Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 APRIL 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-05-2023 en tekstbijwerking tot 24-04-2025)
Titre
21 AVRIL 2023. - Arrêté du Gouvernement flamand établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-05-2023 et mise à jour au 24-04-2025)
Documentinformatie
Numac: 2023042393
Datum: 2023-04-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023042393
Date: 2023-04-21
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Definities Afdeling 2. - Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 3. - Actieve landbouwer Afdeling 4. - Subsidiabiliteit HOOFDSTUK 2. - Ontkoppelde rechtstreekse betali... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Basisinkomenssteun Onderafdeling 1. - Financiële bepalingen Onderafdeling 2. - Waarde van betalingsrechten ... Onderafdeling 3. - Activering, aangifte en over... Onderafdeling [-1 4]-1. - Reserve Afdeling 3. - Herverdelende inkomenssteun Afdeling 4. - Jonge landbouwer HOOFDSTUK 3. - Gekoppelde inkomenssteun Afdeling 1. - Algemene bepalingen en definities Afdeling 2. - Subsidiabiliteitsvoorwaarden HOOFDSTUK 4. - Conditionaliteit Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - GLMC-normen Onderafdeling 1. - Behoud van blijvend grasland... Onderafdeling 2. - Bescherming van wetlands en ... Onderafdeling 3. - Handhaving van organisch bod... Onderafdeling 4. - Het aanleggen van bufferstro... Onderafdeling 5. - Bodembewerkingsbeheer Onderafdeling 6. - Minimale bodembedekking Onderafdeling 7. - Gewasrotatie op bouwland Onderafdeling 8. - Niet-productieve elementen e... Onderafdeling 9. - Bescherming van ecologisch k... HOOFDSTUK 4/1. [1 - Sociale conditionaliteit]1 HOOFDSTUK 5. - Geïntegreerd beheers- en control... Afdeling 1. - Identificatie van landbouwpercelen Afdeling 2. - Regels voor de werking van de ver... HOOFDSTUK 6. - E-loket HOOFDSTUK 7. - Controles, sancties en opvolging... Afdeling 1. - Definities en algemene bepalingen Afdeling 2. - Bewijsstukken Afdeling 3. - Controles ter plaatse Afdeling 4. - Administratieve sancties Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Administratieve sancties in ... Onderafdeling 3. - Berekening van steun en admi... Onderafdeling 4. - Berekening van steun en admi... Onderafdeling 5. - Volgorde van de sancties HOOFDSTUK 8. - Bezwaarprocedure HOOFDSTUK 9. - Verwerking van persoonsgegevens HOOFDSTUK 9/1. [1 Openbaarmaking]1 Art. 98/1. [1 De bevoegde entiteit regelt de ui... HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales. Section 1re. - Définitions Section 2. - Dispositions communes Section 3. - Agriculteur actif Section 4. - Eligibilité CHAPITRE 2. - Paiements directs découplés Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Aide au revenu de base Sous-section 1ère. - Provisions financières Sous-section 2. - Valeur des droits au paiement... Sous-section 3. - Activation, déclaration et tr... Sous-section [-1 4]-1. - Réserve Section 3. - Aide redistributive aux revenus Section 4. - Jeunes agriculteurs CHAPITRE 3. - Aide au revenu couplée Section 1. - Dispositions générales et définitions Section 2. - Conditions d'éligibilité CHAPITRE 4. - Conditionnalité Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Normes BCAE Sous-section 1ère. - Conservation des prairies ... Sous-section 2. - Protection des zones humides ... Sous-section 3. - Conservation de la matière or... Sous-section 4. - Création de bandes tampons le... Sous-section 5. - Gestion du travail du sol Sous-section 6. - Couverture de sol minimale Sous-section 7. - Rotation des cultures à des t... Sous-section 8. - Eléments non productifs et su... Sous-section 9. - Protection des prairies perma... CHAPITRE 4/1. [1 - Conditionnalité sociale]1 CHAPITRE 5. - Système intégré de gestion et de ... Section 1ère. - Identification des parcelles ag... Section 2. - Règles de fonctionnement de la dem... CHAPITRE 6. - Guichet électronique CHAPITRE 7. - Contrôles, sanctions et suivi par... Section 1ère. - Définitions et dispositions gén... Section 2. - Pièces justificatives Section 3. . - Contrôles sur place Section 4. - Sanctions administratives Sous-section 1ère. - Dispositions générales Sous-section 2. - Sanctions administratives dan... Sous-section 3. - Calcul de l'aide et des sanct... Sous-section 4. - Calcul de l'aide et sanctions... Sous-section 4. - Ordre des sanctions CHAPITRE 8. - Procédure d'objection CHAPITRE 9. - Traitement des données à caractèr... CHAPITRE 9/1. [1 Publicité]1 CHAPITRE 10. - Dispositions finales ANNEXES.
Tekst (157)
Texte (157)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales.
Afdeling 1. - Definities
Section 1re. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° basisinkomenssteun: de basisinkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 16, lid 2, a), van verordening (EU) 2021/2115;
  2° berm: een strook grond, meestal een grasstrook, die de scheiding vormt tussen weginfrastructuur, zoals wegen, spoorwegen, fietspaden of trottoirs, aan de ene kant en een andere vaste grens, zoals een waterloop, een talud of een eigendomsgrens, aan de andere kant;
  3° besluit van 24 oktober 2014: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  4° besluit van 29 oktober 2021: het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021 over de biologische productie en de etikettering van biologische producten;
  5° besluit van 21 april 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit;
  6° [2 bevoegde entiteit: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, 2А, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]2;
  7° blijvende teelten: de teelten van gewassen die geen blijvend grasland zijn en die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen. Blijvende teelten nemen het land gedurende ten minste vijf jaar in beslag. Blijvende teelten zijn teelten die geregeld een oogst kunnen opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd;
  8° blijvend grasland: land dat wordt gebruikt voor een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen en dat minimaal vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;
  9° bomenrij: een lijnvormig vrijstaand landschapselement dat bestaat uit minstens drie bomen in één rij met maximaal twintig meter tussen de stammen;
  10° bouwland:
  a) land dat niet voldoet aan de definitie van blijvende teelten of blijvend grasland en dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of dat daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt;
  b) land dat is braakgelegd overeenkomstig artikel 31 of 70 van verordening (EU) 2021/2115 [3 ...]3;
  11° braakliggend land: bouwland waarop geen landbouwproductie plaatsvindt, maar waarop een spontane vegetatie tot ontwikkeling komt of een maatregel wordt genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten en waarbij geen landbouwproducten worden geoogst.[1 Percelen blijvend grasland uit de voorgaande campagne kunnen niet als braakliggend land beschouwd worden;]1;
  12° bufferstroken en akkerranden: onder bufferstroken en akkerranden vallen alle bufferstroken en akkerranden, met inbegrip van de bufferstroken langs waterlopen die vereist zijn in het kader van GLMC 4, RBE 1, RBE 2 of RBE 7 als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 2021/2115, en de akkerranden die beschermd zijn in het kader van GLMC 8, RBE 3 of RBE 4 als bedoeld in die bijlage, met een minimumbreedte van minstens 1 meter. Bufferstroken en akkerranden moeten ofwel bedekt zijn door de ontwikkeling van een spontane vegetatie, ofwel door de inzaai van een gewas, zonder dat er landbouwproductie op mag plaatsvinden. [3 ...]3;
  13° conditionaliteit: beheerseisen die voortvloeien uit Europese verordeningen en richtlijnen over klimaat en milieu, volksgezondheid, gezondheid van planten en dierenwelzijn, en normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) houden van landbouwgrond volgens de thema's klimaatverandering, water, bodem, biodiversiteit en landschap, vermeld in bijlage III van verordening (EU) 2021/2115;
  14° controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten: het controleorgaan dat erkend is conform artikel 24 en 25 van het besluit van 29 oktober 2021;
  15° decreet van 21 oktober 1997: het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  16° e-loket: het elektronische loket dat wordt ontwikkeld en beheerd door de bevoegde entiteit;
  17° e-loketgebruiker: de fysieke persoon die als landbouwer, als persoon die deel uitmaakt van de landbouwer of als gevolmachtigde van de landbouwer het e-loket gebruikt;
  18° gedelegeerde verordening (EU) 2022/126: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC);
  19° gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties;
  20° grassen of andere kruidachtige voedergewassen: alle kruidachtige planten die in België traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen, ongeacht of het grasland in kwestie voor het weiden van dieren wordt gebruikt;
  [4 20/1° groenbedekker: gewas dat ingezaaid wordt met als hoofddoel de bodem bedekt te houden in de periode na de oogst van de hoofdteelt;]4
  21° groep van bomen: bomen in groep met overlappende kruinen en vrijstaand. Een groep van bomen heeft een maximale oppervlakte van 0,30 hectare;
  22° haag of heg: een rij bomen of struiken die vlak naast elkaar staan en aaneengesloten zijn. Een haag of heg is overal minder dan twee meter breed;
  23° hakhout met korte omlooptijd: meerjarige dicht bij elkaar staande houtgewassen van boomsoorten van de gecombineerde nomenclatuurcode van de Europese Unie GN-code 0602 90 41, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, waarvan de wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen. Hakhout met korte omlooptijd heeft een maximale omlooptijd van acht jaar;
  24° herverdelende inkomenssteun: de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2021/2115;
  25° [5 hoofdteelt: de teelt die volgens de gangbare teeltpraktijk overwegend aanwezig is op een perceel in de periode van 15 mei tot en met 31 augustus. In afwijking van het voormelde worden aardappelen en wintergewassen, met uitzondering van onrijp geoogste wintergranen en onrijp geoogste wintergranen met vlinderbloemigen, altijd beschouwd als hoofdteelt;]5
  26° hoogstamboomgaard: een perceel landbouwgrond met hoogstamfruitbomen;
  27° houtkant: een uitgestrekte en aaneengesloten vegetatiestrook, vrijstaand van andere landschapselementen, die bestaat uit struiken of uit bomen. Een houtkant is maximaal tien meter breed;
  28° kleibodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes U (zware klei) of E (klei), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende de goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of vergelijkbare bodems in de zeepolders of in de bodemstaalanalyse met de codes 50 (klei), 60 (lichte polder) of 70 (polder);
  29° koninklijk besluit van 20 mei 2022: het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels;
  30° kwekerijen: arealen met jonge houtachtige planten in de openlucht bestemd om later te worden verplant voor de kweek van:
  a) wijnstokken en moederplanten;
  b) vruchtbomen en kleinfruitgewassen;
  c) siergewassen;
  d) voor de verkoop bestemde bosplanten, exclusief de bosboomkwekerijen die in het bos liggen en die bestemd zijn om aan de eigen behoefte van het bedrijf te voldoen;
  e) bomen en heesters om tuinen, parken, straten en bermen te beplanten, namelijk haagplanten, rozen en andere sierheesters, sierconiferen en ook onderstammen en jonge zaailingen ervan;
  31° landbouwactiviteit:
  a) het telen van landbouwproducten en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;
  b) het melken van dieren en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;
  c) het fokken van dieren voor landbouwdoeleinden;
  d) het houden van dieren voor landbouwdoeleinden, exclusief paarden voor sport -en recreatiedoeleinden;
  e) onderhoud van landbouwareaal als vermeld in artikel 6;
  32° landbouwareaal: areaal van bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten ook als boslandbouwsystemen zich op dat areaal bevinden als vermeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen;
  33° landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 3, 1), van verordening (EU) 2021/2115;
  34° landbouwperceel: een landbouwperceel is een door de landbouwer aangegeven stuk grond dat aaneengesloten is en niet meer dan één enkele teelt omvat en indien van toepassing, dat wordt begrensd door een agromilieu- en klimaatmaatregel of beheerovereenkomst of ecoregeling;
  35° landbouwproducten: de producten, vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie, met inbegrip van katoen en hakhout met korte omlooptijd, exclusief visserijproducten;
  36° landschapselement: een lijn- of puntvormig element in het landschap zoals gedefinieerd in artikel 2, 6° van het decreet van 21 oktober 1997;
  37° leembodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes A (leem), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 12 oktober 2017 houdende goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of in de bodemstaalanalyse met de codes 35 (lichte leem), 40 (leem) of 45 (zware leem), of een combinatie van code U, E, A;
  38° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;
  39° ministerieel besluit van 13 juli 2015: het ministerieel besluit van 13 juli 2015 houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wat betreft de specifieke regels voor vergroening binnen de rechtstreekse betalingen;
  40° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde kalenderjaar ingezaaid wordt;
  41° Natura 2000-gebied: een gebied dat als speciale beschermingszone is aangeduid conform artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997;
  42° natuurlijke graslanden: gronden met ruige grassen, grassen met een belangrijke aanwezigheid van mossen, kruidachtige gewassen of andere weinig voedzame grassoorten, of ouder weidegras met een zekere graad van spontane ontwikkeling van kruidachtige gewassen;
  43° overmacht en uitzonderlijke omstandigheden: de gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in artikel 3 van verordening (EU) 2021/2116;
  44° poel: een geïsoleerd watervlak in een natuurlijke laagte of in een uitgraving dat het grootste deel van het jaar met water gevuld is en niet verbonden is met waterlopen. Een poel heeft een maximale oppervlakte van 0,10 hectare;
  45° reserve: de enveloppe die conform artikel 26 van verordening (EU) 2021/2115 als regionale reserve beschikbaar is voor toewijzing aan de landbouwers;
  46° sloot: een waterloop in een natuurlijke of aangelegde laagte, van maximaal zes meter breed en geschikt voor afvoer van water. Waterlopen met uitsluitend betonnen wanden worden niet als sloot beschouwd;
  47° subsidiabele hectare: een subsidiale hectare vermeld in artikel 5;
  48° uiterste indieningsdatum: de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag;
  49° uiterste wijzigingsdatum: de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag;
  50° uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317: uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317 van de Commissie van 27 juli 2022 tot vaststelling van afwijkingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing van de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen) 7 en 8 voor claimjaar 2023;
  51° verordening (EU) nr. 1307/2013: verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) 73/2009 van de Raad;
  52° verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013;
  53° verordening (EU) 2021/2116: verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013;
  54° verzamelaanvraag: aanvraagsysteem dat het geospatiale en diergebonden aanvraagsysteem omvat, vermeld in artikel 65, lid 4, a), van verordening (EU) 2021/2116;
  55° werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag, wettelijke of Vlaamse decretale feestdag is;
  [5 56° wintergewas: een gewas dat geen gras is en dat wordt ingezaaid in het najaar met het oog op landbouwproductie in het daaropvolgende jaar, met inbegrip van wintergranen en wintergranen met vlinderbloemigen.]5
  
