Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 MAART 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering over tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs in het kader van de herwaardering van het lerarenambt(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-08-2023 en tekstbijwerking tot 07-08-2025)
Titre
24 MARS 2023. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire dans le cadre de la revalorisation de la fonction d'enseignant(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 18-08-2023 et mise Ă  jour au 07-08-2025)
Documentinformatie
Numac: 2023043598
Datum: 2023-03-24
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023043598
Date: 2023-03-24
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 15 juli 2022 : het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 over de selectie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs in het kader van een herwaardering van het lerarenambt;
2° decreet van 9 december 2005 : het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs :
3° school :
a) een school van het basisonderwijs als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
b) een scholengemeenschapsinstelling van het basisonderwijs als vermeld in artikel 3, 52° bis/0, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
c) een school van het secundair onderwijs als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
d) een scholengemeenschapsinstelling van het secundair onderwijs als vermeld in artikel 3, 39° /1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
e) een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° arrĂȘtĂ© du 15 juillet 2022 : l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2022 relatif Ă  la sĂ©lection de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire dans le cadre de la revalorisation de la fonction d'enseignant ;
2° décret du 9 décembre 2005 : le décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement ;
3° école :
a) une école de l'enseignement fondamental telle que visée à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
b) un établissement de centre d'enseignement de l'enseignement fondamental tel que visé à l'article 3, 52° bis/0, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
c) une école de l'enseignement secondaire telle que visée à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
d) un établissement de centre d'enseignement de l'enseignement secondaire tel que visé à l'article 3, 39° /1, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
e) un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel tel que visé à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 4, § 1er. du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op :
1° de scholen en de schoolbesturen die door de Vlaamse Gemeenschap worden gefinancierd of gesubsidieerd;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, die aangesteld zijn in een school als vermeld in punt 1°.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique :
1° aux écoles et aux autorités scolaires qui sont financées ou subventionnées par la Communauté flamande ;
2° aux membres du personnel, visées à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, ou à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, qui sont désignés dans une école telle que visée au point 1°.
HOOFDSTUK 2. - Doelstellingen van de tijdelijke projecten
CHAPITRE 2. - Objectifs des projets temporaires
Art. 3. § 1. Conform artikel 3 van het besluit van 15 juli 2022 kunnen schoolbesturen van 1 september 2023 tot en met [1 31 augustus 2026]1 in scholen van het basisonderwijs en in scholen van het secundair onderwijs tijdelijke projecten organiseren die, met het oog op een al dan niet organieke implementatie, leiden tot het verzamelen van gegevens die toelaten om beleidsconclusies te trekken over de volgende elementen :
1° het lerarentekort terugdringen;
2° het beroep van leraar herwaarderen.
§ 2. De doelstellingen, vermeld in paragraaf 1, worden gerealiseerd binnen het domein van de schoolorganisatie en binnen het domein van het hr-beleid van de deelnemende school of scholen.
Om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te realiseren, bevat elk tijdelijke project inhoudelijke maatregelen die een antwoord kunnen bieden op minstens een van de volgende knelpunten:
1° het aantrekken van leraren, het terugdringen van de uitstroom van leraren en het terugdringen van het ziekteverzuim van leraren door een doeltreffend personeelsbeleid te voeren;
2° het aantrekkelijk maken van de lerarenloopbaan door de schoolorganisatie bij te sturen.
Om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te realiseren en voor de knelpunten, vermeld in het tweede lid, kan afgeweken worden van de regelgeving conform artikel 4 van het decreet van 9 december 2005.
Art. 3. § 1er. ConformĂ©ment Ă  l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du 15 juillet 2022, les autoritĂ©s scolaires des Ă©coles de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire peuvent organiser, du 1er septembre 2023 au [1 31 aoĂ»t 2026]1, des projets temporaires qui, en vue d'une mise en oeuvre organique ou non organique, conduiront Ă  la collecte de donnĂ©es permettant de tirer des conclusions de gestion sur les Ă©lĂ©ments suivants :
1° réduire la pénurie d'enseignants ;
2° revaloriser le métier d'enseignant.
§ 2. Les objectifs visés au paragraphe 1er sont réalisés dans le domaine de l'organisation scolaire et dans le domaine de la politique RH de l'école ou des écoles participantes.
En vue d'atteindre les objectifs visés au paragraphe 1er, chaque projet temporaire doit contenir des mesures substantielles susceptibles d'apporter une réponse à au moins un des problÚmes suivants :
1° attirer des enseignants, réduire les départs d'enseignants et réduire l'absentéisme pour cause de maladie des enseignants en menant des politiques de gestion du personnel efficaces ;
2° rendre la carriÚre d'enseignant attrayante en adaptant l'organisation scolaire.
Pour la réalisation des objectifs visés à l'alinéa 1er, et pour les problÚmes visés à l'alinéa 2, il est possible de déroger à la réglementation, conformément à l'article 4 du décret du 9 décembre 2005.
HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke projecten in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs
CHAPITRE 3. - Projets temporaires dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement secondaire
Afdeling 1. - De tijdelijke projecten
Section 1. - Les projets temporaires
Art. 4. Op basis van de rangschikking in het advies van de selectiecommissie, vermeld in artikel 6 van het besluit van 15 juli 2022, en conform de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het voormelde besluit, kunnen zeventwintig tijdelijke projecten georganiseerd worden, waarvan twaalf tijdelijke projecten in het basisonderwijs en vijftien tijdelijke projecten in het secundair onderwijs.
Art. 4. Sur la base du classement figurant dans l'avis de la commission de sĂ©lection, visĂ© Ă  l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© du 15 juillet 2022, et conformĂ©ment aux conditions visĂ©es Ă  l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, 27 projets temporaires peuvent ĂȘtre organisĂ©s, dont 12 projets temporaires dans l'enseignement fondamental et 15 projets temporaires dans l'enseignement secondaire.
