Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 FEBRUARI 2023. - Ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-07-2023 en tekstbijwerking tot 19-01-2026)
Titre
23 FEVRIER 2023. - Arrêté ministériel exécutant l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-07-2023 et mise à jour au 19-01-2026)
Documentinformatie
Numac: 2023042745
Datum: 2023-02-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023042745
Date: 2023-02-23
Moniteur: Voir
Tekst (43)
Texte (43)
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor verschillende interventies
CHAPITRE 1er. - Dispositions communes à plusieurs interventions
Afdeling 1. - Definities
Section 1ère. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023: het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de gemeenschappelijke begrippen voor de interventies en steunmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de conditionaliteit;
  2° verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag in de zin van artikel D.28 van het Waalse Landbouwwetboek;
  3° landschapselementen: landschapselementen in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 32°, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 ;
  4° grasland: elk landbouwareaal dat in het geïntegreerde beheers- en controlesysteem is aangegeven als blijvend grasland, tijdelijk grasland dat bestemd is om blijvend te worden of hoogstammige fruitbomen van vijftig tot tweehonderdvijftig bomen per hectare met uitzondering van weiden voor varkens en pluimvee;
  5° Sanitel: het geautomatiseerde gegevensbestand van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen bedoeld in artikel 2, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels;
  6° voederareaal : het voederareaal bepaald overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede lid, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor de biologische landbouw;
  7° bouwland: bouwland in de zin van artikel 2, § 1, lid 1, 47°, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.
  8° GVE: de grootvee-eenheid in de zin van artikel 2, § 1, lid 1, 48°, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 : arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif aux notions communes aux interventions et aides de la politique agricole commune et à la conditionnalité ;
  2° demande unique : la demande unique au sens de l'article D.28 du Code wallon de l'Agriculture ;
  3° particularités topographiques : les particularités topographiques au sens de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 32°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 ;
  4° prairies : toute surface agricole déclarée au système intégré de gestion et de contrôle comme prairie permanente, prairie temporaire à vocation à devenir permanente ou arboriculture fruitière de hautes-tiges de cinquante à deux-cent-cinquante arbres par hectare, à l'exception des parcours destinés aux porcins et aux volailles ;
  5° Sanitel : la base de données informatique de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire visée à l'article 2, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 20 mai 2022 relatif à l'identification et l'enregistrement de certains ongulés, des volailles, des lapins et de certains oiseaux ;
  6° surface fourragère : la surface fourragère déterminée conformément à l'article 18, § 1er, alinéa 2 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide à l'agriculture biologique ;
  7° terres arables : les terres arables au sens de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 47°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 ;
  8° UGB : l'unité de gros bétail au sens de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 48°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023.
Afdeling 2. - Procedure voor de aanwijzing van de deskundigen bedoeld in artikel 5 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen
Section 2. - Procédure de désignation des experts visés à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesure agro-environnementales et climatiques
Art. 2. § 1. Overeenkomstig artikel 5, § 1, lid 1, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen zijn de criteria voor de aanwijzing van bevoegde deskundigen de volgende:
  1° de deskundige is onafhankelijk van de landbouwer aan wie hij zijn advies geeft;
  2° de deskundige beschikt over de nodige technische en wetenschappelijke ervaring om advies te geven;
  3° de deskundige hangt af van de organisatie waaraan de Minister een taak van informatie, advies en toezicht betreffende de uitvoering van agromilieu- en klimaatmaatregelen heeft toevertrouwd.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde technische en wetenschappelijke ervaring wordt beoordeeld en geëvalueerd ten opzichte van de volgende vaardigheden:
  1° beschikken over een technische of wetenschappelijke vorming van het korte of lange type op het gebied van biologie, landbouw, bosbouw of leefmilieu of over een afdoende beroepservaring van minstens vijf jaar die door het betaalorgaan als gelijkwaardig wordt geacht;
  2° beschikken over een kennis van landbouwtechnieken en -praktijken die een milieugevolg hebben op het landbouwgebied;
  3° kennis hebben van de problematiek, het juridisch kader en het technisch kader van de milieu- en klimaatarchitectuur van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  4° beschikken over een kennis van de aangepaste cartografische hulpmiddelen;
  5° beschikken over vaardigheden inzake communicatie en burotica om duidelijke, objectieve en op wetenschappelijke basis gebaseerde adviezen op te stellen.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde criteria worden gecontroleerd aan de hand van de volgende elementen :
  1° betreffende paragraaf 1, eerste lid, 1°, een verklaring op erewoord waarin de deskundige zich ertoe verbindt elk belangenconflict te vermijden;
  2° met betrekking tot paragraaf 1, tweede lid, 2°, een afschrift van de curriculum vitae, van de diploma's van de deskundige en alle andere bewijsstukken.
  3° wat betreft paragraaf 1, eerste lid, 3°, het bewijs van professionele samenwerking tussen de deskundige en de betrokken organisatie.
  § 3. De procedure voor de aanwijzing van de bevoegde deskundigen wordt vastgesteld als volgt:
  1° de organisatie, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, bezorgt het betaalorgaan tegen 1 januari van elk jaar een volledige lijst van natuurlijke personen die voldoen aan de aanwijzingscriteria en houdt de controle-elementen, bedoeld in paragraaf 2, ter beschikking van het betaalorgaan;
  2° het betaalorgaan valideert de lijst van bevoegde deskundigen op basis van de door de organisatie verstrekte informatie en, indien nodig, na verificatie van de aanwijzingscriteria;
  3° het betaalorgaan deelt de organisatie de namen mee van de deskundigen wier aanwijzing het valideert binnen een maand na ontvangst van de lijst van natuurlijke personen die aan de aanwijzingscriteria voldoen;
  4° de organisatie stelt het betaalorgaan onverwijld in kennis van elke wijziging in de lijst bedoeld in 1°.
  De in het eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde procedure is van toepassing op de wijzigingen van de lijst van deskundigen.
Art. 2. § 1er. En application de l'article 5, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, les critères de désignation des experts compétents sont les suivants :
  1° l'expert est indépendant de l'agriculteur à qui il délivre son avis ;
  2° l'expert possède l'expérience technique et scientifique nécessaire à la réalisation d'avis ;
  3° l'expert dépend de l'organisation à laquelle le Ministre a confié une mission d'information, de conseil et d'encadrement concernant la mise en oeuvre des mesures agro-environnementales et climatiques.
  L'expérience technique et scientifique visée à l'alinéa 1er, 2°, est évaluée au regard des compétences suivantes :
  1° disposer d'une formation technique ou scientifique de type court ou long dans le domaine de la biologie, de l'agriculture, de la sylviculture ou de l'environnement, ou d'une expérience professionnelle probante d'au moins cinq années jugée équivalente par l'organisme payeur ;
  2° disposer d'une connaissance des techniques et des pratiques agricoles qui ont un impact environnemental sur la zone agricole ;
  3° disposer d'une connaissance des enjeux, du cadre juridique et du cadre technique de l'architecture environnementale et climatique de la politique agricole commune ;
  4° disposer d'une connaissance des outils cartographiques adéquats ;
  5° disposer de compétences adéquates en matière de communication et de bureautique afin de rédiger des avis techniques clairs, objectifs et fondés sur une base scientifique.
  § 2. Les critères visés au paragraphe 1er sont vérifiés au moyen des éléments suivants :
  1° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, une déclaration sur l'honneur dans laquelle l'expert s'engage à éviter toute situation de conflit d'intérêt ;
  2° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, une copie du curriculum vitae, des diplômes, des publications de l'expert et tout autre élément probant ;
  3° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, la preuve d'une collaboration professionnelle liant l'expert à l'organisation concernée.
  § 3. La procédure de désignation des experts compétents est fixée comme suit :
  1° l'organisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, fournit à l'organisme payeur, pour le 1er janvier de chaque année, la liste complète des personnes physiques répondant aux critères de désignation et tient à disposition de l'organisme payeur les éléments de vérification visés au paragraphe 2 ;
  2° l'organisme payeur valide la liste des experts compétents sur base des renseignements fournis par l'organisation et le cas échéant après vérification des critères de désignation ;
  3° l'organisme payeur notifie à l'organisation les noms des experts dont il valide la désignation et ce, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la liste des personnes physiques répondant aux critères de désignation ;
  4° l'organisation notifie sans délai l'organisme payeur de toute modification de la liste visée au 1°.
  La procédure visée à l'alinéa 1er, 1° à 3°, s'applique aux modifications de la liste d'experts.
HOOFDSTUK 2. - Specificaties voor agromilieu- en klimaatmaatregelen
CHAPITRE 2. - Cahiers des charges des mesures agro-environnementales et climatiques
Afdeling 1. - Maatregelen nr. 2 "natuurweiden"
Section 1ère. - Mesure n° 2 " prairies naturelles "
Art. 3. Een jaarlijkse steun van 220 euro per hectare landbouwareaal onder verbintenis wordt toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden grasland te bewerken overeenkomstig de in artikel 4 bedoelde specificaties.
  De steun wordt toegekend voor maximaal 50% van de oppervlakte van het bedrijf dat voor de maatregel in aanmerking komt. Voor de eerste tien hectare geldt dit maximum niet.
  Er wordt geen steun verleend voor een bedrag van minder dan 100 euro, berekend op het niveau van het bedrijf.
  In toepassing van artikel 11, § 3, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt geen steun verleend voor graslanden die zijn aangewezen als UG 2 - Prioritaire open milieus, UG 3 - Weiden habitats van soorten, UG 4 - Extensieve stroken, UG temp 1 - Gebieden die onder een beschermingsstatuut vallen" of UG temp 2 - Gebieden met openbaar beheer, door respectievelijk artikel 2, 2° tot 4°, 14° en 15° van het besluit van de Waalse regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden.
Art. 3. Une aide annuelle de 220 euros par hectare de surface agricole engagée est octroyée aux agriculteurs qui s'engagent à exploiter des prairies dans le respect du cahier des charges visé à l'article 4.
  L'aide est octroyée pour maximum 50 % de la superficie de l'exploitation admissible à la mesure. Les dix premiers hectares sont exemptés de ce plafonnement.
  L'aide n'est pas octroyée pour un montant inférieur à 100 euros calculé au niveau de l'exploitation.
  En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, l'aide n'est pas octroyée pour les prairies désignées comme " milieux ouverts prioritaires " (UG 2), " prairies habitats d'espèces " (UG 3), " bandes extensives " (UG 4), " zones sous statut de protection " (UG temp 1) ou " zones à gestion publique " (UG temp 2) par l'article 2, 2° à 4°, 14° et 15° respectivement de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000.
Art. 4. § 1. De specificatie voor maatregel nr. 2 "natuurweiden" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° elke interventie tussen 1 november en 15 juni op een natuurlijke weide is verboden;
  2° de landbouwactiviteit die wordt uitgeoefend op een natuurlijke weide is tussen 16 juni en 31 oktober beperkt tot het begrazen en maaien van de kruidachtige vegetatie met oogst van het product van het maaien ;
  3° het toedienen van krachtvoer of voeder is verboden op een natuurlijke weide;
  4° het gebruik van minerale meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen op een natuurlijke weide is verboden.
  In afwijking van het eerste lid, 1° [1 en 2°]1, zijn toegestaan
  1° het uitrijden van organische meststoffen tijdens de in de artikelen R.200, R.201 en R.203 van het Waterwetboek bedoelde periodes;
  2° het beheer van de landschapselementen gedurende de periode bedoeld in de artikelen 72, 74 en 75 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023;
  3° het oppervlakkig nivelleren van de grond door slechten van molshopen of herstel van schade door wilde zwijnen, van 1 januari tot en met 15 april.
  § 2. Wanneer een natuurlijke weide wordt gemaaid, wordt [1 ...]1 een ongemaaid schuilgebied met een grasbedekking van ten minste 5% van de oppervlakte van het perceel gehandhaafd.
  [2 Op een natuurlijke weide mag niet worden gegraasd tot drie weken na de laatste interventie.]2.
  De locatie van een schuilgebied blijft binnen een jaar dezelfde.
  
Art. 4. § 1er. Le cahier des charges de la mesure n° 2 " prairies naturelles " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° toute intervention menée entre le 1er novembre et le 15 juin inclus sur une prairie naturelle est interdite ;
  2° l'activité agricole menée sur une prairie naturelle est limitée entre le 16 juin et le 31 octobre inclus au pâturage et à la coupe de la végétation herbacée avec récolte du produit de la fauche ;
  3° l'administration d'aliments concentrés ou de fourrage est interdite sur une prairie naturelle ;
  4° l'utilisation de fertilisants minéraux et produits phytopharmaceutiques sur une prairie naturelle est interdite.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° [1 et 2°]1, sont autorisés :
  1° l'épandage d'engrais organiques aux périodes prévues aux articles R.200, R.201 et R.203 du Code de l'eau ;
  2° la gestion des particularités topographiques durant la période prévue aux articles 72, 74 et 75 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 ;
  3° le nivellement superficiel du sol par étaupinage ou réparation de dégâts causés par des sangliers, du 1er janvier au 15 avril inclus.
  § 2. En cas de fauche d'une prairie naturelle, une zone refuge non fauchée, composée d'un couvert herbacé et présentant une superficie correspondant à 5 % au moins de la superficie de la parcelle est maintenue [1 ...]1.
  [2 Aucun pâturage n'a lieu sur une prairie naturelle avant trois semaines à compter de la dernière intervention]2.
  La localisation d'une zone refuge demeure identique au cours d'une même année.
  
