Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 JULI 2023. - Kaderdecreet over de handhaving van Vlaamse regelgeving(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-2023 en tekstbijwerking tot 15-01-2026)
Titre
14 JUILLET 2023. - Décret-cadre relatif au maintien de la réglementation flamande(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-2023 et mise à jour au 15-01-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing
Afdeling 1. - De toezichthouder
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de toezichthoude...
Afdeling 3. - Bevoegdheden van de toezichthoude...
Afdeling 4. - Bijstand aan OLAF
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - De bestuurlijke vervolgingsbeslis...
Afdeling 3. - De gewone bestuurlijke sanctiepro...
Afdeling 4. - De vereenvoudigde bestuurlijke sa...
HOOFDSTUK 4. - Herstel
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Bestuurlijke herstelprocedure
Afdeling 3. - Gerechtelijke herstelprocedure
Afdeling 4. - Geïntegreerde bestuurlijke sancti...
Afdeling 5. - Samenloop op het vlak van herstel
Afdeling 6. - Herstelschikking
HOOFDSTUK 5. - Beveiliging
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Bestuurlijke beveiligingsprocedure
Afdeling 3. - Gerechtelijke beveiligingsprocedure
HOOFDSTUK 6. - Uitvoering van sancties en maatr...
Afdeling 1. - Uitvoering van sancties en maatre...
Afdeling 2. - De toebedeling van handhavingsopb...
HOOFDSTUK 7. - Rechtsbescherming van derden
HOOFDSTUK 8. - Algemene beleidslijnen
HOOFDSTUK 9. - Registers en publiciteit
Afdeling 1. - Bestuurlijk sanctieregister
Afdeling 2. - Maatregelenregister
Afdeling 3. - Arrestendatabank
Afdeling 4. - Publiciteitsverplichtingen
HOOFDSTUK 10. - Aanvullende bepalingen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Onmiddellijke inning, consignatie...
Afdeling 3. - Bestuurlijk beslag
Afdeling 4. - Probatievoorwaarden
Afdeling 5. - Uitbreiding toepassingsgebied ver...
Afdeling 6. - Financiële handhaving
Afdeling 7. - Handhavingsverzoek
Afdeling 8. - Bevoegdheden van de politiediensten
Afdeling 9. - Administratief beroep tegen bestu...
Afdeling 10. - Bijzondere bepalingen over de ui...
Afdeling 11. - Het opleggen van een waarborgsom...
Afdeling 12. - Stakingsbevel bij verhindering v...
Afdeling 13. [1 Jurisdictioneel beroep tegen sa...
Art. 102/1. [1 . In afwijking van artikel 42 en...
Afdeling 14. [1 Jurisdictioneel ber...
Art. 102/2. [1 In afwijking van artikel...
HOOFDSTUK 11. - Aan dit decreet eigen straffen ...
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales et défin...
CHAPITRE 2. - Supervision et recherche
Section 1re. - Le superviseur
Section 2. - Compétences du superviseur en mati...
Section 3. - Compétences du superviseur dans le...
Section 4. - Assistance à l'OLAF
CHAPITRE 3. - Sanctions administratives
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Les décisions de poursuites admini...
Section 3. - La procédure de sanction administr...
Section 4. - La procédure de sanction administr...
CHAPITRE 4. - Réparation
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Procédure administrative de répara...
Section 3. - Procédure de réparation judiciaire
Section 4. - Procédure intégrée de sanction et ...
Section 5. - Concours en matière de réparation
Section 6. - Disposition de réparation
CHAPITRE 5. - Sécurité
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Procédure administrative de sécurité
Section 3. - Procédure de sécurité judiciaire
CHAPITRE 6. - Mise en oeuvre des sanctions et d...
Section 1re. - Mise en oeuvre des sanctions et ...
Section 2. - L'attribution des recettes de main...
CHAPITRE 7. - Protection juridique des tiers
CHAPITRE 8. - Politiques générales
CHAPITRE 9. - Registres et publicité
Section 1re. - Registre des sanctions administr...
Section 2. - Registre des mesures
Section 3. - Base de données des arrêts
Section 4. - Obligations de publicité
CHAPITRE 10. - Dispositions complémentaires
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Perception immédiate, consignation...
Section 3. - Saisie administrative
Section 4. - Conditions de probation
Section 5. - Extension du champ d'application d...
Section 6. - Maintien financier
Section 7. - Demande de maintien
Section 8. - Compétences des services de police
Section 9. - Recours administratif contre les d...
Section 10. - Dispositions particulières relati...
Section 11. - Imposition d'une caution en cas d...
Section 12. - Ordre de cessation en cas d'empêc...
Section 13. [1 Recours juridictionnel contre l...
Art. 102/1 [1 Par dérogation aux articles 42 e...
Section 14. [1 Recours juridictionnel contre le...
CHAPITRE 11. - Peines et sanctions propres au p...
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Tekst (159)
Texte (159)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales et définitions
Artikel 1. Dit decreet, aan te halen als Kaderdecreet Vlaamse Handhaving, regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret, à citer comme le Décret-cadre Maintien flamand, règle des matières communautaire et régionale.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° administratieve regularisatie: zich in regel stellen door te voldoen aan een administratieve verplichting;
2° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
3° beboetingsinstantie: de personeelsleden of de entiteiten van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving door de Vlaamse Regering belast zijn met de bestuurlijke vervolging en sanctionering van bepaalde misdrijven of inbreuken;
4° bestuurlijke beveiligingsbeslissing: het besluit van de toezichthouder of de herstelinstantie waarin wordt beslist over het opleggen van beveiligingsmaatregelen;
5° bestuurlijke herstelbeslissing: het besluit van de herstelinstantie, waarin wordt beslist over het opleggen van publieke herstelmaatregelen;
6° bestuurlijke sanctie: een sanctie, andere dan een tuchtsanctie, die gericht is op leedtoevoeging en die in eerste instantie opgelegd wordt door een bestuur;
7° bestuurlijk sanctiedossier: het dossier dat door de beboetingsinstantie wordt samengesteld met het oog op de bestuurlijke vervolging van daartoe geïdentificeerde personen;
8° bestuurlijk sepot: de voorlopige en herroepbare beslissing van de beboetingsinstantie om geen bestuurlijke vervolging in te stellen;
9° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een elektronisch aangetekende zending;
b) een aangetekende brief;
c) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
d) een betekening door een gerechtsdeurwaarder;
e) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
10° beveiligingsmaatregelen: de inperkende maatregelen of maatregelen die moeten voorkomen dat misdrijven, inbreuken of normschendingen worden gepleegd of voortgezet;
11° elektronisch aangetekende zending: de verzending van gegevens via elektronische middelen. Die verzending verschaft bewijs ten aanzien van het hanteren van de verzonden gegevens, met inbegrip van bewijs van het verzenden en ontvangen van de gegevens. Ze beschermt verzonden gegevens tegen het risico van verlies, diefstal, beschadiging of onbevoegde wijzigingen;
12° gedraging: handelen of nalaten te handelen;
13° Handhavingscollege: het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;
14° hersteldossier: het dossier dat door de herstelinstantie wordt samengesteld met het oog op de beoordeling of publieke herstelmaatregelen moeten worden opgelegd aan daartoe geïdentificeerde personen;
15° herstelinstantie: de bestuurlijke instantie of personen die voor Vlaamse regelgeving zijn aangewezen om toe te zien op herstel en beveiliging conform dit decreet;
16° herstelschikking: de overeenkomst tussen de herstelinstantie en overtreders of andere belanghebbenden die gericht is op het vrijwillig herstel van publieke schade en opgenomen is in een uitvoerbare authentieke akte;
17° inbreuk: de gedragingen die op grond van de geschonden Vlaamse regelgeving uitsluitend met bestuurlijke sancties gesanctioneerd kunnen worden;
18° inperkende maatregelen: de maatregelen die moeten voorkomen dat publieke verliezen optreden of nog verder toenemen;
19° misdrijf: de gedragingen die op grond van Vlaamse regelgeving met straffen kunnen worden gesanctioneerd;
20° normschending: de gedragingen die uitdrukkelijk door Vlaamse regelgeving als normschending zijn aangewezen. Die gedragingen zijn verboden, zonder dat ze een misdrijf of een inbreuk uitmaken;
21° onregelmatigheid: een toestand, gebeurtenis of gedraging die in strijd met Vlaamse regelgeving tot stand is gebracht;
22° opsporing: de handelingen die ertoe strekken misdrijven of inbreuken, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen. Via die handelingen worden gegevens verzameld die dienstig zijn voor de strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en die beslissingen in het kader van herstel of beveiliging kunnen ondersteunen;
23° publieke herstelmaatregelen: de maatregelen die gericht zijn op het herstel van publieke schade;
24° publieke schade: de onregelmatigheden die het misdrijf, de inbreuk of de normschending vormen of er het gevolg van zijn, en de publieke verliezen die met die onregelmatigheden gepaard gaan;
25° publieke verliezen: een reële krenking van het algemeen belang dat beschermd wordt door de Vlaamse regelgeving die is geschonden;
26° referentietoestand: de toestand zoals die bestond voordat de normschending, de inbreuk of het misdrijf is gepleegd;
27° sanctiebeslissing: een beslissing waarin bestuurlijke sancties worden opgelegd;
28° straf: een sanctie die gericht is op leedtoevoeging en die alleen door een rechtbank kan worden opgelegd;
29° toezicht: een handeling die erop gericht is om de naleving van Vlaamse regelgeving te controleren;
30° toezichthouder: een persoon die bevoegd is om toezicht en opsporing uit te oefenen;
31° Vlaamse inspectiedienst: een entiteit van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving belast is met de handhaving van Vlaamse regelgeving;
32° Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid, vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
33° Vlaamse regelgeving: de normen die rechtstreeks op de rechtsonderhorige van toepassing zijn en die een aangelegenheid regelen waarvoor het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is;
34° Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens: de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
1° administratieve regularisatie: zich in regel stellen door te voldoen aan een administratieve verplichting;
2° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
3° beboetingsinstantie: de personeelsleden of de entiteiten van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving door de Vlaamse Regering belast zijn met de bestuurlijke vervolging en sanctionering van bepaalde misdrijven of inbreuken;
4° bestuurlijke beveiligingsbeslissing: het besluit van de toezichthouder of de herstelinstantie waarin wordt beslist over het opleggen van beveiligingsmaatregelen;
5° bestuurlijke herstelbeslissing: het besluit van de herstelinstantie, waarin wordt beslist over het opleggen van publieke herstelmaatregelen;
6° bestuurlijke sanctie: een sanctie, andere dan een tuchtsanctie, die gericht is op leedtoevoeging en die in eerste instantie opgelegd wordt door een bestuur;
7° bestuurlijk sanctiedossier: het dossier dat door de beboetingsinstantie wordt samengesteld met het oog op de bestuurlijke vervolging van daartoe geïdentificeerde personen;
8° bestuurlijk sepot: de voorlopige en herroepbare beslissing van de beboetingsinstantie om geen bestuurlijke vervolging in te stellen;
9° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een elektronisch aangetekende zending;
b) een aangetekende brief;
c) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
d) een betekening door een gerechtsdeurwaarder;
e) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
10° beveiligingsmaatregelen: de inperkende maatregelen of maatregelen die moeten voorkomen dat misdrijven, inbreuken of normschendingen worden gepleegd of voortgezet;
11° elektronisch aangetekende zending: de verzending van gegevens via elektronische middelen. Die verzending verschaft bewijs ten aanzien van het hanteren van de verzonden gegevens, met inbegrip van bewijs van het verzenden en ontvangen van de gegevens. Ze beschermt verzonden gegevens tegen het risico van verlies, diefstal, beschadiging of onbevoegde wijzigingen;
12° gedraging: handelen of nalaten te handelen;
13° Handhavingscollege: het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;
14° hersteldossier: het dossier dat door de herstelinstantie wordt samengesteld met het oog op de beoordeling of publieke herstelmaatregelen moeten worden opgelegd aan daartoe geïdentificeerde personen;
15° herstelinstantie: de bestuurlijke instantie of personen die voor Vlaamse regelgeving zijn aangewezen om toe te zien op herstel en beveiliging conform dit decreet;
16° herstelschikking: de overeenkomst tussen de herstelinstantie en overtreders of andere belanghebbenden die gericht is op het vrijwillig herstel van publieke schade en opgenomen is in een uitvoerbare authentieke akte;
17° inbreuk: de gedragingen die op grond van de geschonden Vlaamse regelgeving uitsluitend met bestuurlijke sancties gesanctioneerd kunnen worden;
18° inperkende maatregelen: de maatregelen die moeten voorkomen dat publieke verliezen optreden of nog verder toenemen;
19° misdrijf: de gedragingen die op grond van Vlaamse regelgeving met straffen kunnen worden gesanctioneerd;
20° normschending: de gedragingen die uitdrukkelijk door Vlaamse regelgeving als normschending zijn aangewezen. Die gedragingen zijn verboden, zonder dat ze een misdrijf of een inbreuk uitmaken;
21° onregelmatigheid: een toestand, gebeurtenis of gedraging die in strijd met Vlaamse regelgeving tot stand is gebracht;
22° opsporing: de handelingen die ertoe strekken misdrijven of inbreuken, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen. Via die handelingen worden gegevens verzameld die dienstig zijn voor de strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en die beslissingen in het kader van herstel of beveiliging kunnen ondersteunen;
23° publieke herstelmaatregelen: de maatregelen die gericht zijn op het herstel van publieke schade;
24° publieke schade: de onregelmatigheden die het misdrijf, de inbreuk of de normschending vormen of er het gevolg van zijn, en de publieke verliezen die met die onregelmatigheden gepaard gaan;
25° publieke verliezen: een reële krenking van het algemeen belang dat beschermd wordt door de Vlaamse regelgeving die is geschonden;
26° referentietoestand: de toestand zoals die bestond voordat de normschending, de inbreuk of het misdrijf is gepleegd;
27° sanctiebeslissing: een beslissing waarin bestuurlijke sancties worden opgelegd;
28° straf: een sanctie die gericht is op leedtoevoeging en die alleen door een rechtbank kan worden opgelegd;
29° toezicht: een handeling die erop gericht is om de naleving van Vlaamse regelgeving te controleren;
30° toezichthouder: een persoon die bevoegd is om toezicht en opsporing uit te oefenen;
31° Vlaamse inspectiedienst: een entiteit van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving belast is met de handhaving van Vlaamse regelgeving;
32° Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid, vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
33° Vlaamse regelgeving: de normen die rechtstreeks op de rechtsonderhorige van toepassing zijn en die een aangelegenheid regelen waarvoor het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is;
34° Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens: de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Art. 2. Dans le présent décret, on entend par :
1° régularisation administrative : mise en règle en remplissant une obligation administrative ;
2° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) ;
3° instance verbalisante : les membres du personnel ou les entités de l'Autorité flamande qui, dans le même domaine politique ou pour la même réglementation, sont chargés par le Gouvernement flamand de la poursuite administrative et de la sanction de certains délits ou infractions ;
4° décision administrative de sécurité : la décision du superviseur ou de l'instance de réparation statuant sur l'imposition de mesures de sécurité ;
5° décision administrative de réparation : la décision de l'instance de réparation, qui décide de l'imposition de mesures publiques de réparation ;
6° sanction administrative : une sanction, autre qu'une sanction disciplinaire, visant à infliger une souffrance et imposée en premier lieu par une administration ;
7° dossier de sanction administrative : le dossier constitué par l'instance verbalisante en vue de la poursuite administrative des personnes identifiées à cette fin ;
8° classement administratif : la décision provisoire et révocable de l'instance verbalisante de ne pas engager de poursuites administratives ;
9° envoi sécurisé : un des modes de signification suivants :
a) un envoi recommandé électronique ;
b) une lettre recommandée ;
c) une remise contre récépissé ;
d) une signification par un huissier de justice ;
e) tout autre mode de notification autorisé par le Gouvernement flamand permettant d'établir avec certitude la date de notification ;
10° mesures de sécurité : les mesures de restriction ou des mesures visant à prévenir la commission ou la continuation de délits, d'infractions ou de violations de normes ;
11° envoi recommandé électronique : la transmission de données par voie électronique. Cette transmission fournit la preuve de l'utilisation des données transmises, y compris la preuve de la transmission et de la réception des données. Elle protège les données transmises contre les risques de perte, de vol, de dommage ou de modifications non autorisées ;
12° comportement : le fait d'agir ou l'omission d'agir ;
13° Collège de maintien : la juridiction administrative flamande mentionnée à l'article 2, 1°, a), du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes ;
14° dossier de réparation : le dossier constitué par l'instance de réparation en vue d'évaluer s'il y a lieu d'imposer des mesures publiques de réparation aux personnes identifiées à cette fin ;
15° instance de réparation : l'instance administrative ou les personnes désignées par la réglementation flamande pour surveiller la réparation et la sécurité conformément au présent décret ;
16° disposition de réparation : la convention entre l'instance de réparation et les contrevenants ou autres parties intéressées, qui vise à la réparation volontaire du préjudice public et qui figure dans un acte authentique exécutoire ;
17° infraction : les comportements qui, en vertu de la réglementation flamande violée, ne peuvent être sanctionnés que par des sanctions administratives ;
18° mesures de restriction : les mesures visant à empêcher que les pertes se produisent ou s'aggravent encore ;
19° délit : les comportements qui peuvent être sanctionnés par des peines en vertu de la réglementation flamande ;
20° violation des normes : les comportements expressément désignés par la réglementation flamande comme une violation des normes. Ces comportements sont interdits sans pour autant constituer un délit ou une infraction ;
21° irrégularité : une situation, un événement ou un comportement créé en violation de la réglementation flamande ;
22° recherche : les actes visant à rechercher les délits ou les infractions, leurs auteurs et les preuves y afférentes. Ces actes permettent de collecter des données qui sont utiles pour les poursuites pénales ou administratives et qui peuvent étayer des décisions dans le cadre de la réparation ou de la sécurité ;
23° les mesures publiques de réparation : les mesures visant à réparer le préjudice public ;
24° préjudice public : les irrégularités constituant ou résultant du délit, de l'infraction ou de la violation des normes, ainsi que les pertes publiques liées à ces irrégularités ;
25° pertes publiques : une atteinte réelle à l'intérêt général protégé par la réglementation flamande qui a été violée ;
26° situation de référence : la situation telle qu'elle existait avant la violation des normes, l'infraction ou le délit ;
27° décision de sanction : une décision imposant des sanctions administratives
28° peine : une sanction visant à infliger une souffrance, qui ne peut être imposée que par un tribunal ;
29° surveillance : un acte visant à contrôler le respect de la réglementation flamande ;
30° superviseur : une personne compétente pour exercer la surveillance et la recherche ;
31° service d'inspection flamand : une entité de l'Autorité flamande chargée du maintien de la réglementation flamande dans le même domaine politique ou pour la même réglementation ;
32° Autorité flamande : l'Autorité flamande visée à l'article I.3, 1°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018 ;
33° réglementation flamande : les normes qui s'appliquent directement au justiciable et qui règlent une matière pour laquelle la Région flamande ou la Communauté flamande est compétente ;
34° Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel : la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel flamand visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
1° régularisation administrative : mise en règle en remplissant une obligation administrative ;
2° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) ;
3° instance verbalisante : les membres du personnel ou les entités de l'Autorité flamande qui, dans le même domaine politique ou pour la même réglementation, sont chargés par le Gouvernement flamand de la poursuite administrative et de la sanction de certains délits ou infractions ;
4° décision administrative de sécurité : la décision du superviseur ou de l'instance de réparation statuant sur l'imposition de mesures de sécurité ;
5° décision administrative de réparation : la décision de l'instance de réparation, qui décide de l'imposition de mesures publiques de réparation ;
6° sanction administrative : une sanction, autre qu'une sanction disciplinaire, visant à infliger une souffrance et imposée en premier lieu par une administration ;
7° dossier de sanction administrative : le dossier constitué par l'instance verbalisante en vue de la poursuite administrative des personnes identifiées à cette fin ;
8° classement administratif : la décision provisoire et révocable de l'instance verbalisante de ne pas engager de poursuites administratives ;
9° envoi sécurisé : un des modes de signification suivants :
a) un envoi recommandé électronique ;
b) une lettre recommandée ;
c) une remise contre récépissé ;
d) une signification par un huissier de justice ;
e) tout autre mode de notification autorisé par le Gouvernement flamand permettant d'établir avec certitude la date de notification ;
10° mesures de sécurité : les mesures de restriction ou des mesures visant à prévenir la commission ou la continuation de délits, d'infractions ou de violations de normes ;
11° envoi recommandé électronique : la transmission de données par voie électronique. Cette transmission fournit la preuve de l'utilisation des données transmises, y compris la preuve de la transmission et de la réception des données. Elle protège les données transmises contre les risques de perte, de vol, de dommage ou de modifications non autorisées ;
12° comportement : le fait d'agir ou l'omission d'agir ;
13° Collège de maintien : la juridiction administrative flamande mentionnée à l'article 2, 1°, a), du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes ;
14° dossier de réparation : le dossier constitué par l'instance de réparation en vue d'évaluer s'il y a lieu d'imposer des mesures publiques de réparation aux personnes identifiées à cette fin ;
15° instance de réparation : l'instance administrative ou les personnes désignées par la réglementation flamande pour surveiller la réparation et la sécurité conformément au présent décret ;
16° disposition de réparation : la convention entre l'instance de réparation et les contrevenants ou autres parties intéressées, qui vise à la réparation volontaire du préjudice public et qui figure dans un acte authentique exécutoire ;
17° infraction : les comportements qui, en vertu de la réglementation flamande violée, ne peuvent être sanctionnés que par des sanctions administratives ;
18° mesures de restriction : les mesures visant à empêcher que les pertes se produisent ou s'aggravent encore ;
19° délit : les comportements qui peuvent être sanctionnés par des peines en vertu de la réglementation flamande ;
20° violation des normes : les comportements expressément désignés par la réglementation flamande comme une violation des normes. Ces comportements sont interdits sans pour autant constituer un délit ou une infraction ;
21° irrégularité : une situation, un événement ou un comportement créé en violation de la réglementation flamande ;
22° recherche : les actes visant à rechercher les délits ou les infractions, leurs auteurs et les preuves y afférentes. Ces actes permettent de collecter des données qui sont utiles pour les poursuites pénales ou administratives et qui peuvent étayer des décisions dans le cadre de la réparation ou de la sécurité ;
23° les mesures publiques de réparation : les mesures visant à réparer le préjudice public ;
24° préjudice public : les irrégularités constituant ou résultant du délit, de l'infraction ou de la violation des normes, ainsi que les pertes publiques liées à ces irrégularités ;
25° pertes publiques : une atteinte réelle à l'intérêt général protégé par la réglementation flamande qui a été violée ;
26° situation de référence : la situation telle qu'elle existait avant la violation des normes, l'infraction ou le délit ;
27° décision de sanction : une décision imposant des sanctions administratives
28° peine : une sanction visant à infliger une souffrance, qui ne peut être imposée que par un tribunal ;
29° surveillance : un acte visant à contrôler le respect de la réglementation flamande ;
30° superviseur : une personne compétente pour exercer la surveillance et la recherche ;
31° service d'inspection flamand : une entité de l'Autorité flamande chargée du maintien de la réglementation flamande dans le même domaine politique ou pour la même réglementation ;
32° Autorité flamande : l'Autorité flamande visée à l'article I.3, 1°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018 ;
33° réglementation flamande : les normes qui s'appliquent directement au justiciable et qui règlent une matière pour laquelle la Région flamande ou la Communauté flamande est compétente ;
34° Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel : la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel flamand visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
Art. 3. Dit decreet is volledig of gedeeltelijk van toepassing op Vlaamse regelgeving als dat bij decreet wordt bepaald en conform de voorwaarden die bepaald zijn in dat voormelde decreet.
In afwijking van het eerste lid zijn artikel 25, 26 en 84 van toepassing op alle Vlaamse regelgeving.
In afwijking van het eerste lid zijn artikel 4, 6 en 77 tot en met 83 van toepassing op Vlaamse regelgeving als de Vlaamse Regering dat bepaalt conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
Dit decreet is niet van toepassing bij de uitoefening van het administratief toezicht, vermeld in artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
In afwijking van het eerste lid zijn artikel 25, 26 en 84 van toepassing op alle Vlaamse regelgeving.
In afwijking van het eerste lid zijn artikel 4, 6 en 77 tot en met 83 van toepassing op Vlaamse regelgeving als de Vlaamse Regering dat bepaalt conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
Dit decreet is niet van toepassing bij de uitoefening van het administratief toezicht, vermeld in artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
Art. 3. Le présent décret s'applique en tout ou en partie à la réglementation flamande si un décret le prévoit et dans les conditions fixées par ce décret précité.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 25, 26 et 84 s'appliquent à l'ensemble de la réglementation flamande.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 4, 6 et 77 à 83 s'appliquent à la réglementation flamande si le Gouvernement flamand le décide dans les conditions qu'il fixe.
Le présent décret ne s'applique pas à l'exercice de la tutelle administrative visée à l'article 7 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 25, 26 et 84 s'appliquent à l'ensemble de la réglementation flamande.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 4, 6 et 77 à 83 s'appliquent à la réglementation flamande si le Gouvernement flamand le décide dans les conditions qu'il fixe.
Le présent décret ne s'applique pas à l'exercice de la tutelle administrative visée à l'article 7 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
Art. 4. § 1. Met behoud van de mogelijkheid om afschriften op analoge informatiedragers af te leveren, en behoudens technische onmogelijkheid, worden de volgende bestuursdocumenten, die worden opgesteld door de Vlaamse overheid, uitsluitend opgemaakt in elektronische vorm, en voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 3, punt 12, van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG:
1° de schriftelijke raadgevingen en de waarschuwingen, vermeld in artikel 10;
2° de processen-verbaal, de verslagen van vaststelling, de controleverslagen, vermeld in artikel 9, § 2, van dit decreet, en de administratieve verslagen, vermeld in artikel 9, § 3, van dit decreet;
3° de beslissingen en de kennisgevingen van de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, artikel 39 tot en met 41, en artikel 44, 89 en 90 van dit decreet;
4° de geïntegreerde beslissingen, vermeld in artikel 57 van dit decreet, als de beboetingsinstantie en de herstelinstantie die de voormelde beslissingen hebben genomen, tot de Vlaamse overheid behoren;
5° de bestuursdocumenten, vermeld in artikel 82, eerste lid, 4°, van dit decreet, met uitzondering van herstelschikkingen die in een authentieke akte zijn opgenomen.
De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden opleggen voor de bestuursdocumenten, vermeld in het eerste lid, en categorieën van bestuursdocumenten uitsluiten voor bepaalde Vlaamse regelgeving. Zij bepaalt welke bestuursdocumenten, opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in het eerste lid vermelde categorieën.
De in het eerste lid vermelde bestuursdocumenten worden bewaard in een digitaal klassement dat door de Vlaamse Regering ter beschikking wordt gesteld. Het digitaal klassement wordt beheerd door de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving.
Het digitaal klassement garandeert gedurende de volledige levenscyclus van de bestuursdocumenten dat:
1° er geen informatieverlies optreedt;
2° de leesbaarheid op lange termijn gegarandeerd blijft;
3° er geen wijzigingen doorgevoerd kunnen worden;
4° de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens gegarandeerd blijft;
5° elke actie die impact kan hebben op de integriteit en de authenticiteit van het bestuursdocument, wordt geregistreerd, met inbegrip van de gegevens die het mogelijk maken de identiteit van de dader of daders vast te stellen.
§ 2. De volgende bestuursdocumenten worden ook opgenomen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid:
1° andere bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1, die door de beboetingsinstantie of de herstelinstantie worden toegevoegd aan respectievelijk het bestuurlijk sanctiedossier of het hersteldossier;
2° de beslissingen die genomen zijn naar aanleiding van een administratief of jurisdictioneel beroep tegen de beslissingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
§ 3. Behoudens technische onmogelijkheid worden de toegankelijkheid en kennisgeving van de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, voor bestuurlijke overheden en het openbaar ministerie, verzekerd op elektronische wijze, via een beveiligd portaal.
In de mate waarin deze registers toegang verlenen tot de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden ook het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77, en het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, beschouwd als een beveiligd portaal als vermeld in het eerste lid.
De overheidsinstantie die bevoegd is voor de kennisgeving of om de digitale toegang te verlenen, verifieert het recht om de bestuursdocumenten via het beveiligd portaal, vermeld in het eerste lid, te raadplegen. De voormelde verificatie gebeurt met een techniek of procedure die het gebruiksrecht van de persoon waarborgt op een aantoonbare wijze, die aan de omstandigheden is aangepast. De overheidsinstantie stelt die techniek of procedure en de daarbij geraadpleegde informatiebronnen vast.
In het beveiligde portaal, vermeld in het eerste lid, en bij elke kennisgeving, ongeacht de wijze waarop dit gebeurt, wordt alleen een afgeleide van het originele bestuursdocument ter beschikking gesteld, dat dezelfde bewijskracht heeft als het origineel maar er op volgende punten van afwijkt:
1° het bevat geen rijksregisternummer van de persoon die het originele bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft opgesteld en ondertekend;
2° het wordt voorzien van een elektronische zegel van de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving.
In afwijking van het vierde lid, 1°, kan de Vlaamse Regering beslissen dat om veiligheidsredenen alle persoonsgegevens van de persoon die het heeft opgesteld en ondertekend worden verwijderd op de afgeleide van het origineel bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor de Vlaamse regelgeving en de bestuursdocumenten die zij aanduidt.
Een origineel bestuursdocument dat in het digitaal archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid, is opgenomen, wordt alleen vrijgegeven aan de rechter die, na te zijn gevat met een betwisting rond de authenticiteit of integriteit van het afgeleide document, beslist dat die vrijgave noodzakelijk is.
Het als uitvoerbaar waarmerken van bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, dwangbevelen, bekrachtigde herstelschikkingen en de schriftelijke neerslag van mondelinge beveiligingsbeslissingen als vermeld in artikel 71, § 1, gebeurt op basis van het afgeleide document dat is voorzien van de elektronische zegel, vermeld in het vierde lid, 2°, tenzij het originele bestuursdocument nog niet is opgenomen in het digitale archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid.
§ 4. De entiteit, belast met de handhaving van Vlaamse regelgeving, van de functiehouder die conform dit artikel een bestuursdocument heeft opgenomen in het digitaal klassement of aan wie het werd ter kennis gegeven, heeft toegang tot dit bestuursdocument en de daaraan gerelateerde persoonsgegevens en informatie.
De entiteit van de auteur van een proces-verbaal of verslag van vaststelling kan steeds in kennis worden gesteld van navolgende beslissingen van beboetingsinstanties of herstelinstanties.
§ 5. De Vlaamse Regering kan de lokale overheden, vermeld in artikel I.3, 5°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, verplichten om de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, op te nemen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
1° de schriftelijke raadgevingen en de waarschuwingen, vermeld in artikel 10;
2° de processen-verbaal, de verslagen van vaststelling, de controleverslagen, vermeld in artikel 9, § 2, van dit decreet, en de administratieve verslagen, vermeld in artikel 9, § 3, van dit decreet;
3° de beslissingen en de kennisgevingen van de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, artikel 39 tot en met 41, en artikel 44, 89 en 90 van dit decreet;
4° de geïntegreerde beslissingen, vermeld in artikel 57 van dit decreet, als de beboetingsinstantie en de herstelinstantie die de voormelde beslissingen hebben genomen, tot de Vlaamse overheid behoren;
5° de bestuursdocumenten, vermeld in artikel 82, eerste lid, 4°, van dit decreet, met uitzondering van herstelschikkingen die in een authentieke akte zijn opgenomen.
De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden opleggen voor de bestuursdocumenten, vermeld in het eerste lid, en categorieën van bestuursdocumenten uitsluiten voor bepaalde Vlaamse regelgeving. Zij bepaalt welke bestuursdocumenten, opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in het eerste lid vermelde categorieën.
De in het eerste lid vermelde bestuursdocumenten worden bewaard in een digitaal klassement dat door de Vlaamse Regering ter beschikking wordt gesteld. Het digitaal klassement wordt beheerd door de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving.
Het digitaal klassement garandeert gedurende de volledige levenscyclus van de bestuursdocumenten dat:
1° er geen informatieverlies optreedt;
2° de leesbaarheid op lange termijn gegarandeerd blijft;
3° er geen wijzigingen doorgevoerd kunnen worden;
4° de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens gegarandeerd blijft;
5° elke actie die impact kan hebben op de integriteit en de authenticiteit van het bestuursdocument, wordt geregistreerd, met inbegrip van de gegevens die het mogelijk maken de identiteit van de dader of daders vast te stellen.
§ 2. De volgende bestuursdocumenten worden ook opgenomen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid:
1° andere bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1, die door de beboetingsinstantie of de herstelinstantie worden toegevoegd aan respectievelijk het bestuurlijk sanctiedossier of het hersteldossier;
2° de beslissingen die genomen zijn naar aanleiding van een administratief of jurisdictioneel beroep tegen de beslissingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
§ 3. Behoudens technische onmogelijkheid worden de toegankelijkheid en kennisgeving van de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, voor bestuurlijke overheden en het openbaar ministerie, verzekerd op elektronische wijze, via een beveiligd portaal.
In de mate waarin deze registers toegang verlenen tot de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden ook het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77, en het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, beschouwd als een beveiligd portaal als vermeld in het eerste lid.
De overheidsinstantie die bevoegd is voor de kennisgeving of om de digitale toegang te verlenen, verifieert het recht om de bestuursdocumenten via het beveiligd portaal, vermeld in het eerste lid, te raadplegen. De voormelde verificatie gebeurt met een techniek of procedure die het gebruiksrecht van de persoon waarborgt op een aantoonbare wijze, die aan de omstandigheden is aangepast. De overheidsinstantie stelt die techniek of procedure en de daarbij geraadpleegde informatiebronnen vast.
In het beveiligde portaal, vermeld in het eerste lid, en bij elke kennisgeving, ongeacht de wijze waarop dit gebeurt, wordt alleen een afgeleide van het originele bestuursdocument ter beschikking gesteld, dat dezelfde bewijskracht heeft als het origineel maar er op volgende punten van afwijkt:
1° het bevat geen rijksregisternummer van de persoon die het originele bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft opgesteld en ondertekend;
2° het wordt voorzien van een elektronische zegel van de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving.
In afwijking van het vierde lid, 1°, kan de Vlaamse Regering beslissen dat om veiligheidsredenen alle persoonsgegevens van de persoon die het heeft opgesteld en ondertekend worden verwijderd op de afgeleide van het origineel bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor de Vlaamse regelgeving en de bestuursdocumenten die zij aanduidt.
Een origineel bestuursdocument dat in het digitaal archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid, is opgenomen, wordt alleen vrijgegeven aan de rechter die, na te zijn gevat met een betwisting rond de authenticiteit of integriteit van het afgeleide document, beslist dat die vrijgave noodzakelijk is.
Het als uitvoerbaar waarmerken van bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, dwangbevelen, bekrachtigde herstelschikkingen en de schriftelijke neerslag van mondelinge beveiligingsbeslissingen als vermeld in artikel 71, § 1, gebeurt op basis van het afgeleide document dat is voorzien van de elektronische zegel, vermeld in het vierde lid, 2°, tenzij het originele bestuursdocument nog niet is opgenomen in het digitale archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid.
§ 4. De entiteit, belast met de handhaving van Vlaamse regelgeving, van de functiehouder die conform dit artikel een bestuursdocument heeft opgenomen in het digitaal klassement of aan wie het werd ter kennis gegeven, heeft toegang tot dit bestuursdocument en de daaraan gerelateerde persoonsgegevens en informatie.
De entiteit van de auteur van een proces-verbaal of verslag van vaststelling kan steeds in kennis worden gesteld van navolgende beslissingen van beboetingsinstanties of herstelinstanties.
§ 5. De Vlaamse Regering kan de lokale overheden, vermeld in artikel I.3, 5°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, verplichten om de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, op te nemen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
Art. 4. § 1er. Sans préjudice de la possibilité de délivrer des copies sur des supports d'information analogiques, et sauf impossibilité technique, les documents administratifs suivants établis par l'Autorité flamande sont rédigés exclusivement sous forme électronique, et pourvus d'une signature électronique qualifiée telle que visée à l'article 3, point 12, du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE :
1° les conseils et avertissements écrits mentionnés à l'article 10 ;
2° les procès-verbaux, les rapports de constatation, les rapports d'inspection mentionnés à l'article 9, § 2, du présent décret, et les rapports administratifs mentionnés à l'article 9, § 3, du présent décret ;
3° les décisions et notifications des instances verbalisantes mentionnées à l'article 38, § 2, alinéa 1er, aux articles 39 à 41, et aux articles 44, 89 et 90 du présent décret ;
4° les décisions intégrées visées à l'article 57 du présent décret, lorsque l'instance verbalisante et l'instance de réparation qui ont pris les décisions précitées, relèvent de l'autorité flamande ;
5° les documents administratifs visés à l'article 82, alinéa 1er, 4°, du présent décret, à l'exception des dispositions de réparation incluses dans un acte authentique.
Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour les documents administratifs mentionnés à l'alinéa 1er et exclure des catégories de documents administratifs pour certaines réglementations flamandes. Il détermine quels documents administratifs, établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, correspondent aux catégories visées à l'alinéa 1er.
Les documents administratifs visés à l'alinéa 1er sont conservés dans un classement numérique mis à disposition par le Gouvernement flamand. Le classement numérique est géré par l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien.
Le classement numérique garantit tout au long du cycle de vie des documents administratifs :
1° qu'il n'y ait aucune perte d'information ;
2° une lisibilité à long terme ;
3° qu'aucune modification ne puisse être apportée ;
4° la confidentialité des données personnelles ;
5° l'enregistrement de toute action susceptible d'avoir un impact sur l'intégrité et l'authenticité du document administratif, y compris les données qui permettent d'établir l'identité du ou des auteurs.
§ 2. Les documents administratifs suivants seront également inclus dans le classement numérique visé au paragraphe 1er, alinéa 3 :
1° les documents administratifs autres que ceux visés au paragraphe 1er, qui sont joints respectivement au dossier de sanction administrative ou au dossier de réparation par l'instance verbalisante ou l'instance de réparation ;
2° les décisions prises à la suite d'un recours administratif ou juridictionnel contre les décisions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
§ 3. Sauf impossibilité technique, l'accessibilité et la notification des documents administratifs mentionnés aux paragraphes 1er et 2, aux autorités administratives et au ministère public sont assurées par voie électronique, au moyen d'un portail sécurisé.
Dans la mesure où ces registres donnent accès aux documents administratifs visés aux paragraphes 1er et 2, le registre des sanctions administratives visé à l'article 77, et le registre des mesures visé à l'article 81, sont également considérés comme un portail sécurisé, tel que visé à l'alinéa 1er.
L'instance publique compétente pour la notification ou l'octroi de l'accès numérique vérifie le droit d'accès aux documents administratifs au moyen du portail sécurisé visé à l'alinéa 1er. La vérification précitée est effectuée au moyen d'une technique ou d'une procédure qui garantit le droit d'usage de la personne d'une manière démontrable et adaptée aux circonstances. L'instance détermine cette technique ou procédure et les sources d'information consultées.
Dans le portail sécurisé, visé à l'alinéa 1er, et lors de chaque notification, quel que soit le mode de communication, seul un dérivé du document administratif original est mis à disposition, qui a la même force probante que l'original mais qui s'en écarte sur les points suivants :
1° il ne contient pas de numéro de registre national de la personne qui a établi et signé le document administratif original, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ;
2° il est pourvu d'un scellé électronique de l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien.
Par dérogation à l'alinéa 4, 1°, le Gouvernement flamand peut décider que, pour des raisons de sécurité, toutes les données à caractère personnel de la personne qui a rédigé et signé le document administratif original visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, soient supprimées sur le dérivé de ce document, pour la réglementation flamande et les documents administratifs qu'il désigne.
Un document administratif original qui est repris dans les archives numériques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, n'est remis qu'au juge qui, après avoir été saisi d'une contestation relative à l'authenticité ou à l'intégrité du document dérivé, décide que cette remise est nécessaire.
La validation du caractère exécutoire des décisions de sanction administrative, des décisions de réparation et de sécurité administratives écrites, des contraintes, des dispositions de réparation confirmées et l'enregistrement écrit des décisions de sécurité verbales, telles que visées à l'article 71, § 1er, se fait sur la base du document dérivé portant le scellé électronique, visé à l'alinéa 4, 2°, à moins que le document administratif original ne soit pas encore repris dans les archives numériques visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. L'entité, chargée du maintien de la réglementation flamande, du titulaire de la fonction qui, conformément au présent article, a repris un document administratif dans le classement numérique ou à qui il a été notifié, a accès à ce document administratif et aux données à caractère personnel et informations y relatives.
L'entité de l'auteur d'un procès-verbal ou d'un rapport de constatation peut être informée à tout moment des décisions ultérieures prises par les instances verbalisantes ou de réparation.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut obliger les autorités locales visées à l'article I.3, 5°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, à inclure les documents administratifs visés aux paragraphes 1er et 2 dans le classement numérique mentionné au paragraphe 1er, alinéa 3, aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand.
1° les conseils et avertissements écrits mentionnés à l'article 10 ;
2° les procès-verbaux, les rapports de constatation, les rapports d'inspection mentionnés à l'article 9, § 2, du présent décret, et les rapports administratifs mentionnés à l'article 9, § 3, du présent décret ;
3° les décisions et notifications des instances verbalisantes mentionnées à l'article 38, § 2, alinéa 1er, aux articles 39 à 41, et aux articles 44, 89 et 90 du présent décret ;
4° les décisions intégrées visées à l'article 57 du présent décret, lorsque l'instance verbalisante et l'instance de réparation qui ont pris les décisions précitées, relèvent de l'autorité flamande ;
5° les documents administratifs visés à l'article 82, alinéa 1er, 4°, du présent décret, à l'exception des dispositions de réparation incluses dans un acte authentique.
Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour les documents administratifs mentionnés à l'alinéa 1er et exclure des catégories de documents administratifs pour certaines réglementations flamandes. Il détermine quels documents administratifs, établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, correspondent aux catégories visées à l'alinéa 1er.
Les documents administratifs visés à l'alinéa 1er sont conservés dans un classement numérique mis à disposition par le Gouvernement flamand. Le classement numérique est géré par l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien.
Le classement numérique garantit tout au long du cycle de vie des documents administratifs :
1° qu'il n'y ait aucune perte d'information ;
2° une lisibilité à long terme ;
3° qu'aucune modification ne puisse être apportée ;
4° la confidentialité des données personnelles ;
5° l'enregistrement de toute action susceptible d'avoir un impact sur l'intégrité et l'authenticité du document administratif, y compris les données qui permettent d'établir l'identité du ou des auteurs.
§ 2. Les documents administratifs suivants seront également inclus dans le classement numérique visé au paragraphe 1er, alinéa 3 :
1° les documents administratifs autres que ceux visés au paragraphe 1er, qui sont joints respectivement au dossier de sanction administrative ou au dossier de réparation par l'instance verbalisante ou l'instance de réparation ;
2° les décisions prises à la suite d'un recours administratif ou juridictionnel contre les décisions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
§ 3. Sauf impossibilité technique, l'accessibilité et la notification des documents administratifs mentionnés aux paragraphes 1er et 2, aux autorités administratives et au ministère public sont assurées par voie électronique, au moyen d'un portail sécurisé.
Dans la mesure où ces registres donnent accès aux documents administratifs visés aux paragraphes 1er et 2, le registre des sanctions administratives visé à l'article 77, et le registre des mesures visé à l'article 81, sont également considérés comme un portail sécurisé, tel que visé à l'alinéa 1er.
L'instance publique compétente pour la notification ou l'octroi de l'accès numérique vérifie le droit d'accès aux documents administratifs au moyen du portail sécurisé visé à l'alinéa 1er. La vérification précitée est effectuée au moyen d'une technique ou d'une procédure qui garantit le droit d'usage de la personne d'une manière démontrable et adaptée aux circonstances. L'instance détermine cette technique ou procédure et les sources d'information consultées.
Dans le portail sécurisé, visé à l'alinéa 1er, et lors de chaque notification, quel que soit le mode de communication, seul un dérivé du document administratif original est mis à disposition, qui a la même force probante que l'original mais qui s'en écarte sur les points suivants :
1° il ne contient pas de numéro de registre national de la personne qui a établi et signé le document administratif original, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ;
2° il est pourvu d'un scellé électronique de l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien.
Par dérogation à l'alinéa 4, 1°, le Gouvernement flamand peut décider que, pour des raisons de sécurité, toutes les données à caractère personnel de la personne qui a rédigé et signé le document administratif original visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, soient supprimées sur le dérivé de ce document, pour la réglementation flamande et les documents administratifs qu'il désigne.
Un document administratif original qui est repris dans les archives numériques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, n'est remis qu'au juge qui, après avoir été saisi d'une contestation relative à l'authenticité ou à l'intégrité du document dérivé, décide que cette remise est nécessaire.
La validation du caractère exécutoire des décisions de sanction administrative, des décisions de réparation et de sécurité administratives écrites, des contraintes, des dispositions de réparation confirmées et l'enregistrement écrit des décisions de sécurité verbales, telles que visées à l'article 71, § 1er, se fait sur la base du document dérivé portant le scellé électronique, visé à l'alinéa 4, 2°, à moins que le document administratif original ne soit pas encore repris dans les archives numériques visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. L'entité, chargée du maintien de la réglementation flamande, du titulaire de la fonction qui, conformément au présent article, a repris un document administratif dans le classement numérique ou à qui il a été notifié, a accès à ce document administratif et aux données à caractère personnel et informations y relatives.
L'entité de l'auteur d'un procès-verbal ou d'un rapport de constatation peut être informée à tout moment des décisions ultérieures prises par les instances verbalisantes ou de réparation.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut obliger les autorités locales visées à l'article I.3, 5°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, à inclure les documents administratifs visés aux paragraphes 1er et 2 dans le classement numérique mentionné au paragraphe 1er, alinéa 3, aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand.
Art. 5. § 1. Het bestuurlijk opsporingsonderzoek is geheim zolang het niet is afgesloten door een beslissing als vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, 2° en 3°, of tot aan het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie als de voormelde beslissing niet wordt genomen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de beboetingsinstantie de personen die er het voorwerp van vormen, op hun met redenen omkleed verzoek inzage verlenen in de stukken van het bestuurlijk opsporingsonderzoek, of een afschrift ervan ter beschikking stellen. Uiterlijk zestig dagen na de dag waarop de beboetingsinstantie het voormelde verzoek heeft ontvangen, bezorgt ze haar beslissing met een beveiligde zending aan de verzoeker.
Als de termijn, vermeld in het eerste lid, is overschreden of de inzage die wordt gevraagd volledig of gedeeltelijk wordt geweigerd, kan de verzoeker binnen vijftien dagen na de dag waarop de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken of na de dag waarop de verzoeker de weigering van de inzage heeft ontvangen, met een gemotiveerd verzoekschrift beroep instellen bij de politierechter. De griffie stuurt onmiddellijk een kopie van het verzoekschrift naar de beboetingsinstantie.
De beboetingsinstantie kan een rapport richten aan de politierechter binnen dertig dagen na de dag waarop zij het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen. De politierechter kan beslissen om de verzoeker, de beboetingsinstantie of hun advocaten afzonderlijk te horen.
De politierechter doet uitspraak zonder debat binnen zestig dagen na de dag waarop het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, is neergelegd. Tegen de beslissing van de politierechter is geen beroep mogelijk.
§ 3. Met toepassing van artikel 23, lid 1, d), e), h) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kan de op grond van dit decreet daartoe bevoegde overheid beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het openbaar ministerie of de beboetingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene conform artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter of de beboetingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de beboetingsinstantie de personen die er het voorwerp van vormen, op hun met redenen omkleed verzoek inzage verlenen in de stukken van het bestuurlijk opsporingsonderzoek, of een afschrift ervan ter beschikking stellen. Uiterlijk zestig dagen na de dag waarop de beboetingsinstantie het voormelde verzoek heeft ontvangen, bezorgt ze haar beslissing met een beveiligde zending aan de verzoeker.
Als de termijn, vermeld in het eerste lid, is overschreden of de inzage die wordt gevraagd volledig of gedeeltelijk wordt geweigerd, kan de verzoeker binnen vijftien dagen na de dag waarop de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken of na de dag waarop de verzoeker de weigering van de inzage heeft ontvangen, met een gemotiveerd verzoekschrift beroep instellen bij de politierechter. De griffie stuurt onmiddellijk een kopie van het verzoekschrift naar de beboetingsinstantie.
De beboetingsinstantie kan een rapport richten aan de politierechter binnen dertig dagen na de dag waarop zij het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen. De politierechter kan beslissen om de verzoeker, de beboetingsinstantie of hun advocaten afzonderlijk te horen.
De politierechter doet uitspraak zonder debat binnen zestig dagen na de dag waarop het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, is neergelegd. Tegen de beslissing van de politierechter is geen beroep mogelijk.
§ 3. Met toepassing van artikel 23, lid 1, d), e), h) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kan de op grond van dit decreet daartoe bevoegde overheid beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het openbaar ministerie of de beboetingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene conform artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter of de beboetingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Art. 5. § 1er. L'enquête de recherche administrative est secrète aussi longtemps qu'elle n'est pas clôturée par une décision telle que visée à l'article 38, § 2, alinéa 1er, 2° et 3°, ou jusqu'à l'expiration de la possibilité d'infliger une sanction administrative si la décision précitée n'est pas prise.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'instance verbalisante peut, sur demande motivée, donner accès aux documents de l'enquête de recherche administrative aux personnes qui en font l'objet, ou leur en fournir une copie. Au plus tard 60 jours à compter de la date de réception de la demande précitée, l'instance verbalisante transmet sa décision au requérant par voie sécurisée.
Si le délai, visé à l'alinéa 1er, est dépassé ou si la consultation demandée est totalement ou partiellement refusée, le requérant peut introduire un recours auprès du juge de police, par requête motivée, dans les quinze jours suivant le jour où le délai, visé à l'alinéa 1er, est expiré ou suivant le jour où le requérant a reçu le refus de consultation. Le greffe envoie immédiatement une copie de la requête à l'instance verbalisante.
L'instance verbalisante peut adresser un rapport au juge de police dans les trente jours de la réception de la requête, visée à l'alinéa 2. Le juge de police peut décider d'entendre séparément le requérant, l'instance verbalisante ou leurs avocats.
Le juge de police statue sans débat dans les soixante jours qui suivent le jour du dépôt de la requête, visée à l'alinéa 2. La décision du juge de police n'est pas susceptible d'appel.
§ 3. En application de l'article 23, alinéa 1er, d), e), h) et i), du règlement général sur la protection des données, l'autorité compétente en vertu du présent décret peut décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité aux traitements de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête portant sur une personne physique déterminée, si les conditions visées aux alinéas 2 à 9, sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er, n'est valable que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires y afférents, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente à cet effet, à condition que le bon déroulement de l'enquête nécessite ou puisse nécessiter que les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités en la matière.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa 1er.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 1er, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa 2 une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe la personne concernée par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits visés à l'alinéa 1er. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente visée à l'alinéa 1er, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er a été transmis au ministère public ou à l'instance verbalisante et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public, d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que respectivement le ministère public, le juge d'instruction ou l'instance verbalisante a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'instance verbalisante peut, sur demande motivée, donner accès aux documents de l'enquête de recherche administrative aux personnes qui en font l'objet, ou leur en fournir une copie. Au plus tard 60 jours à compter de la date de réception de la demande précitée, l'instance verbalisante transmet sa décision au requérant par voie sécurisée.
Si le délai, visé à l'alinéa 1er, est dépassé ou si la consultation demandée est totalement ou partiellement refusée, le requérant peut introduire un recours auprès du juge de police, par requête motivée, dans les quinze jours suivant le jour où le délai, visé à l'alinéa 1er, est expiré ou suivant le jour où le requérant a reçu le refus de consultation. Le greffe envoie immédiatement une copie de la requête à l'instance verbalisante.
L'instance verbalisante peut adresser un rapport au juge de police dans les trente jours de la réception de la requête, visée à l'alinéa 2. Le juge de police peut décider d'entendre séparément le requérant, l'instance verbalisante ou leurs avocats.
Le juge de police statue sans débat dans les soixante jours qui suivent le jour du dépôt de la requête, visée à l'alinéa 2. La décision du juge de police n'est pas susceptible d'appel.
§ 3. En application de l'article 23, alinéa 1er, d), e), h) et i), du règlement général sur la protection des données, l'autorité compétente en vertu du présent décret peut décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité aux traitements de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête portant sur une personne physique déterminée, si les conditions visées aux alinéas 2 à 9, sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er, n'est valable que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires y afférents, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente à cet effet, à condition que le bon déroulement de l'enquête nécessite ou puisse nécessiter que les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités en la matière.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa 1er.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 1er, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa 2 une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe la personne concernée par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits visés à l'alinéa 1er. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente visée à l'alinéa 1er, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er a été transmis au ministère public ou à l'instance verbalisante et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public, d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que respectivement le ministère public, le juge d'instruction ou l'instance verbalisante a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
Art. 6. § 1. Onverminderd artikel [2 78, § 2]2, van dit decreet, worden de maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens die op basis van dit decreet worden verwerkt, vastgelegd in beheersregels, conform artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Bij het bepalen van deze bewaartermijnen wordt rekening gehouden met:
1° het gegeven dat de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog straffen, bestuurlijke sancties, publieke herstelmaatregelen, beveiligingsmaatregelen of beslissingen van burgerlijke of administratieve aard kunnen gronden;
2° het gegeven dat beslissingen, gegrond op de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;
3° de relevantie van de persoonsgegevens voor toekomstige handelingen in het kader van toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging of herstel;
4° de relevantie van de persoonsgegevens voor het determineren van de legaliteit van de toestand, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de verwerking van deze persoonsgegevens.
[1 De maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens, bepaald in de beheersregels, vermeld in het eerste lid, met toepassing van de criteria, vermeld in het tweede lid, worden vervolgens door de Vlaamse Regering vastgesteld.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor persoonsgegevens, opgenomen in de arrestendatabank, vermeld in artikel 84, een bewaartermijn van onbepaalde duur.
Bij het bepalen van deze bewaartermijnen wordt rekening gehouden met:
1° het gegeven dat de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog straffen, bestuurlijke sancties, publieke herstelmaatregelen, beveiligingsmaatregelen of beslissingen van burgerlijke of administratieve aard kunnen gronden;
2° het gegeven dat beslissingen, gegrond op de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;
3° de relevantie van de persoonsgegevens voor toekomstige handelingen in het kader van toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging of herstel;
4° de relevantie van de persoonsgegevens voor het determineren van de legaliteit van de toestand, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de verwerking van deze persoonsgegevens.
[1 De maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens, bepaald in de beheersregels, vermeld in het eerste lid, met toepassing van de criteria, vermeld in het tweede lid, worden vervolgens door de Vlaamse Regering vastgesteld.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor persoonsgegevens, opgenomen in de arrestendatabank, vermeld in artikel 84, een bewaartermijn van onbepaalde duur.
Art. 6. § 1er. Sans préjudice de l'article [2 78, § 2]2, du présent décret, les durées maximales de conservation des données à caractère personnel traitées sur la base du présent décret sont fixées dans des règles de gestion, conformément à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
Pour la détermination de ces délais de conservation, il est tenu compte :
1° du fait que les faits à la suite desquels les données à caractère personnel ont été traitées, peuvent encore servir de base à des peines, à des sanctions administratives, à des mesures de réparation publiques, à des mesures de sécurité ou à des décisions de nature civile ou administrative ;
2° du fait que des décisions, fondées sur les faits à la suite desquels les données à caractère personnel ont été traitées, font ou peuvent encore faire l'objet d'un recours administratif ou juridictionnel ;
3° de la pertinence des données à caractère personnel pour des actes futurs de surveillance, de recherche, de poursuite, de sanction, de sécurité ou de réparation ;
4° de la pertinence des données à caractère personnel pour déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu au traitement de ces données à caractère personnel.
[1 Les durées de conservation maximales des données à caractère personnel, déterminées dans les règles de gestion visées à l'alinéa 1er, en application des critères, visés à l'alinéa 2, sont ensuite fixées par le Gouvernement flamand.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les données à caractère personnel reprises dans la base de données des arrêts mentionnée à l'article 84 sont soumises à un délai de conservation d'une durée indéterminée.
Pour la détermination de ces délais de conservation, il est tenu compte :
1° du fait que les faits à la suite desquels les données à caractère personnel ont été traitées, peuvent encore servir de base à des peines, à des sanctions administratives, à des mesures de réparation publiques, à des mesures de sécurité ou à des décisions de nature civile ou administrative ;
2° du fait que des décisions, fondées sur les faits à la suite desquels les données à caractère personnel ont été traitées, font ou peuvent encore faire l'objet d'un recours administratif ou juridictionnel ;
3° de la pertinence des données à caractère personnel pour des actes futurs de surveillance, de recherche, de poursuite, de sanction, de sécurité ou de réparation ;
4° de la pertinence des données à caractère personnel pour déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu au traitement de ces données à caractère personnel.
[1 Les durées de conservation maximales des données à caractère personnel, déterminées dans les règles de gestion visées à l'alinéa 1er, en application des critères, visés à l'alinéa 2, sont ensuite fixées par le Gouvernement flamand.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les données à caractère personnel reprises dans la base de données des arrêts mentionnée à l'article 84 sont soumises à un délai de conservation d'une durée indéterminée.
Art. 7. Behoudens afwijkende bepalingen beginnen de door dit decreet bepaalde termijnen te lopen op de dag na de dag waarop het feit dat de aanvang vormt van de termijn is gebeurd. De door dit decreet bepaalde termijnen worden berekend in kalenderdagen.
Behoudens afwijkende bepalingen gebeuren de kennisgevingen die door dit decreet worden opgelegd en het aanvangspunt vormen van een vervaltermijn, altijd met een beveiligde zending. De beveiligde zending met een aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve als het tegendeel wordt bewezen.
Als een schriftelijke mededeling moet worden gedaan binnen een bepaalde termijn, moet de verzending of afgifte binnen die termijn gebeuren. Bij verzendingen per brief geldt de datum van de poststempel als datum van de verzending.
Behoudens afwijkende bepalingen gebeuren de kennisgevingen die door dit decreet worden opgelegd en het aanvangspunt vormen van een vervaltermijn, altijd met een beveiligde zending. De beveiligde zending met een aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve als het tegendeel wordt bewezen.
Als een schriftelijke mededeling moet worden gedaan binnen een bepaalde termijn, moet de verzending of afgifte binnen die termijn gebeuren. Bij verzendingen per brief geldt de datum van de poststempel als datum van de verzending.
Art. 7. Sauf disposition contraire, les délais fixés par le présent décret commencent à courir le lendemain du jour où s'est produit le fait qui constitue le début du délai. Les délais fixés par le présent décret sont calculés en jours calendaires.
Sauf disposition contraire, les notifications imposées par le présent décret et constituant le début d'un délai d'échéance sont toujours effectuées par envoi sécurisé. L'envoi sécurisé par lettre recommandée est censé être reçu le troisième jour ouvrable suivant le dépôt à la poste, sauf preuve contraire.
Si un avis écrit doit être donné dans un certain délai, l'envoi ou la remise doit être effectué dans ce délai. Pour les envois par lettre, la date du cachet de la poste est assimilée à la date d'envoi.
Sauf disposition contraire, les notifications imposées par le présent décret et constituant le début d'un délai d'échéance sont toujours effectuées par envoi sécurisé. L'envoi sécurisé par lettre recommandée est censé être reçu le troisième jour ouvrable suivant le dépôt à la poste, sauf preuve contraire.
Si un avis écrit doit être donné dans un certain délai, l'envoi ou la remise doit être effectué dans ce délai. Pour les envois par lettre, la date du cachet de la poste est assimilée à la date d'envoi.
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing
CHAPITRE 2. - Supervision et recherche
Afdeling 1. - De toezichthouder
Section 1re. - Le superviseur
Art. 8. § 1. De toezichthouder is bevoegd voor het toezicht op Vlaamse regelgeving en voor de opsporing van misdrijven en inbreuken.
De Vlaamse Regering wijst onder de toezichthouders diegenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, of officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen.
