Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 JANUARI 2024. - Wet betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen
Titre
15 JANVIER 2024. - Loi relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics
Documentinformatie
Numac: 2024000706
Datum: 2024-01-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024000706
Date: 2024-01-15
Moniteur: Voir
Tekst (77)
Texte (77)
TITEL 1. - Inleidende bepalingen en toepassingsgebied
TITRE 1er. - Dispositions introductives et champ d'application
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1° "ARIEC": het Arrondissementeel Informatie- en Expertisecentrum zoals opgericht door artikel 32;
  2° "DIOB": de Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen zoals opgericht door artikel 4;
  3° "bestuurlijke handhaving": het geheel van preventieve administratieve beslissingen om de openbare orde en de veiligheid te waarborgen en overlast tegen te gaan;
  4° "economische activiteit": iedere activiteit die erin bestaat goederen of diensten op een markt aan te bieden;
  5° "economische sector": een geheel van een bepaald type van economische activiteiten;
  6° "ondermijnende criminaliteit": criminaliteit die haar oorsprong vindt in de strafbare feiten bedoeld in artikel 119ter, § 10, vijfde lid, van de Nieuwe Gemeentewet en die daardoor maatschappelijke structuren of het vertrouwen daarin schaadt of kan schaden en die daardoor leidt of kan leiden tot een maatschappelijke en/of economische ontwrichting;
  7° "integriteitsonderzoek": het onderzoek bedoeld in artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet dat door de gemeente wordt gevoerd met betrekking tot de vestiging of uitbating van publiek toegankelijke inrichtingen waar economische activiteiten plaatsvinden of zullen plaatsvinden, en dat ertoe strekt ondermijnende criminaliteit tegen te gaan;
  8° "publiek toegankelijke inrichting": elke plaats waartoe andere personen dan de beheerder en de personen die er werkzaam zijn, toegang hebben, ofwel omdat ze geacht worden gewoonlijk toegang te hebben tot die plaats, ofwel omdat ze er toegelaten zijn zonder individueel te zijn uitgenodigd;
  9° "Verordening (EU) 2016/679": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
  10° "werkdag": elke dag, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  11° "bisnummer": het identificatienummer toegekend met toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Art. 2. Pour l'application de la présente loi, l'on entend par:
  1° "CIEAR": le Centre d'Information et d'Expertise d'Arrondissement tel que créé par l'article 32;
  2° "DEIPP": la Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics telle que créée par l'article 4;
  3° "approche administrative": l'ensemble des décisions administratives préventives permettant de garantir l'ordre public et la sécurité et d'empêcher les nuisances;
  4° "activité économique": toute activité consistant à offrir des biens ou des services sur un marché;
  5° "secteur économique": un ensemble d'un certain type d'activités économiques;
  6° "criminalité déstabilisante": criminalité qui trouve son origine dans les faits punissables visés à l'article 119ter, § 10, alinéa 5, de la Nouvelle Loi communale et qui, de ce fait, porte atteinte ou peut porter atteinte aux structures sociales ou à la confiance qu'elles inspirent et qui, de ce fait, entraîne ou peut entraîner une perturbation sociale et/ou économique;
  7° "enquête d'intégrité": l'enquête visée à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale, menée par la commune en ce qui concerne l'implantation ou l'exploitation d'établissements accessibles au public où se déroulent ou se dérouleront des activités économiques, et qui vise à empêcher la criminalité déstabilisante;
  8° "établissement accessible au public": tout lieu auquel d'autres personnes que le gestionnaire et les personnes qui y travaillent ont accès, soit parce qu'elles sont censées avoir habituellement accès à ce lieu, soit parce qu'elles y sont autorisées sans y avoir été invitées de façon individuelle;
  9° "Règlement (UE) 2016/679": règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);
  10° "jour ouvrable": tous les jours, sauf les samedis, dimanches et jours fériés;
  11° "numéro bis": le numéro d'identification attribué en application de l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
Art. 3. Deze wet is van toepassing op het integriteitsonderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 3. La présente loi s'applique à l'enquête d'intégrité qui est menée conformément à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale.
TITEL 2. - Oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen
TITRE 2. - Création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics
HOOFDSTUK 1. - De Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen
CHAPITRE 1er. - La Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics
Art. 4. Er wordt een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, hierna DIOB genoemd, opgericht, met name een orgaan dat is belast met de analyse en adviesverlening inzake ondermijnende criminaliteit overeenkomstig de artikelen 6 tot 9.
  De DIOB staat onder het gezamenlijk gezag van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie, die worden belast met de organisatie en het algemeen bestuur, behoudens de in deze wet voorziene uitzonderingen.
Art. 4. Il est créé une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, ci-après dénommée "DEIPP", à savoir un organisme chargé d'effectuer des analyses et d'émettre des avis en matière de criminalité déstabilisante conformément aux articles 6 à 9.
  La DEIPP est placée sous l'autorité conjointe du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et du ministre qui a la Justice dans ses attributions, qui sont chargés de l'organisation et de l'administration générale, sous réserve des exceptions prévues par la présente loi.
Art. 5. § 1. De DIOB is samengesteld uit:
  1° een directeur en een adjunct-directeur;
  2° personeelsleden die worden gedetacheerd door de diensten bedoeld in artikel 21, § 1, eerste lid;
  3° een ondersteunende dienst, bestaande uit analisten en administratief personeel.
  In het geval dat de diensten bedoeld in artikel 21, § 1, eerste lid, geen personeelsleden detacheren naar de DIOB, wijzen deze diensten een verbindingsmedewerker voor de DIOB aan. De Koning stelt een verbindingsmagistraat en een toezichtsmagistraat aan.
  § 2. De directeur, de adjunct-directeur en de personeelsleden van de ondersteunende dienst worden aangesteld door de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en van de minister bevoegd voor Justitie. De gedetacheerde personeelsleden worden aangesteld door de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor de dienst van waaruit de betrokkene wordt gedetacheerd. De verbindingsmagistraat en de toezichtsmagistraat worden aangesteld door de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en na eensluidend advies van het College van procureurs-generaal.
  De gedetacheerde personeelsleden en de personeelsleden van de ondersteunende dienst staan onder het gezag van de directeur en de adjunct-directeur van de DIOB.
  De Koning bepaalt, op voorstel van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie, het personeelsstatuut.
  Voor de gedetacheerde personeelsleden bepaalt de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie en na advies van de minister bevoegd voor de dienst waaruit de betrokkene wordt gedetacheerd:
  - het personeelsstatuut, zonder afbreuk te doen aan hun oorspronkelijk administratief en geldelijk statuut;
  - de specifieke regels inzake evaluatie en orde- maatregelen;
  - de voorwaarden waaronder een einde kan worden gemaakt aan de detachering.
  § 3. De directeur en de adjunct-directeur zijn verantwoordelijk voor:
  1° de organisatie en de werking van de DIOB;
  2° het dagelijks bestuur van de DIOB.
  De directeur is verantwoordelijk voor:
  1° het toezicht op de inzameling en de verwerking van de door de DIOB ingezamelde persoonsgegevens en informatie, onverminderd de bevoegdheden van de bij wet aangeduide autoriteiten;
  2° het beheer en het gebruik van het beheersysteem voor de adviesverlening door de DIOB;
  3° het naleven van de wettigheid en de regelmatigheid van de procedure van de adviezen die door de DIOB worden verleend.
  De directeur wordt in deze taken bijgestaan door de adjunct-directeur.
  § 4. De directeur, de adjunct-directeur, de gedetacheerde personeelsleden en de personeelsleden van de ondersteunende dienst moeten, op het ogenblik van hun aanstelling, aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  2° een voor de opdrachten van de DIOB nuttige ervaring hebben.
  De directeur en de adjunct-directeur moeten op het ogenblik van hun aanstelling Belg zijn en gedomicilieerd zijn in België.
  De directeur, de adjunct-directeur en de gedetacheerde personeelsleden moeten op het ogenblik van hun indiensttreding houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "ZEER GEHEIM" overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. De leden van de ondersteunende diensten moeten op het ogenblik van hun indiensttreding houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "GEHEIM" overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  De directeur en adjunct-directeur behoren niet tot dezelfde taalrol.
  De directeur en adjunct-directeur worden aangesteld voor een periode van vijf jaar, eenmaal verlengbaar.
  Na het verstrijken van het mandaat van directeur kan de nieuwe directeur niet tot dezelfde taalrol behoren als de vorige directeur, behalve indien het mandaat van de adjunct-directeur werd verlengd.
  Na het verstrijken van het mandaat van adjunct-directeur kan de nieuwe adjunct-directeur niet tot dezelfde taalrol behoren als de vorige adjunct-directeur, behalve indien het mandaat van de directeur werd verlengd.
  In geval van vroegtijdige beëindiging van het mandaat van de directeur of de adjunct-directeur, wordt zo spoedig mogelijk in zijn opvolging voorzien teneinde de lopende termijn van de aanstelling te vervolledigen.
Art. 5. § 1er. La DEIPP se compose:
  1° d'un directeur et d'un directeur adjoint;
  2° de membres du personnel qui sont détachés par les services visés à l'article 21, § 1er, alinéa 1er;
  3° d'un service d'appui, constitué d'analystes et de personnel administratif.
  Dans le cas où les services visés à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, ne détacheraient pas de membres du personnel à la DEIPP, ils désignent un collaborateur de liaison pour la DEIPP. Le Roi désigne un magistrat de liaison et un magistrat de surveillance.
  § 2. Le directeur, le directeur adjoint et les membres du personnel du service d'appui sont désignés par le Roi, sur proposition du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et du ministre qui a la Justice dans ses attributions. Les membres du personnel détachés sont désignés par le Roi, sur proposition du ministre compétent pour le service au départ duquel la personne concernée est détachée. Le magistrat de liaison et le magistrat de surveillance sont désignés par le Roi, sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions et après avis conforme du Collège des procureurs généraux.
  Les membres du personnel détachés et les membres du personnel du service d'appui sont placés sous l'autorité du directeur et du directeur adjoint de la DEIPP.
  Le Roi détermine, sur proposition du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et du ministre qui a la Justice dans ses attributions, le statut du personnel.
  En ce qui concerne les membres du personnel détachés, le Roi détermine, sur proposition du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et du ministre qui a la Justice dans ses attributions et après avis du ministre compétent pour le service au départ duquel la personne concernée est détachée:
  - le statut du personnel, sans porter atteinte à leur statut administratif et pécuniaire d'origine;
  - les règles spécifiques en ce qui concerne l'évaluation et les mesures d'ordre;
  - les conditions dans lesquelles il peut être mis fin au détachement.
  § 3. Le directeur et le directeur adjoint sont responsables:
  1° de l'organisation et du fonctionnement de la DEIPP;
  2° de la gestion journalière de la DEIPP.
  Le directeur est responsable:
  1° du contrôle de la collecte et du traitement des données à caractère personnel et des informations recueillies par la DEIPP, sans préjudice des compétences des autorités désignées par la loi;
  2° de la gestion et de l'utilisation du système de gestion pour la délivrance d'avis de la DEIPP;
  3° du respect de la légalité et de la régularité de la procédure des avis délivrés par la DEIPP.
  Le directeur est assisté dans ces tâches par le directeur adjoint.
  § 4. Au moment de leur désignation, le directeur, le directeur adjoint, les membres du personnel détachés et les membres du personnel du service d'appui doivent répondre aux conditions suivantes:
  1° jouir des droits civils et politiques;
  2° disposer d'une expérience utile pour les missions de la DEIPP.
  Au moment de leur désignation, le directeur et le directeur adjoint doivent avoir la nationalité belge et être domiciliés en Belgique.
  Le directeur, le directeur adjoint et les membres du personnel détachés doivent, au moment de leur entrée en service, être détenteurs d'une habilitation de sécurité de niveau "TRèS SECRET" conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Les membres des services d'appui doivent, au moment de leur entrée en service, être détenteurs d'une habilitation de sécurité de niveau "SECRET" conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
  Le directeur et le directeur adjoint n'appartiennent pas au même rôle linguistique.
  Le directeur et le directeur adjoint sont désignés pour une période de cinq ans, renouvelable une fois.
  A l'expiration du mandat du directeur, le nouveau directeur ne peut pas appartenir au même rôle linguistique que l'ancien directeur, sauf si le mandat du directeur adjoint a été renouvelé.
  A l'expiration du mandat du directeur adjoint, le nouveau directeur adjoint ne peut pas appartenir au même rôle linguistique que l'ancien directeur adjoint, sauf si le mandat du directeur a été renouvelé.
  En cas de cessation anticipée du mandat de directeur ou de directeur adjoint, il est pourvu à sa succession le plus rapidement possible afin d'achever la désignation en cours.
HOOFDSTUK 2. - De opdrachten en werking van de diob
CHAPITRE 2. - Les missions et le fonctionnement de la DEIPP
Art. 6. § 1. De DIOB volgt de ontwikkelingen inzake ondermijnende criminaliteit op met als doel minstens jaarlijks een risicoanalyse op te stellen over de economische sectoren en activiteiten waarbinnen ondermijnende criminaliteit zich kan manifesteren.
  Voor het opstellen van de risicoanalyse baseert de DIOB zich onder meer op de gegevens uit het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken bedoeld in artikel 10, op de adviezen aan gemeenten overeenkomstig artikel 23 en op objectieve wetenschappelijke data.
  De risicoanalyse kan worden geclassificeerd overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  § 2. De DIOB rapporteert de risicoanalyse bedoeld in paragraaf 1 minstens jaarlijks aan de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en aan de minister bevoegd voor Justitie.
  De risicoanalyse bedoeld in paragraaf 1 bevat een niet-bindend advies over de economische sectoren en activiteiten die overeenkomstig artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet kunnen worden onderworpen aan een integriteitsonderzoek. Het advies kan geografisch worden gedifferentieerd.
  De risicoanalyse kan geen persoonsgegevens vermelden.
  § 3. Rekening houdend met het advies bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de economische sectoren en activiteiten, waarvoor een gemeentelijke politieverordening kan worden aangenomen overeenkomstig artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet.
  In geval het koninklijk besluit dat de economische sectoren en activiteiten oplijst, wordt gewijzigd of vervangen, en de huidige gemeentelijke politieverordening economische sectoren of activiteiten bevat die niet meer in het gewijzigde of nieuwe koninklijk besluit staan vermeld, wijzigt of vervangt de gemeenteraad de gemeentelijke politieverordening zo spoedig mogelijk.
  De gemeenteraad kan de gemeentelijke politieverordening te allen tijde uitbreiden met economische sectoren en activiteiten die reeds in het koninklijk besluit stonden vermeld of die aan het koninklijk besluit werden toegevoegd, mits motivering en voorafgaande risicoanalyse bedoeld in artikel 119ter, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 6. § 1er. La DEIPP suit les développements en matière de criminalité déstabilisante dans le but d'élaborer au moins une fois par an une analyse de risques des secteurs et activités économiques au sein desquels la criminalité déstabilisante peut se manifester.
  Pour élaborer cette analyse de risques, la DEIPP se base entre autres sur les données du Registre Central des Enquêtes d'intégrité visé à l'article 10, sur les avis remis aux communes conformément à l'article 23 et sur des données scientifiques objectives.
  L'analyse de risques peut être classifiée conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
  § 2. La DEIPP fait rapport de l'analyse de risques visée au paragraphe 1er au moins une fois par an au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et au ministre qui a la Justice dans ses attributions.
  L'analyse de risques visée au paragraphe 1er contient un avis non contraignant concernant les secteurs et activités économiques qui, conformément à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale, peuvent être soumis à une enquête d'intégrité. L'avis peut être différencié géographiquement.
  L'analyse de risques ne peut mentionner aucune donnée à caractère personnel.
  § 3. Tenant compte de l'avis visé au paragraphe 2, alinéa 2, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les secteurs et activités économiques pour lesquels une ordonnance de police communale peut être adoptée conformément à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale.
  Au cas où l'arrêté royal énumérant les secteurs et activités économiques serait modifié ou remplacé et l'ordonnance de police communale actuelle comprendrait des secteurs ou activités économiques qui ne sont plus mentionnés dans l'arrêté royal modifié ou nouveau, le conseil communal modifie ou remplace le plus rapidement possible l'ordonnance de police communale.
  Le conseil communal peut à tout moment étendre l'ordonnance de police communale aux secteurs et activités économiques qui étaient déjà mentionnés dans l'arrêté royal ou qui ont été ajoutés à l'arrêté royal, moyennant une motivation et une analyse de risques préalable visées à l'article 119ter, § 1er, de la Nouvelle Loi communale.
Art. 7. De DIOB staat in voor de ontwikkeling en het beheer van een Centraal Register van Integriteitsonderzoeken inzake de bestuurlijke handhaving van ondermijnende criminaliteit.
Art. 7. La DEIPP est responsable du développement et de la gestion d'un Registre Central des Enquêtes d'intégrité concernant l'approche administrative de la criminalité déstabilisante.
Art. 8. Op vraag van de verzoekende gemeente levert de DIOB een met redenen omkleed en niet-bindend advies af overeenkomstig de artikelen 23 en 24, in het kader van het integriteitsonderzoek bedoeld in artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 8. A la demande de la commune requérante, la DEIPP délivre un avis motivé et non contraignant conformément aux articles 23 et 24, dans le cadre de l'enquête d'intégrité visée à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale.
Art. 9. Ten minste één keer per jaar stelt de DIOB een strategisch verslag op van haar werkzaamheden, gericht aan de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en aan de minister bevoegd voor Justitie. Het strategisch verslag wordt ook overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de DIOB.
Art. 9. Au moins une fois par an, la DEIPP établit un rapport stratégique de ses travaux, adressé au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et au ministre qui a la Justice dans ses attributions. Le rapport stratégique est également transmis à la Chambre des représentants. Le rapport est publié sur le site internet de la DEIPP.
HOOFDSTUK 3. - Het centraal register van integriteitsonderzoeken
CHAPITRE 3. - Le Registre Central des Enquêtes d'intégrité
Afdeling 1. - Ontwikkeling en beheer van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken
Section 1re. - Développement et gestion du Registre Central des Enquêtes d'intégrité
Art. 10. Overeenkomstig artikel 7 ontwikkelt en beheert de DIOB een Centraal Register van Integriteitsonderzoeken met het oog op de bestuurlijke handhaving van ondermijnende criminaliteit.
