Artikel 1. Artikel 455 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel wordt vervangen als volgt:
"Art. 455. Het mandaat wordt uitgeoefend in het kader van een tijdelijk statutair dienstverband. Het verschaft geen enkel recht op een vaste benoeming in de desbetreffende functie.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 NOVEMBER 2023. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van (1) het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel, (2) van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel, (3) van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en (4) van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Titre
9 NOVEMBRE 2023. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale portant modification (1) de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, (2) de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des services publics régionaux de Bruxelles, (3) de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale et (4) de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles
Article 1er. L'article 455 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles est remplacé par ce qui suit :
" Art. 455. Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère. ".
" Art. 455. Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère. ".
Art. 2. In artikel 477 van hetzelfde besluit worden de woorden ", in voorkomend geval, zonder afbreuk te doen aan de wet op de arbeidsovereenkomsten" geschrapt.
Art. 2. A l'article 477 du même arrêté, après les mots " l'attribution de la mention " sont supprimés les mots ", le cas échéant, sans préjudice de la loi sur les contrats de travail ".
Art. 3. Artikel 479 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 479. De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels van de gewone functionele loopbaan bedoeld in Boek I, Titel IV, Hoofdstuk III.".
"Art. 479. De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels van de gewone functionele loopbaan bedoeld in Boek I, Titel IV, Hoofdstuk III.".
Art. 3. L'article 479 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 479. L'agent dont le mandat prend fin, retrouve l'échelle liée au grade dont il bénéficiait avant son mandat, sans préjudice des règles de la carrière fonctionnelle visées au Livre Ier, Titre IV, Chapitre III. ".
" Art. 479. L'agent dont le mandat prend fin, retrouve l'échelle liée au grade dont il bénéficiait avant son mandat, sans préjudice des règles de la carrière fonctionnelle visées au Livre Ier, Titre IV, Chapitre III. ".
Art. 4. Artikel 480 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 480. § 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt die geen ongunstige evaluatie heeft gekregen, die niet beschikt over enig beroepsinkomen, die geen enkel verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die niet met een ander mandaat wordt bekleed, ontvangt een uittredingsvergoeding.
De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
De mandaathouder die een beroepsinkomen heeft uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen krijgt, ontvangt in afwijking van het eerste lid een uittredingsvergoeding.
In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks betaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele periode bedoeld in het tweede lid, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden waarin het derde en vierde lid voorzien. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen vijf werkdagen na de indiening van zijn verklaring op eer.
De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in deze paragraaf vermelde bezoldiging.
§ 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie kan op zijn verzoek outplacementbegeleiding krijgen.
Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
De outplacementbegeleiding wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
De kost van de outplacement wordt in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep verrichten;
3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
De aanvraag voor outplacement moet bij de HRM-verantwoordelijke ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op de beëindiging van het mandaat.
De outplacementbegeleiding eindigt zodra een van de voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
De mandaathouder brengt de HRM-verantwoordelijke op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. De uittredingsvergoeding en de outplacementbegeleiding als bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vervroegd beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden.
§ 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacementbegeleiding zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch voor een mandaathouder van wie het mandaat stopgezet werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of een vrijwillig ontslag.".
"Art. 480. § 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt die geen ongunstige evaluatie heeft gekregen, die niet beschikt over enig beroepsinkomen, die geen enkel verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die niet met een ander mandaat wordt bekleed, ontvangt een uittredingsvergoeding.
De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
De mandaathouder die een beroepsinkomen heeft uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen krijgt, ontvangt in afwijking van het eerste lid een uittredingsvergoeding.
In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks betaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele periode bedoeld in het tweede lid, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden waarin het derde en vierde lid voorzien. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen vijf werkdagen na de indiening van zijn verklaring op eer.
De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in deze paragraaf vermelde bezoldiging.
§ 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie kan op zijn verzoek outplacementbegeleiding krijgen.
Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
De outplacementbegeleiding wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
De kost van de outplacement wordt in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep verrichten;
3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
De aanvraag voor outplacement moet bij de HRM-verantwoordelijke ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op de beëindiging van het mandaat.
De outplacementbegeleiding eindigt zodra een van de voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
De mandaathouder brengt de HRM-verantwoordelijke op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. De uittredingsvergoeding en de outplacementbegeleiding als bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vervroegd beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden.
§ 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacementbegeleiding zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch voor een mandaathouder van wie het mandaat stopgezet werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of een vrijwillig ontslag.".
