionnés à l'article 26, paragraphe 8, du règlement (UE) 2021/2115, qui est déterminée en divisant la somme des valeurs de tous les droits au paiement par le nombre de droits au paiement au cours de cette année. La valeur des droits existants après augmentation est déterminée de la même manière. ".
" Art. 32. Par année de campagne, la valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve est déterminée lors du premier octroi des droits issus de la réserve. La valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve dans une année déterminée correspond à la valeur moyenne des droits au paiement, mentionnés à l'article 26, paragraphe 8, du règlement (UE) 2021/2115, qui est déterminée en divisant la somme des valeurs de tous les droits au paiement par le nombre de droits au paiement au cours de cette année. La valeur des droits existants après augmentation est déterminée de la même manière. ".
Art. 5. Aan artikel 58 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Op percelen met een zware bodemtextuur, namelijk met een klei- of leembodem, is winter-voorploegen toegestaan vanaf 1 oktober op kleibodems gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen, vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 juli 1953, 8 maart 1968 en 15 februari 1974, vanaf 15 oktober op andere kleibodems dan deze gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen en vanaf 1 december op leembodems. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende acties te ondernemen:
1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien;
2° de stoppels en de opslag behouden;
3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen.";
2° in het derde lid, 3°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) bij teelt van korrelmaïs, spruiten of andere koolsoorten: de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen tot de inzaai van de volgende teelt;".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Op percelen met een zware bodemtextuur, namelijk met een klei- of leembodem, is winter-voorploegen toegestaan vanaf 1 oktober op kleibodems gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen, vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 juli 1953, 8 maart 1968 en 15 februari 1974, vanaf 15 oktober op andere kleibodems dan deze gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen en vanaf 1 december op leembodems. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende acties te ondernemen:
1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien;
2° de stoppels en de opslag behouden;
3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen.";
2° in het derde lid, 3°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) bij teelt van korrelmaïs, spruiten of andere koolsoorten: de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen tot de inzaai van de volgende teelt;".
Art. 5. A l'article 58 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Sur les parcelles dont la texture du sol est lourde, à savoir un sol argileux ou limoneux, le pré-labourage d'hiver est autorisé à partir du 1er octobre sur les sols argileux situés dans la région agricole Polders et Dunes, visée à l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1953, 8 mars 1968 et 15 février 1974, à partir du 15 octobre sur les sols argileux autres que ceux situés dans la région agricole Polders et Dunes, et à partir du 1er décembre sur les sols limoneux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
1° semer un couvert végétal ou une culture suivante ;
2° conserver les chaumes et le stockage ;
3° laisser des résidus végétaux en surface. " ;
2° dans l'alinéa 3, 3°, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) en cas de culture de maïs à grain, choux de Bruxelles ou autres choux : laisser des résidus végétaux en surface jusqu'au semis de la culture suivante ; ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Sur les parcelles dont la texture du sol est lourde, à savoir un sol argileux ou limoneux, le pré-labourage d'hiver est autorisé à partir du 1er octobre sur les sols argileux situés dans la région agricole Polders et Dunes, visée à l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1953, 8 mars 1968 et 15 février 1974, à partir du 15 octobre sur les sols argileux autres que ceux situés dans la région agricole Polders et Dunes, et à partir du 1er décembre sur les sols limoneux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
1° semer un couvert végétal ou une culture suivante ;
2° conserver les chaumes et le stockage ;
3° laisser des résidus végétaux en surface. " ;
2° dans l'alinéa 3, 3°, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) en cas de culture de maïs à grain, choux de Bruxelles ou autres choux : laisser des résidus végétaux en surface jusqu'au semis de la culture suivante ; ".
Art. 6. In artikel 60 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Voor de volgende percelen geldt ook een vrijstelling van de verplichting, vermeld in het eerste lid:
1° percelen met teelten in volle grond onder vaste overkapping;
2° percelen met knolbegonia of met sierteelten in containers op en in volle grond;
3° percelen die besmet zijn met knolcyperus (Cyperus esculentus) op een zandbodem, op voorwaarde dat het perceel in de verzamelaanvraag bekend is als een perceel dat besmet is met knolcyperus. De vrijstelling voor de voormelde percelen geldt tot het perceel vrij is van knolcyperus.";
2° aan paragraaf 1 worden een vierde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In het derde lid wordt verstaan onder zandbodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes P (licht zandleem), S (lemig zand) of Z (zand), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van de bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende goedkeuring van het compendium voor monsterneming, meting en analyse in het kader van de bodembescherming (BOC), versie 2.1, of een combinatie van de code P, S, Z.
De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen een gewasrotatie wil toepassen die afwijkt van de bepalingen in paragraaf 1, eerste lid, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde entiteit.
Een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, bevat al de volgende gegevens:
1° de voor- en achternaam of de benaming van de aanvrager;
2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met vermelding van de bepalingen van het eerste lid waarvan de aanvrager wil afwijken.