Art. 5. In het basisonderwijs kunnen de volgende twaalf tijdelijke projecten georganiseerd worden :
1° Zorg voor minder (plan)last en verhoging van de onderwijskwaliteit;
2° Professionele leergemeenschap op school door flexibele schoolorganisatie;
3° Maximale kwaliteit en specialiteit voor buitengewone leerlingen;
4° Lestijden flexibel aanwenden in functie van de noden i.v.m. lerarentekort of noden op de klasvloer door lestijden in bepaalde gevallen of voor een bepaald percentage om te zetten naar punten;
5° De school van 38 uur per week voor iedereen;
6° De negatieve trend keren door fors te investeren in professionalisering, overleg en cocreatie;
7° Inzetten op herwaardering van het beroep om het welbevinden van de medewerkers te verhogen;
8° Leerkrachten aantrekken en behouden d.m.v. een doeltreffend personeelsbeleid en de loopbaan aantrekkelijker maken door bijsturingen in de schoolorganisatie;
9° Welkom instromer!;
10° Leerkrachten aantrekken en behouden d.m.v. een doeltreffend personeelsbeleid en de loopbaan aantrekkelijker maken door bijsturingen in de schoolorganisatie;
11° BOOST - Begeleide Onderwijs Opleiding voor STarters;
12° Grenzeloos denken, samen doen.
Een overzicht van de tijdelijke projecten, vermeld in het eerste lid, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit gevoegd.
Art. 5. Dans l'enseignement fondamental, les 12 projets temporaires suivants peuvent ĂȘtre organisĂ©s :
1° Réduire la charge de travail (en matiÚre de planification) et améliorer la qualité de l'enseignement ;
2° Communauté d'apprentissage professionnelle à l'école grùce à une organisation scolaire flexible ;
3° Qualité et spécialisation maximales pour les élÚves admis dans l'enseignement spécialisé ;
4° Utiliser les périodes de cours de maniÚre flexible en fonction des besoins liés à la pénurie d'enseignants ou aux besoins dans les classes en convertissant des périodes de cours en points dans certains cas ou pour un certain pourcentage ;
5° L'école des 38 heures par semaine pour tous ;
6° Inverser la tendance négative en investissant massivement dans la professionnalisation, la consultation et la co-création ;
7° S'engager Ă  réévaluer la profession pour amĂ©liorer le bien-ĂȘtre des collaborateurs ;
8° Attirer et retenir les enseignants grùce à une politique du personnel efficace et rendre la carriÚre plus attrayante en adaptant l'organisation scolaire ;
9° " Welkom instromer! " (Bienvenue aux nouveaux!)
10° Attirer et retenir les enseignants grùce à une politique du personnel efficace et rendre la carriÚre plus attrayante en adaptant l'organisation scolaire ;
11° BOOST - Begeleide Onderwijs Opleiding voor Starters (Formation d'enseignement accompagnée pour enseignants débutants) ;
12° " Grenzeloos denken, samen doen " (Réfléchir sans limites, agir tous ensemble).
Un aperçu des projets temporaires visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er figure Ă  l'annexe 1, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 6. In het secundair onderwijs kunnen de volgende vijftien tijdelijke projecten georganiseerd worden :
1° Scholen voor HBO5 Verpleegkunde slimmer organiseren via Blended Leren;
2° Introductie van de junior leerkracht;
3° Flexibele schoolopdracht op basis van de talenten van de leerkracht;
4° Kwaliteit en flexibiliteit voor buitengewone leerlingen;
5° Matching afstemming van vraag en aanbod van LIO-trajecten;
6° Meer flexibiliteit creëert een grotere dynamiek!;
7° SAMEN een aantrekkelijk en sterk hr-beleid voeren;
8° De school van 38 uur voor iedereen;
9° De loopbaan van leerkrachten aantrekkelijker maken door bijsturingen in de schoolorganisatie en (nieuwe) leerkrachten aantrekken en behouden d.m.v. een doeltreffend personeelsbeleid te voeren;
10° Fascinerende tuin zoekt leerkracht;
11° Extra pedagogische studiedagen;
12° Proeftuin Sint-Quintinus;
13° Efficiëntie en effectiviteit door flexibiliteit;
14° Grenzeloos denken, samen doen;
15° Om alles te geven moet je kunnen leren!.
Een overzicht van de tijdelijke projecten, vermeld in het eerste lid, is als bijlage 2 bij dit besluit gevoegd.
Art. 6. Dans l'enseignement secondaire, les 15 projets temporaires suivants peuvent ĂȘtre organisĂ©s :
1° Une organisation plus intelligente des écoles pour HBO5 Nursing, par le biais de l'apprentissage mixte ;
2° Introduction de l'enseignant junior ;
3° Charge scolaire flexible en fonction des talents de l'enseignant ;
4° Qualité et flexibilité pour les élÚves admis dans l'enseignement spécialisé ;
5° Mise en adéquation de l'offre et de la demande de parcours LIO ;
6° " Meer flexibiliteit creëert een grotere dynamiek! " (Une flexibilité accrue pour plus de dynamise !) ;
7° Mener ENSEMBLE une politique de RH attrayante et forte ;
8° L'école des 38 heures pour tous ;
9° Rendre la carriÚre des enseignants plus attrayante en adaptant l'organisation scolaire et attirer et retenir les (nouveaux) enseignants grùce à une politique du personnel efficace ;
10° " Fascinerende tuin zoekt leerkracht " (Expérimentation passionnante recherche enseignant) ;
11° Journées d'études pédagogiques supplémentaires ;
12° " Proeftuin Sint-Quintinus " (Champ d'expérimentation Sint-Quintinus) ;
13° Efficacité et efficience grùce à la flexibilité ;
14° " Grenzeloos denken, samen doen " (Réfléchir sans limites, agir tous ensemble) ;
15° " Om alles te geven moet je kunnen leren! " (Savoir apprendre pour tout donner !).
