Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
31 MEI 2023. - Wet van 31 mei 2023 tot invoering van een tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties en tot wijziging van de programmawet van 26 december 2022 (Opschrift vervangen door W2025-07-18/06, art. 244, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2025)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-08-2023 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
31 MAI 2023. - Loi instaurant un cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence et modifiant la loi-programme du 26 décembre 2022(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-08-2023 et mise à jour au 29-07-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Het toepassingsgebied
HOOFDSTUK 3. - De voorwaarden
HOOFDSTUK 4. - Uitvoeringsmodaliteiten
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Afdeling 2. - De beslissing
Afdeling 3. - Wijzigingen
Afdeling 4. - Cumul met een vervangingsinkomen ...
Afdeling 5. - Terugvordering
Afdeling 6. - Verjaring
Afdeling 7. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling en inwerkingtr...
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
CHAPITRE 2. - Le champ d'application
CHAPITRE 3. - Les conditions
CHAPITRE 4. - Modalités d'exécution
Section 1re. - La procédure de demande
Section 2. - La décision
Section 3. - Modifications
Section 4. - Cumul avec un revenu de remplaceme...
Section 5. - Récupération
Section 6. - Prescription
Section 7. - Disposition générale
CHAPITRE 5. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire et entrée...
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
1° het koninklijk besluit nr. 38: het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° de programmawet: de programmawet van 26 december 2022;
3° de zelfstandige: de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
4° de helper: de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
5° de meewerkende echtgenoot: de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
6° de aanvrager: de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het in deze wet bedoelde financiële uitkering;
7° de begunstigde: de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die de in deze wet bedoelde financiële uitkering geniet;
8° het sociaal verzekeringsfonds: de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
9° het Rijksinstituut: het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 38.
1° het koninklijk besluit nr. 38: het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° de programmawet: de programmawet van 26 december 2022;
3° de zelfstandige: de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
4° de helper: de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
5° de meewerkende echtgenoot: de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
6° de aanvrager: de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het in deze wet bedoelde financiële uitkering;
7° de begunstigde: de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die de in deze wet bedoelde financiële uitkering geniet;
8° het sociaal verzekeringsfonds: de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
9° het Rijksinstituut: het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 38.
Art. 2. Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par:
1° l'arrêté royal n° 38: l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° la loi-programme: la loi-programme du 26 décembre 2022;
3° le travailleur indépendant: le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
4° l'aidant: l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
5° le conjoint aidant: le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
6° le demandeur: le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir la prestation financière visée dans la présente loi;
7° le bénéficiaire: le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie la prestation financière visée dans la présente loi;
8° la caisse d'assurances sociales: la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
9° l'Institut national: l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visé à l'article 21 de l'arrêté royal n° 38.
1° l'arrêté royal n° 38: l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° la loi-programme: la loi-programme du 26 décembre 2022;
3° le travailleur indépendant: le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
4° l'aidant: l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
5° le conjoint aidant: le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
6° le demandeur: le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir la prestation financière visée dans la présente loi;
7° le bénéficiaire: le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie la prestation financière visée dans la présente loi;
8° la caisse d'assurances sociales: la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
9° l'Institut national: l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visé à l'article 21 de l'arrêté royal n° 38.
HOOFDSTUK 2. - Het toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Le champ d'application
Art. 3. § 1. Zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die als gevolg van een maatschappelijke en/of socio-economische noodsituatie geconfronteerd worden met economische moeilijkheden zonder dat zij zich genoodzaakt zien om hun zelfstandige activiteit te onderbreken of stop te zetten, komen tijdelijk in aanmerking voor de financiële uitkering bedoeld in artikel 196, § 1, van de programmawet. Dit wordt het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties genoemd.
Voor de toepassing van dit artikel is er sprake van een maatschappelijke en/of socio-economische noodsituatie in de zin van het vorige lid wanneer minstens één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet:
- gebeurtenissen die een zware economische impact hebben die niet beperkt blijft tot één sector en de nationale context overstijgt;
- gebeurtenissen die het maatschappelijk leven op nationaal, regionaal of lokaal niveau in meerdere facetten raken.
§ 2. De Koning kondigt de in de eerste paragraaf bedoelde noodsituatie af voor een bepaalde duur die strikt noodzakelijk is en in geen geval langer mag zijn dan drie maanden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Tijdens deze bedoelde periode is het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties van kracht.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het vorige lid, kan de Koning de instandhouding van de noodsituatie afkondigen, telkens voor een nieuwe periode van maximaal drie maanden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 3. Het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 2 bepaalt:
1. de redenen waarom de bedoelde gebeurtenis beantwoordt aan de beschrijving bedoeld in paragraaf 1;
2. de specifieke doelgroep van zelfstandigen waarop het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties van toepassing is, door middel van territoriale en/of sectoriële afbakening;
3. in welke van de in artikel 5 van deze wet voorziene situaties de financiële uitkering kan worden toegekend;
4. de wijze waarop de aanvrager aantoont zich te bevinden in de overeenkomstig punt 3 bepaalde situatie;
5. de geldingsduur van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties.