  Iedere gemeente bezorgt zo spoedig mogelijk aan de DIOB haar beslissingen tot weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of tot sluiting van de inrichting overeenkomstig artikel 119ter, §§ 8 en 9, van de Nieuwe Gemeentewet.
  De DIOB neemt de beslissingen bedoeld in het tweede lid op in het Centraal Register van Integriteits- onderzoeken.
Art. 10. Conformément à l'article 7, la DEIPP développe et gère un Registre Central des Enquêtes d'intégrité en vue de l'approche administrative de la criminalité déstabilisante.
  Chaque commune transmet dans les meilleurs délais à la DEIPP ses décisions de refus, de suspension ou d'abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation, ou de fermeture de l'établissement, conformément à l'article 119ter, §§ 8 et 9, de la Nouvelle Loi communale.
  La DEIPP introduit les décisions visées à l'alinéa 2 dans le Registre Central des Enquêtes d'intégrité.
Afdeling 2. - Toegang tot het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken
Section 2. - Accès au Registre Central des Enquêtes d'intégrité
Art. 11. De gemeente raadpleegt het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken om een "hit/no hit"-resultaat te verkrijgen met betrekking tot de aan- of afwezigheid van een beslissing die een andere gemeente heeft genomen tot weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of tot sluiting van de inrichting overeenkomstig artikel 119ter, §§ 8 en 9 van de Nieuwe Gemeentewet met betrekking tot de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van een integriteitsonderzoek gevoerd door de raadplegende gemeente.
  Er is een "hit"-resultaat als een in het eerste lid bedoelde beslissing van een andere gemeente aanwezig is. In het geval van een "hit"-resultaat verkrijgt de gemeente de bevestiging dat er een "hit"-resultaat is, samen met een afschrift van de beslissing van de andere gemeente.
  Er is een "no hit"-resultaat als er geen in het eerste lid bedoelde beslissing van een andere gemeente aanwezig is. In het geval van een "no hit"-resultaat, krijgt de gemeente de melding dat er een "no hit" resultaat is.
Art. 11. La commune consulte le Registre Central des Enquêtes d'intégrité afin d'obtenir un résultat "hit/no hit" concernant la présence ou l'absence d'une décision prise par une autre commune de refus, de suspension ou d'abrogation d'un permis d'implantation ou d'exploitation ou de fermeture d'un établissement, conformément à l'article 119ter, §§ 8 et 9, de la Nouvelle Loi communale concernant la personne physique ou morale qui fait l'objet d'une enquête d'intégrité menée par la commune qui opère la consultation.
  Il y a un résultat "hit" lorsqu'il existe une décision d'une autre commune visée à l'alinéa 1er. En cas de résultat "hit", la commune obtient la confirmation de l'existence d'un résultat "hit", ainsi qu'une copie de la décision de l'autre commune.
  Il y a un résultat "no hit" lorsqu'il n'existe pas de décision d'une autre commune visée à l'alinéa 1er. En cas de résultat "no hit", la commune est informée qu'il y a un résultat "no hit".
Art. 12. Bij het raadplegen van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken worden de volgende gegevens ingevoerd:
  - de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres, het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer van de natuurlijke en/of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van een integriteitsonderzoek, voor zover beschikbaar;
  - de motivering waarom het reeds gevoerde integriteitsonderzoek informatie oplevert die doet vermoeden dat een weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of een sluiting van de inrichting zich zou opdringen, maar dat verder onderzoek noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen.
  De gegevens worden ingevoerd door de personen aangewezen door de verzoekende gemeente overeenkomstig artikel 18, § 1, 1°.
  De raadpleging gebeurt via een elektronische toegang waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald.
Art. 12. Lors de la consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité, les données suivantes sont introduites:
  - le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse, le numéro de Registre national ou le numéro bis, ainsi que le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement de la personne physique et/ou morale qui fait l'objet d'une enquête d'intégrité, dans la mesure où ces informations sont disponibles;
  - la motivation pour laquelle l'enquête d'intégrité déjà menée fournit des informations qui font supposer qu'un refus, une suspension ou une abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation ou une fermeture de l'établissement s'imposerait, mais qu'un complément d'enquête est nécessaire pour pouvoir prendre une décision.
  Les données sont introduites par les personnes désignées par la commune requérante conformément à l'article 18, § 1er, 1°.
  La consultation a lieu par le biais d'un accès électronique dont les modalités sont déterminées par le Roi.
Afdeling 3. - De verwerking van persoonsgegevens door middel van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken
Section 3. - Le traitement de données à caractère personnel par le biais du Registre Central des Enquêtes d'intégrité
Art. 13. § 1. De verwerking van persoonsgegevens door de DIOB bij de ontwikkeling en het beheer van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig artikel 10 vindt plaats met de volgende doelen:
  1° het opstellen van een risicoanalyse over de economische sectoren en activiteiten, overeenkomstig artikel 6, § 1, waarbinnen ondermijnende criminaliteit zich kan manifesteren;
  2° het raadplegen door de gemeente van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig artikel 11 om de gemeente bij te staan in het nemen van een beslissing om een vestigings- of uitbatingsvergunning al dan niet te weigeren, te schorsen of op te heffen, dan wel een inrichting te sluiten.
  § 2. De verwerking van persoonsgegevens door de gemeente vindt plaats met als doel het raadplegen van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig artikel 11.
Art. 13. § 1er. Le traitement de données à caractère personnel par la DEIPP lors du développement et de la gestion du Registre Central des Enquêtes d'intégrité conformément à l'article 10, a lieu aux finalités suivantes:
  1° la réalisation d'une analyse de risques concernant les secteurs et activités économiques, conformément à l'article 6, § 1er, au sein desquels la criminalité déstabilisante peut se manifester;
  2° la consultation par la commune du Registre Central des Enquêtes d'intégrité conformément à l'article 11, afin de l'aider à prendre une décision de refus, de suspension ou d'abrogation d'un permis d'implantation ou d'exploitation, ou de fermeture d'un établissement.
  § 2. Le traitement de données à caractère personnel par la commune a lieu aux fins de la consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité, conformément à l'article 11.
Art. 14. § 1. In het kader van het raadplegen van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken door de gemeente overeenkomstig artikel 11 worden de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt:
  1° de contactgegevens van de raadplegende gemeente: naam en adres;
  2° de identiteitsgegevens van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van de raadpleging: de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres en het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
  3° de persoonsgegevens, andere dan deze bedoeld in de bepalingen onder 1° en 2°, die zijn opgenomen in beslissingen van andere gemeenten tot weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of tot sluiting van de inrichting overeenkomstig artikel 119ter, §§ 8 en 9, van de Nieuwe Gemeentewet.
  § 2. In het kader van de risicoanalyse uitgevoerd door de DIOB overeenkomstig artikel 6, § 1, worden persoonsgegevens verwerkt van natuurlijke personen of rechtspersonen die voorkomen in beslissingen van gemeenten uit het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig artikel 10, tweede lid.
  § 3. De Koning kan de categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt verder verduidelijken.
Art. 14. § 1er. Dans le cadre de la consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité par la commune conformément à l'article 11, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées:
  1° les coordonnées de la commune qui opère la consultation: nom et adresse;
  2° les données d'identification de la personne physique ou morale faisant l'objet de la consultation: le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse et le numéro de Registre national ou le numéro bis ainsi que le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement;
  3° les données à caractère personnel, autres que celles visées aux 1° et 2°, reprises dans les décisions d'autres communes concernant le refus, la suspension ou l'abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation, ou la fermeture de l'établissement conformément à l'article 119ter, §§ 8 et 9, de la Nouvelle Loi communale.
  § 2. Dans le cadre de l'analyse de risques menée par la DEIPP conformément à l'article 6, § 1er, sont traitées des données à caractère personnel de personnes physiques ou morales qui figurent dans des décisions de communes provenant du Registre Central des Enquêtes d'intégrité conformément à l'article 10, alinéa 2.
  § 3. Le Roi peut préciser davantage les catégories de données à caractère personnel qui sont traitées.
Art. 15. De categorieën van persoonsgegevens waartoe de DIOB en de gemeente toegang zullen hebben op basis van de artikelen 10 en 11 kunnen onder meer persoonsgegevens bevatten bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2016/679. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden verwerkt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de taken bedoeld in de artikelen 10 en 11.
Art. 15. Les catégories de données à caractère personnel auxquelles la DEIPP et la commune auront accès sur la base des articles 10 et 11 peuvent notamment comprendre les données visées à l'article 10 du règlement (UE) 2016/679. Ces données peuvent uniquement être traitées lorsque le traitement est nécessaire à la bonne exécution des tâches visées aux articles 10 et 11.
Art. 16. De bewaartermijn voor de persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van artikel 10 bedraagt vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de DIOB overeenkomstig artikel 10, derde lid, de beslissing van de gemeente opneemt in het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken.
Art. 16. Le délai de conservation des données à caractère personnel qui sont traitées dans le cadre de l'article 10 est de cinq ans, à compter de la date à laquelle la DEIPP introduit la décision de la commune dans le Registre Central des Enquêtes d'intégrité, conformément à l'article 10, alinéa 3.
Art. 17. De directeur van de DIOB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de DIOB bij de ontwikkeling en het beheer van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken.
  De gemeente is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de gemeente in het kader van het voeden en het raadplegen van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken.
Art. 17. Le directeur de la DEIPP est le responsable du traitement des données à caractère personnel par la DEIPP lors du développement et de la gestion du Registre Central des Enquêtes d'intégrité.
  La commune est responsable du traitement des données à caractère personnel par la commune, dans le cadre de l'alimentation et de la consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité.
Art. 18. § 1. Bij de verwerking van persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 14 en 15 zijn de volgende technische en organisatorische maatregelen inzake de bescherming van de persoonsgegevens van toepassing om te verzekeren dat de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:
  1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker aangewezen, met een beschrijving van hun functie bij de verwerking van de betrokken persoonsgegevens;
  2° de lijst van categorieën van personen die zijn aangewezen om de in de artikelen 14 en 15 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, wordt door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  3° de aangewezen personen zijn door een wettelijke of reglementaire verplichting, of een gelijkwaardige contractuele bepaling, verplicht om het vertrouwelijke karakter van de bedoelde persoonsgegevens in acht te nemen;
  4° de gepaste technische of organisatorische maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens te beschermen tegen toevallige of niet-toegestane vernietiging, tegen toevallig verlies en tegen wijziging of elke andere niet-toegestane verwerking van die persoonsgegevens;
  5° de DIOB en de gemeente geven in specifieke richtlijnen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens aan welke acties moeten worden ondernomen om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen, te actualiseren en te verwijderen;
  6° de DIOB legt ten minste voor de volgende verwerkingen een logbestand aan: de verzameling, wijziging, raadpleging, bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
  § 2. De logbestanden bedoeld in paragraaf 1, 6°, worden gebruikt om de volgende aspecten te achterhalen:
  1° de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
  2° de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en het Rijksregisternummer of het bisnummer van de persoon die de persoonsgegevens heeft geraadpleegd;
  3° de systemen die deze persoonsgegevens hebben bekendgemaakt;
  4° de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van de gegevens.
  § 3. De bewaartermijn van de logbestanden bedoeld in paragraaf 1, 6°, bedraagt tien jaar.
  § 4. De Koning kan in bijkomende gepaste technische en organisatorische maatregelen voorzien.
Art. 18. § 1er. Lors du traitement de données à caractère personnel visées aux articles 14 et 15, les mesures techniques et organisationnelles suivantes en matière de protection des données à caractère personnel s'appliquent pour s'assurer que l'accès aux données et les possibilités de traitement soient limitées à ce qui est nécessaire pour l'exécution de la présente loi:
  1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnel sont désignées par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant, avec une description de leur fonction par rapport au traitement des données à caractère personnel concernées;
  2° la liste des catégories de personnes désignées pour traiter les données à caractère personnel visées aux articles 14 et 15, est tenue à la disposition de l'Autorité de protection des données par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant;
  3° les personnes désignées sont tenues, par une obligation légale ou réglementaire ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données à caractère personnel visées;
  4° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnel contre la destruction accidentelle ou non autorisée, contre la perte accidentelle ainsi que contre la modification ou tout autre traitement non autorisé de ces données à caractère personnel;
  5° la DEIPP et la commune indiquent dans des directives spécifiques concernant la protection des données à caractère personnel, les actions à entreprendre pour protéger, actualiser et supprimer le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
  6° la DEIPP établit un fichier de journalisation au moins pour les traitements suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, y compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
  § 2. Les fichiers de journalisation visés au paragraphe 1er, 6°, permettent d'établir les aspects suivants:
  1° le motif, la date et l'heure de ces traitements;
  2° les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et le numéro de Registre national ou le numéro bis de la personne qui a consulté les données à caractère personnel;
  3° les systèmes qui ont communiqué ces données à caractère personnel;
  4° les catégories de destinataires des données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires des données.
  § 3. Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés au paragraphe 1er, 6°, est de dix ans.
  § 4. Le Roi peut prévoir les mesures techniques et organisationnelles complémentaires appropriées.
HOOFDSTUK 4. - Het advies van de DIOB
CHAPITRE 4. - L'avis de la DEIPP
Afdeling 1. - De adviesaanvraag
Section 1re. - La demande d'avis
Art. 19. Indien de gemeente na het integriteitsonderzoek overeenkomstig artikel 119ter, § 6, van de Nieuwe Gemeentewet van oordeel is dat dit te weinig informatie verschaft om een met redenen omklede beslissing te kunnen nemen, kan zij een adviesaanvraag richten aan de DIOB.
  De gemeente kan in ieder geval slechts de vestigings- of uitbatingsvergunning weigeren, schorsen of opheffen of de inrichting sluiten na het verkrijgen van een advies van de DIOB.
Art. 19. Si la commune, après l'enquête d'intégrité conformément à l'article 119ter, § 6, de la Nouvelle Loi communale estime que celle-ci ne fournit pas suffisamment d'informations pour la prise d'une décision motivée, elle peut adresser une demande d'avis à la DEIPP.
  En tout état de cause, la commune peut uniquement refuser, suspendre ou abroger le permis d'implantation ou d'exploitation ou fermer l'établissement, après avoir obtenu un avis de la DEIPP.
Art. 20. De adviesaanvraag van de gemeente bedoeld in artikel 19 wordt ingediend door de burgemeester of zijn gemachtigde en bevat ten minste:
  1° de identiteit van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van een integriteitsonderzoek bedoeld in artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet;
  2° de omschrijving van het reeds gevoerde integriteitsonderzoek overeenkomstig artikel 119ter, § 6, van de Nieuwe Gemeentewet, desgevallend met inbegrip van het bestuurlijk verslag van het ARIEC;
  3° het "hit/no hit"-resultaat overeenkomstig artikel 11 en, in geval van een "hit"-resultaat, een afschrift van de beslissing van de andere gemeente;
  4° de motivering waarom het in de bepaling onder 2° bedoelde integriteitsonderzoek en het in de bepaling onder 3° bedoelde resultaat informatie opleveren die doet vermoeden dat ofwel verder onderzoek noodzakelijk is om een met redenen omklede beslissing te kunnen nemen, ofwel een weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of een sluiting van de inrichting zich zou opdringen.
  De DIOB beoordeelt of de adviesaanvraag ontvankelijk is overeenkomstig het eerste lid.
  Indien de adviesaanvraag niet ontvankelijk is overeenkomstig het eerste lid, deelt de DIOB dit mee aan de verzoekende gemeente binnen de vijf werkdagen na ontvangst van de adviesaanvraag. In dat geval krijgt de verzoekende gemeente de gelegenheid om de adviesaanvraag aan te vullen met bijkomende informatie binnen de vijf werkdagen na ontvangst van de mededeling van de DIOB dat de adviesaanvraag niet ontvankelijk is.
  Indien de adviesaanvraag na ontvangst van de bijkomende informatie bedoeld in het derde lid nog steeds niet ontvankelijk is overeenkomstig het eerste lid, wijst de DIOB de adviesaanvraag af.
  Indien de adviesaanvraag ontvankelijk is overeenkomstig het eerste lid, bevestigt de DIOB dit aan de verzoekende gemeente, naargelang het geval, binnen de vijf werkdagen na ontvangst van de adviesaanvraag, of binnen de vijf werkdagen na ontvangst van de bijkomende informatie bedoeld in het derde lid.
  De verzoekende gemeente kan in geval van gewijzigde feitelijke omstandigheden een nieuwe adviesaanvraag indienen bij de DIOB.
Art. 20. La demande d'avis de la commune visée à l'article 19 est introduite par le bourgmestre ou son délégué et comporte au moins:
  1° l'identité de la personne physique ou morale faisant l'objet d'une enquête d'intégrité visée à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale;
  2° la description de l'enquête d'intégrité déjà menée conformément à l'article 119ter, § 6, de la Nouvelle Loi communale, y compris, le cas échéant, le rapport administratif du CIEAR;
  3° le résultat "hit/no hit" conformément à l'article 11 et, en cas de résultat "hit", une copie de la décision de l'autre commune;
  4° la motivation pour laquelle l'enquête d'intégrité visée au 2° et le résultat visé au 3° fournissent des informations qui font supposer soit qu'un complément d'enquête est nécessaire pour pouvoir prendre une décision motivée, soit qu'un refus, une suspension ou une abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation ou une fermeture de l'établissement s'imposerait.
  La DEIPP évalue si la demande d'avis est recevable conformément à l'alinéa 1er.
  Si la demande d'avis n'est pas recevable conformément à l'alinéa 1er, la DEIPP le communique à la commune requérante dans les cinq jours ouvrables suivant la réception de la demande d'avis. Dans ce cas, la commune requérante a la possibilité de compléter la demande d'avis avec des informations complémentaires dans les cinq jours ouvrables suivant la réception de la communication de la DEIPP que la demande d'avis n'est pas recevable.
  Si la demande d'avis n'est toujours pas recevable conformément à l'alinéa 1er, après réception des informations complémentaires visées à l'alinéa 3, la DEIPP rejette la demande d'avis.