Afdeling 2. - Maatregel nr. 4 "grasland met een hoge biologische waarde"
Section 2. - Mesure n° 4 " prairies de haute valeur biologique "
Art. 5. § 1. Een jaarlijkse steun van 470 euro per hectare landbouwareaal onder verbintenis wordt toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden grasland te bewerken overeenkomstig de in artikel 6 bedoelde specificaties.
  In toepassing van artikel 11, § 3, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt het steunbedrag verlaagd tot 250 euro per hectare voor graslanden die zijn aangewezen als UG 2 - Prioritaire open milieus, UG 3 - Weiden habitats van soorten, UG 4 - Extensieve stroken, UG temp 1 - Gebieden die onder een beschermingsstatuut vallen" of UG temp 2 - Gebieden met openbaar beheer, door respectievelijk artikel 2, 2° tot 4°, 14° en 15° van het besluit van de Waalse regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden.
  De steun wordt niet verleend voor graslanden die als "Extensieve stroken" (UG 4) zijn aangewezen bij artikel 2, 4°, van het besluit van de Waalse regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden.
Art. 5. § 1er. Une aide annuelle de 470 euros par hectare de surface agricole engagée est octroyée aux agriculteurs qui s'engagent à exploiter des prairies dans le respect du cahier des charges visé à l'article 6.
  § 2. En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, le montant de l'aide est réduit à 250 euros par hectare pour les prairies désignées comme " milieux ouverts prioritaires " (UG 2), " prairies habitats d'espèces " (UG 3), " zones sous statut de protection " (UG temp 1) ou " zones à gestion publique " (UG temp 2) par l'article 2, 2°, 3°, 14° et 15°, respectivement de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000.
  L'aide n'est pas octroyée pour les prairies désignées comme " bandes extensives " (UG 4) par l'article 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000.
Art. 6. § 1. De specificatie voor maatregel nr. 4 "grasland met een hoge biologische waarde" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° het grasland wordt onderworpen aan een voorlopige diagnose van de biologische waarde ervan, op basis waarvan de deskundige een advies uitbrengt met relevante eisen, rekening houdend met de plaatselijke landbouw- en milieubeperkingen of -kwesties;
  2° gedurende een in het deskundigenadvies vermelde periode is elke andere interventie dan bedoeld in 3° verboden op een grasland met hoge biologische waarde;
  3° gedurende een in het deskundigenadvies bepaalde periode, blijft het gebruik van een grasland met hoge biologische waarde beperkt tot begrazing en het maaien van de kruidachtige vegetatie met, tenzij anders vermeld in het deskundigenadvies, het oogsten van het product van het maaien ;
  4° de toediening van krachtvoer of voeder aan dieren op grasland met een hoge biologische waarde is verboden;
  5° het gebruik van meststoffen of andere wijzigingen op grasland met een hoge biologische waarde is verboden;
  6° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op grasland met een hoge biologische waarde is verboden;
  7° het inzaaien of overzaaien van grasland met een hoge biologische waarde is verboden;
  8° bagger- of ruimingswerken aan sloten op grasland met een hoge biologische waarde zijn verboden.
  § 2. Van de verboden en voorschriften van paragraaf 1, 2°, 4°, 5°, 7° en 8° kan worden afgeweken in door de deskundige naar behoren gespecificeerde en gemotiveerde omstandigheden.
  § 3. Wanneer een grasland met hoge biologische waarde wordt gemaaid, wordt [1 ...]1 een ongemaaid vluchtgebied met een grasbedekking van ten minste 10 % van de oppervlakte van het perceel gehandhaafd.
  [2 ...]2
  De ligging van een schuilgebied blijft in een bepaald jaar dezelfde, tenzij in het deskundigenadvies een uitzondering wordt gespecificeerd en gemotiveerd.
  § 4. Het verbod in paragraaf 1, 5° is niet van toepassing op de uitwerpselen van dieren tijdens het begrazen van grasland met een hoge biologische waarde.
  
Art. 6. § 1er. Le cahier des charges de la mesure n° 4 " prairies de haute valeur biologique " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° la prairie fait l'objet d'un diagnostic préalable quant à sa valeur biologique sur la base duquel l'expert rend un avis comprenant des exigences pertinentes compte tenu des contraintes ou enjeux agricoles et environnementaux locaux ;
  2° durant une période fixée dans l'avis d'expert, toute intervention autre que celles visées au 3° est interdite sur une prairie de haute valeur biologique ;
  3° au cours d'une période définie dans l'avis d'expert, l'exploitation d'une prairie de haute valeur biologique est limitée au pâturage et à la coupe de la végétation herbacée avec, sauf mention contraire dans l'avis d'expert, récolte du produit de la fauche ;
  4° l'administration d'aliments concentrés ou de fourrage aux animaux présents sur une prairie de haute valeur biologique est interdite ;
  5° l'utilisation de fertilisants ou de tout autre amendement sur une prairie de haute valeur biologique est interdite ;
  6° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques sur une prairie de haute valeur biologique est interdite ;
  7° la pratique du semis ou du sursemis sur une prairie de haute valeur biologique est interdite ;
  8° les opérations de drainage ou de curage des fossés sur une prairie de haute valeur biologique sont interdites.
  § 2. Il peut être dérogé aux interdictions et exigences prévues au paragraphe 1er, 2°, 4°, 5°, 7° et 8°, dans les circonstances dûment spécifiées et justifiées par l'expert.
  § 3. En cas de fauche d'une prairie de haute valeur biologique, une zone refuge non fauchée, composée d'un couvert herbacé et présentant une superficie correspondant à 10 % au moins de la superficie de la parcelle est maintenue[1 ...]1.
  [2 ...]2
  La localisation d'une zone refuge demeure identique au cours d'une même année, sauf exception dûment spécifiée et justifiée dans l'avis d'expert.
  § 4. La déjection par des animaux lors du pâturage de la prairie de haute valeur biologique n'est pas visée par l'interdiction prévue au paragraphe 1er, 5°.
  
Afdeling 3. - Maatregel nr. 5 "met gras bezaaide perceelsranden"
Section 3. - Mesure n° 5 " tournières enherbées "
Art. 7. Een jaarlijkse steun van [1 1200 euro ]1 per hectare landbouwareaal onder verbintenis wordt toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden bouwland te bewerken overeenkomstig de in de artikelen 8 tot 10 bedoelde specificaties.
  [1 "In toepassing van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt geen steun verleend voor bouwland dat is aangewezen als:
   1° "extensieve stroken (BE 4) door artikel 2, 4°, van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden.
   2° [2 ...]2.
  
Art. 7. Une aide annuelle de [1 1200 euros ]1 par hectare de surface agricole engagée est octroyée aux agriculteurs qui s'engagent à exploiter des terres arables dans le respect du cahier des charges prévu aux articles 8 à 10.
  [1 En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, l'aide n'est pas octroyée pour les terres arables désignées comme :
   1° " bandes extensives " (UG 4) par l'article 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000;
   2° [2 ...]2
  
Art. 8. De specificatie voor maatregel nr. 5 "met gras bezaaide perceelsranden" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° de met gras bezaaide perceelsrand is op bouwland aangelegd;
  2° de met gras bezaaide perceelsrand grenst [1 in de lengte]1 aan ten minste één perceel dat voor de gehele duur van de verbintenis als bouwland is bestemd;
  3° de toegestane breedte van een met gras bezaaide perceelsrand ligt tussen tien en twintig meter, waarvan ten minste tien meter uit gras bestaat;
  4° twee met gras bezaaide perceelsranden mogen niet in de lengte naast elkaar liggen;
  5° de met gras bezaaide perceelsrand heeft een oppervlakte van ten minste twee are;
  6° de oppervlakte van het bedrijf bestemd voor met gras bezaaide perceelsrand bedraagt ten minste twintig are;
  7° de aanleg van een met gras bezaaide perceelsrand voldoet aan de bepalingen van artikel 9 ;
  8° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen of andere wijzigingen op een met gras bezaaide perceelsrand is verboden;
  9° het storten van meststoffen, bodemverbeteraars of gewasbeschermingsmiddelen op een met gras bezaaide perceelsrand is verboden;
  10° het plaatsen van bijenkorven op tijdelijke basis en het plaatsen van fascines op een met gras bezaaide perceelsrand wordt toegestaan;
  11° [1 ...]1
  12° [1 het beheer van de bedekking van een]1 met gras bezaaide perceelsrand is tussen 16 juni en 31 oktober beperkt tot het begrazen en maaien van de kruidachtige vegetatie met oogst van het product van het maaien en begrazing door schapen [1 of geiten]1;
  13° de toegang van gemotoriseerde voertuigen tot een met gras bezaaide perceelsrand wordt geregeld overeenkomstig artikel 10 ;
  14° openbare toegang tot een met gras bezaaide perceelsrand is verboden;
  15° in geval van modderstroom of natuurlijke afzetting van sedimenten van meer dan 10 centimeter dik, afzettingen of schade veroorzaakt door tijdelijke werken van openbaar nut, of schade veroorzaakt door wilde fauna wordt de bedekking van de met gras bezaaide perceelsrand hersteld of opnieuw aangeplant.
  [1 In afwijking van lid 1, 1°, kan een gebied met blijvend grasland gelegen langs een waterloop een wendakker met gras vormen indien de landbouwer aantoont dat de hoedanigheid van blijvend grasland van het gebied het gevolg is van een vervroegde toepassing van de eis van artikel D. 33/3, lid 4, van Boek II van het Milieuwetboek houdende het Waterwetboek.]1
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, mag tijdens de looptijd van de verbintenis op het perceel dat grenst aan de met gras bezaaide perceelsrand niet langer dan drie jaar onafgebroken een plantendek aanwezig zijn.
  In afwijking van het eerste lid, 4°, mogen twee met gras bezaaide perceelsranden in de lengterichting aaneengesloten zijn wanneer de oorspronkelijke configuratie van het betrokken deel van het bouwland waarop de met gras bezaaide perceelsrand is aangelegd, tussen twintig meter en veertig meter breed was.
  In afwijking van het [1 lid 1, 12]1, mag bij het inzaaien van de met gras bezaaide perceelsrand gedurende de eerste drie maanden vanaf de datum van aanleg één keer worden gemaaid door topping zonder dat het product van het maaien wordt geoogst.
  Voor de toepassing van paragraaf 1, 12°, wordt in geval van begrazing of maaien van de met gras bezaaide perceelsrand een vluchtstrook die niet wordt gemaaid of begraasd en die een grasbedekking heeft, gehandhaafd over een breedte van ten minste twee meter. De ligging van de vluchtstrook blijft gedurende hetzelfde jaar dezelfde.
  
Art. 8. Le cahier des charges de la mesure n° 5 " tournières enherbées " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° la tournière enherbée est implantée sur une terre arable ;
  2° la tournière enherbée est [1 sur sa longueur]1 adjacente à au moins une parcelle consacrée durant toute la durée de l'engagement à une terre arable ;
  3° la largeur admissible d'une tournière enherbée est comprise entre dix et vingt mètres inclus, dont au moins dix mètres consistent en un couvert herbacé ;
  4° deux tournières enherbées ne sont pas contiguës longitudinalement ;
  5° la tournière enherbée présente une superficie d'au moins deux ares ;
  6° la superficie de l'exploitation consacrée à des tournières enherbées est d'au moins vingt ares ;
  7° la mise en place d'une tournière enherbée est conforme aux dispositions de l'article 9 ;
  8° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques, de fertilisants ou de tout autre amendement sur une tournière enherbée est interdite ;
  9° le dépôt d'engrais, d'amendement ou de produits de récolte sur une tournière enherbée est interdit ;
  10° l'installation de ruches de manière temporaire et de fascines sur une tournière enherbée est autorisée ;
  11° [1 ...]1
  12° [1 la gestion du couvert de la ]1 tournière enherbée est limitée du 16 juillet au 31 octobre inclus à la coupe de la végétation herbacée avec récolte du produit de la fauche et au pâturage par des ovins [1 ou des caprins]1;
  13° l'accès de véhicules motorisés à une tournière enherbée est réglementé conformément à l'article 10 ;
  14° l'accès du public à une tournière enherbée est interdit ;
  15° en cas de coulée boueuse ou de dépôt naturel de sédiments sur une épaisseur de plus de dix centimètres, de dépôts ou de dégâts occasionnés par des travaux temporaires d'utilité publique ou de dégâts causés par la faune sauvage, une remise en état ou une réimplantation du couvert de la tournière enherbée est réalisée.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, une surface de prairie permanente située le long d'un cours d'eau peut constituer une tournière enherbée si l'agriculteur démontre que la qualité de prairie permanente de la surface résulte d'une mise en oeuvre anticipée de l'exigence prescrite à l'article D. 33/3, alinéa 4, du livre II du Code l'Environnement contenant le Code de l'Eau. ]1
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, au cours de l'engagement, la parcelle adjacente à la tournière enherbée ne peut pas présenter un couvert végétal en place pendant plus de trois ans en continu.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 4°, deux tournières enherbées peuvent être contiguës longitudinalement lorsque la configuration initiale de la partie considérée de la parcelle de terre arable sur laquelle la tournière enherbée a été installée présentait une largeur comprise entre vingt mètres et quarante mètres.
  Par dérogation à l'[1 alinéa 1er, 12°]1, en cas d'ensemencement de la tournière enherbée, une fauche unique par étêtage sans récolte du produit de la fauche peut avoir lieu au cours des trois premiers mois à compter de la date d'installation.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 12°, en cas de pâturage ou de fauche de la tournière enherbée, une bande refuge ni fauchée, ni pâturée et présentant un couvert herbacé est maintenue sur une largeur d'au moins deux mètres. La localisation de la bande refuge demeure identique au cours d'une même année.
  