Art. 4. L'article 480 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 480. § 1er. Le mandataire non reconduit qui n'a pas reçu une évaluation défavorable, qui ne bénéficie d'aucun revenu professionnel, ni d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi et qui n'est pas désigné pour un autre mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
L'indemnité de sortie de fonction est égale, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois, s'il a effectué un seul mandat complet, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois, s'il a effectué deux mandats complets ou plus. S'il a effectué un mandat complet et au moins deux années d'un deuxième mandat, l'indemnité de sortie de fonction sera égale à la rémunération du mandataire pour une période de 9 mois.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le mandataire qui perçoit un revenu professionnel en raison d'une activité exercée à temps partiel, ou qui bénéficie d'allocations de chômage, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
Dans ces cas, l'indemnité de sortie de fonction est fixée conformément l'alinéa 2 et diminuée, selon le cas, du revenu professionnel ou de l'allocation de chômage perçue pendant la période visée à l'alinéa 2. Les calculs sont effectués sur la base de montants bruts.
L'indemnité de sortie de fonction est payée par mensualité. Le bénéficiaire doit mensuellement, le dernier jour ouvrable du mois, et pour toute la période visée à l'alinéa 2, introduire une déclaration sur l'honneur, établissant que, pour le mois concerné, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues aux alinéas 3 et 4. La mensualité correspondante est versée au bénéficiaire dans un délai de 5 jours ouvrables suivant le dépôt de sa déclaration sur l'honneur.
Les allocations, primes et indemnités ne sont pas prises en considération pour la détermination de la rémunération visée au présent paragraphe.
§ 2. A sa demande, le mandataire qui a terminé son mandat avec une évaluation " favorable " ou " satisfaisant ", bénéficiera d'un outplacement.
L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé au § 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement est d'une durée de 60 heures étalées sur une période de maximum douze mois et fait l'objet d'une convention écrite.
Le coût de l'outplacement vient en déduction de l'indemnité de sortie de fonction.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1. ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2. ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3. ne pas être en service comme agent, statutaire ou contractuel, dans un service public.
La demande d'outplacement doit être introduite au plus tard dans le mois qui suit la fin du mandat auprès du responsable GRH.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 2, alinéa 5 n'est pas remplie.
Le mandataire informe le responsable GRH de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'indemnité de sortie de fonction et l'outplacement visés aux §§ 1er et 2 sont également dus au mandataire dont le mandat a pris fin de manière anticipée en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois.
§ 4. Aucune indemnité de sortie de fonction ni outplacement ne sont dus au mandataire qui a atteint l'âge légal de la pension, ni au mandataire dont le mandat a été interrompu à la suite d'une sanction disciplinaire, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six ou d'une démission volontaire. ".
" Art. 480. § 1er. Le mandataire non reconduit qui n'a pas reçu une évaluation défavorable, qui ne bénéficie d'aucun revenu professionnel, ni d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi et qui n'est pas désigné pour un autre mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
L'indemnité de sortie de fonction est égale, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois, s'il a effectué un seul mandat complet, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois, s'il a effectué deux mandats complets ou plus. S'il a effectué un mandat complet et au moins deux années d'un deuxième mandat, l'indemnité de sortie de fonction sera égale à la rémunération du mandataire pour une période de 9 mois.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le mandataire qui perçoit un revenu professionnel en raison d'une activité exercée à temps partiel, ou qui bénéficie d'allocations de chômage, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
Dans ces cas, l'indemnité de sortie de fonction est fixée conformément l'alinéa 2 et diminuée, selon le cas, du revenu professionnel ou de l'allocation de chômage perçue pendant la période visée à l'alinéa 2. Les calculs sont effectués sur la base de montants bruts.
L'indemnité de sortie de fonction est payée par mensualité. Le bénéficiaire doit mensuellement, le dernier jour ouvrable du mois, et pour toute la période visée à l'alinéa 2, introduire une déclaration sur l'honneur, établissant que, pour le mois concerné, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues aux alinéas 3 et 4. La mensualité correspondante est versée au bénéficiaire dans un délai de 5 jours ouvrables suivant le dépôt de sa déclaration sur l'honneur.
Les allocations, primes et indemnités ne sont pas prises en considération pour la détermination de la rémunération visée au présent paragraphe.
§ 2. A sa demande, le mandataire qui a terminé son mandat avec une évaluation " favorable " ou " satisfaisant ", bénéficiera d'un outplacement.
L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé au § 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement est d'une durée de 60 heures étalées sur une période de maximum douze mois et fait l'objet d'une convention écrite.
