Details





Titel:

6 OKTOBER 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de kosten voor de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen



Inhoudstafel:


Art. 1-9



Deze tekst heeft de volgende tekst(en) gewijzigd:

2017013677 



Uitvoeringsbesluit(en):

2024001697  2024006831 



Artikels:

Artikel 1. § 1. Het bedrag van de vergoeding voor de voorzitter van het gemeentelijk, stadsdistricts-, provinciedistricts- en provinciaal hoofdbureau wordt vastgesteld op 133 euro en het bedrag van de vergoeding voor de secretaris en de bijzitters van die bureaus wordt vastgesteld op 89 euro.
  Het bedrag van de vergoeding voor de magistraat, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, of zijn plaatsvervanger, wordt vastgesteld op 110 euro.
  Het bedrag van het presentiegeld voor de leden van de stem- en telbureaus wordt vastgesteld op 50 euro.
  § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het binnenlands bestuur en het stedenbeleid, bepaalt de wijze waarop de uitbetaling van de presentiegelden, vermeld in paragraaf 1, derde lid, en van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, wordt aangevraagd, en de formulieren die daarvoor worden gebruikt.

Art.2. § 1. De voorzitter, de secretaris en de bijzitters van de hoofdbureaus en van de stem- en telbureaus hebben recht op een reisvergoeding als ze zitting hebben in een gemeente waar ze niet in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven.
  De reisvergoeding, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld op 0,4237 euro per afgelegde kilometer. De Vlaamse minister, bevoegd voor het binnenlands bestuur en het stedenbeleid, kan het voormelde bedrag aanpassen, rekening houdend met de eventuele wijziging van het bedrag van de kilometervergoeding voor dienstreizen die aan de personeelsleden van de Vlaamse overheid wordt toegekend.
  § 2. De rechthebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, sturen hun schuldvordering naar de provincie waar ze zitting hadden, binnen drie maanden na de verkiezingen. Ze gebruiken daarvoor het formulier dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het binnenlands bestuur en het stedenbeleid, vaststelt.

Art.3. § 1. De volgende kiezers hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten, met dien verstande dat alleen binnenlandse trajecten in aanmerking genomen worden:
  1° de kiezers die op de dag van de verkiezingen niet meer verblijven in de gemeente waar ze kunnen stemmen;
  2° de loon- of weddetrekkenden die hun beroep uitoefenen in het buitenland of in een andere gemeente dan waar ze kunnen stemmen, en de leden van hun gezin die met hen samenwonen;
  3° de studenten die voor hun studies verblijven in een andere gemeente dan de gemeente waar ze kunnen stemmen;
  4° de personen die in behandeling zijn in een verpleeg- of gezondheidsinrichting in een andere gemeente dan de gemeente waar ze kunnen stemmen.
  § 2. De kiezers, vermeld in paragraaf 1, die zich verplaatsen met de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, hebben recht op een gratis treinbiljet, tweede klasse, heen en terug, op vertoon van hun uitnodigingsbrief.
  De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen factureert aan de provincie de kosten die voortvloeien uit de verplaatsingen die de voormelde kiezers hebben gedaan, aan de hand van de provinciale NMBS-code op de uitnodigingsbrieven van de kiezers in kwestie.
  Ter uitvoering van het eerste en tweede lid sluit elke provincie met de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen een overeenkomst.
  § 3. De kiezers, vermeld in paragraaf 1, die een ander vervoermiddel dan de trein gebruiken, hebben recht op een reisvergoeding tegen hetzelfde tarief, vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, voor binnenlandse trajecten.
  De kiezers, vermeld in het eerste lid, vragen de betaling van hun reisvergoeding met het formulier dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het binnenlands bestuur en het stedenbeleid, daarvoor vaststelt. Ze sturen het voormelde formulier naar de provincie waar ze hun stem hebben uitgebracht, binnen drie maanden na de verkiezingen.

Art.4. Elke provincie sluit bij een toegelaten verzekeringsonderneming eenverzekeringspolis af om de lichamelijke en stoffelijke schade te dekken die voortvloeit uit ongevallen die de verzekerde zijn overkomen tijdens de uitoefening van zijn ambt of op de heen- en terugweg van de woonplaats van die verzekerde naar de plaats waar zijn bureau zitting heeft, of bij de vervulling van taken naar aanleiding van de verkiezingen.
  In afwijking van het eerste lid, worden de personen, vermeld in het eerste lid, die vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, uitgesloten van de dekking, vermeld in het eerste lid.
  De polis dekt ook de burgerlijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit de schade die door het toedoen of de schuld van de verzekerde is toegebracht aan derden bij de uitoefening van de opdracht van die verzekerde of op de heen- en terugweg van de woonplaats van die verzekerde naar de plaats waar zijn bureau zitting heeft.
  De verzekerden worden ten opzichte van elkaar als derden beschouwd.
  In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° de heen- en terugweg van de woonplaats van de verzekerde naar de plaats waar zijn bureau zitting heeft: de weg naar en van het werk, vermeld in artikel 8 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
  2° de verzekerde:
  a) de magistraat, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, of zijn plaatsvervanger;
  b) de voorzitter, de secretaris en de bijzitters van de provinciale hoofdbureaus, de provinciedistrictshoofdbureaus, de gemeentelijke hoofdbureaus, de stadsdistrictshoofdbureaus, de stembureaus en de telbureaus, met inbegrip van de plaatsvervangende bijzitters die speciaal zijn opgeroepen door de voorzitter van het bureau waarvoor ze zijn aangewezen;
  c) de personen, vermeld in punt a) en b), en ook de personeelsleden van het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 oktober 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Binnenlands Bestuur", en van de lokale en de provinciale besturen die taken vervullen naar aanleiding van de verkiezingen, voor de dekking van het risico, vermeld in het derde lid.

