Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2023. - Wet houdende diverse financiële bepalingen
Titre
20 DECEMBRE 2023. - Loi portant des dispositions financières diverses
Documentinformatie
Numac: 2023048672
Datum: 2023-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023048672
Date: 2023-12-20
Moniteur: Voir
Tekst (144)
Texte (144)
TITEL. - Inleidende bepaling. -
TITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. § 1. Deze wet regelt een angelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
  § 2. De artikelen 35 tot en met 38, 41 en 42 voorzien in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG.
  De artikelen 45, 84 et 86b voorzien in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU.
Article 1er. § 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
  § 2. Les articles 35 à 38, 41 et 42 transposent partiellement la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE.
  Les articles 45, 84 et 86b transposent partiellement de la directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE.
TITEL 2. - Financiële bepalingen
TITRE 2. - Dispositions financieres
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 2 avril 1962 relative à la Société fédérale de Participations et d'Investissement et les sociétés régionales d'investissement
Art. 2. In artikel 3bis, § 17, tweede lid, van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen, hersteld bij het koninklijk besluit van 28 september 2006, wordt het woord "drie" vervangen door het woord "vier".
Art. 2. A l'article 3bis, § 17, alinéa 2, de la loi du 2 avril 1962 relative à la Société fédérale de Participations et d'Investissement et aux sociétés régionales d'investissement, rétabli par l'arrêté royal du 28 septembre 2006, le mot "trois" est remplacé par le mot "quatre".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté royal coordonné n° 62 du 10 novembre 1967 relatif au dépôt d'instruments financiers fongibles et à la liquidation d'opérations sur ces instruments
Art. 3. In artikel 12, tweede lid, van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 27 januari 2004, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "op collectieve wijze" en de woorden "op de algemeenheid van de financiële instrumenten van dezelfde categorie".
Art. 3. Dans l'article 12, alinéa 2, de l'arrêté royal coordonné n° 62 du 10 novembre 1967 relatif au dépôt d'instruments financiers fongibles et à la liquidation d'opérations sur ces instruments, coordonné par l'arrêté royal du 27 janvier 2004, modifié par la loi du 30 juillet 2018, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "s'exerce collectivement" et les mots "sur l'universalité des instruments financiers de la même catégorie".
Art. 4. In artikel 13, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "op collectieve wijze" en de woorden "op de algemeenheid van de vervangbare financiële instrumenten van dezelfde categorie".
Art. 4. Dans l'article 13, alinéa 2, du même arrêté royal, modifié par la loi du 30 juillet 2018, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "s'exerce collectivement" et les mots "sur l'universalité des instruments financiers fongibles de la même catégorie".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 2 janvier 1991 relative au marché des titres de la dette publique et aux instruments de la politique monétaire
Art. 5. § 1. De auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur onderzoekt de ernstige aanwijzingen van inbreuken op de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen:
  - als gevolg van een klacht, of
  - indien dergelijke aanwijzingen worden vastgesteld bij de uitoefening van de andere wettelijke opdrachten van de FSMA.
  § 2. De FSMA voert procedures in waarmee een persoon bij de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur een klacht kan indienen over de toepassing, door de bankdienstverleners, van de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  De FSMA verduidelijkt, bij reglement genomen ter uitvoering van artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, de nadere regels voor het ontvangen, de ontvankelijkheid en het behandelen van klachten.
  § 3. Voor de uitoefening van de in paragraaf 1 bedoelde opdracht kan de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur:
  1° de bevoegdheden uitoefenen bedoeld in de artikelen 34 en 35 van de wet van 2 augustus 2002;
  2° de bevoegdheden uitoefenen bedoeld in artikel 79 van de wet van 2 augustus 2002, overeenkomstig de regels bepaald in dit artikel.
  In voorkomend geval, kan de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur advies inwinnen bij de betrokken geviseerde entiteit.
  De artikelen 36 en 37 van de wet van 2 augustus 2002 zijn van toepassing bij niet-naleving van de krachtens het eerste lid opgelegde verplichtingen.
  De personeelsleden die de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur bijstaan bij de uitoefening van de in paragraaf 1 bedoelde opdracht, ontvangen enkel van hen instructies voor het vervullen van hun taken.
  De auditeur en de adjunct-auditeur oefenen hun opdracht uit met inachtneming van de rechten van verdediging.
  § 4. Nadat het in paragraaf 1 bedoelde onderzoek is afgerond, stelt de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur een voorlopig onderzoeksverslag op dat aanduidt of de vastgestelde feiten een inbreuk kunnen vormen op de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. De auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur stuurt een kopie van dit voorlopige onderzoeksverslag aan de betrokken persoon die over een termijn van een maand beschikt om zijn opmerkingen kenbaar te maken. De betrokken persoon kan de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur ook verzoeken om bijkomende onderzoeksdaden te stellen. Als de auditeur of de adjunct-auditeur meent geen gevolg te moeten verlenen aan dat verzoek, vermelden zij de reden daarvoor in zijn onderzoeksverslag.
  De auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur bezorgt het directiecomité van de FSMA het definitieve onderzoeksverslag.
  § 5. De FSMA kan, met inachtneming van de rechten van de verdediging, de in artikel 6 bedoelde tuchtsancties opleggen, als ze, na kennis te hebben genomen van het definitieve onderzoeksverslag van de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur, vaststelt dat een persoon met, op het moment van de betrokken feiten, een andere hoedanigheid van bankdienstverlener, dan die waarop de in paragraaf 7 bedoelde procedure van toepassing is, een inbreuk heeft gepleegd op de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels, of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  Alvorens een dergelijke sanctie op te leggen, kan de FSMA de auditeur of de adjunct-auditeur om toelichting bij het onderzoeksverslag verzoeken. Ze kan tevens om bijkomende onderzoeksdaden verzoeken.
  § 6. Als de FSMA beslist om geen tuchtsanctie op te leggen conform paragraaf 5, eerste lid, stelt ze de betrokken persoon daarvan in kennis.
  Als de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur de geviseerde entiteit waar de betrokken persoon zijn activiteiten verricht, ervan op de hoogte heeft gebracht dat hij ernstige aanwijzingen van eventuele inbreuken in hoofde van die persoon onderzoekt conform artikel 5, paragraaf 1, stelt de FSMA de geviseerde entiteit daarvan ook in kennis.
  § 7. Als het definitieve onderzoeksverslag van de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur besluit dat er sprake is van een inbreuk op de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels, of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, in hoofde van een persoon die, op het moment van de betrokken feiten, de hoedanigheid van bankdienstverlener had als bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, en die bij een kredietinstelling werkzaam is, stelt de FSMA de NBB daarvan onverwijld in kennis om de prudentiële toezichthouder in staat te stellen zijn prerogatieven als bedoeld in de wet van 25 april 2014, in het bijzonder in artikel 236, § 7, van die wet, uit te oefenen.
  Wanneer voornoemd definitief onderzoeksverslag besluit dat er sprake is van een inbreuk op de in artikel 4, §§ 1 of 3, bedoelde regels, of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, in hoofde van een bankdienstverlener in de zin van artikel 4, § 1, eerste lid, 2° of 4°, die werkzaam is bij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 3, 2°, en die, op het moment van de betrokken feiten, onderworpen is aan een vereiste inzake deskundigheid en professionele betrouwbaarheid in de lidstaat van herkomst van voornoemde kredietinstelling conform de bepalingen van het recht van die lidstaat tot omzetting van de CRD-richtlijn, informeert de FSMA de prudentiële toezichthouder van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan om die toezichthouder in staat te stellen zijn prerogatieven uit te oefenen waarvan sprake in de bepalingen tot omzetting van de CRD-richtlijn, in het bijzonder artikel 67, lid 2, d), van die Richtlijn.
  De FSMA voegt bij de informatieverstrekking die zij krachtens het eerste en het tweede lid verricht, een kopie van het definitieve verslag van de auditeur of, in zijn afwezigheid, de adjunct-auditeur als bedoeld in voornoemde paragraaf 4 en van de dossierstukken.".
Art. 5. L'article 8, alinéa 1er, de la loi du 2 janvier 1991 relative au marché des titres de la dette publique et aux instruments de la politique monétaire, modifié par la loi du 30 juillet 2018, est complété par la phrase suivante :
  "En cas de faillite ou de toute autre situation de concours du teneur de comptes ou du dépositaire central de titres, cette revendication s'exerce collectivement par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur.".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, inzake afwikkeling en distributed ledger-technologie
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, en matière de résolution et de technologie des registres distribués
Art. 6. In artikel 12ter van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. De Bank voert de taken uit van de afwikkelingsautoriteit, die gemachtigd is om de afwikkelingsinstrumenten toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132.";
  2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. De werkingskosten die betrekking hebben op de taken als bedoeld in paragraaf 1/1, worden gedragen door de erkende centrale tegenpartijen krachtens artikel 36/25, § 3, volgens de door de Koning vastgestelde regels.".
Art. 6. A l'article 12ter de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par la loi du 25 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit :
  " § 1/1. La Banque exerce les missions de l'autorité de résolution habilitée à appliquer les instruments de résolution et à exercer les pouvoirs de résolution conformément aux dispositions prévues par ou en vertu du Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014 et (UE) 2015/ 2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/1132." ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. Les frais de fonctionnement qui ont trait à la mission visée au paragraphe 1/1 sont supportés par les contreparties centrales agréées en vertu de l'article 36/25, § 3, selon les modalités fixées par le Roi.".
Art. 7. Artikel 21ter, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 en vervangen bij de wet van 20 juli 2022, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
  "3° de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132.".
Art. 7. L'article 21ter, § 5, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2014 et remplacé par la loi du 20 juillet 2022, est complété par un 3° rédigé comme suit :
  "3° aux dispositions prévues par ou en vertu du Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014 et (UE) 2015/ 2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/1132.".
Art. 8. Artikel 35/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 maart 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
  "3° in het kader van de uitvoering van haar taak als bedoeld in artikel 12ter, § 1/1, en met het oog op de uitoefening van die taak, binnen de grenzen van de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/113 en met name:
  a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die bedoeld in artikel 12ter, § 1/1;
  b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19° ;
  c) aan de minister van Financiën;
  d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder het Belgische recht of onder een buitenlands recht valt, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel, en met name,
  - aan de bijzondere bestuurders die krachtens Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 zijn benoemd;
  - aan het orgaan dat bevoegd is voor de financieringsregelingen voor de afwikkeling;
  - aan auditors, boekhouders, juridische en professionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Bank, een afwikkelingsautoriteit, een bevoegd ministerie of een potentiële verwerver in de arm zijn genomen;
  - aan een overbruggings-centrale tegenpartij als bedoeld in artikel 42 van Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132;
  - aan de personen of autoriteiten bedoeld in artikel 36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° en 20° ;
  - aan de potentiële verwervers met wie de bevoegde autoriteiten of de afwikkelingsautoriteit contact opnemen.".
Art. 8. L'article 35/1, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 13 mars 2016 et modifié pour la dernière fois par la loi du 20 juillet 2020 est complété par un 3° rédigé comme suit :
  "3° dans le cadre de l'exercice de sa mission visée à l'article 12ter, § 1/1, et aux fins de l'accomplissement de cette mission, dans les limites des dispositions prévues par ou en vertu du Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014 et (UE) 2015/ 2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/113 et notamment :
  a) aux autorités de résolution des Etats membres de l'Union européenne et d'autres Etats membres de l'Espace économique européen, ainsi qu'aux autorités d'Etats tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l'article 12ter, § 1/1 ;
  b) aux personnes ou autorités visées à l'article 36/14, § 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° et 19° ;
  c) au ministre des Finances ;
  d) à toute personne, qu'elle soit de droit belge ou qu'elle relève d'un droit étranger, lorsque cela s'avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d'une action de résolution, et notamment,
  - aux administrateurs spéciaux nommés en vertu du Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014 et (UE) 2015/ 2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/1132 ;
  - à l'organe chargé des dispositifs de financement pour la résolution ;
  - aux auditeurs, comptables, conseillers juridiques et professionnels, évaluateurs et autres experts engagés directement ou indirectement par la Banque, une autorité de résolution, un ministère compétent ou un acquéreur potentiel ;
  - à une contrepartie centrale-relais visée à l'article 42 du Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014 et (UE) 2015/ 2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/1132 ;
  - aux personnes ou autorités visées à l'article 36/14, § 1er, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20° ;
  - aux acquéreurs potentiels qui sont contactés par les autorités compétentes ou par l'autorité de résolution.".
Art. 9. In artikel 36/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zin "Definities: Voor de toepassing van dit hoofdstuk en hoofdstuk VII wordt verstaan onder:" wordt vervangen als volgt: "Definities: voor de toepassing van dit hoofdstuk en hoofdstuk IV/2 wordt verstaan onder:";
  2° in de bepaling onder 16° worden de woorden "of artikel 11 van Verordening 909/2014" vervangen door de woorden ", artikel 11 van Verordening 909/2014 of artikel 2, 21), en artikel 12 van Verordening 2022/858";
  3° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 33°, 34° en 35°, luidende:
  "33° "Verordening 2021/23": Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132;
  34° "Verordening 2022/858": Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 909/2014 en Richtlijn 2014/65/EU;
  35° "entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert": een centrale effectenbewaarinstelling of een beleggingsonderneming of marktexploitant die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert als bedoeld in artikel 97, 13° en 14°, van de wet van ... houdende diverse financiële bepalingen.".
Art. 9. A l'article 36/1 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la phrase "Définitions : Pour l'application du présent chapitre et du chapitre VII, il y a lieu d'entendre par :" est remplacée par la phrase suivante: "Définitions : pour l'application du présent chapitre et du chapitre IV/2, il y a lieu d'entendre par :" ;
  2° dans le 16°, les mots "ou de l'article 11 du Règlement 909/2014" sont remplacés par les mots ", de l'article 11 du Règlement 909/2014 ou de l'article 2, 21), et de l'article 12 du Règlement 2022/858" ;
  3° l'article est complété par les 33°, 34° et 35°, rédigés comme suit :
  "33° "Règlement 2021/23" : Règlement (UE) 2021/23 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relatif à un cadre pour le redressement et la résolution des contreparties centrales et modifiant les règlements (UE) n° 1095/2010, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 806/2014, (UE) 2015/2365, ainsi que les directives 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2007/36/CE, 2014/59/UE et (UE) 2017/1132 ;
  34° "Règlement 2022/858" : Règlement (UE) 2022/858 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 sur un régime pilote pour les infrastructures de marché reposant sur la technologie des registres distribués, et modifiant les règlements (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 909/2014 et la directive 2014/65/UE ;
  35° "entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT" : un dépositaire central de titres ou une entreprise d'investissement ou un opérateur de marché qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT visés à l'article 97, 13° et 14°, de la loi du ... portant dispositions financières diverses.".
Art. 10. In artikel 36/2, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "de entiteiten die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren," ingevoegd tussen de woorden "de centrale effectenbewaarinstellingen," en de woorden "de instellingen die ondersteuning verlenen".
Art. 10. A l'article 36/2, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les mots "des entités qui exploitent un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT," sont insérés entre les mots "des dépositaires centraux de titres," et les mots "des organismes de support".
Art. 11. In artikel 36/14, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt een bepaling onder 22° /1 ingevoegd, luidende:
  "22° /1 binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in artikel 3 van Verordening 2021/23, aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die bedoeld in artikel 12ter, § 1/1, waarmee de Bank een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie, alsook aan de bevoegde ministeries van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wanneer dit noodzakelijk blijkt voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel;".
Art. 11. A l'article 36/14, § 1er, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, il est inséré un 22° /1 rédigé comme suit :
  "22° /1 dans les limites du droit de l'Union européenne, aux autorités de résolution visées à l'article 3 du Règlement 2021/23, aux autorités d'Etats tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l'article 12ter, § 1/1, avec lesquelles la Banque a conclu un accord de coopération prévoyant un échange d'information, ainsi qu'aux ministères compétents des Etats membres de l'Espace économique européen lorsque cela s'avère nécessaire à la planification ou l'exécution d'une mesure de résolution ;".
Art. 12. In artikel 36/25bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens" ingevoegd tussen de woorden "om toe te zien op de naleving van" en de woorden "Verordening 648/2012".
Art. 12. Dans l'article 36/25bis, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2014, les mots "des dispositions prévues par ou en vertu" sont insérés entre les mots "pour veiller au respect" et les mots "du Règlement 648/2012".
Art. 13. In artikel 36/26/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. De Bank is bevoegd voor het uitvoeren van de in Verordening 2022/858 bedoelde taken met betrekking tot de vergunningverlening aan en het toezicht op entiteiten die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren. De Bank oefent deze bevoegdheid uit overeenkomstig de bij wet vastgelegde bevoegdheidsverdeling tussen de Bank en de FSMA.".
Art. 13. A l'article 36/26/1 de la même loi, inséré par la loi du 30 juillet 2018 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit :
  " § 1/1. La Banque est compétente pour mener à bien les missions visées au Règlement 2022/858 en ce qui concerne l'agrément et la surveillance des entités qui exploitent un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT. La Banque exerce cette compétence conformément à la répartition des compétences établie par la loi entre la Banque et la FSMA.".
Art. 14. In artikel 36/29 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden tussen de woorden "centrale effectenbewaarinstellingen," en "de ondersteuning verlenende instellingen" de woorden "de entiteiten die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren," ingevoegd.
Art. 14. A l'article 36/29 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les mots "des entités qui exploitent un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT," sont insérés entre les mots "des dépositaires centraux de titres," et les mots "des organismes de support".
Art. 15. In artikel 36/30 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt:
  " § 1. De Bank kan elke centrale tegenpartij, elke centrale effectenbewaarinstelling, elke entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert, elke instelling die ondersteuning verleent aan een centrale effectenbewaarinstelling of elke depositobank bevelen binnen de door de Bank bepaalde termijn te voldoen aan de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens de artikelen 36/25, 36/26 en 36/26/1 en aan elke bepaling die is vastgesteld door of krachtens Verordening 648/2012, Verordening 909/2014, Verordening 2015/2365 of Verordening 2022/858.
  Indien de instelling waaraan de Bank met toepassing van het eerste lid een bevel heeft gericht, na afloop van de opgelegde termijn in gebreke blijft, kan de Bank, op voorwaarde dat de instelling haar middelen heeft kunnen laten gelden en onverminderd de andere bij de wet bepaalde maatregelen:
  1° de betrokken tekortkoming bekendmaken;
  2° de betaling van een dwangsom opleggen van maximum 2.500.000 euro per inbreuk en maximum 50.000 euro per dag vertraging;
  3° bij de betrokken instelling, waarvan de maatschappelijke zetel in België is gevestigd, een bijzonder commissaris aanstellen van wie de toestemming vereist is voor de handelingen en beslissingen die de Bank bepaalt.
  In spoedeisende gevallen kan de Bank de in het tweede lid, 1° en 3°, bedoelde maatregelen nemen zonder voorafgaand bevel met toepassing van het eerste lid, op voorwaarde dat de betrokken instelling haar middelen heeft kunnen laten gelden.
  § 2. Onverminderd de andere bij de wet bepaalde maatregelen kan de Bank, indien zij overeenkomstig de artikelen 36/9 tot 36/11 een inbreuk vaststelt op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens de artikelen 36/25, 36/26 en 36/26/1 of op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening 648/2012, Verordening 909/2014, Verordening 2015/2365 of Verordening 2022/858, aan elke centrale tegenpartij, aan elke centrale effectenbewaarinstelling, aan elke entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert, aan elke instelling die ondersteuning verleent aan een centrale effectenbewaarinstelling of aan elke depositobank een administratieve geldboete opleggen die voor hetzelfde feit of geheel van feiten niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro. Wanneer de inbreuk de overtreder een vermogensvoordeel heeft opgeleverd, wordt dit maximum verhoogd tot het tweevoud van het bedrag van dit voordeel en, in geval van recidive, tot het drievoud van dit bedrag.
  In afwijking van het eerste lid zijn de volgende maximumbedragen van toepassing in geval van een inbreuk door een centrale tegenpartij op de artikelen 4 of 15 van Verordening 2015/2365 of van de bepalingen die werden genomen op basis of in uitvoering van die artikelen:
  a) voor natuurlijke personen 5.000.000 euro; en
  b) voor rechtspersonen 5.000.000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 en 15.000.000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 of, indien het bij toepassing van dat percentage verkregen bedrag hoger is, tien procent van de totale jaaromzet tijdens het voorgaande boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd, of deze laatste in staat heeft gesteld verlies te vermijden, kan dat maximumbedrag worden verhoogd tot het drievoud van die winst of dat verlies.";
  2° in paragraaf 4 wordt de zin "Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van" vervangen door de zin "Het bedrag van de op grond van paragrafen 1 en 2 opgelegde dwangsommen en geldboetes wordt met name door de Bank vastgesteld rekening houdend met alle relevante omstandigheden, en met name, in voorkomend geval, met:".
Art. 15. A l'article 36/30 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié pour la dernière fois par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les paragraphes 1er et 2 sont remplacés comme suit :
  " § 1er. La Banque peut enjoindre à toute contrepartie centrale ainsi qu'à tout dépositaire central de titres, à toute entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT, à tout organisme de support d'un dépositaire central de titres ou à toute banque dépositaire de se conformer aux dispositions prévues par ou en vertu des articles 36/25, 36/26 et 36/26/1, ainsi qu'à toute disposition prévue par ou en vertu du Règlement 648/2012, du Règlement 909/2014, du Règlement 2015/2365 ou du Règlement 2022/858 dans le délai que la Banque détermine.
  Sans préjudice des autres mesures prévues par la loi, si l'établissement auquel elle a adressé une injonction en application de l'alinéa 1er reste en défaut à l'expiration du délai qui lui a été imparti, la Banque peut, l'établissement ayant pu faire valoir ses moyens :
  1° rendre publique la défaillance en question ;
  2° imposer le paiement d'une astreinte à raison d'un montant maximum de 2.500.000 euros par infraction et de maximum 50.000 euros par jour de retard ;
  3° désigner auprès de l'établissement concerné dont le siège social est établi en Belgique un commissaire spécial dont l'autorisation est requise pour les actes et décisions que la Banque détermine.
  Dans les cas urgents, la Banque peut prendre les mesures visées à l'alinéa 2, 1° et 3°, sans injonction préalable en application de l'alinéa 1er, l'établissement concerné ayant pu faire valoir ses moyens.
  § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la loi, lorsque, conformément aux articles 36/9 à 36/11, elle constate une infraction aux dispositions prévues par ou en vertu des articles 36/25, 36/26 et 36/26/1 ou aux dispositions prévues par ou vertu du Règlement 648/2012, du Règlement 909/2014, du Règlement 2015/2365 ou du Règlement 2022/858, la Banque peut infliger à toute contrepartie centrale ainsi qu'à tout dépositaire central de titres, à toute entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT, à tout organisme de support d'un dépositaire central de titres ou à toute banque dépositaire une amende administrative qui ne peut être supérieure, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, à 2.500.000 euros. Lorsque l'infraction a procuré un avantage patrimonial au contrevenant, ce maximum est porté au double du montant de cet avantage et, en cas de récidive, au triple de ce montant.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les montants maximums suivants sont d'application en cas d'infraction par une contrepartie centrale aux articles 4 ou 15 du Règlement 2015/2365 ou aux dispositions prises sur la base ou en exécution de ces articles :
  a) s'agissant de personnes physiques, 5.000.000 euros ; et,
  b) s'agissant de personnes morales, 5.000.000 euros en cas d'infraction à l'article 4 et 15.000.000 euros en cas d'infraction à l'article 15 ou, si le montant obtenu par application de ce pourcentage est plus élevé, dix pour cent du chiffre d'affaires annuel total réalisé au cours de l'exercice précédent.
  Lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte." ;
  2° au paragraphe 4, la phrase "Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction" est remplacée par la phrase "Le montant des astreintes et des amendes imposées en application des paragraphes 1er et 2 est notamment fixé par la Banque en tenant compte de toutes les circonstances pertinentes, et notamment, le cas échéant :".
Art. 16. In artikel 36/30/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018 en gewijzigd bij de wet van 28 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 en 2 worden als volgt vervangen:
  " § 1. Wanneer de Bank een van de inbreuken vaststelt als bedoeld in artikel 63 van Verordening 909/2014, kan ze aan elke centrale effectenbewaarinstelling, aan elke entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert of aan de persoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk, de sancties en andere administratieve maatregelen opleggen die zijn bepaald door of krachtens artikel 63 van Verordening 909/2014. Bij de vaststelling van de aard en de omvang van sancties of andere administratieve maatregelen houdt de Bank met name rekening met de relevante omstandigheden die zijn vermeld in artikel 64 van Verordening 909/2014. Wanneer de Bank in het bijzonder, overeenkomstig de artikelen 36/9 tot 36/11, een van de inbreuken vaststelt als bedoeld in of krachtens artikel 63 van Verordening 909/2014, kan ze aan elke centrale effectenbewaarinstelling, aan elke entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert of aan de persoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk, een administratieve boete opleggen waarvan het maximumbedrag wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 63, paragraaf 2, e), f) en g), van Verordening 909/2014. De beslissingen tot het opleggen van een sanctie of enige andere administratieve maatregel worden met inachtneming van artikel 62 van Verordening 909/2014 bekendgemaakt.
  § 2. Indien de centrale effectenbewaarinstelling of entiteit die een DLT-afwikkelingssysteem of een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteert waaraan de Bank een bevel heeft gericht om te voldoen aan de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening 909/2014, de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of Verordening 2022/858, na afloop van de opgelegde termijn in gebreke blijft, kan de Bank, op voorwaarde dat de betrokken instelling haar middelen heeft kunnen laten gelden:
  1° de betrokken tekortkoming bekendmaken;
  2° de betaling van een dwangsom opleggen van maximum 2.500.000 euro per inbreuk en maximum 50.000 euro per dag vertraging;
  3° bij de betrokken instelling waarvan de maatschappelijke zetel in België is gevestigd, een bijzonder commissaris aanstellen van wie de toestemming vereist is voor de handelingen en beslissingen die de Bank bepaalt;
  4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betrokken instelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden;
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden;
  Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  5° strengere vereisten opleggen inzake solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en andere begrenzingen;
  6° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken instelling binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de betrokken instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
  De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken instelling.
  De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt.
  In spoedeisende gevallen kan de Bank de in paragraaf 2, 1°, 3° en 4° tot 6°, bedoelde maatregelen nemen zonder voorafgaand bevel, op grond van het eerste lid, op voorwaarde dat de betrokken instelling haar middelen heeft kunnen laten gelden.";
  2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. Onverminderd de andere bij de wet bepaalde maatregelen kan de Bank, wanneer ze, overeenkomstig de artikelen 36/9 tot 36/11, een inbreuk vaststelt op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, aan elke centrale effectenbewaarinstelling een administratieve boete opleggen. De volgende maximumbedragen zijn van toepassing:
  a) voor natuurlijke personen 5.000.000 euro; en
  b) voor rechtspersonen 5.000.000 euro bij een inbreuk op artikel 4 en 15.000.000 euro bij een inbreuk op artikel 15 of, indien het bij toepassing van dat percentage verkregen bedrag hoger is, tien procent van de totale jaaromzet tijdens het voorgaande boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd, of deze laatste in staat heeft gesteld verlies te vermijden, kan dit maximumbedrag worden verhoogd tot het drievoud van die winst of dat verlies.";
  3° paragraaf 4, opgeheven bij de wet van 28 november 2022, wordt hersteld als volgt:
  " § 4. Het bedrag van de op grond van paragrafen 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes wordt door de Bank vastgesteld rekening houdend met alle relevante omstandigheden, en met name, in voorkomend geval, met:
  a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  c) de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
  g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  h) de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.".
Art. 16. A l'article 36/30/1 de la même loi, inséré par la loi du 30 juillet 2018 et modifié par la loi du 28 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 1er. Lorsque la Banque constate une des infractions visées à l'article 63 du Règlement 909/2014, elle peut infliger à tout dépositaire central de titres, à toute entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT ou à la personne responsable de l'infraction, les sanctions et autres mesures administratives définies par ou en vertu de l'article 63 du Règlement 909/2014. Lorsqu'elle détermine le type de sanctions ou autres mesures administratives et leur niveau, la Banque tient compte notamment des circonstances pertinentes mentionnées à l'article 64 du Règlement 909/2014. En particulier, lorsque, conformément aux articles 36/9 à 36/11, la Banque constate une des infractions visées par ou en vertu de l'article 63 du Règlement 909/2014, elle peut infliger à tout dépositaire central de titres, à toute entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT ou à la personne responsable de l'infraction une amende administrative dont le montant maximum est fixé conformément à l'article 63, paragraphe 2, e), f) et g), du Règlement 909/2014. Les décisions imposant une sanction ou toute autre mesure administrative seront publiées dans le respect de l'article 62 du Règlement 909/2014.
  § 2. Si le dépositaire central de titres ou l'entité qui exploite un système de règlement DLT ou un système de négociation et de règlement DLT auquel la Banque a adressé une injonction de se conformer aux dispositions prévues par ou en vertu du Règlement 909/2014, des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ou du Règlement 2022/858, reste en défaut à l'expiration du délai qui lui a été imparti, la Banque peut, l'établissement concerné ayant pu faire valoir ses moyens :
  1° rendre publique la défaillance en question ;
  2° imposer le paiement d'une astreinte à raison d'un montant maximum de 2.500.000 euros par infraction et de maximum 50.000 euros par jour de retard ;
  3° désigner auprès de l'établissement concerné dont le siège social est établi en Belgique un commissaire spécial dont l'autorisation est requise pour les actes et décisions que la Banque détermine ;
  4° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement concerné ou interdire cet exercice ;
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension ou de l'interdiction sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si la Banque a publié la suspension ou l'interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus en contravention à celle-ci sont nuls ;
  5° imposer des exigences plus sévères en matière de solvabilité, liquidité, concentration des risques et autres limitations ;
  6° enjoindre le remplacement de tout ou partie de l'organe légal d'administration de l'établissement concerné dans un délai qu'elle détermine et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, substituer à l'ensemble des organes d'administration ou de gestion de l'établissement concerné un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement, selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
  La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement concerné.
  La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateur(s) ou gérant(s) provisoire(s), soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires.
  Dans les cas urgents, la Banque peut prendre les mesures visées au paragraphe 2, 1°, 3° et 4° à 6° sans injonction préalable en application de l'alinéa 1er, l'établissement concerné ayant pu faire valoir ses moyens." ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. Sans préjudice des autres mesures prévues par la loi, lorsque, conformément aux articles 36/9 à 36/11, elle constate une infraction aux dispositions prévues par ou en vertu des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, la Banque peut infliger à tout dépositaire central de titres une amende administrative. Les montants maximums suivants sont d'application:
  a) s'agissant de personnes physiques, 5.000.000 euros; et,
  b) s'agissant de personnes morales, 5.000.000 euros en cas d'infraction à l'article 4 et 15.000.000 euros en cas d'infraction à l'article 15 ou, si le montant obtenu par application de ce pourcentage est plus élevé, dix pour cent du chiffre d'affaires annuel total réalisé au cours de l'exercice précédent.
  Lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte." ;
  3° le paragraphe 4, abrogé par la loi du 28 novembre 2022 est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 4. Le montant des astreintes et amendes imposées en application des paragraphes 2 et 3 est fixé par la Banque en tenant compte de toutes les circonstances pertinentes, et notamment, le cas échéant :
  a) de la gravité et de la durée des manquements ;
  b) du degré de responsabilité de la personne en cause ;
  c) de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause ;
  d) des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements ;
  e) d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé ;
  f) du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause ;
  g) des manquements antérieurs commis par la personne en cause ;
  h) de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier.".
Art. 17. In Hoofdstuk IV/2 van dezelfde wet wordt een artikel 36/30/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 36/30/2. § 1. Voor de uitvoering van haar taken als afwikkelingsautoriteit bedoeld in de artikelen 12ter, § 1/1, en in de bepalingen die werden vastgesteld door of krachtens dat artikel, of om gevolg te geven aan verzoeken tot samenwerking van afwikkelingsautoriteiten in de zin van artikel 36/14, § 1, 22° /1, beschikt de Bank ten aanzien van de centrale tegenpartijen, met inbegrip van hun op het grondgebied van de Unie gevestigde bijkantoren, over de volgende bevoegdheden:
  1° zij kan zich elke informatie en elk document, in welke vorm ook, doen meedelen;
  2° zij kan ter plaatse inspecties en expertises verrichten, ter plaatse kennisnemen en een kopie maken van elk document, gegevensbestand en registratie, en toegang hebben tot elk informaticasysteem;
  3° zij kan de commissarissen of de met de controle van de jaarrekeningen van deze entiteiten belaste personen, op kosten van deze entiteiten, om bijzondere verslagen vragen over de door haar aangegeven onderwerpen;
  4° wanneer deze entiteiten in België zijn gevestigd, kan zij eisen dat deze haar alle nuttige informatie en documenten bezorgen over ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep en in het buitenland zijn gevestigd.
  § 2. Wanneer de Bank een inbreuk vaststelt op de bepalingen als bedoeld in of krachtens Verordening 2021/23, kan de Bank de centrale tegenpartij of de persoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk gelasten de vastgestelde situatie te verhelpen binnen de door de Bank bepaalde termijn en, in voorkomend geval, het gedrag dat een inbreuk uitmaakt niet meer te herhalen.
  Indien de centrale tegenpartij of de persoon aan wie de Bank, overeenkomstig het eerste lid, een bevel heeft gericht, in gebreke blijft na afloop van de opgelegde termijn, en op voorwaarde dat de centrale tegenpartij of de persoon haar of zijn middelen heeft kunnen laten gelden, kan de Bank, onverminderd de overige maatregelen bepaald door of krachtens Verordening 2021/23:
  1° de desbetreffende tekortkoming aan het licht brengen en de identiteit van de centrale tegenpartij of van de verantwoordelijke persoon en de aard van de inbreuk bekendmaken;
  2° de betaling van een dwangsom opleggen van maximum 2.500.000 euro per inbreuk en maximum 50.000 euro per dag vertraging;
  3° tegen de leden van bestuursorganen van de centrale tegenpartij of tegen iedere andere verantwoordelijk gehouden natuurlijke persoon een tijdelijk verbod uitspreken om functies uit te oefenen in een centrale tegenpartij.
  In spoedeisende gevallen kan de Bank de in het tweede lid, 1° en 3°, bedoelde maatregelen nemen zonder voorafgaand bevel op grond van het eerste lid, op voorwaarde dat de centrale tegenpartij of iedere andere verantwoordelijk gehouden natuurlijke persoon, haar middelen heeft kunnen laten gelden.
  § 3. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door of krachtens Verordening 2021/23, kan de Bank wanneer zij, overeenkomstig de artikelen 36/9 tot 36/11, een inbreuk vaststelt op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening 2021/23, aan elke centrale tegenpartij een administratieve boete opleggen, waarvoor de volgende maximumbedragen van toepassing zijn:
  a) voor natuurlijke personen 5.000.000 euro; en
  b) voor rechtspersonen tien procent van de totale jaaromzet tijdens het voorgaande boekjaar. Indien de rechtspersoon een dochteronderneming van een moederonderneming is, wordt de omzet in aanmerking genomen die blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming voor het voorgaande boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd, kan dit maximumbedrag worden verhoogd tot het tweevoud van het door de overtreder behaalde voordeel.
  § 4. De op grond van de paragrafen 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
  § 5. Wanneer de dwangsommen als bedoeld in paragraaf 2 en de administratieve boetes als bedoeld in paragraaf 3 worden opgelegd bij niet-naleving van de verplichtingen die zijn bepaald door of krachtens Verordening 2021/23, maakt de Bank de oplegging van die sancties bekend overeenkomstig artikel 83 van Verordening 2021/23.
  § 6. Het bedrag van de op grond van paragrafen 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes wordt door de Bank vastgesteld rekening houdend met alle relevante omstandigheden, en met name, in voorkomend geval, met:
  a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  c) de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
  g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  h) de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.".
Art. 17. Dans le Chapitre IV/2 de la même loi, il est inséré un article 36/30/2 rédigé comme suit :
  "Art. 36/30/2. § 1er. Pour exercer ses missions d'autorité de résolution visées à l'article 12ter, § 1/1, aux dispositions prises par ou en vertu de cet article ou pour répondre aux demandes de coopération émanant d'autorités de résolution au sens de l'article 36/14, § 1er, 22° /1, la Banque dispose à l'égard des contreparties centrales, y compris leurs succursales établies sur le territoire de l'Union, des pouvoirs suivants :
  1° elle peut se faire communiquer toute information et tout document, sous quelque forme que ce soit ;
  2° elle peut procéder à des inspections et expertises sur place, prendre connaissance et copie sur place de tout document, fichier et enregistrement et avoir accès à tout système informatique ;
  3° elle peut demander aux commissaires ou aux personnes chargées du contrôle des états financiers de ces entités, de lui remettre, aux frais de ces entités, des rapports spéciaux sur les sujets qu'elle détermine ;
  4° elle peut exiger de ces entités, lorsque celles-ci sont établies en Belgique, qu'elles lui fournissent toute information et tout document utiles relatifs à des entreprises qui font partie du même groupe et sont établies à l'étranger.
  § 2. Lorsque la Banque constate une infraction aux dispositions visées par ou en vertu du Règlement 2021/23, la Banque peut enjoindre à la contrepartie centrale ou la personne responsable de l'infraction de remédier à la situation constatée dans le délai que la Banque détermine et, le cas échéant, de s'abstenir de réitérer le comportement constitutif d'une infraction.
  Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en vertu du Règlement 2021/23, si la contrepartie centrale ou la personne à laquelle la Banque a adressé une injonction en application de l'alinéa 1er reste en défaut à l'expiration du délai qui lui a été imparti, la Banque peut, la contrepartie centrale ou la personne ayant pu faire valoir ses moyens:
  1° rendre publique le manquement en question et publier l'identité de la contrepartie centrale ou de la personne responsable et la nature de l'infraction ;
  2° imposer le paiement d'une astreinte à raison d'un montant maximum de 2.500.000 euros par infraction et de maximum 50.000 euros par jour de retard ;
  3° prononcer une interdiction temporaire, à l'encontre des membres de instances dirigeantes de la contrepartie centrale ou de tout autre personne physique tenue responsable d'exercer des fonctions au sein d'une contrepartie centrale.
  Dans les cas urgents, la Banque peut prendre les mesures visées à l'alinéa 2, 1° et 3°, sans injonction préalable en application de l'alinéa 1er, la contrepartie centrale ou toute autre personne physique tenue responsable, ayant pu faire valoir ses moyens.
  § 3. Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en vertu du Règlement 2021/23, lorsque, conformément aux articles 36/9 à 36/11, elle constate une infraction aux dispositions prévues par ou en vertu du Règlement 2021/23, la Banque peut infliger à toute contrepartie centrale une amende administrative, les montants maximums suivants étant d'application :
  a) s'agissant de personnes physiques, 5.000.000 euros; et
  b) s'agissant de personnes morales, dix pour cent du chiffre d'affaires annuel total réalisé au cours de l'exercice précédent. Lorsque la personne morale est une filiale d'une entreprise mère, le chiffre d'affaires à prendre en considération est celui qui ressort des comptes consolidés de l'entreprise mère ultime pour l'exercice précédent.
  Lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant, ce maximum peut être porté au double du montant de l'avantage retiré par le contrevenant.
  § 4. Les astreintes et amendes imposées en application des paragraphes 2 et 3, sont recouvrées au profit du Trésor par l'Administration générale de la perception et du recouvrement du service public fédéral Finances.
  § 5. Lorsque les astreintes visées au paragraphe 2 et les amendes administratives visées au paragraphe 3 sont imposées en cas de non-respect des obligations prévues par ou en vertu du Règlement 2021/23, la Banque publie l'imposition de ces sanctions conformément à l'article 83 du Règlement 2021/23.
  § 6. Le montant des astreintes et amendes imposées en application des paragraphes 2 et 3 est fixé par la Banque en tenant compte de toutes les circonstances pertinentes, et notamment, le cas échéant :
  a) de la gravité et de la durée des manquements ;
  b) du degré de responsabilité de la personne en cause ;
  c) de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause ;
  d) des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements ;
  e) d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé ;
  f) du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause ;
  g) des manquements antérieurs commis par la personne en cause ;
  h) de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier.".
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, betreffende de Sanctiecommissie
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, concernant la commission des sanctions
Art. 18. In artikel 36/8 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 maart 2018, wordt paragraaf 8 vervangen als volgt:
  " § 8. De Sanctiecommissie legt in een reglement van inwendige orde de procedureregels en de deontologische regels vast voor de behandeling van de sanctiedossiers en legt dit ter goedkeuring voor aan de Koning.".
Art. 18. Dans l'article 36/8 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 mars 2018, le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
  " § 8. La commission des sanctions arrête dans un règlement d'ordre intérieur les règles de procédure et de déontologie applicables pour le traitement des dossiers de sanction, et le soumet à l'approbation du Roi.".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Art. 19. In artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 41°, worden de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen" vervangen door de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen";
  2° er wordt een bepaling onder 41° /2 ingevoegd, luidende:
  "41° /2 "de wet van 20 juli 2022": de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen".
  3° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 81° tot 83°, luidende:
  "81° "Verordening 2019/1238": Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP);
  82° "PEPP": pan-Europees persoonlijk pensioenproduct, zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van Verordening 2019/1238;
  83° "GTM-verordening": Verordening (EU) Nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen."
Art. 19. A l'article 2 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 41°, les mots "la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit" ;
  2° il est inséré un 41° /2, rédigé comme suit :
  "41° /2 "la loi du 20 juillet 2022": la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses".
  3° l'article est complété par les dispositions 81° à 83° rédigés comme suit :
  "81° "Règlement 2019/1238": Règlement (UE) 2019/1238 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relatif à un produit paneuropéen d'épargne-retraite individuelle (PEPP) ;
  82° "PEPP": produit paneuropéen d'épargne-retraite individuelle tel que défini à l'article 2, 2° du Règlement 2019/1238 ;
  83° "Règlement MSU": Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de surveillance prudentielle des établissements de crédit."
Art. 20. In artikel 31, § 5, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden "de artikelen 65, §§ 1 en 2, en 528 van de wet van 25 april 2014, voor zover dit laatste artikel het voormelde artikel 65, §§ 1 en 2, van toepassing verklaart op de beursvennootschappen" vervangen door de woorden "artikel 65, §§ 1 en 2, van de wet van 25 april 2014 en in artikel 69, § 2, eerste en tweede lid van de wet van 20 juli 2022".
Art. 20. Dans l'article 31, § 5, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les mots "les articles 65, §§ 1er et 2, et 528 de la loi du 25 avril 2014, dans la mesure où ce dernier article rend l'article 65, §§ 1er et 2, précité applicable aux sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "l'article 65, §§ 1er et 2, de la loi du 25 avril 2014 et par l'article 69, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi du 20 juillet 2022".
Art. 21. Artikel 36, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende:
  "12° in geval van een inbreuk op de bepalingen van Verordening 2019/1238 waarvoor de FSMA als bevoegde autoriteit is aangesteld overeenkomstig artikel 37nonies, of op de bepalingen genomen op grond of ter uitvoering ervan: voor natuurlijke personen, 700.000 euro, en, voor rechtspersonen, 5.000.000 euro of tien procent van de totale nettojaaromzet. Wanneer de inbreuk de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het dubbele van het bedrag van deze winst of dit verlies.".
Art. 21. L'article 36, § 2, alinéa 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, est complété par un 12°, rédigé comme suit :
  "12° en cas d'infraction aux dispositions du Règlement 2019/1238 pour lesquelles la FSMA est désignée comme autorité compétente conformément à l'article 37nonies, ou aux dispositions prises sur la base ou en exécution desdites dispositions: s'agissant de personnes physiques, 700.000 euros et, s'agissant de personnes morales, 5.000.000 euros ou dix pour cent du chiffre d'affaires annuel net total. Lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.".
Art. 22. In hoofdstuk II, afdeling 8, dezelfde wet wordt een artikel 37nonies ingevoegd, luidende:
  "Art. 37nonies. § 1. De FSMA oefent de taken uit die Verordening 2019/1238 aan de bevoegde overheid toevertrouwt, en ziet toe op de naleving van die Verordening en van de op grond van of krachtens die Verordening vastgestelde bepalingen.
  § 2. Voor de uitoefening van deze opdrachten kan de FSMA:
  1° de in de artikelen 34 en 35 bedoelde bevoegdheden uitoefenen;
  2° de in de artikelen 79 tot 85bis bedoelde bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de in die artikelen voorziene nadere regels.
  De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing bij inbreuken op de bepalingen van de in paragraaf 1 bedoelde Verordening, op de bepalingen die op grond van of krachtens die Verordening zijn vastgesteld, of op de maatregelen die de FSMA krachtens die Verordening of de uitvoeringsbepalingen ervan heeft genomen. Zij zijn ook van toepassing bij niet-naleving van de verplichtingen of de maatregelen die krachtens het eerste lid, 2°, zijn opgelegd.".
  § 3. De FSMA oefent haar in paragraaf 1 gedefinieerde toezichtsbevoegdheden op eensluidend advies van de Bank uit.
  De in het eerste lid bedoelde eensluidende adviezen van de Bank hebben betrekking op de naleving van de bepalingen van Verordening 2019/1238, vanuit het oogpunt van de prudentiële toezichtsbevoegdheden van de Bank conform artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of die van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening.
  § 4. De FSMA spreekt zich, op eensluidend advies van de Bank, uit over de registratieaanvraag van een PEPP ingediend door een in artikel 6, lid 1, a), b) of d), van Verordening 2019/1238 bedoelde kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beursvennootschap.
  Het eensluidend advies van de Bank heeft in dit geval betrekking op de conformiteit van de registratieaanvraag met de bepalingen van Verordening 2019/1238, vanuit het oogpunt van de prudentiële toezichtsbevoegdheden van de Bank conform artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of die van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening.
  De FSMA bezorgt de Bank de registratieaanvraag en de elementen van die aanvraag, bedoeld in artikel 6, lid 2, van Verordening 2019/1238, die onder de prudentiële toezichtsbevoegdheden van de Bank vallen conform artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of die van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening. De Bank verwittigt de FSMA binnen een termijn van maximum 5 dagen als zij vaststelt dat de registratieaanvraag niet volledig is.
  De Bank bezorgt de FSMA haar eensluidend advies binnen een maand vanaf de ontvangst van de volledige registratieaanvraag.
  Als binnen voornoemde termijn van een maand geen eensluidend advies wordt verstrekt, wordt dat beschouwd als een advies tot weigering van de registratie van het betrokken PEPP.