Voor de toepassing van dit artikel is er sprake van een maatschappelijke en/of socio-economische noodsituatie in de zin van het vorige lid wanneer minstens één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet:
- gebeurtenissen die een zware economische impact hebben die niet beperkt blijft tot één sector en de nationale context overstijgt;
- gebeurtenissen die het maatschappelijk leven op nationaal, regionaal of lokaal niveau in meerdere facetten raken.
§ 2. De Koning kondigt de in de eerste paragraaf bedoelde noodsituatie af voor een bepaalde duur die strikt noodzakelijk is en in geen geval langer mag zijn dan drie maanden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Tijdens deze bedoelde periode is het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties van kracht.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het vorige lid, kan de Koning de instandhouding van de noodsituatie afkondigen, telkens voor een nieuwe periode van maximaal drie maanden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 3. Het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 2 bepaalt:
1. de redenen waarom de bedoelde gebeurtenis beantwoordt aan de beschrijving bedoeld in paragraaf 1;
2. de specifieke doelgroep van zelfstandigen waarop het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties van toepassing is, door middel van territoriale en/of sectoriële afbakening;
3. in welke van de in artikel 5 van deze wet voorziene situaties de financiële uitkering kan worden toegekend;
4. de wijze waarop de aanvrager aantoont zich te bevinden in de overeenkomstig punt 3 bepaalde situatie;
5. de geldingsduur van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties.
Art. 3. § 1er. Les travailleurs indépendants, les aidants et les conjoints aidants qui sont confrontés à des difficultés économiques en raison d'une situation d'urgence sociale et/ou socio-économique sans être contraints d'interrompre ou de cesser leur activité indépendante, peuvent prétendre temporairement à la prestation financière visée à l'article 196, § 1er, de la loi-programme. Il s'agit du cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence.
Dans le cadre du présent article, il est question d'une situation d'urgence sociale et/ou socio-économique telle que visée à l'alinéa précédent lorsqu'au moins un des évènements suivants se produit:
- des évènements qui ont un lourd impact économique qui ne se limite pas à un secteur et qui dépasse le contexte national;
- des évènements qui affectent le tissu social national, régional ou local dans plusieurs de ses facettes.
§ 2. Le Roi déclare la situation d'urgence visée au paragraphe 1er pour une durée déterminée qui est strictement nécessaire et qui ne peut en aucun cas dépasser trois mois par un arrêté délibéré en Conseil des ministres. Pendant cette période, le cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence s'applique.
A l'issue de la période visée à l'alinéa 1er, le Roi peut déclarer le maintien de la situation d'urgence chaque fois pour une nouvelle période de trois mois au maximum par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
§ 3. L'arrêté royal visé au paragraphe 2 détermine:
1. les raisons pour lesquelles l'évènement évoqué correspond à la description donnée au paragraphe 1er;
2. le groupe cible spécifique de travailleurs indépendants auquel s'applique le cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence sur base d'une délimitation territoriale et/ou sectorielle;
3. la/les situation(s) visée(s) à l'article 5 de la présente loi qui entraine(nt) l'octroi de la prestation financière;
4. la manière dont le demandeur démontre qu'il se trouve dans la situation déterminée conformément au point 3;
5. la période d'application dans le temps du cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence.
Dans le cadre du présent article, il est question d'une situation d'urgence sociale et/ou socio-économique telle que visée à l'alinéa précédent lorsqu'au moins un des évènements suivants se produit:
- des évènements qui ont un lourd impact économique qui ne se limite pas à un secteur et qui dépasse le contexte national;
- des évènements qui affectent le tissu social national, régional ou local dans plusieurs de ses facettes.
§ 2. Le Roi déclare la situation d'urgence visée au paragraphe 1er pour une durée déterminée qui est strictement nécessaire et qui ne peut en aucun cas dépasser trois mois par un arrêté délibéré en Conseil des ministres. Pendant cette période, le cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence s'applique.
A l'issue de la période visée à l'alinéa 1er, le Roi peut déclarer le maintien de la situation d'urgence chaque fois pour une nouvelle période de trois mois au maximum par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
§ 3. L'arrêté royal visé au paragraphe 2 détermine:
1. les raisons pour lesquelles l'évènement évoqué correspond à la description donnée au paragraphe 1er;
2. le groupe cible spécifique de travailleurs indépendants auquel s'applique le cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence sur base d'une délimitation territoriale et/ou sectorielle;
3. la/les situation(s) visée(s) à l'article 5 de la présente loi qui entraine(nt) l'octroi de la prestation financière;
4. la manière dont le demandeur démontre qu'il se trouve dans la situation déterminée conformément au point 3;
5. la période d'application dans le temps du cadre temporaire de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence.
HOOFDSTUK 3. - De voorwaarden
CHAPITRE 3. - Les conditions
Art. 4. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de vier kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de kalendermaand valt waarop de aanvraag betrekking heeft.