  Si la demande d'avis est recevable conformément à l'alinéa 1er, la DEIPP le confirme à la commune requérante, selon le cas, dans les cinq jours ouvrables suivant la réception de la demande d'avis ou dans les cinq jours ouvrables suivant la réception des informations complémentaires visées à l'alinéa 3.
  La commune requérante peut, en cas de circonstances factuelles modifiées, soumettre une nouvelle demande d'avis à la DEIPP.
Afdeling 2. - De adviesverlening
Section 2. - La délivrance de l'avis
Art. 21. § 1. In het kader van de adviesverlening kan de DIOB op een met redenen omklede en gerichte wijze, met vermelding van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van de aanvraag, de context van de aanvraag en de finaliteit van de aanwending van de gegevens, de mededeling van de persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 22 verzoeken bij de volgende diensten:
  1° de geïntegreerde politie bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, via het ARIEC;
  2° het Centraal Strafregister bedoeld in artikel 594 van het Wetboek van strafvordering;
  3° de Cel voor financiële informatieverwerking bedoeld in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  4° de Algemene Administraties van de Fiscaliteit, de Bijzondere Belastinginspectie en de Douane en accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën;
  5° de sociale administraties en hun sociale inspectie- diensten;
  6° de economische inspectie;
  7° de Dienst Vreemdelingenzaken van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  8° het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen;
  9° het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.
  Het verzoek van de DIOB aan de geïntegreerde politie vindt enkel plaats indien de gemeente geen beroep deed op het ARIEC in het kader van het integriteitsonderzoek overeenkomstig artikel 119ter § 6, 6°, van de Nieuwe Gemeentewet.
  De diensten bedoeld in het eerste lid delen desgevraagd zo spoedig mogelijk en in elk geval rekening houdend met de termijn bedoeld in artikel 24, § 1, alle gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de DIOB in het kader van de adviesverlening, behoudens indien een reden van zwaarwegend algemeen belang de mededeling in de weg staat of indien de persoonlijke levenssfeer van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van de aanvraag onevenredig zou worden geschaad.
  De gegevens die door de DIOB werden verkregen van de diensten bedoeld in het eerste lid kunnen slechts door de DIOB worden aangewend voor de finaliteit waarvoor de adviesaanvraag werd ingediend.
  Enkel de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid die zijn verwerkt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de adviesaanvraag kunnen worden meegedeeld aan de DIOB.
  § 2. Op diens verzoek ontvangt de verbindingsmagistraat persoonsgegevens en informatie van de gerechtelijke overheden die door deze laatsten in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de adviesaanvraag werden verwerkt.
  De gegevens en informatie die door de DIOB werden verkregen van de gerechtelijke overheden kunnen slechts door de DIOB worden aangewend voor de finaliteit waarvoor de adviesaanvraag werd ingediend en mits naleving van de algemene of specifieke nadere regels zoals bepaald door de gerechtelijke overheden. Indien de mededeling, aanwending en verwerking van de gegevens afkomstig van de gerechtelijke overheden afbreuk kunnen doen aan de uitoefening van de strafvordering, kunnen de gerechtelijke overheden de mededeling van deze gegevens weigeren.
  De verbindingsmagistraat houdt rekening met de reeds door het ARIEC bezorgde gerechtelijke gegevens aan de gemeente. Het advies van de DIOB aan de gemeente bevat enkel de eventueel ontbrekende relevante gerechtelijke gegevens.
  De persoonsgegevens van de gerechtelijke overheden kunnen enkel betrekking hebben op de strafbare feiten bedoeld in artikel 119ter, § 10, vijfde lid, van de Nieuwe Gemeentewet.
  § 3. De DIOB kan om aanvullende gegevens verzoeken bij de verzoekende gemeente of de diensten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
  § 4. De DIOB kan om gegevens verzoeken bij de diensten die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten vallen.
Art. 21. § 1er. Dans le cadre de la délivrance de l'avis, la DEIPP peut demander, de manière motivée et ciblée, en mentionnant la personne physique ou morale faisant l'objet de la demande, le contexte de la demande et la finalité de l'utilisation des données, la communication des données à caractère personnel et des informations visées à l'article 22 auprès des services suivants:
  1° la police intégrée visée par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, par le biais du CIEAR;
  2° le Casier judiciaire central visé à l'article 594 du Code d'instruction criminelle;
  3° la Cellule de traitement des informations financières visée par la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
  4° les Administrations générales de la Fiscalité, de l'Inspection spéciale des Impôts et des Douanes et accises du Service public fédéral Finances;
  5° les administrations sociales et leurs services d'inspection sociale;
  6° l'inspection économique;
  7° l'Office des Etrangers du Service public fédéral Intérieur;
  8° l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire;
  9° l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé.
  La demande de la DEIPP à la police intégrée a lieu uniquement si la commune n'a pas fait appel au CIEAR dans le cadre de l'enquête d'intégrité conformément à l'article 119ter, § 6, 6°, de la Nouvelle Loi communale.
  Les services visés à l'alinéa 1er communiquent sur demande dans les meilleurs délais et dans tous les cas en tenant compte du délai visé à l'article 24, § 1er, toutes les données dont la DEIPP a besoin dans le cadre de la délivrance de l'avis, sauf si un motif d'intérêt général important fait obstacle à cette communication ou si la vie privée de la personne physique ou morale qui fait l'objet de la demande serait atteinte de manière disproportionnée.
  Les données obtenues par la DEIPP auprès des services visés à l'alinéa 1er peuvent seulement être utilisées par la DEIPP pour la finalité pour laquelle la demande d'avis a été introduite.
  Seules les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er qui ont été traitées au cours de la période de cinq ans précédant la demande d'avis peuvent être communiquées à la DEIPP.
  § 2. Le magistrat de liaison reçoit, à sa demande, des données à caractère personnel et des informations de la part des autorités judiciaires qui ont été traitées par ces dernières dans une période de cinq ans précédant la demande d'avis.
  Les données et les informations que la DEIPP a recueillies auprès des autorités judiciaires peuvent seulement être utilisées par la DEIPP pour la finalité pour laquelle la demande d'avis a été introduite et moyennant le respect des modalités générales ou spécifiques telles que fixées par les autorités judiciaires. Si la communication, l'utilisation et le traitement des données provenant des autorités judiciaires sont susceptibles de porter atteinte à l'exercice de l'action publique, les autorités judiciaires peuvent refuser de communiquer ces données.
  Le magistrat de liaison tient compte des informations judiciaires déjà fournies par le CIEAR à la commune. L'avis que remet la DEIPP à la commune contient seulement les informations judiciaires pertinentes éventuellement manquantes.
  Les données à caractère personnel des autorités judiciaires peuvent uniquement concerner les faits punissables visés à l'article 119ter, § 10, alinéa 5, de la Nouvelle Loi communale.
  § 3. La DEIPP peut demander des données complémentaires auprès de la commune requérante ou des services visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  § 4. La DEIPP peut demander des données auprès des services qui relèvent de la compétence des communautés et des régions.
Art. 22. § 1. De categorieën van persoonsgegevens waartoe de DIOB op basis van artikel 21 en de gemeente op basis van artikel 23 toegang krijgen, zijn de volgende:
  1° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 1° : de categorieën van persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5 van de wet op het politieambt, met uitzondering van de in § 1, 1°, § 3, 3°, 4°, 7° en 9° en § 4, 1°, bedoelde categorieën;
  2° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 2° : informatie met betrekking tot:
  a) veroordelingen tot criminele, correctionele of politiestraffen;
  b) genadebesluiten;
  c) bevelen tot internering;
  d) beslissingen in strafzaken die buitenlandse rechtscolleges hebben genomen ten aanzien van Belgen of van rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of exploitatiezetel in België hebben;
  e) hoofdstraffen, bijkomende straffen, vervangende straffen en veiligheidsmaatregelen;
  f) veroordelingen tot eenvoudige schuldigverklaring en de verruimde minnelijke schikking;
  3° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 3° : informatie met betrekking tot het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, wat betreft de gegevens die zijn meegedeeld aan het openbaar ministerie op basis van artikel 82, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  4° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 4° : de fiscale schulden, de vaststellingen van inbreuken die aanleiding hebben gegeven tot vervolging alsook de gerechtelijke en administratieve sanctieprocedures;
  5° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 5° : de sociale schulden, de vaststellingen van inbreuken die aanleiding hebben gegeven tot vervolging alsook de gerechtelijke en administratieve sanctieprocedures;
  6° in het kader van artikel 21, § 1, eerste lid, 6° tot 9° : de vaststellingen van inbreuken die aanleiding hebben gegeven tot vervolging alsook de gerechtelijke en administratieve sanctieprocedures.
  De persoonsgegevens kunnen enkel betrekking hebben op de strafbare feiten bedoeld in artikel 119ter, § 10, vijfde lid, van de Nieuwe Gemeentewet.
  Enkel de persoonsgegevens die zijn verwerkt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de adviesaanvraag worden verwerkt door de DIOB en de verzoekende gemeente.
  § 2. De Koning kan de categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt verder verduidelijken.
Art. 22. § 1er. Les catégories de données à caractère personnel auxquelles ont accès la DEIPP, sur la base de l'article 21, et la commune, sur la base de l'article 23, sont les suivantes:
  1° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 1° : les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 44/5 de la loi sur la fonction de police, à l'exception de celles visées au § 1er, 1°, § 3, 3°, 4°, 7° et 9° et du § 4, 1° ;
  2° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 2° : les informations relatives:
  a) à des condamnations à des peines de nature criminelle, correctionnelle ou policière;
  b) à des arrêtés de grâce;
  c) à des jugements d'internement;
  d) à des décisions rendues en matière pénale prises par des juridictions étrangères à l'égard de Belges ou de personnes morales ayant leur siège social ou leur siège d'exploitation en Belgique;
  e) à des peines principales, peines accessoires, peines de substitution et mesures de sécurité;
  f) à des condamnations par simple déclaration de culpabilité et à une transaction pénale élargie;
  3° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 3° : les informations relatives au blanchiment d'argent et au financement du terrorisme, pour les données qui ont été transmises au ministère public sur la base de l'article 82, § 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
  4° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 4° : les dettes fiscales, les constatations d'infractions qui ont donné lieu à des poursuites ainsi que les procédures de sanctions judiciaires et administratives;
  5° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 5° : les dettes sociales, les constatations d'infractions qui ont donné lieu à des poursuites ainsi que les procédures de sanctions judiciaires et administratives;
  6° dans le cadre de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 6° à 9° : les constatations d'infractions qui ont donné lieu à des poursuites ainsi que les procédures de sanctions judiciaires et administratives.
  Les données à caractère personnel peuvent uniquement concerner les faits punissables visés à l'article 119ter, § 10, alinéa 5, de la Nouvelle Loi communale.
  Seules les données à caractère personnel traitées au cours de la période de cinq années précédant la demande d'avis sont traitées par la DEIPP et la commune requérante.
  § 2. Le Roi peut préciser davantage les catégories de données à caractère personnel qui sont traitées.
Art. 23. Bij het verlenen van het advies dat betrekking heeft op het integriteitsonderzoek bedoeld in artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet, verleent de DIOB op met redenen omklede wijze haar advies en deelt de DIOB aan de gemeente enkel die persoonsgegevens mee die noodzakelijk zijn om het met redenen omklede advies aan de gemeente te kunnen verlenen.
Art. 23. Lors de la délivrance de l'avis relatif à l'enquête d'intégrité visée à l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale, la DEIPP donne son avis de manière motivée et communique à la commune uniquement les données à caractère personnel qui sont nécessaires pour pouvoir délivrer l'avis motivé à la commune.
Art. 24. § 1. De DIOB verstrekt zo spoedig mogelijk na de adviesaanvraag en uiterlijk binnen dertig werkdagen een met redenen omkleed advies aan de verzoekende gemeente. De termijn vangt aan op de dag nadat de DIOB de ontvankelijkheid van de adviesaanvraag overeenkomstig artikel 20 heeft bevestigd.
  § 2. Het advies mag geen gegevens vermelden waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan, in het bijzonder:
  1° de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen;
  2° de vervulling van de opdrachten van de strijd- krachten;
  3° de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde;
  4° de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen;
  5° het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land of elk ander fundamenteel belang van de Staat;
  6° de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland;
  7° de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat;
  8° de bescherming van de bronnen;
  9° geclassificeerde informatie in het kader van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen; of
  10° het geheim van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden.
Art. 24. § 1er. La DEIPP fournit un avis motivé à la commune requérante dans les meilleurs délais suivant la demande d'avis, et au plus tard dans les trente jours ouvrables. Le délai prend cours le jour suivant la confirmation par la DEIPP de la recevabilité de la demande d'avis, conformément à l'article 20.
  § 2. L'avis ne peut pas mentionner de données dont la communication pourrait porter préjudice, en particulier:
  1° à la défense de l'inviolabilité du territoire national et des plans de défense militaire;
  2° à la mise en oeuvre des missions des forces armées;
  3° à la sécurité intérieure de l'Etat, en ce compris le domaine de l'énergie nucléaire, et à la sauvegarde de l'ordre démocratique et constitutionnel;
  4° à la sécurité extérieure de l'Etat et aux relations internationales;
  5° au potentiel scientifique et économique du pays ou tout autre intérêt fondamental de l'Etat;
  6° à la sécurité des ressortissants belges à l'étranger;
  7° au fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat;
  8° à la protection des sources;
  9° à des informations classifiées dans le cadre de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité; ou
  10° au secret d'une information ou d'une instruction judiciaire en cours ou à la protection de la vie privée de tiers.
Afdeling 3. - De verwerking van persoonsgegevens door de DIOB in het kader van de risicoanalyse en de adviesverlening
Section 3. - Le traitement des données à caractère personnel par la DEIPP dans le cadre de l'analyse de risques et la délivrance d'avis
Art. 25. § 1. De verwerking van persoonsgegevens door de DIOB strekt ertoe om:
  1° een risicoanalyse op te stellen over de economische sectoren en activiteiten overeenkomstig artikel 6, § 1, waarbinnen ondermijnende criminaliteit zich kan manifesteren;
  2° het met redenen omkleed advies bedoeld in artikel 23 te verlenen.
  § 2. In het kader van de opdrachten zoals omschreven in paragraaf 1 worden de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt door de DIOB:
  1° de identiteitsgegevens van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van de adviesaanvraag: de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres en het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
  2° het "hit/no hit"-resultaat overeenkomstig artikel 11 en, in geval van een "hit"-resultaat, een afschrift van de beslissing van de andere gemeente;
  3° de persoonsgegevens waartoe de DIOB toegang heeft op basis van artikel 22, met betrekking tot de natuurlijke persoon of de rechtspersoon of daarmee gerelateerde natuurlijke personen of rechtspersonen die het voorwerp uitmaken van de adviesaanvraag;
  4° de bestuurlijke verslagen van het ARIEC gericht aan de gemeente overeenkomstig artikel 20, eerste lid, 2°.
  De bewaartermijn voor de persoonsgegevens die in dit kader worden verwerkt bedraagt vijf jaar.
  § 3. De categorieën van persoonsgegevens waartoe de DIOB toegang heeft krachtens paragrafen 1 en 2 kunnen onder meer persoonsgegevens betreffen waarnaar wordt verwezen in artikel 10 van Verordening (EU) 2016/679. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden verwerkt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1.
  § 4. Bij de verwerking van persoonsgegevens bedoeld in de paragrafen 2 en 3 zijn de volgende technische en organisatorische maatregelen inzake de bescherming van persoonsgegevens van toepassing om te verzekeren dat de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:
  1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker aangewezen, met een beschrijving van hun functie bij de verwerking van de betrokken persoonsgegevens;
  2° de lijst van categorieën van personen die zijn aangewezen om de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, wordt door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  3° de aangewezen personen zijn door een wettelijke of reglementaire verplichting, of een gelijkwaardige contractuele bepaling, verplicht om het vertrouwelijke karakter van de bedoelde persoonsgegevens in acht te nemen;
  4° voor zover mogelijk wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de categorieën van persoonsgegevens bedoeld in de paragrafen 2 en 3;
  5° de gepaste technische of organisatorische maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens te beschermen tegen toevallige of niet-toegestane vernietiging, tegen toevallig verlies en tegen wijziging of elke andere niet-toegestane verwerking van die persoonsgegevens;
  6° de DIOB geeft in specifieke richtlijnen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens aan welke acties moeten worden ondernomen om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen, te actualiseren en te verwijderen;
  7° de DIOB legt ten minste voor de volgende verwerkingen een logbestand aan: verzameling, wijziging, raadpleging, bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
  Bij een verzoek tot mededeling van persoonsgegevens kan de DIOB aan de diensten en overheden bedoeld in artikel 21 een minimum aan identificatiegegevens meedelen, om de ontvangst van de verzochte gegevens mogelijk te maken. Deze identificatiegegevens zijn in ieder geval beperkt tot de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres, het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer van de natuurlijke persoon en/of rechtspersoon van de betrokkene.
  De logbestanden bedoeld in het eerste lid, 7°, worden gebruikt om de volgende aspecten te achterhalen:
  1° de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
  2° de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en het Rijksregisternummer of het bisnummer van de persoon die deze gegevens heeft geraadpleegd;
  3° de systemen die deze persoonsgegevens hebben meegedeeld;
  4° de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van de gegevens.
  De bewaartermijn voor de logbestanden bedoeld in het eerste lid, 7°, bedraagt tien jaar.
  De Koning kan in bijkomende gepaste technische en organisatorische maatregelen voorzien.
  § 5. De Koning kan de categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt verder verduidelijken.
Art. 25. § 1er. Le traitement de données à caractère personnel par la DEIPP vise à:
  1° établir une analyse de risques des secteurs et activités économiques conformément à l'article 6, § 1er, au sein desquels la criminalité déstabilisante peut se manifester;
  2° délivrer l'avis motivé visé à l'article 23.
  § 2. Dans le cadre des missions décrites au paragraphe 1er, la DEIPP traite les catégories suivantes de données à caractère personnel:
  1° les données d'identification de la personne physique ou morale faisant l'objet de la demande d'avis: le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse et le numéro de Registre national ou le numéro bis ainsi que le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement;
  2° le résultat "hit/no hit" conformément à l'article 11 et, en cas de résultat "hit", une copie de la décision de l'autre commune;
  3° les données à caractère personnel auxquelles la DEIPP a accès sur la base de l'article 22, relatives à la personne physique ou morale ou aux personnes physiques ou morales qui y sont liées, qui font l'objet de la demande d'avis;
  4° les rapports administratifs du CIEAR adressés à la commune conformément à l'article 20, alinéa 1er, 2°.