Le coût de l'outplacement vient en déduction de l'indemnité de sortie de fonction.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1. ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2. ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3. ne pas être en service comme agent, statutaire ou contractuel, dans un service public.
La demande d'outplacement doit être introduite au plus tard dans le mois qui suit la fin du mandat auprès du responsable GRH.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 2, alinéa 5 n'est pas remplie.
Le mandataire informe le responsable GRH de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'indemnité de sortie de fonction et l'outplacement visés aux §§ 1er et 2 sont également dus au mandataire dont le mandat a pris fin de manière anticipée en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois.
§ 4. Aucune indemnité de sortie de fonction ni outplacement ne sont dus au mandataire qui a atteint l'âge légal de la pension, ni au mandataire dont le mandat a été interrompu à la suite d'une sanction disciplinaire, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six ou d'une démission volontaire. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des services publics régionaux de Bruxelles
Art. 5. Punt 4 van artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 2, 4° de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des services publics régionaux de Bruxelles est abrogé.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale
Art. 6. Artikel 448 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt vervangen als volgt:
"Art. 448. Het mandaat wordt uitgeoefend in het kader van een tijdelijk statutair dienstverband. Het verschaft geen enkel recht op een vaste benoeming in de desbetreffende functie.".
"Art. 448. Het mandaat wordt uitgeoefend in het kader van een tijdelijk statutair dienstverband. Het verschaft geen enkel recht op een vaste benoeming in de desbetreffende functie.".
Art. 6. L'article 448 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale est remplacé par ce qui suit :
" Art. 448. Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère. ".
" Art. 448. Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère. ".
Art. 7. In artikel 470 van hetzelfde besluit worden de woorden ", in voorkomend geval, zonder afbreuk te doen aan de wet op de arbeidsovereenkomsten" geschrapt.
Art. 7. A l'article 470 du même arrêté, après les mots " l'attribution de la mention " sont supprimés les mots ", le cas échéant, sans préjudice de la loi sur les contrats de travail ".
Art. 8. Artikel 472 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 472. De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels van de gewone functionele loopbaan bedoeld in Boek I, Titel IV, Hoofdstuk III.".
"Art. 472. De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels van de gewone functionele loopbaan bedoeld in Boek I, Titel IV, Hoofdstuk III.".
Art. 8. L'article 472 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 472. L'agent dont le mandat prend fin, retrouve l'échelle liée au grade dont il bénéficiait avant son mandat, sans préjudice des règles de la carrière fonctionnelle visées au Livre Ier, Titre IV, Chapitre III. ".
" Art. 472. L'agent dont le mandat prend fin, retrouve l'échelle liée au grade dont il bénéficiait avant son mandat, sans préjudice des règles de la carrière fonctionnelle visées au Livre Ier, Titre IV, Chapitre III. ".
Art. 9. Artikel 473 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 473. § 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt die geen ongunstige evaluatie heeft gekregen, die niet beschikt over enig beroepsinkomen, die geen enkel verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die niet met een ander mandaat wordt bekleed, ontvangt een uittredingsvergoeding.
De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
De mandaathouder die een beroepsinkomen heeft uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen krijgt, ontvangt in afwijking van het eerste lid een uittredingsvergoeding.
In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks betaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele periode bedoeld in het tweede lid, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden waarin het derde en vierde lid voorzien. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen vijf werkdagen na de indiening van zijn verklaring op eer.
De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in deze paragraaf vermelde bezoldiging.
§ 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie kan op zijn verzoek outplacementbegeleiding krijgen.
Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
De outplacementbegeleiding wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
De kost van de outplacement wordt in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep verrichten;
3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
De aanvraag voor outplacement moet bij de HRM-verantwoordelijke ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op de beëindiging van het mandaat.
De outplacementbegeleiding eindigt zodra een van de voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
De mandaathouder brengt de HRM-verantwoordelijke op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. De uittredingsvergoeding en de outplacementbegeleiding als bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vervroegd beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden.
§ 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacementbegeleiding zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch voor een mandaathouder van wie het mandaat stopgezet werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of een vrijwillig ontslag."
"Art. 473. § 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt die geen ongunstige evaluatie heeft gekregen, die niet beschikt over enig beroepsinkomen, die geen enkel verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die niet met een ander mandaat wordt bekleed, ontvangt een uittredingsvergoeding.
De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
De mandaathouder die een beroepsinkomen heeft uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen krijgt, ontvangt in afwijking van het eerste lid een uittredingsvergoeding.
In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks betaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele periode bedoeld in het tweede lid, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden waarin het derde en vierde lid voorzien. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen vijf werkdagen na de indiening van zijn verklaring op eer.