Art. 9. De aanleg van een met gras bezaaide perceelsrand bestaat hetzij in de handhaving van de reeds bestaande bedekking wanneer het perceel op de eerste dag van de verbintenis reeds met een met gras bezaaide perceelsrand bedekt is of een verbeterd perceel dat is aangelegd in het kader van een eerdere verbintenis die is afgelopen, hetzij in de inzaai van een soortenmengsel uiterlijk op 31 mei van het jaar waarin de eerste betalingsaanvraag wordt ingediend.
  Bij het inzaaien van de een met gras bezaaide perceelsrand wordt de keuze van de samenstelling van het soortenmengsel aan de landbouwer overgelaten, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:
  1° het totale gewicht van het graszaad ligt tussen 40 en 85% van het gewicht dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het zaaien in zuivere teelt;
  2° het totale gewicht van het zaad van Engelse raaigrasraaigras, doddegras, dactylis rietzwenkgras en beemdlangbloem bedraagt niet meer dan 30% van het gewicht dat gewoonlijk voor de inzaai ervan in zuivere teelt wordt gebruikt;
  3° de niet-meerjarige of zeer intensieve soorten, zoals gekruist Italiaans of Westerwoldraaigras, alsook de geteelde dravikken zijn uitgesloten;
  4° in het mengsel zijn ten minste drie soorten basispeulvruchten aanwezig, tot ten minste 5% van het gewicht dat normaliter voor hun inzaai in zuivere teelt wordt gebruikt;
  5° het totale gewicht van het zaad van basispeulvruchten ligt tussen 15 en 40% van het gewicht dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het zaaien in zuivere teelt;
  6° andere dicotylen mogen in het mengsel worden opgenomen, waarbij het gewicht van de zaden voor elke soort ten hoogste 5% van het totale gewicht van het mengsel mag uitmaken.
  De lijst van in aanmerking komende soorten basispeulvruchten en dicotylen staat in bijlage 1.
  De landbouwer bewaart bewijzen van de samenstelling van het gebruikte mengsel.
  De gewichten van de zaden van de in lid 2 bedoelde soorten die gewoonlijk voor het zaaien in zuivere teelt worden gebruikt, zijn die bedoeld in artikel 30 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.
Art. 9. L'installation d'une tournière enherbée consiste soit en le maintien du couvert préexistant lorsque la parcelle est au premier jour de l'engagement déjà couverte par une tournière enherbée ou une parcelle aménagée installée dans le cadre d'un engagement antérieur arrivé à son terme, soit en l'ensemencement d'un mélange d'espèces au plus tard le 31 mai de l'année d'introduction de la première demande de paiement.
  En cas d'ensemencement de la tournière enherbée, le choix de la composition du mélange d'espèces est laissé à l'appréciation de l'agriculteur moyennant le respect des exigences suivantes :
  1° le poids total des semences de graminées est compris entre 40 % et 85 % inclus du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure ;
  2° le poids total des semences de ray-grass anglais, de fléoles, de dactyles, de fétuque élevée et de fétuque des prés n'excède pas 30 % du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure ;
  3° les espèces non pérennes ou très intensives, notamment les ray-grass hybrides, le ray-grass italien, le ray-grass de Westerwold et les bromes, cultivées sont exclues ;
  4° au moins trois espèces de légumineuses de base sont présentes dans le mélange, à concurrence, pour chacune des espèces, d'au moins 5 % du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure ;
  5° le poids total des semences de légumineuses de base est compris entre 15 et 40 % inclus du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure ;
  6° d'autres dicotylées peuvent être intégrées dans le mélange, le poids des semences représentant pour chaque espèce au maximum 5 % du poids total du mélange.
  La liste des espèces admissibles de légumineuses de base et de dicotylées figure à l'annexe 1.
  L'agriculteur conserve les preuves de la composition du mélange utilisé.
  Les poids des semences des espèces visées à l'alinéa 2 habituellement utilisés pour leur semis en culture pure sont ceux visés à l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023.
Art. 10. Gemotoriseerde toegang tot een met gras bezaaide perceelsrand is alleen toegestaan in de volgende gevallen:
  1° voor het onderhoud van de met gras bezaaide perceelsrand of, in voorkomend geval, van de daarop aanwezige bijenkasten;
  2° voor het onderhoud van houtgewassen naast de met gras bezaaide perceelsrand en op voorwaarde dat er geen andere toegang is;
  3° voor landbouwwerkzaamheden of het oogsten van houtgewassen op het perceel dat grenst aan de met gras bezaaide perceelsrand en op voorwaarde dat er geen andere toegang is.
  Alle schade die door gemotoriseerd verkeer op de met gras bezaaide perceelsrand wordt veroorzaakt, moet zo spoedig mogelijk worden hersteld.
Art. 10. L'accès de véhicules motorisés à une tournière enherbée est uniquement autorisé dans les hypothèses suivantes :
  1° pour l'entretien de la tournière enherbée ou, le cas échant, des ruches s'y trouvant ;
  2° pour l'entretien de ligneux adjacents à la tournière enherbée et à condition qu'il n'existe pas d'autre accès ;
  3° pour la réalisation de travaux agricoles ou l'exploitation de ligneux sur la parcelle adjacente à la tournière enherbée et à condition qu'il n'existe pas d'autre accès.
  Toute dégradation liée au passage de véhicules motorisés sur la tournière enherbée fait l'objet d'une remise en état dans les meilleurs délais.
Afdeling 4. - Maatregel nr. 9 "ingerichte percelen"
Section 4. - Mesure n° 7 " parcelles aménagées "
Art. 11. Een jaarlijkse steun van [1 [2 1.800 euro]2]1 per hectare landbouwareaal onder verbintenis wordt toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden bouwland te bewerken overeenkomstig de in artikel 12 bedoelde specificaties.
  [2 ...]2
  In toepassing van artikel 11, § 3, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt geen steun verleend voor bouwland die is aangewezen als UG 4 - "Extensieve stroken", door artikel 2, 4°, van het besluit van de Waalse regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000 -locatie afgebakend zouden kunnen worden.
  
Art. 11. Une aide annuelle de [1 [2 1.800 euros]2-1 par hectare de surface agricole engagée est octroyée aux agriculteurs qui s'engagent à exploiter des terres arables dans le respect du cahier des charges visé à l'article 12.
  [2 ...]2
  En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, l'aide n'est pas octroyée pour les terres arables désignées comme " bandes extensives " (UG 4) par l'article 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000.
  
Art. 12. § 1. De specificatie voor maatregel nr. 7 "ingerichte percelen" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° het ingerichte perceel ligt op bouwland;
  2° het ingerichte perceel grenst niet aan een deel van het bedrijf dat onder maatregel nr. 5 "met gras bezaaide perceelsranden" valt;
  3° het ingerichte perceel heeft een oppervlakte tussen twee are en anderhalve hectare, tenzij een uitzondering door de deskundige naar behoren wordt gespecificeerd en gemotiveerd;
  4° de totale oppervlakte van het bedrijf dat voor beheerde percelen is bestemd, bedraagt ten minste twintig are;
  5° de specifieke doelstellingen, locatie, afmetingen, samenstelling van de bedekking, tijdschema en beheersmethoden van het ingerichte perceel worden in het deskundigenadvies gespecificeerd, rekening houdend met de plaatselijke agrarische en ecologische beperkingen of problemen;
  6° het gebruik van meststoffen of enige andere wijziging op het ingerichte perceel is verboden, tenzij een uitzondering door de deskundige naar behoren is gespecificeerd en gemotiveerd;
  7° het gebruik van fytofarmaceutische producten op het ingerichte perceel is verboden [2 tenzij een uitzondering door de deskundige naar behoren wordt gespecificeerd en gemotiveerd;]2;
  8° het storten van meststoffen, bodemverbeteraars of gewasbeschermingsmiddelen op het ingerichte perceel is verboden;
  9° de toegang van gemotoriseerde voertuigen tot een ingericht perceel wordt geregeld overeenkomstig paragraaf 2 ;
  10° de toegang van het publiek tot een ingericht perceel is verboden;
  11° in geval van modderstroom of natuurlijke afzetting van sedimenten van meer dan 10 centimeter dik, afzettingen of schade veroorzaakt door tijdelijke werken van openbaar nut, of schade veroorzaakt door wilde fauna wordt de bedekking van het perceel hersteld of opnieuw aangeplant.
  [1 In afwijking van lid 1, 1°, kan een gebied met blijvend grasland gelegen langs een waterloop een ingericht perceel vormen indien de landbouwer aantoont dat de hoedanigheid van blijvend grasland van het gebied het gevolg is van een vervroegde toepassing van de eis van artikel D. 33/3, lid 4, van Boek II van het Milieuwetboek houdende het Waterwetboek.]1
  [1 In toepassing van artikel 28, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen:
   1° de eis bedoeld in lid 1, 2°, geldt voor verbintenissen aangegaan vóór 1 januari 2023, voor methode nr. 7 "ingerichte percelen" en methode nr. 8 "ingerichte stroken", zoals bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 3 september 2015 betreffende de agromilieu- en klimaatsteun, enkel indien zij het voorwerp uitmaken van een aanvraag tot verlenging met ingang van 1 januari 2023 en enkel voor percelen die het voorwerp uitmaken van de verlengingsaanvraag;
   2° de eis bedoeld in lid 1, 4°, is niet van toepassing voor verbintenissen die vóór 1 januari 2023 zijn aangegaan voor methode nr. 7 "ingerichte percelen" zoals bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 3 september 2015 betreffende de agromilieu- en klimaatsteun]1
.
  § 2. Gemotoriseerde toegang tot een ingericht perceel is alleen toegestaan in de volgende gevallen:
  1° voor het onderhoud van het ingerichte perceel, zoals gespecificeerd in het deskundigenadvies;
  2° voor het onderhoud van houtgewassen naast het ingerichte perceel en op voorwaarde dat er geen andere toegang is;
  3° voor landbouwwerkzaamheden of het oogsten van houtgewassen op het perceel dat grenst aan het ingerichte perceel en op voorwaarde dat er geen andere toegang is.
  Alle schade die door gemotoriseerd verkeer op het ingerichte perceel wordt veroorzaakt, moet zo spoedig mogelijk worden hersteld.
  
Art. 12. § 1er. Le cahier des charges de la mesure n° 7 " parcelles aménagées " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° la parcelle aménagée est implantée sur une terre arable ;
  2° la parcelle aménagée n'est pas adjacente à une surface de l'exploitation engagée dans la mesure n° 5 " tournières enherbées " ;
  3° la parcelle aménagée présente une superficie comprise entre deux ares et un hectare et demi inclus, sauf exception dûment spécifiée et justifiée par l'expert ;
  4° la superficie totale de l'exploitation engagée en parcelles aménagées est d'au moins vingt ares ;
  5° les objectifs particuliers, la localisation, les dimensions, la composition du couvert, le calendrier et modalités de gestion de la parcelle aménagée sont précisés dans l'avis d'expert en tenant compte des contraintes ou enjeux agricoles et environnementaux locaux ;
  6° l'utilisation de fertilisants ou de tout autre amendement sur la parcelle aménagée est interdite, sauf exception dûment spécifiée et justifiée par l'expert ;
  7° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques sur la parcelle aménagée est interdite [2 , sauf exception dûment spécifiée et justifiée par l'expert ]2;
  8° le dépôt d'engrais, d'amendement ou de produits de récolte sur la parcelle aménagée est interdit ;
  9° l'accès de véhicules motorisés à une parcelle aménagée est réglementé conformément au paragraphe 2 ;
  10° l'accès du public à une parcelle aménagée est interdit ;
  11° en cas de coulée boueuse ou de dépôt naturel de sédiments sur une épaisseur de plus de dix centimètres, de dépôts ou de dégâts occasionnés par des travaux temporaires d'utilité publique ou de dégâts causés par la faune sauvage, une remise en état ou une réimplantation du couvert de la parcelle est réalisée.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, une surface de prairie permanente située le long d'un cours d'eau peut constituer [2 une ]2 parcelle aménagée si l'agriculteur démontre que la qualité de prairie permanente de la surface résulte d'une mise en oeuvre anticipée de l'exigence prescrite à l'article D. 33/3, alinéa 4, du livre II du Code l'Environnement contenant le Code de l'Eau. ]1
  [1 En application de l'article 28, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques :
   1° l'exigence prévue à l'alinéa 1er, 2°, s'applique aux engagements souscrits avant le 1er janvier 2023, pour la méthode n° 7 " parcelles aménagées " et la méthode n° 8 " bandes aménagées " prévues par l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 septembre 2015 relatif aux aides agro-environnementales et climatiques, uniquement s'ils font l'objet d'une demande d'extension à partir du 1er janvier 2023 et uniquement pour les parcelles faisant l'objet de la demande d'extension;
   2° l'exigence prévue à l'alinéa 1er, 4°, ne s'applique pas aux engagements souscrits avant le 1er janvier 2023 pour la méthode n° 7 " parcelles aménagées " prévue par l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 septembre 2015 relatif aux aides agro-environnementales et climatiques]1
.
  § 2. L'accès de véhicules motorisés à une parcelle aménagée est uniquement autorisé dans les hypothèses suivantes :
  1° pour l'entretien de la parcelle aménagée, comme spécifié dans l'avis d'expert ;
  2° pour l'entretien de ligneux adjacents à la parcelle aménagée et à condition qu'il n'existe pas d'autre accès ;
  3° pour la réalisation de travaux agricoles ou l'exploitation de ligneux sur la parcelle adjacente à la parcelle aménagée et à condition qu'il n'existe pas d'autre accès.
  Toute dégradation liée au passage de véhicules motorisés sur la parcelle aménagée fait l'objet d'une remise en état dans les meilleurs délais.
  