  Vóór voornoemde termijn van een maand verstrijkt, kan de Bank de FSMA er van op de hoogte brengen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van voornoemde termijn zal verstrekken.
  De FSMA volgt het eensluidend advies van de Bank en vermeldt dat in haar beslissing over de registratieaanvraag. Het advies van de Bank wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing van de FSMA aan EIOPA en aan de PEPP-aanbieder die de aanvraag heeft ingediend.
  De FSMA brengt alle latere wijzigingen van de in het derde lid bedoelde elementen ter kennis van de Bank. In voorkomend geval, bezorgt de Bank de FSMA een nieuw eensluidend advies over de conformiteit van de in die documenten aangebrachte wijzigingen met de bepalingen van Verordening 2019/1238, volgens de regels bepaald in het tweede tot zesde lid. De FSMA volgt het eensluidend advies van de Bank.
  § 5. De in artikel 40, lid 1 tot 5, van Verordening 2019/1238 bedoelde informatie aan de bevoegde nationale autoriteiten wordt aan de Bank verstrekt wanneer de betrokken PEPP-aanbieders kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen of beursvennootschappen zijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, a), b) of d), van Verordening 2019/1238. De Bank controleert dat alle vereiste informatie haar conform voornoemd artikel 40, lid 1 tot 5 is verstrekt. De Bank verstrekt de in artikel 40, lid 5, van Verordening 2019/1238 bedoelde informatie aan de FSMA. De FSMA verstrekt die informatie aan EIOPA overeenkomstig artikel 40,
  lid 5, alinea 2, van Verordening 2019/1238. De overige informatie die aan de Bank wordt verstrekt, wordt ter beschikking gesteld van de FSMA, als zij daarom verzoekt.
  Met uitzondering van de informatie die moet worden verstrekt door de in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beursvennootschappen die vallen onder het prudentieel toezicht van de Bank conform artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of dat van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening, kan de FSMA, bij reglement bedoeld in artikel 64, de aard, de reikwijdte en het model van de in artikel 40, lid 1, van Verordening 2019/1238 bedoelde informatie vaststellen die zij voornemens is van de PEPP-aanbieders te eisen met van tevoren bepaalde tussenpozen, in van tevoren bepaalde gevallen of bij onderzoeken naar de situatie van een PEPP-aanbieder.
  Voor de informatie die moet worden verstrekt door de in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beursvennootschappen die vallen onder het prudentieel toezicht van de Bank conform artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of dat van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening, kunnen die modaliteiten worden verduidelijkt bij door een de Bank vastgesteld reglement conform artikel 12bis, § 2, van de organieke wet van de Bank.
  De FSMA en de Bank plegen onderling overleg bij de opstelling van de in de vorige twee leden bedoelde reglementen.
  § 6. De FSMA haalt, op vraag van de Bank, de registratie door van een PEPP die wordt aangeboden door een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming of een beursvennootschap bedoeld in artikel 6, lid 1, a), b) of d), van Verordening 2019/1238, als de Bank van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van Verordening 2019/1238 is voldaan met betrekking tot de aspecten die vallen onder het prudentieel toezicht van de Bank overeenkomstig artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of dat van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening.
  Wanneer EIOPA de FSMA, overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Verordening 2019/1238, vraagt om na te gaan of er sprake is van omstandigheden die de doorhaling rechtvaardigen van de registratie van een PEPP die wordt aangeboden door een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming of een beursvennootschap als bedoeld in artikel 6, lid 1, a), b) of d), van Verordening 2019/1238, dient de FSMA haar bevindingen in bij EIOPA, op eensluidend advies van de Bank in verband met de aspecten die vallen onder het prudentieel toezicht van de Bank overeenkomstig artikel 36/2 van de organieke wet van de Bank, of dat van de Europese Centrale Bank conform de GTM-verordening.
  § 7. De FSMA kan de bevoegdheden uitoefenen waarin, krachtens artikel 63 van Verordening 2019/1238, voor de bevoegde autoriteiten wordt voorzien.
  Op vraag van de Bank verbiedt of beperkt de FSMA het op de markt brengen of distribueren van een PEPP overeenkomstig artikel 63, eerste lid, a), van Verordening 2019/1238, als er volgens de Bank redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het PEPP een risico vormt voor de stabiliteit van het Belgische financiële stelsel of een deel daarvan".
Art. 22. Dans le chapitre II, section 8, de la même loi, il est inséré un article 37nonies, rédigé comme suit:
  "Art. 37nonies. § 1er. La FSMA assume les missions dévolues à l'autorité compétente par le Règlement 2019/1238 et veille au respect de ce règlement et des dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement.
  § 2. Aux fins de s'acquitter de ces missions, la FSMA peut :
  1° exercer les pouvoirs visés aux articles 34 et 35 ;
  2° exercer les pouvoirs visés aux articles 79 à 85bis selon les modalités prévues par ces articles.
  Les articles 36 et 37 sont applicables en cas d'infraction aux dispositions du règlement visé au paragraphe 1er, aux dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement ou aux mesures prises par la FSMA en vertu de ce règlement ou de ses dispositions d'exécution. Ils sont également applicables en cas de non-respect des obligations ou mesures imposées en vertu de l'alinéa 1er, 2°.
  § 3. La FSMA exerce ses missions de contrôle définies au paragraphe 1er, sur avis conforme de la Banque.
  Les avis conformes de la Banque visés à l'alinéa 1er portent sur le respect des dispositions du Règlement 2019/1238, sous l'angle des compétences de contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU.
  § 4. La FSMA se prononce sur la demande d'enregistrement d'un PEPP émanant d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance ou d'une société de bourse visés à l'article 6, paragraphe 1er, a), b) ou d) du Règlement 2019/1238, sur avis conforme de la Banque.
  L'avis conforme de la Banque porte, dans ce cas, sur la conformité de la demande d'enregistrement avec les dispositions du Règlement 2019/1238, sous l'angle des compétences de contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU.
  La FSMA communique à la Banque la demande d'enregistrement et les éléments de cette demande, visés à l'article 6, § 2 du Règlement 2019/1238, qui relèvent des compétences de contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU. La Banque avertit la FSMA, dans un délai maximum de 5 jours, si elle constate que la demande d'enregistrement n'est pas complète.
  La Banque communique son avis conforme à la FSMA dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande d'enregistrement complète.
  L'absence d'avis conforme dans le délai susmentionné d'un mois est considérée comme un avis de refus d'enregistrement du PEPP concerné.
  Avant l'expiration du délai d'un mois précité, la Banque peut informer la FSMA qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
  La FSMA suit l'avis conforme de la Banque et en fait état dans sa décision sur la demande d'enregistrement. L'avis de la Banque est jointe à la notification de la décision de la FSMA à l'EIOPA et au fournisseur de PEPP demandeur.
  La FSMA communique à la Banque toute modification ultérieure des éléments visés à l'alinéa 3. Le cas échéant, la Banque communique un nouvel avis conforme à la FSMA sur la conformité des modifications apportées à ces documents, avec les dispositions du Règlement 2019/1238, selon les modalités définies aux alinéas 2 à 6. La FSMA suit l'avis conforme de la Banque.
  § 5. Les informations aux autorités compétentes nationales, prévues à l'article 40, §§ 1 à 5, du Règlement 2019/1238, sont fournies à la Banque lorsque les fournisseurs de PEPP concernés sont des établissements de crédit, des entreprises d'assurance ou des sociétés de bourse visés à l'article 6, paragraphe 1er, a), b) ou d), du Règlement 2019/1238. La Banque vérifie que toutes les informations requises lui ont été communiquées conformément à l'article 40, §§ 1 à 5, précité. La Banque transmet à la FSMA les informations visées à l'article 40, § 5 du Règlement 2019/1238. Ces informations sont transmises par la FSMA à l'EIOPA conformément à l'article 40, § 5, alinéa 2, du Règlement 2019/1238. Les autres informations fournies à la Banque sont mises à la disposition de la FSMA, à sa demande.
  A l'exception des informations exigées des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des sociétés de bourse visées à l'alinéa 1er, et qui relèvent du contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU, la FSMA peut définir, par voie de règlement pris en vertu de l'article 64, la nature, la portée et le format des informations visées à l'article 40, § 1er, du Règlement 2019/1238 dont elle entend exiger la communication de la part des fournisseurs de PEPP à des intervalles prédéfinis, lorsque des événements prédéfinis se produisent ou lors d'enquêtes concernant la situation d'un fournisseur de PEPP.
  Pour les informations exigées des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des sociétés de bourse visées à l'alinéa 1er, et relevant du contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU, ces modalités peuvent être précisées dans un règlement adopté par la Banque, conformément à l'article 12bis, § 2 de la loi organique de la Banque.
  La FSMA et la Banque se concertent lors de l'élaboration des règlements visés aux deux alinéas précédents.
  § 6. La FSMA radie l'enregistrement d'un PEPP fourni par un établissement de crédit, une entreprise d'assurance ou une société de bourse visés à l'article 6, paragraphe 1er, a), b) ou d), du Règlement 2019/1238, à la demande de la Banque, lorsque cette dernière estime que les conditions de l'article 8, § 1er du Règlement 2019/1238 sont remplies sur les aspects qui relèvent du contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU.
  Lorsque l'EIOPA demande à la FSMA, conformément à l'article 8, § 6, du Règlement 2019/1238 de vérifier l'existence de circonstances susceptibles de justifier la radiation d'un PEPP fourni par un établissement de crédit, une entreprise d'assurance ou une société de bourse visés à l'article 6, paragraphe 1er, a), b) ou d), du Règlement 2019/1238, la FSMA soumet ses conclusions à l'EIOPA, sur avis conforme de la Banque sur les aspects qui relèvent du contrôle prudentiel de la Banque conformément à l'article 36/2 de la loi organique de la Banque ou de la Banque centrale européenne conformément au Règlement MSU.
  § 7. La FSMA peut exercer les pouvoirs qui, aux termes de l'article 63 du Règlement 2019/1238, relèvent des prérogatives des autorités compétentes.
  La FSMA, à la demande de la Banque, interdit ou restreint la commercialisation ou la distribution d'un PEPP conformément à l'article 63, paragraphe 1er, a), du Règlement 2019/1238, lorsque, selon la Banque, il existe des motifs raisonnables de penser que le PEPP présente un risque pour la stabilité de tout ou partie du système financier belge".
Art. 23. In artikel 45, § 1, 3°, f), van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "de artikelen 502, 510, 510/1, 510/2, 527, 528, 529/1 evenals 530 voor wat betreft het verstrekken van beleggingsdiensten en het verrichten van beleggingsactiviteiten, van de diezelfde wet voor zover de artikelen 502 en 528, eerste lid, van die wet de voormelde artikelen 21 en 65, § 3, van toepassing verklaren op de beursvennootschappen" vervangen door de woorden "de artikelen 17, 37, 38, 39, 40, 68, 69, § 2, derde lid, 71, 72, evenals artikel 73 voor wat betreft het verstrekken van beleggingsdiensten en het verrichten van beleggingsactiviteiten, van de wet van 20 juli 2022".
Art. 23. Dans l'article 45, § 1er, 3°, f), de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les mots "les articles 502, 510, 510/1, 510/2, 527, 528, 529/1, ainsi que l'article 530 en ce qui concerne la fourniture de services d'investissement et l'exercice d'activités d'investissement, de la même loi, dans la mesure où les articles 502 et 528, alinéa 1er, de cette loi rendent les articles 21 et 65, § 3, précités applicables aux sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "les articles 17, 37, 38, 39, 40, 68, 69, § 2, alinéa 3, 71, 72, ainsi que l'article 73, en ce qui concerne la fourniture de services d'investissement et l'exercice d'activités d'investissement, de la loi du 20 juillet 2022".
Art. 24. In artikel 75 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de tweede bepaling onder 24° wordt vervangen als volgt:
  "24° /1 aan de Cel voor financiële informatieverwerking bedoeld in artikel 76 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;"
  b) in 26° worden de woorden "aan de personen die, met toepassing van artikel 50 van Verordening 2019/1238, een klacht bij de FSMA hebben ingediend, en aan de PEPP-aanbieders en -distributeurs in de zin van voornoemde Verordening" ingevoegd tussen de woorden "alsook aan de crowdfundingdienstverleners," en de woorden "voor zover nodig".
  c) de tweede bepaling onder 27° wordt vervangen als volgt:
  "27° /1 aan de Europese Commissie, in het kader van het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies conform artikel 45, § 1, 2°, a), wanneer die informatie noodzakelijk is voor de uitoefening van haar bevoegdheden."
  2° in paragraaf 3, worden de woorden "van al haar opdrachten als bedoeld in artikel 45." vervangen door de woorden "van al haar wettelijke opdrachten".
Art. 24. A l'article 75 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022 :
  1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le deuxième point 24° est remplacé par ce qui suit :
  "24° /1 à la Cellule de traitement des informations financières, visée à l'article 76 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;"
  b) dans le 26° de la même loi, modifié pour la dernière fois par la loi du 23 février 2022, les mots "et aux personnes ayant introduit une réclamation auprès de la FSMA, en application de l'article 50 du Règlement 2019/1238, ainsi qu'aux fournisseurs et distributeurs de PEPP au sens du règlement précité" sont insérés entre les mots "ainsi qu'aux prestataires de services de financement participatif," et les mots "dans la mesure nécessaire".
  c) le deuxième point 27° est remplacé par ce qui suit :
  "27° /1 à la Commission européenne, dans le cadre du contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement conformément à l'article 45, § 1er, 2°, a), lorsque ces informations sont nécessaires à l'exercice de ses compétences."
  2° dans le paragraphe 3, les mots "de l'ensemble de ses missions visées à l'article 45." sont remplacés par les mots "de l'ensemble de ses missions légales."
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers
Art. 25. Artikel 4 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, laatstelijk gewijzigd bij wet van 5 juli 2022, wordt aangevuld met een bepaling onder 17°, luidende:
  "17° "verantwoordelijke gereglementeerde onderneming": een gereglementeerde onderneming in wiens naam en voor wiens rekening een agent in bank- en beleggingsdiensten handelt".
Art. 25. L'article 4 de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement, modifié en dernier lieu par la loi 5 juillet 2022, est complété par un 17°, rédigé comme suit :
  "17° "entreprise réglementée responsable": l'entreprise réglementée au nom et pour le compte de laquelle agit un agent en services bancaires et d'investissement".
Art. 26. In artikel 7, § 3, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de naam van zijn principaal" vervangen door de woorden "de naam van zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming".
Art. 26. Dans l'article 7, § 3, alinéa 2, de la même loi, les mots "le nom de son mandant" est remplacé par les mots "le nom de son entreprise réglementée responsable".
Art. 27. In artikel 10 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het eerste lid worden de woorden "de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn principaal. De principaal oefent" vervangen door de woorden "de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming. De verantwoordelijke gereglementeerde onderneming oefent";
  - in het tweede lid, worden de woorden "de maatschappelijke zetel van zijn principaal" vervangen door de woorden "de maatschappelijke zetel van zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming";
  - tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "Als deze verantwoordelijke gereglementeerde onderneming een beleggingsonderneming is of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en als in naam en voor rekening van deze verantwoordelijke gereglementeerde onderneming in België beleggingsdiensten en activiteiten zullen worden verleend als bedoeld in artikel 4, 1°, b), zal de in paragraaf 1 bedoelde tussenpersoon slechts worden ingeschreven in de categorie "agenten in bank- en beleggingsdiensten" op voorwaarde dat de mededeling, waarin artikel 35, (3), van Richtlijn 2014/65/EU voorziet, is verricht conform deze bepaling";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De samenwerking tussen de agent in bank- en beleggingsdiensten en zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst. De overeenkomst legt de door de agent na te leven boekhoudkundige en administratieve procedures vast. De overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat de agent slechts aan bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten kan doen in naam en voor rekening van de verantwoordelijke gereglementeerde onderneming, en bepaalt welke andere werkzaamheden dan bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten met het mandaat van agent in bank- en beleggingsdiensten mogen worden gecumuleerd en/of de procedure die dient gevolgd te worden voor het bekomen van de toestemming daartoe van de verantwoordelijke gereglementeerde onderneming, onverminderd het bepaalde bij artikel 12. De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, vast te stellen welke andere bepalingen in deze overeenkomsten moeten worden opgenomen, teneinde de veiligheid van de uitgevoerde verrichtingen te verzekeren.";
  3° in paragraaf 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het eerste lid worden de woorden "de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn principaal. De principaal oefent" vervangen door de woorden "de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming. De verantwoordelijke gereglementeerde onderneming oefent";
  - in het tweede lid worden de woorden "de principaal" vervangen door de woorden "de verantwoordelijke gereglementeerde onderneming";
  4° in paragraaf 5 worden de woorden "de samenwerking tussen een agent in bank- en beleggingsdiensten en zijn principaal" vervangen door de woorden "de samenwerking tussen een agent in bank- en beleggingsdiensten en zijn verantwoordelijke gereglementeerde onderneming".
Art. 27. A l'article 10 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  - dans l'alinéa 1er, les mots "d'un seul mandant" sont remplacés par les mots "d'une seule entreprise réglementée responsable" ;
  - dans l'alinéa 2, les mots "siège social de son mandant" sont remplacés par les mots "siège social de son entreprise réglementée responsable" ;
  - un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  "Si cette entreprise réglementée responsable est une entreprise d'investissement ou un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et si les activités exercées en Belgique au nom et pour le compte de cette entreprise réglementée responsable consisteront en la prestation de services et activités d'investissement visés à l'article 4, 1°, b), l'intermédiaire visé au paragraphe 1er ne sera inscrit dans la catégorie "agents en services bancaires et en services d'investissement" qu'à la condition que la communication, prévue à l'article 35, (3), de la directive 2014/65/UE ait été effectuée conformément à la disposition précitée" ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La collaboration entre l'agent en services bancaires et en services d'investissement et son entreprise réglementée responsable fait l'objet d'une convention écrite. Celle-ci fixe les procédures comptables et administratives à respecter par l'agent. La convention dispose expressément que l'agent ne peut assurer une intermédiation en services bancaires et en services d'investissement qu'au nom et que pour le compte de son entreprise réglementée responsable, elle détermine les activités autres que l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement qui peuvent être cumulées avec le mandat d'agent en services bancaires et en services d'investissement et/ou fixe la procédure à suivre pour obtenir l'autorisation de cumuler de l'entreprise réglementée responsable, sans préjudice des dispositions de l'article 12. Le Roi peut déterminer, par un arrêté pris sur l'avis de l'autorité compétente, quelles sont les autres dispositions qu'il faut inscrire dans ces conventions en vue de garantir la sécurité des opérations effectuées." ;
  3° dans le paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
  - dans l'alinéa 1er, les mots "responsabilité entière et inconditionnelle de son mandant. Celui-ci" sont remplacés par les mots "responsabilité entière et inconditionnelle de son entreprise réglementée responsable. Celle-ci" ;
  - dans l'alinéa 2, les mots "le mandant" sont remplacés par les mots "l'entreprise réglementée responsable" ;
  4° dans le paragraphe 5, les mots "la collaboration entre un agent en services bancaires et d'investissement et son mandant" sont remplacés par les mots "la collaboration entre un agent en services bancaires et d'investissement et son entreprise réglementée responsable".
Art. 28. In artikel 15, § 1, eerste lid, c), van dezelfde wet wordt het woord "principaal" vervangen door de woorden "verantwoordelijke gereglementeerde onderneming".
Art. 28. Dans l'article 15, § 1er, alinéa 1er, c), de la même loi le mot "mandant" est remplacé par les mots "entreprise réglementée responsable".
Art. 29. In artikel 18 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij wet van 2 mei 2019, worden de paragrafen 2 en 3 opgeheven.
Art. 29. Dans l'article 18 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I)
CHAPITRE 8. - Modifications de la loi du 24 juillet 2008 portant des dispositions diverses (I)
Art. 30. Artikel 32/1 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I), ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022 wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. De bevoegde federale overheidsdienst wordt toestemming verleend om het identificatienummer van het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot instelling van een rijksregister van de natuurlijke personen, van huurders van de slapende safes te registreren en te verwerken, met als enig doel de tegeldemaking van de roerende goederen door verkoop, recyclage of vernietiging en de overdracht van de opbrengst van de tegeldemaking aan de Kas.".
Art. 30. L'article 32/1 de la loi du 24 juillet 2008 portant des dispositions diverses (I), inséré par la loi du 30 juillet 2018 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Le service public fédéral compétent se voit accorder l'autorisation d'enregistrer et de traiter le numéro d'identification du Registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, des locataires des coffres dormants, aux seules fins de réalisation de biens meubles par le biais de vente, recyclage ou destruction, et du transfert du produit de la réalisation à la Caisse.".
Art. 31. Artikel 41/1 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 30 juli 2018, wordt hersteld als volgt:
  "Art. 41/1. § 1. De gegevens die door de instellingen-verhuurder aan de bevoegde federale overheidsdienst via een beveiligde elektronisch platform worden overgedragen, bevatten de volgende persoonsgegevens met betrekking tot de identificatie van de rechthebbende:
  1° de naam;
  2° de voornaam;
  3° de geboortedatum;
  4° het identificatienummer in het Rijksregister of, voor vreemdelingen, het officiële equivalente identificatienummer.
  Deze persoonsgegevens worden verwerkt door de bevoegde federale overheidsdienst met als enig doel de tegeldemaking van roerende goederen door verkoop, recyclage of vernietiging, en de overdracht van de opbrengst van de tegeldemaking aan de Kas.
  Deze persoonsgegevens worden door de bevoegde federale overheidsdienst bewaard gedurende een periode van één jaar na de overdracht van de opbrengst van de tegeldemaking aan de Kas.
  § 2. De gegevens die door de instellingen-depositaris, de instellingen-verhuurders, de bevoegde federale overheidsdienst en de verzekeringsondernemingen door middel van een beveiligde elektronische platform aan de Kas worden overgedragen, bevatten de volgende persoonsgegevens:
  1° de naam;
  2° de voornaam;
  3° de geboortedatum;
  4° het identificatienummer in het Rijksregister of, voor vreemdelingen, het officiële equivalente identificatienummer;
  5° het bankrekeningnummer.
  Wanneer het identificatienummer bij het Rijksregister niet bekend is, omvatten de in eerste lid bedoelde persoonsgegevens ook het geslacht, het adres, de geboorteplaats en de verblijfplaats.
  Deze persoonsgegevens worden door de Kas uitsluitend gebruikt voor het beheer van slapende rekeningen, contracten en safes.
  Deze persoonsgegevens worden bewaard tot tien jaar na de sluiting van het dossier.
  § 3. De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, en van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, die zij verzamelt, verwerkt en bewaart in toepassing van hoofdstuk V van titel II van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
Art. 31. L'article 41/1 de la même loi, abrogé par la loi du 30 juillet 2018, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 41/1. § 1er. Les données transférées au service public fédéral compétent, au moyen d'une plateforme électronique sécurisée, par les établissements loueurs, contiennent les données à caractère personnel relatives à l'identification de l'ayant droit, suivantes :
  1° le nom ;
  2° le prénom ;
  3° la date de naissance ;
  4° le numéro d'identification au Registre national, ou pour les étrangers, le numéro d'identification officielle équivalent.
