Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 MEI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering over de uitvoering van een hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten
Titre
5 MAI 2023. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif Ă  la mise en oeuvre d'un programme d'aide parcours de dĂ©veloppement bloquĂ©s
Documentinformatie
Numac: 2023042719
Datum: 2023-05-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023042719
Date: 2023-05-05
Moniteur: Voir
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
  2° hulpprogramma: een hulpprogramma als vermeld in artikel 2, § 1, 20°, van het decreet 12 juli 2013;
  3° jeugdhulpaanbieder: een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van het decreet 12 juli 2013;
  4° jongere: een minderjarige als vermeld in artikel 2, § 1, 36°, van het decreet van 12 juli 2013, of een persoon die daarmee wordt gelijkgesteld conform artikel 18, § 3, van het voormelde decreet;
  5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn.
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  2° programme d'aide : un programme d'aide, tel que visé à l'article 2, § 1er, 20°, du décret du 12 juillet 2013 ;
  3° offreur d'aide à la jeunesse : un offreur d'aide à la jeunesse, tel que visé à l'article 2, § 1er, 27°, du décret du 12 juillet 2013 ;
  4° jeune : un mineur, tel que visé à l'article 2, § 1er, 36°, du décret du 12 juillet 2013, ou une personne qui y est assimilée conformément à l'article 18, § 3, du décret précité ;
  5° ministre : le ministre flamand qui a le bien-ĂȘtre dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - Hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten
CHAPITRE 2. - Programme d'aide parcours de développement bloqués
Afdeling 1. - Doelstellingen en doelgroep
Section 1re. - Objectifs et groupe cible
Art. 2. De jeugdhulp voert een hulpprogramma uit met het doel om trajecten van jongeren te deblokkeren door geĂŻntegreerde zorg en ondersteuning op de verschillende levensdomeinen te organiseren.
  De doelgroep van het hulpprogramma, vermeld in het eerste lid, bestaat uit jongeren die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  1° het ontwikkelingstraject van de jongere is geblokkeerd op verschillende levensdomeinen;
  2° de jongere kan niet voltijds thuis wonen of alleen met zeer intensieve ondersteuning;
  3° de jongere brengt de psychische of fysieke integriteit van zichzelf of anderen in gevaar;
  4° de jongere gaat met een hoge ambivalentie de hulpverleningsrelatie aan;
  5° er is geen sprake van een ernstige meervoudige beperking.
Art. 2. L'aide à la jeunesse met en oeuvre un programme d'aide visant à débloquer les parcours de jeunes en organisant des soins et un soutien intégrés dans les différents domaines de la vie.
  Le groupe cible du programme d'aide visé à l'alinéa 1er, est composé de jeunes répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° le parcours de développement du jeune est bloqué dans divers domaines de la vie ;
  2° le jeune ne peut pas vivre à la maison à plein temps ou seulement avec un soutien trÚs intensif ;
  3° le jeune met en danger son intégrité psychique ou physique ou celle d'autrui ;
  4° le jeune s'engage dans la relation d'aide avec un degré élevé d'ambivalence ;
  5° il n'y a pas de polyhandicap grave.
Afdeling 2. - Toeleiding naar het hulpprogramma
Section 2. - Orientation vers le programme d'aide
Art. 3. Een jeugdhulpaanbieder of de sociale dienst van de jeugdrechtbank kan een jongere aanmelden bij het hulpprogramma van het werkingsgebied dat aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de minderjarige heeft zijn domicilie in het werkingsgebied;
  2° de minderjarige heeft zijn feitelijke verblijfplaats in het werkingsgebied;
  3° de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige hebben hun feitelijke verblijfplaats in het werkingsgebied.
  In afwijking van het eerste lid kan in het belang van de jongere of met een bijzondere motivering een aanmelding gebeuren in een ander werkingsgebied.
Art. 3. Un offreur d'aide à la jeunesse ou le service social du tribunal de la jeunesse peut notifier un jeune au programme d'aide de la zone d'activité qui remplit l'une des conditions suivantes :
  1° le mineur est domicilié dans la zone d'activité ;
  2° le mineur a sa résidence effective dans la zone d'activité ;
  3° les parents du mineur ou les responsables de son éducation ont leur résidence effective dans la zone d'activité.
  Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a 1er, une notification peut ĂȘtre effectuĂ©e dans une autre zone d'activitĂ©, dans l'intĂ©rĂȘt du jeune ou avec une justification particuliĂšre.
Afdeling 3. - Werkingsprincipes en opdrachten van het hulpprogramma
Section 3. - Principes de fonctionnement et tĂąches du programme d'aide
Onderafdeling 1. - Werkingsprincipes
Sous-section 1re. - Principes de fonctionnement
Art. 4. Bij de organisatie en uitoefening van zijn opdrachten neemt het hulpprogramma al de volgende werkingsprincipes in acht:
  1° maximale regie bij de jongere en de context van de jongere;
  2° participatie: de hulpverlening komt tot stand in voortdurende dialoog en gelijkwaardige samenwerking met de jongere en de context van de jongere;
  3° differentiatie: de hulpverlening wordt verleend op maat van elke jongere;
  4° nabijheid: de hulpverlening sluit zo veel mogelijk aan bij het dagelijks leven en de leefwereld van de jongere en de context van de jongere;
  5° redelijke termijn: de hulpverlening wordt onmiddellijk opgestart en duurt niet langer dan noodzakelijk;
  6° multidisciplinaire en intersectorale samenwerking met alle actoren die relevant zijn voor de hulpverlening aan de jongere;
  7° continuïteit van de hulpverlening met bijzondere aandacht voor de overgang naar jongvolwassenheid.
Art. 4. Dans l'organisation et l'exécution de ses tùches, le programme d'aide prend en compte l'ensemble des principes de fonctionnement suivants :
  1° régie maximale du jeune et du contexte du jeune ;
  2° participation : l'aide s'établit dans un dialogue continu et une coopération égalitaire avec le jeune et le contexte du jeune ;
  3° différenciation : l'aide est adaptée à chaque jeune ;
  4° proximité : l'aide correspond le plus possible à la vie de tous les jours et à l'environnement du jeune et du contexte du jeune ;
  5° délai raisonnable : l'aide est entamée immédiatement et ne dure pas plus longtemps que nécessaire ;
  6° coopération multidisciplinaire et intersectorielle avec tous les acteurs pertinents pour l'aide au jeune ;
  7° continuité de l'aide avec une attention particuliÚre pour le passage au début de l'ùge adulte.
Onderafdeling 2. - Opdrachten
Sous-section 2. - TĂąches
Art. 5. Het hulpprogramma staat in voor het uitvoeren van interdisciplinaire diagnostiek die gebaseerd is op vastgelegde kwaliteitsnormen met het oog op een deskundige indicatiestelling via:
  1° het verzamelen en beoordelen van de diagnostiek die al beschikbaar is;
  2° het uitvoeren van diagnostiek als er onvoldoende of onvoldoende actuele diagnostiek voorhanden is;
  3° het uitvoeren van procesdiagnostiek om zorg en interventies verder te verfijnen en bij te sturen;
  4° het outreachend inzetten van kennis en expertise om meer specifieke zorg en ondersteuning bij te schakelen.
  In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder procesdiagnostiek: de voortzetting van het traject van elke jongere wordt minstens jaarlijks geëvalueerd samen met de jongere en de context van de jongere en de betrokken jeugdhulpaanbieders.
  De diagnostiek, vermeld in het eerste lid, komt neutraal ten opzichte van het aanbod van het hulpprogramma tot stand. De partners die instaan voor het vervullen van de diagnostiek, vermeld in het eerste lid, brengen een advies uit aan de aanmelder, vermeld in artikel 3, over de volgende elementen:
  1° de vraag of de jongere behoort tot de doelgroep;
  2° welke zorg en ondersteuning tegemoetkomt aan de behoeften van de jongere, ook als die jongere niet tot de doelgroep behoort;
  3° de urgentie;
  4° welke reguliere capaciteit ingezet kan worden.
  De diagnostiek, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de kwaliteitseisen van de algemene intersectorale richtlijn diagnostiek.
Art. 5. Le programme d'aide est chargé de réaliser un diagnostic interdisciplinaire basé sur des normes de qualité établies en vue d'une indication experte via :
  1° la collecte et l'examen des diagnostics déjà disponibles ;
  2° la réalisation de diagnostics si les diagnostics existants sont insuffisants ou insuffisamment actuels ;
  3° la réalisation de diagnostics de processus pour affiner et ajuster davantage les soins et les interventions ;
  4° le déploiement outreach des connaissances et de l'expertise afin de fournir des soins et un soutien plus spécifiques.
  Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par diagnostic de processus : la poursuite du parcours de chaque jeune est évaluée au moins une fois par an avec le jeune et le contexte du jeune et les offreurs d'aide à la jeunesse concernés.
  Le diagnostic visé à l'alinéa 1er, est établi de maniÚre neutre par rapport à l'offre du programme d'aide. Les partenaires chargés de réaliser le diagnostic visé à l'alinéa 1er, remettent un avis au notifiant visé à l'article 3, sur les éléments suivants :
  1° la question de savoir si le jeune appartient au groupe cible ;
  2° quels sont les soins et le soutien rĂ©pondant aux besoins du jeune, mĂȘme si ce jeune n'appartient pas au groupe cible ;
  3° l'urgence ;
  4° la capacitĂ© rĂ©guliĂšre pouvant ĂȘtre dĂ©ployĂ©e.
  Le diagnostic visé à l'alinéa 1er, répond aux exigences de qualité de la directive intersectorielle générale en matiÚre de diagnostic.
Art. 6. § 1. Het hulpprogramma voorziet in gepaste zorg en ondersteuning voor jongeren met geblokkeerde ontwikkelingstrajecten door de volgende acties uit te voeren:
  1° het advies vanuit de diagnostiek vertalen in een aangepast geïntegreerd traject en daarbij systematisch evalueren wat de impact is op de ontwikkeling van de jongere, om bij te schakelen of terug te schakelen;
  2° met de jongere en de context van de jongere een zorg- en ondersteuningsplan opstellen met doelstellingen in een taal die voor iedereen begrijpelijk is;
  3° voor elke jongere en de context van de jongere trajectondersteuning aanbieden;
  4° als dat nodig is een antwoord bieden op vragen naar een vorm van geslotenheid, inclusief snel inzetbare en tijdelijke verblijfscapaciteit;
  5° bij de opstart en tijdens het traject snel handelen waar aangewezen;
  6° gepast omgaan met verontrusting;
  7° een onafhankelijk overzicht houden van het geheel van jongeren die bij het hulpprogramma zijn aangemeld, om vraag en aanbod in het werkingsgebied op elkaar af te stemmen;
  8° een duurzaam vervolgperspectief realiseren.
  Het agentschap Opgroeien regie kan de toekenning van een aanvullend geïndividualiseerd budget in een individueel traject goedkeuren nadat het heeft gecontroleerd of de beschikbare middelen correct worden beheerd, rekening houdend met de vraag en aanbod in een werkingsgebied van het hulpprogramma.
  § 2. Het hulpprogramma kan binnen de beschikbare capaciteit geen jongeren weigeren waarvan de diagnostiek uitwijst dat ze behoren tot de doelgroep, vermeld in artikel 2, tweede lid.
  De begeleiding van de jongere binnen het hulpprogramma kan op een van de volgende manieren worden beëindigd:
  1° eenzijdig door de jongere, tenzij het gaat om gerechtelijke jeugdhulpverlening;
  2° in onderling akkoord tussen hulpprogramma en de jongere, op voorwaarde dat er gepaste vervolghulp wordt geïnstalleerd;
  3° automatisch als de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt, op voorwaarde dat er gepaste vervolghulp wordt geïnstalleerd.
Art. 6. § 1er. Le programme d'aide prévoit des soins et un soutien appropriés pour les jeunes aux parcours de développement bloqués en mettant en oeuvre les actions suivantes :
  1° traduire l'avis provenant du diagnostic en un parcours intégré adapté, en évaluant à cet égard systématiquement l'impact sur le développement du jeune, afin de passer à la vitesse supérieure ou inférieure ;
  2° élaborer un plan de soins et de soutien avec le jeune et le contexte du jeune avec des objectifs, dans un langage compréhensible pour tous ;
  3° proposer un soutien de parcours pour chaque jeune et le contexte du jeune ;
  4° apporter si nĂ©cessaire une rĂ©ponse aux demandes relatives Ă  une forme de maintien en milieu fermĂ©, y compris une capacitĂ© d'hĂ©bergement pouvant ĂȘtre dĂ©ployĂ©e rapidement et temporaire ;
  5° agir rapidement au démarrage et pendant le parcours, s'il y a lieu ;
  6° gérer l'inquiétude de maniÚre appropriée ;
  7° tenir une vue d'ensemble indépendante de l'ensemble des jeunes notifiés au programme d'aide, afin de mettre en adéquation l'offre et la demande au sein de la zone d'activité ;
  8° réaliser une perspective de suivi durable.