  Le délai de conservation des données à caractère personnel traitées dans ce cadre est de cinq ans.
  § 3. Les catégories de données à caractère personnel auxquelles la DEIPP a accès en vertu des paragraphes 1er et 2 peuvent notamment concerner les données personnelles auxquelles il est fait référence à l'article 10 du règlement (UE) 2016/679. Ces données peuvent uniquement être traitées lorsque le traitement est nécessaire à la bonne exécution des missions visées au paragraphe 1er.
  § 4. Lors du traitement de données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, les mesures techniques et organisationnelles suivantes en matière de protection des données à caractère personnel s'appliquent pour s'assurer que l'accès aux données et les possibilités de traitement sont limitées à ce qui est nécessaire pour l'exécution de la présente loi:
  1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnel sont désignées par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant, avec une description de leur fonction par rapport au traitement des données à caractère personnel concernées;
  2° la liste des catégories de personnes désignées pour traiter les données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, est tenue à la disposition de l'Autorité de protection des données par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant;
  3° les personnes désignées sont tenues, par une obligation légale ou réglementaire ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données à caractère personnel visées;
  4° dans la mesure du possible, une distinction claire est opérée entre les catégories de données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3;
  5° les mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnel contre la destruction accidentelle ou non autorisée, contre la perte accidentelle ainsi que contre la modification ou tout autre traitement non autorisé de ces données à caractère personnel;
  6° la DEIPP indique dans des directives spécifiques concernant la protection des données à caractère personnel, les actions à entreprendre pour protéger, actualiser et supprimer le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
  7° la DEIPP établit un fichier de journalisation au moins pour les traitements suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, y compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
  Dans le cadre d'une demande de communication de données à caractère personnel, la DEIPP peut transmettre aux services et autorités visés à l'article 21 un minimum de données d'identification, pour permettre la réception des données demandées. Ces données d'identification se limitent en tout état de cause au nom, au prénom, à la date de naissance, à l'adresse, au numéro de Registre national ou au numéro bis, ainsi qu'au numéro d'entreprise et au numéro d'établissement de la personne physique et/ou morale de la personne concernée.
  Les fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 7°, permettent d'établir les aspects suivants:
  1° le motif, la date et l'heure de ces traitements;
  2° les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel, ainsi que le numéro de Registre national ou le numéro bis de la personne qui a consulté ces données;
  3° les systèmes qui ont communiqué ces données à caractère personnel;
  4° les catégories de destinataires des données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires de ces données.
  Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 7°, est de dix ans.
  Le Roi peut prévoir les mesures techniques et organisationnelles complémentaires appropriées.
  § 5. Le Roi peut préciser davantage les catégories de données à caractère personnel qui sont traitées.
Art. 26. § 1. Het dossier inzake de adviesverlening omvat de volgende elementen:
  1° de gegevens met betrekking tot de adviesaanvraag bedoeld in artikel 20, eerste en derde lid;
  2° de beslissing van de DIOB wat de ontvankelijkheid van de adviesaanvraag betreft, overeenkomstig artikel 20, vijfde lid;
  3° de verzoeken om gegevens overeenkomstig artikel 21 en de gegevens die aldus werden meegedeeld, evenals de aanleverende dienst of overheid;
  4° de motivering wat betreft het te beschermen belang, met inachtneming van artikel 24, § 2;
  5° het naar de verzoekende gemeente doorgestuurde met redenen omklede advies.
  Het dossier is enkel toegankelijk voor de personeelsleden aangewezen door de directeur van de DIOB indien het noodzakelijk is om er kennis van te nemen, en voor de gerechtelijke overheden in het kader van de opsporing en vervolging van misdrijven, onverminderd de rechten toegekend door hoofdstuk 3 van de Verordening (EU) 2016/679 en titel II, hoofdstuk 3, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en rekening houdend met de beperkingen bedoeld in artikel 29.
  § 2. Na het versturen van het met redenen omklede advies naar de verzoekende gemeente wordt het dossier onverwijld gearchiveerd.
  De gearchiveerde gegevens zijn enkel toegankelijk voor de directeur van de DIOB of voor de door de directeur aangewezen personeelsleden, op basis van een specifieke motivering in het kader van de verdediging in rechte, en voor de gerechtelijke overheden in het kader van de opsporing en vervolging van misdrijven, onverminderd de rechten toegekend door hoofdstuk 3 van de Verordening (EU) 2016/679 en titel II, hoofdstuk 3 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en rekening houdend met de beperkingen bedoeld in artikel 29.
  § 3. Na de termijn van één jaar na de archivering wordt het dossier vernietigd, met uitzondering van het aan de verzoekende gemeente verstuurde met redenen omklede advies, dat na drie jaar wordt vernietigd.
Art. 26. § 1er. Le dossier de la délivrance de l'avis contient les éléments suivants:
  1° les données relatives à la demande d'avis visées à l'article 20, alinéas 1eret 3;
  2° la décision de la DEIPP quant à la recevabilité de la demande d'avis, conformément à l'article 20, alinéa 5;
  3° les demandes de données conformément à l'article 21 et les données qui ont ainsi été communiquées, ainsi que le service ou l'autorité qui les ont fournies;
  4° la motivation concernant l'intérêt à protéger, dans le respect de l'article 24, § 2;
  5° l'avis motivé envoyé à la commune requérante.
  Le dossier est uniquement accessible aux membres du personnel désignés par le directeur de la DEIPP, s'il est nécessaire d'en prendre connaissance, ainsi qu'aux autorités judiciaires dans le cadre de la recherche et de la poursuite d'infractions, sans préjudice des droits accordés par le chapitre 3 du règlement (UE) 2016/679 et le titre II, chapitre 3, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, et en tenant compte des limitations visées à l'article 29.
  § 2. Après l'envoi de l'avis motivé à la commune requérante, le dossier est archivé sans délai.
  Les données archivées sont uniquement accessibles au directeur de la DEIPP ou aux membres du personnel désignés par celui-ci, sur la base d'une motivation spécifique dans le cadre de la défense en justice ainsi qu'aux autorités judiciaires dans le cadre de la recherche et de la poursuite d'infractions, sans préjudice des droits accordés par le chapitre 3 du règlement (UE) 2016/679 et le titre II, chapitre 3 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, et en tenant compte des limitations visées à l'article 29.
  § 3. Après le délai d'un an suivant l'archivage, le dossier est détruit, à l'exception de l'avis motivé envoyé à la commune requérante, qui est détruit après trois ans.
Art. 27. § 1. Het dossier inzake de risicoanalyse omvat de volgende elementen:
  1° de gegevens met betrekking tot de adviesaanvragen bedoeld in artikel 20, eerste lid;
  2° de gegevens die werden meegedeeld overeenkomstig artikel 21, evenals de aanleverende dienst of overheid;
  3° de aan de verzoekende gemeente verzonden met redenen omklede adviezen.
  Het dossier is enkel toegankelijk voor de personeelsleden aangewezen door de directeur van de DIOB indien het noodzakelijk is om er kennis van te nemen, alsook voor de gerechtelijke overheden in het kader van de opsporing en vervolging van misdrijven onverminderd de rechten toegekend door hoofdstuk 3 van de Verordening (EU) 2016/679 en titel II, hoofdstuk 3, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en rekening houdend met de beperkingen bedoeld in artikel 29.
  Enkel de persoonsgegevens die zijn verwerkt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de risicoanalyse worden verwerkt door de DIOB.
  § 2. Na het versturen van de risicoanalyse naar de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie overeenkomstig artikel 6, § 2, wordt het dossier onverwijld gearchiveerd.
  De gearchiveerde gegevens zijn enkel toegankelijk voor de directeur van de DIOB, of voor de door de directeur aangewezen personeelsleden, op basis van een specifieke motivering in het kader van de verdediging in rechte, en voor de gerechtelijke overheden in het kader van de opsporing en vervolging van misdrijven onverminderd de rechten toegekend door hoofdstuk 3, van de Verordening (EU) 2016/679 en titel II, hoofdstuk 3 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en rekening houdend met de beperkingen bedoeld in artikel 29.
  Na de termijn van één jaar na de archivering wordt het dossier vernietigd, met uitzondering van het aan de verzoekende gemeente verstuurde met redenen omklede advies, dat na drie jaar wordt vernietigd.
Art. 27. § 1er. Le dossier relatif à l'analyse de risques contient les éléments suivants:
  1° les données relatives aux demandes d'avis visées à l'article 20, alinéa 1er;
  2° les données communiquées conformément à l'article 21, ainsi que le service ou l'autorité qui les ont fournies;
  3° les avis motivés envoyés à la commune requérante.
  Le dossier est uniquement accessible aux membres du personnel désignés par le directeur de la DEIPP, s'il est nécessaire d'en prendre connaissance, ainsi qu'aux autorités judiciaires dans le cadre de la recherche et de la poursuite d'infractions, sans préjudice des droits accordés par le chapitre 3 du règlement (UE) 2016/679 et le titre II, chapitre 3, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, et en tenant compte des limitations visées à l'article 29.
  Seules les données à caractère personnel traitées au cours de la période de cinq années précédant l'analyse de risques sont traitées par la DEIPP.
  § 2. Après l'envoi de l'analyse de risques au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et au ministre qui a la Justice dans ses attributions conformément à l'article 6, § 2, le dossier est archivé sans délai.
  Les données archivées sont uniquement accessibles au directeur de la DEIPP, ou aux membres du personnel désignés par le directeur, sur la base d'une motivation spécifique dans le cadre de la défense en justice ainsi qu'aux autorités judiciaires dans le cadre recherche et de la poursuite d'infractions, sans préjudice des droits accordés par le chapitre 3 du règlement (UE) 2016/679 et le titre II, chapitre 3, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, et en tenant compte des limitations visées à l'article 29.
  Après le délai d'un an suivant l'archivage, le dossier est détruit, à l'exception de l'avis motivé envoyé à la commune requérante, qui est détruit après trois ans.
Art. 28. De directeur van de DIOB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd door de DIOB.
Art. 28. Le directeur de la DEIPP est le responsable du traitement des données à caractère personnel effectué par la DEIPP.
Afdeling 4. - Beperkingen van rechten bij de verwerking van persoonsgegevens door de DIOB
Section 4. - Limitations des droits lors du traitement de données à caractère personnel par la DEIPP
Art. 29. § 1. Wanneer de DIOB gegevens verwerkt van personen die het voorwerp uitmaken van een integriteitsonderzoek, kunnen de rechten van deze personen onderhevig zijn aan beperkingen, voor zover en voor zolang het goede verloop van het integriteits-, opsporings- of gerechtelijk onderzoek zou worden geschaad indien deze rechten zouden worden uitgeoefend. De beperkingen gelden enkel gedurende de periode waarin de persoon het voorwerp uitmaakt van een integriteitsonderzoek uitgevoerd door de gemeente met toepassing van artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet alsook gedurende de periode waarin de gegevens worden verwerkt om een beslissing bedoeld in artikel 119ter, §§ 8 en 9, van de Nieuwe Gemeentewet te kunnen nemen, en uiterlijk tot op het moment van een definitieve beslissing van de gemeente.
  § 2. Onverminderd andersluidende bepalingen in specifieke wetten kan het recht op inzage en wissing van de persoonsgegevens door de DIOB worden beperkt indien dat noodzakelijk is om te voldoen aan de bescherming zoals voorzien in paragraaf 1, zonder dat dit evenwel de rechten van de betrokkene disproportioneel mag beperken.
  De beperking heeft evenwel niet tot gevolg dat diensten die reeds over deze gegevens beschikken ook de toegang tot deze gegevens dienen te beperken. De DIOB kan evenwel, indien zij dat noodzakelijk acht, beperkingen opleggen met betrekking tot de toegang tot de oorspronkelijke documenten gedurende de looptijd van de onderzoeken bedoeld in paragraaf 1, zonder dat dit evenwel de rechten van de betrokkene disproportioneel mag beperken.
  § 3. Alle categorieën van persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 22 en 25 kunnen het voorwerp uitmaken van de beperkingen zoals voorzien in dit artikel.
  § 4. De functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld en in elk geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek, over elke weigering of beperking voorzien in dit artikel, evenals over de redenen van deze weigering of beperking, behoudens in de gevallen waar bijzondere wetgeving het niet toelaat dat de betrokkene op de hoogte wordt gebracht.
  Naargelang de complexiteit van de verzoeken en het aantal verzoeken kan deze termijn, indien nodig, worden verlengd met één maand. Binnen één maand na ontvangst van het verzoek informeert de functionaris voor gegevensbescherming de betrokkene over deze verlenging en de reden daarvoor.
  De functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene op de hoogte van de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit en om een beroep in rechte in te stellen, behoudens in de gevallen waarbij bijzondere wetgeving niet toelaat dat de betrokkene op de hoogte wordt gebracht. De functionaris voor gegevensbescherming vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop diens beslissing berust. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
Art. 29. § 1er. Lorsque la DEIPP traite des données de personnes qui font l'objet d'une enquête d'intégrité, les droits de ces personnes peuvent être soumis à des limitations, dans la mesure et aussi longtemps qu'il serait porté atteinte au bon déroulement de l'enquête d'intégrité, de l'information ou de l'instruction judiciaire, si ces droits étaient exercés. Les limitations s'appliquent seulement pendant la période où la personne fait l'objet d'une enquête d'intégrité réalisée par la commune en application de l'article 119ter de la Nouvelle Loi communale et pendant la période où les données sont traitées afin de pouvoir prendre une décision visée à l'article 119ter, §§ 8 et 9, de la Nouvelle Loi communale et, au plus tard, jusqu'au moment d'une décision finale de la commune.
  § 2. Sauf dispositions contraires dans des lois spécifiques, le droit d'accès et le droit à l'effacement des données à caractère personnel peuvent être limités par la DEIPP si cela est nécessaire pour respecter la protection telle que prévue au paragraphe 1er, sans que cela puisse toutefois limiter de manière disproportionnée les droits de la personne concernée.
  La limitation n'a toutefois pas pour effet que les services qui disposent déjà de ces données doivent également limiter l'accès à ces données. La DEIPP peut toutefois, si elle le juge nécessaire, imposer des limitations à l'accès aux documents originaux pendant la durée des enquêtes visées au paragraphe 1er, sans que cela puisse toutefois limiter de manière disproportionnée les droits de la personne concernée.
  § 3. Toutes les catégories de données à caractère personnel visées aux articles 22 et 25 peuvent être soumises aux limitations prévues par le présent article.
  § 4. Le délégué à la protection des données informe la personne concernée par écrit, sans délai et, en tout état de cause, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation prévus par le présent article, ainsi que des motifs de ce refus ou de cette limitation, sauf dans les cas où une législation spéciale ne permet pas d'informer la personne concernée.
  En fonction de la complexité et du nombre des demandes, ce délai peut être prolongé, si nécessaire, d'un mois. Dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, le délégué à la protection des données informe la personne concernée de cette prolongation et de la raison de celle-ci.
  Le délégué à la protection des données informe la personne concernée de la possibilité d'introduire une plainte auprès de l'autorité de contrôle compétente et de former un recours juridictionnel, sauf dans les cas où une législation spéciale ne permet pas d'informer la personne concernée. Le délégué à la protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde sa décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'autorité de contrôle compétente.
HOOFDSTUK 5. - Geheimhouding
CHAPITRE 5. - Confidentialité
Art. 30. § 1. Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen zijn de personeelsleden van de DIOB gebonden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek en mogen zij geen enkele vorm van informatie of persoonsgegevens bekendmaken of meedelen. Het beroepsgeheim blijft bestaan zelfs wanneer de personeelsleden de DIOB hebben verlaten of de medewerking hebben stopgezet.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 en onverminderd artikel 24, § 2, deelt de DIOB op eigen initiatief alle bevindingen mee aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, aan de Veiligheid van de Staat, aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, aan de Cel voor financiële informatieverwerking en aan de geïntegreerde politie bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, waarover de DIOB beschikt in het kader van extremisme, terrorisme en financiering van terrorisme of die nuttig zouden kunnen zijn voor de uitvoering van de opdracht van die diensten.
  In afwijking van paragraaf 1 en onverminderd artikel 24, § 2, deelt de DIOB, op verzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Cel voor financiële informatieverwerking en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse alle gegevens mee die nuttig zouden kunnen zijn voor de uitvoering van hun opdrachten.
  In afwijking van paragraaf 1 en onverminderd artikel 24, § 2, deelt de DIOB op verzoek van de gerechtelijke overheden in het kader van het opsporing-, gerechtelijk of strafuitvoeringsonderzoek de gevraagde gegevens mee. De DIOB deelt de gerechtelijke overheden op eigen initiatief alle gegevens mee die nuttig zouden kunnen zijn voor de uitvoering van hun opdrachten.
Art. 30. § 1er. Sous réserve de dispositions contraires, les membres du personnel de la DEIPP sont tenus au secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal et ne peuvent divulguer ou communiquer aucune forme d'information ou de données à caractère personnel. Le secret professionnel demeure même lorsque les membres du personnel ont quitté la DEIPP ou ont mis fin à la collaboration.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er et sans préjudice de l'article 24, § 2, la DEIPP communique de sa propre initiative à l'Organe de Coordination pour l'Analyse de la Menace, à la Sûreté de l'Etat, au Service Général du Renseignement et de la Sécurité des Forces armées, à la Cellule de traitement des informations financières et à la police intégrée visée par la loi du 7 décembre 1998 portant organisation d'un service de police intégré, structuré à deux niveaux, toutes les constatations dont la DEIPP dispose dans le cadre de l'extrémisme, du terrorisme et du financement du terrorisme ou qui pourraient être utiles pour l'exécution de la mission de ces services.
  Par dérogation au paragraphe 1er et sans préjudice de l'article 24, § 2, la DEIPP communique, à la demande des services de renseignement et de sécurité, de la Cellule de traitement des informations financières et de l'Organe de Coordination pour l'Analyse de la Menace, toutes les données qui pourraient être utiles pour l'exécution de leurs missions.
