Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 JUNI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Energiebesluit van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-08-2023 en tekstbijwerking tot 20-06-2025)
Titre
16 JUIN 2023. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2006 relatif Ă l'entretien et au contrĂŽle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bĂątiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 28-08-2023 et mise Ă jour au 20-06-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebeslu...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van 4 ...
HOOFDSTUK 6. - Overgangs- en slotbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gou...
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© relatif...
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du 4 fĂ©v...
CHAPITRE 6. - Dispositions transitoires et finales
ANNEXES.
Tekst (129)
Texte (129)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2006 relatif Ă l'entretien et au contrĂŽle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bĂątiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Artikel 1. In artikel 15, § 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt" vervangen door de woorden "doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel".
Article 1er. Dans l'article 15, § 7, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2006 relatif Ă l'entretien et au contrĂŽle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bĂątiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les mots " communique les caractĂ©ristiques de l'appareil de chauffage central et les caractĂ©ristiques de l'inspection ou de l'entretien complet " sont remplacĂ©s par les mots " communique les caractĂ©ristiques de l'appareil de chauffage central ".
Art. 2. Artikel 31 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing.
  "Art. 31. In afwijking van artikel 15, § 7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.".
  "Art. 31. In afwijking van artikel 15, § 7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.".
Art. 2. L'article 31 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, abrogĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 31. Par dérogation à l'article 15, § 7, in fine, la communication s'effectue pour la premiÚre fois à partir du 1er septembre 2023. ".
  " Art. 31. Par dérogation à l'article 15, § 7, in fine, la communication s'effectue pour la premiÚre fois à partir du 1er septembre 2023. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
Art. 3. In bijlage IX van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 en 2 december 2022, wordt in het punt "Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt of met de verwarmingsaudit van een centraal stooktoestel" de rij
  "
  "
Art. 3. Dans l'annexe IX de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 3 mai 2019 et 2 dĂ©cembre 2022, au point " Obligations de la personne chargĂ©e de l'inspection avant la premiĂšre mise en service, de l'entretien ou de l'audit de chauffage d'un appareil de chauffage central ", la ligne
  "
  "
| 15, § 7 | De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde, meldt de kenmerken van het centraal stooktoestel en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt uiterlijk dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt. |
"
  vervangen door wat volgt:
  "
| 15, § 7 | La personne qui a exécuté l'inspection ou l'entretien complet ou son préposé communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet via l'application web de la VEKA dans la banque de données mentionnée à l'article 12.5.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009. La communication précitée s'effectue selon le format établi par la VEKA. La communication précitée s'effectue au plus tard trente jours aprÚs l'exécution de l'inspection ou de l'entretien complet. |
"
  est remplacée par ce qui suit :
  "
| 15, § 7 | De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel zoals het type toestel, de locatie, het vermogen, de brandstof, de brandertechnologie, het bouwjaar en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt, zoals het type activiteit, de datum van uitvoering van de activiteit en de eindbeoordeling, en dit via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt binnen dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt. |
".
| 15, § 7 | La personne qui a exécuté l'inspection ou l'entretien complet ou son préposé communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central telles que le type d'appareil, la localisation, la puissance, le combustible, la technologie du brûleur, l'année de construction et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet telles que le type d'activité, la date d'exécution de l'activité et l'évaluation finale via l'application web de la VEKA dans la banque de données mentionnée à l'article 12.5.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009. La communication précitée s'effectue selon le format établi par la VEKA. La communication précitée s'effectue dans les trente jours suivant l'exécution de l'inspection ou de l'entretien complet. |
".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebesluit van 19 november 2010
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010
Art. 4. In artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 24° wordt opgeheven;
  2° in punt 34° wordt tussen de woorden "een onderneming" en de woorden "met een jaarlijks finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd;
  3° aan punt 41° /1 wordt de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" toegevoegd;
  4° punt 72° wordt opgeheven;
  5° in punt 72° /0/1 wordt punt d) vervangen door wat volgt:
  "d) industriële gebouweenheden;";
  6° punt 84° wordt opgeheven;
  7° in punt 102° /3 wordt de zinsnede "artikel 7.9.2/0/7, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 7.9.2/0/8";
  8° in punt 105° wordt tussen de woorden "de onderneming" en de woorden "wordt uitgeoefend" de zinsnede ", de niet-commerciële instelling of de publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
  1° punt 24° wordt opgeheven;
  2° in punt 34° wordt tussen de woorden "een onderneming" en de woorden "met een jaarlijks finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd;
  3° aan punt 41° /1 wordt de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" toegevoegd;
  4° punt 72° wordt opgeheven;
  5° in punt 72° /0/1 wordt punt d) vervangen door wat volgt:
  "d) industriële gebouweenheden;";
  6° punt 84° wordt opgeheven;
  7° in punt 102° /3 wordt de zinsnede "artikel 7.9.2/0/7, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 7.9.2/0/8";
  8° in punt 105° wordt tussen de woorden "de onderneming" en de woorden "wordt uitgeoefend" de zinsnede ", de niet-commerciële instelling of de publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 4. A l'article 1.1.1, § 2, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 24° est abrogé ;
  2° au point 34°, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est inséré entre les mots " d'une entreprise " et les mots " dont la consommation d'énergie finale annuelle " ;
  3° au point 41° /1, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est ajouté ;
  4° le point 72° est abrogé ;
  5° au point 72° /0/1, le point d) est remplacé par ce qui suit :
  " d) unités de bùtiments industriels ; " ;
  6° le point 84° est abrogé ;
  7° au point 102° /3, le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/7, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/8 " ;
  8° au point 105°, le membre de phrase " de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée, tel que visée à " est remplacé par le membre de phrase " de l'entreprise, de l'organisme non commercial ou de la personne morale de droit public ou à partir duquel elle est exercée, au sens de ".
  1° le point 24° est abrogé ;
  2° au point 34°, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est inséré entre les mots " d'une entreprise " et les mots " dont la consommation d'énergie finale annuelle " ;
  3° au point 41° /1, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est ajouté ;
  4° le point 72° est abrogé ;
  5° au point 72° /0/1, le point d) est remplacé par ce qui suit :
  " d) unités de bùtiments industriels ; " ;
  6° le point 84° est abrogé ;
  7° au point 102° /3, le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/7, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/8 " ;
  8° au point 105°, le membre de phrase " de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée, tel que visée à " est remplacé par le membre de phrase " de l'entreprise, de l'organisme non commercial ou de la personne morale de droit public ou à partir duquel elle est exercée, au sens de ".
Art. 5. In artikel 3.1.55 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgt de distributienetbeheerder een offerte" vervangen door de woorden "bevestigt de distributienetbeheerder de ontvangst van deze aanvraag";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "De offerte, vermeld in het eerste lid, vermeldt ten minste" vervangen door de woorden "Daarbij meldt de distributienetbeheerder aan de netgebruiker";
  3° in het tweede lid worden de woorden "zoals bepaald in het vijfde lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in het zesde lid";
  4° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Behoudens ingeval de plaatsing van de digitale meter een aanpassing aan de aansluiting vergt of een wijziging of aanpassing van de meterlocatie dient te gebeuren, neemt de distributienetbeheerder de oude meetinrichting weg en plaatst hij een digitale meter binnen dertig werkdagen na de verzending aan de netgebruiker van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.".
  1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgt de distributienetbeheerder een offerte" vervangen door de woorden "bevestigt de distributienetbeheerder de ontvangst van deze aanvraag";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "De offerte, vermeld in het eerste lid, vermeldt ten minste" vervangen door de woorden "Daarbij meldt de distributienetbeheerder aan de netgebruiker";
  3° in het tweede lid worden de woorden "zoals bepaald in het vijfde lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in het zesde lid";
  4° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Behoudens ingeval de plaatsing van de digitale meter een aanpassing aan de aansluiting vergt of een wijziging of aanpassing van de meterlocatie dient te gebeuren, neemt de distributienetbeheerder de oude meetinrichting weg en plaatst hij een digitale meter binnen dertig werkdagen na de verzending aan de netgebruiker van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.".
Art. 5. A l'article 3.1.55 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " le gestionnaire de réseau de distribution introduit une offre " sont remplacés par les mots " le gestionnaire de réseau de distribution confirme la réception de cette demande " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " L'offre, visée à l'alinéa 1er, mentionne au moins " est remplacé par le membre de phrase " A cet égard, le gestionnaire de réseau de distribution notifie à l'utilisateur du réseau " ;
  3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " conformément à l'alinéa 5 " est remplacé par le membre de phrase " conformément à l'alinéa 6 " ;
  4° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Sauf dans le cas oĂč l'installation du compteur numĂ©rique nĂ©cessite une adaptation du raccordement ou une modification ou une adaptation de l'emplacement du compteur, le gestionnaire de rĂ©seau de distribution enlĂšve l'ancien dispositif de mesure et installe un compteur numĂ©rique dans les trente jours ouvrables de l'envoi Ă l'utilisateur du rĂ©seau de l'accusĂ© de rĂ©ception de la demande. ".
  1° à l'alinéa 1er, les mots " le gestionnaire de réseau de distribution introduit une offre " sont remplacés par les mots " le gestionnaire de réseau de distribution confirme la réception de cette demande " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " L'offre, visée à l'alinéa 1er, mentionne au moins " est remplacé par le membre de phrase " A cet égard, le gestionnaire de réseau de distribution notifie à l'utilisateur du réseau " ;
  3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " conformément à l'alinéa 5 " est remplacé par le membre de phrase " conformément à l'alinéa 6 " ;
  4° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Sauf dans le cas oĂč l'installation du compteur numĂ©rique nĂ©cessite une adaptation du raccordement ou une modification ou une adaptation de l'emplacement du compteur, le gestionnaire de rĂ©seau de distribution enlĂšve l'ancien dispositif de mesure et installe un compteur numĂ©rique dans les trente jours ouvrables de l'envoi Ă l'utilisateur du rĂ©seau de l'accusĂ© de rĂ©ception de la demande. ".
Art. 6. In artikel 3.1.57 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste tot en met het vijfde lid zullen paragraaf 1 vormen;
  2° het zesde lid wordt opgeheven;
  3° er worden een paragraaf 2 tot en met 4 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2025 bij actieve afnemers, met uitzondering van actieve afnemers die enkel de activiteit vermeld in artikel 4.4.2, § 1, eerste lid, 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uitoefenen, ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, als dat van toepassing is, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2026 ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2028 de geregistreerde uurgegevens voor gas uit op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.".
  1° het eerste tot en met het vijfde lid zullen paragraaf 1 vormen;
  2° het zesde lid wordt opgeheven;
  3° er worden een paragraaf 2 tot en met 4 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2025 bij actieve afnemers, met uitzondering van actieve afnemers die enkel de activiteit vermeld in artikel 4.4.2, § 1, eerste lid, 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uitoefenen, ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, als dat van toepassing is, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2026 ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2028 de geregistreerde uurgegevens voor gas uit op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.".
Art. 6. A l'article 3.1.57 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les alinéas 1er à 5 constitueront le paragraphe 1er ;
  2° l'alinéa 6 est abrogé ;
  3° des paragraphes 2 à 4 rédigés comme suit sont ajoutés :
  " § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2025, auprÚs des clients actifs, à l'exception des clients actifs qui exercent uniquement l'activité visée à l'article 4.4.2, § 1er, alinéa 1er, 4°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélÚvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er et au paragraphe 2, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2026, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélÚvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2028, au relevé des données horaires enregistrées pour le gaz aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique. ".
  1° les alinéas 1er à 5 constitueront le paragraphe 1er ;
  2° l'alinéa 6 est abrogé ;
  3° des paragraphes 2 à 4 rédigés comme suit sont ajoutés :
  " § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2025, auprÚs des clients actifs, à l'exception des clients actifs qui exercent uniquement l'activité visée à l'article 4.4.2, § 1er, alinéa 1er, 4°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélÚvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er et au paragraphe 2, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2026, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélÚvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procÚde, au plus tard à partir du 1er janvier 2028, au relevé des données horaires enregistrées pour le gaz aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van 19 oktober 2022, wordt een artikel 3.1.57/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 3.1.57/1. Op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter waarvan de budgetmeterfunctionaliteit actief is, zal na uitlezing minstens eenmaal per dag via het door de budgetmeterklant gekozen communicatiemiddel worden gecommuniceerd naar de budgetmeterklant wat het resterende krediet bedraagt en indien het resterende krediet voor een gemiddelde klant nog maximaal één dag zou meegaan wordt er meteen uitdrukkelijk gemeld dat het aangewezen is om extra krediet op te laden. Indien het een digitale budgetmeter voor elektriciteit betreft, wordt ook steeds gecommuniceerd of het noodkrediet is geactiveerd en desgevallend wat het restbedrag van het noodkrediet bedraagt, en desgevallend of de digitale budgetmeter voor elektriciteit in 10 ampÚrefunctie werkt.".
  "Art. 3.1.57/1. Op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter waarvan de budgetmeterfunctionaliteit actief is, zal na uitlezing minstens eenmaal per dag via het door de budgetmeterklant gekozen communicatiemiddel worden gecommuniceerd naar de budgetmeterklant wat het resterende krediet bedraagt en indien het resterende krediet voor een gemiddelde klant nog maximaal één dag zou meegaan wordt er meteen uitdrukkelijk gemeld dat het aangewezen is om extra krediet op te laden. Indien het een digitale budgetmeter voor elektriciteit betreft, wordt ook steeds gecommuniceerd of het noodkrediet is geactiveerd en desgevallend wat het restbedrag van het noodkrediet bedraagt, en desgevallend of de digitale budgetmeter voor elektriciteit in 10 ampÚrefunctie werkt.".
Art. 7. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du 19 octobre 2022, un article 3.1.57/1 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 3.1.57/1. Aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique dont la fonctionnalité " compteur à budget " est activée, le relevé sera suivi, au moins une fois par jour, de la communication au client disposant d'un compteur à budget, via le moyen de communication de son choix, du solde du crédit et si le solde du crédit devait permettre à un client moyen de tenir encore un jour maximum, le client est aussitÎt expressément avisé de recharger du crédit supplémentaire. Dans le cas d'un compteur à budget numérique pour l'électricité, la communication indique aussi toujours si le crédit de secours a été activé et, si tel est le cas, le solde du crédit de secours et, le cas échéant, si le compteur à budget numérique pour l'électricité fonctionne en 10 ampÚres. ".
  " Art. 3.1.57/1. Aux points d'accÚs munis d'un compteur numérique dont la fonctionnalité " compteur à budget " est activée, le relevé sera suivi, au moins une fois par jour, de la communication au client disposant d'un compteur à budget, via le moyen de communication de son choix, du solde du crédit et si le solde du crédit devait permettre à un client moyen de tenir encore un jour maximum, le client est aussitÎt expressément avisé de recharger du crédit supplémentaire. Dans le cas d'un compteur à budget numérique pour l'électricité, la communication indique aussi toujours si le crédit de secours a été activé et, si tel est le cas, le solde du crédit de secours et, le cas échéant, si le compteur à budget numérique pour l'électricité fonctionne en 10 ampÚres. ".
Art. 8. In artikel 3.2.8, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zin "De aanvraag wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs." opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 3.2.8, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la phrase " Cette demande est introduite par lettre recommandĂ©e ou remise contre rĂ©cĂ©pissĂ©. " est abrogĂ©e.
Art. 9. In artikel 3.2.9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "De VREG" en de woorden "gaat na" de woorden "meldt de ontvangst van de aanvraag en" ingevoegd;
  2° in het tweede lid worden de woorden "per aangetekende brief" opgeheven.
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "De VREG" en de woorden "gaat na" de woorden "meldt de ontvangst van de aanvraag en" ingevoegd;
  2° in het tweede lid worden de woorden "per aangetekende brief" opgeheven.
Art. 9. A l'article 3.2.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " accuse réception de la demande et " sont insérés entre les mots " La VREG " et le mot " vérifie " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé.
  1° à l'alinéa 1er, les mots " accuse réception de la demande et " sont insérés entre les mots " La VREG " et le mot " vérifie " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé.
Art. 10. In artikel 3.2.11, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "per aangetekende brief" worden opgeheven;
  2° het woord "haar" wordt vervangen door het woord "zijn".
  1° de woorden "per aangetekende brief" worden opgeheven;
  2° het woord "haar" wordt vervangen door het woord "zijn".
Art. 10. A l'article 3.2.11, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ© les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé ;
  2° dans la version néerlandaise, le mot " haar " est remplacé par le mot " zijn ".
  1° le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé ;
  2° dans la version néerlandaise, le mot " haar " est remplacé par le mot " zijn ".
Art. 11. In artikel 3.2.14, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord "ze" vervangen door het woord "hij".
Art. 11. Dans l'article 3.2.14, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, dans la version nĂ©erlandaise, le mot " ze " est remplacĂ© par le mot " hij ".
Art. 12. In artikel 3.2.18, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 4°, c), wordt de zinsnede "wanneer het gaat om een leverancier die meer dan 200.000 afnamepunten in het Vlaamse Gewest belevert" vervangen door de woorden "en dit voor alle producten waarop kan ingetekend worden";
  2° in punt 10° /1 worden de woorden "verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld" vervangen door de zinsnede "verbruiksinformatie en energiekostenramingen die op het werkelijke verbruik gebaseerd zijn, beschikbaar worden gesteld";
  3° er worden een punt 15° tot en met 17° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "15° vermeldt op iedere voorschotfactuur de precieze benaming van de huidige producten en toepasselijke tariefkaarten of, als het gaat om een digitale voorschotfactuur, de link naar de toepasselijke tariefkaarten, en ook de start- en einddatum van de huidige producten;
  16° zorgt ervoor dat de afnemer zijn lopende producten en de toepasselijke tariefkaarten, met de vermelding of het een variabele, een vaste, of een dynamische prijs betreft, en ook de start- en einddatum van de huidige producten altijd kan terugvinden in de onlineklantenzone;
  17° zorgt ervoor dat de volgende informatie eenvoudig terug te vinden is op zijn website:
  a) de tariefkaarten van alle producten die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;
  b) de werkelijke indexwaarden van de achttien voorgaande maanden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformules van de producten met variabele prijzen die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;";
  4° er worden een punt 18° en een punt 19° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "18° zorgt ervoor dat de afnemer in de online klantenzone, nadat de afrekenings- of slotfactuur in kwestie verstuurd is, de volgende informatie kan terugvinden:
  a) de precieze benaming van de producten en de tariefkaarten waarop de factuur gebaseerd is;
  b) vanaf 1 juli 2024 bij afnemers met een digitale meter, met uitzondering van afnemers met een dynamisch prijscontract, per maand:
  1) de aangerekende maandafname en maandinjectie, die uiterlijk op 1 april 2024 gebaseerd is op de werkelijk gemeten maandwaarden, op voorwaarde dat de leverancier de nodige meetgegevens van de databeheerder heeft ontvangen;
  2) de prijsformule die van toepassing was conform de tariefkaart;
  3) de werkelijke indexwaarden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformule van deze tariefkaart;
  19° bezorgt op aanvraag de informatie, vermeld in 18°, b), via het overeengekomen communicatiemiddel aan de afnemer binnen tien werkdagen na ontvangst van deze aanvraag.".
  1° in punt 4°, c), wordt de zinsnede "wanneer het gaat om een leverancier die meer dan 200.000 afnamepunten in het Vlaamse Gewest belevert" vervangen door de woorden "en dit voor alle producten waarop kan ingetekend worden";
  2° in punt 10° /1 worden de woorden "verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld" vervangen door de zinsnede "verbruiksinformatie en energiekostenramingen die op het werkelijke verbruik gebaseerd zijn, beschikbaar worden gesteld";
  3° er worden een punt 15° tot en met 17° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "15° vermeldt op iedere voorschotfactuur de precieze benaming van de huidige producten en toepasselijke tariefkaarten of, als het gaat om een digitale voorschotfactuur, de link naar de toepasselijke tariefkaarten, en ook de start- en einddatum van de huidige producten;
  16° zorgt ervoor dat de afnemer zijn lopende producten en de toepasselijke tariefkaarten, met de vermelding of het een variabele, een vaste, of een dynamische prijs betreft, en ook de start- en einddatum van de huidige producten altijd kan terugvinden in de onlineklantenzone;
  17° zorgt ervoor dat de volgende informatie eenvoudig terug te vinden is op zijn website:
  a) de tariefkaarten van alle producten die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;
  b) de werkelijke indexwaarden van de achttien voorgaande maanden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformules van de producten met variabele prijzen die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;";
  4° er worden een punt 18° en een punt 19° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "18° zorgt ervoor dat de afnemer in de online klantenzone, nadat de afrekenings- of slotfactuur in kwestie verstuurd is, de volgende informatie kan terugvinden:
  a) de precieze benaming van de producten en de tariefkaarten waarop de factuur gebaseerd is;
  b) vanaf 1 juli 2024 bij afnemers met een digitale meter, met uitzondering van afnemers met een dynamisch prijscontract, per maand:
  1) de aangerekende maandafname en maandinjectie, die uiterlijk op 1 april 2024 gebaseerd is op de werkelijk gemeten maandwaarden, op voorwaarde dat de leverancier de nodige meetgegevens van de databeheerder heeft ontvangen;
  2) de prijsformule die van toepassing was conform de tariefkaart;
  3) de werkelijke indexwaarden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformule van deze tariefkaart;
  19° bezorgt op aanvraag de informatie, vermeld in 18°, b), via het overeengekomen communicatiemiddel aan de afnemer binnen tien werkdagen na ontvangst van deze aanvraag.".
Art. 12. A l'article 3.2.18, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 4°, c), le membre de phrase " lorsqu'il s'agit d'un fournisseur qui approvisionne plus de 200 000 points de prĂ©lĂšvement en RĂ©gion flamande " est remplacĂ© par le membre de phrase " et ce, pour tous les produits auxquels il peut ĂȘtre souscrit " ;
  2° au point 10° /1 les mots " des informations précises de consommation " sont remplacés par les mots " des informations de consommation précises et des estimations concernant les coûts énergétiques " ;
  3° des points 15° à 17° rédigés comme suit sont ajoutés :
  " 15° mentionne sur chaque facture d'acompte la dénomination précise des produits actuels et les cartes tarifaires applicables ou, dans le cas d'une facture d'acompte numérique, le lien vers les cartes tarifaires applicables ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
  16° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne ses produits en cours et les cartes tarifaires applicables, avec la mention de ce qu'il s'agit d'un prix variable, fixe ou dynamique, ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
  17° veille Ă ce que les informations suivantes puissent ĂȘtre facilement trouvĂ©es sur son site web :
  a) les cartes tarifaires de tous les produits qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ;
  b) les valeurs réelles des indices des dix-huit mois précédents des paramÚtres utilisés dans les formules de prix des produits à prix variables qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ; " ;
  4° un point 18° et un point 19° rédigés comme suit sont ajoutés :
  " 18° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne les informations suivantes aprÚs l'envoi de la facture de décompte ou de clÎture concernée :
  a) la dénomination précise des produits et les cartes tarifaires sur lesquelles la facture est basée ;
  b) à partir du 1er juillet 2024, chez les clients équipés d'un compteur numérique, à l'exception des clients ayant un contrat à prix dynamique, par mois :
  1) le prélÚvement et l'injection mensuels facturés, basés, au plus tard le 1er avril 2024, sur les valeurs mensuelles réellement mesurées, à condition que le fournisseur ait reçu les données de mesure nécessaires du gestionnaire de données ;
  2) la formule de prix qui était applicable conformément à la carte tarifaire ;
  3) les valeurs réelles des indices des paramÚtres utilisés dans la formule de prix de cette carte tarifaire ;
  19° transmet au client, à sa demande, les informations mentionnées au point 18°, b), via le moyen de communication convenu dans les dix jours ouvrables de la réception de cette demande. ".
  1° au point 4°, c), le membre de phrase " lorsqu'il s'agit d'un fournisseur qui approvisionne plus de 200 000 points de prĂ©lĂšvement en RĂ©gion flamande " est remplacĂ© par le membre de phrase " et ce, pour tous les produits auxquels il peut ĂȘtre souscrit " ;
  2° au point 10° /1 les mots " des informations précises de consommation " sont remplacés par les mots " des informations de consommation précises et des estimations concernant les coûts énergétiques " ;
  3° des points 15° à 17° rédigés comme suit sont ajoutés :
  " 15° mentionne sur chaque facture d'acompte la dénomination précise des produits actuels et les cartes tarifaires applicables ou, dans le cas d'une facture d'acompte numérique, le lien vers les cartes tarifaires applicables ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
  16° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne ses produits en cours et les cartes tarifaires applicables, avec la mention de ce qu'il s'agit d'un prix variable, fixe ou dynamique, ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
  17° veille Ă ce que les informations suivantes puissent ĂȘtre facilement trouvĂ©es sur son site web :
  a) les cartes tarifaires de tous les produits qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ;
  b) les valeurs réelles des indices des dix-huit mois précédents des paramÚtres utilisés dans les formules de prix des produits à prix variables qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ; " ;
  4° un point 18° et un point 19° rédigés comme suit sont ajoutés :
  " 18° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne les informations suivantes aprÚs l'envoi de la facture de décompte ou de clÎture concernée :
  a) la dénomination précise des produits et les cartes tarifaires sur lesquelles la facture est basée ;
  b) à partir du 1er juillet 2024, chez les clients équipés d'un compteur numérique, à l'exception des clients ayant un contrat à prix dynamique, par mois :
  1) le prélÚvement et l'injection mensuels facturés, basés, au plus tard le 1er avril 2024, sur les valeurs mensuelles réellement mesurées, à condition que le fournisseur ait reçu les données de mesure nécessaires du gestionnaire de données ;
  2) la formule de prix qui était applicable conformément à la carte tarifaire ;
  3) les valeurs réelles des indices des paramÚtres utilisés dans la formule de prix de cette carte tarifaire ;
  19° transmet au client, à sa demande, les informations mentionnées au point 18°, b), via le moyen de communication convenu dans les dix jours ouvrables de la réception de cette demande. ".
Art. 13. Aan artikel 5.4.1, § 6, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, 8 juli 2022 en 19 oktober 2022, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het tweede lid, wordt vanaf 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 een noodkrediet van 110,00 euro ter beschikking gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.".
  "In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het tweede lid, wordt vanaf 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 een noodkrediet van 110,00 euro ter beschikking gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.".
Art. 13. : A l'article 5.4.1, § 6, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 fĂ©vrier 2022, 8 juillet 2022 et 19 octobre 2022, un alinĂ©a 3 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application de l'alinéa 2, un crédit de secours de 110,00 euros est mis à la disposition du client résidentiel de gaz naturel à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 30 juin 2024. ".
  " Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application de l'alinéa 2, un crédit de secours de 110,00 euros est mis à la disposition du client résidentiel de gaz naturel à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 30 juin 2024. ".
Art. 14. In artikel 5.7.1, eerste lid, 3°, v), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de woorden "en per postcode" vervangen door de woorden "per postcode".
Art. 14. Dans l'article 5.7.1, alinĂ©a 1er, 3°, v), du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022, les mots " et par code postal " sont remplacĂ©s par les mots " par code postal ".
Art. 15. In artikel 6.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
  2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De definitieve aanvraag voor de toekenning van groenestroomcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe groenestroominstallaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend.".
  1° in het tweede lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
  2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De definitieve aanvraag voor de toekenning van groenestroomcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe groenestroominstallaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend.".
Art. 15. A l'article 6.1.2, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 2, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le cas de nouvelles installations de production d'électricité verte, la demande définitive d'octroi de certificats verts est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans aprÚs la date de mise en service de l'installation. ".
  1° à l'alinéa 2, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le cas de nouvelles installations de production d'électricité verte, la demande définitive d'octroi de certificats verts est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans aprÚs la date de mise en service de l'installation. ".
Art. 16. In artikel 6.1.12/1, § 3, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017, wordt tussen de woorden "uitsluitend vaste" en de woorden "of gasvormige" de zinsnede ", vloeibare" ingevoegd.
Art. 16. Dans l'article 6.1.12/1, § 3, 4°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 mai 2017, les mots " solide ou gazeux " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " solide, liquide ou gazeuse ".
Art. 17. In artikel 6.2.2, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaams Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
  2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De definitieve aanvraag voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe warmtekracht-installaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend, of ten laatste twee jaar na de voltooiing van de ingrijpende wijziging als het een ingrijpende wijziging betreft.".
  1° in het derde lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
  2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De definitieve aanvraag voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe warmtekracht-installaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend, of ten laatste twee jaar na de voltooiing van de ingrijpende wijziging als het een ingrijpende wijziging betreft.".
Art. 17. A l'article 6.2.2, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 3, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le cas de nouvelles installations de cogénération, la demande définitive d'octroi de certificats de cogénération est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans aprÚs la date de mise en service de l'installation ou au plus tard deux ans aprÚs l'achÚvement de la modification substantielle s'il est question d'une modification substantielle. ".
  1° à l'alinéa 3, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le cas de nouvelles installations de cogénération, la demande définitive d'octroi de certificats de cogénération est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans aprÚs la date de mise en service de l'installation ou au plus tard deux ans aprÚs l'achÚvement de la modification substantielle s'il est question d'une modification substantielle. ".
Art. 18. In artikel 6.2.10, § 8, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, worden de woorden "vloeibare biobrandstoffen" vervangen door de woorden "vloeibare biomassa".
Art. 18. Dans l'article 6.2.10, § 8, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015, les mots " biocarburants liquides " sont remplacĂ©s par les mots " biomasse liquide ".
Art. 19. In artikel 6.2/1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het vierde en vijfde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor groenestroomprojecten op basis van zonne-energie uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum in 2020 en een afschrijvingstermijn van twaalf jaar, waarvoor vóór 1 september 2020 nog geen voorlopige of definitieve projectspecifieke bandingfactor is vastgelegd, bedraagt de maximaal toegelaten bandingfactor 1.".
  "Voor groenestroomprojecten op basis van zonne-energie uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum in 2020 en een afschrijvingstermijn van twaalf jaar, waarvoor vóór 1 september 2020 nog geen voorlopige of definitieve projectspecifieke bandingfactor is vastgelegd, bedraagt de maximaal toegelaten bandingfactor 1.".
Art. 19. Dans l'article 6.2/1.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 dĂ©cembre 2012 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© entre les alinĂ©as 4 et 5 :
  " Pour les projets d'électricité verte basés sur l'énergie solaire issus de catégories de projets non représentatives, dont la date de début se situe en 2020 et dont la durée d'amortissement est de douze ans, pour lesquels aucun facteur de banding provisoire ou définitif spécifique au projet n'a encore été fixé avant le 1er septembre 2020, le facteur de banding maximum autorisé s'élÚve à 1. ".
  " Pour les projets d'électricité verte basés sur l'énergie solaire issus de catégories de projets non représentatives, dont la date de début se situe en 2020 et dont la durée d'amortissement est de douze ans, pour lesquels aucun facteur de banding provisoire ou définitif spécifique au projet n'a encore été fixé avant le 1er septembre 2020, le facteur de banding maximum autorisé s'élÚve à 1. ".
Art. 20. In artikel 6.4.1/1/1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
  1° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
Art. 20. A l'article 6.4.1/1/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 20 mai 2022 et 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
  1° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 6000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | / | 2250 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel, bùtiment résidentiel collectif, nouveau bùtiment résidentiel ou nouveau bùtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 6000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | / | 2250 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 6000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 2250 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
  2° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
| à partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel, bùtiment résidentiel collectif, nouveau bùtiment résidentiel ou nouveau bùtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 6000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 2250 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
  2° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
| vanaf 1 januari 2024 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2700 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
  3° in het eerste lid, 3/1°, worden in de tabel de rijen "
| à partir du 1er janvier 2024 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2700 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel, bùtiment résidentiel collectif, nouveau bùtiment résidentiel ou nouveau bùtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont abrogées ;
  3° à l'alinéa 1er, 3/1°, dans le tableau, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 2000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectieve woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2400 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | / | 1500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 2000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2400 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | / | 1500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectieve woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2400 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 1500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
  4° in het eerste lid, 3/1°, worden de rijen "
| A partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2400 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 1500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
  4° à l'alinéa 1er, 3/1°, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2024 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 1800 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
  5° in het tweede lid, 3°, worden de rijen "
| A partir du 1er janvier 2024 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bùtiment résidentiel collectif ou nouveau bùtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 1800 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bùtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont abrogées ;
  5° à l'alinéa 2, 3°, les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 7200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | / | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 7200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | / | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 7200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | Premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
  6° in het tweede lid, 3°, wordt de rij "
| à partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 7200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | Demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
  6° à l'alinéa 2, 3°, la ligne "
| vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 5400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
  7° in het tweede lid, 3/1°, worden de rijen "
| à partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 5400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" est abrogée ;
  7° à l'alinéa 2, 3/1°, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 3200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | / | 2400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 3200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | / | 2400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 | Premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | Premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 2400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
  8° in het tweede lid, 3/1°, wordt de rij "
| A partir du 1er janvier 2022 | Demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | Demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 2400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
  8° à l'alinéa 2, 3/1°, la ligne "
| Vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven.
| A partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" est abrogée.
Art. 21. Artikel 6.4.1/1/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 december 2021 en 4 februari 2022, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Art. 6.4.1/1/4. § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft vanaf 2021 aan aanvragers een premie voor de grondige energetische renovatie van een woning, collectief woongebouw of wooneenheid. De voormelde aanvragers zijn voor de voormelde woning, het voormelde collectieve woongebouw of de voormelde wooneenheid uitgesloten van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
  Aanvragers kunnen de premie, vermeld in het eerste lid, verkrijgen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de aanvrager beschikt over een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019 en dat dateert van ten laatste 31 december 2026, waaruit blijkt dat de woning of het collectieve woongebouw energielabel E of F had, of de wooneenheid een energielabel D, E of F had;
  2° er is nog geen voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, geactiveerd;
  3° de aanvrager is houder van een zakelijk recht verbonden aan de voormelde woning, het voormelde collectief woongebouw of de voormelde wooneenheid.
  Binnen vijf jaar na de datum van het energieprestatiecertificaat, vermeld in het tweede lid, 1°, beschikt de aanvrager ook over een nieuw geldig energieprestatiecertificaat. Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1°, die zijn opgemaakt in 2019 of 2020, begint de voormelde termijn te lopen vanaf 1 januari 2021.
  Uit het nieuwe energieprestatiecertificaat, vermeld in het derde lid, blijkt minstens de volgende energetische verbetering:
  1° voor een wooneenheid een energieprestatiecertificaat met minstens label B;
  2° voor een woning of collectief woongebouw een energieprestatiecertificaat met minstens label C.
  De aanvraag van de uitbetaling van de premie, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributiebeheerder uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de termijn van vijf jaar, vermeld in het derde lid, is verstreken.
  Voor elke woning, elk collectief woongebouw of elke wooneenheid kan maar één aanvraag als vermeld in het vijfde lid, worden ingediend en de voormelde aanvraag blijft verbonden aan de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid.
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
  1° voor een wooneenheid:
  a) 2500 euro als label B wordt behaald;
  b) 3750 euro als label A wordt behaald;
  2° voor een woning of collectief woongebouw:
  a) 2500 euro als label C wordt behaald;
  b) 3750 euro als label B wordt behaald;
  c) 5000 euro als label A wordt behaald.
  In afwijking van het zevende lid wordt voor uitbetalingen die vanaf 1 april 2024 worden aangevraagd, aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, volgende bedragen toegekend:
  1° voor een wooneenheid:
  a) 3000 euro als label B wordt behaald;
  b) 4500 euro als label A wordt behaald;
  2° voor een woning of collectief woongebouw:
  a) 3000 euro als label C wordt behaald;
  b) 4500 euro als label B wordt behaald;
  c) 6000 euro als label A wordt behaald.
  Als een aanvrager als vermeld in het eerste lid, achtereenvolgens verschillende geldige energieprestatiecertificaten met opeenvolgende labelverbeteringen voorlegt gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, wordt na de uitbetaling van een eerdere premie als bijkomende premie alleen het verschil tussen de premie voor het label waarvoor al een premie is uitbetaald, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label, vermeld in het vijfde lid, uitbetaald, waarbij dat laatste label altijd beter moet zijn dan het vorige bereikte label.
  De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de premie kan worden aangevraagd en de bewijsstukken die worden vereist.
  § 2. Voor uitbetalingen van premies als vermeld in paragraaf 1, die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025, worden in afwijking van paragraaf 1 de volgende bedragen toegekend aan de aanvrager:
  " § 1. Art. 6.4.1/1/4. § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft vanaf 2021 aan aanvragers een premie voor de grondige energetische renovatie van een woning, collectief woongebouw of wooneenheid. De voormelde aanvragers zijn voor de voormelde woning, het voormelde collectieve woongebouw of de voormelde wooneenheid uitgesloten van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
  Aanvragers kunnen de premie, vermeld in het eerste lid, verkrijgen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de aanvrager beschikt over een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019 en dat dateert van ten laatste 31 december 2026, waaruit blijkt dat de woning of het collectieve woongebouw energielabel E of F had, of de wooneenheid een energielabel D, E of F had;
  2° er is nog geen voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, geactiveerd;
  3° de aanvrager is houder van een zakelijk recht verbonden aan de voormelde woning, het voormelde collectief woongebouw of de voormelde wooneenheid.
  Binnen vijf jaar na de datum van het energieprestatiecertificaat, vermeld in het tweede lid, 1°, beschikt de aanvrager ook over een nieuw geldig energieprestatiecertificaat. Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1°, die zijn opgemaakt in 2019 of 2020, begint de voormelde termijn te lopen vanaf 1 januari 2021.
  Uit het nieuwe energieprestatiecertificaat, vermeld in het derde lid, blijkt minstens de volgende energetische verbetering:
  1° voor een wooneenheid een energieprestatiecertificaat met minstens label B;
  2° voor een woning of collectief woongebouw een energieprestatiecertificaat met minstens label C.
  De aanvraag van de uitbetaling van de premie, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributiebeheerder uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de termijn van vijf jaar, vermeld in het derde lid, is verstreken.