De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in deze paragraaf vermelde bezoldiging.
§ 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie kan op zijn verzoek outplacementbegeleiding krijgen.
Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
De outplacementbegeleiding wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
De kost van de outplacement wordt in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep verrichten;
3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
De aanvraag voor outplacement moet bij de HRM-verantwoordelijke ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op de beëindiging van het mandaat.
De outplacementbegeleiding eindigt zodra een van de voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
De mandaathouder brengt de HRM-verantwoordelijke op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. De uittredingsvergoeding en de outplacementbegeleiding als bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vervroegd beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden.
§ 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacementbegeleiding zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch voor een mandaathouder van wie het mandaat stopgezet werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of een vrijwillig ontslag."
Art. 9. L'article 473 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 473. § 1er. Le mandataire non reconduit qui n'a pas reçu une évaluation défavorable, qui ne bénéficie d'aucun revenu professionnel, ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi et qui n'est pas désigné pour un autre mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
L'indemnité de sortie de fonction est égale, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois, s'il a effectué un seul mandat complet, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois, s'il a effectué deux mandats complet ou plus. S'il a effectué un mandat complet et au moins deux années d'un deuxième mandat, l'indemnité de sortie de fonction sera égale à la rémunération du mandataire pour une période de 9 mois.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le mandataire qui perçoit un revenu professionnel en raison d'une activité exercée à temps partiel, ou qui bénéficie d'allocations de chômage, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
Dans ces cas, l'indemnité de sortie de fonction est fixée conformément l'alinéa 2 et diminuée, selon le cas, du revenu professionnel ou de l'allocation de chômage perçue. Les calculs sont effectués sur des montants bruts.
L'indemnité de sortie de fonction est payée par mensualité. Le bénéficiaire doit mensuellement, le dernier jour ouvrable du mois, et pour toute la période visée à l'alinéa 2, introduire une déclaration sur l'honneur, établissant que, pour le mois concerné, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues aux alinéas 3 et 4. La mensualité correspondante est versée au bénéficiaire dans un délai de 5 jours ouvrables suivant le dépôt de sa déclaration sur l'honneur.
Les allocations, primes et indemnités ne sont pas prises en considération pour la détermination de la rémunération visée au présent paragraphe.
§ 2. A sa demande, le mandataire qui a terminé son mandat avec une évaluation " favorable " ou " satisfaisant ", bénéficiera d'un outplacement.
L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé au § 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement est d'une durée de 60 heures étalées sur une période de maximum douze mois et fait l'objet d'une convention écrite.
Le coût de l'outplacement vient en déduction de l'indemnité de sortie de fonction.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1. ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2. ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3. ne pas être en service comme agent, statutaire ou contractuel, dans un service public.
La demande d'outplacement doit être introduite au plus tard dans le mois qui suit la fin du mandat auprès du responsable GRH.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 2, alinéa 5 n'est pas remplie.
Le mandataire informe le responsable GRH de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'indemnité de sortie de fonction et l'outplacement visés aux §§ 1er et 2 sont également dus au mandataire dont le mandat a pris fin de manière anticipée en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois.
§ 4. Aucune indemnité de sortie de fonction ni outplacement ne sont dus au mandataire qui a atteint l'âge légal de la pension, ni au mandataire dont le mandat a été interrompu à la suite d'une sanction disciplinaire, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six ou d'une démission volontaire. "
" Art. 473. § 1er. Le mandataire non reconduit qui n'a pas reçu une évaluation défavorable, qui ne bénéficie d'aucun revenu professionnel, ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi et qui n'est pas désigné pour un autre mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
L'indemnité de sortie de fonction est égale, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois, s'il a effectué un seul mandat complet, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois, s'il a effectué deux mandats complet ou plus. S'il a effectué un mandat complet et au moins deux années d'un deuxième mandat, l'indemnité de sortie de fonction sera égale à la rémunération du mandataire pour une période de 9 mois.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le mandataire qui perçoit un revenu professionnel en raison d'une activité exercée à temps partiel, ou qui bénéficie d'allocations de chômage, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
Dans ces cas, l'indemnité de sortie de fonction est fixée conformément l'alinéa 2 et diminuée, selon le cas, du revenu professionnel ou de l'allocation de chômage perçue. Les calculs sont effectués sur des montants bruts.