Article 1er. Au présent arrêté, on entend par:
  1° aide au revenu de base: l'aide au revenu de base pour la durabilité, mentionné à l'article 16, alinéa 2, point a), du règlement (UE) 2021/2115;
  2° accotement: bande de terrain, généralement en herbe, qui constitue la séparation entre les infrastructures routières, telles que les routes, les voies ferrées, les pistes cyclables ou les trottoirs, d'un côté et une autre limite fixe, telle qu'un cours d'eau, un talus ou une limite de propriété, de l'autre côté;
  3° arrêté du 24 octobre 2014: l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 établissant les règles relatives aux paiements directs aux agriculteurs dans le cadre des régimes d'aide de la politique agricole commune;
  4° arrêté du 29 octobre 2021: l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2021 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques;
  5° arrêté de 21 avril 2023: l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant les règles de subventionnement pour la mise en oeuvre de mesures ayant un effet favorable sur l'environnement, le climat et la biodiversité;
  6° [2 entité compétente : l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, visée à l'article 29/1, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;]2;
  7° cultures permanentes: la culture de plantes qui ne sont pas des prairies permanentes et qui ne sont pas incluses dans la rotation des cultures. Les cultures permanentes occupent les terres pendant au moins cinq ans. Les cultures permanentes sont des cultures qui peuvent produire régulièrement une récolte, y compris les produits des pépinières et les taillis à courte rotation;
  8° prairies permanentes: terres utilisées pour la végétation naturelle ou ensemencée de graminées ou d'autres plantes fourragères herbacées et non comprises dans l'assolement de l'entreprise depuis au moins cinq ans;
  9° rangée d'arbres: élément paysager autonome en forme de ligne, composé d'au moins trois arbres en une seule rangée, avec une distance maximale de 20 mètres entre les troncs;
  10° terres arables:
  a) les terres qui ne répondent pas à la définition des cultures permanentes ou des prairies permanentes et qui sont utilisées pour la production de cultures ou qui sont disponibles à cette fin, mais qui sont en jachère;
  b) les terres qui sont mises en jachère conformément à l'article 31 ou 70 du règlement (UE) 2021/2115 [3 ...]3;
  11° jachère: terre arable sur laquelle il n'y a pas de production agricole, mais sur laquelle se développe une végétation spontanée ou sur laquelle une mesure est prise pour augmenter les avantages de la biodiversité et par laquelle aucun produit agricole n'est récolté.[1 Les parcelles de pâturage permanent de la campagne précédente ne peuvent pas être considérées comme des terres en jachère ;]1;
  12° les bandes tampons et les bordures de champ: les bandes tampons et les bordures de champ comprennent toutes les bandes tampons et les bordures de champ, y compris les bandes tampons le long des cours d'eau requises au titre des BCAE 4, ERM 1, ERM 2 ou ERM 7, visées à l'annexe III du règlement (UE) n° 2021/2115, et les bordures de champ protégées au titre des BCAE 8, ERM 3 ou ERM 4 visées à ladite annexe, d'une largeur minimale d'un mètre. Les bandes tampons et les bordures de champs doivent être couvertes par le développement d'une végétation spontanée ou par l'ensemencement d'une culture, sans qu'aucune production agricole ne soit autorisée sur celles-ci. [3 ...]3;
  13° conditionnalité: exigences de gestion résultant des règlements et directives européens sur le climat et l'environnement, la santé publique, la santé des végétaux et le bien-être des animaux, et normes de maintien des terres agricoles dans de bonnes conditions agricoles et environnementales (BCAE) selon les thèmes du changement climatique, de l'eau, du sol, de la biodiversité et du paysage, visés à l'annexe III du règlement (UE) 2021/2115;
  14° organisme de contrôle de la production biologique et de l'étiquetage des produits biologiques: l'organisme de contrôle reconnu conformément aux articles 24 et 25 de l'arrêté du 29 octobre 2021;
  15° décret du 21 octobre 1997: le décret du 21 octobre 1997 relatif à la conservation de la nature et l'environnement naturel;
  16° guichet électronique: le guichet électronique développé et géré par l'entité compétente;
  17° utilisateur du guichet électronique: la personne physique qui utilise le guichet électronique en tant qu'agriculteur, en tant que personne faisant partie de l'agriculteur ou en tant que représentant autorisé de l'agriculteur;
  18° règlement délégué (UE) 2022/126: règlement délégué (UE) 2022/126 de la Commission du 7 décembre 2021 complétant le règlement (UE) 2021/2115 du Parlement européen et du Conseil par des exigences supplémentaires pour certains types d'intervention que les Etats membres élaborent dans leur plan stratégique de la PAC pour la période 2023-2027 au titre de ce règlement, ainsi que des règles pour la part au titre de la norme 1 relative aux bonnes conditions agricoles et environnementales (BCAE);
  19° règlement délégué (UE) 2022/1172: Règlement délégué (UE) 2022/1172 de la Commission du 4 mai 2022 complétant le règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne le système intégré de gestion et de contrôle de la politique agricole commune et l'application et le calcul des sanctions de la conditionnalité administrative;
  20° graminées ou autres fourrages herbacés: toutes les plantes herbacées que l'on trouve traditionnellement dans les prairies naturelles en Belgique ou qui sont normalement incluses dans les mélanges de semences pour prairies, que les prairies en question soient utilisées ou non pour le pâturage des animaux;
  [4 20° /1 couvert végétal : culture semée dans le but principal de maintenir le sol couvert dans la période après la récolte de la culture principal]4
  21° groupe d'arbres: arbres en groupe dont les couronnes se chevauchent et qui sont indépendants. Un groupe d'arbres a une superficie maximale de 0,30 hectare.
  22° haie ou haie vive: une rangée d'arbres ou d'arbustes immédiatement adjacents et ininterrompus. Une haie ou une haie vive a une largeur de moins de deux mètres partout;
  23° taillis à courte rotation: plantes ligneuses pérennes à croissance rapprochée des espèces d'arbres du code de la nomenclature combinée de l'Union européenne code NC 0602 90 41, tel que déterminé conformément à l'article 10 du règlement (CEE) n° 2658/87 du Conseil du 23 juillet 1987 relatif à la nomenclature tarifaire et statistique et au tarif douanier commun, dont les rhizomes ou les souches restent dans le sol après la récolte et qui forment de nouvelles pousses à la saison suivante. Le taillis à courte rotation a une durée de rotation maximale de huit ans;
  24° aide au revenu redistributive: l'aide au revenu redistributive supplémentaire pour la durabilité mentionnée à l'article 29 du règlement (UE) 2021/2115;
  25° [5 culture principale : la culture qui, selon la pratique culturale courante, est majoritairement présente sur une parcelle dans la période du 15 mai au 31 août. Par dérogation à ce qui précède, les pommes de terre et les cultures d'hiver, à l'exception des céréales d'hiver récoltées immatures et des céréales d'hiver avec des légumineuses, récoltées immatures, sont toujours considérées comme des cultures principales ;]5
  26° verger d'arbres à haute tige: une parcelle de terre agricole avec des arbres fruitiers à haute tige;
  27° lisière boisée: bande de végétation étendue et continue, détachée des autres éléments du paysage, constituée d'arbustes ou d'arbres. Une lisière boisée a une largeur maximale de dix mètres;
  28° sol argileux: sol caractérisé sur la base de la carte des sols par les codes U (argile lourde) ou E (argile), tels que visés dans le Compendium de l'échantillonnage, de la mesure et de l'analyse dans le domaine de la protection des sols, approuvé par l'arrêté ministériel de 12 octobre 2017 portant l'approuvant du compendium de l'échantillonnage, de la mesure et de l'analyse dans le domaine de la protection des sols (BOC), version 2.1, ou des sols similaires dans les polders maritimes ou dans l'analyse des échantillons de sol par les codes 50 (argile), 60 (polder léger) ou 70 (polder);
  29° arrêté royal du 20 mai 2022: l'arrêté royal du 20 mai 2022 relatif à l'identification et à l'enregistrement de certains ongulés, volailles, lapins et certains oiseaux;
  30° pépinières: surfaces de jeunes plantes ligneuses en plein air destinées à être transplantées ultérieurement pour la culture de:
  a) vignes et les plantes mères;
  b) arbres fruitiers et les plantes de fruits à baies;
  c) les plantes ornementales;
  d) les végétaux forestiers destinés à la vente, à l'exclusion des pépinières forestières situées dans la forêt et destinées à répondre aux besoins propres de l'entreprise;
  e) les arbres et arbustes destinés à la plantation de jardins, de parcs, de rues et d'accotements, à savoir les plantes de haies, les roses et autres arbustes d'ornement, les conifères d'ornement, ainsi que leurs porte-greffes et jeunes plants;
  31° activité agricole:
  a) la culture de produits agricoles et leur première transformation en produits agricoles;
  b) la traite des animaux et leur première transformation en produits agricoles;
  c) l'élevage d'animaux à des fins agricoles;
  d) la détention d'animaux à des fins agricoles, à l'exclusion des chevaux à des fins sportives et récréatives;
  e) l'entretien de surfaces agricoles tel que visé à l'article 6;
  32° surface agricole: surface de terres arables, de prairies permanentes et de cultures permanentes même si des systèmes agricoles forestiers sont situés sur cette surface comme mentionné à l'article 2, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand de 21 avril 2023 portant l'octroi de subventions pour la plantation et l'entretien de systèmes agroforestiers en application du programme flamand de développement rural;
  33° agriculteur: un agriculteur tel que visé à l'article 3, 1) du règlement (UE) 2021/2115;
  34° parcelle agricole: une parcelle agricole est une terre déclarée par l'agriculteur qui est ininterrompue et ne comprend qu'une seule culture et, le cas échéant, qui est délimitée par une mesure agroenvironnementale et climatique ou un accord de gestion ou un éco-régime;
  35° produits agricoles: les produits énumérés à l'annexe I du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, y compris le coton et les taillis à courte rotation, à l'exclusion des produits de la pêche;
  36° élément paysager: élément linéaire ou ponctuel du paysage tel que défini à l'article 2, 6° du décret du 21 octobre 1997;
  37° sol limoneux: sol caractérisé sur la base de la carte des sols par les codes A (limon), tels que visés dans le Compendium de l'échantillonnage, de la mesure et de l'analyse dans le domaine de la protection des sols, approuvé par l'arrêté ministériel de 12 octobre 2017 portant l'approuvant du compendium de l'échantillonnage, de la mesure et de l'analyse dans le domaine de la protection des sols (BOC), version 2.1, ou dans l'analyse des échantillons de sol par les codes 35 (limon léger), 40 (limon) ou 45 (limon lourd), ou par une combinaison des codes U, E, A;
  38° ministre: le ministre flamand, compétent de l'agriculture;
  39° arrêté ministériel du 13 juillet 2015: l'arrêté ministériel du 13 juillet 2015 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 établissant les règles relatives aux paiements directs aux agriculteurs dans le cadre des régimes de l'aide de la politique agricole commune, en ce qui concerne les règles spécifiques de verdissement dans le cadre des paiements directs;
  40° culture suivante: la culture semée après la culture principale sur la même parcelle et au cours de la même année civile;
  41° Zone Natura 2000: zone désignée comme zone de protection spéciale conformément à l'article 36bis du décret du 21 octobre 1997;
  42° prairies naturelle: terrains comportant des graminées rugueuses, des graminées avec une présence importante de mousses, de plantes herbacées ou d'autres graminées à faible teneur en éléments nutritifs, ou des graminées de pâturage plus anciennes avec un certain degré de développement spontané des plantes herbacées;
  43° force majeure et circonstances exceptionnelles: les cas de force majeure et circonstances exceptionnelles mentionnés à l'article 3 du règlement (UE) 2021/2116;
  44° mare: surface d'eau isolée dans une plaine naturelle ou dans une excavation, remplie d'eau la majeure partie de l'année et non reliée à des cours d'eau. Une mare a une surface maximale de 0,10 hectare;
  45° réserve: l'enveloppe disponible pour l'attribution aux agriculteurs en tant que réserve régionale conformément à l'article 26 du règlement (UE) 2021/2115;
  46° Fossé: cours d'eau situé dans une plaine naturelle ou aménagée, dont la largeur ne dépasse pas six mètres et qui convient à l'écoulement des eaux. Les cours d'eau comportant uniquement des murs en béton ne sont pas considérés comme des fossés;
  47° hectare éligible: un hectare éligible tel que visé à l'article 5;
  48° date limite de dépôt: la date limite de dépôt de la demande unique ;
  49° dernière date de modification: la dernière date de modification de la demande unique;
  50° règlement d'exécution (UE) 2022/1317: Règlement d'exécution (UE) 2022/1317 de la Commission du 27 juillet 2022 établissant des dérogations au règlement (UE) 2021/2115 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne l'application des normes relatives aux bonnes conditions agricoles et environnementales des terres (normes BCAE) 7 et 8 pour l'année de demande 2023;
  51° Règlement (UE) n° 1307/2013: Règlement (UE) n° 1307/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes d'aide dans le cadre de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (CE) 637/2008 du Conseil et le règlement (CE) 73/2009 du Conseil;
  52° Règlement (UE) 2021/2115: Règlement (UE) 2021/2115 du Parlement européen et du Conseil du 2 décembre 2021 établissant les règles relatives au soutien aux plans stratégiques que les Etats membres élaborent dans le cadre de la politique agricole commune (plans stratégiques de la PAC) et qui sont financés par le Fonds européen agricole de garantie (FEAGA) et le Fonds européen agricole pour le développement rural (FEADER), et abrogeant les règlements (UE) n° 1305/2013 et (UE) n° 1307/2013;
  53° Règlement (UE) 2021/2116: Règlement (UE) 2021/2116 du Parlement européen et du Conseil du 2 décembre 2021 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (UE) n° 1306/2013;
  54° demande unique: système de demande qui comprend le système de demande géospatial et animalier, visé à l'article 65, alinéa 4, point a), du règlement (UE) 2021/2116;
  55° jour ouvrable : un jour qui n'est pas un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou un jour férié décrétale flamand;
  [5 56° culture d'hiver : une culture autre que l'herbe, qui est ensemencée en automne pour la production agricole de l'année suivante, y compris les céréales d'hiver et les céréales d'hiver avec des légumineuses.]5
  
