Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 21 april 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
2° bevoegde entiteit: de bevoegde entiteit, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van21 april 2023;
3° bevoegde instantie: de bevoegde entiteit of de Vlaamse Landmaatschappij, het Agentschap voor Natuur en Bos en de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
4° e-loket: het e-loket, vermeld in artikel 2, 22°, van het besluit van 21 april 2023;
5° landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 3, 1), van verordening (EU) 2021/2115;
6° landbouwperceel: een landbouwperceel als vermeld in artikel 1, 34°, van het besluit van 21 april 2023;
7° LPIS: het landbouwpercelenidentificatiesysteem, vermeld in artikel 66, lid 1, a), van verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013;
8° nateelt: een nateelt als vermeld in artikel 1, 40°, van het besluit van 21 april 2023;
9° verzamelaanvraag: het aanvraagsysteem dat het geospatiale en diergebonden aanvraagsysteem, vermeld in artikel 65, lid 4, a), van verordening (EU) 2021/2116, omvat;
10° voorteelt: de teelt die in het betreffende jaar wordt geoogst of ingewerkt voor de hoofdteelt van dat jaar wordt ingezaaid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
11 MEI 2023. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-09-2023 en tekstbijwerking tot 09-09-2025)
Titre
11 MAI 2023. - Arrêté ministériel fixant la demande unique et les modalités pour l'identification commune de parcelles, exploitations et terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-09-2023 et mise à jour au 09-09-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Dispositions générales concernant...
CHAPITRE 3. - Dispositions spécifiques en matiè...
Section 1ère. - Déclaration des parcelles agric...
Section 2. - L'autorisation de culture de chanvre
CHAPITRE 4. - Soumission, modification et retra...
CHAPITRE 5. - Disposition finale
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, il est entendu par :
1° arrêté du 21 avril 2023: l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune;
2° entité compétente: l'entité compétente telle que visée à l'article 1, 6°, de l'arrêté du 21 avril 2023;
3° organisme compétent: l'entité compétente ou la Vlaamse Landmaatschappij, l'Agence de la Nature et des Forêts, et la Division du Bien-être animal du Département de l'Environnement, visé à l'article 29, § 1, de l'arrêté du gouvernement flamand concernant l'organisation de l'administration flamande;
4° guichet électronique: le guichet électronique, tel que visé à l'article 2, 22° de l'arrêté du 21 avril 2023;
5° agriculteur: un agriculteur, visé à l'article 3, 1), du règlement (UE) 2022/2115;
6° parcelle agricole: une parcelle agricole telle que visée à l'article 1, 34°, de l'arrêté du 21 avril 2023;
7° SIPA: système d'identification de parcelles agricoles tel que visé à l'article 66, alinéa 1, a), du règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil du 2 décembre 2021 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (UE) n° 1306/2013;
8° culture suivante: la culture suivante telle que visée à l'article 1, 40° de l'arrêté du 21 avril 2023;
9° demande unique: système de demande qui comprend le système de demande géospatial et animalier, visé à l'article 65, alinéa 4, point a), du règlement (UE) 2021/2116;
10° culture précédente: la culture qui est récoltée ou labourée dans l'année concernée avant le semis de la culture principale de cette année .
1° arrêté du 21 avril 2023: l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune;
2° entité compétente: l'entité compétente telle que visée à l'article 1, 6°, de l'arrêté du 21 avril 2023;
3° organisme compétent: l'entité compétente ou la Vlaamse Landmaatschappij, l'Agence de la Nature et des Forêts, et la Division du Bien-être animal du Département de l'Environnement, visé à l'article 29, § 1, de l'arrêté du gouvernement flamand concernant l'organisation de l'administration flamande;
4° guichet électronique: le guichet électronique, tel que visé à l'article 2, 22° de l'arrêté du 21 avril 2023;
5° agriculteur: un agriculteur, visé à l'article 3, 1), du règlement (UE) 2022/2115;
6° parcelle agricole: une parcelle agricole telle que visée à l'article 1, 34°, de l'arrêté du 21 avril 2023;
7° SIPA: système d'identification de parcelles agricoles tel que visé à l'article 66, alinéa 1, a), du règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil du 2 décembre 2021 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (UE) n° 1306/2013;
8° culture suivante: la culture suivante telle que visée à l'article 1, 40° de l'arrêté du 21 avril 2023;
9° demande unique: système de demande qui comprend le système de demande géospatial et animalier, visé à l'article 65, alinéa 4, point a), du règlement (UE) 2021/2116;
10° culture précédente: la culture qui est récoltée ou labourée dans l'année concernée avant le semis de la culture principale de cette année .
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen over de aangiften en aanvragen via de verzamelaanvraag
CHAPITRE 2. - Dispositions générales concernant la déclaration et les demandes via la demande unique
Art. 2. Een landbouwer die een handeling als vermeld in artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, wil stellen, vult daarvoor jaarlijks het elektronische formulier van de verzamelaanvraag naar behoren in met alle informatie die daarvoor vereist is, en dient de verzamelaanvraag in via het e-loket. Hij ondertekent de verzamelaanvraag op de wijze, vermeld in artikel 78 van het besluit van21 april 2023. De landbouwers kunnen voor de voormelde elektronische aangifte mandaat geven aan derden of een beroep doen op de infrastructuur die de bevoegde entiteit ter beschikking stelt.
De bevoegde entiteit kan aan de landbouwer, ter voorbereiding van zijn jaarlijkse aangifte, een voorbereidingsblad bezorgen dat gepersonaliseerd is op basis van de gegevens waarover de bevoegde entiteit beschikt.
De personen die niet beschikken over een e-ID of die niet de mogelijkheid hebben om te beschikken over een andere aanmeldings- en authenticatiemogelijkheid die ondersteund wordt door Fedict, mogen in afwijking van het eerste lid de aanvraag indienen met het formulier dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt. Dat formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend ingediend bij de bevoegde entiteit.
De bevoegde entiteit kan aan de landbouwer, ter voorbereiding van zijn jaarlijkse aangifte, een voorbereidingsblad bezorgen dat gepersonaliseerd is op basis van de gegevens waarover de bevoegde entiteit beschikt.
De personen die niet beschikken over een e-ID of die niet de mogelijkheid hebben om te beschikken over een andere aanmeldings- en authenticatiemogelijkheid die ondersteund wordt door Fedict, mogen in afwijking van het eerste lid de aanvraag indienen met het formulier dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt. Dat formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend ingediend bij de bevoegde entiteit.