Bij de opsporing van misdrijven handelt de toezichthouder in de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie, of in de hoedanigheden, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De volgende personen kunnen worden aangesteld als toezichthouder conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt:
1° de personeelsleden van de Vlaamse administraties, vermeld in artikel I.3, 1°, d, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, met uitsluiting van de personeelsleden, vermeld in artikel I.3, 2°, f, van hetzelfde decreet;
2° de personeelsleden van de instanties, vermeld in artikel I.3, 1°, f), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die deze instanties daarvoor aanwijzen;
3° de gemeentelijke personeelsleden die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst, zelfs al zijn ze personeelslid van een andere gemeente;
4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst;
5° de personeelsleden [1 ...]1 van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, die deze politiediensten daarvoor aanwijzen;
6° de personeelsleden van een havenbedrijf, die het havenbedrijf daarvoor aanwijst;
7° de bijzondere veldwachters, vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek, die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst;
8° de personeelsleden van de provincie, die de deputatie daarvoor aanwijst.
De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, delegeren.
§ 3. De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden bepalen waaraan categorieën van toezichthouders moeten voldoen. [2 De Vlaamse Regering kan de aanstelling als toezichthouder afhankelijk maken van een van de volgende elementen:
1° het volgen van een opleiding, die wordt georganiseerd door de Vlaamse administratie, vermeld in artikel I.3, eerste lid, 2°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
2° het volgen van een opleiding, die wordt verstrekt door instellingen die de Vlaamse Regering daarvoor erkend heeft, conform de regels die de Vlaamse Regering daarvoor bepaalt;
3° een bewijs van beroepskwalificatie als vermeld in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, die de Vlaamse Regering heeft erkend voor de uitoefening van het beroep als toezichthouder.]2
De Vlaamse Regering kan de toezicht- en opsporingsopdracht van categorieën van toezichthouders inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken, of hen de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie ontzeggen. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling als toezichthouders subsidiëren, of ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders.
§ 4. Het besluit waarin de toezichthouder wordt aangesteld, omschrijft de toezicht- en opsporingsopdracht van de toezichthouder. Binnen de perken van zijn toezicht- en opsporingsopdracht beschikt de toezichthouder over de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, onverminderd de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om het gebruik van de voormelde bevoegdheden voor categorieën van toezichthouders uit te sluiten of aan bijkomende voorwaarden te verbinden. Een toezichthouder gebruikt zijn bevoegdheden alleen als dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Het toezicht wordt onafhankelijk en neutraal uitgeoefend, en de toezichthouder waakt erover dat de inzet van zijn bevoegdheden geen onevenredige schade veroorzaakt bij de overtreder of derden.
Toezichthouders kunnen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, alleen gebruiken als ze beëdigd zijn. De toezichthouder legt de eed af conform de wettelijke of decretale bepalingen die op hem van toepassing zijn, of, bij ontstentenis daarvan, in handen van zijn lijnmanager of diens gemachtigde conform artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Onverminderd artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, voldoet het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, aan al de volgende voorwaarden:
1° het schendt de intimiteit van een persoon niet;
2° het is niet gericht op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand;
3° het is niet gericht op de verwerking van genetische gegevens of de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon.
§ 5. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, dragen toezichthouders bij de uitoefening van hun taak een legitimatiebewijs bij zich, dat de overheid of de entiteit waar ze werken uitgeeft.
Toezichthouders tonen onmiddellijk hun legitimatiebewijs als ze daarom verzocht worden.
De Vlaamse Regering wijst onder de toezichthouders diegenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, of officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen.
Bij de opsporing van misdrijven handelt de toezichthouder in de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie, of in de hoedanigheden, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De volgende personen kunnen worden aangesteld als toezichthouder conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt:
1° de personeelsleden van de Vlaamse administraties, vermeld in artikel I.3, 1°, d, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, met uitsluiting van de personeelsleden, vermeld in artikel I.3, 2°, f, van hetzelfde decreet;
2° de personeelsleden van de instanties, vermeld in artikel I.3, 1°, f), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die deze instanties daarvoor aanwijzen;
3° de gemeentelijke personeelsleden die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst, zelfs al zijn ze personeelslid van een andere gemeente;
4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst;
5° de personeelsleden [1 ...]1 van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, die deze politiediensten daarvoor aanwijzen;
6° de personeelsleden van een havenbedrijf, die het havenbedrijf daarvoor aanwijst;
7° de bijzondere veldwachters, vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek, die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst;
8° de personeelsleden van de provincie, die de deputatie daarvoor aanwijst.
De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, delegeren.
§ 3. De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden bepalen waaraan categorieën van toezichthouders moeten voldoen. [2 De Vlaamse Regering kan de aanstelling als toezichthouder afhankelijk maken van een van de volgende elementen:
1° het volgen van een opleiding, die wordt georganiseerd door de Vlaamse administratie, vermeld in artikel I.3, eerste lid, 2°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
2° het volgen van een opleiding, die wordt verstrekt door instellingen die de Vlaamse Regering daarvoor erkend heeft, conform de regels die de Vlaamse Regering daarvoor bepaalt;
3° een bewijs van beroepskwalificatie als vermeld in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, die de Vlaamse Regering heeft erkend voor de uitoefening van het beroep als toezichthouder.]2
De Vlaamse Regering kan de toezicht- en opsporingsopdracht van categorieën van toezichthouders inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken, of hen de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie ontzeggen. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling als toezichthouders subsidiëren, of ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders.
§ 4. Het besluit waarin de toezichthouder wordt aangesteld, omschrijft de toezicht- en opsporingsopdracht van de toezichthouder. Binnen de perken van zijn toezicht- en opsporingsopdracht beschikt de toezichthouder over de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, onverminderd de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om het gebruik van de voormelde bevoegdheden voor categorieën van toezichthouders uit te sluiten of aan bijkomende voorwaarden te verbinden. Een toezichthouder gebruikt zijn bevoegdheden alleen als dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Het toezicht wordt onafhankelijk en neutraal uitgeoefend, en de toezichthouder waakt erover dat de inzet van zijn bevoegdheden geen onevenredige schade veroorzaakt bij de overtreder of derden.
Toezichthouders kunnen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, alleen gebruiken als ze beëdigd zijn. De toezichthouder legt de eed af conform de wettelijke of decretale bepalingen die op hem van toepassing zijn, of, bij ontstentenis daarvan, in handen van zijn lijnmanager of diens gemachtigde conform artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Onverminderd artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, voldoet het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, aan al de volgende voorwaarden:
1° het schendt de intimiteit van een persoon niet;
2° het is niet gericht op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand;
3° het is niet gericht op de verwerking van genetische gegevens of de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon.
§ 5. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, dragen toezichthouders bij de uitoefening van hun taak een legitimatiebewijs bij zich, dat de overheid of de entiteit waar ze werken uitgeeft.
Toezichthouders tonen onmiddellijk hun legitimatiebewijs als ze daarom verzocht worden.
Art. 8. § 1re. Le superviseur est compétent pour la supervision de la réglementation flamande et pour la recherche de délits et d'infractions.
Le Gouvernement flamand désigne parmi les superviseurs ceux qui obtiennent la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi.
Lors de la recherche de délits, le superviseur agit en qualité d'agent de police judiciaire, ou dans les qualités, visées à l'alinéa 2.
§ 2. Les personnes suivantes peuvent être désignées comme superviseurs conformément aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand :
1° les membres du personnel des administrations flamandes mentionnés à l'article I.3, 1°, d, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 désignés par le Gouvernement flamand à cet effet, à l'exclusion des membres du personnel mentionnés à l'article I.3, 2°, f, du même décret ;
2° les membres du personnel des organismes mentionnés à l'article I.3, 1°, f) du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, que ces organismes désignent à cet effet ;
3° les membres du personnel communaux désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins, même s'il s'agit de membres du personnel d'une autre commune ;
4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, désignés à cet effet par ce dernier ;
5° les membres du personnel [1 ...]1 des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police, que ces services de police désignent à cet effet ;
6° les membres du personnel d'une régie portuaire, que celle-ci désigne à cet effet ;
7° les gardes champêtres particuliers mentionnés à l'article 61 du Code rural, qui sont désignés par le Gouvernement flamand à cet effet ;
8° les membres du personnel de la province que la députation désigne à cet effet.
Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé à l'alinéa 1er, 1° et 7°.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les exigences en matière de formation et d'expérience ainsi que les autres conditions à remplir par les catégories de superviseurs. [2 Le Gouvernement flamand peut subordonner la nomination du superviseur à l'une des conditions suivantes :
1° suivre une formation organisée par l'administration flamande visée à l'article I.3, alinéa 1er, 2°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018 ;
2° suivre une formation dispensée par des institutions agréées à cet effet par le Gouvernement flamand, conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand ;
3° fournir la preuve d'une qualification professionnelle telle que visée à l'article 8, alinéa 1er, du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications, agréée par le Gouvernement flamand pour l'exercice de la profession de superviseur. ]2
Le Gouvernement flamand peut restreindre la mission de supervision et de recherche de catégories de superviseurs sur le plan du contenu, géographique ou temporel, ou leur refuser le statut d'agent de police judiciaire. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut subventionner la désignation en tant que superviseur ou soutenir la formation et l'éducation permanente de ces superviseurs.
§ 4. L'arrêté de désignation du superviseur définit ses fonctions de supervision et de recherche. Dans les limites de sa mission de surveillance et de recherche, le superviseur dispose des compétences visées au présent chapitre, sans préjudice de la possibilité pour le Gouvernement flamand d'exclure l'usage des compétences précitées pour des catégories de superviseurs ou de les soumettre à des conditions supplémentaires. Un superviseur n'utilise ses compétences que lorsque cela est raisonnablement nécessaire pour l'accomplissement de sa mission. La supervision est effectuée de manière indépendante et neutre, et le superviseur veille à ce que l'utilisation de ses compétences ne cause pas de préjudice disproportionné au contrevenant ou à des tiers.
Les superviseurs ne peuvent exercer les compétences visées à l'alinéa 1er, que s'ils sont assermentés. Le superviseur prête serment conformément aux dispositions légales ou décrétales qui lui sont applicables ou, à défaut, entre les mains de son manager de ligne ou de son mandataire conformément à l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
Sans préjudice de l'article 9, alinéa 1er, du règlement général sur la protection des données, l'utilisation des compétences mentionnées à l'alinéa 1er doit respecter toutes les conditions suivantes :
1° elle ne porte pas atteinte à l'intimité d'une personne ;
2° elle ne vise pas à recueillir des informations sur les opinions philosophiques, religieuses, politiques, syndicales ou sur l'origine ethnique ou sociale, la vie sexuelle ou l'état de santé ;
3° elle ne vise pas à traiter des données génétiques ou des données biométriques en vue d'identifier une personne de manière unique.
§ 5. Sans préjudice de l'application des dispositions de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les superviseurs, dans l'exercice de leurs fonctions, sont porteurs d'une preuve de légitimation délivrée par l'autorité publique ou l'entité au sein de laquelle ils travaillent.
Les superviseurs présentent immédiatement leur preuve de légitimation lorsqu'ils en reçoivent la demande.
Le Gouvernement flamand désigne parmi les superviseurs ceux qui obtiennent la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi.
Lors de la recherche de délits, le superviseur agit en qualité d'agent de police judiciaire, ou dans les qualités, visées à l'alinéa 2.
§ 2. Les personnes suivantes peuvent être désignées comme superviseurs conformément aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand :
1° les membres du personnel des administrations flamandes mentionnés à l'article I.3, 1°, d, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 désignés par le Gouvernement flamand à cet effet, à l'exclusion des membres du personnel mentionnés à l'article I.3, 2°, f, du même décret ;
2° les membres du personnel des organismes mentionnés à l'article I.3, 1°, f) du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, que ces organismes désignent à cet effet ;
3° les membres du personnel communaux désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins, même s'il s'agit de membres du personnel d'une autre commune ;
4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, désignés à cet effet par ce dernier ;
5° les membres du personnel [1 ...]1 des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police, que ces services de police désignent à cet effet ;
6° les membres du personnel d'une régie portuaire, que celle-ci désigne à cet effet ;
7° les gardes champêtres particuliers mentionnés à l'article 61 du Code rural, qui sont désignés par le Gouvernement flamand à cet effet ;
8° les membres du personnel de la province que la députation désigne à cet effet.
Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé à l'alinéa 1er, 1° et 7°.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les exigences en matière de formation et d'expérience ainsi que les autres conditions à remplir par les catégories de superviseurs. [2 Le Gouvernement flamand peut subordonner la nomination du superviseur à l'une des conditions suivantes :
1° suivre une formation organisée par l'administration flamande visée à l'article I.3, alinéa 1er, 2°, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018 ;
2° suivre une formation dispensée par des institutions agréées à cet effet par le Gouvernement flamand, conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand ;
3° fournir la preuve d'une qualification professionnelle telle que visée à l'article 8, alinéa 1er, du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications, agréée par le Gouvernement flamand pour l'exercice de la profession de superviseur. ]2
Le Gouvernement flamand peut restreindre la mission de supervision et de recherche de catégories de superviseurs sur le plan du contenu, géographique ou temporel, ou leur refuser le statut d'agent de police judiciaire. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut subventionner la désignation en tant que superviseur ou soutenir la formation et l'éducation permanente de ces superviseurs.
§ 4. L'arrêté de désignation du superviseur définit ses fonctions de supervision et de recherche. Dans les limites de sa mission de surveillance et de recherche, le superviseur dispose des compétences visées au présent chapitre, sans préjudice de la possibilité pour le Gouvernement flamand d'exclure l'usage des compétences précitées pour des catégories de superviseurs ou de les soumettre à des conditions supplémentaires. Un superviseur n'utilise ses compétences que lorsque cela est raisonnablement nécessaire pour l'accomplissement de sa mission. La supervision est effectuée de manière indépendante et neutre, et le superviseur veille à ce que l'utilisation de ses compétences ne cause pas de préjudice disproportionné au contrevenant ou à des tiers.
Les superviseurs ne peuvent exercer les compétences visées à l'alinéa 1er, que s'ils sont assermentés. Le superviseur prête serment conformément aux dispositions légales ou décrétales qui lui sont applicables ou, à défaut, entre les mains de son manager de ligne ou de son mandataire conformément à l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
Sans préjudice de l'article 9, alinéa 1er, du règlement général sur la protection des données, l'utilisation des compétences mentionnées à l'alinéa 1er doit respecter toutes les conditions suivantes :
1° elle ne porte pas atteinte à l'intimité d'une personne ;
2° elle ne vise pas à recueillir des informations sur les opinions philosophiques, religieuses, politiques, syndicales ou sur l'origine ethnique ou sociale, la vie sexuelle ou l'état de santé ;
3° elle ne vise pas à traiter des données génétiques ou des données biométriques en vue d'identifier une personne de manière unique.
§ 5. Sans préjudice de l'application des dispositions de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les superviseurs, dans l'exercice de leurs fonctions, sont porteurs d'une preuve de légitimation délivrée par l'autorité publique ou l'entité au sein de laquelle ils travaillent.
Les superviseurs présentent immédiatement leur preuve de légitimation lorsqu'ils en reçoivent la demande.
Art. 9. § 1. Als toezichthouders naar aanleiding van de vaststelling van een onregelmatigheid redelijkerwijze kunnen vermoeden dat een misdrijf, inbreuk of normschending in de zin van de Vlaamse regelgeving waarop hij toezicht houdt, is gepleegd, kunnen ze, als dat nodig is, na het bewijs ervan te hebben verzekerd als vermeld in artikel 17 van dit decreet, een van de volgende handelingen stellen:
1° het opsporingsonderzoek van de vermoede misdrijven of inbreuken beginnen als ze daarvoor bevoegd zijn;
2° het toezicht van de vermoede misdrijven, inbreuken of normschendingen voortzetten om maatregelen op te leggen, te doen opleggen of op te volgen of om andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard te nemen op grond van Vlaamse regelgeving. Die maatregelen of beslissingen zijn geen straf als vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
De opstart van een opsporingsonderzoek verhindert niet dat de toezichthouder toezicht kan blijven uitoefenen, voor de doeleinden vermeld in punt 2° van het eerste lid.
§ 2. Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot misdrijven kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat aan het openbaar ministerie wordt gericht. Een afschrift van het voormelde proces-verbaal wordt steeds aan de beboetingsinstantie verstuurd.
Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot inbreuken of normschendingen kunnen worden opgenomen in een verslag van vaststelling, dat aan de beboetingsinstantie wordt gericht.
Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot zowel misdrijven als inbreuken of normschendingen, kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat ook als verslag van vaststelling geldt.
Vaststellingen en inlichtingen, bekomen door de inzet van toezichtrechten, die niet geleid hebben tot de vaststelling van een misdrijf, inbreuk of normschending, kunnen worden opgenomen in een controleverslag.
§ 3. Toezichthouders zonder hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie die tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht misdrijven vaststellen, kunnen daarvan een administratief verslag opstellen. Dat verslag wordt met in achtneming van de richtlijnen van het openbaar ministerie aan een bevoegde toezichthouder gericht. De voormelde toezichthouders kunnen het voormelde verslag in een proces-verbaal opnemen, in voorkomend geval samen met hun eigen vaststellingen.
Het eerste lid is ook van toepassing op misdrijven, inbreuken of normschendingen die toezichthouders tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht vaststellen, maar die buiten die opdracht vallen. De administratieve verslagen over inbreuken en normschendingen worden gericht aan de bevoegde toezichthouder, die ze kan opnemen in een verslag van vaststelling, in voorkomend geval samen met zijn eigen vaststellingen.
§ 4. Het proces-verbaal of verslag van vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel voor de feitelijke vaststellingen die erin zijn opgenomen. Een afschrift ervan kan altijd worden bezorgd aan de persoon of de personen ten laste van wie het is opgesteld.
§ 5. Als door het misdrijf, de inbreuk of de normschending mogelijk maatregelen of andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard nodig zijn, stuurt de toezichthouder een afschrift van het proces-verbaal of het verslag van vaststelling naar de overheid die daarover oordeelt.
De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
§ 6. De politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, bezorgen de bevoegde beboetingsinstantie een afschrift van hun processen-verbaal waarin vaststellingen of inlichtingen met betrekking tot misdrijven zijn opgenomen.
Onverminderd de mogelijkheden van de in het eerste lid bedoelde politiediensten om rechtstreeks een afschrift van het proces-verbaal te richten aan de in paragraaf vijf bedoelde overheden, kunnen de bevoegde beboetingsinstanties deze overheden in kennis stellen van het ontvangen afschrift.
1° het opsporingsonderzoek van de vermoede misdrijven of inbreuken beginnen als ze daarvoor bevoegd zijn;
2° het toezicht van de vermoede misdrijven, inbreuken of normschendingen voortzetten om maatregelen op te leggen, te doen opleggen of op te volgen of om andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard te nemen op grond van Vlaamse regelgeving. Die maatregelen of beslissingen zijn geen straf als vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
De opstart van een opsporingsonderzoek verhindert niet dat de toezichthouder toezicht kan blijven uitoefenen, voor de doeleinden vermeld in punt 2° van het eerste lid.
§ 2. Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot misdrijven kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat aan het openbaar ministerie wordt gericht. Een afschrift van het voormelde proces-verbaal wordt steeds aan de beboetingsinstantie verstuurd.
Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot inbreuken of normschendingen kunnen worden opgenomen in een verslag van vaststelling, dat aan de beboetingsinstantie wordt gericht.
Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot zowel misdrijven als inbreuken of normschendingen, kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat ook als verslag van vaststelling geldt.
Vaststellingen en inlichtingen, bekomen door de inzet van toezichtrechten, die niet geleid hebben tot de vaststelling van een misdrijf, inbreuk of normschending, kunnen worden opgenomen in een controleverslag.
§ 3. Toezichthouders zonder hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie die tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht misdrijven vaststellen, kunnen daarvan een administratief verslag opstellen. Dat verslag wordt met in achtneming van de richtlijnen van het openbaar ministerie aan een bevoegde toezichthouder gericht. De voormelde toezichthouders kunnen het voormelde verslag in een proces-verbaal opnemen, in voorkomend geval samen met hun eigen vaststellingen.
Het eerste lid is ook van toepassing op misdrijven, inbreuken of normschendingen die toezichthouders tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht vaststellen, maar die buiten die opdracht vallen. De administratieve verslagen over inbreuken en normschendingen worden gericht aan de bevoegde toezichthouder, die ze kan opnemen in een verslag van vaststelling, in voorkomend geval samen met zijn eigen vaststellingen.
§ 4. Het proces-verbaal of verslag van vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel voor de feitelijke vaststellingen die erin zijn opgenomen. Een afschrift ervan kan altijd worden bezorgd aan de persoon of de personen ten laste van wie het is opgesteld.
§ 5. Als door het misdrijf, de inbreuk of de normschending mogelijk maatregelen of andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard nodig zijn, stuurt de toezichthouder een afschrift van het proces-verbaal of het verslag van vaststelling naar de overheid die daarover oordeelt.
De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
§ 6. De politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, bezorgen de bevoegde beboetingsinstantie een afschrift van hun processen-verbaal waarin vaststellingen of inlichtingen met betrekking tot misdrijven zijn opgenomen.
Onverminderd de mogelijkheden van de in het eerste lid bedoelde politiediensten om rechtstreeks een afschrift van het proces-verbaal te richten aan de in paragraaf vijf bedoelde overheden, kunnen de bevoegde beboetingsinstanties deze overheden in kennis stellen van het ontvangen afschrift.
Art. 9. § 1er. Lorsque, à la suite de la constatation d'une irrégularité, les superviseurs peuvent raisonnablement soupçonner qu'un délit, une infraction ou une violation des normes au sens de la réglementation flamande dont ils assurent la surveillance, a été commis, ils peuvent, si nécessaire, après en avoir assuré la preuve, au sens de l'article 17 du présent décret, effectuer l'un des actes suivants :
1° entamer une enquête de recherche sur des délits ou des infractions présumés s'ils y sont autorisés ;
2° poursuivre la surveillance des délits, des infractions ou des violations de normes présumés afin d'imposer, de faire imposer ou de suivre des mesures ou de prendre d'autres décisions de nature civile ou administrative en vertu de la réglementation flamande. Ces mesures ou décisions ne constituent pas une peine au sens de l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme.
L'ouverture d'une enquête de recherche n'empêche pas le superviseur de poursuivre la surveillance, aux fins mentionnées au point 2° de l'alinéa 1er.
§ 2. Les constatations et les renseignements relatifs aux délits peuvent être repris dans un procès-verbal, qui est adressé au ministère public. Une copie du procès-verbal précité est toujours envoyée à l'instance verbalisante.
Les constatations et les renseignements relatifs aux infractions ou aux violations des normes peuvent faire l'objet d'un rapport de constatation qui est adressé à l'instance verbalisante.
Les constatations et les renseignements relatifs aux délits, aux infractions ou aux violations de normes peuvent être repris dans un procès-verbal, qui sert également de rapport de constatation.
Les constatations et les renseignements obtenus par l'exercice des droits de surveillance, qui n'ont pas conduit à la constatation d'un délit, d'une infraction ou d'une violation des normes, peuvent être inclus dans un rapport de contrôle.
§ 3. Les superviseurs n'ayant pas la qualité d'agent de police judiciaire qui constatent des délits lors de l'exercice de leurs missions de supervision et de recherche peuvent en faire un rapport administratif. Ce rapport est adressé à un superviseur compétent, dans le respect des directives du ministère public. Les superviseurs précités peuvent consigner le rapport précité dans un procès-verbal, le cas échéant accompagné de leurs propres constatations.
L'alinéa 1er s'applique également aux délits, infractions, ou violations de normes que les superviseurs constatent dans le cadre de leur mission de supervision et de recherche, mais qui ne relèvent pas de cette mission. Les rapports administratifs sur les infractions et les violations des normes sont adressés au superviseur compétent, qui peut les inclure dans un rapport de constatation, accompagné, le cas échéant, de ses propres constatations.
§ 4. Le procès-verbal ou le rapport de constatation fait foi jusqu'à preuve du contraire pour les constatations de fait qu'il contient. Une copie peut toujours être remise à la (aux) personne(s) pour le compte de laquelle (desquelles) il a été établi.
§ 5. Si le délit, l'infraction ou la violation de normes peut nécessiter des mesures ou d'autres décisions de nature civile ou administrative, le superviseur envoie une copie du procès-verbal ou du rapport de constatation à l'autorité qui statue sur l'affaire.
Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
§ 6. Les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police fournissent à l'instance verbalisante compétente une copie de leurs procès-verbaux contenant des constatations ou des renseignements relatifs à des délits.
Sans préjudice des possibilités des services de police visés à l'alinéa 1er d'adresser directement une copie du procès-verbal aux autorités visées au paragraphe 5, les instances verbalisantes compétentes peuvent informer ces autorités de la copie reçue.
1° entamer une enquête de recherche sur des délits ou des infractions présumés s'ils y sont autorisés ;
2° poursuivre la surveillance des délits, des infractions ou des violations de normes présumés afin d'imposer, de faire imposer ou de suivre des mesures ou de prendre d'autres décisions de nature civile ou administrative en vertu de la réglementation flamande. Ces mesures ou décisions ne constituent pas une peine au sens de l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme.
L'ouverture d'une enquête de recherche n'empêche pas le superviseur de poursuivre la surveillance, aux fins mentionnées au point 2° de l'alinéa 1er.
§ 2. Les constatations et les renseignements relatifs aux délits peuvent être repris dans un procès-verbal, qui est adressé au ministère public. Une copie du procès-verbal précité est toujours envoyée à l'instance verbalisante.
Les constatations et les renseignements relatifs aux infractions ou aux violations des normes peuvent faire l'objet d'un rapport de constatation qui est adressé à l'instance verbalisante.
Les constatations et les renseignements relatifs aux délits, aux infractions ou aux violations de normes peuvent être repris dans un procès-verbal, qui sert également de rapport de constatation.
Les constatations et les renseignements obtenus par l'exercice des droits de surveillance, qui n'ont pas conduit à la constatation d'un délit, d'une infraction ou d'une violation des normes, peuvent être inclus dans un rapport de contrôle.
§ 3. Les superviseurs n'ayant pas la qualité d'agent de police judiciaire qui constatent des délits lors de l'exercice de leurs missions de supervision et de recherche peuvent en faire un rapport administratif. Ce rapport est adressé à un superviseur compétent, dans le respect des directives du ministère public. Les superviseurs précités peuvent consigner le rapport précité dans un procès-verbal, le cas échéant accompagné de leurs propres constatations.
L'alinéa 1er s'applique également aux délits, infractions, ou violations de normes que les superviseurs constatent dans le cadre de leur mission de supervision et de recherche, mais qui ne relèvent pas de cette mission. Les rapports administratifs sur les infractions et les violations des normes sont adressés au superviseur compétent, qui peut les inclure dans un rapport de constatation, accompagné, le cas échéant, de ses propres constatations.
§ 4. Le procès-verbal ou le rapport de constatation fait foi jusqu'à preuve du contraire pour les constatations de fait qu'il contient. Une copie peut toujours être remise à la (aux) personne(s) pour le compte de laquelle (desquelles) il a été établi.
§ 5. Si le délit, l'infraction ou la violation de normes peut nécessiter des mesures ou d'autres décisions de nature civile ou administrative, le superviseur envoie une copie du procès-verbal ou du rapport de constatation à l'autorité qui statue sur l'affaire.
Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
§ 6. Les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police fournissent à l'instance verbalisante compétente une copie de leurs procès-verbaux contenant des constatations ou des renseignements relatifs à des délits.
Sans préjudice des possibilités des services de police visés à l'alinéa 1er d'adresser directement une copie du procès-verbal aux autorités visées au paragraphe 5, les instances verbalisantes compétentes peuvent informer ces autorités de la copie reçue.
Art. 10. § 1. Toezichthouders kunnen alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dreigende normschendingen, inbreuken of misdrijven te voorkomen.
§ 2. In overeenstemming met de algemene beleidslijnen, vermeld in hoofdstuk 8, kunnen toezichthouders een waarschuwing richten tot de overtreder, met het verzoek zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen, de schadelijke gevolgen van het misdrijf, de inbreuk of de normschending te herstellen, en het bewijs daarvan te verschaffen. In dat geval wordt alleen een proces-verbaal of verslag van vaststelling opgesteld of aangifte gedaan als de termijn tot regularisatie of de bewijsvoering over de regularisatie wordt genegeerd.
Als dat nodig is, kan de termijn, vermeld in het eerste lid, worden opgedeeld in fases. Als verschillende misdrijven, inbreuken of normschendingen worden vastgesteld, kunnen verschillende termijnen voor elk misdrijf, elke inbreuk of elke normschending worden opgelegd als dat nodig is.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat een afschrift van de waarschuwing, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd aan de overheden die ze aanwijst.
§ 2. In overeenstemming met de algemene beleidslijnen, vermeld in hoofdstuk 8, kunnen toezichthouders een waarschuwing richten tot de overtreder, met het verzoek zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen, de schadelijke gevolgen van het misdrijf, de inbreuk of de normschending te herstellen, en het bewijs daarvan te verschaffen. In dat geval wordt alleen een proces-verbaal of verslag van vaststelling opgesteld of aangifte gedaan als de termijn tot regularisatie of de bewijsvoering over de regularisatie wordt genegeerd.
Als dat nodig is, kan de termijn, vermeld in het eerste lid, worden opgedeeld in fases. Als verschillende misdrijven, inbreuken of normschendingen worden vastgesteld, kunnen verschillende termijnen voor elk misdrijf, elke inbreuk of elke normschending worden opgelegd als dat nodig is.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat een afschrift van de waarschuwing, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd aan de overheden die ze aanwijst.
Art. 10. § 1er. Les superviseurs peuvent donner tous les conseils qu'ils jugent utiles pour prévenir les violations de normes, les infractions ou les délits imminents.
§ 2. Conformément aux politiques générales mentionnées au chapitre 8, les superviseurs peuvent adresser un avertissement au contrevenant, lui demandant de prendre des mesures réglementaires dans un délai déterminé, de remédier aux effets préjudiciables du délit, de l'infraction, ou de la violation de normes, et d'en fournir la preuve. Dans ce cas, un procès-verbal, un rapport de constatation ou une déclaration ne sera établi que si le délai de régularisation ou la preuve de la régularisation n'est pas respecté.
Si nécessaire, le délai mentionné à l'alinéa 1er, peut être divisé en plusieurs phases. Si plusieurs délits, infractions ou violations de normes sont constatés, des délais différents peuvent être imposés pour chaque délit, infraction, ou violation de normes, si nécessaire.
Le Gouvernement flamand peut déterminer qu'une copie de l'avertissement visé à l'alinéa 1er, sera remise aux autorités qu'il désigne.
§ 2. Conformément aux politiques générales mentionnées au chapitre 8, les superviseurs peuvent adresser un avertissement au contrevenant, lui demandant de prendre des mesures réglementaires dans un délai déterminé, de remédier aux effets préjudiciables du délit, de l'infraction, ou de la violation de normes, et d'en fournir la preuve. Dans ce cas, un procès-verbal, un rapport de constatation ou une déclaration ne sera établi que si le délai de régularisation ou la preuve de la régularisation n'est pas respecté.
Si nécessaire, le délai mentionné à l'alinéa 1er, peut être divisé en plusieurs phases. Si plusieurs délits, infractions ou violations de normes sont constatés, des délais différents peuvent être imposés pour chaque délit, infraction, ou violation de normes, si nécessaire.
Le Gouvernement flamand peut déterminer qu'une copie de l'avertissement visé à l'alinéa 1er, sera remise aux autorités qu'il désigne.
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de toezichthouder in het kader van toezicht
Section 2. - Compétences du superviseur en matière de supervision
Art. 11. Binnen de termijn die toezichthouders bepalen, verleent iedereen aan toezichthouders alle medewerking die redelijkerwijze kan worden gevraagd bij de uitoefening van hun toezichtrechten. Toezichthouders hebben het recht om inlichtingen te vorderen van iedere persoon of instantie die betrokken is bij of kennis heeft of kan hebben van de feiten die worden gecontroleerd.
Toezichtrechten kunnen in het kader van toezicht nooit worden afgedwongen met geweld of enige andere dwang op de persoon.
Bij de uitoefening van hun opdrachten kunnen toezichthouders de bijstand vorderen van al de volgende actoren:
1° de lokale en federale politie;
2° deskundigen;
3° andere personen die daarvoor door de toezichthouder zijn aangewezen.
Toezichtrechten kunnen in het kader van toezicht nooit worden afgedwongen met geweld of enige andere dwang op de persoon.
Bij de uitoefening van hun opdrachten kunnen toezichthouders de bijstand vorderen van al de volgende actoren:
1° de lokale en federale politie;
2° deskundigen;
3° andere personen die daarvoor door de toezichthouder zijn aangewezen.
Art. 11. Dans le délai fixé par les superviseurs, toute partie leur apporte toute la coopération qui peut raisonnablement leur être demandée dans l'exercice de leurs droits de supervision. Les superviseurs ont le droit d'exiger des informations de toute personne ou instance qui est impliquée ou qui a, ou peut avoir, connaissance des faits contrôlés.
Les droits de surveillance ne peuvent jamais être exercés par la force ou par toute autre contrainte sur la personne.
Dans l'exercice de leurs missions, les superviseurs peuvent demander l'assistance de tous les acteurs suivants :
1° la police locale et fédérale ;
2° des experts ;
3° d'autres personnes désignées à cet effet par le superviseur.
Les droits de surveillance ne peuvent jamais être exercés par la force ou par toute autre contrainte sur la personne.
Dans l'exercice de leurs missions, les superviseurs peuvent demander l'assistance de tous les acteurs suivants :
1° la police locale et fédérale ;
2° des experts ;
3° d'autres personnes désignées à cet effet par le superviseur.
Art. 12. § 1. Toezichthouders kunnen met betrekking tot vervoermiddelen:
1° de technische karakteristieken onderzoeken;
2° de lading onderzoeken, en ze zo nodig doen lossen met het oog op dat onderzoek;
3° de wettelijk voorgeschreven vervoersdocumenten laten voorleggen, inzien en kopiëren;
4° de bestuurders en begeleiders bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, stil te houden of over te brengen naar een door hem aangewezen plaats.
§ 2. Toezichthouders kunnen de identificatiegegevens van de kentekenhouder van een voertuig vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van dat voertuig.
Als de kentekenhouder een rechtspersoon is, is hij verplicht de gebruikelijke bestuurder van het voertuig aan te wijzen.
De houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder die het tegenbewijs, vermeld in artikel 27, § 4, levert, is verplicht de persoon aan te wijzen die bestuurder was op het ogenblik van de vastgestelde feiten, tenzij de houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder aannemelijk kan maken dat hij de identiteit van de echte bestuurder niet kent.
1° de technische karakteristieken onderzoeken;
2° de lading onderzoeken, en ze zo nodig doen lossen met het oog op dat onderzoek;
3° de wettelijk voorgeschreven vervoersdocumenten laten voorleggen, inzien en kopiëren;
4° de bestuurders en begeleiders bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, stil te houden of over te brengen naar een door hem aangewezen plaats.
§ 2. Toezichthouders kunnen de identificatiegegevens van de kentekenhouder van een voertuig vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van dat voertuig.
Als de kentekenhouder een rechtspersoon is, is hij verplicht de gebruikelijke bestuurder van het voertuig aan te wijzen.
De houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder die het tegenbewijs, vermeld in artikel 27, § 4, levert, is verplicht de persoon aan te wijzen die bestuurder was op het ogenblik van de vastgestelde feiten, tenzij de houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder aannemelijk kan maken dat hij de identiteit van de echte bestuurder niet kent.
Art. 12. § 1er. Les superviseurs peuvent, en ce qui concerne les moyens de transport :
1° examiner les caractéristiques techniques ;
2° examiner la cargaison et, le cas échéant, la faire décharger à cette fin ;
3° faire produire les documents de transport légalement requis, les contrôler et les copier ;
4° ordonner aux conducteurs et accompagnateurs de mettre le moyen de transport à l'arrêt, de le stopper ou de le transférer à un endroit qu'ils désignent.
§ 2. Les superviseurs peuvent demander les données d'identification du titulaire de la plaque d'immatriculation d'un véhicule à l'autorité chargée de l'immatriculation de ce véhicule.
Si le titulaire de la plaque d'immatriculation est une personne morale, il est tenu de désigner le conducteur habituel du véhicule.
Le titulaire de la plaque d'immatriculation ou le conducteur habituel qui fournit la preuve contraire visée à l'article 27, § 4, est tenu de désigner la personne qui était le conducteur au moment des faits constatés, sauf si le titulaire de la plaque d'immatriculation ou le conducteur habituel peut démontrer qu'il ne connaît pas l'identité du conducteur réel.
1° examiner les caractéristiques techniques ;
2° examiner la cargaison et, le cas échéant, la faire décharger à cette fin ;
3° faire produire les documents de transport légalement requis, les contrôler et les copier ;
4° ordonner aux conducteurs et accompagnateurs de mettre le moyen de transport à l'arrêt, de le stopper ou de le transférer à un endroit qu'ils désignent.
§ 2. Les superviseurs peuvent demander les données d'identification du titulaire de la plaque d'immatriculation d'un véhicule à l'autorité chargée de l'immatriculation de ce véhicule.
Si le titulaire de la plaque d'immatriculation est une personne morale, il est tenu de désigner le conducteur habituel du véhicule.
Le titulaire de la plaque d'immatriculation ou le conducteur habituel qui fournit la preuve contraire visée à l'article 27, § 4, est tenu de désigner la personne qui était le conducteur au moment des faits constatés, sauf si le titulaire de la plaque d'immatriculation ou le conducteur habituel peut démontrer qu'il ne connaît pas l'identité du conducteur réel.
Art. 13. Toezichthouders hebben het recht:
1° de identiteit op te nemen en de te identificeren personen daarvoor staande te houden;
2° de voorlegging van officiële identiteitsdocumenten te vorderen;
3° als de identiteit niet kan worden vastgesteld conform punt 1° of 2°, de identiteit te achterhalen met de hulp van niet-officiële documenten die hen vrijwillig worden voorgelegd als de te identificeren personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen wordt getwijfeld. Ze kunnen ook met toepassing van artikel 16 de identiteit van die personen trachten te achterhalen via beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
De identiteitsdocumenten, vermeld in het eerste lid, 2°, worden onmiddellijk na de verificatie van de identiteit teruggegeven aan de betrokkene.
1° de identiteit op te nemen en de te identificeren personen daarvoor staande te houden;
2° de voorlegging van officiële identiteitsdocumenten te vorderen;
3° als de identiteit niet kan worden vastgesteld conform punt 1° of 2°, de identiteit te achterhalen met de hulp van niet-officiële documenten die hen vrijwillig worden voorgelegd als de te identificeren personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen wordt getwijfeld. Ze kunnen ook met toepassing van artikel 16 de identiteit van die personen trachten te achterhalen via beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
De identiteitsdocumenten, vermeld in het eerste lid, 2°, worden onmiddellijk na de verificatie van de identiteit teruggegeven aan de betrokkene.
Art. 13. Les superviseurs ont le droit :
1° d'enregistrer l'identité et de retenir les personnes à identifier à cette fin ;
2° d'exiger la présentation de documents d'identité officiels ;
3° si l'identité ne peut être établie conformément aux points 1° ou 2°, de rechercher l'identité à l'aide de documents non officiels qui leur sont volontairement présentés si les personnes à identifier ne peuvent présenter de documents d'identification officiels ou s'il existe des doutes quant à leur authenticité ou à l'identité de ces personnes. Ils peuvent également, en application de l'article 16, chercher à identifier ces personnes à l'aide de matériel visuel, quel qu'en soit le support.
Les documents d'identité visés à l'alinéa 1er, 2°, sont restitués à l'intéressé immédiatement après la vérification d'identité.
1° d'enregistrer l'identité et de retenir les personnes à identifier à cette fin ;
2° d'exiger la présentation de documents d'identité officiels ;
3° si l'identité ne peut être établie conformément aux points 1° ou 2°, de rechercher l'identité à l'aide de documents non officiels qui leur sont volontairement présentés si les personnes à identifier ne peuvent présenter de documents d'identification officiels ou s'il existe des doutes quant à leur authenticité ou à l'identité de ces personnes. Ils peuvent également, en application de l'article 16, chercher à identifier ces personnes à l'aide de matériel visuel, quel qu'en soit le support.
Les documents d'identité visés à l'alinéa 1er, 2°, sont restitués à l'intéressé immédiatement après la vérification d'identité.
Art. 14. § 1. Toezichthouders hebben het recht om zonder voorafgaande waarschuwing de onmiddellijke voorlegging te vorderen van alle informatie, documenten en informatiedragers in geschreven, digitale of analoge vorm, met betrekking tot gereglementeerde, gesubsidieerde of van overheidswege gefinancierde activiteiten of verplichtingen.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt in een verstaanbare, leesbare en kopieerbare vorm.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, kan op al de volgende locaties gebeuren:
1° op het kantoor van de toezichthouder;
2° op de plaats die de toezichthouder aanwijst;
3° ter plaatse.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt ter plaatse als vermeld in het derde lid, 3°, als de bij het toezicht betrokken persoon redelijkerwijze aanvaardbaar maakt dat een voorlegging op het kantoor of op de aangewezen plaats als vermeld in het derde lid, 1° en 2°, niet mogelijk is.
§ 2. Toezichthouders hebben het recht om inzage te nemen in de informatie, gegevens, documenten en informatiedragers, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Toezichthouders kunnen zich kosteloos een kopie laten bezorgen in de vorm die ze vragen of er zelf een kopie van maken.
Als kopiëren ter plaatse niet mogelijk is, mogen toezichthouders tegen een schriftelijk bewijs dat ze afgeven, de informatiedrager en documenten bij zich houden of meenemen tijdens een periode die vereist is om ze te kopiëren of te onderzoeken. De voormelde periode mag niet langer duren dan veertien dagen, tenzij de toezichthouder voordat die periode is verstreken aan de betrokkenen de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt in een verstaanbare, leesbare en kopieerbare vorm.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, kan op al de volgende locaties gebeuren:
1° op het kantoor van de toezichthouder;
2° op de plaats die de toezichthouder aanwijst;
3° ter plaatse.
De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt ter plaatse als vermeld in het derde lid, 3°, als de bij het toezicht betrokken persoon redelijkerwijze aanvaardbaar maakt dat een voorlegging op het kantoor of op de aangewezen plaats als vermeld in het derde lid, 1° en 2°, niet mogelijk is.
§ 2. Toezichthouders hebben het recht om inzage te nemen in de informatie, gegevens, documenten en informatiedragers, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Toezichthouders kunnen zich kosteloos een kopie laten bezorgen in de vorm die ze vragen of er zelf een kopie van maken.
Als kopiëren ter plaatse niet mogelijk is, mogen toezichthouders tegen een schriftelijk bewijs dat ze afgeven, de informatiedrager en documenten bij zich houden of meenemen tijdens een periode die vereist is om ze te kopiëren of te onderzoeken. De voormelde periode mag niet langer duren dan veertien dagen, tenzij de toezichthouder voordat die periode is verstreken aan de betrokkenen de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden.
Art. 14. § 1er. Les superviseurs ont le droit d'exiger la présentation immédiate de tous les renseignements, documents et supports de données sous forme écrite, numérique ou analogique, relatifs aux activités ou obligations réglementées, subventionnées ou financées par des fonds publics, et ce sans préavis.
La présentation visée à l'alinéa 1er, est faite sur place sous une forme intelligible et lisible qui peut être copiée.
La présentation visée à l'alinéa 1er, peut se faire à tous les endroits suivants :
1° au bureau du superviseur ;
2° à l'endroit désigné par le superviseur ;
3° sur place.
La présentation visée à l'alinéa 1er, se fait sur place conformément à l'alinéa 3, 3°, si la personne concernée par la surveillance rend raisonnablement acceptable qu'une présentation au bureau ou à l'endroit désigné, tel que visé à l'alinéa 3, 1° et 2°, ne soit pas possible.
§ 2. Les superviseurs ont le droit de consulter les informations, données, documents et supports d'information visés au paragraphe 1er.
§ 3. Les superviseurs peuvent demander une copie sans frais sous la forme qu'ils demandent ou effectuer eux-mêmes une copie.
Lorsqu'il n'est pas possible de faire une copie sur place, les superviseurs peuvent conserver ou emmener, contre récépissé délivré par eux, le support d'information et les documents pour une période nécessaire pour les copier ou examiner. La période précitée ne dépasse pas 14 jours, à moins que le superviseur ne communique aux personnes concernées, avant la fin de cette période, les raisons particulières justifiant un délai plus long.
La présentation visée à l'alinéa 1er, est faite sur place sous une forme intelligible et lisible qui peut être copiée.
La présentation visée à l'alinéa 1er, peut se faire à tous les endroits suivants :
1° au bureau du superviseur ;
2° à l'endroit désigné par le superviseur ;
3° sur place.
La présentation visée à l'alinéa 1er, se fait sur place conformément à l'alinéa 3, 3°, si la personne concernée par la surveillance rend raisonnablement acceptable qu'une présentation au bureau ou à l'endroit désigné, tel que visé à l'alinéa 3, 1° et 2°, ne soit pas possible.
§ 2. Les superviseurs ont le droit de consulter les informations, données, documents et supports d'information visés au paragraphe 1er.
§ 3. Les superviseurs peuvent demander une copie sans frais sous la forme qu'ils demandent ou effectuer eux-mêmes une copie.
Lorsqu'il n'est pas possible de faire une copie sur place, les superviseurs peuvent conserver ou emmener, contre récépissé délivré par eux, le support d'information et les documents pour une période nécessaire pour les copier ou examiner. La période précitée ne dépasse pas 14 jours, à moins que le superviseur ne communique aux personnes concernées, avant la fin de cette période, les raisons particulières justifiant un délai plus long.
Art. 15. § 1. Toezichthouders hebben het recht om:
1° de aard en de omvang van de goederen of van de verrichte activiteiten, met inbegrip van de productie-, verpakkings- en verzendingssystemen en methoden te controleren en te verifiëren;
2° monsters te nemen of te laten nemen en metingen, proeven en analyses uit te voeren of te laten uitvoeren;
3° de stand van uitvoering van de gefinancierde werkzaamheden en investeringen, en het gebruik en de bestemming van de uitgevoerde investeringen te controleren en te verifiëren;
4° de financiële en technische uitvoering van gesubsidieerde projecten te controleren en te verifiëren;
5° dieren te identificeren en hun fysieke toestand te onderzoeken, en ook de omstandigheden waarin ze worden gehouden, gekweekt, verzorgd, gehuisvest, verhandeld, in- en uitgevoerd, vervoerd, gedood of aan proeven onderworpen.
Als de controles, verificaties of monsternemingen niet ter plaatse kunnen worden uitgevoerd, mogen toezichthouders de zaken en dieren, vermeld in het eerste lid, tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.
Toezichthouders mogen de technische middelen en het personeel om de controle, bemonstering of verificatie uit te voeren kosteloos opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken en dieren.
Toezichthouders hebben het recht gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek het vervoer, het gebruik, de verhandeling en de verwerking van zaken en dieren te verbieden zonder dat daarvoor kosten kunnen worden aangerekend.
De onderzoeksmaatregelen, vermeld in het tweede tot en met vierde lid, mogen niet langer duren dan drie weken, tenzij de toezichthouder de betrokkenen voor het verstrijken van die termijn de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden.
§ 2. Toezichthouders zijn bevoegd om verpakkingen te openen bij de uitoefening van de rechten, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de monsternemingen, metingen, proeven, analyses en verificaties, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van het recht van de gecontroleerde om de afname van een tegenstaal te eisen. De Vlaamse Regering kan regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en deskundigen.
1° de aard en de omvang van de goederen of van de verrichte activiteiten, met inbegrip van de productie-, verpakkings- en verzendingssystemen en methoden te controleren en te verifiëren;
2° monsters te nemen of te laten nemen en metingen, proeven en analyses uit te voeren of te laten uitvoeren;
3° de stand van uitvoering van de gefinancierde werkzaamheden en investeringen, en het gebruik en de bestemming van de uitgevoerde investeringen te controleren en te verifiëren;
4° de financiële en technische uitvoering van gesubsidieerde projecten te controleren en te verifiëren;
5° dieren te identificeren en hun fysieke toestand te onderzoeken, en ook de omstandigheden waarin ze worden gehouden, gekweekt, verzorgd, gehuisvest, verhandeld, in- en uitgevoerd, vervoerd, gedood of aan proeven onderworpen.
Als de controles, verificaties of monsternemingen niet ter plaatse kunnen worden uitgevoerd, mogen toezichthouders de zaken en dieren, vermeld in het eerste lid, tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.
Toezichthouders mogen de technische middelen en het personeel om de controle, bemonstering of verificatie uit te voeren kosteloos opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken en dieren.
Toezichthouders hebben het recht gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek het vervoer, het gebruik, de verhandeling en de verwerking van zaken en dieren te verbieden zonder dat daarvoor kosten kunnen worden aangerekend.
De onderzoeksmaatregelen, vermeld in het tweede tot en met vierde lid, mogen niet langer duren dan drie weken, tenzij de toezichthouder de betrokkenen voor het verstrijken van die termijn de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden.
§ 2. Toezichthouders zijn bevoegd om verpakkingen te openen bij de uitoefening van de rechten, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de monsternemingen, metingen, proeven, analyses en verificaties, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van het recht van de gecontroleerde om de afname van een tegenstaal te eisen. De Vlaamse Regering kan regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en deskundigen.
Art. 15. § 1er. Les superviseurs ont le droit :
1° de contrôler et de vérifier la nature et l'étendue des biens ou des activités exercées, y compris les systèmes et méthodes de production, d'emballage et d'expédition ;
2° de prélever ou de faire prélever des échantillons et d'effectuer ou de faire effectuer des mesures, des essais et des analyses ;
3° de contrôler et de vérifier l'état d'avancement des travaux et investissements financés, ainsi que l'utilisation et la destination des investissements réalisés ;
4° de contrôler et de vérifier l'exécution financière et technique des projets subventionnés ;
5° d'identifier des animaux et d'examiner leur état physique, ainsi que les conditions dans lesquelles ils sont détenus, élevés, soignés, hébergés, commercialisés, importés et exportés, transportés, tués ou soumis à des tests.
Si les contrôles, vérifications ou échantillonnages ne peuvent être effectués sur place, les superviseurs peuvent emporter les objets et animaux mentionnés à l'alinéa 1er, contre une preuve écrite à délivrer par eux pendant la période nécessaire à l'enquête.
Les superviseurs peuvent exiger du détenteur des biens et des animaux à examiner qu'il leur fournisse gratuitement les moyens techniques et le personnel nécessaires pour effectuer le contrôle, l'échantillonnage ou la vérification.
Les superviseurs ont le droit d'interdire le transport, l'utilisation, la commercialisation et le traitement des biens et des animaux pendant le temps nécessaire à l'enquête, sans que des frais puissent être facturés à cet effet.
Les mesures d'enquête mentionnées aux alinéas 2 à 4, ne peuvent excéder trois semaines, à moins que le superviseur ne notifie aux personnes concernées des raisons particulières justifiant un délai plus long avant l'expiration de ce délai.
§ 2. Les superviseurs sont autorisés à ouvrir les emballages lorsqu'ils exercent les droits mentionnés au paragraphe 1er.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour les échantillonnages, les mesures, les tests, les analyses et les vérifications mentionnés au paragraphe 1er, y compris le droit de la personne contrôlée d'exiger le prélèvement d'un contre-échantillon. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles relatives à l'agrément de laboratoires et d'experts.
1° de contrôler et de vérifier la nature et l'étendue des biens ou des activités exercées, y compris les systèmes et méthodes de production, d'emballage et d'expédition ;
2° de prélever ou de faire prélever des échantillons et d'effectuer ou de faire effectuer des mesures, des essais et des analyses ;
3° de contrôler et de vérifier l'état d'avancement des travaux et investissements financés, ainsi que l'utilisation et la destination des investissements réalisés ;
4° de contrôler et de vérifier l'exécution financière et technique des projets subventionnés ;
5° d'identifier des animaux et d'examiner leur état physique, ainsi que les conditions dans lesquelles ils sont détenus, élevés, soignés, hébergés, commercialisés, importés et exportés, transportés, tués ou soumis à des tests.
Si les contrôles, vérifications ou échantillonnages ne peuvent être effectués sur place, les superviseurs peuvent emporter les objets et animaux mentionnés à l'alinéa 1er, contre une preuve écrite à délivrer par eux pendant la période nécessaire à l'enquête.
Les superviseurs peuvent exiger du détenteur des biens et des animaux à examiner qu'il leur fournisse gratuitement les moyens techniques et le personnel nécessaires pour effectuer le contrôle, l'échantillonnage ou la vérification.
Les superviseurs ont le droit d'interdire le transport, l'utilisation, la commercialisation et le traitement des biens et des animaux pendant le temps nécessaire à l'enquête, sans que des frais puissent être facturés à cet effet.
Les mesures d'enquête mentionnées aux alinéas 2 à 4, ne peuvent excéder trois semaines, à moins que le superviseur ne notifie aux personnes concernées des raisons particulières justifiant un délai plus long avant l'expiration de ce délai.
§ 2. Les superviseurs sont autorisés à ouvrir les emballages lorsqu'ils exercent les droits mentionnés au paragraphe 1er.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour les échantillonnages, les mesures, les tests, les analyses et les vérifications mentionnés au paragraphe 1er, y compris le droit de la personne contrôlée d'exiger le prélèvement d'un contre-échantillon. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles relatives à l'agrément de laboratoires et d'experts.
Art. 16. Toezichthouders kunnen vaststellingen doen met audiovisuele middelen. De audiovisuele opname mag niet worden vervormd of gemanipuleerd.
De identificatie van het gebruikte audiovisuele middel, de start en het einde van een opname worden vermeld in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal waarbij de opname gevoegd wordt.
Tenzij het toezicht daardoor in het gedrang zou komen, wordt iedereen die aanwezig is bij een onderzoek, op de hoogte gebracht van de inzet van audiovisuele middelen. Die kennisgeving gebeurt voorafgaand aan of op het ogenblik van het gebruik van de audiovisuele middelen.
Naast de doeleinden waarvoor zij verzameld zijn, mogen de audiovisuele vaststellingen gebruikt worden voor strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en het opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen.
De toepassing van dit artikel mag nooit leiden tot de observatie of het direct afluisteren, vermeld in artikel 47sexies en 90ter van het Wetboek van Strafvordering.
De identificatie van het gebruikte audiovisuele middel, de start en het einde van een opname worden vermeld in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal waarbij de opname gevoegd wordt.
Tenzij het toezicht daardoor in het gedrang zou komen, wordt iedereen die aanwezig is bij een onderzoek, op de hoogte gebracht van de inzet van audiovisuele middelen. Die kennisgeving gebeurt voorafgaand aan of op het ogenblik van het gebruik van de audiovisuele middelen.
Naast de doeleinden waarvoor zij verzameld zijn, mogen de audiovisuele vaststellingen gebruikt worden voor strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en het opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen.
De toepassing van dit artikel mag nooit leiden tot de observatie of het direct afluisteren, vermeld in artikel 47sexies en 90ter van het Wetboek van Strafvordering.
Art. 16. Les superviseurs peuvent également faire des constatations à l'aide de moyens audiovisuels. L'enregistrement audiovisuel ne peut pas être déformé ou manipulé.
L'identification des moyens audiovisuels utilisés, le début et la fin d'un enregistrement sont indiqués dans le rapport de constatation ou le procès-verbal accompagnant l'enregistrement.
Toute personne présente lors d'une enquête est informée de l'utilisation de moyens audiovisuels, à moins que cela ne compromette la supervision. Cette notification a lieu avant ou au moment de l'utilisation des moyens audiovisuels.
Outre les finalités pour lesquelles ils ont été collectés, les enregistrements audiovisuels peuvent être utilisés à des fins de poursuites pénales ou administratives et pour l'imposition de mesures réparatoires et de sécurité publiques.
L'application du présent article ne peut jamais résulter en l'observation ou en l'écoute directe visées aux articles 47sexies et 90ter du Code d'instruction criminelle.
L'identification des moyens audiovisuels utilisés, le début et la fin d'un enregistrement sont indiqués dans le rapport de constatation ou le procès-verbal accompagnant l'enregistrement.
Toute personne présente lors d'une enquête est informée de l'utilisation de moyens audiovisuels, à moins que cela ne compromette la supervision. Cette notification a lieu avant ou au moment de l'utilisation des moyens audiovisuels.
Outre les finalités pour lesquelles ils ont été collectés, les enregistrements audiovisuels peuvent être utilisés à des fins de poursuites pénales ou administratives et pour l'imposition de mesures réparatoires et de sécurité publiques.
L'application du présent article ne peut jamais résulter en l'observation ou en l'écoute directe visées aux articles 47sexies et 90ter du Code d'instruction criminelle.
Art. 17. § 1. Toezichthouders hebben het recht om dieren, voorwerpen, dragers van informatie en documenten in welke vorm ook in bewaring te nemen of op een andere wijze in zekerheid te brengen als ze voor het bewijs van een misdrijf of inbreuk van belang kunnen zijn of het voorwerp kunnen uitmaken van een strafrechtelijk beslag of van een bestuurlijk beslag als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 3. Toezichthouders kunnen daarvoor tot verzegeling overgaan.
De houder van de voorwerpen, dragers of documenten legt die op het eerste verzoek van de toezichthouder voor en overhandigt ze aan de toezichthouder.
§ 2. Toezichthouders maken zo spoedig mogelijk en als dat mogelijk is ter plaatse, een akte van bewaring op met vermelding van de dieren, voorwerpen, dragers en documenten die in bewaring worden genomen of op een andere wijze in zekerheid worden gebracht. Toezichthouders bezorgen de houder onmiddellijk een afschrift van de akte en delen de houder mee waar de dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden bewaard of in zekerheid gebracht. De akte vermeldt of de houder kennis heeft genomen van de akte en of de houder al dan niet akkoord gaat met de bewaring of verzekering.
§ 3. De dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden teruggegeven aan de rechthebbende of de houder als de maatregel van bewaring niet binnen twee weken is omgezet naar een strafrechtelijk of bestuurlijk beslag.
De houder van de voorwerpen, dragers of documenten legt die op het eerste verzoek van de toezichthouder voor en overhandigt ze aan de toezichthouder.
§ 2. Toezichthouders maken zo spoedig mogelijk en als dat mogelijk is ter plaatse, een akte van bewaring op met vermelding van de dieren, voorwerpen, dragers en documenten die in bewaring worden genomen of op een andere wijze in zekerheid worden gebracht. Toezichthouders bezorgen de houder onmiddellijk een afschrift van de akte en delen de houder mee waar de dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden bewaard of in zekerheid gebracht. De akte vermeldt of de houder kennis heeft genomen van de akte en of de houder al dan niet akkoord gaat met de bewaring of verzekering.
§ 3. De dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden teruggegeven aan de rechthebbende of de houder als de maatregel van bewaring niet binnen twee weken is omgezet naar een strafrechtelijk of bestuurlijk beslag.
Art. 17. § 1er. Les superviseurs ont le droit de conserver ou de mettre en sécurité, sous quelque forme que ce soit, des animaux, des objets, des supports d'informations et des documents, s'ils sont susceptibles d'avoir une incidence sur la preuve d'un délit ou d'une infraction, ou de faire l'objet d'une saisie pénale ou administrative telle que visée au chapitre 10, section 3. Les superviseurs peuvent procéder à la mise sous scellés à cette fin.
Le détenteur des objets, supports ou documents les présente à la première demande du superviseur et les lui remet.
§ 2. Les superviseurs établissent, dans les meilleurs délais et lorsque cela est possible sur place, un acte de conservation indiquant les animaux, objets, supports et documents qui sont conservés ou mis en sécurité d'une autre manière. Les superviseurs remettent immédiatement au détenteur une copie de l'acte et l'informent du lieu où les animaux, objets, supports et documents sont conservés ou mis en sécurité. L'acte indique si le détenteur a pris connaissance de l'acte et s'il accepte ou non la conservation ou la mise en sécurité.
§ 3. Les animaux, objets, supports et documents sont restitués au bénéficiaire ou au détenteur si la mesure de conservation n'a pas été transformée en une saisie pénale ou administrative dans les deux semaines.
Le détenteur des objets, supports ou documents les présente à la première demande du superviseur et les lui remet.
§ 2. Les superviseurs établissent, dans les meilleurs délais et lorsque cela est possible sur place, un acte de conservation indiquant les animaux, objets, supports et documents qui sont conservés ou mis en sécurité d'une autre manière. Les superviseurs remettent immédiatement au détenteur une copie de l'acte et l'informent du lieu où les animaux, objets, supports et documents sont conservés ou mis en sécurité. L'acte indique si le détenteur a pris connaissance de l'acte et s'il accepte ou non la conservation ou la mise en sécurité.