De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het aantal vereiste kwartalen verzekeringsplicht aanpassen, met dien verstande dat hij het aantal kwartalen kan verminderen tot minimaal twee en kan vermeerderen tot minimaal zes;
2° voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn.
[1 De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit]1.
Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zijn verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kan bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft of minder, volstaat het dat hij zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald heeft;
4° in België hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de vier kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de kalendermaand valt waarop de aanvraag betrekking heeft.
De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het aantal vereiste kwartalen verzekeringsplicht aanpassen, met dien verstande dat hij het aantal kwartalen kan verminderen tot minimaal twee en kan vermeerderen tot minimaal zes;
2° voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn.
[1 De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3 van deze wet, het personeel toepassingsgebied van het tijdelijk crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties uitbreiden tot de volgende categorieën zelfstandigen op voorwaarde dat deze categorieën op dezelfde manier worden getroffen door de noodsituatie:
a) de zelfstandigen beoogd door het artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
b) de zelfstandigen beoogd door het artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, voor zover het bedrag van hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de in 1° bedoelde periode gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid, 1bis, eerste lid of 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit]1.
Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zijn verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kan bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft of minder, volstaat het dat hij zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald heeft;
4° in België hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 4. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants doivent remplir les conditions cumulatives suivantes:
1° prouver leur assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 pendant les quatre trimestres qui précèdent le premier jour du trimestre suivant le trimestre du mois civil sur lequel porte la demande.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, modifier le nombre de trimestres d'assujettissement requis, étant entendu qu'il peut réduire ce nombre de trimestres à un minimum de deux et l'augmenter à un minimum de six;
2° pour la période visée au 1°, être redevable des cotisations visées [1 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9°]1, de l'arrêté royal n° 38.
[1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté]1.
Si le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut prouver son assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 qu'au cours des douze trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre du mois civil sur lequel porte la demande ou moins, il suffit qu'il ait effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pendant au moins deux trimestres;
4° avoir en Belgique leur résidence principale, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
1° prouver leur assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 pendant les quatre trimestres qui précèdent le premier jour du trimestre suivant le trimestre du mois civil sur lequel porte la demande.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, modifier le nombre de trimestres d'assujettissement requis, étant entendu qu'il peut réduire ce nombre de trimestres à un minimum de deux et l'augmenter à un minimum de six;
2° pour la période visée au 1°, être redevable des cotisations visées [1 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° ou 9°]1, de l'arrêté royal n° 38.
[1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3 de la présente loi, étendre le champ d'application personnel du cadre de crise temporaire de droit passerelle en cas de situations d'urgence aux catégories de travailleurs indépendants suivants à condition que ces catégories de travailleurs indépendants soient impactées de la même manière par la situation d'urgence:
a) les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
b) les travailleurs indépendants visés à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, pour autant que le montant de leurs cotisations provisoires légalement dues pendant la période visée au 1° soit basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2, 1erbis, alinéa 1er ou 1erter, alinéa 1er, du même arrêté]1.
Si le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut prouver son assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 qu'au cours des douze trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre du mois civil sur lequel porte la demande ou moins, il suffit qu'il ait effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pendant au moins deux trimestres;
4° avoir en Belgique leur résidence principale, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Wijzigingen
Art. 5. Op het ogenblik waarop de Koning het crisiskader overbruggingsrecht in geval van noodsituaties activeert, bepaalt hij eveneens welke van de onderstaande situaties van toepassing is:
1° de zelfstandige activiteit dient gedwongen onderbroken of ingeperkt te worden ten gevolge van een door een bevoegde overheid opgelegde maatregel;
2° de zelfstandige activiteit kent een omzetverlies dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
1. het omzetverlies moet te wijten zijn aan de ingeroepen noodsituatie;
2. het omzetverlies moet minstens 30 % bedragen en
3. het omzetverlies moet worden vastgesteld door de omzet van de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft te vergelijken met de omzet van diezelfde kalendermaand van het laatste volledige kalenderjaar dat voorafging aan de noodsituatie.
De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3, de volgende modaliteiten bepalen:
1) het percentage van het minimale omzetverlies, vereist voor het verkrijgen van de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze wet, verhogen tot maximaal 60 %;
2) het bedrag van de financiële uitkering moduleren in functie van het vereiste omzetverlies, waarbij het bedrag van de financiële uitkering steeds minstens 50 % en maximaal 150 % van het bedrag bedoeld in artikel 196, § 1, van de programmawet, bedraagt;
3) de kalendermaand waarin het omzetverlies moet worden aangetoond aanpassen naar de kalendermaand waarvoor de aanvraag wordt gedaan;
4) de referentiemaand ten opzichte waarvan het omzetverlies moet worden aangetoond aanpassen, in de gevallen waarin de wettelijk bepaalde referentiemaand ontbreekt of niet representatief is.