Afdeling 2. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 2. - Dispositions communes
Art. 2. Berichten ter uitvoering van dit besluit worden op elektronische wijze uitgewisseld. De bevoegde entiteit bepaalt de te volgen elektronische procedure en maakt die bekend. De bevoegde entiteit kan daarbij beperkingen en technische eisen opleggen.
  Het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten die op elektronische wijze worden uitgewisseld, wordt bepaald conform artikel II.23 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
  Als voor bepaalde berichten, als bedoeld in het eerste lid, bepaald is dat ze voor een bepaalde datum meegedeeld of ingediend moeten worden bij de bevoegde entiteit, moeten de berichten uiterlijk op die datum ontvangen zijn door de bevoegde entiteit, waarbij het tijdstip wordt bepaald zoals vastgelegd in het tweede lid.
  Voor elektronische verzendingen uitgaande van de bevoegde entiteit geldt de dag na de dag van verzending als aanvangspunt van de termijnen die worden opgelegd in het kader van procedures in uitvoering van dit besluit.
  In afwijking van het eerste lid mogen de bezwaren, vermeld in artikel 97, ook op papier ingediend worden. Terugvorderingen worden ook op papier verstuurd door de bevoegde entiteit. Bij verzendingen op papier die uitgaan van de bevoegde entiteit, geldt de dag na de dag van verzending als startdatum van de termijnen die worden opgelegd in het kader van de procedures ter uitvoering van dit besluit.
  De minister kan bepalen in welke andere gevallen uitwisseling op papier mogelijk is en welk tijdstip daarbij als tijdstip van ontvangst geldt.
Art. 2. Les messages au titre du présent arrêté sont échangés par voie électronique. L'entité compétente détermine et publie la procédure électronique à suivre. Ce faisant, l'entité compétente peut imposer des restrictions et des exigences techniques.
  Le moment de l'envoi et de réception des messages échangés par voie électronique est déterminé conformément à l'article II.23 du décret administratif du 7 décembre 2018.
  S'il est déterminé pour certains messages, tels que visés au premier alinéa, qu'ils doivent être communiqués ou soumis à l'entité compétente pour une certaine date, les messages doivent être reçus par l'entité compétente au plus tard à cette date, le moment étant déterminé comme indiqué au deuxième alinéa.
  Pour les envois électroniques émanant de l'entité compétente, le jour suivant le jour de l'envoi est le point de départ des délais imposés dans les procédures en vertu du présent arrêté.
  Par dérogation au premier alinéa, les objections, visées à l'article 97, peuvent également être présentées sur papier. Les recouvrements sont également envoyés sur papier par l'entité compétente. Dans le cas des envois sur papier émanant de l'entité compétente, le jour suivant le jour de l'envoi est la date de départ des délais imposés dans le cadre des procédures en vertu du présent arrêté.
  Le ministre peut déterminer dans quels autres cas l'échange sur papier est possible et quel moment est considéré comme celui de la réception dans ces cas.
Art. 3. De steunaanvragen en betalingsaanvragen die in het kader van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden ingediend, verlopen via de verzamelaanvraag met inachtneming van de regels over de werking van de verzamelaanvraag, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2. De steunaanvraag geldt als betalingsaanvraag.
  De aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door de landbouwer die de percelen in eigen gebruik heeft en over een genotrecht voor de percelen in kwestie beschikt zoals bedoeld in artikel 20 en als vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid. De landbouwer geeft alle percelen van zijn landbouwareaal aan in de aanvraag.
  Bij de verzamelaanvraag worden de gevraagde bewijsstukken gevoegd die aantonen dat de voorwaarden van de interventies, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, zijn vervuld.
Art. 3. Les demandes d'aide et les demandes de paiement présentées au titre du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution sont effectuées par l'intermédiaire de la demande unique, conformément aux règles de fonctionnement de la demande unique, telles que définies au chapitre 5, section 2. La demande d'aide compte comme une demande de paiement.
  La demande, telle que visée au premier alinéa, est introduite par l'agriculteur qui dispose des parcelles pour son propre usage et disposant d'un droit d'usage sur les parcelles en question, tel que visé à l'article 20 et tel que visé à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 portant des dispositions pour l'établissement d'une identification commune des agriculteurs, des exploitations et des terres agricoles dans le cadre de la politique des engrais et de la politique agricole. L'agriculteur indique toutes les parcelles de sa superficie agricole dans la demande.
  La demande unique est accompagnée des pièces justificatives demandées prouvant que les conditions des interventions mentionnées dans le présent arrêté et ses arrêtés d'exécution sont remplies.
Afdeling 3. - Actieve landbouwer
Section 3. - Agriculteur actif
Art. 4. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° btw-verkoophandeling: de levering van goederen en het verrichten van diensten, die belastbare handelingen zijn conform hoofdstuk III van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
  2° erkende terreinbeherende natuurvereniging: de organisaties conform artikel 2, punt 16° van het decreet van 21 oktober 1997;
  3° factorinkomen: het verschil tussen de totale opbrengsten, inclusief premies, en de non-factorkosten, inclusief afschrijvingen, ten gevolge van de landbouwactiviteit. Het is de vergoeding voor alle ingezette productiefactoren, grond, bedrijfskapitaal en arbeid, ongeacht of die extern of eigen zijn aan het bedrijf;
  4° instromer: een landbouwer waarvan het enige bedrijfshoofd zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd heeft of waarvan alle zaakvoerders, bestuurders, vennoten en leden zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd hebben;
  5° landbouwer met biologische productie: de landbouwer die op de uiterste indieningsdatum voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) de landbouwer is aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;
  b) de landbouwer heeft zijn activiteit gemeld bij de bevoegde entiteit conform artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;
  6° overheidsinstelling: de instellingen, vermeld in artikel I.3 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
  7° standaardverdiencapaciteit: de modelmatige berekening van het factorinkomen, gebaseerd op dier- en perceelgegevens van de landbouwer;
  8° verbonden onderneming: de ondernemingen, vermeld in artikel 3, lid 3, van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
  § 2. Rechtstreekse betalingen kunnen uitsluitend toegekend worden aan actieve landbouwers, ongeacht het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat de landbouwer het voorgaande jaar ontvangen heeft. De landbouwer die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als actieve landbouwer:
  1° de landbouwer is geregistreerd met een ondernemingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en heeft een NACEBEL-code voor de btw-activiteiten die betrekking heeft op een landbouwactiviteit;
  2° [1 de verhouding tussen de btw-verkoophandelingen als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van de verkoop van de volgende producten ten opzichte van de btw-verkoophandelingen van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie, zonder rekening te houden met de met de actieve landbouwer verbonden ondernemingen, is groter dan of gelijk aan een derde:
   a) bier, dat gemaakt is met graan dat voor minstens 75% afkomstig is van eigen teelt;
   b) gedistilleerde dranken die gemaakt zijn met granen, noten of fruit die voor minstens 75% afkomstig zijn van eigen teelt
   c) consumptie-ijs en yoghurt die gemaakt zijn met melk die voor minstens 75% afkomstig is van eigen dieren.]1