Art. 2. L'agriculteur qui souhaite accomplir un acte, visé à l'article 4, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, remplit dûment le formulaire électronique de la demande unique avec toutes les informations requises à cet effet sur une base annuelle et soumet la demande unique par le biais du guichet électronique. Il signe la demande unique de la manière, visée à l'article 78 de l'arrêté du 21 avril 2023. Des agriculteurs peuvent un mandat à des tiers pour la déclaration électronique précitée ou utiliser l'infrastructure que l'entité compétente met à la disposition.
L'entité compétente peut fournir à l'agriculteur, pour la préparation de sa déclaration annuelle, une fiche de préparation personnalisée sur la base des données dont dispose l'entité compétente.
Par dérogation au premier alinéa, les personnes qui ne disposent pas d'un e-ID ou qui n'ont pas la possibilité d'avoir une autre option de connexion et d'authentification supportée par Fedict, peuvent introduire la demande en utilisant le formulaire fourni par l'entité compétente. Ce formulaire doit être dûment complété et soumis signé à l'entité compétente.
L'entité compétente peut fournir à l'agriculteur, pour la préparation de sa déclaration annuelle, une fiche de préparation personnalisée sur la base des données dont dispose l'entité compétente.
Par dérogation au premier alinéa, les personnes qui ne disposent pas d'un e-ID ou qui n'ont pas la possibilité d'avoir une autre option de connexion et d'authentification supportée par Fedict, peuvent introduire la demande en utilisant le formulaire fourni par l'entité compétente. Ce formulaire doit être dûment complété et soumis signé à l'entité compétente.
Art. 3. De landbouwer voegt bij de verzamelaanvraag de bewijsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voldaan is voor de aanvragen, aangiftes en meldingen, vermeld in artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.
De bevoegde instantie bepaalt welke stukken bewijsstukken zijn als vermeld in het eerste lid.
Die bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, worden ingediend via het e-loket of opgestuurd binnen de termijn die de bevoegde instantie bepaalt.
De bevoegde instantie beoordeelt de bewijsstukken die de landbouwer heeft bezorgd, uiterlijk op de uiterste termijn die daarvoor bepaald is. De bevoegde instantie kan op elk moment aanvullende informatie opvragen als de stukken die de landbouwer meestuurt, niet voldoende zijn om het bewijs, vermeld in het eerste lid, te leveren.
Als de landbouwer nalaat de nodige bewijsstukken te bezorgen, of als hij, bij een verzoek van de bevoegde instantie conform het vierde lid, nalaat aanvullende informatie of bewijsstukken te bezorgen die aantonen dat aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, binnen de termijn die de bevoegde instantie bepaalt, kan de steunaanvraag volledig of gedeeltelijk als niet steunwaardig beschouwd worden door de bevoegde instantie.
De bevoegde instantie bepaalt welke stukken bewijsstukken zijn als vermeld in het eerste lid.
Die bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, worden ingediend via het e-loket of opgestuurd binnen de termijn die de bevoegde instantie bepaalt.
De bevoegde instantie beoordeelt de bewijsstukken die de landbouwer heeft bezorgd, uiterlijk op de uiterste termijn die daarvoor bepaald is. De bevoegde instantie kan op elk moment aanvullende informatie opvragen als de stukken die de landbouwer meestuurt, niet voldoende zijn om het bewijs, vermeld in het eerste lid, te leveren.
Als de landbouwer nalaat de nodige bewijsstukken te bezorgen, of als hij, bij een verzoek van de bevoegde instantie conform het vierde lid, nalaat aanvullende informatie of bewijsstukken te bezorgen die aantonen dat aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, binnen de termijn die de bevoegde instantie bepaalt, kan de steunaanvraag volledig of gedeeltelijk als niet steunwaardig beschouwd worden door de bevoegde instantie.
Art. 3. L'agriculteur joint à la demande unique les pièces justificatives démontrant que les conditions relatives aux demandes, déclarations et notifications, visées à l'article 4, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, sont remplies.
L'autorité compétente détermine quels documents sont des pièces justificatives visés au premier alinéa.
Ces documents justificatifs, mentionnés au premier alinéa, sont soumis via le guichet électronique ou envoyés dans le délai fixé par l'autorité compétente.
L'autorité compétente évalue les pièces justificatives fournies par l'agriculteur, au plus tard dans le délai fixé à cet effet. L'autorité compétente peut demander des informations supplémentaires à tout moment, si les pièces envoyées par l'agriculteur ne sont pas suffisantes pour apporter la preuve, visée au premier alinéa.
Si l'agriculteur ne fournit pas les pièces justificatives nécessaires ou si, à la demande de l'autorité compétente conformément au quatrième alinéa, l'agriculteur ne fournit pas d'informations supplémentaires ou de pièces justificatives démontrant que toutes les conditions visées au premier alinéa sont remplies, dans le délai fixé par l'autorité compétente, la demande d'aide peut être considérée comme inadmissible, en tout ou en partie, par l'autorité compétente.
L'autorité compétente détermine quels documents sont des pièces justificatives visés au premier alinéa.
Ces documents justificatifs, mentionnés au premier alinéa, sont soumis via le guichet électronique ou envoyés dans le délai fixé par l'autorité compétente.
L'autorité compétente évalue les pièces justificatives fournies par l'agriculteur, au plus tard dans le délai fixé à cet effet. L'autorité compétente peut demander des informations supplémentaires à tout moment, si les pièces envoyées par l'agriculteur ne sont pas suffisantes pour apporter la preuve, visée au premier alinéa.
Si l'agriculteur ne fournit pas les pièces justificatives nécessaires ou si, à la demande de l'autorité compétente conformément au quatrième alinéa, l'agriculteur ne fournit pas d'informations supplémentaires ou de pièces justificatives démontrant que toutes les conditions visées au premier alinéa sont remplies, dans le délai fixé par l'autorité compétente, la demande d'aide peut être considérée comme inadmissible, en tout ou en partie, par l'autorité compétente.
Art. 4. Het tijdstip van verzending en ontvangst van het formulier van de verzamelaanvraag dat ingediend wordt via het e-loket, wordt bepaald conform artikel II.23 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Als een papieren aangifte toegelaten is en met de post verstuurd is, geldt de postdatum als indieningsdatum. Als de papieren aangifte afgegeven is bij de bevoegde entiteit, geldt de ontvangstdatum als indieningsdatum.
Als een papieren aangifte toegelaten is en met de post verstuurd is, geldt de postdatum als indieningsdatum. Als de papieren aangifte afgegeven is bij de bevoegde entiteit, geldt de ontvangstdatum als indieningsdatum.
Art. 4. Le délai d'envoi et de réception du formulaire de demande unique introduit via le guichet électronique est déterminé conformément à l'article II.23 du décret administratif du 7 décembre 2018.