De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot geniet voor dezelfde kalendermaand niet reeds een financiële uitkering bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet.
1° de zelfstandige activiteit dient gedwongen onderbroken of ingeperkt te worden ten gevolge van een door een bevoegde overheid opgelegde maatregel;
2° de zelfstandige activiteit kent een omzetverlies dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
1. het omzetverlies moet te wijten zijn aan de ingeroepen noodsituatie;
2. het omzetverlies moet minstens 30 % bedragen en
3. het omzetverlies moet worden vastgesteld door de omzet van de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft te vergelijken met de omzet van diezelfde kalendermaand van het laatste volledige kalenderjaar dat voorafging aan de noodsituatie.
De Koning kan, in het besluit vastgesteld krachtens artikel 3, de volgende modaliteiten bepalen:
1) het percentage van het minimale omzetverlies, vereist voor het verkrijgen van de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze wet, verhogen tot maximaal 60 %;
2) het bedrag van de financiële uitkering moduleren in functie van het vereiste omzetverlies, waarbij het bedrag van de financiële uitkering steeds minstens 50 % en maximaal 150 % van het bedrag bedoeld in artikel 196, § 1, van de programmawet, bedraagt;
3) de kalendermaand waarin het omzetverlies moet worden aangetoond aanpassen naar de kalendermaand waarvoor de aanvraag wordt gedaan;
4) de referentiemaand ten opzichte waarvan het omzetverlies moet worden aangetoond aanpassen, in de gevallen waarin de wettelijk bepaalde referentiemaand ontbreekt of niet representatief is.
De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot geniet voor dezelfde kalendermaand niet reeds een financiële uitkering bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet.
Art. 5. Au moment où le Roi active le cadre de crise de droit passerelle en cas de situations d'urgence, il détermine également laquelle/lesquelles des situations suivantes est/sont applicable(s):
1° l'activité indépendante doit être interrompue ou réduite de manière forcée en raison d'une mesure imposée par une autorité compétente;
2° l'activité indépendante connaît une diminution du chiffre d'affaires qui répond aux conditions suivantes:
1. la diminution du chiffre d'affaires doit être due à la situation d'urgence invoquée;
2. la diminution du chiffre d'affaires doit atteindre au moins 30 % et
3. la diminution du chiffre d'affaires doit être déterminée en comparant le chiffre d'affaires du mois civil précédant le mois civil sur lequel porte la demande, au chiffre d'affaires du même mois civil de la dernière année civile complète précédant la situation d'urgence.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3, déterminer les modalités suivantes:
1) augmenter le pourcentage de la diminution minimale du chiffre d'affaires requis pour obtenir la prestation financière visée à l'article 3, alinéa 1er, de la présente loi jusqu'à un maximum de 60 %;
2) moduler le montant de la prestation financière en fonction de la diminution requise du chiffre d'affaires, le montant de la prestation financière étant toujours au moins égal à 50 % et au maximum égal à 150 % du montant visé à l'article 196, § 1er, de la loi-programme;
3) modifier le mois civil au cours duquel la diminution du chiffre d'affaires doit être démontrée au mois civil sur lequel porte la demande;
4) modifier le mois de référence par rapport auquel la diminution du chiffre d'affaires doit être démontrée en cas d'absence d'un tel mois de référence légalement déterminé ou s'il n'est pas représentatif.
Le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne bénéficie pas déjà pour le même mois d'une prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme.
1° l'activité indépendante doit être interrompue ou réduite de manière forcée en raison d'une mesure imposée par une autorité compétente;
2° l'activité indépendante connaît une diminution du chiffre d'affaires qui répond aux conditions suivantes:
1. la diminution du chiffre d'affaires doit être due à la situation d'urgence invoquée;
2. la diminution du chiffre d'affaires doit atteindre au moins 30 % et
3. la diminution du chiffre d'affaires doit être déterminée en comparant le chiffre d'affaires du mois civil précédant le mois civil sur lequel porte la demande, au chiffre d'affaires du même mois civil de la dernière année civile complète précédant la situation d'urgence.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en vertu de l'article 3, déterminer les modalités suivantes:
1) augmenter le pourcentage de la diminution minimale du chiffre d'affaires requis pour obtenir la prestation financière visée à l'article 3, alinéa 1er, de la présente loi jusqu'à un maximum de 60 %;
2) moduler le montant de la prestation financière en fonction de la diminution requise du chiffre d'affaires, le montant de la prestation financière étant toujours au moins égal à 50 % et au maximum égal à 150 % du montant visé à l'article 196, § 1er, de la loi-programme;
3) modifier le mois civil au cours duquel la diminution du chiffre d'affaires doit être démontrée au mois civil sur lequel porte la demande;
4) modifier le mois de référence par rapport auquel la diminution du chiffre d'affaires doit être démontrée en cas d'absence d'un tel mois de référence légalement déterminé ou s'il n'est pas représentatif.
Le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne bénéficie pas déjà pour le même mois d'une prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme.