  3° de landbouwer heeft een standaardverdiencapaciteit die groter is dan of gelijk is aan het minimaal factorinkomen van 7.500 euro;
  4° de landbouwer of een aan de landbouwer verbonden onderneming is geen overheidsinstelling, erkende terreinbeherende natuurvereniging, hogeschool of universiteit;
  5° [3 binnen de landbouwer is er minstens één bedrijfshoofd dat, zaakvoerder die, lid dat, in geval van een feitelijke vereniging, gecommanditeerde vennoot die, vennoot onder firma die of bestuurder die geen rustpensioen ontvangt.]3
  De minister bepaalt de nadere regels voor de voorwaarde bepaald in het eerste lid, punt 5° en de inwerkingtreding ervan.
  De minister kan:
  1° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° :
  a) bepalen welke NACEBEL-codes in aanmerking komen om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° ;
  b) het gebruik van andere gegevensbronnen voor de identificatie en registratie van ondernemingen toestaan;
  c) nadere regels bepalen voor de controle van de voorwaarden;
  2° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° :
  a) de procedure vastleggen om de verhouding te bepalen;
  b) nadere regels bepalen voor de btw-verkoophandelingen, die in rekening worden gebracht als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie;
  c) nadere regels bepalen voor het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de voorwaarden;
  d) voorzien in een vrijstelling voor:
  1) landbouwers die opteren voor een door de minister bepaalde bijzondere regeling;
  2) landbouwers die enkel onderhoud op landbouwareaal als landbouwactiviteit uitvoeren, op ten minste 75% van hun totale landbouwareaal;
  3) landbouwers waarvan de [2 btw-verkoophandelingen]2 niet gekend zijn omdat ze recent gestart zijn ;
  3° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3° :
  a) nadere regels bepalen om de standaardverdiencapaciteit vast te stellen;
  b) nadere regels bepalen voor de procedures die de landbouwer kan volgen als zijn standaardverdiencapaciteit lager is dan het vereiste minimale factorinkomen;
  c) voorzien in een afwijkende regeling voor wat betreft de minima aan factorinkomens voor instromers en voor landbouwers met biologische productie;
  d) nadere regels bepalen voor de eerste vestiging bij instromers;
  4° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs voor de voorwaarden;
  5° bepalen welk bewijs geleverd moet worden aan de bevoegde entiteit om de hoedanigheid van actieve landbouwer als vermeld in § 2, eerste lid, aan te tonen en nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs in het geval de bevoegde entiteit oordeelt dat de voorwaarden niet nageleefd werden;
  6° nadere regels bepalen voor de controle van de ondernemingen die met de actieve landbouwer, vermeld in § 2, eerste lid, verbonden zijn.
  