  Ces données à caractère personnel sont traitées par le service public fédéral compétent aux seules fins de réalisation de biens meubles par le biais de la vente, du recyclage ou de la destruction, et du transfert du produit de la réalisation à la Caisse.
  Ces données à caractère personnel sont conservées par le service public fédéral compétent pour une durée d'un an après le transfert du produit de la réalisation à la Caisse.
  § 2. Les données transférées à la Caisse, au moyen d'une plateforme électronique sécurisée, par les établissements dépositaires, les établissements loueurs, le service public fédéral compétent et les entreprises d'assurances, contiennent les données à caractère personnel suivantes :
  1° le nom ;
  2° le prénom ;
  3° la date de naissance ;
  4° le numéro d'identification au Registre national, ou pour les étrangers, le numéro d'identification officielle équivalent ;
  5° le numéro de compte bancaire.
  Dans les cas où le numéro d'identification au Registre national n'est pas connu, les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er incluent également le sexe, l'adresse, le lieu de naissance et adresse de résidence.
  Ces données à caractère personnel sont traitées par la Caisse aux seules fins de la gestion des comptes, contrats et coffres dormants.
  Ces données à caractère personnel sont conservées pour une durée de dix ans après la clôture du dossier.
  § 3. Le Service public fédéral Finances représenté par le président du Comité de direction est le responsable du traitement des données au sens du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, qu'il collecte, traite et conserve en application du chapitre V du titre II de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution.
Art. 32. Artikel 42 van dezelfde wet opgeheven bij de wet van 18 december 2016, wordt hersteld als volgt:
  "Art. 42. Elke uitwisseling van informatie met de Federale Overheidsdienst Financiën, uitgevoerd in toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, gebeurt overeenkomstig hoofdstuk 11 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten.".
Art. 32. L'article 42 de la même loi, abrogé par la loi du 18 décembre 2016, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 42. Tout échange d'information avec le Service Public Fédéral Finances, réalisé en application du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, est effectué conformément au chapitre 11 de la loi du 26 janvier 2021 sur la dématérialisation des relations entre le Service public fédéral Finances, les citoyens, personnes morales et certains tiers, et modifiant différents codes fiscaux et lois fiscales.".
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen
CHAPITRE 9. - Modification de la loi du 21 décembre 2013 relative à diverses dispositions concernant le financement des petites et moyennes entreprises
Art. 33. In artikel 14, eerste lid, van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, wordt het woord "tweejaarlijkse" vervangen door het woord "vijfjaarlijkse".
Art. 33. Dans l'article 14, alinéa 1er, de la loi du 21 décembre 2013 relative à diverses dispositions concernant le financement des petites et moyennes entreprises, les mots "tous les deux ans" sont remplacés par les mots "tous les cinq ans".
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
CHAPITRE 10. - Modification de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit
Art. 34. In artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt de bepaling onder 13° vervangen als volgt:
  "13° consoliderende toezichthouder: een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;".
Art. 34. Dans l'article 3 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, le point 13° est remplacé par ce qui suit :
  "13° autorité de surveillance sur base consolidée, une autorité compétente chargée d'exercer la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la directive 2013/36/UE ;".
Art. 35. In artikel 19, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.".
Art. 35. Dans l'article 19, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 11 juillet 2021, l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  "En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.".
Art. 36. In boek II, titel I, hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling II, van dezelfde wet wordt een artikel 26/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 26/1. Het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité zijn zodanig samengesteld dat deze organen in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de instelling, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.".
Art. 36. Dans le livre II, titre Ier, chapitre II, section VI, sous-section II, de la même loi, il est inséré un article 26/1 rédigé comme suit :
  "Art. 26/1. La composition de l'organe légal d'administration et du comité de direction assure que ces organes disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.".
Art. 37. In artikel 40 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 december 2017, worden de woorden ", 26/1" toegevoegd tussen de woorden "tot 21" en de woorden "en 35".
Art. 37. Dans l'article 40 de la même loi, remplacé par la loi du 5 décembre 2017, les mots ", 26/1" sont insérés entre les mots "à 21" et les mots "et 35".
Art. 38. In artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de kredietinstellingen aan de toezichthouder alle documenten en informatie mee die hem toelaten te beoordelen of:
  - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 19 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
  - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 26/1;
  - de voorgestelde benoemingen stroken met het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 31, § 2, 1° heeft vastgesteld, met name wat de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht betreft.";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "De goedkeuring van de toezichthouder wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 19 en de kredietinstelling aan die van artikel 26/1. Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de mate waarin het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 31, § 2, 1°, heeft vastgesteld, worden nageleefd, met name wat betreft de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.".
Art. 38. A l'article 60 de la même loi, modifié par la loi du 5 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de crédit communiquent à l'autorité de contrôle tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
  - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 19 ;
  - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 26/1 ;
  - les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 31, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent." ;
  2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par les phrases suivantes :
  "L'approbation de l'autorité de contrôle n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 19 dans le chef de la personne concernée et de l'article 26/1 dans le chef de l'établissement de crédit. L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 31, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.".
Art. 39. In artikel 74/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2021, wordt paragraaf 3 vervangen als volgt:
  " § 3. In geval van een tegen een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geopende liquidatieprocedure of van de vereffening van die kredietinstelling in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de geldmiddelen die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde geldmiddelen.
  In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de cliënten die hiervan de titularissen zijn. De liquidateur of de vereffenaar informeert de betrokken cliënten schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de liquidateur of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de liquidateur of de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de liquidateur of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken cliënten, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.".
Art. 39. Dans l'article 74/1 de la même loi, inséré par la loi du 11 juillet 2021, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En cas de procédure de liquidation ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ou de sa liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des fonds ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des fonds visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2.
  Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2 et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des clients qui en sont les titulaires. Le liquidateur informe les clients concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux clients concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.".
Art. 40. Artikel 169 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 11 juli 2021, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 169. Wanneer de toezichthouder belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, past hij op de kredietinstellingen naar Belgisch recht en op de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde prudentiële maatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II, van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.
  Voor de uitoefening van het in het eerste lid bedoelde toezicht op geconsolideerde basis, dienen de betrokken instellingen op geconsolideerde en/of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis aan artikel 106, § 2, te voldoen, met dien verstande dat de daarin bedoelde informatie dient opgesteld te worden met toepassing van de boekings- en waarderingsregels bepaald in het in uitvoering van artikel 106, § 1, 2°, getroffen koninklijk besluit, of, in voorkomend geval, overeenkomstig gelijkwaardige regels van buitenlands recht.".
Art. 40. L'article 169 de la même loi, remplacé par la loi du 11 juillet 2021, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 169. L'autorité de contrôle, lorsqu'elle est chargée du contrôle sur base consolidée, applique aux établissements de crédit de droit belge, ainsi qu'aux compagnies financières et aux compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge le processus de contrôle et d'évaluation visé aux articles 142 à 148 et les mesures prudentielles visées aux articles 149 à 152 et 234 à 236 conformément au niveau d'application des exigences du Règlement n° 575/2013 spécifié à la première Partie, Titre II, Chapitre II, dudit Règlement, ainsi que dans la mesure et selon les modalités d'application des exigences en matière de processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne, et des dispositifs, processus et mécanismes des établissements de crédit telles que fixées aux articles 167 et 168.
  Afin de permettre l'exercice du contrôle sur base consolidée visé à l'alinéa 1er, les établissements concernés doivent satisfaire sur base consolidée et/ou, le cas échéant, sous-consolidée, à l'article 106, § 2, étant entendu que les informations y visées doivent être établies en application des règles de comptabilisation et d'évaluation prévues par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 106, § 1er, 2°, ou, le cas échéant, selon des règles équivalentes de droit étranger.".
Art. 41. In artikel 212 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 11 juli 2021, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden ", en § 7".
Art. 41. A l'article 212 de la même loi, remplacé par la loi du 11 juillet 2021, l'alinéa 1er est complété par les mots ", et § 7".
Art. 42. In artikel 236 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een kredietinstelling tot de exclusieve bevoegdheid van de toezichthouder.";
  b) paragraaf 7 wordt hersteld als volgt:
  § 7. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een persoon die een in artikel 19, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de toezichthouder aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij kredietinstellingen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
  De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de kredietinstelling waar deze persoon een in artikel 19, § 1, eerste lid bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis."
Art. 42. Dans l'article 236 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'un établissement de crédit relève de la compétence exclusive de l'autorité de contrôle." ;
  b) le paragraphe 7 est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 7. Dans les cas où l'autorité de contrôle constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, l'autorité de contrôle peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des établissements de crédit, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
  La Banque peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements visés à l'article 36/2, § 1er, de la loi du 22 février 1998.
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à l'établissement de crédit au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er. La Banque informe la FSMA de ces décisions."
Art. 43. In artikel 267/5/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2021, wordt paragraaf 4 als volgt vervangen:
  " § 4. Voor de toepassing van artikel 460, § 2, indien twee of meer MSI-entiteiten die onderdeel zijn van dezelfde MSI af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten het in paragraaf 3 bedoelde bedrag:
  1° voor elke af te wikkelen entiteit en voor elke entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Europese Unie was gevestigd;
  2° voor de EER-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.".
Art. 43. A l'article 267/5/2 de la même loi, inséré par la loi du 11 juillet 2021, le paragraphe 4 est remplacé comme suit :
  " § 4. Aux fins de l'article 460, § 2, lorsque plusieurs entités d'EISm faisant partie du même EISm sont des entités de résolution ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, les autorités de résolution concernées calculent le montant visé au paragraphe 3 :
  1° pour chaque entité de résolution ou entité de pays tiers qui serait une entité de résolution si elle était établie dans l'Union européenne ;
  2° pour l'entreprise mère dans l'EEE comme si celle-ci était la seule entité de résolution de l'EISm.".
Art. 44. In artikel 460 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en vervangen bij de wet van 11 juli 2021, wordt paragraaf 3 als volgt vervangen:
  " § 3. Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, bespreken de in paragraaf 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten en, indien passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSI's, maken ze afspraken over de toepassing van artikel 72 sexies van Verordening nr. 575/2013 en een eventuele aanpassing om het verschil tussen de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12 bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen en de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.
  Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:
  1° de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten of derde landen door de hoogte van het vereiste aan te passen;
  2° de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.
  De som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen.".
Art. 44. A l'article 460 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et remplacé par la loi du 11 juillet 2021, le paragraphe 3 est remplacé comme suit :
  " § 3. Lorsque plusieurs entités d'EISm faisant partie du même EISm sont des entités de résolution ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, les autorités de résolution visées au paragraphe 1er discutent et, lorsque cela est approprié et conforme à la stratégie de résolution de l'EISm, conviennent de l'application de l'article 72 sexies du Règlement n° 575/2013 et de tout ajustement pour réduire au minimum ou éliminer la différence entre la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12 bis, point a), du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles ou les entités de pays tiers et la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis, point b), du Règlement n° 575/2013.
  Cet ajustement peut s'appliquer sous réserve des conditions suivantes :
  1° l'ajustement peut s'appliquer concernant les différences dans le calcul des montants totaux d'exposition au risque entre les Etats membres ou pays tiers concernés en modulant le niveau de l'exigence ;
  2° l'ajustement ne s'applique pas pour supprimer les différences découlant des expositions entre groupes de résolution.
  La somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis, point a), du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, n'est pas inférieure à la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis, point b), du Règlement n° 575/2013.".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies
CHAPITRE 11. - Modifications de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement
Art. 45. In artikel 64 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, wordt een paragraaf 7 ingevoegd, luidende als volgt:
  " § 7. Wanneer de FSMA vaststelt dat een persoon die een in artikel 23, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de FSMA aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
  De FSMA kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen die onder het toezicht van de FSMA staan krachtens artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002 of, op eensluidend advies van de Bank, in de instellingen bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.
Art. 45. Dans l'article 64 de la loi du 25 october 2016 relative à l'accès à l'activité de services d'investissement et du statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, il est inséré un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Dans les cas où la FSMA constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, la FSMA peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
  La FSMA peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements relevant du contrôle de la FSMA conformément à l'article 45, § 1er, 2°, de la loi du 2 août 2002 ou, sur avis conforme de la Banque, dans des établissements visés à l'article 36/2, § 1er, de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de la Belgique.
Art. 46. In de bijlage I van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° Artikel 1, § 2, tweede streepje, wordt aangevuld met de woorden "hoger mag zijn dan de vaste beloning";
  2° in artikel 16, 2°, tweede streepje, worden de woorden "en aan Verordening (EU) Nr. 575/2013" ingevoegd tussen de woorden "aan Verordening (EU) 2019/2033" en de woorden "wat betreft de toepasselijke solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten";
  3° het opschrift van de tweede Afdeling VII wordt vervangen als volgt:
  "Afdeling VIII. Openbaarmaking en verstrekking".
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
  Wanneer het verbod betrekking heeft op een persoon die niet langer een in artikel 23, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent, moet het worden uitgesproken binnen een redelijke termijn vanaf de kennisneming van de feiten waaruit blijkt dat niet voldaan is aan het vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid te beschikken.
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies waar deze persoon een in artikel 23, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefende. De FSMA stelt de Bank van deze beslissingen in kennis.".
Art. 46. Dans l'annexe Ire de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la version néerlandaise, l'article 1er, § 2, 2e tiret, est complété par les mots "hoger mag zijn dan de vaste beloning" ;
  2° dans la version néerlandaise de l'article 16, 2°, 2e tiret, les mots "en aan Verordening (EU) Nr. 575/2013" sont insérés entre les mots "aan Verordening (EU) 2019/2033" et les mots "wat betreft de toepasselijke solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten" ;
  3° l'intitulé de la deuxième Section VII est remplacé par ce qui suit :
  "Section VIII. Publication et communication".
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
  Lorsque l'interdiction concerne une personne qui n'exerce plus une fonction visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, elle doit être prononcée dans un délai raisonnable à partir de la connaissance des faits établissant un non-respect de l'exigence d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate.
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er. La FSMA informe la Banque de ces décisions.".
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen
CHAPITRE 12. - Modifications de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement
Art. 47. In artikel 20, § 1, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.".
Art. 47. Dans l'article 20, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  "En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.".
Art. 48. In artikel 21, § 3, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 november 2021, worden de woorden "en artikel 20" vervangen door de woorden "en de artikelen 20 en 36/1".
Art. 48. Dans l'article 21, § 3, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 26 novembre 2021, les mots "et de l'article 20" sont remplacés par les mots "et des articles 20 et 36/1".
Art. 49. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdeling 4 van dezelfde wet wordt een punt 4.2./1 ingevoegd, met als opschrift "Vereisten inzake de samenstelling van het wettelijk bestuursorgaan en de samenstelling van de effectieve leiding".
Art. 49. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-section 4 de la même loi, il est inséré un point 4.2./1 intitulé "Exigences relatives à la composition de l'organe légal d'administration et à la composition de la direction effective".
Art. 50. In hetzelfde punt 4.2./1, ingevoegd bij artikel 50, wordt een artikel 36/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 36/1. Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding zijn zodanig samengesteld dat zij in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de betalingsinstelling, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.".
Art. 50. Dans le même point 4.2./1 inséré par l'article 50, il est inséré un article 36/1 rédigé comme suit :
  "Art. 36/1. La composition de l'organe légal d'administration et de la direction effective assure que ces derniers disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement de paiement, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.".
Art. 51. In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de betalingsinstellingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
  - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 20 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
  - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 36/1.";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
  "De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan artikel 20 en de betalingsinstelling aan die van artikel 36/1.".
Art. 51. A l'article 37 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de paiement communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
  - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 20 ;
  - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 36/1." ;
  2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
  "L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 20 dans le chef de la personne concernée et de l'article 36/1 dans le chef de l'établissement de paiement.".
Art. 52. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk 1, Afdeling III, Onder-afdeling 6, punt 6.1, van dezelfde wet wordt een artikel 39/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 39/1. Iedere volledige of gedeeltelijke overdracht van het betalingsdienstenbedrijf of van het netwerk van agentschappen van de betrokken betalingsinstelling, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 39 is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet, zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 39, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.
  Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de betalingsinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de betalingsinstelling opeisbaar maken.".
Art. 52. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre 1er, Section III, Sous-section 6, point 6.1, de la même loi, il est inséré un article 39/1 rédigé comme suit :
  "Art. 39/1. Toute cession de l'ensemble ou d'une partie de l'activité de service de paiement ou du réseau d'agences de l'établissement de paiement concerné autorisée conformément à l'article 39 est opposable aux tiers, en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi dès la publication au Moniteur belge de cette autorisation.
  Les cessions autorisées conformément à l'article 39 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 5.243 du Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique.
  Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de paiement et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de paiement.".
Art. 53. In artikel 42 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 vervangen als volgt:
  " § 3. In geval van een tegen een betalingsinstelling geopende collectieve procedure bestaande uit het faillissement of de vereffening in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de schuldvorderingen die voortvloeien uit de deponering, de belegging of de dekking met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangen geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1.
  In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van geldmiddelen in toepassing van het eerste lid, geen individuele aangifte van schuldvordering van de betalingsdienstgebruikers die hiervan de titularissen zijn. De curator of de vereffenaar informeert de betrokken betalingsdienstgebruikers schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de curator of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening van het faillissement in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de curator of aan de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de curator of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn het schrijven aan de betrokken betalingsdienstgebruikers, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.".
Art. 53. Dans l'article 42 de la même loi, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En cas de procédure collective consistant dans la faillite ou dans la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, ouverte à l'encontre d'un établissement de paiement, les créances résultant du dépôt, de l'investissement ou de la couverture en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus pour l'exécution d'opérations de paiement visés au paragraphe 1er.
  Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds visés au paragraphe 1er en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des utilisateurs de services de paiement qui en sont les titulaires. Le curateur ou le liquidateur informe les utilisateurs de services de paiement concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le curateur ou le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit de la faillite économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au curateur ou au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le curateur ou le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux utilisateurs de services de paiement concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.".
Art. 54. In artikel 117 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt paragraaf 1 aangevuld met een lid, luidende:
  "Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een betalingsinstelling tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.".
Art. 54. Dans l'article 117 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation auprès d'un établissement de paiement relève de la compétence exclusive de la Banque.".
Art. 55. In artikel 175, § 1, van dezelfde wet wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.".
Art. 55. Dans l'article 175, § 1er, de la même loi, l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  "En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.".
Art. 56. In Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdeling 2, van dezelfde wet wordt een punt 2.2./1 ingevoegd, met als opschrift: "Vereisten inzake de samenstelling van het wettelijk bestuursorgaan en de samenstelling van de effectieve leiding".
Art. 56. Dans le Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-section 2, de la même loi, il est inséré un point un point 2.2./1 intitulé "Exigences relatives à la composition de l'organe légal d'administration et à la composition de la direction effective".
Art. 57. In hetzelfde punt 2.2./1, ingevoegd bij artikel 57, wordt een artikel 180/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 180/1. Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding zijn zodanig samengesteld dat zij in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de instelling voor elektronisch geld, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.".
Art. 57. Dans le même point 2.2./1, inséré par l'article 57, il est inséré un article 180/1 rédigé comme suit :
  "Art. 180/1. La composition de l'organe légal d'administration et de la direction effective assure que ces derniers disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement de monnaie électronique, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.".
Art. 58. In artikel 181 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de instellingen voor elektronisch geld aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
  - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 175 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
  - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 180/1.";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
  "De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 175 en de instelling voor elektronisch geld aan die van artikel 180/1.".
Art. 58. A l'article 181 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de monnaie électronique communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
  - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 175 ;
  - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 180/1." ;
  2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
  "L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 175 dans le chef de la personne concernée et de l'article 180/1 dans le chef de l'établissement de monnaie électronique.".
Art. 59. Artikel 184 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 184. De artikelen 39 en 39/1 zijn van overeenkomstige toepassing.".
Art. 59. L'article 184 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 184. Les articles 39 et 39/1 s'appliquent par analogie.".
Art. 60. In artikel 194 van dezelfde wet, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt:
  " § 4. In geval van een tegen een instelling voor elektronisch geld geopende collectieve procedure bestaande uit het faillissement of de vereffening van de instelling voor elektronisch geld in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de schuldvorderingen die voortvloeien uit de deponering, de belegging of de dekking met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld ontvangen geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1.
  In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de in ruil voor elektronisch geld gestorte geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de titularissen ervan. De curator of de vereffenaar informeert de betrokken titularissen van geldmiddelen schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de curator of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening van het faillissement in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de curator of aan de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de curator of de vereffenaar voorziene modaliteiten, binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken titularissen van geldmiddelen, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.".
Art. 60. Dans l'article 194 de même loi, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. En cas de procédure de liquidation collective consistant dans la faillite ou dans la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, ouverte à l'encontre de l'établissement de monnaie électronique, les créances résultant du dépôt, de l'investissement ou de la couverture en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise visés au paragraphe 1er.
  Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds versés en échange de monnaie électronique visés au paragraphe 1er en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des titulaires de ceux-ci. Le curateur ou liquidateur informe les titulaires des fonds concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le curateur ou le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation de la faillite conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au curateur ou au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le curateur ou le liquidateur dans un délai de six mois à dater son courrier aux titulaires des fonds concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.".
Art. 61. In artikel 215 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt paragraaf 1 aangevuld met een lid, luidende:
  "Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een instelling voor elektronisch geld tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.".
Art. 61. Dans l'article 215 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'un établissement de monnaie électronique relève de la compétence exclusive de la Banque.".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas
CHAPITRE 13. - Modifications de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations
Art. 62. In artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas, vervangen bij de wet van 5 juli 2022, worden de woorden "en de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen" ingevoegd tussen de woorden "de Patrimoniumdocumentatie" en de woorden "van de Federale Overheidsdienst Financiën".
Art. 62. Dans l'article 13, § 2, alinéa 2, de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations, remplacé par la loi du 5 juillet 2022, les mots "et l'Administration générale des Douanes et Accises" sont insérés entre les mots "la Documentation patrimoniale" et les mots "du Service public fédéral Finances".
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de wet van 22 april 2019 tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, betreffende de invoering van een bankierseed en een tuchtrechtelijke regeling
CHAPITRE 14. - Modifications de la loi du 22 avril 2019 modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse en vue d'instaurer un serment bancaire et un régime disciplinaire
Art. 63. Het opschrift van de wet van 22 april 2019 tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, betreffende de invoering van een bankierseed en een tuchtrechtelijke regeling, wordt vervangen als volgt:
  "Wet van 22 april 2019 tot invoering van een bankierseed en een tuchtregeling voor de banksector".
Art. 63. L'intitulé de la loi du 22 avril 2019 modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit en vue d'instaurer un serment bancaire et un régime disciplinaire est remplacé par ce qui suit :
  "Loi du 22 avril 2019 visant à instaurer un serment et un régime disciplinaire bancaires".
Art. 64. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk I, luidende "Hoofdstuk I. Definities en toepassingsgebied", ingevoegd dat de artikelen 2 en 3 bevat.
Art. 64. Dans la même loi, il est inséré un chapitre Ier, intitulé "Chapitre Ier. Définitions et champ d'application", comportant les articles 2 et 3.