§ 3. Les animaux, objets, supports et documents sont restitués au bénéficiaire ou au détenteur si la mesure de conservation n'a pas été transformée en une saisie pénale ou administrative dans les deux semaines.
Art. 18. § 1. Behalve in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, hebben toezichthouders het recht om bij dag en bij nacht, zonder voorafgaande aankondiging, elke plaats, met inbegrip van vervoermiddelen, vrij te betreden. Bij het betreden van bedrijfsruimten nemen de toezichthouders de interne en externe veiligheidsprocedures in acht.
§ 2. Toezichthouders hebben toegang tot de bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen:
1° de persoon die het werkelijk genot heeft van de ruimte, heeft er voorafgaandelijk en schriftelijk toestemming voor gegeven;
2° de politierechter heeft daarvoor vooraf een machtiging tot betreding verleend. Betreding is alleen mogelijk tussen 5 uur en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek de betreding ook buiten die uren heeft toegestaan, met opgave van de toezichtrechten die daarbij mogen worden ingezet en de bijzondere redenen waarom dat alleen doelmatig kan buiten die uren.
De bedrijfsruimten worden gelijkgesteld met bewoonde ruimtes als vermeld in het eerste lid, als de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen.
De politierechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging, vermeld in het eerste lid, 2°, die niet langer mag zijn dan één maand. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de betreding verleend is.
§ 3. De toezichthouder heeft altijd toegang tot bewoonde ruimtes als dat noodzakelijk is om dringende redenen bij nakend onheil of bij ramp.
§ 4. Naar aanleiding van een betreding op grond van paragraaf 2 en 3 wordt een volledige lijst van alle tijdens de betreding uitgeoefende toezichtrechten opgenomen in het proces-verbaal of verslag van vaststelling dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld, of in een betredingsrapport als er geen proces-verbaal of verslag is opgemaakt.
§ 2. Toezichthouders hebben toegang tot de bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen:
1° de persoon die het werkelijk genot heeft van de ruimte, heeft er voorafgaandelijk en schriftelijk toestemming voor gegeven;
2° de politierechter heeft daarvoor vooraf een machtiging tot betreding verleend. Betreding is alleen mogelijk tussen 5 uur en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek de betreding ook buiten die uren heeft toegestaan, met opgave van de toezichtrechten die daarbij mogen worden ingezet en de bijzondere redenen waarom dat alleen doelmatig kan buiten die uren.
De bedrijfsruimten worden gelijkgesteld met bewoonde ruimtes als vermeld in het eerste lid, als de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen.
De politierechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging, vermeld in het eerste lid, 2°, die niet langer mag zijn dan één maand. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de betreding verleend is.
§ 3. De toezichthouder heeft altijd toegang tot bewoonde ruimtes als dat noodzakelijk is om dringende redenen bij nakend onheil of bij ramp.
§ 4. Naar aanleiding van een betreding op grond van paragraaf 2 en 3 wordt een volledige lijst van alle tijdens de betreding uitgeoefende toezichtrechten opgenomen in het proces-verbaal of verslag van vaststelling dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld, of in een betredingsrapport als er geen proces-verbaal of verslag is opgemaakt.
Art. 18. § 1er. Sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 2, les superviseurs ont le droit de pénétrer librement dans tout lieu, y compris les moyens de transport, de jour comme de nuit, sans préavis. Lorsqu'ils pénètrent dans des zones d'activité économique, les superviseurs respectent les procédures de sécurité internes et externes.
§ 2. Les superviseurs ont accès aux espaces habités dans l'un des cas suivants :
1° la personne ayant la jouissance effective de l'espace a donné son accord écrit préalable ;
2° le juge de police a préalablement accordé une autorisation d'entrée à cette fin. L'entrée n'est possible qu'entre 5 heures et 21 heures, à moins que le juge, sur demande motivée, n'ait également autorisé l'entrée en dehors de ces heures, en indiquant les droits de surveillance qui peuvent être utilisés à cet effet et en indiquant les raisons particulières pour lesquelles l'entrée ne peut se faire efficacement qu'en dehors de ces heures.
Les zones d'activité économique sont assimilées aux espaces habités tels que visés à l'alinéa 1er, si les activités qui y sont développées présentent un caractère privé.
Le juge de police fixe la durée de validité de l'autorisation mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, qui ne peut excéder un mois. Le superviseur présente immédiatement l'autorisation d'entrée qui lui a été accordée.
§ 3. Le superviseur a toujours accès aux espaces habités si cela s'avère nécessaire pour des raisons urgentes en cas de calamité ou de catastrophe imminente.
§ 4. A la suite d'une entrée en vertu des paragraphes 2 et 3, une liste complète de tous les droits de supervision exercés pendant l'entrée est reprise dans le procès-verbal ou le rapport de constatation établi à la suite de celle-ci, ou dans un rapport d'entrée si aucun procès-verbal ou rapport n'a été établi.
§ 2. Les superviseurs ont accès aux espaces habités dans l'un des cas suivants :
1° la personne ayant la jouissance effective de l'espace a donné son accord écrit préalable ;
2° le juge de police a préalablement accordé une autorisation d'entrée à cette fin. L'entrée n'est possible qu'entre 5 heures et 21 heures, à moins que le juge, sur demande motivée, n'ait également autorisé l'entrée en dehors de ces heures, en indiquant les droits de surveillance qui peuvent être utilisés à cet effet et en indiquant les raisons particulières pour lesquelles l'entrée ne peut se faire efficacement qu'en dehors de ces heures.
Les zones d'activité économique sont assimilées aux espaces habités tels que visés à l'alinéa 1er, si les activités qui y sont développées présentent un caractère privé.
Le juge de police fixe la durée de validité de l'autorisation mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, qui ne peut excéder un mois. Le superviseur présente immédiatement l'autorisation d'entrée qui lui a été accordée.
§ 3. Le superviseur a toujours accès aux espaces habités si cela s'avère nécessaire pour des raisons urgentes en cas de calamité ou de catastrophe imminente.
§ 4. A la suite d'une entrée en vertu des paragraphes 2 et 3, une liste complète de tous les droits de supervision exercés pendant l'entrée est reprise dans le procès-verbal ou le rapport de constatation établi à la suite de celle-ci, ou dans un rapport d'entrée si aucun procès-verbal ou rapport n'a été établi.
Art. 19. Het nemen van toegang tot een informaticasysteem in het kader van de uitoefening van toezichtrechten is, bij gebreke aan de voorafgaande toestemming van de verantwoordelijke voor het informaticasysteem, onderworpen aan de machtiging van de politierechter, bedoeld in artikel 18, § 2. Voordat het onderzoek wordt aangevat, wordt elke externe verbinding van dat informaticasysteem verhinderd.
Als in de betrokken informaticasystemen opgeslagen gegevens aangetroffen worden die in aanmerking komen om in bewaring te nemen met toepassing van artikel 17, maar de bewaarneming van de drager daarvan niet wenselijk is, worden die gegevens en de gegevens die noodzakelijk zijn om die te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen, kunnen dragers gebruikt worden die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
Als de gegevens, vermeld in het tweede lid, het voorwerp van de inbreuk of het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit de inbreuk of het misdrijf of als ze een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, worden alle passende technische middelen aangewend om die gegevens ontoegankelijk te maken of, nadat daarvan een kopie is genomen, te verwijderen. In andere gevallen kan het verdere gebruik van alle of een deel van die gegevens worden toegestaan als dat geen gevaar voor de vervolging oplevert.
Tenzij de identiteit of woonplaats van de verantwoordelijke van het informaticasysteem redelijkerwijze niet achterhaald kan worden, wordt die verantwoordelijke zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht van het onderzoek van het informaticasysteem. De verantwoordelijke ontvangt in voorkomend geval een samenvatting van de gegevens die zijn gekopieerd, ontoegankelijk gemaakt of verwijderd conform het derde lid.
De passende technische middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens, vermeld in het tweede lid, te waarborgen en om ze te bewaren. De voormelde verplichting geldt ook als gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met hun drager in bewaring worden genomen.
Als in de betrokken informaticasystemen opgeslagen gegevens aangetroffen worden die in aanmerking komen om in bewaring te nemen met toepassing van artikel 17, maar de bewaarneming van de drager daarvan niet wenselijk is, worden die gegevens en de gegevens die noodzakelijk zijn om die te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen, kunnen dragers gebruikt worden die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
Als de gegevens, vermeld in het tweede lid, het voorwerp van de inbreuk of het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit de inbreuk of het misdrijf of als ze een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, worden alle passende technische middelen aangewend om die gegevens ontoegankelijk te maken of, nadat daarvan een kopie is genomen, te verwijderen. In andere gevallen kan het verdere gebruik van alle of een deel van die gegevens worden toegestaan als dat geen gevaar voor de vervolging oplevert.
Tenzij de identiteit of woonplaats van de verantwoordelijke van het informaticasysteem redelijkerwijze niet achterhaald kan worden, wordt die verantwoordelijke zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht van het onderzoek van het informaticasysteem. De verantwoordelijke ontvangt in voorkomend geval een samenvatting van de gegevens die zijn gekopieerd, ontoegankelijk gemaakt of verwijderd conform het derde lid.
De passende technische middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens, vermeld in het tweede lid, te waarborgen en om ze te bewaren. De voormelde verplichting geldt ook als gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met hun drager in bewaring worden genomen.
Art. 19. L'accès à un système informatique dans le cadre de l'exercice des droits de supervision est, en l'absence d'accord préalable du responsable du système informatique, soumis à l'autorisation du juge de police visé à l'article 18, § 2. Avant de commencer l'enquête, toute connexion externe de ce système informatique est empêchée.
Si les données stockées dans les systèmes informatiques concernés sont éligibles à une conservation en application de l'article 17, mais que la conservation de leur support n'est pas souhaitable, ces données et les données nécessaires à leur compréhension sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité publique. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, des supports mis à disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique peuvent être utilisés.
Si les données visées à l'alinéa 2, font l'objet de l'infraction ou du délit ou découlent de l'infraction ou du délit, ou si elles compromettent l'intégrité des systèmes informatiques ou des données stockées, traitées ou transmises par leur intermédiaire, tous les moyens techniques appropriés sont mis en oeuvre pour rendre ces données inaccessibles ou, après qu'une copie en a été faite, pour les effacer. Dans d'autres cas, l'utilisation ultérieure de tout ou partie de ces données peut être autorisée si elle ne compromet pas les poursuites.
A moins que l'identité ou le domicile du responsable du système informatique ne puisse être raisonnablement établi, ce responsable est informé de l'examen du système informatique dans les plus brefs délais. Le cas échéant, le responsable reçoit une synthèse des données qui ont été copiées, rendues inaccessibles ou effacées conformément à l'alinéa 3.
Des moyens techniques appropriés sont utilisés pour assurer l'intégrité et la confidentialité des données mentionnées à l'alinéa 2, et pour les conserver. L'obligation précitée s'applique également lorsque les données stockées, traitées ou transférées dans un système informatique sont conservées avec leur support.
Si les données stockées dans les systèmes informatiques concernés sont éligibles à une conservation en application de l'article 17, mais que la conservation de leur support n'est pas souhaitable, ces données et les données nécessaires à leur compréhension sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité publique. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, des supports mis à disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique peuvent être utilisés.
Si les données visées à l'alinéa 2, font l'objet de l'infraction ou du délit ou découlent de l'infraction ou du délit, ou si elles compromettent l'intégrité des systèmes informatiques ou des données stockées, traitées ou transmises par leur intermédiaire, tous les moyens techniques appropriés sont mis en oeuvre pour rendre ces données inaccessibles ou, après qu'une copie en a été faite, pour les effacer. Dans d'autres cas, l'utilisation ultérieure de tout ou partie de ces données peut être autorisée si elle ne compromet pas les poursuites.
A moins que l'identité ou le domicile du responsable du système informatique ne puisse être raisonnablement établi, ce responsable est informé de l'examen du système informatique dans les plus brefs délais. Le cas échéant, le responsable reçoit une synthèse des données qui ont été copiées, rendues inaccessibles ou effacées conformément à l'alinéa 3.
Des moyens techniques appropriés sont utilisés pour assurer l'intégrité et la confidentialité des données mentionnées à l'alinéa 2, et pour les conserver. L'obligation précitée s'applique également lorsque les données stockées, traitées ou transférées dans un système informatique sont conservées avec leur support.
Afdeling 3. - Bevoegdheden van de toezichthouder in het kader van opsporing
Section 3. - Compétences du superviseur dans le cadre de la recherche
Art. 20. § 1. Naast de bevoegdheden die de toezichthouders rechtstreeks ontlenen aan de hoedanigheden, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, beschikken de toezichthouders voor het opsporingsonderzoek over de toezichtrechten, vermeld in afdeling 2, en de bevoegdheden, vermeld in deze afdeling.
§ 2. Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek nooit verplicht om belastende verklaringen over hun deelname aan het misdrijf of de inbreuk af te leggen.
Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek alleen verplicht om documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen die een bestaan kennen onafhankelijk van hun wil en waar specifiek om wordt verzocht.
De toezichthouder brengt de verdachte van de in deze paragraaf vermelde rechten op de hoogte telkens hij hem in het kader van een opsporingsonderzoek om inlichtingen vraagt of hem verzoekt documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen.
§ 2. Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek nooit verplicht om belastende verklaringen over hun deelname aan het misdrijf of de inbreuk af te leggen.
Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek alleen verplicht om documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen die een bestaan kennen onafhankelijk van hun wil en waar specifiek om wordt verzocht.
De toezichthouder brengt de verdachte van de in deze paragraaf vermelde rechten op de hoogte telkens hij hem in het kader van een opsporingsonderzoek om inlichtingen vraagt of hem verzoekt documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen.
Art. 20. § 1er. Outre les compétences que les superviseurs tirent directement des qualités visées à l'article 8, § 1er, alinéa 3, les superviseurs disposent pour l'enquête de recherche des droits de supervision visés à la section 2, et des compétences visées à la présente section.
§ 2. Dans le cadre d'une enquête de recherche, les suspects ne sont jamais tenus de faire des déclarations défavorables sur leur participation au délit ou à l'infraction.
Les suspects ne sont tenus, dans le cadre d'une enquête de recherche, de fournir que les documents, supports d'information et autres éléments qui ont une existence indépendante de leur volonté et qui sont spécifiquement demandés.
Le superviseur informe le suspect des droits mentionnés dans le présent paragraphe chaque fois qu'il lui demande des informations dans le cadre d'une enquête de recherche ou qu'il lui demande de fournir des documents, des supports de données et d'autres éléments.
§ 2. Dans le cadre d'une enquête de recherche, les suspects ne sont jamais tenus de faire des déclarations défavorables sur leur participation au délit ou à l'infraction.
Les suspects ne sont tenus, dans le cadre d'une enquête de recherche, de fournir que les documents, supports d'information et autres éléments qui ont une existence indépendante de leur volonté et qui sont spécifiquement demandés.
Le superviseur informe le suspect des droits mentionnés dans le présent paragraphe chaque fois qu'il lui demande des informations dans le cadre d'une enquête de recherche ou qu'il lui demande de fournir des documents, des supports de données et d'autres éléments.
Art. 21. Toezichthouders kunnen verdachten en getuigen van misdrijven en inbreuken verhoren. Onverminderd het tweede lid, wordt het verhoor afgenomen volgens de regels die gelden in strafzaken.
Het verhoor, vermeld in het eerste lid, kan worden afgenomen door middel van een videoconferentie in plaats van door verschijning in de persoon, wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° zowel de toezichthouder die het verhoor afneemt, de persoon die wordt verhoord als de advocaat die hem desgevallend tijdens het verhoor bijstaat bevestigen hun akkoord met het verhoor via een videoconferentie en de opname ervan;
2° de videoconferentie en de opname ervan gebeurt via een platform dat voorziet in de vereiste technische en organisatorische beveiliging;
3° de toezichthouder stelt van het verhoor een proces-verbaal op waarin hij de belangrijkste elementen van het onderhoud vermeldt;
4° de opname wordt bewaard in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en is in het digitaal klassement raadpleegbaar onder dezelfde voorwaarden als het proces-verbaal, vermeld in punt 3°, waarvan het geacht wordt deel van uit te maken.
Het verhoor, vermeld in het eerste lid, kan worden afgenomen door middel van een videoconferentie in plaats van door verschijning in de persoon, wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° zowel de toezichthouder die het verhoor afneemt, de persoon die wordt verhoord als de advocaat die hem desgevallend tijdens het verhoor bijstaat bevestigen hun akkoord met het verhoor via een videoconferentie en de opname ervan;
2° de videoconferentie en de opname ervan gebeurt via een platform dat voorziet in de vereiste technische en organisatorische beveiliging;
3° de toezichthouder stelt van het verhoor een proces-verbaal op waarin hij de belangrijkste elementen van het onderhoud vermeldt;
4° de opname wordt bewaard in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en is in het digitaal klassement raadpleegbaar onder dezelfde voorwaarden als het proces-verbaal, vermeld in punt 3°, waarvan het geacht wordt deel van uit te maken.
Art. 21. Les superviseurs peuvent interroger les suspects et les témoins de délits et d'infractions. Sans préjudice de l'alinéa 2, l'interrogatoire est mené conformément aux règles applicables en matière pénale.
L'interrogatoire mentionné à l'alinéa 1er, peut être mené par vidéoconférence au lieu d'une comparution en personne, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° tant le superviseur qui procède à l'interrogatoire, la personne entendue que l'avocat qui l'assiste le cas échéant lors de l'interrogatoire confirment leur accord sur l'interrogatoire par vidéoconférence et son enregistrement ;
2° la vidéoconférence et son enregistrement se font via une plateforme qui offre la sécurité technique et organisationnelle requise ;
3° le superviseur rédige un procès-verbal de l'interrogatoire dans lequel il mentionne les principaux éléments de l'entretien ;
4° l'enregistrement est conservé dans le classement numérique, mentionné à l'article 4 du présent décret, et peut être consulté dans le classement numérique dans les mêmes conditions que le procès-verbal, mentionné au point 3°, dont il est réputé faire partie.
L'interrogatoire mentionné à l'alinéa 1er, peut être mené par vidéoconférence au lieu d'une comparution en personne, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° tant le superviseur qui procède à l'interrogatoire, la personne entendue que l'avocat qui l'assiste le cas échéant lors de l'interrogatoire confirment leur accord sur l'interrogatoire par vidéoconférence et son enregistrement ;
2° la vidéoconférence et son enregistrement se font via une plateforme qui offre la sécurité technique et organisationnelle requise ;
3° le superviseur rédige un procès-verbal de l'interrogatoire dans lequel il mentionne les principaux éléments de l'entretien ;
4° l'enregistrement est conservé dans le classement numérique, mentionné à l'article 4 du présent décret, et peut être consulté dans le classement numérique dans les mêmes conditions que le procès-verbal, mentionné au point 3°, dont il est réputé faire partie.
Art. 22. § 1. Op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de toezichthouder die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, kan de politierechter een visitatie toestaan, die het mogelijk maakt om zich met behulp van de politiediensten en zo nodig met braak toegang te verschaffen tot de plaatsen, vermeld in artikel 18 van dit decreet, en bewijzen in zekerheid te stellen als vermeld in artikel 17 van dit decreet. Artikel 44 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992 is van toepassing.
De politierechter motiveert de machtiging, vermeld in het eerste lid, en vermeldt minstens al de volgende elementen:
1° de te bezoeken plaats;
2° het onderzoek waarin de visitatie kadert;
3° de toezichthouders die de machtiging kunnen gebruiken;
4° de geldigheidsduur van de machtiging, die niet langer mag zijn dan één maand.
De politierechter verleent alleen een machtiging als vermeld in het eerste lid, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° er zijn voldoende aanwijzingen dat op de te doorzoeken plaats bewijselementen kunnen worden aangetroffen van een misdrijf of een inbreuk die binnen de opsporingsbevoegdheid valt van de toezichthouder die om de machtiging verzoekt;
2° de visitatie is noodzakelijk om het bewijs te leveren van het misdrijf of de inbreuk;
3° de visitatie is proportioneel in het licht van de ernst van het misdrijf of de inbreuk;
4° de maximale bestuurlijke geldboete waarmee de inbreuk of het misdrijf kan worden gesanctioneerd, is hoger dan 5000 euro.
§ 2. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de visitatie verleend is.
De visitatie mag alleen plaatsvinden tussen 5 en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder, vermeld in paragraaf 1, de visitatie ook buiten die uren heeft toegestaan.
Het doorzoeken van de plaats, met inbegrip van de daar aanwezige informaticasystemen, is alleen toegelaten als de machtiging daarin uitdrukkelijk voorziet, met specifieke aanduiding van de bewijselementen waarnaar gezocht mag worden.
Op het doorzoeken van informaticasystemen zijn de in artikel 19 gestelde voorwaarden van toepassing.
Naar aanleiding van de visitatie wordt een volledige lijst van alle opsporingshandelingen die tijdens de visitatie zijn gesteld, in het proces-verbaal of verslag van vaststelling opgenomen dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld.
§ 3. Als de visitatie betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden van een advocaat of een geneesheer, op de woonplaats van of op informaticasystemen gebruikt door een advocaat of een geneesheer, kan zij enkel worden uitgeoefend in de aanwezigheid van:
1° de stafhouder of zijn afgevaardigde wanneer het onderzoek betrekking heeft op een advocaat;
2° een vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren wanneer het onderzoek betrekking heeft op een geneesheer.
Als de stafhouder of zijn afgevaardigde of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren van oordeel is dat tijdens de visitatie verzamelde gegevens onder het beroepsgeheim vallen, worden deze gegevens eerst voorgelegd aan de politierechter. De politierechter oordeelt, na de advocaat of geneesheer te hebben gehoord, of de gegevens verzameld werden binnen de voorwaarden van de machtiging en of zij noodzakelijk zijn om het bewijs te leveren van een misdrijf of een inbreuk. In bevestigend geval worden de gegevens opgenomen in of gevoegd bij het proces-verbaal of het verslag van vaststelling dat naar aanleiding van de visitatie wordt opgesteld. In het andere geval worden ze terugbezorgd aan de advocaat of de geneesheer.
De politierechter motiveert de machtiging, vermeld in het eerste lid, en vermeldt minstens al de volgende elementen:
1° de te bezoeken plaats;
2° het onderzoek waarin de visitatie kadert;
3° de toezichthouders die de machtiging kunnen gebruiken;
4° de geldigheidsduur van de machtiging, die niet langer mag zijn dan één maand.
De politierechter verleent alleen een machtiging als vermeld in het eerste lid, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° er zijn voldoende aanwijzingen dat op de te doorzoeken plaats bewijselementen kunnen worden aangetroffen van een misdrijf of een inbreuk die binnen de opsporingsbevoegdheid valt van de toezichthouder die om de machtiging verzoekt;
2° de visitatie is noodzakelijk om het bewijs te leveren van het misdrijf of de inbreuk;
3° de visitatie is proportioneel in het licht van de ernst van het misdrijf of de inbreuk;
4° de maximale bestuurlijke geldboete waarmee de inbreuk of het misdrijf kan worden gesanctioneerd, is hoger dan 5000 euro.
§ 2. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de visitatie verleend is.
De visitatie mag alleen plaatsvinden tussen 5 en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder, vermeld in paragraaf 1, de visitatie ook buiten die uren heeft toegestaan.
Het doorzoeken van de plaats, met inbegrip van de daar aanwezige informaticasystemen, is alleen toegelaten als de machtiging daarin uitdrukkelijk voorziet, met specifieke aanduiding van de bewijselementen waarnaar gezocht mag worden.
Op het doorzoeken van informaticasystemen zijn de in artikel 19 gestelde voorwaarden van toepassing.
Naar aanleiding van de visitatie wordt een volledige lijst van alle opsporingshandelingen die tijdens de visitatie zijn gesteld, in het proces-verbaal of verslag van vaststelling opgenomen dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld.
§ 3. Als de visitatie betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden van een advocaat of een geneesheer, op de woonplaats van of op informaticasystemen gebruikt door een advocaat of een geneesheer, kan zij enkel worden uitgeoefend in de aanwezigheid van:
1° de stafhouder of zijn afgevaardigde wanneer het onderzoek betrekking heeft op een advocaat;
2° een vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren wanneer het onderzoek betrekking heeft op een geneesheer.
Als de stafhouder of zijn afgevaardigde of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren van oordeel is dat tijdens de visitatie verzamelde gegevens onder het beroepsgeheim vallen, worden deze gegevens eerst voorgelegd aan de politierechter. De politierechter oordeelt, na de advocaat of geneesheer te hebben gehoord, of de gegevens verzameld werden binnen de voorwaarden van de machtiging en of zij noodzakelijk zijn om het bewijs te leveren van een misdrijf of een inbreuk. In bevestigend geval worden de gegevens opgenomen in of gevoegd bij het proces-verbaal of het verslag van vaststelling dat naar aanleiding van de visitatie wordt opgesteld. In het andere geval worden ze terugbezorgd aan de advocaat of de geneesheer.
Art. 22. § 1er. A la demande expresse et motivée du superviseur que le Gouvernement flamand désigne à cet effet, le juge de police peut autoriser une visite, qui permet de se procurer l'accès aux lieux, visés à l'article 18 du présent décret, à l'aide des services de police et si nécessaire, avec effraction, et de constituer des preuves, telles que visées à l'article 17 du présent décret. L'article 44 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police est d'application.
Le juge de police motive l'autorisation visée à l'alinéa 1er et mentionne au moins tous les éléments suivants :
1° le lieu à visiter ;
2° l'enquête dans laquelle s'inscrit la visite ;
3° les superviseurs qui peuvent utiliser l'autorisation ;
4° la durée de validité de l'autorisation, qui ne peut excéder un mois.
Le juge de police n'accorde l'autorisation telle que visée à l'alinéa 1er, que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° il existe des indices suffisants pour penser que des preuves d'un délit ou d'une infraction relevant de la compétence de recherche du superviseur qui demande l'autorisation peuvent être trouvées sur le lieu à inspecter ;
2° la visite est nécessaire pour apporter la preuve du délit ou de l'infraction ;
3° la visite est proportionnée à la gravité du délit ou de l'infraction ;
4° l'amende administrative maximale par laquelle l'infraction ou le délit peut être sanctionné dépasse 5 000 euros.
§ 2. Le superviseur présente immédiatement l'autorisation de visite qui a été accordée.
La visite ne peut avoir lieu qu'entre 5 heures et 21 heures, à moins que le juge n'ait autorisé la visite en dehors de ces heures sur demande motivée du superviseur mentionné au paragraphe 1er.
L'inspection du lieu, y compris des systèmes informatiques qui s'y trouvent, n'est autorisée que si l'autorisation le prévoit expressément, avec indication spécifique des éléments de preuve qui peuvent être recherchés.
L'inspection des systèmes informatiques est soumise aux conditions mentionnées à l'article 19.
A la suite de la visite, une liste complète de tous les actes de recherche effectués au cours de la visite est incluse dans le procès-verbal ou le rapport de constatation dressé à la suite de la visite.
§ 3. Si la visite concerne les locaux utilisés à des fins professionnelles par un avocat ou un médecin, le domicile ou les systèmes informatiques utilisés par un avocat ou un médecin, elle ne peut être effectuée qu'en présence :
1° du bâtonnier ou son délégué lorsque l'enquête concerne un avocat ;
2° d'un représentant de l'ordre provincial des médecins lorsque l'enquête concerne un médecin.
Si le bâtonnier ou son délégué ou le représentant de l'ordre provincial des médecins estime que les informations recueillies lors de la visite sont couvertes par le secret professionnel, ces données sont d'abord soumises au juge de police. Le juge de police apprécie, après avoir entendu l'avocat ou le médecin, si les données ont été collectées dans le cadre de l'autorisation et si elles sont nécessaires à la preuve d'un délit ou d'une infraction. Dans l'affirmative, les données sont incluses ou jointes au procès-verbal ou au rapport de constatation dressé à l'occasion de la visite. Dans le cas contraire, ils sont renvoyés à l'avocat ou au médecin.
Le juge de police motive l'autorisation visée à l'alinéa 1er et mentionne au moins tous les éléments suivants :
1° le lieu à visiter ;
2° l'enquête dans laquelle s'inscrit la visite ;
3° les superviseurs qui peuvent utiliser l'autorisation ;
4° la durée de validité de l'autorisation, qui ne peut excéder un mois.
Le juge de police n'accorde l'autorisation telle que visée à l'alinéa 1er, que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° il existe des indices suffisants pour penser que des preuves d'un délit ou d'une infraction relevant de la compétence de recherche du superviseur qui demande l'autorisation peuvent être trouvées sur le lieu à inspecter ;
2° la visite est nécessaire pour apporter la preuve du délit ou de l'infraction ;
3° la visite est proportionnée à la gravité du délit ou de l'infraction ;
4° l'amende administrative maximale par laquelle l'infraction ou le délit peut être sanctionné dépasse 5 000 euros.
§ 2. Le superviseur présente immédiatement l'autorisation de visite qui a été accordée.
La visite ne peut avoir lieu qu'entre 5 heures et 21 heures, à moins que le juge n'ait autorisé la visite en dehors de ces heures sur demande motivée du superviseur mentionné au paragraphe 1er.
L'inspection du lieu, y compris des systèmes informatiques qui s'y trouvent, n'est autorisée que si l'autorisation le prévoit expressément, avec indication spécifique des éléments de preuve qui peuvent être recherchés.
L'inspection des systèmes informatiques est soumise aux conditions mentionnées à l'article 19.
A la suite de la visite, une liste complète de tous les actes de recherche effectués au cours de la visite est incluse dans le procès-verbal ou le rapport de constatation dressé à la suite de la visite.
§ 3. Si la visite concerne les locaux utilisés à des fins professionnelles par un avocat ou un médecin, le domicile ou les systèmes informatiques utilisés par un avocat ou un médecin, elle ne peut être effectuée qu'en présence :
1° du bâtonnier ou son délégué lorsque l'enquête concerne un avocat ;
2° d'un représentant de l'ordre provincial des médecins lorsque l'enquête concerne un médecin.
Si le bâtonnier ou son délégué ou le représentant de l'ordre provincial des médecins estime que les informations recueillies lors de la visite sont couvertes par le secret professionnel, ces données sont d'abord soumises au juge de police. Le juge de police apprécie, après avoir entendu l'avocat ou le médecin, si les données ont été collectées dans le cadre de l'autorisation et si elles sont nécessaires à la preuve d'un délit ou d'une infraction. Dans l'affirmative, les données sont incluses ou jointes au procès-verbal ou au rapport de constatation dressé à l'occasion de la visite. Dans le cas contraire, ils sont renvoyés à l'avocat ou au médecin.
Art. 23. Als de toezichthouders, vermeld in artikel 22, een persoon op heterdaad betrappen bij het plegen van misdrijven of inbreuken die tot hun opsporingsopdracht behoren en die gesanctioneerd kunnen worden met een maximale bestuurlijke geldboete die hoger is dan 5000 euro, kunnen ze onmiddellijk overgaan tot de betreding, vermeld in artikel 18, zonder dat daarvoor toestemming of machtiging is vereist en zonder beperking voor het uur van de betreding. De toezichthouders, vermeld in artikel 22, geven de persoon, vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, 1°, de verwittiging, vermeld in artikel 20, § 2, derde lid, zodra ze die persoon ontmoeten, en staken de betreding onmiddellijk nadat die persoon hen daarom verzocht heeft.
Art. 23. Lorsque les superviseurs visés à l'article 22, prennent une personne en flagrant délit lors de la commission de délits ou d'infractions qui relèvent de leur mission de recherche et qui peuvent être sanctionnés par une amende administrative maximale supérieure à 5000 euros, ils peuvent immédiatement procéder à l'entrée visée à l'article 18, sans qu'une autorisation ou habilitation soit nécessaire et sans limitation de la durée de l'entrée. Les superviseurs visés à l'article 22, informent la personne visée à l'article 18, § 2, alinéa 1er, 1°, de l'avertissement visé à l'article 20, § 2, alinéa 3, dès qu'ils la rencontrent, et suspendent l'entrée immédiatement après que cette personne leur en a fait la demande.
Art. 24. De uitbreiding van de toegang, vermeld in artikel 19, naar een informaticasysteem of een deel ervan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar het onderzoek plaatsvindt, is alleen mogelijk met het visitatiebevel, vermeld in artikel 22, waarin de uitbreiding uitdrukkelijk wordt toegestaan als noodzakelijk en proportioneel. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de politierechter de uitbreiding van het onderzoek mondeling bevelen. Dat bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
De uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen ervan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
Om de uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mogelijk te maken, kan, op elk moment, ook zonder de toestemming van hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker:
1° elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk worden opgeheven, eventueel met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;
2° technische middelen in de betrokken informaticasystemen worden aangebracht om de gegevens te ontcijferen en te decoderen die door dat systeem zijn opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd.
De uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen ervan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
Om de uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mogelijk te maken, kan, op elk moment, ook zonder de toestemming van hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker:
1° elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk worden opgeheven, eventueel met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;
2° technische middelen in de betrokken informaticasystemen worden aangebracht om de gegevens te ontcijferen en te decoderen die door dat systeem zijn opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd.
Art. 24. L'extension de l'accès mentionné à l'article 19, vers un système informatique ou vers une partie de celui-ci dans un lieu autre que celui où se déroule l'enquête n'est possible que moyennant le mandat de visite mentionnée à l'article 22, qui autorise expressément l'extension comme étant nécessaire et proportionnée. En cas d'extrême urgence, le juge de police peut ordonner oralement la prolongation de l'enquête orale. Cet ordre est confirmé par écrit dans les plus brefs délais, en précisant les motifs de l'extrême urgence.
L'extension de l'enquête dans un système informatique visé à l'alinéa 1er, ne s'étend pas au-delà des systèmes informatiques ou des parties de ceux-ci auxquels les personnes habilitées à utiliser le système informatique faisant l'objet de l'enquête ont un accès particulier.
Afin de permettre l'extension de l'enquête dans un système informatique mentionné à l'alinéa 1er, il est possible, à tout moment, même sans la permission du propriétaire ou de son ayant droit ou de l'utilisateur, que :
1° toute sécurité des systèmes informatiques concernés soit temporairement levée, éventuellement au moyen de dispositifs techniques, de faux signaux, de fausses clés ou de fausses qualités ;
2° des moyens techniques soient prévus dans les systèmes informatiques concernés pour déchiffrer et décoder les données stockées, traitées ou transmises par ce système.
L'extension de l'enquête dans un système informatique visé à l'alinéa 1er, ne s'étend pas au-delà des systèmes informatiques ou des parties de ceux-ci auxquels les personnes habilitées à utiliser le système informatique faisant l'objet de l'enquête ont un accès particulier.
Afin de permettre l'extension de l'enquête dans un système informatique mentionné à l'alinéa 1er, il est possible, à tout moment, même sans la permission du propriétaire ou de son ayant droit ou de l'utilisateur, que :
1° toute sécurité des systèmes informatiques concernés soit temporairement levée, éventuellement au moyen de dispositifs techniques, de faux signaux, de fausses clés ou de fausses qualités ;
2° des moyens techniques soient prévus dans les systèmes informatiques concernés pour déchiffrer et décoder les données stockées, traitées ou transmises par ce système.
Afdeling 4. - Bijstand aan OLAF
Section 4. - Assistance à l'OLAF
Art. 25. In deze afdeling wordt verstaan onder:
1° OLAF: het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, opgericht bij besluit van de Commissie 1999/352/EG, EGKS, EURATOM van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF);
2° verordening 2185/96: verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiele belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden.
Als ze daarom verzocht worden, kunnen de toezichthouders van Vlaamse inspectiediensten de bevoegdheden gebruiken die aan hen zijn toegekend in dit decreet, om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96.
1° OLAF: het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, opgericht bij besluit van de Commissie 1999/352/EG, EGKS, EURATOM van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF);
2° verordening 2185/96: verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiele belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden.
Als ze daarom verzocht worden, kunnen de toezichthouders van Vlaamse inspectiediensten de bevoegdheden gebruiken die aan hen zijn toegekend in dit decreet, om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96.
Art. 25. Dans la présente section, on entend par :
1° OLAF : l'Office européen de lutte antifraude institué par la décision 1999/352/CE, CECA, EURATOM de la Commission du 28 avril 1999 instituant l'Office européen de lutte antifraude (OLAF) ;
2° règlement 2185/96 : règlement (Euratom, CE) n° 2185/96 du Conseil du 11 novembre 1996 relatif aux contrôles et vérifications sur place effectués par la Commission pour la protection des intérêts financiers des Communautés européennes contre les fraudes et autres irrégularités.
Sur demande, les superviseurs des services d'inspection flamands peuvent utiliser les compétences qui leur sont conférées par le présent décret pour apporter une assistance à l'OLAF, tel que mentionné au règlement 2185/96.
1° OLAF : l'Office européen de lutte antifraude institué par la décision 1999/352/CE, CECA, EURATOM de la Commission du 28 avril 1999 instituant l'Office européen de lutte antifraude (OLAF) ;
2° règlement 2185/96 : règlement (Euratom, CE) n° 2185/96 du Conseil du 11 novembre 1996 relatif aux contrôles et vérifications sur place effectués par la Commission pour la protection des intérêts financiers des Communautés européennes contre les fraudes et autres irrégularités.
Sur demande, les superviseurs des services d'inspection flamands peuvent utiliser les compétences qui leur sont conférées par le présent décret pour apporter une assistance à l'OLAF, tel que mentionné au règlement 2185/96.
Art. 26. De personeelsleden van Vlaamse inspectiediensten die belast zijn met taken van toezicht of opsporing op grond van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, kunnen een beroep doen op de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, kunnen de bevoegdheden die aan hen op grond van andere Vlaamse regelgeving zijn toegekend om taken van toezicht en opsporing uit te voeren, ook inzetten om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96.
Als personeelsleden conform het eerste en tweede lid bijstand verlenen aan OLAF, zijn de beperkingen aan de reikwijdte van de verplichtingen en rechten, vermeld in artikel 5, artikel 12 tot en met 22, en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming, waarin de Vlaamse regelgeving, vermeld in het eerste lid, voorziet, ook van toepassing.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, kunnen de bevoegdheden die aan hen op grond van andere Vlaamse regelgeving zijn toegekend om taken van toezicht en opsporing uit te voeren, ook inzetten om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96.
Als personeelsleden conform het eerste en tweede lid bijstand verlenen aan OLAF, zijn de beperkingen aan de reikwijdte van de verplichtingen en rechten, vermeld in artikel 5, artikel 12 tot en met 22, en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming, waarin de Vlaamse regelgeving, vermeld in het eerste lid, voorziet, ook van toepassing.
Art. 26. Les membres du personnel des services d'inspection flamands chargés de tâches de supervision ou de recherche en vertu de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas peuvent invoquer les compétences mentionnées dans le présent chapitre pour fournir une assistance à l'OLAF, telle que visée au règlement 2185/96.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, peuvent également utiliser les compétences qui leur sont conférées en vertu d'autres règlements flamands pour effectuer des tâches de supervision et de recherche afin d'apporter une assistance à l'OLAF tel que mentionné dans le règlement 2185/96.
Si les membres du personnel apportent une assistance à l'OLAF conformément aux alinéas 1er et 2, les limitations de la portée des obligations et des droits mentionnés à l'article 5, aux articles 12 à 22 et à l'article 34 du règlement général sur la protection des données, prévues dans la réglementation flamande mentionnée à l'alinéa 1er, s'appliquent également.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, peuvent également utiliser les compétences qui leur sont conférées en vertu d'autres règlements flamands pour effectuer des tâches de supervision et de recherche afin d'apporter une assistance à l'OLAF tel que mentionné dans le règlement 2185/96.
Si les membres du personnel apportent une assistance à l'OLAF conformément aux alinéas 1er et 2, les limitations de la portée des obligations et des droits mentionnés à l'article 5, aux articles 12 à 22 et à l'article 34 du règlement général sur la protection des données, prévues dans la réglementation flamande mentionnée à l'alinéa 1er, s'appliquent également.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering
CHAPITRE 3. - Sanctions administratives
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 27. § 1. De bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan personen die het misdrijf of de inbreuk hebben uitgevoerd, er opdracht toe hebben gegeven of er hun medewerking aan hebben verleend.
§ 2. Een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan rechtspersonen voor misdrijven en inbreuken die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van hun doel of de waarneming van hun belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor hun rekening zijn gepleegd. Als een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan rechtspersonen, sluit dat niet uit dat een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan natuurlijke personen voor dezelfde feiten.
Met rechtspersonen als vermeld in het eerste lid worden gelijkgesteld:
1° maatschappen;
2° vennootschappen in oprichting.
§ 3. Ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de bestuurlijke sancties die opgelegd worden aan hun organen en aan de personen voor wie ze aansprakelijk zijn conform artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Behalve na tegenbewijs worden natuurlijke personen die houder zijn van de kentekenplaat van een voertuig dat dienstig was voor het plegen van een misdrijf of een inbreuk, geacht de bestuurder te zijn van dat voertuig. Hetzelfde geldt voor gebruikelijke bestuurders van voertuigen die geregistreerd staan op naam van een rechtspersoon.
§ 5. Aan personen die op het ogenblik van de feiten de volle leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, kan alleen een bestuurlijke sanctie worden opgelegd als de Vlaamse regelgeving, waarin het misdrijf of de inbreuk wordt bepaald, daarin uitdrukkelijk voorziet.
§ 6. Voor de doeleinden van bestuurlijke sanctionering kan de beboetingsinstantie toegang vragen tot het Centraal Strafregister, vermeld in artikel 589 van het Wetboek van Strafvordering. Hetzelfde geldt voor de toezichthouder voor het bepalen van het bedrag van de bestuurlijke geldboete conform artikel 87, § 2, van dit decreet.
§ 2. Een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan rechtspersonen voor misdrijven en inbreuken die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van hun doel of de waarneming van hun belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor hun rekening zijn gepleegd. Als een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan rechtspersonen, sluit dat niet uit dat een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan natuurlijke personen voor dezelfde feiten.
Met rechtspersonen als vermeld in het eerste lid worden gelijkgesteld:
1° maatschappen;
2° vennootschappen in oprichting.
§ 3. Ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de bestuurlijke sancties die opgelegd worden aan hun organen en aan de personen voor wie ze aansprakelijk zijn conform artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Behalve na tegenbewijs worden natuurlijke personen die houder zijn van de kentekenplaat van een voertuig dat dienstig was voor het plegen van een misdrijf of een inbreuk, geacht de bestuurder te zijn van dat voertuig. Hetzelfde geldt voor gebruikelijke bestuurders van voertuigen die geregistreerd staan op naam van een rechtspersoon.
§ 5. Aan personen die op het ogenblik van de feiten de volle leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, kan alleen een bestuurlijke sanctie worden opgelegd als de Vlaamse regelgeving, waarin het misdrijf of de inbreuk wordt bepaald, daarin uitdrukkelijk voorziet.
§ 6. Voor de doeleinden van bestuurlijke sanctionering kan de beboetingsinstantie toegang vragen tot het Centraal Strafregister, vermeld in artikel 589 van het Wetboek van Strafvordering. Hetzelfde geldt voor de toezichthouder voor het bepalen van het bedrag van de bestuurlijke geldboete conform artikel 87, § 2, van dit decreet.
Art. 27. § 1re. La sanction administrative peut être infligée aux personnes qui ont commis le délit ou l'infraction, qui y ont donné instruction ou qui y ont participé.
§ 2. Une sanction administrative peut être imposée aux personnes morales pour des délits et des infractions qui sont soit intrinsèquement liés à la réalisation de leurs objectifs ou à la poursuite de leurs intérêts, soit qui, selon les circonstances concrètes, ont été commis pour leur compte. L'imposition d'une sanction administrative à des personnes morales n'exclut pas l'imposition d'une sanction administrative à des personnes physiques pour les mêmes faits.
Sont assimilées aux personnes morales visées à l'alinéa 1er :
1° les sociétés ;
2° les sociétés en constitution.
§ 3. Les entreprises sont civilement responsables des sanctions administratives infligées à leurs organes et aux personnes dont elles sont responsables, conformément à l'article 1384 du Code civil.
§ 4. Sauf preuve contraire, les personnes physiques titulaires de la plaque d'immatriculation d'un véhicule qui a servi à commettre un délit ou une infraction sont réputées être le conducteur de ce véhicule. Il en va de même pour les conducteurs habituels de véhicules immatriculés au nom d'une personne morale.
§ 5. Les personnes qui, au moment des faits, n'ont pas encore atteint l'âge de dix-huit ans accomplis, ne peuvent faire l'objet d'une sanction administrative que si la réglementation flamande, dans laquelle le délit ou l'infraction est déterminé, le prévoit expressément.
§ 6. Aux fins de la sanction administrative, l'instance verbalisante peut demander l'accès au casier judiciaire central mentionné à l'article 589 du Code d'instruction criminelle. Il en est de même pour le superviseur pour la détermination du montant de l'amende administrative conformément à l'article 87, § 2, du présent décret.
§ 2. Une sanction administrative peut être imposée aux personnes morales pour des délits et des infractions qui sont soit intrinsèquement liés à la réalisation de leurs objectifs ou à la poursuite de leurs intérêts, soit qui, selon les circonstances concrètes, ont été commis pour leur compte. L'imposition d'une sanction administrative à des personnes morales n'exclut pas l'imposition d'une sanction administrative à des personnes physiques pour les mêmes faits.
Sont assimilées aux personnes morales visées à l'alinéa 1er :
1° les sociétés ;
2° les sociétés en constitution.
§ 3. Les entreprises sont civilement responsables des sanctions administratives infligées à leurs organes et aux personnes dont elles sont responsables, conformément à l'article 1384 du Code civil.
§ 4. Sauf preuve contraire, les personnes physiques titulaires de la plaque d'immatriculation d'un véhicule qui a servi à commettre un délit ou une infraction sont réputées être le conducteur de ce véhicule. Il en va de même pour les conducteurs habituels de véhicules immatriculés au nom d'une personne morale.
§ 5. Les personnes qui, au moment des faits, n'ont pas encore atteint l'âge de dix-huit ans accomplis, ne peuvent faire l'objet d'une sanction administrative que si la réglementation flamande, dans laquelle le délit ou l'infraction est déterminé, le prévoit expressément.
§ 6. Aux fins de la sanction administrative, l'instance verbalisante peut demander l'accès au casier judiciaire central mentionné à l'article 589 du Code d'instruction criminelle. Il en est de même pour le superviseur pour la détermination du montant de l'amende administrative conformément à l'article 87, § 2, du présent décret.
Art. 28. Behalve in de gevallen waar de Vlaamse regelgeving zelf de minima en maxima voor alternatieve bestuurlijke geldboetes vaststelt, worden bestuurlijk vervolgde misdrijven gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete:
1° van maximaal 1000 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de strafrechtelijke maximumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen. Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, wordt de helft van het maximum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen;
2° van minimaal 250 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de helft van de strafrechtelijke minimumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen. Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, of toelaat dat alleen die straf wordt opgelegd, wordt de helft van het minimum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen.
Bij het bepalen van de maximumgeldboete conform het eerste lid gelden de bepalingen van artikel 69 van het Strafwetboek, behalve voor de Vlaamse regelgeving waar de toepassing van dat artikel wordt uitgesloten. Als de vrijheidsstraf, vermeld in het eerste lid, lager is dan één maand, wordt het basisbedrag van respectievelijk 1000 en 250 euro niet vermenigvuldigd.
Als de Vlaamse regelgeving bij de vaststelling van verzwarende omstandigheden voorziet in een verhoging van het minimum of het maximum van de vrijheidsstraf of de strafrechtelijke geldboete, wordt met die verhoging rekening gehouden bij het bepalen van het minimum en het maximum van de alternatieve bestuurlijke geldboete conform het eerste lid.
1° van maximaal 1000 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de strafrechtelijke maximumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen. Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, wordt de helft van het maximum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen;
2° van minimaal 250 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de helft van de strafrechtelijke minimumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen. Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, of toelaat dat alleen die straf wordt opgelegd, wordt de helft van het minimum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen.
Bij het bepalen van de maximumgeldboete conform het eerste lid gelden de bepalingen van artikel 69 van het Strafwetboek, behalve voor de Vlaamse regelgeving waar de toepassing van dat artikel wordt uitgesloten. Als de vrijheidsstraf, vermeld in het eerste lid, lager is dan één maand, wordt het basisbedrag van respectievelijk 1000 en 250 euro niet vermenigvuldigd.
Als de Vlaamse regelgeving bij de vaststelling van verzwarende omstandigheden voorziet in een verhoging van het minimum of het maximum van de vrijheidsstraf of de strafrechtelijke geldboete, wordt met die verhoging rekening gehouden bij het bepalen van het minimum en het maximum van de alternatieve bestuurlijke geldboete conform het eerste lid.
Art. 28. Sauf dans les cas où la réglementation flamande elle-même fixe les plafonds pour les amendes administratives alternatives, les infractions poursuivies administrativement sont sanctionnées par une amende administrative alternative :
1° de maximum 1000 euros multipliés par le nombre de mois de la peine privative de liberté maximale, mais non inférieure à l'amende pénale maximale applicable au fait, majorée des décimes additionnels. Lorsque la réglementation flamande ne prévoit qu'une amende pénale, la moitié du maximum de l'amende pénale est prise, majorée des décimes additionnels ;
2° d'au moins 250 euros multipliés par le nombre des mois de la peine privative de liberté minimale, mais non inférieure à la moitié de l'amende pénale minimale applicable au fait, majorée des décimes additionnels. Lorsque la réglementation flamande ne prévoit qu'une amende pénale ou permet que seule cette peine soit infligée, la moitié du minimum de l'amende pénale est prise, majorée des décimes additionnels.
Lors de la détermination de l'amende maximale conformément à l'alinéa 1er, les dispositions de l'article 69 du Code pénal sont d'application, sauf pour la réglementation flamande où l'application de cet article est exclue. Si la peine privative de liberté visée à l'alinéa 1er, est inférieure à un mois, le montant de base de respectivement 1000 et 250 euros n'est pas multiplié.
Lorsque la réglementation flamande prévoit, lors de la constatation de circonstances aggravantes, une augmentation du minimum ou du maximum de la peine privative de liberté ou de l'amende pénale, cette augmentation est prise en compte lors de la détermination du minimum et du maximum de l'amende administrative alternative conformément à l'alinéa 1er.
1° de maximum 1000 euros multipliés par le nombre de mois de la peine privative de liberté maximale, mais non inférieure à l'amende pénale maximale applicable au fait, majorée des décimes additionnels. Lorsque la réglementation flamande ne prévoit qu'une amende pénale, la moitié du maximum de l'amende pénale est prise, majorée des décimes additionnels ;
2° d'au moins 250 euros multipliés par le nombre des mois de la peine privative de liberté minimale, mais non inférieure à la moitié de l'amende pénale minimale applicable au fait, majorée des décimes additionnels. Lorsque la réglementation flamande ne prévoit qu'une amende pénale ou permet que seule cette peine soit infligée, la moitié du minimum de l'amende pénale est prise, majorée des décimes additionnels.
Lors de la détermination de l'amende maximale conformément à l'alinéa 1er, les dispositions de l'article 69 du Code pénal sont d'application, sauf pour la réglementation flamande où l'application de cet article est exclue. Si la peine privative de liberté visée à l'alinéa 1er, est inférieure à un mois, le montant de base de respectivement 1000 et 250 euros n'est pas multiplié.
Lorsque la réglementation flamande prévoit, lors de la constatation de circonstances aggravantes, une augmentation du minimum ou du maximum de la peine privative de liberté ou de l'amende pénale, cette augmentation est prise en compte lors de la détermination du minimum et du maximum de l'amende administrative alternative conformément à l'alinéa 1er.
Art. 29. Naast de bestuurlijke geldboete kan de bestuurlijke verbeurdverklaring worden opgelegd van:
1° zaken of dieren die het voorwerp van het misdrijf of de inbreuk uitmaken, en zaken of dieren die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van het misdrijf of de inbreuk, als ze eigendom zijn van de te beboeten persoon of de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3;
2° zaken of dieren die uit het misdrijf of de inbreuk voortkomen;
3° een geldbedrag ter waarde van maximaal het brutovermogensvoordeel dat uit het misdrijf of de inbreuk is verkregen;
4° een geldbedrag ten belope van maximaal de expertisekosten die van overheidswege noodzakelijk waren voor de ontdekking en het bewijs van het misdrijf of de inbreuk en die nog niet zijn voldaan.
1° zaken of dieren die het voorwerp van het misdrijf of de inbreuk uitmaken, en zaken of dieren die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van het misdrijf of de inbreuk, als ze eigendom zijn van de te beboeten persoon of de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3;
2° zaken of dieren die uit het misdrijf of de inbreuk voortkomen;
3° een geldbedrag ter waarde van maximaal het brutovermogensvoordeel dat uit het misdrijf of de inbreuk is verkregen;
4° een geldbedrag ten belope van maximaal de expertisekosten die van overheidswege noodzakelijk waren voor de ontdekking en het bewijs van het misdrijf of de inbreuk en die nog niet zijn voldaan.
Art. 29. Outre l'amende administrative, la confiscation administrative peut être infligée :
1° des biens ou des animaux qui font l'objet du délit ou de l'infraction, et des biens ou des animaux qui ont servi ou étaient destinés à commettre le délit ou l'infraction, s'ils sont la propriété de la personne ou de l'entreprise à verbaliser visée à l'article 27, § 3;
2° des objets ou animaux résultant du délit ou de l'infraction ;
3° une somme d'argent égale au maximum à l'avantage patrimonial brut résultant du délit ou de l'infraction ;
4° une somme d'argent égale au maximum aux frais d'expertise qui ont été nécessaires de la part des autorités pour la découverte et la preuve du délit ou de l'infraction et qui n'ont pas encore été payés.
1° des biens ou des animaux qui font l'objet du délit ou de l'infraction, et des biens ou des animaux qui ont servi ou étaient destinés à commettre le délit ou l'infraction, s'ils sont la propriété de la personne ou de l'entreprise à verbaliser visée à l'article 27, § 3;
2° des objets ou animaux résultant du délit ou de l'infraction ;
3° une somme d'argent égale au maximum à l'avantage patrimonial brut résultant du délit ou de l'infraction ;
4° une somme d'argent égale au maximum aux frais d'expertise qui ont été nécessaires de la part des autorités pour la découverte et la preuve du délit ou de l'infraction et qui n'ont pas encore été payés.
Art. 30. Als het misdrijf of de inbreuk betrekking heeft op premies, subsidies of andere vormen van steun, kan naast de bestuurlijke geldboete de volledige, gedeeltelijke of voorwaardelijke uitsluiting van steun worden opgelegd voor maximaal vijf jaar.
Art. 30. Si le délit ou l'infraction concerne des primes, des subventions ou d'autres formes d'aide, outre l'amende administrative, l'exclusion totale, partielle ou conditionnelle du bénéfice de l'aide peut être infligée pour une durée maximale de cinq ans.
Art. 31. De bestuurlijke sancties, vermeld in artikel 29 en 30, zijn onderling combineerbaar.
De bestuurlijke sanctie of, in voorkomend geval, de combinatie van bestuurlijke sancties, worden afgestemd op de volgende factoren:
1° de ernst van de inbreuk of het misdrijf;
2° de frequentie waarmee en de omstandigheden waarin de inbreuk of het misdrijf is gepleegd.
De bestuurlijke sanctie of, in voorkomend geval, de combinatie van bestuurlijke sancties, worden afgestemd op de volgende factoren:
1° de ernst van de inbreuk of het misdrijf;
2° de frequentie waarmee en de omstandigheden waarin de inbreuk of het misdrijf is gepleegd.
Art. 31. Les sanctions administratives visées aux articles 29 et 30, sont combinables entre elles.
La sanction administrative ou, le cas échéant, la combinaison de sanctions administratives, est adaptée aux facteurs suivants :
1° la gravité de l'infraction ou du délit ;
2° la fréquence et les circonstances dans lesquelles l'infraction ou le délit a été commis.
La sanction administrative ou, le cas échéant, la combinaison de sanctions administratives, est adaptée aux facteurs suivants :
1° la gravité de l'infraction ou du délit ;
2° la fréquence et les circonstances dans lesquelles l'infraction ou le délit a été commis.
Art. 32. In de sanctiebeslissing wordt een termijn bepaald waarin geldelijke bestuurlijke sancties betaald moeten worden. Die termijn mag niet korter zijn dan een maand en niet langer dan twaalf maanden.
Verbeurd verklaarde zaken, andere dan geldmiddelen, worden onmiddellijk overgedragen aan de administratie die de sanctiebeslissing aanwijst.
Verbeurd verklaarde zaken, andere dan geldmiddelen, worden onmiddellijk overgedragen aan de administratie die de sanctiebeslissing aanwijst.
Art. 32. La décision de sanction fixe un délai pour le paiement des sanctions administratives pécuniaires. Ce délai ne peut être inférieur à un mois ni supérieur à douze mois.
Les biens confisqués, autres que les fonds, sont immédiatement transférés à l'administration désignant la décision de sanction.
Les biens confisqués, autres que les fonds, sont immédiatement transférés à l'administration désignant la décision de sanction.
Art. 33. Bij verzachtende omstandigheden kan de beboetingsinstantie een lagere bestuurlijke geldboete opleggen dan het in de betreffende Vlaamse regelgeving bepaalde minimum. Die mogelijkheid is ook van toepassing bij overschrijding van de redelijke termijn, met dien verstande dat de beboetingsinstantie in dat geval ook kan beslissen om geen bestuurlijke sanctie op te leggen en alleen een eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken.
Art. 33. En cas de circonstances atténuantes, l'instance verbalisante peut infliger une amende administrative inférieure au minimum fixé par la réglementation flamande concernée. Cette possibilité s'applique également en cas de dépassement du délai raisonnable, étant entendu que, dans ce cas, l'instance verbalisante peut également décider de ne pas infliger de sanction administrative et de ne prononcer qu'une simple déclaration de culpabilité.
Art. 34. § 1. De bestuurlijke geldboete kan volledig of gedeeltelijk worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd gelijkaardige feiten worden gepleegd, met een straf of een bestuurlijke geldboete tot gevolg.
§ 2. Als blijkt dat overtreders binnen een tijdspanne van respectievelijk tien en zes jaar, vóór het misdrijf of de inbreuk waarvoor ze vervolgd worden, geen gelijkaardige feiten hebben gepleegd, kan aan overtreders het voordeel van opschorting van de beslissing over de bestuurlijke geldboete worden verleend. Dat gebeurt voor een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
De beboetingsinstantie die gevat wordt met gelijkaardige feiten die door de overtreders gepleegd zijn tijdens de proefperiode en hiervoor een bestuurlijke geldboete oplegt, spreekt zich in dezelfde sanctieprocedure ook uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting is verleend.
De beboetingsinstantie die kennis krijgt van een straf of geldboete, opgelegd aan de overtreders voor het plegen van gelijkaardige feiten tijdens de proefperiode, spreekt zich in een nieuwe sanctieprocedure uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting is verleend.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd gelijkaardige feiten worden gepleegd, met een straf of een bestuurlijke geldboete tot gevolg.
§ 2. Als blijkt dat overtreders binnen een tijdspanne van respectievelijk tien en zes jaar, vóór het misdrijf of de inbreuk waarvoor ze vervolgd worden, geen gelijkaardige feiten hebben gepleegd, kan aan overtreders het voordeel van opschorting van de beslissing over de bestuurlijke geldboete worden verleend. Dat gebeurt voor een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
De beboetingsinstantie die gevat wordt met gelijkaardige feiten die door de overtreders gepleegd zijn tijdens de proefperiode en hiervoor een bestuurlijke geldboete oplegt, spreekt zich in dezelfde sanctieprocedure ook uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting is verleend.
De beboetingsinstantie die kennis krijgt van een straf of geldboete, opgelegd aan de overtreders voor het plegen van gelijkaardige feiten tijdens de proefperiode, spreekt zich in een nieuwe sanctieprocedure uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting is verleend.
Art. 34. § 1er. L'amende administrative peut être infligée, en tout ou en partie, avec un report d'exécution pendant une période probatoire qui ne peut être inférieure à un an ni supérieure à trois ans.
Le sursis est révoqué de plein droit si des faits similaires sont commis pendant la période d'essai, entraînant une peine ou une amende administrative.
§ 2. S'il s'avère que les contrevenants n'ont pas commis de faits similaires dans un délai de respectivement dix et six ans, avant l'infraction ou l'infraction pour laquelle ils sont poursuivis, le bénéfice de la suspension de la décision relative à l'amende administrative peut être accordé aux contrevenants. Il s'agit d'une période probatoire qui ne peut être inférieure à un an ni supérieure à trois ans.