Si une déclaration sur papier est autorisée et envoyée par la poste, la date postale compte comme date de dépôt. Si la déclaration papier a été présentée à l'entité compétente, la date de réception vaut comme date de dépôt.
Si une déclaration sur papier est autorisée et envoyée par la poste, la date postale compte comme date de dépôt. Si la déclaration papier a été présentée à l'entité compétente, la date de réception vaut comme date de dépôt.
HOOFDSTUK 3. - Specifieke aangiftebepalingen voor de verzamelaanvraag
CHAPITRE 3. - Dispositions spécifiques en matière de déclaration pour la demande unique
Afdeling 1. - Aangifte van landbouwpercelen
Section 1ère. - Déclaration des parcelles agricoles
Art. 5. Het referentieperceel, vermeld in artikel 2, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties, wordt met een referentienummer uniek gedefinieerd in het GBCS op basis van de geconsolideerde grafische intekening van het landbouwperceel met als basis het jaar 2004.
In het eerste lid wordt verstaan onder GBCS: het geïntegreerd beheers- en controlesysteem als vermeld in titel IV, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 2021/2116.
Aan elk referentieperceel is een referentieoppervlakte gekoppeld die de maximale oppervlakte is die aan het referentieperceel toegekend kan worden. De referentieoppervlakte wordt gelijkgesteld aan de grafische oppervlakte van het landbouwperceel in het LPIS, afgerond op 0,01 hectare.
In het eerste lid wordt verstaan onder GBCS: het geïntegreerd beheers- en controlesysteem als vermeld in titel IV, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 2021/2116.
Aan elk referentieperceel is een referentieoppervlakte gekoppeld die de maximale oppervlakte is die aan het referentieperceel toegekend kan worden. De referentieoppervlakte wordt gelijkgesteld aan de grafische oppervlakte van het landbouwperceel in het LPIS, afgerond op 0,01 hectare.
Art. 5. La parcelle de référence, visée à l'article 2, alinéa 2, du règlement délégué (UE) 2022/1172 de la Commission du 4 mai 2022 complétant le règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne le système intégré de gestion et de contrôle de la politique agricole commune ainsi que l'application et le calcul des sanctions administratives liées à la conditionnalité, est définie de manière univoque par un numéro de référence dans le SIGC sur la base de l'enregistrement graphique consolidé de la parcelle agricole basé sur l'année 2004.
Au premier alinéa, on entend par SIGC: le système intégré de gestion et de contrôle visé au titre IV, chapitre II, du règlement (UE) n° 2021/2116.
A chaque parcelle de référence est associée une superficie de référence qui est la superficie maximale pouvant être attribuée à la parcelle de référence. La superficie de référence est égale à la superficie graphique de la parcelle agricole dans le LPIS, arrondie au 0,01 hectare.
Au premier alinéa, on entend par SIGC: le système intégré de gestion et de contrôle visé au titre IV, chapitre II, du règlement (UE) n° 2021/2116.
A chaque parcelle de référence est associée une superficie de référence qui est la superficie maximale pouvant être attribuée à la parcelle de référence. La superficie de référence est égale à la superficie graphique de la parcelle agricole dans le LPIS, arrondie au 0,01 hectare.
Art. 6. De intekening van een landbouwperceel in het LPIS bepaalt de grafische oppervlakte van dat landbouwperceel.
De grafische oppervlakte, vermeld in het eerste lid, wordt beschouwd als de aangegeven oppervlakte, behalve als de landbouwer een alfanumerieke aanpassing doet van de aangegeven oppervlakte. De voormelde alfanumerieke aanpassing van de aangegeven oppervlakte is mogelijk als op basis van orthofoto's niet vast te stellen is wat de beteelbare oppervlakte is, waardoor die oppervlakte niet apart ingetekend kan worden. In dat geval is de aangegeven oppervlakte gelijk aan de volledig beteelbare oppervlakte, met inbegrip van de onverharde oppervlakte die noodzakelijk is voor de reguliere teeltwerkzaamheden.
Als de aangegeven oppervlakte niet alfanumeriek aanpasbaar is als vermeld in het tweede lid, kan die alleen gewijzigd worden door een wijziging van de grafische intekening.
Als niet-subsidiabele elementen, afzonderlijk of samen, binnen een landbouwperceel meer dan 0,01 hectare innemen, mogen die elementen geen deel uitmaken van het referentieperceel.
De grafische oppervlakte, vermeld in het eerste lid, wordt beschouwd als de aangegeven oppervlakte, behalve als de landbouwer een alfanumerieke aanpassing doet van de aangegeven oppervlakte. De voormelde alfanumerieke aanpassing van de aangegeven oppervlakte is mogelijk als op basis van orthofoto's niet vast te stellen is wat de beteelbare oppervlakte is, waardoor die oppervlakte niet apart ingetekend kan worden. In dat geval is de aangegeven oppervlakte gelijk aan de volledig beteelbare oppervlakte, met inbegrip van de onverharde oppervlakte die noodzakelijk is voor de reguliere teeltwerkzaamheden.
Als de aangegeven oppervlakte niet alfanumeriek aanpasbaar is als vermeld in het tweede lid, kan die alleen gewijzigd worden door een wijziging van de grafische intekening.
Als niet-subsidiabele elementen, afzonderlijk of samen, binnen een landbouwperceel meer dan 0,01 hectare innemen, mogen die elementen geen deel uitmaken van het referentieperceel.
Art. 6. Le dessin d'une parcelle agricole dans le LPIS détermine la superficie graphique de cette parcelle agricole.
La surface graphique, visée au premier alinéa, est considérée comme la surface déclarée, sauf si l'agriculteur procède à une modification alphanumérique de la surface déclarée. La modification alphanumérique précitée de la superficie déclarée est possible si des orthophotos ne permettent pas de déterminer la superficie cultivable, de sorte que cette superficie ne peut être dessinée séparément. Dans ce cas, la surface déclarée est égale à la surface cultivable entière, y compris la surface non durcie nécessaire aux opérations de culture normales.
Si la superficie déclarée ne peut pas être modifiée de façon alphanumérique, comme visé au deuxième alinéa, elle ne peut être modifiée que par une modification du dessin graphique.
Si des éléments non éligibles, individuellement ou ensemble, au sein d'une parcelle agricole, occupent plus de 0,01 hectare, ces éléments ne peuvent pas faire partie de la parcelle de référence.