Un aperçu des projets temporaires visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er figure Ă  l'annexe 2, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Afdeling 2. - Afwijkingen van de regelgeving
Section 2. - Dérogations à la réglementation
Art. 7. § 1. Voor de tijdelijke projecten, vermeld in artikel 5, eerste lid, 1° tot en met 10° en 12°, en voor de tijdelijke projecten, vermeld in artikel 6, eerste lid, 2° tot en met 5°, 7° tot en met 11° en 14° en 15°, gelden van 1 september 2023 tot en met [1 31 augustus 2026]1 de volgende afwijkingen van de regelgeving conform artikel 4 van het decreet van 9 december 2005 :
1° afwijkingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 :
a) in afwijking van artikel 41 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school wekelijks één lestijd van de twee lestijden onderwijs in de erkende godsdiensten en in de zedenleer die op die godsdiensten berust, en in de niet-confessionele zedenleer een andere aanwending geven;
b) in afwijking van artikel 130, § 2, tweede en derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september van het lopende schooljaar meer dan 20% van de lestijden die aan de school zijn toegekend, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel;
c) in afwijking van artikel 130, § 2, tweede en derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september het deel van de niet-vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarvan de titularis voor het volledige schooljaar afwezig is door een of meer van de volgende verlofstelsels, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologische en orthopedagogisch personeel:
1) verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar als vermeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
2) gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3) verlof wegens bijzondere opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
4) verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
5) verlof voor vakbondsopdrachten als vermeld in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
6) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet als vermeld in artikel 2 tot en met 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
7) verlof voor erkende politieke groepen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
8) politiek verlof als vermeld in artikel V.30 tot en met V.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
9) verlof dat toegekend is aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld als vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
10) verlof voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
11) afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
d) in afwijking van artikel 138, § 1, eerste lid, 3°, 3° bis, 4°, 7°, 8° en 9°, artikel 139septiesdecies, § 4 en § 5, en artikel 139duodevicies, § 4 en § 5, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school de aanvullende lestijden, vermeld in de voormelde bepalingen, vrij aanwenden;
e) in afwijking van artikel 142 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school onbeperkt lestijden overdragen naar een andere school van hetzelfde schoolbestuur als die school deel uitmaakt van het tijdelijke project, en dit over scholengemeenschappen heen;
f) in afwijking van artikel 142 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school onbeperkt haar lestijden overdragen naar een volgend schooljaar;
g) in afwijking van artikel 125duodecies1, § 1, § 4 en § 6, artikel 153sexies, § 3, artikel 153septies en 194quater, § 4 en § 5, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school of een scholengemeenschap de punten, vermeld in de voormelde bepalingen, vrij aanwenden;
h) in afwijking van artikel 163 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 kan een school in het kader van de schoolopdracht de aanwezigheid van de personeelsleden op school ook vragen buiten de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen;
2° afwijkingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap :
a) in afwijking van artikel 90, § 1, 3°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap kan een centrum meer dan maximaal 20% van het pakket uren-leraar omzetten in een krediet voor voordrachtgevers;
b) in afwijking van artikel 90, § 2, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap kan een centrum bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september van het lopende schooljaar meer dan 20% van de uren-leraar die aan het centrum zijn toegekend, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel;
c) in afwijking van artikel 90, § 2, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap kan een centrum bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september het deel van de niet-vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarvan de titularis voor het volledige schooljaar afwezig is door een of meer van volgende verlofstelsels, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel:
1) verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar als vermeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
2) gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3) verlof wegens bijzondere opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
4) verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
5) verlof voor vakbondsopdrachten als vermeld in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
6) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet als vermeld in artikel 2 tot en met 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
7) verlof voor erkende politieke groepen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
8) politiek verlof als vermeld als vermeld in artikel V.30 tot en met V.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
9) verlof dat toegekend is aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld als vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
10) verlof voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
11) afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
3° afwijkingen van de Codex secundair onderwijs van 17 december 2010 :
a) in afwijking van artikel 3, 47°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school de duur van een lesuur voor de leerlingen op 40 minuten bepalen, zonder dat de duur van dat lesuur impact heeft op de prestatienoemer van het personeelslid dat aangesteld is in het vak of de specialiteit dat aan dat lesuur is gekoppeld, op voorwaarde dat het aantal wekelijkse lesuren op jaarbasis dat voor de leerlingen vastgelegd is, gerespecteerd wordt;
b) in afwijking van artikel 22/18 en 22/21 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school de uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding en de aanvullende uren-leraar of lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel vrij aanwenden;
c) in afwijking van artikel 211, § 3bis, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school omgerekend naar schooljaarbasis meer dan het maximum van vier uren-leraar van het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het structuuronderdeel in kwestie aan voordrachtgevers besteden of meer dan het maximum van zes uren-leraar in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet, het structuuronderdeel Defensie en veiligheid en het structuuronderdeel Integrale veiligheid;
d) in afwijking van artikel 211, § 4, eerste en tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september van het lopende schooljaar meer dan 20% van de uren-leraar die aan de school zijn toegekend, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel;