L'instance verbalisante, saisie de faits similaires commis par les contrevenants pendant la période d'essai et qui inflige une amende administrative à cet effet, se prononce également, dans la même procédure de sanction, sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
L'instance verbalisante qui a connaissance d'une peine ou d'une amende infligée aux contrevenants pour la commission de faits similaires pendant la période probatoire, se prononce dans une nouvelle procédure de sanction sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
Le sursis est révoqué de plein droit si des faits similaires sont commis pendant la période d'essai, entraînant une peine ou une amende administrative.
§ 2. S'il s'avère que les contrevenants n'ont pas commis de faits similaires dans un délai de respectivement dix et six ans, avant l'infraction ou l'infraction pour laquelle ils sont poursuivis, le bénéfice de la suspension de la décision relative à l'amende administrative peut être accordé aux contrevenants. Il s'agit d'une période probatoire qui ne peut être inférieure à un an ni supérieure à trois ans.
L'instance verbalisante, saisie de faits similaires commis par les contrevenants pendant la période d'essai et qui inflige une amende administrative à cet effet, se prononce également, dans la même procédure de sanction, sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
L'instance verbalisante qui a connaissance d'une peine ou d'une amende infligée aux contrevenants pour la commission de faits similaires pendant la période probatoire, se prononce dans une nouvelle procédure de sanction sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
Art. 35. De mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie vervalt:
1° door de dood van de verdachte, of, als het om een rechtspersoon gaat, door afsluiting van de vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening. Er treedt geen verval op als de invereffeningstelling of de ontbinding uitsluitend of mede tot doel hebben te ontsnappen aan vervolging, en dat in het sanctiebesluit wordt vastgesteld;
2° door verjaring na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het proces-verbaal waarin over het misdrijf wordt bericht, is afgesloten, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het proces-verbaal of het verslag van vaststelling waarin over de inbreuk wordt bericht, is afgesloten. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging die verricht worden binnen de voormelde termijnen. De verjaring blijft, voor wat misdrijven betreft, geschorst vanaf de dag waarop het openbaar ministerie het proces-verbaal ontvangt waarin over het misdrijf wordt bericht, tot aan de dag waarop de beboetingsinstantie het bericht van strafrechtelijke seponering, vermeld in artikel 38, § 1, ontvangt, met een maximum van één jaar.
1° door de dood van de verdachte, of, als het om een rechtspersoon gaat, door afsluiting van de vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening. Er treedt geen verval op als de invereffeningstelling of de ontbinding uitsluitend of mede tot doel hebben te ontsnappen aan vervolging, en dat in het sanctiebesluit wordt vastgesteld;
2° door verjaring na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het proces-verbaal waarin over het misdrijf wordt bericht, is afgesloten, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het proces-verbaal of het verslag van vaststelling waarin over de inbreuk wordt bericht, is afgesloten. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging die verricht worden binnen de voormelde termijnen. De verjaring blijft, voor wat misdrijven betreft, geschorst vanaf de dag waarop het openbaar ministerie het proces-verbaal ontvangt waarin over het misdrijf wordt bericht, tot aan de dag waarop de beboetingsinstantie het bericht van strafrechtelijke seponering, vermeld in artikel 38, § 1, ontvangt, met een maximum van één jaar.
Art. 35. La possibilité d'infliger une sanction administrative échoit :
1° par le décès de l'inculpé ou, s'il s'agit d'une personne morale, par la clôture de la liquidation, par dissolution judiciaire ou par dissolution sans liquidation. Aucune déchéance n'intervient si la mise en liquidation ou la dissolution a pour objet exclusif ou partiel d'échapper à la poursuite, et que l'arrêté de sanction le prévoit ;
2° par prescription à l'expiration d'un délai de cinq ans, à compter du jour de la clôture du procès-verbal dans lequel le délit est signalé, ou à l'expiration d'un délai de trois ans à compter du jour de la clôture du procès-verbal ou du rapport de constat dans lequel il est fait état de l'infraction. La prescription est interrompue par des actes d'enquête ou de poursuite accomplis dans les délais précités. La prescription reste suspendue, en ce qui concerne les infractions, à partir du jour où le ministère public reçoit le procès-verbal dans lequel l'infraction est dénoncée, jusqu'au jour où l'instance verbalisante reçoit l'avis de classement pénal visé à l'article 38, § 1er, avec un maximum d'un an.
1° par le décès de l'inculpé ou, s'il s'agit d'une personne morale, par la clôture de la liquidation, par dissolution judiciaire ou par dissolution sans liquidation. Aucune déchéance n'intervient si la mise en liquidation ou la dissolution a pour objet exclusif ou partiel d'échapper à la poursuite, et que l'arrêté de sanction le prévoit ;
2° par prescription à l'expiration d'un délai de cinq ans, à compter du jour de la clôture du procès-verbal dans lequel le délit est signalé, ou à l'expiration d'un délai de trois ans à compter du jour de la clôture du procès-verbal ou du rapport de constat dans lequel il est fait état de l'infraction. La prescription est interrompue par des actes d'enquête ou de poursuite accomplis dans les délais précités. La prescription reste suspendue, en ce qui concerne les infractions, à partir du jour où le ministère public reçoit le procès-verbal dans lequel l'infraction est dénoncée, jusqu'au jour où l'instance verbalisante reçoit l'avis de classement pénal visé à l'article 38, § 1er, avec un maximum d'un an.
Afdeling 2. - De bestuurlijke vervolgingsbeslissingen
Section 2. - Les décisions de poursuites administratives
Art. 36. De beboetingsinstantie beslist over de bestuurlijke vervolging en ziet toe op de volledigheid van het bestuurlijk sanctiedossier en de bewijsvoering à charge en à décharge. De regels voor het gebruik van onregelmatig verkregen bewijselementen in strafzaken, zijn van toepassing.
De beboetingsinstantie kan bij de concrete uitoefening van haar taken van bestuurlijke vervolging en sanctionering geen instructies ontvangen van de minister onder wiens gezag ze ressorteert, onverminderd de bevoegdheid van de Vlaamse Regering om algemene beleidslijnen als vermeld in hoofdstuk 8, vast te stellen.
De beboetingsinstantie kan geen sancties opleggen voor feiten waarin ze is opgetreden in de hoedanigheid van toezichthouder of agent of officier van gerechtelijke politie, tenzij tegen haar beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat bij een beroepsorgaan dat niet beschikt over bevoegdheden op het vlak van toezicht of opsporing.
De beboetingsinstantie kan bij de concrete uitoefening van haar taken van bestuurlijke vervolging en sanctionering geen instructies ontvangen van de minister onder wiens gezag ze ressorteert, onverminderd de bevoegdheid van de Vlaamse Regering om algemene beleidslijnen als vermeld in hoofdstuk 8, vast te stellen.
De beboetingsinstantie kan geen sancties opleggen voor feiten waarin ze is opgetreden in de hoedanigheid van toezichthouder of agent of officier van gerechtelijke politie, tenzij tegen haar beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat bij een beroepsorgaan dat niet beschikt over bevoegdheden op het vlak van toezicht of opsporing.
Art. 36. L'instance verbalisante statue sur la poursuite administrative et veille à l'exhaustivité du dossier de sanction administrative et à l'administration de la preuve à charge et à décharge. Les règles relatives à l'utilisation d'éléments de preuve obtenus irrégulièrement en matière pénale s'appliquent.
Dans l'exercice concret de ses tâches de poursuites administratives et de sanctions, l'instance verbalisante ne peut recevoir d'instructions du ministre dont elle relève, sans préjudice de la compétence du Gouvernement flamand pour fixer des orientations générales telles que visées au chapitre 8.
L'instance verbalisante ne peut infliger de sanctions pour des faits dans lesquels elle est intervenue en qualité de superviseur, d'agent ou d'officier de police judiciaire, à moins qu'un recours administratif organisé ne soit ouvert contre sa décision auprès d'un organe de recours qui ne dispose pas de compétences de supervision ou de recherche.
Dans l'exercice concret de ses tâches de poursuites administratives et de sanctions, l'instance verbalisante ne peut recevoir d'instructions du ministre dont elle relève, sans préjudice de la compétence du Gouvernement flamand pour fixer des orientations générales telles que visées au chapitre 8.
L'instance verbalisante ne peut infliger de sanctions pour des faits dans lesquels elle est intervenue en qualité de superviseur, d'agent ou d'officier de police judiciaire, à moins qu'un recours administratif organisé ne soit ouvert contre sa décision auprès d'un organe de recours qui ne dispose pas de compétences de supervision ou de recherche.
Art. 37. Om het bestuurlijk sanctiedossier te vervolledigen, heeft de beboetingsinstantie het recht om bevoegde toezichthouders te vorderen om alle noodzakelijke opsporingshandelingen uit te voeren.
Art. 37. Afin de compléter le dossier de sanction administrative, l'instance verbalisante a le droit de demander aux superviseurs compétents d'effectuer tous les actes de recherche nécessaires.
Art. 38. § 1. In geval van seponering als vermeld in artikel 28quater van het Wetboek van Strafvordering, bezorgt het openbaar ministerie de informatie die het heeft verkregen over de misdrijven, vermeld in Vlaamse regelgeving, samen met de reden voor de seponering, aan de beboetingsinstantie. Dat gebeurt volgens de regels die worden bepaald in een samenwerkingsakkoord als vermeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 2. Op grond van de informatie, vermeld in paragraaf 1, kan de beboetingsinstantie de volgende beslissingen nemen:
1° ze kan beslissen om het bestuurlijk sanctiedossier te vervolledigen in de zin van artikel 37;
2° ze kan beslissen om over te gaan tot bestuurlijk sepot;
3° ze kan beslissen om over te gaan tot bestuurlijke vervolging.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vatbaar voor beroep. De beboetingsinstantie brengt het openbaar ministerie op de hoogte van die beslissingen.
§ 3. Als het openbaar ministerie een misdrijf strafrechtelijk wil afhandelen, brengt het de beboetingsinstantie daarvan op de hoogte binnen drie maanden na de ontvangst van het proces-verbaal waarin over die misdrijven wordt bericht. Het openbaar ministerie kan binnen de initiële drie maanden de voormelde termijn verlengen tot maximaal één jaar. De verlenging gebeurt met een gemotiveerde beslissing. Het uitblijven van de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een seponering als vermeld in paragraaf 1, en laat de beboetingsinstantie toe een beslissing als vermeld in paragraaf 2, te nemen. De beboetingsinstantie kan in dat geval het openbaar ministerie verzoeken om de informatie, vermeld in paragraaf 1, te bezorgen, als ze dat nodig acht.
§ 4. De beboetingsinstantie wordt onmiddellijk door het openbaar ministerie op de hoogte gebracht van de instelling van de strafvordering of het verval ervan. De tijdige en regelmatige instelling van de strafvordering maakt elke beslissing, vermeld in paragraaf 2, onmogelijk.
§ 5. De beboetingsinstantie kan met het openbaar ministerie een protocol afsluiten, waarin wordt overeengekomen om bepaalde misdrijven in beginsel altijd bestuurlijk te vervolgen.
§ 2. Op grond van de informatie, vermeld in paragraaf 1, kan de beboetingsinstantie de volgende beslissingen nemen:
1° ze kan beslissen om het bestuurlijk sanctiedossier te vervolledigen in de zin van artikel 37;
2° ze kan beslissen om over te gaan tot bestuurlijk sepot;
3° ze kan beslissen om over te gaan tot bestuurlijke vervolging.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vatbaar voor beroep. De beboetingsinstantie brengt het openbaar ministerie op de hoogte van die beslissingen.
§ 3. Als het openbaar ministerie een misdrijf strafrechtelijk wil afhandelen, brengt het de beboetingsinstantie daarvan op de hoogte binnen drie maanden na de ontvangst van het proces-verbaal waarin over die misdrijven wordt bericht. Het openbaar ministerie kan binnen de initiële drie maanden de voormelde termijn verlengen tot maximaal één jaar. De verlenging gebeurt met een gemotiveerde beslissing. Het uitblijven van de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een seponering als vermeld in paragraaf 1, en laat de beboetingsinstantie toe een beslissing als vermeld in paragraaf 2, te nemen. De beboetingsinstantie kan in dat geval het openbaar ministerie verzoeken om de informatie, vermeld in paragraaf 1, te bezorgen, als ze dat nodig acht.
§ 4. De beboetingsinstantie wordt onmiddellijk door het openbaar ministerie op de hoogte gebracht van de instelling van de strafvordering of het verval ervan. De tijdige en regelmatige instelling van de strafvordering maakt elke beslissing, vermeld in paragraaf 2, onmogelijk.
§ 5. De beboetingsinstantie kan met het openbaar ministerie een protocol afsluiten, waarin wordt overeengekomen om bepaalde misdrijven in beginsel altijd bestuurlijk te vervolgen.
Wijzigingen
Voor de misdrijven, vermeld in het eerste lid, vervalt de strafvordering als ze niet is ingesteld binnen een termijn na de kennisgeving van het misdrijf aan het openbaar ministerie die in het protocol wordt bepaald, behalve als het openbaar ministerie de beboetingsinstantie binnen dezelfde termijn op de hoogte heeft gebracht van zijn intentie tot strafrechtelijke afhandeling.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de goedkeuring, inhoud en geldigheidsduur van het protocol.
Art. 38. § 1er. En cas de classement sans suite, tel que visé à l'article 28quater du Code d'instruction criminelle, le ministère public transmet à l'instance verbalisante les informations qu'il a obtenues sur les infractions, visées à la réglementation flamande, ainsi que la raison du classement sans suite. Cela se fait selon les règles établies dans un accord de coopération tel que visé à l'article 92bis de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 2. Sur la base des informations mentionnées au paragraphe 1er, l'instance verbalisante peut prendre les décisions suivantes :
1° elle peut décider de compléter le dossier de sanction administrative dans le sens de l'article 37 ;
2° elle peut décider de procéder à un classement administratif ;
3° elle peut décider de procéder à des poursuites administratives.
Les décisions mentionnées à l'alinéa 1er, ne sont pas susceptibles de recours. L'instance verbalisante informe le ministère public de ces décisions.
§ 3. Si le ministère public souhaite traiter un délit au pénal, il en informe l'instance verbalisante dans les trois mois de la réception du procès-verbal dans lequel il est fait état de ces infractions.
§ 4. Le ministère public peut, dans les trois mois initiaux, porter le délai précité à un an au maximum. L'extension fait l'objet d'une décision motivée. L'absence de notification visée à l'alinéa 1er, est assimilée, pour l'application du présent article, à un classement sans suite, tel que visé au paragraphe 1er, et permet à l'instance verbalisante de prendre une décision telle que visée au paragraphe 2. Dans ce cas, l'instance verbalisante peut demander au ministère public de fournir les informations visées au paragraphe 1er, si elle l'estime nécessaire.
§ 5. L'instance verbalisante est immédiatement informée par le ministère public de l'introduction de l'action publique ou de son extinction. L'introduction en temps utile et de manière régulière de l'action publique exclut toute décision mentionnée au paragraphe 2.
§ 6. L'instance verbalisante peut conclure un protocole avec le ministère public, acceptant en principe de toujours poursuivre certaines infractions sur le plan administratif.
Pour les délits visés à l'alinéa 1er, l'action publique est éteinte si elle n'a pas été introduite dans un délai après la notification du délit au ministère public prévue par le protocole, sauf si le ministère public a informé l'instance verbalisante de son intention de traitement pénal dans le même délai.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'approbation, au contenu et à la durée de validité du protocole.
§ 2. Sur la base des informations mentionnées au paragraphe 1er, l'instance verbalisante peut prendre les décisions suivantes :
1° elle peut décider de compléter le dossier de sanction administrative dans le sens de l'article 37 ;
2° elle peut décider de procéder à un classement administratif ;
3° elle peut décider de procéder à des poursuites administratives.
Les décisions mentionnées à l'alinéa 1er, ne sont pas susceptibles de recours. L'instance verbalisante informe le ministère public de ces décisions.
§ 3. Si le ministère public souhaite traiter un délit au pénal, il en informe l'instance verbalisante dans les trois mois de la réception du procès-verbal dans lequel il est fait état de ces infractions.
§ 4. Le ministère public peut, dans les trois mois initiaux, porter le délai précité à un an au maximum. L'extension fait l'objet d'une décision motivée. L'absence de notification visée à l'alinéa 1er, est assimilée, pour l'application du présent article, à un classement sans suite, tel que visé au paragraphe 1er, et permet à l'instance verbalisante de prendre une décision telle que visée au paragraphe 2. Dans ce cas, l'instance verbalisante peut demander au ministère public de fournir les informations visées au paragraphe 1er, si elle l'estime nécessaire.
§ 5. L'instance verbalisante est immédiatement informée par le ministère public de l'introduction de l'action publique ou de son extinction. L'introduction en temps utile et de manière régulière de l'action publique exclut toute décision mentionnée au paragraphe 2.
§ 6. L'instance verbalisante peut conclure un protocole avec le ministère public, acceptant en principe de toujours poursuivre certaines infractions sur le plan administratif.
Pour les délits visés à l'alinéa 1er, l'action publique est éteinte si elle n'a pas été introduite dans un délai après la notification du délit au ministère public prévue par le protocole, sauf si le ministère public a informé l'instance verbalisante de son intention de traitement pénal dans le même délai.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'approbation, au contenu et à la durée de validité du protocole.
Art. 39. § 1. Ten laatste bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 40, kan de beboetingsinstantie aan de bestuurlijk te vervolgen persoon voorstellen een geldsom te betalen, die niet hoger mag zijn dan het maximum van de bestuurlijke geldboete die op grond van de in tijd, ruimte en materialiteit omschreven feiten kan worden opgelegd.
De geldsom, vermeld in het eerste lid, staat in verhouding tot de zwaarte van het misdrijf of de inbreuk, en houdt rekening met de daaruit verkregen vermogensvoordelen. Ze is betaalbaar binnen een termijn van ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden die de beboetingsinstantie bepaalt. Als bijzondere omstandigheden dat wettigen, kan de beboetingsinstantie die termijn verlengen op verzoek van de persoon aan wie het voorstel wordt gericht.
§ 2. Gedurende de betalingstermijn kan de vervolging niet worden opgestart voor de feiten waarop het voorstel betrekking heeft. De tijdige en integrale betaling van de voorgestelde geldsom maakt bestuurlijke vervolging definitief onmogelijk.
Het voorstel tot betaling van een geldsom vervalt van rechtswege:
1° als de geldsom niet tijdig en integraal wordt betaald;
2° bij het indienen van een schriftelijk verweer, bedoeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 1°, of een vraag om mondeling te worden gehoord, bedoeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 4°.
Het voorstel en de beslissing tot verlenging stuiten de verjaring, vermeld in artikel 35, 2°, als ze worden gedaan binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn. Tijdens de betalingstermijn blijft de verjaring geschorst.
De geldsom, vermeld in het eerste lid, staat in verhouding tot de zwaarte van het misdrijf of de inbreuk, en houdt rekening met de daaruit verkregen vermogensvoordelen. Ze is betaalbaar binnen een termijn van ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden die de beboetingsinstantie bepaalt. Als bijzondere omstandigheden dat wettigen, kan de beboetingsinstantie die termijn verlengen op verzoek van de persoon aan wie het voorstel wordt gericht.
§ 2. Gedurende de betalingstermijn kan de vervolging niet worden opgestart voor de feiten waarop het voorstel betrekking heeft. De tijdige en integrale betaling van de voorgestelde geldsom maakt bestuurlijke vervolging definitief onmogelijk.
Het voorstel tot betaling van een geldsom vervalt van rechtswege:
1° als de geldsom niet tijdig en integraal wordt betaald;
2° bij het indienen van een schriftelijk verweer, bedoeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 1°, of een vraag om mondeling te worden gehoord, bedoeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 4°.
Het voorstel en de beslissing tot verlenging stuiten de verjaring, vermeld in artikel 35, 2°, als ze worden gedaan binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn. Tijdens de betalingstermijn blijft de verjaring geschorst.
Art. 39. § 1er. Au plus tard lors de la notification visée à l'article 40, l'instance verbalisante peut proposer à la personne à poursuivre administrativement de payer une somme d'argent qui ne peut excéder le maximum de l'amende administrative qui peut être infligée en fonction des faits définis dans le temps, l'espace et la matérialité.
La somme d'argent visée à l'alinéa 1er, est proportionnée à la gravité du délit ou de l'infraction, et tient compte des avantages patrimoniaux qui en résultent. Elle est payable dans un délai de quinze jours minimum et de trois mois maximum déterminé par l'instance verbalisante. Si des circonstances particulières le justifient, l'instance verbalisante peut prolonger ce délai à la demande du destinataire de la proposition.
§ 2. Pendant le délai de paiement, les poursuites ne peuvent être engagées pour les faits concernés par la proposition. Le paiement dans les délais et intégral de la somme d'argent proposée rend définitivement impossible toute poursuite administrative.
La proposition de paiement d'une somme d'argent expire de plein droit :
1° si la somme d'argent n'est pas payée dans les délais et intégralement ;
2° lors de l'introduction d'une défense écrite, visée à l'article 40, § 2, alinéa 1er, 1°, ou d'une demande d'audition orale visée à l'article 40, § 2, alinéa 1er, 4°.
La proposition et la décision de prolongation interrompent la prescription, visée à l'article 35, 2°, si elles interviennent dans le délai de prescription initial. La prescription reste suspendue pendant le délai de paiement.
La somme d'argent visée à l'alinéa 1er, est proportionnée à la gravité du délit ou de l'infraction, et tient compte des avantages patrimoniaux qui en résultent. Elle est payable dans un délai de quinze jours minimum et de trois mois maximum déterminé par l'instance verbalisante. Si des circonstances particulières le justifient, l'instance verbalisante peut prolonger ce délai à la demande du destinataire de la proposition.
§ 2. Pendant le délai de paiement, les poursuites ne peuvent être engagées pour les faits concernés par la proposition. Le paiement dans les délais et intégral de la somme d'argent proposée rend définitivement impossible toute poursuite administrative.
La proposition de paiement d'une somme d'argent expire de plein droit :
1° si la somme d'argent n'est pas payée dans les délais et intégralement ;
2° lors de l'introduction d'une défense écrite, visée à l'article 40, § 2, alinéa 1er, 1°, ou d'une demande d'audition orale visée à l'article 40, § 2, alinéa 1er, 4°.
La proposition et la décision de prolongation interrompent la prescription, visée à l'article 35, 2°, si elles interviennent dans le délai de prescription initial. La prescription reste suspendue pendant le délai de paiement.
Afdeling 3. - De gewone bestuurlijke sanctieprocedure
Section 3. - La procédure de sanction administrative ordinaire
Art. 40. § 1. De beboetingsinstantie brengt de vervolgde persoon en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, met een beveiligde zending op de hoogte van de bestuurlijke vervolging.
§ 2. De kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, bevat een beknopte beschrijving van de feiten en de juridische grondslag waarop de vervolging gebaseerd is. Naast de voormelde elementen, vermeldt de kennisgeving ook al de volgende informatie:
1° de mogelijkheid om binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving een schriftelijk verweer mee te delen;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier;
3° de mogelijkheid om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien op het adres van de beboetingsinstantie;
4° de mogelijkheid om mondeling te worden gehoord, als dat wordt gevraagd binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving;
5° de mogelijkheid om zich tijdens de hoorzitting te laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
Als de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier niet kan worden verzekerd, wordt een volledige kopie van het bestuurlijk sanctiedossier toegevoegd aan de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, behalve als dat binnen de grenzen van het redelijke onmogelijk is. In dat laatste geval bevat de kennisgeving een motivering van de onmogelijkheid.
Aan de vraag om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de beboetingsinstantie op alternatieve wijze voldoen door een volledige kopie van het bestuurlijk sanctiedossier aan de betrokkene te bezorgen.
§ 3. Het mondeling horen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, kan plaatsvinden door verschijning in persoon of door middel van een videoconferentie. In hun vraag om mondeling gehoord te worden, drukken de betrokkenen hun voorkeur uit. Er wordt altijd gehoord door verschijning in persoon als de beboetingsinstantie dat noodzakelijk acht.
De videoconferentie, vermeld in het eerste lid, gebeurt door middel van een platform dat voorziet in de nodige technische en organisatorische beveiliging. De hoorzitting wordt enkel opgenomen als de aanwezigen zich hiermee akkoord verklaren. De opname wordt bewaard in het in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en daar toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.
De beboetingsinstantie kan een vertegenwoordiger aanwijzen om de betrokkenen te horen. In dat geval stelt de vertegenwoordiger voor de beboetingsinstantie een verslag op van de hoorzitting, tenzij de opname ervan conform het tweede lid werd toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier.
§ 4. Als de beboetingsinstantie in de loop van de procedure kennis krijgt van feiten die bepalend zijn voor de beoordeling van het bestuurlijk sanctiedossier en die feiten niet zijn opgenomen in het bestuurlijk sanctiedossier of die feiten nader onderzoek behoeven, laat de beboetingsinstantie de nodige opsporingshandelingen stellen om het dossier te vervolledigen. De beboetingsinstantie brengt de vervolgde persoon en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, met een beveiligde zending op de hoogte dat stukken zijn toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier, en stelt hen in de gelegenheid een schriftelijk verweer te voeren binnen een vervaltermijn van dertig dagen na die kennisgeving.
§ 5. De beboetingsinstantie kan voor dezelfde of samenhangende feiten beslissen tot een gezamenlijke vervolging. Een gezamenlijke vervolging heeft al de volgende gevolgen:
1° het voornemen, vermeld in paragraaf 1, wordt op hetzelfde ogenblik bekendgemaakt aan alle betrokkenen;
2° de hoorzittingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden waar mogelijk gezamenlijk gehouden;
3° er wordt over alle betrokkenen in één akte beslist.
§ 2. De kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, bevat een beknopte beschrijving van de feiten en de juridische grondslag waarop de vervolging gebaseerd is. Naast de voormelde elementen, vermeldt de kennisgeving ook al de volgende informatie:
1° de mogelijkheid om binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving een schriftelijk verweer mee te delen;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier;
3° de mogelijkheid om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien op het adres van de beboetingsinstantie;
4° de mogelijkheid om mondeling te worden gehoord, als dat wordt gevraagd binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving;
5° de mogelijkheid om zich tijdens de hoorzitting te laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
Als de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier niet kan worden verzekerd, wordt een volledige kopie van het bestuurlijk sanctiedossier toegevoegd aan de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, behalve als dat binnen de grenzen van het redelijke onmogelijk is. In dat laatste geval bevat de kennisgeving een motivering van de onmogelijkheid.
Aan de vraag om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de beboetingsinstantie op alternatieve wijze voldoen door een volledige kopie van het bestuurlijk sanctiedossier aan de betrokkene te bezorgen.
§ 3. Het mondeling horen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, kan plaatsvinden door verschijning in persoon of door middel van een videoconferentie. In hun vraag om mondeling gehoord te worden, drukken de betrokkenen hun voorkeur uit. Er wordt altijd gehoord door verschijning in persoon als de beboetingsinstantie dat noodzakelijk acht.
De videoconferentie, vermeld in het eerste lid, gebeurt door middel van een platform dat voorziet in de nodige technische en organisatorische beveiliging. De hoorzitting wordt enkel opgenomen als de aanwezigen zich hiermee akkoord verklaren. De opname wordt bewaard in het in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en daar toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.
De beboetingsinstantie kan een vertegenwoordiger aanwijzen om de betrokkenen te horen. In dat geval stelt de vertegenwoordiger voor de beboetingsinstantie een verslag op van de hoorzitting, tenzij de opname ervan conform het tweede lid werd toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier.
§ 4. Als de beboetingsinstantie in de loop van de procedure kennis krijgt van feiten die bepalend zijn voor de beoordeling van het bestuurlijk sanctiedossier en die feiten niet zijn opgenomen in het bestuurlijk sanctiedossier of die feiten nader onderzoek behoeven, laat de beboetingsinstantie de nodige opsporingshandelingen stellen om het dossier te vervolledigen. De beboetingsinstantie brengt de vervolgde persoon en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, met een beveiligde zending op de hoogte dat stukken zijn toegevoegd aan het bestuurlijk sanctiedossier, en stelt hen in de gelegenheid een schriftelijk verweer te voeren binnen een vervaltermijn van dertig dagen na die kennisgeving.
§ 5. De beboetingsinstantie kan voor dezelfde of samenhangende feiten beslissen tot een gezamenlijke vervolging. Een gezamenlijke vervolging heeft al de volgende gevolgen:
1° het voornemen, vermeld in paragraaf 1, wordt op hetzelfde ogenblik bekendgemaakt aan alle betrokkenen;
2° de hoorzittingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden waar mogelijk gezamenlijk gehouden;
3° er wordt over alle betrokkenen in één akte beslist.
Art. 40. § 1re. L'instance verbalisante informe la personne poursuivie et, le cas échéant, l'entreprise visée à l'article 27, § 3, par envoi sécurisé, des poursuites administratives.
§ 2. La notification visée au paragraphe 1er, contient une brève description des faits et de la base juridique sur lesquels les poursuites sont fondées. Outre les éléments précités, la notification mentionne également toutes les informations suivantes :
1° la possibilité de présenter, dans un délai de trente jours à compter de la notification une défense écrite ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de sanction administrative ;
3° la possibilité de consulter le dossier de sanction administrative à l'adresse de l'instance verbalisante ;
4° la possibilité d'être entendu oralement, si la demande en est faite dans un délai de trente jours à compter de la notification ;
5° la possibilité d'être assisté par un conseil de votre choix lors de l'audience.
Si l'accès numérique au dossier de sanction administrative ne peut être assuré, une copie complète du dossier de sanction administrative est jointe à la notification, visée à l'alinéa premier, sauf si cela est impossible dans les limites du raisonnable. Dans ce dernier cas, la notification contient une justification de l'impossibilité.
La demande de consultation du dossier de sanction administrative visée à l'alinéa premier, 3°, peut être satisfaite de manière alternative par l'instance verbalisante en adressant une copie complète du dossier de sanction administrative à l'intéressé.
§ 3. L'audition orale visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, peut se faire par comparution en personne ou par vidéoconférence. Dans leur demande d'audition orale, les intéressés expriment leur préférence. Il est toujours entendu par comparution en personne si l'instance verbalisante l'estime nécessaire.
La vidéoconférence visée à l'alinéa 1er, se fait au moyen d'une plate-forme qui prévoit la sécurité technique et organisationnelle nécessaire. L'audition ne sera enregistrée que si les personnes présentes y consentent. L'enregistrement est conservé dans le classement numérique visé à l'article 4 du présent décret, et y est ajouté au dossier de sanction administrative, visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
L'instance verbalisante peut désigner un représentant pour entendre les personnes concernées. Dans ce cas, le représentant rédige un rapport de l'audition devant l'instance verbalisante, à moins que son enregistrement n'ait été joint au dossier de sanction administratif conformément à l'alinéa 2.
§ 4. Si, au cours de la procédure, l'instance verbalisante a connaissance de faits qui sont déterminants pour l'appréciation du dossier de sanction administrative et que ces faits ne sont pas repris dans le dossier de sanction administrative ou qu'ils nécessitent un complément d'instruction, l'instance verbalisante fait procéder aux actes de recherche nécessaires pour compléter le dossier. L'instance verbalisante informe la personne poursuivie et, le cas échéant, l'entreprise, visée à l'article 27, § 3, par envoi sécurisé, que des pièces ont été versées au dossier de sanction administrative et leur donne la possibilité de faire valoir leur défense par écrit dans un délai de trente jours à dater de cette notification.
§ 5. L'instance verbalisante peut décider de poursuites conjointes pour des infractions identiques ou connexes. Les poursuites conjointes entraînent toutes les conséquences suivantes :
1° l'intention mentionnée au paragraphe 1er, est annoncée en même temps à toutes les personnes concernées ;
2° les auditions mentionnées au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, sont tenues conjointement dans la mesure du possible ;
3° il est statué sur tous les intéressés par un acte unique.
§ 2. La notification visée au paragraphe 1er, contient une brève description des faits et de la base juridique sur lesquels les poursuites sont fondées. Outre les éléments précités, la notification mentionne également toutes les informations suivantes :
1° la possibilité de présenter, dans un délai de trente jours à compter de la notification une défense écrite ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de sanction administrative ;
3° la possibilité de consulter le dossier de sanction administrative à l'adresse de l'instance verbalisante ;
4° la possibilité d'être entendu oralement, si la demande en est faite dans un délai de trente jours à compter de la notification ;
5° la possibilité d'être assisté par un conseil de votre choix lors de l'audience.
Si l'accès numérique au dossier de sanction administrative ne peut être assuré, une copie complète du dossier de sanction administrative est jointe à la notification, visée à l'alinéa premier, sauf si cela est impossible dans les limites du raisonnable. Dans ce dernier cas, la notification contient une justification de l'impossibilité.
La demande de consultation du dossier de sanction administrative visée à l'alinéa premier, 3°, peut être satisfaite de manière alternative par l'instance verbalisante en adressant une copie complète du dossier de sanction administrative à l'intéressé.
§ 3. L'audition orale visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, peut se faire par comparution en personne ou par vidéoconférence. Dans leur demande d'audition orale, les intéressés expriment leur préférence. Il est toujours entendu par comparution en personne si l'instance verbalisante l'estime nécessaire.
La vidéoconférence visée à l'alinéa 1er, se fait au moyen d'une plate-forme qui prévoit la sécurité technique et organisationnelle nécessaire. L'audition ne sera enregistrée que si les personnes présentes y consentent. L'enregistrement est conservé dans le classement numérique visé à l'article 4 du présent décret, et y est ajouté au dossier de sanction administrative, visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
L'instance verbalisante peut désigner un représentant pour entendre les personnes concernées. Dans ce cas, le représentant rédige un rapport de l'audition devant l'instance verbalisante, à moins que son enregistrement n'ait été joint au dossier de sanction administratif conformément à l'alinéa 2.
§ 4. Si, au cours de la procédure, l'instance verbalisante a connaissance de faits qui sont déterminants pour l'appréciation du dossier de sanction administrative et que ces faits ne sont pas repris dans le dossier de sanction administrative ou qu'ils nécessitent un complément d'instruction, l'instance verbalisante fait procéder aux actes de recherche nécessaires pour compléter le dossier. L'instance verbalisante informe la personne poursuivie et, le cas échéant, l'entreprise, visée à l'article 27, § 3, par envoi sécurisé, que des pièces ont été versées au dossier de sanction administrative et leur donne la possibilité de faire valoir leur défense par écrit dans un délai de trente jours à dater de cette notification.
§ 5. L'instance verbalisante peut décider de poursuites conjointes pour des infractions identiques ou connexes. Les poursuites conjointes entraînent toutes les conséquences suivantes :
1° l'intention mentionnée au paragraphe 1er, est annoncée en même temps à toutes les personnes concernées ;
2° les auditions mentionnées au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, sont tenues conjointement dans la mesure du possible ;
3° il est statué sur tous les intéressés par un acte unique.
Art. 41. De beboetingsinstantie beslist binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving, vermeld in artikel 40, § 1, en brengt de vervolgde persoon en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, op de hoogte van haar sanctiebeslissing.
De sanctiebeslissing vermeldt de motieven waarop ze gegrond is, en in voorkomend geval de sancties die worden opgelegd, en de manier waarop verschuldigde bedragen moeten worden voldaan.
In de mate waarin niet wordt beslist tot verbeurdverklaring, beslist de beboetingsinstantie tot opheffing van het bestuurlijk beslag en wederinbezitstelling.
De sanctiebeslissing vermeldt de motieven waarop ze gegrond is, en in voorkomend geval de sancties die worden opgelegd, en de manier waarop verschuldigde bedragen moeten worden voldaan.
In de mate waarin niet wordt beslist tot verbeurdverklaring, beslist de beboetingsinstantie tot opheffing van het bestuurlijk beslag en wederinbezitstelling.
Art. 41. L'instance verbalisante statue dans les cent quatre-vingts jours suivant la notification visée à l'article 40, § 1er, et informe la personne poursuivie et, le cas échéant, l'entreprise visée à l'article 27, § 3, de sa décision de sanction.
La décision de sanction précise les motifs de sa justification et, le cas échéant, les sanctions infligées et la manière dont les montants dus doivent être acquittés.
Dans la mesure où la confiscation n'est pas décidée, l'instance verbalisante décide de la levée de la saisie administrative et de la remise en possession.
La décision de sanction précise les motifs de sa justification et, le cas échéant, les sanctions infligées et la manière dont les montants dus doivent être acquittés.
Dans la mesure où la confiscation n'est pas décidée, l'instance verbalisante décide de la levée de la saisie administrative et de la remise en possession.
Art. 42. [1 De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht over het beroep tegen de administratieve eindbeslissing over de bestuurlijke vervolging. Het beroep schorst de beslissing.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel ]1.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel ]1.
Art. 42. [1 Le Conseil d'Etat statue de pleine juridiction sur le recours contre la décision administrative définitive relative à la poursuite administrative. Le recours suspend la décision.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives visé à l'article 77 ]1.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives visé à l'article 77 ]1.
Wijzigingen
Afdeling 4. - De vereenvoudigde bestuurlijke sanctieprocedure
Section 4. - La procédure de sanction administrative simplifiée
Art. 43. De vereenvoudigde bestuurlijke sanctieprocedure is van toepassing op inbreuken die sanctioneerbaar zijn met een bestuurlijke geldboete van maximaal 1000 euro.
Art. 43. La procédure de sanction administrative simplifiée s'applique aux infractions passibles d'une amende administrative d'un montant maximal de 1 000 euros.
Art. 44. § 1. In de vereenvoudigde bestuurlijke sanctieprocedure legt de beboetingsinstantie aan de overtreder, en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, een bestuurlijke geldboete op op basis van het bestuurlijk sanctiedossier, zonder hen voorafgaandelijk in de gelegenheid te stellen een verweer te voeren.
In de vereenvoudigde bestuurlijke sanctieprocedure is het niet mogelijk:
1° om de aanvullende sancties, vermeld in artikel 29 en 30, op te leggen;
2° om probatievoorwaarden te koppelen aan de beslissingen, vermeld in artikel 34.
§ 2. De overtreder, en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, worden met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing van de beboetingsinstantie om een bestuurlijke geldboete op te leggen.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende informatie:
1° de motieven waarop de beslissing gegrond is, de bestuurlijke geldboete die wordt opgelegd en de manier waarop ze moet worden voldaan;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier;
3° de mogelijkheid om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien op het adres van de beboetingsinstantie;
4° de mogelijkheid om binnen een vervaltermijn van dertig dagen na de kennisgeving van de sanctiebeslissing bezwaar aan te tekenen, en daarbij een schriftelijk verweer te voegen. Het bezwaar wordt aangetekend bij de beboetingsinstantie die de bestuurlijke geldboete heeft opgelegd, of bij het beroepsorgaan, vermeld in artikel 36, derde lid.
De vermelding van de informatie, vermeld in het tweede lid, 2° en 3°, is niet verplicht als alle stukken uit het bestuurlijk sanctiedossier gevoegd zijn bij de bestuurlijke sanctiebeslissing.
In de vereenvoudigde bestuurlijke sanctieprocedure is het niet mogelijk:
1° om de aanvullende sancties, vermeld in artikel 29 en 30, op te leggen;
2° om probatievoorwaarden te koppelen aan de beslissingen, vermeld in artikel 34.
§ 2. De overtreder, en, in voorkomend geval, de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, worden met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing van de beboetingsinstantie om een bestuurlijke geldboete op te leggen.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende informatie:
1° de motieven waarop de beslissing gegrond is, de bestuurlijke geldboete die wordt opgelegd en de manier waarop ze moet worden voldaan;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier;
3° de mogelijkheid om het bestuurlijk sanctiedossier in te zien op het adres van de beboetingsinstantie;
4° de mogelijkheid om binnen een vervaltermijn van dertig dagen na de kennisgeving van de sanctiebeslissing bezwaar aan te tekenen, en daarbij een schriftelijk verweer te voegen. Het bezwaar wordt aangetekend bij de beboetingsinstantie die de bestuurlijke geldboete heeft opgelegd, of bij het beroepsorgaan, vermeld in artikel 36, derde lid.
De vermelding van de informatie, vermeld in het tweede lid, 2° en 3°, is niet verplicht als alle stukken uit het bestuurlijk sanctiedossier gevoegd zijn bij de bestuurlijke sanctiebeslissing.
Art. 44. § 1er. Dans le cadre de la procédure de sanction administrative simplifiée, l'instance verbalisante inflige au contrevenant et, le cas échéant, à l'entreprise visée à l'article 27, § 3, une amende administrative sur la base du dossier de sanction administrative, sans leur permettre au préalable de faire valoir leur défense.
Dans le cadre de la procédure de sanction administrative simplifiée, il n'est pas possible :
1° d'imposer les sanctions supplémentaires visées aux articles 29 et 30 ;
2° de lier des conditions de probation aux décisions visées à l'article 34.
§ 2. Le contrevenant et, le cas échéant, l'entreprise visée à l'article 27, § 3, sont notifiés par envoi sécurisé de la décision de l'instance verbalisante d'infliger une amende administrative.
La décision visée à l'alinéa 1er, contient toutes les informations suivantes :
1° les motifs de la décision, l'amende administrative infligée et la manière dont elle doit être acquittée ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de sanction administrative ;
3° la possibilité de consulter le dossier de sanction administrative à l'adresse de l'instance verbalisante ;
4° la possibilité de former un recours dans un délai de trente jours à compter de la notification de la décision de sanction, en y joignant une défense écrite. Le recours est formé auprès de l'instance verbalisante qui a infligé l'amende administrative, ou auprès de l'organe de recours visé à l'article 36, alinéa 3.
L'indication des informations visées à l'alinéa 2, 2° et 3°, n'est pas obligatoire si tous les documents du dossier de sanction administrative sont joints à la décision de sanction administrative.
Dans le cadre de la procédure de sanction administrative simplifiée, il n'est pas possible :
1° d'imposer les sanctions supplémentaires visées aux articles 29 et 30 ;
2° de lier des conditions de probation aux décisions visées à l'article 34.
§ 2. Le contrevenant et, le cas échéant, l'entreprise visée à l'article 27, § 3, sont notifiés par envoi sécurisé de la décision de l'instance verbalisante d'infliger une amende administrative.
La décision visée à l'alinéa 1er, contient toutes les informations suivantes :
1° les motifs de la décision, l'amende administrative infligée et la manière dont elle doit être acquittée ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de sanction administrative ;
3° la possibilité de consulter le dossier de sanction administrative à l'adresse de l'instance verbalisante ;
4° la possibilité de former un recours dans un délai de trente jours à compter de la notification de la décision de sanction, en y joignant une défense écrite. Le recours est formé auprès de l'instance verbalisante qui a infligé l'amende administrative, ou auprès de l'organe de recours visé à l'article 36, alinéa 3.
L'indication des informations visées à l'alinéa 2, 2° et 3°, n'est pas obligatoire si tous les documents du dossier de sanction administrative sont joints à la décision de sanction administrative.
Art. 45. De uitvoerbaarheid van de sanctiebeslissing blijft geschorst vanaf het tijdig aantekenen van het bezwaar tot de kennisgeving van de beslissing over het bezwaar.
Art. 45. La force exécutoire de la décision de sanction reste suspendue à partir de l'introduction du recours dans les délais jusqu'à la notification de la décision sur le recours.
Art. 46. [1 De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht over het beroep tegen de beslissing tot volledige of gedeeltelijke verwerping van het bezwaar, vermeld in artikel 44, § 2, tweede lid. Het beroep schorst de beslissing.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Art. 46. [1 Le Conseil d'Etat statue de pleine juridiction sur le recours contre la décision de rejet total ou partiel de la réclamation visée à l'article 44, § 2, alinéa 2. Le recours suspend la décision.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Herstel
CHAPITRE 4. - Réparation
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 47. Overtreders die hebben bijgedragen tot publieke schade door hun betrokkenheid bij het misdrijf, de inbreuk of de normschending, zijn hoofdelijk tot het herstel verplicht van deze publieke schade. Ze zijn verplicht inperkende maatregelen te nemen zodra het optreden van publieke verliezen of de toename daarvan waarschijnlijk is.
Overtreders dragen alle kosten die verbonden zijn aan het herstel of het vermijden van de publieke schade, met inbegrip van de kosten die gemaakt zijn door herstelinstanties om de vereiste herstel- of inperkende maatregelen te bepalen.
Overtreders dragen alle kosten die verbonden zijn aan het herstel of het vermijden van de publieke schade, met inbegrip van de kosten die gemaakt zijn door herstelinstanties om de vereiste herstel- of inperkende maatregelen te bepalen.
Art. 47. Les contrevenants qui ont contribué à un préjudice public du fait de leur participation au délit, à l'infraction ou à la violation de normes sont solidairement tenus de réparer ce préjudice public. Ils sont tenus de prendre des mesures restrictives dès que l'apparition ou l'augmentation de pertes publiques est probable.
Les contrevenants supportent tous les coûts liés à la réparation ou à la prévention du préjudice public, y compris les coûts encourus par les instances de réparation pour déterminer les mesures réparatoires ou restrictives nécessaires.
Les contrevenants supportent tous les coûts liés à la réparation ou à la prévention du préjudice public, y compris les coûts encourus par les instances de réparation pour déterminer les mesures réparatoires ou restrictives nécessaires.
Art. 48. § 1. De publieke schade wordt integraal hersteld. Het herstel van publieke schade gebeurt feitelijk, of, in zoverre dit niet mogelijk is, bij financieel equivalent.
§ 2. Feitelijk herstel als vermeld in paragraaf 1, gebeurt door een volledige of gedeeltelijke terugkeer naar de referentietoestand, aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, of minstens een toestand die daaraan kennelijk gelijkwaardig is in het licht van de beschermde belangen. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
De overtreder kan niet worden verplicht tot feitelijk herstel in de mate waarin:
1° het niet realiseerbaar is;
2° het kennelijk onevenredig is met de in concreto vastgestelde publieke verliezen;
3° het kennelijk onevenredige schade toebrengt aan de belangen van de overtreder of derden.
§ 3. Herstel bij financieel equivalent als vermeld in paragraaf 1, gebeurt door een bedrag te betalen dat gelijk is aan de monetaire waardering van de publieke schade die feitelijk onhersteld zal blijven. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen, met inbegrip van het vaststellen van forfaitaire bedragen. In dat laatste geval past de rechtbank of de herstelinstantie de vastgestelde bedragen toe, tenzij een vermindering of vermeerdering noodzakelijk is om een kennelijke wanverhouding met de concrete publieke schade te voorkomen.
§ 4. Naast het herstel van de publieke schade kunnen inperkende maatregelen worden opgelegd, wanneer en voor zolang dat nodig is om het bevolen herstel veilig te stellen.
§ 2. Feitelijk herstel als vermeld in paragraaf 1, gebeurt door een volledige of gedeeltelijke terugkeer naar de referentietoestand, aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, of minstens een toestand die daaraan kennelijk gelijkwaardig is in het licht van de beschermde belangen. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
De overtreder kan niet worden verplicht tot feitelijk herstel in de mate waarin:
1° het niet realiseerbaar is;
2° het kennelijk onevenredig is met de in concreto vastgestelde publieke verliezen;
3° het kennelijk onevenredige schade toebrengt aan de belangen van de overtreder of derden.
§ 3. Herstel bij financieel equivalent als vermeld in paragraaf 1, gebeurt door een bedrag te betalen dat gelijk is aan de monetaire waardering van de publieke schade die feitelijk onhersteld zal blijven. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen, met inbegrip van het vaststellen van forfaitaire bedragen. In dat laatste geval past de rechtbank of de herstelinstantie de vastgestelde bedragen toe, tenzij een vermindering of vermeerdering noodzakelijk is om een kennelijke wanverhouding met de concrete publieke schade te voorkomen.
§ 4. Naast het herstel van de publieke schade kunnen inperkende maatregelen worden opgelegd, wanneer en voor zolang dat nodig is om het bevolen herstel veilig te stellen.
Art. 48. § 1er. Le préjudice public sera intégralement réparé. La réparation du préjudice public se fait effectivement ou, dans la mesure où cela n'est pas possible, par un équivalent financier.
§ 2. La réparation effective, telle que visée au paragraphe 1er, s'effectue par un retour total ou partiel à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui lui sont directement applicables, ou au moins à une situation qui y est manifestement équivalente au regard des intérêts protégés. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le contrevenant ne peut être obligé de procéder à la réparation effective dans la mesure où :
1° elle n'est pas réalisable ;
2° elle est manifestement disproportionnée par rapport aux pertes publiques constatées concrètement ;
3° elle cause des préjudices manifestement disproportionnés aux intérêts du contrevenant ou de tiers.
§ 3. La réparation par équivalent financier telle que visée au paragraphe 1er est effectuée par le paiement d'un montant égal à l'évaluation monétaire du préjudice public qui ne sera effectivement pas réparé. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités en la matière, y compris la fixation de montants forfaitaires. Dans ce dernier cas, le tribunal ou l'instance de réparation applique les montants fixés, à moins qu'une réduction ou une majoration ne soit nécessaire pour éviter un déséquilibre manifeste avec le préjudice public concret.
§ 4. Outre la réparation du préjudice public, des mesures restrictives peuvent être imposées quand et aussi longtemps que nécessaire pour assurer la réparation ordonnée.
§ 2. La réparation effective, telle que visée au paragraphe 1er, s'effectue par un retour total ou partiel à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui lui sont directement applicables, ou au moins à une situation qui y est manifestement équivalente au regard des intérêts protégés. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le contrevenant ne peut être obligé de procéder à la réparation effective dans la mesure où :
1° elle n'est pas réalisable ;
2° elle est manifestement disproportionnée par rapport aux pertes publiques constatées concrètement ;
3° elle cause des préjudices manifestement disproportionnés aux intérêts du contrevenant ou de tiers.
§ 3. La réparation par équivalent financier telle que visée au paragraphe 1er est effectuée par le paiement d'un montant égal à l'évaluation monétaire du préjudice public qui ne sera effectivement pas réparé. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités en la matière, y compris la fixation de montants forfaitaires. Dans ce dernier cas, le tribunal ou l'instance de réparation applique les montants fixés, à moins qu'une réduction ou une majoration ne soit nécessaire pour éviter un déséquilibre manifeste avec le préjudice public concret.
§ 4. Outre la réparation du préjudice public, des mesures restrictives peuvent être imposées quand et aussi longtemps que nécessaire pour assurer la réparation ordonnée.
Art. 49. De herstelinstantie kan een overtreder met herstelplicht aanmanen tot administratieve regularisatie, de uitvoering van maatregelen gericht op feitelijk herstel en de uitvoering van inperkende maatregelen. De aanmaning vermeldt de termijn waarin dat moet gebeuren en de administratieve formaliteiten die daarvoor moeten worden vervuld.
Gedurende de termijn, vermeld in het eerste lid, kan de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, geen herstel vorderen als vermeld in artikel 56, of een beslissing nemen als vermeld in artikel 52.
De aangemaande overtreder is verplicht de administratieve regularisatie of de uitvoering van de maatregelen die in de aanmaning zijn beschreven, te melden, en daarvan de nodige bewijzen te leveren. Artikel 72 is van toepassing op die melding.
Gedurende de termijn, vermeld in het eerste lid, kan de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, geen herstel vorderen als vermeld in artikel 56, of een beslissing nemen als vermeld in artikel 52.
De aangemaande overtreder is verplicht de administratieve regularisatie of de uitvoering van de maatregelen die in de aanmaning zijn beschreven, te melden, en daarvan de nodige bewijzen te leveren. Artikel 72 is van toepassing op die melding.
Art. 49. L'instance de réparation peut sommer le contrevenant soumis à une obligation de réparation de procéder à une régularisation administrative, de mettre en oeuvre des mesures visant à une réparation effective et de mettre en oeuvre des mesures restrictives. La sommation précise le délai dans lequel cela doit être fait et les formalités administratives à accomplir à cet effet.
Pendant le délai, visé à l'alinéa 1er, l'instance de réparation, visée à l'alinéa 1er, ne peut demander la réparation, telle que visée à l'article 56, ou prendre une décision, telle que visée à l'article 52.
Le contrevenant sommé est tenu de notifier la régularisation administrative ou l'exécution des mesures décrites dans la sommation et d'en fournir les preuves nécessaires. L'article 72 s'applique à cette notification.
Pendant le délai, visé à l'alinéa 1er, l'instance de réparation, visée à l'alinéa 1er, ne peut demander la réparation, telle que visée à l'article 56, ou prendre une décision, telle que visée à l'article 52.
Le contrevenant sommé est tenu de notifier la régularisation administrative ou l'exécution des mesures décrites dans la sommation et d'en fournir les preuves nécessaires. L'article 72 s'applique à cette notification.
Art. 50. § 1. Behalve als de Vlaamse regelgeving zelf verjaringstermijnen bepaalt, verjaart het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen leggen na vijf jaar vanaf de dag waarop de herstelinstantie via een proces-verbaal of verslag van vaststelling kennis heeft gekregen van de publieke schade of van de verzwaring ervan en de identiteit van de overtreder, vermeld in artikel 47.
Het recht, vermeld in het eerste lid, verjaart in ieder geval twintig jaar nadat het misdrijf, de inbreuk of de normschending is gepleegd.
De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden van burgerlijke rechtsvorderingen uit onrechtmatige daad zijn van toepassing op de verjaringstermijnen, vermeld in het eerste en tweede lid.
De verjaring van het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen blijft geschorst:
1° voor de publieke herstelvordering: zodra ze tijdig en regelmatig aanhangig is gemaakt bij de rechter totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding heeft beëindigd;
2° voor bestuurlijke publieke herstelmaatregelen: gedurende de termijn waarin de bestuurlijke maatregelen het voorwerp uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;
3° gedurende de termijn, verleend voor de vrijwillige uitvoering van publieke herstelmaatregelen;
4° gedurende de termijn, bedoeld in artikel 49, tweede lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen nooit verjaren voor het verval van de strafvordering of de mogelijkheid om een bestuurlijke sanctie op te leggen.
§ 3. De overschrijding van de redelijke termijn wordt in de beslissing van de rechter of de bestuurlijke herstelbeslissing vastgesteld. Waar dat nodig is, kan rechtsherstel als vermeld in artikel 41 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geboden worden door in de beslissing te voorzien in een evenredige tussenkomst van de overheid waartoe de herstelinstantie behoort, in de kosten die verbonden zijn aan het bepalen en de uitvoering van de publieke herstelmaatregel, of door een vermindering van het te betalen bedrag, vermeld in artikel 48, § 3, van dit decreet. Hierbij wordt rekening gehouden met het rechtsherstel dat in relatie tot de vastgestelde overschrijding eventueel al is verleend door de rechter of door de beboetingsinstantie, met toepassing van artikel 33 van dit decreet of artikel 21ter van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
Het recht, vermeld in het eerste lid, verjaart in ieder geval twintig jaar nadat het misdrijf, de inbreuk of de normschending is gepleegd.
De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden van burgerlijke rechtsvorderingen uit onrechtmatige daad zijn van toepassing op de verjaringstermijnen, vermeld in het eerste en tweede lid.
De verjaring van het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen blijft geschorst:
1° voor de publieke herstelvordering: zodra ze tijdig en regelmatig aanhangig is gemaakt bij de rechter totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding heeft beëindigd;
2° voor bestuurlijke publieke herstelmaatregelen: gedurende de termijn waarin de bestuurlijke maatregelen het voorwerp uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;
3° gedurende de termijn, verleend voor de vrijwillige uitvoering van publieke herstelmaatregelen;
4° gedurende de termijn, bedoeld in artikel 49, tweede lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen nooit verjaren voor het verval van de strafvordering of de mogelijkheid om een bestuurlijke sanctie op te leggen.
§ 3. De overschrijding van de redelijke termijn wordt in de beslissing van de rechter of de bestuurlijke herstelbeslissing vastgesteld. Waar dat nodig is, kan rechtsherstel als vermeld in artikel 41 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geboden worden door in de beslissing te voorzien in een evenredige tussenkomst van de overheid waartoe de herstelinstantie behoort, in de kosten die verbonden zijn aan het bepalen en de uitvoering van de publieke herstelmaatregel, of door een vermindering van het te betalen bedrag, vermeld in artikel 48, § 3, van dit decreet. Hierbij wordt rekening gehouden met het rechtsherstel dat in relatie tot de vastgestelde overschrijding eventueel al is verleend door de rechter of door de beboetingsinstantie, met toepassing van artikel 33 van dit decreet of artikel 21ter van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
Art. 50. § 1er. Sauf si la réglementation flamande fixe elle-même des délais de prescription, le droit d'imposer ou de faire imposer des mesures réparatoires publiques se prescrit par cinq ans à compter du jour où l'instance de réparation a eu connaissance du préjudice public ou de son aggravation et de l'identité du contrevenant visé à l'article 47, par un procès-verbal ou un rapport de constat.
Le droit visé à l'alinéa 1er se prescrit en tout cas par vingt ans après que le délit, l'infraction ou la violation de normes a été commis.
Les causes de suspension et d'interruption de droit commun des actions civiles délictuelles sont applicables aux délais de prescription, visés aux alinéas 1er et 2.
La prescription du droit d'imposer ou de faire imposer des mesures réparatoires publiques reste suspendue :
1° pour l'action publique en réparation : dès qu'elle a été introduite en temps utile et régulièrement devant le juge, jusqu'à ce qu'une décision coulée en force de chose jugée ait mis fin à l'instance ;
2° pour les mesures réparatoires publiques administratives : pendant la période où les mesures administratives font l'objet d'un recours administratif ou juridictionnel ;
3° au cours de la période, accordée pour la mise en oeuvre volontaire de mesures réparatoires publiques ;
4° pendant la période visée à l'article 49, alinéa 2.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le droit d'imposer des mesures réparatoires publiques ne peut jamais se prescrire avant l'extinction de l'action publique ou la possibilité d'infliger une sanction administrative.
§ 3. Le dépassement du délai raisonnable est établi dans la décision du juge ou la décision administrative de réparation. Le cas échéant, le redressement visé à l'article 41 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales peut être offert en prévoyant dans la décision une intervention proportionnelle de l'autorité dont relève l'instance de réparation, dans les frais liés à la détermination et à l'exécution de la mesure de réparation publique, ou par une réduction du montant à payer, visée à l'article 48, § 3, du présent décret. A cet effet, il est tenu compte du redressement éventuellement déjà accordé par le juge ou par l'instance verbalisante en ce qui concerne le dépassement constaté, en application de l'article 33 du présent décret ou de l'article 21ter de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Le droit visé à l'alinéa 1er se prescrit en tout cas par vingt ans après que le délit, l'infraction ou la violation de normes a été commis.
Les causes de suspension et d'interruption de droit commun des actions civiles délictuelles sont applicables aux délais de prescription, visés aux alinéas 1er et 2.
La prescription du droit d'imposer ou de faire imposer des mesures réparatoires publiques reste suspendue :
1° pour l'action publique en réparation : dès qu'elle a été introduite en temps utile et régulièrement devant le juge, jusqu'à ce qu'une décision coulée en force de chose jugée ait mis fin à l'instance ;
2° pour les mesures réparatoires publiques administratives : pendant la période où les mesures administratives font l'objet d'un recours administratif ou juridictionnel ;
3° au cours de la période, accordée pour la mise en oeuvre volontaire de mesures réparatoires publiques ;
4° pendant la période visée à l'article 49, alinéa 2.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le droit d'imposer des mesures réparatoires publiques ne peut jamais se prescrire avant l'extinction de l'action publique ou la possibilité d'infliger une sanction administrative.
§ 3. Le dépassement du délai raisonnable est établi dans la décision du juge ou la décision administrative de réparation. Le cas échéant, le redressement visé à l'article 41 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales peut être offert en prévoyant dans la décision une intervention proportionnelle de l'autorité dont relève l'instance de réparation, dans les frais liés à la détermination et à l'exécution de la mesure de réparation publique, ou par une réduction du montant à payer, visée à l'article 48, § 3, du présent décret. A cet effet, il est tenu compte du redressement éventuellement déjà accordé par le juge ou par l'instance verbalisante en ce qui concerne le dépassement constaté, en application de l'article 33 du présent décret ou de l'article 21ter de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Art. 51. Bestuurlijk opgelegde publieke herstelmaatregelen kunnen worden opgeheven of gewijzigd door een bevoegde herstelinstantie van hetzelfde bestuursniveau als de herstelinstantie die de maatregel heeft opgelegd.