Art. 65. Artikel 2 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 2. Voor de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, wordt verstaan onder:
  1° "wet van 25 april 2014": wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
  2° "wet van 22 maart 2006": wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten;
  3° "wet van 2 augustus 2002": wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten";
  4° "kredietinstelling": een onderneming met het statuut van kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 25 april 2014;
  5° `agent in bank- en beleggingsdiensten': een tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten bedoeld in artikel 4, 3°, van de wet van 22 maart 2006 die is ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dat wordt bijgehouden door de FSMA;
  6° "geviseerde entiteit": een kredietinstelling of een agent in bank- en beleggingsdiensten bedoeld in artikel 3;
  7° "verantwoordelijke leidinggevende": een natuurlijk persoon die bij een geviseerde entiteit de facto verantwoordelijk is voor of toezicht uitoefent op personen die rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of -diensten op het Belgisch grondgebied;
  8° "bankactiviteiten" of "bankdiensten": de werkzaamheden bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 2014;
  9° "de FSMA": de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;
  10° "de NBB": de Nationale Bank van België bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  11° "de prudentiële toezichthouder": de Nationale Bank van België of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  12° "de auditeur": de auditeur van de FSMA, aangeduid overeenkomstig artikel 70, § 3, van de wet van 2 augustus 2002;
  13° "de adjunct-auditeur": de adjunct-auditeur van de FSMA, aangeduid overeenkomstig artikel 70, § 3, van de wet van 2 augustus 2002;
  14° "CRD-richtlijn": de Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG.
Art. 65. L'article 2 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 2. Pour l'application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, l'on entend par :
  1° "loi du 25 avril 2014": loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ;
  2° "loi du 22 mars 2006": loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers ;
  3° "loi du 2 août 2002": loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers" ;
  4° "établissement de crédit": une entreprise qui dispose du statut d'établissement de crédit tel que défini à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 25 avril 2014 ;
  5° "agents en services bancaires et en services d'investissement": les intermédiaires en services bancaires et d'investissement visés à l'article 4, 3° de la loi du 22 mars 2006, et inscrits au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement tenu par la FSMA ;
  6° "entité visée": tout établissement de crédit ou agent en services bancaires et en services d'investissement visé à l'article 3 ;
  7° "cadre responsable": toute personne physique qui, au sein d'une entité visée, assume de facto la responsabilité à l'égard de personnes qui prennent directement part à l'exercice, sur le territoire belge, d'activités bancaires ou de la prestation de services bancaires ou exerce le contrôle sur de telles personnes ;
  8° "activités bancaires" ou "services bancaires": activités à l'article 4 de la loi du 25 avril 2014 ;
  9° "la FSMA": l'Autorité des services et marchés financiers ;
  10° "la BNB": la Banque nationale de Belgique, visée par la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique ;
  11° "autorité de contrôle prudentiel": la Banque nationale de Belgique ou la Banque centrale européenne selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de contrôle prudentiel des établissements de crédit ;
  12° "l'auditeur": l'auditeur de la FSMA, désigné conformément à l'article 70, § 3, de la loi du 2 août 2002 ;
  13° "l'auditeur adjoint": l'auditeur adjoint de la FSMA, désigné conformément à l'article 70, § 3 de la loi du 2 août 2002 ;
  14° "directive CRD": la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE.
Art. 66. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 3. Deze wet is van toepassing op de in artikel 4 opgesomde personen die in België werkzaam zijn bij de volgende instellingen:
  1° de kredietinstellingen naar Belgisch recht;
  2° de kredietinstellingen naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die in België een bijkantoor hebben opgericht en/of een beroep doen op in België gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten te verrichten bedoeld in artikel 312, §§ 2 en 5, van de wet van 25 april 2014;
  3° de kredietinstellingen naar het recht van een derde land die in België een bijkantoor hebben opgericht bedoeld in artikel 333 van de wet van 25 april 2014;
  4° de agenten in bank- en beleggingsdiensten die handelen in naam en voor rekening van een kredietinstelling bedoeld in 1°, 2° of 3°. "
Art. 66. L'article 3 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 3. La présente loi s'applique aux personnes énumérées à l'article 4, actives en Belgique auprès des établissements suivants :
  1° les établissements de crédit relevant du droit belge ;
  2° les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen ayant établi une succursale en Belgique et/ou recourant à des agents liés établis en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou y exercer des activités d'investissement, visés à l'article 312, §§ 2 et 5 de la loi du 25 avril 2014 ;
  3° les établissements de crédit relevant du droit de pays tiers ayant établi une succursale en Belgique, visés à l'article 333 de la loi du 25 avril 2014 ;
  4° les agents en services bancaires et en services d'investissement, agissant au nom et pour le compte d'un établissement de crédit visé au 1°, 2° ou 3°. "
Art. 67. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk II, luidende `Hoofdstuk II. Bankierseed en individuele gedragsregels', ingevoegd dat artikel 4 bevat.
Art. 67. Dans la même loi, il est inséré un chapitre II, intitulé "Chapitre II. Serment bancaire et règles de conduite individuelles", comportant l'article 4.
Art. 68. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 4. § 1. De volgende personen leggen de eed af:
  1° de personen die, conform de wet van 25 april 2014 of de wet van 22 maart 2006, bij een geviseerde entiteit permanent blijk moeten geven van professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid als vereist voor de uitoefening van hun functie;
  2° de verantwoordelijke leidinggevenden;
  3° de agenten in bank- en beleggingsdiensten die bij de FSMA zijn ingeschreven als natuurlijk persoon;
  4° de andere personen die bij een geviseerde entiteit rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of -diensten op het Belgisch grondgebied.
  Voor de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, wordt naar de in het eerste lid bedoelde personen verwezen als "bankdienstverleners".
  De in artikel 3, 1° tot 3°, bedoelde kredietinstellingen lijsten de bankdienstverleners op die bij hen werkzaam zijn of die voor hun rekening handelen, en bezorgen de FSMA deze lijst, alsook alle latere wijzigingen ervan, volgens de nadere regels die de FSMA vaststelt en openbaar maakt op haar website. In de lijst wordt voor elke bankdienstverlener vermeld tot welke in het eerste lid bedoelde categorie of categorieën hij behoort en, in voorkomend geval, op welke dag hij de eed heeft afgelegd.
  § 2. De eed is een individuele verklaring waarmee de persoon die ze aflegt, zich ertoe verbindt de regels van paragraaf 3 na te leven.
  De eed wordt afgelegd in de volgende bewoordingen:
  "Ik verbind mezelf ertoe om, bij de uitoefening van mijn beroepsactiviteiten, in alle omstandigheden eerlijk en integer, alsook vakbekwaam en professioneel te handelen, waarbij ik rekening houd met de belangen van de cliënten en de cliënten billijk behandel. Ik heb kennisgenomen van de specifieke regels die de Koning ter zake heeft vastgesteld.".
  De eed wordt, naargelang het geval, afgelegd bij de geviseerde entiteit of bij de FSMA, volgens de regels en binnen de termijn die zijn vastgelegd conform het vierde lid.
  Bij reglement genomen ter uitvoering van artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 preciseert de FSMA de regels voor het afleggen van de eed en geeft zij aan binnen welke termijn de eed moet worden afgelegd.
  § 3. Bij de uitoefening van hun functie nemen de bankdienstverleners steeds de volgende beginselen en regels in acht:
  1° ze handelen eerlijk en integer;
  2° ze handelen op vakbekwame en professionele wijze;
  3° ze houden rekening met de belangen van de cliënten en behandelen ze billijk.
  Naar deze beginselen en regels wordt hieronder en in de ter uitvoering van deze wet genomen besluiten en reglementen verwezen als de "individuele gedragsregels".
  Op voorstel van de FSMA of op eigen initiatief, op advies van de FSMA, en na advies van de Nationale Bank van België en na raadpleging van de betrokken geviseerde entiteiten via hun beroepsverenigingen, verduidelijkt de Koning, bij besluit, vastgelegd na overleg in de Ministerraad de inhoud van de individuele gedragsregels. De Koning kan op dezelfde wijze ook specifieke individuele gedragsregels uitwerken voor de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde personen, en/of voor de verantwoordelijke leidinggevenden".
Art. 68. L'article 4 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 4. § 1er. Les personnes suivantes prêtent serment :
  1° les personnes qui, au sein d'une entité visée doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à la loi du 25 avril 2014 ou à la loi du 22 mars 2006 ;
  2° les cadres responsables ;
  3° les agents en services bancaires et en services d'investissement inscrits auprès de la FSMA en qualité de personne physique ;
  4° toute autre personne qui, au sein d'une entité visée, prend directement part, sur le territoire belge, à l'exercice d'activités bancaires ou y fournit des services bancaires.
  Pour les besoins de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, les personnes visées à l'alinéa 1er sont dénommées "prestataires de services bancaires".
  Les établissements de crédit visés à l'article 3, 1° à 3° établissent la liste des prestataires de services bancaires exerçant en leur sein ou pour leur compte et la notifient, ainsi que toute actualisation, à la FSMA, selon les modalités que la FSMA détermine et rend publiques sur son site web. La liste précise, pour chaque prestataire de services bancaires, la ou les catégories visées à l'alinéa 1er à laquelle ou auxquelles il appartient, et, le cas échéant, la date à laquelle il a prêté serment.
  § 2. Le serment est une déclaration individuelle par laquelle celui qui la prononce s'engage à respecter les règles énoncées au paragraphe 3.
  Le serment est prêté en ces termes :
  "Je m'engage, dans l'exercice de mes activités professionnelles, à agir en toutes circonstances de manière honnête et intègre, avec compétence et professionnalisme, en tenant compte des intérêts des clients et en les traitant de manière équitable. J'ai pris connaissance des règles particulières édictées par le Roi à cet égard."
  Le serment est prêté, selon les cas, auprès de l'entité visée ou auprès de la FSMA, selon les modalités et dans le délai définis conformément à l'alinéa 4.
  La FSMA précise, dans un règlement pris en exécution de l'article 64 de la loi du 2 août 2002, les règles et modalités liées à la prestation du serment, en ce compris le délai endéans lequel le serment doit être prêté.
  § 3. Dans l'exercice de leurs fonctions, les prestataires de services bancaires sont tenus de respecter en permanence les principes et règles suivantes :
  1° ils agissent de manière honnête et intègre ;
  2° ils agissent avec compétence et professionnalisme ;
  3° ils agissent en tenant compte des intérêts des clients et en les traitant de manière équitable.
  Ces principes et règles sont ci-après, et dans les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi, désignés sous le vocable "règles de conduite individuelles".
  Le Roi, sur proposition de la FSMA ou, d'initiative, sur avis de celle-ci, et après avis de la Banque nationale de Belgique et consultation des entités visées concernées représentées par leurs associations professionnelles, précise, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le contenu des règles de conduite individuelles. Le Roi peut également, selon les mêmes modalités, définir des règles de conduite individuelles spécifiques pour les personnes visées à l'article 4, § 1er, 1° et/ou pour les cadres responsables".
Art. 69. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk III, luidende "Hoofdstuk III. Toezicht en tuchtsancties", ingevoegd dat de artikelen 5, 6 en 7 bevat.
Art. 69. Dans la même loi, il est inséré un chapitre III, intitulé "Chapitre III. Contrôle et sanctions disciplinaires", comportant les articles 5, 6 et 7.
Art. 70. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
Art. 70. L'article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 5. § 1er. L'auditeur, ou en son absence, l'auditeur adjoint, examine les indices sérieux de manquements aux règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou aux arrêtés et règlements pris pour leur exécution :
  - sur plainte, ou
  - lorsque de tels indices sont constatés dans l'exercice des autres missions légales de la FSMA.
  § 2. La FSMA met en place des mécanismes pour permettre à toute personne de porter à la connaissance de l'auditeur ou, en son absence, de l'auditeur adjoint, une plainte relative à l'application, par les prestataires de services bancaires, des règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  La FSMA précise, dans un règlement pris en exécution de l'article 64 de la loi du 2 août 2002, les règles et modalités liées à la réception, la recevabilité et au traitement des plaintes.
  § 3. Aux fins de l'exercice de la mission visée au paragraphe 1er, l'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint, peut :
  1° exercer les pouvoirs visés aux articles 34 et 35 de la loi du 2 août 2002 ;
  2° exercer les pouvoirs visés à l'article 79 de la loi du 2 août 2002, selon les modalités prévues par cet article.
  Le cas échéant, l'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint, peut solliciter un avis auprès de l'entité visée concernée.
  Les articles 36 et 37 de la loi du 2 août 2002 sont applicables en cas de manquement aux obligations imposées en vertu de l'alinéa 1er.
  Les membres du personnel qui assistent l'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint, pour l'accomplissement de la mission visée au paragraphe 1er ne reçoivent, pour l'accomplissement de leurs tâches, d'instructions que d'eux.
  L'auditeur et l'auditeur adjoint exercent leur fonction dans le respect des droits de la défense.
  § 4. A l'issue de l'examen visé au paragraphe 1er, l'auditeur ou, en son absence, de l'auditeur adjoint, établit un rapport provisoire d'instruction qui indique si les faits relevés sont susceptibles de constituer un manquement aux règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou aux arrêtés et règlements pris pour son exécution. L'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint, adresse une copie de ce rapport provisoire d'instruction à la personne concernée qui dispose d'un délai d'un mois pour faire valoir ses observations. La personne concernée peut demander à l'auditeur ou, en son absence, à l'auditeur adjoint, l'accomplissement d'actes d'instruction complémentaires. Lorsque l'auditeur ou l'auditeur adjoint estiment ne pas devoir réserver de suite à cette demande, ils en mentionnent la raison dans leur rapport d'instruction.
  L'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint saisit le comité de direction de la FSMA du rapport d'instruction définitif.
  § 5. La FSMA peut, moyennant le respect des droits de la défense, prononcer les sanctions disciplinaires énoncées à l'article 6, lorsqu'elle constate, après avoir pris connaissance du rapport d'instruction définitif de l'auditeur ou, en son absence, de l'auditeur adjoint l'existence, dans le chef d'une personne qui détenait, au moment des faits concernés, la qualité de prestataire de services bancaires autre que celle à laquelle s'applique la procédure visée au paragraphe 7, d'un manquement aux règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou aux arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  Avant de prononcer une telle sanction, la FSMA peut demander à l'auditeur ou à l'auditeur adjoint de commenter le rapport d'instruction. Elle peut également requérir des actes d'instructions supplémentaires.
  § 6. Si la FSMA décide de ne pas prononcer de sanction disciplinaire conformément au paragraphe 5, alinéa 1er, elle notifie cette décision à la personne concernée.
  Si l'auditeur ou, en son absence, l'auditeur adjoint a informé l'entité visée au sein de laquelle la personne concernée exerce ses activités qu'il examinait les indices sérieux d'éventuels manquements conformément à l'article 5, paragraphe 1er à l'encontre de cette personne, la FSMA en informe également l'entité visée.
  § 7. Si le rapport d'instruction définitif de l'auditeur ou, en son absence, de l'auditeur adjoint, conclut à l'existence d'un manquement aux règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou aux arrêtés et règlements pris pour son exécution, dans le chef d'une personne qui détenait, au moment des faits concernés, la qualité de prestataire de services bancaires visé à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 1°, actif au sein d'un établissement de crédit, la FSMA en informe sans délai la BNB pour permettre à l'autorité de contrôle prudentiel d'exercer ses prérogatives prévues par la loi du 25 avril 2014, en particulier son article 236, § 7.
  Lorsque le rapport d'instruction définitif précité conclut à l'existence d'un manquement aux règles visées à l'article 4, §§ 1er ou 3, ou aux arrêtés et règlements pris pour son exécution, dans le chef d'un prestataire de service bancaire au sens de l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 2° ou 4°, actif au sein d'un établissement de crédit visé à l'article 3, 2° et soumis, au moment des faits concernés, à une exigence d'honorabilité professionnelle et d'expertise dans l'Etat membre d'origine de l'établissement de crédit susvisé conformément aux dispositions du droit de cet Etat membre transposant la directive CRD, la FSMA en informe l'autorité de contrôle prudentiel de l'Etat membre d'origine concerné pour permettre à cette autorité d'exercer ses prérogatives prévues par les dispositions transposant la directive CRD, en particulier son article 67, § 2, d).
  La FSMA joint à la communication effectuée en vertu des alinéas 1er et 2 une copie du rapport définitif de l'auditeur ou, en son absence, de l'auditeur adjoint, visé au paragraphe 4 ci-dessus et des pièces du dossier.".
Art. 71. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 6. § 1. De FSMA kan personen met op het moment van de betrokken feiten, een andere hoedanigheid van bankdienstverlener, dan die waarop de in artikel 5, § 7, bedoelde procedure van toepassing is, de volgende tuchtsancties opleggen:
  1° een waarschuwing,
  2° een berisping,
  3° een beroepsverbod.
  De waarschuwing of de berisping, die conform het eerste lid, 1° of 2°, wordt opgelegd, kan, in voorkomend geval, worden gekoppeld aan de verplichting om bepaalde opleidingen te volgen en het bewijs daarvan aan de FSMA over te leggen.
  Het in het eerste lid, 3°, bedoelde beroepsverbod houdt het verbod in om in België alle of een deel van de activiteiten van bankdienstverlener te verrichten gedurende een termijn die de FSMA bepaalt wanneer ze de sanctie oplegt.
  Het beroepsverbod geldt voor een periode van maximum 3 jaar.
  § 2. De FSMA houdt rekening met alle relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval:
  1° de ernst en de duur van de inbreuk;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke persoon;
  3° de financiële soliditeit van die persoon;
  4° de omvang van de winst die is behaald, of het verlies dat is vermeden, voor zover dat kan worden bepaald;
  5° het vermogensnadeel dat de inbreuk met zich brengt voor derden, voor zover dat kan worden bepaald;
  6° de mate waarin de verantwoordelijke persoon zijn medewerking verleent aan de FSMA;
  7° eerdere inbreuken die de verantwoordelijke persoon heeft gepleegd;
  8° de maatregelen die de verantwoordelijke persoon na de inbreuk heeft genomen om herhaling te voorkomen;
  9° de weerslag van de inbreuk op de belangen en de reputatie van de banksector.
  § 3. De door de FSMA overeenkomstig paragraaf 1 opgelegde tuchtsancties worden per aangetekende brief betekend aan de betrokken persoon.
  Als de FSMA een in het eerste lid, 3°, van paragraaf 1 bedoeld beroepsverbod oplegt, brengt de betrokken persoon dit onmiddellijk ter kennis van de geviseerde entiteit waar hij werkzaam is, en legt hij het bewijs dat hij haar die informatie heeft verstrekt, voor aan de FSMA. Bij gebreke daarvan stelt de FSMA de geviseerde entiteit hiervan zelf in kennis.
  § 4. Alle tuchtsancties die de FSMA met toepassing van paragraaf 1 oplegt, publiceert ze op haar website, op zodanige wijze dat het niet mogelijk is de betrokken gesanctioneerde personen en geviseerde entiteiten te identificeren.
  § 5. De artikelen 36 en 37 van de wet van 2 augustus 2002 zijn van toepassing als de betrokken persoon:
  - het conform paragraaf 1, eerste lid, 3°, door de FSMA opgelegde beroepsverbod niet zou naleven, of
  - de verplichting om bepaalde opleidingen te volgen en het bewijs daarvan aan de FSMA over te leggen, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, niet zou naleven.
  § 6. De artikelen 36 en 37 van de wet van 2 augustus 2002 zijn van toepassing als de FSMA een inbreuk op artikel 4, § 1, derde lid, of op artikel 7, § 3, vaststelt bij een geviseerde entiteit.".
Art. 71. L'article 6 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 6. § 1er. La FSMA peut, s'agissant de personnes qui détenaient, au moment des faits concernés, la qualité de prestataires de services bancaires autre que celle à laquelle s'applique la procédure visée à l'article 5, § 7, prononcer les sanctions disciplinaires suivantes :
  1° un avertissement,
  2° un blâme,
  3° une interdiction professionnelle.
  L'avertissement ou le blâme, prononcé conformément à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, peut, le cas échéant, être accompagné de l'obligation de suivre certaines formations et d'apporter la preuve de ce suivi à la FSMA.
  L'interdiction professionnelle visée à l'alinéa 1er, 3° emporte l'interdiction d'exercer, en Belgique, des activités de prestataires de services bancaires, ou certaines de ces activités seulement, et ce pour la durée définie par la FSMA lorsqu'elle prononce la sanction.
  L'interdiction professionnelle a une durée maximale de 3 ans.
  § 2. La FSMA tient compte de toutes les circonstances pertinentes et, notamment, le cas échéant :
  1° de la gravité et de la durée de l'infraction ;
  2° du degré de responsabilité de la personne responsable ;
  3° de la solidité financière de cette personne ;
  4° de l'importance du profit réalisé ou de la perte évitée, dans la mesure où ils peuvent être déterminés ;
  5° du préjudice patrimonial subi par des tiers du fait de l'infraction, dans la mesure où il peut être déterminé ;
  6° du degré de coopération avec la FSMA dont a fait preuve la personne responsable ;
  7° des infractions antérieures commises par la personne responsable ;
  8° des mesures qui ont été prises, après l'infraction, par la personne responsable en vue d'éviter une récidive ;
  9° des incidences de l'infraction sur les intérêts et la réputation du secteur bancaire.
  § 3. Les sanctions disciplinaires prononcées par la FSMA conformément au paragraphe 1er sont notifiées à la personne concernée par lettre recommandée.
  Lorsqu'une interdiction professionnelle visée à l'alinéa 1er, 3°, du paragraphe 1er est prononcée par la FSMA, la personne concernée en informe sans délai l'entité visée au sein de laquelle elle exerce ses activités et communique la preuve de cette information à la FSMA. A défaut, la FSMA en informera elle-même l'entité visée concernée.
  § 4. La FSMA publie sur son site internet toutes les sanctions disciplinaires prononcées en application du paragraphe 1er, d'une façon telle que les personnes sanctionnées et les entités visées concernées ne puissent être identifiées.
  § 5. Les articles 36 et 37 de la loi du 2 août 2002 sont applicables dans le cas où la personne concernée ne respecterait pas :
  - l'interdiction prononcée par la FSMA conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° ; ou
  - l'obligation de suivre certaines formations et d'apporter la preuve de ce suivi, visée au paragraphe 1er, alinéa 2.
  § 6. Les articles 36 et 37 de la loi du 2 août 2002 sont applicables lorsque la FSMA constate, dans le chef d'une entité visée, une infraction à l'article 4, § 1er, alinéa 3, ou à l'article 7, § 3.".
Art. 72. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 7. § 1. De FSMA houdt een register bij met de tuchtsancties die zij conform deze wet oplegt.
  Dat register bevat:
  1° de persoonsgegevens die nodig zijn voor de correcte identificatie van de personen aan wie tuchtsancties bedoeld in artikel 6, § 1, worden opgelegd, dat wil zeggen ten minste hun naam, voornam(en) en geboortedatum;
  2° het soort tuchtsanctie en de datum waarop ze werd opgelegd.
  § 2. De personen die ernaar streven activiteiten van bankdienstverlener te verrichten, kunnen van de FSMA, volgens de regels die zij bepaalt en op haar website bekendmaakt, het bewijs verkrijgen dat hen geen beroepsverbod is opgelegd met toepassing van deze wet of van artikel 236, § 7 van de wet van 25 april 2014, van artikel 204, § 8/1 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen of van artikel 64, § 7 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.
  § 3. Een geviseerde entiteit eist van eenieder die zich kandidaat stelt om binnen die entiteit een of meer activiteiten van bankdienstverlener te verrichten, dat hij haar een kopie van het in paragraaf 2 bedoelde bewijs bezorgt.".