Afdeling 5. - Maatregel nr. 10 "Actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw"
Section 5. - Mesure n° 10 " plan d'action agro-environnemental "
Art. 13. Een jaarlijkse steun wordt toegekend aan landbouwers die landbouwarealen in het Waalse Gewest exploiteren en zich ertoe verbinden maatregel nr. 10 "actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw" uit te voeren. De steun wordt berekend aan de hand van de volgende formule: 20*X + 0,05*Y.
  Voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde formule:
  1° "X" stemt overeen met het aantal hectaren landarealen van het bedrijf, zoals bepaald in de verzamelaanvraag voor het betrokken jaar en beperkt tot vijftig ;
  2° "Y" komt overeen met het totale gecumuleerde bedrag van de agromilieu- en klimaatsteun, de steun voor biologische landbouw en de steun in het kader van de ecoregelingen die de landbouwer voor het betrokken jaar heeft ontvangen.
Art. 13. Une aide annuelle est octroyée aux agriculteurs exploitant des surfaces agricoles en Région wallonne et qui s'engagent à mettre en oeuvre la mesure n° 10 " plan d'action agro-environnemental ". L'aide est calculée selon la formule suivante : 20*X + 0,05*Y.
  Pour l'application de la formule visée à l'alinéa 1er :
  1° " X " correspond au nombre d'hectares de surfaces agricoles de l'exploitation, tels que définis dans la demande unique pour l'année considérée et plafonnés à cinquante ;
  2° " Y " correspond au montant total cumulé des aides agro-environnementale et climatiques, de l'aide à l'agriculture biologique et de l'aide aux éco-régimes perçues par l'agriculteur pour l'année considérée.
Art. 14. § 1. De eisen waaraan in het kader van maatregel nr. 10 "actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw" moet worden voldaan, zijn de volgende:
  1° voordat de landbouwer de steunaanvraag indient, stelt een deskundige als bedoeld in artikel 5 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen een actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw op overeenkomstig paragraaf 2;
  2° de landbouwer voert het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw uit gedurende de hele looptijd van de verbintenis door de in 3° bedoelde bijwerkingen op te nemen;
  3° in geval van belangrijke wijzigingen in het bedrijf of het optreden van elementen die de uitvoering van het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw kunnen vergemakkelijken of vertragen, wordt dit plan in samenwerking met de deskundige bijgewerkt;
  4° aan het einde van de verbintenis stelt de deskundige een evaluatieverslag op op basis van de resultaten, de conclusies en de vooruitzichten van het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw ten opzichte van de aanvankelijk vastgestelde doelstellingen;
  5° de deskundige beoordeelt de sterke en zwakke punten van het bedrijf op agromilieu- en klimaatgebied aan de hand van de volgende indicatieve lijst en rekening houdend met de specifieke kenmerken van het bedrijf
  a) beheer van de bemesting en van de grond (bemestingsboekje en -plan, compostering, biomethanisatie, bijdrage tot mestbanken, wintergrondbedekking, maatregelen voor een redelijke bemesting, stikstofbalans, voederanalyse en berekening van porties, analyse van organische dierlijke mest, aanwezigheid van teelten met een sterk verminderd gebruik van biociden en meststoffen, gerichte toepassingen, analysen van landbouwarealen, erosiebestrijding en -preventie, en behoud of verhoging van het koolstofgehalte van de bodem;;
  b) het beheer van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;
  c) landschappelijk beheer en inrichting van de omtrek van de boerderij, met name de architecturale integratie van de verschillende gebouwen, onderhoud van de omtrek van de boerderij, zichtbaarheid van eventuele negatieve elementen t.a.v. omwoners en het publiek, gebruik van beplantingen voor voornoemde inrichting, inheemse aard van de beplantingen;
  d) beheer van biodiversiteits- en landschapselementen in het landbouwgebied, met name het gedeelte gebruikt door het ecologisch netwerk in het bedrijf, gepaste uitbating van marginale weiden, goedkeuring van acties voor een milieuvriendelijke landbouw ter ontwikkeling van het ecologisch netwerk en het landschap alsook ter instandhouding van het leefmilieu aan de rand van landbouwarealen, beschermde proportie van waterlopen, proportie van houtelementen die elk jaar onderhouden worden, extensieve exploitatie van natuurlijke milieus voor rekening van verenigingen of van het Waalse Gewest, oprichting van natuurlijke milieus (poelen, beplantingen,...), opvang van de aan landbouwgebouwen gebonden kleine fauna (zwaluwen, kerkuilen, vleermuizen,...), acties ter instandhouding van het landbouwpatrimonium;
  e) zuiveringsactie en andere milieuaspecten.
  § 2. Het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw bevat de volgende elementen:
  1° een milieudiagnose van het bedrijf met de nadruk op :
  a) de prioritaire milieu-uitdagingen van het grondgebied;
  b) de sterke en zwakke punten wat betreft de toepassing van de goede landbouw- en milieupraktijken;
  c) de specifieke sterke en zwakke punten van het bedrijf op het gebied van agromilieu-inspanningen die op basis van de in lid 1, onder 5°, bedoelde elementen zijn vastgesteld, met bijzondere nadruk op die welke verband houden met de op territoriaal niveau vastgestelde prioritaire milieuvraagstukken;
  2° een lijst van agromilieuacties die moeten worden ondernomen met betrekking tot de in 1° bedoelde prioritaire vraagstukken, waaronder de aanneming van goede landbouw- en milieupraktijken, de inzet voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, de toepassing van ecoregelingen of elke andere actie die kan bijdragen tot het oplossen van de zwakke punten en het versterken van de sterke punten van het bedrijf.
  De in 2° bedoelde acties worden beschouwd als doorlopende acties of hebben een termijn van één jaar, vijf jaar of langer. Deze termijnen zijn gebaseerd op de specifieke sterke en zwakke punten van het bedrijf en op de prioritaire milieuproblemen van het grondgebied.
  § 3. De landbouwer stemt in met het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw en met elke bijwerking ervan.
  § 4. De verlenging van het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw voor een nieuwe verbintenis is afhankelijk van een evaluatieverslag waarin de gunstige uitvoering van het actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw wordt bevestigd.
Art. 14. § 1er. Les exigences à respecter dans le cadre de la mesure n° 10 " plan d'action agro-environnemental " sont les suivantes :
  1° avant l'introduction de la demande d'aide par l'agriculteur, un expert visé à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques établit un plan d'action agro-environnemental conforme au paragraphe 2 ;
  2° l'agriculteur exécute le plan d'action agro-environnemental durant toute la durée de l'engagement en intégrant les mises à jour visées au 3° ;
  3° en cas de modification substantielle de l'exploitation ou de la survenance d'éléments susceptibles de faciliter ou de retarder la mise en oeuvre du plan d'action agro-environnemental, ce dernier est mis à jour en collaboration avec l'expert ;
  4° au terme de l'engagement, l'expert réalise un rapport d'évaluation sur base des résultats, des conclusions et des perspectives du plan d'action agro-environnemental eu égard aux objectifs initialement fixés ;
  5° l'expert passe en revue les forces et les faiblesses de l'exploitation en matière agro-environnementale et climatique eu égard à la liste indicative des éléments suivants et en tenant compte des caractéristiques spécifiques de l'exploitation :
  a) gestion de la fertilisation et du sol au moyen, entre autres, d'un cahier d'épandage, de plans de fumure, du compostage, de la biométhanisation, de la participation à des banques d'effluents, de la couverture hivernale du sol, de l'adoption de conseils pour une fertilisation raisonnée, d'un bilan d'azote, d'une analyse de fourrages et de calcul de rations, de l'analyse d'effluents organiques, de la présence de cultures à forte réduction d'intrants et d'applications localisées, d'analyses de surfaces agricoles, de la lutte et de la prévention contre l'érosion et du maintien ou de l'augmentation de la teneur en carbone des sols ;
  b) gestion de l'utilisation des produits phytopharmaceutiques ;
  c) gestion du paysage et de l'aménité des abords de ferme comprenant l'intégration architecturale des différents bâtiments, l'entretien des abords de ferme, la visibilité d'éléments négatifs éventuels vis-à-vis des riverains et du public, l'utilisation de plantations pour l'aménagement des abords de ferme ou le caractère indigène des plantations ;
  d) gestion des éléments de la biodiversité et du paysage dans la zone agricole comprenant la proportion occupée par le réseau écologique dans l'exploitation, l'exploitation appropriée des prairies marginales, l'adoption d'actions agro-environnementales de développement du réseau écologique et du paysage ainsi que de préservation de l'environnement en bordure des surfaces agricoles, la proportion de cours d'eau protégés, la proportion d'éléments ligneux entretenus chaque année, l'exploitation extensive de milieux naturels pour le compte d'associations ou de la Région wallonne, la création de milieux naturels tels que des mares ou des plantations, l'accueil de la petite faune inféodée aux bâtiments agricoles ou des actions de conservation du patrimoine agricole ;
  e) effort d'épuration et autres aspects environnementaux.
  § 2. Le plan d'action agro-environnemental comprend les éléments suivants :
  1° un diagnostic environnemental de l'exploitation mettant en évidence :
  a) les enjeux environnementaux prioritaires du territoire ;
  b) les forces et les faiblesses en matière d'application des bonnes pratiques agricoles et environnementales ;
  c) les forces et les faiblesses spécifiques à l'exploitation en matière d'effort agro-environnemental et identifiées sur base des éléments visés au paragraphe 1er, 5°, avec un accent particulier sur ceux liés aux enjeux environnementaux prioritaires identifiés à l'échelle du territoire ;
  2° une liste d'actions agro-environnementales à entreprendre au regard des enjeux prioritaires visés au 1°, comprenant l'adoption de bonnes pratiques agricoles et environnementales, l'engagement pour des mesures agro-environnementales et climatiques, la mise en oeuvre d'éco-régimes ou de toute autre action susceptible de contribuer à la résolution des faiblesses et à la valorisation des forces de l'exploitation.
  Les actions visées au 2° sont soit considérées comme des actions continues, soit assorties d'une échéance, fixée à l'horizon d'une année, de cinq années ou à plus long terme. Ces échéances sont basées sur les forces et les faiblesses spécifiques à l'exploitation et sur les enjeux environnementaux prioritaires du territoire.
  § 3. L'agriculteur marque son accord sur le plan d'action agro-environnemental et chacune de ses mises à jour.
  § 4. La reconduction du plan d'action agro-environnemental pour un nouvel engagement est conditionnée à un rapport d'évaluation attestant une exécution favorable du plan d'action agro-environnemental.
Afdeling 6. - Maatregel nr. 11 "bedreigde plaatselijke rassen"
Section 6. - Mesure n° 11 " races locales menacées "
Art. 15. Een jaarlijkse steun van 200 euro per rund, 200 euro per paard en [1 , 100 euro per varken]1 40 euro per schaap wordt toegekend aan landbouwers die dieren houden die aan de in artikel 16 bedoelde eisen voldoen.
  [1 Per zeug wordt jaarlijks een extra steunbedrag van 50 euro toegekend als in het betreffende jaar een nest wordt ingeschreven in een klasse van de hoofdafdeling van een stamboek van het ras.]1
  
Art. 15. Une aide annuelle de 200 euros par bovin, 200 euros par cheval [1 , 100 euros par porc ]1 et 40 euros par mouton est octroyée aux agriculteurs qui détiennent des animaux répondant aux exigences visées à l'article 16.
  [1 Une aide annuelle supplémentaire de 50 euros est octroyée par truie si une portée est enregistrée l'année considérée dans une classe de la section principale d'un livre généalogique de la race .]1
  
Art. 16. De in artikel 15 bedoelde steun wordt toegekend voor dieren met de volgende kenmerken:
  1° zij behoren tot één van de volgende bedreigde plaatselijke rassen:
  a) runderrassen:
  i. gemengd blauw, vroeger gemengd wit-blauw ;
  ii. roodbont ras van het Oosten van België.
  b) schapenrassen :
  i Belgisch melkschaap;
  ii. "Entre-Sambre-et-Meuse "-schaap;
  iii. Houtlandschaap;
  iv. Voskop;
  v. Mergellandschaap.
  c) paardenrassen:
  i. Ardenner trekpaard;
  ii. Belgisch trekpaard.
  [1 d) varkensrassen: piétrainvarkens.]1
  2° zij nemen deel aan een selectieprogramma voor een van de met uitsterven bedreigde plaatselijke rassen die hetzij in het Waalse Gewest, hetzij in een ander gewest van België of een andere lidstaat van de Europese Unie met een in het Waalse Gewest goedgekeurde uitbreiding van het geografische gebied zijn goedgekeurd overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 27 september 2018 betreffende dierfokkerij en tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake fokkerij en Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 (Fokkerijverordening);
  3° zij zijn ingeschreven in een klasse van de hoofdafdeling of, in voorkomend geval, de bijgevoegde afdeling van een stamboek dat wordt bijgehouden in het kader van een selectieprogramma voor een met uitsterven bedreigd ras [2 op 1 januari van het lopende jaar]2;
  4° zij zijn ten minste twee jaar oud voor paarden en runderen [1 van ten minste een jaar oud voor varkens ]1 en ten minste zes maanden oud voor schapen;
  5° als het runderen zijn, worden ze geregistreerd in Sanitel ;
  6° in het geval van schapen [1 , varkens]1 of paarden worden zij op verzoek van het betaalorgaan opgenomen in de door de administratie beschikbaar gestelde geautomatiseerde registratieapplicatie voor dieren.
  In afwijking van het eerste lid, 3°, worden de volgende dieren uitsluitend ingeschreven in een klasse van de hoofdafdeling van het stamboek:
  1° Belgisch trekpaard;
  2° Voskop;
  3° koeien van het gemengd blauw ras, indien de veehouder gedurende zeven jaar of langer heeft deelgenomen aan een selectieprogramma als bedoeld in het eerste lid, 2°.
  [1 4° piétrainvarkens]1
  Krachtens artikel 28, § 2, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 is lid 2, 3°, niet van toepassing op de verbintenissen die vóór 1 januari 2023 zijn aangegaan voor methode nr. 11 "bedreigde plaatselijke rassen" krachtens het besluit van de Waalse regering van 3 september 2015 betreffende agromilieu- en klimaatsteun.
  [1 Lid 2, 3°, is niet van toepassing voor dieren ingeschreven in een klasse van de bijgevoegde afdeling van het betreffende stamboek en die door de landbouwer worden gehouden in 2023.]1
  
Art. 16. L'aide visée à l'article 15 est octroyée pour les animaux répondant aux caractéristiques suivantes :
  1° ils appartiennent à l'une des races locales menacées de disparition suivantes :
  a) races bovines :
  i. bleue mixte, anciennement blanc-bleu mixte ;
  ii. rouge-pie de l'Est de la Belgique.
  b) races ovines :
  i. mouton laitier belge ;
  ii. mouton Entre-Sambre et Meuse ;
  iii. mouton ardennais tacheté ;
  iv. mouton ardennais roux ;
  v. mouton Mergelland.
  c) races chevalines :
  i. cheval de trait ardennais ;
  ii. cheval de trait belge.
  [1 d) races porcines : porc piétrain.]1
  2° ils participent à un programme de sélection pour l'une des races locales menacées de disparition, approuvé soit en Région wallonne, soit dans une autre région de Belgique ou un autre Etat membre de l'Union européenne avec une extension de sa zone géographique approuvée en Région wallonne conformément à l'arrêté du Gouvernement Wallon du 27 septembre 2018 relatif à l'élevage d'animaux et modifiant diverses dispositions relatives à l'élevage et au règlement (UE) n° 2016/1012 du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2016 relatif à l'élevage d'animaux ;
  3° ils sont inscrits dans une classe de la section principale ou, le cas échéant, de la section annexe d'un livre généalogique tenu dans le cadre d'un programme de sélection pour une race menacée de disparition ;
  4° ils sont âgés d'au moins deux ans en ce qui concerne les chevaux et les bovins [1 , d'au moins un an en ce qui concerne les porcs ]1 et d'au moins six mois en ce qui concerne les ovins ;
  5° s'il s'agit de bovins, ils sont enregistrés dans Sanitel ;
  6° s'il s'agit de moutons [1 , de porcs ]1 ou de chevaux, ils sont listés à la demande de l'organisme payeur dans l'application informatisée d'enregistrement des animaux mise à disposition par l'administration.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, les animaux suivants sont inscrits exclusivement dans une classe de la section principale du livre généalogique :
  1° les chevaux de trait belges ;
  2° les moutons ardennais roux ;
  3° les vaches de la race bleue mixte, lorsque l'agriculteur participe à un programme de sélection visé à l'alinéa 1er, 2°, depuis sept années ou plus [2 u 1er janvier de l'année concernée ; ]2.
  [1 4° les porcs piétrains]1
  En application de l'article 28, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023, l'alinéa 2, 3°, ne s'applique pas aux engagements souscrits avant le 1er janvier 2023 pour la méthode n° 11 " races locales menacées " en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 septembre 2015 relatif aux aides agro-environnementales et climatiques.
  [1 L'alinéa 2, 3°, ne s'applique pas aux animaux inscrits dans une classe de la section annexe du livre généalogique concerné et présent en 2023 dans le troupeau de l'agriculteur. ]1
  
Afdeling 7. - Maatregel nr. 12 "percelen met nog staande graangewassen"
Section 7. - Mesure n° 12 " parcelles de céréales laissées sur pied "
Art. 17. Een jaarlijkse steun van [2 1600 euro]2 per hectare landbouwareaal onder verbintenis wordt toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden bouwland te bewerken overeenkomstig de in artikel 18 bedoelde specificaties.
  [1 In toepassing van artikel 11, § 3, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt geen steun verleend voor bouwland dat is aangewezen als:
   1° "extensieve stroken (BE 4) door artikel 2, 4°, van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000. locatie afgebakend zouden kunnen worden.
   2° [2 ...]2
  
Art. 17. Une aide annuelle de [2 1600 euros ]2 par hectare de surface agricole engagée est octroyée aux agriculteurs qui s'engagent à exploiter des terres arables dans le respect du cahier des charges visé à l'article 18.
  [1 En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, l'aide n'est pas octroyée pour les terres arables désignées comme :
   1° " bandes extensives " (UG 4) par l'article 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000.
  [2 ...]2
  