  Voor elke woning, elk collectief woongebouw of elke wooneenheid kan maar één aanvraag als vermeld in het vijfde lid, worden ingediend en de voormelde aanvraag blijft verbonden aan de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid.
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
  1° voor een wooneenheid:
  a) 2500 euro als label B wordt behaald;
  b) 3750 euro als label A wordt behaald;
  2° voor een woning of collectief woongebouw:
  a) 2500 euro als label C wordt behaald;
  b) 3750 euro als label B wordt behaald;
  c) 5000 euro als label A wordt behaald.
  In afwijking van het zevende lid wordt voor uitbetalingen die vanaf 1 april 2024 worden aangevraagd, aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, volgende bedragen toegekend:
  1° voor een wooneenheid:
  a) 3000 euro als label B wordt behaald;
  b) 4500 euro als label A wordt behaald;
  2° voor een woning of collectief woongebouw:
  a) 3000 euro als label C wordt behaald;
  b) 4500 euro als label B wordt behaald;
  c) 6000 euro als label A wordt behaald.
  Als een aanvrager als vermeld in het eerste lid, achtereenvolgens verschillende geldige energieprestatiecertificaten met opeenvolgende labelverbeteringen voorlegt gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, wordt na de uitbetaling van een eerdere premie als bijkomende premie alleen het verschil tussen de premie voor het label waarvoor al een premie is uitbetaald, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label, vermeld in het vijfde lid, uitbetaald, waarbij dat laatste label altijd beter moet zijn dan het vorige bereikte label.
  De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de premie kan worden aangevraagd en de bewijsstukken die worden vereist.
  § 2. Voor uitbetalingen van premies als vermeld in paragraaf 1, die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025, worden in afwijking van paragraaf 1 de volgende bedragen toegekend aan de aanvrager:
Art. 21. L'article 6.4.1/1/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 septembre 2020, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 dĂ©cembre 2020 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 10 dĂ©cembre 2021 et 4 fĂ©vrier 2022, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er. Art. 6.4.1/1/4. § 1er. A partir de 2021, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité accorde aux demandeurs une prime à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement. Les demandeurs précités ont été exclus du bénéfice de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3 pour le logement, le bùtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement précités.
  Les demandeurs peuvent obtenir la prime mentionnée à l'alinéa 1er si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  1° le demandeur dispose d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019 et datant du 31 décembre 2026 au plus tard, attestant que le logement ou le bùtiment résidentiel collectif avait un label énergétique E ou F ou que l'unité de logement avait un label énergétique D, E ou F ;
  2° le voucher visé à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé ;
  3° le demandeur est titulaire d'un droit réel attaché au logement, au bùtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement précités.
  Dans les cinq ans suivant la date du certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 2, 1°, le demandeur dispose également d'un nouveau certificat de performance énergétique valable. En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1°, qui ont été établis en 2019 ou 2020, le délai précité commence à courir le 1er janvier 2021.
  Le nouveau certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 3 atteste au minimum de l'amélioration énergétique suivante :
  1° pour une unité de logement, un certificat de performance énergétique portant le label B au moins ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif, un certificat de performance énergétique portant le label C au moins.
  La demande de paiement de la prime mentionnée à l'alinéa 1er est introduite auprÚs du gestionnaire de réseau de distribution d'électricité au plus tard dans les douze mois suivant l'expiration du délai de cinq ans visé à l'alinéa 3.
  Une seule demande telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 5 peut ĂȘtre introduite pour chaque logement, bĂątiment rĂ©sidentiel collectif ou unitĂ© de logement et la demande prĂ©citĂ©e demeure attachĂ©e au logement, au bĂątiment rĂ©sidentiel collectif ou Ă l'unitĂ© de logement.
  Le montant de la prime mentionnée à l'alinéa 1er s'élÚve à :
  1° pour une unité de logement : 1
  a) 2500 euros si le label B est obtenu ;
  b) 3750 euros si le label A est obtenu ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif :
  a) 2500 euros si le label C est obtenu ;
  b) 3750 euros si le label B est obtenu ;
  c) 5000 euros si le label A est obtenu.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 7, pour les paiements demandĂ©s Ă partir du 1er avril 2024, les montants suivants sont octroyĂ©s aux occupants tels que visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 et qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 :
  1° pour une unité de logement :
  a) 3000 euros si le label B est obtenu ;
  b) 4500 euros si le label A est obtenu ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif :
  a) 3000 euros si le label C est obtenu ;
  b) 4500 euros si le label B est obtenu ;
  c) 6000 euros si le label A est obtenu.
  Si un demandeur, tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, produit successivement plusieurs certificats de performance Ă©nergĂ©tique valables avec des amĂ©liorations successives du label durant la pĂ©riode visĂ©e Ă l'alinĂ©a 4, aprĂšs le paiement d'une prime prĂ©cĂ©dente, seule la diffĂ©rence entre la prime liĂ©e au label pour lequel une prime a dĂ©jĂ Ă©tĂ© versĂ©e et la prime liĂ©e au nouveau label obtenu, visĂ©e Ă l'alinĂ©a 5, est versĂ©e en guise de prime supplĂ©mentaire, ce dernier label devant toujours ĂȘtre meilleur que le prĂ©cĂ©dent label obtenu.
  Le ministre peut préciser les rÚgles concernant les modalités de demande de prime et les piÚces justificatives requises.
  § 2. Pour les paiements de primes tels que visés au paragraphe 1er, qui sont demandés à partir du 1er janvier 2025, les montants suivants sont octroyés au demandeur par dérogation au paragraphe 1er :
  " § 1er. Art. 6.4.1/1/4. § 1er. A partir de 2021, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité accorde aux demandeurs une prime à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bùtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement. Les demandeurs précités ont été exclus du bénéfice de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3 pour le logement, le bùtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement précités.
  Les demandeurs peuvent obtenir la prime mentionnée à l'alinéa 1er si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  1° le demandeur dispose d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019 et datant du 31 décembre 2026 au plus tard, attestant que le logement ou le bùtiment résidentiel collectif avait un label énergétique E ou F ou que l'unité de logement avait un label énergétique D, E ou F ;
  2° le voucher visé à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé ;
  3° le demandeur est titulaire d'un droit réel attaché au logement, au bùtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement précités.
  Dans les cinq ans suivant la date du certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 2, 1°, le demandeur dispose également d'un nouveau certificat de performance énergétique valable. En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1°, qui ont été établis en 2019 ou 2020, le délai précité commence à courir le 1er janvier 2021.
  Le nouveau certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 3 atteste au minimum de l'amélioration énergétique suivante :
  1° pour une unité de logement, un certificat de performance énergétique portant le label B au moins ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif, un certificat de performance énergétique portant le label C au moins.
  La demande de paiement de la prime mentionnée à l'alinéa 1er est introduite auprÚs du gestionnaire de réseau de distribution d'électricité au plus tard dans les douze mois suivant l'expiration du délai de cinq ans visé à l'alinéa 3.
  Une seule demande telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 5 peut ĂȘtre introduite pour chaque logement, bĂątiment rĂ©sidentiel collectif ou unitĂ© de logement et la demande prĂ©citĂ©e demeure attachĂ©e au logement, au bĂątiment rĂ©sidentiel collectif ou Ă l'unitĂ© de logement.
  Le montant de la prime mentionnée à l'alinéa 1er s'élÚve à :
  1° pour une unité de logement : 1
  a) 2500 euros si le label B est obtenu ;
  b) 3750 euros si le label A est obtenu ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif :
  a) 2500 euros si le label C est obtenu ;
  b) 3750 euros si le label B est obtenu ;
  c) 5000 euros si le label A est obtenu.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 7, pour les paiements demandĂ©s Ă partir du 1er avril 2024, les montants suivants sont octroyĂ©s aux occupants tels que visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 et qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 :
  1° pour une unité de logement :
  a) 3000 euros si le label B est obtenu ;
  b) 4500 euros si le label A est obtenu ;
  2° pour un logement ou un bùtiment résidentiel collectif :
  a) 3000 euros si le label C est obtenu ;
  b) 4500 euros si le label B est obtenu ;
  c) 6000 euros si le label A est obtenu.
  Si un demandeur, tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, produit successivement plusieurs certificats de performance Ă©nergĂ©tique valables avec des amĂ©liorations successives du label durant la pĂ©riode visĂ©e Ă l'alinĂ©a 4, aprĂšs le paiement d'une prime prĂ©cĂ©dente, seule la diffĂ©rence entre la prime liĂ©e au label pour lequel une prime a dĂ©jĂ Ă©tĂ© versĂ©e et la prime liĂ©e au nouveau label obtenu, visĂ©e Ă l'alinĂ©a 5, est versĂ©e en guise de prime supplĂ©mentaire, ce dernier label devant toujours ĂȘtre meilleur que le prĂ©cĂ©dent label obtenu.
  Le ministre peut préciser les rÚgles concernant les modalités de demande de prime et les piÚces justificatives requises.
  § 2. Pour les paiements de primes tels que visés au paragraphe 1er, qui sont demandés à partir du 1er janvier 2025, les montants suivants sont octroyés au demandeur par dérogation au paragraphe 1er :
| Â | EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem |
| woning of collectief   woongebouw | A | 4000 euro | 5000 euro |
|  | B | 3000 euro | 3750 euro   |
| Â | C | 2000 euro | 2500 euro |
| wooneenheid | A | 3000 euro | 3750 euro |
| Â | B | 2000 euro | 2500 euro |
  woongebouw A 4000 euro 5000 euro B 3000 euro 3750 euro
C 2000 euro 2500 euro wooneenheid A 3000 euro 3750 euro B 2000 euro 2500 euro
In afwijking van het eerste lid worden aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, de volgende bedragen toegekend voor uitbetalingen die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025:
|  | Label CPE   aprÚs rénovation | sans systÚme   de ventilation | avec systÚme   de ventilation |
| logement ou bùtiment résidentiel collectif | A | 4000 euros | 5000 euros |
|  | B | 3000 euros | 3750 euros   |
| Â | C | 2000 euros | 2500 euros |
| unité de logement | A | 3000 euros | 3750 euros |
| Â | B | 2000 euros | 2500 euros |
  aprÚs rénovation sans systÚme
  de ventilation avec systÚme
  de ventilation logement ou bùtiment résidentiel collectif A 4000 euros 5000 euros B 3000 euros 3750 euros
C 2000 euros 2500 euros unité de logement A 3000 euros 3750 euros B 2000 euros 2500 euros
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, les montants suivants sont octroyĂ©s aux occupants tels que visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, pour les paiements demandĂ©s Ă partir du 1er janvier 2025 :
| Â | EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem |
| woning of collectief woongebouw | A | 5000 euro | 6000 euro |
|  | B | 3750 euro | 4500 euro   |
| Â | C | 2500 euro | 3000 euro |
| wooneenheid | A | 3750 euro | 4500 euro |
| Â | B | 2500 euro | 3000 euro |
C 2500 euro 3000 euro wooneenheid A 3750 euro 4500 euro B 2500 euro 3000 euro
In afwijking van het eerste en tweede lid worden aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, de volgende bedragen toegekend voor uitbetalingen die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025:
|  | Label CPE   aprÚs rénovation | sans systÚme   de ventilation | avec systÚme   de ventilation |
| logement ou bùtiment résidentiel collectif | A | 5000 euros | 6000 euros |
|  | B | 3750 euros | 4500 euros   |
| Â | C | 2500 euros | 3000 euros |
| unité de logement | A | 3750 euros | 4500 euros |
| Â | B | 2500 euros | 3000 euros |
  aprÚs rénovation sans systÚme
  de ventilation avec systÚme
  de ventilation logement ou bùtiment résidentiel collectif A 5000 euros 6000 euros B 3750 euros 4500 euros
C 2500 euros 3000 euros unité de logement A 3750 euros 4500 euros B 2500 euros 3000 euros
Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 2, les montants suivants sont octroyĂ©s aux occupants tels que visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visĂ©s Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, pour les paiements demandĂ©s Ă partir du 1er janvier 2025 :
| Â | EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem |
| woning of collectief   woongebouw | A | 6000 euro | 7000 euro |
|  | B | 4500 euro | 5250 euro   |
| Â | C | 3000 euro | 3500 euro |
| wooneenheid | A | 4500 euro | 5250 euro |
| Â | B | 3000 euro | 3500 euro |
  woongebouw A 6000 euro 7000 euro B 4500 euro 5250 euro
C 3000 euro 3500 euro wooneenheid A 4500 euro 5250 euro B 3000 euro 3500 euro
De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan het ventilatiesysteem, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de installateurs van de voormelde ventilatiesystemen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de bedragen, vermeld in deze paragraaf.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 komen aanvragers die voor 1 januari 2021 al minstens één investering als vermeld in artikel 6.4.1/1/3, met eindfacturen tot en met 31 december 2020 hebben gedaan en daarvoor een premie hebben aangevraagd, niet in aanmerking voor de premie, vermeld in paragraaf 1, tenzij de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, is verstreken.
  Als de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, is verstreken, dan dateert het energieprestatiecertificaat, vermeld in paragraaf 1, derde lid, echter van na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid.
  Als de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, niet is verstreken, blijft de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid onderworpen aan de premievoorwaarden, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
  In afwijking van het eerste tot en met het derde lid komen aanvragers die vanaf 1 januari 2021 de nieuwe houder van het zakelijk recht van de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid zijn geworden, in aanmerking voor de premie, vermeld in dit artikel. In hoofde van de nieuwe houder van het zakelijk recht wordt het recht op een geactiveerde voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, beëindigd.
  § 4. Vanaf 1 januari 2021 kunnen geen nieuwe vouchers als vermeld in artikel 6.4.1/1/3, worden geactiveerd.
  In afwijking van het eerste lid en van paragraaf 1 kunnen de aanvragers, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kiezen tussen de premie, vermeld in paragraaf 1, of de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3 is voor 1 januari 2021 nog niet geactiveerd;
  2° de eerste eindfactuur voor de gedane investeringen heeft een datum vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;
  3° de aanvragers- kunnen voor de eindfactuur, vermeld in punt 2°, een ondertekende bestelbon of ondertekende offerte voorleggen die dateert van vóór 1 januari 2021;
  4° de aanvraag van de premie voor de investeringen die op de eindfactuur, vermeld in punt 2°, vermeld zijn, wordt ingediend voor 1 juli 2022.
  De keuze van de aanvragers, vermeld in het paragraaf 1, eerste lid, is voor die woning, dat collectieve woongebouw of die wooneenheid onherroepelijk. Als de aanvrager kiest voor de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, blijft die woning, dat collectieve woongebouw of die wooneenheid onderworpen aan de daarbij van toepassing zijnde premievoorwaarden.
  De minister kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop aanvragers de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte kunnen brengen van hun keuze en voor de bewijsdocumenten die vereist zijn.".
|  | Label CPE   aprÚs rénovation | sans systÚme   de ventilation | avec systÚme   de ventilation |
| logement ou bùtiment résidentiel collectif | A | 6000 euros | 7000 euros |
|  | B | 4500 euros | 5250 euros   |
| Â | C | 3000 euros | 3500 euros |
| unité de logement | A | 4500 euros | 5250 euros |
| Â | B | 3000 euros | 3500 euros |
  aprÚs rénovation sans systÚme
  de ventilation avec systÚme
  de ventilation logement ou bùtiment résidentiel collectif A 6000 euros 7000 euros B 4500 euros 5250 euros
C 3000 euros 3500 euros unité de logement A 4500 euros 5250 euros B 3000 euros 3500 euros
Le ministre peut prĂ©ciser les modalitĂ©s et fixer les exigences techniques auxquelles doivent satisfaire le systĂšme de ventilation visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, ou les exĂ©cutants des travaux ou les installateurs des systĂšmes de ventilation prĂ©citĂ©s, respectivement, pour ĂȘtre Ă©ligibles aux montants visĂ©s dans le prĂ©sent paragraphe.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les demandeurs qui ont déjà effectué avant le 1er janvier 2021 au moins un investissement, tel que visé à l'article 6.4.1/1/3, avec factures finales jusqu'au 31 décembre 2020 et qui ont demandé une prime à ce titre ne sont pas éligibles à la prime mentionnée dans le paragraphe 1er, à moins que le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, ne soit expiré.
  Si le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, est expiré, le certificat de performance énergétique mentionné dans le paragraphe 1er, alinéa 3, est cependant postérieur à l'expiration du délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er.
  Si le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, n'est pas expiré, le logement, le bùtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement restent soumis aux conditions de prime mentionnées à l'article 6.4.1/1/3.
  Par dérogation aux alinéas 1er à 3, les demandeurs qui, à partir du 1er janvier 2021, sont devenus le nouveau titulaire du droit réel du logement, du bùtiment résidentiel collectif ou de l'unité de logement sont éligibles à la prime mentionnée dans le présent article. Dans le chef du nouveau titulaire du droit réel, il est mis fin au droit à un voucher activé mentionné à l'article 6.4.1/1/3.
  § 4. A partir du 1er janvier 2021, aucun nouveau voucher tel que visĂ© Ă l'article 6.4.1/1/3 ne peut ĂȘtre activĂ©.
  Par dérogation à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, les demandeurs mentionnés dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent choisir entre la prime mentionnée dans le paragraphe 1er ou la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3, si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  1° le voucher mentionné à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé avant le 1er janvier 2021 ;
  2° la date de la premiÚre facture finale des investissements effectués se situe entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2021 ;
  3° les demandeurs peuvent présenter, pour la facture finale mentionnée au point 2°, un bon de commande ou un devis signés antérieurs au 1er janvier 2021 ;
  4° la demande de prime pour les investissements indiqués sur la facture finale mentionnée au point 2° est introduite avant le 1er juillet 2022.
  Le choix des demandeurs mentionnés dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, est irrévocable pour ce logement, ce bùtiment résidentiel collectif ou cette unité de logement. Si le demandeur opte pour les primes mentionnées à l'article 6.4.1/1/3, ce logement, ce bùtiment résidentiel collectif ou cette unité de logement restent soumis aux conditions de prime applicables.
  Le ministre peut préciser les rÚgles concernant les modalités de notification par les demandeurs de leur choix au gestionnaire de réseau de distribution d'électricité et les documents justificatifs requis. ".
Art. 22. In artikel 6.4.1/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt een premie van 250 euro aan voor de volgende nieuwe energiezuinige huishoudtoestellen:
  1° een koelkast met of zonder vriesvak;
  2° een wasmachine;
  3° een diepvriezer;
  4° een droogkast.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent de premie, vermeld in het eerste lid, toe:
  1° in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt;
  2° aan een niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon die erom verzoekt, in het kader van de verhuur met inbegrepen service- en reparatiekosten op een termijn van tien jaar van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan een afnemer van wie het inkomen de grenzen, bepaald in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt, en op voorwaarde dat de verhuur onderdeel vormt van een traject met het oog op begeleiding bij het aanpakken van energiearmoede van betreffende afnemer;
  3° vanaf 1 juli 2023 tot en met een door de minister bepaalde datum in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
  b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
  c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a), en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
  d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
  e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar;
  4° vanaf een door de minister bepaalde datum tot en met 31 december 2026 in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt;
  b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
  c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a);
  d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
  e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar.
  In afwijking van het tweede lid kent de elektriciteitsdistributienetbeheerder de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, ook toe aan iedere afnemer en, in kader van verhuur als vermeld in het tweede lid, 2°, aan iedere niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon, vermeld in het tweede lid, 2°, die erom verzoekt en voor wie het OCMW attesteert dat deze premie relevant kan zijn.
  Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 1°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, niet worden verkregen als er geen periode van 12 maanden verstreken is sinds de premie werd bekomen. Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, niet worden verkregen voor eenzelfde type toestel als er geen 24 maanden zijn verstreken sinds de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen.";
  3° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "uitvoeringsadres" vervangen door het woord "rijksregisternummer", wordt het woord "aangevraagd" vervangen door het woord "bekomen" en worden de woorden "kortingsbonnen vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "kortingsbonnen, vermeld in het tweede lid";
  4° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een afnemer die een toestel huurt via een huurovereenkomst, vermeld in het tweede lid, 2°, kan gedurende de periode van die overeenkomst geen kortingsbon meer verkrijgen voor de aankoop van eenzelfde toestel.";
  5° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het zesde lid kan de premie vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, binnen een periode van twaalf maanden niet meer dan één keer worden verkregen.".
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt een premie van 250 euro aan voor de volgende nieuwe energiezuinige huishoudtoestellen:
  1° een koelkast met of zonder vriesvak;
  2° een wasmachine;
  3° een diepvriezer;
  4° een droogkast.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent de premie, vermeld in het eerste lid, toe:
  1° in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt;
  2° aan een niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon die erom verzoekt, in het kader van de verhuur met inbegrepen service- en reparatiekosten op een termijn van tien jaar van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan een afnemer van wie het inkomen de grenzen, bepaald in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt, en op voorwaarde dat de verhuur onderdeel vormt van een traject met het oog op begeleiding bij het aanpakken van energiearmoede van betreffende afnemer;
  3° vanaf 1 juli 2023 tot en met een door de minister bepaalde datum in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
  b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
  c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a), en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
  d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
  e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar;
  4° vanaf een door de minister bepaalde datum tot en met 31 december 2026 in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt;
  b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
  c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a);
  d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
  e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar.
  In afwijking van het tweede lid kent de elektriciteitsdistributienetbeheerder de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, ook toe aan iedere afnemer en, in kader van verhuur als vermeld in het tweede lid, 2°, aan iedere niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon, vermeld in het tweede lid, 2°, die erom verzoekt en voor wie het OCMW attesteert dat deze premie relevant kan zijn.
  Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 1°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, niet worden verkregen als er geen periode van 12 maanden verstreken is sinds de premie werd bekomen. Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, niet worden verkregen voor eenzelfde type toestel als er geen 24 maanden zijn verstreken sinds de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen.";
  3° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "uitvoeringsadres" vervangen door het woord "rijksregisternummer", wordt het woord "aangevraagd" vervangen door het woord "bekomen" en worden de woorden "kortingsbonnen vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "kortingsbonnen, vermeld in het tweede lid";
  4° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een afnemer die een toestel huurt via een huurovereenkomst, vermeld in het tweede lid, 2°, kan gedurende de periode van die overeenkomst geen kortingsbon meer verkrijgen voor de aankoop van eenzelfde toestel.";
  5° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het zesde lid kan de premie vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, binnen een periode van twaalf maanden niet meer dan één keer worden verkregen.".
Art. 22. A l'article 6.4.1/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité offre une prime de 250 euros pour les appareils ménagers économes en énergie neufs suivants :
  1° un réfrigérateur, avec ou sans compartiment congélation ;
  2° un lave-linge ;
  3° un congélateur ;
  4° un sÚche-linge. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, trois alinéas rédigés comme suit sont insérés :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie la prime mentionnée à l'alinéa 1er :
  1° sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2 ;
  2° à un organisme non commercial ou à une personne morale de droit public qui en fait la demande, dans le cadre de la location, frais de maintenance et de réparation compris, sur une période de dix ans, d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er à un client dont le revenu ne dépasse par les plafonds fixés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2, et à condition que la location s'inscrive dans un parcours d'accompagnement dans la lutte contre la précarité énergétique du client concerné ;
  3° à partir du 1er juillet 2023 jusqu'à une date fixée par le ministre, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accÚs et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
  b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accÚs mentionné en a) ;
  c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accÚs mentionné en a) et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
  d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accÚs mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
  e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accÚs mentionné en a) l'année civile précédente ;
  4° à partir d'une date fixée par le ministre et jusqu'au 31 décembre 2026, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accÚs ;
  b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accÚs mentionné en a) ;
  c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accÚs mentionné en a) ;
  d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accÚs mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
  e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accÚs mentionné en a) l'année civile précédente.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie également la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, à chaque client et, dans le cadre de la location telle que visée à l'alinéa 2, 2°, à chaque organisme non commercial ou personne morale de droit public mentionnés à l'alinéa 2, 2°, qui en font la demande et pour lesquels le CPAS atteste de la pertinence de cette prime.
  Si une prime telle que mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 1°, a dĂ©jĂ Ă©tĂ© obtenue, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, ne peut pas ĂȘtre obtenue si une pĂ©riode de 12 mois ne s'est pas Ă©coulĂ©e depuis l'obtention de la prime. Si une prime telle que mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, a dĂ©jĂ Ă©tĂ© obtenue, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, ne peut pas ĂȘtre obtenue pour un mĂȘme type d'appareil si 24 mois ne se sont pas Ă©coulĂ©s depuis l'obtention de la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°. " ;
  3° dans l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 6, le mot " demandée " est remplacé par le mot " obtenue ", les mots " adresse d'exécution " sont remplacés par les mots " numéro de registre national " et les mots " bons de réduction visés à l'alinéa 1er " sont remplacés par le membre de phrase " bons de réduction visés à l'alinéa 2 " ;
  4° un alinéa 7 rédigé comme suit est ajouté :
  " Un client qui loue un appareil par le biais d'un contrat de location, au sens de l'alinĂ©a 2, 2°, ne peut plus obtenir de bon de rĂ©duction pour l'achat d'un mĂȘme appareil pendant la pĂ©riode de ce contrat. " ;
  5° un alinéa 8 rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 6, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, ne peut pas ĂȘtre obtenue plus d'une fois sur une pĂ©riode de douze mois. ".
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité offre une prime de 250 euros pour les appareils ménagers économes en énergie neufs suivants :
  1° un réfrigérateur, avec ou sans compartiment congélation ;
  2° un lave-linge ;
  3° un congélateur ;
  4° un sÚche-linge. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, trois alinéas rédigés comme suit sont insérés :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie la prime mentionnée à l'alinéa 1er :
  1° sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2 ;
  2° à un organisme non commercial ou à une personne morale de droit public qui en fait la demande, dans le cadre de la location, frais de maintenance et de réparation compris, sur une période de dix ans, d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er à un client dont le revenu ne dépasse par les plafonds fixés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2, et à condition que la location s'inscrive dans un parcours d'accompagnement dans la lutte contre la précarité énergétique du client concerné ;
  3° à partir du 1er juillet 2023 jusqu'à une date fixée par le ministre, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accÚs et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
  b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accÚs mentionné en a) ;
  c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accÚs mentionné en a) et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
  d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accÚs mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
  e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accÚs mentionné en a) l'année civile précédente ;
  4° à partir d'une date fixée par le ministre et jusqu'au 31 décembre 2026, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
  a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accÚs ;
  b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accÚs mentionné en a) ;
  c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accÚs mentionné en a) ;
  d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accÚs mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
  e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accÚs mentionné en a) l'année civile précédente.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie également la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, à chaque client et, dans le cadre de la location telle que visée à l'alinéa 2, 2°, à chaque organisme non commercial ou personne morale de droit public mentionnés à l'alinéa 2, 2°, qui en font la demande et pour lesquels le CPAS atteste de la pertinence de cette prime.
  Si une prime telle que mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 1°, a dĂ©jĂ Ă©tĂ© obtenue, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, ne peut pas ĂȘtre obtenue si une pĂ©riode de 12 mois ne s'est pas Ă©coulĂ©e depuis l'obtention de la prime. Si une prime telle que mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, a dĂ©jĂ Ă©tĂ© obtenue, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, ne peut pas ĂȘtre obtenue pour un mĂȘme type d'appareil si 24 mois ne se sont pas Ă©coulĂ©s depuis l'obtention de la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°. " ;
  3° dans l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 6, le mot " demandée " est remplacé par le mot " obtenue ", les mots " adresse d'exécution " sont remplacés par les mots " numéro de registre national " et les mots " bons de réduction visés à l'alinéa 1er " sont remplacés par le membre de phrase " bons de réduction visés à l'alinéa 2 " ;
  4° un alinéa 7 rédigé comme suit est ajouté :
  " Un client qui loue un appareil par le biais d'un contrat de location, au sens de l'alinĂ©a 2, 2°, ne peut plus obtenir de bon de rĂ©duction pour l'achat d'un mĂȘme appareil pendant la pĂ©riode de ce contrat. " ;
  5° un alinéa 8 rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 6, la prime mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, 3° et 4°, ne peut pas ĂȘtre obtenue plus d'une fois sur une pĂ©riode de douze mois. ".
Art. 23. In artikel 6.4.1/5/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel de kolom "
  1° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel de kolom "
Art. 23. A l'article 6.4.1/5/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 20 mai 2022 et 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, la colonne "
  1° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, la colonne "
| datum eindfactuur |
| / |
| tot en met 31 december 2021 |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 |
| vanaf 1 januari 2024 |
| / |
| Tot en met 31 december 2021 |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 |
| Vanaf 1 januari 2024 |
" vervangen door de kolom "
| date de la facture finale |
| / |
| jusqu'au 31 décembre 2021 |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 |
| Ă partir du 1er janvier 2024 |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2021 |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 |
| A partir du 1er janvier 2024 |
" est remplacée par la colonne "
| datum eindfactuur |
| / |
| tot en met 31 december 2021 |
| vanaf 1 januari 2022 |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2021 |
| Vanaf 1 januari 2022 |
| / |
";
  2° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel tussen de eerste en tweede kolom een kolom ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "
| date de la facture finale |
| / |
| jusqu'au 31 décembre 2021 |
| Ă partir du 1er janvier 2022 |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2021 |
| A partir du 1er janvier 2022 |
| / |
" ;
  2° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, une colonne rédigée comme suit est insérée entre la premiÚre et la deuxiÚme colonne :
  "
| datum premieaanvraag |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2025 |
| Vanaf 1 januari 2026 |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2025 |
| Vanaf 1 januari 2026 |
".
| date de la demande de prime |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2025 |
| A partir du 1er janvier 2026 |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2025 |
| A partir du 1er janvier 2026 |
".
Art. 24. In artikel 6.4.1/5/2, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, wordt het getal "50" vervangen door het getal "100".
Art. 24. Dans l'article 6.4.1/5/2, § 3, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022, le nombre " 50 " est remplacĂ© par le nombre " 100 ".
Art. 25. In artikel 6.4.1/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, 19 oktober 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
  2° in paragraaf 5/1, derde lid, wordt de zinsnede "30 april 2023" vervangen door de zinsnede "30 juni 2024".
  3° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
  2° in paragraaf 5/1, derde lid, wordt de zinsnede "30 april 2023" vervangen door de zinsnede "30 juni 2024".
  3° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
Art. 25. A l'article 6.4.1/6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 20 mai 2022, 19 octobre 2022 et 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " sont remplacés par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
  2° dans le paragraphe 5/1, alinéa 3, le membre de phrase " 30 avril 2023 " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin 2024 ".
  3° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " sont remplacés par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
  2° dans le paragraphe 5/1, alinéa 3, le membre de phrase " 30 avril 2023 " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin 2024 ".
  3° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
Art. 26. Aan artikel 6.4.1/6/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid is de verhoging voor beschermde afnemers niet meer van toepassing op aanvragen voor de uitbetaling van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4, die worden ingediend vanaf 1 april 2024.".
  "In afwijking van het eerste lid is de verhoging voor beschermde afnemers niet meer van toepassing op aanvragen voor de uitbetaling van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4, die worden ingediend vanaf 1 april 2024.".
Art. 26. A l'article 6.4.1/6/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, un alinĂ©a 2 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, l'augmentation pour les clients protégés ne s'applique plus aux demandes de paiement de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4, qui sont introduites à partir du 1er avril 2024. ".
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, l'augmentation pour les clients protégés ne s'applique plus aux demandes de paiement de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4, qui sont introduites à partir du 1er avril 2024. ".
Art. 27. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 6.4.1/6/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.4.1/6/3. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° inkomen: het inkomen, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Voor de bepaling van het inkomen wordt rekening gehouden met het inkomen van de begunstigde, de gehuwde of wettelijk samenwonende partner en het aantal personen ten laste. Om het gezamenlijk belastbaar inkomen te berekenen, wordt rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten;
  2° persoon ten laste: de persoon ten laste, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 7°, derde en vierde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
  Om in aanmerking te komen voor de premie, vermeld in artikel, 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 2°, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
  1° 23.304 euro voor een alleenstaande;
  2° 34.956 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
  3° 34.956 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
  Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, vermeld in het artikel 6.4.1/8, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
  1° 28.105 euro voor een alleenstaande;
  2° 42.156 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
  3° 42.156 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
  De bedragen vermeld in het tweede en derde lid, worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer 127,92 van oktober 2022 (basisjaar 2013). Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober die voorafgaat aan de aanpassing en afgerond naar het hogere tiental.
  In het vierde lid wordt verstaan onder gezondheidsindexcijfer: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.".
  "Art. 6.4.1/6/3. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° inkomen: het inkomen, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Voor de bepaling van het inkomen wordt rekening gehouden met het inkomen van de begunstigde, de gehuwde of wettelijk samenwonende partner en het aantal personen ten laste. Om het gezamenlijk belastbaar inkomen te berekenen, wordt rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten;
  2° persoon ten laste: de persoon ten laste, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 7°, derde en vierde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
  Om in aanmerking te komen voor de premie, vermeld in artikel, 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 2°, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
  1° 23.304 euro voor een alleenstaande;
  2° 34.956 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
  3° 34.956 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
  Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, vermeld in het artikel 6.4.1/8, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
  1° 28.105 euro voor een alleenstaande;
  2° 42.156 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
  3° 42.156 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
  De bedragen vermeld in het tweede en derde lid, worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer 127,92 van oktober 2022 (basisjaar 2013). Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober die voorafgaat aan de aanpassing en afgerond naar het hogere tiental.
  In het vierde lid wordt verstaan onder gezondheidsindexcijfer: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.".
Art. 27. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 6.4.1/6/3 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 6.4.1/6/3. Dans le présent article, on entend par :
  1° revenu : le revenu visĂ© Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. Pour Ă©tablir le revenu, il est tenu compte du revenu du bĂ©nĂ©ficiaire, de la personne mariĂ©e ou du cohabitant lĂ©gal et du nombre de personnes Ă charge. Pour calculer le revenu imposable globalement, il est tenu compte des revenus professionnels propres rĂ©els ;
  2° personne Ă charge : la personne Ă charge visĂ©e Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 7°, alinĂ©as 3 et 4, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă la prime mentionnĂ©e Ă l'article 6.4.1/4, alinĂ©a 2, 1° et 2°, le client ne peut pas disposer d'un revenu supĂ©rieur Ă :
  1° 23 304 euros pour un isolé ;
  2° 34 956 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
  3° 34 956 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible aux interventions mentionnĂ©es Ă l'article 6.4.1/8, le client ne peut pas disposer d'un revenu supĂ©rieur Ă :
  1° 28 105 euros pour un isolé ;
  2° 42 156 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
  3° 42 156 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
  Les montants visés aux alinéas 2 et 3 sont liés à l'indice santé 127,92 d'octobre 2022 (année de base 2013). Ils sont adaptés annuellement, au 1er janvier, à l'indice santé du mois d'octobre précédant l'adaptation et arrondis à la dizaine supérieure.
  A l'alinĂ©a 4, on entend par indice santĂ© : l'indice des prix calculĂ© pour l'application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays, confirmĂ© par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
  " Art. 6.4.1/6/3. Dans le présent article, on entend par :
  1° revenu : le revenu visĂ© Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. Pour Ă©tablir le revenu, il est tenu compte du revenu du bĂ©nĂ©ficiaire, de la personne mariĂ©e ou du cohabitant lĂ©gal et du nombre de personnes Ă charge. Pour calculer le revenu imposable globalement, il est tenu compte des revenus professionnels propres rĂ©els ;
  2° personne Ă charge : la personne Ă charge visĂ©e Ă l'article 5 186, alinĂ©a 1er, 7°, alinĂ©as 3 et 4, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă la prime mentionnĂ©e Ă l'article 6.4.1/4, alinĂ©a 2, 1° et 2°, le client ne peut pas disposer d'un revenu supĂ©rieur Ă :
  1° 23 304 euros pour un isolé ;
  2° 34 956 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
  3° 34 956 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible aux interventions mentionnĂ©es Ă l'article 6.4.1/8, le client ne peut pas disposer d'un revenu supĂ©rieur Ă :
  1° 28 105 euros pour un isolé ;
  2° 42 156 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
  3° 42 156 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
  Les montants visés aux alinéas 2 et 3 sont liés à l'indice santé 127,92 d'octobre 2022 (année de base 2013). Ils sont adaptés annuellement, au 1er janvier, à l'indice santé du mois d'octobre précédant l'adaptation et arrondis à la dizaine supérieure.
  A l'alinĂ©a 4, on entend par indice santĂ© : l'indice des prix calculĂ© pour l'application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays, confirmĂ© par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
Art. 28. In artikel 6.4.1/8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De distributienetbeheerder laat een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt.";
  2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid laat de distributienetbeheerder een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en die onder minstens een van de volgende categorieën valt:
  1° een afnemer met een meter met geactiveerde voorafbetalingsfunctie voor elektriciteit of aardgas;
  2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie heeft ingediend met toepassing van artikel 5.3.16 of 5.4.17;
  3° iedere afnemer voor wie het OCMW de inschatting maakt dat een energiescan relevant kan zijn.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "het eerste lid, 4° " vervangen door de woorden "het tweede lid";
  4° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt na de zinsnede "vanaf 1 januari 2019 opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen" de zinsnede "en moet uiterlijk 31 december 2025 volledig zijn uitgevoerd. De energiescan kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024." ingevoegd;
  5° het bestaande vijfde en zesde lid worden opgeheven;
  6° in het bestaande achtste lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in het tweede lid, 1° en 2° ";
  7° in het bestaande negende lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9" opgeheven;
  8° in het bestaande tiende lid, dat het achtste lid wordt, wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "vijfde".