Wanneer de maatregelen, vermeld in het eerste lid, zijn opgenomen in een beslissing die niet meer vatbaar is voor een georganiseerd administratief beroep of een jurisdictioneel beroep, kunnen de maatregelen enkel nog worden opgeheven of gewijzigd in een van de volgende omstandigheden:
1° de maatregel blijkt niet werkzaam;
2° de maatregel is niet langer actueel;
3° de maatregel moet worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden.
Wanneer de maatregelen, vermeld in het eerste lid, zijn opgenomen in een beslissing die niet meer vatbaar is voor een georganiseerd administratief beroep of een jurisdictioneel beroep, kunnen de maatregelen enkel nog worden opgeheven of gewijzigd in een van de volgende omstandigheden:
1° de maatregel blijkt niet werkzaam;
2° de maatregel is niet langer actueel;
3° de maatregel moet worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden.
Art. 51. Les mesures de réparation publiques imposées par l'administration peuvent être abrogées ou modifiées par une instance de réparation compétente du même niveau de pouvoir que l'instance de réparation qui a imposé la mesure.
Lorsque les mesures mentionnées à l'alinéa 1er sont reprises dans une décision qui n'est plus susceptible d'un recours administratif organisé ou d'un recours juridictionnel, les mesures ne peuvent être levées ou modifiées que dans l'une des circonstances suivantes :
1° la mesure s'avère inefficace ;
2° la mesure n'est plus d'actualité ;
3° la mesure doit être adaptée aux nouvelles circonstances.
Lorsque les mesures mentionnées à l'alinéa 1er sont reprises dans une décision qui n'est plus susceptible d'un recours administratif organisé ou d'un recours juridictionnel, les mesures ne peuvent être levées ou modifiées que dans l'une des circonstances suivantes :
1° la mesure s'avère inefficace ;
2° la mesure n'est plus d'actualité ;
3° la mesure doit être adaptée aux nouvelles circonstances.
Afdeling 2. - Bestuurlijke herstelprocedure
Section 2. - Procédure administrative de réparation
Art. 52. De herstelinstantie kan aan overtreders met een herstelplicht publieke herstelmaatregelen opleggen, zo nodig aangevuld met inperkende maatregelen en de betaling van kosten om de vereiste maatregelen te bepalen. Dat gebeurt via een bestuurlijke herstelbeslissing in de vorm van bestuursdwang of een bestuurlijk herstelbevel.
Bestuursdwang laat de herstelinstantie toe om onmiddellijk tot de ambtshalve uitvoering van de publieke herstelmaatregel over te gaan, in de plaats en op kosten van de overtreder. Tot bestuursdwang wordt buiten de context van een bestuurlijk herstelbevel alleen besloten als het herstel van de publieke schade, door de urgentie die er mee gepaard gaat of de specifieke aard daarvan, niet kan worden overgelaten aan de herstelplichtige, en alleen door de herstelinstantie zelf kan worden gerealiseerd.
In een bestuurlijk herstelbevel wordt aan de overtreder een hersteltermijn toegekend om de opgelegde publieke herstelmaatregel zelf uit te voeren en om daarvan het bewijs te leveren. De overschrijding van de voormelde termijn geeft aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
Een bestuurlijk herstelbevel waarin tot een dwangsom wordt beslist als vermeld in het derde lid, vermeldt het bedrag van de dwangsom, en of de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding wordt vastgesteld. De dwangsom kan worden verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat ze betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
Bestuursdwang laat de herstelinstantie toe om onmiddellijk tot de ambtshalve uitvoering van de publieke herstelmaatregel over te gaan, in de plaats en op kosten van de overtreder. Tot bestuursdwang wordt buiten de context van een bestuurlijk herstelbevel alleen besloten als het herstel van de publieke schade, door de urgentie die er mee gepaard gaat of de specifieke aard daarvan, niet kan worden overgelaten aan de herstelplichtige, en alleen door de herstelinstantie zelf kan worden gerealiseerd.
In een bestuurlijk herstelbevel wordt aan de overtreder een hersteltermijn toegekend om de opgelegde publieke herstelmaatregel zelf uit te voeren en om daarvan het bewijs te leveren. De overschrijding van de voormelde termijn geeft aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
Een bestuurlijk herstelbevel waarin tot een dwangsom wordt beslist als vermeld in het derde lid, vermeldt het bedrag van de dwangsom, en of de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding wordt vastgesteld. De dwangsom kan worden verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat ze betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
Art. 52. L'instance de réparation peut imposer aux contrevenants soumis à une obligation de réparation des mesures de réparation publiques, le cas échéant complétées par des mesures restrictives et par le paiement de frais afin de déterminer les mesures requises. Cela se fait par le biais d'une décision administrative de réparation sous la forme d'une contrainte administrative ou d'une injonction administrative de réparation.
La contrainte administrative permet à l'instance de réparation de procéder immédiatement à l'exécution d'office de la mesure de réparation publique, à la place et aux frais du contrevenant. La contrainte administrative n'est décidée en dehors du cadre d'une injonction de réparation administrative que si la réparation du préjudice public, en raison de l'urgence qu'elle implique ou de sa nature spécifique, ne peut être laissée à la discrétion de la personne soumise à une obligation de réparation, et ne peut être réalisée que par l'instance de réparation elle-même.
Dans une injonction de réparation administrative, un délai de réparation est accordé au contrevenant pour exécuter lui-même la mesure de réparation publique imposée et pour en apporter la preuve. En cas de dépassement du délai précité, le contrevenant encourt une astreinte ou peut se voir imposer une contrainte administrative.
L'injonction administrative fixant une astreinte telle que visée à l'alinéa 3 indique le montant de l'astreinte et précise si l'astreinte est fixée à une somme forfaitaire ou à un montant par unité de temps ou par infraction. L'astreinte peut être attachée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans qu'elle puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
La contrainte administrative permet à l'instance de réparation de procéder immédiatement à l'exécution d'office de la mesure de réparation publique, à la place et aux frais du contrevenant. La contrainte administrative n'est décidée en dehors du cadre d'une injonction de réparation administrative que si la réparation du préjudice public, en raison de l'urgence qu'elle implique ou de sa nature spécifique, ne peut être laissée à la discrétion de la personne soumise à une obligation de réparation, et ne peut être réalisée que par l'instance de réparation elle-même.
Dans une injonction de réparation administrative, un délai de réparation est accordé au contrevenant pour exécuter lui-même la mesure de réparation publique imposée et pour en apporter la preuve. En cas de dépassement du délai précité, le contrevenant encourt une astreinte ou peut se voir imposer une contrainte administrative.
L'injonction administrative fixant une astreinte telle que visée à l'alinéa 3 indique le montant de l'astreinte et précise si l'astreinte est fixée à une somme forfaitaire ou à un montant par unité de temps ou par infraction. L'astreinte peut être attachée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans qu'elle puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
Art. 53. § 1. Als de herstelinstantie publieke herstelmaatregelen, al dan niet aangevuld met inperkende maatregelen en de betaling van kosten voor het bepalen van die maatregelen, bestuurlijk wil opleggen aan een vermoedelijke overtreder met herstelplicht, brengt ze de betrokkene daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
§ 2. De kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, bevat een beknopte beschrijving van de feiten en de juridische grondslag van het voornemen om publieke herstelmaatregelen op te leggen. Naast de voormelde elementen vermeldt de kennisgeving ook al de volgende informatie:
1° de mogelijkheid om binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving een schriftelijk verweer mee te delen;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het hersteldossier;
3° de mogelijkheid om het hersteldossier in te zien op het adres van de herstelinstantie;
4° de mogelijkheid om mondeling te worden gehoord, als dat met een beveiligde zending wordt gevraagd binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving;
5° de mogelijkheid om zich tijdens de hoorzitting te laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
Als de digitale toegang tot het hersteldossier niet kan worden verzekerd, wordt een volledige kopie van het hersteldossier toegevoegd aan de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, behalve als dat binnen de grenzen van het redelijke onmogelijk is. In dat laatste geval bevat de kennisgeving een motivering van de onmogelijkheid.
Aan de vraag om het hersteldossier in te zien, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de herstelinstantie op alternatieve wijze voldoen door een volledige kopie van het hersteldossier aan de betrokkene te bezorgen.
§ 3. Het mondeling horen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, kan plaatsvinden door verschijning in persoon of door middel van een videoconferentie. In hun vraag om mondeling gehoord te worden, drukken de betrokkenen hun voorkeur uit. Er wordt altijd gehoord door verschijning in persoon als de herstelinstantie dat noodzakelijk acht.
De videoconferentie, vermeld in het eerste lid, gebeurt door middel van een platform dat voorziet in de nodige technische en organisatorische beveiliging. De hoorzitting wordt enkel opgenomen als de aanwezigen zich hiermee akkoord verklaren. De opname wordt bewaard in het in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en daar toegevoegd aan het hersteldossier, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°.
De herstelinstantie kan een vertegenwoordiger aanwijzen om de betrokkenen te horen. In dat geval stelt de vertegenwoordiger een verslag op van de hoorzitting voor de herstelinstantie, tenzij de opname ervan conform het tweede lid werd toegevoegd aan het hersteldossier.
§ 2. De kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, bevat een beknopte beschrijving van de feiten en de juridische grondslag van het voornemen om publieke herstelmaatregelen op te leggen. Naast de voormelde elementen vermeldt de kennisgeving ook al de volgende informatie:
1° de mogelijkheid om binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving een schriftelijk verweer mee te delen;
2° de noodzakelijke gegevens voor de digitale toegang tot het hersteldossier;
3° de mogelijkheid om het hersteldossier in te zien op het adres van de herstelinstantie;
4° de mogelijkheid om mondeling te worden gehoord, als dat met een beveiligde zending wordt gevraagd binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving;
5° de mogelijkheid om zich tijdens de hoorzitting te laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
Als de digitale toegang tot het hersteldossier niet kan worden verzekerd, wordt een volledige kopie van het hersteldossier toegevoegd aan de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, behalve als dat binnen de grenzen van het redelijke onmogelijk is. In dat laatste geval bevat de kennisgeving een motivering van de onmogelijkheid.
Aan de vraag om het hersteldossier in te zien, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de herstelinstantie op alternatieve wijze voldoen door een volledige kopie van het hersteldossier aan de betrokkene te bezorgen.
§ 3. Het mondeling horen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, kan plaatsvinden door verschijning in persoon of door middel van een videoconferentie. In hun vraag om mondeling gehoord te worden, drukken de betrokkenen hun voorkeur uit. Er wordt altijd gehoord door verschijning in persoon als de herstelinstantie dat noodzakelijk acht.
De videoconferentie, vermeld in het eerste lid, gebeurt door middel van een platform dat voorziet in de nodige technische en organisatorische beveiliging. De hoorzitting wordt enkel opgenomen als de aanwezigen zich hiermee akkoord verklaren. De opname wordt bewaard in het in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en daar toegevoegd aan het hersteldossier, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°.
De herstelinstantie kan een vertegenwoordiger aanwijzen om de betrokkenen te horen. In dat geval stelt de vertegenwoordiger een verslag op van de hoorzitting voor de herstelinstantie, tenzij de opname ervan conform het tweede lid werd toegevoegd aan het hersteldossier.
Art. 53. § 1er. Si l'instance de réparation souhaite imposer administrativement des mesures de réparation publiques, complétées ou non par des mesures restrictives et le paiement des frais afférents à la détermination de ces mesures, à un contrevenant présumé soumis à une obligation de réparation, elle en informe la personne concernée par envoi sécurisé.
§ 2. La notification mentionnée au paragraphe 1er, contient une brève description des faits et de la base juridique de l'intention d'imposer des mesures de réparation publiques. Outre les éléments précités la notification mentionne également toutes les informations suivantes :
1° la possibilité de présenter, dans un délai de 30 jours à compter de la notification une défense écrite ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de réparation ;
3° la possibilité de consulter le dossier de réparation à l'adresse de l'instance de réparation ;
4° la possibilité d'être entendu oralement, si la demande est faite par envoi sécurisé dans un délai de 30 jours à compter de la notification ;
5° la possibilité de se faire assister par un conseil de son choix lors de l'audience.
Si l'accès numérique au dossier de réparation ne peut être assuré, une copie complète du dossier de réparation est jointe à la notification, visée à l'alinéa 1er, sauf si cela est impossible dans les limites du raisonnable. Dans ce dernier cas, la notification contient une justification de l'impossibilité.
La demande de consultation du dossier de réparation visée à l'alinéa 1er, 3°, peut être satisfaite de manière alternative par l'instance de réparation en adressant une copie complète du dossier de réparation à la personne concernée.
§ 3. L'audition orale visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, peut se faire par comparution en personne ou par vidéoconférence. Dans leur demande d'audition orale, les personnes concernées expriment leur préférence. L'audition se fait toujours par comparution en personne si l'instance de réparation l'estime nécessaire.
La vidéoconférence visée à l'alinéa 1er se fait au moyen d'une plate-forme qui prévoit la sécurité technique et organisationnelle nécessaire. L'audition ne sera enregistrée que si les personnes présentes y consentent. L'enregistrement est conservé dans le classement numérique, visé à l'article 4 du présent décret, et y est ajouté au dossier de réparation, visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°.
L'instance de réparation peut désigner un représentant pour entendre les personnes concernées. Dans ce cas, le représentant rédige un rapport de l'audition pour l'instance de réparation, à moins que son enregistrement n'ait été joint au dossier de réparation conformément à l'alinéa 2.
§ 2. La notification mentionnée au paragraphe 1er, contient une brève description des faits et de la base juridique de l'intention d'imposer des mesures de réparation publiques. Outre les éléments précités la notification mentionne également toutes les informations suivantes :
1° la possibilité de présenter, dans un délai de 30 jours à compter de la notification une défense écrite ;
2° les données nécessaires à l'accès numérique au dossier de réparation ;
3° la possibilité de consulter le dossier de réparation à l'adresse de l'instance de réparation ;
4° la possibilité d'être entendu oralement, si la demande est faite par envoi sécurisé dans un délai de 30 jours à compter de la notification ;
5° la possibilité de se faire assister par un conseil de son choix lors de l'audience.
Si l'accès numérique au dossier de réparation ne peut être assuré, une copie complète du dossier de réparation est jointe à la notification, visée à l'alinéa 1er, sauf si cela est impossible dans les limites du raisonnable. Dans ce dernier cas, la notification contient une justification de l'impossibilité.
La demande de consultation du dossier de réparation visée à l'alinéa 1er, 3°, peut être satisfaite de manière alternative par l'instance de réparation en adressant une copie complète du dossier de réparation à la personne concernée.
§ 3. L'audition orale visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, peut se faire par comparution en personne ou par vidéoconférence. Dans leur demande d'audition orale, les personnes concernées expriment leur préférence. L'audition se fait toujours par comparution en personne si l'instance de réparation l'estime nécessaire.
La vidéoconférence visée à l'alinéa 1er se fait au moyen d'une plate-forme qui prévoit la sécurité technique et organisationnelle nécessaire. L'audition ne sera enregistrée que si les personnes présentes y consentent. L'enregistrement est conservé dans le classement numérique, visé à l'article 4 du présent décret, et y est ajouté au dossier de réparation, visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°.
L'instance de réparation peut désigner un représentant pour entendre les personnes concernées. Dans ce cas, le représentant rédige un rapport de l'audition pour l'instance de réparation, à moins que son enregistrement n'ait été joint au dossier de réparation conformément à l'alinéa 2.
Art. 54. De herstelinstantie beslist binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving, vermeld in artikel 53, § 1, en brengt de betrokkene op de hoogte van haar beslissing.
Naast de motieven waarop ze gegrond is, vermeldt de beslissing in het voorkomend geval:
1° de maatregelen die worden opgelegd;
2° de te betalen kosten om de maatregelen te bepalen die worden opgelegd;
3° de toepasselijke hersteltermijnen, gefaseerd waar nodig;
4° de beroepsmogelijkheden;
5° de manier waarop verschuldigde bedragen moeten worden voldaan.
Naast de motieven waarop ze gegrond is, vermeldt de beslissing in het voorkomend geval:
1° de maatregelen die worden opgelegd;
2° de te betalen kosten om de maatregelen te bepalen die worden opgelegd;
3° de toepasselijke hersteltermijnen, gefaseerd waar nodig;
4° de beroepsmogelijkheden;
5° de manier waarop verschuldigde bedragen moeten worden voldaan.
Art. 54. L'instance de réparation statue dans les cent quatre-vingts jours à compter de la notification visée à l'article 53, § 1er, et informe la personne concernée de sa décision.
Outre les motifs sur lesquels elle se fonde, la décision mentionne, le cas échéant :
1° les mesures imposées ;
2° les frais à payer pour déterminer les mesures à imposer ;
3° les périodes de réparation applicables, échelonnées si nécessaire ;
4° les possibilités de recours ;
5° les modalités de paiement des sommes dues.
Outre les motifs sur lesquels elle se fonde, la décision mentionne, le cas échéant :
1° les mesures imposées ;
2° les frais à payer pour déterminer les mesures à imposer ;
3° les périodes de réparation applicables, échelonnées si nécessaire ;
4° les possibilités de recours ;
5° les modalités de paiement des sommes dues.
Art. 55. [1 De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht over het beroep tegen de administratieve eindbeslissing over het bestuurlijk herstel.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Art. 55. [1 Le Conseil d'Etat statue de pleine juridiction sur le recours contre la décision administrative définitive relative à la réparation administrative.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Gerechtelijke herstelprocedure
Section 3. - Procédure de réparation judiciaire
Art. 56. De rechter kan publieke herstelmaatregelen, zo nodig aangevuld met inperkende maatregelen, opleggen aan overtreders met een herstelplicht. De strafrechter beslist daartoe ambtshalve of op vordering van de herstelinstantie of het openbaar ministerie. De burgerlijke rechter beslist op vordering van de herstelinstantie.
In de vordering kan naast de maatregelen, vermeld in het eerste lid, de terugbetaling worden geëist van de kosten die gemaakt zijn om de vereiste herstel- of inperkende maatregelen te bepalen.
De vordering van de herstelinstantie wordt gesteld in naam van de overheid waartoe zij behoort. Voor de strafrechter wordt zij met een gewone brief ingeleid bij het parket.
Publieke herstelmaatregelen en inperkende maatregelen worden waar nodig gefaseerd. De rechter kent aan de overtreder de nodige hersteltermijn of termijnen toe om de opgelegde publieke herstelmaatregelen zelf uit te voeren, tenzij de vereiste spoed of de aard van het herstel zich daartegen verzet. De rechter kan op vordering van de herstelinstantie of het openbaar ministerie een dwangsom verbinden aan het geheel van de opgelegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat de dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
De rechter machtigt de bevoegde herstelinstantie en, op diens vordering, het openbaar ministerie om ambtshalve in de uitvoering te voorzien van werken en andere niet-pecuniaire verplichtingen, die besloten zijn in de opgelegde publieke herstelmaatregelen, in de plaats en op de kosten van de veroordeelde die in gebreke blijft.
In de vordering kan naast de maatregelen, vermeld in het eerste lid, de terugbetaling worden geëist van de kosten die gemaakt zijn om de vereiste herstel- of inperkende maatregelen te bepalen.
De vordering van de herstelinstantie wordt gesteld in naam van de overheid waartoe zij behoort. Voor de strafrechter wordt zij met een gewone brief ingeleid bij het parket.
Publieke herstelmaatregelen en inperkende maatregelen worden waar nodig gefaseerd. De rechter kent aan de overtreder de nodige hersteltermijn of termijnen toe om de opgelegde publieke herstelmaatregelen zelf uit te voeren, tenzij de vereiste spoed of de aard van het herstel zich daartegen verzet. De rechter kan op vordering van de herstelinstantie of het openbaar ministerie een dwangsom verbinden aan het geheel van de opgelegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat de dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
De rechter machtigt de bevoegde herstelinstantie en, op diens vordering, het openbaar ministerie om ambtshalve in de uitvoering te voorzien van werken en andere niet-pecuniaire verplichtingen, die besloten zijn in de opgelegde publieke herstelmaatregelen, in de plaats en op de kosten van de veroordeelde die in gebreke blijft.
Art. 56. Le juge peut imposer des mesures de réparation publiques, le cas échéant complétées par des mesures restrictives, aux contrevenants soumis à une obligation de réparation. Le juge pénal statuera à cet effet d'office ou à la demande de l'instance de réparation ou du ministère public. Le juge civil statuera à la demande de l'instance de réparation.
Dans la demande, outre les mesures visées à l'alinéa 1er, le remboursement des frais exposés pour déterminer les mesures réparatoires ou restrictives nécessaires peut être exigé.
La demande de l'instance de réparation est formée au nom de l'autorité dont elle relève. Devant le juge pénal, elle est introduite par lettre ordinaire auprès du parquet. Les mesures réparatoires publiques et les mesures restrictives sont échelonnées, le cas échéant.
Le juge accorde au contrevenant le ou les délais de réparation nécessaires pour exécuter lui-même les mesures de réparation publiques imposées, à moins que l'urgence ou la nature de la réparation requise ne s'y oppose. Le juge peut, à la demande de l'instance de réparation ou du ministère public, attacher une astreinte à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans que l'astreinte puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
Le juge habilite l'instance de réparation compétente et, à sa demande, le ministère public à pourvoir d'office à l'exécution de travaux et d'autres obligations non pécuniaires, qui ont été décidés dans les mesures de réparation publiques imposées, à la place et aux frais du condamné défaillant.
Dans la demande, outre les mesures visées à l'alinéa 1er, le remboursement des frais exposés pour déterminer les mesures réparatoires ou restrictives nécessaires peut être exigé.
La demande de l'instance de réparation est formée au nom de l'autorité dont elle relève. Devant le juge pénal, elle est introduite par lettre ordinaire auprès du parquet. Les mesures réparatoires publiques et les mesures restrictives sont échelonnées, le cas échéant.
Le juge accorde au contrevenant le ou les délais de réparation nécessaires pour exécuter lui-même les mesures de réparation publiques imposées, à moins que l'urgence ou la nature de la réparation requise ne s'y oppose. Le juge peut, à la demande de l'instance de réparation ou du ministère public, attacher une astreinte à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans que l'astreinte puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
Le juge habilite l'instance de réparation compétente et, à sa demande, le ministère public à pourvoir d'office à l'exécution de travaux et d'autres obligations non pécuniaires, qui ont été décidés dans les mesures de réparation publiques imposées, à la place et aux frais du condamné défaillant.
Afdeling 4. - Geïntegreerde bestuurlijke sanctie- en herstelprocedure en gezamenlijke herstelprocedure
Section 4. - Procédure intégrée de sanction et de réparation administrative et procédure conjointe de réparation
Art. 57. § 1. De beboetingsinstantie en de herstelinstantie kunnen een geïntegreerde beslissing nemen, waarin gelijktijdig wordt geoordeeld over de bestuurlijke vervolging en het bestuurlijk herstel. In dat geval wordt door beide instanties geoordeeld op basis van zowel het bestuurlijk sanctiedossier als het hersteldossier volgens de gewone bestuurlijke sanctieprocedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3. In de kennisgeving, vermeld in artikel 40, § 1, wordt uitdrukkelijk verwezen naar het voornemen om in het kader van de bestuurlijke vervolging ook een beslissing te nemen over het voornemen, vermeld in artikel 53, § 1.
§ 2. Het initiatief voor de geïntegreerde beslissing, vermeld in paragraaf 1, wordt genomen door de beboetingsinstantie, die de herstelinstantie bij beveiligde zending uitnodigt om binnen dertig dagen kennis te nemen van het bestuurlijk sanctiedossier en een standpunt in te nemen over een geïntegreerde afhandeling.
De tijdige beslissing waarin de herstelinstantie haar akkoord meedeelt, wordt opgenomen in zowel het bestuurlijk sanctiedossier als het hersteldossier.
§ 3. De persoon of instantie die de hoedanigheden van beboetingsinstantie en herstelinstantie cumuleert, kan ambtshalve beslissen tot geïntegreerde afhandeling conform paragraaf 1.
§ 4. In geval van een beroep als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 9, wordt alleen de beslissing over de bestuurlijke vervolging beschouwd als een administratieve eindbeslissing als vermeld in artikel 42.
§ 2. Het initiatief voor de geïntegreerde beslissing, vermeld in paragraaf 1, wordt genomen door de beboetingsinstantie, die de herstelinstantie bij beveiligde zending uitnodigt om binnen dertig dagen kennis te nemen van het bestuurlijk sanctiedossier en een standpunt in te nemen over een geïntegreerde afhandeling.
De tijdige beslissing waarin de herstelinstantie haar akkoord meedeelt, wordt opgenomen in zowel het bestuurlijk sanctiedossier als het hersteldossier.
§ 3. De persoon of instantie die de hoedanigheden van beboetingsinstantie en herstelinstantie cumuleert, kan ambtshalve beslissen tot geïntegreerde afhandeling conform paragraaf 1.
§ 4. In geval van een beroep als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 9, wordt alleen de beslissing over de bestuurlijke vervolging beschouwd als een administratieve eindbeslissing als vermeld in artikel 42.
Art. 57. § 1er. L'instance verbalisante et l'instance de réparation peuvent prendre une décision intégrée, statuant simultanément sur les poursuites administratives et la réparation administrative. Dans ce cas, les deux instances statueront sur la base du dossier de sanction administrative et du dossier de réparation conformément à la procédure de sanction administrative ordinaire mentionnée au chapitre 3, section 3. La notification mentionnée à l'article 40, § 1er, fait expressément référence à l'intention de prendre également une décision sur l'intention, mentionnée à l'article 53, § ,1er, dans le cadre de la poursuite administrative.
§ 2. L'initiative de la décision intégrée, mentionnée au paragraphe 1er, est prise par l'instance verbalisante, qui invite l'instance de réparation par envoi sécurisé à prendre connaissance du dossier de sanction administrative et à prendre position sur le traitement intégré, dans un délai de 30 jours.
La décision en temps utile dans laquelle l'instance de réparation communique son accord est reprise tant dans le dossier de sanction administrative que dans le dossier de réparation.
§ 3. La personne ou l'instance qui cumule les capacités d'instance verbalisante et d'instance de réparation peut décider d'office d'un traitement intégré conformément au paragraphe 1er.
§ 4. En cas de recours tel que mentionné au chapitre 10, section 9, seule la décision relative à la poursuite administrative est considérée comme une décision administrative finale telle que mentionnée à l'article 42.
§ 2. L'initiative de la décision intégrée, mentionnée au paragraphe 1er, est prise par l'instance verbalisante, qui invite l'instance de réparation par envoi sécurisé à prendre connaissance du dossier de sanction administrative et à prendre position sur le traitement intégré, dans un délai de 30 jours.
La décision en temps utile dans laquelle l'instance de réparation communique son accord est reprise tant dans le dossier de sanction administrative que dans le dossier de réparation.
§ 3. La personne ou l'instance qui cumule les capacités d'instance verbalisante et d'instance de réparation peut décider d'office d'un traitement intégré conformément au paragraphe 1er.
§ 4. En cas de recours tel que mentionné au chapitre 10, section 9, seule la décision relative à la poursuite administrative est considérée comme une décision administrative finale telle que mentionnée à l'article 42.
Art. 58. De herstelinstantie kan beslissen tot een gezamenlijke procedure tegen verschillende vermoedelijke overtreders met herstelplicht voor dezelfde publieke schade. De voormelde gezamenlijke procedure heeft al de volgende gevolgen:
1° het voornemen, vermeld in artikel 53, § 1, wordt op hetzelfde ogenblik bekendgemaakt aan alle betrokkenen;
2° de hoorzittingen, vermeld in artikel 53, § 2, eerste lid, 4°, worden gezamenlijk gehouden als dat mogelijk is;
3° over alle betrokkenen wordt beslist in één akte.
1° het voornemen, vermeld in artikel 53, § 1, wordt op hetzelfde ogenblik bekendgemaakt aan alle betrokkenen;
2° de hoorzittingen, vermeld in artikel 53, § 2, eerste lid, 4°, worden gezamenlijk gehouden als dat mogelijk is;
3° over alle betrokkenen wordt beslist in één akte.
Art. 58. L'instance de réparation peut décider d'engager des procédures conjointes contre plusieurs contrevenants présumés ayant une obligation de réparation pour le même préjudice public. La procédure conjointe précitée a toutes les conséquences suivantes :
1° l'intention mentionnée à l'article 53, § 1er, est annoncée en même temps à toutes les personnes concernées ;
2° les auditions mentionnées à l'article 53, § 2, alinéa 1er, 4°, se déroulent si possible conjointement ;
3° il est statué sur toutes les personnes concernées dans un acte unique.
1° l'intention mentionnée à l'article 53, § 1er, est annoncée en même temps à toutes les personnes concernées ;
2° les auditions mentionnées à l'article 53, § 2, alinéa 1er, 4°, se déroulent si possible conjointement ;
3° il est statué sur toutes les personnes concernées dans un acte unique.
Afdeling 5. - Samenloop op het vlak van herstel
Section 5. - Concours en matière de réparation
Art. 59. § 1. Als een vordering die gericht is op het herstel van schade aan private belangen die veroorzaakt zijn door een misdrijf, inbreuk of normschending, niet verenigbaar is met het herstel van publieke schade dat conform artikel 48 is vereist, bepaalt de rechter de verenigbare maatregelen die hij redelijkerwijze passend acht.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt het herstel door een terugkeer naar de referentietoestand die is aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, altijd als verenigbaar beschouwd met het herstel van publieke schade dat vereist is conform artikel 48.
§ 2. Een publieke herstelmaatregel die met toepassing van dit hoofdstuk in een definitieve beslissing is opgelegd, sluit het opleggen van een nieuwe publieke herstelmaatregel voor dezelfde publieke schade uit, tenzij de maatregel niet langer actueel is of is herroepen.
In het eerste lid wordt verstaan onder een definitieve beslissing: een beslissing die niet meer vatbaar is voor een georganiseerd administratief beroep of een jurisdictioneel beroep.
De regels in deze paragraaf verhinderen nooit dat dezelfde publieke herstelmaatregel die in een definitieve rechterlijke of bestuurlijke beslissing is opgelegd voor dezelfde schade, bijkomend wordt opgelegd aan andere overtreders die voorheen niet zijn vervolgd.
§ 3. Een publieke herstel- en beveiligingsmaatregel opleggen doet geen afbreuk aan de mogelijkheid die aan een bevoegde autoriteit geboden wordt door Vlaamse regelgeving om een bestuurlijke beslissing van schorsing of intrekking van een verleende toestemming, erkenning of vergunning te nemen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt het herstel door een terugkeer naar de referentietoestand die is aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, altijd als verenigbaar beschouwd met het herstel van publieke schade dat vereist is conform artikel 48.
§ 2. Een publieke herstelmaatregel die met toepassing van dit hoofdstuk in een definitieve beslissing is opgelegd, sluit het opleggen van een nieuwe publieke herstelmaatregel voor dezelfde publieke schade uit, tenzij de maatregel niet langer actueel is of is herroepen.
In het eerste lid wordt verstaan onder een definitieve beslissing: een beslissing die niet meer vatbaar is voor een georganiseerd administratief beroep of een jurisdictioneel beroep.
De regels in deze paragraaf verhinderen nooit dat dezelfde publieke herstelmaatregel die in een definitieve rechterlijke of bestuurlijke beslissing is opgelegd voor dezelfde schade, bijkomend wordt opgelegd aan andere overtreders die voorheen niet zijn vervolgd.
§ 3. Een publieke herstel- en beveiligingsmaatregel opleggen doet geen afbreuk aan de mogelijkheid die aan een bevoegde autoriteit geboden wordt door Vlaamse regelgeving om een bestuurlijke beslissing van schorsing of intrekking van een verleende toestemming, erkenning of vergunning te nemen.
Art. 59. § 1er. Lorsqu'une demande visant à la réparation d'un préjudice causé à des intérêts privés par un délit, une infraction ou une violation de normes n'est pas compatible avec la réparation d'un préjudice public requise conformément à l'article 48, le juge détermine les mesures compatibles qu'il juge raisonnablement appropriées.
Pour l'application du présent paragraphe, la réparation par un retour à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui lui sont directement applicables, est toujours considérée comme compatible avec la réparation du préjudice public requise conformément à l'article 48.
§ 2. Une mesure publique de réparation imposée dans une décision définitive en vertu du présent chapitre exclut l'imposition d'une nouvelle mesure publique de réparation pour le même préjudice public, à moins que la mesure ne soit plus d'actualité ou ait été révoquée.
A l'alinéa 1er, on entend par décision définitive : une décision qui n'est plus susceptible d'un recours administratif organisé ou d'un recours juridictionnel.
Les règles du présent paragraphe n'empêchent jamais que la même mesure publique de réparation imposée dans une décision judiciaire ou administrative définitive pour le même préjudice soit également imposée à d'autres contrevenants qui n'ont pas fait l'objet de poursuites antérieures.
§ 3. L'imposition d'une mesure publique de réparation et de sécurité ne porte pas préjudice à la possibilité offerte à une autorité compétente par la réglementation flamande de prendre une décision administrative de suspension ou de retrait d'une autorisation, d'un agrément ou d'une licence accordée.
Pour l'application du présent paragraphe, la réparation par un retour à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui lui sont directement applicables, est toujours considérée comme compatible avec la réparation du préjudice public requise conformément à l'article 48.
§ 2. Une mesure publique de réparation imposée dans une décision définitive en vertu du présent chapitre exclut l'imposition d'une nouvelle mesure publique de réparation pour le même préjudice public, à moins que la mesure ne soit plus d'actualité ou ait été révoquée.
A l'alinéa 1er, on entend par décision définitive : une décision qui n'est plus susceptible d'un recours administratif organisé ou d'un recours juridictionnel.
Les règles du présent paragraphe n'empêchent jamais que la même mesure publique de réparation imposée dans une décision judiciaire ou administrative définitive pour le même préjudice soit également imposée à d'autres contrevenants qui n'ont pas fait l'objet de poursuites antérieures.
§ 3. L'imposition d'une mesure publique de réparation et de sécurité ne porte pas préjudice à la possibilité offerte à une autorité compétente par la réglementation flamande de prendre une décision administrative de suspension ou de retrait d'une autorisation, d'un agrément ou d'une licence accordée.
Afdeling 6. - Herstelschikking
Section 6. - Disposition de réparation
Art. 60. De herstelinstantie kan onder de volgende voorwaarden met overtreders of andere belanghebbenden een herstelschikking aangaan die gericht is op het vrijwillige herstel van publieke schade:
1° het afgesproken herstel is in overeenstemming met de bepalingen van artikel 48 en is hoofdelijk uit te voeren door de personen met wie de herstelschikking wordt gesloten, onverminderd artikel 61, eerste lid, 6° ;
2° de personen met wie de herstelschikking gesloten wordt, beschikken over de nodige zakelijke en andere rechten om het afgesproken herstel te kunnen uitvoeren;
3° de herstelschikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van overeenkomstig dit decreet tussengekomen rechterlijke beslissingen;
4° de herstelschikking voorziet in een herstel- en betalingstermijn die gefaseerd is als dat nodig is;
5° de herstelschikking stelt een bij miskenning van de gemaakte afspraken te verbeuren dwangsom vast, hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding. De dwangsom wordt verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat de dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen;
6° de herstelschikking voorziet in de mogelijkheid tot bestuursdwang bij miskenning van de gemaakte afspraken, tenzij dat niet mogelijk of zinvol is gelet op de te herstellen schade.
1° het afgesproken herstel is in overeenstemming met de bepalingen van artikel 48 en is hoofdelijk uit te voeren door de personen met wie de herstelschikking wordt gesloten, onverminderd artikel 61, eerste lid, 6° ;
2° de personen met wie de herstelschikking gesloten wordt, beschikken over de nodige zakelijke en andere rechten om het afgesproken herstel te kunnen uitvoeren;
3° de herstelschikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van overeenkomstig dit decreet tussengekomen rechterlijke beslissingen;
4° de herstelschikking voorziet in een herstel- en betalingstermijn die gefaseerd is als dat nodig is;
5° de herstelschikking stelt een bij miskenning van de gemaakte afspraken te verbeuren dwangsom vast, hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding. De dwangsom wordt verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat de dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen;
6° de herstelschikking voorziet in de mogelijkheid tot bestuursdwang bij miskenning van de gemaakte afspraken, tenzij dat niet mogelijk of zinvol is gelet op de te herstellen schade.
Art. 60. L'instance de réparation peut convenir d'une disposition de réparation avec les contrevenants ou d'autres parties intéressées, qui vise à réparer volontairement le préjudice public, aux conditions suivantes :
1° la réparation convenue est conforme aux dispositions de l'article 48 et doit être effectuée solidairement par les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, sans préjudice de l'article 61, alinéa 1er, 6° ;
2° les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue disposent des droits réels et autres nécessaires à la réalisation de la réparation convenue ;
3° la disposition de réparation ne porte pas atteinte à l'autorité de la chose jugée des décisions judiciaires intervenues en vertu du présent décret ;
4° la disposition de réparation prévoit un délai de réparation et de paiement échelonné si nécessaire ;
5° la disposition de réparation fixe une astreinte à encourir en cas de méconnaissance des accords conclus, soit à une somme unique, soit à une somme par unité de temps ou par infraction. L'astreinte est liée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans que l'astreinte puisse porter sur le paiement de sommes d'argent ;
6° la disposition de réparation prévoit la possibilité de contrainte administrative en cas de méconnaissance des accords conclus, à moins que cela ne soit possible ou utile compte tenu du préjudice à réparer.
1° la réparation convenue est conforme aux dispositions de l'article 48 et doit être effectuée solidairement par les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, sans préjudice de l'article 61, alinéa 1er, 6° ;
2° les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue disposent des droits réels et autres nécessaires à la réalisation de la réparation convenue ;
3° la disposition de réparation ne porte pas atteinte à l'autorité de la chose jugée des décisions judiciaires intervenues en vertu du présent décret ;
4° la disposition de réparation prévoit un délai de réparation et de paiement échelonné si nécessaire ;
5° la disposition de réparation fixe une astreinte à encourir en cas de méconnaissance des accords conclus, soit à une somme unique, soit à une somme par unité de temps ou par infraction. L'astreinte est liée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans que l'astreinte puisse porter sur le paiement de sommes d'argent ;
6° la disposition de réparation prévoit la possibilité de contrainte administrative en cas de méconnaissance des accords conclus, à moins que cela ne soit possible ou utile compte tenu du préjudice à réparer.
Art. 61. In de herstelschikking kan de herstelinstantie al de volgende beslissingen nemen:
1° feitelijk herstel toestaan door het realiseren van een met de referentietoestand gelijkwaardige toestand, die aangepast is aan het project dat de personen, vermeld in artikel 60, eerste lid, 2°, willen realiseren;
2° een korting van maximaal 50% toestaan op het herstel bij financieel equivalent dat conform artikel 48 is verschuldigd;
3° bepalen dat premies, subsidies en andere vormen van steun die aan partijen bij de herstelschikking, andere dan overtreders, worden uitgekeerd voor werken en diensten die binnen de herstelplicht vallen, ten dele niet zullen worden teruggevorderd van de overtreders, met een maximum van 50%;
4° bepalen dat de overtreder voor de uitvoering van werken en diensten die binnen zijn herstelplicht vallen, toch deels in aanmerking kan komen voor premies, subsidies en andere vormen van steun die conform de normale regels te verkrijgen zijn, met een maximum van 50%;
5° toestaan dat in een andere zekerheidsstelling wordt voorzien dan de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 71, § 3;
6° de herstelplicht verdelen onder de personen met wie de herstelschikking wordt gesloten, of sommige personen daarvan vrijstellen.
De voordelen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, gelden alleen voor de personen die tot de herstelschikking zijn toegetreden.
1° feitelijk herstel toestaan door het realiseren van een met de referentietoestand gelijkwaardige toestand, die aangepast is aan het project dat de personen, vermeld in artikel 60, eerste lid, 2°, willen realiseren;
2° een korting van maximaal 50% toestaan op het herstel bij financieel equivalent dat conform artikel 48 is verschuldigd;
3° bepalen dat premies, subsidies en andere vormen van steun die aan partijen bij de herstelschikking, andere dan overtreders, worden uitgekeerd voor werken en diensten die binnen de herstelplicht vallen, ten dele niet zullen worden teruggevorderd van de overtreders, met een maximum van 50%;
4° bepalen dat de overtreder voor de uitvoering van werken en diensten die binnen zijn herstelplicht vallen, toch deels in aanmerking kan komen voor premies, subsidies en andere vormen van steun die conform de normale regels te verkrijgen zijn, met een maximum van 50%;
5° toestaan dat in een andere zekerheidsstelling wordt voorzien dan de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 71, § 3;
6° de herstelplicht verdelen onder de personen met wie de herstelschikking wordt gesloten, of sommige personen daarvan vrijstellen.
De voordelen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, gelden alleen voor de personen die tot de herstelschikking zijn toegetreden.
Art. 61. Dans le cadre de la disposition de réparation, l'instance de réparation peut prendre toutes les décisions suivantes :
1° autoriser la réparation effective par la réalisation d'une situation équivalente à la situation de référence, adaptée au projet que les personnes, visées à l'article 60, alinéa 1er, 2°, souhaitent réaliser ;
2° accorder une réduction de maximum 50% sur la réparation par équivalent financier due conformément à l'article 48 ;
3° prévoir que les primes, subventions et autres formes d'aides versées aux parties à la disposition de réparation, autres que les contrevenants, pour des travaux et services relevant de l'obligation de réparation, ne seront en partie pas récupérées auprès des contrevenants, avec un maximum de 50 % ;
4° prévoir que, pour l'exécution de travaux et de services relevant de son obligation de réparation, le contrevenant peut néanmoins bénéficier en partie de primes, de subventions et d'autres formes d'aide qui peuvent être obtenues conformément aux règles normales, avec un maximum de 50 % ;
5° autoriser qu'une garantie autre que l'hypothèque légale, visée à l'article 71, § 3, soit prévue ;
6° répartir l'obligation de réparation entre les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, ou en exempter certaines personnes.
Les avantages visés à l'alinéa 1er, 2° à 6° inclus, ne s'appliquent qu'aux personnes qui ont adhéré à la disposition de réparation.
1° autoriser la réparation effective par la réalisation d'une situation équivalente à la situation de référence, adaptée au projet que les personnes, visées à l'article 60, alinéa 1er, 2°, souhaitent réaliser ;
2° accorder une réduction de maximum 50% sur la réparation par équivalent financier due conformément à l'article 48 ;
3° prévoir que les primes, subventions et autres formes d'aides versées aux parties à la disposition de réparation, autres que les contrevenants, pour des travaux et services relevant de l'obligation de réparation, ne seront en partie pas récupérées auprès des contrevenants, avec un maximum de 50 % ;
4° prévoir que, pour l'exécution de travaux et de services relevant de son obligation de réparation, le contrevenant peut néanmoins bénéficier en partie de primes, de subventions et d'autres formes d'aide qui peuvent être obtenues conformément aux règles normales, avec un maximum de 50 % ;
5° autoriser qu'une garantie autre que l'hypothèque légale, visée à l'article 71, § 3, soit prévue ;
6° répartir l'obligation de réparation entre les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, ou en exempter certaines personnes.
Les avantages visés à l'alinéa 1er, 2° à 6° inclus, ne s'appliquent qu'aux personnes qui ont adhéré à la disposition de réparation.
Art. 62. § 1. De herstelschikkingen die gesloten zijn met herstelinstanties die tot de Vlaamse overheid behoren, hebben pas rechtsgevolgen:
1° nadat ze zijn bekrachtigd door het personeelslid of de instantie van de Vlaamse overheid die de Vlaamse Regering aanwijst;
2° nadat ze zijn opgenomen in een akte die voldoet aan de vereisten van de wet van 25 Ventôse jaar XI op het notarisambt, en op dezelfde wijze uitvoerbaar is. De voormelde akte kan pas worden verleden als de instrumenterende ambtenaar daarvoor de toestemming heeft verkregen van het personeelslid of de instantie, vermeld in punt 1°.
Als de herstelschikking voorziet in de voordelen, vermeld in artikel 61, eerste lid, 3° en 4°, verzoekt het personeelslid of de instantie, vermeld in het eerste lid, 1°, de leidend ambtenaar van de entiteit die instaat voor de uitbetaling van de premie of subsidie om goedkeuring.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de herstelschikking wordt gesloten met een lid van de Vlaamse Regering die optreedt in de hoedanigheid van bevoegde herstelinstantie.
§ 2. De Vlaamse Regering kan onder voorwaarden die ze bepaalt, aan herstelinstanties die niet tot de Vlaamse overheid behoren, de bevoegdheid verlenen om herstelschikkingen te sluiten als vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De kosten voor de opmaak, registratie en overschrijving van de authentieke akte of bekrachtigde herstelschikking vallen ten laste van de personen met wie de herstelschikking is aangegaan.
Het herstel dat in de herstelschikking is afgesproken, is hoofdelijk uit te voeren door de personen met wie de herstelschikking wordt aangegaan, behoudens andersluidende afspraken met toepassing van artikel 61, eerste lid, 6°.
1° nadat ze zijn bekrachtigd door het personeelslid of de instantie van de Vlaamse overheid die de Vlaamse Regering aanwijst;
2° nadat ze zijn opgenomen in een akte die voldoet aan de vereisten van de wet van 25 Ventôse jaar XI op het notarisambt, en op dezelfde wijze uitvoerbaar is. De voormelde akte kan pas worden verleden als de instrumenterende ambtenaar daarvoor de toestemming heeft verkregen van het personeelslid of de instantie, vermeld in punt 1°.
Als de herstelschikking voorziet in de voordelen, vermeld in artikel 61, eerste lid, 3° en 4°, verzoekt het personeelslid of de instantie, vermeld in het eerste lid, 1°, de leidend ambtenaar van de entiteit die instaat voor de uitbetaling van de premie of subsidie om goedkeuring.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de herstelschikking wordt gesloten met een lid van de Vlaamse Regering die optreedt in de hoedanigheid van bevoegde herstelinstantie.
§ 2. De Vlaamse Regering kan onder voorwaarden die ze bepaalt, aan herstelinstanties die niet tot de Vlaamse overheid behoren, de bevoegdheid verlenen om herstelschikkingen te sluiten als vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De kosten voor de opmaak, registratie en overschrijving van de authentieke akte of bekrachtigde herstelschikking vallen ten laste van de personen met wie de herstelschikking is aangegaan.
Het herstel dat in de herstelschikking is afgesproken, is hoofdelijk uit te voeren door de personen met wie de herstelschikking wordt aangegaan, behoudens andersluidende afspraken met toepassing van artikel 61, eerste lid, 6°.
Art. 62. § 1er. Les dispositions de réparation conclues avec des instances de réparation appartenant à l'Autorité flamande n'ont des effets juridiques que :
1° après leur confirmation par le membre du personnel ou l'instance de l'Autorité flamande désignés par le Gouvernement flamand ;
2° après avoir été repris dans un acte qui satisfait aux conditions de la loi du 25 Ventôse an XI contenant organisation du notariat et qui est exécutoire de la même manière. L'acte précité ne peut être passé que si le fonctionnaire instrumentant a obtenu l'accord du membre du personnel ou de l'instance visés au point 1°.
Lorsque la disposition de réparation prévoit les avantages visés à l'article 61, alinéa 1er, 3° et 4°, le membre du personnel ou l'instance visés à l'alinéa 1er, 1°, demande l'approbation du fonctionnaire dirigeant de l'entité qui est chargée du paiement de la prime ou de la subvention.
Le présent paragraphe ne s'applique pas si la disposition de réparation est convenue avec un membre du Gouvernement flamand agissant en qualité d'instance de réparation compétente.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut, aux conditions qu'il détermine, conférer à des instances de réparation ne relevant pas de l'Autorité flamande, la compétence de convenir des dispositions de réparation telles que visées au paragraphe 1er.
§ 3. Les frais d'établissement, d'enregistrement et de transcription de l'acte authentique ou de la disposition de réparation confirmée sont à charge des personnes avec lesquelles la disposition de réparation a été convenue.
La réparation convenue dans la disposition de réparation doit être effectuée solidairement par les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, sauf conventions contraires en application de l'article 61, alinéa 1er, 6°.
1° après leur confirmation par le membre du personnel ou l'instance de l'Autorité flamande désignés par le Gouvernement flamand ;
2° après avoir été repris dans un acte qui satisfait aux conditions de la loi du 25 Ventôse an XI contenant organisation du notariat et qui est exécutoire de la même manière. L'acte précité ne peut être passé que si le fonctionnaire instrumentant a obtenu l'accord du membre du personnel ou de l'instance visés au point 1°.
Lorsque la disposition de réparation prévoit les avantages visés à l'article 61, alinéa 1er, 3° et 4°, le membre du personnel ou l'instance visés à l'alinéa 1er, 1°, demande l'approbation du fonctionnaire dirigeant de l'entité qui est chargée du paiement de la prime ou de la subvention.
Le présent paragraphe ne s'applique pas si la disposition de réparation est convenue avec un membre du Gouvernement flamand agissant en qualité d'instance de réparation compétente.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut, aux conditions qu'il détermine, conférer à des instances de réparation ne relevant pas de l'Autorité flamande, la compétence de convenir des dispositions de réparation telles que visées au paragraphe 1er.
§ 3. Les frais d'établissement, d'enregistrement et de transcription de l'acte authentique ou de la disposition de réparation confirmée sont à charge des personnes avec lesquelles la disposition de réparation a été convenue.
La réparation convenue dans la disposition de réparation doit être effectuée solidairement par les personnes avec lesquelles la disposition de réparation est convenue, sauf conventions contraires en application de l'article 61, alinéa 1er, 6°.
HOOFDSTUK 5. - Beveiliging
CHAPITRE 5. - Sécurité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 63. § 1. Voor de volgende doeleinden kunnen toezichthouders en herstelinstanties beveiligingsmaatregelen opleggen aan rechtsonderhorigen:
1° misdrijven of inbreuken of het voortzetten ervan voorkomen;
2° normschendingen voorkomen die publieke verliezen veroorzaken of dreigen te veroorzaken;
3° de verdere toename van publieke verliezen vertragen of uitsluiten.
§ 2. Beveiligingsmaatregelen kunnen strekken tot:
1° de uitvoering of de staking van handelingen;
2° het verbod om toegang te nemen tot welbepaalde onroerende goederen;
3° het verbod op of beperkingen aan het gebruik van roerende en onroerende goederen;
4° de volledige of gedeeltelijke sluiting van bedrijven, inrichtingen en instellingen;
5° het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en planten;
6° het elders onderbrengen of euthanaseren van dieren;
7° het ter plaatse of elders vernietigen van zaken waarvan het bezit of het gebruik verboden is;
8° het ter plaatse of elders vernietigen van voor verrotting of bederf vatbaar organisch materiaal, met inbegrip van dode dieren;
9° het ter plaatse vrijlaten van illegaal gehouden inheemse beschermde diersoorten in goede conditie.
§ 3. Een beveiligingsmaatregel is evenredig met de ernst van de misdrijven, inbreuken, normschendingen en publieke verliezen die ze beoogt te voorkomen of uit te sluiten. Een beveiligingsmaatregel mag geen onevenredige schade toebrengen aan de belangen van de overtreder of derden.
Voor de Vlaamse regelgeving die ze aanwijst, kan de Vlaamse Regering:
1° het opleggen van beveiligingsmaatregelen beperken;
2° een maximale geldigheidsduur van een beveiligingsmaatregel opleggen;
3° een beveiligingsmaatregel verbinden aan bijkomende voorwaarden;
4° een beveiligingsmaatregel voorbehouden voor herstelinstanties;
5° voorzien in specifieke beveiligingsmaatregelen.
§ 4. Om de naleving van de beveiligingsmaatregel te verzekeren, kunnen toezichthouders en herstelinstanties de toegang tot gebouwen, lokalen of terreinen, vervoermiddelen, werktuigen of materiaal verzegelen. De verzegeling blijft van kracht zolang de beveiligingsbeslissing blijft bestaan, tenzij ze eerder wordt opgeheven door een van de volgende actoren:
1° de toezichthouder of de herstelinstantie die de beveiligingsbeslissing heeft gegeven;
2° de herstelinstantie die de beveiligingsbeslissing heeft bekrachtigd;
3° de rechter.
Een verzegeling doorbreken of de voorwaarden schenden die verbonden zijn aan de opheffing ervan, wordt gesanctioneerd met de sanctie, vermeld in artikel 104, tweede lid, onverminderd de mogelijkheid om opnieuw over te gaan tot verzegeling.
1° misdrijven of inbreuken of het voortzetten ervan voorkomen;
2° normschendingen voorkomen die publieke verliezen veroorzaken of dreigen te veroorzaken;
3° de verdere toename van publieke verliezen vertragen of uitsluiten.
§ 2. Beveiligingsmaatregelen kunnen strekken tot:
1° de uitvoering of de staking van handelingen;
2° het verbod om toegang te nemen tot welbepaalde onroerende goederen;
3° het verbod op of beperkingen aan het gebruik van roerende en onroerende goederen;
4° de volledige of gedeeltelijke sluiting van bedrijven, inrichtingen en instellingen;
5° het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en planten;
6° het elders onderbrengen of euthanaseren van dieren;
7° het ter plaatse of elders vernietigen van zaken waarvan het bezit of het gebruik verboden is;
8° het ter plaatse of elders vernietigen van voor verrotting of bederf vatbaar organisch materiaal, met inbegrip van dode dieren;
9° het ter plaatse vrijlaten van illegaal gehouden inheemse beschermde diersoorten in goede conditie.
§ 3. Een beveiligingsmaatregel is evenredig met de ernst van de misdrijven, inbreuken, normschendingen en publieke verliezen die ze beoogt te voorkomen of uit te sluiten. Een beveiligingsmaatregel mag geen onevenredige schade toebrengen aan de belangen van de overtreder of derden.
Voor de Vlaamse regelgeving die ze aanwijst, kan de Vlaamse Regering:
1° het opleggen van beveiligingsmaatregelen beperken;
2° een maximale geldigheidsduur van een beveiligingsmaatregel opleggen;
3° een beveiligingsmaatregel verbinden aan bijkomende voorwaarden;
4° een beveiligingsmaatregel voorbehouden voor herstelinstanties;
5° voorzien in specifieke beveiligingsmaatregelen.
§ 4. Om de naleving van de beveiligingsmaatregel te verzekeren, kunnen toezichthouders en herstelinstanties de toegang tot gebouwen, lokalen of terreinen, vervoermiddelen, werktuigen of materiaal verzegelen. De verzegeling blijft van kracht zolang de beveiligingsbeslissing blijft bestaan, tenzij ze eerder wordt opgeheven door een van de volgende actoren:
1° de toezichthouder of de herstelinstantie die de beveiligingsbeslissing heeft gegeven;
2° de herstelinstantie die de beveiligingsbeslissing heeft bekrachtigd;
3° de rechter.
Een verzegeling doorbreken of de voorwaarden schenden die verbonden zijn aan de opheffing ervan, wordt gesanctioneerd met de sanctie, vermeld in artikel 104, tweede lid, onverminderd de mogelijkheid om opnieuw over te gaan tot verzegeling.
Art. 63. § 1er. Aux fins suivantes, les superviseurs et les instances de réparation peuvent imposer des mesures de sécurité aux justiciables :
1° prévenir des délits ou infractions ou leur poursuite ;
2° prévenir des violations des normes qui causent ou risquent de causer des pertes publiques ;
3° retarder ou exclure une nouvelle augmentation des pertes publiques.
§ 2. Les mesures de sécurité peuvent viser :
1° l'exécution ou la cessation d'actes ;
2° l'interdiction d'accéder à des biens immobiliers déterminés ;
3° l'interdiction ou des restrictions d'utilisation de biens mobiliers et immobiliers ;
4° la fermeture totale ou partielle d'entreprises, d'établissements et d'institutions ;
5° le transport, la conservation ou l'élimination des éléments qui en sont susceptibles, y compris les déchets et les plantes ;
6° la relocalisation ou l'euthanasie d'animaux ;
7° la destruction, sur place ou ailleurs, d'éléments dont la possession ou l'utilisation est interdite ;
8° la destruction sur place ou ailleurs de matières organiques périssables ou putrescibles, y compris des animaux morts ;
9° la remise en liberté sur place d'espèces animales protégées indigènes détenues illégalement, qui sont en bon état.
§ 3. Une mesure de sécurité est proportionnée à la gravité des délits, des infractions, des violations de normes et des pertes publiques qu'elle vise à prévenir ou à éliminer. Une mesure de sécurité ne peut pas porter un préjudice disproportionné aux intérêts du contrevenant ou de tiers.
Pour la réglementation flamande qu'il désigne, le Gouvernement flamand peut :
1° limiter l'imposition de mesures de sécurité ;
2° imposer une durée de validité maximale d'une mesure de sécurité ;
3° assortir une mesure de sécurité de conditions supplémentaires ;
4° réserver une mesure de sécurité aux instances de réparation;
5° prévoir des mesures de sécurité spécifiques.
§ 4. Pour garantir le respect de la mesure de sûreté, les superviseurs et les instances de réparation peuvent sceller l'accès aux bâtiments, locaux ou terrains, aux moyens de transport, aux outils ou à l'équipement. Les scellés restent en vigueur tant que la décision de sécurité reste en place, à moins qu'ils ne soient levés plus tôt par l'un des acteurs suivants :
1° le superviseur ou l'instance de réparation qui a pris la décision de sécurité ;
2° l'instance de réparation qui a confirmé la décision de sécurité ;
3° le juge.
Le bris d'un scellé ou la violation des conditions liées à sa levée est sanctionné par la sanction mentionnée à l'article 104, alinéa 2, sans préjudice de la possibilité d'apposer un nouveau scellé.
1° prévenir des délits ou infractions ou leur poursuite ;
2° prévenir des violations des normes qui causent ou risquent de causer des pertes publiques ;
3° retarder ou exclure une nouvelle augmentation des pertes publiques.
§ 2. Les mesures de sécurité peuvent viser :
1° l'exécution ou la cessation d'actes ;
2° l'interdiction d'accéder à des biens immobiliers déterminés ;
3° l'interdiction ou des restrictions d'utilisation de biens mobiliers et immobiliers ;
4° la fermeture totale ou partielle d'entreprises, d'établissements et d'institutions ;
5° le transport, la conservation ou l'élimination des éléments qui en sont susceptibles, y compris les déchets et les plantes ;
6° la relocalisation ou l'euthanasie d'animaux ;
7° la destruction, sur place ou ailleurs, d'éléments dont la possession ou l'utilisation est interdite ;
8° la destruction sur place ou ailleurs de matières organiques périssables ou putrescibles, y compris des animaux morts ;
9° la remise en liberté sur place d'espèces animales protégées indigènes détenues illégalement, qui sont en bon état.
§ 3. Une mesure de sécurité est proportionnée à la gravité des délits, des infractions, des violations de normes et des pertes publiques qu'elle vise à prévenir ou à éliminer. Une mesure de sécurité ne peut pas porter un préjudice disproportionné aux intérêts du contrevenant ou de tiers.
Pour la réglementation flamande qu'il désigne, le Gouvernement flamand peut :
1° limiter l'imposition de mesures de sécurité ;
2° imposer une durée de validité maximale d'une mesure de sécurité ;
3° assortir une mesure de sécurité de conditions supplémentaires ;
4° réserver une mesure de sécurité aux instances de réparation;
5° prévoir des mesures de sécurité spécifiques.
§ 4. Pour garantir le respect de la mesure de sûreté, les superviseurs et les instances de réparation peuvent sceller l'accès aux bâtiments, locaux ou terrains, aux moyens de transport, aux outils ou à l'équipement. Les scellés restent en vigueur tant que la décision de sécurité reste en place, à moins qu'ils ne soient levés plus tôt par l'un des acteurs suivants :
1° le superviseur ou l'instance de réparation qui a pris la décision de sécurité ;
2° l'instance de réparation qui a confirmé la décision de sécurité ;
3° le juge.
Le bris d'un scellé ou la violation des conditions liées à sa levée est sanctionné par la sanction mentionnée à l'article 104, alinéa 2, sans préjudice de la possibilité d'apposer un nouveau scellé.
Art. 64. Een bestuurlijk opgelegde publieke beveiligingsmaatregel kan op elk moment worden opgeheven of gewijzigd door een bevoegde toezichthouder of herstelinstantie van hetzelfde bestuursniveau als de toezichthouder of herstelinstantie die ze heeft opgelegd of bekrachtigd. Een bestuurlijk opgelegde publieke beveiligingsmaatregel wordt onmiddellijk opgeheven of gewijzigd als ze niet langer noodzakelijk of actueel is, of niet langer beantwoordt aan de vereisten, vermeld in artikel 63.