Art. 4. § 1. Aux fins du présent article, on entend par:
  1° des opérations de vente soumises à la T.V.A. : la livraison de biens et la prestation de services, qui sont des opérations imposables conformément au chapitre III du code de la taxe sur la valeur ajoutée;
  2° association reconnue de gestion de sites naturels: les organisations conformes à l'article 2, point 16° du décret du 21 octobre 1997;
  3° revenu factoriel: la différence entre les rendements totaux, y compris les primes, et les coûts non factoriels, y compris les amortissements, résultant de l'activité agricole. Il s'agit de la rémunération de tous les facteurs de production déployés, la terre, le capital d'exploitation et le travail, qu'ils soient externes ou inhérents à l'entreprise;
  4° nouvel agriculteur: un agriculteur dont le seul chef d'entreprise s'est installé pour la première fois au cours de l'année civile en cours ou des deux années civiles précédentes ou dont tous les gérants, administrateurs, associés et membres se sont installés pour la première fois au cours de l'année civile en cours ou des deux années civiles précédentes;
  5° agriculteur en production biologique: l'agriculteur qui remplit toutes les conditions suivantes à la date limite de dépôt:
  a) l'agriculteur est enregistré auprès un organisme de contrôle de la production biologique et de l'étiquetage de produits biologiques;
  b) l'agriculteur a notifié son activité à l'entité compétente conformément à l'article 13 de l'arrêté du 29 octobre 2021;
  5° organisme public: les organismes énumérées à l'article I.3 du Décret de gouvernance de 7 décembre 2018;
  6° capacité de gain standard: le calcul par modèle du revenu factoriel, sur la base des données relatives aux animaux et aux parcelles de l'agriculteur;
  7° entreprise affiliée: les entreprises énumérées à l'article 3, paragraphe 3, de l'annexe 1redu règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité.
  § 2. Des paiements directs ne peuvent être accordés qu'aux agriculteurs actifs, quel que soit le montant des paiements directs que l'agriculteur a reçu l'année précédente. L'agriculteur qui remplit toutes les conditions suivantes est considéré comme un agriculteur actif:
  1° l'agriculteur est enregistré avec un numéro d'entreprise à la Banque-Carrefour des Entreprises du SPF Economie, PME, Indépendants et Energie et dispose d'un code NACEBEL pour les activités T.V.A. liées à une activité agricole;
  2° [1 le ratio entre les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'activité agricole et de la vente des produits suivants et les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'ensemble des activités économiques de l'exploitation en question, sans tenir compte des exploitations liées à l'agriculteur actif, est supérieur ou égal à un tiers :
   a) bière à base de céréales provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
   b) boissons spiritueuses à base de céréales, de noix ou de fruits provenant à 75 % au moins de leur propre culture ;
   c) glaces de consommation et yaourt à base du lait provenant à 75 % au moins de leurs propres animaux]1
;
  3° l'agriculteur dispose d'une capacité de gain standard supérieure ou égale au revenu factoriel minimum de 7.500 euros;
  4° l'agriculteur n'est pas un organisme public, une association reconnue de gestion de sites naturels, une école supérieure ou une université;
  5° [2 au sein de l'agriculteur, il y a au moins un chef d'entreprise, un gérant, un membre, en cas d'une association de fait un associé commandité, un associé en nom collectif ou un administrateur qui ne bénéficie pas d'une pension de retraite.]2
  Le Ministre détermine les modalités de la condition, visée au premier alinéa, point 5°, et son entrée en vigueur.
  Le ministre peut:
  1° pour la condition, visée au premier alinéa, 1° :
  a) déterminer quels codes NACEBEL peuvent remplir la condition spécifiée au premier alinéa, 1° ;
  b) autoriser l'utilisation d'autres sources de données pour l'identification et l'enregistrement d'entreprises;
  c) déterminer les modalités de vérification des conditions;
  2° pour la condition, visée au premier alinéa, 2° :
  a) fixer la procédure afin de déterminer le ratio;
  b) déterminer les modalités des opérations de vente soumises à la T.V.A., qui sont pris en compte en raison de l'activité agricole et de l'ensemble des activités économiques de l'entreprise en question;
  c) établir des règles détaillées pour la fourniture de contre-preuves en ce qui concerne les conditions;
  d) prévoir une exemption pour:
  1) des agriculteurs qui optent pour un régime spécial déterminé par le ministre;
  2) des agriculteurs qui n'effectuent que des travaux d'entretien sur des terres agricoles en tant qu'activité agricole, sur au moins 75% de leurs superficies agricoles totales;
  3) des agriculteurs dont les opérations de vente de T.V.A. ne sont pas connues parce qu'ils ont commencé récemment;
  3° pour la condition, visée au premier alinéa, point 3° :
  a) déterminer les modalités de détermination de la capacité de gain standard;
  b) déterminer des règles détaillées sur les procédures que l'agriculteur peut suivre si sa capacité de gain standard est inférieure au revenu factoriel minimum requis;
  c) prévoir un régime différent en ce qui concerne les revenus factoriels minimaux pour les nouveaux agriculteurs et pour les agriculteurs pratiquant la production biologique;
  d) fournir des règles détaillées pour le premier établissement dans le cas des nouveaux agriculteurs;
  4° pour la condition, visée au premier alinéa, 4°, déterminer des règles plus détaillées pour la preuve contraire à fournir par rapport aux conditions;
  5° déterminer quelle preuve à fournir à l'entité compétente pour démontrer le statut d'agriculteur actif mentionné au § 2, premier alinéa, et déterminer d'autres règles concernant la preuve contraire à fournir dans le cas où l'entité compétente considère que les conditions n'ont pas été respectées;
  6° fixer les modalités de contrôle des entreprises affiliées à l'agriculteur actif, visé au § 2, premier alinéa, et les critères d'affiliation, qui peuvent entraîner la perte du statut d'agriculteur actif, mentionné au § 2, premier alinéa.
  
Art.4 TOEKOMSTIG RECHT.
   § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° btw-verkoophandeling: de levering van goederen en het verrichten van diensten, die belastbare handelingen zijn conform hoofdstuk III van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
  2° erkende terreinbeherende natuurvereniging: de organisaties conform artikel 2, punt 16° van het decreet van 21 oktober 1997;
  3° factorinkomen: het verschil tussen de totale opbrengsten, inclusief premies, en de non-factorkosten, inclusief afschrijvingen, ten gevolge van de landbouwactiviteit. Het is de vergoeding voor alle ingezette productiefactoren, grond, bedrijfskapitaal en arbeid, ongeacht of die extern of eigen zijn aan het bedrijf;
  4° instromer: een landbouwer waarvan het enige bedrijfshoofd zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd heeft of waarvan alle zaakvoerders, bestuurders, vennoten en leden zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd hebben;
  5° landbouwer met biologische productie: de landbouwer die op de uiterste indieningsdatum voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) de landbouwer is aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;
  b) de landbouwer heeft zijn activiteit gemeld bij de bevoegde entiteit conform artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;
  6° overheidsinstelling: de instellingen, vermeld in artikel I.3 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
  7° standaardverdiencapaciteit: de modelmatige berekening van het factorinkomen, gebaseerd op dier- en perceelgegevens van de landbouwer;
  8° verbonden onderneming: de ondernemingen, vermeld in artikel 3, lid 3, van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
  § 2. Rechtstreekse betalingen kunnen uitsluitend toegekend worden aan actieve landbouwers, ongeacht het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat de landbouwer het voorgaande jaar ontvangen heeft. De landbouwer die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als actieve landbouwer:
  1° de landbouwer is geregistreerd met een ondernemingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en heeft een NACEBEL-code voor de btw-activiteiten die betrekking heeft op een landbouwactiviteit;
  2° [4 de verhouding tussen de btw-verkoophandelingen als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van de verkoop van de volgende producten ten opzichte van de btw-verkoophandelingen van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie, zonder rekening te houden met de met de actieve landbouwer verbonden ondernemingen, is groter dan of gelijk aan een derde:
   a) bier, dat gemaakt is met graan dat voor minstens 75% afkomstig is van eigen teelt en waarvan het moutproces op het bedrijf plaatsvindt;
   b) gedistilleerde dranken die gemaakt zijn met granen, noten of fruit die voor minstens 75% afkomstig zijn van eigen teelt. Als er een moutproces plaatsvindt, gebeurt dat op het bedrijf zelf;
   c) consumptie-ijs en yoghurt die gemaakt zijn met melk die voor minstens 75% afkomstig is van eigen dieren;]4

  3° de landbouwer heeft een standaardverdiencapaciteit die groter is dan of gelijk is aan het minimaal factorinkomen van 7.500 euro;
  4° de landbouwer of een aan de landbouwer verbonden onderneming is geen overheidsinstelling, erkende terreinbeherende natuurvereniging, hogeschool of universiteit;
  5° [3 binnen de landbouwer is er minstens één bedrijfshoofd dat, zaakvoerder die, lid dat, in geval van een feitelijke vereniging, gecommanditeerde vennoot die, vennoot onder firma die of bestuurder die geen rustpensioen ontvangt.]3
  De minister bepaalt de nadere regels voor de voorwaarde bepaald in het eerste lid, punt 5° en de inwerkingtreding ervan.
  De minister kan:
  1° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° :
  a) bepalen welke NACEBEL-codes in aanmerking komen om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° ;
  b) het gebruik van andere gegevensbronnen voor de identificatie en registratie van ondernemingen toestaan;
  c) nadere regels bepalen voor de controle van de voorwaarden;
  2° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° :
  a) de procedure vastleggen om de verhouding te bepalen;
  b) nadere regels bepalen voor de btw-verkoophandelingen, die in rekening worden gebracht als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie;
  c) nadere regels bepalen voor het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de voorwaarden;
  d) voorzien in een vrijstelling voor:
  1) landbouwers die opteren voor een door de minister bepaalde bijzondere regeling;
  2) landbouwers die enkel onderhoud op landbouwareaal als landbouwactiviteit uitvoeren, op ten minste 75% van hun totale landbouwareaal;
  3) landbouwers waarvan de [2 btw-verkoophandelingen]2 niet gekend zijn omdat ze recent gestart zijn ;
  3° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3° :
  a) nadere regels bepalen om de standaardverdiencapaciteit vast te stellen;
  b) nadere regels bepalen voor de procedures die de landbouwer kan volgen als zijn standaardverdiencapaciteit lager is dan het vereiste minimale factorinkomen;
  c) voorzien in een afwijkende regeling voor wat betreft de minima aan factorinkomens voor instromers en voor landbouwers met biologische productie;
  d) nadere regels bepalen voor de eerste vestiging bij instromers;
  4° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs voor de voorwaarden;
  5° bepalen welk bewijs geleverd moet worden aan de bevoegde entiteit om de hoedanigheid van actieve landbouwer als vermeld in § 2, eerste lid, aan te tonen en nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs in het geval de bevoegde entiteit oordeelt dat de voorwaarden niet nageleefd werden;
  6° nadere regels bepalen voor de controle van de ondernemingen die met de actieve landbouwer, vermeld in § 2, eerste lid, verbonden zijn.
Art.4 DROIT FUTUR.
   § 1. Aux fins du présent article, on entend par:
  1° des opérations de vente soumises à la T.V.A. : la livraison de biens et la prestation de services, qui sont des opérations imposables conformément au chapitre III du code de la taxe sur la valeur ajoutée;
  2° association reconnue de gestion de sites naturels: les organisations conformes à l'article 2, point 16° du décret du 21 octobre 1997;
  3° revenu factoriel: la différence entre les rendements totaux, y compris les primes, et les coûts non factoriels, y compris les amortissements, résultant de l'activité agricole. Il s'agit de la rémunération de tous les facteurs de production déployés, la terre, le capital d'exploitation et le travail, qu'ils soient externes ou inhérents à l'entreprise;
  4° nouvel agriculteur: un agriculteur dont le seul chef d'entreprise s'est installé pour la première fois au cours de l'année civile en cours ou des deux années civiles précédentes ou dont tous les gérants, administrateurs, associés et membres se sont installés pour la première fois au cours de l'année civile en cours ou des deux années civiles précédentes;
  5° agriculteur en production biologique: l'agriculteur qui remplit toutes les conditions suivantes à la date limite de dépôt:
  a) l'agriculteur est enregistré auprès un organisme de contrôle de la production biologique et de l'étiquetage de produits biologiques;
  b) l'agriculteur a notifié son activité à l'entité compétente conformément à l'article 13 de l'arrêté du 29 octobre 2021;
  5° organisme public: les organismes énumérées à l'article I.3 du Décret de gouvernance de 7 décembre 2018;
  6° capacité de gain standard: le calcul par modèle du revenu factoriel, sur la base des données relatives aux animaux et aux parcelles de l'agriculteur;
  7° entreprise affiliée: les entreprises énumérées à l'article 3, paragraphe 3, de l'annexe 1redu règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité.
  § 2. Des paiements directs ne peuvent être accordés qu'aux agriculteurs actifs, quel que soit le montant des paiements directs que l'agriculteur a reçu l'année précédente. L'agriculteur qui remplit toutes les conditions suivantes est considéré comme un agriculteur actif:
  1° l'agriculteur est enregistré avec un numéro d'entreprise à la Banque-Carrefour des Entreprises du SPF Economie, PME, Indépendants et Energie et dispose d'un code NACEBEL pour les activités T.V.A. liées à une activité agricole;
  2° [3 le ratio entre les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'activité agricole et de la vente des produits suivants et les opérations de vente soumises à la T.V.A. résultant de l'ensemble des activités économiques de l'exploitation en question, sans tenir compte des exploitations liées à l'agriculteur actif, est supérieur ou égal à un tiers :
   a) la bière à base de céréales provenant à 75 % au moins de leur propre culture et dont le processus de maltage a lieu dans l'entreprise ;
   b) les boissons spiritueuses à base de céréales, de noix ou de fruits provenant à 75 % au moins de leur propre culture. Lorsqu'un processus de maltage a lieu, il se déroule dans l'entreprise elle-même ;
   c) les glaces de consommation et yaourt à base du lait provenant à 75 % au moins de leurs propres animaux ;]3