e) in afwijking van artikel 211, § 4, eerste en tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september het deel van de niet-vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarvan de titularis voor het volledige schooljaar afwezig is door een of meer van de volgende verlofstelsels, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel :
1) verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar als vermeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
2) gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3) verlof wegens bijzondere opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
4) verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
5) verlof voor vakbondsopdrachten als vermeld in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
6) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet als vermeld in artikel 2 tot en met 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
7) verlof voor erkende politieke groepen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
8) politiek verlof als vermeld als vermeld in artikel V.30 tot en met V.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
9) verlof dat toegekend is aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld als vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
10) verlof voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
11) afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
f) in afwijking van artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school meer dan 3% van het aantal wekelijkse uren-leraar aanwenden voor uren die geen lesuren zijn en organiseren als bijzondere pedagogische taken zonder dat daarvoor een akkoord nodig is van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
g) in afwijking van artikel 307 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school de uren klassenraad, klassendirectie en bijscholing en begeleiding vrij aanwenden;
h) in afwijking van artikel 308/3, eerste en tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september van het lopende schooljaar meer dan 20% van de lesuren die aan de school zijn toegekend, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologische en orthopedagogisch personeel;
i) in afwijking van artikel 308/3, eerste en tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 kan een school bij een vastgesteld lerarentekort vanaf 1 september het deel van de niet-vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarvan de titularis voor het volledige schooljaar afwezig is door een of meer van de volgende verlofstelsels, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel:
1) verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar als vermeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
2) gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3) verlof wegens bijzondere opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
4) verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 77quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 51quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
5) verlof voor vakbondsopdrachten als vermeld in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
6) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet als vermeld in artikel 2 tot en met 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
7) verlof voor erkende politieke groepen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
8) politiek verlof als vermeld in als vermeld in artikel V.30 tot en met V.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
9) verlof dat toegekend is aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld als vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
10) verlof voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
11) afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
4° in afwijking van artikel VI.4 en VI.7 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 kan een school de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie vrij aanwenden;
5° in afwijking van artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, kan een school de lessen voor de leerlingen van maandag tot en met vrijdag spreiden over minder dan vijf dagen van de week;
6° afwijkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage:
a) in afwijking van artikel 34, § 1, van het voormelde besluit hoeft het schoolbestuur voor de school die deelneemt aan het tijdelijke project, alleen de verplichtingen voor reaffectatie en wedertewerkstelling na te leven op het niveau van de school zelf als vermeld in artikel 34, § 1, A, 2°, a), artikel 34, § 1, B, 2°, a), of artikel 34, § 1, C, 2°, a), van het voormelde besluit;
b) in afwijking van artikel 34, § 1, A, 6°, of van artikel 34, § 1, C, 6°, van het voormelde besluit kan een school bij een aanstelling in een vacante of niet-vacante betrekking afwijken van de opgelegde volgorde en in de betrekking een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen;
c) in afwijking van artikel 36, § 2, van het voormelde besluit hoeft het schoolbestuur voor de school die deelneemt aan het tijdelijke project, alleen de verplichtingen voor reaffectatie en wedertewerkstelling na te leven op het niveau van de school zelf als vermeld in artikel 36, § 2, A, 1°, a), artikel 36, § 2, B, 1°, a), of artikel 36, § 2, C, 1°, a), van het voormelde besluit;
7° afwijkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs :
a) in afwijking van artikel 20bis, 20quinquies en 22ter van het voormelde besluit kan een school de aanvullende lestijden, vermeld in de voormelde artikelen, vrij aanwenden;
b) in afwijking van artikel 27quaterdecies van het voormelde besluit kan een school de puntenenveloppe voor administratieve en beleidsondersteuning vrij aanwenden;
8° afwijkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs en betreffende coördinatieopdrachten door ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs :
a) in afwijking van artikel 2, 8 en 12 van het voormelde besluit kan een school wekelijks één lestijd van de twee lestijden onderwijs in de erkende godsdiensten en in de zedenleer die op die godsdiensten berust, en in de niet-confessionele zedenleer een andere aanwending geven;
b) in afwijking van artikel 13bis, 13sexies en 14 van het voormelde besluit kan een school de aanvullende lestijden, vermeld in de voormelde artikelen, vrij aanwenden;
c) in afwijking van artikel 25quinquies van het voormelde besluit kan een school de puntenenveloppe voor administratieve en beleidsondersteuning vrij aanwenden;
9° in afwijking van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs kan een school in het kader van de schoolopdracht de aanwezigheid van de personeelsleden op school ook vragen buiten de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen;
10° afwijking van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs:
a) in afwijking van artikel 3, § 1, van het voormelde besluit kan een school de lessen voor de leerlingen van maandag tot en met vrijdag spreiden over minder dan negen halve lesdagen;
b) in afwijking van artikel 6, 2°, maar met behoud van artikel 8, tweede lid, 1°, van het voormelde besluit kan een school de lessen voor meer dan een dag per schooljaar schorsen om een pedagogische studiedag te houden.
De specifieke afwijkingen van de regelgeving, vermeld in het eerste lid, die een schoolbestuur voor zijn school of scholen binnen het tijdelijke project kan gebruiken, worden voor elk tijdelijk project in het basisonderwijs opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, en voor elk tijdelijk project in het secundair onderwijs in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 2. De betrekkingen die een school opricht met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 1°, a) tot en met g), 2°, b) en c), en 3°, b), d), e), g), h) en i), komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.