La surface graphique, visée au premier alinéa, est considérée comme la surface déclarée, sauf si l'agriculteur procède à une modification alphanumérique de la surface déclarée. La modification alphanumérique précitée de la superficie déclarée est possible si des orthophotos ne permettent pas de déterminer la superficie cultivable, de sorte que cette superficie ne peut être dessinée séparément. Dans ce cas, la surface déclarée est égale à la surface cultivable entière, y compris la surface non durcie nécessaire aux opérations de culture normales.
Si la superficie déclarée ne peut pas être modifiée de façon alphanumérique, comme visé au deuxième alinéa, elle ne peut être modifiée que par une modification du dessin graphique.
Si des éléments non éligibles, individuellement ou ensemble, au sein d'une parcelle agricole, occupent plus de 0,01 hectare, ces éléments ne peuvent pas faire partie de la parcelle de référence.
Art. 7. In dit artikel wordt verstaan onder landbouwareaal: het landbouwareaal, vermeld in artikel 1, 32°, van het besluit van21 april 2023.
Een landbouwer geeft elk landbouwperceel van zijn landbouwareaal aan in zijn verzamelaanvraag als het een minimumoppervlakte van 0,01 hectare heeft.
De volgende elementen die niet behoren tot het landbouwareaal, worden ook aangegeven in de verzamelaanvraag:
1° stal;
2° loods;
3° woonhuis;
4° gebouw in het kader van verbreding;
5° ander gebouw;
6° biologische niet-landbouwgrond;
7° niet-landbouwareaal dat begraasd wordt;
8° heide als dat areaal begraasd wordt.
In het derde lid wordt verstaan onder:
1° ander gebouw: gebouwen die geen element als vermeld in punt 3°, 5°, 6° of 7°, zijn;
2° biologische niet-landbouwgrond: de grond die voor de biologische productie aangemeld is en die geen landbouwareaal is;
3° gebouw in het kader van verbreding: een bedrijfsgebouw dat dienst doet voor activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding;
4° heide: de gronden met dwergstruikenformatie, gedomineerd door struikheide of dopheide, zonder bomen en struiken of met weinig bomen en struiken en met een doorgaans goed ontwikkelde moslaag;
5° loods: een bedrijfsgebouw voor de opslag van materiaal of oogst of voor de sortering van de oogst;
6° stal: een bedrijfsgebouw voor het houden van dieren;
7° woonhuis: een gebouw voor bewoning.
De landbouwer gebruikt voor de aangifte de codes die de bevoegde entiteit ter beschikking stelt.
Een landbouwer geeft elk landbouwperceel van zijn landbouwareaal aan in zijn verzamelaanvraag als het een minimumoppervlakte van 0,01 hectare heeft.
De volgende elementen die niet behoren tot het landbouwareaal, worden ook aangegeven in de verzamelaanvraag:
1° stal;
2° loods;
3° woonhuis;
4° gebouw in het kader van verbreding;
5° ander gebouw;
6° biologische niet-landbouwgrond;
7° niet-landbouwareaal dat begraasd wordt;
8° heide als dat areaal begraasd wordt.
In het derde lid wordt verstaan onder:
1° ander gebouw: gebouwen die geen element als vermeld in punt 3°, 5°, 6° of 7°, zijn;
2° biologische niet-landbouwgrond: de grond die voor de biologische productie aangemeld is en die geen landbouwareaal is;
3° gebouw in het kader van verbreding: een bedrijfsgebouw dat dienst doet voor activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding;
4° heide: de gronden met dwergstruikenformatie, gedomineerd door struikheide of dopheide, zonder bomen en struiken of met weinig bomen en struiken en met een doorgaans goed ontwikkelde moslaag;
5° loods: een bedrijfsgebouw voor de opslag van materiaal of oogst of voor de sortering van de oogst;
6° stal: een bedrijfsgebouw voor het houden van dieren;
7° woonhuis: een gebouw voor bewoning.
De landbouwer gebruikt voor de aangifte de codes die de bevoegde entiteit ter beschikking stelt.
Art. 7. Dans le présent article, on entend par superficie agricole la superficie agricole, visée à l'article 1er, 32°, de l'arrêté du 21 avril 2023.
L'agriculteur déclare dans sa demande unique chaque parcelle agricole de sa superficie agricole si elle a une surface minimale de 0,01 hectare.
Les éléments suivants n'appartenant pas à la superficie agricole, sont également déclarés dans la demande unique:
1° étable;
2° hangar;
3° maison d'habitation;
4° bâtiment dans le cadre d'un élargissement;
5° autre bâtiment;
6° les terres non agricoles biologiques;
7° superficie non agricole pâturée;
8° les landes si cette superficie sont pâturées.
Au troisième alinéa, il est entendu par:
1° autre bâtiment: les bâtiments qui ne constituent pas un élément visé au point 3°, 5°, 6° ou 7° ;
2° terres non agricoles biologiques: les terres notifiées pour la production biologique qui ne sont pas des terres agricoles;
3° bâtiment dans le cadre d'élargissement: un bâtiment agricole qui sert à des activités liées à l'élargissement agricole;
4° lande: les terres à formation arbustive naine, dominées par la bruyère ou la lande, sans arbres ni arbustes ou avec peu d'arbres et d'arbustes et avec une couche de mousse généralement bien développée;
5° hangar: un bâtiment agricole destiné au stockage du matériel ou de la récolte ou au triage de la récolte;
6° étable : bâtiment agricole destiné à la détention d'animaux;
7° maison d'habitation: un bâtiment à usage résidentiel.
L'agriculteur utilise les codes fournis par l'entité compétente pour la déclaration.
L'agriculteur déclare dans sa demande unique chaque parcelle agricole de sa superficie agricole si elle a une surface minimale de 0,01 hectare.
Les éléments suivants n'appartenant pas à la superficie agricole, sont également déclarés dans la demande unique:
1° étable;
2° hangar;
3° maison d'habitation;
4° bâtiment dans le cadre d'un élargissement;
5° autre bâtiment;
6° les terres non agricoles biologiques;
7° superficie non agricole pâturée;
8° les landes si cette superficie sont pâturées.
Au troisième alinéa, il est entendu par:
1° autre bâtiment: les bâtiments qui ne constituent pas un élément visé au point 3°, 5°, 6° ou 7° ;
2° terres non agricoles biologiques: les terres notifiées pour la production biologique qui ne sont pas des terres agricoles;
3° bâtiment dans le cadre d'élargissement: un bâtiment agricole qui sert à des activités liées à l'élargissement agricole;
4° lande: les terres à formation arbustive naine, dominées par la bruyère ou la lande, sans arbres ni arbustes ou avec peu d'arbres et d'arbustes et avec une couche de mousse généralement bien développée;
5° hangar: un bâtiment agricole destiné au stockage du matériel ou de la récolte ou au triage de la récolte;
6° étable : bâtiment agricole destiné à la détention d'animaux;
7° maison d'habitation: un bâtiment à usage résidentiel.