  3° l'agriculteur dispose d'une capacité de gain standard supérieure ou égale au revenu factoriel minimum de 7.500 euros;
  4° l'agriculteur n'est pas un organisme public, une association reconnue de gestion de sites naturels, une école supérieure ou une université;
  5° [2 au sein de l'agriculteur, il y a au moins un chef d'entreprise, un gérant, un membre, en cas d'une association de fait un associé commandité, un associé en nom collectif ou un administrateur qui ne bénéficie pas d'une pension de retraite.]2
  Le Ministre détermine les modalités de la condition, visée au premier alinéa, point 5°, et son entrée en vigueur.
  Le ministre peut:
  1° pour la condition, visée au premier alinéa, 1° :
  a) déterminer quels codes NACEBEL peuvent remplir la condition spécifiée au premier alinéa, 1° ;
  b) autoriser l'utilisation d'autres sources de données pour l'identification et l'enregistrement d'entreprises;
  c) déterminer les modalités de vérification des conditions;
  2° pour la condition, visée au premier alinéa, 2° :
  a) fixer la procédure afin de déterminer le ratio;
  b) déterminer les modalités des opérations de vente soumises à la T.V.A., qui sont pris en compte en raison de l'activité agricole et de l'ensemble des activités économiques de l'entreprise en question;
  c) établir des règles détaillées pour la fourniture de contre-preuves en ce qui concerne les conditions;
  d) prévoir une exemption pour:
  1) des agriculteurs qui optent pour un régime spécial déterminé par le ministre;
  2) des agriculteurs qui n'effectuent que des travaux d'entretien sur des terres agricoles en tant qu'activité agricole, sur au moins 75% de leurs superficies agricoles totales;
  3) des agriculteurs dont les opérations de vente de T.V.A. ne sont pas connues parce qu'ils ont commencé récemment;
  3° pour la condition, visée au premier alinéa, point 3° :
  a) déterminer les modalités de détermination de la capacité de gain standard;
  b) déterminer des règles détaillées sur les procédures que l'agriculteur peut suivre si sa capacité de gain standard est inférieure au revenu factoriel minimum requis;
  c) prévoir un régime différent en ce qui concerne les revenus factoriels minimaux pour les nouveaux agriculteurs et pour les agriculteurs pratiquant la production biologique;
  d) fournir des règles détaillées pour le premier établissement dans le cas des nouveaux agriculteurs;
  4° pour la condition, visée au premier alinéa, 4°, déterminer des règles plus détaillées pour la preuve contraire à fournir par rapport aux conditions;
  5° déterminer quelle preuve à fournir à l'entité compétente pour démontrer le statut d'agriculteur actif mentionné au § 2, premier alinéa, et déterminer d'autres règles concernant la preuve contraire à fournir dans le cas où l'entité compétente considère que les conditions n'ont pas été respectées;
  6° fixer les modalités de contrôle des entreprises affiliées à l'agriculteur actif, visé au § 2, premier alinéa, et les critères d'affiliation, qui peuvent entraîner la perte du statut d'agriculteur actif, mentionné au § 2, premier alinéa.
Afdeling 4. - Subsidiabiliteit
Section 4. - Eligibilité
Art. 5. Onder subsidiabele hectare wordt verstaan: arealen van de landbouwer die bestaan uit:
  1° landbouwareaal van het bedrijf dat in de loop van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit, of landbouwareaal van het bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, op voorwaarde dat de uitoefening van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten;
  2° areaal van het bedrijf als vermeld in artikel 4, lid 4, b), i),[1 en ii)]1, van verordening (EU) 2021/2115;
  3° areaal van het bedrijf dat recht gaf op betalingen op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 2, van verordening (EU) 2021/2115, of op grond van de basisbetalingsregeling of de regeling over een enkele areaalbetaling, vermeld in titel III van verordening (EU) nr. 1307/2013, en dat geen subsidiabele hectare is op basis van punt 1° en 2° :
  a) als gevolg van de toepassing van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand of richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid op dat areaal;
  b) als gevolg van op grond van verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde areaalgebonden interventies die onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, van verordening (EU) 2021/2116 vallen en die de productie van producten die niet vermeld zijn in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, door middel van natte teelten mogelijk maken;
  c) voor de looptijd van een bebossingsverbintenis van de landbouwer, op grond van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 43 van verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 22 van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;
  d) voor de looptijd van, in voorkomend geval, een tot braaklegging van het areaal leidende verbintenis van de landbouwer, vermeld in artikel 70 van verordening (EU) 2021/2115.
  Niet-landbouwgerelateerde activiteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, 1°, op een subsidiabel landbouwperceel of een deel ervan, wijzigen de subsidiabiliteit van het perceel niet als de activiteiten op het perceel tijdelijk van aard zijn en in totaal, al dan niet aansluitend, niet langer dan drie maanden van het kalenderjaar in kwestie duren.
  Arealen worden alleen als subsidiabele hectare beschouwd als ze gedurende het volledige kalenderjaar voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
  De minister bepaalt de boomsoorten voor de toepassing van de definitie van hakhout met korte omlooptijd en de minimale plantdichtheid.
  
Art. 5. Par hectares éligibles, on entend: des surfaces de l'agriculteur comprenant:
  1° la superficie agricole de l'exploitation utilisée pour une activité agricole au cours de l'année pour laquelle l'aide est demandée, ou la superficie agricole de l'exploitation qui est également utilisée pour des activités non agricoles, à condition que l'exercice de l'activité agricole ne soit pas sensiblement entravé par l'intensité, la nature, la durée et la planification des activités non agricoles;
  2° superficie de l'entreprise mentionnée à l'article 4, alinéa 4, point b), i),[1 et ii) ]1, du règlement (UE) 2021/2115;
  3° la superficie de l'entreprise qui donnait droit à des paiements en vertu du titre III, chapitre II, section 2, sous-section 2 du règlement (UE) 2021/2115, ou en vertu du régime de paiement de base ou du régime de paiement unique à la surface, mentionné au titre III du règlement (UE) n° 1307/2013, et qui n'est pas un hectare éligible sur la base des 1° et 2° :
  a) à la suite de l'application de la directive 92/43/CEE du Conceil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages et de la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages ou de la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau sur cette surface;
  b) à la suite d'interventions liées aux superficies établies conformément au règlement (UE) 2021/2115 qui relèvent au système intégré de gestion et de contrôle visé au titre IV, chapitre II, du règlement (UE) 2021/2116 et qui permettent la production de produits ne figurant pas à l'annexe I du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, par le biais de cultures humides;
  c) pour la durée d'un engagement de boisement de l'agriculteur, en vertu de l'article 31 du règlement (CE) n° 1257/1999, de l'article 43 du règlement (CE) n° 1698/2005, de l'article 22 du règlement (UE) n° 1305/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 concernant le soutien au développement rural par le Fonds européen agricole pour le développement rural (FEADER) et abrogeant le règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil;
  d) pour la durée, le cas échéant, d'un engagement de mise en jachère de surfaces par l'agriculteur mentionné à l'article 70 du règlement (UE) 2021/2115.
  Des activités non liées à l'agriculture, visées au premier alinéa, 1°, sur une parcelle agricole éligible ou une partie de celle-ci, ne modifient pas l'éligibilité de la parcelle si les activités sur la parcelle sont de nature temporaire et si leur total, consécutif ou non, ne dépasse pas trois mois de l'année civile en question.
  Des surfaces ne sont considérées comme des hectares éligibles que si elles remplissent les conditions mentionnées au présent article pendant toute l'année civile, sauf en cas de force majeure ou de circonstances exceptionnelles.
  Le ministre détermine les espèces d'arbres aux fins de la définition du taillis à courte rotation et la densité minimale de plantation.
  
