Artikel 1. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijkbesturen, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 januari 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende:
"1° /1 mandaathouder: de ambtenaar die een management- of een staffunctie uitoefent in het kader van een mandaat van bepaalde duur in een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen, of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;";
b) paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende:
"8° voltijdse vierdaagse werkweek: de arbeidsregeling zoals bepaald in artikel 6bis;
9° wisselend weekregime: de arbeidsregeling zoals bepaald in artikel 6ter.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 DECEMBER 2023. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de voltijdse vierdaagse werkweek en het wisselende weekregime
Titre
21 DECEMBRE 2023. - Arrêté royal modifiant diverses dispositions relatives à la semaine de travail de quatre jours à temps plein et au régime hebdomadaire alterné
Documentinformatie
Numac: 2023048520
Datum: 2023-12-21
Info du document
Numac: 2023048520
Date: 2023-12-21
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1er. A l'article 2 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 31 janvier 2009, les modifications suivantes sont apportées :
a) au paragraphe 1er, la disposition du 1° /1 est insérée. Elle est rédigée comme suit :
" 1° /1 mandataire : l'agent qui exerce une fonction de management ou une fonction d'encadrement dans le cadre d'un mandat à durée déterminée dans un service public fédéral, un service public fédéral de programmation, le Ministère de la Défense ainsi que les services qui en dépendent, ou une des personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ; " ;
b) le paragraphe 1er est complété par les 8° et 9°, rédigés comme suit :
" 8° semaine de travail de quatre jours à temps plein : le régime de travail tel que visé à l'article 6bis ;
9° régime hebdomadaire alterné : le régime de travail tel que visé à l'article 6ter. ".
a) au paragraphe 1er, la disposition du 1° /1 est insérée. Elle est rédigée comme suit :
" 1° /1 mandataire : l'agent qui exerce une fonction de management ou une fonction d'encadrement dans le cadre d'un mandat à durée déterminée dans un service public fédéral, un service public fédéral de programmation, le Ministère de la Défense ainsi que les services qui en dépendent, ou une des personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ; " ;
b) le paragraphe 1er est complété par les 8° et 9°, rédigés comme suit :
" 8° semaine de travail de quatre jours à temps plein : le régime de travail tel que visé à l'article 6bis ;
9° régime hebdomadaire alterné : le régime de travail tel que visé à l'article 6ter. ".
Art.2. Artikel 6 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt:
"art.6.- § 1.- De gemiddelde maximum arbeidsduur mag per week 38 uur niet overschrijden.
Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
§ 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal beslist over de invoering van een glijdend uurrooster of een vast uurrooster gespreid over vijf dagen.
Voor het glijdend uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ten minste het begin en einde van de periode waarbinnen de ambtenaar kan kiezen om zijn prestaties te verrichten.
Voor het vast uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal het begin en het einde van elke werkdag en het ritme van de werkdagen.
Deze paragraaf is niet van toepassing op ambtenaren en op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen die werken in opeenvolgende ploegen.
§ 3.- Het directiecomité kan de beslissing nemen tot invoering van de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties op verzoek van de ambtenaar, worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of van het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter.
De beslissing om effectief beroep te doen op de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal."
"art.6.- § 1.- De gemiddelde maximum arbeidsduur mag per week 38 uur niet overschrijden.
Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
§ 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal beslist over de invoering van een glijdend uurrooster of een vast uurrooster gespreid over vijf dagen.
Voor het glijdend uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ten minste het begin en einde van de periode waarbinnen de ambtenaar kan kiezen om zijn prestaties te verrichten.
Voor het vast uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal het begin en het einde van elke werkdag en het ritme van de werkdagen.
Deze paragraaf is niet van toepassing op ambtenaren en op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen die werken in opeenvolgende ploegen.
§ 3.- Het directiecomité kan de beslissing nemen tot invoering van de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties op verzoek van de ambtenaar, worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of van het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter.
De beslissing om effectief beroep te doen op de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal."
Art.2. L'article 6 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" art. 6.- § 1er.- La moyenne du temps de travail maximum ne peut dépasser 38 heures par semaine.
Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.
§ 2.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général décide de l'instauration d'un horaire flottant ou d'un horaire fixe réparti sur cinq jours.