Art. 72. L'article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 7. § 1er. La FSMA tient un registre des sanctions disciplinaires prononcées conformément à la présente loi.
  Ce registre contient :
  1° les données à caractère personnel indispensables à l'identification correcte des personnes qui font l'objet de sanctions disciplinaires visées à l'article 6, § 1er, c'est-à-dire, à tout le moins leur nom, prénom(s) et date de naissance ;
  2° le type de sanction disciplinaire et le jour où elle a été infligée.
  § 2. Les personnes aspirant à exercer des activités de prestataires de services bancaires peuvent obtenir auprès de la FSMA, selon les modalités que celle-ci détermine et rend publiques sur son site web, la preuve qu'ils ne font pas l'objet d'une interdiction professionnelle prononcée en application de la présente loi, de l'article 236, § 7 de la loi du 25 avril 2014, de l'article 204, § 8/1 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse ou de l'article 64, § 7 de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.
  § 3. Une entité visée requiert de toute personne qui présente sa candidature aux fins d'exercer en son sein une ou plusieurs activités de prestataires de services bancaires qu'elle lui remette une copie de la preuve visée au paragraphe 2.".
Art. 73. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk IV, luidende "Hoofdstuk IV. Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten", ingevoegd dat artikel 8 bevat.
Art. 73. Dans la même loi, il est inséré un chapitre IV, intitulé "Chapitre IV. Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers", comportant l'article 8.
Art. 74. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 8. Artikel 45, § 1, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten vervangen bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende:
  "8° bij te dragen aan de naleving van de bepalingen van de wet van 22 april 2019 tot invoering van een bankierseed en een tuchtregeling voor banken en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, in de mate als beschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van die wet.".
Art. 74. L'article 8 de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 8. L'article 45, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers remplacé par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, est complété par le 8°, rédigé comme suit :
  "8° de contribuer au respect des dispositions de la loi du 22 avril 2019 visant à instaurer un serment et un régime disciplinaire bancaires et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, dans la mesure décrite aux articles 5 à 7 de cette loi.".
Art. 75. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk V, luidende "Hoofdstuk V. Wijzigingen in de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten", ingevoegd dat artikel 9 bevat.
Art. 75. Dans la même loi, il est inséré un chapitre V, intitulé "Chapitre V. Modifications de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financier", comportant l'article 9.
Art. 76. Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 9. In artikel 17/1 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, ingevoegd bij de wet van 18 april 2017 en gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de woorden "of die hun activiteiten hebben stopgezet," vervangen door de woorden "die hun activiteiten hebben stopgezet, of, wat de agenten in bank- en beleggingsdiensten betreft, aan wie de FSMA een beroepsverbod heeft opgelegd conform de wet van 22 april 2019 tot invoering van een bankierseed en een tuchtregeling voor banken.".
Art. 76. L'article 9 de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 9. Dans l'article 17/1 de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers inséré par la loi du 18 avril 2017 et modifié par la loi du 2 mai 2019, les mots "ou qui ont cessé d'exercer leurs activités." sont remplacés par les mots ", qui ont cessé d'exercer leurs activités, ou, en ce qui concerne les agents en services bancaires et en services d'investissement, qui font l'objet d'une interdiction professionnelle prononcée par la FSMA conformément à la loi du 22 avril 2019 visant à instaurer un serment et un régime disciplinaire bancaires.".
Art. 77. De artikelen 10 tot 15 van dezelfde wet worden opgeheven.
Art. 77. Les articles 10 à 15 de la même loi sont abrogés.
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen
CHAPITRE 15. - Modifications de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses
Art. 78. In artikel 15, § 1, van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.".
Art. 78. Dans l'article 15, § 1er, de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses, l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  "En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.".
Art. 79. In Boek II, Titel I, Hoofdstuk II, Afdeling VI, Onder-afdeling II, van dezelfde wet wordt een artikel 22/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 22/1. Het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de effectieve leiding, zijn zodanig samengesteld dat deze organen in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de beursvennootschap, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.".
Art. 79. Dans le Livre II, Titre Ier, Chapitre II, Section VI, Sous-section II, de la même loi, il est inséré un article 22/1 rédigé comme suit :
  "Art. 22/1. La composition de l'organe légal d'administration et du comité de direction, ou en l'absence d'un tel comité, de la direction effective, assure qu'ils disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de la société de bourse, y compris des principaux risques auxquels elle est exposée.".
Art. 80. In artikel 36 van dezelfde wet worden de woorden ", 22/1" toegevoegd tussen door de woorden "tot en met 17" en de woorden "en 31".
Art. 80. Dans l'article 36 de la même loi, les mots ", 22/1" sont insérés entre les mots "à 17" et les mots "et 31".
Art. 81. In artikel 61 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de beursvennootschappen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
  - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 15 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
  - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 22/1;
  - de voorgestelde benoemingen stroken met het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, met name wat de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht betreft.";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 15 en de beursvennootschap aan die van artikel 22/1. Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de mate waarin het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, worden nageleefd, met name wat betreft de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.".
Art. 81. A l'article 61 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les sociétés de bourse communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
  - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 15 ;
  - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 22/1 ;
  - les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent." ;
  2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par les phrases suivantes :
  "L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 15 dans le chef de la personne concernée et de l'article 22/1 dans le chef de la société de bourse. L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.".
Art. 82. In artikel 82 van dezelfde wet, wordt paragraaf 3 vervangen als volgt:
  " § 3. In geval van een tegen de beursvennootschap geopende liquidatieprocedure of van de vereffening van de beursvennootschap in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de geldmiddelen die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde geldmiddelen.
  In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de cliënten die hiervan de titularissen zijn. De liquidateur of de vereffenaar informeert de betrokken cliënten schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de liquidateur of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de liquidateur of de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de liquidateur of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken cliënten, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.".
Art. 82. Dans l'article 82 de la même loi, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En cas de procédure de liquidation ouverte à l'encontre de la société de bourse ou de sa liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte client individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des fonds ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des fonds visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2.
  Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des clients qui en sont les titulaires. Le liquidateur informe les clients concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux clients concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.".
Art. 83. In artikel 159, § 1, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° consoliderende toezichthouder: een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;".
Art. 83. Dans l'article 159, § 1er, de la même loi, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  "3° autorité de surveillance sur base consolidée, une autorité compétente chargée d'exercer la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la directive 2013/36/UE ;".
Art. 84. In artikel 182, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden ", en § 8/1" ingevoegd tussen de woorden " § 1, 1° tot 5° " en de woorden ", en, voor wat betreft".
Art. 84. A l'article 182, alinéa 1er de la même loi, les mots ", et § 8/1" sont insérés entre les mots " § 1er, 1° à 5° " et les mots ", et, pour ce qui concerne".
Art. 85. In artikel 193 van dezelfde wet worden de woorden "met uitzondering van de artikelen 212/1 tot en met 212/11 van de genoemde wet," ingevoegd tussen de woorden "van de wet van 25 april 2014" en de woorden "in hun geheel".
Art. 85. Dans l'article 193 la même loi, les mots ", à l'exception des articles 212/1 à 212/11 de ladite loi," sont insérés entre les mots "de la loi du 25 avril 2014" et les mots "est applicable par analogie".
Art. 86. In artikel 204 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een beursvennootschap tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.";
  b) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8/1, luidende als volgt:
  " § 8/1. Wanneer de Bank vaststelt dat een persoon die een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de Bank aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij beursvennootschappen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
  De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen als bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
  De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de beursvennootschap waar deze persoon een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis.".
Art. 86. Dans l'article 204 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'une société de bourse relève de la compétence exclusive de la Banque." ;
  b) l'article est complété par un paragraphe 8/1, rédigé comme suit :
  " § 8/1. Dans les cas où la Banque constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, la Banque peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des sociétés de bourse, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
  La Banque peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements visés à l'article 36/2, § 1er de la loi du 22 février 1998.
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
  Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à la société de bourse au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er. La Banque informe la FSMA de ces décisions.".
Art. 87. In artikel 231, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "198, eerste, tweede, derde en zesde lid" vervangen door de woorden "198, § 1, eerste, tweede, derde en zesde lid".
Art. 87. Dans l'article 231, alinéa 3, de la même loi, les mots "198, alinéas 1er, 2, 3 et 6" sont remplacés par les mots "198, § 1er, alinéas 1er, 2, 3 et 6".
Art. 88. In artikel 426 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
  " § 2. Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, treedt artikel 24 in werking 18 maanden na de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt voor wat de beursvennootschappen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  a) het totaal bedrag aan in bewaring ontvangen financiële instrumenten is minder dan of gelijk aan 5 miljard euro gedurende twee opeenvolgende boekjaren; en
  b) de beursvennootschap voldoet aan ten minste twee van de volgende criteria:
  - een gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken boekjaar van minder dan 250 personen;
  - een balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 miljoen euro;
  - een jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 miljoen euro.
  De Bank kan beslissen dat onderhavige paragraaf niet van toepassing is op een beursvennootschap die voldoet aan de twee voorwaarden van het eerste lid wegens met name haar interne organisatie en de aard, de omvang, de verwevenheid met entiteiten binnen of buiten de groep, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden.
  De Koning kan de in het eerste lid bedoelde termijn inkorten op advies van de Bank.".
Art. 88. Dans l'article 426 de la même loi, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Par exception au paragraphe 1er, l'article 24 entre en vigueur 18 mois après le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, s'agissant des sociétés de bourse répondant aux conditions suivantes :
  a) le total des instruments financiers reçus en dépôt est inférieur ou égal à 5 milliards d'euros durant deux exercices comptables consécutifs ; et
  b) la société répond à au moins deux des critères suivants :
  - le nombre moyen de salariés est inférieur à 250 personnes sur l'ensemble de l'exercice concerné ;
  - le total du bilan est inférieur ou égal à 43 millions d'euros ;
  - le chiffre d'affaires net annuel est inférieur ou égal à 50 millions d'euros.
  La Banque peut décider que le présent paragraphe n'est pas applicable à une société de bourse répondant aux deux conditions visées sous l'alinéa 1er en raison notamment de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de l'interdépendance interne ou externe, de la complexité ou du caractère transfrontalier de ses activités.
  Le Roi peut, sur avis de la Banque, écourter la période visée à l'alinéa 1er.".
HOOFDSTUK 16. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
CHAPITRE 16. - Modification du Code des sociétés et des associations
Art. 89. In artikel 5:33, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "op collectieve wijze" en de woorden "op de algemeenheid van de gedematerialiseerde effecten van dezelfde categorie en soort".
Art. 89. Dans l'article 5:33, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations, modifié par la loi du 27 juin 2021, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "s'exerce collectivement" et les mots "sur l'universalité des titres dématérialisés de la même catégorie et classe".
Art. 90. In artikel 5:49, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 april 2020, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "oefenen de houders van certificaten gezamenlijk hun recht tot terugvordering uit" en de woorden "op de algemeenheid van de gecertificeerde effecten van dezelfde categorie".
Art. 90. Dans l'article 5:49, § 2, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 28 avril 2020, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "exercent collectivement leur revendication" et les mots "sur l'universalité des titres certifiés de la même catégorie".
Art. 91. In artikel 6:32, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "op collectieve wijze" en de woorden "op de algemeenheid van de gedematerialiseerde effecten van dezelfde soort".
Art. 91. Dans l'article 6:32, alinéa 2, du même Code, modifié par la loi du 27 juin 2021, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "s'exerce collectivement" et les mots "sur l'universalité des titres dématérialisés de la même classe".
Art. 92. In artikel 7:38, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "op collectieve wijze" en de woorden "op de algemeenheid van de gedematerialiseerde effecten van dezelfde categorie en soort".
Art. 92. Dans l'article 7:38, alinéa 2, du même Code, modifié par la loi du 27 juin 2021, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "s'exerce collectivement" et les mots "sur l'universalité des titres dématérialisés de la même catégorie et classe".
Art. 93. In artikel 7:61, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "via, naargelang het geval, de curator of de vereffenaar," ingevoegd tussen de woorden "oefenen de houders van certificaten gezamenlijk hun recht tot terugvordering uit" en de woorden "op de algemeenheid van de gecertificeerde effecten van dezelfde categorie".
Art. 93. Dans l'article 7:61, § 2, alinéa 1er, du même Code, les mots "par l'entremise, selon le cas, du curateur ou du liquidateur" sont insérés entre les mots "exercent collectivement leur revendication" et les mots "sur l'universalité des titres certifiés de la même catégorie".
HOOFDSTUK 17. - Bepalingen houdende uitvoering van Verordening (EU) 2022/858
CHAPITRE 17. - Dispositions relatives à la mise en oeuvre du Règlement (UE) 2022/858
Afdeling 1. - Inleidende bepaling en definities
Section 1. - Disposition liminaire et définitions
Art. 94. De bepalingen van dit hoofdstuk strekken tot uitvoering van Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 909/2014 en Richtlijn 2014/65/EU.
Art. 94. Les dispositions de ce chapitre visent à la mise en oeuvre du Règlement (UE) 2022/858 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 sur un régime pilote pour les infrastructures de marché reposant sur la technologie des registres distribués, et modifiant les règlements (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 909/2014 et la directive 2014/65/UE.
Art. 95. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "Verordening 909/2014": Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012;
  2° Verordening 600/2014: Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  3° "Verordening 2022/858": Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 909/2014 en Richtlijn 2014/65/EU;
  4° "wet van 22 februari 1998": de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  5° "wet van 2 augustus 2002": de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiele diensten;
  6° "wet van 21 november 2017": de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU;
  7° "wet van 20 juli 2022": de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;
  8° "Bank": de Nationale Bank van België;
  9° "FSMA": de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;
  10° "beleggingsonderneming": een kredietinstelling of beursvennootschap naar Belgisch recht die in België een MTF mag exploiteren overeenkomstig artikel 42 van de wet van 21 november 2017;
  11° "marktexploitant": een marktexploitant die in België een MTF mag exploiteren overeenkomstig artikel 42 van de wet van 21 november 2017;
  12° "multilaterale DLT-handelsfaciliteit": een multilaterale handelsfaciliteit in de zin van artikel 2, 6), van Verordening 2022/858;
  13° "DLT-afwikkelingssysteem": een afwikkelingssysteem in de in van artikel 2, 7), van Verordening 2022/858;
  14° "DLT-handels- en afwikkelingssysteem": een handels- en afwikkelingssysteem in de zin van artikel 2, 10), van Verordening 2022/858.
Art. 95. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par :
  1° "Règlement 909/2014": le Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l'amélioration du règlement de titres dans l'Union européenne et les dépositaires centraux de titres et modifiant les directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le Règlement (UE) n° 236/2012 ;
  2° Règlement 600/2014: Règlement (UE) n° 600/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
  3° "Règlement 2022/858": le Règlement (UE) 2022/858 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 sur un régime pilote pour les infrastructures de marché reposant sur la technologie des registres distribués, et modifiant les Règlements (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 909/2014 et la directive 2014/65/UE ;
  4° "loi du 22 février 1998": la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique ;
  5° "loi du 2 août 2002": la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers ;
  6° "loi du 21 novembre 2017": la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la directive 2014/65/UE ;
  7° "loi du 20 juillet 2022": la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;
  8° "Banque": la Banque nationale de Belgique ;
  9° "FSMA": l'Autorité des services et marchés financiers ;
  10° "entreprise d'investissement": un établissement de crédit ou une société de bourse de droit belge qui est autorisé à exploiter un MTF en Belgique conformément à l'article 42 de la loi du 21 novembre 2017 ;
  11° "opérateur de marché": un opérateur de marché qui est autorisé à exploiter un MTF en Belgique conformément à l'article 42 de la loi du 21 novembre 2017 ;
  12° "système multilatéral de négociation DLT": un système multilatéral de négociation au sens de l'article 2, 6), du Règlement 2022/858 ;
  13° "système de règlement DLT": un système de règlement au sens de l'article 2, 7), du Règlement 2022/858 ;
  14° "système de négociation et de règlement DLT": un système de négociation et de règlement au sens de l'article 2, 10), du Règlement 2022/858.
Afdeling 2. - Multilaterale DLT-handelsfaciliteiten
Section 2. - Systèmes multilatéraux de négociation DLT
Art. 96. § 1. In toepassing van artikel 2, 21), van Verordening 2022/858 wordt de FSMA aangewezen als bevoegde autoriteit die belast is om ten aanzien van multilaterale DLT-handelsfaciliteiten de taken uit te voeren die aan de bevoegde autoriteit zijn opgedragen door de artikelen 3, 4, 7 en 8 van Verordening 2022/858. In die hoedanigheid waakt zij over de naleving van die bepalingen en van deze genomen op basis of ter uitvoering daarvan.
  § 2. Wanneer de multilaterale DLT-handelsfaciliteit waarop Verordening 2022/858 van toepassing is, wordt geëxploiteerd door een beleggingsonderneming, brengt de FSMA de Bank op de hoogte van de aanvragen die zij ontvangt en van het gevolg dat zij daaraan geeft in uitoefening van de taken bedoeld in paragraaf 1.
Art. 96. § 1er. En vertu de l'article 2, 21), du Règlement 2022/858, la FSMA est désignée comme autorité compétente chargée d'assumer, vis-à-vis des systèmes multilatéraux de négociation DLT, les missions dévolues à l'autorité compétente par les articles 3, 4, 7 et 8 du Règlement 2022/858. En cette qualité, elle veille au respect de ces dispositions et de celles prises sur la base ou en exécution de celles-ci.
  § 2. Lorsque le système multilatéral de négociation DLT concerné par l'application du Règlement 2022/858 est exploité par une entreprise d'investissement, la FSMA informe la Banque des demandes qu'elle reçoit et de la suite qu'elle y donne en exécution des missions visées au paragraphe 1er.
Afdeling 3. - DLT-afwikkelingssystemen
Section 3. - Systèmes de règlement DLT
Art. 97. § 1. In toepassing van artikel 2, 21), van Verordening 2022/858 wordt de Bank aangewezen als bevoegde autoriteit die belast is om ten aanzien van DLT-afwikkelingssystemen de taken uit te voeren die aan de bevoegde autoriteit zijn opgedragen door de artikelen 3, 5, 7 en 9 van Verordening 2022/858. In die hoedanigheid waakt zij over de naleving van die bepalingen en van deze genomen op basis of ter uitvoering daarvan, onverminderd de bevoegdheden die in paragraaf 2 aan de FSMA zijn opgedragen.
  § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de Bank, houdt de FSMA toezicht op de in België gevestigde centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-afwikkelingssysteem exploiteren, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, van de wet van 2 augustus 2002, evenals vanuit het oogpunt van de naleving van de regels die een loyale, billijke en professionele behandeling van de deelnemers en hun cliënten moeten waarborgen.
  Vanuit dit oogpunt verzekert de FSMA de naleving door de centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-afwikkelingssysteem uitbaten, van artikel 7, leden 1 tot 3 en 5 tot 10 van Verordening 2022/858 en van de artikelen 6, leden 3 en 4, 7, 26, lid 3, 29, 32 tot 35, 38, 49 en 53 van Verordening 909/2014, in de mate zij niet vrijgesteld zijn van de toepassing van die bepalingen overeenkomstig artikel 5, lid 1, alinea 2 en leden 2, 3, 6 en 9 van Verordening 2022/858.
Art. 97. § 1er. En vertu de l'article 2, 21), du Règlement 2022/858, la Banque est désignée comme autorité compétente, chargée d'assumer, vis-à-vis des systèmes de règlement DLT, les missions dévolues à l'autorité compétente par les articles 3, 5, 7 et 9 du Règlement (UE) 2022/858. En cette qualité, elle veille au respect de ces dispositions et de celles prises sur la base ou en exécution de celles-ci, sans préjudice des compétences dévolues à la FSMA au paragraphe 2.
  § 2. Sans préjudice des compétences de la Banque, la FSMA surveille les dépositaires centraux de titres exploitant un système de règlement DLT, établis en Belgique, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002, ainsi que sous l'angle du respect des règles destinées à assurer un traitement honnête, équitable et professionnel des participants et de leurs clients.
  Sous cet angle, la FSMA s'assure du respect par les dépositaires centraux de titres exploitant un système de règlement DLT, de l'article 7, paragraphes 1 à 3 et 5 à 10 du Règlement 2022/858 et des articles 6, paragraphe 3 et 4, 7, 26, paragraphe 3, 29, 32 à 35, 38, 49 et 53 du Règlement 909/2014, dans la mesure où ils ne sont pas exemptés de l'application de ces dispositions conformément à l'article 5, paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphes 2, 3, 6 et 9 du Règlement 2022/858.
Art. 98. § 1. Wanneer de Bank vanwege een centrale effectenbewaarinstelling of vanwege een rechtspersoon die tegelijk een vergunning aanvraagt als centrale effectenbewaarinstelling, een specifieke toestemmingsaanvraag ontvangt om een DLT-afwikkelingssysteem te exploiteren, wint de Bank het advies van de FSMA in alvorens de aanvraag te beoordelen en te beslissen of zij de specifieke toestemming verleent overeenkomstig artikel 9, lid 9, van Verordening 2022/858.
  De toestemmingsaanvraag kan vergezeld gaan van een vrijstellingsaanvraag als bedoeld in artikel 5 van Verordening 2022/858, in welk geval beide aanvragen gelijktijdig behandeld worden.
  § 2. Zodra zij deze ontvangen heeft, stelt de Bank de informatie bedoeld in artikel 9, lid 4, van Verordening 2022/858 die betrekking heeft op de naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 97, § 2, tweede lid, evenals alle wijzigingen daaraan, ter beschikking van de FSMA om haar in staat te stellen haar bevoegdheden uit te oefenen.
  Van zodra zij deze ontvangt, maakt de Bank aan de FSMA eveneens het advies van de ESMA over indien dergelijk advies verstrekt wordt overeenkomstig artikel 9, lid 7, eerste alinea van Verordening 2022/858, evenals het advies dat de relevante autoriteiten bedoeld in artikel 12 van Verordening 909/2014 overmaken overeenkomstig artikel 9, lid 7, alinea 4, van Verordening 2022/858.
  § 3. De Bank brengt de FSMA op de hoogte zodra zij oordeelt dat de toestemmingsaanvraag volledig is. Vanaf die kennisgeving beschikt de FSMA over een termijn van 60 dagen om haar advies te verstrekken. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies.
  Het advies van de FSMA heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 97, § 2. De FSMA vermeldt in haar advies in het bijzonder of zij, vanuit het oogpunt van haar bevoegdheden, van oordeel is dat er redenen bestaan om de specifieke toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 9, lid 10, van Verordening 2022/858.
  Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslissing over de toestemmingsaanvraag. Het advies van de FSMA wordt bij de kennisgeving van de beslissing over de toestemmingsaanvraag gevoegd.
Art. 98. § 1er. Lorsque la Banque est saisie d'une demande d'autorisation spécifique pour exploiter un système de règlement DLT, introduite par un dépositaire central de titres ou par une personne morale qui demande simultanément un agrément en cette qualité, la Banque recueille l'avis de la FSMA avant de procéder à l'évaluation de la demande et de décider si elle accorde l'autorisation spécifique conformément à l'article 9, paragraphe 9, du Règlement 2022/858.
  La demande d'autorisation peut être accompagnée d'une demande d'exemption visée à l'article 5 du Règlement 2022/858, auquel cas les deux demandes sont traitées simultanément.
  § 2. Dès leur réception, la Banque met à la disposition de la FSMA les informations visées à l'article 9, paragraphe 4, du Règlement 2022/858, liées au respect des dispositions visées à l'article 97, § 2, alinéa 2, de manière à lui permettre d'exercer ses compétences, ainsi que toutes modifications apportées à ces informations.