Publieke herstelbeslissingen die regelmatig zijn opgelegd na de tussenkomst van een bestuurlijk beveiligingsbevel, heffen dat bevel op in de mate waarin ze er strijdig mee zijn.
Publieke herstelbeslissingen die regelmatig zijn opgelegd na de tussenkomst van een bestuurlijk beveiligingsbevel, heffen dat bevel op in de mate waarin ze er strijdig mee zijn.
Art. 64. Une mesure publique de sécurité imposée par l'administration peut être levée ou modifiée à tout moment par un superviseur ou une instance de réparation compétente du même niveau administratif que le superviseur ou l'instance de réparation qui l'a imposée ou confirmée. Une mesure publique de sécurité imposée par l'administration est immédiatement abrogée ou modifiée si elle n'est plus nécessaire, actuelle ou ne répond plus aux exigences, visées à l'article 63.
Les décisions publiques de réparation régulièrement imposées à la suite de l'intervention d'un ordre administratif de sécurité, lèvent cet ordre dans la mesure où elles sont contraires à celui-ci.
Les décisions publiques de réparation régulièrement imposées à la suite de l'intervention d'un ordre administratif de sécurité, lèvent cet ordre dans la mesure où elles sont contraires à celui-ci.
Afdeling 2. - Bestuurlijke beveiligingsprocedure
Section 2. - Procédure administrative de sécurité
Art. 65. § 1. Een beveiligingsmaatregel wordt opgelegd in een bestuurlijke beveiligingsbeslissing, in de vorm van bestuursdwang of een bestuurlijk beveiligingsbevel.
§ 2. Bestuursdwang laat de toezichthouder of de herstelinstantie toe om onmiddellijk tot de uitvoering van de beveiligingsmaatregel over te gaan.
§ 3. In een bestuurlijk beveiligingsbevel wordt aan de adressant van de bestuurlijke beveiligingsbeslissing een termijn toegekend om de opgelegde beveiligingsmaatregel zelf uit te voeren. De overschrijding van die termijn geeft in hoofde van de adressant aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
In afwijking van het eerste lid, moeten bestuurlijke beveiligingsbevelen die een verbod inhouden tot handelen, niet voorzien in een termijn wanneer de spoedeisendheid van de situatie dat vereist. De miskenning van het verbod geeft in hoofde van de adressant aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
Een bestuurlijk beveiligingsbevel waarin tot een dwangsom wordt beslist als vermeld in het eerste lid, vermeldt het bedrag van de dwangsom, en of ze hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding wordt vastgesteld. De dwangsom kan worden verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat ze betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
§ 4. Dwangsommen kunnen alleen worden opgelegd aan een in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressant.
De miskenning van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing met algemene strekking wordt ten aanzien van personen die niet in die beveiligingsbeslissing worden geïdentificeerd, gesanctioneerd met de sanctie, vermeld in artikel 104, derde lid, onverminderd de mogelijkheid tot toepassing van bestuursdwang, maar met uitsluiting van de dwangsom. Hetzelfde geldt voor de in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressanten, wanneer hen geen dwangsom werd opgelegd of zolang de hen opgelegde dwangsom niet kan verbeuren met toepassing van artikel 70, § 4.
§ 5. Kosten van bestuursdwang worden hoofdelijk verhaald op de in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressanten, of, als er geen individueel geïdentificeerde adressanten zijn, op de personen aan wie de noodzaak tot toepassing van bestuursdwang toerekenbaar is.
§ 2. Bestuursdwang laat de toezichthouder of de herstelinstantie toe om onmiddellijk tot de uitvoering van de beveiligingsmaatregel over te gaan.
§ 3. In een bestuurlijk beveiligingsbevel wordt aan de adressant van de bestuurlijke beveiligingsbeslissing een termijn toegekend om de opgelegde beveiligingsmaatregel zelf uit te voeren. De overschrijding van die termijn geeft in hoofde van de adressant aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
In afwijking van het eerste lid, moeten bestuurlijke beveiligingsbevelen die een verbod inhouden tot handelen, niet voorzien in een termijn wanneer de spoedeisendheid van de situatie dat vereist. De miskenning van het verbod geeft in hoofde van de adressant aanleiding tot het verbeuren van een dwangsom of de toepassing van bestuursdwang.
Een bestuurlijk beveiligingsbevel waarin tot een dwangsom wordt beslist als vermeld in het eerste lid, vermeldt het bedrag van de dwangsom, en of ze hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding wordt vastgesteld. De dwangsom kan worden verbonden aan het geheel van de oplegde maatregelen of aan elke maatregel afzonderlijk, zonder dat ze betrekking kan hebben op de betaling van geldsommen.
§ 4. Dwangsommen kunnen alleen worden opgelegd aan een in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressant.
De miskenning van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing met algemene strekking wordt ten aanzien van personen die niet in die beveiligingsbeslissing worden geïdentificeerd, gesanctioneerd met de sanctie, vermeld in artikel 104, derde lid, onverminderd de mogelijkheid tot toepassing van bestuursdwang, maar met uitsluiting van de dwangsom. Hetzelfde geldt voor de in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressanten, wanneer hen geen dwangsom werd opgelegd of zolang de hen opgelegde dwangsom niet kan verbeuren met toepassing van artikel 70, § 4.
§ 5. Kosten van bestuursdwang worden hoofdelijk verhaald op de in de beveiligingsbeslissing individueel geïdentificeerde adressanten, of, als er geen individueel geïdentificeerde adressanten zijn, op de personen aan wie de noodzaak tot toepassing van bestuursdwang toerekenbaar is.
Art. 65. § 1er. Une mesure de sécurité est imposée dans une décision de sécurité administrative, sous la forme d'une contrainte administrative ou d'un ordre administratif de sécurité.
§ 2. La contrainte administrative permet au superviseur ou à l'instance de réparation de procéder immédiatement à la mise en oeuvre de la mesure de sécurité.
§ 3. Un ordre administratif de sécurité accorde au destinataire de la décision de sécurité administrative un délai pour mettre en oeuvre la mesure de sécurité imposée. Le dépassement de ce délai donne lieu, dans le chef du destinataire, au fait d'encourir une astreinte ou à l'application d'une contrainte administrative.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ordres administratifs de sécurité interdisant une action ne doivent pas prévoir de délai lorsque l'urgence de la situation l'exige. La méconnaissance de l'interdiction donne lieu, dans le chef du destinataire, au fait d'encourir une astreinte ou à l'application d'une contrainte administrative.
Un ordre administratif de sécurité dans lequel une astreinte est prononcée, telle que visée à l'alinéa 1er, mentionne le montant de l'astreinte, et si elle est fixée soit à un montant unique, soit à un montant par unité de temps ou par infraction. L'astreinte peut être attachée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans qu'elle puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
§ 4. Les astreintes ne peuvent être imposées qu'à un destinataire identifié individuellement dans la décision de sécurité.
La méconnaissance d'une décision de sécurité administrative de portée générale est sanctionnée, à l'égard des personnes qui ne sont pas identifiées dans cette décision de sécurité, par la sanction, visée à l'article 104, alinéa 3, sans préjudice de la possibilité d'application de la contrainte administrative, mais à l'exclusion de l'astreinte. Il en est de même pour les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité, lorsqu'aucune astreinte ne leur a été infligée ou tant que l'astreinte qui leur a été infligée ne peut pas être encourue en application de l'article 70, § 4.
§ 5. Les coûts de la contrainte administrative sont recouvrés solidairement auprès des destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité ou, s'il n'y a pas de destinataires identifiés individuellement, auprès des personnes auxquelles la nécessité d'appliquer la contrainte administrative est imputable.
§ 2. La contrainte administrative permet au superviseur ou à l'instance de réparation de procéder immédiatement à la mise en oeuvre de la mesure de sécurité.
§ 3. Un ordre administratif de sécurité accorde au destinataire de la décision de sécurité administrative un délai pour mettre en oeuvre la mesure de sécurité imposée. Le dépassement de ce délai donne lieu, dans le chef du destinataire, au fait d'encourir une astreinte ou à l'application d'une contrainte administrative.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ordres administratifs de sécurité interdisant une action ne doivent pas prévoir de délai lorsque l'urgence de la situation l'exige. La méconnaissance de l'interdiction donne lieu, dans le chef du destinataire, au fait d'encourir une astreinte ou à l'application d'une contrainte administrative.
Un ordre administratif de sécurité dans lequel une astreinte est prononcée, telle que visée à l'alinéa 1er, mentionne le montant de l'astreinte, et si elle est fixée soit à un montant unique, soit à un montant par unité de temps ou par infraction. L'astreinte peut être attachée à l'ensemble des mesures imposées ou à chaque mesure séparément, sans qu'elle puisse porter sur le paiement de sommes d'argent.
§ 4. Les astreintes ne peuvent être imposées qu'à un destinataire identifié individuellement dans la décision de sécurité.
La méconnaissance d'une décision de sécurité administrative de portée générale est sanctionnée, à l'égard des personnes qui ne sont pas identifiées dans cette décision de sécurité, par la sanction, visée à l'article 104, alinéa 3, sans préjudice de la possibilité d'application de la contrainte administrative, mais à l'exclusion de l'astreinte. Il en est de même pour les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité, lorsqu'aucune astreinte ne leur a été infligée ou tant que l'astreinte qui leur a été infligée ne peut pas être encourue en application de l'article 70, § 4.
§ 5. Les coûts de la contrainte administrative sont recouvrés solidairement auprès des destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité ou, s'il n'y a pas de destinataires identifiés individuellement, auprès des personnes auxquelles la nécessité d'appliquer la contrainte administrative est imputable.
Art. 66. Vooraleer beveiligingsmaatregelen op te leggen, kunnen toezichthouders en herstelinstanties raadgevingen en waarschuwingen geven als vermeld in artikel 10, of raadgevingen geven om de dreigende publieke schade te vermijden.
Art. 66. Avant d'imposer des mesures de sécurité, les superviseurs et les instances de réparation peuvent émettre des conseils et des avertissements, tels que visés à l'article 10, ou donner des conseils pour éviter la menace d'un préjudice public.
Art. 67. § 1. Bestuurlijke beveiligingsbeslissingen worden schriftelijk genomen, tenzij de situatie zodanig spoedeisend is dat ze niet tevoren op schrift kunnen worden gesteld. Een mondelinge beveiligingsbeslissing wordt binnen vijf werkdagen schriftelijk bevestigd.
Een afschrift van de beveiligingsbeslissing, de schriftelijke neerslag daarvan of een samenvatting kan ter plaatse worden geafficheerd. Een afschrift van de beveiligingsbeslissing of de schriftelijke neerslag daarvan wordt bij beveiligde zending bezorgd aan alle adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd. De geafficheerde samenvatting bevat minstens een overzicht van de opgelegde maatregelen en de contactgegevens van de toezichthouder of herstelinstantie die ertoe besliste.
Adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd, worden voorafgaandelijk aan het opleggen van het bevel gehoord door verschijning in persoon of door middel van videoconferentie, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet. De beveiligingsbeslissing of de schriftelijke neerslag van de beveiligingsbeslissing vermeldt de redenen van spoedeisendheid die het voorafgaand horen onmogelijk maakte.
§ 2. Een beveiligingsbeslissing die door een toezichthouder is opgelegd, vervalt als ze niet binnen veertien dagen na de datum waarop ze is genomen, wordt bekrachtigd door een bevoegde herstelinstantie.
Door de bekrachtiging, vermeld in het eerste lid, wordt de beveiligingsbeslissing beschouwd als een beslissing van de herstelinstantie die haar bekrachtigd heeft.
Een afschrift van de bekrachtigingsbeslissing wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending gestuurd naar alle adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de beveiligingsbeslissingen, opgelegd door categorieën van toezichthouders die de Vlaamse Regering aanduidt, onder de voorwaarden die zij bepaalt.
Een afschrift van de beveiligingsbeslissing, de schriftelijke neerslag daarvan of een samenvatting kan ter plaatse worden geafficheerd. Een afschrift van de beveiligingsbeslissing of de schriftelijke neerslag daarvan wordt bij beveiligde zending bezorgd aan alle adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd. De geafficheerde samenvatting bevat minstens een overzicht van de opgelegde maatregelen en de contactgegevens van de toezichthouder of herstelinstantie die ertoe besliste.
Adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd, worden voorafgaandelijk aan het opleggen van het bevel gehoord door verschijning in persoon of door middel van videoconferentie, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet. De beveiligingsbeslissing of de schriftelijke neerslag van de beveiligingsbeslissing vermeldt de redenen van spoedeisendheid die het voorafgaand horen onmogelijk maakte.
§ 2. Een beveiligingsbeslissing die door een toezichthouder is opgelegd, vervalt als ze niet binnen veertien dagen na de datum waarop ze is genomen, wordt bekrachtigd door een bevoegde herstelinstantie.
Door de bekrachtiging, vermeld in het eerste lid, wordt de beveiligingsbeslissing beschouwd als een beslissing van de herstelinstantie die haar bekrachtigd heeft.
Een afschrift van de bekrachtigingsbeslissing wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending gestuurd naar alle adressanten die in de beveiligingsbeslissing individueel worden geïdentificeerd.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de beveiligingsbeslissingen, opgelegd door categorieën van toezichthouders die de Vlaamse Regering aanduidt, onder de voorwaarden die zij bepaalt.
Art. 67. § 1er. Les décisions de sécurité administratives sont prises par écrit, à moins que l'urgence ne soit telle qu'elles ne puissent être établies par écrit au préalable. Une décision de sécurité verbale est confirmée par écrit dans les cinq jours ouvrables.
Une copie de la décision de sécurité, de son enregistrement écrit ou d'un résumé peut être affichée sur place. Une copie de la décision de sécurité ou de son enregistrement écrit est transmis par envoi sécurisé à tous les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité. Le résumé affiché comprend au moins un aperçu des mesures imposées et les coordonnées du superviseur ou de l'instance de réparation qui les a décidées.
Les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité sont entendus avant l'imposition de l'ordre par comparution en personne ou par vidéoconférence, à moins que l'urgence requise ne s'y oppose. La décision de sécurité ou le résumé écrit de la décision de sécurité mentionne les raisons d'urgence qui ont empêché l'audition préalable.
§ 2. Toute décision de sécurité prise par un superviseur échoit si elle n'est pas confirmée par une instance de réparation compétente dans les quatorze jours suivant la date à laquelle elle a été prise.
Par la confirmation visée à l'alinéa 1er, la décision de sécurité est considérée comme une décision de l'instance de réparation qui l'a confirmée.
Une copie de la décision de confirmation est envoyée dans les deux jours ouvrables par envoi sécurisé à tous les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux décisions de sécurité imposées par des catégories de superviseurs désignés par le Gouvernement flamand, aux conditions qu'il détermine.
Une copie de la décision de sécurité, de son enregistrement écrit ou d'un résumé peut être affichée sur place. Une copie de la décision de sécurité ou de son enregistrement écrit est transmis par envoi sécurisé à tous les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité. Le résumé affiché comprend au moins un aperçu des mesures imposées et les coordonnées du superviseur ou de l'instance de réparation qui les a décidées.
Les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité sont entendus avant l'imposition de l'ordre par comparution en personne ou par vidéoconférence, à moins que l'urgence requise ne s'y oppose. La décision de sécurité ou le résumé écrit de la décision de sécurité mentionne les raisons d'urgence qui ont empêché l'audition préalable.
§ 2. Toute décision de sécurité prise par un superviseur échoit si elle n'est pas confirmée par une instance de réparation compétente dans les quatorze jours suivant la date à laquelle elle a été prise.
Par la confirmation visée à l'alinéa 1er, la décision de sécurité est considérée comme une décision de l'instance de réparation qui l'a confirmée.
Une copie de la décision de confirmation est envoyée dans les deux jours ouvrables par envoi sécurisé à tous les destinataires identifiés individuellement dans la décision de sécurité.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux décisions de sécurité imposées par des catégories de superviseurs désignés par le Gouvernement flamand, aux conditions qu'il détermine.
Art. 68. [1 De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht over het beroep tegen de bestuurlijke beveiligingsbeslissing.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Art. 68. [1 Le Conseil d'Etat statue de pleine juridiction sur le recours contre la décision administrative de sécurité.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conseil d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Gerechtelijke beveiligingsprocedure
Section 3. - Procédure de sécurité judiciaire
Art. 69. De herstelinstantie kan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg verzoeken om beveiligingsmaatregelen te bevelen als ernstige schade aan publieke belangen die door Vlaamse regelgeving is beschermd, imminent is.
Art. 69. L'instance de réparation peut demander au président du tribunal de première instance d'ordonner des mesures de sécurité lorsque des dommages graves aux intérêts publics protégés par la réglementation flamande sont imminents.
HOOFDSTUK 6. - Uitvoering van sancties en maatregelen en de toebedeling van handhavingsopbrengsten
CHAPITRE 6. - Mise en oeuvre des sanctions et des mesures et attribution des recettes de maintien
Afdeling 1. - Uitvoering van sancties en maatregelen
Section 1re. - Mise en oeuvre des sanctions et des mesures
Art. 70. § 1. Bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, bekrachtigde herstelschikkingen en de schriftelijke neerslag van mondelinge beveiligingsbeslissingen die als uitvoerbaar gewaarmerkt zijn door de beboetingsinstantie of herstelinstantie die ze heeft genomen of bekrachtigd, gelden als titel als vermeld in artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek voor de toepassing van bestuursdwang en herstel- en beveiligingsbevelen. Voor de individueel geïdentificeerde adressanten in die beslissingen gelden ze ook als titel voor de inning van schadevergoedingen, verbeurde dwangsommen, uitvoeringskosten en andere bedragen die op grond van die beslissingen zijn verschuldigd.
Bedragen die verschuldigd zijn door niet-individueel geïdentificeerde adressanten als vermeld in artikel 65, § 5, of door derden als vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, van dit decreet, worden geïnd bij gemotiveerd dwangbevel dat als uitvoerbaar gewaarmerkt is door de herstelinstantie. Dat dwangbevel wordt voor de voormelde inning gelijkgesteld met een titel als vermeld in artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen en dwangbevelen kunnen pas worden uitgevoerd na betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij beveiligde zending van de titel die als uitvoerbaar is gewaarmerkt.
Mondelinge bestuurlijke beveiligingsbeslissingen kunnen worden uitgevoerd nadat ze zijn uitgesproken, zonder dat een voorafgaande betekening van haar schriftelijke neerslag vereist is.
§ 3. Termijnen die toegestaan zijn in bestuurlijke sanctiebeslissingen en schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, gaan in op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, tenzij anders vermeld in de voormelde beslissingen.
Termijnen die toegestaan zijn in mondelinge beveiligingsbeslissingen, gaan in op het moment dat ze worden uitgesproken, tenzij anders bepaald.
§ 4. Dwangsommen die opgelegd zijn in bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, kunnen nooit worden verbeurd voor de betekening van de als uitvoerbaar gewaarmerkte titel waarin ze zijn opgelegd. Als navolgende beslissingen het gevolg zijn van een schorsend beroep tegen die titel, worden ze samen met de titel betekend, vooraleer de dwangsom na de opheffing van de schorsing opnieuw kan worden verbeurd.
De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2242 tot en met 2259 van het Burgerlijk Wetboek.
De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.
§ 5. Herstelplichtigen kunnen zich op geldige wijze kwijten van publieke herstelmaatregelen door binnen de termijn voor vrijwillige uitvoering die hen is verleend, de legaliteit te herstellen door een terugkeer naar de referentietoestand, aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, of het verkrijgen van een administratieve regularisatie en het uitvoeren van alle daaraan verbonden voorwaarden.
§ 6. Bedragen die verschuldigd zijn op grond van bestuurlijke sancties of publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, worden onder verantwoordelijkheid van de beboetingsinstantie of de herstelinstantie die daartoe heeft beslist, geïnd door de administratie waartoe de beboetingsinstantie of de herstelinstantie behoort of die daarvoor door haar is aangewezen.
De administratie die belast is met de invordering, beslist over de verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling. Ze kan de beslissing tot uitstel of spreiding bij beveiligde zending intrekken als blijkt dat de voorwaarden die eraan zijn verbonden, niet worden nageleefd.
§ 7. Als een onregelmatigheid is hersteld bij financieel equivalent, wordt ze gedoogd door de Vlaamse regelgeving waarvan de miskenning aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van die maatregel.
Bedragen die verschuldigd zijn door niet-individueel geïdentificeerde adressanten als vermeld in artikel 65, § 5, of door derden als vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, van dit decreet, worden geïnd bij gemotiveerd dwangbevel dat als uitvoerbaar gewaarmerkt is door de herstelinstantie. Dat dwangbevel wordt voor de voormelde inning gelijkgesteld met een titel als vermeld in artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen en dwangbevelen kunnen pas worden uitgevoerd na betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij beveiligde zending van de titel die als uitvoerbaar is gewaarmerkt.
Mondelinge bestuurlijke beveiligingsbeslissingen kunnen worden uitgevoerd nadat ze zijn uitgesproken, zonder dat een voorafgaande betekening van haar schriftelijke neerslag vereist is.
§ 3. Termijnen die toegestaan zijn in bestuurlijke sanctiebeslissingen en schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, gaan in op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, tenzij anders vermeld in de voormelde beslissingen.
Termijnen die toegestaan zijn in mondelinge beveiligingsbeslissingen, gaan in op het moment dat ze worden uitgesproken, tenzij anders bepaald.
§ 4. Dwangsommen die opgelegd zijn in bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, kunnen nooit worden verbeurd voor de betekening van de als uitvoerbaar gewaarmerkte titel waarin ze zijn opgelegd. Als navolgende beslissingen het gevolg zijn van een schorsend beroep tegen die titel, worden ze samen met de titel betekend, vooraleer de dwangsom na de opheffing van de schorsing opnieuw kan worden verbeurd.
De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2242 tot en met 2259 van het Burgerlijk Wetboek.
De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.
§ 5. Herstelplichtigen kunnen zich op geldige wijze kwijten van publieke herstelmaatregelen door binnen de termijn voor vrijwillige uitvoering die hen is verleend, de legaliteit te herstellen door een terugkeer naar de referentietoestand, aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, of het verkrijgen van een administratieve regularisatie en het uitvoeren van alle daaraan verbonden voorwaarden.
§ 6. Bedragen die verschuldigd zijn op grond van bestuurlijke sancties of publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, worden onder verantwoordelijkheid van de beboetingsinstantie of de herstelinstantie die daartoe heeft beslist, geïnd door de administratie waartoe de beboetingsinstantie of de herstelinstantie behoort of die daarvoor door haar is aangewezen.
De administratie die belast is met de invordering, beslist over de verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling. Ze kan de beslissing tot uitstel of spreiding bij beveiligde zending intrekken als blijkt dat de voorwaarden die eraan zijn verbonden, niet worden nageleefd.
§ 7. Als een onregelmatigheid is hersteld bij financieel equivalent, wordt ze gedoogd door de Vlaamse regelgeving waarvan de miskenning aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van die maatregel.
Art. 70. § 1er. Les décisions de sanction administrative, les décisions de réparation et de sécurité administratives écrites, les dispositions de réparation confirmées et l'enregistrement écrit de décisions de sécurité verbales certifiées exécutoires par l'instance verbalisante ou l'instance de réparation qui les a prises ou confirmées, servent de titre tel que visé à l'article 1494 du Code judiciaire pour l'application de la contrainte administrative et des injonctions de réparation et de sécurité. Pour les destinataires identifiés individuellement dans ces décisions, elles servent également de titre pour la perception des indemnités, des astreintes encourues, des frais d'exécution et d'autres montants dus en vertu de ces décisions.
Les montants dus par des destinataires non individuellement identifiés tels que visés à l'article 65, § 5, ou par des tiers tels que visés à l'article 71, § 2, alinéa 2, du présent décret, sont perçus par voie de contrainte motivée qui est certifiée exécutoire par l'instance de réparation. Cette contrainte est assimilée à un titre tel que visé à l'article 1494 du Code judiciaire aux fins de la perception susmentionnée.
§ 2. Les décisions de sanction administrative, les décisions de réparation et de sécurité administratives écrites et les contraintes ne peuvent être exécutées qu'après signification par exploit d'huissier ou par envoi sécurisé du titre certifié exécutoire.
Les décisions de sécurité administrative verbales peuvent être exécutées après qu'elles ont été prononcées, sans que la signification préalable de son enregistrement écrit ne soit requise.
§ 3. Les délais autorisés dans les décisions de sanction administrative et les décisions de réparation et de sécurité administratives écrites prennent cours le jour suivant la signification, visée au paragraphe 2, sauf mention contraire dans les décisions précitées.
Les délais autorisés dans les décisions de sécurité verbales commencent à courir au moment où elles sont prononcées, sauf disposition contraire.
§ 4. Les astreintes infligées dans les décisions de réparation et de sécurité administratives ne peuvent jamais être encourues avant la signification du titre certifié exécutoire dans lequel elles ont été infligées. Si des décisions ultérieures sont la conséquence d'un recours suspensif contre ce titre, elles sont signifiées en même temps que le titre, avant que l'astreinte puisse à nouveau être encourue après l'abrogation de la suspension.
L'action en paiement des montants encourus se prescrit par six mois à compter du jour où les montants ont été encourus. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions visés aux articles 2242 à 2259 du Code civil.
La prescription est suspendue par la faillite et tout autre obstacle juridique au recouvrement de l'astreinte.
§ 5. Les personnes soumises à l'obligation de réparation peuvent valablement s'acquitter de mesures de réparation publiques en rétablissant la légalité dans le délai d'exécution volontaire qui leur a été accordé, par un retour à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui leur sont directement applicables, ou par l'obtention d'une régularisation administrative et la mise en oeuvre de toutes les conditions y afférentes.
§ 6. Les montants dus au titre de sanctions administratives ou de mesures de réparation et de sécurité publiques sont perçus, sous la responsabilité de l'instance verbalisante ou de l'instance de réparation qui en a décidé ainsi, par l'administration dont relève l'instance verbalisante ou l'instance de réparation, ou qu'elle a désignée à cet effet.
L'administration chargée du recouvrement statue sur les demandes de report ou d'étalement des paiements. Elle peut révoquer la décision de report ou d'étalement par envoi sécurisé s'il s'avère que les conditions qui y sont liées ne sont pas respectées.
§ 7. Lorsqu'une irrégularité est réparée par équivalent financier, elle est tolérée par la réglementation flamande dont la méconnaissance a donné lieu à l'imposition de cette mesure.
Les montants dus par des destinataires non individuellement identifiés tels que visés à l'article 65, § 5, ou par des tiers tels que visés à l'article 71, § 2, alinéa 2, du présent décret, sont perçus par voie de contrainte motivée qui est certifiée exécutoire par l'instance de réparation. Cette contrainte est assimilée à un titre tel que visé à l'article 1494 du Code judiciaire aux fins de la perception susmentionnée.
§ 2. Les décisions de sanction administrative, les décisions de réparation et de sécurité administratives écrites et les contraintes ne peuvent être exécutées qu'après signification par exploit d'huissier ou par envoi sécurisé du titre certifié exécutoire.
Les décisions de sécurité administrative verbales peuvent être exécutées après qu'elles ont été prononcées, sans que la signification préalable de son enregistrement écrit ne soit requise.
§ 3. Les délais autorisés dans les décisions de sanction administrative et les décisions de réparation et de sécurité administratives écrites prennent cours le jour suivant la signification, visée au paragraphe 2, sauf mention contraire dans les décisions précitées.
Les délais autorisés dans les décisions de sécurité verbales commencent à courir au moment où elles sont prononcées, sauf disposition contraire.
§ 4. Les astreintes infligées dans les décisions de réparation et de sécurité administratives ne peuvent jamais être encourues avant la signification du titre certifié exécutoire dans lequel elles ont été infligées. Si des décisions ultérieures sont la conséquence d'un recours suspensif contre ce titre, elles sont signifiées en même temps que le titre, avant que l'astreinte puisse à nouveau être encourue après l'abrogation de la suspension.
L'action en paiement des montants encourus se prescrit par six mois à compter du jour où les montants ont été encourus. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions visés aux articles 2242 à 2259 du Code civil.
La prescription est suspendue par la faillite et tout autre obstacle juridique au recouvrement de l'astreinte.
§ 5. Les personnes soumises à l'obligation de réparation peuvent valablement s'acquitter de mesures de réparation publiques en rétablissant la légalité dans le délai d'exécution volontaire qui leur a été accordé, par un retour à la situation de référence, adaptée aux obligations légales qui leur sont directement applicables, ou par l'obtention d'une régularisation administrative et la mise en oeuvre de toutes les conditions y afférentes.
§ 6. Les montants dus au titre de sanctions administratives ou de mesures de réparation et de sécurité publiques sont perçus, sous la responsabilité de l'instance verbalisante ou de l'instance de réparation qui en a décidé ainsi, par l'administration dont relève l'instance verbalisante ou l'instance de réparation, ou qu'elle a désignée à cet effet.
L'administration chargée du recouvrement statue sur les demandes de report ou d'étalement des paiements. Elle peut révoquer la décision de report ou d'étalement par envoi sécurisé s'il s'avère que les conditions qui y sont liées ne sont pas respectées.
§ 7. Lorsqu'une irrégularité est réparée par équivalent financier, elle est tolérée par la réglementation flamande dont la méconnaissance a donné lieu à l'imposition de cette mesure.
Art. 71. § 1. De ambtshalve uitvoering van gerechtelijk of bestuurlijk opgelegde publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen gebeurt onder toezicht van de herstelinstantie of een gerechtsdeurwaarder. In geval van een mondeling beveiligingsbevel dat is uitgesproken door een toezichthouder, gebeurt de ambtshalve uitvoering onder toezicht van die toezichthouder tot aan de bekrachtiging van het bevel door de herstelinstantie, waarna die laatste het toezicht op de uitvoering overneemt.
De gerechtsdeurwaarder, de herstelinstantie of de toezichthouder kunnen overgaan tot verzegeling van gebouwen, terreinen en wat zich daarin of daarop bevindt, of het meevoeren en opslaan van ter plaatse aanwezige zaken, als de ambtshalve uitvoering dat vereist. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en teruggave van de meegevoerde zaken aan de rechthebbenden.
Naar aanleiding van een ambtshalve uitvoering hebben personen die daarvoor zijn aangewezen door, naargelang het geval, de gerechtsdeurwaarder, de herstelinstantie of de toezichthouder, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van hun taak.
§ 2. Iedereen is gehouden om de regelmatige uitvoering van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen die conform dit decreet zijn opgelegd in bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, herstelschikkingen en gerechtelijke beslissingen, door de herstelplichtige of de bevoegde herstelinstantie te gedogen, onverminderd het recht tot het instellen van derdenverzet of een beroep als vermeld in artikel 55, 68 of 74.
De kosten verbonden aan de uitvoering van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen kunnen ook worden verhaald op de houders van rechten op het goed waarop de maatregelen betrekking hebben, ten belope van de verrijking die de uitvoering van de maatregelen hen rechtstreeks heeft opgeleverd.
De uitvoering van uitvoerbare publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen is vrijgesteld van die vergunningen, toelatingen of machtigingen die zijn ingesteld door Vlaamse regelgeving waarvan de miskenning aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van die maatregelen.
§ 3. In geld te waarderen verplichtingen die voortvloeien uit bestuurlijke sanctiebeslissingen of door de rechter of het bestuur opgelegde publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan de invordering en de hypothecaire formaliteiten, worden voor de volledige waarde of tegenwaarde gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten van de schuldenaars van die verplichtingen, met inbegrip van de houders van rechten, vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, en de nieuwe titularis, vermeld in artikel 85, § 4. De voormelde wettelijke hypotheek wordt ingeschreven, vernieuwd, verminderd of volledig of gedeeltelijk doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De inschrijving van de wettelijke hypotheek gebeurt op voorlegging van een afschrift van de bestuurlijke of rechterlijke beslissing waarin de maatregelen zijn opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
Het eerste lid is ook van toepassing op herstelschikkingen, onverminderd artikel 61, eerste lid, 5°.
§ 4. Bestuurlijke sancties verjaren door verloop van twee jaren vanaf de dag waarop ze gedwongen kunnen worden uitgevoerd.
Het recht om de uitvoering van de gerechtelijke of bestuurlijke herstel- of beveiligingsmaatregelen te eisen, verjaart na tien jaar vanaf het einde van de verleende termijnen voor vrijwillige uitvoering.
Artikel 2242 tot en met 2259 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op deze paragraaf.
De gerechtsdeurwaarder, de herstelinstantie of de toezichthouder kunnen overgaan tot verzegeling van gebouwen, terreinen en wat zich daarin of daarop bevindt, of het meevoeren en opslaan van ter plaatse aanwezige zaken, als de ambtshalve uitvoering dat vereist. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en teruggave van de meegevoerde zaken aan de rechthebbenden.
Naar aanleiding van een ambtshalve uitvoering hebben personen die daarvoor zijn aangewezen door, naargelang het geval, de gerechtsdeurwaarder, de herstelinstantie of de toezichthouder, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van hun taak.
§ 2. Iedereen is gehouden om de regelmatige uitvoering van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen die conform dit decreet zijn opgelegd in bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, herstelschikkingen en gerechtelijke beslissingen, door de herstelplichtige of de bevoegde herstelinstantie te gedogen, onverminderd het recht tot het instellen van derdenverzet of een beroep als vermeld in artikel 55, 68 of 74.
De kosten verbonden aan de uitvoering van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen kunnen ook worden verhaald op de houders van rechten op het goed waarop de maatregelen betrekking hebben, ten belope van de verrijking die de uitvoering van de maatregelen hen rechtstreeks heeft opgeleverd.
De uitvoering van uitvoerbare publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen is vrijgesteld van die vergunningen, toelatingen of machtigingen die zijn ingesteld door Vlaamse regelgeving waarvan de miskenning aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van die maatregelen.
§ 3. In geld te waarderen verplichtingen die voortvloeien uit bestuurlijke sanctiebeslissingen of door de rechter of het bestuur opgelegde publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan de invordering en de hypothecaire formaliteiten, worden voor de volledige waarde of tegenwaarde gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten van de schuldenaars van die verplichtingen, met inbegrip van de houders van rechten, vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, en de nieuwe titularis, vermeld in artikel 85, § 4. De voormelde wettelijke hypotheek wordt ingeschreven, vernieuwd, verminderd of volledig of gedeeltelijk doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De inschrijving van de wettelijke hypotheek gebeurt op voorlegging van een afschrift van de bestuurlijke of rechterlijke beslissing waarin de maatregelen zijn opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
Het eerste lid is ook van toepassing op herstelschikkingen, onverminderd artikel 61, eerste lid, 5°.
§ 4. Bestuurlijke sancties verjaren door verloop van twee jaren vanaf de dag waarop ze gedwongen kunnen worden uitgevoerd.
Het recht om de uitvoering van de gerechtelijke of bestuurlijke herstel- of beveiligingsmaatregelen te eisen, verjaart na tien jaar vanaf het einde van de verleende termijnen voor vrijwillige uitvoering.
Artikel 2242 tot en met 2259 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op deze paragraaf.
Art. 71. § 1er. L'exécution d'office de mesures de réparation et de sécurité publiques, imposées par voie judiciaire ou administrative, se fait sous la supervision de l'instance de réparation ou d'un huissier de justice. Dans le cas d'un ordre de sécurité verbal prononcé par un superviseur, l'exécution d'office se fait sous la supervision de ce superviseur jusqu'à la confirmation de l'ordre par l'instance de réparation, cette dernière reprenant ensuite la supervision de l'exécution.
L'huissier de justice, l'instance de réparation ou le superviseur peuvent procéder au scellement de bâtiments, de terrains et de ce qui s'y trouve ou se trouve là-dessus, ou au transport et à l'entreposage des objets présents sur place, si l'exécution d'office l'exige. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la conservation et de la restitution des objets transportés aux ayants droit.
A l'occasion d'une exécution d'office, les personnes désignées à cet effet par l'huissier de justice, l'instance de réparation ou le superviseur, selon le cas, ont accès à tout lieu si cela est raisonnablement nécessaire à l'accomplissement de leur mission.
§ 2. Chacun est tenu de tolérer la mise en oeuvre régulière par l'instance soumise à l'obligation de réparation ou l'instance de réparation compétente de mesures de réparation et de sécurité publiques imposées conformément au présent décret dans les décisions de réparation et de sécurité administratives, les dispositions de réparation et les décisions judiciaires, sans préjudice du droit de former une tierce opposition ou un recours tel que visé aux articles 55, 68 ou 74.
Les coûts liés à la mise en oeuvre des mesures de réparation et de sécurité publiques peuvent également être récupérés à charge des titulaires de droits sur le bien concerné par ces mesures, dans la mesure de l'enrichissement que la mise en oeuvre de ces mesures leur a directement causé.
La mise en oeuvre de mesures de réparation et de sécurité publiques réalisables est exemptée de ces permis, autorisations ou mandats établis par la réglementation flamande dont la méconnaissance a donné lieu à l'imposition de ces mesures.
§ 3. Les obligations pécuniaires résultant de décisions de sanction administratives ou de mesures de réparation et de sécurité publiques imposées par le juge ou l'administration, y compris les frais liés au recouvrement et aux formalités hypothécaires, sont garanties pour leur valeur ou leur contre-valeur entière par une hypothèque légale, qui s'étend à tous les droits réels des débiteurs de ces obligations, y compris les titulaires de droits visés à l'article 71, § 2, alinéa 2, et le nouveau titulaire visé à l'article 85, § 4. L'hypothèque légale précitée est inscrite, renouvelée, réduite ou radiée en tout ou en partie conformément aux chapitres IV et V de la Loi hypothécaire du 16 décembre 1851. L'inscription de l'hypothèque légale se fait sur présentation d'une copie de la décision administrative ou judiciaire imposant les mesures, nonobstant tout recours ou opposition.
L'alinéa 1er s'applique également aux dispositions de réparation, sans préjudice de l'article 61, alinéa 1er, 5°.
§ 4. Les sanctions administratives se prescrivent par deux ans à compter du jour où elles peuvent être exécutées de force.
Le droit d'exiger l'exécution des mesures judiciaires ou administratives de réparation ou de sécurité se prescrit par dix ans à compter de la fin des délais accordés pour l'exécution volontaire.
Les articles 2242 à 2259 du Code civil s'appliquent au présent paragraphe.
L'huissier de justice, l'instance de réparation ou le superviseur peuvent procéder au scellement de bâtiments, de terrains et de ce qui s'y trouve ou se trouve là-dessus, ou au transport et à l'entreposage des objets présents sur place, si l'exécution d'office l'exige. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la conservation et de la restitution des objets transportés aux ayants droit.
A l'occasion d'une exécution d'office, les personnes désignées à cet effet par l'huissier de justice, l'instance de réparation ou le superviseur, selon le cas, ont accès à tout lieu si cela est raisonnablement nécessaire à l'accomplissement de leur mission.
§ 2. Chacun est tenu de tolérer la mise en oeuvre régulière par l'instance soumise à l'obligation de réparation ou l'instance de réparation compétente de mesures de réparation et de sécurité publiques imposées conformément au présent décret dans les décisions de réparation et de sécurité administratives, les dispositions de réparation et les décisions judiciaires, sans préjudice du droit de former une tierce opposition ou un recours tel que visé aux articles 55, 68 ou 74.
Les coûts liés à la mise en oeuvre des mesures de réparation et de sécurité publiques peuvent également être récupérés à charge des titulaires de droits sur le bien concerné par ces mesures, dans la mesure de l'enrichissement que la mise en oeuvre de ces mesures leur a directement causé.
La mise en oeuvre de mesures de réparation et de sécurité publiques réalisables est exemptée de ces permis, autorisations ou mandats établis par la réglementation flamande dont la méconnaissance a donné lieu à l'imposition de ces mesures.
§ 3. Les obligations pécuniaires résultant de décisions de sanction administratives ou de mesures de réparation et de sécurité publiques imposées par le juge ou l'administration, y compris les frais liés au recouvrement et aux formalités hypothécaires, sont garanties pour leur valeur ou leur contre-valeur entière par une hypothèque légale, qui s'étend à tous les droits réels des débiteurs de ces obligations, y compris les titulaires de droits visés à l'article 71, § 2, alinéa 2, et le nouveau titulaire visé à l'article 85, § 4. L'hypothèque légale précitée est inscrite, renouvelée, réduite ou radiée en tout ou en partie conformément aux chapitres IV et V de la Loi hypothécaire du 16 décembre 1851. L'inscription de l'hypothèque légale se fait sur présentation d'une copie de la décision administrative ou judiciaire imposant les mesures, nonobstant tout recours ou opposition.
L'alinéa 1er s'applique également aux dispositions de réparation, sans préjudice de l'article 61, alinéa 1er, 5°.
§ 4. Les sanctions administratives se prescrivent par deux ans à compter du jour où elles peuvent être exécutées de force.
Le droit d'exiger l'exécution des mesures judiciaires ou administratives de réparation ou de sécurité se prescrit par dix ans à compter de la fin des délais accordés pour l'exécution volontaire.
Les articles 2242 à 2259 du Code civil s'appliquent au présent paragraphe.
Art. 72. Personen die de aan hen opgelegde publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen uitvoeren, melden dat onmiddellijk aan de bevoegde herstelinstantie. De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij de melding stukken en bewijselementen moeten worden gevoegd, die het gemelde herstel aannemelijk maken.
De bevoegde herstelinstantie controleert de melding, en brengt de melder op de hoogte van het resultaat van de controle. Als de volledige uitvoering van de opgegeven maatregelen kan worden vastgesteld, wordt een attest van uitvoering opgemaakt en bezorgd aan de melder en eventuele andere herstelplichtigen.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de controle, vermeld in het tweede lid, kosten worden aangerekend die verhaalbaar zijn op de melder en eventuele andere herstelplichtigen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het attest van uitvoering als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
De bevoegde herstelinstantie controleert de melding, en brengt de melder op de hoogte van het resultaat van de controle. Als de volledige uitvoering van de opgegeven maatregelen kan worden vastgesteld, wordt een attest van uitvoering opgemaakt en bezorgd aan de melder en eventuele andere herstelplichtigen.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de controle, vermeld in het tweede lid, kosten worden aangerekend die verhaalbaar zijn op de melder en eventuele andere herstelplichtigen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het attest van uitvoering als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
Art. 72. Les personnes qui mettent en oeuvre les mesures de réparation et de sécurité publiques qui leur sont imposées le signalent immédiatement à l'instance de réparation compétente. Le Gouvernement flamand peut exiger que la notification soit accompagnée de documents et d'éléments de preuve qui rendent plausible la réparation notifiée.
L'instance de réparation compétente vérifie la notification et informe le déclarant du résultat du contrôle. Si la mise en oeuvre complète des mesures spécifiées peut être établie, un certificat de mise en oeuvre sera rédigé et remis au déclarant et à toute autre personne soumise à l'obligation de réparation.
Le Gouvernement flamand peut déterminer que le contrôle visé à l'alinéa 2 entraîne des frais qui peuvent être récupérés auprès du déclarant et de toute autre personne soumise à l'obligation de réparation.
Sauf preuve du contraire, seul le certificat de mise en oeuvre fait office de preuve de la réparation et de la date de la réparation.
L'instance de réparation compétente vérifie la notification et informe le déclarant du résultat du contrôle. Si la mise en oeuvre complète des mesures spécifiées peut être établie, un certificat de mise en oeuvre sera rédigé et remis au déclarant et à toute autre personne soumise à l'obligation de réparation.
Le Gouvernement flamand peut déterminer que le contrôle visé à l'alinéa 2 entraîne des frais qui peuvent être récupérés auprès du déclarant et de toute autre personne soumise à l'obligation de réparation.
Sauf preuve du contraire, seul le certificat de mise en oeuvre fait office de preuve de la réparation et de la date de la réparation.
Afdeling 2. - De toebedeling van handhavingsopbrengsten
Section 2. - L'attribution des recettes de maintien
Art. 73. Opbrengsten die verkregen zijn uit de toepassing van dit decreet, komen toe aan de overheid namens wie ze worden geïnd, en zijn voorbestemd voor de financiering van handhavingsopdrachten of acties ter ondersteuning van het door de geschonden regelgeving beschermde algemeen belang. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de bestemming van de opbrengsten.
In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat de opbrengsten worden verdeeld tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten volgens de criteria die ze bepaalt en rekening houdend met de inspanningen die deze overheden leveren in het handhavingsproces dat de opbrengsten genereert.
Voor de toepassing van het tweede lid, worden de inspanningen van de lokale politie en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden beschouwd als inspanningen, geleverd door de gemeenten.
In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat de opbrengsten worden verdeeld tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten volgens de criteria die ze bepaalt en rekening houdend met de inspanningen die deze overheden leveren in het handhavingsproces dat de opbrengsten genereert.
Voor de toepassing van het tweede lid, worden de inspanningen van de lokale politie en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden beschouwd als inspanningen, geleverd door de gemeenten.
Art. 73. Les recettes provenant de l'application du présent décret reviennent à l'autorité au nom de laquelle elles sont perçues et sont destinées à financer des missions de maintien ou des actions à l'appui de l'intérêt public protégé par la réglementation violée. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la destination des recettes.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand peut déterminer que les recettes seront réparties entre l'Autorité flamande et les communes selon les critères qu'il détermine et en tenant compte des efforts déployés par ces autorités dans le cadre de la procédure de maintien générant les recettes.
Aux fins de l'alinéa 2, les efforts de la police locale et des partenariats intercommunaux sont considérés comme des efforts déployés par les communes.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand peut déterminer que les recettes seront réparties entre l'Autorité flamande et les communes selon les critères qu'il détermine et en tenant compte des efforts déployés par ces autorités dans le cadre de la procédure de maintien générant les recettes.
Aux fins de l'alinéa 2, les efforts de la police locale et des partenariats intercommunaux sont considérés comme des efforts déployés par les communes.
HOOFDSTUK 7. - Rechtsbescherming van derden
CHAPITRE 7. - Protection juridique des tiers
Art. 74. [1 De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht over het beroep van derden tegen beslissingen of herstelschikkingen die tot stand zijn gekomen, conform dit decreet.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Voor de behandeling van de beroepen, vermeld in het eerste lid, heeft de Raad van State toegang tot het bestuurlijk sanctieregister ]1.
Art. 74. [1 Le Conseil d'Etat statue de pleine juridiction sur le recours de tiers contre les décisions ou les dispositions de réparation prises en vertu du présent décret.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conse.il d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Pour traiter les recours visés à l'alinéa 1er, le Conse.il d'Etat a accès au registre des sanctions administratives ]1.
Wijzigingen
Art. 75. De volgende personen worden niet beschouwd als derden als vermeld in artikel 74:
1° de personen, vermeld in artikel 1122, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de personen die zakelijke rechten verwerven over het onroerend goed dat met een publieke herstel- of beveiligingsmaatregel bezwaard is, op basis van een titel die dateert van na de overschrijving, vermeld in artikel 85, § 1, of van na de opname in het maatregelenregister, vermeld in artikel 85, § 5, van dit decreet.
1° de personen, vermeld in artikel 1122, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de personen die zakelijke rechten verwerven over het onroerend goed dat met een publieke herstel- of beveiligingsmaatregel bezwaard is, op basis van een titel die dateert van na de overschrijving, vermeld in artikel 85, § 1, of van na de opname in het maatregelenregister, vermeld in artikel 85, § 5, van dit decreet.
Art. 75. Les personnes suivantes ne sont pas considérées comme des tiers au sens de l'article 74 :
1° les personnes visées à l'article 1122, alinéa 2, du Code judiciaire ;
2° les personnes qui acquièrent des droits réels sur le bien immobilier grevé d'une mesure de réparation ou de sécurité publique, sur la base d'un titre datant d'après la transcription visée à l'article 85, § 1er, ou d'après l'inscription au registre des mesures visée à l'article 85, § 5, du présent décret.
1° les personnes visées à l'article 1122, alinéa 2, du Code judiciaire ;
2° les personnes qui acquièrent des droits réels sur le bien immobilier grevé d'une mesure de réparation ou de sécurité publique, sur la base d'un titre datant d'après la transcription visée à l'article 85, § 1er, ou d'après l'inscription au registre des mesures visée à l'article 85, § 5, du présent décret.
HOOFDSTUK 8. - Algemene beleidslijnen
CHAPITRE 8. - Politiques générales
Art. 76. Met behoud van artikel 148 van het Gerechtelijk Wetboek kan de Vlaamse Regering algemene beleidslijnen voor toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging en herstel vastleggen. Die beleidslijnen worden openbaar gemaakt en zijn bindend voor de toezichthouders, de beboetingsinstanties en de herstelinstanties.
De Vlaamse Regering kan voor de Vlaamse regelgeving die ze aanwijst nadere regels bepalen voor het vaststellen van de in het eerste lid bedoelde algemene beleidslijnen, de verdere concretisering van beleidslijnen in handhavingsprogramma's, de rapportering over de uitvoering van deze beleidslijnen en programma's, en de organisatie van netwerk- en kennisfora.
De Vlaamse Regering kan voor de Vlaamse regelgeving die ze aanwijst nadere regels bepalen voor het vaststellen van de in het eerste lid bedoelde algemene beleidslijnen, de verdere concretisering van beleidslijnen in handhavingsprogramma's, de rapportering over de uitvoering van deze beleidslijnen en programma's, en de organisatie van netwerk- en kennisfora.
Art. 76. Sans préjudice de l'application de l'article 148 du Code judiciaire, le Gouvernement flamand peut définir des politiques générales en matière de supervision, de recherche, de poursuite, de sanction, de sécurité et de réparation. Ces politiques sont rendues publiques et sont contraignantes pour les superviseurs, les instances verbalisantes et les instances de réparation.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour la réglementation flamande qu'il désigne pour l'établissement des politiques générales visées à l'alinéa 1er, la concrétisation ultérieure des politiques dans des programmes de maintien, l'établissement de rapports sur la mise en oeuvre de ces politiques et de ces programmes, et l'organisation de réseaux et de forums de connaissances.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour la réglementation flamande qu'il désigne pour l'établissement des politiques générales visées à l'alinéa 1er, la concrétisation ultérieure des politiques dans des programmes de maintien, l'établissement de rapports sur la mise en oeuvre de ces politiques et de ces programmes, et l'organisation de réseaux et de forums de connaissances.
HOOFDSTUK 9. - Registers en publiciteit
CHAPITRE 9. - Registres et publicité
Afdeling 1. - Bestuurlijk sanctieregister
Section 1re. - Registre des sanctions administratives
Art. 77. De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving houdt een register bij van de natuurlijke personen of rechtspersonen die met toepassing van dit decreet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing als vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, 3°.
De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving is verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor het register, vermeld in het eerste lid. Het register, vermeld in het eerste lid, wordt samengesteld door de gegevens van de Vlaamse inspectiediensten en de beboetingsinstanties samen te voegen. Die gegevens kunnen pas worden verwerkt nadat een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als vermeld in artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming, is uitgevoerd.
Het register, vermeld in het eerste lid, heeft de volgende doelstellingen:
1° het openbaar ministerie, het Handhavingscollege en de herstelinstanties toelaten om na te gaan of de beboetingsinstantie het bestuurlijk spoor heeft geopend;
2° de uitvoering van de bestuurlijke sancties door de beboetingsinstanties verzekeren;
3° de beboetingsinstanties, het openbaar ministerie en het Handhavingscollege in staat stellen om na te gaan of er al eerder sancties voor dezelfde feiten dan wel voor andere feiten, verbonden door eenheid van opzet met de te vervolgen of vervolgde feiten, zijn opgelegd;
4° de frequentie en de omstandigheden inschatten waarmee en waarin de te vervolgen of vervolgde feiten zijn gepleegd;
5° de legaliteit determineren van de toestand, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de in het bestuurlijk sanctieregister opgenomen vervolging.
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het bestuurlijk sanctieregister voor andere doeleinden dan vermeld in het derde lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving is verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor het register, vermeld in het eerste lid. Het register, vermeld in het eerste lid, wordt samengesteld door de gegevens van de Vlaamse inspectiediensten en de beboetingsinstanties samen te voegen. Die gegevens kunnen pas worden verwerkt nadat een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als vermeld in artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming, is uitgevoerd.
Het register, vermeld in het eerste lid, heeft de volgende doelstellingen:
1° het openbaar ministerie, het Handhavingscollege en de herstelinstanties toelaten om na te gaan of de beboetingsinstantie het bestuurlijk spoor heeft geopend;
2° de uitvoering van de bestuurlijke sancties door de beboetingsinstanties verzekeren;
3° de beboetingsinstanties, het openbaar ministerie en het Handhavingscollege in staat stellen om na te gaan of er al eerder sancties voor dezelfde feiten dan wel voor andere feiten, verbonden door eenheid van opzet met de te vervolgen of vervolgde feiten, zijn opgelegd;
4° de frequentie en de omstandigheden inschatten waarmee en waarin de te vervolgen of vervolgde feiten zijn gepleegd;
5° de legaliteit determineren van de toestand, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de in het bestuurlijk sanctieregister opgenomen vervolging.
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het bestuurlijk sanctieregister voor andere doeleinden dan vermeld in het derde lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
Art. 77. L'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien tient un registre des personnes physiques ou morales qui, en application du présent décret, ont fait l'objet d'une décision telle que visée à l'article 38, § 2, alinéa 1er, 3°.
L'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien est le responsable du traitement des données au sens de l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données pour le registre visé à l'alinéa 1er. Le registre visé à l'alinéa 1er est établi en combinant les données des services d'inspection flamands et des instances verbalisantes. Ces données ne peuvent être traitées qu'après la réalisation d'une analyse d'impact relative à la protection des données, telle que mentionnée à l'article 35 du règlement général sur la protection des données.
Le registre visé à l'alinéa 1er a les objectifs suivants :
1° autoriser le ministère public, le Collège de maintien et les instances verbalisantes, à vérifier si l'instance verbalisante a ouvert la voie administrative ;
2° assurer l'exécution des sanctions administratives par les instances verbalisantes ;
3° permettre aux instances verbalisantes, au ministère public et au Collège de maintien de vérifier si des sanctions ont déjà été imposées pour les mêmes faits ou pour d'autres faits, liées par l'unité d'intention avec les faits à poursuivre ou poursuivis ;
4° estimer la fréquence et les circonstances dans lesquelles les faits à poursuivre ou poursuivis ont été commis ;
5° déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu à la poursuite inscrite au registre des sanctions administratives.
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès au registre des sanctions administratives à d'autres fins que celles mentionnées à l'alinéa 3 peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
L'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien est le responsable du traitement des données au sens de l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données pour le registre visé à l'alinéa 1er. Le registre visé à l'alinéa 1er est établi en combinant les données des services d'inspection flamands et des instances verbalisantes. Ces données ne peuvent être traitées qu'après la réalisation d'une analyse d'impact relative à la protection des données, telle que mentionnée à l'article 35 du règlement général sur la protection des données.
Le registre visé à l'alinéa 1er a les objectifs suivants :
1° autoriser le ministère public, le Collège de maintien et les instances verbalisantes, à vérifier si l'instance verbalisante a ouvert la voie administrative ;
2° assurer l'exécution des sanctions administratives par les instances verbalisantes ;
3° permettre aux instances verbalisantes, au ministère public et au Collège de maintien de vérifier si des sanctions ont déjà été imposées pour les mêmes faits ou pour d'autres faits, liées par l'unité d'intention avec les faits à poursuivre ou poursuivis ;
4° estimer la fréquence et les circonstances dans lesquelles les faits à poursuivre ou poursuivis ont été commis ;
5° déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu à la poursuite inscrite au registre des sanctions administratives.
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès au registre des sanctions administratives à d'autres fins que celles mentionnées à l'alinéa 3 peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
(NOTA : bij arrest nr. 23/2025 van 13-02-2025 (2025-02-13/10, B.St. 10-03-2025, p. 33761), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " het Handhavingscollege " in artikel 77, derde lid, 1°, de woorden " en het Handhavingscollege " in artikel 77, derde lid, 3° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 23/2025 du 13-02-2025 (2025-02-13/10, M.B. 10-03-2025, p. 33761), la Cour constitutionnelle a annulé les mots " le Collège de maintien " dans l'article 77, alinéa 3, 1°, les mots " et au Collège de maintien " dans l'article 77, alinéa 3, 3°)
Art. 78. § 1. Het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77, bevat de volgende persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten:
1° het rijksregisternummer, BIS-nummer, ondernemingsnummer of buitenlands btw-nummer van de natuurlijke personen en rechtspersonen die het voorwerp uitmaken van de bestuurlijke sanctie, en hun naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, datum van overlijden, nationaliteit, verblijfplaats of maatschappelijke zetel;
2° de omschrijving van de gepleegde feiten in tijd, ruimte en materialiteit;
3° de beslissingen van de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, 3° ;
4° de voorstellen tot betaling van een geldsom die tijdig en integraal betaald zijn; 5° de onmiddellijke inningen, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2;
6° de definitieve bestuurlijke sancties of de definitieve beslissing om geen bestuurlijke sancties op te leggen die uitgesproken zijn naar aanleiding van de beslissingen, vermeld in punt 3° ;
7° een toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier dat verbonden is aan de beslissingen, vermeld in punt 3° tot en met 6°.
De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten, verkregen of opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in het eerste lid vermelde categorieën en raadpleegbaar worden via het sanctieregister.
§ 2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden na respectievelijk tien of zes jaar geschrapt uit het sanctieregister, al naargelang ze betrekking hebben op misdrijven of inbreuken.
De termijn, vermeld in het eerste lid, begint vanaf een van de volgende data:
1° de datum van de integrale en tijdige betaling, vermeld in paragraaf 1, 4°, of de onmiddellijke inning, vermeld in paragraaf 1, 5° ;
2° de datum waarop de bestuurlijke sancties of de beslissing om geen bestuurlijke sancties op te leggen definitief zijn geworden;
3° de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, 3°, als de gebeurtenissen, vermeld in punt 1° en 2°, zich niet hebben voorgedaan.
1° het rijksregisternummer, BIS-nummer, ondernemingsnummer of buitenlands btw-nummer van de natuurlijke personen en rechtspersonen die het voorwerp uitmaken van de bestuurlijke sanctie, en hun naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, datum van overlijden, nationaliteit, verblijfplaats of maatschappelijke zetel;
2° de omschrijving van de gepleegde feiten in tijd, ruimte en materialiteit;
3° de beslissingen van de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, 3° ;
4° de voorstellen tot betaling van een geldsom die tijdig en integraal betaald zijn; 5° de onmiddellijke inningen, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2;
6° de definitieve bestuurlijke sancties of de definitieve beslissing om geen bestuurlijke sancties op te leggen die uitgesproken zijn naar aanleiding van de beslissingen, vermeld in punt 3° ;
7° een toegang tot het bestuurlijk sanctiedossier dat verbonden is aan de beslissingen, vermeld in punt 3° tot en met 6°.
De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten, verkregen of opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in het eerste lid vermelde categorieën en raadpleegbaar worden via het sanctieregister.
§ 2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden na respectievelijk tien of zes jaar geschrapt uit het sanctieregister, al naargelang ze betrekking hebben op misdrijven of inbreuken.
De termijn, vermeld in het eerste lid, begint vanaf een van de volgende data:
1° de datum van de integrale en tijdige betaling, vermeld in paragraaf 1, 4°, of de onmiddellijke inning, vermeld in paragraaf 1, 5° ;
2° de datum waarop de bestuurlijke sancties of de beslissing om geen bestuurlijke sancties op te leggen definitief zijn geworden;
3° de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, 3°, als de gebeurtenissen, vermeld in punt 1° en 2°, zich niet hebben voorgedaan.
Art. 78. § 1er. Le registre des sanctions administratives mentionné à l'article 77, contient les données à caractère personnel, les données d'information et les actes de procédure suivants :
1° le numéro de registre national, le numéro BIS, le numéro d'entreprise ou le numéro de T.V.A. étranger des personnes physiques et morales qui font l'objet de la sanction administrative, ainsi que leurs nom, prénoms, date et lieu de naissance, date de décès, nationalité, lieu de résidence ou siège social ;
2° la description des faits commis dans le temps, l'espace et la matérialité ;
3° les décisions des instances verbalisantes visées à l'article 38, § 2, alinéa 1er, 3° ;
4° les propositions de paiement d'une somme d'argent versée à temps et en totalité ; 5° les perceptions immédiates mentionnées au chapitre 10, section 2 ;
6° les sanctions administratives définitives ou la décision définitive de ne pas imposer de sanctions administratives prononcées à la suite des décisions mentionnées au point 3° ;
7° l'accès au dossier de sanction administrative lié aux décisions mentionnées aux points 3° à 6°.