De aanvrager dient een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, in bij de bevoegde entiteit minimaal dertig werkdagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen. Als de voormelde aanvraag conform het zesde lid onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
De bevoegde entiteit kan voor een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, de toelating geven om van de bepalingen in het eerste lid af te wijken en beslist binnen twintig werkdagen nadat ze de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt conform het zevende lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf de dag waarop de bevoegde entiteit de bijkomende gegevens ontvangt.";
3° in paragraaf 2 van het voormelde besluit wordt tussen het woord "aardappelen" en het woord "kan" de volgende zinsnede: ", met uitzondering van de teelt van aardappelen onder niet-verplaatsbare serres," ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Voor de volgende percelen geldt ook een vrijstelling van de verplichting, vermeld in het eerste lid:
1° percelen met teelten in volle grond onder vaste overkapping;
2° percelen met knolbegonia of met sierteelten in containers op en in volle grond;
3° percelen die besmet zijn met knolcyperus (Cyperus esculentus) op een zandbodem, op voorwaarde dat het perceel in de verzamelaanvraag bekend is als een perceel dat besmet is met knolcyperus. De vrijstelling voor de voormelde percelen geldt tot het perceel vrij is van knolcyperus.";
2° aan paragraaf 1 worden een vierde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In het derde lid wordt verstaan onder zandbodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes P (licht zandleem), S (lemig zand) of Z (zand), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van de bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende goedkeuring van het compendium voor monsterneming, meting en analyse in het kader van de bodembescherming (BOC), versie 2.1, of een combinatie van de code P, S, Z.
De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen een gewasrotatie wil toepassen die afwijkt van de bepalingen in paragraaf 1, eerste lid, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde entiteit.
Een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, bevat al de volgende gegevens:
1° de voor- en achternaam of de benaming van de aanvrager;
2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met vermelding van de bepalingen van het eerste lid waarvan de aanvrager wil afwijken.
De aanvrager dient een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, in bij de bevoegde entiteit minimaal dertig werkdagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen. Als de voormelde aanvraag conform het zesde lid onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
De bevoegde entiteit kan voor een aanvraag als vermeld in het vijfde lid, de toelating geven om van de bepalingen in het eerste lid af te wijken en beslist binnen twintig werkdagen nadat ze de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt conform het zevende lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf de dag waarop de bevoegde entiteit de bijkomende gegevens ontvangt.";
3° in paragraaf 2 van het voormelde besluit wordt tussen het woord "aardappelen" en het woord "kan" de volgende zinsnede: ", met uitzondering van de teelt van aardappelen onder niet-verplaatsbare serres," ingevoegd.
Art. 6. A l'article 60 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Les parcelles suivantes sont également exemptées de l'obligation, visée à l'alinéa 1er :
1° les parcelles avec culture en pleine terre sous couvert permanent ;
2° les parcelles avec bégonias tubéreux ou avec cultures ornementales en conteneurs sur/en pleine terre ;
3° les parcelles infectées par le cyperus tuber (Cyperus esculentus) sur un sol sablonneux, à condition que la parcelle soit connue dans la demande unique comme une parcelle infectée par le cyperus tuber. L'exemption pour les parcelles précitées s'applique jusqu'à ce que la parcelle soit libre de cyperus tuber. " ;
2° le paragraphe 1er est complété par des alinéas 4 à 8, rédigés comme suit :
" Dans l'alinéa 3, on entend par sol sablonneux : un sol caractérisé, sur la base de la carte des sols, par les codes P (limon sableux léger), S (sable limoneux) ou Z (sable), tels que visés au compendium d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol, approuvé par l'arrêté ministériel du 12 octobre 2017 approuvant le d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol (BOC), version 2.1, ou par une combinaison des codes P, S, Z.
L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer une rotation des cultures qui déroge aux dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, doit introduire une demande motivée auprès de l'entité compétente à cet effet.
Une demande telle que visée à l'alinéa 5 comprend toutes les données suivantes :
1° les prénom et nom ou la dénomination du demandeur ;
2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir la dérogation ;
3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec mention des dispositions de l'alinéa 1er auxquelles le demandeur veut déroger.
Le demandeur introduit une demande telle que visée à l'alinéa 5 auprès de l'entité compétente au minimum trente jours ouvrables avant le début de la période pour laquelle le demandeur veut obtenir la dérogation. Lorsque la demande précitée est incomplète ou comprend insuffisamment d'informations conformément à l'alinéa 6, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
Pour une demande telle que visée à l'alinéa 5, l'entité compétente peut autoriser une dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après avoir reçu la demande précitée. Lorsque l'entité compétente demande des informations complémentaires conformément à l'alinéa 7, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir du jour auquel l'entité compétente reçoit les informations complémentaires. " ;
3° au paragraphe 2 de l'arrêté précité, le membre de phrase " , à l'exception de la culture de pommes de terre sous des serres non mobiles, " est inséré entre les mots " pommes de terre " et les mots " ne peut ".