Art. 6. [1 Onderhoud van braakliggend land bestaat uit het beperken van opslag van houtige planten en verruiging zodat beweiding of teelt mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Braakliggend land wordt jaarlijks gemaaid.]1
  Onderhoud van natuurlijke graslanden bestaat uit het beperken van verruiging zodat beweiding of maaien mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Het onderhoud bestaat uit een van de volgende maatregelen:
  1° [2 het jaarlijks maaien van de percelen;]2
  2° het laten begrazen van de percelen.
  Onderhoud van percelen met blijvende teelten bestaat uit het beperken van verruiging en het gewas in een toestand houden die voor productie geschikt is. Het onderhoud op gronden met blijvende teelten bestaat uit volgende maatregelen:
  1° in geval van houtige teelt: deze houtige planten onderhouden om verruiging tegen te gaan;
  2° het gras tussen de rijen maaien, indien van toepassing;
  3° het beperken van opslag van houtige planten.
  In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op braakliggend land waarop vrijwillige maatregelen worden genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels.
  In afwijking van het tweede lid is op natuurlijke graslanden waarop een beheerovereenkomst van toepassing is de uiterste maaidatum 31 december.
  
Art. 6. [1 L'entretien des jachères consiste à limiter le stockage des végétaux ligneux et la surcroissance pour permettre le pâturage ou la culture sans nécessiter d'activités préparatoires autres que l'utilisation des méthodes et des machines agricoles habituelles. Des jachères sont fauchées annuellement.]1.
  L'entretien des prairies naturelles consiste à limiter la surcroissance pour permettre le pâturage ou la fauche sans qu'il soit nécessaire de procéder à des activités préparatoires autres que l'utilisation des méthodes et des machines agricoles habituelles. L'entretien consiste en l'une des mesures suivantes:
  1° [2 le fauchage annuel des parcelles ;]2
  2° le pâturage des parcelles.
  L'entretien des parcelles de cultures permanentes consiste à limiter la surcroissance et à maintenir la culture dans un état approprié à la production. L'entretien des parcelles de cultures permanentes comprend les mesures suivantes:
  1° dans le cas de cultures ligneuses: l'entretient de ces plantes ligneuses pour éviter leur prolifération;
  2° la coupe de l'herbe entre les rangs, le cas échéant;
  3° limiter le stockage des plantes ligneuses.
  Par dérogation au premier alinéa, l'obligation de fauchage bisannuel s'applique sur les jachères sur lesquelles des mesures volontaires sont pris pour obtenir des avantages en termes de biodiversité, comme l'ensemencement de mélanges de graines de fleurs sauvages.
  Par dérogation au deuxième alinéa, la dernière date de fauchage des prairies naturelles sur auxquelles un contrat de gestion s'applique est le 31 décembre.
  
Art. 7. Alleen de teelt van gewassen in volle grond kan subsidiabel zijn. Substraatteelt en containerteelt zijn niet subsidiabel.
Art. 7. Seule la production de cultures en plein champ peut être éligible. La culture sur substrat et la culture en conteneurs n'est pas éligible.
Art. 8. De minister bepaalt de minimumoppervlakte vanaf wanneer een landbouwperceel moet worden aangegeven.
Art. 8. Le ministre détermine à partir de quelle superficie minimale une parcelle doit être déclarée.
Art. 9. Een landbouwperceel met geïsoleerde bomen wordt als subsidiabel areaal aangemerkt als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
  1° de landbouwactiviteiten kunnen worden verricht op een wijze die vergelijkbaar is met de landbouwactiviteiten op percelen zonder bomen die in hetzelfde gebied liggen;
  2° het maximale aantal geïsoleerde bomen op een subsidiabele hectare is gelijk aan tweehonderd. Een uitzondering op dit maximum geldt voor percelen waarvoor een afwijking van dit maximum werd goedgekeurd bij de toekenning van de subsidie voor de aanleg van boslandbouwsystemen, vermeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen.
  Geïsoleerde fruitbomen die geregeld een oogst opleveren, en begraasbare geïsoleerde bomen op graslanden worden ook als subsidiabel areaal aangemerkt zonder dat aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldaan moet zijn.
Art. 9. Une parcelle agricole avec des arbres isolés est considérée comme superficie éligible si toutes les conditions suivantes sont remplies:
  1° les activités agricoles peuvent être exercées de manière comparable aux activités agricoles sur des parcelles sans arbres situées dans la même surface;
  2° le nombre maximum d'arbres isolés sur un hectare éligible est égal à 200. Une exception à ce maximum s'applique aux parcelles pour lesquelles une dérogation à ce maximum a été admise lors de l'attribution de la subvention pour l'établissement de systèmes agroforestiers, mentionnée à l'article 2, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand de 21 avril 2023 portant l'octroi de subventions pour la plantation et l'entretien de systèmes agroforestiers en application du programme flamand de développement rural.
  Les arbres fruitiers isolés qui donnent régulièrement une récolte et les arbres isolés pâturables sur les prairies sont également considérés comme des surfaces éligibles sans que les conditions mentionnées au premier alinéa doivent être remplies.
Art. 10. De volgende gronden en elementen worden niet beschouwd als eenheden die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, en komen niet in aanmerking voor gebruik in een bedrijf als vermeld in artikel 3, 2), van verordening (EU) 2021/2115:
  1° tuinen;
  2° gazons;
  3° niet-begraasde dijken;
  4° niet-begraasde bermen;
  5° niet-begraasde parken;
  6° niet-begraasde openbare plaatsen;
  7° gronden die op basis van hun ligging, historische achtergrond, beperkte beschikbaarheid voor landbouwactiviteiten of de aanwezigheid van vaste inrichtingen onmiskenbaar en blijvend voor andere primaire doelstellingen gebruikt worden dan de landbouwactiviteit. Die primaire doelstelling sluit niet noodzakelijk uit dat landbouwers op die gronden bepaalde onderhoudswerkzaamheden of landbouwgerelateerde nevenactiviteiten uitvoeren;
  8° brandgangen;
  9° geïsoleerde watervlakken met een oppervlakte van meer dan 0,1 hectare die meer dan zes maanden per jaar water bevatten;
  10° waterlopen met een breedte van meer dan zes meter;
  11° houtkanten met een breedte van meer dan tien meter.
Art. 10. Les terres et éléments suivants ne sont pas considérés comme des unités utilisées pour des activités agricoles et ne peuvent être utilisés dans une entreprise agricole telle que mentionnée à l'article 3, 2) du règlement (UE) 2021/2115:
  1° jardins;
  2° pelouses;
  3° les digues non pâturées;
  4° accotements non pâturées;
  5° des parcs non pâturés;
  6° les lieux publics non pâturés;
  7° des terres qui, en raison de leur situation, de leur passé, de leur disponibilité limitée pour les activités agricoles ou de la présence d'établissements permanents, sont utilisés de manière indubitable et permanente pour des objectifs primaires autres que l'activité agricole. Cet objectif principal n'empêche pas nécessairement les agriculteurs d'effectuer certains travaux d'entretien ou des activités secondaires liées à l'agriculture sur ces terres;
  8° pare-feu;
  9° les surfaces d'eau isolées d'une superficie supérieure à 0,1 hectare qui retiennent l'eau plus de six mois par an;
  10° les cours d'eau dont la largeur est supérieure à 6 mètres;
  11° les lisières boisées d'une largeur supérieure à dix mètres.
Art. 11. De minister kan bepalen:
  1° welke gronden, die hoofdzakelijk gebruikt worden voor niet-landbouwactiviteiten, maar voldoen aan de beschrijving, vermeld in artikel 5, als niet subsidiabel worden beschouwd;
  2° welke gronden beschouwd worden als geen deel uitmakend van het landbouwareaal;
  3° welke landschapselementen die op subsidiabel areaal liggen worden beschouwd als deel uitmakend van dat subsidiabele areaal en de toegestane afmetingen van die subsidiabele landschapselementen bepalen.
Art. 11. Le ministre peut déterminer:
  1° quelles terres, qui sont principalement utilisées pour des activités non agricoles, mais qui répondent à la description, visée à l'article 5, sont considérées comme non éligibles;
  2° quelles terres sont considérées comme ne faisant pas partie de la surface agricole;
  3° quels éléments paysagers situés sur un terrain éligible sont considérés comme faisant partie de ce terrain éligible et déterminer les dimensions admissibles de ces éléments paysagers éligibles.
Art. 12. § 1. De teelt van hennep is onderworpen aan een voorafgaande vergunning, hierna de teelttoestemming voor hennep genoemd. De teelttoestemming voor hennep is alleen geldig voor het teeltseizoen waarvoor de toestemming wordt aangevraagd en voor het ras dat in de aanvraag is vermeld. Alleen de teelt van rassen als vermeld in artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, is toegestaan.
  § 2. De minister bepaalt:
  1° de wijze waarop de teelttoestemming wordt aangevraagd, de inhoud van de aanvraag en de vereiste bewijsstukken;
  2° het uiterste tijdstip waarop de aanvraag van teelttoestemming voor een teeltseizoen moet worden ingediend;
  3° de wijze waarop de teelttoestemming wordt gegeven;
  4° de regels over de bezorging van de officiële etiketten van de zaaizaden.
  [1 De minister kan de volgende elementen bepalen:
   1° de minimale zaaidichtheid om een teelttoestemming voor de teelt van hennep te verkrijgen;
   2° de formulieren voor de aanvraag van de teelttoestemming voor hennep en de vorm ervan.]1

  § 3. De teelt van hennep wordt gecontroleerd conform artikel 3 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126. De minister kan de aanvullende voorwaarden voor de controle bepalen.
  