  Par dérogation au paragraphe 1er et sans préjudice de l'article 24, § 2, la DEIPP communique à la demande des autorités judiciaires les données demandées dans le cadre de l'information, de l'instruction ou de l'enquête pénale d'exécution. La DEIPP communique de sa propre initiative aux autorités judiciaires toutes les données qui pourraient être utiles pour l'exécution de leurs missions.
HOOFDSTUK 6. - Internationale samenwerking
CHAPITRE 6. - Coopération internationale
Art. 31. De DIOB kan zich aansluiten bij internationale netwerken bestaande uit buitenlandse gelijksoortige instellingen en kan samenwerkingsakkoorden sluiten met buitenlandse gelijksoortige instellingen die verband houden met de uitoefening van de opdrachten van de DIOB.
  De DIOB kan met deze instellingen en netwerken samenwerken overeenkomstig de verdragsrechtelijke, supranationale en wettelijke regels, onder andere met het oog op:
  1° de uitwisseling van goede praktijken;
  2° thematische vormingen.
Art. 31. La DEIPP peut adhérer à des réseaux internationaux d'institutions étrangères analogues et conclure des accords de coopération avec des organisations étrangères analogues qui ont un lien avec l'exercice des missions de la DEIPP.
  La DEIPP peut coopérer avec ces institutions et réseaux conformément aux règles conventionnelles, supranationales et légales, entre autres en vue de:
  1° l'échange de bonnes pratiques;
  2° formations thématiques.
TITEL 3. - Oprichting van arrondissementele informatie- en expertisecentra
TITRE 3. - Création de Centres d'Information et d'Expertise d'Arrondissement
HOOFDSTUK 1. - Oprichting
CHAPITRE 1er. - Création
Art. 32. Bij elke coördinatie- en steundirectie van de federale politie wordt een Arrondissementeel Informatie- en Expertisecentrum, hierna ARIEC genoemd, ingericht. De bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie staat in voor het dagelijks beheer van het ARIEC. De functionele aansturing gebeurt in nauw overleg met de gerechtelijke directeur.
Art. 32. Un Centre d'Information et d'Expertise d'Arrondissement, ci-après dénommé CIEAR, est mis en place dans chaque direction de coordination et d'appui de la police fédérale. Le directeur-coordinateur administratif de la police fédérale est responsable de la gestion quotidienne du CIEAR. La gestion fonctionnelle se fait en étroite concertation avec le directeur judiciaire.
Art. 33. De bestuurlijke directeur-coördinator wijst, rekening houdend met de behoeften, de vaste medewerkers van het ARIEC aan binnen het personeelskader van de betrokken coördinatie- en steundirectie.
Art. 33. Le directeur-coordinateur administratif désigne, compte tenu des besoins, des agents permanents du CIEAR dans le cadre du personnel de la direction de coordination et d'appui concernée.
HOOFDSTUK 2. - De opdrachten en werking van het ARIEC
CHAPITRE 2. - Les missions et le fonctionnement du CIEAR
Art. 34. § 1. Het ARIEC biedt in het kader van deze wet onder meer ondersteuning in het kader van de bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit.
  § 2. Het ARIEC adviseert de DIOB in het kader van de adviesverlening overeenkomstig artikel 21 en de gemeenten in het kader van het integriteitsonderzoek overeenkomstig artikel 119ter, § 6, van de Nieuwe Gemeentewet.
  Desgevallend staat het ARIEC de gemeenten bij in het kader van het beperken van het geografische toepassingsgebied van de gemeentelijke politieverordening overeenkomstig artikel 119ter, § 1, tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 34. § 1er. Dans le cadre de la présente loi, le CIEAR offre entre autres un soutien dans le cadre de l'approche administrative de la criminalité déstabilisante.
  § 2. Le CIEAR conseille la DEIPP dans le cadre de la délivrance d'avis conformément à l'article 21, et les communes dans le cadre de l'enquête d'intégrité conformément à l'article 119ter, § 6, de la Nouvelle Loi communale.
  Le cas échéant, le CIEAR assiste les communes dans le cadre de la limitation du champ d'application géographique de l'ordonnance de police communale, conformément à l'article 119ter, § 1er, alinéa 2, de la Nouvelle Loi communale.
TITEL 4. - Wijzigingen van de nieuwe gemeentewet
TITRE 4. - Modifications de la Nouvelle Loi communale
HOOFDSTUK 1. - Het integriteitsonderzoek
CHAPITRE 1er. - L'enquête d'intégrité
Art. 35. Artikel 119ter van de Nieuwe Gemeentewet van 2 juni 1988, opgeheven bij de wet van 24 juni 2013, wordt hersteld als volgt:
  "Art. 119ter. § 1. Op grond van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 6, § 3, van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, en onverminderd artikel 135, § 2, kan de gemeenteraad, mits motivering en voorafgaande risicoanalyse, een gemeentelijke politieverordening uitvaardigen met het oog op het tegengaan van ondermijnende criminaliteit.
  De gemeentelijke politieverordening bedoeld in het eerste lid bepaalt de economische sectoren en activiteiten waarvoor en het geografische gebied waarin de gemeente een integriteitsonderzoek zal voeren. Indien het geografische toepassingsgebied van de gemeentelijke politieverordening voor een bepaalde economische sector of activiteit slechts een deel van het grondgebied betreft, dient de gemeente daaromtrent een advies van het ARIEC te verkrijgen, dat bindend is. De zonale veiligheidsraad, bedoeld in artikel 35 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de betrokken zone wordt geïnformeerd van de analyse van het ARIEC betreffende de geografische beperking.
  Indien de gemeente een gemeentelijke politieverordening uitvaardigde, is deze verplicht een integriteitsonderzoek te voeren met betrekking tot de vestiging of uitbating van alle publiek toegankelijke inrichtingen die behoren tot de economische sectoren en/of activiteiten en gelegen zijn in de geografische gebieden, zoals bepaald in de gemeentelijke politieverordening.
  De gemeentelijke politieverordening bepaalt per economische sector of activiteit binnen welke redelijke termijn de gemeente de integriteitsonderzoeken naar die gekozen economische sectoren of activiteiten zal opstarten en/of beëindigen.
  § 2. Het integriteitsonderzoek heeft betrekking op de vestiging of uitbating van publiek toegankelijke inrichtingen.
  Het integriteitsonderzoek voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
  1° het is niet discriminatoir;
  2° het is duidelijk, ondubbelzinnig en objectief;
  3° het wordt op transparante wijze uitgevoerd.
  Het integriteitsonderzoek wordt opgestart en uitgevoerd na besluit van de burgemeester, en onder zijn gezag en verantwoordelijkheid.
  De gemeente is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens.
  § 3. De burgemeester wijst de personeelsleden van de gemeente aan die zijn belast met het integriteitsonderzoek. Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen zijn deze personeelsleden voor de handelingen die ze stellen in het kader van het integriteitsonderzoek gebonden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
  Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen, zijn het college van burgemeester en schepenen en het gemeentecollege voor wat betreft de resultaten van het integriteitsonderzoek gebonden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. Het integriteitsonderzoek wordt gevoerd binnen een termijn van vijftig werkdagen, die aanvangt op de eerste werkdag volgend op het besluit van de burgemeester bedoeld in paragraaf 2, derde lid. De termijn kan eenmaal worden verlengd met dertig werkdagen.
  § 5. Het integriteitsonderzoek heeft enkel betrekking op de personen die in rechte of in feite zijn of zullen zijn belast met de uitbating van de publiek toegankelijke inrichtingen die behoren tot de economische sectoren en/of activiteiten zoals bepaald in de gemeentelijke politieverordening bedoeld in paragraaf 1.
  De personen bedoeld in het eerste lid kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn.
  Het integriteitsonderzoek kan, mits motivering, door de gemeente worden uitgebreid tot de volgende personen die één of meerdere strafbare feiten, bedoeld in paragraaf 10, hebben gepleegd of ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij één of meerdere strafbare feiten, bedoeld in paragraaf 10, hebben gepleegd of zullen plegen:
  1° natuurlijke personen of rechtspersonen aan wie de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating, leiding geeft of heeft gegeven;
  2° natuurlijke personen of rechtspersonen die in rechte of in feite een dominante positie innemen tegenover de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating;
  3° natuurlijke personen of rechtspersonen die direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft aan de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating;
  4° elke andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in rechte betrokken is bij de vestiging of uitbating.
  De uitbreiding bedoeld in het derde lid steunt op werkelijk bestaande, concrete, verifieerbare feiten of omstandigheden die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid worden vastgesteld.
  In geval van gewijzigde feitelijke omstandigheden betreffende de personen bedoeld in deze paragraaf, kan tot een nieuw integriteitsonderzoek worden beslist dat in voorkomend geval kan leiden tot de weigering, schorsing of opheffing van de desbetreffende vestigings- of uitbatingsvergunning bedoeld in paragraaf 8 dan wel de sluiting van de inrichting bedoeld in paragraaf 9.
  § 6. Het integriteitsonderzoek houdt in dat de gemeente:
  1° in elk geval een consultatie verricht van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen;
  2° een advies kan vragen aan en ontvangen van de lokale politie;
  3° een consultatie kan verrichten van alle eigen relevante gemeentelijke gegevensbanken en diensten;
  4° een consultatie kan verrichten van het strafregister overeenkomstig de artikelen 595 en 596 van het Wetboek van strafvordering;
  5° een consultatie kan verrichten van alle publiek toegankelijke gegevensbanken, met inbegrip van de publiek gemaakte gegevens op sociale media;
  6° het ARIEC bedoeld in artikel 32 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen kan consulteren;
  7° de gerechtelijke overheden kan consulteren.
  Het ARIEC kan in het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, middels een bestuurlijk verslag relevante politionele en gerechtelijke gegevens bezorgen aan de gemeente.
  De burgemeester kan overeenkomstig artikel 458ter van het Strafwetboek een casusoverleg organiseren met het oog op het tegengaan van de misdrijven gepleegd in het kader van een criminele organisatie. De procureur des Konings kan deel uitmaken van het casusoverleg. De overige deelnemers worden bepaald door de burgemeester, afhankelijk van de concrete noodzaak.
  Deelnemers aan het casusoverleg kunnen overeenkomstig artikel 458ter van het Strafwetboek slechts informatie delen voor zover die informatie relevant en proportioneel is in functie van de finaliteit van het casusoverleg.
  § 7. Indien de informatie uit de in paragraaf 6 bedoelde consultaties uitwijst dat verder onderzoek noodzakelijk is, kan een advies worden gevraagd aan de DIOB, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen. Het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege kan de vestigings- of uitbatingsvergunning in ieder geval slechts weigeren, schorsen of opheffen of de inrichting sluiten na het verkrijgen van een advies van de DIOB bedoeld in artikel 23 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen.
  § 8. Indien de vestiging of uitbating door de gemeenteraad is onderworpen aan een vestigings- of uitbatingsvergunning, kan het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, op voorstel van de burgemeester, zich baseren op de resultaten van het integriteitsonderzoek om die vestigings- of uitbatingsvergunning met betrekking tot de publiek toegankelijke inrichting te weigeren, te schorsen voor maximum zes maanden of op te heffen. De beslissing tot weigering, schorsing of opheffing wordt met redenen omkleed.
  In geval van schorsing bepaalt het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege de voorwaarden om de schorsing ongedaan te maken.
  De betrokkene wordt bij aangetekende zending of tegen ontvangstmelding in kennis gesteld van de met redenen omklede beslissing van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege. Het advies van de DIOB bedoeld in artikel 23 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen wordt als bijlage bij de beslissing gevoegd.
  De gemeente bezorgt de met redenen omklede beslissing zo spoedig mogelijk aan de DIOB overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen alsook aan de gerechtelijke overheden.
  § 9. Indien de vestiging of uitbating door de gemeenteraad niet is onderworpen aan een vestigings- of uitbatingsvergunning, kan het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, op voorstel van de burgemeester, zich baseren op de resultaten van het integriteitsonderzoek om de publiek toegankelijke inrichting te sluiten. De beslissing tot sluiting wordt met redenen omkleed.
  De betrokkene wordt bij aangetekende zending of tegen ontvangstmelding in kennis gesteld van de met redenen omklede beslissing van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege. Het advies van de DIOB bedoeld in artikel 23 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen wordt als bijlage bij de beslissing gevoegd.
  De gemeente bezorgt de met redenen omklede beslissing zo spoedig mogelijk aan de DIOB overeenkomstig artikel 10 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen alsook aan de gerechtelijke overheden.
  § 10. Het weigeren, schorsen of opheffen van een vestigings- of uitbatingsvergunning of het sluiten van een inrichting overeenkomstig de paragrafen 8 en 9, op basis van het integriteitsonderzoek, is slechts mogelijk indien blijkt dat:
  1° er een aanwijsbaar ernstig risico, gebaseerd op feiten of omstandigheden, bestaat dat de inrichting zal worden uitgebaat om voordelen, al dan niet financieel van aard, uit eerder gepleegde strafbare feiten te benutten, en/of;
  2° er een aanwijsbaar ernstig risico, gebaseerd op feiten of omstandigheden, bestaat dat de inrichting zal worden uitgebaat om strafbare feiten te plegen, en/of;
  3° er ernstige aanwijzingen zijn dat er strafbare feiten zijn gepleegd om de inrichting uit te baten.
  Het aanwijsbaar ernstig risico of de ernstige aanwijzing steunt op werkelijk bestaande, concrete, verifieerbare feiten of omstandigheden die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid worden vastgesteld.
  Bij de beoordeling omtrent het bestaan van een aanwijsbaar ernstig risico of ernstige aanwijzing wordt rekening gehouden met de ernst van de feiten, de mate waarin de strafbare feiten in relatie staan tot de betrokken economische sector of activiteit en de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
  Om de mate te bepalen waarin de strafbare feiten in relatie staan tot de betrokken economische sector of activiteit, wordt rekening gehouden met de vraag of de volgende personen één of meerdere strafbare feiten hebben gepleegd, of bepaalde gegronde vermoedens bestaan dat de volgende personen één of meerdere strafbare feiten hebben gepleegd of zullen plegen:
  1° de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating, of;
  2° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating, leiding geeft of heeft gegeven, of;
  3° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die in rechte of in feite een dominante positie inneemt tegenover de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating, of;
  4° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan de persoon die in rechte of in feite is of zal zijn belast met de uitbating, of;
  5° elke andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in rechte betrokken is bij de vestiging of uitbating.
  Onder "strafbare feiten" wordt voor de toepassing van deze titel de deelneming aan één van de volgende gepleegde misdrijven begrepen:
  1° terrorisme, zoals bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek, of de financiering van terrorisme, zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  2° witwassen van geld, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  3° heling, zoals bedoeld in artikel 505 van het Straf- wetboek;
  4° georganiseerde criminaliteit, met name het geheel van misdrijven gepleegd door een criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
  5° illegale drughandel, zoals bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 2quater, eerste lid, 4°, en 3 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
  6° illegale handel in wapens, goederen en koopwaren met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of submunitie, zoals bedoeld in artikel 8 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
  7° mensensmokkel, zoals bedoeld in artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  8° mensenhandel, zoals bedoeld in de artikelen 433quinquies tot en met 433octies van het Strafwetboek;
  9° exploitatie van ontucht of prostitutie van een minderjarige, zoals bedoeld in de artikelen 417/33 en 417/34 van het Strafwetboek;
  10° illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen, zoals bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 10 van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktie-stimulerende werking;
  11° illegale handel in menselijke organen of weefsels, zoals bedoeld in boek II, titel VIII, hoofdstuk IIIter/1, van het Strafwetboek;
  12° fiscale fraude, zoals bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, artikel 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het witwassen van sommen afkomstig van deze fiscale fraude zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek, na herhaling van de inbreuk, en ernstige fiscale fraude, zoals bedoeld in artikel 449, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikel 73, tweede lid van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
  13° sociale fraude, zoals bedoeld in artikel 1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek, na herhaling van de inbreuk, en ernstige sociale fraude, zoals bedoeld in de artikelen 230 tot 235 van het Sociaal Strafwetboek;
  14° verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen, zoals bedoeld in de artikelen 240, 241, 242, 243 en 245 van het Strafwetboek, en corruptie, zoals bedoeld in de artikelen 246, 247, 248 en 249 van het Strafwetboek;
  15° milieucriminaliteit, met name opzettelijk gepleegde inbreuken op de reglementering met als gevolg aanzienlijke en ernstige schade voor het biotoop en/of voor de fauna en/of flora en/of voor één of meerdere personen of waarbij dit gevolg zich dreigt voor te doen;
  16° namaking van muntstukken of bankbiljetten, namaking of vervalsing van zegels, stempels en merken en valsheid in geschriften, in informatica en in telegrammen, zoals bedoeld in boek 2, titel III, hoofdstukken I, II, III en IV, van het Strafwetboek;
  17° namaak van goederen, zoals bedoeld in de artikelen XI.60, XI.155 en XV.100 en XV.103 van het Wetboek van economisch recht;
  18° diefstal, zoals bedoeld in boek 2, titel IX, hoofdstuk 1 en hoofdstuk 1bis, van het Strafwetboek;
  19° afpersing, zoals bedoeld in artikel 470 van het Strafwetboek;
  20° informaticabedrog, zoals bedoeld in artikel 504quater van het Strafwetboek;
  21° voedsel- en geneesmiddelencriminaliteit, met name opzettelijk gepleegde inbreuken op de reglementering met als gevolg dat de gezondheid van mensen en/of van dieren op ernstige wijze bedreigd of aangetast wordt;
  22° vermenging van levensmiddelen, zoals bedoeld in de artikelen 454 tot 457 van het Strafwetboek;
  23° misdrijven die verband houden met insolventie, zoals bedoeld in de artikelen 489 tot 490quater van het Strafwetboek;
  24° misbruik van vertrouwen, oplichting en bedriegerij, zoals bedoeld in de artikelen 491 tot 504 van het Strafwetboek;
  25° inbreuken op het beroepsverbod voor gefailleerden, zoals bedoeld in koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechtelijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, en artikel XX.234 van het Wetboek van economisch recht;
  26° misbruik van andermans kwetsbare toestand door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, zoals bedoeld in artikel 433decies van het Strafwetboek;
  27° aantasting van de seksuele integriteit, zoals bedoeld in artikel 417/7 van het Strafwetboek;
  28° verkrachting, zoals bedoeld in de artikelen 417/11 tot 417/22 van het Strafwetboek;
  29° benaderen van minderjarigen voor seksuele doeleinden, zoals bedoeld in artikel 417/24 van het Strafwetboek;
  30° seksuele uitbuiting van minderjarigen met het oog op prostitutie, het vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, pooierschap en verzwaard misbruik van prostitutie, zoals bedoeld in de artikelen 417/25 tot 417/38, 417/44 en 417/45, 433quater/1 en 433quater/4 van het Strafwetboek;
  31° misdaden met betrekking tot het nemen van gijzelaars, zoals bedoeld in artikel 347bis van het Strafwetboek;
  32° bedreigingen met een aanslag op personen of op eigendommen en valse inlichtingen betreffende ernstige aanslagen, zoals bedoeld in de artikelen 327 tot 330 van het Strafwetboek;
  33° bedreigingen met kernmateriaal, met biologische wapens of chemische wapens, zoals bedoeld in artikel 331bis van het Strafwetboek.