L'agriculteur utilise les codes fournis par l'entité compétente pour la déclaration.
Art. 8. De landbouwer geeft in de verzamelaanvraag voor elk landbouwperceel als vermeld in artikel 7, tweede lid, de hoofdteelt aan en, in voorkomend geval, de voor- of nateelt. Voor de voormelde aangifte gebruikt de landbouwer de teeltcodes die de bevoegde entiteit ter beschikking stelt.
Als de teelt die overwegend op het landbouwperceel aanwezig is, niet overeenstemt met de primaire gebruiksdoelstelling van het landbouwperceel, wordt in afwijking van artikel 1, 25°, van het besluit van 21 april 2023de teelt die overeenkomt met de primaire gebruiksdoelstelling, als hoofdteelt aangegeven in de verzamelaanvraag.
De landbouwer geeft onderzaai aan als nateelt.
In het derde lid wordt verstaan onder onderzaai: de inzaai van een gewas in dezelfde periode als de inzaai of aanplant van de hoofdteelt, waarbij de onderzaai niet het primaire teeltdoel is van het perceel en pas na de oogst van de hoofdteelt ten volle tot ontwikkeling komt.
Als de teelt die overwegend op het landbouwperceel aanwezig is, niet overeenstemt met de primaire gebruiksdoelstelling van het landbouwperceel, wordt in afwijking van artikel 1, 25°, van het besluit van 21 april 2023de teelt die overeenkomt met de primaire gebruiksdoelstelling, als hoofdteelt aangegeven in de verzamelaanvraag.
De landbouwer geeft onderzaai aan als nateelt.
In het derde lid wordt verstaan onder onderzaai: de inzaai van een gewas in dezelfde periode als de inzaai of aanplant van de hoofdteelt, waarbij de onderzaai niet het primaire teeltdoel is van het perceel en pas na de oogst van de hoofdteelt ten volle tot ontwikkeling komt.
Art. 8. Dans la demande unique l'agriculteur indique pour chaque parcelle agricole visée à l'article 7, alinéa 2, la culture principale et, le cas échéant, la culture précédente ou suivante. Pour la déclaration précitée, l'agriculteur utilise les codes de culture fournis par l'entité compétente.
Si la culture majoritairement présente sur la parcelle agricole ne correspond pas à l'objectif d'utilisation primaire de la parcelle agricole, la culture correspondant à l'objectif d'utilisation primaire est, par dérogation à l'article 1er, 25° de l'arrêté du 21 avril 2023, déclarée comme culture principale dans la demande unique.
L'agriculteur déclare le sous-semis comme culture suivante.
Au troisième alinéa, on entend par sous-semis l'ensemencement d'une culture au cours de la même période que l'ensemencement ou la plantation de la culture principale, lorsque le sous-semis ne constitue pas l'objectif de culture primaire de la parcelle et qu'il ne se développe pleinement qu'après la récolte de la culture principale.
Si la culture majoritairement présente sur la parcelle agricole ne correspond pas à l'objectif d'utilisation primaire de la parcelle agricole, la culture correspondant à l'objectif d'utilisation primaire est, par dérogation à l'article 1er, 25° de l'arrêté du 21 avril 2023, déclarée comme culture principale dans la demande unique.
L'agriculteur déclare le sous-semis comme culture suivante.
Au troisième alinéa, on entend par sous-semis l'ensemencement d'une culture au cours de la même période que l'ensemencement ou la plantation de la culture principale, lorsque le sous-semis ne constitue pas l'objectif de culture primaire de la parcelle et qu'il ne se développe pleinement qu'après la récolte de la culture principale.
Art. 9. § 1. De landbouwer beschikt over het genotrecht, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, voor de landbouwpercelen die hij aangeeft in de verzamelaanvraag.
Als de bevoegde instantie verzoekt om aan te tonen dat de vereiste, vermeld in het eerst lid, is vervuld, legt de landbouwer een geldige rechtstitel voor als vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.
§ 2. De landbouwer heeft de landbouwpercelen die hij aangeeft in de verzamelaanvraag, in eigen gebruik gedurende de periode die overeenstemt met het gebruiksdoel dat hij aangeeft in de verzamelaanvraag.
Als de bevoegde instantie verzoekt om aan te tonen dat de vereiste, vermeld in het eerst lid, is vervuld, toont de landbouwer al de volgende elementen aan:
1° hij gebruikt de percelen tijdens de periode, vermeld in het eerste lid;
2° hij draagt tijdens de periode, vermeld in het eerste lid, de voordelen en de risico's van de teelt, waaronder het financiële risico als dat aanwezig is;
3° hij heeft autonomie over het perceel in kwestie in die zin dat hij beslissingsrecht heeft.
Als de bevoegde instantie verzoekt om aan te tonen dat de vereiste, vermeld in het eerst lid, is vervuld, legt de landbouwer een geldige rechtstitel voor als vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.
§ 2. De landbouwer heeft de landbouwpercelen die hij aangeeft in de verzamelaanvraag, in eigen gebruik gedurende de periode die overeenstemt met het gebruiksdoel dat hij aangeeft in de verzamelaanvraag.
Als de bevoegde instantie verzoekt om aan te tonen dat de vereiste, vermeld in het eerst lid, is vervuld, toont de landbouwer al de volgende elementen aan:
1° hij gebruikt de percelen tijdens de periode, vermeld in het eerste lid;
2° hij draagt tijdens de periode, vermeld in het eerste lid, de voordelen en de risico's van de teelt, waaronder het financiële risico als dat aanwezig is;
3° hij heeft autonomie over het perceel in kwestie in die zin dat hij beslissingsrecht heeft.
Art. 9. § 1. L'agriculteur a le droit de jouissance, tel que visé à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, pour les parcelles agricoles qu'il déclare dans la demande unique.
Si l'organisme compétent demande de démontrer que l'exigence, visée au premier alinéa, est remplie, l'agriculteur présente un titre légal valide tel que visé à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture.
§ 2. L'agriculteur dispose des parcelles agricoles déclarées dans la demande unique pour son propre usage pendant la période correspondant à l'usage qu'il déclare dans la demande unique.
Si l'organisme compétent demande de démontrer que l'exigence, visée au premier alinéa, est remplie, l'agriculteur démontre l'ensemble des éléments suivants:
1° il utilise les parcelles pendant la période, visée au premier alinéa;
2° pendant la période, visée au premier alinéa, il supporte les bénéfices et les risques de la culture, y compris, le cas échéant, le risque financier;
3° il dispose d'une autonomie sur la parcelle en question en ce sens qu'il a le droit de décision.