Art. 18. § 1. De specificatie voor maatregel nr. 12 "percelen met nog staande graangewassen" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° de landbouwer verbindt zich ertoe het huidige gewas niet te oogsten en het te laten staan tot de laatste dag van februari op het gehele areaal van één of meer percelen;
  2° de landbouwer verbindt zich ertoe deze specificatie na te leven op een oppervlakte van minimaal vijftig hectare en maximaal tien hectare;
  3° de percelen met nog staande graangewassen die overblijven bestaan uit een zuivere graanteelt, een mengsel van granen of een mengsel van granen en peulvruchten, ingezaaid in de gebruikelijke dichtheden;
  4° de samenstelling van de inzaaiing, die elk jaar plaatsvindt, kan van jaar tot jaar verschillen;
  5° [1 onverminderd 8°, is]1 het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een perceel graan dat blijft staan, is verboden van 1 juli tot en met de laatste dag van februari van het volgende jaar;
  6° de omvang van de percelen met nog staande graangewassen, ligt tussen twee are en [1 vijftig are]1;
  7° de door dezelfde landbouwer aangegeven percelen met nog staande graangewassen staan op een afstand van ten minste honderd meter van elkaar en op een afstand van ten minste vijftig meter van een bebost gebied.
  [1 8° gebruik van insecticiden en groeiregulatoren [2 is verboden vanaf de datum van inzaai]2;
   9° [2 de landbouwer voert op elk perceel onder verbintenis één van de volgende handelingen uit:
  a) de plaatsing van ten minste twee veldleeuwerikvensters op een afstand van de rand van het perceel, elk meer dan [3 drie meter ]3 breed en elk tussen tien en vijftig vierkante meter groot;
  b) de installatie van ten minste twee zitplaatsen voor roofvogels.]2
]1

  In afwijking van lid 1, 1°, wordt in het laatste jaar van de verbintenis [1 ...]1 de teelt gehandhaafd tot en met 31 december.
  Voor de toepassing van paragraaf 1, 7°, wordt onder "beboste gebieden" verstaan gebieden die bestaan uit bomen of struiken die op korte afstand van elkaar zijn geplant zodat zij een dicht struikgewas vormen, met de volgende kenmerken:
  1° zij hebben een oppervlakte van meer dan dertig are;
  2° zij zijn meer dan tien meter breed;
  3° de afstand tussen de kronen van de bomen of struiken bedraagt ten hoogste vijf meter;
  Elementen die als nevengeschikt aan bos worden beschouwd, zoals de ruimtes met natuurlijke habitats, de houtopslagen, de open voederplaatsen, de moerassen, de vijvers, de brandwegen en paden, worden met bos gelijkgesteld.
  [3 Voor de toepassing van paragraaf 1, 3°, wordt onder "gebruikelijke dichtheden" verstaan de gebruikelijke dichtheid van het zaaien van granen of peulvruchten in zuivere teelt bepaald in toepassing van artikel 30 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023. ]3
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 3°, is de lijst van de graansoorten die in aanmerking komen voor hun vestiging in zuivere teelten opgenomen in bijlage 2.
  In het geval van een mengsel van granen en peulvruchten moet het totale gewicht van het zaaigoed van granen ten minste 50% bedragen van het gewicht dat gewoonlijk voor de inzaai in zuivere teelt wordt gebruikt. Het totale gewicht van het zaad van peulvruchten bedraagt ten minste 20% van het gewicht dat gewoonlijk voor de inzaai in zuivere teelt wordt gebruikt. De keuze van de samenstelling van het mengsel wordt aan de landbouwer overgelaten
  De gewichten van de zaden die gewoonlijk voor het zaaien van granen of peulvruchten in zuivere teelt worden gebruikt, zijn die bedoeld in artikel 30 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.
  De subsidiabiliteit van een teelt wordt bepaald op basis van de op 31 mei aanwezige bedekking.
  
Art. 18. § 1er. Le cahier des charges de la mesure n° 12 " parcelles de céréales laissées sur pied " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° l'agriculteur s'engage à ne pas récolter la culture présente et à la laisser sur pied jusqu'au dernier jour du mois de février sur l'entièreté de la superficie d'une ou de plusieurs parcelles ;
  2° l'agriculteur s'engage à respecter le présent cahier des charges sur une superficie minimale de cinquante ares et de maximum dix hectares ;
  3° les parcelles de céréales laissées sur pied sont composées d'une culture pure de céréales, d'un mélange de céréales ou d'un mélange de céréales et de légumineuses, semées aux densités usuelles ;
  4° la composition du semis, qui a lieu chaque année, peut varier d'une année à l'autre ;
  5° [1 Sans préjudice du 8°,]1 l'utilisation de produits phytopharmaceutiques sur une parcelle de céréales laissées sur pied est interdite du 1er juillet au dernier jour inclus du mois de février de l'année suivante ;
  6° les parcelles de céréales laissées sur pied ont une superficie comprise entre deux ares et [1 cinquante ares ]1 ;
  7° les parcelles de céréales laissées sur pied déclarées par un même agriculteur sont distantes d'au moins cent mètres les unes des autres et d'au moins cinquante mètres d'une surface boisée.
  [1 8° l'utilisation d'insecticides et de régulateurs de croissance est interdite [2 à compter de la date du semis]2;
   9° [2 l'agriculteur réalise l'une des actions suivantes sur chaque parcelle engagée :
  a) l'installation d'au moins deux plots à alouettes situés à l'écart de la bordure de la parcelle et présentant chacun une largeur de plus de [3 trois mètres]3 et une superficie comprise entre dix et cinquante mètres carrés ;
  b) l'installation d'au moins deux perchoirs pour rapaces.]2
]1

  Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, la dernière année de l'engagement[1 ...]1 la culture est laissée sur pied jusqu'au 31 décembre.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 7°, l'on entend par " surfaces boisées " les étendues composées d'arbres ou d'arbustes implantés à faible distance les uns des autres de façon à constituer des couverts arbustifs denses, présentant les caractéristiques suivantes :
  1° ils ont une superficie supérieure à trente ares ;
  2° ils ont une largeur de plus de dix mètres ;
  3° la distance maximale entre les couronnes des arbres ou des arbustes est de cinq mètres.
  Sont assimilés aux surfaces boisées les éléments considérés comme leur étant accessoires, tels que les espaces couverts d'habitats naturels, les dépôts de bois, les gagnages, les marais, les étangs, les coupe-feu et les chemins.
  [3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, l'on entend par " densités usuelles ", la densité usuelle du semis des céréales ou des légumineuses en culture pure déterminée en application de l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023. ".]3
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, la liste des espèces de céréales admissibles pour leur implantation en culture pure figure à l'annexe 2.
  Dans le cas d'un mélange de céréales et de légumineuses, le poids total des semences de céréales correspond à au moins 50 % du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure. Le poids total des semences des espèces de légumineuses correspond à 20 % au moins du poids habituellement utilisé pour leur semis en culture pure. Le choix de la composition du mélange est à la discrétion de l'agriculteur
  Les poids de semences habituellement utilisés pour le semis de céréales ou de légumineuses en culture pure sont ceux visés à l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023.
  L'admissibilité d'une culture est déterminée sur base du couvert en place le 31 mai.
  
Afdeling 8. - Maatregel nr. 13 "voederautonomie"
Section 8. - Mesure n° 13 " autonomie fourragère "
Art. 19. § 1. Aan landbouwers die zich ertoe verbinden de in artikel 21 bedoelde specificaties na te leven, wordt jaarlijks steun toegekend voor het totale graslandareaal van het bedrijf, waarvan de bedragen als volgt worden vastgesteld:
  1° indien zij zich ertoe verbinden een gemiddelde veebezetting van ten hoogste 1,4 GVE per hectare voederareaal aan te houden, bedraagt de steun 60 euro per hectare;
  2° indien zij zich ertoe verbinden een gemiddelde veebezetting van 1,8 GVE of minder per hectare voederareaal aan te houden, bedraagt de steun 30 euro per hectare.
  [1 ...]1
  [1 § 1/ 1. Indien de gemiddelde veebezetting lager is dan 0,6 GVE per hectare voederareaal, wordt de steun slechts toegekend voor het areaal grasland dat nodig is om een veebezetting van 0,6 GVE per hectare te bereiken.
   In afwijking van lid 1, geldt voor bedrijven die alleen schapen of geiten tot hun gemiddelde veebezetting rekenen, voor de toepassing van dit artikel een minimale veebezetting van 0,4 GVE per hectare voederareaal.
   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van een landbouwer-pachter die gedurende het kalenderjaar van de steunaanvraag een begrazingscontract in de zin van artikel R. 211 van Boek II van het Milieuwetboek houdende het Waterwetboek heeft gesloten.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "landbouwer-pachter" verstaan een landbouwer van wie een of meer percelen voederareaal door dieren van een andere landbouwer worden begraasd. ]1

  § 2. Er wordt geen steun verleend voor een bedrag van minder dan 100 euro, berekend op het niveau van het bedrijf.
  
Art. 19. § 1er. Une aide annuelle dont les montants sont fixés comme suit est octroyée pour la superficie totale de prairies de l'exploitation aux agriculteurs qui s'engagent à respecter le cahier des charges visé à l'article 21 :
  1° s'ils s'engagent à maintenir une charge en bétail moyenne inférieure ou égale à 1,4 UGB par hectare de surface fourragère, le montant de l'aide est de 60 euros par hectare ;
  2° s'ils s'engagent à maintenir une charge en bétail moyenne inférieure ou égale à 1,8 UGB inclus par hectare de surface fourragère, le montant de l'aide est de 30 euros par hectare.
  [1 ...]1
  [1 § 1/1. Si la charge en bétail moyenne est inférieure à 0,6 UGB par hectare de surface fourragère, l'aide est octroyée seulement pour la superficie de prairies nécessaire pour que la charge en bétail atteigne 0,6 UGB par hectare.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les exploitations comptabilisant uniquement des ovins ou des caprins dans leur charge en bétail moyenne, la charge en bétail minimale pour l'application du présent article est de 0,4 UGB par hectare de surface fourragère.
   L'alinéa 2 ne s'applique pas à l'égard de l'agriculteur preneur engagé dans un contrat de pâturage au sens de l'article R. 211 du livre II du Code l'Environnement contenant le Code de l'Eau au cours de l'année civile de la demande d'aide.
   Pour l'application du présent paragraphe, l'on entend par " agriculteur preneur ", l'agriculteur dont une ou plusieurs parcelles de surfaces fourragères sont pâturées par les animaux d'un autre agriculteur. ]1

  § 2. L'aide n'est pas octroyée pour un montant inférieur à 100 euros calculé au niveau de l'exploitation.
  
Art. 20. [1 ...]1 Voor de toepassing van de artikelen 19 en 21 wordt de gemiddelde veebezetting berekend overeenkomstig artikel 28 [1 § 1 tot 4, ]1 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.
  
Art. 20. [1 ...]1 Pour l'application des articles 19 et 21, la charge en bétail moyenne est calculée conformément à l'article 28 [1 § 1er à 4, ]1 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023.
  
Art. 21. [1 § 1.]1De specificatie voor maatregel nr. 13 "voederautonomie" bestaat uit de volgende eisen en verboden:
  1° de landbouwer verbindt zich ertoe om voor de gehele duur van de verbintenis per hectare voederareaal een van de volgende gemiddelde veebezettingen aan te houden:
  a) een gemiddelde veebezetting van 1,4 GVE of minder;
  b) een gemiddelde veebezetting van 1,8 GVE of minder.
  2° het gebruik van andere organische meststoffen of andere organische supplementen dan die welke door de voor de berekening van de veebelasting gebruikte dieren worden geproduceerd, is verboden op subsidiabel grasland;
  3° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden op subsidiabel grasland;
  4° de aanwezigheid van dieren die niet voldoen aan de eisen van artikel 28, [2 § 3,]2 ,tweede lid, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023, op subsidiabel grasland is verboden.
  [1 ...]1
  [1 § 2. In afwijking van lid 1, 2°, is het gebruik van organische meststoffen of andere organische supplementen dan die welke door de voor de veebezetting gebruikte dieren worden geproduceerd, toegestaan op daarvoor subsidiabele graslanden onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
   1° de oppervlakten waarop het gebruik plaatsvindt, zijn gedekt door een certificaat, zoals bepaald in artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 met betrekking tot de biologische productie en etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad;
   2° het grondgebondenheidscijfer van het bedrijf, berekend in het jaar voorafgaand aan dat van de betalingsaanvraag, is kleiner dan of gelijk aan 0,6.
   Het grondgebondenheidscijfer dat voor de toepassing van lid 1, 2°, in aanmerking wordt genomen, is dat van het totale grondgebondenheidscijfer en het grondgebondenheidscijfer in kwetsbare gebieden bedoeld in respectievelijk de artikelen R.210, § 4, en R.214, § 2, van Boek II van het Milieuwetboek houdende het Waterwetboek, met de hoogste waarde.]1

  
Art. 21. [1 § 1.]Le cahier des charges de la mesure n° 13 " autonomie fourragère " est constitué des exigences et interdictions suivantes :
  1° l'agriculteur s'engage à maintenir l'une des charges en bétail moyennes suivantes par hectare de surface fourragère pendant toute la durée de l'engagement :
  a) une charge en bétail moyenne inférieure ou égale à 1,4 UGB ;
  b) une charge en bétail moyenne inférieure ou égale à 1,8 UGB.
  2° l'utilisation d'engrais organiques ou de tout autre amendement organique autres que ceux produits par les animaux ayant servi à calculer la charge en bétail est interdite sur les prairies admissibles ;
  3° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques est interdite sur les prairies admissibles ;
  4° la présence d'animaux ne répondant pas aux exigences prévues à l'article 28, [ § 3, ]1
alinéa 2, de l'arrête du Gouvernement wallon du 23 février 2023, sur les prairies admissibles est interdite.
  [1 ...]1.
  [1 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, l'utilisation d'engrais organiques ou de tout autre amendement organique autre que ceux produits par les animaux ayant servi à établir la charge en bétail est autorisée sur les prairies admissibles aux conditions cumulatives suivantes :
   1° les surfaces sur lesquelles l'utilisation a lieu sont couvertes par un certificat, tel que prévu à l'article 35, § 1er, du règlement (UE) n° 2018/848 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2018 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques, et abrogeant le règlement (CE) n° 834/2007 du Conseil;
   2° le taux de liaison au sol de l'exploitation, calculé l'année précédant celle de la demande de paiement, est inférieur ou égal à 0,6.
   Le taux de liaison au sol pris en compte pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, est celui du taux de liaison au sol global et du taux de liaison au sol en zone vulnérable visés aux articles R.210, § 4, et R.214, § 2, respectivement, du livre II du Code l'Environnement contenant le Code de l'Eau, présentant la valeur la plus élevée.]1