Pour l'horaire flottant, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum le début et la fin de la période au cours de laquelle l'agent peut choisir d'effectuer ses prestations.
Pour l'horaire fixe, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin de chaque jour ouvrable et le rythme des jours ouvrables.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux agents et au personnel engagé par contrat de travail qui travaillent en équipes successives.
§ 3.- Le comité de direction peut décider d'instaurer le régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours à la demande de l'agent, en application de l'article 6bis et/ou le régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter.
La décision de recourir effectivement au régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours en application de l'article 6bis et/ou au régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter est prise par le président du comité de direction ou le secrétaire général. "
" art. 6.- § 1er.- La moyenne du temps de travail maximum ne peut dépasser 38 heures par semaine.
Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.
§ 2.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général décide de l'instauration d'un horaire flottant ou d'un horaire fixe réparti sur cinq jours.
Pour l'horaire flottant, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum le début et la fin de la période au cours de laquelle l'agent peut choisir d'effectuer ses prestations.
Pour l'horaire fixe, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin de chaque jour ouvrable et le rythme des jours ouvrables.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux agents et au personnel engagé par contrat de travail qui travaillent en équipes successives.
§ 3.- Le comité de direction peut décider d'instaurer le régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours à la demande de l'agent, en application de l'article 6bis et/ou le régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter.
La décision de recourir effectivement au régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours en application de l'article 6bis et/ou au régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter est prise par le président du comité de direction ou le secrétaire général. "
Art.3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidende:
"Art. 6bis.- § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de "voltijdse vierdaagse werkweek" de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verricht over vier dagen en waarbij de dagelijkse grens van de arbeidsduur van een ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is op 9 en een half uur wordt vastgesteld.
Indien de normale voltijdse arbeidsprestaties georganiseerd zijn op een manier waarbij de effectieve wekelijkse arbeidsduur 38 uren te boven gaat met een maximum van 40 uren, kan de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal toestaan dat voormelde dagelijkse grens gebracht wordt op een aantal uren gelijk aan de effectieve wekelijkse arbeidsduur gedeeld door vier voor de ambtenaar die zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week.
§ 2.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens de voltijdse vierdaagse werkweek dient een voorafgaandelijk schriftelijk verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot de dagen waarop hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en van maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
§ 3.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt de aanvang en het einde van de werkdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden en de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid die tijdens de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, van toepassing zijn. Hij vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, wordt toegepast zonder de maximale duur van zes maanden bedoeld in paragraaf 2 te overschrijden.
De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek, bedoeld in paragraaf 2, moet deze weigering binnen de maand volgend schriftelijk motiveren en aan de ambtenaar bezorgen.
§ 4.- De ambtenaar heeft het recht om de voltijds vierdaagse werkweek vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe werkweek op de hoogte brengt en mits hij minstens drie maanden gewerkt heeft volgens de voltijdse vierdaagse werkweek.
De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan de voltijds vierdaagse werkweek.
§ 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week kan geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop de normale voltijdse arbeidsprestaties zoals bedoeld in paragraaf 1.
§ 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders."
"Art. 6bis.- § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de "voltijdse vierdaagse werkweek" de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verricht over vier dagen en waarbij de dagelijkse grens van de arbeidsduur van een ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is op 9 en een half uur wordt vastgesteld.
Indien de normale voltijdse arbeidsprestaties georganiseerd zijn op een manier waarbij de effectieve wekelijkse arbeidsduur 38 uren te boven gaat met een maximum van 40 uren, kan de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal toestaan dat voormelde dagelijkse grens gebracht wordt op een aantal uren gelijk aan de effectieve wekelijkse arbeidsduur gedeeld door vier voor de ambtenaar die zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week.
§ 2.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens de voltijdse vierdaagse werkweek dient een voorafgaandelijk schriftelijk verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot de dagen waarop hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en van maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
§ 3.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt de aanvang en het einde van de werkdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden en de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid die tijdens de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, van toepassing zijn. Hij vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, wordt toegepast zonder de maximale duur van zes maanden bedoeld in paragraaf 2 te overschrijden.