Art.5. Als een of meer verzekeringen van de provincie volledig of gedeeltelijk dezelfde risico's dekken als de verzekeringspolis, vermeld in artikel 4, vormt de verzekeringspolis die de provincie afsluit in uitvoering van artikel 4, niet meer dan een aanvulling op die verzekeringen.

Art.6. De verzekeringspolis, vermeld in artikel 4 van dit besluit, begint te lopen:
  1° voor het gemeentelijk hoofdbureau: op de datum van de eerste vergadering, vermeld in artikel 86, eerste lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
  2° voor het stadsdistrictshoofdbureau: op de datum van de eerste vergadering, vermeld in artikel 99, 2°, van het voormelde decreet;
  3° voor het provinciedistrictshoofdbureau: op de datum van de eerste vergadering, vermeld in artikel 100, 2°, van het voormelde decreet;
  4° voor het stembureau: op het moment, vermeld in artikel 126, eerste lid, van het voormelde decreet;
  5° voor het telbureau: op het moment, vermeld in artikel 150, eerste lid, van het voormelde decreet;
  6° voor de magistraat, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid, van het voormelde decreet, of zijn plaatsvervanger: vanaf de eerste dag dat hij de opdrachten, vermeld in artikel 39, tweede lid, van het voormelde decreet, begint uit te voeren.
  De dekking verstrijkt:
  1° voor het bureau, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5° : op de datum waarop het bureau in kwestie al zijn taken uitgevoerd heeft;
  2° voor de magistraat, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid, van het voormelde decreet, of zijn plaatsvervanger: op het moment dat hij al zijn opdrachten uitgevoerd heeft.

Art.7. § 1. Alle verkiezingsuitgaven, vermeld in artikel 261, § 3, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, die verricht zijn door de stem- en telbureaus en door de gemeentelijke en stadsdistrictshoofdbureaus, worden rechtstreeks betaald door de gemeente.
  § 2. Alle verkiezingsuitgaven, vermeld in artikel 261, § 3, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, die verricht zijn door de magistraat, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid, van het voormelde decreet, of zijn plaatsvervanger, en door de provinciedistricts- en provinciale hoofdbureaus, worden geprefinancierd door de provincie. De voormelde magistraat of zijn plaatsvervanger, en de voorzitters van de hoofdbureaus sturen na de verkiezingen hun facturen en rekeningen met de nodige bewijsstukken naar de provincie.
  Iedere provincie verdeelt de totale kosten van de verkiezingsuitgaven, vermeld in artikel 261, § 3, van het voormelde decreet, van de magistraat, vermeld in het eerste lid, of zijn plaatsvervanger over de gemeenten die behoren tot het gerechtelijk kanton waarvoor de magistraat, vermeld in het eerste lid, verantwoordelijk is, naar rata van het aantal ingeschreven kiezers.
  Iedere provincie verdeelt de totale kosten van de verkiezingsuitgaven, vermeld in artikel 261, § 3, van het voormelde decreet, van een provinciedistrictshoofdbureau over de gemeenten die behoren tot dat provinciedistrict, naar rata van het aantal ingeschreven kiezers. Bij de voormelde verdeling worden de kosten om de stembiljetten voor de verkiezing van de provincieraden te drukken en te versturen, alleen verdeeld over de gemeenten waar op papier wordt gestemd.
  Iedere provincie verdeelt de totale kosten van de verkiezingsuitgaven, vermeld in artikel 261, § 3, van het voormelde decreet, van een provinciaal hoofdbureau over de gemeenten die behoren tot die provincie, naar rata van het aantal ingeschreven kiezers.
  Iedere provincie vordert de kosten terug van de gemeenten na de verdeling over de gemeenten, vermeld in het tweede, derde en vierde lid. De deputatie neemt daarvoor een beslissing en brengt de gemeenten in kwestie met een aangetekende brief binnen dertig dagen na die beslissing op de hoogte van die beslissing, en bezorgt de gemeente daarbij een gedetailleerde staat met vermelding van al de volgende elementen:
  1° de totale uitgaven per hoofdbureau of per kanton;
  2° de toegepaste verdeelsleutel;
  3° de uitgaven die de gemeente moet betalen;
  4° de voorschotten die eventueel zijn ontvangen;
  5° het bedrag dat nog moet worden betaald of het bedrag dat nog moet worden teruggekregen als de gemeente minder moet betalen dan het voorschot dat ze eventueel al betaald heeft.
  § 3. De deputatie kan beslissen aan de gemeenten een voorschot te vragen, in verhouding met de grootte van de uitgaven tijdens de vorige verkiezingen en met de verdelingswijze, vermeld in paragraaf 2, tweede, derde en vierde lid.
  § 4. Als de gemeenten van een gerechtelijk kanton, van een provinciedistrict of van een provincie onderling akkoord gaan met een eigen verdeling van de gemeenschappelijke verkiezingsuitgaven, is paragraaf 2 niet van toepassing.

Art.8. Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2017 tot regeling van de kosten voor de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen wordt opgeheven.

Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het binnenlands bestuur en het stedenbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.