1° basisinkomenssteun: de basisinkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 16, lid 2, a), van verordening (EU) 2021/2115;
2° berm: een strook grond, meestal een grasstrook, die de scheiding vormt tussen weginfrastructuur, zoals wegen, spoorwegen, fietspaden of trottoirs, aan de ene kant en een andere vaste grens, zoals een waterloop, een talud of een eigendomsgrens, aan de andere kant;
3° besluit van 24 oktober 2014: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
4° besluit van 29 oktober 2021: het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021 over de biologische productie en de etikettering van biologische producten;
5° besluit van 21 april 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit;
6° [2 bevoegde entiteit: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, 2А, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]2;
7° blijvende teelten: de teelten van gewassen die geen blijvend grasland zijn en die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen. Blijvende teelten nemen het land gedurende ten minste vijf jaar in beslag. Blijvende teelten zijn teelten die geregeld een oogst kunnen opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd;
8° blijvend grasland: land dat wordt gebruikt voor een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen en dat minimaal vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;
9° bomenrij: een lijnvormig vrijstaand landschapselement dat bestaat uit minstens drie bomen in één rij met maximaal twintig meter tussen de stammen;
10° bouwland:
a) land dat niet voldoet aan de definitie van blijvende teelten of blijvend grasland en dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of dat daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt;
b) land dat is braakgelegd overeenkomstig artikel 31 of 70 van verordening (EU) 2021/2115 [3 ...]3;
11° braakliggend land: bouwland waarop geen landbouwproductie plaatsvindt, maar waarop een spontane vegetatie tot ontwikkeling komt of een maatregel wordt genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten en waarbij geen landbouwproducten worden geoogst.[1 Percelen blijvend grasland uit de voorgaande campagne kunnen niet als braakliggend land beschouwd worden;]1;
12° bufferstroken en akkerranden: onder bufferstroken en akkerranden vallen alle bufferstroken en akkerranden, met inbegrip van de bufferstroken langs waterlopen die vereist zijn in het kader van GLMC 4, RBE 1, RBE 2 of RBE 7 als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 2021/2115, en de akkerranden die beschermd zijn in het kader van GLMC 8, RBE 3 of RBE 4 als bedoeld in die bijlage, met een minimumbreedte van minstens 1 meter. Bufferstroken en akkerranden moeten ofwel bedekt zijn door de ontwikkeling van een spontane vegetatie, ofwel door de inzaai van een gewas, zonder dat er landbouwproductie op mag plaatsvinden. [3 ...]3;
13° conditionaliteit: beheerseisen die voortvloeien uit Europese verordeningen en richtlijnen over klimaat en milieu, volksgezondheid, gezondheid van planten en dierenwelzijn, en normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) houden van landbouwgrond volgens de thema's klimaatverandering, water, bodem, biodiversiteit en landschap, vermeld in bijlage III van verordening (EU) 2021/2115;
14° controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten: het controleorgaan dat erkend is conform artikel 24 en 25 van het besluit van 29 oktober 2021;
15° decreet van 21 oktober 1997: het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
16° e-loket: het elektronische loket dat wordt ontwikkeld en beheerd door de bevoegde entiteit;
17° e-loketgebruiker: de fysieke persoon die als landbouwer, als persoon die deel uitmaakt van de landbouwer of als gevolmachtigde van de landbouwer het e-loket gebruikt;
18° gedelegeerde verordening (EU) 2022/126: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC);
19° gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties;
20° grassen of andere kruidachtige voedergewassen: alle kruidachtige planten die in België traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen, ongeacht of het grasland in kwestie voor het weiden van dieren wordt gebruikt;
[4 20/1° groenbedekker: gewas dat ingezaaid wordt met als hoofddoel de bodem bedekt te houden in de periode na de oogst van de hoofdteelt;]4
21° groep van bomen: bomen in groep met overlappende kruinen en vrijstaand. Een groep van bomen heeft een maximale oppervlakte van 0,30 hectare;
22° haag of heg: een rij bomen of struiken die vlak naast elkaar staan en aaneengesloten zijn. Een haag of heg is overal minder dan twee meter breed;
23° hakhout met korte omlooptijd: meerjarige dicht bij elkaar staande houtgewassen van boomsoorten van de gecombineerde nomenclatuurcode van de Europese Unie GN-code 0602 90 41, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, waarvan de wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen. Hakhout met korte omlooptijd heeft een maximale omlooptijd van acht jaar;
24° herverdelende inkomenssteun: de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2021/2115;
25° [5 hoofdteelt: de teelt die volgens de gangbare teeltpraktijk overwegend aanwezig is op een perceel in de periode van 15 mei tot en met 31 augustus. In afwijking van het voormelde worden aardappelen en wintergewassen, met uitzondering van onrijp geoogste wintergranen en onrijp geoogste wintergranen met vlinderbloemigen, altijd beschouwd als hoofdteelt;]5
26° hoogstamboomgaard: een perceel landbouwgrond met hoogstamfruitbomen;