De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek, bedoeld in paragraaf 2, moet deze weigering binnen de maand volgend schriftelijk motiveren en aan de ambtenaar bezorgen.
§ 4.- De ambtenaar heeft het recht om de voltijds vierdaagse werkweek vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe werkweek op de hoogte brengt en mits hij minstens drie maanden gewerkt heeft volgens de voltijdse vierdaagse werkweek.
De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan de voltijds vierdaagse werkweek.
§ 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week kan geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop de normale voltijdse arbeidsprestaties zoals bedoeld in paragraaf 1.
§ 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders."
Art.3. Dans le même arrêté, il est inséré un article 6bis rédigé comme suit :
" Art. 6bis.- § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par " semaine de travail de quatre jours à temps plein " le régime de travail prévoyant des prestations normales effectuées sur quatre jours et dans le cadre duquel la limite quotidienne de la durée de travail d'un agent employé à temps plein est fixée à 9 heures et demie.
Si les prestations normales à temps plein sont organisées de manière à ce que la durée hebdomadaire effective du travail dépasse 38 heures avec un maximum de 40 heures, le président du comité de direction ou le secrétaire général peut autoriser que la limite quotidienne susmentionnée soit portée à un nombre d'heures égal à la durée hebdomadaire effective du travail divisée par quatre pour l'agent qui effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine.
§ 2.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
La demande précise les souhaits de l'agent concernant les jours où il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, à chaque fois renouvelable.
Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
§ 3.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin du jour ouvrable, le moment et la durée des intervalles de repos et les jours d'interruption régulière du travail qui sont applicables pendant le régime de travail visé par le présent article. Il mentionne également les dates de début et de fin de la période durant laquelle le régime de travail visé par le présent article est applicable, sans dépasser la période maximale de six mois visée au paragraphe 2.
Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande visée au paragraphe 2, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
§ 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein afin de revenir à son régime de travail initial, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'une nouvelle semaine de travail et à condition qu'il ait travaillé selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein pendant au moins trois mois.
Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein.
§ 5.- L'agent qui, en application du présent article, effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine ne peut effectuer des heures supplémentaires. Pour l'application du présent article, il convient d'entendre par heures supplémentaires tout travail en sus des prestations de travail normales à temps plein telles que visées au paragraphe 1er.
§ 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires. "
" Art. 6bis.- § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par " semaine de travail de quatre jours à temps plein " le régime de travail prévoyant des prestations normales effectuées sur quatre jours et dans le cadre duquel la limite quotidienne de la durée de travail d'un agent employé à temps plein est fixée à 9 heures et demie.
Si les prestations normales à temps plein sont organisées de manière à ce que la durée hebdomadaire effective du travail dépasse 38 heures avec un maximum de 40 heures, le président du comité de direction ou le secrétaire général peut autoriser que la limite quotidienne susmentionnée soit portée à un nombre d'heures égal à la durée hebdomadaire effective du travail divisée par quatre pour l'agent qui effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine.
§ 2.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
La demande précise les souhaits de l'agent concernant les jours où il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, à chaque fois renouvelable.
Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
§ 3.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin du jour ouvrable, le moment et la durée des intervalles de repos et les jours d'interruption régulière du travail qui sont applicables pendant le régime de travail visé par le présent article. Il mentionne également les dates de début et de fin de la période durant laquelle le régime de travail visé par le présent article est applicable, sans dépasser la période maximale de six mois visée au paragraphe 2.
Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande visée au paragraphe 2, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
§ 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein afin de revenir à son régime de travail initial, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'une nouvelle semaine de travail et à condition qu'il ait travaillé selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein pendant au moins trois mois.
Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein.
§ 5.- L'agent qui, en application du présent article, effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine ne peut effectuer des heures supplémentaires. Pour l'application du présent article, il convient d'entendre par heures supplémentaires tout travail en sus des prestations de travail normales à temps plein telles que visées au paragraphe 1er.