Art. 7. § 1er. Pour les projets temporaires visés à l'article 5, alinéa 1er, 1° à 10° et 12°, et pour les projets temporaires visés à l'article 6, alinéa 1er, 2° à 5°, 7° à 11° et 14° et 15°, les dérogations suivantes à la réglementation conformément à l'article 4 du décret du 9 décembre 2005 s'appliquent du 1er septembre 2023 au [1 31 août 2026]1 :
1° dérogations au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental :
a) par dérogation à l'article 41 du décret du 25 février 1997 sur l'enseignement fondamental, l'école peut affecter chaque semaine une des deux périodes de cours d'enseignement des religions reconnues et de la morale reposant sur ces religions, et d'enseignement de la morale non confessionnelle, à d'autres fins ;
b) par dérogation à l'article 130, § 2, alinéas 2 et 3, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, l'école peut, en cas de pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre de l'année scolaire en cours convertir plus de 20% des périodes de cours attribuées à l'école en points à affecter dans des fonctions du personnel de gestion et d'appui ou en heures à affecter dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique ;
c) par dérogation à l'article 130, § 2, alinéas 2 et 3, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, l'école peut, en cas de pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre, convertir la partie de l'emploi non vacant dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dont le titulaire est absent pendant toute l'année scolaire en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants, en points à affecter dans des fonctions du personnel de gestion et d'appui ou en heures à affecter dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique :
1) congĂ© pour prestations rĂ©duites Ă  partir de l'Ăąge de 55 ans, tel que visĂ© Ă  l'article 5, § 1er, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
2) interruption de carriĂšre partielle Ă  partir de l'Ăąge de 50 ou de 55 ans, telle que visĂ©e Ă  l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă  l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
3) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
4) congé pour mission, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
5) congĂ© pour activitĂ© syndicale, tel que visĂ© Ă  l'article 29 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
6) congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel, tel que visĂ© aux articles 2 Ă  5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
7) congĂ© pour groupes politiques reconnus, tel que visĂ© Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
8) congé politique, tel que visé aux articles V.30 à V.35 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 ;
9) congĂ© accordĂ© aux membres du personnel mis Ă  disposition du Roi, tel que visĂ© Ă  l'article 39 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
10) congĂ© pour prestations rĂ©duites, tel que visĂ© au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
11) absence pour prestations rĂ©duites, telle que visĂ©e au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
d) par dérogation à l'article 138, § 1er, alinéa 1er, 3°, 3° bis, 4°, 7°, 8° et 9°, à l'article 139septiesdecies, § 4 et § 5, et à l'article 139duodevicies, § 4 et § 5, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, l'école est libre à affecter les périodes de cours complémentaires, visées aux dispositions précitées ;
e) par dĂ©rogation Ă  l'article 142 du dĂ©cret du 25 fĂ©vrier 1997 relatif Ă  l'enseignement fondamental, l'Ă©cole peut transfĂ©rer sans restriction et Ă  travers des centres d'enseignement, des pĂ©riodes de cours Ă  une autre Ă©cole de la mĂȘme autoritĂ© scolaire si celle-ci fait partie du projet temporaire ;
f) par dérogation à l'article 142 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, l'école peut reporter sans restriction ses périodes de cours à une année scolaire suivante ;
g) par dérogation à l'article 125duodecies1, § 1er, § 4 et § 6, à l'article 153sexies, § 3, à l'article 153septies et 194quater, § 4 et § 5, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, l'école ou le centre d'enseignement est libre à affecter les points visés aux dispositions précitées ;
h) par dérogation à l'article 163 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, dans le cadre de la charge scolaire, l'école peut également demander la présence des membres du personnel à l'école en dehors de la période de présence normale des élÚves ;
2° dérogations au décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande :
a) par dérogation à l'article 90, § 1er, 3°, du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, le centre peut convertir plus de maximum 20 % du capital périodes-professeur en un crédit pour conférenciers ;
b) par dérogation à l'article 90, § 2, du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, le centre peut, en cas d'une pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre de l'année scolaire en cours convertir plus de 20 % des périodes-professeur attribuées au centre en points à affecter dans des fonctions du personnel d'appui ;
c) par dérogation à l'article 90, § 2, du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, le centre peut, en cas d'une pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre convertir la partie de l'emploi non vacant dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dont le titulaire est absent pendant toute l'année scolaire en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants, en points à affecter dans des fonctions du personnel d'appui:
1) congĂ© pour prestations rĂ©duites Ă  partir de l'Ăąge de 55 ans, tel que visĂ© Ă  l'article 5, § 1er, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
2) interruption de carriĂšre partielle Ă  partir de l'Ăąge de 50 ou de 55 ans, telle que visĂ©e Ă  l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă  l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
3) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
4) congé pour mission, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
5) congĂ© pour activitĂ© syndicale, tel que visĂ© Ă  l'article 29 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
6) congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel, tel que visĂ© aux articles 2 Ă  5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
7) congĂ© pour groupes politiques reconnus, tel que visĂ© Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
8) congé politique, tel que visé que visé aux articles V.30 à V.35 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 ;
9) congĂ© accordĂ© aux membres du personnel mis Ă  disposition du Roi, tel que visĂ© Ă  l'article 39 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
10) congĂ© pour prestations rĂ©duites, tel que visĂ© au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
11) absence pour prestations rĂ©duites, telle que visĂ©e au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
3° dérogations au Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 :