  L'agence Grandir régie (" Opgroeien regie ") peut approuver l'allocation d'un budget individualisé supplémentaire dans un parcours individuel aprÚs avoir vérifié que les moyens disponibles sont correctement gérés, en tenant compte de l'offre et de la demande au sein d'une zone d'activité du programme d'aide.
  § 2. Dans la limite de la capacité disponible, le programme d'aide ne peut refuser les jeunes dont le diagnostic montre qu'ils appartiennent au groupe cible visé à l'article 2, alinéa 2.
  Il peut ĂȘtre mis fin Ă  l'accompagnement du jeune dans le cadre du programme d'aide de l'une des maniĂšres suivantes :
  1° unilatéralement par le jeune, sauf s'il s'agit de l'aide judiciaire à la jeunesse ;
  2° d'un commun accord entre le programme d'aide et le jeune, à condition qu'une aide de suivi appropriée soit mise en place ;
  3° automatiquement lorsque le jeune atteint l'ùge de 26 ans, à condition qu'une aide de suivi appropriée soit mise en place.
Art. 7. Het hulpprogramma verbindt zich ertoe om vanuit specifieke expertise en in gedeelde verantwoordelijkheid trajecten die dreigen te escaleren, te versterken door te verbinden met andere jeugdhulpaanbieders via outreachend werken, preventie en vroegdetectie samen met de jeugdhulpaanbieders die al betrokken zijn.
Art. 7. Le programme d'aide s'engage à renforcer les parcours qui risquent de s'aggraver sur la base d'une expertise spécifique et d'une responsabilité partagée en communiquant avec d'autres offreurs d'aide à la jeunesse par un travail d'outreaching, de prévention et de détection précoce avec les offreurs d'aide à la jeunesse déjà impliqués.
Art. 8. Het hulpprogramma verbindt zich tot leren en ontwikkelen door de volgende acties uit te voeren:
  1° de blijvende ontwikkeling, actualisering en innovatie van richtlijnen rond kwaliteitsvolle diagnostiek en werkzame interventies garanderen;
  2° een voortdurende wisselwerking initiëren tussen individuele medewerkers en organisaties, de academische wereld en het hulpprogramma om kennis en expertise op te bouwen en kwaliteit te garanderen;
  3° de impact van interventies monitoren;
  4° afstemmen met relevante jeugdhulpaanbieders uit het eigen of een ander werkingsgebied;
  5° beleid ontwikkelen en implementeren op basis van signalen van jongeren en gezinnen;
  6° netwerkaanpak blijvend ontwikkelen en bijsturen om te groeien in gedeelde verantwoordelijkheid.
Art. 8. Le programme d'aide s'engage à apprendre et à se développer en effectuant les actions suivantes :
  1° garantir le développement continu, l'actualisation et l'innovation de lignes directrices pour des diagnostics de qualité et des interventions efficaces ;
  2° initier une interaction constante entre les collaborateurs et les organisations individuels, le monde académique et le programme d'aide pour développer les connaissances et l'expertise et garantir la qualité ;
  3° assurer le suivi de l'impact des interventions ;
  4° assurer la coordination avec les offreurs d'aide à la jeunesse pertinents de la propre zone d'activité ou d'une autre zone d'activité ;
  5° élaborer et mettre en oeuvre une politique basée sur les signaux des jeunes et des familles ;
  6° développer en permanence et ajuster l'approche réseau pour grandir dans la responsabilité partagée.
Afdeling 4. - Werkingsgebied
Section 4. - Zone d'activité
Art. 9. Het hulpprogramma is gebiedsdekkend voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  Het werkingsgebied van elk hulpprogramma in het Nederlandse taalgebied bestaat uit een clustering van referentieregio's zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering en is maximaal afgestemd op de gerechtelijke arrondissementen en het werkingsgebied van de netwerken in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongere.