§ 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires. "
Art.4. In hetzelfde besluit wordt een artikel 6ter ingevoegd, luidende:
"Art. 6ter.- § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° wisselend weekregime: een arbeidsregeling georganiseerd volgens een cyclus die is gespreid over een periode van twee opeenvolgende weken waarbij de prestaties in de eerste week worden gecompenseerd door de prestaties in de tweede week, teneinde de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld na te leven. In afwijking hierop kan tijdens het 3de trimester een cyclus zich spreiden over een periode van vier opeenvolgende weken tijdens dewelke de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd;
2° cyclus: de opeenvolging van dagelijkse werkroosters in een vaste volgorde waarvan de prestaties zich situeren binnen het kader dat voor de toepassing van het wisselend weekregime is vastgesteld door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal;
3° week: een periode van zeven opeenvolgende dagen, die zich niet noodzakelijk uitstrekt van maandag tot en met zondag.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, en ten gevolge van een onvoorziene gebeurtenis in hoofde van de ambtenaar, kunnen de partijen overeenkomen dat de cyclus zich uitstrekt over een periode van vier opeenvolgende weken. In dergelijk geval zal de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld nageleefd moeten worden tijdens deze cyclus van vier weken. Deze afwijking dient het voorwerp uit te maken van een geschreven en gemotiveerd verzoek vanwege de ambtenaar waarin de onvoorzienbare gebeurtenis in diens hoofde opgenomen is. De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal kan de aanvraag goedkeuren of weigeren. Als de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal akkoord gaat om de arbeidsregeling aan te passen dan bepaalt hij of de overeengekomen cyclus wordt gespreid over een periode van vier opeenvolgende weken, alsook de periode gedurende welke deze cyclus van toepassing is.
§ 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt bij de invoering van het wisselend weekregime minstens het volgende:
1° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die moet worden nageleefd binnen de cyclus;
2° de dagen van de week waarop arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
3° het dagelijks tijdvak waarbinnen arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
4° de minimale en maximale dagelijkse arbeidsduur, zonder dat de dagelijkse arbeidsduur negen uren mag overschrijden;
5° de minimale en maximale wekelijkse arbeidsduur, zonder dat de arbeidsduur per week vijfenveertig uren mag overschrijden.
§ 3.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens een wisselend weekregime dient een voorafgaandelijk schriftelijke verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot het wisselend weekregime dat hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
Indien de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ingaat op het verzoek van de ambtenaar, bepaalt hij de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke het wisselend weekregime wordt toegepast, zonder de maximale duur van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, te overschrijden.
Bij toepassing van een wisselend weekregime moet bovendien op elk tijdstip kunnen worden vastgesteld wanneer de cyclus begint.
De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek van de ambtenaar, bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, moet deze weigering schriftelijk motiveren en binnen de maand aan de ambtenaar bezorgen.
§ 4.- De ambtenaar heeft het recht om het wisselend weekregime vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe cyclus op de hoogte brengt.
De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan het wisselend weekregime.
§ 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel werkt volgens een wisselend weekregime kan enkel overuren verrichten in de weken waarin een overschrijding van de normale wekelijkse arbeidsduur is voorzien in toepassing van dit artikel.
§ 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders."
"Art. 6ter.- § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° wisselend weekregime: een arbeidsregeling georganiseerd volgens een cyclus die is gespreid over een periode van twee opeenvolgende weken waarbij de prestaties in de eerste week worden gecompenseerd door de prestaties in de tweede week, teneinde de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld na te leven. In afwijking hierop kan tijdens het 3de trimester een cyclus zich spreiden over een periode van vier opeenvolgende weken tijdens dewelke de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd;
2° cyclus: de opeenvolging van dagelijkse werkroosters in een vaste volgorde waarvan de prestaties zich situeren binnen het kader dat voor de toepassing van het wisselend weekregime is vastgesteld door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal;
3° week: een periode van zeven opeenvolgende dagen, die zich niet noodzakelijk uitstrekt van maandag tot en met zondag.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, en ten gevolge van een onvoorziene gebeurtenis in hoofde van de ambtenaar, kunnen de partijen overeenkomen dat de cyclus zich uitstrekt over een periode van vier opeenvolgende weken. In dergelijk geval zal de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld nageleefd moeten worden tijdens deze cyclus van vier weken. Deze afwijking dient het voorwerp uit te maken van een geschreven en gemotiveerd verzoek vanwege de ambtenaar waarin de onvoorzienbare gebeurtenis in diens hoofde opgenomen is. De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal kan de aanvraag goedkeuren of weigeren. Als de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal akkoord gaat om de arbeidsregeling aan te passen dan bepaalt hij of de overeengekomen cyclus wordt gespreid over een periode van vier opeenvolgende weken, alsook de periode gedurende welke deze cyclus van toepassing is.