Si l'organisme compétent demande de démontrer que l'exigence, visée au premier alinéa, est remplie, l'agriculteur présente un titre légal valide tel que visé à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture.
§ 2. L'agriculteur dispose des parcelles agricoles déclarées dans la demande unique pour son propre usage pendant la période correspondant à l'usage qu'il déclare dans la demande unique.
Si l'organisme compétent demande de démontrer que l'exigence, visée au premier alinéa, est remplie, l'agriculteur démontre l'ensemble des éléments suivants:
1° il utilise les parcelles pendant la période, visée au premier alinéa;
2° pendant la période, visée au premier alinéa, il supporte les bénéfices et les risques de la culture, y compris, le cas échéant, le risque financier;
3° il dispose d'une autonomie sur la parcelle en question en ce sens qu'il a le droit de décision.
Afdeling 2. - De teelttoestemming voor hennep
Section 2. - L'autorisation de culture de chanvre
Art. 10. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder THC-gehalte: gehalte aan delta-9-tetrahydrocannabinol, uitgedrukt in g/100 g analysemonster.
§ 2. Een landbouwer die een teelttoestemming voor de teelt van een hennepras, als vermeld in artikel 12, § 1, van het besluit van 21 april 2023, wil krijgen, dient bij de bevoegde entiteit een aanvraag in via bijlage in de verzamelaanvraag.
De aanvraag tot teelttoestemming voor de teelt van een hennepras, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
1° het identificatienummer van de aanvrager dat is toegekend door de bevoegde entiteit;
2° de voor- en achternaam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager;
3° het teeltjaar waarvoor de teelttoestemming wordt gevraagd;
[1 De minimale zaaidichtheid om een teelttoestemming voor de teelt van hennep te verkrijgen, bedraagt 25 kilogram per hectare.]1
4° het hennepras dat wordt ingezaaid;
5° de oppervlakte die ingezaaid wordt en de hoeveelheid hennepzaaizaad, uitgedrukt in kilogram per hectare;
6° de naam van de gemeente waar het perceel ligt en het identificatienummer van het perceel. Als verschillende rassen per perceel worden ingezaaid, voegt de landbouwer een schets met de ligging van ieder ras bij de aanvraag;
7° de vermelding dat de bevoegde entiteit de gegevens van de aanvraag doorgeeft aan de bevoegde politiediensten.
De aanvraag tot teelttoestemming, vermeld in het eerste lid, wordt op de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar in kwestie ingediend. De bevoegde entiteit geeft de teelttoestemming.
De landbouwer start pas met de inzaai nadat hij de teelttoestemming van de bevoegde entiteit heeft ontvangen De landbouwer bezorgt onmiddellijk na de inzaai en uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. De voormelde etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
De landbouwer die met toestemming hennep teelt, brengt de bevoegde entiteit onverwijld op de hoogte van het begin van de bloei.
Ter uitvoering van artikel 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, moet de landbouwer die hennep teelt, het gewas tot tien dagen na het einde van de bloei in normale groeiomstandigheden verder telen opdat de bevoegde entiteit de controles op het THC-gehalte kan uitvoeren. De bevoegde entiteit kan toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar voor het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, op voorwaarde dat de controleurs van de bevoegde entiteit aangeven op welke representatieve delen van elk perceel in kwestie het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld opdat het THC-gehalte gecontroleerd kan worden. De voormelde toestemming om hennep vroeger te oogsten kan alleen gegeven worden als hennep niet geteeld wordt als vanggewas conform artikel 4 en 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126.
Als de landbouwer een hennepras inzaait als nateelt conform artikel 4 en 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, bezorgt hij in afwijking van het [1 vijfde]1 lid onmiddellijk na inzaai en uiterlijk op 31 augustus van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. De voormelde etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
§ 2. Een landbouwer die een teelttoestemming voor de teelt van een hennepras, als vermeld in artikel 12, § 1, van het besluit van 21 april 2023, wil krijgen, dient bij de bevoegde entiteit een aanvraag in via bijlage in de verzamelaanvraag.
De aanvraag tot teelttoestemming voor de teelt van een hennepras, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
1° het identificatienummer van de aanvrager dat is toegekend door de bevoegde entiteit;
2° de voor- en achternaam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager;
3° het teeltjaar waarvoor de teelttoestemming wordt gevraagd;
[1 De minimale zaaidichtheid om een teelttoestemming voor de teelt van hennep te verkrijgen, bedraagt 25 kilogram per hectare.]1
4° het hennepras dat wordt ingezaaid;
5° de oppervlakte die ingezaaid wordt en de hoeveelheid hennepzaaizaad, uitgedrukt in kilogram per hectare;
6° de naam van de gemeente waar het perceel ligt en het identificatienummer van het perceel. Als verschillende rassen per perceel worden ingezaaid, voegt de landbouwer een schets met de ligging van ieder ras bij de aanvraag;
7° de vermelding dat de bevoegde entiteit de gegevens van de aanvraag doorgeeft aan de bevoegde politiediensten.
De aanvraag tot teelttoestemming, vermeld in het eerste lid, wordt op de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar in kwestie ingediend. De bevoegde entiteit geeft de teelttoestemming.
De landbouwer start pas met de inzaai nadat hij de teelttoestemming van de bevoegde entiteit heeft ontvangen De landbouwer bezorgt onmiddellijk na de inzaai en uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. De voormelde etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
De landbouwer die met toestemming hennep teelt, brengt de bevoegde entiteit onverwijld op de hoogte van het begin van de bloei.
Ter uitvoering van artikel 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, moet de landbouwer die hennep teelt, het gewas tot tien dagen na het einde van de bloei in normale groeiomstandigheden verder telen opdat de bevoegde entiteit de controles op het THC-gehalte kan uitvoeren. De bevoegde entiteit kan toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar voor het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, op voorwaarde dat de controleurs van de bevoegde entiteit aangeven op welke representatieve delen van elk perceel in kwestie het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld opdat het THC-gehalte gecontroleerd kan worden. De voormelde toestemming om hennep vroeger te oogsten kan alleen gegeven worden als hennep niet geteeld wordt als vanggewas conform artikel 4 en 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126.
Als de landbouwer een hennepras inzaait als nateelt conform artikel 4 en 5 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, bezorgt hij in afwijking van het [1 vijfde]1 lid onmiddellijk na inzaai en uiterlijk op 31 augustus van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. De voormelde etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
Art. 10. § 1. Dans le présent article, on entend par teneur en THC : la teneur en delta-9-tétrahydrocannabinol, exprimée en g/100 g d'échantillon d'analyse.