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De distributienetbeheerder laat een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt.";
  2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid laat de distributienetbeheerder een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en die onder minstens een van de volgende categorieën valt:
  1° een afnemer met een meter met geactiveerde voorafbetalingsfunctie voor elektriciteit of aardgas;
  2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie heeft ingediend met toepassing van artikel 5.3.16 of 5.4.17;
  3° iedere afnemer voor wie het OCMW de inschatting maakt dat een energiescan relevant kan zijn.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "het eerste lid, 4° " vervangen door de woorden "het tweede lid";
  4° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt na de zinsnede "vanaf 1 januari 2019 opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen" de zinsnede "en moet uiterlijk 31 december 2025 volledig zijn uitgevoerd. De energiescan kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024." ingevoegd;
  5° het bestaande vijfde en zesde lid worden opgeheven;
  6° in het bestaande achtste lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in het tweede lid, 1° en 2° ";
  7° in het bestaande negende lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9" opgeheven;
  8° in het bestaande tiende lid, dat het achtste lid wordt, wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "vijfde".
Art. 28. A l'article 6.4.1/8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et qui relÚve au moins de l'une des catégories suivantes :
  1° un client disposant d'un compteur à fonction de prépaiement activée pour l'électricité ou le gaz naturel ;
  2° un client pour lequel le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel a introduit une demande de coupure de l'alimentation électrique ou en gaz naturel auprÚs de la commission consultative locale en application de l'article 5.3.16 ou 5.4.17 ;
  3° tout client pour lequel le CPAS estime qu'un scan Ă©nergĂ©tique peut ĂȘtre pertinent. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " l'alinéa 1er, 4° " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 2 " ;
  4° Ă l'alinĂ©a 3 existant, qui devient l'alinĂ©a 4, aprĂšs les mots " dans les tĂąches des maisons de l'Ă©nergie ", le membre de phrase " et doivent avoir Ă©tĂ© entiĂšrement exĂ©cutĂ©es le 31 dĂ©cembre 2025 au plus tard.Le scan Ă©nergĂ©tique peut ĂȘtre demandĂ© jusqu'Ă une date Ă fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. " est insĂ©rĂ© ;
  5° les alinéas 5 et 6 existants sont abrogés ;
  6° à l'alinéa 8 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " , tel que visé aux points 1er à 3 inclus de l'alinéa deux, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " ;
  7° à l'alinéa 9 existant, qui devient l'alinéa 7, le membre de phrase " et d'exécuter des travaux d'isolation de toiture ou de sol des combles, visée à l'article 6.4.1/9. " est abrogé ;
  8° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 8, les mots " l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " l'alinéa 5 ".
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et qui relÚve au moins de l'une des catégories suivantes :
  1° un client disposant d'un compteur à fonction de prépaiement activée pour l'électricité ou le gaz naturel ;
  2° un client pour lequel le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel a introduit une demande de coupure de l'alimentation électrique ou en gaz naturel auprÚs de la commission consultative locale en application de l'article 5.3.16 ou 5.4.17 ;
  3° tout client pour lequel le CPAS estime qu'un scan Ă©nergĂ©tique peut ĂȘtre pertinent. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " l'alinéa 1er, 4° " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 2 " ;
  4° Ă l'alinĂ©a 3 existant, qui devient l'alinĂ©a 4, aprĂšs les mots " dans les tĂąches des maisons de l'Ă©nergie ", le membre de phrase " et doivent avoir Ă©tĂ© entiĂšrement exĂ©cutĂ©es le 31 dĂ©cembre 2025 au plus tard.Le scan Ă©nergĂ©tique peut ĂȘtre demandĂ© jusqu'Ă une date Ă fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. " est insĂ©rĂ© ;
  5° les alinéas 5 et 6 existants sont abrogés ;
  6° à l'alinéa 8 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " , tel que visé aux points 1er à 3 inclus de l'alinéa deux, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " ;
  7° à l'alinéa 9 existant, qui devient l'alinéa 7, le membre de phrase " et d'exécuter des travaux d'isolation de toiture ou de sol des combles, visée à l'article 6.4.1/9. " est abrogé ;
  8° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 8, les mots " l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " l'alinéa 5 ".
Art. 29. In artikel 6.4.1/9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Aanvragen voor de ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024, worden ingediend. De ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn.";
  2° in het bestaande tiende lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden "vermeld in het zevende lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid";
  3° in het bestaande elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in het zevende, achtste en negende lid" vervangen door de zinsnede "vermelde in het negende, tiende en elfde lid".
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Aanvragen voor de ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024, worden ingediend. De ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn.";
  2° in het bestaande tiende lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden "vermeld in het zevende lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid";
  3° in het bestaande elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in het zevende, achtste en negende lid" vervangen door de zinsnede "vermelde in het negende, tiende en elfde lid".
Art. 29. A l'article 6.4.1/9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Les demandes du soutien visĂ© aux alinĂ©as 1er et 2, peuvent ĂȘtre introduites jusqu'Ă une date Ă fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. Le soutien visĂ© aux alinĂ©as 1er et 2 doit avoir Ă©tĂ© entiĂšrement mis en oeuvre au plus tard le 31 dĂ©cembre 2025. " ;
  2° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 11, les mots " visés à l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " visés aux points 1 à 3 de l'alinéa 1er " ;
  3° à l'alinéa 11 existant, qui devient l'alinéa 12, le membre de phrase " visés aux alinéas sept, huit et neuf " est remplacé par le membre de phrase " visés aux alinéas 9, 10 et 11 ".
  1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Les demandes du soutien visĂ© aux alinĂ©as 1er et 2, peuvent ĂȘtre introduites jusqu'Ă une date Ă fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. Le soutien visĂ© aux alinĂ©as 1er et 2 doit avoir Ă©tĂ© entiĂšrement mis en oeuvre au plus tard le 31 dĂ©cembre 2025. " ;
  2° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 11, les mots " visés à l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " visés aux points 1 à 3 de l'alinéa 1er " ;
  3° à l'alinéa 11 existant, qui devient l'alinéa 12, le membre de phrase " visés aux alinéas sept, huit et neuf " est remplacé par le membre de phrase " visés aux alinéas 9, 10 et 11 ".
Art. 30. In artikel 6.4.1/9/1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de zinsnede "vanaf 1 januari 2017" en de woorden "een aanbod inzake" wordt de zinsnede "tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024" ingevoegd;
  2° de zin "De ondersteuning moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn." wordt toegevoegd.
  1° tussen de zinsnede "vanaf 1 januari 2017" en de woorden "een aanbod inzake" wordt de zinsnede "tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024" ingevoegd;
  2° de zin "De ondersteuning moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn." wordt toegevoegd.
Art. 30. A l'article 6.4.1/9/1, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024 " est inséré entre le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2017 " et le membre de phrase " , une offre de projets " ;
  2° la phrase " Le soutien doit avoir été entiÚrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " est ajoutée.
  1° le membre de phrase " jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024 " est inséré entre le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2017 " et le membre de phrase " , une offre de projets " ;
  2° la phrase " Le soutien doit avoir été entiÚrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " est ajoutée.
Art. 32. In artikel 6.5.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "ondernemingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd.
Art. 32. Dans l'article 6.5.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le membre de phrase " , d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " est insĂ©rĂ© entre les mots " d'entreprises " et les mots " ayant une consommation ".
Art. 33. In artikel 6.5.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "onderneming" en de woorden "een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 33. Dans l'article 6.5.2, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " un Ă©tablissement d'entreprise " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " un Ă©tablissement d'une entreprise, d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public ".
Art. 34. In artikel 6.5.4, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de woorden "energieaudit onderneming" vervangen door de woorden "energieplan of een energiestudie".
Art. 34. Dans l'article 6.5.4, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " un plan d'audit Ă©nergĂ©tique " sont remplacĂ©s par les mots " un plan Ă©nergĂ©tique ou une Ă©tude Ă©nergĂ©tique ".
Art. 35. In titel VI, hoofdstuk V, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt aan het opschrift van afdeling II de zinsnede ", niet commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" toegevoegd.
Art. 35. Dans le titre VI, chapitre V, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, dans l'intitulĂ© de la section II, le membre de phrase " , organismes non commerciaux ou personnes morales de droit public " est insĂ©rĂ© entre les mots " les entreprises " et les mots " Ă consommation ".
Art. 36. In artikel 6.5.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "alle vestigingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede "van ondernemingen, niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd.
Art. 36. Dans l'article 6.5.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le membre de phrase " d'entreprises, d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " est insĂ©rĂ© entre les mots " tous les Ă©tablissements " et les mots " ayant une consommation ".
Art. 37. In artikel 6.5.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is." ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energieaudit onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.9, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
  1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is." ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energieaudit onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.9, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
Art. 37. A l'article 6.5.10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° la premiÚre phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
  2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un audit énergétique entreprise valable. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critÚres visés à l'article 6.5.9 qu'aprÚs le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
  1° la premiÚre phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
  2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un audit énergétique entreprise valable. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critÚres visés à l'article 6.5.9 qu'aprÚs le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
Art. 38. In artikel 6.5.16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden tussen de woorden "alle vestigingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de woorden "van niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd en wordt tussen de zinsnede "tussen 0,02 en 0,05 PJ per jaar" en de zinsnede ", als die vestigingen" de zinsnede "en op alle vestigingen van ondernemingen met een totaal finaal energiegebruik van tussen 0,02 en 0,05 PJ per jaar" ingevoegd.
Art. 38. Dans l'article 6.5.16 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " tous les Ă©tablissements " et les mots " ayant une consommation " et le membre de phrase " et Ă tous les Ă©tablissements ayant une consommation d'Ă©nergie finale totale entre 0,02 et 0,05 PJ par an " est insĂ©rĂ© entre le membre de phrase " 0,02 et 0,05 PJ par an " et le membre de phrase " , si ces Ă©tablissements ".
Art. 39. In artikel 6.5.17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is.";
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energiebalans onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.16, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
  1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is.";
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energiebalans onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.16, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
Art. 39. A l'article 6.5.17 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° la premiÚre phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
  2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un bilan énergétique entreprise valide. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critÚres visés à l'article 6.5.16 qu'aprÚs le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
  1° la premiÚre phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
  2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un bilan énergétique entreprise valide. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critÚres visés à l'article 6.5.16 qu'aprÚs le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
Art. 40. In artikel 6.5.24, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "onderneming" en de woorden "van wie de vestiging" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 40. Dans l'article 6.5.24, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " L'entreprise Ă laquelle appartient l'Ă©tablissement " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " L'entreprise, l'organisme non commercial ou la personne morale de droit public dont l'Ă©tablissement fait partie ".
Art. 41. In titel VI, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018, wordt het opschrift van hoofdstuk VI vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten voor ondernemingen die deel uitmaken van een sector die risico loopt op delokalisatie of ondernemingen die deel uitmaken van een sector die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie".
  "Hoofdstuk VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten voor ondernemingen die deel uitmaken van een sector die risico loopt op delokalisatie of ondernemingen die deel uitmaken van een sector die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie".
Art. 41. Dans le titre VI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018, l'intitulĂ© du chapitre VI est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Chapitre VI. Limitation du montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement pour les entreprises qui font partie d'un secteur exposé au risque de délocalisation ou les entreprises qui font partie d'un secteur exposé à un risque important de délocalisation ".
  " Chapitre VI. Limitation du montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement pour les entreprises qui font partie d'un secteur exposé au risque de délocalisation ou les entreprises qui font partie d'un secteur exposé à un risque important de délocalisation ".
Art. 42. In artikel 6.6.1 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 en 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 1% van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 2 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
  De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 2 van bijlage IV/1, een sector die risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
  1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 0,6 % bedraagt;
  2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau respectievelijk ten minste 4 % en 5 % bedragen.
  De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 1 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
  De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 1 van bijlage IV/1, een sector die aanzienlijk risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
  1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 2 % bedraagt;
  2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau voor elke indicator 5 % bedraagt;
  De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2° worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint, en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ", als vermeld in titel VI, hoofdstuk V" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd;
  4° in paragraaf 4 worden het eerste en tweede lid opgeheven;
  5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 7. Het bedrag van de bijdrage, vermeld in paragraaf 1 en 2, mag nooit lager zijn dan een bedrag dat overeenstemt met een heffing van minder dan 0,5 euro per MWh voor wat betreft de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn.".
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 1% van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 2 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
  De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 2 van bijlage IV/1, een sector die risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
  1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 0,6 % bedraagt;
  2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau respectievelijk ten minste 4 % en 5 % bedragen.
  De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 1 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
  De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 1 van bijlage IV/1, een sector die aanzienlijk risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
  1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 2 % bedraagt;
  2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau voor elke indicator 5 % bedraagt;
  De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2° worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint, en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ", als vermeld in titel VI, hoofdstuk V" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd;
  4° in paragraaf 4 worden het eerste en tweede lid opgeheven;
  5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 7. Het bedrag van de bijdrage, vermeld in paragraaf 1 en 2, mag nooit lager zijn dan een bedrag dat overeenstemt met een heffing van minder dan 0,5 euro per MWh voor wat betreft de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn.".
Art. 42. A l'article 6.6.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 28 juin 2019 et 11 dĂ©cembre 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 1 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés au risque de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 2 de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
  Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 2 de l'annexe IV/1 est un secteur exposé au risque de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
  1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 0,6 % ;
  2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont respectivement d'au moins 4 % et 5 %.
  Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tÎt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 0,5 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés à un risque important de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 1re de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
  Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 1re de l'annexe IV/1 est un secteur exposé à un risque important de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
  1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 2 % ;
  2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont d'au moins 5 % pour chaque indicateur.
  Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2° sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tÎt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " , tel que visé au titre VI, chapitre V " ;
  4° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont abrogés ;
  5° un paragraphe 7 rédigé comme suit est ajouté :
  " § 7. Le montant de la contribution mentionnĂ©e dans les paragraphes 1er et 2 ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă un montant correspondant Ă un prĂ©lĂšvement infĂ©rieur Ă 0,5 euro par MWh en ce qui concerne les coĂ»ts gĂ©nĂ©rĂ©s par l'aide au financement des Ă©nergies renouvelables et de la cogĂ©nĂ©ration que l'entreprise concernĂ©e devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement. ".
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 1 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés au risque de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 2 de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
  Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 2 de l'annexe IV/1 est un secteur exposé au risque de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
  1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 0,6 % ;
  2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont respectivement d'au moins 4 % et 5 %.
  Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tÎt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 0,5 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés à un risque important de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 1re de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
  Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 1re de l'annexe IV/1 est un secteur exposé à un risque important de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
  1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 2 % ;
  2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont d'au moins 5 % pour chaque indicateur.
  Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2° sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tÎt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " , tel que visé au titre VI, chapitre V " ;
  4° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont abrogés ;
  5° un paragraphe 7 rédigé comme suit est ajouté :
  " § 7. Le montant de la contribution mentionnĂ©e dans les paragraphes 1er et 2 ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă un montant correspondant Ă un prĂ©lĂšvement infĂ©rieur Ă 0,5 euro par MWh en ce qui concerne les coĂ»ts gĂ©nĂ©rĂ©s par l'aide au financement des Ă©nergies renouvelables et de la cogĂ©nĂ©ration que l'entreprise concernĂ©e devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement. ".
Art. 43. In titel VI, hoofdstuk VI, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 wordt in het opschrift van afdeling II het woord "elektro-intensieve" opgeheven.
Art. 43. Dans le titre VI, chapitre VI, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018, dans l'intitulĂ© de la section II, les mots " Ă grande consommation d'Ă©lectricitĂ© " sont abrogĂ©s.
Art. 44. In artikel 6.6.2 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "elektro-intensieve" opgeheven;
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de elektriciteitskosten van de onderneming of vestigingseenheid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop deze berekend werden conform artikel 6.6.1, § 4, met hierin inbegrepen een expliciete vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn;";
  3° in paragraaf 1, tweede lid, 7°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ": de maatregelen inzake energie-efficiëntie" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd.
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "elektro-intensieve" opgeheven;
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de elektriciteitskosten van de onderneming of vestigingseenheid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop deze berekend werden conform artikel 6.6.1, § 4, met hierin inbegrepen een expliciete vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn;";
  3° in paragraaf 1, tweede lid, 7°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ": de maatregelen inzake energie-efficiëntie" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd.
Art. 44. A l'article 6.6.2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " à grande consommation d'électricité " sont abrogés ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les coûts d'électricité de l'entreprise ou de l'unité d'établissement, ainsi qu'une explication détaillée de leur mode de calcul conformément à l'article 6.6.1, § 4, en ce compris une mention explicite du montant correspondant aux coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement ; " ;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 7°, les mots " ou d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " : les mesures en matiÚre d'efficacité énergétique ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " à grande consommation d'électricité " sont abrogés ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les coûts d'électricité de l'entreprise ou de l'unité d'établissement, ainsi qu'une explication détaillée de leur mode de calcul conformément à l'article 6.6.1, § 4, en ce compris une mention explicite du montant correspondant aux coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement ; " ;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 7°, les mots " ou d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " : les mesures en matiÚre d'efficacité énergétique ".
Art. 45. In artikel 6.6.4 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt het woord "elektriciteitsintensiteit" vervangen door het woord "elektriciteitskosten".
Art. 45. Dans l'article 6.6.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, les mots " de l'intensitĂ© en Ă©lectricitĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " des coĂ»ts d'Ă©lectricitĂ© ".
Art. 46. Aan titel VI, hoofdstuk VI, afdeling III van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van 19 oktober 2022, wordt een artikel 6.6.5 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.6.5. Als het VEKA vaststelt dat een onderneming, die geen lid is van een energiebeleidsovereenkomst, de verplichte maatregelen in het kader van het energieplan of de energie-audit onderneming, vermeld in artikel 6.6.1, § 3, 2°, niet uitvoert conform de voorziene timing in artikel 6.5.5, § 2 en artikel 6.5.13, § 4, kan het bedrag van de beperking die in toepassing van dit hoofdstuk werd toegestaan aan de betreffende onderneming worden teruggevorderd en wordt de onderneming in de toekomst uitgesloten van verdere toepassing van dit hoofdstuk totdat de verplichte maatregelen werden uitgevoerd.".
  "Art. 6.6.5. Als het VEKA vaststelt dat een onderneming, die geen lid is van een energiebeleidsovereenkomst, de verplichte maatregelen in het kader van het energieplan of de energie-audit onderneming, vermeld in artikel 6.6.1, § 3, 2°, niet uitvoert conform de voorziene timing in artikel 6.5.5, § 2 en artikel 6.5.13, § 4, kan het bedrag van de beperking die in toepassing van dit hoofdstuk werd toegestaan aan de betreffende onderneming worden teruggevorderd en wordt de onderneming in de toekomst uitgesloten van verdere toepassing van dit hoofdstuk totdat de verplichte maatregelen werden uitgevoerd.".
Art. 46. Au titre VI, chapitre VI, section III du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du 19 octobre 2022, un article 6.6.5 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " Art. 6.6.5. Si la VEKA constate qu'une entreprise, qui n'est pas membre d'un accord de politique Ă©nergĂ©tique, ne met pas en oeuvre les mesures obligatoires dans le cadre du plan Ă©nergĂ©tique ou de l'audit Ă©nergĂ©tique entreprise visĂ© Ă l'article 6.6.1, § 3, 2°, conformĂ©ment au calendrier prĂ©vu Ă l'article 6.5.5, § 2 et Ă l'article 6.5.13, § 4, le montant de la limitation qui Ă©tait accordĂ© Ă l'entreprise concernĂ©e en application du prĂ©sent chapitre peut ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ© et l'entreprise est exclue Ă l'avenir de l'application du prĂ©sent chapitre jusqu'Ă ce que les mesures obligatoires aient Ă©tĂ© mises en oeuvre. ".
  " Art. 6.6.5. Si la VEKA constate qu'une entreprise, qui n'est pas membre d'un accord de politique Ă©nergĂ©tique, ne met pas en oeuvre les mesures obligatoires dans le cadre du plan Ă©nergĂ©tique ou de l'audit Ă©nergĂ©tique entreprise visĂ© Ă l'article 6.6.1, § 3, 2°, conformĂ©ment au calendrier prĂ©vu Ă l'article 6.5.5, § 2 et Ă l'article 6.5.13, § 4, le montant de la limitation qui Ă©tait accordĂ© Ă l'entreprise concernĂ©e en application du prĂ©sent chapitre peut ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ© et l'entreprise est exclue Ă l'avenir de l'application du prĂ©sent chapitre jusqu'Ă ce que les mesures obligatoires aient Ă©tĂ© mises en oeuvre. ".
Art. 47. Aan artikel 6.7.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De volgende gegevens worden aan het VEKA bezorgd via een elektronisch formulier dat door het VEKA ter beschikking is gesteld:
  a) aanvraagformulier voor uitstel bij dakvervanging of uitstel bij sloop met heropbouw;
  b) getekende offerte voor dakvervanging;
  c) de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop, in geval van sloop met heropbouw of sloop zonder heropbouw;
  d) meldingsformulier voor sloop zonder heropbouw;
  e) netstudie elektriciteit;
  f) participatieovereenkomst;
  g) lijst van participanten en participatienummers.";
  2° na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van een installatie kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.".
  1° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De volgende gegevens worden aan het VEKA bezorgd via een elektronisch formulier dat door het VEKA ter beschikking is gesteld:
  a) aanvraagformulier voor uitstel bij dakvervanging of uitstel bij sloop met heropbouw;
  b) getekende offerte voor dakvervanging;
  c) de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop, in geval van sloop met heropbouw of sloop zonder heropbouw;
  d) meldingsformulier voor sloop zonder heropbouw;
  e) netstudie elektriciteit;
  f) participatieovereenkomst;
  g) lijst van participanten en participatienummers.";
  2° na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van een installatie kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.".
Art. 47. A l'article 6.7.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2023, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Les données suivantes sont transmises à la VEKA au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition par la VEKA :
  a) formulaire de demande de report en cas de remplacement de la toiture ou de report en cas de démolition avec reconstruction ;
  b) devis signé pour le remplacement de la toiture ;
  c) le permis d'environnement pour des actes urbanistiques concernant la démolition, en cas de démolition avec reconstruction ou de démolition sans reconstruction ;
  d) formulaire de notification de démolition sans reconstruction ;
  e) étude de réseau électrique ;
  f) convention de participation ;
  g) liste des participants et numéros de participation ;
  2° aprÚs l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'une installation ne peut ĂȘtre prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnĂ©es dans le prĂ©sent chapitre. ".
  1° entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Les données suivantes sont transmises à la VEKA au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition par la VEKA :
  a) formulaire de demande de report en cas de remplacement de la toiture ou de report en cas de démolition avec reconstruction ;
  b) devis signé pour le remplacement de la toiture ;
  c) le permis d'environnement pour des actes urbanistiques concernant la démolition, en cas de démolition avec reconstruction ou de démolition sans reconstruction ;
  d) formulaire de notification de démolition sans reconstruction ;
  e) étude de réseau électrique ;
  f) convention de participation ;
  g) liste des participants et numéros de participation ;
  2° aprÚs l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'une installation ne peut ĂȘtre prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnĂ©es dans le prĂ©sent chapitre. ".
Art. 48. In artikel 6.7.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
  "Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 1 GWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
  2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
  "Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 1 GWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
  2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
Art. 48. A l'article 6.7.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2023, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la premiÚre phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Si la surface de toiture horizontale des bùtiments au point de prélÚvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 1 GWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bùtiments raccordés à ce point de prélÚvement, du raccordement de bùtiments existants à ce point de prélÚvement ou de l'extension de bùtiments existants raccordés à ce point de prélÚvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatriÚme année civile qui suit le raccordement des bùtiments neufs ou existants ou l'extension du bùtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.2, qui a été réalisée ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la premiÚre phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Si la surface de toiture horizontale des bùtiments au point de prélÚvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 1 GWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bùtiments raccordés à ce point de prélÚvement, du raccordement de bùtiments existants à ce point de prélÚvement ou de l'extension de bùtiments existants raccordés à ce point de prélÚvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatriÚme année civile qui suit le raccordement des bùtiments neufs ou existants ou l'extension du bùtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.2, qui a été réalisée ".
Art. 49. In artikel 6.7.4, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
  2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
  1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
  2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
Art. 49. A l'article 6.7.4, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2023, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 8, la quatriÚme phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exĂ©cution d'une autre obligation dĂ©coulant du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'entre pas en considĂ©ration pour satisfaire aux dispositions du prĂ©sent paragraphe. " ;
  2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélÚvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
  1° à l'alinéa 8, la quatriÚme phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exĂ©cution d'une autre obligation dĂ©coulant du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'entre pas en considĂ©ration pour satisfaire aux dispositions du prĂ©sent paragraphe. " ;
  2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélÚvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
Art. 50. In artikel 6.7.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 17 februari 2023, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.3 en 6.7.4 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.2, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
  "Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.3 en 6.7.4 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.2, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
Art. 50. Dans l'article 6.7.5, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du 17 fĂ©vrier 2023, l'alinĂ©a 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " En cas de démolition totale ou partielle d'un bùtiment sans reconstruction, les articles 6.7.3 et 6.7.4 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.2 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
  " En cas de démolition totale ou partielle d'un bùtiment sans reconstruction, les articles 6.7.3 et 6.7.4 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.2 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
Art. 51. In artikel 6.7.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
  "Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
  2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.7, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
  "Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
  2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.7, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
Art. 51. A l'article 6.7.8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2023, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la premiÚre phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Si la surface de toiture horizontale des bùtiments au point de prélÚvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 250 MWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bùtiments raccordés à ce point de prélÚvement, du raccordement de bùtiments existants à ce point de prélÚvement ou de l'extension de bùtiments existants raccordés à ce point de prélÚvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatriÚme année civile qui suit le raccordement des bùtiments neufs ou existants ou l'extension du bùtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.7, qui a été réalisée ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la premiÚre phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Si la surface de toiture horizontale des bùtiments au point de prélÚvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 250 MWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bùtiments raccordés à ce point de prélÚvement, du raccordement de bùtiments existants à ce point de prélÚvement ou de l'extension de bùtiments existants raccordés à ce point de prélÚvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatriÚme année civile qui suit le raccordement des bùtiments neufs ou existants ou l'extension du bùtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.7, qui a été réalisée ".
Art. 52. In artikel 6.7.9, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
  2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
  1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
  "Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
  2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
Art. 52. A l'article 6.7.9, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2023, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 8, la quatriÚme phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exĂ©cution d'une autre obligation dĂ©coulant du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'entre pas en considĂ©ration pour satisfaire aux dispositions du prĂ©sent paragraphe. " ;
  2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélÚvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
  1° à l'alinéa 8, la quatriÚme phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La puissance de crĂȘte ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exĂ©cution d'une autre obligation dĂ©coulant du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'entre pas en considĂ©ration pour satisfaire aux dispositions du prĂ©sent paragraphe. " ;
  2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélÚvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
Art. 53. In artikel 6.7.10, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 17 februari 2023, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.8 en 6.7.9 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.7, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
  "Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.8 en 6.7.9 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.7, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
Art. 53. Dans l'article 6.7.10, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du 17 fĂ©vrier 2023, l'alinĂ©a 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " En cas de démolition totale ou partielle d'un bùtiment sans reconstruction, les articles 6.7.8 et 6.7.9 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.7 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
  " En cas de démolition totale ou partielle d'un bùtiment sans reconstruction, les articles 6.7.8 et 6.7.9 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments tels que visés à l'article 6.7.7 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
Art. 54. In artikel 7.2.21, eerste lid, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2019, worden tussen de woorden "voor energetische renovatie van" en de woorden "noodkoopwoningen in het Vlaamse Gewest" de woorden "minstens tien" ingevoegd.
Art. 54. Dans l'article 7.2.21, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, rĂ©tabli par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 mai 2019, les mots " la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique des logements " sont remplacĂ©s par les mots " la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique d'au moins dix logements ".
Art. 55. In artikel 7.2.22 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "aan de noodkopers" en de woorden "Het OCMW" de zinnen "Alle noodkoopwoningen voldoen na de renovatiewerken minstens aan de vereisten inzake veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit. Het voldoen aan de voormelde vereisten kan worden aangetoond met een attest of een verslag, inclusief de maximale energiescore zoals vastgesteld in het model van technisch verslag voor het onderzoek van de kwaliteit van zelfstandige woningen, bepaald in bijlage 4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021." ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Per noodkoopwoning in het project waarvoor het OCMW steun vraagt, wordt er in een werkingsvergoeding van 3.000 euro voorzien.";
  3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De noodkopers worden na de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 7.2.21, tot ze de noodkooplening hebben terugbetaald, periodiek opgevolgd en begeleid, om minstens het energiegebruik te monitoren en energiezuinig gedrag te bevorderen.";
  4° aan paragraaf 3, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het OCMW voorziet in periodieke controles op de naleving van de voormelde voorwaarden.";
  5° paragraaf 6 wordt opgeheven.
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "aan de noodkopers" en de woorden "Het OCMW" de zinnen "Alle noodkoopwoningen voldoen na de renovatiewerken minstens aan de vereisten inzake veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit. Het voldoen aan de voormelde vereisten kan worden aangetoond met een attest of een verslag, inclusief de maximale energiescore zoals vastgesteld in het model van technisch verslag voor het onderzoek van de kwaliteit van zelfstandige woningen, bepaald in bijlage 4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021." ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Per noodkoopwoning in het project waarvoor het OCMW steun vraagt, wordt er in een werkingsvergoeding van 3.000 euro voorzien.";
  3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De noodkopers worden na de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 7.2.21, tot ze de noodkooplening hebben terugbetaald, periodiek opgevolgd en begeleid, om minstens het energiegebruik te monitoren en energiezuinig gedrag te bevorderen.";
  4° aan paragraaf 3, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het OCMW voorziet in periodieke controles op de naleving van de voormelde voorwaarden.";
  5° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 55. A l'article 7.2.22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, rĂ©tabli par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 mai 2019 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 16 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, entre le membre de phrase " logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ©. " et le membre de phrase " Pour la gestion des prĂȘts, " les phrases " AprĂšs les travaux de rĂ©novation, tous les logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ© satisfont au moins aux exigences en matiĂšre de sĂ©curitĂ©, de salubritĂ© et de qualitĂ© du logement. Le respect des exigences prĂ©citĂ©es peut ĂȘtre dĂ©montrĂ© au moyen d'une attestation ou d'un rapport, y compris le score Ă©nergĂ©tique maximal tel qu'Ă©tabli dans le modĂšle de rapport technique pour l'examen de la qualitĂ© des logements indĂ©pendants, figurant Ă l'annexe 4 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. " sont insĂ©rĂ©es ;
  2° au paragraphe 1er, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
  " Une indemnité de fonctionnement de 3 000 euros est prévue par logement acquisitif par nécessité du projet pour lequel le CPAS demande une aide. " ;
  3° un paragraphe 2/1 rédigé comme suit est inséré :
  " § 2/1. AprĂšs l'exĂ©cution des travaux visĂ©s Ă l'article 7.2.21 et jusqu'Ă ce qu'ils aient remboursĂ© le prĂȘt Ă l'acquisition par nĂ©cessitĂ©, les acquĂ©reurs par nĂ©cessitĂ© bĂ©nĂ©ficient d'un suivi et d'un accompagnement pĂ©riodiques pour contrĂŽler au moins la consommation d'Ă©nergie et promouvoir un comportement Ă©conome en Ă©nergie. " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
  " Le CPAS prévoit des contrÎles périodiques du respect des conditions précitées. " ;
  5° le paragraphe 6 est abrogé.
  1° dans le paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, entre le membre de phrase " logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ©. " et le membre de phrase " Pour la gestion des prĂȘts, " les phrases " AprĂšs les travaux de rĂ©novation, tous les logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ© satisfont au moins aux exigences en matiĂšre de sĂ©curitĂ©, de salubritĂ© et de qualitĂ© du logement. Le respect des exigences prĂ©citĂ©es peut ĂȘtre dĂ©montrĂ© au moyen d'une attestation ou d'un rapport, y compris le score Ă©nergĂ©tique maximal tel qu'Ă©tabli dans le modĂšle de rapport technique pour l'examen de la qualitĂ© des logements indĂ©pendants, figurant Ă l'annexe 4 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. " sont insĂ©rĂ©es ;
  2° au paragraphe 1er, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
  " Une indemnité de fonctionnement de 3 000 euros est prévue par logement acquisitif par nécessité du projet pour lequel le CPAS demande une aide. " ;
  3° un paragraphe 2/1 rédigé comme suit est inséré :
  " § 2/1. AprĂšs l'exĂ©cution des travaux visĂ©s Ă l'article 7.2.21 et jusqu'Ă ce qu'ils aient remboursĂ© le prĂȘt Ă l'acquisition par nĂ©cessitĂ©, les acquĂ©reurs par nĂ©cessitĂ© bĂ©nĂ©ficient d'un suivi et d'un accompagnement pĂ©riodiques pour contrĂŽler au moins la consommation d'Ă©nergie et promouvoir un comportement Ă©conome en Ă©nergie. " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
  " Le CPAS prévoit des contrÎles périodiques du respect des conditions précitées. " ;
  5° le paragraphe 6 est abrogé.
Art. 56. Artikel 7.2.23 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020, 11 december 2020 en 16 juli 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.2.23. De steunaanvraag als vermeld in artikel 7.2.21, wordt ingediend bij het VEKA met een aanvraagformulier, dat beschikbaar wordt gesteld op de website van het VEKA. Aanvragen kunnen doorlopend ingediend worden tot en met 31 oktober van het kalenderjaar.
  De steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
  1° projectnaam;
  2° gegevens over de projectpromotor;
  3° gegevens over de betrokken partner(s);
  4° gegevens over het project;
  5° gegevens over de financiering.
  Het VEKA behandelt de aanvragen in de volgorde waarin ze worden ingediend.".
  "Art. 7.2.23. De steunaanvraag als vermeld in artikel 7.2.21, wordt ingediend bij het VEKA met een aanvraagformulier, dat beschikbaar wordt gesteld op de website van het VEKA. Aanvragen kunnen doorlopend ingediend worden tot en met 31 oktober van het kalenderjaar.
  De steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
  1° projectnaam;
  2° gegevens over de projectpromotor;
  3° gegevens over de betrokken partner(s);
  4° gegevens over het project;
  5° gegevens over de financiering.
  Het VEKA behandelt de aanvragen in de volgorde waarin ze worden ingediend.".
Art. 56. L'article 7.2.23 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 17 juillet 2020, 11 dĂ©cembre 2020 et 16 juillet 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 7.2.23. La demande d'aide telle que visĂ©e Ă l'article 7.2.21 est introduite auprĂšs de la VEKA au moyen d'un formulaire de demande disponible sur le site web de la VEKA. Les demandes peuvent ĂȘtre introduites en permanence jusqu'au 31 octobre de l'annĂ©e civile.
  La demande d'aide visée à l'alinéa 1er contient tous les éléments suivants :
  1° le nom du projet ;
  2° des renseignements au sujet du promoteur du projet ;
  3° des renseignements au sujet du(des) partenaire(s) impliqué(s) ;
  4° des renseignements au sujet du projet ;
  5° des renseignements au sujet du financement.
  La VEKA traite les demandes dans l'ordre dans lequel elles sont introduites. ".
  " Art. 7.2.23. La demande d'aide telle que visĂ©e Ă l'article 7.2.21 est introduite auprĂšs de la VEKA au moyen d'un formulaire de demande disponible sur le site web de la VEKA. Les demandes peuvent ĂȘtre introduites en permanence jusqu'au 31 octobre de l'annĂ©e civile.
  La demande d'aide visée à l'alinéa 1er contient tous les éléments suivants :
  1° le nom du projet ;
  2° des renseignements au sujet du promoteur du projet ;
  3° des renseignements au sujet du(des) partenaire(s) impliqué(s) ;
  4° des renseignements au sujet du projet ;
  5° des renseignements au sujet du financement.
  La VEKA traite les demandes dans l'ordre dans lequel elles sont introduites. ".
Art. 57. In artikel 7.2.24, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 4° worden de woorden "en correct" opgeheven;
  2° punt 5° wordt opgeheven.
  1° in punt 4° worden de woorden "en correct" opgeheven;
  2° punt 5° wordt opgeheven.
Art. 57. A l'article 7.2.24, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 4°, les mots " et correctement " sont abrogés ;
  2° le point 5° est abrogé.
  1° au point 4°, les mots " et correctement " sont abrogés ;
  2° le point 5° est abrogé.
Art. 58. In artikel 7.2.25 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 en 16 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het VEKA kent de steun, vermeld in artikel 7.2.21, toe aan de projecten die voldoen aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, en dit binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die de minister daarvoor, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds reserveert.
  De besluiten van de administrateur-generaal van het VEKA bevatten minstens al de volgende elementen :
  1° de begunstigde;
  2° omschrijving van het project, waaronder het aantal noodkoopwoningen waarvoor steun wordt toegekend;
  3° het toegekend steunbedrag;
  4° de looptijd;
  5° de uitbetalingsvoorwaarden;
  6° de toezicht en controle;
  7° de rapporteringsvoorwaarden;
  8° de mogelijkheid tot vervroegd stopzetten.
  Het VEKA bezorgt een beslissing aan de aanvragers die niet de minimumscore hebben behaald en zodoende niet in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 7.2.21.".
  1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het VEKA kent de steun, vermeld in artikel 7.2.21, toe aan de projecten die voldoen aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, en dit binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die de minister daarvoor, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds reserveert.
  De besluiten van de administrateur-generaal van het VEKA bevatten minstens al de volgende elementen :
  1° de begunstigde;
  2° omschrijving van het project, waaronder het aantal noodkoopwoningen waarvoor steun wordt toegekend;
  3° het toegekend steunbedrag;
  4° de looptijd;
  5° de uitbetalingsvoorwaarden;
  6° de toezicht en controle;
  7° de rapporteringsvoorwaarden;
  8° de mogelijkheid tot vervroegd stopzetten.
  Het VEKA bezorgt een beslissing aan de aanvragers die niet de minimumscore hebben behaald en zodoende niet in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 7.2.21.".
Art. 58. A l'article 7.2.25 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 11 dĂ©cembre 2020 et 16 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 2 est abrogé ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La VEKA octroie l'aide visée à l'article 7.2.21 aux projets qui satisfont aux critÚres énoncés dans le paragraphe 1er et ce, dans les limites des ressources budgétaires disponibles ou des moyens que le ministre réserve à cet effet dans le Fonds de l'Energie sur décision du Gouvernement flamand.