§ 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt bij de invoering van het wisselend weekregime minstens het volgende:
1° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die moet worden nageleefd binnen de cyclus;
2° de dagen van de week waarop arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
3° het dagelijks tijdvak waarbinnen arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
4° de minimale en maximale dagelijkse arbeidsduur, zonder dat de dagelijkse arbeidsduur negen uren mag overschrijden;
5° de minimale en maximale wekelijkse arbeidsduur, zonder dat de arbeidsduur per week vijfenveertig uren mag overschrijden.
§ 3.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens een wisselend weekregime dient een voorafgaandelijk schriftelijke verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot het wisselend weekregime dat hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
Indien de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ingaat op het verzoek van de ambtenaar, bepaalt hij de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke het wisselend weekregime wordt toegepast, zonder de maximale duur van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, te overschrijden.
Bij toepassing van een wisselend weekregime moet bovendien op elk tijdstip kunnen worden vastgesteld wanneer de cyclus begint.
De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek van de ambtenaar, bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, moet deze weigering schriftelijk motiveren en binnen de maand aan de ambtenaar bezorgen.
§ 4.- De ambtenaar heeft het recht om het wisselend weekregime vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe cyclus op de hoogte brengt.
De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan het wisselend weekregime.
§ 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel werkt volgens een wisselend weekregime kan enkel overuren verrichten in de weken waarin een overschrijding van de normale wekelijkse arbeidsduur is voorzien in toepassing van dit artikel.
§ 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders."
Art.4. Dans le même arrêté, il est inséré un article 6ter rédigé comme suit :
" Art. 6ter.- § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par :
1° régime hebdomadaire alterné : un régime de travail organisé selon un cycle qui s'étend sur une période de deux semaines consécutives pendant laquelle les prestations de la première semaine sont compensées par les prestations de la seconde semaine, afin de respecter en moyenne la durée hebdomadaire normale de travail. Par dérogation, pendant le 3ème trimestre de l'année, le cycle peut s'étendre sur une période de quatre semaines consécutives pendant laquelle la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne ;
2° cycle : la succession d'horaires journaliers de travail dans un ordre fixe déterminé dont les prestations s'inscrivent dans le cadre fixé par le président du comité de direction ou le secrétaire général pour l'application du régime hebdomadaire alterné ;
3° semaine : une période de sept jours consécutifs, qui ne va pas nécessairement du lundi au dimanche inclus.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, et suite à un évènement imprévu dans le chef de l'agent, les parties peuvent convenir que le cycle s'étendra sur une période de quatre semaines consécutives. Dans ce cas, la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne endéans ce cycle de quatre semaines. Cette dérogation doit faire l'objet d'une demande écrite et motivée de l'agent qui indique l'évènement imprévu dans son chef. Le président du comité de direction ou le secrétaire général peut approuver ou rejeter la demande. Si le président du comité de direction ou le secrétaire général est d'accord d'adapter le régime de travail, il détermine si le cycle convenu est étalé sur une période de quatre semaines consécutives, ainsi que la période pendant laquelle ce cycle s'applique.
§ 2.- Au moment de l'instauration du régime hebdomadaire alterné, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum les éléments suivants :
1° la durée hebdomadaire moyenne de travail à respecter dans le cycle ;
2° les jours de la semaine pendant lesquels des prestations de travail peuvent être fixées ;
3° la plage journalière dans laquelle des prestations de travail peuvent être fixées ;
4° la durée du travail journalière minimale et maximale, sans que la durée journalière de travail puisse excéder neuf heures ;
5° la durée du travail hebdomadaire minimale et maximale, sans que la durée de travail puisse excéder 45 heures par semaine.
§ 3.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon un régime hebdomadaire alterné introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
La demande précise les souhaits de l'agent relatifs au régime hebdomadaire alterné au sein duquel il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, qui est à chaque fois renouvelable.
Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cour, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
Si le président du comité de direction ou le secrétaire général accède à la demande de l'agent, il détermine les dates de début et de fin de la période pendant laquelle le régime hebdomadaire alterné est appliqué, sans dépasser la durée maximale de six mois visée à l'alinéa 2.
En outre, en cas d'application d'un régime hebdomadaire alterné, il doit pouvoir être déterminé à tout moment quand commence le cycle.
Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande de l'agent visée au paragraphe 3, alinéa 1er, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
§ 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin au régime hebdomadaire alterné afin de revenir à son régime de travail d'origine, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'un nouveau cycle.
Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin au régime hebdomadaire alterné.
§ 5.- L'agent qui, en application du présent article, travaille selon un régime hebdomadaire alterné, ne peut effectuer des heures supplémentaires que pendant les semaines où un dépassement de la durée hebdomadaire normale du travail est prévu en application de cet article.
§ 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires. "
" Art. 6ter.- § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par :
1° régime hebdomadaire alterné : un régime de travail organisé selon un cycle qui s'étend sur une période de deux semaines consécutives pendant laquelle les prestations de la première semaine sont compensées par les prestations de la seconde semaine, afin de respecter en moyenne la durée hebdomadaire normale de travail. Par dérogation, pendant le 3ème trimestre de l'année, le cycle peut s'étendre sur une période de quatre semaines consécutives pendant laquelle la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne ;
2° cycle : la succession d'horaires journaliers de travail dans un ordre fixe déterminé dont les prestations s'inscrivent dans le cadre fixé par le président du comité de direction ou le secrétaire général pour l'application du régime hebdomadaire alterné ;
3° semaine : une période de sept jours consécutifs, qui ne va pas nécessairement du lundi au dimanche inclus.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, et suite à un évènement imprévu dans le chef de l'agent, les parties peuvent convenir que le cycle s'étendra sur une période de quatre semaines consécutives. Dans ce cas, la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne endéans ce cycle de quatre semaines. Cette dérogation doit faire l'objet d'une demande écrite et motivée de l'agent qui indique l'évènement imprévu dans son chef. Le président du comité de direction ou le secrétaire général peut approuver ou rejeter la demande. Si le président du comité de direction ou le secrétaire général est d'accord d'adapter le régime de travail, il détermine si le cycle convenu est étalé sur une période de quatre semaines consécutives, ainsi que la période pendant laquelle ce cycle s'applique.
§ 2.- Au moment de l'instauration du régime hebdomadaire alterné, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum les éléments suivants :
1° la durée hebdomadaire moyenne de travail à respecter dans le cycle ;
2° les jours de la semaine pendant lesquels des prestations de travail peuvent être fixées ;
3° la plage journalière dans laquelle des prestations de travail peuvent être fixées ;
4° la durée du travail journalière minimale et maximale, sans que la durée journalière de travail puisse excéder neuf heures ;
5° la durée du travail hebdomadaire minimale et maximale, sans que la durée de travail puisse excéder 45 heures par semaine.
§ 3.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon un régime hebdomadaire alterné introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
La demande précise les souhaits de l'agent relatifs au régime hebdomadaire alterné au sein duquel il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, qui est à chaque fois renouvelable.
Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cour, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
Si le président du comité de direction ou le secrétaire général accède à la demande de l'agent, il détermine les dates de début et de fin de la période pendant laquelle le régime hebdomadaire alterné est appliqué, sans dépasser la durée maximale de six mois visée à l'alinéa 2.
En outre, en cas d'application d'un régime hebdomadaire alterné, il doit pouvoir être déterminé à tout moment quand commence le cycle.
Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande de l'agent visée au paragraphe 3, alinéa 1er, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
§ 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin au régime hebdomadaire alterné afin de revenir à son régime de travail d'origine, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'un nouveau cycle.
Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin au régime hebdomadaire alterné.
§ 5.- L'agent qui, en application du présent article, travaille selon un régime hebdomadaire alterné, ne peut effectuer des heures supplémentaires que pendant les semaines où un dépassement de la durée hebdomadaire normale du travail est prévu en application de cet article.
§ 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires. "
Art.5. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.5. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2024.
Art. 6. De minister bevoegd voor ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.