§ 2. L'agriculteur qui souhaite obtenir une autorisation de culture pour la culture d'une variété de chanvre, telle que mentionnée à l'article 12, § 1 de l'arrêté du 21 avril 2023, introduit une demande auprès de l'entité compétente par le biais d'une annexe dans la demande unique.
La demande d'autorisation de culture pour la culture d'une variété de chanvre, visée au premier alinéa, contient toutes les informations suivantes:
1° le numéro d'identification du demandeur attribué par l'entité compétente;
2° le nom et le prénom, l'adresse, le numéro de téléphone et l'adresse électronique du demandeur;
3° l'année de culture pour laquelle l'autorisation de culture est demandée;
[1 La densité minimale de semis pour obtenir une autorisation de culture de chanvre s'élève à 25 kilogrammes par hectare. ]1
4° la variété de chanvre à ensemencer;
5° la superficie à ensemencer et la quantité de semences de chanvre, exprimée en kilogrammes par hectare;
6° le nom de la commune où se trouve la parcelle et le numéro d'identification de la parcelle. Si plusieurs variétés sont semées par parcelle, l'agriculteur joint à sa demande un croquis indiquant la localisation de chaque variété;
7° l'indication que l'entité compétente transmet les données de la demande aux services de police compétents.
La demande d'autorisation de culture, visée au premier alinéa, est introduite à la dernière date de modification de la demande unique pour l'année concernée. L'entité compétente délivre l'autorisation de culture.
L'agriculteur ne commence pas à ensemencer avant d'avoir reçu l'autorisation de culture de l'entité compétente. Immédiatement après l'ensemencement, et au plus tard le 30 juin de l'année civile concernée, l'agriculteur soumet à l'entité compétente les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Les étiquettes précitées font partie intégrante de la demande unique.
L'agriculteur cultivant du chanvre sous autorisation, informe immédiatement l'entité compétente du début de la floraison.
En vertu de l'article 5 du règlement délégué (UE) 2022/126, l'agriculteur qui cultive du chanvre doit continuer à cultiver la culture dans des conditions de croissance normales pendant 10 jours après la fin de la floraison, pourque l'entité compétente puisse effectuer des contrôles de la teneur en THC. L'entité compétente peut autoriser la récolte du chanvre après le début de la floraison mais avant la fin de la période de 10 jours après la fin de la floraison, à condition que les contrôleurs de l'entité compétente indiquent les parties représentatives de chaque parcelle concernée sur lesquelles la culture doit se poursuivre pendant au moins 10 jours après la fin de la floraison pour que la teneur en THC puisse être contrôlé. L'autorisation précitée de récolter le chanvre plus tôt ne peut être accordée que si le chanvre n'est pas cultivé en tant que culture dérobée conformément aux articles 4 et 5 du règlement délégué (UE) 2022/126.
Par dérogation [1 à l'alinéa 5]1, si l'agriculteur sème une variété de chanvre en tant que culture dérobée conformément aux articles 4 et 5 du règlement délégué (UE) n° 2022/126, il soumet à l'entité compétente, immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 31 août de l'année civile en question, les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Les étiquettes précitées font partie intégrante de la demande unique.
§ 2. L'agriculteur qui souhaite obtenir une autorisation de culture pour la culture d'une variété de chanvre, telle que mentionnée à l'article 12, § 1 de l'arrêté du 21 avril 2023, introduit une demande auprès de l'entité compétente par le biais d'une annexe dans la demande unique.
La demande d'autorisation de culture pour la culture d'une variété de chanvre, visée au premier alinéa, contient toutes les informations suivantes:
1° le numéro d'identification du demandeur attribué par l'entité compétente;
2° le nom et le prénom, l'adresse, le numéro de téléphone et l'adresse électronique du demandeur;
3° l'année de culture pour laquelle l'autorisation de culture est demandée;
[1 La densité minimale de semis pour obtenir une autorisation de culture de chanvre s'élève à 25 kilogrammes par hectare. ]1
4° la variété de chanvre à ensemencer;
5° la superficie à ensemencer et la quantité de semences de chanvre, exprimée en kilogrammes par hectare;
6° le nom de la commune où se trouve la parcelle et le numéro d'identification de la parcelle. Si plusieurs variétés sont semées par parcelle, l'agriculteur joint à sa demande un croquis indiquant la localisation de chaque variété;
7° l'indication que l'entité compétente transmet les données de la demande aux services de police compétents.
La demande d'autorisation de culture, visée au premier alinéa, est introduite à la dernière date de modification de la demande unique pour l'année concernée. L'entité compétente délivre l'autorisation de culture.
L'agriculteur ne commence pas à ensemencer avant d'avoir reçu l'autorisation de culture de l'entité compétente. Immédiatement après l'ensemencement, et au plus tard le 30 juin de l'année civile concernée, l'agriculteur soumet à l'entité compétente les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Les étiquettes précitées font partie intégrante de la demande unique.
L'agriculteur cultivant du chanvre sous autorisation, informe immédiatement l'entité compétente du début de la floraison.
En vertu de l'article 5 du règlement délégué (UE) 2022/126, l'agriculteur qui cultive du chanvre doit continuer à cultiver la culture dans des conditions de croissance normales pendant 10 jours après la fin de la floraison, pourque l'entité compétente puisse effectuer des contrôles de la teneur en THC. L'entité compétente peut autoriser la récolte du chanvre après le début de la floraison mais avant la fin de la période de 10 jours après la fin de la floraison, à condition que les contrôleurs de l'entité compétente indiquent les parties représentatives de chaque parcelle concernée sur lesquelles la culture doit se poursuivre pendant au moins 10 jours après la fin de la floraison pour que la teneur en THC puisse être contrôlé. L'autorisation précitée de récolter le chanvre plus tôt ne peut être accordée que si le chanvre n'est pas cultivé en tant que culture dérobée conformément aux articles 4 et 5 du règlement délégué (UE) 2022/126.
Par dérogation [1 à l'alinéa 5]1, si l'agriculteur sème une variété de chanvre en tant que culture dérobée conformément aux articles 4 et 5 du règlement délégué (UE) n° 2022/126, il soumet à l'entité compétente, immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 31 août de l'année civile en question, les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Les étiquettes précitées font partie intégrante de la demande unique.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Indiening, wijzigingen en intrekking van de verzamelaanvraag
CHAPITRE 4. - Soumission, modification et retrait de la demande unique
Art. 11. § 1. De volgende data gelden als uiterste data om de verzamelaanvraag in te dienen en te wijzigen, ook als de data op zaterdag, zondag of een wettelijke of Vlaamse decretale feestdag vallen:
1° 30 april is de uiterste indieningsdatum;
2° 31 mei is de uiterste wijzigingsdatum.