HOOFDSTUK 4. - Uitvoeringsmodaliteiten
CHAPITRE 4. - Modalités d'exécution
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Section 1re. - La procédure de demande
Art. 6. § 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten moeten hun aanvraag indienen bij het sociaal verzekeringsfonds waarbij zij op het moment van de aanvraag zijn aangesloten.
De aanvraag moet, op straffe van verval, ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin kalendermaand ligt waarop de aanvraag betrekking heeft.
§ 2. De aanvraag moet worden ingediend met een aangetekend schrijven, door neerlegging van een verzoekschrift ter plaatse tegen ontvangstbewijs of, indien mogelijk, via elektronische weg, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld in de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke op bovenvermelde wijze ingediende aanvraag in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend met een ter post aangetekend schrijven, geldt de datum van de poststempel als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend door het neerleggen van een verzoekschrift ter plaatse, registreert het sociaal verzekeringsfonds de aanvraag onmiddellijk en overhandigt de aanvrager een ontvangstbewijs waarop de datum van registratie vermeld wordt. De datum van registratie geldt als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum waarop de aanvraag is ingediend.
§ 3. Het sociaal verzekeringsfonds nodigt de aanvrager onverwijld uit om binnen de dertig dagen een inlichtingenformulier behoorlijk in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen.
De aanvraag moet, op straffe van verval, ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin kalendermaand ligt waarop de aanvraag betrekking heeft.
§ 2. De aanvraag moet worden ingediend met een aangetekend schrijven, door neerlegging van een verzoekschrift ter plaatse tegen ontvangstbewijs of, indien mogelijk, via elektronische weg, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld in de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke op bovenvermelde wijze ingediende aanvraag in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend met een ter post aangetekend schrijven, geldt de datum van de poststempel als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend door het neerleggen van een verzoekschrift ter plaatse, registreert het sociaal verzekeringsfonds de aanvraag onmiddellijk en overhandigt de aanvrager een ontvangstbewijs waarop de datum van registratie vermeld wordt. De datum van registratie geldt als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum waarop de aanvraag is ingediend.
§ 3. Het sociaal verzekeringsfonds nodigt de aanvrager onverwijld uit om binnen de dertig dagen een inlichtingenformulier behoorlijk in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen.
Art. 6. § 1er. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants doivent introduire leur demande auprès de la caisse d'assurances sociales à laquelle ils sont affiliés au moment de la demande.
La demande doit être introduite, sous peine de forclusion, au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel se trouve le mois civil sur lequel porte la demande.
§ 2. La demande doit être introduite par lettre recommandée, par dépôt d'une requête sur place contre accusé de réception ou, si possible, par voie électronique, selon les modalités et conditions déterminées par la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque demande introduite de la manière précitée dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Lorsque la demande est introduite par lettre recommandée à la poste, la date du cachet de la poste vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par le dépôt d'une requête, la caisse d'assurances sociales enregistre la demande immédiatement et remet au demandeur un accusé de réception dans lequel la date d'enregistrement est mentionnée. La date d'enregistrement vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par voie électronique, la date de l'envoi électronique vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
§ 3. La caisse d'assurances sociales invite immédiatement le demandeur à dûment compléter un formulaire de renseignements, à le signer et le renvoyer dans les trente jours.
La demande doit être introduite, sous peine de forclusion, au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel se trouve le mois civil sur lequel porte la demande.
§ 2. La demande doit être introduite par lettre recommandée, par dépôt d'une requête sur place contre accusé de réception ou, si possible, par voie électronique, selon les modalités et conditions déterminées par la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque demande introduite de la manière précitée dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Lorsque la demande est introduite par lettre recommandée à la poste, la date du cachet de la poste vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par le dépôt d'une requête, la caisse d'assurances sociales enregistre la demande immédiatement et remet au demandeur un accusé de réception dans lequel la date d'enregistrement est mentionnée. La date d'enregistrement vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par voie électronique, la date de l'envoi électronique vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
§ 3. La caisse d'assurances sociales invite immédiatement le demandeur à dûment compléter un formulaire de renseignements, à le signer et le renvoyer dans les trente jours.
Afdeling 2. - De beslissing
Section 2. - La décision
Art. 7. Het sociaal verzekeringsfonds gaat na of aan de voorwaarden van deze wet en de uitvoeringsbesluiten is voldaan.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent de beslissing aan de aanvrager bij een aangetekend schrijven. Indien de aanvraag wordt verworpen, worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank er in vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert de beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Zodra het sociaal verzekeringsfonds een beslissing heeft genomen, gaat het, zo nodig, over tot de uitbetaling van de financiële uitkering.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent de beslissing aan de aanvrager bij een aangetekend schrijven. Indien de aanvraag wordt verworpen, worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank er in vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert de beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Zodra het sociaal verzekeringsfonds een beslissing heeft genomen, gaat het, zo nodig, over tot de uitbetaling van de financiële uitkering.