  In het tweede lid wordt verstaan onder:
  1° referentieregio's: een gebiedsafbakening van verschillende gemeenten samen zoals vastgesteld in het decreet van 3 februari 2023 over regiovormingen tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
  2° netwerken in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren: de netwerken zoals goedgekeurd door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid op 15 maart 2015.
  Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan het hulpprogramma georganiseerd worden samen met een hulpprogramma uit het Nederlandse taalgebied.
Art. 9. Le programme d'aide couvre la région de langue néerlandaise et la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  La zone d'activité de chaque programme d'aide dans la région de langue néerlandaise consiste en un regroupement de régions de référence telles que fixées par le Gouvernement flamand et est alignée autant que possible sur les arrondissements judiciaires et la zone d'activité des réseaux de soins en santé mentale pour les enfants et les adolescents.
  A l'alinéa 2, on entend par :
  1° régions de référence : une délimitation des zones de plusieurs communes ensemble telles que fixées dans le décret du 3 février 2023 sur la formation des régions et modifiant le décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
  2° réseaux de soins en santé mentale pour les enfants et les adolescents : les réseaux tels qu'approuvés par la Conférence interministérielle santé publique en date du 15 mars 2015.
  Pour la rĂ©gion bilingue de Bruxelles-Capitale, le programme d'aide peut ĂȘtre organisĂ© avec un programme d'aide de la rĂ©gion de langue nĂ©erlandaise.
Afdeling 5. - Erkenning en subsidiëring van het hulpprogramma
Section 5. - Agrément et subventionnement du programme d'aide
Art. 10. § 1. De minister kent binnen de beschikbare kredieten en met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, middelen toe aan een samenwerkingsverband om de doelstellingen van het hulpprogramma conform dit besluit uit te voeren.
  § 2. Het samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 1, bestaat uit partners met de nodige specifieke expertise voor de doelgroep en omvat minimaal de volgende actoren:
  1° de gemandateerde voorzieningen, de sociale dienst en de toegangspoort;
  2° de gemeenschapsinstellingen om de opdracht, vermeld in 48, § 1, eerste lid, 9°, van het decreet van 12 juli 2013, uit te voeren;
  3° relevante voorzieningen die erkend zijn door het agentschap Opgroeien regie;
  4° relevante voorzieningen die erkend zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  5° relevante partners op het vlak van geestelijke gezondheidsbevordering en -zorg.
  In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
  Het samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 1, bouwt een nauwe samenwerkingsrelatie uit met de volgende actoren:
  1° relevante partners uit de sectoren onderwijs om een passend onderwijstraject aan te bieden;
  2° relevante partners uit het beleidsdomein werk om een alternatieve dagbesteding of beroepsaanbod aan te bieden;
  3° de jeugdmagistratuur.
Art. 10. § 1er. Le ministre octroie des moyens Ă  un partenariat pour la rĂ©alisation des objectifs du programme d'aide conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dans les limites des crĂ©dits disponibles et sans prĂ©judice de l'application des rĂšgles de subvention sectorielles applicables.
  § 2. Le partenariat visé au paragraphe 1er est composé de partenaires disposant de l'expertise spécifique nécessaire pour le groupe cible et comprend au moins les acteurs suivants :
  1° les structures mandatées, le service social et la porte d'entrée ;
  2° les institutions communautaires pour exécuter la tùche visée à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 9°, du décret du 12 juillet 2013 ;
  3° les structures pertinentes agréées par l'agence Grandir régie ;
  4° les structures pertinentes agréées par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (" Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ") ;
  5° des partenaires pertinents dans le domaine de la promotion et des soins en santé mentale.
  A l'alinéa 1er, 4°, on entend par Agence flamande pour les Personnes handicapées : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne, dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les Personnes handicapées.
  Le partenariat visé au paragraphe 1er, développe une relation de coopération étroite avec les acteurs suivants :
  1° les partenaires pertinents des secteurs de l'enseignement afin de proposer un parcours d'enseignement adapté ;
  2° les partenaires pertinents du domaine politique de l'emploi afin de proposer une occupation de jour ou une offre professionnelle alternative ;
  3° la magistrature de la jeunesse.
Art. 11. Het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 10, voorziet een gepaste aansturing. De voormelde aansturing zorgt ervoor dat de opdrachten van het hulpprogramma op het niveau van de individuele trajecten en op het niveau van het voormelde samenwerkingsverband gerealiseerd worden in gedeelde verantwoordelijkheid.