In afwijking van het eerste lid, 1°, geldt voor het kalenderjaar 2023 7 mei als uiterste indieningsdatum.
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, geldt voor het kalenderjaar 2024 14 juni als uiterste wijzigingsdatum.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de bevoegde entiteit voor bepaalde interventies of maatregelen een later tijdstip vastleggen voor indiening of wijziging.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 zorgt de landbouwer ervoor dat de informatie in de verzamelaanvraag tijdens het jaar correct is en in overeenstemming met de reële situatie op zijn bedrijf. Correcties kunnen niet later worden doorgevoerd dan 31 mei van het jaar dat volgt op het jaar waarin de verzamelaanvraag is ingediend.
§ 4. Als de landbouwer aantoont dat zijn aangifte door overmacht of door een administratieve vergissing, zonder nalatigheid of fout van de landbouwer, niet overeenstemt met een aantoonbare realiteit, kunnen in afwijking van paragraaf 1 toch nog wijzigingen in de teelt of ingebruikname worden aangebracht in de verzamelaanvraag. De landbouwer dient daarvoor een gemotiveerd verzoekschrift in via het e-loket of schriftelijk bij de buitendienst van de bevoegde entiteit.
§ 5. De bevoegde entiteit kan conform artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie van 31 mei 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de modaliteiten voor de intrekking van steunaanvragen bepalen.
1° 30 april is de uiterste indieningsdatum;
2° 31 mei is de uiterste wijzigingsdatum.
In afwijking van het eerste lid, 1°, geldt voor het kalenderjaar 2023 7 mei als uiterste indieningsdatum.
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, geldt voor het kalenderjaar 2024 14 juni als uiterste wijzigingsdatum.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de bevoegde entiteit voor bepaalde interventies of maatregelen een later tijdstip vastleggen voor indiening of wijziging.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 zorgt de landbouwer ervoor dat de informatie in de verzamelaanvraag tijdens het jaar correct is en in overeenstemming met de reële situatie op zijn bedrijf. Correcties kunnen niet later worden doorgevoerd dan 31 mei van het jaar dat volgt op het jaar waarin de verzamelaanvraag is ingediend.
§ 4. Als de landbouwer aantoont dat zijn aangifte door overmacht of door een administratieve vergissing, zonder nalatigheid of fout van de landbouwer, niet overeenstemt met een aantoonbare realiteit, kunnen in afwijking van paragraaf 1 toch nog wijzigingen in de teelt of ingebruikname worden aangebracht in de verzamelaanvraag. De landbouwer dient daarvoor een gemotiveerd verzoekschrift in via het e-loket of schriftelijk bij de buitendienst van de bevoegde entiteit.
§ 5. De bevoegde entiteit kan conform artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie van 31 mei 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de modaliteiten voor de intrekking van steunaanvragen bepalen.
Art. 11. § 1. Les dates suivantes sont d'application en tant que dates limites pour la soumission et la modification de la demande unique, même si ces dates seraient un samedi, un dimanche ou un jour férié légal ou décrétale flamand:
1° le 30 avril est la date limite de soumission;
2° le 31 mai est la date limite de modification.
Par dérogation à l'alinéa 1, 1°, la date limite de dépôt pour l'année civile 2023 est le 7 mai.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, l'entité compétente peut fixer un moment plus tardif pour la soumission ou la modification pour certaines interventions ou mesures.
§ 3. Sous réserve de l'application du paragraphe 1 et 2, l'agriculteur s'en assure que les informations contenues dans la demande unique au cours de l'année soient correctes et conformes à la situation réelle de son entreprise. Des corrections doivent être apportées au plus tard le 31 mai de l'année suivant celle au cours de laquelle la demande unique a été soumise.
§ 4. Si l'agriculteur démontre que sa déclaration ne correspond pas à une réalité démontrable en raison d'un cas de force majeure ou d'une erreur administrative, sans négligence ou faute de la part de l'agriculteur, des modifications de la culture ou de la mise en oeuvre peuvent encore être apportées à la demande unique par dérogation au paragraphe 1. A cette fin, l'agriculteur soumet une requête motivée via le guichet électronique ou par écrit au service extérieur de l'entité compétente.
§ 5. L'entité compétente peut, conformément à l'article 7 du règlement d'exécution (UE) 2022/1173 de la Commission du 31 mai 2022 portant modalités d'application du règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne le système intégré de gestion et de contrôle dans le cadre de la politique agricole commune, déterminer les modalités de retrait des demandes d'aide.
1° le 30 avril est la date limite de soumission;
2° le 31 mai est la date limite de modification.
Par dérogation à l'alinéa 1, 1°, la date limite de dépôt pour l'année civile 2023 est le 7 mai.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, l'entité compétente peut fixer un moment plus tardif pour la soumission ou la modification pour certaines interventions ou mesures.
§ 3. Sous réserve de l'application du paragraphe 1 et 2, l'agriculteur s'en assure que les informations contenues dans la demande unique au cours de l'année soient correctes et conformes à la situation réelle de son entreprise. Des corrections doivent être apportées au plus tard le 31 mai de l'année suivant celle au cours de laquelle la demande unique a été soumise.
§ 4. Si l'agriculteur démontre que sa déclaration ne correspond pas à une réalité démontrable en raison d'un cas de force majeure ou d'une erreur administrative, sans négligence ou faute de la part de l'agriculteur, des modifications de la culture ou de la mise en oeuvre peuvent encore être apportées à la demande unique par dérogation au paragraphe 1. A cette fin, l'agriculteur soumet une requête motivée via le guichet électronique ou par écrit au service extérieur de l'entité compétente.
§ 5. L'entité compétente peut, conformément à l'article 7 du règlement d'exécution (UE) 2022/1173 de la Commission du 31 mai 2022 portant modalités d'application du règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne le système intégré de gestion et de contrôle dans le cadre de la politique agricole commune, déterminer les modalités de retrait des demandes d'aide.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition finale
Art. 12. Het ministerieel besluit van 23 juni 2015 houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 24 maart 2022, wordt opgeheven.
Art. 12. L'arrêté ministériel du 23 juin 2015 fixant la demande unique et les modalités pour l'identification commune de parcelles, exploitations et terre agricoles dans le cadre de la politique relatif aux engrais et de la politique de l'agriculture, dernièrement modifié par l'arrêté ministériel du 24 mars 2022, est abrogé.
Art. 13. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2023.
Art. 13. Le présent arrêté produit ses effets à compter du 1er janvier 2023.