27° houtkant: een uitgestrekte en aaneengesloten vegetatiestrook, vrijstaand van andere landschapselementen, die bestaat uit struiken of uit bomen. Een houtkant is maximaal tien meter breed;
28° kleibodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes U (zware klei) of E (klei), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende de goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of vergelijkbare bodems in de zeepolders of in de bodemstaalanalyse met de codes 50 (klei), 60 (lichte polder) of 70 (polder);
29° koninklijk besluit van 20 mei 2022: het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels;
30° kwekerijen: arealen met jonge houtachtige planten in de openlucht bestemd om later te worden verplant voor de kweek van:
a) wijnstokken en moederplanten;
b) vruchtbomen en kleinfruitgewassen;
c) siergewassen;
d) voor de verkoop bestemde bosplanten, exclusief de bosboomkwekerijen die in het bos liggen en die bestemd zijn om aan de eigen behoefte van het bedrijf te voldoen;
e) bomen en heesters om tuinen, parken, straten en bermen te beplanten, namelijk haagplanten, rozen en andere sierheesters, sierconiferen en ook onderstammen en jonge zaailingen ervan;
31° landbouwactiviteit:
a) het telen van landbouwproducten en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;
b) het melken van dieren en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;
c) het fokken van dieren voor landbouwdoeleinden;
d) het houden van dieren voor landbouwdoeleinden, exclusief paarden voor sport -en recreatiedoeleinden;
e) onderhoud van landbouwareaal als vermeld in artikel 6;
32° landbouwareaal: areaal van bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten ook als boslandbouwsystemen zich op dat areaal bevinden als vermeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen;
33° landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 3, 1), van verordening (EU) 2021/2115;
34° landbouwperceel: een landbouwperceel is een door de landbouwer aangegeven stuk grond dat aaneengesloten is en niet meer dan één enkele teelt omvat en indien van toepassing, dat wordt begrensd door een agromilieu- en klimaatmaatregel of beheerovereenkomst of ecoregeling;
35° landbouwproducten: de producten, vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie, met inbegrip van katoen en hakhout met korte omlooptijd, exclusief visserijproducten;
36° landschapselement: een lijn- of puntvormig element in het landschap zoals gedefinieerd in artikel 2, 6° van het decreet van 21 oktober 1997;
37° leembodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes A (leem), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of in de bodemstaalanalyse met de codes 35 (lichte leem), 40 (leem) of 45 (zware leem), of een combinatie van code U, E, A;
38° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;
39° ministerieel besluit van 13 juli 2015: het ministerieel besluit van 13 juli 2015 houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wat betreft de specifieke regels voor vergroening binnen de rechtstreekse betalingen;
40° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde kalenderjaar ingezaaid wordt;
41° Natura 2000-gebied: een gebied dat als speciale beschermingszone is aangeduid conform artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997;
42° natuurlijke graslanden: gronden met ruige grassen, grassen met een belangrijke aanwezigheid van mossen, kruidachtige gewassen of andere weinig voedzame grassoorten, of ouder weidegras met een zekere graad van spontane ontwikkeling van kruidachtige gewassen;
43° overmacht en uitzonderlijke omstandigheden: de gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in artikel 3 van verordening (EU) 2021/2116;
44° poel: een geïsoleerd watervlak in een natuurlijke laagte of in een uitgraving dat het grootste deel van het jaar met water gevuld is en niet verbonden is met waterlopen. Een poel heeft een maximale oppervlakte van 0,10 hectare;
45° reserve: de enveloppe die conform artikel 26 van verordening (EU) 2021/2115 als regionale reserve beschikbaar is voor toewijzing aan de landbouwers;
46° sloot: een waterloop in een natuurlijke of aangelegde laagte, van maximaal zes meter breed en geschikt voor afvoer van water. Waterlopen met uitsluitend betonnen wanden worden niet als sloot beschouwd;
47° subsidiabele hectare: een subsidiale hectare vermeld in artikel 5;
48° uiterste indieningsdatum: de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag;
49° uiterste wijzigingsdatum: de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag;
50° uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317: uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317 van de Commissie van 27 juli 2022 tot vaststelling van afwijkingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing van de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen) 7 en 8 voor claimjaar 2023;
51° verordening (EU) nr. 1307/2013: verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) 73/2009 van de Raad;
52° verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013;
53° verordening (EU) 2021/2116: verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013;
54° verzamelaanvraag: aanvraagsysteem dat het geospatiale en diergebonden aanvraagsysteem omvat, vermeld in artikel 65, lid 4, a), van verordening (EU) 2021/2116;
55° werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag, wettelijke of Vlaamse decretale feestdag is;
[5 56° wintergewas: een gewas dat geen gras is en dat wordt ingezaaid in het najaar met het oog op landbouwproductie in het daaropvolgende jaar, met inbegrip van wintergranen en wintergranen met vlinderbloemigen.]5