Art. 11. Le partenariat visé à l'article 10, assure une gestion appropriée. La gestion susmentionnée veille à ce que les tùches du programme d'aide au niveau des parcours individuels et au niveau du partenariat susmentionné soient réalisées dans le cadre d'une responsabilité partagée.
Art. 12. Een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 10, kan erkend worden en blijft erkend als het voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° de partners sluiten een samenwerkingsprotocol dat de minister goedkeurt en dat al de volgende elementen bevat:
  a) de samenstelling van het voormelde samenwerkingsverband en de engagementen tot samenwerking tussen de betrokken partners in het hulprogramma;
  b) het werkingsgebied van het hulpprogramma;
  c) de afspraken over de informatie- en kennisdeling binnen het voormelde samenwerkingsverband;
  d) de wijze waarop het voormelde samenwerkingsverband wordt aangestuurd;
  e) het aanspreekpunt voor het agentschap Opgroeien regie;
  2° tweejaarlijks een inhoudelijk actieplan opmaken en rapporteren over de realisatie van het voormelde samenwerkingsverband aan het agentschap Opgroeien regie;
  3° meewerken aan alle initiatieven die het agentschap Opgroeien regie neemt om het hulpprogramma op te volgen en te evalueren.
  4° jaarlijks zijn uitgaven bewijzen door een kopie van de boekhoudkundige uitgavenstukken voor te leggen aan het agentschap Opgroeien regie.
Art. 12. Un partenariat tel que visĂ© Ă  l'article 10 peut ĂȘtre agréé et restera agréé s'il remplit toutes les conditions suivantes :
  1° les partenaires concluent un protocole de coopération que le ministre approuve et qui contient l'ensemble des éléments suivants :
  a) la composition du partenariat précité et les engagements de coopération entre les partenaires impliqués dans le programme d'aide ;
  b) la zone d'activité du programme d'aide ;
  c) les accords sur le partage d'informations et de connaissances dans le cadre du partenariat susmentionné ;
  d) la maniÚre dont le partenariat susmentionné est piloté ;
  e) le point de contact de l'agence Grandir régie ;
  2° établir un plan d'action bisannuel quant au contenu et rendre compte de la réalisation du partenariat précité à l'agence Grandir régie ;
  3° collaborer à toutes les initiatives prises par l'agence Grandir régie pour le suivi et l'évaluation du programme d'aide.
  4° justifier annuellement ses dépenses en soumettant une copie des piÚces comptables de dépenses à l'agence Grandir régie.
Afdeling 6. - Handhaving
Section 6. - Maintien
Art. 13. Als het hulpprogramma niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in afdeling 3, of het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 10 van dit besluit, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in afdeling 5, kan het agentschap Opgroeien regie beslissen om een van de volgende maatregelen te nemen:
  1° Zorginspectie, conform het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vragen een externe controle uit te voeren;
  2° een specifiek ondersteunings- of verbetertraject opleggen;
  3° maatregelen nemen die ingrijpen op de samenstelling of aansturing van het voormelde samenwerkingsverband of de werking van het hulpprogramma;
  4° de erkenning van het samenwerkingsverband intrekken en de bijbehorende subsidies intrekken.
  In de beslissing van het agentschap Opgroeien regie, vermeld in het eerste lid, worden al de volgende elementen opgenomen:
  1° een omschrijving van de maatregel en de redenen om de maatregel te nemen;
  2° de voorwaarden die in voorkomend geval vervuld moeten zijn en de termijn waarin ze vervuld moeten zijn.
  Het agentschap Opgroeien regie kan in de volgende gevallen beslissen om de erkenning van het hulpprogramma in te trekken en de bijbehorende subsidie in te trekken:
  1° de partners van het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 10, verhinderen het toezicht op de erkenningsvoorwaarden;
  2° een inbreuk wordt niet weggewerkt binnen de termijn die bepaald is in de beslissing tot het nemen van maatregelen, vermeld in het eerste lid;
  3° het hulpprogramma heeft op basis van onjuiste gegevens een erkenning verkregen.