Le Gouvernement flamand détermine les données à caractère personnel, les informations et les actes de procédure, obtenus ou établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, qui correspondent aux catégories visées à l'alinéa 1er et peuvent être consultés par le registre de sanctions.
§ 2. Les données mentionnées au paragraphe 1er seront supprimées du registre des sanctions après 10 ou 6 ans, selon qu'elles se rapportent à des délits ou des infractions.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à l'une des dates suivantes :
1° la date du paiement intégral et ponctuel mentionnée au paragraphe 1er, 4°, ou de la perception immédiate mentionnée au paragraphe 1er, 5° ;
2° la date à laquelle les sanctions administratives ou la décision de ne pas imposer de sanctions administratives sont devenues définitives ;
3° la date de la décision mentionnée au paragraphe 1er, 3°, si les événements mentionnés aux 1° et 2° ne se sont pas produits.
1° le numéro de registre national, le numéro BIS, le numéro d'entreprise ou le numéro de T.V.A. étranger des personnes physiques et morales qui font l'objet de la sanction administrative, ainsi que leurs nom, prénoms, date et lieu de naissance, date de décès, nationalité, lieu de résidence ou siège social ;
2° la description des faits commis dans le temps, l'espace et la matérialité ;
3° les décisions des instances verbalisantes visées à l'article 38, § 2, alinéa 1er, 3° ;
4° les propositions de paiement d'une somme d'argent versée à temps et en totalité ; 5° les perceptions immédiates mentionnées au chapitre 10, section 2 ;
6° les sanctions administratives définitives ou la décision définitive de ne pas imposer de sanctions administratives prononcées à la suite des décisions mentionnées au point 3° ;
7° l'accès au dossier de sanction administrative lié aux décisions mentionnées aux points 3° à 6°.
Le Gouvernement flamand détermine les données à caractère personnel, les informations et les actes de procédure, obtenus ou établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, qui correspondent aux catégories visées à l'alinéa 1er et peuvent être consultés par le registre de sanctions.
§ 2. Les données mentionnées au paragraphe 1er seront supprimées du registre des sanctions après 10 ou 6 ans, selon qu'elles se rapportent à des délits ou des infractions.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à l'une des dates suivantes :
1° la date du paiement intégral et ponctuel mentionnée au paragraphe 1er, 4°, ou de la perception immédiate mentionnée au paragraphe 1er, 5° ;
2° la date à laquelle les sanctions administratives ou la décision de ne pas imposer de sanctions administratives sont devenues définitives ;
3° la date de la décision mentionnée au paragraphe 1er, 3°, si les événements mentionnés aux 1° et 2° ne se sont pas produits.
Art. 79. § 1. Voor de doelstellingen, vermeld in artikel 77, derde lid, hebben de beboetingsinstanties, het openbaar ministerie het Handhavingscollege en de herstelinstanties toegang tot het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77.
§ 2. De entiteit, vermeld in artikel 77 van dit decreet, kan aan universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen tijdelijk toegang verlenen tot de strikt noodzakelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden, conform artikel II.38 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
§ 3. De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, hebben elektronisch of bij uittreksel toegang tot de gegevens die op hen betrekking hebben.
De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, kunnen verzoeken om een uittreksel waarin uitsluitend gegevens zijn opgenomen over de definitief opgelegde bestuurlijke sancties, vermeld in artikel 78, § 1, 6°.
§ 4. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
§ 2. De entiteit, vermeld in artikel 77 van dit decreet, kan aan universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen tijdelijk toegang verlenen tot de strikt noodzakelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden, conform artikel II.38 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
§ 3. De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, hebben elektronisch of bij uittreksel toegang tot de gegevens die op hen betrekking hebben.
De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, kunnen verzoeken om een uittreksel waarin uitsluitend gegevens zijn opgenomen over de definitief opgelegde bestuurlijke sancties, vermeld in artikel 78, § 1, 6°.
§ 4. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Art. 79. § 1er. Aux fins mentionnées à l'article 77, alinéa 3, les instances verbalisantes, le ministère public, le Collège de maintien et les instances de réparation ont accès au registre des sanctions administratives mentionné à l'article 77.
§ 2. L'entité visée à l'article 77 du présent décret peut accorder aux universités, aux hautes écoles et aux instituts de recherche agréés un accès temporaire aux données strictement nécessaires aux fins scientifiques, conformément à l'article II.38 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
§ 3. Les personnes physiques et morales visées à l'article 78, § 1er, 1°, ont accès par voie électronique ou par extrait aux données les concernant.
Les personnes physiques et morales mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, peuvent demander un extrait contenant uniquement des données sur les sanctions administratives définitivement imposées, visées à l'article 78, § 1er, 6°.
§ 4. L'accès visé aux paragraphes 1er et 2 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
§ 2. L'entité visée à l'article 77 du présent décret peut accorder aux universités, aux hautes écoles et aux instituts de recherche agréés un accès temporaire aux données strictement nécessaires aux fins scientifiques, conformément à l'article II.38 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
§ 3. Les personnes physiques et morales visées à l'article 78, § 1er, 1°, ont accès par voie électronique ou par extrait aux données les concernant.
Les personnes physiques et morales mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, peuvent demander un extrait contenant uniquement des données sur les sanctions administratives définitivement imposées, visées à l'article 78, § 1er, 6°.
§ 4. L'accès visé aux paragraphes 1er et 2 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
(NOTA : bij arrest nr. van 13-02-2025 (2025-02-13/10, B.St. 10-03-2025, p. 33761), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " het Handhavingscollege " in artikel 79, § 1 vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 23/2025 du 13-02-2025 (2025-02-13/10, M.B. 10-03-2025, p. 33761), la Cour constitutionnelle a annulé les mots " le Collège de maintien " dans l'article 79, § 1er)
Art. 80. De informatie uit het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77, en het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, kan ook worden ingezet voor:
1° opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie;
2° strafrechtelijke en bestuurlijke vervolgingen;
3° het opleggen of doen opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen;
4° de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen of het behoud van vergunningen, machtigingen, toelatingen, premies, subsidies en andere rechten en voordelen die van overheidswege worden toegekend.
De informatie, vermeld in het eerste lid, mag nooit gebruikt worden voor de permanente monitoring of de digitale observatie van een specifieke persoon, noch voor profilering als vermeld in artikel 4, 4), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Als dat noodzakelijk en evenredig is voor een van de doeleinden, vermeld in het eerste lid, en onder de voorwaarden die ze bepaalt, kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, alle of een gedeelte van de persoonsgegevens en informatie toegankelijk maken voor de volgende openbare overheden:
1° het openbaar ministerie;
2° de beboetingsinstanties;
3° de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse inspectiediensten die toezichthouders, agenten van bestuurlijke politie of agenten en officieren van gerechtelijke politie tewerkstellen;
4° de burgemeesters;
5° de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992;
6° de bestuurlijke overheden, met inbegrip van de herstelinstanties, die bevoegd zijn om maatregelen tot preventie van misdrijven, inbreuken en normschendingen op te leggen of te vorderen, of om maatregelen voor de preventie en herstel van de schadelijke gevolgen van deze misdrijven, inbreuken en normschendingen op te leggen of te vorderen;
7° de bestuurlijke overheden die bevoegd zijn om vergunningen, machtigingen, toelatingen, premies, subsidies en andere rechten en voordelen te verlenen.
De toegang, vermeld in het derde lid, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang, vermeld in het derde lid, voor andere doeleinden dan vermeld in het vierde lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
1° opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie;
2° strafrechtelijke en bestuurlijke vervolgingen;
3° het opleggen of doen opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen;
4° de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen of het behoud van vergunningen, machtigingen, toelatingen, premies, subsidies en andere rechten en voordelen die van overheidswege worden toegekend.
De informatie, vermeld in het eerste lid, mag nooit gebruikt worden voor de permanente monitoring of de digitale observatie van een specifieke persoon, noch voor profilering als vermeld in artikel 4, 4), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Als dat noodzakelijk en evenredig is voor een van de doeleinden, vermeld in het eerste lid, en onder de voorwaarden die ze bepaalt, kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, alle of een gedeelte van de persoonsgegevens en informatie toegankelijk maken voor de volgende openbare overheden:
1° het openbaar ministerie;
2° de beboetingsinstanties;
3° de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse inspectiediensten die toezichthouders, agenten van bestuurlijke politie of agenten en officieren van gerechtelijke politie tewerkstellen;
4° de burgemeesters;
5° de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992;
6° de bestuurlijke overheden, met inbegrip van de herstelinstanties, die bevoegd zijn om maatregelen tot preventie van misdrijven, inbreuken en normschendingen op te leggen of te vorderen, of om maatregelen voor de preventie en herstel van de schadelijke gevolgen van deze misdrijven, inbreuken en normschendingen op te leggen of te vorderen;
7° de bestuurlijke overheden die bevoegd zijn om vergunningen, machtigingen, toelatingen, premies, subsidies en andere rechten en voordelen te verlenen.
De toegang, vermeld in het derde lid, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang, vermeld in het derde lid, voor andere doeleinden dan vermeld in het vierde lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
Art. 80. Les informations du registre des sanctions administratives mentionné à l'article 77, et le classement numérique mentionné à l'article 4, § 1er, alinéa 3, peut également être utilisé pour :
1° les missions de la police administrative ou judiciaire ;
2° les poursuites pénales et administratives ;
3° imposer ou faire imposer des mesures de réparation et de sécurité publiques ;
4° apprécier si les conditions d'octroi ou de maintien des permis, des mandats, des autorisations, des primes, des subventions et d'autres droits et avantages accordés par l'autorité publique.
Les informations mentionnées à l'alinéa 1er ne peuvent jamais être utilisées pour la surveillance permanente ou l'observation numérique d'une personne spécifique, ni pour le profilage tel que mentionné à l'article 4, 4) du règlement général sur la protection des données.
Si cela est nécessaire et proportionné à l'une des finalités mentionnées à l'alinéa 1er, et aux conditions qu'il détermine, le Gouvernement flamand peut, après consultation de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel, rendre tout ou partie des données à caractère personnel et des informations accessibles aux autorités publiques suivantes :
1° le ministère public ;
2° les instances verbalisantes ;
3° les services d'inspection communaux, provinciaux ou flamands qui emploient des superviseurs, des agents de police administrative ou des agents et officiers de police judiciaire ;
4° les bourgmestres ;
5° les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police ;
6° les autorités administratives, y compris les instances de réparation, compétentes pour imposer ou exiger des mesures de prévention des délits, infractions et violations de normes, ou pour imposer ou exiger des mesures de prévention et de réparation des conséquences préjudiciables de ces délits, infractions et violations de normes ;
7° les autorités administratives compétentes pour octroyer des permis, des mandats, des autorisations, des primes, des subventions et d'autres droits et avantages.
L'accès visé à l'alinéa 3 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès visé à l'alinéa 3, à d'autres fins que celles mentionnées à l'alinéa 4 peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
1° les missions de la police administrative ou judiciaire ;
2° les poursuites pénales et administratives ;
3° imposer ou faire imposer des mesures de réparation et de sécurité publiques ;
4° apprécier si les conditions d'octroi ou de maintien des permis, des mandats, des autorisations, des primes, des subventions et d'autres droits et avantages accordés par l'autorité publique.
Les informations mentionnées à l'alinéa 1er ne peuvent jamais être utilisées pour la surveillance permanente ou l'observation numérique d'une personne spécifique, ni pour le profilage tel que mentionné à l'article 4, 4) du règlement général sur la protection des données.
Si cela est nécessaire et proportionné à l'une des finalités mentionnées à l'alinéa 1er, et aux conditions qu'il détermine, le Gouvernement flamand peut, après consultation de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel, rendre tout ou partie des données à caractère personnel et des informations accessibles aux autorités publiques suivantes :
1° le ministère public ;
2° les instances verbalisantes ;
3° les services d'inspection communaux, provinciaux ou flamands qui emploient des superviseurs, des agents de police administrative ou des agents et officiers de police judiciaire ;
4° les bourgmestres ;
5° les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police ;
6° les autorités administratives, y compris les instances de réparation, compétentes pour imposer ou exiger des mesures de prévention des délits, infractions et violations de normes, ou pour imposer ou exiger des mesures de prévention et de réparation des conséquences préjudiciables de ces délits, infractions et violations de normes ;
7° les autorités administratives compétentes pour octroyer des permis, des mandats, des autorisations, des primes, des subventions et d'autres droits et avantages.
L'accès visé à l'alinéa 3 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès visé à l'alinéa 3, à d'autres fins que celles mentionnées à l'alinéa 4 peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
Afdeling 2. - Maatregelenregister
Section 2. - Registre des mesures
Art. 81. De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving houdt een register bij over de gerechtelijke en de bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen.
De entiteit, vermeld in het eerste lid, is verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor het register, vermeld in het eerste lid. Het register, vermeld in het eerste lid, wordt samengesteld door de gegevens van de toezichthouders, de herstelinstanties en het openbaar ministerie samen te voegen.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen pas worden verwerkt nadat een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als vermeld in artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming, is uitgevoerd.
Het register, vermeld in het eerste lid, is bedoeld om de rechtbanken, het openbaar ministerie, de herstelinstanties,[1 en de adviesinstanties die hen bijstaan, de beroepsinstanties voor bestuurlijke herstelbeslissingen of handhavingsverzoeken]1 de beboetingsinstanties, de burgemeesters, de toezichthouders, de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, de instrumenterende ambtenaren en de vastgoedmakelaars, belast met de overdracht van zakelijke rechten, en de openbare overheden die moeten oordelen over toelatingen, erkenningen en toelagen of andere vormen van steun, in te lichten over het bestaan en de stand van uitvoering van gerechtelijke en bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen of daaraan voorafgaande formele beslissingen.
De informatie uit het register wordt verstrekt:
1° om de in het vierde lid genoemde overheden toe te laten hun acties op het vlak van herstel en beveiliging op elkaar af te stemmen en de regels van samenloop, vermeld in artikel 59 van dit decreet, na te leven;
2° om de uitvoering van de publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen te faciliteren;
3° om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen of het behoud van toelatingen, vergunningen, erkenningen, premies en toelagen;
4° om de partijen bij de overdracht van zakelijke rechten in te lichten over het bestaan van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen of daaraan voorafgaande formele beslissingen met impact op het betrokken onroerend goed;
5° om de legaliteit van de toestand te determineren, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de handelingen en beslissingen, vermeld in het maatregelenregister.
De entiteit, vermeld in het eerste lid, is verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor het register, vermeld in het eerste lid. Het register, vermeld in het eerste lid, wordt samengesteld door de gegevens van de toezichthouders, de herstelinstanties en het openbaar ministerie samen te voegen.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen pas worden verwerkt nadat een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als vermeld in artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming, is uitgevoerd.
Het register, vermeld in het eerste lid, is bedoeld om de rechtbanken, het openbaar ministerie, de herstelinstanties,[1 en de adviesinstanties die hen bijstaan, de beroepsinstanties voor bestuurlijke herstelbeslissingen of handhavingsverzoeken]1 de beboetingsinstanties, de burgemeesters, de toezichthouders, de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, de instrumenterende ambtenaren en de vastgoedmakelaars, belast met de overdracht van zakelijke rechten, en de openbare overheden die moeten oordelen over toelatingen, erkenningen en toelagen of andere vormen van steun, in te lichten over het bestaan en de stand van uitvoering van gerechtelijke en bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen of daaraan voorafgaande formele beslissingen.
De informatie uit het register wordt verstrekt:
1° om de in het vierde lid genoemde overheden toe te laten hun acties op het vlak van herstel en beveiliging op elkaar af te stemmen en de regels van samenloop, vermeld in artikel 59 van dit decreet, na te leven;
2° om de uitvoering van de publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen te faciliteren;
3° om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen of het behoud van toelatingen, vergunningen, erkenningen, premies en toelagen;
4° om de partijen bij de overdracht van zakelijke rechten in te lichten over het bestaan van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen of daaraan voorafgaande formele beslissingen met impact op het betrokken onroerend goed;
5° om de legaliteit van de toestand te determineren, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de handelingen en beslissingen, vermeld in het maatregelenregister.
Art. 81. L'entité chargée du secteur politique Justice et Maintien tient un registre sur les mesures de réparation et de sécurité publiques judiciaires et administratives.
L'entité visée à l'alinéa 1er est le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données pour le registre visé à l'alinéa 1er. Le registre visé à l'alinéa 1er est établi en combinant les données des superviseurs, des instances de réparation et du ministère public.
Les données visées à l'alinéa 1er ne peuvent être traitées qu'après la réalisation d'une analyse d'impact relative à la protection des données, telle que mentionnée à l'article 35 du règlement général sur la protection des données.
Le registre visé à l'alinéa 1er est destiné à informer les tribunaux, le ministère public, les instances de réparation,[1 et les instances consultatives qui les assistent, les instances de recours pour des décisions administratives de réparation ou des demandes de maintien ]1 les instances verbalisantes, les bourgmestres, les superviseurs, les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les fonctionnaires instrumentants et les agents immobiliers chargés du transfert des droits réels, et les autorités publiques chargées de statuer sur les autorisations, reconnaissances et subventions ou autres formes d'aide, d'informer de l'existence et de l'état d'exécution des mesures de réparation et de sécurité publiques judiciaires et administratives ou des décisions formelles qui les précèdent.
Les informations sur le registre sont fournies :
1° pour permettre aux autorités mentionnées à l'alinéa 4 de coordonner leurs actions en matière de réparation et de sécurité et de respecter les règles de concours mentionnées à l'article 59 du présent décret ;
2° pour faciliter la mise en oeuvre de mesures de réparation et de sécurité publiques ;
3° pour vérifier le respect des conditions d'octroi ou de maintien des autorisations, permis, agréments, primes et subventions ;
4° pour informer les parties au transfert de droits réels de l'existence de mesures de réparation et de sécurité publiques ou de décisions formelles préalables affectant le bien immobilier en question ;
5° pour déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu aux actes et décisions mentionnés dans le registre des mesures.
L'entité visée à l'alinéa 1er est le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données pour le registre visé à l'alinéa 1er. Le registre visé à l'alinéa 1er est établi en combinant les données des superviseurs, des instances de réparation et du ministère public.
Les données visées à l'alinéa 1er ne peuvent être traitées qu'après la réalisation d'une analyse d'impact relative à la protection des données, telle que mentionnée à l'article 35 du règlement général sur la protection des données.
Le registre visé à l'alinéa 1er est destiné à informer les tribunaux, le ministère public, les instances de réparation,[1 et les instances consultatives qui les assistent, les instances de recours pour des décisions administratives de réparation ou des demandes de maintien ]1 les instances verbalisantes, les bourgmestres, les superviseurs, les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les fonctionnaires instrumentants et les agents immobiliers chargés du transfert des droits réels, et les autorités publiques chargées de statuer sur les autorisations, reconnaissances et subventions ou autres formes d'aide, d'informer de l'existence et de l'état d'exécution des mesures de réparation et de sécurité publiques judiciaires et administratives ou des décisions formelles qui les précèdent.
Les informations sur le registre sont fournies :
1° pour permettre aux autorités mentionnées à l'alinéa 4 de coordonner leurs actions en matière de réparation et de sécurité et de respecter les règles de concours mentionnées à l'article 59 du présent décret ;
2° pour faciliter la mise en oeuvre de mesures de réparation et de sécurité publiques ;
3° pour vérifier le respect des conditions d'octroi ou de maintien des autorisations, permis, agréments, primes et subventions ;
4° pour informer les parties au transfert de droits réels de l'existence de mesures de réparation et de sécurité publiques ou de décisions formelles préalables affectant le bien immobilier en question ;
5° pour déterminer la légalité de la situation causée par les faits qui ont donné lieu aux actes et décisions mentionnés dans le registre des mesures.
Wijzigingen
Art. 82. Het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, bevat de volgende persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten:
1° de beschrijving in tijd, ruimte en materialiteit van de te voorkomen of te herstellen publieke schade of misdrijven, inbreuken en normschendingen;
2° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van de personen aan wie publieke herstelmaatregelen en beveiligingsmaatregelen zijn opgelegd;
3° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van de personen, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 7;
4° een digitale toegang tot de volgende bestuursdocumenten, als ze opgenomen zijn in het digitale klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid:
a) de aanmaningen, vermeld in artikel 49;
b) de publieke herstelvorderingen, vermeld in artikel 56;
c) de kennisgevingen, vermeld in artikel 53 en 57, en het bijhorende hersteldossier;
d) de bestuurlijke herstelbeslissingen, vermeld in artikel 52, en de administratieve beroepen en de beroepsbeslissingen, vermeld in artikel 98;
e) de beveiligingsbeslissingen of opschriftstelling ervan, en de bekrachtigingsbeslissingen, vermeld in artikel 65 en 67;
f) de uitvoerbare herstelschikkingen, vermeld in artikel 62;
g) de gedinginleidende akten en de rechterlijke beslissingen over publieke herstelvorderingen, bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen en herstelschikkingen;
h) de gedinginleidende akten en de rechterlijke beslissingen, vermeld in artikel 85;
i) de attesten, vermeld in artikel 72 en 85, § 3;
j) de beslissingen tot opheffing of hervorming, vermeld in artikel 51 en 64;
k) de beslissingen die zijn genomen naar aanleiding van het handhavings-verzoek, vermeld in artikel 96;
l) de afzonderlijke akten, vermeld in artikel 85, § 4 en § 5;
De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten, verkregen of opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in paragraaf 1 vermelde categorieën en raadpleegbaar worden via het maatregelenregister.
1° de beschrijving in tijd, ruimte en materialiteit van de te voorkomen of te herstellen publieke schade of misdrijven, inbreuken en normschendingen;
2° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van de personen aan wie publieke herstelmaatregelen en beveiligingsmaatregelen zijn opgelegd;
3° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van de personen, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 7;
4° een digitale toegang tot de volgende bestuursdocumenten, als ze opgenomen zijn in het digitale klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid:
a) de aanmaningen, vermeld in artikel 49;
b) de publieke herstelvorderingen, vermeld in artikel 56;
c) de kennisgevingen, vermeld in artikel 53 en 57, en het bijhorende hersteldossier;
d) de bestuurlijke herstelbeslissingen, vermeld in artikel 52, en de administratieve beroepen en de beroepsbeslissingen, vermeld in artikel 98;
e) de beveiligingsbeslissingen of opschriftstelling ervan, en de bekrachtigingsbeslissingen, vermeld in artikel 65 en 67;
f) de uitvoerbare herstelschikkingen, vermeld in artikel 62;
g) de gedinginleidende akten en de rechterlijke beslissingen over publieke herstelvorderingen, bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen en herstelschikkingen;
h) de gedinginleidende akten en de rechterlijke beslissingen, vermeld in artikel 85;
i) de attesten, vermeld in artikel 72 en 85, § 3;
j) de beslissingen tot opheffing of hervorming, vermeld in artikel 51 en 64;
k) de beslissingen die zijn genomen naar aanleiding van het handhavings-verzoek, vermeld in artikel 96;
l) de afzonderlijke akten, vermeld in artikel 85, § 4 en § 5;
De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens, informatiegegevens en procedure-akten, verkregen of opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in paragraaf 1 vermelde categorieën en raadpleegbaar worden via het maatregelenregister.
Art. 82. Le registre des mesures, visé à l'article 81, contient les données à caractère personnel, les informations et les actes de procédure suivants :
1° la description dans le temps, l'espace et la matérialité du préjudice public ou des délits, infractions et des violations de normes à prévenir ou à réparer ;
2° les données d'identification mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, des personnes auxquelles sont imposées des mesures de réparation et sécurité ;
3° les données d'identification mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, des personnes mentionnées au chapitre 10, section 7 ;
4° un accès électronique aux documents administratifs suivants, s'ils sont inclus dans le classement numérique mentionné à l'article 4, § 1er, alinéa 3 :
a) les sommations mentionnées à l'article 49 ;
b) les actions publiques en réparation mentionnées à l'article 56 ;
c) les notifications mentionnées aux articles 53 et 57 et le dossier de réparation correspondant ;
d) les décisions de réparation administratives mentionnées à l'article 52, et les recours administratifs et décisions de recours, mentionnés à l'article 98 ;
e) les décisions de sécurité ou leur mise par écrit, ainsi que les décisions de confirmation mentionnées aux articles 65 et 67 ;
f) les dispositions de réparation exécutoires mentionnées à l'article 62 ;
g) les actes introductifs d'instance et les décisions judiciaires relatives aux actions publiques en réparation, aux décisions de réparation et de sécurité administratives et aux dispositions de réparation ;
h) les actes introductifs d'instance et les décisions judiciaires mentionnés à l'article 85 ;
i) les attestations mentionnées aux articles 72 et 85, § 3 ;
j) les décisions d'abrogation ou de réforme mentionnées aux articles 51 et 64 ;
k) les décisions prises en réponse à la demande de maintien mentionnée à l'article 96 ;
l) les actes séparés mentionnés aux articles 85, § 4 et § 5 ;
Le Gouvernement flamand détermine les données à caractère personnel, les informations et les actes de procédure, obtenus ou établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, qui correspondent aux catégories visées au paragraphe 1er et peuvent être consultés au moyen du registre des mesures.
1° la description dans le temps, l'espace et la matérialité du préjudice public ou des délits, infractions et des violations de normes à prévenir ou à réparer ;
2° les données d'identification mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, des personnes auxquelles sont imposées des mesures de réparation et sécurité ;
3° les données d'identification mentionnées à l'article 78, § 1er, 1°, des personnes mentionnées au chapitre 10, section 7 ;
4° un accès électronique aux documents administratifs suivants, s'ils sont inclus dans le classement numérique mentionné à l'article 4, § 1er, alinéa 3 :
a) les sommations mentionnées à l'article 49 ;
b) les actions publiques en réparation mentionnées à l'article 56 ;
c) les notifications mentionnées aux articles 53 et 57 et le dossier de réparation correspondant ;
d) les décisions de réparation administratives mentionnées à l'article 52, et les recours administratifs et décisions de recours, mentionnés à l'article 98 ;
e) les décisions de sécurité ou leur mise par écrit, ainsi que les décisions de confirmation mentionnées aux articles 65 et 67 ;
f) les dispositions de réparation exécutoires mentionnées à l'article 62 ;
g) les actes introductifs d'instance et les décisions judiciaires relatives aux actions publiques en réparation, aux décisions de réparation et de sécurité administratives et aux dispositions de réparation ;
h) les actes introductifs d'instance et les décisions judiciaires mentionnés à l'article 85 ;
i) les attestations mentionnées aux articles 72 et 85, § 3 ;
j) les décisions d'abrogation ou de réforme mentionnées aux articles 51 et 64 ;
k) les décisions prises en réponse à la demande de maintien mentionnée à l'article 96 ;
l) les actes séparés mentionnés aux articles 85, § 4 et § 5 ;
Le Gouvernement flamand détermine les données à caractère personnel, les informations et les actes de procédure, obtenus ou établis sur la base de la réglementation flamande à laquelle le présent décret ne s'applique pas, qui correspondent aux catégories visées au paragraphe 1er et peuvent être consultés au moyen du registre des mesures.
Art. 83. § 1. Voor de doeleinden, vermeld in artikel 81, vierde lid, hebben de instanties, vermeld in artikel 81, vierde lid, toegang tot het maatregelenregister, vermeld in artikel 81.
§ 2. De entiteit, vermeld in artikel 77 van dit decreet, kan aan universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen tijdelijk toegang verlenen tot de strikt noodzakelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden, conform artikel II.38 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
§ 3. De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2° en 3°, hebben elektronisch of bij uittreksel toegang tot de gegevens die op hen betrekking hebben.
§ 4. De instrumenterende ambtenaar die belast is met de overdracht van een onroerend goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, raadpleegt het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, elektronisch of bij uittreksel. De instrumenterende ambtenaar heeft alleen toegang tot de gegevens die gerelateerd zijn aan het onroerend goed dat moet worden overgedragen. De instrumenterende ambtenaar brengt de partijen voor het verlijden van de akte op de hoogte van de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn. De instrumenterende ambtenaar laat de persoonsgegevens weg bij die kennisgeving maar vermeldt ze in de akte.
§ 5. De vastgoedmakelaar die belast is met de overdracht van een onroerend goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, raadpleegt het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, elektronisch of bij uittreksel. De toegang van de vastgoedmakelaar is beperkt tot volgende gegevens, in zoverre die gerelateerd zijn aan het onroerend goed dat moet worden overgedragen:
1° de gegevens, bedoeld in artikel 82, eerste lid, 1°, van dit decreet;
2° de datum en het type van de bestuursdocumenten, vermeld artikel 82, eerste lid, 4°, van dit decreet, zonder toegang tot de bestuursdocumenten zelf.
De vastgoedmakelaar vermeldt bij het voeren van publiciteit en het opmaken van onderhandse overeenkomsten de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, met weglating van eventuele persoonsgegevens.
§ 6. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Voor de toegang, vermeld in paragraaf 4, en de toegang van vastgoedmakelaars, vermeld in paragraaf 5, volstaat een voorafgaandelijk protocol met respectievelijk de Federatie van Notarissen en het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars.
[1 De Vlaamse Regering kan de consultatie van het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, door de instrumenterende ambtenaar, vermeld in paragraaf 4, en de vastgoedmakelaar, vermeld in paragraaf 5, afhankelijk stellen van het betalen van een retributie.]1
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het maatregelenregister voor andere doeleinden dan vermeld in het eerste lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
§ 2. De entiteit, vermeld in artikel 77 van dit decreet, kan aan universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen tijdelijk toegang verlenen tot de strikt noodzakelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden, conform artikel II.38 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
§ 3. De natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2° en 3°, hebben elektronisch of bij uittreksel toegang tot de gegevens die op hen betrekking hebben.
§ 4. De instrumenterende ambtenaar die belast is met de overdracht van een onroerend goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, raadpleegt het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, elektronisch of bij uittreksel. De instrumenterende ambtenaar heeft alleen toegang tot de gegevens die gerelateerd zijn aan het onroerend goed dat moet worden overgedragen. De instrumenterende ambtenaar brengt de partijen voor het verlijden van de akte op de hoogte van de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn. De instrumenterende ambtenaar laat de persoonsgegevens weg bij die kennisgeving maar vermeldt ze in de akte.
§ 5. De vastgoedmakelaar die belast is met de overdracht van een onroerend goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, raadpleegt het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, elektronisch of bij uittreksel. De toegang van de vastgoedmakelaar is beperkt tot volgende gegevens, in zoverre die gerelateerd zijn aan het onroerend goed dat moet worden overgedragen:
1° de gegevens, bedoeld in artikel 82, eerste lid, 1°, van dit decreet;
2° de datum en het type van de bestuursdocumenten, vermeld artikel 82, eerste lid, 4°, van dit decreet, zonder toegang tot de bestuursdocumenten zelf.
De vastgoedmakelaar vermeldt bij het voeren van publiciteit en het opmaken van onderhandse overeenkomsten de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, met weglating van eventuele persoonsgegevens.
§ 6. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Voor de toegang, vermeld in paragraaf 4, en de toegang van vastgoedmakelaars, vermeld in paragraaf 5, volstaat een voorafgaandelijk protocol met respectievelijk de Federatie van Notarissen en het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars.
[1 De Vlaamse Regering kan de consultatie van het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, door de instrumenterende ambtenaar, vermeld in paragraaf 4, en de vastgoedmakelaar, vermeld in paragraaf 5, afhankelijk stellen van het betalen van een retributie.]1
Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het maatregelenregister voor andere doeleinden dan vermeld in het eerste lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
Art. 83. § 1er. Pour les fins visées à l'article 81, alinéa 4, les instances visées à l'article 81, alinéa 4, ont accès au registre des mesures visé à l'article 81.
§ 2. L'entité visée à l'article 77 du présent décret peut accorder aux universités, aux hautes écoles et aux instituts de recherche agréés un accès temporaire aux données strictement nécessaires aux fins scientifiques, conformément à l'article II.38 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
§ 3. Les personnes physiques et morales visées à l'article 82, alinéa 1er, 2° et 3°, ont accès par voie électronique ou par extrait aux données les concernant.
§ 4. Le fonctionnaire instrumentant chargé du transfert d'un bien immobilier ou des droits réels qui y sont attachés, consulte le registre des mesures visé à l'article 81 par voie électronique ou par extrait. Le fonctionnaire instrumentant n'a accès qu'aux données relatives au bien immobilier à transférer. Le fonctionnaire instrumentant informe les parties, avant la passation de l'acte, des données ayant une incidence sur le bien à transférer ou les droits réels qui y sont attachés. Lors de cette notification, le fonctionnaire instrumentant omet les données à caractère personnel, mais les inclut dans l'acte.
§ 5. L'agent immobilier chargé du transfert d'un bien immobilier ou des droits réels qui y sont attachés, consulte le registre des mesures visé à l'article 81 par voie électronique ou par extrait. L'agent immobilier n'a accès qu'aux données suivantes, dans la mesure où elles concernent le bien immobilier à transférer :
1° les données visées à l'article 82, alinéa 1er, 1°, du présent décret ;
2° la date et le type des documents administratifs, figurant à l'article 82, alinéa 1er, 4°, du présent décret, sans accès aux documents administratifs eux-mêmes.
Dans toute publicité et dans toute convention sous seing privé, l'agent immobilier mentionne les données ayant une incidence sur le bien à transférer ou les droits réels qui y sont attachés, en omettant toute donnée à caractère personnel.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 1er et 2 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives. Pour l'accès visé au paragraphe 4 et l'accès des agents immobiliers visé au paragraphe 5, un protocole préalable avec, respectivement, la Fédération du Notariat et l'Institut Professionnel des agents Immobiliers suffit.
[1 Le Gouvernement flamand peut subordonner la consultation du registre des mesures visé à l'article 81, alinéa 1er, par le fonctionnaire instrumentant visé au paragraphe 4, et l'agent immobilier visé au paragraphe 5, au paiement d'une rétribution.]1
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès au registre des mesures à d'autres fins que celles énoncées à l'alinéa 1er peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
§ 2. L'entité visée à l'article 77 du présent décret peut accorder aux universités, aux hautes écoles et aux instituts de recherche agréés un accès temporaire aux données strictement nécessaires aux fins scientifiques, conformément à l'article II.38 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
§ 3. Les personnes physiques et morales visées à l'article 82, alinéa 1er, 2° et 3°, ont accès par voie électronique ou par extrait aux données les concernant.
§ 4. Le fonctionnaire instrumentant chargé du transfert d'un bien immobilier ou des droits réels qui y sont attachés, consulte le registre des mesures visé à l'article 81 par voie électronique ou par extrait. Le fonctionnaire instrumentant n'a accès qu'aux données relatives au bien immobilier à transférer. Le fonctionnaire instrumentant informe les parties, avant la passation de l'acte, des données ayant une incidence sur le bien à transférer ou les droits réels qui y sont attachés. Lors de cette notification, le fonctionnaire instrumentant omet les données à caractère personnel, mais les inclut dans l'acte.
§ 5. L'agent immobilier chargé du transfert d'un bien immobilier ou des droits réels qui y sont attachés, consulte le registre des mesures visé à l'article 81 par voie électronique ou par extrait. L'agent immobilier n'a accès qu'aux données suivantes, dans la mesure où elles concernent le bien immobilier à transférer :
1° les données visées à l'article 82, alinéa 1er, 1°, du présent décret ;
2° la date et le type des documents administratifs, figurant à l'article 82, alinéa 1er, 4°, du présent décret, sans accès aux documents administratifs eux-mêmes.
Dans toute publicité et dans toute convention sous seing privé, l'agent immobilier mentionne les données ayant une incidence sur le bien à transférer ou les droits réels qui y sont attachés, en omettant toute donnée à caractère personnel.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 1er et 2 nécessite un protocole préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives. Pour l'accès visé au paragraphe 4 et l'accès des agents immobiliers visé au paragraphe 5, un protocole préalable avec, respectivement, la Fédération du Notariat et l'Institut Professionnel des agents Immobiliers suffit.
[1 Le Gouvernement flamand peut subordonner la consultation du registre des mesures visé à l'article 81, alinéa 1er, par le fonctionnaire instrumentant visé au paragraphe 4, et l'agent immobilier visé au paragraphe 5, au paiement d'une rétribution.]1
Sans préjudice de la sanction prévue à l'article 103 du présent décret, l'utilisation de l'accès au registre des mesures à d'autres fins que celles énoncées à l'alinéa 1er peut entraîner le retrait de l'accès des personnes concernées.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Arrestendatabank
Section 3. - Base de données des arrêts
Art. 84. § 1. De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving neemt alle rechtspraak over de handhaving van Vlaamse regelgeving, met inbegrip van de beslissingen die het met toepassing van paragraaf 2 heeft ontvangen, op in een elektronische databank, die via het internet vrij raadpleegbaar is. De entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving is voor deze databank de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
De arrestendatabank biedt een inzicht in de rechterlijke beoordeling van concrete acties van toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging en herstel op grond van Vlaamse regelgeving, zowel voor het verleden als het heden.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, kunnen persoonsgegevens bevatten met betrekking tot vervolgde personen, getuigen, magistraten, deskundigen, toezichthouders of andere vaststellers, beboetingsinstanties, herstelinstanties, houders van zakelijke rechten en burgerlijke of tussenkomende partijen.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, worden bekendgemaakt volgens de regels die van toepassing zijn op het rechtscollege dat ze heeft gewezen. Als de voormelde regels ontbreken, worden de beslissingen, vermeld in het eerste lid geanonimiseerd, tenzij hierdoor het doel, vermeld in het tweede lid, niet kan worden bereikt. In dat laatste geval worden gepseudonimiseerde gegevens gebruikt, of, wanneer ook dit niet volstaat, niet-gepseudonimiseerde gegevens.
§ 2. De griffies van de hoven en rechtbanken bezorgen alle beslissingen op strafgebied die gegrond zijn op strafbaarstellingen in Vlaamse regelgeving aan de entiteit, vermeld in paragraaf 1.
De entiteit, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de ontvangen beslissingen onmiddellijk aan de bevoegde administratie, die oordeelt of er burgerlijke of administratieve gevolgen aan moeten worden verbonden.
De entiteit, vermeld in paragraaf 1, houdt alleen de volgende gegevens bij over de ontvangen beslissingen:
1° de datum van ontvangst;
2° het rolnummer;
3° de datum van de beslissing;
4° de naam van het rechtscollege;
5° de datum waarop de eindbeslissing is bezorgd aan de bevoegde administratie.
De arrestendatabank biedt een inzicht in de rechterlijke beoordeling van concrete acties van toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging en herstel op grond van Vlaamse regelgeving, zowel voor het verleden als het heden.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, kunnen persoonsgegevens bevatten met betrekking tot vervolgde personen, getuigen, magistraten, deskundigen, toezichthouders of andere vaststellers, beboetingsinstanties, herstelinstanties, houders van zakelijke rechten en burgerlijke of tussenkomende partijen.
De beslissingen, vermeld in het eerste lid, worden bekendgemaakt volgens de regels die van toepassing zijn op het rechtscollege dat ze heeft gewezen. Als de voormelde regels ontbreken, worden de beslissingen, vermeld in het eerste lid geanonimiseerd, tenzij hierdoor het doel, vermeld in het tweede lid, niet kan worden bereikt. In dat laatste geval worden gepseudonimiseerde gegevens gebruikt, of, wanneer ook dit niet volstaat, niet-gepseudonimiseerde gegevens.
§ 2. De griffies van de hoven en rechtbanken bezorgen alle beslissingen op strafgebied die gegrond zijn op strafbaarstellingen in Vlaamse regelgeving aan de entiteit, vermeld in paragraaf 1.
De entiteit, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de ontvangen beslissingen onmiddellijk aan de bevoegde administratie, die oordeelt of er burgerlijke of administratieve gevolgen aan moeten worden verbonden.
De entiteit, vermeld in paragraaf 1, houdt alleen de volgende gegevens bij over de ontvangen beslissingen:
1° de datum van ontvangst;
2° het rolnummer;
3° de datum van de beslissing;
4° de naam van het rechtscollege;
5° de datum waarop de eindbeslissing is bezorgd aan de bevoegde administratie.
Art. 84. § 1er. L'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien enregistre l'ensemble de la jurisprudence relative au maintien de la réglementation flamande, y compris les décisions qu'elle a reçues en application du paragraphe 2, dans une base de données électronique, consultable librement sur internet. L'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien est le responsable du traitement des données au sens de l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données pour cette base de données.
La base de données des arrêts donne un aperçu de l'évaluation judiciaire des actions concrètes de surveillance, de recherche, de poursuite, de sanction, de sécurité et de réparation en vertu de la réglementation flamande, tant pour le passé que pour le présent.
Les décisions visées à l'alinéa 1er peuvent contenir des données à caractère personnel de personnes poursuivies, témoins, magistrats, experts, superviseurs ou autres agents constatateurs, instances verbalisantes, instances de réparation, titulaires de droits réels et parties civiles ou intervenantes.
Les décisions visées à l'alinéa 1er sont publiées selon les règles applicables au collège juridictionnel qui les a rendues. A défaut de telles règles, les décisions visées à l'alinéa 1er sont anonymisées, à moins qu'il n'en résulte que la fin visée à l'alinéa 2 n'est plus réalisable. Dans ce cas, des données pseudonymisées sont utilisées ou, si celles-ci sont insuffisantes, des données non pseudonymisées.
§ 2. Les greffes des cours et tribunaux transmettent à l'entité visée au paragraphe 1er toute décision pénale rendue en vertu d'une incrimination prévue dans la réglementation flamande.
L'entité visée au paragraphe 1er transmet les décisions reçues immédiatement à l'administration compétente, qui décide des éventuelles suites civiles ou administratives.
L'entité visée au paragraphe 1er ne conserve que les données suivantes sur les décisions reçues :
1° date de réception ;
2° numéro de rôle ;
3° date de la décision ;
4° nom du collège juridictionnel ;
5° date d'envoi de la décision finale à l'administration compétente.
La base de données des arrêts donne un aperçu de l'évaluation judiciaire des actions concrètes de surveillance, de recherche, de poursuite, de sanction, de sécurité et de réparation en vertu de la réglementation flamande, tant pour le passé que pour le présent.
Les décisions visées à l'alinéa 1er peuvent contenir des données à caractère personnel de personnes poursuivies, témoins, magistrats, experts, superviseurs ou autres agents constatateurs, instances verbalisantes, instances de réparation, titulaires de droits réels et parties civiles ou intervenantes.
Les décisions visées à l'alinéa 1er sont publiées selon les règles applicables au collège juridictionnel qui les a rendues. A défaut de telles règles, les décisions visées à l'alinéa 1er sont anonymisées, à moins qu'il n'en résulte que la fin visée à l'alinéa 2 n'est plus réalisable. Dans ce cas, des données pseudonymisées sont utilisées ou, si celles-ci sont insuffisantes, des données non pseudonymisées.
§ 2. Les greffes des cours et tribunaux transmettent à l'entité visée au paragraphe 1er toute décision pénale rendue en vertu d'une incrimination prévue dans la réglementation flamande.
L'entité visée au paragraphe 1er transmet les décisions reçues immédiatement à l'administration compétente, qui décide des éventuelles suites civiles ou administratives.
L'entité visée au paragraphe 1er ne conserve que les données suivantes sur les décisions reçues :
1° date de réception ;
2° numéro de rôle ;
3° date de la décision ;
4° nom du collège juridictionnel ;
5° date d'envoi de la décision finale à l'administration compétente.
Afdeling 4. - Publiciteitsverplichtingen
Section 4. - Obligations de publicité
Art. 85. § 1. Dagvaardingen en andere gedinginleidende akten die als doel hebben om publieke herstelmaatregelen op te leggen met rechtstreekse impact op specifieke onroerende goederen of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, worden op straffe van onontvankelijkheid overgeschreven conform artikel 84 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
Als ze een rechtstreekse impact hebben op specifieke onroerende goederen of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, worden de volgende zaken overgeschreven binnen zestig dagen na hun dagtekening:
1° kennisgevingen als vermeld in artikel 53 en 57;
2° herstelschikkingen.
Van rechtstreekse impact als vermeld in het eerste en tweede lid, is sprake als de beoogde of opgelegde herstelmaatregelen:
1° verplichten om werkzaamheden uit te voeren die principieel door Vlaamse regelgeving aan een vergunning of toelating zijn onderworpen;
2° verplichten om een activiteit te staken of te wijzigen die aan het onroerend goed verbonden is en principieel door Vlaamse regelgeving aan een vergunning of toelating is onderworpen.
§ 2. Elke bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overschrijving, vermeld in paragraaf 1, ingeschreven. Als een overschrijving ontbreekt, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
§ 3. De bevoegde herstelinstantie levert, ambtshalve of op vraag van een belanghebbende of een instrumenterende ambtenaar, een attest van doorhaling af, wanneer de in een bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing oplegde publieke herstelmaatregelen uitgevoerd, ingetrokken of niet langer uitvoerbaar zijn. Dat attest kan worden ingeschreven onder de kantmelding, vermeld in paragraaf 2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het attest van uitvoering, vermeld in artikel 72, gelijkgesteld met een attest van doorhaling.
§ 4. Zolang geen attest van doorhaling als vermeld in paragraaf 3, is ingeschreven onder de inschrijving van de bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat er definitieve publieke herstelmaatregelen rusten op het over te dragen goed of recht. De akte verleent de bevoegde herstelinstantie het recht om de publieke herstelmaatregelen in de plaats en op kosten van de nieuwe titularis uit te voeren, onverminderd de verplichtingen van de personen ten aanzien van wie die maatregelen zijn bevolen, en op voorwaarde dat de titel tegen die laatsten nog altijd uitvoerbaar is.
De kosten die verbonden zijn aan de afzonderlijke akte, vermeld in het eerste lid, vallen altijd ten laste van de overdrager van het zakelijk recht. De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de bevoegde herstelinstantie, en is ertoe gehouden de grosse op verzoek van de bevoegde herstelinstantie af te leveren.
§ 5. De overschrijving, vermeld in paragraaf 1, is niet langer verplicht als het over te schrijven document al is opgenomen in het maatregelenregister, vermeld in artikel 81.
Zodra een overschrijving als vermeld in paragraaf 1, heeft plaatsgevonden, blijven de navolgende kantmeldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, verplicht, ook al zijn de te kantmelden documenten opgenomen in het maatregelenregister, vermeld in artikel 81.
Wanneer, in toepassing van het eerste lid, het in het maatregelenregister opgenomen document niet wordt overgeschreven, blijft de instrumenterende ambtenaar verplicht de afzonderlijke akte, vermeld in paragraaf 4, te verlijden, zolang het attest van doorhaling, vermeld in paragraaf 3, niet is opgenomen in het maatregelenregister.
Als ze een rechtstreekse impact hebben op specifieke onroerende goederen of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, worden de volgende zaken overgeschreven binnen zestig dagen na hun dagtekening:
1° kennisgevingen als vermeld in artikel 53 en 57;
2° herstelschikkingen.
Van rechtstreekse impact als vermeld in het eerste en tweede lid, is sprake als de beoogde of opgelegde herstelmaatregelen:
1° verplichten om werkzaamheden uit te voeren die principieel door Vlaamse regelgeving aan een vergunning of toelating zijn onderworpen;
2° verplichten om een activiteit te staken of te wijzigen die aan het onroerend goed verbonden is en principieel door Vlaamse regelgeving aan een vergunning of toelating is onderworpen.
§ 2. Elke bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overschrijving, vermeld in paragraaf 1, ingeschreven. Als een overschrijving ontbreekt, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
§ 3. De bevoegde herstelinstantie levert, ambtshalve of op vraag van een belanghebbende of een instrumenterende ambtenaar, een attest van doorhaling af, wanneer de in een bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing oplegde publieke herstelmaatregelen uitgevoerd, ingetrokken of niet langer uitvoerbaar zijn. Dat attest kan worden ingeschreven onder de kantmelding, vermeld in paragraaf 2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het attest van uitvoering, vermeld in artikel 72, gelijkgesteld met een attest van doorhaling.
§ 4. Zolang geen attest van doorhaling als vermeld in paragraaf 3, is ingeschreven onder de inschrijving van de bestuurlijke of gerechtelijke eindbeslissing, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat er definitieve publieke herstelmaatregelen rusten op het over te dragen goed of recht. De akte verleent de bevoegde herstelinstantie het recht om de publieke herstelmaatregelen in de plaats en op kosten van de nieuwe titularis uit te voeren, onverminderd de verplichtingen van de personen ten aanzien van wie die maatregelen zijn bevolen, en op voorwaarde dat de titel tegen die laatsten nog altijd uitvoerbaar is.
De kosten die verbonden zijn aan de afzonderlijke akte, vermeld in het eerste lid, vallen altijd ten laste van de overdrager van het zakelijk recht. De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de bevoegde herstelinstantie, en is ertoe gehouden de grosse op verzoek van de bevoegde herstelinstantie af te leveren.
§ 5. De overschrijving, vermeld in paragraaf 1, is niet langer verplicht als het over te schrijven document al is opgenomen in het maatregelenregister, vermeld in artikel 81.
Zodra een overschrijving als vermeld in paragraaf 1, heeft plaatsgevonden, blijven de navolgende kantmeldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, verplicht, ook al zijn de te kantmelden documenten opgenomen in het maatregelenregister, vermeld in artikel 81.
Wanneer, in toepassing van het eerste lid, het in het maatregelenregister opgenomen document niet wordt overgeschreven, blijft de instrumenterende ambtenaar verplicht de afzonderlijke akte, vermeld in paragraaf 4, te verlijden, zolang het attest van doorhaling, vermeld in paragraaf 3, niet is opgenomen in het maatregelenregister.
Art. 85. § 1er. Les assignations et autres actes introductifs d'instance visant à imposer des mesures de réparation publiques ayant une incidence directe sur des biens immobiliers déterminés ou sur les droits réels qui y sont attachés, sont transcrits sous peine d'irrecevabilité conformément à l'article 84 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
S'ils ont une incidence directe sur des biens immobiliers déterminés ou sur les droits réels qui y sont attachés, les faits suivants sont transcrits dans les soixante jours de leur datation :
1° les notifications visées aux articles 53 et 57;
2° les dispositions de réparation.
Il y a une incidence directe au sens des alinéas 1er et 2, si les mesures de réparation envisagées ou imposées :
1° obligent à réaliser des travaux soumis par principe à autorisation ou permis en vertu de la réglementation flamande ;
2° obligent à cesser ou à modifier une activité liée au bien immobilier et soumise par principe à autorisation ou permis en vertu de la réglementation flamande.
§ 2. Toute décision administrative ou judiciaire finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de la transcription, figurant au paragraphe 1er. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'acquisition.
§ 3. L'instance de réparation délivre, d'office ou à la demande d'un intéressé ou d'un fonctionnaire instrumentant, un certificat de radiation, lorsque les mesures de réparation publiques imposées dans une décision administrative ou judiciaire finale ont été réalisées ou retirées, ou qu'elles ne sont plus exécutoires. Ce certificat peut être inscrit sous la mention en marge, visée au paragraphe 2.
Aux fins de l'alinéa 1er, le certificat d'exécution visé à l'article 72 est assimilé à un certificat de radiation.
§ 4. Jusqu'à ce qu'un certificat de radiation tel que visé au paragraphe 3 soit inscrit sous l'inscription de la décision administrative ou judiciaire finale, le fonctionnaire instrumentant notifie dans un acte séparé, à l'occasion d'un acte authentique transférant un droit réel, que le bien ou le droit à transférer est soumis à des mesures de réparation publiques définitives. L'acte confère à l'instance de réparation compétente le droit d'exécuter les mesures de réparation publiques à la place et aux frais du nouveau titulaire, sans préjudice des obligations des personnes à l'égard desquelles ces mesures ont été ordonnées, et à condition que le titre contre ces dernières soit encore exécutoire.
Les frais liés à l'acte séparé, visé à l'alinéa 1er, sont toujours à charge du cédant du droit réel. Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'instance de réparation compétente et est tenu de fournir la grosse à la demande de l'instance de réparation compétente.
§ 5. La transcription visée au paragraphe 1er n'est plus requise si le document à transcrire est déjà repris dans le registre des mesures visé à l'article 81.
Dès que la transcription, visée au paragraphe 1er, a eu lieu, les mentions en marge suivantes, visées aux paragraphes 2 et 3, demeurent obligatoires, même si les documents à mentionner en marge sont repris au registre des mesures, visé à l'article 81.
Lorsque, en application de l'alinéa 1er, le document repris au registre des mesures n'est pas transcrit, le fonctionnaire instrumentant demeure tenu de passer l'acte séparé, visé au paragraphe 4, jusqu'à ce que le certificat de radiation, visé au paragraphe 3, soit repris au registre des mesures.
S'ils ont une incidence directe sur des biens immobiliers déterminés ou sur les droits réels qui y sont attachés, les faits suivants sont transcrits dans les soixante jours de leur datation :
1° les notifications visées aux articles 53 et 57;
2° les dispositions de réparation.
Il y a une incidence directe au sens des alinéas 1er et 2, si les mesures de réparation envisagées ou imposées :
1° obligent à réaliser des travaux soumis par principe à autorisation ou permis en vertu de la réglementation flamande ;
2° obligent à cesser ou à modifier une activité liée au bien immobilier et soumise par principe à autorisation ou permis en vertu de la réglementation flamande.
§ 2. Toute décision administrative ou judiciaire finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de la transcription, figurant au paragraphe 1er. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'acquisition.
§ 3. L'instance de réparation délivre, d'office ou à la demande d'un intéressé ou d'un fonctionnaire instrumentant, un certificat de radiation, lorsque les mesures de réparation publiques imposées dans une décision administrative ou judiciaire finale ont été réalisées ou retirées, ou qu'elles ne sont plus exécutoires. Ce certificat peut être inscrit sous la mention en marge, visée au paragraphe 2.
Aux fins de l'alinéa 1er, le certificat d'exécution visé à l'article 72 est assimilé à un certificat de radiation.
§ 4. Jusqu'à ce qu'un certificat de radiation tel que visé au paragraphe 3 soit inscrit sous l'inscription de la décision administrative ou judiciaire finale, le fonctionnaire instrumentant notifie dans un acte séparé, à l'occasion d'un acte authentique transférant un droit réel, que le bien ou le droit à transférer est soumis à des mesures de réparation publiques définitives. L'acte confère à l'instance de réparation compétente le droit d'exécuter les mesures de réparation publiques à la place et aux frais du nouveau titulaire, sans préjudice des obligations des personnes à l'égard desquelles ces mesures ont été ordonnées, et à condition que le titre contre ces dernières soit encore exécutoire.
Les frais liés à l'acte séparé, visé à l'alinéa 1er, sont toujours à charge du cédant du droit réel. Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'instance de réparation compétente et est tenu de fournir la grosse à la demande de l'instance de réparation compétente.
§ 5. La transcription visée au paragraphe 1er n'est plus requise si le document à transcrire est déjà repris dans le registre des mesures visé à l'article 81.
Dès que la transcription, visée au paragraphe 1er, a eu lieu, les mentions en marge suivantes, visées aux paragraphes 2 et 3, demeurent obligatoires, même si les documents à mentionner en marge sont repris au registre des mesures, visé à l'article 81.
Lorsque, en application de l'alinéa 1er, le document repris au registre des mesures n'est pas transcrit, le fonctionnaire instrumentant demeure tenu de passer l'acte séparé, visé au paragraphe 4, jusqu'à ce que le certificat de radiation, visé au paragraphe 3, soit repris au registre des mesures.
HOOFDSTUK 10. - Aanvullende bepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions complémentaires
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 86. Ook als Vlaamse regelgeving dit decreet van toepassing heeft gesteld conform artikel 3, zijn de artikelen van dit hoofdstuk alleen van toepassing wanneer de Vlaamse regelgeving dit uitdrukkelijk bepaalt, onder de voorwaarden die ze stelt.
Art. 86. Même si la réglementation flamande a mis en application le présent décret conformément à l'article 3, les articles du présent chapitre ne s'appliquent que lorsque la réglementation flamande le prévoit expressément, dans les conditions qu'elle fixe.
Afdeling 2. - Onmiddellijke inning, consignatie en inhouding
Section 2. - Perception immédiate, consignation et retenue
Art. 87. § 1. Bij de vaststelling van een misdrijf of een inbreuk kunnen de toezichthouders die daarvoor gemachtigd zijn door de Vlaamse Regering, ter plaatse overgaan tot onmiddellijke inning van een bestuurlijke geldboete ten aanzien van de personen, vermeld in artikel 27. De voormelde toezichthouders doen dat in overeenstemming met de algemene beleidslijnen, vermeld in hoofdstuk 8.
§ 2. De bestuurlijke geldboete is in het geval, vermeld in paragraaf 1, gelijk aan het minimumbedrag van de bestuurlijke geldboete die door de beboetingsinstantie voor de inbreuk of het misdrijf kan worden opgelegd.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden verdubbeld als de nieuwe inbreuk of het nieuwe misdrijf is gepleegd binnen een periode van drie jaar die volgt op de datum waarop aan de te beboeten persoon een definitieve bestuurlijke geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd voor gelijksoortige inbreuken of misdrijven.
§ 3. De betaling van de bestuurlijke geldboete in het kader van een onmiddellijke inning doet de strafvordering vervallen en maakt een bestuurlijke vervolging onmogelijk.
§ 2. De bestuurlijke geldboete is in het geval, vermeld in paragraaf 1, gelijk aan het minimumbedrag van de bestuurlijke geldboete die door de beboetingsinstantie voor de inbreuk of het misdrijf kan worden opgelegd.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden verdubbeld als de nieuwe inbreuk of het nieuwe misdrijf is gepleegd binnen een periode van drie jaar die volgt op de datum waarop aan de te beboeten persoon een definitieve bestuurlijke geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd voor gelijksoortige inbreuken of misdrijven.
§ 3. De betaling van de bestuurlijke geldboete in het kader van een onmiddellijke inning doet de strafvordering vervallen en maakt een bestuurlijke vervolging onmogelijk.
Art. 87. § 1er. En cas de constatation d'un délit ou d'une infraction, les superviseurs habilités à cet effet par le Gouvernement flamand peuvent procéder sur place à la perception immédiate d'une amende administrative auprès des personnes visées à l'article 27, et ce conformément aux orientations générales visées au chapitre 8.
§ 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, l'amende administrative est égale au montant minimum de l'amende administrative qui peut être imposée par l'instance verbalisante pour l'infraction ou le délit.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont doublés si la nouvelle infraction ou le nouveau délit a été commis dans un délai de trois ans à compter de la date à laquelle une amende administrative définitive ou une sanction pénale définitive pour des infractions ou des délits similaires a été infligée à la personne à condamner.
§ 3. Le paiement de l'amende administrative avec perception immédiate annule l'action pénale et rend impossible toute poursuite administrative.
§ 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, l'amende administrative est égale au montant minimum de l'amende administrative qui peut être imposée par l'instance verbalisante pour l'infraction ou le délit.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont doublés si la nouvelle infraction ou le nouveau délit a été commis dans un délai de trois ans à compter de la date à laquelle une amende administrative définitive ou une sanction pénale définitive pour des infractions ou des délits similaires a été infligée à la personne à condamner.
§ 3. Le paiement de l'amende administrative avec perception immédiate annule l'action pénale et rend impossible toute poursuite administrative.
Art. 88. § 1. Als noch de overtreder, noch de onderneming, vermeld in artikel 27, § 3, een woonplaats, vaste verblijfplaats of maatschappelijke zetel heeft in België en als ze niet instemmen met de onmiddellijke inning van de bestuurlijke geldboete, wordt het bedrag van de bestuurlijke geldboete verplicht in consignatie gegeven.
§ 2. Als de verplichte consignatie, vermeld in paragraaf 1, niet mogelijk is, kunnen zaken die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van het misdrijf of de inbreuk, er het voorwerp van hebben uitgemaakt of eruit voortkomen, op kosten en risico van de overtreder worden ingehouden tot het bedrag van de bestuurlijke geldboete in consignatie is gegeven en het bewijs geleverd wordt dat eventuele bewaringskosten voldaan zijn.
§ 3. De toezichthouder brengt de beboetingsinstantie en, in geval van misdrijven, het openbaar ministerie op de hoogte van de consignatie en inhouding. Het openbaar ministerie kan beslissen tot de omzetting van de consignatie en inhouding naar strafrechtelijk beslag, zolang de strafvordering nog niet is vervallen.
§ 4. Na de definitieve beslissing over de strafvordering of de bestuurlijke vervolging worden het geconsigneerde bedrag of de ingehouden zaken teruggegeven als het bewijs wordt geleverd dat aan alle geldelijke verplichtingen is voldaan ingevolge die definitieve beslissing, met inbegrip van eventuele bewaringskosten. Tot teruggave wordt ook overgegaan als binnen het jaar na de consignatie of de inhouding geen vervolging is ingesteld.