  Les arrĂȘtĂ©s de l'administrateur gĂ©nĂ©ral de la VEKA contiennent au moins tous les Ă©lĂ©ments suivants :
  1° le bénéficiaire ;
  2° la description du projet, dont le nombre de logements acquisitifs par nécessité pour lesquels une aide est octroyée ;
  3° le montant d'aide octroyé ;
  4° la durée ;
  5° les conditions de paiement ;
  6° la surveillance et le contrÎle ;
  7° les conditions de rapportage ;
  8° la possibilité de résiliation anticipée.
  La VEKA transmet une décision aux demandeurs qui n'ont pas atteint le score minimal et, partant, ne sont pas éligibles à l'aide visée à l'article 7.2.21. ".
  1° le paragraphe 2 est abrogé ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La VEKA octroie l'aide visée à l'article 7.2.21 aux projets qui satisfont aux critÚres énoncés dans le paragraphe 1er et ce, dans les limites des ressources budgétaires disponibles ou des moyens que le ministre réserve à cet effet dans le Fonds de l'Energie sur décision du Gouvernement flamand.
  Les arrĂȘtĂ©s de l'administrateur gĂ©nĂ©ral de la VEKA contiennent au moins tous les Ă©lĂ©ments suivants :
  1° le bénéficiaire ;
  2° la description du projet, dont le nombre de logements acquisitifs par nécessité pour lesquels une aide est octroyée ;
  3° le montant d'aide octroyé ;
  4° la durée ;
  5° les conditions de paiement ;
  6° la surveillance et le contrÎle ;
  7° les conditions de rapportage ;
  8° la possibilité de résiliation anticipée.
  La VEKA transmet une décision aux demandeurs qui n'ont pas atteint le score minimal et, partant, ne sont pas éligibles à l'aide visée à l'article 7.2.21. ".
Art. 59. Aan artikel 7.2.26 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De terbeschikkingstelling van de werkingsvergoeding, vermeld in artikel 7.2.22, § 1, vierde lid, gebeurt op de volgende wijze:
  1° een voorschot van 80% wordt uitbetaald na de toekenning van de steun door het VEKA. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.
  2° de overige 20% wordt uitbetaald na de beëindiging van de renovatie van alle noodkoopwoningen in het project. Deze beëindiging blijkt uit het jaarlijkse verslag, vermeld in artikel 7.2.27, derde lid, jaarlijks verslag. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.".
  "De terbeschikkingstelling van de werkingsvergoeding, vermeld in artikel 7.2.22, § 1, vierde lid, gebeurt op de volgende wijze:
  1° een voorschot van 80% wordt uitbetaald na de toekenning van de steun door het VEKA. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.
  2° de overige 20% wordt uitbetaald na de beëindiging van de renovatie van alle noodkoopwoningen in het project. Deze beëindiging blijkt uit het jaarlijkse verslag, vermeld in artikel 7.2.27, derde lid, jaarlijks verslag. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.".
Art. 59. A l'article 7.2.26 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, un alinĂ©a 3 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " La mise à disposition de l'indemnité de fonctionnement visée à l'article 7.2.22, § 1er, alinéa 4, s'effectue de la façon suivante :
  1° une avance de 80 % est versée aprÚs l'octroi de l'aide par la VEKA. A cet effet, le CPAS introduit une créance.
  2° les 20 % restants sont versés aprÚs la fin de la rénovation de tous les logements acquisitifs par nécessité du projet. La fin de cette rénovation ressort du rapport annuel visé à l'article 7.2.27, alinéa 3. A cet effet, le CPAS introduit une créance. ".
  " La mise à disposition de l'indemnité de fonctionnement visée à l'article 7.2.22, § 1er, alinéa 4, s'effectue de la façon suivante :
  1° une avance de 80 % est versée aprÚs l'octroi de l'aide par la VEKA. A cet effet, le CPAS introduit une créance.
  2° les 20 % restants sont versés aprÚs la fin de la rénovation de tous les logements acquisitifs par nécessité du projet. La fin de cette rénovation ressort du rapport annuel visé à l'article 7.2.27, alinéa 3. A cet effet, le CPAS introduit une créance. ".
Art. 60. Aan artikel 7.2.27 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Het OCMW geeft toelichting over de voortgang van het renovatieproject en over de realisatie van de vastgelegde resultaatsverbintenissen op verzoek van de stuurgroep.
  Het OCMW dient jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het daaropvolgende jaar een werkings- en financieel verslag bij het VEKA.".
  "Het OCMW geeft toelichting over de voortgang van het renovatieproject en over de realisatie van de vastgelegde resultaatsverbintenissen op verzoek van de stuurgroep.
  Het OCMW dient jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het daaropvolgende jaar een werkings- en financieel verslag bij het VEKA.".
Art. 60. A l'article 7.2.27 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, un alinĂ©a 2 et un alinĂ©a 3 rĂ©digĂ©s comme suit sont ajoutĂ©s :
  " Le CPAS fournit des explications sur l'état d'avancement du projet de rénovation et sur la réalisation des obligations de résultat établies à la demande du groupe de pilotage.
  Le CPAS introduit haque année, au plus tard le 31 mars de l'année suivante, un rapport d'activité et financier auprÚs de la VEKA. ".
  " Le CPAS fournit des explications sur l'état d'avancement du projet de rénovation et sur la réalisation des obligations de résultat établies à la demande du groupe de pilotage.
  Le CPAS introduit haque année, au plus tard le 31 mars de l'année suivante, un rapport d'activité et financier auprÚs de la VEKA. ".
Art. 61. In artikel 7.2.27/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de woorden "de projectoproepen" vervangen door de woorden "het steunsysteem".
Art. 61. Dans l'article 7.2.27/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " aux appels Ă projets visĂ©s " sont remplacĂ©s par les mots " au systĂšme d'aide visĂ© ".
Art. 62. In artikel 7.2.28 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt het woord "calls" vervangen door het woord "steunaanvragen".
Art. 62. Dans l'article 7.2.28 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les mots " appels suivants " sont remplacĂ©s par les mots " demandes d'aide suivantes ".
Art. 63. In artikel 7.4.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "in artikel 6.5.4, § 1, 7° " telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 6.5.5, § 1, 7° ";
  2° in het dertiende lid wordt de zinsnede "in artikel 9.1.12/2 en 9.1.12/3" telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 9.1.12/2, 9.1.12/3 en 9.1.17, § 5".
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "in artikel 6.5.4, § 1, 7° " telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 6.5.5, § 1, 7° ";
  2° in het dertiende lid wordt de zinsnede "in artikel 9.1.12/2 en 9.1.12/3" telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 9.1.12/2, 9.1.12/3 en 9.1.17, § 5".
Art. 63. A l'article 7.4.2, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , visé à l'article 6.5.4, § 1er, 7° " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6.5.5, § 1er, 7° " ;
  2° à l'alinéa 13, le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 et à l'article 9.1.17, § 5 ".
  1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , visé à l'article 6.5.4, § 1er, 7° " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6.5.5, § 1er, 7° " ;
  2° à l'alinéa 13, le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 et à l'article 9.1.17, § 5 ".
Art. 64. In artikel 7.9.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende zinnen toegevoegd:
  "Wijzigingen in de territoriale werking van een energiehuis kunnen enkel in werking treden op 1 januari. Het bewijs van de beslissing van de gemeente tot wijziging van de territoriale werking wordt uiterlijk op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging aan het VEKA voorgelegd.";
  2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het werkingsgebied van het energiehuis bedraagt op het moment van de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst minimaal 25.000 private huishoudens.";
  3° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het bewijs van de erkenning van de bevoegde diensten wordt minstens drie maanden voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst voorgelegd aan het VEKA.";
  4° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "die behoort tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen en van de verbouwlening" vervangen door de zinsnede "van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt".
  1° aan paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende zinnen toegevoegd:
  "Wijzigingen in de territoriale werking van een energiehuis kunnen enkel in werking treden op 1 januari. Het bewijs van de beslissing van de gemeente tot wijziging van de territoriale werking wordt uiterlijk op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging aan het VEKA voorgelegd.";
  2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het werkingsgebied van het energiehuis bedraagt op het moment van de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst minimaal 25.000 private huishoudens.";
  3° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het bewijs van de erkenning van de bevoegde diensten wordt minstens drie maanden voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst voorgelegd aan het VEKA.";
  4° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "die behoort tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen en van de verbouwlening" vervangen door de zinsnede "van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt".
Art. 64. A l'article 7.9.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les phrases suivantes sont ajoutées :
  " Les modifications de l'action territoriale d'une maison de l'énergie ne peuvent entrer en vigueur que le 1er janvier. La preuve de la décision de la commune de modifier l'action territoriale est soumise à la VEKA au plus tard le 1er octobre de l'année civile précédant l'entrée en vigueur de la modification. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Au moment de l'entrée en vigueur de l'accord de coopération, la zone d'action de la maison de l'énergie couvre au minimum 25 000 ménages privés. " ;
  3° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, la phrase suivante est ajoutée :
  " La preuve de l'agrément des services compétents est soumise à la VEKA au moins trois mois avant la date envisagée d'entrée en vigueur de l'accord de coopération. " ;
  4° dans le paragraphe 2, 3°, les mots " appartenant au groupe cible prioritaire des prĂȘts Ă©nergie et du prĂȘt rĂ©novation " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " dont le revenu ne dĂ©passe par les plafonds visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, ".
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les phrases suivantes sont ajoutées :
  " Les modifications de l'action territoriale d'une maison de l'énergie ne peuvent entrer en vigueur que le 1er janvier. La preuve de la décision de la commune de modifier l'action territoriale est soumise à la VEKA au plus tard le 1er octobre de l'année civile précédant l'entrée en vigueur de la modification. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Au moment de l'entrée en vigueur de l'accord de coopération, la zone d'action de la maison de l'énergie couvre au minimum 25 000 ménages privés. " ;
  3° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, la phrase suivante est ajoutée :
  " La preuve de l'agrément des services compétents est soumise à la VEKA au moins trois mois avant la date envisagée d'entrée en vigueur de l'accord de coopération. " ;
  4° dans le paragraphe 2, 3°, les mots " appartenant au groupe cible prioritaire des prĂȘts Ă©nergie et du prĂȘt rĂ©novation " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " dont le revenu ne dĂ©passe par les plafonds visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, ".
Art. 65. In titel VII, hoofdstuk IX, afdeling II, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt onderafdeling I/2, die bestaat uit de artikelen 7.9.2/0/7 tot en met 7.9.2/0/9, vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling I/2. Verbouwlening
  Art. 7.9.2/0/7. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt het Vlaamse Gewest met een kredietlijn renteloze leningen ter beschikking van een energiehuis waarmee een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 7.9.1, § 1, eerste lid, is gesloten.
  De renteloze leningen, vermeld in het eerste lid, zijn terugbetaalbaar op basis van het aflossingsgedeelte van de mensualiteiten, die de leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, aan het energiehuis verschuldigd zijn, met behoud van de toepassing van afdeling IV.
  Art. 7.9.2/0/8. Het energiehuis verstrekt renteloze leningen aan:
  1° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze uiterlijk na de werken waarvoor de renteloze lening wordt aangevraagd, en in elk geval binnen 36 maanden nadat de renteloze lening is toegekend, zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
  2° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe hun woning, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
  3° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  4° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/2 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  5° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe de verhuurde woning, vermeld in punt 3° en 4°, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
  6° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan een woning waarvan ze vanaf 1 september 2022 tot en met 31 december 2024 via een erfenis of schenking in volle eigendom nieuwe eigenaar geworden zijn;
  7° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
  8° de verenigingen van mede-eigenaars, voor werken aan de gemene delen van gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
  Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de lening enkel aan een vereniging van mede-eigenaars, vermeld in het eerste lid, 8°, worden toegekend als deze als waarborg voor de lening een kredietverzekering heeft afgesloten.
  Art. 7.9.2/0/9. In afwijking van artikel 7.9.2/0/8 van dit besluit kunnen nieuwe eigenaars die vanaf 1 januari 2023 via een authentieke akte de woning in volle eigendom verwerven en die in aanmerking komen voor een renteloze energetische renovatielening als vermeld in artikel 5.135/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, of een renteloos renovatiekrediet als vermeld in artikel 7.15.1 tot en met 7.15.5 van dit besluit, tot tien jaar na verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening. Nieuwe eigenaars aan wie al een renteloze energetische renovatielening, een renteloos renovatiekrediet of een energielening+, vermeld in artikel 7.9.2/0 tot en met 7.9.2/0/5 van dit besluit, is toegekend, kunnen tot tien jaar na de verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening.
  De leners verklaren op moment van aanvraag van de verbouwlening op eer niet te vallen onder de toepassing van het eerste lid.
  Art. 7.9.2/0/10. De verbouwlening wordt toegekend aan de leners, vermeld in het artikel 7.9.2/0/8, met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen.
  Art. 7.9.2/0/11. In afwijking van het artikel 7.9.2/0/8 wordt, als de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt, op nieuwe aanvragen vanaf de bekendmaking van de wettelijke rentevoet door de bevoegde federale instantie in het Belgisch Staatblad, voor verbouwleningen een rentevoet aangerekend ten belope van het aantal basispunten boven de 3%. Het VEKA brengt PMV/z-Leningen op de hoogte dat de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt.
  Art. 7.9.2/0/12. De verbouwlening heeft een looptijd van ten hoogste driehonderd maanden en wordt verstrekt aan:
  1° de particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen en verenigingen van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 8°, van dit besluit, voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, en voor de investeringen in de categorieën van werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, 1° tot en met 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  2° de prioritaire doelgroep van de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels met Europees productlabel A of beter ter vervanging van een ouder verwarmingssysteem. In gebieden waar een aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen aardgascondensatieketels in aanmerking. In gebieden waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen condensatieketels op propaan of butaan in aanmerking.
  3° de niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 7°, voor de investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit.
  In afwijking van het eerste lid kan de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels, vermeld in het eerste lid, 2°, in elk geval niet meer worden aangevraagd vanaf 1 januari 2027.
  In afwijking van artikel 6.4.1/1/2 van dit besluit en met behoud van toepassing van het eerste lid, 1°, kan de verbouwlening ook worden verstrekt aan de vereniging van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 8°, voor een door een aannemer op het dak van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, nieuw te plaatsen fotovoltaïsche installatie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer van meer dan 10 kVA, tenzij er voor de plaatsing van die fotovoltaïsche installatie reeds steun in de vorm van een investeringssubsidie werd toegekend conform het bepaalde in titel VII, hoofdstuk XI van dit besluit.
  De woning of het gebouw, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, moet minstens vijftien jaar oud zijn op het moment van de aanvraag van de verbouwlening, om in aanmerking te komen voor de verbouwlening en in het Vlaamse Gewest liggen.
  In afwijking van het derde lid kan de verbouwlening alleen worden toegekend voor investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
  1° de woning of het gebouw is vóór 1 januari 2014 aangesloten op het elektriciteitsdistributienet;
  2° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is meer dan vijf jaar geleden verleend, de woning of het gebouw voldoet aan de op haar van toepassing zijnde EPB-eisen en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid kan de verbouwlening in de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° en 8°, niet worden toegekend als er al een verbouwlening loopt voor hetzelfde onroerend goed, of voor een gedeelte ervan.
  Art. 7.9.2/0/13. De verbouwlening bedraagt maximaal:
  1° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
  2° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit en artikel 5.189, § 2, eerste lid, 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
  3° één keer het in aanmerking te nemen investeringsbedrag, vermeld in artikel 5.189, § 6, tweede lid, 5° en 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, vermeerderd met de toepasselijke btw. Als de lening wordt toegekend aan een vereniging van mede-eigenaars, mag het in aanmerking te nemen investeringsbedrag vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag het maximale bedrag dat bij een energiehuis kan worden geleend, gecumuleerd niet hoger zijn dan 60.000 euro en niet lager dan 1250 euro.
  Het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in een gebouw waarvoor er een vereniging van mede-eigenaars opgericht is, mag in elk geval niet meer bedragen dan het bedrag dat is vermeld in de offertes, verminderd met de inzet uit het reservefonds van de vereniging van mede-eigenaars voor de voormelde werken, vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, bedraagt het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in elk geval niet meer dan het bedrag dat is vermeld in de offertes vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom.
  In de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1° tot en met 5°, en met behoud van de toepassing van het derde lid kan de toegekende verbouwlening aangewend worden voor de financiering van werken aan de woning en voor de financiering van werken aan de gemene delen. In elk geval mag de verbouwlening gecumuleerd niet meer bedragen dan het bedrag, vermeld in het tweede lid.
  In afwijking van het tweede lid is het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet hoger dan 60.000 euro vermeerderd met 25.000 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, en is het niet lager dan 5.000 euro. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid, kan aan een particulier, een niet-commerciële instelling of een coöperatieve vennootschap waaraan een energielening als vermeld in artikel 7.9.2, is toegekend, een verbouwlening worden toegestaan voor hetzelfde onroerend goed, of een gedeelte ervan, op voorwaarde dat het maximale leningsbedrag wordt verminderd met het bedrag van de eerder toegekende energielening.
  Art. 7.9.2/0/14. De verbouwlening kan uiterlijk tot en met 31 december 2026 worden aangevraagd.
  In afwijking van het eerste lid kunnen vanaf 1 januari 2027 verbouwleningen van maximaal 15.000 euro en minimaal 1250 euro met een looptijd van ten hoogste honderdtwintig maanden aangevraagd worden door:
  1° particulieren die behoren tot de prioritaire doelgroep van de verbouwlening;
  2° particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen die de woning verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  3° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
  4° de verenigingen van mede-eigenaars, voor de gemene delen van de gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
  In afwijking van het tweede lid mag het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet lager dan 1250 euro en niet hoger dan 15.000 euro zijn, vermeerderd met 7.500 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  Art. 7.9.2/0/15. De verbouwlening wordt toegekend op basis van offertes of meetstaten die de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
  In afwijking van het tweede lid, wordt, als er voor het gebouw waar de werken worden uitgevoerd, een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, de verbouwlening aan de individuele leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, eerste lid, 2° en 5°, toegekend op basis van offertes of meetstaten, zoals opgenomen in het verslag van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars, die de financiering van de werken aan de gemene delen staven. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening toegekend op basis van offertes of meetstaten die door de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
  De verbouwlening kan in maximaal zes verschillende schijven worden aangevraagd.
  Art. 7.9.2/0/16. De uiterste opnamedatum van de verbouwlening bedraagt zesendertig maanden na de ondertekening.
  De verbouwlening wordt uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
  In afwijking van het tweede lid kan in de gevallen beschreven in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, de verbouwlening pas worden uitbetaald als er bewijs wordt voorgelegd van specifieke opvragingen van financiering door de vereniging van mede-eigenaars. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
  De leners van de verbouwlening gebruiken de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, als terugbetaling van die lening, voor de werken, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het energiehuis vraagt in dat geval in naam en voor rekening van de ontlener die premie bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan en gebruikt die als een vervroegde terugbetaling van de verbouwlening.
  Art. 7.9.2/0/17. De particulieren, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, die op moment van de toekenning van de verbouwlening de woning niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, bewijzen uiterlijk binnen zesendertig maanden nadat hun de lening is toekend, aan het energiehuis, dat ze de woning ondertussen zelf bewonen als hoofdverblijfplaats als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°.
  Als de particulieren de woning, waarvoor een verbouwlening is toegekend, uiterlijk na de werken en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de verbouwlening is toegekend, niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
  Art. 7.9.2/0/18. De leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, leggen uiterlijk binnen achtenveertig maanden nadat hun de lening is toegekend, aan het energiehuis de definitieve facturen voor, die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven. Als de leners binnen die achtenveertig maanden geen bewijs leveren van de facturen die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
  Als uit de facturen, vermeld in het eerste lid, blijkt dat het uitbetaalde leningsbedrag méér bedraagt dan het aandeel van de ontlener, vermeld in het eerste lid, in de werkelijke kosten zoals gestaafd aan de hand van de facturen, dan stort de lener het verschil terug aan het energiehuis binnen twaalf maanden na het voorleggen van de facturen. Als de lener het verschil niet terugstort binnen twaalf maanden nadat de facturen zijn voorgelegd, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.".
  "Onderafdeling I/2. Verbouwlening
  Art. 7.9.2/0/7. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt het Vlaamse Gewest met een kredietlijn renteloze leningen ter beschikking van een energiehuis waarmee een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 7.9.1, § 1, eerste lid, is gesloten.
  De renteloze leningen, vermeld in het eerste lid, zijn terugbetaalbaar op basis van het aflossingsgedeelte van de mensualiteiten, die de leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, aan het energiehuis verschuldigd zijn, met behoud van de toepassing van afdeling IV.
  Art. 7.9.2/0/8. Het energiehuis verstrekt renteloze leningen aan:
  1° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze uiterlijk na de werken waarvoor de renteloze lening wordt aangevraagd, en in elk geval binnen 36 maanden nadat de renteloze lening is toegekend, zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
  2° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe hun woning, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
  3° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  4° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/2 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  5° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe de verhuurde woning, vermeld in punt 3° en 4°, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
  6° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan een woning waarvan ze vanaf 1 september 2022 tot en met 31 december 2024 via een erfenis of schenking in volle eigendom nieuwe eigenaar geworden zijn;
  7° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
  8° de verenigingen van mede-eigenaars, voor werken aan de gemene delen van gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
  Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de lening enkel aan een vereniging van mede-eigenaars, vermeld in het eerste lid, 8°, worden toegekend als deze als waarborg voor de lening een kredietverzekering heeft afgesloten.
  Art. 7.9.2/0/9. In afwijking van artikel 7.9.2/0/8 van dit besluit kunnen nieuwe eigenaars die vanaf 1 januari 2023 via een authentieke akte de woning in volle eigendom verwerven en die in aanmerking komen voor een renteloze energetische renovatielening als vermeld in artikel 5.135/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, of een renteloos renovatiekrediet als vermeld in artikel 7.15.1 tot en met 7.15.5 van dit besluit, tot tien jaar na verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening. Nieuwe eigenaars aan wie al een renteloze energetische renovatielening, een renteloos renovatiekrediet of een energielening+, vermeld in artikel 7.9.2/0 tot en met 7.9.2/0/5 van dit besluit, is toegekend, kunnen tot tien jaar na de verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening.
  De leners verklaren op moment van aanvraag van de verbouwlening op eer niet te vallen onder de toepassing van het eerste lid.
  Art. 7.9.2/0/10. De verbouwlening wordt toegekend aan de leners, vermeld in het artikel 7.9.2/0/8, met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen.
  Art. 7.9.2/0/11. In afwijking van het artikel 7.9.2/0/8 wordt, als de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt, op nieuwe aanvragen vanaf de bekendmaking van de wettelijke rentevoet door de bevoegde federale instantie in het Belgisch Staatblad, voor verbouwleningen een rentevoet aangerekend ten belope van het aantal basispunten boven de 3%. Het VEKA brengt PMV/z-Leningen op de hoogte dat de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt.
  Art. 7.9.2/0/12. De verbouwlening heeft een looptijd van ten hoogste driehonderd maanden en wordt verstrekt aan:
  1° de particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen en verenigingen van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 8°, van dit besluit, voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, en voor de investeringen in de categorieën van werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, 1° tot en met 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  2° de prioritaire doelgroep van de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels met Europees productlabel A of beter ter vervanging van een ouder verwarmingssysteem. In gebieden waar een aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen aardgascondensatieketels in aanmerking. In gebieden waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen condensatieketels op propaan of butaan in aanmerking.
  3° de niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 7°, voor de investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit.
  In afwijking van het eerste lid kan de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels, vermeld in het eerste lid, 2°, in elk geval niet meer worden aangevraagd vanaf 1 januari 2027.
  In afwijking van artikel 6.4.1/1/2 van dit besluit en met behoud van toepassing van het eerste lid, 1°, kan de verbouwlening ook worden verstrekt aan de vereniging van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 8°, voor een door een aannemer op het dak van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, nieuw te plaatsen fotovoltaïsche installatie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer van meer dan 10 kVA, tenzij er voor de plaatsing van die fotovoltaïsche installatie reeds steun in de vorm van een investeringssubsidie werd toegekend conform het bepaalde in titel VII, hoofdstuk XI van dit besluit.
  De woning of het gebouw, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, moet minstens vijftien jaar oud zijn op het moment van de aanvraag van de verbouwlening, om in aanmerking te komen voor de verbouwlening en in het Vlaamse Gewest liggen.
  In afwijking van het derde lid kan de verbouwlening alleen worden toegekend voor investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
  1° de woning of het gebouw is vóór 1 januari 2014 aangesloten op het elektriciteitsdistributienet;
  2° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is meer dan vijf jaar geleden verleend, de woning of het gebouw voldoet aan de op haar van toepassing zijnde EPB-eisen en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid kan de verbouwlening in de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° en 8°, niet worden toegekend als er al een verbouwlening loopt voor hetzelfde onroerend goed, of voor een gedeelte ervan.
  Art. 7.9.2/0/13. De verbouwlening bedraagt maximaal:
  1° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
  2° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit en artikel 5.189, § 2, eerste lid, 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
  3° één keer het in aanmerking te nemen investeringsbedrag, vermeld in artikel 5.189, § 6, tweede lid, 5° en 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, vermeerderd met de toepasselijke btw. Als de lening wordt toegekend aan een vereniging van mede-eigenaars, mag het in aanmerking te nemen investeringsbedrag vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag het maximale bedrag dat bij een energiehuis kan worden geleend, gecumuleerd niet hoger zijn dan 60.000 euro en niet lager dan 1250 euro.
  Het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in een gebouw waarvoor er een vereniging van mede-eigenaars opgericht is, mag in elk geval niet meer bedragen dan het bedrag dat is vermeld in de offertes, verminderd met de inzet uit het reservefonds van de vereniging van mede-eigenaars voor de voormelde werken, vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, bedraagt het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in elk geval niet meer dan het bedrag dat is vermeld in de offertes vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom.
  In de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1° tot en met 5°, en met behoud van de toepassing van het derde lid kan de toegekende verbouwlening aangewend worden voor de financiering van werken aan de woning en voor de financiering van werken aan de gemene delen. In elk geval mag de verbouwlening gecumuleerd niet meer bedragen dan het bedrag, vermeld in het tweede lid.
  In afwijking van het tweede lid is het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet hoger dan 60.000 euro vermeerderd met 25.000 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, en is het niet lager dan 5.000 euro. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid, kan aan een particulier, een niet-commerciële instelling of een coöperatieve vennootschap waaraan een energielening als vermeld in artikel 7.9.2, is toegekend, een verbouwlening worden toegestaan voor hetzelfde onroerend goed, of een gedeelte ervan, op voorwaarde dat het maximale leningsbedrag wordt verminderd met het bedrag van de eerder toegekende energielening.
  Art. 7.9.2/0/14. De verbouwlening kan uiterlijk tot en met 31 december 2026 worden aangevraagd.
  In afwijking van het eerste lid kunnen vanaf 1 januari 2027 verbouwleningen van maximaal 15.000 euro en minimaal 1250 euro met een looptijd van ten hoogste honderdtwintig maanden aangevraagd worden door:
  1° particulieren die behoren tot de prioritaire doelgroep van de verbouwlening;
  2° particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen die de woning verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  3° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
  4° de verenigingen van mede-eigenaars, voor de gemene delen van de gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
  In afwijking van het tweede lid mag het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet lager dan 1250 euro en niet hoger dan 15.000 euro zijn, vermeerderd met 7.500 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  Art. 7.9.2/0/15. De verbouwlening wordt toegekend op basis van offertes of meetstaten die de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
  In afwijking van het tweede lid, wordt, als er voor het gebouw waar de werken worden uitgevoerd, een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, de verbouwlening aan de individuele leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, eerste lid, 2° en 5°, toegekend op basis van offertes of meetstaten, zoals opgenomen in het verslag van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars, die de financiering van de werken aan de gemene delen staven. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening toegekend op basis van offertes of meetstaten die door de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
  De verbouwlening kan in maximaal zes verschillende schijven worden aangevraagd.
  Art. 7.9.2/0/16. De uiterste opnamedatum van de verbouwlening bedraagt zesendertig maanden na de ondertekening.
  De verbouwlening wordt uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
  In afwijking van het tweede lid kan in de gevallen beschreven in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, de verbouwlening pas worden uitbetaald als er bewijs wordt voorgelegd van specifieke opvragingen van financiering door de vereniging van mede-eigenaars. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
  De leners van de verbouwlening gebruiken de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, als terugbetaling van die lening, voor de werken, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het energiehuis vraagt in dat geval in naam en voor rekening van de ontlener die premie bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan en gebruikt die als een vervroegde terugbetaling van de verbouwlening.
  Art. 7.9.2/0/17. De particulieren, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, die op moment van de toekenning van de verbouwlening de woning niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, bewijzen uiterlijk binnen zesendertig maanden nadat hun de lening is toekend, aan het energiehuis, dat ze de woning ondertussen zelf bewonen als hoofdverblijfplaats als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°.
  Als de particulieren de woning, waarvoor een verbouwlening is toegekend, uiterlijk na de werken en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de verbouwlening is toegekend, niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
  Art. 7.9.2/0/18. De leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, leggen uiterlijk binnen achtenveertig maanden nadat hun de lening is toegekend, aan het energiehuis de definitieve facturen voor, die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven. Als de leners binnen die achtenveertig maanden geen bewijs leveren van de facturen die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
  Als uit de facturen, vermeld in het eerste lid, blijkt dat het uitbetaalde leningsbedrag méér bedraagt dan het aandeel van de ontlener, vermeld in het eerste lid, in de werkelijke kosten zoals gestaafd aan de hand van de facturen, dan stort de lener het verschil terug aan het energiehuis binnen twaalf maanden na het voorleggen van de facturen. Als de lener het verschil niet terugstort binnen twaalf maanden nadat de facturen zijn voorgelegd, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.".
Art. 65. Dans le titre VII, chapitre IX, section II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, la sous-section Ire/2, comportant les articles 7.9.2/0/7 Ă 7.9.2/0/9, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Sous-section Ire/2. PrĂȘt rĂ©novation
  Art. 7.9.2/0/7. Dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires disponibles, la RĂ©gion flamande met des prĂȘts sans intĂ©rĂȘt Ă la disposition d'une maison de l'Ă©nergie avec laquelle un accord de coopĂ©ration tel que visĂ© Ă l'article 7.9.1, § 1er, alinĂ©a 1er, a Ă©tĂ© conclu, par le biais d'une ligne de crĂ©dit.
  Les prĂȘts sans intĂ©rĂȘt visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er sont remboursables sur la base de la partie amortissement des mensualitĂ©s dues Ă la maison de l'Ă©nergie par les emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, sans prĂ©judice de l'application de section IV.
  Art. 7.9.2/0/8. La maison de l'Ă©nergie octroie des prĂȘts sans intĂ©rĂȘt aux :
  1° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils occupent personnellement Ă titre de rĂ©sidence principale au plus tard aprĂšs les travaux pour lesquels le prĂȘt sans intĂ©rĂȘt est demandĂ© et, en tout cas, dans les 36 mois de l'octroi du prĂȘt sans intĂ©rĂȘt ;
  2° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour le financement de travaux aux parties communes du bĂątiment auquel appartient leur logement dont ils sont propriĂ©taires ;
  3° particuliers, organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils donnent en location Ă une sociĂ©tĂ© de logement conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  4° particuliers, organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils donnent en location conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/2 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  5° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour le financement de travaux aux parties communes du bùtiment auquel appartient le logement loué, visé aux points 3° et 4°, dont ils sont propriétaires ;
  6° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux Ă un logement dont ils sont devenus, par succession ou donation en pleine propriĂ©tĂ©, le nouveau propriĂ©taire entre le 1er septembre 2022 et le 31 dĂ©cembre 2024 ;
  7° organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux aux bùtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
  8° associations de copropriétaires pour des travaux aux parties communes de bùtiments dont elles sont responsables.
  Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, le prĂȘt ne peut ĂȘtre octroyĂ© Ă une association des copropriĂ©taires visĂ©e l'alinĂ©a 1er, 8°, que si celle-ci a contractĂ© une assurance-crĂ©dit en garantie du prĂȘt.
  Art. 7.9.2/0/9. Par dĂ©rogation Ă l'article 7.9.2/0/8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les nouveaux propriĂ©taires qui, Ă partir du 1er janvier 2023, acquiĂšrent le logement en pleine propriĂ©tĂ© par acte authentique et qui sont Ă©ligibles Ă un prĂȘt Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique sans intĂ©rĂȘt, tel que visĂ© Ă l'article 5 135/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, ou Ă un crĂ©dit de rĂ©novation sans intĂ©rĂȘt, tel que visĂ© aux articles 7.15.1 Ă 7.15.5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ne peuvent pas recourir Ă un prĂȘt rĂ©novation pendant dix ans Ă partir de l'acquisition du logement en pleine propriĂ©tĂ©. Les nouveaux propriĂ©taires auxquels un prĂȘt Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique sans intĂ©rĂȘt, un crĂ©dit de rĂ©novation sans intĂ©rĂȘt ou un prĂȘt Ă©nergie+ visĂ© aux articles 7.9.2/0 Ă 7.9.2/0/5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© a dĂ©jĂ Ă©tĂ© octroyĂ© ne peuvent pas recourir Ă un prĂȘt rĂ©novation pendant dix ans Ă partir de l'acquisition du logement en pleine propriĂ©tĂ©.
  Au moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation, les emprunteurs dĂ©clarent sur l'honneur ne pas tomber sous le coup de l'alinĂ©a 1er.
  Art. 7.9.2/0/10. Le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© aux emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8 compte tenu des conditions Ă©noncĂ©es dans le rĂšglement (UE) no 360/2012 de la Commission du 25 avril 2012 relatif Ă l'application des articles 107 et 108 du traitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne aux aides de minimis accordĂ©es Ă des entreprises fournissant des services d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique gĂ©nĂ©ral.
  Art. 7.9.2/0/11. Par dĂ©rogation Ă l'article 7.9.2/0/8, si le taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal est supĂ©rieur Ă 3 %, les nouvelles demandes de prĂȘts rĂ©novation, Ă partir de la publication au Moniteur belge du taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal par l'organe fĂ©dĂ©ral compĂ©tent, sont soumises Ă un taux d'intĂ©rĂȘt Ă concurrence du nombre de points de base au-delĂ des 3 %. La VEKA informe PMV/z-Leningen de ce que le taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal est supĂ©rieur Ă 3 %.
  Art. 7.9.2/0/12. Le prĂȘt rĂ©novation a une durĂ©e de trois cents mois maximum et est octroyĂ© :
  1° aux particuliers, organismes non commerciaux, sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives et associations de copropriĂ©taires visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 8°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour les investissements mentionnĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les investissements dans les catĂ©gories de travaux visĂ©es Ă l'article 5 189, § 2, 1° Ă 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  2° au groupe cible prioritaire du prĂȘt rĂ©novation pour l'installation d'une chaudiĂšre au gaz naturel Ă condensation ou de chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation dotĂ©es du label produit europĂ©en A ou supĂ©rieur en remplacement d'un ancien systĂšme de chauffage. Dans les rĂ©gions pourvues d'un rĂ©seau de distribution de gaz naturel au moment de l'exĂ©cution des travaux, seules les chaudiĂšres au gaz naturel Ă condensation entrent en considĂ©ration. Dans les rĂ©gions dĂ©pourvues de rĂ©seau de distribution de gaz naturel au moment de l'exĂ©cution des travaux, seules les chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation entrent en considĂ©ration.
  3° aux organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 7°, pour les investissements mentionnĂ©s dans les articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, le prĂȘt rĂ©novation pour l'installation d'une chaudiĂšre au gaz naturel Ă condensation ou de chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 2°, ne peut en tout cas plus ĂȘtre demandĂ© Ă partir du 1er janvier 2027.
  Par dĂ©rogation Ă l'article 6.4.1/1/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, 1°, le prĂȘt rĂ©novation peut Ă©galement ĂȘtre octroyĂ© Ă l'association des copropriĂ©taires visĂ©e Ă l'article 7.9.2/0/8, 8°, pour une nouvelle installation photovoltaĂŻque Ă©quipĂ©e d'un onduleur d'une puissance CA maximale de 10 kVA Ă poser par un entrepreneur sur la toiture du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable, Ă moins qu'une aide n'ait dĂ©jĂ Ă©tĂ© octroyĂ©e sous la forme d'une subvention d'investissement pour la pose de cette installation photovoltaĂŻque conformĂ©ment aux dispositions du titre VII, chapitre XI du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible au prĂȘt rĂ©novation, le logement ou le bĂątiment visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8 doit avoir au moins quinze ans au moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation et se situer en RĂ©gion flamande.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 3, le prĂȘt rĂ©novation ne peut ĂȘtre octroyĂ© pour des investissements tels que visĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© que si l'une des conditions suivantes est remplie :
  1° le logement ou le bùtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ;
  2° le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé il y a plus de cinq ans, le logement ou le bùtiment satisfait aux exigences PEB y applicables et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 Ă 4, le prĂȘt rĂ©novation ne peut pas ĂȘtre octroyĂ© dans les cas Ă©noncĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° et 8°, si un prĂȘt rĂ©novation est dĂ©jĂ en cours pour le mĂȘme bien immeuble ou pour une partie de celui-ci.
  Art. 7.9.2/0/13. Le prĂȘt rĂ©novation s'Ă©lĂšve au maximum Ă :
  1° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 4°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
  2° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
  3° une fois le montant d'investissement Ă prendre en considĂ©ration, visĂ© Ă l'article 5 189, § 6, alinĂ©a 2, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, majorĂ© de la T.V.A. applicable. Si le prĂȘt est octroyĂ© Ă une association de copropriĂ©taires, le montant d'investissement Ă prendre en considĂ©ration peut ĂȘtre majorĂ© du nombre d'unitĂ©s de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable.
  Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, le montant maximum cumulĂ© pouvant ĂȘtre empruntĂ© auprĂšs d'une maison de l'Ă©nergie ne peut pas dĂ©passer 60 000 euros ni ĂȘtre infĂ©rieur Ă 1250 euros.
  La partie du prĂȘt rĂ©novation que l'emprunteur individuel visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes d'un bĂątiment pour lequel une association des copropriĂ©taires a Ă©tĂ© constituĂ©e ne peut en tout cas pas excĂ©der le montant mentionnĂ© dans les devis, diminuĂ© de l'intervention du fonds de rĂ©serve de l'association des copropriĂ©taires pour les travaux prĂ©citĂ©s, multipliĂ© au prorata de la quote-part en milliĂšmes dans la copropriĂ©tĂ©. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, la partie du prĂȘt rĂ©novation que l'emprunteur individuel visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes n'excĂšde en tout cas pas le montant mentionnĂ© dans les devis multipliĂ© au prorata de la quote-part en milliĂšmes dans la copropriĂ©tĂ©.
  Dans les cas visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1° Ă 5°, et sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 3, le prĂȘt rĂ©novation octroyĂ© peut ĂȘtre utilisĂ© pour financer des travaux au logement et pour financer des travaux aux parties communes. Dans chaque cas, le prĂȘt rĂ©novation cumulĂ© ne pas excĂ©der le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, le montant du prĂȘt accordĂ© Ă une association des copropriĂ©taires n'est pas supĂ©rieur Ă 60 000 euros, majorĂ©s de 25 000 euros par unitĂ© de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable, ni infĂ©rieur 5 000 euros. La rĂšgle prĂ©citĂ©e s'applique par bĂątiment dont l'association de copropriĂ©taires est responsable.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er et sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 Ă 5, un prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre accordĂ© Ă un particulier, un organisme non commercial ou une sociĂ©tĂ© coopĂ©rative auxquels un prĂȘt Ă©nergie, tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2, a Ă©tĂ© octroyĂ©, pour le mĂȘme bien immeuble ou une partie de celui-ci, Ă condition que le montant de prĂȘt maximal soit diminuĂ© du montant du prĂȘt Ă©nergie octroyĂ© antĂ©rieurement.
  Art. 7.9.2/0/14. Le prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre demandĂ© au plus tard jusqu'au 31 dĂ©cembre 2026.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, des prĂȘts rĂ©novation de 15 000 euros maximum et de 1250 euros minimum d'une durĂ©e de cent vingt mois maximum peuvent ĂȘtre demandĂ©s Ă partir du 1er janvier 2027 par :
  1° des particuliers appartenant au groupe cible prioritaire du prĂȘt rĂ©novation ;
  2° des particuliers, des organismes non commerciaux et des sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives qui donnent le logement en location Ă une sociĂ©tĂ© de logement conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  3° des organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour les bùtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
  4° des associations de copropriétaires, pour les parties communes des bùtiments dont elles sont responsables.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, le montant du prĂȘt accordĂ© Ă une association des copropriĂ©taires ne peut pas ĂȘtre infĂ©rieur Ă 1250 euros ni dĂ©passer 15 000 euros, majorĂ©s de 7 500 euros par unitĂ© de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable. La rĂšgle prĂ©citĂ©e s'applique par bĂątiment dont l'association de copropriĂ©taires est responsable.
  Art. 7.9.2/0/15. Le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s que l'emprunteur soumet Ă la maison de l'Ă©nergie au moment de la demande du prĂȘt.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, si une association des copropriĂ©taires a Ă©tĂ© constituĂ©e pour le bĂątiment oĂč les travaux sont exĂ©cutĂ©s, le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© aux emprunteurs individuels visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, alinĂ©a 1er, 2° et 5°, sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s, tels que figurant dans le rapport de l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale de l'association de copropriĂ©taires, qui Ă©taient le financement des travaux aux parties communes. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s que l'emprunteur soumet Ă la maison de l'Ă©nergie au moment de la demande du prĂȘt.
  Le prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre demandĂ© en six tranches diffĂ©rentes maximum.
  Art. 7.9.2/0/16. La date limite de prĂ©lĂšvement du prĂȘt rĂ©novation est fixĂ©e Ă trente-six mois aprĂšs la signature.
  Le prĂȘt rĂ©novation est versĂ© sur la base de factures datĂ©es Ă partir du moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, dans les cas dĂ©crits Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, le prĂȘt rĂ©novation ne peut ĂȘtre versĂ© que sur prĂ©sentation de la preuve d'appels spĂ©cifiques Ă financement par l'association de copropriĂ©taires. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, le prĂȘt rĂ©novation est versĂ© sur la base de factures datĂ©es Ă partir du moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation.
  Les emprunteurs du prĂȘt rĂ©novation utilisent les primes visĂ©es aux articles 6.4.1/1/1 Ă 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 Ă 6.4.1/5/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les interventions calculĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 5 191 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en remboursement de ce prĂȘt ; pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s aux articles 6.4.1/1 Ă 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 Ă 6.4.1/5/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, la maison de l'Ă©nergie demande cette prime, au nom et pour le compte de l'emprunteur, auprĂšs du gestionnaire du rĂ©seau de distribution d'Ă©lectricitĂ© et l'utilise en remboursement anticipĂ© du prĂȘt rĂ©novation.
  Art. 7.9.2/0/17. Les particuliers visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, qui n'occupent pas personnellement le logement Ă titre de rĂ©sidence principale au moment de l'octroi du prĂȘt rĂ©novation, fournissent la preuve Ă la maison de l'Ă©nergie, au plus tard dans les trente-six mois de l'octroi du prĂȘt, qu'ils occupent entre-temps personnellement le logement Ă titre de rĂ©sidence principale au sens de l'article 7.9.2/0/8, 1°.
  Si les particuliers n'occupent pas personnellement, Ă titre de rĂ©sidence principale, le logement pour lequel un prĂȘt rĂ©novation a Ă©tĂ© octroyĂ© au plus tard aprĂšs les travaux et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi du prĂȘt rĂ©novation, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit.
  Art. 7.9.2/0/18. Les emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, soumettent Ă la maison de l'Ă©nergie, au plus tard dans les quarante-huit mois de l'octroi du prĂȘt, les factures dĂ©finitives qui Ă©taient les travaux effectuĂ©s aux parties communes. Si les emprunteurs ne fournissent pas la preuve des factures qui Ă©taient les travaux effectuĂ©s aux parties communes dans les quarante-huit mois, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit.
  S'il ressort des factures visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er que le montant du prĂȘt versĂ© est supĂ©rieur Ă la part de l'emprunteur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les coĂ»ts rĂ©els Ă©tayĂ©s par les factures, l'emprunteur reverse la diffĂ©rence Ă la maison de l'Ă©nergie dans les douze mois de la production des factures. Si l'emprunteur ne reverse pas la diffĂ©rence dans les douze mois de la production des factures, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit. ".
  " Sous-section Ire/2. PrĂȘt rĂ©novation
  Art. 7.9.2/0/7. Dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires disponibles, la RĂ©gion flamande met des prĂȘts sans intĂ©rĂȘt Ă la disposition d'une maison de l'Ă©nergie avec laquelle un accord de coopĂ©ration tel que visĂ© Ă l'article 7.9.1, § 1er, alinĂ©a 1er, a Ă©tĂ© conclu, par le biais d'une ligne de crĂ©dit.
  Les prĂȘts sans intĂ©rĂȘt visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er sont remboursables sur la base de la partie amortissement des mensualitĂ©s dues Ă la maison de l'Ă©nergie par les emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, sans prĂ©judice de l'application de section IV.
  Art. 7.9.2/0/8. La maison de l'Ă©nergie octroie des prĂȘts sans intĂ©rĂȘt aux :
  1° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils occupent personnellement Ă titre de rĂ©sidence principale au plus tard aprĂšs les travaux pour lesquels le prĂȘt sans intĂ©rĂȘt est demandĂ© et, en tout cas, dans les 36 mois de l'octroi du prĂȘt sans intĂ©rĂȘt ;
  2° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour le financement de travaux aux parties communes du bĂątiment auquel appartient leur logement dont ils sont propriĂ©taires ;
  3° particuliers, organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils donnent en location Ă une sociĂ©tĂ© de logement conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  4° particuliers, organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives pour des travaux au logement dont ils sont propriĂ©taires et qu'ils donnent en location conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/2 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  5° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour le financement de travaux aux parties communes du bùtiment auquel appartient le logement loué, visé aux points 3° et 4°, dont ils sont propriétaires ;
  6° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux Ă un logement dont ils sont devenus, par succession ou donation en pleine propriĂ©tĂ©, le nouveau propriĂ©taire entre le 1er septembre 2022 et le 31 dĂ©cembre 2024 ;
  7° organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux aux bùtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
  8° associations de copropriétaires pour des travaux aux parties communes de bùtiments dont elles sont responsables.
  Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, le prĂȘt ne peut ĂȘtre octroyĂ© Ă une association des copropriĂ©taires visĂ©e l'alinĂ©a 1er, 8°, que si celle-ci a contractĂ© une assurance-crĂ©dit en garantie du prĂȘt.
  Art. 7.9.2/0/9. Par dĂ©rogation Ă l'article 7.9.2/0/8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les nouveaux propriĂ©taires qui, Ă partir du 1er janvier 2023, acquiĂšrent le logement en pleine propriĂ©tĂ© par acte authentique et qui sont Ă©ligibles Ă un prĂȘt Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique sans intĂ©rĂȘt, tel que visĂ© Ă l'article 5 135/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, ou Ă un crĂ©dit de rĂ©novation sans intĂ©rĂȘt, tel que visĂ© aux articles 7.15.1 Ă 7.15.5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ne peuvent pas recourir Ă un prĂȘt rĂ©novation pendant dix ans Ă partir de l'acquisition du logement en pleine propriĂ©tĂ©. Les nouveaux propriĂ©taires auxquels un prĂȘt Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique sans intĂ©rĂȘt, un crĂ©dit de rĂ©novation sans intĂ©rĂȘt ou un prĂȘt Ă©nergie+ visĂ© aux articles 7.9.2/0 Ă 7.9.2/0/5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© a dĂ©jĂ Ă©tĂ© octroyĂ© ne peuvent pas recourir Ă un prĂȘt rĂ©novation pendant dix ans Ă partir de l'acquisition du logement en pleine propriĂ©tĂ©.
  Au moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation, les emprunteurs dĂ©clarent sur l'honneur ne pas tomber sous le coup de l'alinĂ©a 1er.
  Art. 7.9.2/0/10. Le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© aux emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8 compte tenu des conditions Ă©noncĂ©es dans le rĂšglement (UE) no 360/2012 de la Commission du 25 avril 2012 relatif Ă l'application des articles 107 et 108 du traitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne aux aides de minimis accordĂ©es Ă des entreprises fournissant des services d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique gĂ©nĂ©ral.
  Art. 7.9.2/0/11. Par dĂ©rogation Ă l'article 7.9.2/0/8, si le taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal est supĂ©rieur Ă 3 %, les nouvelles demandes de prĂȘts rĂ©novation, Ă partir de la publication au Moniteur belge du taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal par l'organe fĂ©dĂ©ral compĂ©tent, sont soumises Ă un taux d'intĂ©rĂȘt Ă concurrence du nombre de points de base au-delĂ des 3 %. La VEKA informe PMV/z-Leningen de ce que le taux d'intĂ©rĂȘt lĂ©gal est supĂ©rieur Ă 3 %.
  Art. 7.9.2/0/12. Le prĂȘt rĂ©novation a une durĂ©e de trois cents mois maximum et est octroyĂ© :
  1° aux particuliers, organismes non commerciaux, sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives et associations de copropriĂ©taires visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 8°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour les investissements mentionnĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les investissements dans les catĂ©gories de travaux visĂ©es Ă l'article 5 189, § 2, 1° Ă 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  2° au groupe cible prioritaire du prĂȘt rĂ©novation pour l'installation d'une chaudiĂšre au gaz naturel Ă condensation ou de chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation dotĂ©es du label produit europĂ©en A ou supĂ©rieur en remplacement d'un ancien systĂšme de chauffage. Dans les rĂ©gions pourvues d'un rĂ©seau de distribution de gaz naturel au moment de l'exĂ©cution des travaux, seules les chaudiĂšres au gaz naturel Ă condensation entrent en considĂ©ration. Dans les rĂ©gions dĂ©pourvues de rĂ©seau de distribution de gaz naturel au moment de l'exĂ©cution des travaux, seules les chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation entrent en considĂ©ration.
  3° aux organismes non commerciaux et sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 7°, pour les investissements mentionnĂ©s dans les articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, le prĂȘt rĂ©novation pour l'installation d'une chaudiĂšre au gaz naturel Ă condensation ou de chaudiĂšres au gaz propane ou butane Ă condensation, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 2°, ne peut en tout cas plus ĂȘtre demandĂ© Ă partir du 1er janvier 2027.
  Par dĂ©rogation Ă l'article 6.4.1/1/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, 1°, le prĂȘt rĂ©novation peut Ă©galement ĂȘtre octroyĂ© Ă l'association des copropriĂ©taires visĂ©e Ă l'article 7.9.2/0/8, 8°, pour une nouvelle installation photovoltaĂŻque Ă©quipĂ©e d'un onduleur d'une puissance CA maximale de 10 kVA Ă poser par un entrepreneur sur la toiture du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable, Ă moins qu'une aide n'ait dĂ©jĂ Ă©tĂ© octroyĂ©e sous la forme d'une subvention d'investissement pour la pose de cette installation photovoltaĂŻque conformĂ©ment aux dispositions du titre VII, chapitre XI du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible au prĂȘt rĂ©novation, le logement ou le bĂątiment visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8 doit avoir au moins quinze ans au moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation et se situer en RĂ©gion flamande.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 3, le prĂȘt rĂ©novation ne peut ĂȘtre octroyĂ© pour des investissements tels que visĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© que si l'une des conditions suivantes est remplie :
  1° le logement ou le bùtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ;
  2° le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé il y a plus de cinq ans, le logement ou le bùtiment satisfait aux exigences PEB y applicables et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 Ă 4, le prĂȘt rĂ©novation ne peut pas ĂȘtre octroyĂ© dans les cas Ă©noncĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° et 8°, si un prĂȘt rĂ©novation est dĂ©jĂ en cours pour le mĂȘme bien immeuble ou pour une partie de celui-ci.
  Art. 7.9.2/0/13. Le prĂȘt rĂ©novation s'Ă©lĂšve au maximum Ă :
  1° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 4°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
  2° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnĂ©s aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
  3° une fois le montant d'investissement Ă prendre en considĂ©ration, visĂ© Ă l'article 5 189, § 6, alinĂ©a 2, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, majorĂ© de la T.V.A. applicable. Si le prĂȘt est octroyĂ© Ă une association de copropriĂ©taires, le montant d'investissement Ă prendre en considĂ©ration peut ĂȘtre majorĂ© du nombre d'unitĂ©s de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable.
  Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 1er, le montant maximum cumulĂ© pouvant ĂȘtre empruntĂ© auprĂšs d'une maison de l'Ă©nergie ne peut pas dĂ©passer 60 000 euros ni ĂȘtre infĂ©rieur Ă 1250 euros.
  La partie du prĂȘt rĂ©novation que l'emprunteur individuel visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes d'un bĂątiment pour lequel une association des copropriĂ©taires a Ă©tĂ© constituĂ©e ne peut en tout cas pas excĂ©der le montant mentionnĂ© dans les devis, diminuĂ© de l'intervention du fonds de rĂ©serve de l'association des copropriĂ©taires pour les travaux prĂ©citĂ©s, multipliĂ© au prorata de la quote-part en milliĂšmes dans la copropriĂ©tĂ©. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, la partie du prĂȘt rĂ©novation que l'emprunteur individuel visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes n'excĂšde en tout cas pas le montant mentionnĂ© dans les devis multipliĂ© au prorata de la quote-part en milliĂšmes dans la copropriĂ©tĂ©.
  Dans les cas visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1° Ă 5°, et sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a 3, le prĂȘt rĂ©novation octroyĂ© peut ĂȘtre utilisĂ© pour financer des travaux au logement et pour financer des travaux aux parties communes. Dans chaque cas, le prĂȘt rĂ©novation cumulĂ© ne pas excĂ©der le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, le montant du prĂȘt accordĂ© Ă une association des copropriĂ©taires n'est pas supĂ©rieur Ă 60 000 euros, majorĂ©s de 25 000 euros par unitĂ© de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable, ni infĂ©rieur 5 000 euros. La rĂšgle prĂ©citĂ©e s'applique par bĂątiment dont l'association de copropriĂ©taires est responsable.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er et sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 Ă 5, un prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre accordĂ© Ă un particulier, un organisme non commercial ou une sociĂ©tĂ© coopĂ©rative auxquels un prĂȘt Ă©nergie, tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2, a Ă©tĂ© octroyĂ©, pour le mĂȘme bien immeuble ou une partie de celui-ci, Ă condition que le montant de prĂȘt maximal soit diminuĂ© du montant du prĂȘt Ă©nergie octroyĂ© antĂ©rieurement.
  Art. 7.9.2/0/14. Le prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre demandĂ© au plus tard jusqu'au 31 dĂ©cembre 2026.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, des prĂȘts rĂ©novation de 15 000 euros maximum et de 1250 euros minimum d'une durĂ©e de cent vingt mois maximum peuvent ĂȘtre demandĂ©s Ă partir du 1er janvier 2027 par :
  1° des particuliers appartenant au groupe cible prioritaire du prĂȘt rĂ©novation ;
  2° des particuliers, des organismes non commerciaux et des sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives qui donnent le logement en location Ă une sociĂ©tĂ© de logement conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă l'article 5 162/1 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 ;
  3° des organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour les bùtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
  4° des associations de copropriétaires, pour les parties communes des bùtiments dont elles sont responsables.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, le montant du prĂȘt accordĂ© Ă une association des copropriĂ©taires ne peut pas ĂȘtre infĂ©rieur Ă 1250 euros ni dĂ©passer 15 000 euros, majorĂ©s de 7 500 euros par unitĂ© de logement Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment dont l'association des copropriĂ©taires est responsable. La rĂšgle prĂ©citĂ©e s'applique par bĂątiment dont l'association de copropriĂ©taires est responsable.
  Art. 7.9.2/0/15. Le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s que l'emprunteur soumet Ă la maison de l'Ă©nergie au moment de la demande du prĂȘt.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, si une association des copropriĂ©taires a Ă©tĂ© constituĂ©e pour le bĂątiment oĂč les travaux sont exĂ©cutĂ©s, le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© aux emprunteurs individuels visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, alinĂ©a 1er, 2° et 5°, sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s, tels que figurant dans le rapport de l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale de l'association de copropriĂ©taires, qui Ă©taient le financement des travaux aux parties communes. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, le prĂȘt rĂ©novation est octroyĂ© sur la base de devis ou de mĂ©trĂ©s que l'emprunteur soumet Ă la maison de l'Ă©nergie au moment de la demande du prĂȘt.
  Le prĂȘt rĂ©novation peut ĂȘtre demandĂ© en six tranches diffĂ©rentes maximum.
  Art. 7.9.2/0/16. La date limite de prĂ©lĂšvement du prĂȘt rĂ©novation est fixĂ©e Ă trente-six mois aprĂšs la signature.
  Le prĂȘt rĂ©novation est versĂ© sur la base de factures datĂ©es Ă partir du moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, dans les cas dĂ©crits Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, le prĂȘt rĂ©novation ne peut ĂȘtre versĂ© que sur prĂ©sentation de la preuve d'appels spĂ©cifiques Ă financement par l'association de copropriĂ©taires. En l'absence d'association de copropriĂ©taires, le prĂȘt rĂ©novation est versĂ© sur la base de factures datĂ©es Ă partir du moment de la demande du prĂȘt rĂ©novation.
  Les emprunteurs du prĂȘt rĂ©novation utilisent les primes visĂ©es aux articles 6.4.1/1/1 Ă 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 Ă 6.4.1/5/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les interventions calculĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 5 191 de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, en remboursement de ce prĂȘt ; pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s aux articles 6.4.1/1 Ă 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 Ă 6.4.1/5/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et pour les travaux Ă©numĂ©rĂ©s Ă l'article 5 189, § 2, alinĂ©a 1er, 1° Ă 7°, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, la maison de l'Ă©nergie demande cette prime, au nom et pour le compte de l'emprunteur, auprĂšs du gestionnaire du rĂ©seau de distribution d'Ă©lectricitĂ© et l'utilise en remboursement anticipĂ© du prĂȘt rĂ©novation.
  Art. 7.9.2/0/17. Les particuliers visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 1°, qui n'occupent pas personnellement le logement Ă titre de rĂ©sidence principale au moment de l'octroi du prĂȘt rĂ©novation, fournissent la preuve Ă la maison de l'Ă©nergie, au plus tard dans les trente-six mois de l'octroi du prĂȘt, qu'ils occupent entre-temps personnellement le logement Ă titre de rĂ©sidence principale au sens de l'article 7.9.2/0/8, 1°.
  Si les particuliers n'occupent pas personnellement, Ă titre de rĂ©sidence principale, le logement pour lequel un prĂȘt rĂ©novation a Ă©tĂ© octroyĂ© au plus tard aprĂšs les travaux et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi du prĂȘt rĂ©novation, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit.
  Art. 7.9.2/0/18. Les emprunteurs visĂ©s Ă l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, soumettent Ă la maison de l'Ă©nergie, au plus tard dans les quarante-huit mois de l'octroi du prĂȘt, les factures dĂ©finitives qui Ă©taient les travaux effectuĂ©s aux parties communes. Si les emprunteurs ne fournissent pas la preuve des factures qui Ă©taient les travaux effectuĂ©s aux parties communes dans les quarante-huit mois, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit.
  S'il ressort des factures visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er que le montant du prĂȘt versĂ© est supĂ©rieur Ă la part de l'emprunteur visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er dans les coĂ»ts rĂ©els Ă©tayĂ©s par les factures, l'emprunteur reverse la diffĂ©rence Ă la maison de l'Ă©nergie dans les douze mois de la production des factures. Si l'emprunteur ne reverse pas la diffĂ©rence dans les douze mois de la production des factures, la maison de l'Ă©nergie applique immĂ©diatement au prĂȘt rĂ©novation un taux d'intĂ©rĂȘt Ă©gal au taux lĂ©gal applicable au moment de la conclusion de la convention de crĂ©dit. ".
Art. 66. Artikel 7.9.2/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Het energiehuis voorziet, naast het verstrekken en beheren van leningen, in elke stad of gemeente binnen zijn werkingsgebied verplicht in de volgende dienstverlening en activiteiten:
  1° inwoners informeren, adviseren en begeleiden door een laagdrempelig energieloket aan te bieden waar inwoners terecht kunnen met hun energievragen en vragen over woningkwaliteit;
  2° gestructureerde basisinformatie aanbieden over minstens:
  a) relevante gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale energiebeleidsmaatregelen;
  b) energiepremies en -leningen, inclusief leningen bij de financiële sector;
  c) energetische renovatie;
  d) woningkwaliteit;
  e) de verbouwlening;
  3° particulieren begeleiden en ondersteunen bij minstens:
  a) de aanvragen van de premies en leningen, vermeld in punt 2° ;
  b) het uitvoeren van de leveranciersvergelijking en, in voorkomend geval, bij de wijziging van energieleverancier;
  c) het aanvragen en vergelijken van offertes voor energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
  d) de uitvoering van energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit, en het bieden van ontzorging daarbij, inclusief dienstverlening voortvloeiende uit door het energiehuis uitgevoerde energiescans die gericht is op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen;
  e) de interpretatie van thermografische informatie, de zonnekaart, de resultaten na een energiescan en het energieprestatiecertificaat;
  4° uitvoerende lokale diensten coördineren, onder meer van de door de respectievelijke gemeente aangeduide uitvoerders van de energiescans, en, in voorkomend geval, correct doorverwijzen;
  5° voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, tot en met 31 december 2026 één begeleidings- en ondersteuningstraject opstarten met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
  6° het opstarten tot en met 31 december 2026 van een renovatiebegeleiding bij de uitvoering van energetische investeringen en investeringen in het kader van de woningkwaliteit in residentiële gebouwen, gelegen in het Vlaamse Gewest, met een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019, met het oog op een verbetering tot energielabel C of beter in het geval van eengezinswoningen en collectieve woongebouwen met een label E of F, of een verbetering tot label B of beter voor wooneenheden met een label D, E of F, en waarbij de eigenaar behoort tot de doelgroep van:
  a) huishoudelijke afnemers met een inkomen dat de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, niet overstijgt en die de woning uiterlijk na de werken waarvoor de begeleiding is aangevraagd, en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de begeleiding werd toegekend zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
  b) huishoudelijke afnemers die zich samen met een woonmaatschappij in een huurbelofte ertoe verbinden om de woning waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de werken en voor een duur van minstens negen jaar te verhuren aan de betreffende woonmaatschappij met het oog op onderverhuring door de woonmaatschappij met een geldig conformiteitsattest, als vermeld in als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de gehele periode van onderverhuring;
  c) huishoudelijke afnemers die op eer verklaren om de woning, die zij verhuren en waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de uitvoering van de werken te verhuren aan een gezin of een alleenstaande met een huurovereenkomst op basis van titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018, waarbij het gezin of de alleenstaande de woning gebruikt als hoofdverblijfplaats, aan een in de huurovereenkomst opgenomen huurprijs die werd vastgelegd op basis van het gemiddelde van de vork van de webtoepassing, vermeld in artikel 5.111 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en die maximaal 900 euro bedraagt;
  7° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit en, in het geval het OCMW de inschatting maakt dat deze begeleiding relevant kan zijn, ook huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden om het onderhoud en de verduurzaming van de verwarmingsinstallatie te realiseren. Bij deze begeleiding ondersteunt het energiehuis de huishoudelijke afnemer bij het laten uitvoeren van het periodiek onderhoud van de verwarmingsinstallatie als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. Het energiehuis voorziet in een financiering van de kosten van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie voor een bedrag van maximaal 180 euro. Eventuele meerkosten worden door de huishoudelijke afnemer gedragen;
  8° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden bij het plaatsen van fotovoltaïsche installaties. De voormelde begeleiding bestaat minstens uit:
  a) de technische en praktische begeleiding bij het aanvragen en vergelijken van offertes voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie;
  b) de administratieve begeleiding bij het aanvragen van de premies en van leningen om de fotovoltaïsche installaties te financieren;
  9° verenigingen van mede-eigenaars die zich willen voorbereiden op een grondige renovatie van de gemeenschappelijke delen van een woongebouw met minstens 15 wooneenheden tot en met 31 december 2026 informeren, adviseren en begeleiden bij het proces dat leidt tot een renovatiebeslissing. De taken die moeten worden uitgevoerd, zijn minstens de volgende:
  a) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de energiebesparing en vanuit een neutrale expertpositie toelichting geven bij het nut en de noodzaak om grondig te renoveren;
  b) advies verlenen over een plan van aanpak, zowel aan de vereniging van mede-eigenaars als aan de individuele eigenaar van het woongebouw zowel voor een gefaseerde aanpak als een aanpak waarbij alle werken tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  c) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de opmaak van een renovatiemasterplan en indien de vereniging van mede-eigenaars opteert voor de opmaak van een renovatiemasterplan door een studiebureau, waarvoor het VEKA financiële steun voorziet, deze bijstaan bij de opmaak van een aanvraagdossier, waarbij minstens de relevante vergaderingen van de vereniging van mede-eigenaars worden bijgewoond en hen helpen bij de data-inventarisatie in samenwerking met de syndicus, bij de bevraging van de eigenaars, bij het in kaart brengen van gebreken en noden van het gebouw en de contouren en wensen voor de renovatie vaststellen;
  d) de bewoners doorheen dit proces ondersteunen en vragen beantwoorden;
  e) de opgeleverde analyse van de conditiestaat in het kader van het renovatiemasterplan nakijken en bespreken met de vereniging van mede-eigenaars;
  f) de opgeleverde renovatiescenario's nakijken en bespreken ter voorbereiding van de presentatie op de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars;
  g) de voorstelling van het renovatiemasterplan door het studiebureau, vermeld in c), en het investeringsvoorstel aan de vereniging van mede-eigenaars bijwonen;
  h) het in kaart brengen van financieringsmogelijkheden, inclusief financieel advies op maat van eigenaars die dat wensen;
  i) de vereniging van mede-eigenaars sensibiliseren om te opteren voor een zo verregaand mogelijke renovatie.
  In afwijking het eerste lid, 5°, zijn voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in 6.4.1/6/3, derde lid, tot en met 31 december 2026 twee begeleidings- en ondersteuningstrajecten mogelijk.
  In afwijking van het eerste lid, 5°, kan het energiehuis ook de vereniging van mede-eigenaars tot en met 31 december 2026 éénmalig begeleiden en ondersteunen met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  In afwijking van het eerste lid, 6°, c), bedraagt de huurprijs maximaal 1000 euro als de woning op het grondgebied van een van de volgende gemeenten ligt:
  1° de grootsteden Antwerpen en Gent;
  2° de centrumsteden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
  3° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Antwerpen: Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
  4° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Gent: De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem en Merelbeke;
  5° alle gemeenten in het arrondissement Halle-Vilvoorde;
  6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg en Tervuren.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan niet worden gecumuleerd met de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, of met de toekenning van steun voor de energetische renovatie van noodkoopwoningen, vermeld in titel VII, hoofdstuk II, afdeling IV.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan worden opgestart op basis van een verklaring die de eigenaar ondertekent en aan het energiehuis bezorgt. De voormelde verklaring geldt als engagement om de woning grondig te renoveren tot de energielabels, vermeld in het eerste lid, 6°.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 9°, waaronder de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 8°, a) en b), kan de begeleiding als vermeld in het eerste lid, 8°, ook bestaan uit het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap binnen het gebouw, waarbij de stroom die van andere fotovoltaïsche installaties afkomstig is, wordt gedeeld met gezinnen uit de doelgroep, conform titel IV, hoofdstuk VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel III, hoofdstuk 3 van dit besluit.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, waaronder de minimaal te doorlopen stappen van de begeleiding, de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan tot en met 31 december 2024 worden opgestart door het energiehuis.".
  " § 1. Het energiehuis voorziet, naast het verstrekken en beheren van leningen, in elke stad of gemeente binnen zijn werkingsgebied verplicht in de volgende dienstverlening en activiteiten:
  1° inwoners informeren, adviseren en begeleiden door een laagdrempelig energieloket aan te bieden waar inwoners terecht kunnen met hun energievragen en vragen over woningkwaliteit;
  2° gestructureerde basisinformatie aanbieden over minstens:
  a) relevante gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale energiebeleidsmaatregelen;
  b) energiepremies en -leningen, inclusief leningen bij de financiële sector;
  c) energetische renovatie;
  d) woningkwaliteit;
  e) de verbouwlening;
  3° particulieren begeleiden en ondersteunen bij minstens:
  a) de aanvragen van de premies en leningen, vermeld in punt 2° ;
  b) het uitvoeren van de leveranciersvergelijking en, in voorkomend geval, bij de wijziging van energieleverancier;
  c) het aanvragen en vergelijken van offertes voor energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
  d) de uitvoering van energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit, en het bieden van ontzorging daarbij, inclusief dienstverlening voortvloeiende uit door het energiehuis uitgevoerde energiescans die gericht is op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen;
  e) de interpretatie van thermografische informatie, de zonnekaart, de resultaten na een energiescan en het energieprestatiecertificaat;
  4° uitvoerende lokale diensten coördineren, onder meer van de door de respectievelijke gemeente aangeduide uitvoerders van de energiescans, en, in voorkomend geval, correct doorverwijzen;
  5° voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, tot en met 31 december 2026 één begeleidings- en ondersteuningstraject opstarten met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
  6° het opstarten tot en met 31 december 2026 van een renovatiebegeleiding bij de uitvoering van energetische investeringen en investeringen in het kader van de woningkwaliteit in residentiële gebouwen, gelegen in het Vlaamse Gewest, met een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019, met het oog op een verbetering tot energielabel C of beter in het geval van eengezinswoningen en collectieve woongebouwen met een label E of F, of een verbetering tot label B of beter voor wooneenheden met een label D, E of F, en waarbij de eigenaar behoort tot de doelgroep van:
  a) huishoudelijke afnemers met een inkomen dat de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, niet overstijgt en die de woning uiterlijk na de werken waarvoor de begeleiding is aangevraagd, en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de begeleiding werd toegekend zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
  b) huishoudelijke afnemers die zich samen met een woonmaatschappij in een huurbelofte ertoe verbinden om de woning waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de werken en voor een duur van minstens negen jaar te verhuren aan de betreffende woonmaatschappij met het oog op onderverhuring door de woonmaatschappij met een geldig conformiteitsattest, als vermeld in als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de gehele periode van onderverhuring;
  c) huishoudelijke afnemers die op eer verklaren om de woning, die zij verhuren en waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de uitvoering van de werken te verhuren aan een gezin of een alleenstaande met een huurovereenkomst op basis van titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018, waarbij het gezin of de alleenstaande de woning gebruikt als hoofdverblijfplaats, aan een in de huurovereenkomst opgenomen huurprijs die werd vastgelegd op basis van het gemiddelde van de vork van de webtoepassing, vermeld in artikel 5.111 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en die maximaal 900 euro bedraagt;
  7° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit en, in het geval het OCMW de inschatting maakt dat deze begeleiding relevant kan zijn, ook huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden om het onderhoud en de verduurzaming van de verwarmingsinstallatie te realiseren. Bij deze begeleiding ondersteunt het energiehuis de huishoudelijke afnemer bij het laten uitvoeren van het periodiek onderhoud van de verwarmingsinstallatie als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. Het energiehuis voorziet in een financiering van de kosten van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie voor een bedrag van maximaal 180 euro. Eventuele meerkosten worden door de huishoudelijke afnemer gedragen;
  8° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden bij het plaatsen van fotovoltaïsche installaties. De voormelde begeleiding bestaat minstens uit:
  a) de technische en praktische begeleiding bij het aanvragen en vergelijken van offertes voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie;
  b) de administratieve begeleiding bij het aanvragen van de premies en van leningen om de fotovoltaïsche installaties te financieren;
  9° verenigingen van mede-eigenaars die zich willen voorbereiden op een grondige renovatie van de gemeenschappelijke delen van een woongebouw met minstens 15 wooneenheden tot en met 31 december 2026 informeren, adviseren en begeleiden bij het proces dat leidt tot een renovatiebeslissing. De taken die moeten worden uitgevoerd, zijn minstens de volgende:
  a) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de energiebesparing en vanuit een neutrale expertpositie toelichting geven bij het nut en de noodzaak om grondig te renoveren;
  b) advies verlenen over een plan van aanpak, zowel aan de vereniging van mede-eigenaars als aan de individuele eigenaar van het woongebouw zowel voor een gefaseerde aanpak als een aanpak waarbij alle werken tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  c) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de opmaak van een renovatiemasterplan en indien de vereniging van mede-eigenaars opteert voor de opmaak van een renovatiemasterplan door een studiebureau, waarvoor het VEKA financiële steun voorziet, deze bijstaan bij de opmaak van een aanvraagdossier, waarbij minstens de relevante vergaderingen van de vereniging van mede-eigenaars worden bijgewoond en hen helpen bij de data-inventarisatie in samenwerking met de syndicus, bij de bevraging van de eigenaars, bij het in kaart brengen van gebreken en noden van het gebouw en de contouren en wensen voor de renovatie vaststellen;
  d) de bewoners doorheen dit proces ondersteunen en vragen beantwoorden;
  e) de opgeleverde analyse van de conditiestaat in het kader van het renovatiemasterplan nakijken en bespreken met de vereniging van mede-eigenaars;
  f) de opgeleverde renovatiescenario's nakijken en bespreken ter voorbereiding van de presentatie op de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars;
  g) de voorstelling van het renovatiemasterplan door het studiebureau, vermeld in c), en het investeringsvoorstel aan de vereniging van mede-eigenaars bijwonen;
  h) het in kaart brengen van financieringsmogelijkheden, inclusief financieel advies op maat van eigenaars die dat wensen;
  i) de vereniging van mede-eigenaars sensibiliseren om te opteren voor een zo verregaand mogelijke renovatie.
  In afwijking het eerste lid, 5°, zijn voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in 6.4.1/6/3, derde lid, tot en met 31 december 2026 twee begeleidings- en ondersteuningstrajecten mogelijk.
  In afwijking van het eerste lid, 5°, kan het energiehuis ook de vereniging van mede-eigenaars tot en met 31 december 2026 éénmalig begeleiden en ondersteunen met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
  In afwijking van het eerste lid, 6°, c), bedraagt de huurprijs maximaal 1000 euro als de woning op het grondgebied van een van de volgende gemeenten ligt:
  1° de grootsteden Antwerpen en Gent;
  2° de centrumsteden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
  3° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Antwerpen: Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
  4° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Gent: De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem en Merelbeke;
  5° alle gemeenten in het arrondissement Halle-Vilvoorde;
  6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg en Tervuren.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan niet worden gecumuleerd met de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, of met de toekenning van steun voor de energetische renovatie van noodkoopwoningen, vermeld in titel VII, hoofdstuk II, afdeling IV.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan worden opgestart op basis van een verklaring die de eigenaar ondertekent en aan het energiehuis bezorgt. De voormelde verklaring geldt als engagement om de woning grondig te renoveren tot de energielabels, vermeld in het eerste lid, 6°.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 9°, waaronder de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 8°, a) en b), kan de begeleiding als vermeld in het eerste lid, 8°, ook bestaan uit het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap binnen het gebouw, waarbij de stroom die van andere fotovoltaïsche installaties afkomstig is, wordt gedeeld met gezinnen uit de doelgroep, conform titel IV, hoofdstuk VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel III, hoofdstuk 3 van dit besluit.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, waaronder de minimaal te doorlopen stappen van de begeleiding, de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
  De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan tot en met 31 december 2024 worden opgestart door het energiehuis.".