Art. 7. La caisse d'assurances sociales vérifie si les conditions de la présente loi et des arrêtés d'exécution sont remplies.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision au demandeur par lettre recommandée. Si la demande est rejetée, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail y sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre la décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Dès que la caisse d'assurances sociales a pris une décision, elle procède, si nécessaire, au versement de la prestation financière.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision au demandeur par lettre recommandée. Si la demande est rejetée, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail y sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre la décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Dès que la caisse d'assurances sociales a pris une décision, elle procède, si nécessaire, au versement de la prestation financière.
Afdeling 3. - Wijzigingen
Section 3. - Modifications
Art. 8. § 1. Zodra het sociaal verzekeringsfonds op de hoogte is van enig element dat een beletsel vormt voor het genot van de financiële uitkering, betekent het sociaal verzekeringsfonds, bij een aangetekend schrijven, een nieuwe gemotiveerde beslissing. In deze nieuwe beslissing worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke nieuwe beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
§ 2. De begunstigden zijn verplicht het sociaal verzekeringsfonds elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet, mee te delen binnen de vijftien kalenderdagen.
§ 3. Elke wijziging die een invloed heeft op de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de wijziging.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke nieuwe beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
§ 2. De begunstigden zijn verplicht het sociaal verzekeringsfonds elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet, mee te delen binnen de vijftien kalenderdagen.
§ 3. Elke wijziging die een invloed heeft op de financiële uitkering bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de wijziging.
Art. 8. § 1er. Dès que la caisse d'assurances sociales est au courant d'un élément quelconque qui fait obstacle au bénéfice de la prestation financière, la caisse d'assurances sociales notifie, par lettre recommandée, une nouvelle décision motivée. Dans cette nouvelle décision, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque nouvelle décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
§ 2. Les bénéficiaires sont obligés de communiquer à la caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière visée à l'article 3, § 1er,, alinéa 1er, de la présente loi dans les quinze jours civils.
§ 3. Toute modification susceptible d'affecter la prestation financière visée à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi produit ses effets le premier jour du mois qui suit le mois de la modification.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque nouvelle décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
§ 2. Les bénéficiaires sont obligés de communiquer à la caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière visée à l'article 3, § 1er,, alinéa 1er, de la présente loi dans les quinze jours civils.
§ 3. Toute modification susceptible d'affecter la prestation financière visée à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi produit ses effets le premier jour du mois qui suit le mois de la modification.
Afdeling 4. - Cumul met een vervangingsinkomen in het kader van de sociale zekerheid
Section 4. - Cumul avec un revenu de remplacement dans le cadre de la sécurité sociale
Art. 9. De begunstigden kunnen het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet. Ingeval van overschrijding wordt het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van deze wet, verminderd ten belope van deze overschrijding.
Art. 9. Les bénéficiaires ne peuvent cumuler le montant applicable visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement que dans la mesure où la somme du montant applicable visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi et des autres revenus de remplacement ne dépasse pas le montant applicable visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi. En cas de dépassement, le montant applicable visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de la présente loi, sera réduit à concurrence de ce dépassement.
Afdeling 5. - Terugvordering
Section 5. - Récupération
Art. 10. Het sociaal verzekeringsfonds moet overgaan tot de terugvordering van de onterecht uitbetaalde bedragen, zo nodig langs gerechtelijke weg. De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan het Rijksinstituut.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent, bij een aangetekend schrijven, deze beslissing tot terugvordering. In de beslissing worden de reden, alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent, bij een aangetekend schrijven, deze beslissing tot terugvordering. In de beslissing worden de reden, alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering.
Art. 10. La caisse d'assurances sociales doit procéder à la récupération des indus, si nécessaire par voie judiciaire. Les montants récupérés sont transmis à l'Institut national.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision de récupération par lettre recommandée. La décision mentionne le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de récupération.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision de récupération par lettre recommandée. La décision mentionne le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de récupération.
Art. 11. Het Rijksinstituut kan geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de financiële uitkering die ten onrechte werd uitbetaald.
Dergelijke verzaking is slechts mogelijk:
1° in behartigenswaardige gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is;
2° wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat kosten worden gedaan;
3° wanneer de terugvordering voortvloeit uit de rechtzetting van een fout begaan door het bevoegde sociaal verzekeringsfonds of een andere instelling van sociale zekerheid.
Dergelijke verzaking is slechts mogelijk:
1° in behartigenswaardige gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is;
2° wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat kosten worden gedaan;
3° wanneer de terugvordering voortvloeit uit de rechtzetting van een fout begaan door het bevoegde sociaal verzekeringsfonds of een andere instelling van sociale zekerheid.
Art. 11. L'Institut national peut totalement ou partiellement renoncer à la récupération de la prestation financière indûment payée.
Une telle renonciation n'est possible que:
1° dans des cas dignes d'intérêt et à la condition que le débiteur soit de bonne foi;
2° lorsque la modicité du montant à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
3° lorsque la récupération résulte de la rectification d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente ou une autre institution de sécurité sociale.