  La Banque transmet également à la FSMA, dès réception, l'avis de l'ESMA, si un tel avis est rendu conformément à l'article 9, paragraphe 7, alinéa 1er du Règlement 2022/858, ainsi que l'avis transmis par les autorités concernées mentionnées à l'article 12 du Règlement 909/2014 conformément à l'article 9, paragraphe 7, alinéa 4, du Règlement 2022/858.
  § 3. La Banque informe la FSMA dès qu'elle considère que la demande d'autorisation est complète. A dater de cette information, la FSMA dispose d'un délai de 60 jours pour rendre son avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif.
  L'avis de la FSMA porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que visées à l'article 97, § 2. La FSMA mentionne notamment dans son avis si elle estime, sous l'angle de ses compétences, qu'il existe des raisons de refuser d'accorder l'autorisation spécifique conformément à l'article 9, paragraphe 10, du Règlement 2022/858.
  Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d'autorisation. L'avis de la FSMA est joint à la notification de la décision relative à la demande d'autorisation.
Art. 99. § 1. De Bank wint het advies van de FSMA in volgens de procedure en de nadere regels van artikel 98, telkens wanneer zij een vrijstellingsaanvraag ontvangt die betrekking heeft op:
  1° artikel 5, lid 5, van Verordening 2022/858;
  2° een artikel van Verordening 909/2014 waarvan de FSMA in voorkomend geval, de naleving verzekert overeenkomstig artikel 97, § 2; of
  3° artikel 19 van Verordening 909/2014.
  Het advies van de FSMA heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 97, § 2, en meer in het bijzonder op het volgende:
  1° de naleving van artikel 7, leden 1 tot 3 en 5 tot 10 van Verordening 2022/858;
  2° in voorkomend geval, de naleving van de voorwaarden vermeld in artikel 5, leden 2 tot 10 van Verordening 2022/858;
  3° de compenserende maatregelen die de FSMA eventueel passend acht om de doelstellingen te verwezenlijken van de bepalingen waarvan een vrijstelling is gevraagd, of om de beleggersbescherming of de marktintegriteit te waarborgen overeenkomstig artikel 5, lid 1, alinea 2, c), van Verordening 2022/858.
  § 2. De Bank wint eveneens het advies van de FSMA in volgens de procedure en de modaliteiten van artikel 98, wanneer een wijziging moet aangebracht worden in één of meer bestaande vrijstellingen of in de voorwaarden of compenserende maatregelen die eventueel verbonden zijn aan een vrijstelling.
Art. 99. § 1er. La Banque recueille l'avis de la FSMA, selon la procédure et les modalités définies à l'article 98, chaque fois qu'elle est saisie d'une demande d'exemption portant sur :
  1° l'article 5, paragraphe 5, du Règlement 2022/858 ;
  2° un article du Règlement 909/2014 dont la FSMA assure le cas échéant, le respect conformément à l'article 97, § 2 ; ou
  3° l'article 19 du Règlement 909/2014.
  L'avis de la FSMA porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que définies à l'article 97, § 2, et notamment sur les aspects suivants :
  1° le respect de l'article 7, paragraphes 1 à 3 et 5 à 10 du Règlement 2022/858 ;
  2° le cas échéant, le respect des conditions énoncées à l'article 5, paragraphes 2 à 10 du Règlement 2022/858 ;
  3° les mesures compensatoires éventuelles que la FSMA considère appropriées pour répondre aux objectifs des dispositions pour lesquelles une exemption a été demandée, ou pour garantir la protection des investisseurs ou l'intégrité des marchés, conformément à l'article 5, paragraphe 1, alinéa 2, c), du Règlement 2022/858.
  § 2. La Banque recueille également l'avis de la FSMA selon la procédure et les modalités définies à l'article 98, lorsqu'une modification doit être apportée à une ou plusieurs exemptions existantes ou à des conditions ou mesures compensatoires éventuelles dont est assortie une exemption.
Art. 100. De Bank wint het advies van de FSMA in, volgens de in de artikel 98 vastgelegde procedure en modaliteiten:
  1° wanneer zij de intentie heeft om overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Verordening 2022/858 lagere grenswaarden vast te stellen dan deze vermeld in de leden 1 en 2 van datzelfde artikel;
  2° wanneer zij de intentie heeft om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 9, lid 12, van Verordening 2022/858.
Art. 100. La Banque recueille l'avis de la FSMA, selon la procédure et les modalités définies à l'article 98 :
  1° lorsqu'elle envisage de fixer des seuils inférieurs aux valeurs énoncées à l'article 3, paragraphes 1 et 2 du Règlement 2022/858, conformément à l'article 3, paragraphe 6, de ce même règlement ;
  2° lorsqu'elle a l'intention de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 9, paragraphe 12, du Règlement 2022/858.
Art. 101. Onverminderd artikel 108, kan de FSMA aan de Bank vragen om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 9, lid 12, van Verordening 2022/858, om redenen die raken aan de uitoefening van haar bevoegdheden bedoeld in artikel 97, § 2. Als de Bank geen gevolg geeft aan de vraag van de FSMA, vermeldt zij de redenen daarvan aan deze laatste.
Art. 101. Sans préjudice de l'article 108, la FSMA peut demander à la Banque, pour des raisons liées à l'exercice de ses compétences définies à l'article 97, § 2, de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 9, paragraphe 12, du Règlement 2022/858. Si la Banque ne donne pas suite à la demande de la FSMA, elle en mentionne les raisons à cette dernière.
Afdeling 4. - DLT-handels- en afwikkelingssystemen geëxploiteerd door een centrale effectenbewaarinstelling
Section 4. - Systèmes de négociation et de règlement DLT exploités par un dépositaire central de titres
Art. 102. § 1. In toepassing van artikel 2, 21), van Verordening 2022/858 worden de Bank en de FSMA aangewezen als bevoegde autoriteiten die ermee belast zij om de taken uit te voeren die aan de bevoegde autoriteit zijn opgedragen door de artikelen 3, 6, 7 en 10 van Verordening 2022/858, wanneer die bepalingen van toepassing zijn op een DLT-handels- en afwikkelingssysteem dat geëxploiteerd wordt door een centrale effectenbewaarinstelling. In die hoedanigheid waken zij over de naleving van die bepalingen en van deze genomen op basis of ter uitvoering daarvan, in de mate en volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd in deze afdeling.
  § 2. De Bank houdt toezicht op de in België gevestigde centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren, vanuit het oogpunt van de naleving van de in Verordening 909/2014 en krachtens de wet van 22 februari 1998 vastgelegde vereisten voor de afwikkeling van financiële instrumenten en vereisten op het vlak van organisatie, werking, financiële positie, interne controle en risicobeheer wat de afwikkelingsactiviteiten betreft, evenals vanuit het oogpunt van de naleving van de regels die de financiële stabiliteit moeten waarborgen.
  Vanuit dit oogpunt verzekert de Bank de naleving door de centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem uitbaten, van de artikelen 3 en 7 van Verordening 2022/858 en van de bepalingen van Verordening 909/2014, in de mate zij niet vrijgesteld zijn van de toepassing van die bepalingen overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 5, leden 2 tot 10, en artikel 6, lid 2, alinea 2, van Verordening 2022/858.
  § 3. Onverminderd de bevoegdheden van de Bank bedoeld in paragraaf 2, houdt de FSMA toezicht op de in België gevestigde centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, van de wet van 2 augustus 2002, evenals vanuit het oogpunt van de naleving van de regels die een loyale, billijke en professionele behandeling van de deelnemers en hun cliënten moeten waarborgen.
  Vanuit dit oogpunt verzekert de FSMA de naleving door de centrale effectenbewaarinstellingen die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem uitbaten, van:
  - de artikelen 3 en 7 van Verordening 2022/858;
  - de artikelen 6, leden 3 en 4, 7, 26, lid 3, 29, 32 tot 35, 38, 49 en 53 van Verordening 909/2014;
  - de vereisten die van toepassing zijn op multilaterale handelsfaciliteiten zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, alinea 1, b), van Verordening 2022/858,
  en dit in de mate zij niet vrijgesteld zijn van de toepassing van die bepalingen overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 5, leden 2 tot 10 en artikel 6, lid 2, alinea 2, van Verordening 2022/858.
Art. 102. § 1er. En vertu de l'article 2, 21), du Règlement 2022/858, la Banque et la FSMA sont désignées comme autorités compétentes, chargées d'assumer les missions dévolues à l'autorité compétente par les articles 3, 6, 7 et 10 du Règlement 2022/858, lorsque ces dispositions s'appliquent à un système de négociation et de règlement DLT exploité par un dépositaire central de titres. En cette qualité, elles veillent au respect de ces dispositions et de celles prises sur la base ou en exécution de ces dispositions, dans la mesure et selon la répartition de compétences décrite dans la présente section.
  § 2. La Banque surveille les dépositaires centraux de titres exploitant un système de négociation et de règlement DLT, établis en Belgique, sous l'angle du respect des exigences établies par le Règlement 909/2014 et en vertu de la loi du 22 février 1998 pour le règlement des instruments financiers et en matière d'organisation, de fonctionnement, de situation financière, de contrôle interne et de gestion des risques concernant les activités de règlement, ainsi que sous l'angle du respect des règles destinées à assurer la stabilité financière.
  Sous cet angle, la Banque s'assure du respect par les dépositaires centraux de titres exploitant un système de négociation et de règlement DLT, des articles 3 et 7 du Règlement 2022/858 et des dispositions du Règlement 909/2014, dans la mesure où ils ne sont pas exemptés de l'application de ces dispositions conformément à l'article 4, paragraphes 2, 3 et 4, l'article 5, paragraphes 2 à 10, et l'article 6, paragraphe 2, alinéa 2, du Règlement 2022/858.
  § 3. Sans préjudice des compétences de la Banque visées au paragraphe 2, la FSMA surveille les dépositaires centraux de titres exploitant un système de négociation et de règlement DLT, établis en Belgique, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002, ainsi que sous l'angle du respect des règles destinées à assurer un traitement honnête, équitable et professionnel des participants et de leurs clients.
  Sous cet angle, la FSMA s'assure du respect par les dépositaires centraux de titres exploitant un système de négociation et de règlement DLT :
  - des articles 3 et 7 du Règlement 2022/858 ;
  - des articles 6, paragraphes 3 et 4, 7, 26, paragraphe 3, 29, 32 à 35, 38, 49 et 53 du Règlement 909/2014 ;
  - des exigences qui s'appliquent aux systèmes multilatéraux de négociation, telles que visées à l'article 6, paragraphe 2, alinéa 1er, b), du Règlement 2022/858,
  et ce dans la mesure où ils ne sont pas exemptés de l'application de ces dispositions conformément à l'article 4, paragraphes 2, 3 et 4, l'article 5, paragraphes 2 à 10 et l'article 6, paragraphe 2, alinéa 2, du Règlement 2022/858.
Art. 103. § 1. De Bank is bevoegd om, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels vastgelegd in deze afdeling, de aanvragen voor toestemming te ontvangen die door een centrale effectenbewaarinstelling of een rechtspersoon die tegelijk een vergunning aanvraagt als centrale effectenbewaarinstelling, worden ingediend overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening 2022/858 om een DLT-handels- en afwikkelingssysteem te exploiteren, evenals om te oordelen over dergelijke aanvragen en om te beslissen of zij de specifieke toestemming verleent overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Verordening 2022/858.
  Wanneer zij een dergelijke aanvraag ontvangt, wint de Bank het advies van de FSMA in alvorens de aanvraag te beoordelen en te beslissen of zij de specifieke toestemming verleent.
  De toestemmingsaanvraag kan vergezeld gaan van een vrijstellingsaanvraag als bedoeld in artikel 6 van Verordening 2022/858, in welk geval beide aanvragen gelijktijdig behandeld worden.
  § 2. Zodra zij deze ontvangen heeft, stelt de Bank de informatie bedoeld in artikel 10, lid 4 en lid 5, alinea 2, van Verordening 2022/858 die betrekking heeft op de naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 102, § 3, tweede lid, evenals alle wijzigingen daarvan, ter beschikking van de FSMA om haar in staat te stellen haar bevoegdheden uit te oefenen.
  Van zodra zij deze ontvangt, maakt de Bank aan de FSMA eveneens het advies van de ESMA over indien dergelijk advies verstrekt wordt overeenkomstig artikel 10, lid 8, eerste alinea, van Verordening 2022/858, evenals het advies dat de relevante autoriteiten bedoeld in artikel 12 van Verordening 909/2014 overmaken overeenkomstig artikel 10, lid 8, alinea 4, van Verordening 2022/858.
  § 3. Op eensluidend advies van de FSMA beoordeelt de Bank de volledigheid van de specifieke toestemmingsaanvraag overeenkomstig artikel 10, lid 7, van Verordening 2022/858.
  Vanaf de beslissing van de Bank over de volledigheid van de specifieke toestemmingsaanvraag, beschikt de FSMA over een termijn van 60 dagen om haar advies te verstrekken. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies.
  Het advies van de FSMA heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 102, § 3. De FSMA vermeldt in haar advies in het bijzonder of zij, vanuit het oogpunt van haar bevoegdheden, van oordeel is dat er redenen bestaan om de specifieke toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 10, lid 10, van Verordening 2022/858.
  Het advies van de FSMA is bindend voor de Bank wanneer dit betrekking heeft op de naleving van de vereisten die van toepassing zijn op multilaterale handelssystemen, in het bijzonder op grond van Verordening (EU) nr. 600/2014 en van de wet van 21 november 2017. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA wat de andere aangelegenheden betreft, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslissing over de toestemmingsaanvraag. Het advies van de FSMA wordt bij de kennisgeving van de beslissing over de toestemmingsaanvraag gevoegd.
Art. 103. § 1er. Selon les conditions et modalités définies dans la présente section, la Banque est compétente pour recevoir les demandes d'autorisation spécifique pour exploiter un système de négociation et de règlement DLT introduites par un dépositaire central de titres ou par une personne morale qui demande simultanément un agrément en cette qualité conformément à l'article 10, paragraphe 1er, du Règlement 2022/858, ainsi que pour évaluer de telles demandes et décider si elle accorde l'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 9, du Règlement 2022/858.
  Lorsqu'elle est saisie d'une telle demande d'autorisation spécifique, la Banque recueille l'avis de la FSMA avant de procéder à l'évaluation de la demande et de décider si elle accorde l'autorisation spécifique.
  La demande d'autorisation peut être accompagnée d'une demande d'exemption visée à l'article 6 du Règlement 2022/858, auquel cas les deux demandes sont traitées simultanément.
  § 2. Dès leur réception, la Banque met à la disposition de la FSMA les informations visées à l'article 10, paragraphe 4 et paragraphe 5, alinéa 2, du Règlement 2022/858, liées au respect des dispositions visées à l'article 102, § 3, alinéa 2, de manière à lui permettre d'exercer ses compétences, ainsi que toutes modifications apportées à ces informations.
  La Banque transmet également à la FSMA, dès réception, l'avis de l'ESMA, si un tel avis est rendu conformément à l'article 10, paragraphe 8, alinéa 1er, du Règlement 2022/858, ainsi que l'avis transmis par les autorités concernées mentionnées à l'article 12 du Règlement 909/2014 conformément à l'article 10, paragraphe 8, alinéa 4, du Règlement 2022/858.
  § 3. La Banque se prononce sur le caractère complet de la demande d'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 7, du Règlement 2022/858, sur avis conforme de la FSMA.
  A dater de la décision de la Banque sur le caractère complet de la demande d'autorisation spécifique, la FSMA dispose d'un délai de 60 jours pour rendre son avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif.
  L'avis de la FSMA porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que définies à l'article 102, § 3. La FSMA mentionne notamment dans son avis si elle estime, sous l'angle de ses compétences, qu'il existe des raisons de refuser d'accorder l'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 10, du Règlement 2022/858.
  La Banque est liée par l'avis de la FSMA portant sur le respect des exigences qui s'appliquent aux systèmes multilatéraux de négociation, notamment au titre du Règlement (UE) n° 600/2014 et de la loi du 21 novembre 2017. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA sur les autres aspects, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d'autorisation. L'avis de la FSMA est joint à la notification de la décision relative à la demande d'autorisation.
Art. 104. § 1. De Bank is bevoegd om, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten van dit artikel, de vrijstellingsaanvragen te ontvangen bedoeld in artikel 6, lid 2, alinea 2, van Verordening 2022/858 en om te beslissen over de toekenning van die vrijstellingen.
  § 2. De Bank wint het advies van de FSMA in volgens de procedure en de modaliteiten van artikel 103, telkens wanneer zij een vrijstellingsaanvraag ontvangt die betrekking heeft op:
  1° artikel 5, lid 5, van Verordening 2022/858;
  2° een artikel van Verordening 909/2014 waarvan de FSMA in voorkomend geval, de naleving verzekert overeenkomstig artikel 102, § 3;
  3° artikel 19 van Verordening 909/2014; of
  4° een vereiste bedoeld in artikel 6, lid 2, b), van Verordening 2022/858.
  Het advies van de FSMA heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 102, § 3, en meer in het bijzonder op het volgende:
  1° de naleving van artikel 7 van Verordening 2022/858;
  2° de in voorkomend geval, naleving van de voorwaarden vermeld in artikel 4, leden 2, 3 en 4 en in artikel 5, leden 2 tot 10 van Verordening 2022/858;
  3° de compenserende maatregelen die de FSMA eventueel passend acht om de doelstellingen te verwezenlijken van de bepalingen waarvan een vrijstelling is gevraagd, of om de beleggersbescherming of de marktintegriteit te waarborgen overeenkomstig artikel 6, lid 2, alinea 2, c), van Verordening 2022/858.
  § 3. De Bank wint eveneens het advies van de FSMA in, volgens de procedure en de nadere regels van artikel 103, wanneer een wijziging moet aangebracht worden in één of meer bestaande vrijstellingen of in de voorwaarden of compenserende maatregelen die eventueel verbonden zijn aan een vrijstelling.
Art. 104. § 1er. Selon les conditions et modalités définies au présent article, la Banque est compétente pour recevoir les demandes d'exemptions visées à l'article 6, paragraphe 2, alinéa 2 du Règlement 2022/858 et pour décider de l'octroi de telles exemptions.
  § 2. La Banque recueille l'avis de la FSMA, selon la procédure et les modalités définies à l'article 103, chaque fois qu'elle est saisie d'une demande d'exemption portant sur :
  1° l'article 5, paragraphe 5, du Règlement 2022/858 ;
  2° un article du Règlement 909/2014 dont la FSMA assure le cas échéant, le respect conformément à l'article 102, § 3 ;
  3° l'article 19 du Règlement 909/2014 ; ou
  4° une exigence visée à l'article 6, paragraphe 2, b), du Règlement 2022/858.
  L'avis de la FSMA porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que définies à l'article 102, § 3, et notamment sur les aspects suivants :
  1° le respect de l'article 7 du Règlement 2022/858 ;
  2° le cas échéant, le respect des conditions énoncées à l'article 4, paragraphes 2, 3 et 4 et à l'article 5, paragraphes 2 à 10 du Règlement 2022/858 ;
  3° les mesures compensatoires éventuelles que la FSMA considère appropriées pour répondre aux objectifs des dispositions pour lesquelles une exemption a été demandée, ou pour garantir la protection des investisseurs ou l'intégrité des marchés, conformément à l'article 6, paragraphe 2, alinéa 2, c), du Règlement 2022/858.
  § 3. La Banque recueille également l'avis de la FSMA, selon la procédure et les modalités définies à l'article 103, lorsqu'une modification doit être apportée à une ou plusieurs exemptions existantes ou à des conditions ou mesures compensatoires éventuelles dont est assortie une exemption.
Art. 105. De Bank wint het advies van de FSMA in, volgens de in artikel 103 vastgelegde procedure en nadere regels:
  1° wanneer zij de intentie heeft om overeenkomstig artikel 3, lid 6 van Verordening 2022/858 lagere grenswaarden vast te stellen dan deze vermeld in de leden 1 en 2 van datzelfde artikel;
  2° wanneer zij de intentie heeft om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 10, lid 12, van Verordening 2022/858.
Art. 105. La Banque recueille l'avis de la FSMA, selon la procédure et les modalités définies à l'article 103 :
  1° lorsqu'elle envisage de fixer des seuils inférieurs aux valeurs énoncées à l'article 3, paragraphes 1er et 2 du Règlement 2022/858, conformément au paragraphe 6 de ce même article ;
  2° lorsqu'elle a l'intention de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 10, paragraphe 12, du Règlement 2022/858.
Art. 106. Onverminderd artikel 108, kan de FSMA aan de NBB vragen om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 10, lid 12, van Verordening 2022/858, om redenen die raken aan de uitoefening van haar bevoegdheden bedoeld in artikel 102, § 3. Als de Bank geen gevolg geeft aan de vraag van de FSMA, vermeldt zij de redenen daarvan aan deze laatste. Wanneer de vraag van de FSMA verband houdt met de vereisten die van toepassing zijn op multilaterale handelssystemen, in het bijzonder op grond van Verordening (EU) nr. 600/2014 en van de wet van 21 november 2017, kan de Bank zich niet verzetten tegen de vraag van de FSMA.
Art. 106. Sans préjudice de l'article 108, la FSMA peut demander à la Banque, pour des raisons liées à l'exercice de ses compétences définies à l'article 102, § 3, de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 10, paragraphe 12, du Règlement 2022/858. Si la Banque ne donne pas suite à la demande de la FSMA, elle en mentionne les raisons à cette dernière. Lorsque la demande de la FSMA est liée aux exigences qui s'appliquent aux systèmes multilatéraux de négociation, notamment au titre du Règlement (UE) n° 600/2014 et de la loi du 21 novembre 2017, la Banque ne peut s'opposer à la demande de la FSMA.
Afdeling 5. - DLT-handels- en afwikkelingssystemen geëxploiteerd door een beleggingsonderneming of een marktexploitant
Section 5. - Systèmes de négociation et de règlement DLT exploités par une entreprise d'investissement ou un opérateur de marché
Art. 107. § 1. In toepassing van artikel 2, 21), van Verordening 2022/858 worden de Bank en de FSMA aangewezen als bevoegde autoriteiten die ermee belast zijn om de taken uit te voeren die aan de bevoegde autoriteit zijn opgedragen door de artikelen 3, 6, 7 en 10 van Verordening 2022/858, wanneer die bepalingen van toepassing zijn op een DLT-handels- en afwikkelingssysteem dat geëxploiteerd wordt door een rechtspersoon die vergund is als beleggingsonderneming of die een vergunning heeft om een gereglementeerde markt te exploiteren. In die hoedanigheid waken zij over de naleving van die bepalingen en van deze genomen op basis of ter uitvoering daarvan, in de mate en volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd in deze afdeling.
  § 2. De FSMA houdt toezicht op de in België gevestigde beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, van de wet van 2 augustus 2002, evenals vanuit het oogpunt van de naleving van de regels die een loyale, billijke en professionele behandeling van de deelnemers en hun cliënten moeten waarborgen.