Art. 66. L'article 7.9.2/1, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2018 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er. Outre la fourniture et la gestion de prĂȘts, la maison de l'Ă©nergie assure obligatoirement dans chaque ville ou commune Ă l'intĂ©rieur de sa zone d'action les services et activitĂ©s suivants :
  1° informer, conseiller et accompagner les habitants en offrant un guichet Energie facilement accessible auquel ils peuvent s'adresser pour leurs questions en matiÚre d'énergie et leurs questions concernant la qualité du logement ;
  2° offrir des informations de base structurées concernant au moins :
  a) les mesures de politique énergétique communales, provinciales, régionales et fédérales pertinentes ;
  b) les primes et prĂȘts Ă©nergie, y compris les prĂȘts auprĂšs du secteur financier ;
  c) la rénovation énergétique ;
  d) la qualité du logement ;
  e) le prĂȘt rĂ©novation ;
  3° accompagner et assister les particuliers au moins pour :
  a) les demandes de primes et de prĂȘts visĂ©s au point 2° ;
  b) le comparatif des fournisseurs et, le cas échéant, le changement de fournisseur d'énergie ;
  c) la demande et la comparaison de devis pour des travaux de rénovation énergétique et des travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
  d) l'exécution de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement, et l'offre de prise en charge complÚte en la matiÚre, y compris les services résultant des scans énergétiques effectués par la maison de l'énergie visant l'accompagnement à la réalisation d'investissements économiseurs d'énergie ;
  e) l'interprétation des informations thermographiques, de la carte solaire, des résultats obtenus aprÚs un scan énergétique et du certificat de performance énergétique ;
  4° coordonner les services locaux de mise en oeuvre, entre autres des opérateurs de scans énergétiques désignés par la commune respective, et, le cas échéant, les orienter correctement ;
  5° pour les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, entamer, jusqu'au 31 dĂ©cembre 2026, un seul parcours d'accompagnement et de soutien en vue de travaux de rĂ©novation Ă©nergĂ©tique et de travaux de rĂ©novation dans le cadre de la qualitĂ© du logement ;
  6° mettre en place, jusqu'au 31 décembre 2026, un accompagnement à la rénovation pour la réalisation d'investissements énergétiques et d'investissements dans le cadre de la qualité du logement dans des bùtiments résidentiels situés en Région flamande, disposant d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019, en vue de les faire basculer vers le label énergétique C ou supérieur dans le cas de logements unifamiliaux et de bùtiments résidentiels collectifs au label E ou F ou de les faire basculer vers le label B ou supérieur pour les unités de logement au label D, E ou F, et dont le propriétaire appartient au groupe cible des :
  a) clients rĂ©sidentiels dont le revenu ne dĂ©passe pas les plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 et qui occupent le logement personnellement, Ă titre de rĂ©sidence principale, au plus tard aprĂšs les travaux pour lesquels l'accompagnement a Ă©tĂ© demandĂ© et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi de l'accompagnement ;
  b) clients résidentiels qui s'engagent, dans une promesse de bail avec une société de logement, à donner en location le logement pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard aprÚs les travaux et pour une durée d'au moins neuf ans, à la société de logement en question en vue de sa sous-location par la société de logement avec un certificat de conformité valable, tel que visé à l'article 3.6 du Code flamand du Logement de 2021, pour toute la durée de la sous-location ;
  c) clients résidentiels qui déclarent sur l'honneur donner en location, le logement qu'ils donnent en location et pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard aprÚs l'exécution des travaux, à un ménage ou à un isolé aux termes d'un bail basé sur le titre 2 du décret flamand sur la location d'habitations du 9 novembre 2018, le ménage ou l'isolé utilisant le logement à titre de résidence principale, pour un loyer repris dans le bail, qui a été fixé sur la base de la moyenne de la fourchette de l'application web visée à l'article 5 111 du Code flamand du Logement de 2021 et qui s'élÚve à 900 euros maximum ;
  7° accompagner les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et, dans le cas oĂč le CPAS estime que cet accompagnement peut ĂȘtre pertinent, Ă©galement les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour rĂ©aliser l'entretien et la rĂ©novation durable de l'installation de chauffage. Lors de cet accompagnement, la maison de l'Ă©nergie aide le client rĂ©sidentiel Ă faire exĂ©cuter l'entretien pĂ©riodique de l'installation de chauffage tel que visĂ© Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2006 relatif Ă l'entretien et au contrĂŽle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bĂątiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. La maison de l'Ă©nergie prĂ©voit un financement des coĂ»ts d'entretien de l'installation de chauffage pour un montant de 180 euros maximum. Les surcoĂ»ts Ă©ventuels sont Ă charge du client rĂ©sidentiel ;
  8° accompagner les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 dans la pose d'installations photovoltaĂŻques. L'accompagnement prĂ©citĂ© recouvre au moins :
  a) l'accompagnement technique et pratique lors de la demande et de la comparaison de devis pour la pose d'une installation photovoltaïque ;
  b) l'accompagnement administratif lors de la demande de primes et de prĂȘts pour financer les installations photovoltaĂŻques ;
  9° informer, conseiller et accompagner, jusqu'au 31 décembre 2026, les associations de copropriétaires qui veulent se préparer à une rénovation en profondeur des parties communes d'un bùtiment résidentiel d'au moins 15 unités de logement dans le processus qui mÚne une décision de rénovation. Les tùches à accomplir sont au minimum les suivantes :
  a) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'économie d'énergie et expliquer, tout en adoptant une position d'expert neutre, l'utilité et la nécessité d'une rénovation en profondeur ;
  b) fournir des conseils sur un plan d'approche, tant à l'association des copropriétaires qu'au propriétaire individuel du bùtiment résidentiel et tant pour une approche en plusieurs phases qu'une approche selon laquelle tous les travaux sont effectués simultanément ;
  c) informer l'association des copropriĂ©taires et le syndic au sujet de l'Ă©laboration d'un plan directeur de rĂ©novation et si l'association des copropriĂ©taires choisit de confier l'Ă©laboration d'un plan directeur de rĂ©novation Ă un bureau d'Ă©tudes, pour lequel la VEKA prĂ©voit une aide financiĂšre, l'aider dans la prĂ©paration d'un dossier de demande en assistant, au minimum, aux rĂ©unions pertinentes de l'association des copropriĂ©taires, et l'aider dans l'inventaire des donnĂ©es en collaboration avec le syndic, l'enquĂȘte auprĂšs des propriĂ©taires, l'identification des dĂ©faillances et des besoins du bĂątiment et la dĂ©finition des grandes lignes et des souhaits pour la rĂ©novation ;
  d) soutenir les occupants tout au long de ce processus et répondre aux questions ;
  e) vérifier l'analyse de l'état fournie dans le cadre du plan directeur de rénovation et en discuter avec l'association des copropriétaires ;
  f) vérifier les scénarios de rénovation fournis et en discuter en vue de préparer la présentation à l'assemblée générale de l'association des copropriétaires ;
  g) assister à la présentation du plan directeur de rénovation par le bureau d'études visé en c) et de la proposition d'investissement à l'association des copropriétaires ;
  h) identifier les possibilités de financement, y compris fournir des conseils financiers personnalisés aux propriétaires qui le souhaitent ;
  i) convaincre l'association des copropriétaires d'opter pour une rénovation aussi poussée que possible.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, deux parcours d'accompagnement et de soutien sont possibles jusqu'au 31 décembre 2026 pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, la maison de l'énergie peut également accompagner et soutenir l'association des copropriétaires une seule fois jusqu'au 31 décembre 2026 en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement du bùtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, c), le loyer s'élÚve à 1000 euros maximum si le logement se situe sur le territoire de l'une des communes suivantes :
  1° les grandes villes d'Anvers et de Gand ;
  2° les villes-centres d'Alost, de Bruges, Genk, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, Saint-Nicolas et Turnhout ;
  3° toutes les communes de la zone métropolitaine d'Anvers : Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem et Zwijndrecht ;
  4° toutes les communes de la zone métropolitaine de Gand : De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem et Merelbeke ;
  5° toutes les communes de l'arrondissement de Hal-Vilvorde ;
  6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg et Tervuren.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 6°, ne peut pas ĂȘtre cumulĂ© avec l'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 5°, ou avec l'octroi de l'aide Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique de logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ© visĂ©e dans le titre VII, chapitre II, section IV.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 6°, peut ĂȘtre engagĂ© sur la base d'une dĂ©claration que le propriĂ©taire signe et transmet Ă la maison de l'Ă©nergie. La dĂ©claration prĂ©citĂ©e vaut engagement de rĂ©nover le logement en profondeur jusqu'Ă atteindre les labels Ă©nergĂ©tiques visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, 6°.
  Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, 6° et 9°, dont les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
  Sans prĂ©judice de l'application des dispositions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, a) et b), l'accompagnement tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, peut Ă©galement consister Ă faciliter l'adhĂ©sion Ă une communautĂ© d'Ă©nergie Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment, impliquant le partage du courant provenant d'autres installations photovoltaĂŻques avec des mĂ©nages du groupe cible conformĂ©ment au titre IV, chapitre VIII du dĂ©cret sur l'Energie du 8 mai 2009 et au titre III, chapitre 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, dont les étapes minimales de l'accompagnement à parcourir, les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 7° et 8°, peut ĂȘtre engagĂ© jusqu'au 31 dĂ©cembre 2024 par la maison de l'Ă©nergie. ".
  " § 1er. Outre la fourniture et la gestion de prĂȘts, la maison de l'Ă©nergie assure obligatoirement dans chaque ville ou commune Ă l'intĂ©rieur de sa zone d'action les services et activitĂ©s suivants :
  1° informer, conseiller et accompagner les habitants en offrant un guichet Energie facilement accessible auquel ils peuvent s'adresser pour leurs questions en matiÚre d'énergie et leurs questions concernant la qualité du logement ;
  2° offrir des informations de base structurées concernant au moins :
  a) les mesures de politique énergétique communales, provinciales, régionales et fédérales pertinentes ;
  b) les primes et prĂȘts Ă©nergie, y compris les prĂȘts auprĂšs du secteur financier ;
  c) la rénovation énergétique ;
  d) la qualité du logement ;
  e) le prĂȘt rĂ©novation ;
  3° accompagner et assister les particuliers au moins pour :
  a) les demandes de primes et de prĂȘts visĂ©s au point 2° ;
  b) le comparatif des fournisseurs et, le cas échéant, le changement de fournisseur d'énergie ;
  c) la demande et la comparaison de devis pour des travaux de rénovation énergétique et des travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
  d) l'exécution de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement, et l'offre de prise en charge complÚte en la matiÚre, y compris les services résultant des scans énergétiques effectués par la maison de l'énergie visant l'accompagnement à la réalisation d'investissements économiseurs d'énergie ;
  e) l'interprétation des informations thermographiques, de la carte solaire, des résultats obtenus aprÚs un scan énergétique et du certificat de performance énergétique ;
  4° coordonner les services locaux de mise en oeuvre, entre autres des opérateurs de scans énergétiques désignés par la commune respective, et, le cas échéant, les orienter correctement ;
  5° pour les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, entamer, jusqu'au 31 dĂ©cembre 2026, un seul parcours d'accompagnement et de soutien en vue de travaux de rĂ©novation Ă©nergĂ©tique et de travaux de rĂ©novation dans le cadre de la qualitĂ© du logement ;
  6° mettre en place, jusqu'au 31 décembre 2026, un accompagnement à la rénovation pour la réalisation d'investissements énergétiques et d'investissements dans le cadre de la qualité du logement dans des bùtiments résidentiels situés en Région flamande, disposant d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019, en vue de les faire basculer vers le label énergétique C ou supérieur dans le cas de logements unifamiliaux et de bùtiments résidentiels collectifs au label E ou F ou de les faire basculer vers le label B ou supérieur pour les unités de logement au label D, E ou F, et dont le propriétaire appartient au groupe cible des :
  a) clients rĂ©sidentiels dont le revenu ne dĂ©passe pas les plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 et qui occupent le logement personnellement, Ă titre de rĂ©sidence principale, au plus tard aprĂšs les travaux pour lesquels l'accompagnement a Ă©tĂ© demandĂ© et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi de l'accompagnement ;
  b) clients résidentiels qui s'engagent, dans une promesse de bail avec une société de logement, à donner en location le logement pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard aprÚs les travaux et pour une durée d'au moins neuf ans, à la société de logement en question en vue de sa sous-location par la société de logement avec un certificat de conformité valable, tel que visé à l'article 3.6 du Code flamand du Logement de 2021, pour toute la durée de la sous-location ;
  c) clients résidentiels qui déclarent sur l'honneur donner en location, le logement qu'ils donnent en location et pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard aprÚs l'exécution des travaux, à un ménage ou à un isolé aux termes d'un bail basé sur le titre 2 du décret flamand sur la location d'habitations du 9 novembre 2018, le ménage ou l'isolé utilisant le logement à titre de résidence principale, pour un loyer repris dans le bail, qui a été fixé sur la base de la moyenne de la fourchette de l'application web visée à l'article 5 111 du Code flamand du Logement de 2021 et qui s'élÚve à 900 euros maximum ;
  7° accompagner les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et, dans le cas oĂč le CPAS estime que cet accompagnement peut ĂȘtre pertinent, Ă©galement les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 pour rĂ©aliser l'entretien et la rĂ©novation durable de l'installation de chauffage. Lors de cet accompagnement, la maison de l'Ă©nergie aide le client rĂ©sidentiel Ă faire exĂ©cuter l'entretien pĂ©riodique de l'installation de chauffage tel que visĂ© Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2006 relatif Ă l'entretien et au contrĂŽle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bĂątiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. La maison de l'Ă©nergie prĂ©voit un financement des coĂ»ts d'entretien de l'installation de chauffage pour un montant de 180 euros maximum. Les surcoĂ»ts Ă©ventuels sont Ă charge du client rĂ©sidentiel ;
  8° accompagner les clients rĂ©sidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 5 187, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021 dans la pose d'installations photovoltaĂŻques. L'accompagnement prĂ©citĂ© recouvre au moins :
  a) l'accompagnement technique et pratique lors de la demande et de la comparaison de devis pour la pose d'une installation photovoltaïque ;
  b) l'accompagnement administratif lors de la demande de primes et de prĂȘts pour financer les installations photovoltaĂŻques ;
  9° informer, conseiller et accompagner, jusqu'au 31 décembre 2026, les associations de copropriétaires qui veulent se préparer à une rénovation en profondeur des parties communes d'un bùtiment résidentiel d'au moins 15 unités de logement dans le processus qui mÚne une décision de rénovation. Les tùches à accomplir sont au minimum les suivantes :
  a) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'économie d'énergie et expliquer, tout en adoptant une position d'expert neutre, l'utilité et la nécessité d'une rénovation en profondeur ;
  b) fournir des conseils sur un plan d'approche, tant à l'association des copropriétaires qu'au propriétaire individuel du bùtiment résidentiel et tant pour une approche en plusieurs phases qu'une approche selon laquelle tous les travaux sont effectués simultanément ;
  c) informer l'association des copropriĂ©taires et le syndic au sujet de l'Ă©laboration d'un plan directeur de rĂ©novation et si l'association des copropriĂ©taires choisit de confier l'Ă©laboration d'un plan directeur de rĂ©novation Ă un bureau d'Ă©tudes, pour lequel la VEKA prĂ©voit une aide financiĂšre, l'aider dans la prĂ©paration d'un dossier de demande en assistant, au minimum, aux rĂ©unions pertinentes de l'association des copropriĂ©taires, et l'aider dans l'inventaire des donnĂ©es en collaboration avec le syndic, l'enquĂȘte auprĂšs des propriĂ©taires, l'identification des dĂ©faillances et des besoins du bĂątiment et la dĂ©finition des grandes lignes et des souhaits pour la rĂ©novation ;
  d) soutenir les occupants tout au long de ce processus et répondre aux questions ;
  e) vérifier l'analyse de l'état fournie dans le cadre du plan directeur de rénovation et en discuter avec l'association des copropriétaires ;
  f) vérifier les scénarios de rénovation fournis et en discuter en vue de préparer la présentation à l'assemblée générale de l'association des copropriétaires ;
  g) assister à la présentation du plan directeur de rénovation par le bureau d'études visé en c) et de la proposition d'investissement à l'association des copropriétaires ;
  h) identifier les possibilités de financement, y compris fournir des conseils financiers personnalisés aux propriétaires qui le souhaitent ;
  i) convaincre l'association des copropriétaires d'opter pour une rénovation aussi poussée que possible.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, deux parcours d'accompagnement et de soutien sont possibles jusqu'au 31 décembre 2026 pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, la maison de l'énergie peut également accompagner et soutenir l'association des copropriétaires une seule fois jusqu'au 31 décembre 2026 en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement du bùtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, c), le loyer s'élÚve à 1000 euros maximum si le logement se situe sur le territoire de l'une des communes suivantes :
  1° les grandes villes d'Anvers et de Gand ;
  2° les villes-centres d'Alost, de Bruges, Genk, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, Saint-Nicolas et Turnhout ;
  3° toutes les communes de la zone métropolitaine d'Anvers : Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem et Zwijndrecht ;
  4° toutes les communes de la zone métropolitaine de Gand : De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem et Merelbeke ;
  5° toutes les communes de l'arrondissement de Hal-Vilvorde ;
  6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg et Tervuren.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 6°, ne peut pas ĂȘtre cumulĂ© avec l'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 5°, ou avec l'octroi de l'aide Ă la rĂ©novation Ă©nergĂ©tique de logements acquisitifs par nĂ©cessitĂ© visĂ©e dans le titre VII, chapitre II, section IV.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 6°, peut ĂȘtre engagĂ© sur la base d'une dĂ©claration que le propriĂ©taire signe et transmet Ă la maison de l'Ă©nergie. La dĂ©claration prĂ©citĂ©e vaut engagement de rĂ©nover le logement en profondeur jusqu'Ă atteindre les labels Ă©nergĂ©tiques visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, 6°.
  Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, 6° et 9°, dont les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
  Sans prĂ©judice de l'application des dispositions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, a) et b), l'accompagnement tel que visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, peut Ă©galement consister Ă faciliter l'adhĂ©sion Ă une communautĂ© d'Ă©nergie Ă l'intĂ©rieur du bĂątiment, impliquant le partage du courant provenant d'autres installations photovoltaĂŻques avec des mĂ©nages du groupe cible conformĂ©ment au titre IV, chapitre VIII du dĂ©cret sur l'Energie du 8 mai 2009 et au titre III, chapitre 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, dont les étapes minimales de l'accompagnement à parcourir, les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
  L'accompagnement visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, 7° et 8°, peut ĂȘtre engagĂ© jusqu'au 31 dĂ©cembre 2024 par la maison de l'Ă©nergie. ".
Art. 67. In artikel 7.9.3/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, 16 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Bij de berekening van de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt rekening gehouden met :
  1° het aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied van het energiehuis;
  2° het aantal steden en gemeenten binnen het werkingsgebied van het energiehuis.
  De volgende vergoedingen kunnen cumulatief worden toegekend:
  1° 20.000 euro per begonnen schijf van 50.000 private huishoudens;
  2° een vergoeding van 20.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 3.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaken van het werkingsgebied;
  3° 700 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, die leidt tot minstens één uitgevoerde energiebesparende renovatiemaatregel waarvoor een eindfactuur wordt voorgelegd;
  4° 1500 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 500 euro per labelsprong tot en met A;
  5° 250 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°. Van het voormelde bedrag wordt maximaal 180 euro gebruikt om de uitvoering van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie te betalen;
  6° 700 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8° ;
  7° 600 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°.
  In afwijking van het eerste en tweede lid, 1° en 2°, bedragen de vergoedingen voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026:
  1° 30.000 euro per begonnen schijf van 25.000 private huishoudens;
  2° 60.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 9.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaakt van het werkingsgebied.
  Met behoud van toepassing van het eerste tot en met het derde lid, kunnen, voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022, de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 50% verhoogd worden. Voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026 kunnen de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 25% verhoogd worden. Het VEKA kent de voormelde verhogingen toe afhankelijk van het behalen van streefwaarden en mijlpalen die gericht zijn op de verdere integratie van de woon- en energieloketten, die worden opgenomen in een actualisatie van de meerjarige overeenkomst van elk energiehuis.
  In afwijking van het tweede lid, 3°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 350 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.
  In afwijking van het tweede lid, 4°, bedraagt, in het geval de huishoudelijke afnemer voldoet aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit, de vergoeding 1800 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 600 euro per labelsprong tot en met A.
  In afwijking van het tweede lid, 7°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 150 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.";
  2° aan paragraaf 4 wordt na de woorden "op de volgende wijze beschikbaar gesteld" de zinsnede "na indiening van een schuldvordering door het energiehuis bij het VEKA uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar" ingevoegd;
  3° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/1. In afwijking van paragraaf 4 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, en vijfde lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° voor elke opgestarte begeleiding wordt een bedrag van 1.000 euro uitbetaald zodra er voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
  a) de eigenaar een verklaring heeft ondertekend waarmee hij zich engageert tot een energetische renovatie als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, en er is aan de eigenaar een eerste schijf van een toegekende verbouwlening als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, uitbetaald;
  b) de eigenaar heeft voor minstens één van de uit te voeren energiebesparende investeringen een eindfactuur voorgelegd;
  2° het resterende saldo, wat wordt berekend als het verschil tussen het uitgekeerde bedrag, vermeld in 1°, en de vergoeding op basis van het behaalde label, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 4°, wordt uitbetaald als uit een geldig energieprestatiecertificaat blijkt dat de vereiste energetische verbetering gerealiseerd is.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
  a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, 1°, a) en b), is voldaan;
  b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, met vermelding van het behaalde energielabel.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.
  In afwijking van het eerste lid, wordt, indien een opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, na de uitvoering van de werken niet leidt tot het behalen van het energielabel D of beter voor een eengezinswoning of het collectief woongebouw of energielabel C of beter voor een wooneenheid, de kost van het uitbetaalde bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, verrekend in de vergoeding voor de andere basistaken.";
  4° er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/2. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragraaf 4/1 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 6°, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° voor elke ondertekende offerte voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie wordt een voorschot van 350 euro uitbetaald;
  2° het resterende saldo van 350 euro wordt uitbetaald als de factuur voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie is betaald;
  3° in geval van het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap wordt het volledige bedrag van 700 euro uitbetaald als het lidmaatschap bij een energiegemeenschap wordt bewezen en dit voor de eerste vijf gezinnen die onder de voorwaarden van de begeleiding voor aansluiting bij dezelfde energiegemeenschap vallen. Voor de begeleiding van de overige gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap is er een maximale begeleidingsvergoeding van 250 euro per gezin. Het maximumbedrag voor de begeleiding van gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap bedraagt 10.000 euro.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, minstens het cumulatieve overzicht van de begeleidingen met realisaties, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7° en 8°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden, van de basistaken, is voldaan.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportage, vermeld in het tweede lid, per trimester de vergoedingen uit aan het energiehuis.";
  5° er wordt een paragraaf 4/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/3. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragrafen 4/1 en 4/2, wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 7°, en zevende lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° één vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken a) tot en met c), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd;
  2° vier vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken d) tot en met i), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
  a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de startdatum en de verklaring op eer dat de taken a) tot en met c) zijn uitgevoerd;
  b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de einddatum en de verklaring op eer dat de taken d) tot en met i) zijn uitgevoerd.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.";
  6° in paragraaf 6 wordt het jaartal "2020" vervangen door het jaartal "2024" en wordt het jaartal "2018" vervangen door het jaartal "2022".
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Bij de berekening van de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt rekening gehouden met :
  1° het aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied van het energiehuis;
  2° het aantal steden en gemeenten binnen het werkingsgebied van het energiehuis.
  De volgende vergoedingen kunnen cumulatief worden toegekend:
  1° 20.000 euro per begonnen schijf van 50.000 private huishoudens;
  2° een vergoeding van 20.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 3.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaken van het werkingsgebied;
  3° 700 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, die leidt tot minstens één uitgevoerde energiebesparende renovatiemaatregel waarvoor een eindfactuur wordt voorgelegd;
  4° 1500 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 500 euro per labelsprong tot en met A;
  5° 250 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°. Van het voormelde bedrag wordt maximaal 180 euro gebruikt om de uitvoering van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie te betalen;
  6° 700 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8° ;
  7° 600 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°.
  In afwijking van het eerste en tweede lid, 1° en 2°, bedragen de vergoedingen voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026:
  1° 30.000 euro per begonnen schijf van 25.000 private huishoudens;
  2° 60.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 9.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaakt van het werkingsgebied.
  Met behoud van toepassing van het eerste tot en met het derde lid, kunnen, voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022, de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 50% verhoogd worden. Voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026 kunnen de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 25% verhoogd worden. Het VEKA kent de voormelde verhogingen toe afhankelijk van het behalen van streefwaarden en mijlpalen die gericht zijn op de verdere integratie van de woon- en energieloketten, die worden opgenomen in een actualisatie van de meerjarige overeenkomst van elk energiehuis.
  In afwijking van het tweede lid, 3°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 350 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.
  In afwijking van het tweede lid, 4°, bedraagt, in het geval de huishoudelijke afnemer voldoet aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit, de vergoeding 1800 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 600 euro per labelsprong tot en met A.
  In afwijking van het tweede lid, 7°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 150 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.";
  2° aan paragraaf 4 wordt na de woorden "op de volgende wijze beschikbaar gesteld" de zinsnede "na indiening van een schuldvordering door het energiehuis bij het VEKA uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar" ingevoegd;
  3° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/1. In afwijking van paragraaf 4 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, en vijfde lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° voor elke opgestarte begeleiding wordt een bedrag van 1.000 euro uitbetaald zodra er voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
  a) de eigenaar een verklaring heeft ondertekend waarmee hij zich engageert tot een energetische renovatie als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, en er is aan de eigenaar een eerste schijf van een toegekende verbouwlening als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, uitbetaald;
  b) de eigenaar heeft voor minstens één van de uit te voeren energiebesparende investeringen een eindfactuur voorgelegd;
  2° het resterende saldo, wat wordt berekend als het verschil tussen het uitgekeerde bedrag, vermeld in 1°, en de vergoeding op basis van het behaalde label, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 4°, wordt uitbetaald als uit een geldig energieprestatiecertificaat blijkt dat de vereiste energetische verbetering gerealiseerd is.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
  a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, 1°, a) en b), is voldaan;
  b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, met vermelding van het behaalde energielabel.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.
  In afwijking van het eerste lid, wordt, indien een opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, na de uitvoering van de werken niet leidt tot het behalen van het energielabel D of beter voor een eengezinswoning of het collectief woongebouw of energielabel C of beter voor een wooneenheid, de kost van het uitbetaalde bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, verrekend in de vergoeding voor de andere basistaken.";
  4° er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/2. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragraaf 4/1 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 6°, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° voor elke ondertekende offerte voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie wordt een voorschot van 350 euro uitbetaald;
  2° het resterende saldo van 350 euro wordt uitbetaald als de factuur voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie is betaald;
  3° in geval van het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap wordt het volledige bedrag van 700 euro uitbetaald als het lidmaatschap bij een energiegemeenschap wordt bewezen en dit voor de eerste vijf gezinnen die onder de voorwaarden van de begeleiding voor aansluiting bij dezelfde energiegemeenschap vallen. Voor de begeleiding van de overige gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap is er een maximale begeleidingsvergoeding van 250 euro per gezin. Het maximumbedrag voor de begeleiding van gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap bedraagt 10.000 euro.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, minstens het cumulatieve overzicht van de begeleidingen met realisaties, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7° en 8°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden, van de basistaken, is voldaan.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportage, vermeld in het tweede lid, per trimester de vergoedingen uit aan het energiehuis.";
  5° er wordt een paragraaf 4/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  " § 4/3. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragrafen 4/1 en 4/2, wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 7°, en zevende lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
  1° één vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken a) tot en met c), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd;
  2° vier vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken d) tot en met i), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd.
  Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
  a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de startdatum en de verklaring op eer dat de taken a) tot en met c) zijn uitgevoerd;
  b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de einddatum en de verklaring op eer dat de taken d) tot en met i) zijn uitgevoerd.
  Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.";
  6° in paragraaf 6 wordt het jaartal "2020" vervangen door het jaartal "2024" en wordt het jaartal "2018" vervangen door het jaartal "2022".
Art. 67. A l'article 7.9.3/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2018 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 11 dĂ©cembre 2020, 16 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Pour le calcul de l'indemnité visée au paragraphe 1er, il est tenu compte :
  1° du nombre de ménages privés à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie ;
  2° du nombre de villes et communes à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie.
  Les indemnitĂ©s suivantes peuvent ĂȘtre octroyĂ©es cumulativement :
  1° 20 000 euros par tranche entamée de 50 000 ménages privés ;
  2° une indemnité de 20 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorée de 3 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action ;
  3° 700 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, qui débouche sur au moins une mesure de rénovation énergétique mise en oeuvre pour laquelle une facture finale est présentée ;
  4° 1500 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bùtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 500 euros par saut de label jusqu'à A ;
  5° 250 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°. Du montant précité, 180 euros maximum sont utilisés pour payer l'entretien de l'installation de chauffage ;
  6° 700 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8° ;
  7° 600 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, 1° et 2°, les indemnités pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026 s'élÚvent à :
  1° 30 000 euros par tranche entamée de 25 000 ménages privés ;
  2° 60 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorés de 9 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 1er Ă 3, pour la pĂ©riode du 1er juillet 2022 au 31 dĂ©cembre 2022, les indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, peuvent ĂȘtre augmentĂ©es de 50 % selon le nombre de communes et de mĂ©nages dans leur zone d'action. Pour la pĂ©riode du 1er janvier 2023 au 31 dĂ©cembre 2026, les indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, peuvent ĂȘtre augmentĂ©es de 25 % selon le nombre de communes et de mĂ©nages dans leur zone d'action. La VEKA octroie les augmentations prĂ©citĂ©es en fonction de la rĂ©alisation des valeurs cibles et objectifs intermĂ©diaires visant la poursuite de l'intĂ©gration des guichets Logement et Energie qui figurent dans une mise Ă jour de l'accord pluriannuel de chaque maison de l'Ă©nergie.
  Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, si le bùtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limitée à 350 euros par unité de logement à partir de la sixiÚme unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, 4°, dans le cas oĂč le client rĂ©sidentiel satisfait aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'indemnitĂ© s'Ă©lĂšve Ă 1800 euros pour chaque accompagnement engagĂ© tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, en cas de rĂ©novation Ă©nergĂ©tique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bĂątiment rĂ©sidentiel collectif jusqu'Ă atteindre le label C ou d'une unitĂ© de logement jusqu'Ă atteindre le label B, majorĂ©s d'une indemnitĂ© supplĂ©mentaire de 600 euros par saut de label jusqu'Ă A.
  Par dérogation à l'alinéa 2, 7°, si le bùtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, est limitée à 150 euros par unité de logement à partir de la sixiÚme unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé. " ;
  2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " aprÚs introduction d'une créance par la maison de l'énergie auprÚs de la VEKA au plus tard le 15 mars de chaque année civile " est inséré aprÚs les mots " sont versées de la maniÚre suivante " ;
  3° un paragraphe 4/1 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/1. Par dérogation au paragraphe 4, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, et alinéa 5, est versée de la maniÚre suivante :
  1° pour chaque accompagnement engagé, un montant de 1 000 euros est versé dÚs que l'une des conditions suivantes est remplie :
  a) le propriĂ©taire a signĂ© une dĂ©claration par laquelle il s'engage Ă une rĂ©novation Ă©nergĂ©tique telle que visĂ©e Ă l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, et une premiĂšre tranche d'un prĂȘt rĂ©novation octroyĂ© tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8 a Ă©tĂ© versĂ©e au propriĂ©taire ;
  b) le propriétaire a présenté une facture finale pour au moins un des investissements économiseurs d'énergie à réaliser ;
  2° le solde, soit la différence entre le montant versé, visé en 1°, et l'indemnité basée sur le label obtenu, visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 4°, est versé si un certificat de performance énergétique valable atteste la réalisation de l'amélioration énergétique requise.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, sur tous les éléments suivants :
  a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions énoncées à l'alinéa 2, 1°, a) et b), ont été remplies ;
  b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés en précisant le label énergétique obtenu.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si un accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, n'aboutit pas, aprÚs l'exécution des travaux, à l'obtention du label énergétique D ou supérieur pour un logement unifamilial ou le bùtiment résidentiel collectif ou du label énergétique C ou supérieur pour une unité de logement, le coût du montant versé visé à l'alinéa 1er, 1°, est porté en compte dans l'indemnité pour les autres tùches de base. " ;
  4° un paragraphe 4/2 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/2. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application du paragraphe 4/1 l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 6°, est versée de la maniÚre suivante :
  1° pour chaque devis signé pour la pose d'une installation photovoltaïque, une avance de 350 euros est versée ;
  2° le solde de 350 euros est versé lorsque la facture pour la pose d'une installation photovoltaïque a été payée ;
  3° en cas de facilitation de l'adhĂ©sion Ă une communautĂ© d'Ă©nergie, le montant intĂ©gral de 700 euros est versĂ© si l'affiliation Ă une communautĂ© d'Ă©nergie est prouvĂ©e et ce, pour les cinq premiers mĂ©nages qui rentrent dans les conditions pour l'accompagnement Ă l'adhĂ©sion Ă la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie. Une indemnitĂ© d'accompagnement maximale de 250 euros par mĂ©nage est prĂ©vue pour l'accompagnement des autres mĂ©nages au sein de la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie. Le montant maximum pour l'accompagnement de mĂ©nages au sein de la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie s'Ă©lĂšve Ă 10 000 euros.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, au moins sur l'aperçu cumulatif des accompagnements assortis de réalisations visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions des tùches de base ont été remplies.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les indemnités à la maison de l'énergie. " ;
  5° un paragraphe 4/3 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/3. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application des paragraphes 4/1 et 4/2, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, et alinéa 7, est versée de la maniÚre suivante :
  1° un cinquiÚme de l'indemnité est versé aprÚs l'exécution des tùches a) à c) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9° ;
  2° quatre cinquiÚmes de l'indemnité sont versés aprÚs l'exécution des tùches d) à i) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, sur tous les éléments suivants :
  a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tùches a) à c) ont été exécutées ;
  b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tùches d) à i) ont été exécutées.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie. " ;
  6° dans le paragraphe 6, l'année " 2020 " est remplacée par l'année " 2024 " et l'année " 2018 " est remplacée par l'année " 2022 ".
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Pour le calcul de l'indemnité visée au paragraphe 1er, il est tenu compte :
  1° du nombre de ménages privés à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie ;
  2° du nombre de villes et communes à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie.
  Les indemnitĂ©s suivantes peuvent ĂȘtre octroyĂ©es cumulativement :
  1° 20 000 euros par tranche entamée de 50 000 ménages privés ;
  2° une indemnité de 20 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorée de 3 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action ;
  3° 700 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, qui débouche sur au moins une mesure de rénovation énergétique mise en oeuvre pour laquelle une facture finale est présentée ;
  4° 1500 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bùtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 500 euros par saut de label jusqu'à A ;
  5° 250 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°. Du montant précité, 180 euros maximum sont utilisés pour payer l'entretien de l'installation de chauffage ;
  6° 700 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8° ;
  7° 600 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, 1° et 2°, les indemnités pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026 s'élÚvent à :
  1° 30 000 euros par tranche entamée de 25 000 ménages privés ;
  2° 60 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorés de 9 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 1er Ă 3, pour la pĂ©riode du 1er juillet 2022 au 31 dĂ©cembre 2022, les indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, peuvent ĂȘtre augmentĂ©es de 50 % selon le nombre de communes et de mĂ©nages dans leur zone d'action. Pour la pĂ©riode du 1er janvier 2023 au 31 dĂ©cembre 2026, les indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'alinĂ©a 2, 1° et 2°, peuvent ĂȘtre augmentĂ©es de 25 % selon le nombre de communes et de mĂ©nages dans leur zone d'action. La VEKA octroie les augmentations prĂ©citĂ©es en fonction de la rĂ©alisation des valeurs cibles et objectifs intermĂ©diaires visant la poursuite de l'intĂ©gration des guichets Logement et Energie qui figurent dans une mise Ă jour de l'accord pluriannuel de chaque maison de l'Ă©nergie.
  Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, si le bùtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limitée à 350 euros par unité de logement à partir de la sixiÚme unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, 4°, dans le cas oĂč le client rĂ©sidentiel satisfait aux plafonds de revenus visĂ©s Ă l'article 6.4.1/6/3, alinĂ©a 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'indemnitĂ© s'Ă©lĂšve Ă 1800 euros pour chaque accompagnement engagĂ© tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, en cas de rĂ©novation Ă©nergĂ©tique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bĂątiment rĂ©sidentiel collectif jusqu'Ă atteindre le label C ou d'une unitĂ© de logement jusqu'Ă atteindre le label B, majorĂ©s d'une indemnitĂ© supplĂ©mentaire de 600 euros par saut de label jusqu'Ă A.