  
Afdeling 9. - Maatregel nr. 14 "bodem"
Section 9. - Mesure n° 14 " sols "
Art. 22. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
  1° TOK/kleiverhouding: de verhouding tussen het totale gehalte aan organische koolstof in de bodem ("TOK") en het granulometrische kleigehalte ("klei") beoordeeld op de oppervlaktehorizont van een bepaald perceel;
  2° beginbalans: de TOK/kleiverhouding die in het eerste jaar van de verbintenis wordt beoordeeld;
  3° eindbalans: de in het laatste jaar van de verbintenis beoordeelde TOK/kleiverhouding;
  4° organisatie: de organisatie waaraan de Minister de opdracht heeft toevertrouwd om de ontwikkeling van instrumenten voor de controle van de kwaliteit van de analyses en adviezen voor duurzame landbouw in Wallonië te waarborgen.
Art. 22. Pour l'application de la présente section, l'on entend par :
  1° rapport COT/argile : le rapport entre la teneur en carbone organique totale du sol (" COT ") et la teneur en argile granulométrique (" argile ") évalué sur l'horizon de surface d'une parcelle considérée ;
  2° bilan initial : le rapport COT/argile évalué la première année de l'engagement ;
  3° bilan final : le rapport COT/argile évalué la dernière année de l'engagement ;
  4° organisation : l'organisation à laquelle le Ministre a confié la mission de garantir le développement d'outils de maîtrise de la qualité des analyses et des conseils intervenant pour une agriculture raisonnée en Wallonie.
Art. 23. De overeenkomstig artikel 25 berekende steun wordt verleend onder de volgende voorwaarden:
  1° in het eerste jaar van de verbintenis is meer dan 30% van de totale oppervlakte van de landbouwarealen van het bedrijf bouwland;
  2° in het eerste jaar van de verbintenis valt ten minste 90% van de totale oppervlakte subsidiabele landbouwarealen van het bedrijf onder de verbintenis;
  3° het eerste jaar van de verbintenis verbindt de landbouwer zich tot de ecoregeling "langdurige bodembedekking", overeenkomstig artikel 3, 1°, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de ecoregelingen;
  4° in het eerste en het laatste jaar van de verbintenis onderwerpt de landbouwer alle onder de verbintenis vallende landbouwarealen aan een overeenkomstig artikel 24 uitgevoerde evaluatie van hun TOK/kleiverhouding.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, komt elk perceel landbouwareaal van het bedrijf voor de verbintenis in aanmerking, met uitzondering van :
  1°[1 ...]1
  2° percelen bouwland die in de vijf jaar voorafgaand aan het jaar waarin de steunaanvraag wordt ingediend, zijn omgezet vanuit blijvend grasland.
  [1 3° percelen bouwland zoals bedoeld in artikel 47, § 1, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.]1
  
Art. 23. Une aide calculée conformément à l'article 25 est octroyée moyennant le respect des conditions suivantes :
  1° la première année de l'engagement, plus de 30 % de la superficie totale des surfaces agricoles de l'exploitation sont des terres arables ;
  2° la première année de l'engagement, au moins 90 % de la superficie totale des surfaces agricoles admissibles de l'exploitation fait l'objet de l'engagement ;
  3° la première année de l'engagement, l'agriculteur est engagé dans l'éco-régime " couverture longue du sol ", conformément à l'article 3, 1°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux éco-régimes ;
  4° la première et la dernière année de l'engagement, l'agriculteur soumet l'ensemble des surfaces agricoles faisant l'objet de l'engagement à un bilan portant sur leur rapport COT/argile réalisé conformément à l'article 24.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, toute parcelle de surface agricole de l'exploitation est admissible à l'engagement, à l'exception :
  [1 ...]1
  2° des parcelles de terres arables qui ont été converties à partir d'une prairie permanente au cours des cinq années précédant l'année d'introduction de la demande d'aide.
  [1 3° des parcelles de surfaces agricoles visées à l'article 47, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023.]1
  
Art. 24. § 1. De landbouwer dient [1 ten vroegste de dag na de uiterste datum voor het naar boven bijstellen van de verzamelaanvraag, vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023, en ten laatste binnen dertig kalenderdagen van het betrokken jaar]1 een aanvraag voor de begin- of eindbalans in bij een laboratorium dat voldoet aan de in artikel 26, § 1, bedoelde criteria en dat is geselecteerd op basis van de in artikel 26, § 3, bedoelde procedure.
  § 2. De begin- en eindbalans worden opgemaakt volgens de procedure van bijlage 3.
  § 3. De balans wordt door het laboratorium opgesteld en uiterlijk op 30 [1 november van het jaar van de aanvraag bedoeld in paragraaf 1]1 aan de landbouwer en de organisatie toegezonden.
  § 4. De organisatie dient de balans uiterlijk op [1 15 januari van het jaar volgend op het jaar van de aanvraag bedoeld in paragraaf 1]1 in bij het betaalorgaan.
  In het in paragaaf 5 bedoelde geval wordt alleen de balans na de tegenanalyse uiterlijk op de in het eerste lid bedoelde datum aan het betaalorgaan toegezonden.
  § 5. De landbouwer kan het resultaat van de balans bij de organisatie aanvechten binnen 15 dagen na de verzending ervan door het laboratorium.
  Een tegenanalyse [1 , waarvan de kosten ten laste zijn van de landbouwer,]1 wordt uitgevoerd door een door de organisatie aangewezen laboratorium. Het resultaat van de tegenanalyse wordt uiterlijk op de in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde datum aan de landbouwer en het betaalorgaan toegezonden.
  § 6. De landbouwer en het laboratorium houden de balans en de bijbehorende stukken ter beschikking van het betaalorgaan en de organisatie.
  
Art. 24. § 1er. L'agriculteur introduit une demande en vue de la réalisation du bilan initial ou final auprès d'un laboratoire répondant aux critères prévus à l'article 26, § 1er, et sélectionné sur base de la procédure prévue à l'article 26, § 3, [1 au plus tôt le lendemain de la date limite pour la modification à la hausse de la demande unique, fixée conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023, et au plus tard dans les trente jours calendriers de l'année concernée.]1
  § 2. Le bilan initial et le bilan final sont réalisés sur base de la procédure reprise en annexe 3.
  § 3. Le bilan est réalisé par le laboratoire et transmis à l'agriculteur et à l'organisation au plus tard le 30 [1 novembre de l'année de la demande visée au paragraphe 1er]1.
  § 4. L'organisation transmet le bilan à l'organisme payeur au plus tard le [1 15 janvier de l'année suivant l'année de la demande visée au paragraphe 1er]1.
  Dans l'hypothèse visée au paragraphe 5, seul le bilan consécutif à la contre-analyse est transmis à l'organisme payeur au plus tard à la date visée à l'alinéa 1er.
  § 5. L'agriculteur peut contester le résultat du bilan auprès de l'organisation dans les quinze jours à compter de son envoi par le laboratoire.
  Une contre-analyse [1 , dont le coût est à la charge de l'agriculteur,]1 est réalisée par un laboratoire désigné par l'organisation. Le résultat de la contre-analyse est transmis à l'agriculteur et à l'organisme payeur conformément au paragraphe 4, alinéa 2, au plus tard à la date visée au paragraphe 4.
  § 6. L'agriculteur et le laboratoire tiennent à disposition de l'organisme payeur et de l'organisation le bilan et les documents qui y sont liés.
  
Art. 25. § 1. [2 In het eerste en het laatste jaar van de verbintenis, wordt aan de landbouwer een forfaitair bedrag van 15 euro toegekend voor elk monster dat voor de in artikel 24 bedoelde begin- en eindbalans wordt gebruikt.]2
  [2 Voor de aanvraagjaren 2024 en 2025, bedraagt het minimumbedrag dat wordt toegekend in het eerste en laatste jaar van de verbintenis krachtens het eerste lid, 250 euro.]2
  § 2. [2 Naast paragraaf 1, en voor elke jaarlijkse schijf, wordt een steun als volgt toegekend: ]2
  1° voor de onder de verbintenis vallende [2 oppervlakten]2 met een "ongunstige" TOK/klei verhouding wordt geen steun verleend;
  2° voor de onder de verbintenis vallende [2 oppervlakten]2 met een TOC/klei verhouding "in overgang" bedraagt de steun 80 euro per hectare;
  3° voor de onder de verbintenis vallende [2 oppervlakten]2 met een TOC/klei verhouding "gunstig" bedraagt de steun 150 euro per hectare;
  [2 4° er wordt geen steun toegekend voor vastgelegde oppervlakten met een status "onbepaald". ]2
  Voor de toepassing van lid 1 worden de klassen "ongunstig", "in overgang" en "gunstig" van de [2 TOK/klei verhouding en de status "onbepaald" vastgesteld]2 overeenkomstig bijlage 3.
  Indien in het eerste jaar van de verbintenis het aandeel van de totale oppervlakte bouwland van het bedrijf kleiner is dan 60% van de totale oppervlakte landbouwareaal van het bedrijf, wordt op de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, een lineaire vermindering toegepast die wordt berekend volgens de volgende formule X = Y*(Z - 30)/30.
  Voor de toepassing van de in lid 3 bedoelde formule:
  1° "X" is het bedrag van de steun;
  2° "Y" stemt overeen met het betrokken bedrag bedoeld in het eerste lid, 2° of 3° ;
  3° "Z" komt overeen met het aandeel van de totale oppervlakte bouwland van het bedrijf in verhouding tot de totale oppervlakte landbouwareaal van het bedrijf in het eerste jaar van de verbintenis.
  Overeenkomstig artikel 11, § 3, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wordt de in lid 1 bedoelde steun niet verleend voor :
  1° [1 ...]1
  2° percelen bouwland die in de vijf jaar voorafgaand aan het jaar waarin de betalingsaanvraag wordt ingediend, zijn omgezet vanuit blijvend grasland.
  [1 3° percelen bouwland zoals bedoeld in artikel 47, § 1, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023.]1
  § 3. In het laatste jaar van de verbintenis wordt geen steun [1 vermeld in paragraaf 2]1 verleend in de volgende gevallen:
  1° [2 de totale oppervlakte onder verbintenis]2 met een "ongunstige" TOK/klei verhouding op de eindbalans is met meer dan 5% toegenomen ten opzichte van de beginbalans;
  2° [2 de totale oppervlakte onder verbintenis]2 met een "gunstige" TOK/klei verhouding op de eindbalans is met meer dan 5% verminderd ten opzichte van de beginbalans;
  [1 3° de som van de volgende percentages is groter dan 10:
   a) de procentuele toename van de onder de verbintenis vallende percelen met een "ongunstige" TOK/klei-verhouding op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans;
   b) de procentuele afname van de onder de verbintenis vallende percelen met een "gunstige" TOK/klei-verhouding op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans;
   4° de som van de volgende percentages is groter dan 20:
   a) de procentuele toename van de onder de verbintenis vallende percelen met een "ongunstige" TOK/klei-verhouding op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans;
   b) de procentuele afname van de onder de verbintenis vallende percelen met een "gunstige" TOK/klei-verhouding op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans.]1

  [1 Bovendien moet de landbouwer in het geval bedoeld in lid 1, 3°, overeenkomstig artikel 97 en volgende van het besluit van de Waalse Regering van 13 juli 2023 betreffende de controles, administratieve sancties en terugvordering die van toepassing zijn op interventies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en in het kader van de conditionaliteit het overeenkomstig paragraaf 2 toegekende bedrag voor het vierde jaar van de verbintenis en de helft van het toegekende bedrag voor het derde jaar van de verbintenis terugbetalen.
   "Bovendien moet de landbouwer in het geval bedoeld in lid 1, 4°, overeenkomstig artikel 97 en volgende van het besluit van de Waalse Regering van 13 juli 2023 betreffende de controles, administratieve sancties en terugvordering die van toepassing zijn op interventies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en in het kader van de conditionaliteit het overeenkomstig paragraaf 2 toegekende bedrag voor het tweede, derde en vierde jaar van de verbintenis terugbetalen. ]1

  [1 § 3/]1. In het laatste jaar van de verbintenis worden de op basis van lid 2 vastgestelde bedragen als volgt verhoogd, op voorwaarde dat de landbouwer overeenkomstig artikel 3, 1°, van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor ecoregelingen gedurende de hele looptijd van de verbintenis heeft ingeschreven op de ecoregeling "langdurige bodembedekking":
  1° voor [2 de oppervlakte onder verbintenis]2 waarvan de verhouding TOC/klei tussen de begin- en eindbalans verandert van "ongunstig" in "in overgang", wordt aanvullende steun van 200 euro per hectare toegekend;
  2° voor [2 de oppervlakte onder verbintenis]2 waarvan de TOC-kleibalans tussen de begin- en eindbalans verandert van "ongunstig" of "in overgang" naar "gunstig", wordt een extra steun van 280 euro per hectare toegekend.
  § 4. Voor de jaarlijkse schijven die overeenkomen met de eerste vier jaar van de verbintenis, wordt de steun bepaald op basis van de verhouding TOK/klei die bij de beginbalans wordt vastgesteld. Voor de jaarlijkse schijf die overeenkomt met het laatste jaar van de verbintenis, wordt de steun bepaald op basis van de verhouding TOK/klei die bij de eindbalans wordt vastgesteld.
  § 5. Er wordt geen steun verleend voor de betaling van een oppervlakte van minder dan één hectare op het niveau van het landbouwbedrijf.
  
Art. 25. § 1er. [2 Lors de la première et de la dernière année de l'engagement, un montant forfaitaire de 15 euros est octroyé à l'agriculteur par échantillon utilisé pour effectuer le bilan initial et final visé à l'article 24. ]2
  [2 En ce qui concerne les années de demande 2024 et 2025, le montant minimum accordé en première et en dernière année de l'engagement en vertu de l'alinéa 1er, est de 250 euros.]2
  § 2. [2 Outre le paragraphe 1er et pour chaque tranche annuelle, une aide est octroyée comme suit : ]2
  1° pour les [2 superficies]2 engagées présentant un rapport COT/argile " défavorable ", aucune aide n'est octroyée ;
  2° pour les [2 superficies]2 engagées présentant un rapport le COT/argile " en transition ", le montant de l'aide est de 80 euros par hectare ;
  3° pour les [2 superficies]2 engagées présentant un rapport COT/argile " favorable ", le montant de l'aide est de 150 euros par hectare.
  [2 4° pour les superficies engagées en statut " indéterminé ", aucune aide n'est octroyée.]2
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les classes " défavorable ", " en transition " et " favorable " du rapport COT/argile [2 et le statut " indéterminé " sont établies]2 conformément à l'annexe 3.
  Si la première année de l'engagement la proportion de la superficie totale des terres arables de l'exploitation est inférieure à 60 % de la superficie totale des surfaces agricoles de l'exploitation, les montants visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, font l'objet d'une diminution linéaire calculée selon la formule suivante : X = Y*(Z - 30)/30.
  Pour l'application de la formule visée à l'alinéa 3 :
  1° " X " correspond au montant de l'aide ;
  2° " Y " correspond au montant concerné visé à l'alinéa 1er, 2° ou 3° ;
  3° " Z " correspond à la proportion de la superficie totale des terres arables de l'exploitation par rapport à la superficie totale des surfaces agricoles de l'exploitation la première année de l'engagement.
  En application de l'article 11, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, l'aide visée à l'alinéa 1er n'est pas octroyée pour :
  [1 ...]1
  2° les parcelles de terres arables qui ont été converties à partir d'une prairie permanente au cours des cinq années précédant l'année d'introduction de la demande de paiement.
  [1 3° les parcelles de surfaces agricoles visées à l'article 47, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023. ]1
  § 3. Aucune aide [1 prévue au paragraphe 2 ]1 n'est octroyée la dernière année de l'engagement dans les hypothèses suivantes :
  1° la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " défavorable " lors du bilan final a augmenté de plus de 5 % par rapport au bilan initial ;
  2° la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " favorable " lors du bilan final a diminué de plus de 5 % par rapport au bilan initial.
  [1 3° la somme des pourcentages suivants est supérieure à 10:
   a) le pourcentage exprimant l'augmentation de la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " défavorable " lors du bilan final par rapport au bilan initial;
   b) le pourcentage exprimant la diminution de la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " favorable " lors du bilan final par rapport au bilan initial.
   4° la somme des pourcentages suivants est supérieure à 20:
   a) le pourcentage exprimant l'augmentation de la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " défavorable " lors du bilan final par rapport au bilan initial;
   b) le pourcentage exprimant la diminution de la superficie totale [2 engagée]2 présentant un rapport COT/argile " favorable " lors du bilan final par rapport au bilan initial.]1