Art. 13. Si le programme d'aide ne remplit pas les conditions visĂ©es dans la section 3, ou si le partenariat visĂ© Ă  l'article 10 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ne remplit pas les conditions visĂ©es dans la section 5, l'agence Grandir rĂ©gie peut dĂ©cider de prendre une des mesures suivantes :
  1° demander à l'Inspection des soins, conformément au décret du 19 janvier 2018 relatif au contrÎle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale, de réaliser un contrÎle externe ;
  2° imposer un parcours spécifique de soutien ou d'amélioration ;
  3° prendre des mesures agissant sur la composition ou la gestion du partenariat précité ou sur le fonctionnement du programme d'aide ;
  4° retirer l'agrément du partenariat et retirer les subsides y afférents.
  La décision de l'agence Grandir régie, visée à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
  1° une description de la mesure et des raisons de prendre la mesure ;
  2° les conditions qui doivent le cas Ă©chĂ©ant ĂȘtre remplies, et le dĂ©lai dans lequel elles doivent ĂȘtre remplies.
  L'agence Grandir régie peut décider de retirer l'agrément du programme d'aide et de retirer le subside associé dans les cas suivants :
  1° les partenaires associĂ©s dans le partenariat visĂ©s Ă  l'article 10, empĂȘchent le contrĂŽle des conditions d'agrĂ©ment ;
  2° il n'est pas remédié à une infraction dans le délai fixé dans la décision de prendre des mesures visée à l'alinéa 1er ;
  3° le programme d'aide a obtenu un agrément sur la base de données erronées.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Opgroeien regie erkende voorzieningen en vergunde diensten
Section 1re. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréés par l'Agence Grandir rĂ©gie et les services autorisĂ©s
Art. 14. In artikel 8, § 1, en artikel 9, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Opgroeien regie erkende voorzieningen en vergunde diensten, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, 17 mei 2019 en 20 maart 2020, wordt het woord "beveiligend" vervangen door het woord "veilig".
Art. 14. Dans l'article 8, § 1er, et l'article 9, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréées par l'Agence Grandir rĂ©gie et les services autorisĂ©s, modifiĂ©s par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 5 septembre 2014, 17 mai 2019 et 20 mars 2020, le mot " sĂ©curisant " est remplacĂ© par le mot " sĂ»r ".
Afdeling 2. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp
Section 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrĂ©ment et aux normes de subventionnement des structures de l'aide Ă  la jeunesse
Art. 15. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020, 12 maart 2021 en 17 december 2021, wordt een punt 4° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° /1 besluit van 5 mei 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2023 over de uitvoering van een hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten;".
Art. 15. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrĂ©ment et aux normes de subventionnement des structures d'aide Ă  la jeunesse, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 20 mars 2020, 12 mars 2021 et 17 dĂ©cembre 2021, il est ajoutĂ© un point 4° /1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 4° /1 arrĂȘtĂ© du 5 mai 2023 : l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 mai 2023 relatif Ă  la mise en oeuvre d'un programme d'aide parcours de dĂ©veloppement bloquĂ©s ; ".
Art. 16. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 en 17 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid wordt het woord "beveiligend" vervangen door het woord "veilig";
  2° in het vijfde lid worden tussen het woord "verblijven" en de zinsnede ", moet" de woorden "of die toegewezen zijn aan een typemodule veilig verblijf" ingevoegd.
Art. 16. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 20 mars 2020 et 17 dĂ©cembre 2021, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 3, le mot " sécurisant " est remplacé par le mot " sûr " ;
  2° dans l'alinéa 5, les mots " ou qui sont affectés à un module type séjour sûr " sont insérés aprÚs le membre de phrase " résidant dans une institution communautaire ".