a) par dérogation à l'article 3, 47°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut fixer la durée d'une heure de cours pour les élÚves à 40 minutes, sans que la durée de cette heure de cours ait un impact sur le dénominateur de prestation du membre du personnel désigné dans la branche ou la spécialité liée à cette heure de cours, à condition que le nombre d'heures de cours hebdomadaire sur une base annuelle fixé pour les élÚves soit respecté ;
b) par dérogation aux articles 22/18 et 22/21 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école est libre à affecter les périodes-professeur ou les heures de cours d'encadrement initial et les périodes-professeur ou heures de cours complémentaires pour le soutien de la tùche principale du personnel d'appui ;
c) par dérogation à l'article 211, § 3bis, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut affecter, sur la base d'une année scolaire, plus que le maximum de quatre périodes-professeur du nombre d'heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la subdivision structurelle concernée, à des conférenciers, ou plus que le maximum de six périodes-professeur dans les subdivisions structurelles de la discipline Ballet, la subdivision structurelle Défense et sécurité et la subdivision structurelle Sécurité intégrale ;
d) par dérogation à l'article 211, § 4, alinéas 1er et 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut, en cas d'une pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre de l'année scolaire en cours convertir plus de 20 % des périodes-professeur attribuées à l'école en points à affecter dans des professions du personnel d'appui;
e) par dérogation à l'article 211, § 4, alinéas 1er et 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut, en cas d'une pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre convertir la partie de l'emploi non vacant dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dont le titulaire est absent pendant toute l'année scolaire en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants, en points à affecter dans des fonctions du personnel d'appui :
1) congĂ© pour prestations rĂ©duites Ă  partir de l'Ăąge de 55 ans, tel que visĂ© Ă  l'article 5, § 1er, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
2) interruption de carriĂšre partielle Ă  partir de l'Ăąge de 50 ou de 55 ans, telle que visĂ©e Ă  l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă  l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
3) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
4) congé pour mission, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
5) congĂ© pour activitĂ© syndicale, tel que visĂ© Ă  l'article 29 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
6) congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel, tel que visĂ© aux articles 2 Ă  5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
7) congĂ© pour groupes politiques reconnus, tel que visĂ© Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
8) congé politique, tel que visé que visé aux articles V.30 à V.35 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 ;
9) congĂ© accordĂ© aux membres du personnel mis Ă  disposition du Roi, tel que visĂ© Ă  l'article 39 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
10) congĂ© pour prestations rĂ©duites, tel que visĂ© au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
11) absence pour prestations rĂ©duites, telle que visĂ©e au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
f) par dérogation à l'article 212 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut affecter plus de 3 % du nombre de périodes-professeur hebdomadaires à des heures qui ne sont pas des heures de cours et les organiser comme tùches pédagogiques particuliÚres sans requérir l'accord du comité local compétent en matiÚre de conditions de travail et de personnel ;
g) par dérogation à l'article 307 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école est libre à affecter les heures de conseil de classe, de direction de classe, de recyclage et d'accompagnement ;
h) par dérogation à l'article 308/3, alinéas 1er et 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut, en cas de pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre de l'année scolaire en cours convertir plus de 20% des heures de cours attribuées à l'école en points à affecter dans des fonctions du personnel d'appui ou en heures à affecter dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique ;
i) par dérogation à l'article 308/3, alinéas 1er et 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, l'école peut, en cas de pénurie avérée d'enseignants, à partir du 1er septembre, convertir la partie de l'emploi non vacant dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dont le titulaire est absent pendant toute l'année scolaire en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants, en points à affecter dans des fonctions du personnel d'appui ou en heures à affecter dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique :
1) congĂ© pour prestations rĂ©duites Ă  partir de l'Ăąge de 55 ans, tel que visĂ© Ă  l'article 5, § 1er, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
2) interruption de carriĂšre partielle Ă  partir de l'Ăąge de 50 ou de 55 ans, telle que visĂ©e Ă  l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă  l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
3) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
4) congé pour mission, tel que visé à l'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
5) congĂ© pour activitĂ© syndicale, tel que visĂ© Ă  l'article 29 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
6) congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel, tel que visĂ© aux articles 2 Ă  5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
7) congĂ© pour groupes politiques reconnus, tel que visĂ© Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
8) congé politique, tel que visé que visé aux articles V.30 à V.35 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 ;
9) congĂ© accordĂ© aux membres du personnel mis Ă  disposition du Roi, tel que visĂ© Ă  l'article 39 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements ;
10) congĂ© pour prestations rĂ©duites, tel que visĂ© au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
11) absence pour prestations rĂ©duites, telle que visĂ©e au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites ;
4° par dérogation aux articles VI.4 et VI.7 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, l'école est libre à affecter l'enveloppe de points pour la coordination TIC ;
5° par dĂ©rogation Ă  l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'annĂ©e scolaire dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement Ă  temps partiel organisĂ©, agréé ou subventionnĂ© par la CommunautĂ© flamande, l'Ă©cole peut Ă©taler les cours pour les Ă©lĂšves du lundi au vendredi sur moins de cinq jours de la semaine ;
6° dĂ©rogations Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă  la rĂ©partition de fonctions, Ă  la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă  la rĂ©affectation, Ă  la remise au travail et Ă  l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente :
a) par dĂ©rogation Ă  l'article 34, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, pour l'Ă©cole participant au projet temporaire, l'autoritĂ© scolaire ne doit respecter les obligations en matiĂšre de rĂ©affectation et de remise au travail qu'au niveau de l'Ă©cole elle-mĂȘme, tel que visĂ© Ă  l'article 34, § 1er, A, 2°, a), Ă  l'article 34, § 1er, B, 2°, a), ou Ă  l'article 34, § 1er, C, 2°, a), de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
b) par dĂ©rogation Ă  l'article 34, § 1er, A, 6°, ou Ă  l'article 34, § 1er, C, 6°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, en cas d'une dĂ©signation dans un emploi vacant ou non vacant, l'Ă©cole peut dĂ©roger Ă  l'ordre imposĂ© et dĂ©signer un membre du personnel temporaire Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e dans l'emploi ;
c) par dĂ©rogation Ă  l'article 36, § 2, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, pour l'Ă©cole participant au projet temporaire, l'autoritĂ© scolaire ne doit respecter les obligations en matiĂšre de rĂ©affectation et de remise au travail qu'au niveau de l'Ă©cole elle-mĂȘme, tel que visĂ© Ă  l'article 36, § 2, A, 1°, a), Ă  l'article 36, § 2, B, 1°, a), ou Ă  l'article 36, § 2, C, 1°, a), de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
7° dĂ©rogations Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif au cadre organique dans l'enseignement fondamental ordinaire :
a) par dĂ©rogation aux articles 20bis, 20quinquies et 22ter de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole est libre Ă  affecter les pĂ©riodes de cours complĂ©mentaires visĂ©es aux articles prĂ©citĂ©s ;
b) par dĂ©rogation Ă  l'article 27quaterdecies de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole est libre Ă  affecter l'enveloppe de points pour le soutien administratif et politique ;
8° dĂ©rogations Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif au cadre organique dans l'enseignement fondamental spĂ©cial et relatif aux charges de coordination pour les rĂ©seaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire:
a) par dĂ©rogation aux articles 2, 8 et 12 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole peut affecter chaque semaine une des deux pĂ©riodes de cours d'enseignement des religions reconnues et de la morale reposant sur ces religions, et d'enseignement de la morale non confessionnelle, Ă  d'autres fins ;
b) par dĂ©rogation aux articles 13bis, 13sexies et 14 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole est libre Ă  affecter les pĂ©riodes de cours complĂ©mentaires visĂ©es aux articles prĂ©citĂ©s ;
c) par dĂ©rogation Ă  l'article 25quinquies de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole est libre Ă  affecter l'enveloppe de points pour le soutien administratif et politique ;
9° par dĂ©rogation Ă  l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif Ă  la charge du personnel dans l'enseignement fondamental, dans le cadre de la charge scolaire, l'Ă©cole peut Ă©galement demander la prĂ©sence des membres du personnel Ă  l'Ă©cole en dehors de la pĂ©riode de prĂ©sence normale des Ă©lĂšves ;
10° dĂ©rogation Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 aoĂ»t 2001 organisant l'annĂ©e scolaire dans l'enseignement secondaire :
a) par dĂ©rogation Ă  l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole peut Ă©taler les cours pour les Ă©lĂšves du lundi au vendredi sur moins de neuf demi-jours de classe ;
b) par dĂ©rogation Ă  l'article 6, 2°, mais sous rĂ©serve de l'article 8, alinĂ©a 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'Ă©cole peut suspendre les cours pendant plus d'un jour par annĂ©e scolaire en vue d'organiser une journĂ©e d'Ă©tude pĂ©dagogique.
Les dĂ©rogations spĂ©cifiques Ă  la rĂ©glementation, visĂ©es Ă  l'alinĂ©a 1er, que l'autoritĂ© scolaire peut utiliser pour son ou ses Ă©coles dans le cadre du projet temporaire, sont reprises pour chaque projet temporaire dans l'enseignement fondamental en l'annexe 1, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et pour chaque projet temporaire dans l'enseignement secondaire en l'annexe 2, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Les emplois créés par l'école en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, a) à g), 2°, b) et c), et 3°, b), d), e), g), h) et i), ne sont pas éligibles à une déclaration de vacance, et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans ces emplois.
Art. 8. Als het expertenpanel, vermeld in artikel 10, § 1, bij een tijdelijk project vaststelt dat een of meer doelstellingen, vermeld in artikel 3, niet nageleefd worden of dat de toegepaste afwijking van de regelgeving niet conform artikel 7 is, formuleert het expertenpanel een voorstel aan de Vlaamse Regering om het tijdelijke project in kwestie binnen een redelijke termijn die het expertenpanel vastlegt, bij te sturen of om de afwijking in kwestie te beëindigen. Om de voormelde redelijke termijn te bepalen, houdt het expertenpanel alvast rekening met de belangen van leerlingen en personeelsleden van de school of scholen in kwestie.
Als het tijdelijke project ingevolge de beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in het eerste lid, niet wordt bijgestuurd of als de toepassing van de afwijking, vermeld in het eerste lid, niet wordt beëindigd binnen een redelijke termijn, beslist de Vlaamse Regering tot stopzetting van het tijdelijke project en houden de afwijkingen van de regelgeving, vermeld in artikel 7, op te bestaan.
Art. 8. Si le panel d'experts visĂ© Ă  l'article 10, § 1er, constate lors d'un projet temporaire qu'un ou plusieurs objectifs visĂ©s Ă  l'article 3 ne sont pas respectĂ©s ou que la dĂ©rogation appliquĂ©e n'est pas conforme Ă  l'article 7, il formule une proposition au Gouvernement flamand d'ajuster le projet temporaire concernĂ© dans un dĂ©lai raisonnable Ă  fixer par le panel d'experts, ou de terminer la dĂ©rogation concernĂ©e. Pour fixer le dĂ©lai raisonnable prĂ©citĂ©, le panel d'experts tient en tout cas compte des intĂ©rĂȘts des Ă©lĂšves et des membres du personnel de l'Ă©cole ou des Ă©coles en question.
Si, suite Ă  la dĂ©cision du Gouvernement flamand visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er, le projet temporaire n'est pas ajustĂ© ou si l'application de la dĂ©rogation visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er n'est pas terminĂ©e dans un dĂ©lai raisonnable, le Gouvernement flamand dĂ©cide d'arrĂȘter le projet temporaire et les dĂ©rogations Ă  la rĂ©glementation, visĂ©es Ă  l'article 7, cessent d'exister.
HOOFDSTUK 4. - Opvolging, begeleiding en evaluatie
CHAPITRE 4. - Suivi, encadrement et évaluation
Art. 9. Elk tijdelijk project, vermeld in artikel 5 en 6, zorgt voor een interne evaluatie van de maatregelen die genomen worden om het tijdelijke project uit te voeren. Die evaluatie steunt op een duidelijk nul moment of een duidelijke startsituatie.
Art. 9. Chaque projet temporaire, visé aux articles 5 et 6, effectue une évaluation interne des mesures prises en vue de l'exécution du projet temporaire. Cette évaluation repose sur un moment zéro ou une situation de départ claire.
Art. 10. § 1. Er wordt een expertenpanel opgericht dat belast is met de opvolging en de evaluatie van de tijdelijke projecten.
