Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 APRIL 2023. - Koninklijk besluit betreffende de koopkrachtpremie
Titre
23 AVRIL 2023. - ArrĂȘtĂ© royal concernant la prime pouvoir d'achat
Documentinformatie
Numac: 2023202158
Datum: 2023-04-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023202158
Date: 2023-04-23
Moniteur: Voir
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel 1. In artikel 19quinquies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2020 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, 4°, eerste lid, worden de bepalingen onder a) en b) vervangen als volgt:
  "a) ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding, of;";
  b) voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.";
  2° in paragraaf 2, 4°, eerste lid, worden de bepalingen onder c) en d) opgeheven;
  3° een paragraaf 5 wordt ingevoegd, luidende:
  " § 5. Het voordeel toegekend onder de vorm van een koopkrachtpremie wordt al dan niet als loon beschouwd volgens de voorwaarden en bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt elke verwijzing naar de "consumptiecheque" in de paragrafen 1 tot en met 3 geacht te verwijzen naar de "koopkrachtpremie" en elke verwijzing naar de "consumptiechequerekening" naar de "koopkrachtpremierekening".
  De toekenning van de koopkrachtpremie in ondernemingen waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst.
  In het geval de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in het tweede lid op het niveau van het paritair (sub)comité wordt gesloten, dan moet deze, om rechtsgeldig te zijn, twee definities bevatten gebaseerd op respectievelijk een hoge winst in 2022 en een uitzonderlijk hoge winst in 2022, die de ondernemingen afbakent waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald. De koopkrachtpremie van maximum 500 euro kan enkel in die ondernemingen worden toegekend waar er in 2022 een hoge winst werd behaald. In die ondernemingen waar er een uitzonderlijk hoge winst in 2022 werd behaald, kan de koopkrachtpremie maximum 750 euro bedragen.
  In het geval er een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak wordt gesloten, voegt men een verantwoording toe dat men een onderneming is waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald.
  In afwijking van de voorwaarden in de paragrafen 1 tot en met 3, zijn volgende specifieke voorwaarden van toepassing op de koopkrachtpremie:
  1° de koopkrachtpremie mag enkel worden uitgereikt vanaf 1 juni 2023 tot en met 31 december 2023;
  2° op de koopkrachtpremie op papieren drager staat duidelijk vermeld dat zij geldig is tot en met 31 december 2024;
  3° het totale bedrag van de door de werkgever toegekende koopkrachtpremies mag niet meer bedragen dan 750 euro per werknemer;
  4° de keuze voor koopkrachtpremies op papieren drager wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst op het niveau van de onderneming niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor koopkrachtpremies op een papieren drager geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst. In dit geval is paragraaf 3, eerste lid, 3°, niet van toepassing.".
Article 1er. A l'article 19quinquies de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 15 juillet 2020 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© royal du 22 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 2, 4°, alinéa 1er, les a) et b) sont remplacés par ce qui suit :
  " a) en paiement d'un repas ou pour l'achat d'aliments prĂȘts Ă  la consommation, ou; ";
  b) pour l'achat de produits et services à caractÚre écologique repris dans la liste annexée à la convention collective de travail n° 98 conclue au sein du Conseil national du travail. ";
  2° dans le paragraphe 2, 4°, alinéa 1er, les c) et d) sont abrogés;
  3° un paragraphe 5 est inséré, rédigé comme suit :
  " § 5. L'avantage accordé sous la forme d'une prime pouvoir d'achat est considéré ou non comme rémunération selon les conditions et dispositions des paragraphes 1er à 3 inclus. Pour l'application du présent paragraphe toute référence au " chÚque consommation " dans les paragraphes 1er à 3 inclus est réputée se référer à la " prime pouvoir d'achat " et toute référence au " compte chÚque consommation " au " compte prime pouvoir d'achat ".
  L'octroi de la prime pouvoir d'achat dans les entreprises qui ont obtenu de bons rĂ©sultats pendant la crise doit faire l'objet d'une convention collective de travail au niveau sectoriel ou au niveau de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue en raison de l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale, ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel pour laquelle il n'est pas d'usage de prĂ©voir une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle.
  Si une convention collective telle que visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 2 est conclue au niveau d'une (sous-)commission paritaire, elle doit, pour ĂȘtre juridiquement valable, contenir deux dĂ©finitions basĂ©es respectivement sur les bĂ©nĂ©fices Ă©levĂ©s en 2022 et sur les bĂ©nĂ©fices exceptionnellement Ă©levĂ©s en 2022, dĂ©limitant les entreprises oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise. La prime pouvoir d'achat, d'un montant maximal de 500 euros, ne peut ĂȘtre accordĂ©e que dans ces entreprises ayant rĂ©alisĂ© un bĂ©nĂ©fice Ă©levĂ© en 2022. Dans ces entreprises oĂč un bĂ©nĂ©fice exceptionnellement Ă©levĂ© a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© en 2022, la prime pouvoir d'achat peut s'Ă©lever Ă  750 euros maximum.
  Si une convention collective du travail est conclue au niveau de l'entreprise, on ajoute une justification selon laquelle on est une entreprise oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise.
  Par dérogation aux conditions des paragraphes 1er à 3 inclus, les conditions spécifiques suivantes sont d'application à la prime pouvoir d'achat :
  1° la prime pouvoir d'achat ne peut ĂȘtre Ă©mise qu'Ă  partir du 1er juin 2023 jusqu'au 31 dĂ©cembre 2023 inclus;
  2° la prime pouvoir d'achat sur support papier mentionne clairement qu'elle est valable jusqu'au 31 décembre 2024 inclus;
  3° le montant total des primes pouvoir d'achat octroyées par l'employeur ne peut dépasser 750 euros par travailleur;
  4° le choix pour des primes pouvoir d'achat sur support papier peut ĂȘtre rĂ©glĂ© par une convention collective de travail. Si une telle convention au niveau de l'entreprise ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les primes pouvoir d'achat sur support papier est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. Dans ce cas le paragraphe 3, alinĂ©a 1er, 3°, n'est pas d'application. ".
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2023.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er mai 2023.
Art. 3. De minister bevoegd voor Werk en de minister bevoegd voor Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. Le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions et le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.