  Voor de toepassing van deze titel wordt onder "deelneming" verstaan: deelneming zoals bedoeld in hoofdstuk VII van het Strafwetboek.
  § 11. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege bedoeld in de paragrafen 8 en 9 krijgt pas uitvoering na het verstrijken van een termijn van 15 kalenderdagen die ingaat op de dag na de datum van kennisgeving aan de betrokkene overeenkomstig § 8, derde lid, en § 9, tweede lid.
  Wanneer een vordering tot schorsing volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend bij de verhaalinstantie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, krijgt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege geen uitvoering voordat de verhaalinstantie uitspraak heeft gedaan over de vordering tot schorsing.
  De indiener van de vordering verwittigt het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege van de vordering binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.
  De beslissing mag worden uitgevoerd, ofwel na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, wanneer binnen de bedoelde termijn geen vordering tot schorsing volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingediend, ofwel wanneer de verhaalinstantie uitspraak heeft gedaan over de vordering tot schorsing.
  Het verbod om de beslissing uit te voeren strekt enkel tot voordeel van de indiener van een vordering tot schorsing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.
  § 12. Onverminderd de beroepsmogelijkheden van de uitbater trekt het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege haar beslissing tot weigering, schorsing of opheffing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of tot sluiting van de inrichting op basis van het integriteitsonderzoek in, wanneer nieuwe elementen worden aangebracht waaruit blijkt dat de feiten waarop de beslissing is gebaseerd niet vaststaan of niet meer geldig of relevant zijn.
  § 13. Het weigeren, schorsen of opheffen van een vestigings- of uitbatingsvergunning of het sluiten van een inrichting naar aanleiding van het integriteitsonderzoek kan slechts plaatsvinden nadat de betrokkene of diens raadspersoon werd gehoord en ter gelegenheid hiervan diens verweermiddelen schriftelijk of mondeling heeft kunnen doen gelden. Dit geldt niet wanneer de betrokkene, na te zijn uitgenodigd bij aangetekende zending of tegen ontvangstmelding, zich niet heeft gemeld en geen geldige motieven naar voren heeft gebracht voor diens afwezigheid of verhindering.
  § 14. De persoon die een nieuwe uitbating wenst op te starten binnen een door de gemeentelijke politieverordening bepaalde economische sector of activiteit kan vrijwillig om een integriteitsonderzoek verzoeken.
  § 15. Twee of meer gemeenten kunnen ter uitoefening van hun bevoegdheden bedoeld in dit artikel een samenwerkingsovereenkomst sluiten. De gemeenten kunnen beslissen over de onderlinge verdeling van de verschillende relevante kosten.
  § 16. Met betrekking tot de toepassing van dit artikel sluit het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege een protocolakkoord met de bevoegde procureur des Konings. Het protocolakkoord, dat identiek kan zijn voor meerdere of alle gemeenten van het betrokken gerechtelijk arrondissement, wordt door de gemeenteraad bekrachtigd en bij de in paragraaf 1 bedoelde politieverordening gevoegd.
  In elk geval mag de toepassing van het bestuurlijke mechanisme, zoals voorzien door de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, geen afbreuk doen aan de strafrechtelijke vervolgingen met betrekking tot de strafbare feiten bedoeld in paragraaf 10, vijfde lid, en evenmin aan de beginselen en waarborgen die daarmee gepaard gaan.
  § 17. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de minimale nadere regels van de risicoanalyse en de nadere regels aangaande de procedure van het integriteitsonderzoek bepalen.".
Art. 35. L'article 119ter de la Nouvelle Loi communale du 24 juin 1988, abrogé par la loi du 24 juin 2013, est rétabli dans la rédaction suivante:
  "Art. 119ter. § 1er. Sur la base de l'arrêté royal visé à l'article 6, § 3, de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, et sans préjudice de l'article 135, § 2, le conseil communal peut, moyennant une motivation et une analyse de risques préalable, adopter une ordonnance de police communale en vue d'empêcher la criminalité déstabilisante.
  L'ordonnance de police communale visée à l'alinéa 1er détermine les secteurs et activités économiques pour lesquels ainsi que la zone géographique dans laquelle la commune mènera une enquête d'intégrité. Si le champ d'application géographique de l'ordonnance de police communale pour un certain secteur ou activité économique couvre seulement une partie du territoire, la commune doit obtenir un avis du CIEAR à ce sujet, qui est contraignant. Le conseil zonal de sécurité, visé à l'article 35 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, de la zone concernée est informé de l'analyse du CIEAR concernant la limitation géographique.
  Si la commune a adopté une ordonnance de police communale, elle est tenue de mener une enquête d'intégrité concernant l'implantation ou l'exploitation de tous les établissements accessibles au public qui appartiennent aux secteurs et/ou activités économiques et qui sont situés dans les zones géographiques, tels que déterminés dans l'ordonnance de police communale.
  L'ordonnance de police communale détermine, par secteur ou activité économique, le délai raisonnable dans lequel la commune lancera et/ou clôturera les enquêtes d'intégrité sur ces secteurs ou activités économiques choisis.
  § 2. L'enquête d'intégrité porte sur l'implantation ou l'exploitation d'établissements accessibles au public.
  L'enquête d'intégrité satisfait cumulativement aux conditions suivantes:
  1° elle n'est pas discriminatoire;
  2° elle est claire, explicite et objective;
  3° elle est réalisée de manière transparente.
  L'enquête d'intégrité est lancée et réalisée sur décision du bourgmestre, et sous son autorité et sa responsabilité.
  La commune est responsable du traitement des données à caractère personnel.
  § 3. Le bourgmestre désigne les membres du personnel de la commune chargés de l'enquête d'intégrité. Sous réserve de dispositions contraires, ces membres du personnel sont tenus au secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal pour les actes qu'ils accomplissent dans le cadre de l'enquête d'intégrité.
  Sous réserve de dispositions contraires, le collège des bourgmestre et échevins et le collège communal sont soumis au secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal en ce qui concerne les résultats de l'enquête d'intégrité.
  § 4. L'enquête d'intégrité est menée dans un délai de cinquante jours ouvrables, qui commence le premier jour ouvrable suivant la décision du bourgmestre visée au paragraphe 2, alinéa 3. Le délai peut être prolongé une fois de trente jours ouvrables.
  § 5. L'enquête d'intégrité concerne uniquement les personnes qui sont ou seront chargées en droit ou en fait de l'exploitation des établissements accessibles au public qui appartiennent aux secteurs et/ou activités économiques tels que déterminés dans l'ordonnance de police communale visée au paragraphe 1er.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er peuvent être tant des personnes physiques que des personnes morales.
  La commune peut, moyennant motivation, étendre l'enquête d'intégrité aux personnes suivantes qui ont commis un ou plusieurs faits punissables visés au paragraphe 10 ou à l'égard desquelles il existe des motifs sérieux de croire qu'elles ont commis ou commettront un ou plusieurs faits punissables visés au paragraphe 10:
  1° les personnes physiques ou morales sur lesquelles la personne qui est ou sera chargée en droit ou en fait de l'exploitation exerce ou a exercé des fonctions de direction;
  2° les personnes physiques ou morales qui, en droit ou en fait, occupent une position dominante vis-à-vis de la personne qui est ou sera chargée en droit ou en fait de l'exploitation;
  3° les personnes physiques ou morales qui fournissent ou ont fourni directement ou indirectement des avoirs à la personne qui est ou sera chargée en droit ou en fait de l'exploitation;
  4° toute autre personne physique ou morale impliquée en droit dans l'implantation ou l'exploitation.
  L'extension visée à l'alinéa 3 est fondée sur des faits ou des circonstances concrets, vérifiables, réellement existants, qui sont pertinents et ont été établis avec la diligence requise.
  En cas de circonstances factuelles modifiées concernant les personnes visées au présent paragraphe, la décision de mener une nouvelle enquête d'intégrité peut être prise, laquelle peut, le cas échéant, conduire au refus, à la suspension ou à l'abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation concerné visé au paragraphe 8 ou à la fermeture de l'établissement visée au paragraphe 9.
  § 6. L'enquête d'intégrité implique que la commune:
  1° procède en tout état de cause à une consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité, conformément aux articles 11 et 12 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics;
  2° peut demander et recevoir un avis de la police locale;
  3° peut procéder à une consultation de l'ensemble des bases de données communales et services pertinents propres;
  4° peut procéder à une consultation du casier judiciaire, conformément aux articles 595 et 596 du Code d'instruction criminelle;
  5° peut procéder à une consultation de toutes les bases de données accessibles au public, y compris les données rendues publiques sur les réseaux sociaux;
  6° peut consulter le CIEAR visé à l'article 32 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics;
  7° peut consulter les autorités judiciaires.
  Le CIEAR peut, dans le cas visé à l'alinéa 1er, 6°, fournir des informations policières et judiciaires pertinentes à la commune.
  Conformément à l'article 458ter du Code pénal, le bourgmestre peut organiser une concertation de cas afin d'empêcher les délits commis dans le cadre d'une organisation criminelle. Le procureur du Roi peut faire partie de la concertation de cas. Les autres participants sont déterminés par le bourgmestre, en fonction des nécessités concrètes.
  Les participants de la concertation de cas peuvent, conformément à l'article 458ter du Code pénal, partager des informations uniquement dans la mesure où ces informations sont pertinentes et proportionnées par rapport à la finalité de la concertation de cas.
  § 7. Si les informations issues des consultations visées au paragraphe 6 montrent qu'un complément d'enquête est nécessaire, un avis peut être demandé à la DEIPP, conformément aux dispositions de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics. Le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal peut, en tout état de cause, uniquement refuser, suspendre ou abroger le permis d'implantation ou d'exploitation ou fermer l'établissement, après avoir obtenu un avis de la DEIPP visé à l'article 23 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics.
  § 8. Si l'établissement ou l'exploitation est soumis par le conseil communal à un permis d'implantation ou d'exploitation, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal peut, sur proposition du bourgmestre, se fonder sur les résultats de l'enquête d'intégrité pour refuser ledit permis d'implantation ou d'exploitation relatif à l'établissement accessible au public, le suspendre pour une durée maximale de six mois ou l'abroger. La décision de refus, de suspension ou d'abrogation est motivée.
  En cas de suspension, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal définit les conditions permettant d'annuler la suspension.
  La personne concernée est informée par envoi recommandé ou contre accusé de réception de la décision motivée du collège des bourgmestre et échevins ou du collège communal. L'avis de la DEIPP visé à l'article 23 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, est annexé à la décision.
  La commune transmet la décision motivée dans les meilleurs délais à la DEIPP conformément à l'article 10, alinéa 2, de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, ainsi qu'aux autorités judiciaires.
  § 9. Si l'implantation ou l'exploitation n'est pas soumis par le conseil communal à un permis d'implantation ou d'exploitation, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal peut, sur proposition du bourgmestre, se fonder sur les résultats de l'enquête d'intégrité pour procéder à la fermeture de l'établissement accessible au public. La décision de fermeture est motivée.
  La personne concernée est informée par envoi recommandé ou contre accusé de réception de la décision motivée du collège des bourgmestre et échevins ou du collège communal. L'avis de la DEIPP visé à l'article 23 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, est annexé à la décision.
  La commune transmet la décision motivée dans les meilleurs délais à la DEIPP conformément à l'article 10 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, ainsi qu'aux autorités judiciaires.
  § 10. Le refus, la suspension ou l'abrogation d'un permis d'implantation ou d'exploitation ou la fermeture d'un établissement conformément aux paragraphes 8 et 9, sur la base de l'enquête d'intégrité, est seulement possible s'il apparaît:
  1° qu'il existe un risque sérieux démontrable, basé sur des faits ou circonstances, que l'établissement sera exploité pour tirer un avantage, financier ou non, de faits punissables commis antérieurement, et/ou;
  2° qu'il existe un risque sérieux démontrable, basé sur des faits ou circonstances, que l'établissement sera exploité pour commettre des faits punissables, et/ou;
  3° qu'il existe des indices sérieux que des faits punissables ont été commis pour exploiter l'établissement.
  Le risque sérieux démontrable ou l'indice sérieux est fondé sur des faits ou des circonstances concrets, vérifiables, réellement existants, qui sont pertinents et établis avec la diligence requise.
  Lors de l'appréciation relative à l'existence d'un risque sérieux démontrable ou d'un indice sérieux, il est tenu compte de la gravité des faits, de la mesure dans laquelle les faits punissables sont liés au secteur ou à l'activité économique en question et de l'importance des avantages acquis ou à acquérir.
  Pour déterminer dans quelle mesure les faits punissables sont liés au secteur ou à l'activité économique en question, il est tenu compte de la question de savoir si les personnes suivantes ont commis un ou plusieurs faits punissables ou s'il existe des motifs sérieux de croire que les personnes suivantes ont commis ou commettront un ou plusieurs faits punissables:
  1° la personne qui est ou sera chargée en droit ou en fait de l'exploitation, ou;
  2° la personne physique ou morale sur laquelle la personne qui est ou sera chargée en fait ou en droit de l'exploitation exerce ou a exercé des fonctions de direction, ou;
  3° la personne physique ou morale qui, en droit ou en fait, occupe une position dominante vis-à-vis de la personne qui, en droit ou en fait, est ou sera chargée de l'exploitation, ou;
  4° la personne physique ou morale qui fournit ou a fourni directement ou indirectement des avoirs à la personne qui est ou sera chargée en droit ou en fait de l'exploitation, ou;
  5° toute autre personne physique ou morale, impliquée en droit dans l'implantation ou l'exploitation.
  Pour l'application du présent titre, l'on entend par "faits punissables" la participation à l'une des infractions commises suivantes:
  1° le terrorisme, visé à l'article 137 du Code pénal ou financement du terrorisme, visé à l'article 3 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
  2° le blanchiment de capitaux visé à l'article 2 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
  3° le recèlement, visé à l'article 505 du Code pénal;
  4° la criminalité organisée, à savoir l'ensemble des infractions commises par une organisation criminelle, visée à l'article 324bis du Code pénal;
  5° le trafic illicite de stupéfiants, visé aux articles 2, 2bis, 2quater, alinéa 1er, 4°, et 3 de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
  6° le trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises, en ce compris des mines antipersonnel et/ou des sous-munitions, visé à l'article 8 de la loi du 5 août 1991 relative à l'importation, à l'exportation, au transit et à la lutte contre le trafic d'armes, de munitions et de matériel devant servir spécialement à un usage militaire ou de maintien de l'ordre et de la technologie y afférente;
  7° le trafic d'êtres humains, visé à l'article 77bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  8° la traite des êtres humains, visée aux articles 433quinquies à 433octies du Code pénal;
  9° l'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur, visée aux articles 417/33 et 417/34 du Code pénal;
  10° l'utilisation illégale chez l'animal de substances ayant un effet hormonal ou le trafic illicite de ces substances, visée aux articles 3, 4, 5 et 10 de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet antihormonal, à effet beta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux;
  11° le trafic illicite d'organes ou de tissus humains, visé au livre II, titre VIII, chapitre IIIter/1, du Code pénal;
  12° la fraude fiscale, visée aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus, à l'article 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et blanchiment d'argent provenant de cette fraude fiscale visée à l'article 505, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, du Code pénal, en cas de répétition de l'infraction, et la fraude fiscale grave, visée à l'article 449, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus et à l'article 73, alinéa 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée;
  13° la fraude sociale, visée à l'article 1er, § 1er, du Code pénal social, en cas de répétition de l'infraction, et fraude sociale grave, visée aux articles 230 à 235 du Code pénal social;
  14° le détournement de fonds par des personnes exerçant une fonction publique, visé aux articles 240, 241, 242, 243 et 245 du Code pénal et la corruption, visée aux articles 246, 247, 248 et 249 du Code pénal;
  15° la criminalité environnementale, à savoir les violations intentionnelles de la réglementation, entraînant des dommages importants et graves au biotope et/ou à la faune et/ou à la flore et/ou à une ou plusieurs personnes ou lorsque cette conséquence risque de se manifester;
  16° la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque, contrefaçon ou la falsification des timbres, sceaux et marques et faux commis en écritures, en informatique et dans les dépêches télégraphiques, visés au livre 2, titre III, chapitres I, II, III et IV, du Code pénal;
  17° la contrefaçon de biens, visée aux articles XI.60, XI.155, XV.100 et XV.103 du Code de droit économique;
  18° le vol, visé au livre 2, titre IX, chapitre 1er et chapitre 1bis, du Code pénal;
  19° l'extorsion, visée à l'article 470 du Code pénal;
  20° la fraude informatique, visée à l'article 504quater du Code pénal;
  21° la criminalité alimentaire et dans le secteur des médicaments, à savoir les violations intentionnelles de la réglementation, ayant pour résultat que la santé des personnes et/ou des animaux est gravement menacée ou affectée;
  22° le mélange des denrées alimentaires, visé aux articles 454 à 457 du Code pénal;
  23° les infractions liées à l'insolvabilité, visées aux articles 489 à 490quater du Code pénal;
  24° l'abus de confiance, l'escroquerie et la tromperie, visés aux articles 491 à 504 du Code pénal;
  25° les infractions à l'interdiction professionnelle des faillis, visées à l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités et à l'article XX.234 du Code de droit économique;
  26° l'abus de la vulnérabilité d'autrui en vendant, louant ou mettant à disposition des biens en vue de réaliser un profit anormal, visé à l'article 433decies du Code pénal;
  27° l'attentat à l'intégrité sexuelle, visé à l'article 417/7 du Code pénal;
  28° le viol, visé aux articles 417/11 à 417/22 du Code pénal;
  29° l'approche de mineurs à des fins sexuelles, visée à l'article 417/24 du Code pénal;
  30° l'exploitation sexuelle de mineurs à des fins de prostitution, production ou diffusion d'images d'abus sexuels de mineurs, proxénétisme et abus aggravé de la prostitution, visés aux articles 417/25 à 417/38, 417/44 et 417/45, 433quater/1 et 433quater/4 du Code pénal;
  31° les crimes relatifs à la prise d'otages, visés à l'article 347bis du Code pénal;
  32° les menaces d'attentat contre les personnes ou contre les propriétés et fausses informations relatives à des attentats graves, visées aux articles 327 à 330 du Code pénal;
  33° les menaces au moyen de matières nucléaires, d'armes biologiques ou chimiques, visées à l'article 331bis du Code pénal.