Une telle renonciation n'est possible que:
1° dans des cas dignes d'intérêt et à la condition que le débiteur soit de bonne foi;
2° lorsque la modicité du montant à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
3° lorsque la récupération résulte de la rectification d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente ou une autre institution de sécurité sociale.
Afdeling 6. - Verjaring
Section 6. - Prescription
Art. 12. Onverminderd de bepalingen van artikel 6, § 1, tweede lid, verjaart de vordering tot uitbetaling van de financiële uitkering na verloop van drie jaar.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de kalendermaand ligt waarop de aanvraag betrekking heeft.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een aangetekend schrijven, ingediend bij het bevoegde sociaal verzekeringsfonds. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
Het bevoegde sociaal verzekeringsfonds mag in geen geval aan het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de kalendermaand ligt waarop de aanvraag betrekking heeft.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een aangetekend schrijven, ingediend bij het bevoegde sociaal verzekeringsfonds. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
Het bevoegde sociaal verzekeringsfonds mag in geen geval aan het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.
Art. 12. Sans préjudice des dispositions de l'article 6, § 1er, alinéa 2, l'action en paiement de la prestation financière se prescrit par trois ans.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel se trouve le mois civil sur lequel porte la demande.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée auprès de la caisse d'assurances sociales compétente. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, la caisse d'assurances sociales compétente ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel se trouve le mois civil sur lequel porte la demande.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée auprès de la caisse d'assurances sociales compétente. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, la caisse d'assurances sociales compétente ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.
Art. 13. De vordering tot terugbetaling van de financiële uitkering die ten onrechte werd betaald, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling werd gedaan.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een, bij een aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde financiële uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 8, § 2, niet heeft nageleefd. Die termijn gaat in op de dag waarop het sociaal verzekeringsfonds kennis heeft van de bedrieglijke handelingen, de valse of opzettelijk onvolledige verklaring, het opzettelijk bewerkstelligen van de omstandigheden met het oog op het verkrijgen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel of van het feit dat de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 8, § 2, niet heeft nageleefd.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een, bij een aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde financiële uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 8, § 2, niet heeft nageleefd. Die termijn gaat in op de dag waarop het sociaal verzekeringsfonds kennis heeft van de bedrieglijke handelingen, de valse of opzettelijk onvolledige verklaring, het opzettelijk bewerkstelligen van de omstandigheden met het oog op het verkrijgen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel of van het feit dat de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 8, § 2, niet heeft nageleefd.
Art. 13. L'action en répétition de la prestation financière payée indûment se prescrit par trois ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par l'action en répétition des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation financière payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 8, § 2. Ce délai prend cours à la date à laquelle l'institution a connaissance de manoeuvres frauduleuses, de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, de circonstances intentionnellement provoquées en vue de l'obtention du droit passerelle ou quelconque avantage ou du fait que le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 8, § 2.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par l'action en répétition des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation financière payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 8, § 2. Ce délai prend cours à la date à laquelle l'institution a connaissance de manoeuvres frauduleuses, de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, de circonstances intentionnellement provoquées en vue de l'obtention du droit passerelle ou quelconque avantage ou du fait que le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 8, § 2.
Afdeling 7. - Algemene bepaling
Section 7. - Disposition générale
Art. 14. De financiële uitkering die overeenkomstig deze wet wordt toegekend zal niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 193, § 3, van de programmawet.
Art. 14. La prestation financière octroyée conformément à la présente loi ne sera pas prise en compte lors de la détermination de la durée maximale du droit passerelle en application de l'article 193, § 3, de la loi-programme.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions modificatives
Art. 15. Artikel 196 van de programmawet van 26 december 2022 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. De financiële uitkering die betrekking heeft op de kalendermaand waarin de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, §§ 1 en 3, een einde neemt, wordt pro rata berekend. Het betreft de financiële uitkering voor het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de genoemde kalendermaand en eindigt op de dag waarop de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, § 3, een einde neemt. Voor dat tijdvak bedraagt de financiële uitkering voor elke periode van zeven opeenvolgende dagen 25 % van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 196, § 1."
" § 4. De financiële uitkering die betrekking heeft op de kalendermaand waarin de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, §§ 1 en 3, een einde neemt, wordt pro rata berekend. Het betreft de financiële uitkering voor het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de genoemde kalendermaand en eindigt op de dag waarop de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, § 3, een einde neemt. Voor dat tijdvak bedraagt de financiële uitkering voor elke periode van zeven opeenvolgende dagen 25 % van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 196, § 1."
Art. 15. L'article 196 de la loi-programme du 26 décembre 2022 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit:
" § 4. La prestation financière relative au mois civil au cours duquel la période d'octroi visée à l'article 193, §§ 1er et 3, prend fin, est calculée au prorata. Il s'agit d'une prestation financière pour la période qui débute au premier jour dudit mois civil et se termine le jour où prend fin la période d'octroi visée à l'article 193, § 3. Pour cette période, la prestation financière s'élève, pour chaque période de sept jours consécutifs, à 25 % du montant mensuel visé à l'article 196, § 1er."