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Les parcelles suivantes sont également exemptées de l'obligation, visée à l'alinéa 1er :
1° les parcelles avec culture en pleine terre sous couvert permanent ;
2° les parcelles avec bégonias tubéreux ou avec cultures ornementales en conteneurs sur/en pleine terre ;
3° les parcelles infectées par le cyperus tuber (Cyperus esculentus) sur un sol sablonneux, à condition que la parcelle soit connue dans la demande unique comme une parcelle infectée par le cyperus tuber. L'exemption pour les parcelles précitées s'applique jusqu'à ce que la parcelle soit libre de cyperus tuber. " ;
2° le paragraphe 1er est complété par des alinéas 4 à 8, rédigés comme suit :
" Dans l'alinéa 3, on entend par sol sablonneux : un sol caractérisé, sur la base de la carte des sols, par les codes P (limon sableux léger), S (sable limoneux) ou Z (sable), tels que visés au compendium d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol, approuvé par l'arrêté ministériel du 12 octobre 2017 approuvant le d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol (BOC), version 2.1, ou par une combinaison des codes P, S, Z.
L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer une rotation des cultures qui déroge aux dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, doit introduire une demande motivée auprès de l'entité compétente à cet effet.
Une demande telle que visée à l'alinéa 5 comprend toutes les données suivantes :
1° les prénom et nom ou la dénomination du demandeur ;
2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir la dérogation ;
3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec mention des dispositions de l'alinéa 1er auxquelles le demandeur veut déroger.
Le demandeur introduit une demande telle que visée à l'alinéa 5 auprès de l'entité compétente au minimum trente jours ouvrables avant le début de la période pour laquelle le demandeur veut obtenir la dérogation. Lorsque la demande précitée est incomplète ou comprend insuffisamment d'informations conformément à l'alinéa 6, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
Pour une demande telle que visée à l'alinéa 5, l'entité compétente peut autoriser une dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après avoir reçu la demande précitée. Lorsque l'entité compétente demande des informations complémentaires conformément à l'alinéa 7, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir du jour auquel l'entité compétente reçoit les informations complémentaires. " ;
3° au paragraphe 2 de l'arrêté précité, le membre de phrase " , à l'exception de la culture de pommes de terre sous des serres non mobiles, " est inséré entre les mots " pommes de terre " et les mots " ne peut ".
Art. 7. Aan artikel 62 van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° niet meer dan 10 hectare van het areaal is bouwland, waarvan minstens 50% bouwlandareaal onder vaste overkappingen is."
"3° niet meer dan 10 hectare van het areaal is bouwland, waarvan minstens 50% bouwlandareaal onder vaste overkappingen is."
Art. 7. L'article 62 du même arrêté est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° au maximum 10 hectares de la superficie sont des terres arables, dont au moins 50 % de terres arables sous couvert permanent. "
" 3° au maximum 10 hectares de la superficie sont des terres arables, dont au moins 50 % de terres arables sous couvert permanent. "
Art. 8. Aan artikel 65 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° In punt 1° worden tussen het woord "elementen" en het woord ",vermeld" de woorden "en arealen" toegevoegd;
2° In punt 3° worden de woorden "de afmetingen van en" geschrapt en worden tussen de woorden "op" en "bufferstroken" de woorden "braakliggend land," toegevoegd.
1° In punt 1° worden tussen het woord "elementen" en het woord ",vermeld" de woorden "en arealen" toegevoegd;
2° In punt 3° worden de woorden "de afmetingen van en" geschrapt en worden tussen de woorden "op" en "bufferstroken" de woorden "braakliggend land," toegevoegd.
Art. 8. A l'article 65 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° Au point 1°, les mots " et superficies " sont insérés entre le mot " éléments " et le membre de phrase " , mentionnés " ;
2° Au point 3°, le membre de phrase " les dimensions des bandes tampons et des bordures de champs et les activités qui y sont autorisées " est remplacé par le membre de phrase " les activités autorisées sur les bandes tampons, les terres en jachère et les bordures de champs ".
1° Au point 1°, les mots " et superficies " sont insérés entre le mot " éléments " et le membre de phrase " , mentionnés " ;
2° Au point 3°, le membre de phrase " les dimensions des bandes tampons et des bordures de champs et les activités qui y sont autorisées " est remplacé par le membre de phrase " les activités autorisées sur les bandes tampons, les terres en jachère et les bordures de champs ".
Art. 9. Aan artikel 81, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd:
"De bevoegde entiteit kan de uiteindelijke begunstigden, vermeld in artikel 4, 27° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de landbouwer controleren."
"De bevoegde entiteit kan de uiteindelijke begunstigden, vermeld in artikel 4, 27° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de landbouwer controleren."
Art. 9. L'article 81, alinéa 3, du même arrêté, est complété par la phrase suivante :
" L'entité compétente peut contrôler les bénéficiaires effectifs, visés à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, de l'agriculteur. "
" L'entité compétente peut contrôler les bénéficiaires effectifs, visés à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, de l'agriculteur. "
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Art. 10. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2024.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le ministre flamand qui a l'agriculture dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.