  Par dérogation à l'alinéa 2, 7°, si le bùtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, est limitée à 150 euros par unité de logement à partir de la sixiÚme unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé. " ;
  2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " aprÚs introduction d'une créance par la maison de l'énergie auprÚs de la VEKA au plus tard le 15 mars de chaque année civile " est inséré aprÚs les mots " sont versées de la maniÚre suivante " ;
  3° un paragraphe 4/1 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/1. Par dérogation au paragraphe 4, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, et alinéa 5, est versée de la maniÚre suivante :
  1° pour chaque accompagnement engagé, un montant de 1 000 euros est versé dÚs que l'une des conditions suivantes est remplie :
  a) le propriĂ©taire a signĂ© une dĂ©claration par laquelle il s'engage Ă une rĂ©novation Ă©nergĂ©tique telle que visĂ©e Ă l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, et une premiĂšre tranche d'un prĂȘt rĂ©novation octroyĂ© tel que visĂ© Ă l'article 7.9.2/0/8 a Ă©tĂ© versĂ©e au propriĂ©taire ;
  b) le propriétaire a présenté une facture finale pour au moins un des investissements économiseurs d'énergie à réaliser ;
  2° le solde, soit la différence entre le montant versé, visé en 1°, et l'indemnité basée sur le label obtenu, visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 4°, est versé si un certificat de performance énergétique valable atteste la réalisation de l'amélioration énergétique requise.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, sur tous les éléments suivants :
  a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions énoncées à l'alinéa 2, 1°, a) et b), ont été remplies ;
  b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés en précisant le label énergétique obtenu.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si un accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, n'aboutit pas, aprÚs l'exécution des travaux, à l'obtention du label énergétique D ou supérieur pour un logement unifamilial ou le bùtiment résidentiel collectif ou du label énergétique C ou supérieur pour une unité de logement, le coût du montant versé visé à l'alinéa 1er, 1°, est porté en compte dans l'indemnité pour les autres tùches de base. " ;
  4° un paragraphe 4/2 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/2. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application du paragraphe 4/1 l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 6°, est versée de la maniÚre suivante :
  1° pour chaque devis signé pour la pose d'une installation photovoltaïque, une avance de 350 euros est versée ;
  2° le solde de 350 euros est versé lorsque la facture pour la pose d'une installation photovoltaïque a été payée ;
  3° en cas de facilitation de l'adhĂ©sion Ă une communautĂ© d'Ă©nergie, le montant intĂ©gral de 700 euros est versĂ© si l'affiliation Ă une communautĂ© d'Ă©nergie est prouvĂ©e et ce, pour les cinq premiers mĂ©nages qui rentrent dans les conditions pour l'accompagnement Ă l'adhĂ©sion Ă la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie. Une indemnitĂ© d'accompagnement maximale de 250 euros par mĂ©nage est prĂ©vue pour l'accompagnement des autres mĂ©nages au sein de la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie. Le montant maximum pour l'accompagnement de mĂ©nages au sein de la mĂȘme communautĂ© d'Ă©nergie s'Ă©lĂšve Ă 10 000 euros.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, au moins sur l'aperçu cumulatif des accompagnements assortis de réalisations visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions des tùches de base ont été remplies.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les indemnités à la maison de l'énergie. " ;
  5° un paragraphe 4/3 rédigé comme suit est inséré :
  " § 4/3. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application des paragraphes 4/1 et 4/2, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, et alinéa 7, est versée de la maniÚre suivante :
  1° un cinquiÚme de l'indemnité est versé aprÚs l'exécution des tùches a) à c) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9° ;
  2° quatre cinquiÚmes de l'indemnité sont versés aprÚs l'exécution des tùches d) à i) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
  La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modÚle à disposition, sur tous les éléments suivants :
  a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tùches a) à c) ont été exécutées ;
  b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tùches d) à i) ont été exécutées.
  Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie. " ;
  6° dans le paragraphe 6, l'année " 2020 " est remplacée par l'année " 2024 " et l'année " 2018 " est remplacée par l'année " 2022 ".
Art. 68. In artikel 7.9.4, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Indien de kredietnemer zijn verplichtingen niet nakomt, kan het energiehuis een termijn van drie maanden hanteren teneinde tot een minnelijke regeling te komen die minstens een maandelijkse aanzuivering van de betalingsachterstand inhoudt. Deze termijn gaat in de dag na het versturen van de in de kredietovereenkomst voorziene aangetekende aanmaning, die tijdig dient te gebeuren. Indien na het verstrijken van voormelde termijn van drie maanden geen minnelijke regeling werd getroffen met de in gebreke blijvende kredietnemer of indien de kredietnemer zijn verplichtingen onder de minnelijke regeling niet nakomt, is het energiehuis ertoe gehouden zijn recht tot opzegging van de kredietovereenkomst binnen de maand uit te oefenen in overeenstemming met de bepalingen en gebruik makend van de termijnen die zijn opgenomen in de kredietovereenkomst.";
  2° in het zevende lid wordt de zinsnede " § 1, zoals" vervangen door het woord "zoals".
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Indien de kredietnemer zijn verplichtingen niet nakomt, kan het energiehuis een termijn van drie maanden hanteren teneinde tot een minnelijke regeling te komen die minstens een maandelijkse aanzuivering van de betalingsachterstand inhoudt. Deze termijn gaat in de dag na het versturen van de in de kredietovereenkomst voorziene aangetekende aanmaning, die tijdig dient te gebeuren. Indien na het verstrijken van voormelde termijn van drie maanden geen minnelijke regeling werd getroffen met de in gebreke blijvende kredietnemer of indien de kredietnemer zijn verplichtingen onder de minnelijke regeling niet nakomt, is het energiehuis ertoe gehouden zijn recht tot opzegging van de kredietovereenkomst binnen de maand uit te oefenen in overeenstemming met de bepalingen en gebruik makend van de termijnen die zijn opgenomen in de kredietovereenkomst.";
  2° in het zevende lid wordt de zinsnede " § 1, zoals" vervangen door het woord "zoals".
Art. 68. A l'article 7.9.4, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 novembre 2018 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations, la maison de l'énergie peut retenir un délai de trois mois pour parvenir à un rÚglement amiable impliquant au moins un apurement mensuel de l'arriéré de paiement. Ce délai prend cours le jour suivant l'envoi de la sommation recommandée prévue dans la convention de crédit, qui doit faite en temps utile. Si, aprÚs l'expiration du délai précité de trois mois, aucun rÚglement amiable n'est intervenu avec l'emprunteur défaillant ou si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations au titre du rÚglement amiable, la maison de l'énergie est tenue d'exercer son droit de résiliation de la convention de crédit dans le mois conformément aux dispositions et en utilisant les délais figurant dans la convention de crédit. " ;
  2° à l'alinéa 7, le membre de phrase " § 1er, comme " est remplacé par le mot " comme ".
  1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations, la maison de l'énergie peut retenir un délai de trois mois pour parvenir à un rÚglement amiable impliquant au moins un apurement mensuel de l'arriéré de paiement. Ce délai prend cours le jour suivant l'envoi de la sommation recommandée prévue dans la convention de crédit, qui doit faite en temps utile. Si, aprÚs l'expiration du délai précité de trois mois, aucun rÚglement amiable n'est intervenu avec l'emprunteur défaillant ou si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations au titre du rÚglement amiable, la maison de l'énergie est tenue d'exercer son droit de résiliation de la convention de crédit dans le mois conformément aux dispositions et en utilisant les délais figurant dans la convention de crédit. " ;
  2° à l'alinéa 7, le membre de phrase " § 1er, comme " est remplacé par le mot " comme ".
Art. 69. In artikel 7.11.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt na het laatste lid een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid, wordt geen steun toegekend voor de installatie die gebruikt wordt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, als de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De minister lanceert minstens om de achttien maanden een call voor de installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, 2°, 2° /1 en 2° /2. De minister bepaalt op voorstel van het VEKA per call welke andere types installaties als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, en installaties op basis van windenergie in aanmerking komen voor steun.".
  1° aan paragraaf 1 wordt na het laatste lid een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid, wordt geen steun toegekend voor de installatie die gebruikt wordt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, als de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De minister lanceert minstens om de achttien maanden een call voor de installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, 2°, 2° /1 en 2° /2. De minister bepaalt op voorstel van het VEKA per call welke andere types installaties als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, en installaties op basis van windenergie in aanmerking komen voor steun.".
Art. 69. A l'article 7.11.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, aprÚs le dernier alinéa, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune aide n'est octroyée pour l'installation utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, si la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Le ministre lance un appel au moins tous les dix-huit mois pour les installations mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, 2°, 2° /1 et 2° /2. Par appel, le ministre détermine, sur proposition de la VEKA, quels autres types d'installations, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et d'installations basées sur l'énergie éolienne sont éligibles à l'aide. ".
  1° au paragraphe 1er, aprÚs le dernier alinéa, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune aide n'est octroyée pour l'installation utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, si la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Le ministre lance un appel au moins tous les dix-huit mois pour les installations mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, 2°, 2° /1 et 2° /2. Par appel, le ministre détermine, sur proposition de la VEKA, quels autres types d'installations, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et d'installations basées sur l'énergie éolienne sont éligibles à l'aide. ".
Art. 70. In artikel 7.11.3, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "een jaar".
Art. 70. Dans l'article 7.11.3, § 4, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les mots " trois ans " sont remplacĂ©s par les mots " un an ".
Art. 71. In artikel 7.11.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4° en 5°, is voldaan" vervangen door de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4°, 5° en 11°, is voldaan";
  2° in paragraaf 3 wordt aan het eerste lid een punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "11° de installatie waarvoor steun werd aangevraagd werd niet gebruikt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, voor zover de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.".
  1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4° en 5°, is voldaan" vervangen door de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4°, 5° en 11°, is voldaan";
  2° in paragraaf 3 wordt aan het eerste lid een punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "11° de installatie waarvoor steun werd aangevraagd werd niet gebruikt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, voor zover de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.".
Art. 71. A l'article 7.11.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 2, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " visées au paragraphe 3, 2°, 3°, 4° et 5°, sont remplies " est remplacé par le membre de phrase " énoncées dans le paragraphe 3, 2°, 3°, 4°, 5° et 11°, sont remplies " ;
  2° dans le paragraphe 3, à l'alinéa 1er, un point rédigé comme suit est ajouté :
  " 11° l'installation pour laquelle l'aide a Ă©tĂ© demandĂ©e n'a pas Ă©tĂ© utilisĂ©e afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, dans la mesure oĂč la date de mise en service de l'installation est postĂ©rieure au 29 juin 2025. ".
  1° dans le paragraphe 2, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " visées au paragraphe 3, 2°, 3°, 4° et 5°, sont remplies " est remplacé par le membre de phrase " énoncées dans le paragraphe 3, 2°, 3°, 4°, 5° et 11°, sont remplies " ;
  2° dans le paragraphe 3, à l'alinéa 1er, un point rédigé comme suit est ajouté :
  " 11° l'installation pour laquelle l'aide a Ă©tĂ© demandĂ©e n'a pas Ă©tĂ© utilisĂ©e afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, dans la mesure oĂč la date de mise en service de l'installation est postĂ©rieure au 29 juin 2025. ".
Art. 72. In artikel 8.1.1/2, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 wordt de zinsnede "Bij ingrijpende wijzigingen kan de minister" vervangen door de zinsnede "De minister kan".
Art. 72. Dans l'article 8.1.1/2, alinĂ©a 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020, le membre de phrase " En cas de modifications importantes, le Ministre " est remplacĂ© par les mots " Le ministre peut ".
Art. 73. In artikel 8.5.1, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013, worden de woorden "richtlijn 2009/28/EG" vervangen door de woorden "richtlijn (EU) 2018/2001".
Art. 73. Dans l'article 8.5.1, § 2, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013, le membre de phrase " directive 2009/28/CE " est remplacĂ© par le membre de phrase " directive (UE) 2018/2001 ".
Art. 74. In artikel 9.1.12/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "nieuw op te richten" worden telkens vervangen door de woorden "de nieuwbouw van";
  2° de woorden "residentiële en niet-residentiële gebouwen" worden vervangen door de woorden "EPW- en EPN-eenheden".
  1° de woorden "nieuw op te richten" worden telkens vervangen door de woorden "de nieuwbouw van";
  2° de woorden "residentiële en niet-residentiële gebouwen" worden vervangen door de woorden "EPW- en EPN-eenheden".
Art. 74. A l'article 9.1.12/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " les bùtiments industriels à ériger " sont remplacés par les mots " la construction neuve de bùtiments industriels ";
  2° à l'alinéa 2, les mots " les nouveaux bùtiments résidentiels et non résidentiels à construire à construire pour lesquels " sont remplacés par les mots " la construction neuve d'unités PER et PEN pour lesquelles ".
  1° à l'alinéa 1er, les mots " les bùtiments industriels à ériger " sont remplacés par les mots " la construction neuve de bùtiments industriels ";
  2° à l'alinéa 2, les mots " les nouveaux bùtiments résidentiels et non résidentiels à construire à construire pour lesquels " sont remplacés par les mots " la construction neuve d'unités PER et PEN pour lesquelles ".
Art. 75. In artikel 9.1.22/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "Niet voor bewoning bestemde" worden telkens opgeheven;
  2° tussen de zinsnede "inzake energieprestatie valt, " en de woorden "kunnen worden vrijgesteld" wordt de zinsnede "met uitzondering van EPW- en EPN-eenheden, " ingevoegd.
  1° de woorden "Niet voor bewoning bestemde" worden telkens opgeheven;
  2° tussen de zinsnede "inzake energieprestatie valt, " en de woorden "kunnen worden vrijgesteld" wordt de zinsnede "met uitzondering van EPW- en EPN-eenheden, " ingevoegd.
Art. 75. A l'article 9.1.22/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " non destinés à l'habitation " sont chaque fois abrogés ;
  2° le membre de phrase " , Ă l'exception d'unitĂ©s PER et PEN, " est insĂ©rĂ© entre les mots " en matiĂšre de performance Ă©nergĂ©tique " et les mots " peuvent ĂȘtre dispensĂ©s ".
  1° les mots " non destinés à l'habitation " sont chaque fois abrogés ;
  2° le membre de phrase " , Ă l'exception d'unitĂ©s PER et PEN, " est insĂ©rĂ© entre les mots " en matiĂšre de performance Ă©nergĂ©tique " et les mots " peuvent ĂȘtre dispensĂ©s ".
Art. 76. In artikel 9.1.29/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "de vijf jaar na de vergunningsaanvraag van de EPB-eenheid, of desgevallend de eerste vergunningsaanvraag van de EPB-eenheden in de ontwikkeling" vervangen door de zinsnede "een termijn van drie jaar, die ingaat zodra een van de volgende voorwaarden is vervuld:
  1° de ingebruikname, conform artikel 11.1.8, § 1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, van een EPB-eenheid die aangesloten is op het systeem van externe warmtelevering;
  2° de beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen;
  3° er is een periode van vijf jaar verstreken na het verlenen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het neerleggen van de melding van de EPB-eenheid.";
  2° in het derde lid, 2°, worden de woorden "de vijf jaar na de eerste vergunningsaanvraag waarvoor een afwijking wordt aangevraagd" vervangen door de zinsnede "de uiterlijke termijn, vermeld in het tweede lid".
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "de vijf jaar na de vergunningsaanvraag van de EPB-eenheid, of desgevallend de eerste vergunningsaanvraag van de EPB-eenheden in de ontwikkeling" vervangen door de zinsnede "een termijn van drie jaar, die ingaat zodra een van de volgende voorwaarden is vervuld:
  1° de ingebruikname, conform artikel 11.1.8, § 1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, van een EPB-eenheid die aangesloten is op het systeem van externe warmtelevering;
  2° de beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen;
  3° er is een periode van vijf jaar verstreken na het verlenen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het neerleggen van de melding van de EPB-eenheid.";
  2° in het derde lid, 2°, worden de woorden "de vijf jaar na de eerste vergunningsaanvraag waarvoor een afwijking wordt aangevraagd" vervangen door de zinsnede "de uiterlijke termijn, vermeld in het tweede lid".
Art. 76. A l'article 9.1.29/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 dĂ©cembre 2015 et remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les cinq ans suivant la demande de permis de l'unité PEB, ou le cas échéant, la premiÚre demande de permis des unités PEB en cours de développement " sont remplacés par le membre de phrase " un délai de trois ans qui prend cours dÚs que l'une des conditions suivantes a été remplie :
  1° la mise en service, conformément à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, d'une unité PEB qui a été raccordée au systÚme de fourniture de chaleur externe ;
  2° la fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration ;
  3° une période de cinq ans s'est écoulée depuis l'octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le dépÎt de la déclaration de l'unité PEB. " ;
  2° à l'alinéa 3, 2°, les mots " les cinq ans suivant la premiÚre demande de permis pour laquelle une dérogation est demandée " sont remplacés par le membre de phrase " le délai de rigueur visé à l'alinéa 2 ".
  1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les cinq ans suivant la demande de permis de l'unité PEB, ou le cas échéant, la premiÚre demande de permis des unités PEB en cours de développement " sont remplacés par le membre de phrase " un délai de trois ans qui prend cours dÚs que l'une des conditions suivantes a été remplie :
  1° la mise en service, conformément à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, d'une unité PEB qui a été raccordée au systÚme de fourniture de chaleur externe ;
  2° la fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration ;
  3° une période de cinq ans s'est écoulée depuis l'octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le dépÎt de la déclaration de l'unité PEB. " ;
  2° à l'alinéa 3, 2°, les mots " les cinq ans suivant la premiÚre demande de permis pour laquelle une dérogation est demandée " sont remplacés par le membre de phrase " le délai de rigueur visé à l'alinéa 2 ".
Art. 77. In artikel 9.2.3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in paragraaf 3, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in paragraaf 3, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 77. A l'article 9.2.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
  2° dans le paragraphe 3, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
  2° dans le paragraphe 3, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
Art. 78. In artikel 9.2.3/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
  2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De eigenaar of houder van een zakelijk recht moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-opstalhouder of kandidaat-erfpachter hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de vestiging of de overdracht van het opstalrecht of de erfpacht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid draagt de eigenaar of de houder van een zakelijk recht aan de opstalhouder of erfpachter een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over.";
  3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "of hun gemandateerden" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
  2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De eigenaar of houder van een zakelijk recht moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-opstalhouder of kandidaat-erfpachter hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de vestiging of de overdracht van het opstalrecht of de erfpacht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid draagt de eigenaar of de houder van een zakelijk recht aan de opstalhouder of erfpachter een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over.";
  3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "of hun gemandateerden" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 78. A l'article 9.2.3/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui constitue ou cÚde un droit de superficie ou une emphytéose sur un bùtiment résidentiel ou sur une unité de bùtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments résidentiels. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, l'alinĂ©a 3 est remplacĂ© par ce qui suit : " Sur simple demande d'un candidat superficiaire ou d'un candidat emphytĂ©ote, le propriĂ©taire ou le titulaire d'un droit rĂ©el doit ĂȘtre en mesure de lui prĂ©senter un certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels valable. Lors de la constitution ou de la cession du droit de superficie ou de l'emphytĂ©ose sur un bĂątiment rĂ©sidentiel ou sur une unitĂ© de bĂątiment rĂ©sidentiel, le propriĂ©taire ou le titulaire d'un droit rĂ©el transmet un certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels valable au superficiaire ou Ă l'emphytĂ©ote. " ;
  3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " du propriétaire ou de son mandataire " sont remplacés par le membre de phrase mots " du propriétaire, du titulaire d'un droit réel ou de leurs mandataires ".
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui constitue ou cÚde un droit de superficie ou une emphytéose sur un bùtiment résidentiel ou sur une unité de bùtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments résidentiels. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, l'alinĂ©a 3 est remplacĂ© par ce qui suit : " Sur simple demande d'un candidat superficiaire ou d'un candidat emphytĂ©ote, le propriĂ©taire ou le titulaire d'un droit rĂ©el doit ĂȘtre en mesure de lui prĂ©senter un certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels valable. Lors de la constitution ou de la cession du droit de superficie ou de l'emphytĂ©ose sur un bĂątiment rĂ©sidentiel ou sur une unitĂ© de bĂątiment rĂ©sidentiel, le propriĂ©taire ou le titulaire d'un droit rĂ©el transmet un certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels valable au superficiaire ou Ă l'emphytĂ©ote. " ;
  3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " du propriétaire ou de son mandataire " sont remplacés par le membre de phrase mots " du propriétaire, du titulaire d'un droit réel ou de leurs mandataires ".
Art. 79. In artikel 9.2.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een residentieel gebouw of een residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
  1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
  2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een residentieel gebouw of een residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
  1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
  2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 79. A l'article 9.2.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bùtiment résidentiel ou une unité de bùtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments résidentiels. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Le certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels doit ĂȘtre disponible :
  1° en cas de publicité : au plus tard, à la premiÚre publication de cette publicité ;
  2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bùtiment résidentiel ou une unité de bùtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments résidentiels. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Le certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments rĂ©sidentiels doit ĂȘtre disponible :
  1° en cas de publicité : au plus tard, à la premiÚre publication de cette publicité ;
  2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
Art. 80. Artikel 9.2.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 9.2.5. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.3/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede en derde lid.".
  "Art. 9.2.5. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.3/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede en derde lid.".
Art. 80. L'article 9.2.5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 9.2.5. Par dérogation à l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.4, alinéa 1er, le propriétaire d'un bùtiment résidentiel ou d'une unité de bùtiment résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bùtiment résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et l'article 9.2.4, alinéas 2 et 3. ".
  " Art. 9.2.5. Par dérogation à l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.4, alinéa 1er, le propriétaire d'un bùtiment résidentiel ou d'une unité de bùtiment résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bùtiment résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et l'article 9.2.4, alinéas 2 et 3. ".
Art. 81. In titel IX, hoofdstuk II, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, wordt een artikel 9.2.5/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 9.2.5/0. Als er in het kader van echtscheiding of de beëindiging van een al dan niet wettelijke samenwoning een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van het residentieel gebouw en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
  Als een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van één residentieel gebouw in kwestie, en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
  De verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
  In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, als vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid.".
  "Art. 9.2.5/0. Als er in het kader van echtscheiding of de beëindiging van een al dan niet wettelijke samenwoning een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van het residentieel gebouw en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
  Als een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van één residentieel gebouw in kwestie, en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
  De verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
  In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, als vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid.".
Art. 81. Dans le titre IX, chapitre II, section I, sous-section II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, un article 9.2.5/0 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 9.2.5/0. Si, dans le cadre d'un divorce ou de la fin d'une cohabitation légale ou non, un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires du bùtiment résidentiel et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas.
  Si un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires d'un bùtiment résidentiel en question et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er,ne s'applique pas.
  L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
  Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle que mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bùtiments de ces personnes morales. ".
  " Art. 9.2.5/0. Si, dans le cadre d'un divorce ou de la fin d'une cohabitation légale ou non, un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires du bùtiment résidentiel et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas.
  Si un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires d'un bùtiment résidentiel en question et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er,ne s'applique pas.
  L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
  Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle que mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bùtiments de ces personnes morales. ".
Art. 82. In artikel 9.2.5/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "artikel 9.2.4, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.4, derde lid,";
  2° de zinsnede "artikel 9.2.9, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.9, derde lid,".
  1° de zinsnede "artikel 9.2.4, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.4, derde lid,";
  2° de zinsnede "artikel 9.2.9, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.9, derde lid,".
Art. 82. A l'article 9.2.5/3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 3, " ;
  2° le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 3, ".
  1° le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 3, " ;
  2° le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 3, ".
Art. 83. In artikel 9.2.6, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 83. Dans l'article 9.2.6, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, l'alinĂ©a 3 est abrogĂ©.
Art. 84. Aan artikel 9.2.6/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "De eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "die gegevens" en de woorden "ter beschikking van" de zinsnede "en alle gegevens die nodig zijn voor de bepaling van de energiescore, " ingevoegd;
  3° in het tweede lid wordt tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de gebruiker" de zinsnede "de houder van een zakelijk recht," ingevoegd;
  4° in het tweede lid wordt tussen de woorden "aangesteld door de eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "De eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "die gegevens" en de woorden "ter beschikking van" de zinsnede "en alle gegevens die nodig zijn voor de bepaling van de energiescore, " ingevoegd;
  3° in het tweede lid wordt tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de gebruiker" de zinsnede "de houder van een zakelijk recht," ingevoegd;
  4° in het tweede lid wordt tussen de woorden "aangesteld door de eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 84. A l'article 9.2.6/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " Le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur " ;
  2° à l'alinéa 1er, les mots " et toutes les données nécessaires à la détermination du score énergétique " sont insérés entre les mots " ces données " et les mots " à la disposition de " ;
  3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le titulaire d'un droit réel, " est inséré entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'utilisateur " ;
  4° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " désigné par le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur ".
  1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " Le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur " ;
  2° à l'alinéa 1er, les mots " et toutes les données nécessaires à la détermination du score énergétique " sont insérés entre les mots " ces données " et les mots " à la disposition de " ;
  3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le titulaire d'un droit réel, " est inséré entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'utilisateur " ;
  4° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " désigné par le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur ".
Art. 85. Aan artikel 9.2.6/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de publieke gebouwen en de gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, autonome gemeentebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones; de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven: 1 januari 2024;";
  2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede " de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  3° er worden een derde tot en met vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
  3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
  De melding, vermeld in het derde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.
  In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het derde en vierde lid kan de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan verplichting, vermeld in het eerste lid.".
  1° in het eerste lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de publieke gebouwen en de gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, autonome gemeentebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones; de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven: 1 januari 2024;";
  2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede " de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  3° er worden een derde tot en met vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
  3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
  De melding, vermeld in het derde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.
  In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het derde en vierde lid kan de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan verplichting, vermeld in het eerste lid.".
Art. 85. A l'article 9.2.6/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les bùtiments publics et les bùtiments qui n'ont pas le statut de bùtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police ; les zones de secours et les entreprises publiques : 1er janvier 2024 ; " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
  3° des alinéas 3 à 5 rédigés comme suit sont ajoutés :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  2° le propriĂ©taire, le titulaire d'un droit rĂ©el, l'emphytĂ©ote ou le superficiaire de la grande unitĂ© non rĂ©sidentielle le notifie Ă la VEKA au plus tard un mois avant l'entrĂ©e en vigueur de l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er ou, le cas Ă©chĂ©ant, un mois avant que le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ne doive ĂȘtre renouvelĂ© ;
  3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
  La notification visée à l'alinéa 3, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification.
  Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 3 et 4, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du grand bùtiment non résidentiel ou sur l'unité de bùtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er. ".
  1° à l'alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les bùtiments publics et les bùtiments qui n'ont pas le statut de bùtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police ; les zones de secours et les entreprises publiques : 1er janvier 2024 ; " ;
  2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
  3° des alinéas 3 à 5 rédigés comme suit sont ajoutés :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  2° le propriĂ©taire, le titulaire d'un droit rĂ©el, l'emphytĂ©ote ou le superficiaire de la grande unitĂ© non rĂ©sidentielle le notifie Ă la VEKA au plus tard un mois avant l'entrĂ©e en vigueur de l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er ou, le cas Ă©chĂ©ant, un mois avant que le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ne doive ĂȘtre renouvelĂ© ;
  3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
  La notification visée à l'alinéa 3, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification.
  Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 3 et 4, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du grand bùtiment non résidentiel ou sur l'unité de bùtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 86. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 9.2.6/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 9.2.6/3. Elke grote niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat minimaal een label E behaald wordt.
  In afwijking van het eerste lid voldoen niet-residentiële eenheden in publieke gebouwen en gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de OCMW's, de autonome gemeentebedrijven, extern verzelfstandigde agentschappen, en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones, de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven; met uitzondering van gebouweenheden in gebouwen voor gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs, al vanaf 1 januari 2028 aan deze verplichting.
  Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar, of als er een erfpacht of opstalrecht op het niet-residentiële gebouw of de niet-residentiële gebouweenheid bestaat door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de niet-residentiële gebouwen en de niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.
  In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
  3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
  De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
  "Art. 9.2.6/3. Elke grote niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat minimaal een label E behaald wordt.
  In afwijking van het eerste lid voldoen niet-residentiële eenheden in publieke gebouwen en gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de OCMW's, de autonome gemeentebedrijven, extern verzelfstandigde agentschappen, en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones, de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven; met uitzondering van gebouweenheden in gebouwen voor gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs, al vanaf 1 januari 2028 aan deze verplichting.
  Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar, of als er een erfpacht of opstalrecht op het niet-residentiële gebouw of de niet-residentiële gebouweenheid bestaat door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de niet-residentiële gebouwen en de niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.
  In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
  3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
  De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
Art. 86. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 9.2.6/3 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 9.2.6/3. Chaque grande unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels valable attestant qu'un label E au moins est obtenu.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les unités non résidentielles dans des bùtiments publics et des bùtiments qui n'ont pas le statut de bùtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées internes et externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police, les zones de secours et les entreprises publiques ; à l'exception d'unités de bùtiment dans des bùtiments de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné, satisfont déjà cette obligation à partir du 1er janvier 2028.
  L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le bùtiment non résidentiel ou l'unité de bùtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments non résidentiels et des unités de bùtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  2° le propriĂ©taire, le titulaire d'un droit rĂ©el, l'emphytĂ©ote ou le superficiaire de la grande unitĂ© non rĂ©sidentielle le notifie Ă la VEKA au plus tard un mois avant l'entrĂ©e en vigueur de l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er ou, le cas Ă©chĂ©ant, un mois avant que le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ne doive ĂȘtre renouvelĂ© ;
  3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
  La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
  " Art. 9.2.6/3. Chaque grande unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels valable attestant qu'un label E au moins est obtenu.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les unités non résidentielles dans des bùtiments publics et des bùtiments qui n'ont pas le statut de bùtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées internes et externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police, les zones de secours et les entreprises publiques ; à l'exception d'unités de bùtiment dans des bùtiments de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné, satisfont déjà cette obligation à partir du 1er janvier 2028.
  L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le bùtiment non résidentiel ou l'unité de bùtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des bùtiments non résidentiels et des unités de bùtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  2° le propriĂ©taire, le titulaire d'un droit rĂ©el, l'emphytĂ©ote ou le superficiaire de la grande unitĂ© non rĂ©sidentielle le notifie Ă la VEKA au plus tard un mois avant l'entrĂ©e en vigueur de l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er ou, le cas Ă©chĂ©ant, un mois avant que le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ne doive ĂȘtre renouvelĂ© ;
  3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
  La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
Art. 87. In artikel 9.2.7/1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 87. Dans l'article 9.2.7/1, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 et remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, l'alinĂ©a 3 est abrogĂ©.
Art. 88. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 9.2.7/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 9.2.7/3. Elk klein niet-residentieel gebouw of elke kleine niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat, afhankelijk van het type bebouwing, het volgende minimale label behaald is:
  "Art. 9.2.7/3. Elk klein niet-residentieel gebouw of elke kleine niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat, afhankelijk van het type bebouwing, het volgende minimale label behaald is:
Art. 88. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 9.2.7/3 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 9.2.7/3. Chaque petit bùtiment non résidentiel ou chaque petite unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique petits bùtiments non résidentiels attestant, en fonction du type de construction, que le label minimal suivant a été obtenu :
  " Art. 9.2.7/3. Chaque petit bùtiment non résidentiel ou chaque petite unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique petits bùtiments non résidentiels attestant, en fonction du type de construction, que le label minimal suivant a été obtenu :
| Â | 2030 | 2035 | 2040 |
| kleine niet-residentiële eenheid (kNR) in gebouw met meerdere eenheden of kNR in een gesloten bebouwing | D | C | C |
| kNR in open of half open bebouwing | E | D | C |
In afwijking van het eerste lid kunnen kleine niet-residentiële eenheden er ook voor kiezen om vanaf 1 januari 2030 te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 9.2.6/3, die wordt opgelegd aan grote niet-residentiële eenheden.
  Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar of als er een erfpacht of opstalrecht op het kleine niet-residentiële gebouw of de kleine niet-residentiële gebouweenheid bestaat, door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de kleine niet-residentiële gebouwen en de kleine niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.".
| Â | 2030 | 2035 | 2040 |
| petite unité non résidentielle (kNR) dans un bùtiment de plusieurs unités ou kNR dans une construction entre mitoyens | D | C | C |
| kNR dans une construction isolée ou jumelée | E | D | C |
Par dérogation à l'alinéa 1er, les petites unités non résidentielles peuvent choisir de satisfaire, à partir du 1er janvier 2030, à l'obligation visée à l'article 9.2.6/3, qui est imposée aux grandes unités non résidentielles.
  L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le petit bùtiment non résidentiel ou la petite unité de bùtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des petits bùtiments non résidentiels et des petites unités de bùtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement. ".
Art. 89. In artikel 9.2.8 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 89. A l'article 9.2.8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
Art. 90. In artikel 9.2.8/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een niet-residentieel gebouw of op een niet-residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
  2° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "Bij de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd.
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een niet-residentieel gebouw of op een niet-residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
  2° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "Bij de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
  4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd.
Art. 90. A l'article 9.2.8/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire qui constitue ou cÚde un droit de superficie ou une emphytéose sur un bùtiment non résidentiel ou sur une unité de bùtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou de la cession " sont insérés entre les mots " Lors de la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie ".
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire qui constitue ou cÚde un droit de superficie ou une emphytéose sur un bùtiment non résidentiel ou sur une unité de bùtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou de la cession " sont insérés entre les mots " Lors de la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie ".
Art. 91. In artikel 9.2.9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
  1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
  2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  4° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "van het gebouw" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
  1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
  2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
  3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  4° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "van het gebouw" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 91. A l'article 9.2.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bùtiment non résidentiel ou une unité de bùtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Le certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments non rĂ©sidentiels doit ĂȘtre disponible :
  1° en cas de publicité : au plus tard, à la premiÚre publication de cette publicité ;
  2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
  4° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et les mots " du bùtiment ".
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bùtiment non résidentiel ou une unité de bùtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bùtiments non résidentiels. " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
  " Le certificat de performance Ă©nergĂ©tique bĂątiments non rĂ©sidentiels doit ĂȘtre disponible :
  1° en cas de publicité : au plus tard, à la premiÚre publication de cette publicité ;
  2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
  3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
  4° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et les mots " du bùtiment ".
Art. 92. Artikel 9.2.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en 8 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 9.2.10. In afwijking van artikel 9.2.6/3, eerste lid, artikel 9.2.8, § 1, eerste lid, artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.9, eerste lid, kan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht van een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele niet-residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.6/3, artikel 9.2.8, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.8/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.9, tweede en derde lid.".
  "Art. 9.2.10. In afwijking van artikel 9.2.6/3, eerste lid, artikel 9.2.8, § 1, eerste lid, artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.9, eerste lid, kan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht van een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele niet-residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.6/3, artikel 9.2.8, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.8/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.9, tweede en derde lid.".
Art. 92. L'article 9.2.10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 novembre 2018 et 8 juillet 2022, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 9.2.10. Par dérogation à l'article 9.2.6/3, alinéa 1er, à l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.9, alinéa 1er, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel d'un bùtiment non résidentiel ou d'une unité de bùtiment non résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bùtiment non résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.6/3, l'article 9.2.8, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et dans l'article 9.2.9, alinéas 2 et 3. ".
  " Art. 9.2.10. Par dérogation à l'article 9.2.6/3, alinéa 1er, à l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.9, alinéa 1er, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel d'un bùtiment non résidentiel ou d'une unité de bùtiment non résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bùtiment non résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.6/3, l'article 9.2.8, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et dans l'article 9.2.9, alinéas 2 et 3. ".
Art. 93. In hetzelfde besluit wordt een artikel 9.2.10/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 9.2.10/0. De verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
  In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid.".
  "Art. 9.2.10/0. De verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
  In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid.".
Art. 93. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, un article 9.2.10/0 rĂ©digĂ© comme suit est insĂ©rĂ© :
  " Art. 9.2.10/0. L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
  Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bùtiments de ces personnes morales. ".
  " Art. 9.2.10/0. L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
  Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bùtiments de ces personnes morales. ".
Art. 94. Aan artikel 9.2.10/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de erfpachter" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de gebruiker, eigenaar of de houder van een zakelijk recht die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid.".
  1° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de erfpachter" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
  3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de gebruiker, eigenaar of de houder van een zakelijk recht die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid.".
Art. 94. A l'article 9.2.10/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'emphytéote " ;
  2° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " par le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
  3° un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'utilisateur, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'unité de bùtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée aux alinéas 1er et 2. ".
  1° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'emphytéote " ;
  2° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " par le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
  3° un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'utilisateur, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bùtiment ou sur l'unité de bùtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée aux alinéas 1er et 2. ".
Art. 95. In artikel 9.2.11, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de datum van ingebruikname van het gebouw of de gebouweenheid, de datum van beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen, de datum van verlening van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of neerlegging van de melding of de datum waarom de EPB-aangifte is ingediend, afhankelijk van welke voorwaarde, vermeld in paragraaf 4, het eerst vervuld is;".
  "1° de datum van ingebruikname van het gebouw of de gebouweenheid, de datum van beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen, de datum van verlening van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of neerlegging van de melding of de datum waarom de EPB-aangifte is ingediend, afhankelijk van welke voorwaarde, vermeld in paragraaf 4, het eerst vervuld is;".
Art. 95. Dans l'article 9.2.11, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° la date de mise en service du bùtiment ou de l'unité de bùtiment, la date de fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration, la date d'octroi du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou de dépÎt de la déclaration ou la date à laquelle a déclaration PEB a été introduite, selon la condition, énoncée dans le paragraphe 4, qui a été remplie en premier ; ".
  " 1° la date de mise en service du bùtiment ou de l'unité de bùtiment, la date de fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration, la date d'octroi du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou de dépÎt de la déclaration ou la date à laquelle a déclaration PEB a été introduite, selon la condition, énoncée dans le paragraphe 4, qui a été remplie en premier ; ".