" § 4. La prestation financière relative au mois civil au cours duquel la période d'octroi visée à l'article 193, §§ 1er et 3, prend fin, est calculée au prorata. Il s'agit d'une prestation financière pour la période qui débute au premier jour dudit mois civil et se termine le jour où prend fin la période d'octroi visée à l'article 193, § 3. Pour cette période, la prestation financière s'élève, pour chaque période de sept jours consécutifs, à 25 % du montant mensuel visé à l'article 196, § 1er."
Art. 16. Artikel 200, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022 wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het sociaal verzekeringsfonds betekent, bij een aangetekend schrijven, deze beslissing tot terugvordering. In de beslissing worden de reden, alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering."
"Het sociaal verzekeringsfonds betekent, bij een aangetekend schrijven, deze beslissing tot terugvordering. In de beslissing worden de reden, alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering."
Art. 16. L'article 200, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022, est complété par la phrase suivante:
"La caisse d'assurances sociales notifie la décision de récupération par lettre recommandée. La décision mentionne le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de récupération."
"La caisse d'assurances sociales notifie la décision de récupération par lettre recommandée. La décision mentionne le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de récupération."
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling en inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire et entrée en vigueur
Art. 17. § 1. Met uitzondering van het derde lid is artikel 193, § 3, van de programmawet van 26 december 2022 niet van toepassing op zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, die, met toepassing van artikel 2, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 6 februari tot uitvoering van hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022, hun zelfstandige activiteit tijdelijk onderbreken of definitief stopzetten wegens het feit dat de uitoefening van hun zelfstandige activiteit niet langer rendabel is door de stijging van de energieprijzen.
§ 2. Op voorwaarde dat het feit bedoeld in artikel 191, § 2, 1°, van de programmawet van 26 december 2022 plaatsvindt in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023, is paragraaf 1 van toepassing op:
1° de in artikel 189, 1°, van diezelfde wet bedoelde financiële uitkeringen, toegekend voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023;
en 2° het in artikel 189, 2°, van diezelfde wet bedoelde behoud van sociale rechten toegekend voor de periode van 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periodes bedoeld in het eerste lid verlengen in de tijd.
§ 3. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 15, dat van toepassing is op alle in artikel 191, § 2, van de programmawet bedoelde feiten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.
§ 2. Op voorwaarde dat het feit bedoeld in artikel 191, § 2, 1°, van de programmawet van 26 december 2022 plaatsvindt in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023, is paragraaf 1 van toepassing op:
1° de in artikel 189, 1°, van diezelfde wet bedoelde financiële uitkeringen, toegekend voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023;
en 2° het in artikel 189, 2°, van diezelfde wet bedoelde behoud van sociale rechten toegekend voor de periode van 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periodes bedoeld in het eerste lid verlengen in de tijd.
§ 3. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 15, dat van toepassing is op alle in artikel 191, § 2, van de programmawet bedoelde feiten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.
Art. 17. § 1er. A l'exception de l'alinéa 3, l'article 193, § 3, de la loi-programme du 26 décembre 2022 ne s'applique pas aux travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants qui, en application de l'article 2, § 1er, 5°, de l'arrêté royal du 6 février portant exécution du chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022, interrompent temporairement ou cessent définitivement leur activité indépendante parce que l'exercice de leur activité indépendante n'est plus rentable en raison de l'augmentation des prix de l'énergie.
§ 2. A condition que le fait visé à l'article 191, § 2, 1°, de la loi-programme du 26 décembre 2022 se produise dans la période du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 mars 2023, le paragraphe § 1er s'applique:
1° aux prestations financières visées à l'article 189,1°, de la même loi, octroyées pour la période du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 mars 2023;
et 2° au maintien des droits sociaux visé à l'article 189, 2°, de la même loi, octroyé pour la période du 1er avril 2023 jusqu'au 30 juin 2023.
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre dans le temps les périodes visées à l'alinéa 1er.
§ 3. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge à l'exception de l'article 15, qui est applicable à tous les faits visés à l'article 191, § 2, de la loi-programme qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.
§ 2. A condition que le fait visé à l'article 191, § 2, 1°, de la loi-programme du 26 décembre 2022 se produise dans la période du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 mars 2023, le paragraphe § 1er s'applique:
1° aux prestations financières visées à l'article 189,1°, de la même loi, octroyées pour la période du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 mars 2023;
et 2° au maintien des droits sociaux visé à l'article 189, 2°, de la même loi, octroyé pour la période du 1er avril 2023 jusqu'au 30 juin 2023.
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre dans le temps les périodes visées à l'alinéa 1er.
§ 3. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge à l'exception de l'article 15, qui est applicable à tous les faits visés à l'article 191, § 2, de la loi-programme qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.