  Pour l'application du présent titre, l'on entend par "participation": la participation telle que visée au chapitre VII du Code pénal.
  § 11. La décision du collège des bourgmestre et échevins ou du collège communal visée aux paragraphes 8 et 9 n'est mise en oeuvre qu'après l'expiration d'un délai de 15 jours calendrier à compter du lendemain de la date de notification à la personne concernée conformément au § 8, alinéa 3, et § 9, alinéa 2.
  Lorsqu'une demande de suspension selon la procédure d'extrême urgence est introduite dans le délai visé à l'alinéa 1er, la décision du collège des bourgmestre et échevins ou du collège communal n'est pas mise en oeuvre avant que l'instance de recours n'ait statué sur la demande de suspension.
  L'auteur de la demande avertit le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal de la demande dans le délai visé à l'alinéa 1er.
  La décision peut être mise en oeuvre, soit au terme du délai visé à l'alinéa 1er, lorsqu'aucune demande de suspension selon la procédure d'extrême urgence n'a été introduite dans le délai précité, soit lorsque l'instance de recours a statué sur la demande de suspension.
  L'interdiction de mettre en oeuvre la décision bénéficie au seul auteur d'une demande de suspension introduite dans le délai visé à l'alinéa 1er.
  § 12. Sans préjudice des possibilités de recours dont dispose l'exploitant, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal retire sa décision de refus, suspension ou abrogation du permis d'implantation ou d'exploitation ou de fermeture de l'établissement sur la base de l'enquête d'intégrité lorsque sont apportés de nouveaux éléments desquels il ressort que les faits sur lesquels la décision est basée, ne sont pas établis ou ne sont plus valables ou pertinents.
  § 13. Le refus, la suspension ou l'abrogation d'un permis d'implantation ou d'exploitation ou la fermeture d'un établissement à la suite de l'enquête d'intégrité, peut seulement s'effectuer après avoir entendu la personne concernée ou son conseil, et qui, à cette occasion, a pu faire valoir par écrit ou oralement ses moyens de défense. Cela ne s'applique pas lorsque la personne concernée ne s'est pas présentée, après y avoir été invitée par envoi recommandé ou contre accusé de réception, et qu'elle n'a pas présenté de motifs valables pour son absence ou son empêchement.
  § 14. La personne qui souhaite lancer une nouvelle exploitation dans un secteur ou une activité économique déterminé par l'ordonnance de police communale peut demander de son plein gré une enquête d'intégrité.
  § 15. Dans le cadre de l'exercice de leurs compétences visées par le présent article, deux communes ou plus peuvent conclure un accord de coopération. Les communes peuvent décider de la répartition mutuelle des différents coûts y afférents.
  § 16. En ce qui concerne l'application du présent article, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal conclut un protocole d'accord avec le procureur du Roi compétent. Le protocole d'accord, qui peut être identique pour plusieurs ou pour toutes les communes de l'arrondissement judiciaire concerné, est confirmé par le conseil communal et annexé à l'ordonnance de police visée au paragraphe 1er.
  En tout état de cause, l'application du mécanisme administratif, prévu par la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, ne peut pas porter atteinte aux poursuites pénales relatives aux faits punissables visés au paragraphe 10, alinéa 5, ainsi qu'aux principes et garanties qui y sont associés.
  § 17. Le Roi peut déterminer dans un arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités minimales de l'analyse de risques et les modalités relatives à la procédure de l'enquête d'intégrité.".
HOOFDSTUK 2. - Gegevensverwerkingen in het kader van het integriteitsonderzoek
CHAPITRE 2. - Traitements de données dans le cadre de l'enquête d'intégrité
Art. 36. In dezelfde wet wordt een artikel 119quater ingevoegd, luidende:
  "Art. 119quater. § 1. In het kader van het integriteitsonderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig artikel 119ter kunnen enkel gegevens van de personen bedoeld in artikel 119ter, § 5, worden verwerkt middels:
  1° een consultatie van het Centraal Register van Integriteitsonderzoeken overeenkomstig artikel 11 van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen;
  2° een advies van de lokale politie;
  3° een consultatie van de eigen gemeentelijke gegevensbanken en diensten, voor zover de gemeente deze gegevens mag verwerken;
  4° een consultatie van het strafregister overeenkomstig de artikelen 595 en 596 van het Wetboek van strafvordering;
  5° een consultatie van publiek toegankelijke gegevensbanken, met inbegrip van de publiek gemaakte gegevens op sociale media;
  6° een consultatie van het ARIEC;
  7° een consultatie van de gerechtelijke overheden;
  8° het door de DIOB aan de gemeente meegedeelde advies overeenkomstig artikel 119ter, § 7.
  De mededeling, de aanwending en de verwerking van deze gegevens geschieden overeenkomstig de wetgeving die op de betrokken dienst van toepassing is.
  Alleen de gegevens die zijn verzameld in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvang van het integriteitsonderzoek kunnen worden verwerkt.
  § 2. De verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 1 is beperkt tot de volgende categorieën:
  1° de identiteitsgegevens van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van het integriteitsonderzoek: de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres en het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
  2° de identiteitsgegevens van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van het integriteitsonderzoek, vertegenwoordigt: de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres en het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
  3° het nummer van een identificatiedocument, uitgereikt door een overheid;
  4° financiële, administratieve en gerechtelijke gegevens voor zover deze afkomstig zijn van de instanties en gegevensbanken bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, voor zover deze noodzakelijk zijn om een beeld te scheppen van de betrokkene in het licht van de economische activiteit die deze wil vestigen of uitbaten en voor zover deze betrekking hebben op de voorwaarden zoals bepaald in artikel 119ter, § 10.
  De persoonsgegevens die afkomstig zijn van de instanties en gegevensbanken bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, kunnen enkel betrekking hebben op de strafbare feiten bedoeld in artikel 119ter, § 10, vijfde lid.
  De Koning kan de categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt verder verduidelijken.
  § 3. Elke gemeente houdt de lijst bij van de natuurlijke personen of rechtspersonen van wie de gegevens werden verwerkt in het kader van het integriteitsonderzoek, evenals van de geraadpleegde gegevensbanken. De gemeente houdt deze lijst ter beschikking van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  § 4. De categorieën van persoonsgegevens waartoe de gemeente toegang heeft op basis van de paragrafen 1 en 2 kunnen onder meer persoonsgegevens betreffen waarnaar wordt verwezen in artikel 10 van Verordening (EU) 2016/679. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden verwerkt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de opdrachten zoals bedoeld in paragraaf 1.
  Bij de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in de paragrafen 1 en 2, zijn de volgende technische en organisatorische maatregelen inzake de bescherming van persoonsgegevens van toepassing om te verzekeren dat de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen:
  1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker aangewezen, met een beschrijving van hun functie bij de verwerking van de betrokken persoonsgegevens;
  2° de lijst van categorieën van personen die zijn aangewezen om de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, wordt door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  3° de aangewezen personen zijn door een wettelijke of reglementaire verplichting, of een gelijkwaardige contractuele bepaling, verplicht om het vertrouwelijke karakter van de bedoelde persoonsgegevens in acht te nemen;
  4° voor zover mogelijk wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de categorieën van persoonsgegevens bedoeld in de paragrafen 2 en 4, eerste lid;
  5° de gepaste technische of organisatorische maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens te beschermen tegen toevallige of niet-toegestane vernietiging, tegen toevallig verlies en tegen wijziging of elke andere niet-toegestane verwerking van die persoonsgegevens;
  6° de gemeente geeft in specifieke richtlijnen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens aan welke acties moeten worden ondernomen om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen, actualiseren en verwijderen;
  7° er wordt ten minste voor de volgende verwerkingen een logbestand aangelegd door de gemeente: verzameling, wijziging, raadpleging, bekendmaking met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
  Bij een verzoek tot mededeling van persoonsgegevens kan de gemeente aan de diensten en overheden bedoeld in paragraaf 1 een minimum aan identificatiegegevens meedelen, om de ontvangst van de verzochte gegevens mogelijk te maken. Deze identificatiegegevens zijn in ieder geval beperkt tot de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres, het Rijksregisternummer of het bisnummer alsook het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer van de natuurlijke persoon en/of rechtspersoon van de betrokkene.
  De logbestanden bedoeld in het tweede lid, 7°, worden gebruikt om de volgende aspecten te achterhalen:
  1° de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
  2° de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en het Rijksregisternummer of het bisnummer van de persoon die deze gegevens heeft geraadpleegd;
  3° de systemen die deze persoonsgegevens hebben meegedeeld;
  4° de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van de gegevens.
  De bewaartermijn van de logbestanden bedoeld in het tweede lid, 7°, bedraagt tien jaar.
  De Koning kan in bijkomende gepaste technische en organisatorische maatregelen voorzien.".
Art. 36. Dans la même loi, il est inséré un article 119quater rédigé comme suit:
  "Art. 119quater. § 1er. Dans le cadre de l'enquête d'intégrité menée conformément à l'article 119ter, seules les données de personnes visées à l'article 119ter, § 5, peuvent être traitées par:
  1° une consultation du Registre Central des Enquêtes d'intégrité, conformément à l'article 11 de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics;
  2° un avis de la police locale;
  3° une consultation des propres bases de données communales et services, pour autant que la commune puisse traiter ces données;
  4° une consultation du casier judiciaire, conformément aux articles 595 et 596 du Code d'instruction criminelle;
  5° une consultation de toutes les bases de données accessibles au public, y compris les données rendues publiques sur les réseaux sociaux;
  6° une consultation du CIEAR;
  7° une consultation des autorités judiciaires;
  8° l'avis communiqué par la DEIPP à la commune conformément à l'article 119ter, § 7.
  La communication, l'utilisation et le traitement de ces données se font conformément à la législation qui s'applique au service concerné.
  Seules les données collectées au cours de la période de cinq ans précédant le début de l'enquête d'intégrité peuvent être traitées.
  § 2. Le traitement de données à caractère personnel visées au paragraphe 1er est limité aux catégories suivantes:
  1° les données d'identification de la personne physique ou morale faisant l'objet de l'enquête d'intégrité: le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse et le numéro de Registre national ou le numéro bis ainsi que le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement;
  2° les données d'identification de la personne physique ou morale qui représente la personne physique ou morale faisant l'objet de l'enquête d'intégrité: le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse et le numéro de Registre national ou le numéro bis ainsi que le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement;
  3° le numéro d'un document d'identification, délivré par une autorité;
  4° les données financières, administratives et judiciaires, pour autant que celles-ci émanent des instances et des bases de données visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour autant qu'elles soient nécessaires pour se faire une image de la personne concernée au regard de l'activité économique qu'elle veut implanter ou exploiter, et pour autant qu'elles portent sur les conditions visées à l'article 119ter, § 10.
  Les données à caractère personnel émanant des instances et des bases de données visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent uniquement concerner les faits punissables visés à l'article 119ter, § 10, alinéa 5.
  Le Roi peut préciser davantage les catégories de données à caractère personnel qui sont traitées.
  § 3. Chaque commune tient à jour la liste des personnes physiques ou morales dont les données ont été traitées dans le cadre de l'enquête d'intégrité, ainsi que des banques de données consultées. La commune tient cette liste à la disposition de l'Autorité de protection des données.
  § 4. Les catégories de données à caractère personnel auxquelles la commune a accès en vertu des paragraphes 1er et 2 peuvent notamment concerner les données à caractère personnel auxquelles il est fait référence à l'article 10 du règlement (UE) 2016/679. Ces données peuvent uniquement être traitées lorsque le traitement est nécessaire à la bonne exécution des missions visées au paragraphe 1er.
  Lors du traitement de données à caractère personnel visées aux paragraphes 1er et 2, les mesures techniques et organisationnelles suivantes en matière de protection des données à caractère personnel s'appliquent pour s'assurer que l'accès aux données et les possibilités de traitement soient limitées à ce qui est nécessaire pour l'exécution de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics:
  1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnel sont désignées par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant, avec une description de leur fonction par rapport au traitement des données à caractère personnel concernées;
  2° la liste des catégories de personnes désignées pour traiter les données à caractère personnel visées aux paragraphes 1er et 2, est tenue à la disposition de l'Autorité de protection des données par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant;
  3° les personnes désignées sont tenues, par une obligation légale ou réglementaire ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données à caractère personnel visées;
  4° dans la mesure du possible, une distinction claire est opérée entre les catégories de données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 4, alinéa 1er;
  5° les mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnel contre la destruction accidentelle ou non autorisée, contre la perte accidentelle ainsi que contre la modification ou tout autre traitement non autorisé de ces données à caractère personnel;
  6° la commune indique dans des directives spécifiques concernant la protection des données à caractère personnel, les actions à entreprendre pour protéger, actualiser et supprimer le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
  7° un fichier de journalisation est établi par la commune au moins pour les traitements suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, y compris les transferts, la connexion et l'effacement.
  Dans le cadre d'une demande de communication de données à caractère personnel, la commune peut transmettre aux services et autorités visés au paragraphe 1er un minimum de données d'identification, pour permettre la réception des données demandées. Ces données d'identification se limitent en tout état de cause au nom, au prénom, à la date de naissance, à l'adresse, au numéro de Registre national ou au numéro bis, ainsi qu'au numéro d'entreprise et au numéro d'établissement de la personne physique et/ou morale de la personne concernée.
  Les fichiers de journalisation visés à l'alinéa 2, 7°, permettent d'établir les aspects suivants:
  1° le motif, la date et l'heure de ces traitements;
  2° les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et le numéro de Registre national ou le numéro bis de la personne qui a consulté ces données;
  3° les systèmes qui ont communiqué ces données à caractère personnel;
  4° les catégories de destinataires des données à caractère personnel et si, possible, l'identité des destinataires de ces données.
  Le délai de conservation de ces fichiers de journalisation visés à l'alinéa 2, 7°, est de dix ans.
  Le Roi peut prévoir les mesures techniques et organisationnelles complémentaires appropriées.".
HOOFDSTUK 3. - Het gemeentelijk bestand van integriteitsonderzoeken
CHAPITRE 3. - Le fichier communal d'enquêtes d'intégrité
Art. 37. In dezelfde wet wordt een artikel 119quinquies ingevoegd, luidende:
  "Art. 119quinquies. § 1. Elke gemeente houdt een bestand bij van de natuurlijke personen of rechtspersonen die, op basis van de gemeentelijke politieverordening, het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een integriteitsonderzoek bedoeld in artikel 119ter.
  De gemeente is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot dit bestand.
  Dit bestand is bedoeld om het beheer van de integriteitsonderzoeken te verzekeren.
  § 2. Dit bestand bevat de volgende persoonsgegevens en informatie:
  1° de naam, de voornaam, de geboortedatum, het adres en het Rijksregisternummer of het bisnummer van de natuurlijke personen die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een integriteitsonderzoek;
  2° de naam, de zetel en het ondernemingsnummer, alsook het vestigingsnummer van de rechtspersonen die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een integriteitsonderzoek;
  3° de gegevens waarop de beslissing bedoeld in artikel 119ter, §§ 8 en 9, is gebaseerd;
  4° de met redenen omklede beslissing bedoeld in artikel 119ter, §§ 8 en 9;
  5° het voorstel van de burgemeester bedoeld in artikel 119ter, §§ 8 en 9.
  De technische en organisatorische maatregelen bedoeld in artikel 119quater, § 4, tweede lid, zijn van toepassing op alle persoonsgegevens die worden verwerkt in het bestand bedoeld in paragraaf 1.
  De bewaartermijn van de gegevens van de gemeentelijke bestanden van de integriteitsonderzoeken bedraagt vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het integriteitsonderzoek werd afgesloten. Eens deze termijn is verstreken, worden zij vernietigd.
  In afwijking van het derde lid worden de gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, onmiddellijk vernietigd nadat alle beroepsmiddelen zijn uitgeput of de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  In afwijking van het derde lid worden de gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, onmiddellijk vernietigd indien het integriteitsonderzoek niet leidde tot een weigering, opheffing of schorsing van de vestigings- of uitbatingsvergunning of tot een sluiting van de inrichting.
  § 3. De verwerking van gerechtelijke gegevens in het integriteitsonderzoek of het bestand bedoeld in paragraaf 1 mag geen afbreuk doen aan een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek.
  § 4. Alleen de burgemeester en de personeelsleden belast met de verwerking van gegevens in het kader van het integriteitsonderzoek hebben, louter met als doel de bepalingen van artikel 119ter uit te voeren, toegang tot de in paragraaf 2 bedoelde informatie en persoonsgegevens, die worden verwerkt door hun eigen gemeente, onverminderd de rechten toegekend door hoofdstuk 3 van Verordening (EU) 2016/679 en titel II, hoofdstuk 3, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en rekening houdend met de beperkingen bedoeld in artikel 119sexies.".
Art. 37. Dans la même loi, il est inséré un article 119quinquies, rédigé comme suit:
  "Art. 119quinquies. § 1er. Chaque commune tient un fichier des personnes physiques ou morales qui font l'objet ou ont fait l'objet d'une enquête d'intégrité menée sur la base de l'ordonnance de police communale visée à l'article 119ter.
  La commune est responsable du traitement de données à caractère personnel relatives à ce fichier.