  [1 En outre, dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 3°, l'agriculteur rembourse conformément aux article 97 et suivants de l'arrêté du gouvernement wallon du 13 juillet 2023 relatif aux contrôles, aux sanctions administratives et au recouvrement applicables aux interventions relevant de la politique agricole commune ainsi que dans le cadre de la conditionnalité le montant octroyé conformément au paragraphe 2 pour la quatrième année de l'engagement et la moitié du montant octroyé pour la troisième année de l'engagement.
   En outre, dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 4°, l'agriculteur rembourse conformément aux article 97 et suivants de l'arrêté du gouvernement wallon du 13 juillet 2023 relatif aux contrôles, aux sanctions administratives et au recouvrement applicables aux interventions relevant de la politique agricole commune ainsi que dans le cadre de la conditionnalité le montant octroyé conformément au paragraphe 2 pour les deuxième, troisième et quatrième années de l'engagement.]1

  [1 § 3/1.]1 La dernière année de l'engagement, à condition que l'agriculteur ait souscrit à l'éco-régime " couverture longue du sol " conformément à l'article 3, 1°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux éco-régimes pendant toute la durée de l'engagement, les montants déterminés sur base du paragraphe 2 sont augmentés comme suit :
  1° pour [2 superficie engagée]2 dont le rapport COT/argile évolue de " défavorable " à " en transition " entre le bilan initial et le bilan final, une aide supplémentaire de 200 euros par hectare est octroyée ;
  2° pour [2 superficie engagée]2 dont le bilan COT/argile évolue de " défavorable " ou de " en transition " à " favorable " entre le bilan initial et le bilan final, une aide supplémentaire de 280 euros par hectare est octroyée.
  § 4. Pour les tranches annuelles correspondant aux quatre premières années de l'engagement, l'aide est déterminée sur base du rapport COT/argile déterminé lors du bilan initial. Pour la tranche annuelle correspondant à la dernière année de l'engagement, l'aide est déterminée sur base du rapport COT/argile déterminé lors du bilan final.
  § 5. Aucune aide n'est octroyée pour la rémunération d'une [2 superficie]2 inférieure à un hectare au niveau de l'exploitation.
  
Art. 26. § 1. De in artikel 24, § 1, eerste lid, bedoelde laboratoria voldoen aan de volgende cumulatieve criteria:
  1° zij zijn onafhankelijk van de landbouwers aan wie zij een balans leveren;
  2° zij beschikken over de apparatuur en de technische, IT- en personele middelen die nodig zijn om de beoordeling uit te voeren, alsmede over een kwaliteitsbeheersysteem dat valt onder het ISO 17025-accreditatiesysteem [1 , waarvan het toepassingsgebied van de accreditatie ten minste één parameter omvat]1 die in de bodemmatrix wordt geanalyseerd;
  3° zij verbinden zich ertoe de balansen uit te voeren volgens de procedure van bijlage 3, deel te nemen aan de interlaboratoriumproeven met betrekking tot de parameters van de TOK/klei verhouding en elke opleiding te volgen die met het oog op de uitvoering van de balans wordt verstrekt;
  4° het laboratorium is gebonden door een professionele samenwerking met de organisatie.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde criteria worden gecontroleerd aan de hand van de volgende elementen :
  1° betreffende paragraaf 1, eerste lid, 1°, een verklaring op erewoord waarin het laboratorium zich ertoe verbindt elk belangenconflict te vermijden;
  2° met betrekking tot paragraaf 1, eerste lid, 2°, de lijst van monsternemers en laboratoriumverantwoordelijken die betrokken zijn bij de uitvoering van de balans, alsmede een kopie [1 van het ISO 17025-accreditatiesysteem, vergezeld van het jaarlijks document ter bevestiging van de accreditatie en van het toepassingsgebied van de accreditatie, afgegeven door de accreditatie-instelling BELAC in de zin van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling]1;
  3° met betrekking tot paragraaf 1, eerste lid, 3°, het bewijs van de in paragraaf 1, 3°, bedoelde verbintenis;
  3° wat betreft paragraaf 1, eerste lid, 4°, het bewijs van professionele samenwerking tussen het laboratorium en de organisatie.
  § 3. De procedure voor de aanwijzing van de bevoegde laboratoria wordt vastgesteld als volgt:
  1. uiterlijk op 1 januari van elk jaar verstrekt de organisatie het betaalorgaan een volledige lijst van de laboratoria die aan de aanwijzingscriteria voldoen en stelt zij de in paragraaf 2 bedoelde controlegegevens ter beschikking van het betaalorgaan;
  2° het betaalorgaan valideert de lijst van bevoegde laboratoria op basis van de door de organisatie verstrekte informatie en, indien nodig, na verificatie van de aanwijzingscriteria;
  3° het betaalorgaan deelt de organisatie de namen mee van de laboratoria wier aanwijzing het valideert binnen een maand na ontvangst van de lijst van laboratoria die aan de aanwijzingscriteria voldoen;
  4° de lijst van de laboratoria waarvan de aanwijzing door het betaalorgaan is gevalideerd, wordt ter beschikking van de landbouwers gehouden;
  5° de organisatie stelt het betaalorgaan onverwijld in kennis van elke wijziging in de lijst bedoeld in 1°.
  De in het eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde procedure is van toepassing op de wijzigingen van de lijst.
Art. 26. § 1er. Les laboratoires visés à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, répondent aux critères cumulatifs suivants :
  1° ils sont indépendants des agriculteurs auxquels ils délivrent un bilan ;
  2° ils disposent du matériel et des moyens techniques, informatiques et humains nécessaires à la réalisation du bilan, ainsi que d'un système de gestion de la qualité couvert par le système d'accréditation ISO 17025 [1 , dont la portée d'accréditation inclut au minimum]1 un paramètre analysé dans la matrice sol ;
  3° ils s'engagent à réaliser les bilans conformément à la procédure prévue à l'annexe 3, à participer aux essais inter-laboratoires portant sur les paramètres du rapport COT/argile et à suivre toute formation dispensée en vue de la réalisation du bilan ;
  4° le laboratoire est lié par une collaboration professionnelle avec l'organisation.
  § 2. Les critères visés au paragraphe 1er sont vérifiés au moyen des éléments suivants :
  1° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, une déclaration sur l'honneur dans laquelle laboratoire s'engage à éviter tout conflit d'intérêt ;
  2° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, la liste des préleveurs et des responsables du laboratoire intervenant dans la réalisation du bilan ainsi qu'une copie [1 du certificat d'accréditation ISO 17025, accompagné du document annuel de confirmation d'accréditation et de la portée d'accréditation, émanant de l'organisme d'accréditation BELAC au sens de l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité]1 ;
  3° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, la preuve de l'engagement prévu au paragraphe 1er, 3° ;
  4° concernant le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, la preuve d'une collaboration professionnelle liant le laboratoire à l'organisation.
  § 3. La procédure de désignation des laboratoires compétents est fixée comme suit :
  1° le 1er janvier de chaque année au plus tard, l'organisation fournit à l'organisme payeur la liste complète des laboratoires répondant aux critères de désignation et tient à disposition de l'organisme payeur les éléments de vérification visés au paragraphe 2 ;
  2° l'organisme payeur valide la liste des laboratoires compétents sur base des renseignements fournis par l'organisation et, le cas échéant, après vérification des critères de désignation ;
  3° l'organisme payeur notifie à l'organisation les laboratoires dont il valide la désignation et ce dans un délai d'un mois à compter de la réception de la liste des laboratoires répondant aux critères de désignation ;
  4° la liste des laboratoires dont la désignation est validée par l'organisme payeur est tenue à disposition des agriculteurs ;
  5° l'organisation notifie sans délai l'organisme payeur de toute modification de la liste visée au 1°.
  La procédure visée à l'alinéa 1er, 1° à 4°, s'applique aux modifications de la liste.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Lijst van soorten basispeulvruchten en dicotylen die in aanmerking komen voor de aanleg van met gras bezaaide perceelsranden
  1° basispeulvruchten:
  - Rolklaver (Lotus corniculatus);
  - Geteelde luzerne (Medicago sativa)
  - Hopperupsklaver (Medicago lupulina) ;
  - Steenklaver (Onobrychis viciifolia) ;
  - Witte klaver (Trifolium repens)
  - Rode klaver (Trifolium pratense) ;
  2° andere dicotylen:
  - Korenbloem (Cyanus segetum) ;
  - Gewone brunel (Prunella vulgaris) ;
  - Wilde peen (Daucus carota) ;
  - Echte kervel (Anthriscus cerefolium) ;
  - Wilde cichorei (Cichorium intybus) ;
  - Smeerwortel (Symphytum officinale) ;
  - Ruwe smeerwortel (Symphytum asperum) ;
  - Grote klaproos (Papaver rhoeas)
  - Groot streepzaad (Crepis biennis);
  - Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum);
  - Beemdkroon (Knautia arvensis) ;
  - Echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi) ;
  - Gewone margriet (Leucanthemum vulgare) ;
  - Muskuskaasjeskruid (Malva moschata) ;
  - Groot kaasjeskruid (Malva sylvestis) ;
  - Witte honigklaver (Melilotus albus)
  - Citroengele honingklaver (Melilotus officinalis) ;
  - Watermunt (Mentha aquatica) ;
  - Sint-janskruid (Hypericum perforatum) ;
  - Wilde marjolein (Origanum vulgare) ;
  - Veldzuring (Rumex arifolius) ;
  - Bleke klaproos (Papaver dubium) ;
  - Smalle weegbree (Plantago lanceolata) ;
  - Wilde reseda (Reseda lutea) ;
  - Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) ;
  - Knopig helmkruid (Scrophularia nodosa) ;
  - Basterdklaver (Trifolium hybridum) ;
  - Inkarnaatklaver (Trifolium incarnatum);
  - Slangenkruid (Echium vulgare).
Art. N1. Liste des espèces de légumineuses de base et des autres dicotylées admissibles pour l'implantation de tournières enherbées
  1° Légumineuses de base :
  - Lotier corniculé (Lotus corniculatus) ;
  - Luzerne cultivée (Medicago sativa) ;
  - Luzerne lupuline ou minette (Medicago lupulina) ;
  - Sainfoin ou esparcette (Onobrychis viciifolia) ;
  - Trèfle blanc (Trifolium repens) ;
  - Trèfle violet (Trifolium pratense) ;
  2° Autres dicotylées :
  - Bleuet (Cyanus segetum) ;
  - Brunelle commune (Prunella vulgaris) ;
  - Carotte sauvage (Daucus carota) ;
  - Cerfeuil sauvage (Anthriscus cerefolium) ;
  - Chicorée (Cichorium intybus) ;
  - Consoude officinale (Symphytum officinale) ;
  - Consoude rude (Symphytum asperum) ;
  - Coquelicot (Papaver rhoeas) ;
  - Crépis des prés (Crepis biennis) ;
  - Eupatoires à feuilles de chanvre (Eupatorium cannabinum) ;
  - Knautie des champs (Knautia arvensis) ;
  - Lychnis fleur de coucou ou oeillet des prés (Silene flos-cuculi) ;
  - Marguerite (Leucanthemum vulgare) ;
  - Mauve musquée (Malva moschata) ;
  - Mauve des bois (Malva sylvestis) ;
  - Mélilot blanc (Melilotus albus) ;
  - Mélilot officinal (Melilotus officinalis) ;
  - Menthe aquatique (Mentha aquatica) ;
  - Millepertuis (Hypericum perforatum) ;
  - Origan commun (Origanum vulgare) ;
  - Oseille des prés (Rumex arifolius) ;
  - Pavot douteux (Papaver dubium) ;
  - Plantain lancéolé (Plantago lanceolata) ;
  - Réséda jaune (Reseda lutea) ;
  - Salicaire commune (Lythrum salicaria) ;
  - Scrofulaire noueuse (Scrophularia nodosa) ;
  - Trèfle hybride (Trifolium hybridum) ;
  - Trèfle incarnat (Trifolium incarnatum) ;
  - Vipérine commune (Echium vulgare).
Art. N2. Lijst van de graansoorten voor de aanleg van percelen met nog staande graangewassen in zuivere teelt
  - Winter- of voorjaarsspelt (Triticum spelta) ;
  - Winter- of zomertarwe (Triticum aestivum) ;
  - Winter- of voorjaarstriticale (xTriticosecale).
Art. N2. Liste des espèces de céréales pour l'implantation de parcelles de céréales laissées sur pied en cuture pure
  - Epeautre d'hiver ou de printemps (Triticum spelta) ;
  - Froment d'hiver ou de printemps (Triticum aestivum) ;
  - Triticale d'hiver ou de printemps (xTriticosecale).
Art. N3. [1 Methode voor de beoordeling van de verhouding TOK/klei van de subsidiabele percelen waarvoor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem" geldt
   1) Drempels van de indicator die in aanmerking moeten worden genomen voor de indeling van de TOC/klei verhouding in "ongunstige", "overgangs-" en "gunstige" situaties
Art. N3. [1 Méthode d'évaluation du rapport COT/argile des parcelles admissibles et engagées dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols "
   1) Seuils de l'indicateur à prendre en compte pour le classement du rapport COT/argile en situation " défavorable ", " transition " et " favorable "
Bodemsoort
   (% klei)
''Ongunstige'' TOK/kleiverhouding TOK/kleiverhouding ''in overgang'' ''Gunstige'' TOK/kleiverhouding
Licht (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17%
Gemiddeld (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10%
Zwaar (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
Bodemsoort
   (% klei) ''Ongunstige'' TOK/kleiverhouding TOK/kleiverhouding ''in overgang'' ''Gunstige'' TOK/kleiverhouding Licht (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17% Gemiddeld (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10% Zwaar (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
De status "onbepaald" wordt toegekend aan het perceel waarvoor geen TOC/kleiverhouding kon worden bepaald vanwege een technische onmogelijkheid in verband met de bemonstering van het perceel en het ontbreken van een andere mogelijkheid om deze verhouding te schatten overeenkomstig punt 2.
   2) Procedure voor de uitvoering van de balansen TOK/kleiverhouding
   a. Bemonsteringsmethoden en minimumaantal voor de balansen te nemen monsters
   Het laboratorium dat belast is met het uitvoeren van een beoordeling van de TOK/kleiverhouding van de onder de verbintenis vallende percelen voert de grondbemonstering uit volgens de volgende referentiemethoden van het Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes (hierna "CWEA") bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, goedgekeurd door de Minister van Leefmilieu overeenkomstig artikel 84, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 6 december 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering:
   - Methode voor het bottelen, vervoeren en opslaan van monsters (P-1);
   - Methode voor georeferentie van bemonsterings- en meetpunten (P-8);
   - Methode voor het benoemen van monsters (P-10);
   - Methode voor de bemonstering van landbouwgrond (P-11).
   In afwijking van de criteria voor het bepalen van homogene gebieden in punt 4.4 van de bemonsteringsmethode voor landbouwgrond (P-11) zijn de homogeniteitscriteria die in het kader van de vaststelling van een TOC/kleiverhouding moeten worden gehanteerd de volgende:
   - de geschiedenis van de grondbezetting in de vijf jaar vóór de bemonsteringsdatum, waarbij ten minste de volgende bezettingen worden onderscheiden: bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten;
   - pedologie, ten minste gebaseerd op de kaart van de belangrijkste bodemtypes van Wallonië, en op aanvullende criteria indien verschillende kenmerken naar voren komen op het niveau van de bodem (met name kleur, structuur, textuur, diepte, grove elementen, drainage en substraat) of via de vegetatieve toestand van de aanwezige vegetatie;
   - topografie, indien gerechtvaardigd;
   - het beheer van het perceel (met name de vorige oogst, bemesting of bodemverbeteraars).
   De binnen een perceel bepaalde homogene gebied kan met een homogene oppervlakte van een ander betrokken perceel van het bedrijf worden gegroepeerd in een gemeenschappelijke homogene groep, mits de homogeniteitscriteria van de gegroepeerde gebieden gelijkwaardig zijn. Een homogene groep kan slechts uit één homogeen gebied bestaan. Het laboratorium stelt een lijst op van homogene groepen die alle betrokken percelen omvatten en geeft aan in welke mate elk perceel tot de betrokken homogene groep behoort, naar gelang van het deel van de oppervlakte van het perceel dat door die groep wordt bestreken. Van elke homogene groep moet minstens één bodemmonster genomen worden.
   Als de bemonstering van een homogeen gebied om technische redenen door het laboratorium tijdens de bemonsteringscampagne niet kan worden uitgevoerd, voegt het laboratorium zijn verantwoording bij het bemonsteringsverslag dat bij de balans wordt gevoegd die naar de landbouwer en de organisatie wordt overgemaakt. Naast deze verantwoording onderzoekt het laboratorium de alternatieve mogelijkheid om een ander gelijkwaardig homogeen gebied van het bedrijf te bemonsteren. Als dit alternatief niet mogelijk is, wordt een schatting gemaakt van de TOC/klei verhouding van dit homogeen gebied op basis van relevante bestaande metingen. Bij gebrek daaraan wordt de status "onbepaald" toegekend aan het niet-bemonsterde homogene gebied en aan de groep van homogene gebieden waartoe het behoort, op voorwaarde dat deze groep uitsluitend bestaat uit homogene gebieden met de status "onbepaald".
   Ten minste 25% van het areaal onder verbintenis van het bedrijf en het aantal betrokken percelen moet worden bemonsterd. Deze 25% betreft bij voorrang de percelen bouwland waarvoor verbintenissen zijn aangegaan.
   In totaal moeten minimaal vijf monsters van verschillende percelen worden genomen, mits ten minste vijf percelen zijn vastgelegd. Indien het aantal vastgelegde percelen minder dan vijf bedraagt, moeten alle percelen worden bemonsterd, evenals alle homogene zones waaruit zij bestaan.
   b. Methoden voor de analyse van bodemmonsters
   Voor de analyse van het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem bij de eerste balans van de TOK/kleiverhouding, analyseert het laboratorium de bodemmonsters volgens een van de volgende CWEA-referentiemethoden, goedgekeurd door de Minister van Milieu overeenkomstig artikel 84, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 6 december 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering:
   - Methode voor de bepaling van organische en totale koolstof door droge verbranding (S-III-8.1) of een andere gelijkwaardige methode, op voorwaarde dat deze laatste is gevalideerd door het ondersteunend referentielaboratorium dat door de organisatie is aangewezen;
   - Methode voor de bepaling van organische koolstof door middel van sulfochroomoxidatie (S-II-8.2) of een andere gelijkwaardige methode, op voorwaarde dat deze laatste is gevalideerd door het ondersteunend referentielaboratorium dat door de organisatie is aangewezen;
   Een ondersteunend referentielaboratorium is een laboratorium dat tot taak heeft laboratoria te ondersteunen door de test- of referentiematerialen voor te bereiden die bij interlaboratoriumproeven worden gebruikt, door nieuwe analysetechnieken te ontwikkelen en door deze ontwikkelingen na evaluatie en validatie rechtstreeks aan de laboratoria over te dragen.
   Voor de analyse van het granulometrische kleigehalte van de bodem bij de eerste balans van de TOK/kleiverhouding, in afwachting van een daartoe in het CWEA gedefinieerde methode, past het met de beoordeling van de betrokken percelen belaste laboratorium de zogenaamde "pipetmethode" toe (methode afgeleid van de Franse norm NF-X-31-107) of gebruikt het de kaartlaag van het kleigehalte van de oppervlaktehorizont die voor dit doel door de administratie is gedefinieerd en beschikbaar gesteld.
   De bemonstering en analyse van de totale hoeveelheid organische koolstof of het granulometrische kleigehalte van de bodem van een perceel mogen opnieuw worden gebruikt in het kader van de balans voor de maatregel "bodem", op voorwaarde dat ze zijn uitgevoerd volgens de procedures die zijn vastgesteld voor de maatregel "bodem", en dat het jaar van bemonstering en analyse hetzelfde is als het jaar waarin de balans voor de maatregel "bodem" moet worden uitgevoerd.
   Voor de eindbalans TOK/kleiverhouding moeten de analyses van het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem en het granulometrische kleigehalte van de bodem worden uitgevoerd volgens dezelfde methoden als die welke voor de beginbalans zijn gebruikt.
   c. Toewijzing van de resultaten van de TOK/kleiverhouding analyses aan alle betrokken percelen
   De resultaten van de TOK/kleiverhouding analyses zijn gemiddeld per homogene groep.
   Het resultaat van de TOK/kleiverhouding die aan elk perceel moet worden toegekend, gebeurt in verhouding tot de oppervlakte van de homogene groep die binnen het perceel aanwezig is. Voor elk perceel toont de balans de rangschikking van de TOC/klei verhouding naargelang deze "gunstig", "in overgang" of "ongunstig" is.
   Wanneer een groep homogene zones wordt gekenmerkt door een "onbepaalde" status, wordt, als het deel van het perceel dat door deze groep wordt bedekt groter is dan 5%, de status "onbepaald" ook aan het perceel toegekend. Anders wordt bij de berekening van de TOC/kleiverhouding voor dit perceel geen rekening gehouden met deze groep. ]1
  