Art. 96. Aan artikel 9.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en 8 juli 2022, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4, moet, voor een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is waaruit blijkt dat aan alle eisen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, paragraaf 2, en paragraaf 4, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het niet-residentieel gebouw of de niet-residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
  " § 5. In afwijking van paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4, moet, voor een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is waaruit blijkt dat aan alle eisen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, paragraaf 2, en paragraaf 4, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het niet-residentieel gebouw of de niet-residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
Art. 96. A l'article 9.3.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 fĂ©vrier 2022 et 8 juillet 2022, un paragraphe 5 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " § 5. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 4, dans le cas d'un bĂątiment non rĂ©sidentiel ou d'une unitĂ© non rĂ©sidentielle possĂ©dant dĂ©jĂ , au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance Ă©nergĂ©tique valable attestant que toutes les exigences Ă©noncĂ©es dans le paragraphe 1er, alinĂ©as 1er et 2, dans le paragraphe 2 et dans le paragraphe 4, ont Ă©tĂ© remplies, il n'y a pas lieu d'Ă©tablir de certificat de performance Ă©nergĂ©tique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique. Ce propriĂ©taire, ce superficiaire ou cet emphytĂ©ote du bĂątiment non rĂ©sidentiel ou de l'unitĂ© non rĂ©sidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique que dans la mesure oĂč ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mĂȘmes performances que celles mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ou ses annexes. ".
  " § 5. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 4, dans le cas d'un bĂątiment non rĂ©sidentiel ou d'une unitĂ© non rĂ©sidentielle possĂ©dant dĂ©jĂ , au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance Ă©nergĂ©tique valable attestant que toutes les exigences Ă©noncĂ©es dans le paragraphe 1er, alinĂ©as 1er et 2, dans le paragraphe 2 et dans le paragraphe 4, ont Ă©tĂ© remplies, il n'y a pas lieu d'Ă©tablir de certificat de performance Ă©nergĂ©tique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique. Ce propriĂ©taire, ce superficiaire ou cet emphytĂ©ote du bĂątiment non rĂ©sidentiel ou de l'unitĂ© non rĂ©sidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique que dans la mesure oĂč ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mĂȘmes performances que celles mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ou ses annexes. ".
Art. 97. In artikel 9.3.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
  2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
  1° de zinsnede "beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
  2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
Art. 97. A l'article 9.3.2, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " paysage historico-culturel protégé, " est abrogé ;
  2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
  1° le membre de phrase " paysage historico-culturel protégé, " est abrogé ;
  2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
Art. 98. Aan artikel 9.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het tweede lid moet voor een residentieel gebouw of een residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is met een label waardoor op dat moment reeds aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het residentieel gebouw of de residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
  "In afwijking van het tweede lid moet voor een residentieel gebouw of een residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is met een label waardoor op dat moment reeds aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het residentieel gebouw of de residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
Art. 98. A l'article 9.3.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, dans le cas d'un bĂątiment rĂ©sidentiel ou d'une unitĂ© rĂ©sidentielle possĂ©dant dĂ©jĂ , au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance Ă©nergĂ©tique valable assorti d'un label selon lequel l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er a dĂ©jĂ Ă©tĂ© remplie Ă ce moment, il n'y a pas lieu d'Ă©tablir de certificat de performance Ă©nergĂ©tique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique.. Ce propriĂ©taire, ce superficiaire ou cet emphytĂ©ote du bĂątiment rĂ©sidentiel ou de l'unitĂ© rĂ©sidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique que dans la mesure oĂč ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mĂȘmes performances que celles mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ou ses annexes. ".
  " Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 2, dans le cas d'un bĂątiment rĂ©sidentiel ou d'une unitĂ© rĂ©sidentielle possĂ©dant dĂ©jĂ , au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance Ă©nergĂ©tique valable assorti d'un label selon lequel l'obligation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er a dĂ©jĂ Ă©tĂ© remplie Ă ce moment, il n'y a pas lieu d'Ă©tablir de certificat de performance Ă©nergĂ©tique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique.. Ce propriĂ©taire, ce superficiaire ou cet emphytĂ©ote du bĂątiment rĂ©sidentiel ou de l'unitĂ© rĂ©sidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique que dans la mesure oĂč ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mĂȘmes performances que celles mentionnĂ©es dans le certificat de performance Ă©nergĂ©tique ou ses annexes. ".
Art. 99. Aan artikel 9.3.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
  2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
  1° de zinsnede "deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
  2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
Art. 99. A l'article 9.3.5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " fait partie d'un paysage culturel-historique, " est abrogé ;
  2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
  1° le membre de phrase " fait partie d'un paysage culturel-historique, " est abrogé ;
  2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
Art. 100. In titel XI, hoofdstuk II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden in het opschrift van afdeling IV de woorden "opleidings- en exameninstelling" vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling".
Art. 100. Dans le titre XI, chapitre II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, dans l'intitulĂ© de la section IV, les mots " institut de formation et d'examen " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " Ă©tablissement de formation ou d'un organisme d'examen ".
Art. 101. In artikel 11.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013, en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 september 2017, 9 oktober 2020 en 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "opleidings- of exameninstelling" telkens vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling";
  2° in het eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de artikelen 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 of 8.7.1" vervangen door de zinsnede "artikel 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 of 8.7.1,";
  3° in het tweede lid wordt tussen de woorden "van de opleiding" en de woorden "of het examen" de zinsnede ", de vorming" ingevoegd.
  1° in het eerste lid worden de woorden "opleidings- of exameninstelling" telkens vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling";
  2° in het eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de artikelen 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 of 8.7.1" vervangen door de zinsnede "artikel 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 of 8.7.1,";
  3° in het tweede lid wordt tussen de woorden "van de opleiding" en de woorden "of het examen" de zinsnede ", de vorming" ingevoegd.
Art. 101. A l'article 11.2.6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 8 septembre 2017, 9 octobre 2020 et 11 dĂ©cembre 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont chaque fois remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen " ;
  2° à l'alinéa 1er, 2°, le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 ou 8.7.1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 ou 8.7.1, " ;
  3° à l'alinéa 2, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen ".
  1° à l'alinéa 1er, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont chaque fois remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen " ;
  2° à l'alinéa 1er, 2°, le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 ou 8.7.1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 ou 8.7.1, " ;
  3° à l'alinéa 2, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen ".
Art. 102. In artikel 12.3.22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt na de zinsnede "vermeld in artikel 9.2.3", de zinsnede "en artikel 9.2.3/1" ingevoegd.
Art. 102. Dans l'article 12.3.22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, le membre de phrase " et Ă l'article 9.2.3/1 " est insĂ©rĂ© aprĂšs le membre de phrase " visĂ©e Ă l'article 9.2.3 ".
Art. 103. In artikel 12.3.27, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "in de jaren 2022 en 2023" vervangen door de woorden "vanaf 1 januari 2022" en worden tussen de woorden "vanaf 1 juli 2022" en de woorden "worden de premies" de woorden "tot en met 31 december 2025" ingevoegd.
Art. 103. Dans l'article 12.3.27, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 mai 2022 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, le membre de phrase " dont la facture finale tombe en 2022 et en 2023 " est remplacĂ© par le membre de phrase " avec facture finale Ă partir du 1er janvier 2022 " et le membre de phrase " jusqu'au 31 dĂ©cembre 2025 " est insĂ©rĂ© entre le membre de phrase " Ă partir du 1er juillet 2022 " et le membre de phrase " , les primes ".
Art. 104. Bijlage IV/1 bij het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 104. L'annexe IV/1 au mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2018 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 dĂ©cembre 2020, est remplacĂ©e par l'annexe 1re jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 105. In bijlage V bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2022, wordt punt 10.2.3.3.1 vervangen door wat volgt:
  "10.2.3.3.1 Principe
  Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte onttrekken aan verschillende warmtebronnen:
  * Bodem via een warmtetransporterend fluïdum. De warmtepomp pompt een warmtetransporterend fluïdum (meestal een anti-vries oplossing, bv. een water-glycol mengsel) door een ingegraven verticale of een horizontale warmtewisselaar. De warmte die dit medium aan de bodem onttrekt, wordt afgestaan aan de verdamper;
  * Bodem via directe verdamping. De verdamper in de bodem onttrekt door geleiding voelbare warmte (en eventueel latente warmte, nl. door bevriezing) rechtstreeks aan de bodem zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum;
  * Grondwater, oppervlaktewater of gelijkaardig. Water wordt opgepompt, staat zijn warmte af aan de verdamper en wordt terug gepompt;
  * Buitenlucht. De buitenlucht wordt met behulp van een ventilator over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
  * Afvoerlucht. De afvoerlucht van het ventilatiesysteem wordt over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
  * Andere.
  Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte afgeven aan water of lucht of aan de structuur van het gebouw (waarbij condensoren in de structuur van het gebouw (meestal vloeren, ev. ook andere scheidingsconstructies, bv. muren of plafonds) ingebed worden en de warmte rechtstreeks aan de gebouwstructuur afgeven (zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum, zoals lucht of water)).
  Mono- en multisplit warmtepompen worden gevormd door een combinatie van een buiteneenheid en één of meerdere binneneenheden. De prestatie van de warmtepomp wordt beïnvloed door de geplaatste combinatie aan binnen- en buiteneenheden. Wanneer er geen testgegevens beschikbaar zijn voor de geplaatste combinatie aan eenheden, wordt de waarde bij ontstentenis voor het opwekkingsrendement gebruikt.
  Het opwekkingsrendement
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 26/09/2015, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 400 kW en met:
  ° bodem via een warmtetransporterend fluïdum als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  ° water als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  ° buitenlucht als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2013, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 12 kW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum, of
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2018, met een nominaal vermogen dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum,
  wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.2.
  Het opwekkingsrendement van andere elektrische warmtepompen wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.3.
  De waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat voor elektrische warmtepompen met lucht als warmtebron én als warmteafvoerend fluïdum bedraagt:
  - 3,30 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid;
  - als de buiten- en binneneenheden een nominaal vermogen hebben dat niet groter is dan 12 kW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 206/2012 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid, dan geldt als waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat :
  ° 3,00 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2013 op de markt zijn gebracht,
  ° 3,40 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2014 op de markt zijn gebracht;
  - 1,25 in alle andere gevallen.
  Voor alle andere types elektrische warmtepompen is de waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat gelijk aan 2,00.".
  "10.2.3.3.1 Principe
  Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte onttrekken aan verschillende warmtebronnen:
  * Bodem via een warmtetransporterend fluïdum. De warmtepomp pompt een warmtetransporterend fluïdum (meestal een anti-vries oplossing, bv. een water-glycol mengsel) door een ingegraven verticale of een horizontale warmtewisselaar. De warmte die dit medium aan de bodem onttrekt, wordt afgestaan aan de verdamper;
  * Bodem via directe verdamping. De verdamper in de bodem onttrekt door geleiding voelbare warmte (en eventueel latente warmte, nl. door bevriezing) rechtstreeks aan de bodem zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum;
  * Grondwater, oppervlaktewater of gelijkaardig. Water wordt opgepompt, staat zijn warmte af aan de verdamper en wordt terug gepompt;
  * Buitenlucht. De buitenlucht wordt met behulp van een ventilator over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
  * Afvoerlucht. De afvoerlucht van het ventilatiesysteem wordt over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
  * Andere.
  Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte afgeven aan water of lucht of aan de structuur van het gebouw (waarbij condensoren in de structuur van het gebouw (meestal vloeren, ev. ook andere scheidingsconstructies, bv. muren of plafonds) ingebed worden en de warmte rechtstreeks aan de gebouwstructuur afgeven (zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum, zoals lucht of water)).
  Mono- en multisplit warmtepompen worden gevormd door een combinatie van een buiteneenheid en één of meerdere binneneenheden. De prestatie van de warmtepomp wordt beïnvloed door de geplaatste combinatie aan binnen- en buiteneenheden. Wanneer er geen testgegevens beschikbaar zijn voor de geplaatste combinatie aan eenheden, wordt de waarde bij ontstentenis voor het opwekkingsrendement gebruikt.
  Het opwekkingsrendement
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 26/09/2015, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 400 kW en met:
  ° bodem via een warmtetransporterend fluïdum als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  ° water als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  ° buitenlucht als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2013, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 12 kW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum, of
  * van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2018, met een nominaal vermogen dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum,
  wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.2.
  Het opwekkingsrendement van andere elektrische warmtepompen wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.3.
  De waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat voor elektrische warmtepompen met lucht als warmtebron én als warmteafvoerend fluïdum bedraagt:
  - 3,30 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid;
  - als de buiten- en binneneenheden een nominaal vermogen hebben dat niet groter is dan 12 kW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 206/2012 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid, dan geldt als waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat :
  ° 3,00 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2013 op de markt zijn gebracht,
  ° 3,40 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2014 op de markt zijn gebracht;
  - 1,25 in alle andere gevallen.
  Voor alle andere types elektrische warmtepompen is de waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat gelijk aan 2,00.".
Art. 105. Dans l'annexe V au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, le point 10.2.3.3.1 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 10.2.3.3.1 Principe
  Les pompes à chaleur électriques peuvent tirer leur chaleur de différentes sources de chaleur :
  * sol via un fluide caloporteur : la pompe à chaleur pompe un fluide caloporteur (généralement, une solution antigel, par exemple, un mélange eau-glycol) à travers un échangeur de chaleur enterré vertical ou horizontal. La chaleur prélevée dans le sol par ce fluide est cédée à l'évaporateur ;
  * sol par évaporation directe : l'évaporateur dans le sol tire directement la chaleur sensible du sol par conduction (et éventuellement la chaleur latente, par congélation) sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire ;
  * nappe phréatique, eau de surface ou similaire : l'eau est pompée, cÚde sa chaleur à l'évaporateur et est réinjectée dans son milieu d'origine ;
  * air extérieur : l'air extérieur est amené jusqu'à l'évaporateur à l'aide d'un ventilateur et y cÚde sa chaleur ;
  * air repris : l'air repris du systÚme de ventilation est amené sur l'évaporateur et y cÚde sa chaleur ;
  * autres.
  Les pompes Ă chaleur Ă©lectriques peuvent dĂ©livrer leur chaleur Ă l'eau, Ă l'air ou Ă la structure du bĂątiment (oĂč des condenseurs sont intĂ©grĂ©s dans la structure du bĂątiment (principalement les planchers et, Ă©ventuellement, d'autres parois comme par exemple les murs ou les plafonds) et dĂ©livrent la chaleur directement Ă la structure du bĂątiment (sans l'intervention d'un fluide de transport intermĂ©diaire tel que l'air ou l'eau)).
  Les pompes à chaleur monosplit et multisplit sont formées par une combinaison d'une unité extérieure et d'une ou de plusieurs unités intérieures. La performance de la pompe à chaleur est influencée par la combinaison installée d'unités intérieures et extérieures. En l'absence de données d'essai pour la combinaison d'unités installée, on utilise la valeur par défaut pour le rendement de production.
  Le rendement de production
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 26/09/2015, d'une puissance nominale n'excédant pas 400 kW et utilisant :
  ° soit le sol via un fluide caloporteur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
  ° soit l'eau comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
  ° soit l'air extérieur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur, ou
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2013, d'une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur, ou
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2018, d'une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur
  est déterminé selon le § 10.2.3.3.2.
  Le rendement de production d'autres pompes à chaleur électriques est déterminé selon le § 10.2.3.3.3.
  La valeur par défaut pour ηgen,heat pour des pompes à chaleur électriques utilisant l'air comme source de chaleur et comme fluide caloporteur est fixée à :
  - 3,30 si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont Ă©tĂ© mises sur le marchĂ© aprĂšs le 01/01/2018, ont une puissance nominale supĂ©rieure Ă 12 kW mais n'excĂ©dant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure ;
  - si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont une puissance nominale n'excĂ©dant pas 12 kW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) no 206/2012 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure, la valeur par dĂ©faut pour ηgen,heat est :
  ° 3,00 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché aprÚs le 01/01/2013,
  ° 3,40 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché aprÚs le 01/01/2014 ;
  - 1,25 dans tous les autres cas.
  Pour tous les autres types de pompes à chaleur électriques, la valeur par défaut pour ηgen,heat est égale à 2,00. ".
  " 10.2.3.3.1 Principe
  Les pompes à chaleur électriques peuvent tirer leur chaleur de différentes sources de chaleur :
  * sol via un fluide caloporteur : la pompe à chaleur pompe un fluide caloporteur (généralement, une solution antigel, par exemple, un mélange eau-glycol) à travers un échangeur de chaleur enterré vertical ou horizontal. La chaleur prélevée dans le sol par ce fluide est cédée à l'évaporateur ;
  * sol par évaporation directe : l'évaporateur dans le sol tire directement la chaleur sensible du sol par conduction (et éventuellement la chaleur latente, par congélation) sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire ;
  * nappe phréatique, eau de surface ou similaire : l'eau est pompée, cÚde sa chaleur à l'évaporateur et est réinjectée dans son milieu d'origine ;
  * air extérieur : l'air extérieur est amené jusqu'à l'évaporateur à l'aide d'un ventilateur et y cÚde sa chaleur ;
  * air repris : l'air repris du systÚme de ventilation est amené sur l'évaporateur et y cÚde sa chaleur ;
  * autres.
  Les pompes Ă chaleur Ă©lectriques peuvent dĂ©livrer leur chaleur Ă l'eau, Ă l'air ou Ă la structure du bĂątiment (oĂč des condenseurs sont intĂ©grĂ©s dans la structure du bĂątiment (principalement les planchers et, Ă©ventuellement, d'autres parois comme par exemple les murs ou les plafonds) et dĂ©livrent la chaleur directement Ă la structure du bĂątiment (sans l'intervention d'un fluide de transport intermĂ©diaire tel que l'air ou l'eau)).
  Les pompes à chaleur monosplit et multisplit sont formées par une combinaison d'une unité extérieure et d'une ou de plusieurs unités intérieures. La performance de la pompe à chaleur est influencée par la combinaison installée d'unités intérieures et extérieures. En l'absence de données d'essai pour la combinaison d'unités installée, on utilise la valeur par défaut pour le rendement de production.
  Le rendement de production
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 26/09/2015, d'une puissance nominale n'excédant pas 400 kW et utilisant :
  ° soit le sol via un fluide caloporteur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
  ° soit l'eau comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
  ° soit l'air extérieur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur, ou
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2013, d'une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur, ou
  * des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2018, d'une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur
  est déterminé selon le § 10.2.3.3.2.
  Le rendement de production d'autres pompes à chaleur électriques est déterminé selon le § 10.2.3.3.3.
  La valeur par défaut pour ηgen,heat pour des pompes à chaleur électriques utilisant l'air comme source de chaleur et comme fluide caloporteur est fixée à :
  - 3,30 si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont Ă©tĂ© mises sur le marchĂ© aprĂšs le 01/01/2018, ont une puissance nominale supĂ©rieure Ă 12 kW mais n'excĂ©dant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure ;
  - si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont une puissance nominale n'excĂ©dant pas 12 kW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) no 206/2012 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure, la valeur par dĂ©faut pour ηgen,heat est :
  ° 3,00 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché aprÚs le 01/01/2013,
  ° 3,40 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché aprÚs le 01/01/2014 ;
  - 1,25 dans tous les autres cas.
  Pour tous les autres types de pompes à chaleur électriques, la valeur par défaut pour ηgen,heat est égale à 2,00. ".
Art. 106. In bijlage VI, punt 7.5.1, bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen wordt bepaald zoals hieronder beschreven." wordt vervangen door de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen met een variabel koelmiddeldebiet wordt bepaald zoals hieronder beschreven.";
  2° het vijfde lid, dat bestaat uit "Bepaal het maandelijks opwekkingsrendement ηgen,heat,m van andere multisplit-systemen (niet-VRF) als volgt:
  * als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buitenunit met hetzelfde type binnenunit, dan geldt:
  * ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
  * in alle andere gevallen geldt:
  Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
  met:
  ηgen,heat het opwekkingsrendement van de elektrische warmtepomp, bepaald volgens § 10.2.3.3 van bijlage EPW, (-)." wordt opgeheven.
  1° de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen wordt bepaald zoals hieronder beschreven." wordt vervangen door de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen met een variabel koelmiddeldebiet wordt bepaald zoals hieronder beschreven.";
  2° het vijfde lid, dat bestaat uit "Bepaal het maandelijks opwekkingsrendement ηgen,heat,m van andere multisplit-systemen (niet-VRF) als volgt:
  * als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buitenunit met hetzelfde type binnenunit, dan geldt:
  * ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
  * in alle andere gevallen geldt:
  Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
  met:
  ηgen,heat het opwekkingsrendement van de elektrische warmtepomp, bepaald volgens § 10.2.3.3 van bijlage EPW, (-)." wordt opgeheven.
Art. 106. A l'annexe VI, point 7.5.1, au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 dĂ©cembre 2022, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° la phrase " Pour les systÚmes multisplit, le rendement de production pour le chauffage est déterminé comme décrit ci-dessous. " est remplacée par la phrase " Le rendement de production pour le chauffage de systÚmes multisplit à débit de réfrigérant variable est déterminé comme décrit ci-dessous. " ;
  2° l'alinéa 5, qui comprend " Le rendement de production mensuel ηgen,heat,m d'autres systÚmes multisplit (qui ne sont pas VRF) est déterminé comme suit :
  * si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont Ă©tĂ© mises sur le marchĂ© aprĂšs le 01/01/2018, ont une puissance nominale supĂ©rieure Ă 12 kW mais n'excĂ©dant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure, on a :
  * ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
  * dans tous les autres cas, on a :
  Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
  oĂč :
  ηgen,heat le rendement de production de la pompe à chaleur électrique, déterminé selon le § 10.2.3.3 de l'annexe PER, (-). " est abrogé.
  1° la phrase " Pour les systÚmes multisplit, le rendement de production pour le chauffage est déterminé comme décrit ci-dessous. " est remplacée par la phrase " Le rendement de production pour le chauffage de systÚmes multisplit à débit de réfrigérant variable est déterminé comme décrit ci-dessous. " ;
  2° l'alinéa 5, qui comprend " Le rendement de production mensuel ηgen,heat,m d'autres systÚmes multisplit (qui ne sont pas VRF) est déterminé comme suit :
  * si les unitĂ©s extĂ©rieures et intĂ©rieures ont Ă©tĂ© mises sur le marchĂ© aprĂšs le 01/01/2018, ont une puissance nominale supĂ©rieure Ă 12 kW mais n'excĂ©dant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le rĂšglement europĂ©en (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquĂ©e mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du mĂȘme type d'unitĂ© extĂ©rieure avec le mĂȘme type d'unitĂ© intĂ©rieure, on a :
  * ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
  * dans tous les autres cas, on a :
  Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
  oĂč :
  ηgen,heat le rendement de production de la pompe à chaleur électrique, déterminé selon le § 10.2.3.3 de l'annexe PER, (-). " est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 107. In artikel 37, § 10, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt punt b opgeheven.
Art. 107. Dans l'article 37, § 10, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2020, le point b est abrogĂ©.
Art. 108. In addendum RY van bijlage 2 bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2021, worden in vraag 1 de woorden "of een hervergunning van een BKG-installatie" opgeheven.
Art. 108. Dans l'addendum RY de l'annexe 2 au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 avril 2021, dans la question 1, les mots " ou un renouvellement d'autorisation d'une installation de GES " est abrogĂ©.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van 4 februari 2022 van de Vlaamse Regering tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du 4 fĂ©vrier 2022 du Gouvernement flamand crĂ©ant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes Ă©nergie et modifiant l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021
Art. 109. In artikel 1 van het besluit van 4 februari 2022 van de Vlaamse Regering tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de premies, vermeld in artikel 6.4.1/6, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.".
  "2° de premies, vermeld in artikel 6.4.1/6, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.".
Art. 109. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2022 crĂ©ant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes Ă©nergie et modifiant l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrĂȘtĂ© Code flamand du Logement de 2021, le point 2° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 2° les primes mentionnĂ©es Ă l'article 6.4.1/6, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010. ".
  " 2° les primes mentionnĂ©es Ă l'article 6.4.1/6, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010. ".
HOOFDSTUK 6. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions transitoires et finales
Art. 110. Artikel 12 van het decreet van 17 december 2021 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft toewijzingen aan het Energiefonds, wijzigingen betreffende flexibiliteit en energiedelen, de uitbouw van het energiedataplatform en de herziening van de administratieve geldboetes aangaande installatie-eisen treedt in werking op 1 oktober 2023.
Art. 110. L'article 12 du décret du 17 décembre 2021 modifiant le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, en ce qui concerne les allocations au Fonds de l'Energie, les modifications relatives à la flexibilité et au partage d'énergie, le développement de la plateforme de données énergétiques et la révision des amendes administratives en matiÚre d'exigences d'installation entre en vigueur le 1er octobre 2023.
Art. 111. Artikel 3, 7° en 8° en artikel 31 van het decreet van 23 december 2022 tot wijziging van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, het Energiedecreet van 8 mei 2009, het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012 en het decreet van 17 december 2021 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft toewijzingen aan het Energiefonds, wijzigingen betreffende flexibiliteit en energiedelen, de uitbouw van het energiedataplatform en de herziening van de administratieve geldboetes aangaande installatie-eisen treden in werking op 1 december 2023.
Art. 111. L'article 3, 7° et 8°, et l'article 31 du décret du 23 décembre 2022 modifiant la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, le décret du 13 juillet 2012 contenant les dispositions accompagnant le deuxiÚme ajustement du budget 2012 et le décret du 17 décembre 2021 modifiant le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, en ce qui concerne les allocations au Fonds de l'Energie, les modifications relatives à la flexibilité et au partage d'énergie, le développement de la plateforme de données énergétiques et la révision des amendes administratives en matiÚre d'exigences d'installation entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
Art. 112. Als de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4 van het Energiebesluit, door de investeerder reeds voor [1 1 januari 2025]1 werd geactiveerd, dan blijft de procedure beschreven in artikel 6.4.1/1/4, zesde lid, van het Energiebesluit, in de lezing zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 21 van dit besluit, op dat dossier van toepassing.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 112. Si la prime mentionnĂ©e Ă l'article 6.4.1/1/4 de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie Ă©tait dĂ©jĂ activĂ©e par l'investisseur avant le [1 1er janvier 2025]1, la procĂ©dure dĂ©crite dans l'article 6.4.1/1/4, alinĂ©a 6, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, dans sa rĂ©daction antĂ©rieure Ă sa modification par l'article 21 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, demeure applicable Ă ce dossier.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 113. Artikel 6.4.1/5/2, § 3, eerste lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 24 van dit besluit, is van toepassing op aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2023.
Art. 113. L'article 6.4.1/5/2, § 3, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifiĂ© par l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'applique aux demandes introduites Ă partir du 1er janvier 2023.
Art. 114. Als de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4 van het Energiebesluit, voor [1 1 januari 2025]1 werd geactiveerd, dan blijft artikel 6.4.1/6, § 6, van het Energiebesluit, in de lezing zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 25, 3° van dit besluit, op dat dossier van toepassing.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 114. Si la prime mentionnĂ©e Ă l'article 6.4.1/1/4 de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie Ă©tait activĂ©e avant le [1 1er janvier 2025]1, l'article 6.4.1/6, § 6, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, dans sa rĂ©daction antĂ©rieure Ă sa modification par l'article 25, 3° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, demeure applicable Ă ce dossier.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 115. Artikel 6.4.1/8, van het Energiebesluit van 19 november 2010, in de lezing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 28 van dit besluit, blijft van toepassing op de ondersteuning die bij de elektriciteitsdistributienetbeheerders is aangevraagd voor een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 115. L'article 6.4.1/8, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, dans sa rĂ©daction antĂ©rieure Ă sa modification par l'article 28 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, demeure applicable au soutien demandĂ© auprĂšs des gestionnaires de rĂ©seau de distribution d'Ă©lectricitĂ© avant une date Ă fixer par le ministre flamand qui a l'Energie dans ses attributions [1 ...]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 116. Artikel 7.9.1, § 2, 3°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 64 van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op leningsaanvragen die ingediend worden vanaf 1 juli 2023.
Art. 116. L'article 7.9.1, § 2, 3°, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifiĂ© par l'article 64 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'applique pour la premiĂšre fois aux demandes de prĂȘt introduites Ă partir du 1er juillet 2023.
Art. 117. Artikel 9.1.29/1, tweede en derde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 76 van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op afwijkingsaanvragen die ingediend worden vanaf 1 juli 2023.
Art. 117. L'article 9.1.29/1 de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifiĂ© par l'article 76 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'applique pour la premiĂšre fois aux demandes de dĂ©rogation introduites Ă partir du 1er juillet 2023.
Art. 118. Voor groenestroominstallaties en warmte-krachtinstallaties die op de datum van inwerkingtreding van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 15, 2°, en artikel 17, 2°, van dit besluit, meer dan achttien maanden en minder dan dertig maandenin dienst zijn genomen of meer dan achttien maanden en meer dan dertig maanden ingrijpend zijn gewijzigd en waarvoor nog geen aanvraag voor de toekenning van certificaten werd ingediend, kan de aanvraag voor de toekenning van certificaten in afwijking van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 tot uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 worden ingediend.
Art. 118. Pour les installations de production d'Ă©lectricitĂ© verte et les installations de cogĂ©nĂ©ration qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur de l'article 6.1.2, § 1er, alinĂ©a 4, et de l'article 6.2.2, § 1er, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 15, 2°, et l'article 17, 2°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont Ă©tĂ© mises en service depuis plus de dix-huit mois et moins de trente mois ou ont Ă©tĂ© profondĂ©ment modifiĂ©es depuis plus de dix-huit mois et moins de trente mois et pour lesquelles aucune demande d'octroi de certificats n'a encore Ă©tĂ© introduite, la demande d'octroi de certificats peut ĂȘtre introduite, par dĂ©rogation Ă l'article 6.1.2, § 1er, alinĂ©a 4, et Ă l'article 6.2.2, § 1er, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, pendant une pĂ©riode maximale de six mois Ă compter de la date d'entrĂ©e en vigueur de l'article 6.1.2, § 1er, alinĂ©a 4, et de l'article 6.2.2, § 1er, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010.
Art. 119. Artikelen 2, 110 en 113 treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°, en negende tot en met tiende lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 5°, en zevende lid, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 januari 2023.
  Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8°, en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 6°, en paragraaf 4/2, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 maart 2023.
  Artikel 13 en artikelen 54 tot en met 62 treden in werking op 1 juli 2023.
  Artikel 6.4.1/4, eerste lid, tweede lid, 3°, vierde en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 juli 2023.
  Artikelen 79, 2°, 91, 2°, 97 en 99 treden in werking op 1 oktober 2023.
  Artikelen 41 tot en met 46 en artikel 104 treden in werking op 1 december 2023.
  Artikelen 12, 1°, en 27 treden in werking op 1 januari 2024.
  Bijlagen V en VI bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van respectievelijk artikel 105 en 106 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op dossiers waarbij de melding of de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt ingediend vanaf 1 januari 2024.
  [1 ...]1, artikel 25, 1° en 3°, en artikel 112 treden in werking op 1 april 2024.
  [1 Artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1А en 2А, derde en zevende lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, artikel 7.9.2/1, Ї 1, eerste lid, 5А en tweede en derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 3А, vijfde lid, paragraaf 4/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op [2 1 januari 2025]2.]1
  [1 [3 Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en gewijzigd bij artikel 17, 2° van het besluit van 23 mei 2025, artikel 7.9.2/1, § 1, vierde tot en met zevende lid, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit]3 en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 4А, zesde lid, en paragraaf 4/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
  Artikel 12, 2° en 3°, treedt in werking op 1 juli 2024.
  Artikelen 28 tot en met 30 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
  Artikel 31 treedt in werking op een datum door de minister, bevoegd voor het Woonbeleid, te bepalen datum.
  [1 Artikel 21 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
 Â
  Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°, en negende tot en met tiende lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 5°, en zevende lid, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 januari 2023.
  Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8°, en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 6°, en paragraaf 4/2, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 maart 2023.
  Artikel 13 en artikelen 54 tot en met 62 treden in werking op 1 juli 2023.
  Artikel 6.4.1/4, eerste lid, tweede lid, 3°, vierde en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 juli 2023.
  Artikelen 79, 2°, 91, 2°, 97 en 99 treden in werking op 1 oktober 2023.
  Artikelen 41 tot en met 46 en artikel 104 treden in werking op 1 december 2023.
  Artikelen 12, 1°, en 27 treden in werking op 1 januari 2024.
  Bijlagen V en VI bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van respectievelijk artikel 105 en 106 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op dossiers waarbij de melding of de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt ingediend vanaf 1 januari 2024.
  [1 ...]1, artikel 25, 1° en 3°, en artikel 112 treden in werking op 1 april 2024.
  [1 Artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1А en 2А, derde en zevende lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, artikel 7.9.2/1, Ї 1, eerste lid, 5А en tweede en derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 3А, vijfde lid, paragraaf 4/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op [2 1 januari 2025]2.]1
  [1 [3 Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en gewijzigd bij artikel 17, 2° van het besluit van 23 mei 2025, artikel 7.9.2/1, § 1, vierde tot en met zevende lid, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit]3 en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 4А, zesde lid, en paragraaf 4/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
  Artikel 12, 2° en 3°, treedt in werking op 1 juli 2024.
  Artikelen 28 tot en met 30 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
  Artikel 31 treedt in werking op een datum door de minister, bevoegd voor het Woonbeleid, te bepalen datum.
  [1 Artikel 21 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
 Â
Art. 119. Les articles 2, 110 et 113 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
  L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 7°, et alinĂ©as 9 et 10, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 5°, et alinĂ©a 7, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets le 1er janvier 2023.
  L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 8°, et alinĂ©a 8, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 6°, et paragraphe 4/2, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets le 1er mars 2023.
  L'article 13 et les articles 54 à 62 entrent en vigueur le 1er juillet 2023.
  L'article 6.4.1/4, alinĂ©a 1er, alinĂ©a 2, 3°, alinĂ©as 4 et 8, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 22 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produit ses effets le 1er juillet 2023.
  L'article 79, 2°, l'article 91, 2°, et les articles 97 et 99 entrent en vigueur le 1er octobre 2023.
  Les articles 41 à 46 et l'article 104 entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
  L'article 12, 1°, et l'article 27 entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
  Les annexes V et VI Ă l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, telles qu'en vigueur Ă partir de la date d'entrĂ©e en vigueur des articles 105 et 106, respectivement, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'appliquent pour la premiĂšre fois aux dossiers pour lesquels la dĂ©claration ou la demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques est introduite Ă partir du 1er janvier 2024.
  [1 ...]1 l'article 25, 1° et 3°, et l'article 112 entrent en vigueur le 1er avril 2024.
  [1 L'article 6.4.1/4, alinĂ©a 2, 1° et 2°, alinĂ©as 3 et 7, de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 22 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 5°, et alinĂ©as 2 et 3 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 3°, alinĂ©a 5, paragraphe 4/1 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets Ă une date Ă fixer par le ministre flamand qui a l'Ă©nergie dans ses attributions. ]1.
  [1 [3 L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et modifiĂ© par l'article 17, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du 23 mai 2025, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©as 4 Ă 7, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©]3, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 4°, alinĂ©a 6, et paragraphe 4/3 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets Ă une date Ă fixer par le ministre flamand qui a l'Ă©nergie dans ses attributions. ]1
  L'article 12, 2° et 3°, entre en vigueur le 1er juillet 2024.
  Les articles 28 à 30 entrent en vigueur [2 le 1er janvier 2025]2[1 ...]1.
  L'article 31 entre en vigueur à une date à déterminer par le ministre qui a la politique du Logement dans ses attributions.
  [1 L'article 21 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.]1
 Â
  L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 7°, et alinĂ©as 9 et 10, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 5°, et alinĂ©a 7, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets le 1er janvier 2023.
  L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 8°, et alinĂ©a 8, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 6°, et paragraphe 4/2, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets le 1er mars 2023.
  L'article 13 et les articles 54 à 62 entrent en vigueur le 1er juillet 2023.
  L'article 6.4.1/4, alinĂ©a 1er, alinĂ©a 2, 3°, alinĂ©as 4 et 8, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 22 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produit ses effets le 1er juillet 2023.
  L'article 79, 2°, l'article 91, 2°, et les articles 97 et 99 entrent en vigueur le 1er octobre 2023.
  Les articles 41 à 46 et l'article 104 entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
  L'article 12, 1°, et l'article 27 entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
  Les annexes V et VI Ă l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Energie du 19 novembre 2010, telles qu'en vigueur Ă partir de la date d'entrĂ©e en vigueur des articles 105 et 106, respectivement, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'appliquent pour la premiĂšre fois aux dossiers pour lesquels la dĂ©claration ou la demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques est introduite Ă partir du 1er janvier 2024.
  [1 ...]1 l'article 25, 1° et 3°, et l'article 112 entrent en vigueur le 1er avril 2024.
  [1 L'article 6.4.1/4, alinĂ©a 2, 1° et 2°, alinĂ©as 3 et 7, de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 22 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 5°, et alinĂ©as 2 et 3 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 3°, alinĂ©a 5, paragraphe 4/1 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets Ă une date Ă fixer par le ministre flamand qui a l'Ă©nergie dans ses attributions. ]1.
  [1 [3 L'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©a 1er, 6°, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et modifiĂ© par l'article 17, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du 23 mai 2025, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinĂ©as 4 Ă 7, de l'arrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie, tel qu'insĂ©rĂ© par l'article 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©]3, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinĂ©a 2, 4°, alinĂ©a 6, et paragraphe 4/3 de l'ArrĂȘtĂ© relatif Ă l'Ă©nergie du 19 novembre 2010, tels qu'insĂ©rĂ©s par l'article 67 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, produisent leurs effets Ă une date Ă fixer par le ministre flamand qui a l'Ă©nergie dans ses attributions. ]1
  L'article 12, 2° et 3°, entre en vigueur le 1er juillet 2024.
  Les articles 28 à 30 entrent en vigueur [2 le 1er janvier 2025]2[1 ...]1.
  L'article 31 entre en vigueur à une date à déterminer par le ministre qui a la politique du Logement dans ses attributions.
  [1 L'article 21 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.]1
 Â
Art. 120. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het klimaat, zijn ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 120. Le ministre flamand qui a l'Energie dans ses attributions, le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions et le ministre flamand qui a le Climat dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Â Â (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-08-2023, p. 70140)
Art. N1.. Â Â (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-08-2023, p. 70173)
Art. N2. Â Â (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-08-2023, p. 70143)
Art. N2.. Â Â (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-08-2023, p. 70176)