  Ce fichier vise à assurer la gestion des enquêtes d'intégrité.
  § 2. Ce fichier contient les données à caractère personnel et les informations suivantes:
  1° le nom, le prénom, la date de naissance, l'adresse et le numéro de Registre national ou le numéro bis des personnes physiques qui font ou ont fait l'objet d'une enquête d'intégrité;
  2° la dénomination, le siège et le numéro d'entreprise ainsi que le numéro d'établissement des personnes morales qui font ou ont fait l'objet d'une enquête d'intégrité;
  3° les données sur lesquelles se fonde la décision visée à l'article 119ter, §§ 8 et 9;
  4° la décision motivée visée à l'article 119ter, §§ 8 et 9;
  5° la proposition du bourgmestre visée à l'article 119ter, §§ 8 et 9.
  Les mesures techniques et organisationnelles visées à l'article 119quater, § 4, alinéa 2, s'appliquent à l'ensemble des données à caractère personnel traitées dans le fichier visé au paragraphe 1er.
  Le délai de conservation des données des fichiers communaux d'enquêtes d'intégrité est de cinq ans, à compter de la date à laquelle l'enquête d'intégrité a été clôturée. Passé ce délai, elles sont détruites.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les données visées à l'alinéa 1er, 3°, sont détruites immédiatement après que toutes les voies de recours ont été épuisées ou que la décision judiciaire a force de chose jugée.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les données visées à l'alinéa 1er, 3°, sont détruites immédiatement si l'enquête d'intégrité n'a pas abouti à un refus, une abrogation ou une suspension du permis d'implantation ou d'exploitation ou à une fermeture de l'établissement.
  § 3. Le traitement de données judiciaires dans l'enquête d'intégrité ou dans le fichier visé au paragraphe 1er, ne peut pas porter atteinte à une information ou à une instruction judiciaire en cours.
  § 4. Le bourgmestre et les membres du personnel chargés du traitement de données dans le cadre de l'enquête d'intégrité sont les seuls à avoir accès aux informations et aux données à caractère personnel visées au paragraphe 2, traitées par leur propre commune, dans le seul but de mettre en oeuvre les dispositions de l'article 119ter, sans préjudice des droits accordés par le chapitre 3 du règlement (UE) 2016/679 et le titre II, chapitre 3, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, et en tenant compte des limitations visées à l'article 119sexies.".
HOOFDSTUK 4. - Beperkingen van rechten bij de verwerking van persoonsgegevens door de gemeente
CHAPITRE 4. - Limitations des droits dans le cadre du traitement par la commune des données à caractère personnel
Art. 38. In dezelfde wet wordt een artikel 119sexies ingevoegd, luidende:
  "Art. 119sexies. § 1. Wanneer de gemeente gegevens verwerkt van personen die het voorwerp uitmaken van een integriteitsonderzoek, kunnen de rechten van deze personen onderhevig zijn aan beperkingen, voor zover en voor zolang het goede verloop van het integriteits-, opsporings- of gerechtelijk onderzoek zou worden geschaad, indien deze rechten zouden worden uitgeoefend. De beperkingen gelden enkel gedurende de periode waarin de persoon het voorwerp uitmaakt van een integriteitsonderzoek uitgevoerd door de gemeente met toepassing van artikel 119ter alsook gedurende de periode waarin de gegevens worden verwerkt om een beslissing bedoeld in artikel 119ter, §§ 8 en 9, te kunnen nemen, en uiterlijk tot op het moment van een definitieve beslissing van de gemeente.
  § 2. Onverminderd andersluidende bepalingen in specifieke wetten kan het recht op inzage en wissing van de persoonsgegevens door de gemeente worden beperkt indien dat noodzakelijk is om te voldoen aan de bescherming zoals voorzien in paragraaf 1, zonder dat dit evenwel de rechten van de betrokkene disproportioneel mag beperken.
  De beperking heeft evenwel niet tot gevolg dat diensten die reeds over deze gegevens beschikken ook de toegang tot deze gegevens dienen te beperken. De gemeente kan evenwel, indien zij dat noodzakelijk acht, beperkingen opleggen met betrekking tot de toegang tot de oorspronkelijke documenten gedurende de looptijd van de onderzoeken bedoeld in paragraaf 1, zonder dat dit evenwel de rechten van betrokkene disproportioneel mag beperken.
  § 3. Alle categorieën van persoonsgegevens bedoeld in artikel 119quater kunnen het voorwerp uitmaken van de beperkingen voorzien in dit artikel.
  § 4. De functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld en in elk geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek, over elke weigering of beperking voorzien in dit artikel, evenals over de redenen van deze weigering of beperking, behoudens in de gevallen waar bijzondere wetgeving het niet toelaat dat de betrokkene op de hoogte wordt gebracht.
  Naargelang de complexiteit van de verzoeken en het aantal verzoeken kan deze termijn, indien nodig, worden verlengd met één maand. Binnen één maand na ontvangst van het verzoek, informeert de functionaris voor gegevensbescherming de persoon over deze verlenging en de reden daarvoor.
  De functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene op de hoogte van de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit en om een beroep in rechte in te stellen, behoudens in de gevallen waarbij bijzondere wetgeving niet toelaat dat de betrokkene op de hoogte wordt gebracht. De functionaris voor gegevensbescherming vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop diens beslissing berust. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.".
Art. 38. Dans la même loi, il est inséré un article 119sexies, rédigé comme suit:
  "Art. 119sexies. § 1er. Lorsque la commune traite des données de personnes qui font l'objet d'une enquête d'intégrité, les droits de ces personnes peuvent être soumis à des limitations, dans la mesure et aussi longtemps qu'il serait porté atteinte au bon déroulement de l'enquête d'intégrité, de l'information ou de l'instruction judiciaire, si ces droits étaient exercés. Les limitations s'appliquent uniquement pendant la période où la personne fait l'objet d'une enquête d'intégrité réalisée par la commune en application de l'article 119ter et pendant la période où les données sont traitées afin de pouvoir prendre une décision visée à l'article 119ter, §§ 8 et 9, et, au plus tard, jusqu'au moment d'une décision finale de la commune.
  § 2. Sauf dispositions contraires dans des lois spécifiques, le droit d'accès et le droit à l'effacement des données à caractère personnel peuvent être limités par la commune si cela est nécessaire pour respecter la protection telle que prévue au paragraphe 1er, sans que cela puisse toutefois limiter de manière disproportionnée les droits de la personne concernée.
  La limitation n'a toutefois pas pour effet que les services qui disposent déjà de ces données doivent également limiter l'accès à ces données. La commune peut toutefois, si elle le juge nécessaire, imposer des limitations à l'accès aux documents originaux pendant la durée des enquêtes visées au paragraphe 1er, sans que cela puisse toutefois limiter de manière disproportionnée les droits de la personne concernée.
  § 3. Toutes les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 119quater peuvent être soumises aux limitations prévues par le présent article.
  § 4. Le délégué à la protection des données informe la personne concernée par écrit, sans délai et, en tout état de cause, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation prévus par le présent article, ainsi que des motifs de ce refus ou de cette limitation, sauf dans les cas où une législation spéciale ne permet pas d'informer la personne concernée.
  En fonction de la complexité et du nombre des demandes, ce délai peut être prolongé, si nécessaire, d'un mois. Dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, le délégué à la protection des données informe la personne de cette prolongation et de la raison de celle-ci.
  Le délégué à la protection des données informe la personne concernée de la possibilité d'introduire une plainte auprès de l'autorité de contrôle compétente et de former un recours juridictionnel, sauf dans les cas où une législation spéciale ne permet pas d'informer la personne concernée. Le délégué à la protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde sa décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'autorité de contrôle compétente.".
HOOFDSTUK 5. - Overige wijzigingen van de nieuwe gemeentewet
CHAPITRE 5. - Autres modifications de la Nouvelle Loi communale
Art. 39. In dezelfde wet wordt een artikel 133ter ingevoegd, luidende:
  "Art. 133ter. § 1. De burgemeester kan een inrichting bestuurlijk laten verzegelen wanneer de burgemeester zelf, het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege de inrichting sluit of heeft gesloten.
  § 2. De burgemeester kan een bestuurlijke dwangsom opleggen, wanneer de burgemeester zelf, het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege een maatregel van bestuurlijke politie oplegt of heeft opgelegd.
  De burgemeester kan de dwangsom hetzij op een enkel bedrag, hetzij op een bedrag bepaald per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan de burgemeester eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
  De burgemeester kan een termijn bepalen waarbinnen de dwangsom niet wordt verbeurd.
  Deze dwangsom komt de gemeente toe.
  De dwangsom kan niet worden ingevorderd indien de betrokkene wegens omstandigheden van overmacht de maatregel van bestuurlijke politie niet kan uitvoeren. De betrokkene of diens raadspersoon kan deze omstandigheden schriftelijk of mondeling motiveren.
  De dwangsom verjaart door het verstrijken van een termijn van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.".
Art. 39. Dans la même loi, il est inséré un article 133ter, rédigé comme suit:
  "Art. 133ter. § 1er. Le bourgmestre peut placer un établissement sous scellés administratifs, lorsque le bourgmestre lui-même, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal ferme ou a fermé l'établissement.
  § 2. Le bourgmestre peut imposer une astreinte administrative, lorsque le bourgmestre lui-même, le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal impose ou a imposé une mesure de police administrative.
  Le bourgmestre peut fixer l'astreinte soit à une somme unique, soit à une somme déterminée par unité de temps ou par infraction. Dans les deux derniers cas, le bourgmestre peut également fixer un montant au-delà duquel aucune astreinte n'est encourue.
  Le bourgmestre peut fixer un délai dans lequel aucune astreinte n'est encourue.
  Cette astreinte est due à la commune.
  L'astreinte ne peut pas être recouvrée si la personne concernée ne peut pas exécuter la mesure de police administrative pour cause de force majeure. La personne concernée ou son conseil peut motiver ces circonstances par écrit ou oralement.
  L'astreinte se prescrit par l'expiration d'un délai d'un an à compter du jour où elle est encourue.".
Art. 40. In artikel 134ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "in geval van hoogdringendheid" opgeheven;
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Die maatregelen houden onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege worden bevestigd.".
Art. 40. A l'article 134ter de la même loi, inséré par la loi du 13 mai 1999, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 1er, les mots ", en cas d'extrême urgence," sont abrogés;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "Ces mesures cessent immédiatement d'avoir effet si elles ne sont pas confirmées par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal à sa plus prochaine réunion.".
Art. 41. In artikel 134quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° het vroegere derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "De maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege wordt bevestigd.";
  3° het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "De sluitingsmaatregel heeft een maximale duur van zes maanden, tweemaal hernieuwbaar. De beslissing tot hernieuwing van de maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege wordt bevestigd.".
Art. 41. A l'article 134quinquies de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées:
  1° l'alinéa 2 est abrogé;
  2° l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
  "La mesure cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal à sa plus prochaine réunion.";
  3° l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit:
  "La mesure de fermeture a une durée maximale de six mois, renouvelable deux fois. La décision de renouvellement cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou par le collège communal à sa plus prochaine réunion.".
Art. 42. In artikel 134sexies, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
  "2° worden bevestigd door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege tijdens de eerstvolgende vergadering.";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
  "3° zijn genomen na de dader of de daders van die gedragingen of hun raadspersoon te hebben gehoord en die ter gelegenheid hiervan zijn of hun verweermiddelen schriftelijk of mondeling hebben kunnen doen gelden. Dit geldt niet wanneer de dader of de raadspersoon, na te zijn uitgenodigd bij aangetekende zending of tegen ontvangstmelding, zich niet heeft gemeld en geen geldige motieven naar voren heeft gebracht voor diens afwezigheid of verhindering.".
Art. 42. A l'article 134sexies, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le 2° est remplacé par ce qui suit:
  "2° confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal, à sa plus prochaine réunion.";
  2° le paragraphe est complété par un 3° rédigé comme suit:
  "3° être prise après avoir entendu l'auteur ou les auteurs de ces comportements ou leur conseil et qui, à cette occasion, a ou ont pu faire valoir par écrit ou oralement leurs moyens de défense. Cela ne s'applique pas lorsque l'auteur ou le conseil ne s'est pas présenté, après y avoir été invité par envoi recommandé ou contre accusé de réception, et qu'il n'a pas présenté de motifs valables pour son absence ou son empêchement.".
Art. 43. In artikel 134septies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° het vroegere derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "De maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege wordt bevestigd.";
  3° het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "De sluitingsmaatregel heeft een maximale duur van zes maanden, tweemaal hernieuwbaar. De beslissing tot hernieuwing van de maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege wordt bevestigd.".
Art. 43. A l'article 134septies de la même loi, inséré par la loi du 13 mai 2017, les modifications suivantes sont apportées:
  1° l'alinéa 2 est abrogé;
  2° l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 2, est remplacé par ce qui suit:
  "La mesure cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal à sa plus prochaine réunion.";
  3° l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit:
  "La mesure de fermeture a une durée maximale de six mois, renouvelable deux fois. La décision de renouvellement cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou par le collège communal à sa plus prochaine réunion.".
TITEL 5. - Wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen
TITRE 5. - Modification de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes
Art. 44. Artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 9bis. Onverminderd de bevoegdheden van de rechterlijke instanties en onverminderd de artikelen 134ter en quater van de Nieuwe Gemeentewet, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke overheden en indien dat noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde, een publiek toegankelijke inrichting sluiten, indien ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat er illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de teelt, vervaardiging, verkoop, aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsmiddelen, psychotrope stoffen, antiseptica, voorwerpen of stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dit is enkel mogelijk na de verantwoordelijke te hebben gehoord in diens middelen van verdediging.
  De maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege wordt bevestigd.
  De sluitingsmaatregel heeft een maximale duur van zes maanden, tweemaal hernieuwbaar. De beslissing tot hernieuwing van de maatregel zal onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet op de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege wordt bevestigd.".
Art. 44. L'article 9bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, inséré par la loi du 20 juillet 2006, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 9bis. Sans préjudice des compétences des instances judiciaires et sans préjudice des articles 134ter et quater de la Nouvelle Loi communale, le bourgmestre peut, après concertation préalable avec les autorités judiciaires et si cela est nécessaire pour le maintien de l'ordre public, fermer un établissement accessible au public en cas d'indices sérieux que des activités illégales ont lieu, lesquelles se rapportent à la culture, la fabrication, la vente, la livraison ou la facilitation de la consommation de substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques, d'objets ou de substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes. Cela n'est possible qu'après avoir entendu le responsable dans ses moyens de défense.
  La mesure cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal à sa plus prochaine réunion.
  La mesure de fermeture a une durée maximale de six mois, renouvelable deux fois. La décision de renouvellement de la mesure cesse immédiatement d'avoir effet si elle n'est pas confirmée par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal à sa plus prochaine réunion.".
TITEL 6. - Wijzigingen van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties
TITRE 6. - Modifications de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales
Art. 45. In artikel 3 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° voor inbreuken bedoeld in de artikelen 284 en 286 van het Strafwetboek, voor zover niet door de bewaarder of openbaar ambtenaar gepleegd, wat betreft de verzegeling overeenkomstig artikel 133ter van de Nieuwe Gemeentewet, en voor de inbreuken bedoeld in de artikelen 398, 448 en 521, derde lid, van het Strafwetboek;".
Art. 45. Dans l'article 3 de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales, le 1° est remplacé par ce qui suit:
  "1° pour les infractions visées aux articles 284 et 286 du Code pénal et, pour autant qu'elles ne soient pas commises par le gardien ou le fonctionnaire public, en ce qui concerne les scellés placés conformément à l'article 133ter de la Nouvelle Loi communale, et pour les infractions visées aux articles 398, 448 et 521, alinéa 3, du Code pénal;".
Art. 46. In artikel 4, § 1, 3°, in het opschrift van titel II, hoofdstuk 8, en in artikel 45 van dezelfde wet wordt het woord "intrekking" telkens vervangen door het woord "opheffing".
Art. 46. Dans l'article 4, § 1er, 3°, de la même loi, les mots "le retrait administratif" sont remplacés par les mots "l'abrogation administrative". Dans l'intitulé du titre II, chapitre 8, de la même loi, le mot "retrait" est remplacé par le mot "abrogation". Dans l'article 45 de la même loi, les mots "La suspension, le retrait et la fermeture, visés à l'article 4, § 1er, 2° à 4°, sont imposés" sont remplacés par les mots "La suspension, l'abrogation et la fermeture, visées à l'article 4, § 1er, 2° à 4°, sont imposées".
TITEL 7. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
TITRE 7. - Modification de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police
Art. 47. In de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt een artikel 44/11/7bis ingevoegd, luidende:
  "Art. 44/11/7bis. De persoonsgegevens en informatie worden meegedeeld aan de Directie Integriteits-beoordeling voor Openbare Besturen bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, om deze toe te laten haar wettelijke opdrachten uit te oefenen.".
Art. 47. Dans la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, il est inséré un article 44/11/7bis rédigé comme suit:
  "Art. 44/11/7bis. Les données à caractère personnel et informations sont communiquées à la Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, visée à l'article 2, 2°, de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, afin de lui permettre d'exercer ses missions légales.".
TITEL 8. - Slotbepalingen
TITRE 8. - Dispositions finales
Art. 48. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie brengen verslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over de toepassing van deze wet twee jaar na de inwerkingtreding ervan.
Art. 48. Le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et le ministre qui a la Justice dans ses attributions font rapport à la Chambre des représentants sur l'application de la présente loi deux ans après son entrée en vigueur.
Art. 49. Deze wet treedt in werking tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  In afwijking van het eerste lid treedt artikel 21, § 4, pas in werking op een datum die door de Koning wordt bepaald, nadat Hij heeft vastgesteld dat aan de toepassingsvoorwaarden van deze machtiging, die verband houden met het sluiten van een samenwerkingsakkoord, is voldaan.
  Aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers,
Art. 49. La présente loi entre en vigueur dix jours après sa publication au Moniteur belge.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 21, § 4, n'entre en vigueur qu'à une date déterminée par le Roi, après qu'Il a constaté que les conditions d'application de cette habilitation, liées à la conclusion d'un accord de coopération, sont remplies.
  Adopté par la Chambre des représentants,