Type de sol
   (% argile)
Rapport COT/argile '' défavorable '' Rapport COT/argile '' en transition '' Rapport COT/argile '' favorable ''
Léger (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17%
Moyen (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10%
Lourd (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
Type de sol
   (% argile) Rapport COT/argile '' défavorable '' Rapport COT/argile '' en transition '' Rapport COT/argile '' favorable '' Léger (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17% Moyen (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10% Lourd (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
Le statut " indéterminé " est attribué à la parcelle pour laquelle aucun rapport COT/argile n'a pu être déterminé du fait d'une impossibilité technique liée au prélèvement de la parcelle et de l'absence de possibilité d'estimer autrement ce rapport conformément au point 2.
   2) Procédure pour la réalisation des bilans portant sur le rapport COT/argile
   a. Méthodes de prélèvement et d'échantillonnage et nombre minimum de prélèvements à effectuer pour les bilans
   Le laboratoire en charge de réaliser un bilan sur le rapport COT/argile de parcelles engagées réalise le prélèvement de sol conformément aux méthodes de référence suivantes du Compendium wallon des méthodes d'échantillonnage et d'analyses (ci-après " CWEA ") visé à l'article 18, § 2, du Décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, approuvé par le Ministre de l'Environnement conformément à l'article 84, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2018 relatif à la gestion et l'assainissement des sols :
   - Méthode concernant le flaconnage, le transport et la conservation des échantillons (P-1) ;
   - Méthode pour le géoréférencement des points de prélèvement et de mesure (P-8) ;
   - Méthode pour la dénomination des échantillons (P-10) ;
   - Méthode d'échantillonnage des terres agricoles (P-11).
   Par dérogation aux critères de détermination des zones homogènes prévus au point 4.4 de la méthode d'échantillonnage des terres agricoles (P-11), les critères d'homogénéité devant être suivis dans le cadre de l'établissement d'un bilan sur le rapport COT/argile sont les suivants :
   - l'historique de l'occupation du sol au cours des cinq années précédant la date de l'échantillonnage, en distinguant au minimum les occupations suivantes : terres arables, prairies permanentes et cultures permanentes ;
   - la pédologie, en se basant au minimum sur la Carte des Principaux Types de sol de Wallonie, et sur des critères complémentaires si des particularités différentes sont mises en évidence au niveau du sol (notamment couleur, structure, texture, profondeur, éléments grossiers, drainage et substrat) ou via l'état végétatif de la végétation en place ;
   - la topographie, dans la mesure où cela est justifié ;
   - la conduite de la parcelle (notamment précédent cultural, apports d'engrais ou d'amendements).
   La zone homogène déterminée au sein d'une parcelle peut être regroupée avec une zone homogène d'une autre parcelle engagée de l'exploitation au sein d'un groupe homogène commun pour autant que les critères d'homogénéité des zones regroupées soient équivalents. Un groupe homogène peut n'être constitué que d'une seule zone homogène. Le laboratoire établit la liste des groupes homogènes permettant de couvrir l'ensemble des parcelles engagées et précise le degré d'appartenance de chaque parcelle au groupe homogène concerné en fonction de la proportion de la surface de la parcelle couverte par ce groupe. Chaque groupe homogène doit faire l'objet d'au moins un prélèvement de sol.
   Dans le cas où le prélèvement d'une zone homogène ne peut être réalisé par le laboratoire pour raison technique au cours de la campagne de prélèvement, le laboratoire joint sa justification au rapport de prélèvement qui accompagne le bilan transmis à l'agriculteur et à l'organisation. Outre cette justification, le laboratoire examine la possibilité alternative de prélever une autre zone homogène équivalente de l'exploitation. Si cette alternative n'est pas possible, une estimation du rapport COT/argile de cette zone homogène est réalisée à partir de mesures existantes pertinentes. A défaut, le statut " indéterminé " est attribué à la zone homogène non prélevée ainsi qu'au groupe de zone homogène auquel elle appartient pour autant que ce groupe ne soit constitué que de zones homogènes avec statut " indéterminé ".
   Au moins 25 % de la surface engagée de l'exploitation et du nombre de parcelles engagées, doit avoir fait l'objet d'un échantillonnage. Ces 25 % couvrent prioritairement les parcelles de terres arables engagées.
   Au total, un minimum de cinq échantillons de parcelles différentes doit être prélevé, pour autant qu'au moins cinq parcelles soient engagées. Lorsque le nombre de parcelles engagées est inférieur à cinq, l'ensemble des parcelles engagées doit fait l'objet d'un prélèvement, de même que l'ensemble des zones homogènes les constituant.
   b. Méthodes d'analyse des échantillons de sol
   Pour l'analyse de la teneur en carbone organique totale du sol lors de la réalisation du bilan initial sur le rapport COT/argile, le laboratoire procède à l'analyse des échantillons de sol conformément à l'une des méthodes de référence suivantes du CWEA, approuvé par le Ministre de l'Environnement conformément à l'article 84, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2018 relatif à la gestion et l'assainissement des sols :
   - Méthode de détermination du carbone organique et total par combustion sèche (S-III-8.1) ou une autre méthode équivalente pour autant que cette dernière ait fait l'objet d'une validation par le laboratoire d'encadrement référentiel tel que désigné par l'organisation ;
   - Méthode de détermination du carbone organique par oxydation sulfochromique (S-III-8.2) ou une autre méthode équivalente pour autant que cette dernière ait fait l'objet d'une validation par le laboratoire d'encadrement référentiel tel que désigné par l'organisation.
   Un laboratoire d'encadrement référentiel est un laboratoire dont le rôle est d'encadrer les laboratoires en préparant les matériaux d'essai ou de référence qui sont utilisés dans les essais interlaboratoires, en développant de nouvelles techniques d'analyses et en transférant ces développements, après évaluation et validation, directement dans les laboratoires.
   Pour l'analyse de la teneur en argile granulométrique du sol lors de la réalisation du bilan initial sur le rapport COT/argile, en l'attente d'une méthode définie dans le CWEA à cet effet, le laboratoire en charge du bilan des parcelles engagées applique la méthode dite " de la pipette " (méthode dérivée de la norme française NF-X-31-107) ou utilise la couche cartographique de la teneur en argile de l'horizon de surface définie et mise à disposition à cet effet par l'administration.
   Le prélèvement et l'analyse du sol d'une parcelle pour sa teneur en carbone organique total ou sa teneur en argile granulométrique peuvent être réutilisés dans le cadre de la réalisation du bilan de la mesure " sols ", pour autant qu'ils aient été faits conformément aux procédures prévues pour la mesure " sols ", et que l'année de l'échantillonnage et de l'analyse soit la même que celle au cours de laquelle le bilan de la mesure " sols " doit être réalisé.
   Pour la réalisation du bilan final sur le rapport COT/argile, les analyses de la teneur en carbone organique total du sol et de la teneur en argile granulométrique du sol doivent être réalisées selon les mêmes méthodes que celles utilisées lors de la réalisation du bilan initial.
   c. Attribution des résultats des analyses du rapport COT/argile à l'ensemble des parcelles engagées
   Les résultats des analyses du rapport COT/argile sont moyennés par groupe homogène.
   Le résultat du rapport COT/argile à attribuer à chaque parcelle se fait au prorata de la surface du groupe homogène présente au sein de la parcelle. Le bilan précise pour chaque parcelle le classement du rapport COT/argile selon le caractère " favorable ", " en transition " ou " défavorable " du rapport.
   Lorsqu'un groupe de zones homogènes est caractérisé par un statut " indéterminé ", si la proportion de la parcelle couverte par ce groupe est supérieure à 5%, le statut " indéterminé " est également attribué à la parcelle, sinon, il n'est pas tenu compte de ce groupe lors du calcul du rapport COT/argile pour cette parcelle.]1