  Vanuit dit oogpunt verzekert de FSMA de naleving door de beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem uitbaten, van:
  - de artikelen 3 en 7 van Verordening 2022/858;
  - de artikelen 6, leden 3 en 4, 7, 29, 32 tot 35, 38, 49 en 53 van Verordening 909/2014;
  - de vereisten die van toepassing zijn op multilaterale handelsfaciliteiten op grond van Verordening (EU) nr. 600/2014, van de wet van 21 november 2017 en van de wet van 20 juli 2022,
  en dit in de mate zij niet vrijgesteld zijn van de toepassing van die bepalingen overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 5, leden 2 tot 10 en artikel 6, lid 2, alinea 2, van Verordening 2022/858.
  § 3. Onverminderd de bevoegdheden van de FSMA bedoeld in paragraaf 2, houdt de Bank toezicht op de in België gevestigde beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem exploiteren, vanuit het oogpunt van de naleving van de vereisten die zijn vastgelegd in Verordening 909/2014 en in de wet van 20 juli 2022, en krachtens de wet van 22 februari 1998 inzake de afwikkeling van financiële instrumenten en op het vlak van organisatie, werking, financiële positie, interne controle en risicobeheer wat de afwikkelingsactiviteiten betreft, evenals vanuit het oogpunt van de naleving van de regels die de financiële stabiliteit moeten waarborgen.
  Vanuit dit oogpunt verzekert de Bank de naleving door de beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een DLT-handels- en afwikkelingssysteem uitbaten, van de artikelen 3 en 7 van Verordening 2022/858 en van de bepalingen van Verordening 909/2014 met uitzondering van de artikelen 9, 16, 17, 18, 20, 26, 27, 28, 31, 42, 43, 44, 46 en 47, in de mate zij niet vrijgesteld zijn van de toepassing van die bepalingen overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 5, leden 2 tot 10 en artikel 6, lid 1, alinea 2, van Verordening 2022/858.
Art. 107. § 1er. En vertu de l'article 2, 21), du Règlement 2022/858, la Banque et la FSMA sont désignées comme autorités compétentes, chargées d'assumer les missions dévolues à l'autorité compétente par les articles 3, 6, 7 et 10 du Règlement 2022/858, lorsque ces dispositions s'appliquent à un système de négociation et de règlement DLT exploité par une personne morale qui est agréée comme entreprise d'investissement ou qui est agréée pour exploiter un marché réglementé. En cette qualité, elles veillent au respect de ces dispositions et de celles prises sur la base ou en exécution de ces dispositions, dans la mesure et selon la répartition de compétences décrite dans la présente section.
  § 2. La FSMA surveille les entreprises d'investissement et les opérateurs de marché exploitant un système de négociation et de règlement DLT, établis en Belgique, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002, ainsi que sous l'angle du respect des règles destinées à assurer un traitement honnête, équitable et professionnel des participants et de leurs clients.
  Sous cet angle, la FSMA s'assure du respect par les entreprises d'investissement et les opérateurs de marché exploitant un système de négociation et de règlement DLT :
  - des articles 3 et 7 du Règlement 2022/858 ;
  - des articles 6, paragraphes 3 et 4, 7, 29, 32 à 35, 38, 49 et 53 du Règlement 909/2014 ;
  - des exigences qui s'appliquent aux systèmes multilatéraux de négociation au titre du Règlement (UE) n° 600/2014, de la loi du 21 novembre 2017 et de la loi du 20 juillet 2022,
  et ce dans la mesure où ils ne sont pas exemptés de l'application de ces dispositions conformément à l'article 4, paragraphes 2, 3 et 4, l'article 5, paragraphes 2 à 10 et l'article 6, paragraphe 2, alinéa 2, du Règlement 2022/858.
  § 3. Sans préjudice des compétences de la FSMA visée au paragraphe 2, la Banque surveille les entreprises d'investissement et les opérateurs de marché exploitant un système de négociation et de règlement DLT, établis en Belgique, sous l'angle du respect des exigences établies par le Règlement 909/2014 et par la loi du 20 juillet 2022, et en vertu de la loi du 22 février 1998 pour le règlement des instruments financiers et en matière d'organisation, de fonctionnement, de situation financière, de contrôle interne et de gestion des risques concernant les activités de règlement, ainsi que sous l'angle du respect des règles destinées à assurer la stabilité financière.
  Sous cet angle, la Banque s'assure du respect par les entreprises d'investissement et les opérateurs de marché exploitant un système de négociation et de règlement DLT, des articles 3 et 7 du Règlement 2022/858 et des dispositions du Règlement 909/2014 à l'exception des articles 9, 16, 17, 18, 20, 26, 27, 28, 31, 42, 43, 44, 46 et 47, dans la mesure où ils ne sont pas exemptés de l'application de ces dispositions conformément à l'article 4, paragraphes 2, 3 et 4, l'article 5, paragraphes 2 à 10 et l'article 6, paragraphe 1er, alinéa 2, du Règlement 2022/858.
Art. 108. § 1. De FSMA is bevoegd om, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd in deze afdeling, de aanvragen te ontvangen die door een beleggingsonderneming of marktexploitant of een rechtspersoon die tegelijk een vergunning aanvraagt als beleggingsonderneming of als marktexploitant, worden ingediend overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening 2022/858 om een DLT-handels- en afwikkelingssysteem te exploiteren, evenals om te oordelen over dergelijke aanvragen en om te beslissen of zij de specifieke toestemming verleent overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Verordening 2022/858.
  Wanneer zij een dergelijke aanvraag ontvangt, wint de FSMA het advies van de Bank in alvorens de aanvraag te beoordelen en te beslissen of zij de specifieke toestemming verleent.
  De toestemmingsaanvraag kan vergezeld gaan van een vrijstellingsaanvraag als bedoeld in artikel 6 van Verordening 2022/858, in welk geval beide aanvragen gelijktijdig behandeld worden.
  § 2. Zodra zij deze ontvangen heeft, stelt de FSMA de informatie bedoeld in artikel 10, lid 4 en lid 5, alinea 1, van Verordening 2022/858 die betrekking heeft op de naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 107, § 3, tweede lid, evenals alle wijzigingen daarvan, ter beschikking van de Bank om haar in staat te stellen haar bevoegdheden uit te oefenen.
  Van zodra zij deze ontvangt, maakt de FSMA aan de Bank eveneens het advies van de ESMA over indien dergelijk advies verstrekt wordt overeenkomstig artikel 10, lid 8, eerste alinea, van Verordening 2022/858, evenals het advies dat de relevante autoriteiten bedoeld in artikel 12 van Verordening 909/2014 overmaken overeenkomstig artikel 10, lid 8, alinea 4, van Verordening 2022/858.
  § 3. Op eensluidend advies van de Bank beoordeelt de FSMA de volledigheid van de specifieke toestemmingsaanvraag overeenkomstig artikel 10, lid 7, van Verordening 2022/858.
  Vanaf de beslissing van de FSMA over de volledigheid van de specifieke toestemmingsaanvraag, beschikt de Bank over een termijn van 60 dagen om haar advies te verstrekken. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies.
  Het advies van de Bank heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 107, § 3. De Bank vermeldt in haar advies in het bijzonder of zij, vanuit het oogpunt van haar bevoegdheden, van oordeel is dat er redenen bestaan om de specifieke toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 10, lid 10, van Verordening 2022/858.
  Indien de Bank van oordeel is dat, om redenen die verband houden met de uitoefening van haar bevoegdheden zoals bepaald in artikel 107, § 3, de specifieke toestemming bedoeld in artikel 10, lid 1, van Verordening 2022/858 niet kan verleend worden, is het advies van de Bank bindend voor de FSMA. Indien de FSMA in de andere gevallen geen rekening houdt met het advies van de Bank, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslissing over de toestemmingsaanvraag. Het advies van de Bank wordt bij de kennisgeving van de beslissing over de toestemmingsaanvraag gevoegd.
Art. 108. § 1er. Selon les conditions et modalités décrites dans la présente section, la FSMA est compétente pour recevoir les demandes d'autorisation spécifique pour exploiter un système de négociation et de règlement DLT introduites par une entreprise d'investissement ou un opérateur de marché ou par une personne morale qui demande simultanément un agrément en cette qualité, conformément à l'article 10, paragraphe 1er, du Règlement 2022/858, ainsi que pour évaluer de telles demandes et décider si elle accorde l'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 9, du Règlement 2022/858.
  Lorsqu'elle est saisie d'une telle demande d'autorisation spécifique, la FSMA recueille l'avis de la Banque avant de procéder à l'évaluation de la demande et de décider si elle accorde l'autorisation spécifique.
  La demande d'autorisation peut être accompagnée d'une demande d'exemption visée à l'article 6 du Règlement 2022/858, auquel cas les deux demandes sont traitées simultanément.
  § 2. Dès leur réception, la FSMA met à la disposition de la Banque les informations visées à l'article 10, paragraphe 4 et paragraphe 5, alinéa 1er, du Règlement 2022/858, liées au respect des dispositions visées à l'article 107, § 3, alinéa 2, de manière à lui permettre d'exercer ses compétences, ainsi que toutes modifications apportées à ces informations.
  La FSMA transmet également à la Banque, dès réception, l'avis de l'ESMA, si un tel avis est rendu conformément à l'article 10, paragraphe 8, alinéa 1er, du Règlement 2022/858, ainsi que l'avis transmis par les autorités concernées mentionnées à l'article 12 du Règlement 909/2014 conformément à l'article 10, paragraphe 8, alinéa 4, du Règlement 2022/858.
  § 3. La FSMA se prononce sur le caractère complet de la demande d'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 7, du Règlement 2022/858, sur avis conforme de la Banque.
  A dater de la décision de la FSMA sur le caractère complet de la demande d'autorisation spécifique, la Banque dispose d'un délai de 60 jours pour rendre son avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif.
  L'avis de la Banque porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que définies à l'article 107, § 3. La Banque mentionne notamment dans son avis si elle estime, sous l'angle de ses compétences, qu'il existe des raisons de refuser d'accorder l'autorisation spécifique conformément à l'article 10, paragraphe 10, du Règlement 2022/858.
  Si la Banque estime, pour des raisons liées à l'exercice de ses compétences définies à l'article 107, § 3, que l'autorisation spécifique visée à l'article 10, paragraphe 1, du Règlement 2022/858 ne peut être accordée, la FSMA est liée par l'avis de la Banque. Dans les autres cas, si la FSMA ne tient pas compte de l'avis de la Banque, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d'autorisation. L'avis de la Banque est joint à la notification de la décision relative à la demande d'autorisation.
Art. 109. § 1. De FSMA is bevoegd om, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels van dit artikel, de vrijstellingsaanvragen te ontvangen bedoeld in artikel 6, lid 1, alinea 2, van Verordening 2022/858 en om te beslissen over de toekenning van die vrijstellingen.
  § 2. De FSMA wint het advies van de Bank in volgens de procedure en de nadere regels van artikel 108, telkens wanneer zij een vrijstellingsaanvraag ontvangt die betrekking heeft op:
  1° artikel 5, lid 5, van Verordening 2022/858;
  2° een bepaling van Verordening 909/2014.
  Het advies van de Bank heeft betrekking op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd is zoals bepaald in artikel 107, § 3, en meer in het bijzonder op het volgende:
  1° de naleving van artikel 7 van Verordening 2022/858;
  2° in voorkomend geval, de naleving van de voorwaarden vermeld in artikel 5, leden 2 tot 10 van Verordening 2022/858;
  3° de compenserende maatregelen die de Bank eventueel passend acht om de doelstellingen te verwezenlijken van de bepalingen waarvan een vrijstelling is gevraagd, of om de financiële stabiliteit te waarborgen overeenkomstig artikel 6, lid 1, alinea 2, c), van Verordening 2022/858.
  Indien de Bank van oordeel is dat, om redenen die verband houden met de uitoefening van haar bevoegdheden zoals bepaald in artikel 107, § 3, de vrijstelling bedoeld in artikel 6, lid 1, alinea 2, van Verordening 2022/858 niet kan verleend worden, is het advies van de Bank bindend voor de FSMA. Indien de FSMA in de andere gevallen geen rekening houdt met het advies van de Bank, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslissing over de vrijstellingsaanvraag. Het advies van de Bank wordt bij de kennisgeving van de beslissing over de vrijstellingsaanvraag gevoegd.
  § 3. De FSMA wint eveneens het advies van de Bank in wanneer een wijziging moet aangebracht worden in één of meer bestaande vrijstellingen of in de voorwaarden of compenserende maatregelen die eventueel verbonden zijn aan een vrijstelling.
Art. 109. § 1er. Selon les conditions et modalités définies au présent article, la FSMA est compétente pour recevoir les demandes d'exemptions visées à l'article 6, paragraphe 1er, alinéa 2, du Règlement 2022/858 et pour décider de l'octroi de telles exemptions.
  § 2. La FSMA recueille l'avis de la Banque, selon la procédure et les modalités définies à l'article 108, chaque fois qu'elle est saisie d'une demande d'exemption portant sur :
  1° l'article 5, paragraphe 5, du Règlement 2022/858 ;
  2° une disposition du Règlement 909/2014.
  L'avis de la Banque porte sur les aspects relevant de ses compétences telles que définies à l'article 107, § 3, et notamment sur les aspects suivants :
  1° le respect de l'article 7 du Règlement 2022/858 ;
  2° le cas échéant, le respect des conditions énoncées à l'article 5, paragraphes 2 à 10 du Règlement 2022/858 ;
  3° les mesures compensatoires éventuelles que la Banque considère appropriées pour répondre aux objectifs des dispositions pour lesquelles une exemption a été demandée, ou pour garantir la stabilité financière, conformément à l'article 6, paragraphe 1, alinéa 2, c), du Règlement 2022/858.
  Si la Banque estime, pour des raisons liées à l'exercice de ses compétences définies à l'article 107, § 3, que l'exemption visée à l'article 6, paragraphe 1, alinéa 2, du Règlement 2022/858 ne peut pas être accordée, la FSMA est liée par l'avis de la Banque. Dans les autres cas, si la FSMA ne tient pas compte de l'avis de la Banque, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d'exemption. L'avis de la Banque est joint à la notification de la décision relative à la demande d'exemption.
  § 3. La FSMA recueille également l'avis de la Banque lorsqu'une modification doit être apportée à une ou plusieurs exemptions existantes ou à des conditions ou mesures compensatoires éventuelles dont est assortie une exemption.
Art. 110. De FSMA wint het advies van de Bank in, volgens de in artikel 108 vastgelegde procedure en nadere regels:
  1° wanneer zij de intentie heeft om overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Verordening 2022/858 lagere grenswaarden vast te stellen dan deze vermeld in de leden 1 en 2 van datzelfde artikel;
  2° wanneer zij de intentie heeft om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 10, lid 12, van Verordening 2022/858.
Art. 110. La FSMA recueille l'avis de la Banque, selon la procédure et les modalités définies à l'article 108:
  1° lorsqu'elle envisage de fixer des seuils inférieurs aux valeurs énoncées à l'article 3, paragraphes 1er et 2 du Règlement 2022/858, conformément au paragraphe 6 de ce même article ;
  2° lorsqu'elle a l'intention de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 10, paragraphe 12, du Règlement 2022/858.
Art. 111. Onverminderd artikel 109, kan de Bank aan de FSMA vragen om een specifieke toestemming of één of meer eventueel in verband daarmee verleende vrijstellingen in te trekken overeenkomstig artikel 10, lid 12, van Verordening 2022/858, om redenen die raken aan de uitoefening van haar bevoegdheden bedoeld in artikel 107, § 3. Als de FSMA geen gevolg geeft aan de vraag van de Bank, vermeldt zij de redenen daarvan aan deze laatste. Wanneer de vraag van de Bank verband houdt met de vereisten van Verordening 909/2014, kan de FSMA zich niet verzetten tegen de vraag van de Bank.
Art. 111. Sans préjudice de l'article 109, la Banque peut demander à la FSMA, pour des raisons liées à l'exercice de ses compétences définies à l'article 107, § 3, de retirer une autorisation spécifique ou une ou plusieurs exemptions éventuelles y afférentes conformément à l'article 10, paragraphe 12, du Règlement 2022/858. Si la FSMA ne donne pas suite à la demande de la Banque, elle en mentionne les raisons à cette dernière. Lorsque la demande de la Banque est liée aux exigences du Règlement 909/2014, la FSMA ne peut s'opposer à la demande de la Banque.
Afdeling 6. - Toezicht en sancties
Section 6. - Supervision et sanctions
Art. 112. § 1. Overeenkomstig artikel 37nonies van de wet van 2 augustus 2002 houdt de FSMA toezicht op de naleving van de bepalingen waarvoor zij overeenkomstig de artikelen 96, 97, § 2, 102, § 3 et 107, § 2 bevoegd is.
Art. 112. § 1er. Conformément à l'article 37nonies de la loi du 2 août 2002, la FSMA supervise le respect des dispositions pour lesquelles elle est compétente en vertu des articles 96, 97, § 2, 102, § 3 et 107, § 2.
Art. 113. § 1. De Bank houdt toezicht op de naleving van de bepalingen waarvoor zij overeenkomstig de artikelen 97, § 1, 102, § 2, en 107, § 3 bevoegd is. Daartoe kan de Bank de bevoegdheden uitoefenen als bedoeld in artikel 36/29 van de wet van 22 februari 1998.
  § 2. De bepalingen van artikel 36/30 en 36/30/1 van de wet van 22 februari 1998 zijn van toepassing in geval van niet-naleving van de verplichtingen en verboden die voortvloeien uit Verordening 2022/858, van de bepalingen genomen op basis of in uitvoering daarvan en in geval van inbreuk op de door de Bank krachtens die verordening genomen maatregelen.
Art. 113. § 1er. La Banque supervise le respect des dispositions pour lesquelles elle est compétente en vertu des articles 97, § 1er, 102, § 2, et 107, § 3. A cette fin, la Banque peut exercer les pouvoirs visés à l'article 36/29 de la loi du 22 février 1998.
  § 2. Les dispositions des articles 36/30 et 36/30/1 de la loi du 22 février 1998 sont applicables, en cas de non-respect des obligations et interdictions qui découlent du Règlement 2022/858, des dispositions prises sur la base ou en exécution de celui-ci, ainsi qu'en cas d'infraction aux mesures prises par la Banque en vertu de ce règlement.
Afdeling 7. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Section 7. - Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Art. 114. In artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1° worden de woorden "elk instrument dat tot één van de volgende categorieën behoort" vervangen door de woorden "elke instrument dat tot één van de volgende categorieën behoort, met inbegrip van dergelijke instrumenten die worden uitgegeven door middel van distributed ledger-technologie in de zin van artikel 2, 1), van Verordening 2022/858";
  2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 84°, luidende:
  "84° Verordening (EU) 2022/858": Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 909/2014 en Richtlijn 2014/65/EU;".
Art. 114. A l'article 2 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié pour la dernière fois par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 1°, les mots "tout instrument appartenant à l'une des catégories suivantes" sont remplacés par les mots "tout instrument appartenant à l'une des catégories suivantes, y compris lorsque de tels instruments sont émis au moyen de la technologie des registres distribués au sens de l'article 2, 1), du Règlement (UE) 2022/858" ;
  2° l'article est complété par un 84°, rédigé comme suit :
  "84° "Règlement (UE) 2022/858": le Règlement (UE) 2022/858 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 sur un régime pilote pour les infrastructures de marché reposant sur la technologie des registres distribués, et modifiant les règlements (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 909/2014 et la directive 2014/65/UE ;".
Art. 115. In hoofdstuk II, afdeling 8, van dezelfde wet wordt een artikel 37decies ingevoegd, luidende:
  "Art. 37decies. § 1. De FSMA oefent de taken uit die de Verordening 2022/858 aan de bevoegde autoriteit toevertrouwt, in de mate en volgens de bepalingen van de artikelen 96 tot 113 van de wet van ... houdende diverse financiële bepalingen.
  In die hoedanigheid ziet zij toe op de naleving van de Verordening 2022/858 en van de op grond van of krachtens die Verordening vastgestelde bepalingen.
  § 2. Voor de uitoefening van deze opdrachten kan de FSMA:
  1° de in de artikelen 34 en 35 bedoelde bevoegdheden uitoefenen;
  2° de in de artikelen 79 tot 85bis bedoelde bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de in die artikelen voorziene modaliteiten.
  De artikelen 36, 36bis en 37 zijn van toepassing bij inbreuken op de bepalingen van Verordening 2022/858, op de bepalingen die op grond van of krachtens die Verordening zijn vastgesteld, of op de maatregelen die de FSMA krachtens die Verordening of de uitvoeringsbepalingen ervan heeft genomen.".
Art. 115. Dans le chapitre II, section 8, de la même loi, il est inséré un article 37decies, rédigé comme suit :
  "Art. 37decies. § 1er. La FSMA assume les missions dévolues à l'autorité compétente par le règlement 2022/858, dans la mesure et selon les dispositions des articles 96 à 113 de la loi du ... portant des dispositions financières diverses.
  En cette qualité, elle veille au respect des dispositions du règlement 2022/858 et des dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement.
  § 2. Aux fins de s'acquitter de ces missions, la FSMA peut :
  1° exercer les pouvoirs visés aux articles 34 et 35 ;
  2° exercer les pouvoirs visés aux articles 79 à 85bis selon les modalités prévues par ces articles.
  Les articles 36, 36bis et 37 sont applicables en cas d'infraction aux dispositions du règlement 2022/858, aux dispositions prises sur la base ou en exécution de celui-ci ou aux mesures prises par la FSMA en vertu de ce règlement ou de ses dispositions d'exécution."
TITEL 3. - Inwerkingtreding
TITRE 3. - Entrée en vigueur
Art. 116. Artikel 32 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het gehele hoofdstuk 11 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, zoals bepaald in artikel 219 van deze wet.
Art. 116. L'article 32 entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur de l'ensemble du chapitre 11 de la loi du 26 janvier 2021 sur la dématérialisation des relations entre le Service public fédéral Finances, les citoyens, personnes morales et certains tiers, et modifiant différents codes fiscaux et lois fiscales, déterminée conformément à l'article 219 de cette loi.
Art. 117. Artikelen 4, § 2, vierde lid, en § 3, derde lid, en 5, § 2, tweede lid, van de wet van 22 april 2019 tot invoering van een bankierseed en een tuchtregeling voor de banksector, vervangen bij artikelen 68 en 70, treden in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de FSMA of op eigen initiatief, op advies van de FSMA, de inwerkingtreding van elke andere bepaling van Hoofdstuk 14.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de FSMA of op eigen initiatief, op advies van de FSMA, de datum van inwerkingtreding van de in het tweede lid bedoelde bepalingen van Hoofdstuk 14 bepalen in functie van de categorieën van geviseerde entiteiten en/of de categorieën van bankdienstverleners als bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 22 april 2019 tot invoering van een bankierseed en een tuchtregeling voor de banksector.
Art. 117. Les articles 4, § 2, alinéa 4 et § 3, alinéa 3, et 5, § 2, alinéa 2 de la loi du 22 avril 2019 visant à instaurer un serment et un régime disciplinaire bancaires, remplacé par les articles 68 et 70, entrent en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge de la présente loi.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition de la FSMA ou, d'initiative, sur avis de celle-ci, l'entrée en vigueur de chacune des autres dispositions du Chapitre 14.
  Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition de la FSMA ou, d'initiative, sur avis de celle-ci, la date d'entrée en vigueur des dispositions du Chapitre 14 visées à l'alinéa 2 en fonction des catégories d'entités visées et/ou des catégories de prestataires de services bancaires visées à l'article 4, § 1er, alinéa 1er de la loi du 22 avril 2019 visant à instaurer un serment et un régime disciplinaire bancaires.