Het expertenpanel is samengesteld uit al de volgende leden:
1° een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, die het voorzitterschap op zich neemt;
2° een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor binnenlands bestuur en het stedenbeleid, de gelijke kansen, de integratie en de inburgering, de human resources en de audit van de Vlaamse overheid;
3° een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de gezondheids- en woonzorg, opgroeien, de personen met een beperking, de sociale bescherming, de zorginfrastructuur en de zeevisserij;
4° een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, de fiscaliteit, de financiële operaties, de boekhouding, het woonbeleid en het onroerend erfgoed;
5° twee afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 22, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
6° twee afgevaardigden van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
7° een afgevaardigde van de Onderwijsinspectie;
8° een afgevaardigde van het Gemeenschapsonderwijs;
9° een afgevaardigde van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;
10° een afgevaardigde van het Onderwijssecretariaat van Vlaamse Steden en Gemeenten;
11° een afgevaardigde van Katholiek Onderwijs Vlaanderen;
12° een afgevaardigde van het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers;
13° een afgevaardigde van de Algemene Centrale der Openbare Diensten;
14° twee afgevaardigden van de Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten;
15° een afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt;
16° maximaal drie wetenschappelijke experten, die aangewezen worden door de voorzitter van het expertenpanel.
§ 2. Zodra het expertenpanel, vermeld in paragraaf 1, is samengesteld, volgt het de tijdelijke projecten op, vermeld in artikel 5 en 6, zonder enige vorm van sturing of inmenging.
De schoolbesturen en scholen die deelnemen aan de tijdelijke projecten, vermeld in artikel 5 en 6, verlenen hun medewerking aan de werkzaamheden, al dan niet ter plaatse, van het expertenpanel.
De opvolging door het expertenpanel mondt uit in een eindevaluatie van de tijdelijke projecten, vermeld in artikel 5 en 6, in [1 het schooljaar 2025-2026]1. De voormelde eindevaluatie resulteert in een rapport met beleidsbeslissingen over de wenselijkheid, de haalbaarheid en de budgettaire inpasbaarheid van wijzigingen in de geldende wetgeving en de regelgeving in het kader van de knelpunten, vermeld in artikel 3, § 2, tweede lid. Dat rapport wordt aan de Vlaamse Regering bezorgd.
Art. 10. § 1er. Un panel d'experts sera mis en place pour suivre et évaluer les projets temporaires.
Le panel d'experts est composé de tous les membres suivants :
1° un représentant du ministre flamand chargé de l'enseignement et de la formation, qui assume la présidence ;
2° un représentant du ministre flamand chargé de l'administration intérieure et de la politique des villes, de l'égalité des chances, de l'intégration et de l'insertion civique, des ressources humaines et de l'audit de l'Autorité flamande ;
3° un reprĂ©sentant du ministre flamand chargĂ© du bien-ĂȘtre, des soins de santĂ© et des soins rĂ©sidentiels, du grandir, des personnes handicapĂ©es, de la protection sociale, de l'infrastructure de soins et de la pĂȘche en mer ;
4° un représentant du ministre flamand chargé de la politique budgétaire, de la fiscalité, des opérations financiÚres, de la comptabilité, de la politique du logement et du patrimoine immobilier ;
5° deux reprĂ©sentants du DĂ©partement de l'Enseignement et de la Formation, visĂ© Ă  l'article 22, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă  l'organisation de l'Administration flamande ;
6° deux représentants de l'Agence de Services d'Enseignement ;
7° un représentant de l'Inspection de l'enseignement ;
8° un représentant de l'Enseignement communautaire ;
9° un représentant de l'Enseignement provincial flamand ;
10° un représentant du Secrétariat de l'enseignement des Villes et Communes flamandes ;
11° un représentant de l'enseignement catholique flamand ;
12° un représentant de la concertation petits dispensateurs d'enseignement ;
13° un représentant de la Centrale Générale des Services Publics ;
14° deux représentants de la Fédération des syndicats chrétiens des services publics ;
15° un représentant du Syndicat Libre de la Fonction Publique ;
16° au maximum trois experts scientifiques désignés par le président du panel d'experts.
§ 2. DÚs que le panel d'experts, visé au paragraphe 1er, est composé, il assure le suivi des projets temporaires visés aux articles 5 et 6, sans la moindre forme de direction ou d'intervention.
Les autorités scolaires et les écoles participant aux projets temporaires, visés aux articles 5 et 6, apportent leur concours aux travaux, sur place ou non, du panel d'experts.
Le suivi par le panel d'experts débouche sur une évaluation finale des projets temporaires visés aux articles 5 et 6 dans [1 l'année scolaire 2025-2026]1. L'évaluation finale précitée aboutit à un rapport contenant des décisions politiques sur l'opportunité, la faisabilité et la conformité budgétaire de modifications dans la législation et la réglementation en vigueur dans le cadre des problÚmes visés à l'article 3, § 2, alinéa 2. Ce rapport est transmis au Gouvernement flamand.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 11. Artikel 1 tot en met 6 en artikel 9 tot en met 10 van dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 september 2022 en treden buiten werking op [1 1 september 2026]1.
Artikel 7 en 8 treden in werking op de dag van de bekrachtiging van dit besluit door de Vlaamse Regering volgend op de stemming ervan in het Vlaams parlement en treedt buiten werking op [1 1 september 2026]1.
Art. 11. Les articles 1 Ă  6 et les articles 9 Ă  10 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© produisent leurs effets le 1er septembre 2022 et cessent d'ĂȘtre en vigueur le [1 1er septembre 2026]1.
Les articles 7 et 8 entrent en vigueur le jour de la ratification du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par le Gouvernement flamand suivant son vote au Parlement flamand et cesse d'ĂȘtre en vigueur le [1 1er septembre 2026]1.
Art. 12. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 12. Le ministre flamand qui a l'enseignement et la formation dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-08-2023, p. 67948)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 18-08-2023, p. 67948)