Art. 17. In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin wordt het woord "beveiligend" vervangen door het woord "veilig";
  2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° de voorziening neemt in de typemodule veilig verblijf uitsluitend minderjarigen op die in aanmerking komen voor het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 2 van het besluit van 5 mei 2023, en voor wie een vorm van geslotenheid tijdelijk noodzakelijk is voor de bescherming van de psychische of fysieke integriteit van de minderjarige;";
  3° punt 2° wordt opgeheven;
  4° punt 7° en punt 7/1° worden vervangen door wat volgt:
  "7° de voorziening is partner in een samenwerkingsverband om de doelstellingen van het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten te organiseren als vermeld in artikel 10 van het besluit van 5 mei 2023, en ontwikkelt, in afstemming en via regelmatige bijsturing met de andere partners van het hulpprogramma binnen het werkingsgebied, een pedagogisch beleid rond veiligheid dat is neergelegd in het huishoudelijk reglement van de voorziening en waarbij al de volgende elementen worden beschreven:
  a) de visie op relationele veiligheid;
  b) de visie op infrastructurele veiligheid die minstens de mogelijkheid tot geslotenheid omvat;
  c) de modaliteiten waaronder geslotenheid op maat en individueel gedifferentieerd wordt in het traject van de minderjarige;
  7° /1 de voorziening die het noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of andere vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar of om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de minderjarigen of anderen, ent zich daarvoor volledig op de modaliteiten van het decreet van 7 mei 2004. In het huishoudelijk reglement van de voorziening worden minstens de volgende elementen beschreven:
  a) het preventiebeleid op afzondering;
  b) de infrastructurele vertaling van de afzondering;
  c) de wijze van registratie van elke afzondering;
  d) de duur van de afzondering;
  e) het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige tijdens de afzondering;
  f) de opvolging van de afzondering in het ruimere pedagogisch traject van de jongere;".
Art. 17. A l'article 15 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 mars 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans la phrase introductive, le mot " sécurisant " est remplacé par le mot " sûr " ;
  2° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° la structure n'admet dans le module type sĂ©jour sĂ»r que des mineurs Ă©ligibles au programme d'aide parcours de dĂ©veloppement bloquĂ©s visĂ©s Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du 5 mai 2023, et pour lesquels une forme de maintien en milieu fermĂ© est temporairement nĂ©cessaire Ă  la protection de l'intĂ©gritĂ© psychique ou physique du mineur ; " ;
  3° le point 2° est abrogé ;
  4° les points 7° et 7/1° sont remplacés par ce qui suit :
  " 7° la structure est partenaire d'un partenariat pour organiser les objectifs du programme d'aide parcours de dĂ©veloppement bloquĂ©s tels que visĂ©s Ă  l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du 5 mai 2023, et dĂ©veloppe, en concertation et par des ajustements rĂ©guliers avec les autres partenaires du programme d'aide au sein de la zone d'activitĂ©, une politique pĂ©dagogique de sĂ©curitĂ© qui est dĂ©finie dans le rĂšglement d'ordre intĂ©rieur de la structure et dans laquelle l'ensemble des Ă©lĂ©ments suivants sont dĂ©crits :
  a) la vision de la sécurité relationnelle ;
  b) la vision des infrastructures de sécurité, qui inclut au moins la possibilité de maintien en milieu fermé ;
  c) les modalités selon lesquelles le maintien en milieu fermé est sur mesure et différencié individuellement dans le parcours du mineur ;
  7° /1 la structure qui juge nécessaire de parfois isoler temporairement les mineurs ou de prendre d'autres mesures restrictives de liberté afin de rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave ou afin de maintenir la sécurité en cas de danger potentiel, pour prévenir un danger aigu et grave pour les mineurs ou autrui, se greffe pour ce faire entiÚrement sur les termes du décret du 7 mai 2004. Le rÚglement d'ordre intérieur de la structure décrit au moins les éléments suivants :
  a) la politique de prévention de l'isolement ;
  b) la traduction de l'isolement en termes d'infrastructure ;
  c) le mode d'enregistrement de chaque isolement ;
  d) la durée de l'isolement ;
  e) la surveillance et les possibilités de contact du mineur durant l'isolement ;
  f) le suivi de l'isolement dans le parcours pédagogique plus large du jeune ; ".
Art. 18. Aan artikel 27/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020, wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "10° de voorziening zet haar aanbod uitsluitend in voor minderjarigen die in aanmerking komen voor het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 2 van het besluit van 5 mei 2023. De administrateur-generaal kan afwijkingen toestaan op organisatieniveau wegens de specificiteit van de doelgroep.".
Art. 18. A l'article 27/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 mars 2020, il est ajoutĂ© un point 10°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 10° la structure ne dĂ©ploie son offre que pour les mineurs Ă©ligibles au programme d'aide parcours de dĂ©veloppement bloquĂ©s, visĂ©s Ă  l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du 5 mai 2023. L'administrateur gĂ©nĂ©ral peut accorder des dĂ©rogations au niveau organisationnel en raison de la spĂ©cificitĂ© du groupe cible. ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2023.
Art. 19. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2023.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. Le ministre flamand qui a le bien-ĂȘtre dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.