L'indemnité de sortie de fonction est payée par mensualité. Le bénéficiaire doit mensuellement, le dernier jour ouvrable du mois, et pour toute la période visée à l'alinéa 2, introduire une déclaration sur l'honneur, établissant que, pour le mois concerné, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues aux alinéas 3 et 4. La mensualité correspondante est versée au bénéficiaire dans un délai de 5 jours ouvrables suivant le dépôt de sa déclaration sur l'honneur.
Les allocations, primes et indemnités ne sont pas prises en considération pour la détermination de la rémunération visée au présent paragraphe.
§ 2. A sa demande, le mandataire qui a terminé son mandat avec une évaluation " favorable " ou " satisfaisant ", bénéficiera d'un outplacement.
L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé au § 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement est d'une durée de 60 heures étalées sur une période de maximum douze mois et fait l'objet d'une convention écrite.
Le coût de l'outplacement vient en déduction de l'indemnité de sortie de fonction.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1. ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2. ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3. ne pas être en service comme agent, statutaire ou contractuel, dans un service public.
La demande d'outplacement doit être introduite au plus tard dans le mois qui suit la fin du mandat auprès du responsable GRH.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 2, alinéa 5 n'est pas remplie.
Le mandataire informe le responsable GRH de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'indemnité de sortie de fonction et l'outplacement visés aux §§ 1er et 2 sont également dus au mandataire dont le mandat a pris fin de manière anticipée en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois.
§ 4. Aucune indemnité de sortie de fonction ni outplacement ne sont dus au mandataire qui a atteint l'âge légal de la pension, ni au mandataire dont le mandat a été interrompu à la suite d'une sanction disciplinaire, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six ou d'une démission volontaire. "
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale
Art. 10. Punt 4 van artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke van 29 oktober 2020 Regering houdende wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt opgeheven.
Art. 10. L'article 2, 4° de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, modifié par l'article 1er de l'Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 octobre 2020 portant modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 relatif à la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires
Art. 11. § 1. De bepalingen van artikel 479, eerste lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een volledig mandaat van vijf jaar hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De bepalingen van artikel 479, tweede lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gedurende tien opeenvolgende jaren met dezelfde rang een mandaat hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. De bepalingen van artikel 480 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een mandaat uitoefenen krachtens een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De bepalingen van artikel 479, tweede lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gedurende tien opeenvolgende jaren met dezelfde rang een mandaat hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. De bepalingen van artikel 480 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een mandaat uitoefenen krachtens een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 11. § 1er. Les effets de l'article 479, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé un mandat complet de 5 ans.
§ 2. Les effets de l'article 479, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé une période de mandat de même rang de dix années consécutives.
§ 3. Les effets de l'article 480 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, exercent un mandat sur la base d'un contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
§ 2. Les effets de l'article 479, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé une période de mandat de même rang de dix années consécutives.
§ 3. Les effets de l'article 480 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, exercent un mandat sur la base d'un contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 12. § 1. De bepalingen van artikel 472, eerste lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een volledig mandaat van vijf jaar hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De bepalingen van artikel 472, tweede lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gedurende tien opeenvolgende jaren met dezelfde rang een mandaat hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. De bepalingen van artikel 473 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een mandaat uitoefenen krachtens een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De bepalingen van artikel 472, tweede lid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gedurende tien opeenvolgende jaren met dezelfde rang een mandaat hebben uitgeoefend, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. De bepalingen van artikel 473 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijven ten aanzien van mandaathouders, die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een mandaat uitoefenen krachtens een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hun uitwerking behouden zoals ze golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 12. § 1er. Les effets de l'article 472, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé un mandat complet de 5 ans.
§ 2. Les effets de l'article 472, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé une période de mandat de même rang de dix années consécutives.
§ 3. Les effets de l'article 473 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté exercent un mandat sur la base d'un contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
§ 2. Les effets de l'article 472, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ont exercé une période de mandat de même rang de dix années consécutives.
§ 3. Les effets de l'article 473 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région Bruxelles-Capitale, tel qu'il était en vigueur la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont maintenus à l'égard des mandataires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté exercent un mandat sur la base d'un contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 13. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'un délai de dix jours prenant cours le jour suivant sa publication au Moniteur belge.
Art. 14. Artikelen 1, 2, 6 en 7 van dit besluit gelden echter enkel voor de mandaten die worden toegekend vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, met inbegrip van de hernieuwingen van mandaten.
Art. 14. Les articles 1, 2, 6 et 7 du présent arrêté ne s'appliquent cependant qu'aux mandats attribués à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté, en ce compris les renouvellements de mandats.
Art. 15. De minister die bevoegd is voor Openbaar Ambt wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.