In afwijking van het eerste lid verrekent de beboetingsinstantie in haar beslissing over de bestuurlijke vervolging het geconsigneerde bedrag met de bedragen die ze oplegt, en beveelt ze de teruggave van een eventueel batig saldo.
§ 5. Als de bedragen die in de definitieve beslissing worden opgelegd, met inbegrip van eventuele bewaarkosten, niet worden betaald binnen de betalingstermijn die daarvoor bepaald is, kunnen de ingehouden zaken worden verkocht tot voldoening van de openstaande schuld. Onverkoopbare zaken, met inbegrip van zaken waarvan de waarde de verwachte kosten van verkoop niet overstijgt, kunnen worden vernietigd op kosten van de overtreder.
§ 2. Als de verplichte consignatie, vermeld in paragraaf 1, niet mogelijk is, kunnen zaken die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van het misdrijf of de inbreuk, er het voorwerp van hebben uitgemaakt of eruit voortkomen, op kosten en risico van de overtreder worden ingehouden tot het bedrag van de bestuurlijke geldboete in consignatie is gegeven en het bewijs geleverd wordt dat eventuele bewaringskosten voldaan zijn.
§ 3. De toezichthouder brengt de beboetingsinstantie en, in geval van misdrijven, het openbaar ministerie op de hoogte van de consignatie en inhouding. Het openbaar ministerie kan beslissen tot de omzetting van de consignatie en inhouding naar strafrechtelijk beslag, zolang de strafvordering nog niet is vervallen.
§ 4. Na de definitieve beslissing over de strafvordering of de bestuurlijke vervolging worden het geconsigneerde bedrag of de ingehouden zaken teruggegeven als het bewijs wordt geleverd dat aan alle geldelijke verplichtingen is voldaan ingevolge die definitieve beslissing, met inbegrip van eventuele bewaringskosten. Tot teruggave wordt ook overgegaan als binnen het jaar na de consignatie of de inhouding geen vervolging is ingesteld.
In afwijking van het eerste lid verrekent de beboetingsinstantie in haar beslissing over de bestuurlijke vervolging het geconsigneerde bedrag met de bedragen die ze oplegt, en beveelt ze de teruggave van een eventueel batig saldo.
§ 5. Als de bedragen die in de definitieve beslissing worden opgelegd, met inbegrip van eventuele bewaarkosten, niet worden betaald binnen de betalingstermijn die daarvoor bepaald is, kunnen de ingehouden zaken worden verkocht tot voldoening van de openstaande schuld. Onverkoopbare zaken, met inbegrip van zaken waarvan de waarde de verwachte kosten van verkoop niet overstijgt, kunnen worden vernietigd op kosten van de overtreder.
Art. 88. § 1er. Si ni le contrevenant ni l'entreprise visée à l'article 27, § 3, n'ont de domicile, de résidence permanente ou de siège social en Belgique et s'ils ne consentent pas à la perception immédiate de l'amende administrative, le montant de l'amende administrative est obligatoirement déposé en consignation.
§ 2. Si la consignation obligatoire visée au paragraphe 1er n'est pas possible, les objets qui ont servi ou étaient destinés à servir au délit ou à l'infraction, ou en ont fait l'objet ou en résultent, peuvent être retenus aux frais et risques du contrevenant jusqu'à ce que le montant de l'amende administrative ait été donné en consignation et que la preuve ait été apportée que les éventuels frais de conservation ont été acquittés.
§ 3. Le superviseur informe l'instance verbalisante et, en cas de délit, le ministère public de la consignation et de la retenue. Le ministère public peut décider de convertir la consignation et la retenue en saisie pénale tant que l'action pénale n'est pas éteinte.
§ 4. Après la décision définitive sur l'action pénale ou la poursuite administrative, le montant consigné ou les objets retenus sont restitués si la preuve est apportée que toutes les obligations pécuniaires ont été remplies à la suite de cette décision définitive, y compris les éventuels frais de conservation. Il sera également procédé à la restitution si aucune poursuite n'est engagée dans l'année qui suit la consignation ou la retenue.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lors de sa décision sur la poursuite administrative, l'instance verbalisante déduit le montant consigné des montants qu'elle impose, et elle ordonne, le cas échéant, la restitution de tout solde excédentaire.
§ 5. Si les montants imposés dans la décision définitive, y compris les éventuels frais de conservation, ne sont pas payés dans le délai de paiement fixé à cet effet, les objets retenus peuvent être vendus afin de régler la dette en souffrance. Les objets invendables, y compris les objets dont la valeur n'excède pas les frais de vente escomptés, peuvent être détruits aux frais du contrevenant.
§ 2. Si la consignation obligatoire visée au paragraphe 1er n'est pas possible, les objets qui ont servi ou étaient destinés à servir au délit ou à l'infraction, ou en ont fait l'objet ou en résultent, peuvent être retenus aux frais et risques du contrevenant jusqu'à ce que le montant de l'amende administrative ait été donné en consignation et que la preuve ait été apportée que les éventuels frais de conservation ont été acquittés.
§ 3. Le superviseur informe l'instance verbalisante et, en cas de délit, le ministère public de la consignation et de la retenue. Le ministère public peut décider de convertir la consignation et la retenue en saisie pénale tant que l'action pénale n'est pas éteinte.
§ 4. Après la décision définitive sur l'action pénale ou la poursuite administrative, le montant consigné ou les objets retenus sont restitués si la preuve est apportée que toutes les obligations pécuniaires ont été remplies à la suite de cette décision définitive, y compris les éventuels frais de conservation. Il sera également procédé à la restitution si aucune poursuite n'est engagée dans l'année qui suit la consignation ou la retenue.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lors de sa décision sur la poursuite administrative, l'instance verbalisante déduit le montant consigné des montants qu'elle impose, et elle ordonne, le cas échéant, la restitution de tout solde excédentaire.
§ 5. Si les montants imposés dans la décision définitive, y compris les éventuels frais de conservation, ne sont pas payés dans le délai de paiement fixé à cet effet, les objets retenus peuvent être vendus afin de régler la dette en souffrance. Les objets invendables, y compris les objets dont la valeur n'excède pas les frais de vente escomptés, peuvent être détruits aux frais du contrevenant.
Afdeling 3. - Bestuurlijk beslag
Section 3. - Saisie administrative
Art. 89. Op verzoek van de toezichthouder die een maatregel van bewaring als vermeld in artikel 17 heeft genomen, beslist de beboetingsinstantie over de omzetting ervan naar bestuurlijk beslag.
Tot omzetting als vermeld in het eerste lid wordt alleen beslist in een van de volgende gevallen:
1° als de verzekerde bewaring nog altijd noodzakelijk is voor het bewijs van een misdrijf of inbreuk met het oog op een bestuurlijke vervolging;
2° als de in bewaring genomen voorwerpen, dragers van informatie en documenten het voorwerp kunnen uitmaken van de sanctie van verbeurdverklaring, vermeld in artikel 29, 1° en 2°, en het opleggen van die sanctie opportuun lijkt.
De beslissing tot omzetting wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de houder, vermeld in artikel 17.
Tot omzetting als vermeld in het eerste lid wordt alleen beslist in een van de volgende gevallen:
1° als de verzekerde bewaring nog altijd noodzakelijk is voor het bewijs van een misdrijf of inbreuk met het oog op een bestuurlijke vervolging;
2° als de in bewaring genomen voorwerpen, dragers van informatie en documenten het voorwerp kunnen uitmaken van de sanctie van verbeurdverklaring, vermeld in artikel 29, 1° en 2°, en het opleggen van die sanctie opportuun lijkt.
De beslissing tot omzetting wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de houder, vermeld in artikel 17.
Art. 89. A la demande du superviseur qui a pris une mesure de conservation visée à l'article 17, l'instance verbalisante statue sur sa conversion en saisie administrative.
La conversion visée à l'alinéa 1er n'est décidée que dans l'un des cas suivants :
1° si la conservation demeure nécessaire pour la preuve d'un délit ou d'une infraction en vue d'une poursuite administrative ;
2° si les objets, supports d'information et documents placés en conservation peuvent faire l'objet de la sanction de confiscation visée à l'article 29, 1° et 2°, et que l'application de cette sanction semble appropriée.
La décision de conversion est transmise par envoi sécurisé au titulaire visé à l'article 17.
La conversion visée à l'alinéa 1er n'est décidée que dans l'un des cas suivants :
1° si la conservation demeure nécessaire pour la preuve d'un délit ou d'une infraction en vue d'une poursuite administrative ;
2° si les objets, supports d'information et documents placés en conservation peuvent faire l'objet de la sanction de confiscation visée à l'article 29, 1° et 2°, et que l'application de cette sanction semble appropriée.
La décision de conversion est transmise par envoi sécurisé au titulaire visé à l'article 17.
Art. 90. Als er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat bestuurlijk te vervolgen personen uit het misdrijf of de inbreuk die ze hebben gepleegd of waaraan ze hebben deelgenomen, een vermogensvoordeel hebben verkregen, en het opleggen van een sanctie als vermeld in artikel 29, 3°, opportuun lijkt, kan de beboetingsin-stantie beslissen om bestuurlijk beslag te leggen op roerende en onroerende goederen die zich in het vermogen van de bestuurlijk te vervolgen persoon bevinden, ten belope van het brutovermogensvoordeel.
In haar beslissing, vermeld in het eerste lid, raamt de beboetingsinstantie het brutovermogensvoordeel en de waarde van de in beslag te nemen goederen, en geeft ze aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen.
De beslissing tot bestuurlijk beslag op het brutovermogensvoordeel vormt een titel voor het leggen van bewarend beslag als vermeld in deel V, titel II, van het Gerechtelijk Wetboek en wordt samen met het beslagexploot betekend.
In haar beslissing, vermeld in het eerste lid, raamt de beboetingsinstantie het brutovermogensvoordeel en de waarde van de in beslag te nemen goederen, en geeft ze aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen.
De beslissing tot bestuurlijk beslag op het brutovermogensvoordeel vormt een titel voor het leggen van bewarend beslag als vermeld in deel V, titel II, van het Gerechtelijk Wetboek en wordt samen met het beslagexploot betekend.
Art. 90. S'il existe des indices sérieux et concrets que les personnes à poursuivre administrativement ont tiré un avantage patrimonial du délit ou de l'infraction qu'elles ont commis ou auxquels elles ont participé, et que l'imposition d'une sanction visée à l'article 29, 3°, semble appropriée, l'instance verbalisante peut décider d'imposer une saisie administrative sur les biens meubles et immeubles situés dans le patrimoine de la personne à poursuivre administrativement, à concurrence de l'avantage patrimonial brut.
Dans sa décision, visée à l'alinéa 1er, l'instance verbalisante estime l'avantage patrimonial brut et la valeur des biens à saisir, et indique les indices sérieux et concrets qui justifient la saisie.
La décision de saisie administrative de l'avantage patrimonial brut constitue un titre de saisie conservatoire, figurant à la partie V, titre II du Code judiciaire et est signifiée en même temps que l'avis de saisie conservatoire.
Dans sa décision, visée à l'alinéa 1er, l'instance verbalisante estime l'avantage patrimonial brut et la valeur des biens à saisir, et indique les indices sérieux et concrets qui justifient la saisie.
La décision de saisie administrative de l'avantage patrimonial brut constitue un titre de saisie conservatoire, figurant à la partie V, titre II du Code judiciaire et est signifiée en même temps que l'avis de saisie conservatoire.
Art. 91. De beboetingsinstantie bepaalt de termijn van het bestuurlijk beslag, die niet meer dan drie jaar mag bedragen. Die termijn kan worden verlengd met een nieuwe termijn van maximaal drie jaar. Als de voormelde termijn is verstreken, en behalve na tijdige verlenging, vervalt het beslag.
Het beslag vervalt van rechtswege in de gevallen, vermeld in artikel 35, of als geen bestuurlijke vervolging meer mogelijk is door het instellen van de strafvordering.
Het beslag vervalt van rechtswege in de gevallen, vermeld in artikel 35, of als geen bestuurlijke vervolging meer mogelijk is door het instellen van de strafvordering.
Art. 91. L'instance verbalisante détermine la durée de la saisie administrative, qui ne peut excéder trois ans. Ce délai peut être prorogé d'un nouveau délai de trois ans maximum. A l'expiration du délai précité, et sauf prorogation en temps utile, la saisie s'éteint.
La saisie s'éteint de plein droit dans les cas énumérés à l'article 35, ou lorsque la poursuite administrative n'est plus possible en raison de l'engagement de l'action pénale.
La saisie s'éteint de plein droit dans les cas énumérés à l'article 35, ou lorsque la poursuite administrative n'est plus possible en raison de l'engagement de l'action pénale.
Art. 92. Personen die van oordeel zijn dat hun rechten geschaad worden door het bestuurlijk beslag of de verlenging ervan, kunnen een beroep instellen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.
De voorzitter controleert de wettelijkheid van het bestuurlijk beslag en de opportuniteit van de verlenging ervan en kan de volledige of gedeeltelijke opheffing van de maatregel bevelen, eventueel onder bepaalde voorwaarden.
Het vonnis dat uitgesproken is door de voorzitter, is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling, tenzij de rechter die heeft bevolen.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.
De voorzitter controleert de wettelijkheid van het bestuurlijk beslag en de opportuniteit van de verlenging ervan en kan de volledige of gedeeltelijke opheffing van de maatregel bevelen, eventueel onder bepaalde voorwaarden.
Het vonnis dat uitgesproken is door de voorzitter, is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling, tenzij de rechter die heeft bevolen.
Art. 92. Les personnes qui estiment leurs droits lésés par la saisie administrative ou sa prorogation peuvent introduire un recours auprès du président du tribunal de première instance.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et à l'instruction de l'action.
Le président vérifie la légalité de la saisie administrative et l'opportunité de sa prorogation, et peut ordonner la levée totale ou partielle de la mesure, éventuellement sous certaines conditions.
Le jugement rendu par le président est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution, sauf si le juge en décide autrement.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et à l'instruction de l'action.
Le président vérifie la légalité de la saisie administrative et l'opportunité de sa prorogation, et peut ordonner la levée totale ou partielle de la mesure, éventuellement sous certaines conditions.
Le jugement rendu par le président est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution, sauf si le juge en décide autrement.
Afdeling 4. - Probatievoorwaarden
Section 4. - Conditions de probation
Art. 93. Aan het uitstel, vermeld in artikel 34, § 1, of de opschorting, vermeld in artikel 34, § 2, kan met het akkoord of op verzoek van de vervolgde persoon de voorwaarde worden gekoppeld dat de overtreders zich binnen een bepaalde termijn in regel stellen, de voor het algemeen belang schadelijke gevolgen van het misdrijf of de inbreuk herstellen, en het bewijs daarvan verschaffen aan de beboetingsinstantie.
De beboetingsinstantie beslist in een nieuwe sanctieprocedure om het uitstel of de opschorting te herroepen als de voorwaarde die daaraan gekoppeld is, niet wordt nageleefd. Naar aanleiding van de herroeping van een verleende opschorting, spreekt zich zij ook uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting werd verleend.
De beboetingsinstantie beslist in een nieuwe sanctieprocedure om het uitstel of de opschorting te herroepen als de voorwaarde die daaraan gekoppeld is, niet wordt nageleefd. Naar aanleiding van de herroeping van een verleende opschorting, spreekt zich zij ook uit over de bestuurlijke sanctionering van de feiten waarvoor de opschorting werd verleend.
Art. 93. Le report visé à l'article 34, § 1er, ou la suspension visée à l'article 34, § 2, peuvent, avec l'accord ou à la demande de la personne poursuivie, être subordonnés à la condition que les contrevenants se conforment, réparent les conséquences du délit ou de l'infraction préjudiciables à l'intérêt public et en apportent la preuve à l'instance verbalisante, et ceci dans un délai déterminé.
L'instance verbalisante décide, dans le cadre d'une nouvelle procédure de sanction, de révoquer le report ou la suspension si la condition à laquelle ils sont subordonnés n'est pas remplie. A l'occasion de la révocation d'une suspension accordée, elle se prononce également sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
L'instance verbalisante décide, dans le cadre d'une nouvelle procédure de sanction, de révoquer le report ou la suspension si la condition à laquelle ils sont subordonnés n'est pas remplie. A l'occasion de la révocation d'une suspension accordée, elle se prononce également sur la sanction administrative des faits pour lesquels la suspension a été accordée.
Afdeling 5. - Uitbreiding toepassingsgebied vereenvoudigde sanctieprocedure
Section 5. - Extension du champ d'application de la procédure de sanction simplifiée
Art. 94. Onverminderd artikel 43, kunnen de inbreuken die daarvoor uitdrukkelijk zijn aangewezen door Vlaamse regelgeving, worden gesanctioneerd via de vereenvoudigde sanctieprocedure, als ze voldoen aan volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de Vlaamse regelgeving bepaalt de bestuurlijke geldboete op forfaitaire basis;
2° de materialiteit van de feiten, de toerekenbaarheid ervan aan de overtreder en de grondslag voor het berekenen van het forfait zijn eenvoudig vast te stellen.
1° de Vlaamse regelgeving bepaalt de bestuurlijke geldboete op forfaitaire basis;
2° de materialiteit van de feiten, de toerekenbaarheid ervan aan de overtreder en de grondslag voor het berekenen van het forfait zijn eenvoudig vast te stellen.
Art. 94. Sans préjudice de l'article 43, les infractions expressément désignées à cette fin par la réglementation flamande peuvent être sanctionnées par le biais de la procédure de sanction simplifiée si elles remplissent les conditions cumulatives suivantes :
1° la réglementation flamande détermine l'amende administrative sur une base forfaitaire ;
2° la matérialité des faits, leur imputabilité au contrevenant et la base de calcul du forfait sont évidentes.
1° la réglementation flamande détermine l'amende administrative sur une base forfaitaire ;
2° la matérialité des faits, leur imputabilité au contrevenant et la base de calcul du forfait sont évidentes.
Afdeling 6. - Financiële handhaving
Section 6. - Maintien financier
Art. 95. Met behoud van artikel 61, eerste lid, 4°, kan de persoon die conform artikel 47 gehouden is tot het herstel van publieke schade, behoudens andersluidende bepalingen geen aanspraak maken op premies, subsidies en andere vormen van steun als die gericht zijn op het herstel van die schade.
De overheid kan bedragen die ze heeft uitgekeerd in de vorm van premies, subsidies en andere vormen van steun om publieke schade te herstellen, terugvorderen van overtreders die conform artikel 47 tot dat herstel verplicht zijn, behoudens andersluidende bepalingen.
De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
De overheid kan bedragen die ze heeft uitgekeerd in de vorm van premies, subsidies en andere vormen van steun om publieke schade te herstellen, terugvorderen van overtreders die conform artikel 47 tot dat herstel verplicht zijn, behoudens andersluidende bepalingen.
De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
Art. 95. Nonobstant l'article 61, alinéa 1er, 4°, la personne qui est tenue de réparer le préjudice public conformément à l'article 47 ne peut, sauf disposition contraire, prétendre à des primes, subventions et autres formes d'aide si elles sont destinées à réparer ce préjudice.
L'autorité publique peut récupérer les montants qu'elle a versés sous forme de primes, subventions et autres formes d'aide à la réparation d'un préjudice public, auprès des contrevenants qui y sont obligés conformément à l'article 47, sauf disposition contraire.
Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
L'autorité publique peut récupérer les montants qu'elle a versés sous forme de primes, subventions et autres formes d'aide à la réparation d'un préjudice public, auprès des contrevenants qui y sont obligés conformément à l'article 47, sauf disposition contraire.
Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Afdeling 7. - Handhavingsverzoek
Section 7. - Demande de maintien
Art. 96. Derden die rechtstreeks in hun belangen geschaad worden door een misdrijf, inbreuk of normschending, kunnen de bevoegde herstelinstantie verzoeken om publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen te nemen of te doen opleggen.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, is alleen ontvankelijk als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° in het verzoek wordt aannemelijk gemaakt dat een misdrijf, inbreuk of normschending is gepleegd, met rechtstreekse schade voor de verzoeker tot gevolg;
2° in het verzoek wordt aannemelijk gemaakt dat het opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen een einde zou kunnen stellen aan de schade, vermeld in punt 1°, of die zou kunnen inperken;
3° in het verzoek wordt een overzicht gegeven van alle eerdere verzoeken die de verzoeker heeft gericht tot herstelinstanties over dezelfde schade;
4° het verzoek is niet strijdig met bestaande rechterlijke uitspraken of bestuurlijke [1 administratieve eindbeslissing]1 met publieke herstel- of beveiligingsmaatregelen in de zin van dit decreet als voorwerp, zelfs al zijn ze nog niet definitief.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, kan ook worden ingesteld door een overheid of een rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. In dat geval geldt de vereiste van rechtstreekse schade voor de verzoeker niet.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor de indiening en de behandeling van het verzoek, vermeld in het eerste lid, en het beroep tegen de beslissingen over het verzoek.
De inwilliging van het verzoek, vermeld in het eerste lid, verplicht de herstelinstantie om een gerechtelijke of bestuurlijke procedure te initiëren die gericht is op herstel of beveiliging tegen de vermoedelijke overtreders, conform dit decreet.
Tegen de [1 administratieve eindbeslissing]1 over een handhavingsverzoek, vermeld in het eerste lid, kan beroep worden aangetekend bij het Handhavingscollege binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de kennisgeving van de [1 administratieve eindbeslissing]1 over het handhavingsverzoek.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, is alleen ontvankelijk als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° in het verzoek wordt aannemelijk gemaakt dat een misdrijf, inbreuk of normschending is gepleegd, met rechtstreekse schade voor de verzoeker tot gevolg;
2° in het verzoek wordt aannemelijk gemaakt dat het opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen een einde zou kunnen stellen aan de schade, vermeld in punt 1°, of die zou kunnen inperken;
3° in het verzoek wordt een overzicht gegeven van alle eerdere verzoeken die de verzoeker heeft gericht tot herstelinstanties over dezelfde schade;
4° het verzoek is niet strijdig met bestaande rechterlijke uitspraken of bestuurlijke [1 administratieve eindbeslissing]1 met publieke herstel- of beveiligingsmaatregelen in de zin van dit decreet als voorwerp, zelfs al zijn ze nog niet definitief.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, kan ook worden ingesteld door een overheid of een rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. In dat geval geldt de vereiste van rechtstreekse schade voor de verzoeker niet.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor de indiening en de behandeling van het verzoek, vermeld in het eerste lid, en het beroep tegen de beslissingen over het verzoek.
De inwilliging van het verzoek, vermeld in het eerste lid, verplicht de herstelinstantie om een gerechtelijke of bestuurlijke procedure te initiëren die gericht is op herstel of beveiliging tegen de vermoedelijke overtreders, conform dit decreet.
Tegen de [1 administratieve eindbeslissing]1 over een handhavingsverzoek, vermeld in het eerste lid, kan beroep worden aangetekend bij het Handhavingscollege binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de kennisgeving van de [1 administratieve eindbeslissing]1 over het handhavingsverzoek.
Art. 96. Les tiers dont les intérêts sont directement lésés par un délit, une infraction ou une violation des normes peuvent demander à l'instance de réparation compétente de prendre ou de faire imposer des mesures publiques de réparation et de sécurité.
La demande visée à l'alinéa 1er n'est recevable que si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
1° la demande démontre la plausibilité d'un délit, d'une infraction ou d'une violation des normes, entraînant un préjudice direct pour le demandeur ;
2° la demande démontre la plausibilité que l'imposition de mesures publiques de réparation et de sécurité puisse mettre fin ou atténuer le préjudice visé au point 1° ;
3° la demande énumère toutes les demandes antérieures que le demandeur a adressées à des instances de réparation pour le même préjudice ;
4° la demande n'est pas contraire aux décisions judiciaires ou administratives existantes ayant pour objet des mesures publiques de réparation ou de sécurité au sens du présent décret, même si elles ne sont pas encore définitives.
La demande visée à l'alinéa 1er peut également être introduite par une autorité publique ou une personne morale répondant aux conditions énoncées à l'article 1er de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement. Dans ce cas, l'exigence d'un préjudice direct pour le demandeur ne s'applique pas.
Le Gouvernement flamand peut modaliser l'introduction et le traitement de la demande visée à l'alinéa 1er et le recours contre les décisions relatives à la demande.
L'acceptation de la demande, visée à l'alinéa 1er, oblige l'instance de réparation à engager une procédure judiciaire ou administrative visant la réparation ou la protection contre les contrevenants présumés, conformément au présent décret.
[1 La décision administrative définitive relative ]1 aux demandes de maintien visées à l'alinéa 1er peuvent faire l'objet d'un recours devant le Collège de maintien dans un délai d'échéance de quarante-cinq jours à compter de la notification de [1 décision administrative définitive]1 à la demande de maintien.
La demande visée à l'alinéa 1er n'est recevable que si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
1° la demande démontre la plausibilité d'un délit, d'une infraction ou d'une violation des normes, entraînant un préjudice direct pour le demandeur ;
2° la demande démontre la plausibilité que l'imposition de mesures publiques de réparation et de sécurité puisse mettre fin ou atténuer le préjudice visé au point 1° ;
3° la demande énumère toutes les demandes antérieures que le demandeur a adressées à des instances de réparation pour le même préjudice ;
4° la demande n'est pas contraire aux décisions judiciaires ou administratives existantes ayant pour objet des mesures publiques de réparation ou de sécurité au sens du présent décret, même si elles ne sont pas encore définitives.
La demande visée à l'alinéa 1er peut également être introduite par une autorité publique ou une personne morale répondant aux conditions énoncées à l'article 1er de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement. Dans ce cas, l'exigence d'un préjudice direct pour le demandeur ne s'applique pas.
Le Gouvernement flamand peut modaliser l'introduction et le traitement de la demande visée à l'alinéa 1er et le recours contre les décisions relatives à la demande.
L'acceptation de la demande, visée à l'alinéa 1er, oblige l'instance de réparation à engager une procédure judiciaire ou administrative visant la réparation ou la protection contre les contrevenants présumés, conformément au présent décret.
[1 La décision administrative définitive relative ]1 aux demandes de maintien visées à l'alinéa 1er peuvent faire l'objet d'un recours devant le Collège de maintien dans un délai d'échéance de quarante-cinq jours à compter de la notification de [1 décision administrative définitive]1 à la demande de maintien.
Wijzigingen
Afdeling 8. - Bevoegdheden van de politiediensten
Section 8. - Compétences des services de police
Art. 97. De personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, zijn van rechtswege toezichthouder.
Artikel 37 is niet van toepassing op de toezichthouders, vermeld in het eerste lid.
Artikel 37 is niet van toepassing op de toezichthouders, vermeld in het eerste lid.
Art. 97. Les membres du personnel du cadre opérationnel des services de police, visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police, sont superviseurs de plein droit.
L'article 37 ne s'applique pas aux superviseurs visés à l'alinéa 1er.
L'article 37 ne s'applique pas aux superviseurs visés à l'alinéa 1er.
Afdeling 9. - Administratief beroep tegen bestuurlijke herstelbeslissingen
Section 9. - Recours administratif contre les décisions administratives de réparation
Art. 98. Tegen bestuurlijke herstelbeslissingen kan beroep worden aangetekend bij de bevoegde minister of bij een instantie die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels van de beroepsprocedure, met inbegrip van het al dan niet schorsend karakter van het beroep.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels van de beroepsprocedure, met inbegrip van het al dan niet schorsend karakter van het beroep.
Art. 98. Les décisions administratives de réparation peuvent faire l'objet d'un recours auprès du ministre compétent ou d'une instance désignée à cet effet par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine les règles de la procédure de recours, y compris le caractère suspensif ou non du recours.
Le Gouvernement flamand détermine les règles de la procédure de recours, y compris le caractère suspensif ou non du recours.
Afdeling 10. - Bijzondere bepalingen over de uitvoering van publieke herstelmaatregelen
Section 10. - Dispositions particulières relatives à l'exécution des mesures de réparation publiques
Art. 99. De herstelinstantie die de dwangsom heeft doen verbeuren, kan beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, of dat de invordering ervan tijdelijk geschorst wordt, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in die beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de publieke herstel- of beveiligingsmaatregel, en met de volledige of gedeeltelijke uitvoering ervan.
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regels bepalen om het eerste lid toe te passen.
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regels bepalen om het eerste lid toe te passen.
Art. 99. L'instance de réparation qui a imposé l'astreinte peut décider qu'une dette d'astreinte exigible ne soit pas recouvrée ou ne soit recouvrée que partiellement, ou que son recouvrement soit temporairement suspendu, sans que cette décision puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la mesure publique de réparation ou de sécurité, ainsi que de son exécution totale ou partielle.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités et des règles de procédure pour l'application de l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités et des règles de procédure pour l'application de l'alinéa 1er.
Art. 100. Om de vrijwillige en integrale uitvoering alsnog mogelijk te maken, kan de uitvoeringstermijn van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen worden verlengd of vervangen door een nieuwe uitvoeringstermijn. Dat gebeurt in een schriftelijke overeenkomst tussen alle herstelplichtigen die in de titel zijn aangewezen of hun rechtsopvolgers en de herstelinstantie die de titel heeft verkregen.
De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, vermeldt de redenen waarom de oorspronkelijke uitvoeringstermijn is overschreden, en kan voorzien in het consigneren van een waarborgsom. De herstelinstantie kan in de overeenkomst ontbindende voorwaarden die verbonden zijn aan het nakomen van de verplichtingen die uit de titel voortvloeien, doen opnemen, zoals het respecteren van een afbetalingsplan voor schulden die uit de titel voortvloeien.
Als een verplichting tot consignatie is opgenomen, heeft de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, pas rechtsgevolgen na de consignatie, en vervalt de overeenkomst als de consignatie niet is gebeurd binnen dertig dagen na de datum van ondertekening van de overeenkomst. Gedurende de verlenging of de nieuwe termijn, vermeld in het eerste lid, blijft de verjaring van het recht om de titel uit te voeren, geschorst. Bij gebreke aan vrijwillige en integrale uitvoering binnen de nieuwe of verlengde termijn, komt de waarborgsom toe aan de herstelinstantie, onverminderd de rechten voortvloeiend uit de titel. In geval van tijdige en integrale uitvoering wordt de waarborgsom vrijgegeven.
De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, vermeldt de redenen waarom de oorspronkelijke uitvoeringstermijn is overschreden, en kan voorzien in het consigneren van een waarborgsom. De herstelinstantie kan in de overeenkomst ontbindende voorwaarden die verbonden zijn aan het nakomen van de verplichtingen die uit de titel voortvloeien, doen opnemen, zoals het respecteren van een afbetalingsplan voor schulden die uit de titel voortvloeien.
Als een verplichting tot consignatie is opgenomen, heeft de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, pas rechtsgevolgen na de consignatie, en vervalt de overeenkomst als de consignatie niet is gebeurd binnen dertig dagen na de datum van ondertekening van de overeenkomst. Gedurende de verlenging of de nieuwe termijn, vermeld in het eerste lid, blijft de verjaring van het recht om de titel uit te voeren, geschorst. Bij gebreke aan vrijwillige en integrale uitvoering binnen de nieuwe of verlengde termijn, komt de waarborgsom toe aan de herstelinstantie, onverminderd de rechten voortvloeiend uit de titel. In geval van tijdige en integrale uitvoering wordt de waarborgsom vrijgegeven.
Art. 100. Afin de permettre l'exécution volontaire et intégrale, le délai d'exécution des mesures publiques de réparation et de sécurité peut être prolongé ou remplacé par un nouveau délai d'exécution. Ce nouveau délai fait l'objet d'un accord écrit entre toutes les personnes soumises à l'obligation de réparation désignées dans le titre ou leurs successeurs légaux et l'instance de réparation qui a obtenu le titre.
L'accord visé à l'alinéa 1er indique les raisons pour lesquelles le délai d'exécution initial a été dépassé et peut prévoir la consignation d'une caution. L'instance de réparation peut assortir l'accord de conditions résolutoires liées au respect des obligations découlant du titre, telles que le respect d'un plan de remboursement des dettes découlant du titre.
Si l'accord visé à l'alinéa 1er est assorti d'une obligation de consignation, il ne prend effet qu'après la consignation, et il devient caduc si la consignation n'est pas effectuée dans un délai de trente jours à compter de la date de signature de l'accord. La prescription du droit d'exécuter le titre est suspendue pendant la prolongation ou le nouveau délai, visés à l'alinéa 1er. A défaut d'exécution volontaire et intégrale dans le nouveau délai ou le délai prolongé, la caution revient à l'instance de réparation, sans préjudice des droits découlant du titre. En cas d'exécution intégrale et dans les délais, la caution est libérée.
L'accord visé à l'alinéa 1er indique les raisons pour lesquelles le délai d'exécution initial a été dépassé et peut prévoir la consignation d'une caution. L'instance de réparation peut assortir l'accord de conditions résolutoires liées au respect des obligations découlant du titre, telles que le respect d'un plan de remboursement des dettes découlant du titre.
Si l'accord visé à l'alinéa 1er est assorti d'une obligation de consignation, il ne prend effet qu'après la consignation, et il devient caduc si la consignation n'est pas effectuée dans un délai de trente jours à compter de la date de signature de l'accord. La prescription du droit d'exécuter le titre est suspendue pendant la prolongation ou le nouveau délai, visés à l'alinéa 1er. A défaut d'exécution volontaire et intégrale dans le nouveau délai ou le délai prolongé, la caution revient à l'instance de réparation, sans préjudice des droits découlant du titre. En cas d'exécution intégrale et dans les délais, la caution est libérée.
Afdeling 11. - Het opleggen van een waarborgsom bij feitelijk herstel
Section 11. - Imposition d'une caution en cas de réparation effective
Art. 101. De rechter of de herstelinstantie kunnen de overtreder verplichten een waarborgsom te betalen, die pas wordt vrijgegeven als het opgelegde feitelijk herstel wordt doorgevoerd, met vermindering van de kosten die door de herstelinstantie in het kader van hoofdstuk 6 zijn gemaakt.
De waarborgsom, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan de geraamde kosten van ambtshalve uitvoering of het herstel bij financieel equivalent als dat bedrag hoger is. De waarborgsom, vermeld in het eerste lid, komt toe aan de herstelinstantie conform de regels, vermeld in artikel 73, als het feitelijk herstel nog niet is uitgevoerd binnen twee jaar na de datum waarop het gerealiseerd moest zijn, onverminderd de verplichting van de overtreder om tot dat herstel over te gaan.
De waarborgsom, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan de geraamde kosten van ambtshalve uitvoering of het herstel bij financieel equivalent als dat bedrag hoger is. De waarborgsom, vermeld in het eerste lid, komt toe aan de herstelinstantie conform de regels, vermeld in artikel 73, als het feitelijk herstel nog niet is uitgevoerd binnen twee jaar na de datum waarop het gerealiseerd moest zijn, onverminderd de verplichting van de overtreder om tot dat herstel over te gaan.
Art. 101. Le juge ou l'instance de réparation peut obliger le contrevenant de verser une caution, qui ne sera libérée qu'après la réparation effective imposée, déduction faite des frais encourus par l'instance de réparation dans le cadre du chapitre 6.
La caution visée à l'alinéa 1er est égale aux frais estimés de l'exécution d'office ou de la réparation par équivalent financier si ce montant est plus élevé. La caution visée à l'alinéa 1er revient à l'instance de réparation conformément aux règles énoncées à l'article 73, si la réparation effective n'est pas exécutée dans les deux ans après la date limite d'exécution, sans préjudice de l'obligation du contrevenant de procéder à cette réparation.
La caution visée à l'alinéa 1er est égale aux frais estimés de l'exécution d'office ou de la réparation par équivalent financier si ce montant est plus élevé. La caution visée à l'alinéa 1er revient à l'instance de réparation conformément aux règles énoncées à l'article 73, si la réparation effective n'est pas exécutée dans les deux ans après la date limite d'exécution, sans préjudice de l'obligation du contrevenant de procéder à cette réparation.
Afdeling 12. - Stakingsbevel bij verhindering van toezicht
Section 12. - Ordre de cessation en cas d'empêchement de la supervision
Art. 102. Ingeval van verhindering van de regelmatige inzet van zijn toezichtrechten, kan de toezichthouder in een bestuurlijke beveiligingsbeslissing beslissen tot de volledige of gedeeltelijke staking van de gereglementeerde, gesubsidieerde of van overheidswege gefinancierde activiteiten of handelingen waarop het toezicht door de verhindering niet kon worden uitgeoefend.
De toezichthouder waakt erover dat de inzet van deze bevoegdheid geen onevenredige schade berokkent bij de overtreder of derden. De bestuurlijke beveiligingsbeslissing wordt onmiddellijk ingetrokken nadat de in het eerste lid bedoelde verhindering gestaakt is.
De toezichthouder waakt erover dat de inzet van deze bevoegdheid geen onevenredige schade berokkent bij de overtreder of derden. De bestuurlijke beveiligingsbeslissing wordt onmiddellijk ingetrokken nadat de in het eerste lid bedoelde verhindering gestaakt is.
Art. 102. En cas d'empêchement de l'exercice régulier de ses droits de supervision, le superviseur peut ordonner, par une décision administrative de sécurité, la cessation de tout ou partie des activités ou actes réglementés, subventionnés ou publiquement financés sur lesquels la supervision n'a pas pu être exercée en raison de l'empêchement.
Le superviseur veille à ce que l'utilisation de cette compétence ne cause pas de préjudice disproportionné au contrevenant ou aux tiers. La décision administrative de sécurité est retirée du moment où l'empêchement visé à l'alinéa 1er a cessé.
Le superviseur veille à ce que l'utilisation de cette compétence ne cause pas de préjudice disproportionné au contrevenant ou aux tiers. La décision administrative de sécurité est retirée du moment où l'empêchement visé à l'alinéa 1er a cessé.
Afdeling 13. [1 Jurisdictioneel beroep tegen sanctiebeslissingen bij het Handhavingscollege ]1
Section 13. [1 Recours juridictionnel contre les décisions de sanction auprès du Collège de maintien ]1
Art. 102/1. [1 . In afwijking van artikel 42 en 46 oordeelt het Handhavingscollege met volle rechtsmacht over de beroepen tegen de beslissingen, vermeld in die artikelen.
Art. 102/1 [1 Par dérogation aux articles 42 et 46, le Collège de maintien statue de plein droit sur les recours contre les décisions visées dans ces articles.
Afdeling 14. [1 Jurisdictioneel beroep tegen bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen en herstelschikkingen bij het Handhavingscollege ]1
Section 14. [1 Recours juridictionnel contre les décisions administratives de réparation et de sécurité et les dispositions de réparation auprès du Collège de maintien. ]1
Art. 102/2. [1 In afwijking van artikel 55, 68 en 74 oordeelt het Handhavingscollege met volle rechtsmacht over de beroepen tegen de beslissingen, vermeld in die artikelen.
Art.102/2. [1 Art. 102/2. Par dérogation aux articles 55, 68 et 74, le Collège de maintien statue de plein droit sur les recours contre les décisions visées dans ces articles.
HOOFDSTUK 11. - Aan dit decreet eigen straffen en sancties
CHAPITRE 11. - Peines et sanctions propres au présent décret
Art. 103. Met behoud van de toepassing van de afwijkende bepalingen, vermeld in dit decreet en andere Vlaamse regelgeving, zijn alle personen die informatie verkrijgen op grond van de uitoefening van de aan hen door dit decreet toegekende bevoegdheden, verplicht tot de strikte geheimhouding ervan. Als die geheimhoudingsplicht bewust wordt genegeerd, wordt dat gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 euro tot 1000 euro of met een van die straffen alleen.
In afwijking van het eerste lid kunnen de beboetingsinstanties de verkregen informatie delen met het openbaar ministerie, de hiërarchisch bevoegde minister of andere beboetingsinstanties, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van opsporing en vervolging van die beboetinginstanties.
In afwijking van het eerste lid kunnen de beboetingsinstanties de verkregen informatie delen met het openbaar ministerie, de hiërarchisch bevoegde minister of andere beboetingsinstanties, als dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van opsporing en vervolging van die beboetinginstanties.
Art. 103. Sans préjudice de l'application des dispositions contraires prévues par le présent décret et d'autres réglementations flamandes, toutes les personnes qui obtiennent des informations en vertu de l'exercice des compétences qui leur sont conférées par le présent décret sont tenues d'observer une stricte confidentialité. La violation délibérée de ce devoir de confidentialité est passible d'une peine d'emprisonnement d'un an à trois ans et d'une amende de 100 à 1 000 euros ou de l'une de ces deux peines.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les instances verbalisantes peuvent partager les informations obtenues avec le ministère public, le ministre hiérarchiquement compétent ou d'autres instances verbalisantes, si cela est nécessaire à l'exercice des compétences de recherche et de poursuite par ces instances verbalisantes.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les instances verbalisantes peuvent partager les informations obtenues avec le ministère public, le ministre hiérarchiquement compétent ou d'autres instances verbalisantes, si cela est nécessaire à l'exercice des compétences de recherche et de poursuite par ces instances verbalisantes.
Art. 104. Het verhinderen van de regelmatige inzet van toezichtrechten door toezichthouders wordt gestraft met een geldboete van 250 tot 250.000 euro.
De personen die een verzegeling als vermeld in artikel 63, § 4, van dit decreet, doorbreken of de voorwaarden, verbonden aan de opheffing ervan, schenden, worden gestraft met de straffen, vermeld in artikel 284 tot en met 288 van het Strafwetboek.
De personen, vermeld in artikel 65, § 4, tweede lid, worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van 100 tot 10.000 euro.
De personen die een verzegeling als vermeld in artikel 63, § 4, van dit decreet, doorbreken of de voorwaarden, verbonden aan de opheffing ervan, schenden, worden gestraft met de straffen, vermeld in artikel 284 tot en met 288 van het Strafwetboek.
De personen, vermeld in artikel 65, § 4, tweede lid, worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van 100 tot 10.000 euro.
Art. 104. Toute entrave à l'exercice régulier des droits de supervision des superviseurs est passible d'une amende de 250 à 250 000 euros.
Les personnes qui brisent un scellé tel que visé à l'article 63, § 4, du présent décret ou qui violent les conditions de sa levée sont punies des peines visées aux articles 284 à 288 du Code pénal.
Les personnes visées à l'article 65, § 4, alinéa 2, sont sanctionnées d'une amende administrative de 100 à 10 000 euros.
Les personnes qui brisent un scellé tel que visé à l'article 63, § 4, du présent décret ou qui violent les conditions de sa levée sont punies des peines visées aux articles 284 à 288 du Code pénal.
Les personnes visées à l'article 65, § 4, alinéa 2, sont sanctionnées d'une amende administrative de 100 à 10 000 euros.
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Art. 105. § 1. Vanaf de van toepassingstelling van dit decreet op Vlaamse regelgeving, wordt het recht om een bestuurlijke sanctie op te leggen wegens een schending van Vlaamse regelgeving conform de bepalingen van dit decreet uitgeoefend door de beboetingsinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is.
Vanaf de van toepassingstelling van dit decreet op Vlaamse regelgeving, wordt het recht om herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen met het oog op het herstel van publieke schade als gevolg van een schending van Vlaamse regelgeving uitgeoefend conform de bepalingen van dit decreet door de herstelinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden procedures die gericht zijn op het opleggen van bestuurlijke sancties of bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van handhavingsverzoeken, die al formeel waren opgestart vóór dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, afgehandeld volgens de toen geldende procedurele regels, door de instanties die op dat ogenblik bevoegd waren.
§ 3. De verjaringsregels, vervat in artikel 35, 2°, en artikel 50, zijn, met inbegrip van het geval, vermeld in paragraaf 2, onmiddellijk van toepassing, behalve als het recht om de bestuurlijke sanctie of de publieke herstelmaatregel op te leggen, al is vervallen voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd.
Als het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen is ontstaan vooraleer artikel 50 van dit decreet erop van toepassing werd, beginnen de termijnen, vermeld in artikel 50 van dit decreet, maar te lopen vanaf de dag waarop artikel 50 van dit decreet op dat recht van toepassing werd. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel de verjaringstermijn die van toepassing is op dat recht voor artikel 50 van dit decreet erop van toepassing werd, niet overschrijden, onverminderd de toepassing van artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
§ 4. Publieke herstelvorderingen die bij het parket regelmatig zijn ingeleid of bij de rechter aanhangig zijn gemaakt voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, worden beoordeeld volgens de regels van dit decreet, zonder dat de herstelvordering moet worden hernomen of de motivering ervan moet worden aangepast.
Jurisdictionele beroepen in procedures die gericht zijn op het opleggen van bestuurlijke sancties of bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van handhavingsverzoeken, en die al formeel waren ingesteld voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, worden afgehandeld volgens de toen geldende procedurele regels, door de instanties die op dat ogenblik bevoegd waren.
§ 5. Voor de toepassing van artikel 9, § 3, sturen toezichthouders die kennis krijgen van een schending van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet toepassing is, hun administratief verslag naar de Vlaamse inspectiedienst die belast is met de handhaving van de geschonden Vlaamse regelgeving.
Vanaf de van toepassingstelling van dit decreet op Vlaamse regelgeving, wordt het recht om herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen met het oog op het herstel van publieke schade als gevolg van een schending van Vlaamse regelgeving uitgeoefend conform de bepalingen van dit decreet door de herstelinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden procedures die gericht zijn op het opleggen van bestuurlijke sancties of bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van handhavingsverzoeken, die al formeel waren opgestart vóór dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, afgehandeld volgens de toen geldende procedurele regels, door de instanties die op dat ogenblik bevoegd waren.
§ 3. De verjaringsregels, vervat in artikel 35, 2°, en artikel 50, zijn, met inbegrip van het geval, vermeld in paragraaf 2, onmiddellijk van toepassing, behalve als het recht om de bestuurlijke sanctie of de publieke herstelmaatregel op te leggen, al is vervallen voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd.
Als het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen is ontstaan vooraleer artikel 50 van dit decreet erop van toepassing werd, beginnen de termijnen, vermeld in artikel 50 van dit decreet, maar te lopen vanaf de dag waarop artikel 50 van dit decreet op dat recht van toepassing werd. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel de verjaringstermijn die van toepassing is op dat recht voor artikel 50 van dit decreet erop van toepassing werd, niet overschrijden, onverminderd de toepassing van artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
§ 4. Publieke herstelvorderingen die bij het parket regelmatig zijn ingeleid of bij de rechter aanhangig zijn gemaakt voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, worden beoordeeld volgens de regels van dit decreet, zonder dat de herstelvordering moet worden hernomen of de motivering ervan moet worden aangepast.
Jurisdictionele beroepen in procedures die gericht zijn op het opleggen van bestuurlijke sancties of bestuurlijke publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van handhavingsverzoeken, en die al formeel waren ingesteld voor dit decreet op de Vlaamse regelgeving in kwestie van toepassing werd, worden afgehandeld volgens de toen geldende procedurele regels, door de instanties die op dat ogenblik bevoegd waren.
§ 5. Voor de toepassing van artikel 9, § 3, sturen toezichthouders die kennis krijgen van een schending van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet toepassing is, hun administratief verslag naar de Vlaamse inspectiedienst die belast is met de handhaving van de geschonden Vlaamse regelgeving.
Art. 105. § 1er. Dès que le présent décret devient applicable à la réglementation flamande, le droit d'imposer une sanction administrative pour une violation de la réglementation flamande conformément aux dispositions du présent décret est exercé par l'instance verbalisante compétente pour la réglementation flamande en question.
Dès que le présent décret devient applicable à la réglementation flamande, le droit d'imposer ou de faire imposer des mesures de réparation en vue de réparer le préjudice public résultant d'une violation de la règlementation flamande est exercé conformément aux dispositions du présent décret par l'instance de réparation compétente pour la réglementation flamande en question.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les procédures visant à imposer des sanctions administratives ou des mesures administratives de réparation et de sécurité publiques, y compris les demandes de maintien, qui étaient déjà formellement engagées avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont traitées conformément aux règles de procédure en vigueur à l'époque, par les instances qui étaient compétentes à ce moment-là.
§ 3. Les règles de prescription prévues à l'article 35, 2°, et à l'article 50, y compris le cas visé au paragraphe 2, s'appliquent immédiatement, sauf si le droit d'imposer la sanction administrative ou la mesure publique de réparation a déjà expiré avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question.
Si le droit d'imposer ou de faire imposer des mesures de réparation publiques est né avant que l'article 50 du présent décret n'y devienne applicable, les délais prévus à l'article 50 du présent décret ne commencent à courir qu'à partir du jour où l'article 50 du présent décret est devenu applicable à ce droit. Toutefois, le délai de prescription total ne peut dépasser celui qui est applicable à ce droit avant que l'article 50 du présent décret n'y devienne applicable, sans préjudice de l'application de l'article 26 de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.
§ 4. Les actions publiques en réparation qui ont été régulièrement ouvertes devant le parquet ou dont le juge a été saisi avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont jugées conformément aux règles du présent décret, sans qu'il soit nécessaire de rouvrir l'action en réparation ou d'en adapter les motifs.
Les recours juridictionnels dans les procédures visant à imposer des sanctions administratives ou des mesures administratives de réparation et de sécurité publiques, y compris les demandes de maintien, qui étaient déjà formellement engagées avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont traitées conformément aux règles de procédure en vigueur à l'époque, par les instances qui étaient compétentes à ce moment-là.
§ 5. Pour l'application de l'article 9, § 3, les superviseurs qui ont connaissance d'une violation de la réglementation flamande, non régie par le présent décret, adressent leur rapport administratif au service d'inspection flamand chargé du maintien de la réglementation flamande violée.
Dès que le présent décret devient applicable à la réglementation flamande, le droit d'imposer ou de faire imposer des mesures de réparation en vue de réparer le préjudice public résultant d'une violation de la règlementation flamande est exercé conformément aux dispositions du présent décret par l'instance de réparation compétente pour la réglementation flamande en question.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les procédures visant à imposer des sanctions administratives ou des mesures administratives de réparation et de sécurité publiques, y compris les demandes de maintien, qui étaient déjà formellement engagées avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont traitées conformément aux règles de procédure en vigueur à l'époque, par les instances qui étaient compétentes à ce moment-là.
§ 3. Les règles de prescription prévues à l'article 35, 2°, et à l'article 50, y compris le cas visé au paragraphe 2, s'appliquent immédiatement, sauf si le droit d'imposer la sanction administrative ou la mesure publique de réparation a déjà expiré avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question.
Si le droit d'imposer ou de faire imposer des mesures de réparation publiques est né avant que l'article 50 du présent décret n'y devienne applicable, les délais prévus à l'article 50 du présent décret ne commencent à courir qu'à partir du jour où l'article 50 du présent décret est devenu applicable à ce droit. Toutefois, le délai de prescription total ne peut dépasser celui qui est applicable à ce droit avant que l'article 50 du présent décret n'y devienne applicable, sans préjudice de l'application de l'article 26 de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.
§ 4. Les actions publiques en réparation qui ont été régulièrement ouvertes devant le parquet ou dont le juge a été saisi avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont jugées conformément aux règles du présent décret, sans qu'il soit nécessaire de rouvrir l'action en réparation ou d'en adapter les motifs.
Les recours juridictionnels dans les procédures visant à imposer des sanctions administratives ou des mesures administratives de réparation et de sécurité publiques, y compris les demandes de maintien, qui étaient déjà formellement engagées avant que le présent décret ne devienne applicable à la réglementation flamande en question, sont traitées conformément aux règles de procédure en vigueur à l'époque, par les instances qui étaient compétentes à ce moment-là.
§ 5. Pour l'application de l'article 9, § 3, les superviseurs qui ont connaissance d'une violation de la réglementation flamande, non régie par le présent décret, adressent leur rapport administratif au service d'inspection flamand chargé du maintien de la réglementation flamande violée.
Art. 106. Bestuurlijke handhavingsbeslissingen die genomen zijn met toepassing van Vlaamse regelgeving voor dit decreet erop van toepassing werd, behouden hun rechtskracht en rechtsgevolgen volgens de regels die golden op het ogenblik waarop ze zijn genomen.
De uitvoerbare beslissingen, vermeld in het eerste lid, die strekken tot het opleggen van bestuurlijke sancties, worden uitgevoerd door of onder toezicht van de beboetingsinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is. De uitvoerbare beslissingen, vermeld in het eerste lid, die strekken tot het opleggen van bestuurlijke herstel- of beveiligingsmaatregelen, worden uitgevoerd door de herstelinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is en die van hetzelfde bestuursniveau is als het orgaan dat de beslissingen heeft genomen.
De uitvoerbare beslissingen, vermeld in het eerste lid, die strekken tot het opleggen van bestuurlijke sancties, worden uitgevoerd door of onder toezicht van de beboetingsinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is. De uitvoerbare beslissingen, vermeld in het eerste lid, die strekken tot het opleggen van bestuurlijke herstel- of beveiligingsmaatregelen, worden uitgevoerd door de herstelinstantie die voor de Vlaamse regelgeving in kwestie bevoegd is en die van hetzelfde bestuursniveau is als het orgaan dat de beslissingen heeft genomen.
Art. 106. Les décisions administratives de maintien prises en vertu de la réglementation flamande avant que le présent décret ne leur devienne applicable, conservent leur force juridique et leurs effets juridiques sur la base des règles en vigueur au moment où elles ont été prises.
Les décisions exécutoires, visées à l'alinéa 1er, visant à imposer des sanctions administratives sont exécutées par ou sous la supervision de l'instance verbalisante compétente pour la réglementation flamande en question. Les décisions exécutoires, visées à l'alinéa 1er, visant à imposer des mesures administratives de réparation ou de sécurité, sont exécutées par l'instance de réparation compétente pour la réglementation flamande en question, qui est du même niveau administratif que l'organe qui a pris les décisions.
Les décisions exécutoires, visées à l'alinéa 1er, visant à imposer des sanctions administratives sont exécutées par ou sous la supervision de l'instance verbalisante compétente pour la réglementation flamande en question. Les décisions exécutoires, visées à l'alinéa 1er, visant à imposer des mesures administratives de réparation ou de sécurité, sont exécutées par l'instance de réparation compétente pour la réglementation flamande en question, qui est du même niveau administratif que l'organe qui a pris les décisions.
Art. 107. Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, verkrijgen de personen die voor de van toepassingstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving bevoegd waren om proces-verbaal of verslag van vaststelling met betrekking tot bepaalde misdrijven, inbreuken of normschendingen op te stellen, voor deze misdrijven, inbreuken of normschendingen van rechtswege de hoedanigheid van toezichthouder, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, blijven de personen die voor de van toepassingsstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving waren aangesteld als officier van gerechtelijke politie of officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, met betrekking tot bepaalde misdrijven, inbreuken of normschendingen op te stellen, deze hoedanigheid behouden, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, verkrijgen de personen of instanties die voor de van toepassingstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving bevoegd waren om bestuurlijke sancties op te leggen aan rechtsonderhorigen wegens hun betrokkenheid bij bepaalde misdrijven, inbreuken of normschendingen, voor deze misdrijven, inbreuken of normschendingen, van rechtswege de hoedanigheid van beboetingsinstantie, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, verkrijgen de personen of instanties die voor de van toepassingstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving bevoegd waren om met betrekking tot bepaalde publieke schade publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen, voor die publieke schade van rechtswege de hoedanigheid van herstelinstantie, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, blijven de personen die voor de van toepassingsstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving waren aangesteld als officier van gerechtelijke politie of officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, met betrekking tot bepaalde misdrijven, inbreuken of normschendingen op te stellen, deze hoedanigheid behouden, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, verkrijgen de personen of instanties die voor de van toepassingstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving bevoegd waren om bestuurlijke sancties op te leggen aan rechtsonderhorigen wegens hun betrokkenheid bij bepaalde misdrijven, inbreuken of normschendingen, voor deze misdrijven, inbreuken of normschendingen, van rechtswege de hoedanigheid van beboetingsinstantie, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Gedurende een termijn van maximum 5 jaar na de van toepassingstelling van dit decreet, en behoudens andersluidende bepalingen in Vlaamse regelgeving, verkrijgen de personen of instanties die voor de van toepassingstelling van dit decreet op basis van Vlaamse regelgeving bevoegd waren om met betrekking tot bepaalde publieke schade publieke herstelmaatregelen op te leggen of te doen opleggen, voor die publieke schade van rechtswege de hoedanigheid van herstelinstantie, zolang zij voldoen aan de voorwaarden van dit decreet om in die functie te worden aangesteld en voor de lopende duurtijd van hun aanstelling, tot aan de opheffing ervan.
Art. 107. Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes qui, avant la mise en application du présent décret, étaient compétentes en vertu de la réglementation flamande pour dresser des procès-verbaux ou des rapports de constatation concernant certains délits, infractions ou violations de normes, acquièrent de plein droit la qualité de superviseur pour ces délits, infractions ou violations de normes, tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes qui, avant la mise en application du présent décret, étaient désignées en vertu de la réglementation flamande comme officier de police judiciaire ou officier auxiliaire du procureur du Roi, conservent cette qualité pour la constatation de certains délits, infractions ou violations de normes[ZW1], tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes ou instances qui, avant la mise en application du présent décret, étaient compétentes en vertu de la réglementation flamande pour imposer des sanctions administratives aux justiciables en raison de leur implication dans certains délits, infractions ou violations de normes, acquièrent de plein droit la qualité d'instance verbalisante pour ces délits, infractions ou violations de normes, tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes ou instances qui, avant la mise en application du présent décret, étaient compétentes en vertu de la réglementation flamande pour imposer ou faire imposer des mesures de réparation publiques de certains préjudices publics, acquièrent de plein droit la qualité d'instance de réparation pour ces préjudices publics, tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes qui, avant la mise en application du présent décret, étaient désignées en vertu de la réglementation flamande comme officier de police judiciaire ou officier auxiliaire du procureur du Roi, conservent cette qualité pour la constatation de certains délits, infractions ou violations de normes[ZW1], tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes ou instances qui, avant la mise en application du présent décret, étaient compétentes en vertu de la réglementation flamande pour imposer des sanctions administratives aux justiciables en raison de leur implication dans certains délits, infractions ou violations de normes, acquièrent de plein droit la qualité d'instance verbalisante pour ces délits, infractions ou violations de normes, tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Pendant une période maximale de 5 ans après la mise en application du présent décret, et sauf disposition contraire de la réglementation flamande, les personnes ou instances qui, avant la mise en application du présent décret, étaient compétentes en vertu de la réglementation flamande pour imposer ou faire imposer des mesures de réparation publiques de certains préjudices publics, acquièrent de plein droit la qualité d'instance de réparation pour ces préjudices publics, tant qu'elles remplissent les conditions du présent décret pour être désignées à cette fonction et pour la durée de leur désignation, jusqu'à ce qu'il y soit mis fin.
Art. 108. Het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving wordt opgeheven.
In afwijking van het eerste lid blijft het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, met uitzondering van hoofdstuk 14 en 16 van het voormelde decreet, nog gedurende maximaal drie jaar vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, van kracht voor de Vlaamse regelgeving die het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving al van toepassing had verklaard.
Zodra de Vlaamse regelgeving, vermeld in het tweede lid, dit decreet van toepassing heeft gesteld, of de van toepassingstelling van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving ongedaan heeft gemaakt, is het tweede lid er niet langer op van toepassing.
In afwijking van het eerste lid blijft het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, met uitzondering van hoofdstuk 14 en 16 van het voormelde decreet, nog gedurende maximaal drie jaar vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, van kracht voor de Vlaamse regelgeving die het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving al van toepassing had verklaard.
Zodra de Vlaamse regelgeving, vermeld in het tweede lid, dit decreet van toepassing heeft gesteld, of de van toepassingstelling van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving ongedaan heeft gemaakt, is het tweede lid er niet langer op van toepassing.
Art. 108. Le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif est abrogé.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, à l'exception des chapitres 14 et 16 du décret précité, reste en vigueur pendant trois ans maximum à compter de la date d'entrée en vigueur du présent décret, pour la réglementation flamande qui avait déjà déclaré applicable le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif.
Dès que la réglementation flamande visée à l'alinéa 2 a mis en application le présent décret ou a annulé la mise en application du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, l'alinéa 2 n'y est plus applicable.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, à l'exception des chapitres 14 et 16 du décret précité, reste en vigueur pendant trois ans maximum à compter de la date d'entrée en vigueur du présent décret, pour la réglementation flamande qui avait déjà déclaré applicable le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif.
Dès que la réglementation flamande visée à l'alinéa 2 a mis en application le présent décret ou a annulé la mise en application du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, l'alinéa 2 n'y est plus applicable.