Art. 12. § 1. La culture du chanvre est soumise à une autorisation préalable, ci-après dénommée autorisation de culture du chanvre. L'autorisation de culture du chanvre n'est valable que pour le saison de culture pour lequel l'autorisation est demandée et pour la variété spécifiée dans la demande. Seule la culture des variétés énumérées à l'article 2 du règlement délégué (UE) 2022/126 est autorisée.
  § 2. Le ministre détermine:
  1° la manière dont l'autorisation de culture est demandée, le contenu de la demande et les pièces justificatives requises;
  2° la date limite à laquelle la demande d'autorisation de culture pour une saison de culture doit être présentée;
  3° les modalités de l'octroi de l'autorisation de culture;
  4° les règles relatives à la livraison des étiquettes officielles de la semence.
  [1 Le ministre peut déterminer les éléments suivants :
   1° la densité minimale de semis pour obtenir une autorisation de culture pour la culture du chanvre ;
   2° les formulaires pour la demande de l'autorisation de culture du chanvre, et leur forme.]1

  § 3. La culture du chanvre est contrôlée conformément à l'article 3 du règlement délégué (UE) 2022/126. Le ministre peut déterminer les conditions supplémentaires de contrôle.
  
HOOFDSTUK 2. - Ontkoppelde rechtstreekse betalingen
CHAPITRE 2. - Paiements directs découplés
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 13. Er worden geen rechtstreekse betalingen uitgekeerd als vermeld in artikel 16, lid 2, van verordening (EU) 2021/2115, aan de actieve landbouwers, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, voor wie het totaal van de rechtstreekse betalingen die zijn aangevraagd of zijn toe te kennen in een bepaald kalenderjaar vóór de toepassing van verlagingen of uitsluitingen als vermeld in artikel 85, lid 1, van verordening (EU) 2021/2116, minder dan 400 euro bedraagt.
Art. 13. Aucun des paiements directs visés à l'article 16, alinéa 2, du règlement (UE) 2021/2115 n'est versé aux agriculteurs actifs, visé à l'article 4, § 2, alinéa 1, pour lesquels le total des paiements directs demandés ou à octroyer au cours d'une année civile donnée avant l'application des réductions ou exclusions visées à l'article 85, alinéa 1, du règlement (UE) 2021/2116 est inférieur à 400 euros.
Art. 14. De volgende percentages van de jaarlijkse toewijzing voor rechtstreekse betalingen worden overgeheveld naar de ELFPO-toewijzing:
  1° 10% in kalenderjaar 2023;
  2° 11% in kalenderjaar 2024 en 2025;
  3° 12% in kalenderjaar 2026.
  In het eerste lid wordt verstaan onder ELFPO-toewijzing: de toewijzing aan het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.
Art. 14. Les pourcentages suivants de l'allocation annuelle pour les paiements directs sont transférés à l'allocation FEADER:
  1° 10% au cours de l'année civile 2023;
  2° 11% au cours des années civiles 2024 et 2025;
  3° 12% pour l'année civile 2026.
  Au premier alinéa, on entend par allocation FEADER: l'allocation au Fonds européen agricole pour le développement rural.
Art. 15. In dit artikel wordt verstaan onder ecoregelingen: de maatregelen voor het klimaat, het milieu en het dierenwelzijn, vermeld in artikel 31 van verordening (EU) 2021/2115 en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023.
  De indicatieve financiële allocatie voor de ecoregelingen voor elk kalenderjaar bedraagt 25% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14.
Art. 15. Dans le présent article, on entend par éco-régimes: les mesures relatives au climat, à l'environnement et au bien-être des animaux mentionnées à l'article 31 du règlement (UE) 2021/2115 et dans l'arrêté du gouvernement flamand du 21 avril 2023.
  L'allocation financière indicative pour les éco-régimes pour chaque année civile est de 25% des allocations pour les paiements directs après transfert visées à l'article 14.
Afdeling 2. - Basisinkomenssteun
Section 2. - Aide au revenu de base
Onderafdeling 1. - Financiële bepalingen
Sous-section 1ère. - Provisions financières
Art. 16. Het deel van de basisinkomenssteun dat hoger is dan 100.000 euro, wordt met 100% verminderd. Het deel tussen de 60.000 en 100.000 euro wordt met 85% verminderd.
  De minister legt de gemiddelde minimumbedragen, de gemiddelde maximumbedragen en de indicatieve gemiddelde eenheidsbedragen voor de basisinkomenssteun vast volgens de bepaalde enveloppe en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115.
  De bevoegde entiteit kent de basisinkomenssteun toe op basis van betalingsrechten, vermeld in artikel 23 van verordening (EU) 2021/2115.
Art. 16. La partie de l'aide au revenu de base qui dépasse 100.000 euros est réduite de 100%. La partie entre 60.000 et 100.000 euros est réduite de 85%.
  Le ministre fixe les montants minimums moyens, les montants maximums moyens et les montants unitaires moyens indicatifs pour l'aide au revenu de base en fonction de l'enveloppe déterminée et comme stipulé dans la flexibilité de redistribution mentionnée à l'article 102 du règlement (UE) 2021/2115.
  L'entité compétente attribue l'aide au revenu de base sur la base de droits au paiement mentionnés à l'article 23 du règlement (UE) 2021/2115.
Onderafdeling 2. - Waarde van betalingsrechten en convergentie
Sous-section 2. - Valeur des droits au paiement et convergence
Art. 17. De gemiddelde eenheidswaarde van betalingsrechten voor kalenderjaar 2026 wordt berekend door de enveloppe voor basisinkomenssteun in 2026 te delen door het aantal bestaande rechten gekend op 31 december van 2022.
Art. 17. La valeur unitaire moyenne des droits au paiement pour l'année civile 2026 est calculée en divisant l'enveloppe du revenu de base en 2026 par le nombre de droits existants connus au 31 décembre 2022.
Art. 18. De maximumeenheidswaarde van een betalingsrecht in 2026, vermeld in artikel 24, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115, bedraagt 1500 euro.
  Alle betalingsrechten met een eenheidswaarde lager dan 85 % van de gemiddelde eenheidswaarde in 2026, worden opgehoogd tot 85 % van de gemiddelde eenheidswaarde in 2026. De financiering van de verhoging van de eenheidswaarde van deze betalingsrechten zal gebeuren door een proportionele vermindering toe te passen op het deel van de rechten dat zich boven die gemiddelde waarde bevindt en door de toepassing van de maximumwaarde.
  Het convergentiemechanisme als vermeld in het vorige lid zal uitgevoerd worden in vier stappen waarvan de eerste plaatsvindt in 2023. De minister kan nadere regels inzake het convergentiemechanisme vastleggen.
Art. 18. La valeur unitaire maximale d'un droit au paiement à 2026, visé à l'article 24, troisième alinéa, alinéa 3, du règlement (UE) 2021/2115, est de 1500 euros.
  Tous les droits à paiement dont la valeur unitaire est inférieure à 85% de la valeur unitaire moyenne en 2026 seront augmentés à 85% de la valeur unitaire moyenne en 2026. Le financement de l'augmentation de la valeur unitaire de ces droits au paiement se fera par l'application d'une réduction proportionnelle à la partie des droits supérieure à cette valeur moyenne et par l'application de la valeur maximale.
  Le mécanisme de convergence mentionné à l'alinéa précédent sera mis en oeuvre en quatre étapes, dont la première aura lieu en 2023. Le ministre peut fixer d'autres règles concernant le mécanisme de convergence.
Art. 19. Individuele aanpassingen van het aantal betalingsrechten of de waarde ervan mogen niet leiden tot een systematische herberekening van de overige betalingsrechten.
  De minister kan nadere regels vastleggen om de waarde van de betalingsrechten te berekenen.
Art. 19. Les ajustements individuels du nombre des droits au paiement ou de leur valeur ne peut pas entrainer un recalcul systématique des droits à paiement restants.
  Le ministre peut fixer d'autres règles pour le calcul de la valeur des droits au paiement.
Onderafdeling 3. - Activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten en overdracht van landbouwbedrijven
Sous-section 3. - Activation, déclaration et transfert des droits au paiement et des transferts d'entreprises agricoles
Art. 20. Een actieve landbouwer als vermeld in artikel 4, § 2, kan betalingsrechten activeren via de verzamelaanvraag door aangifte van subsidiabele hectaren die hij in eigen gebruik heeft en waarover hij het genotrecht heeft conform artikel 3, tweede lid.
Art. 20. Un agriculteur actif mentionné à l'article 4, § 2, peut activer les droits au paiement par le biais de la demande unique en déclarant des hectares éligibles qu'il utilise lui-même et sur lesquels il a un droit de jouissance conformément à l'article 3, alinéa 2.
Art. 21. De minister bepaalt in welke periode de aangegeven landbouwpercelen ter beschikking van de landbouwer moeten staan en kan bepalen wat de voorwaarden zijn opdat de percelen worden geacht in eigen gebruik te zijn.
Art. 21. Le ministre détermine la période pendant laquelle les parcelles agricoles déclarées doivent être à la disposition de l'agriculteur et peut déterminer les conditions pour que les parcelles soient considérées comme étant en usage propre.
Art. 22. In deze onderafdeling wordt verstaan onder:
  1° overdracht: verhuur of verkoop of feitelijke of verwachte vererving van betalingsrechten of productie-eenheden. Het terugvallen van betalingsrechten bij het verstrijken van een huurcontract valt daar niet onder;
  2° (ver)huur: (ver)huurovereenkomst en een daarmee vergelijkbare tijdelijke transactie;
  3° verkoop: de verkoop of elke andere definitieve overdracht van de eigendom van betalingsrechten.
Art. 22. Aux fins de la présente sous-section, on entend par:
  1° transfert: location ou vente ou héritage réel ou anticipé de droits de paiement ou d'unités de production. Cela ne comprend pas la réversion des droits au paiement à l'expiration d'un bail;
  2° bail: un contrat de bail et une transaction temporaire comparable;
  3° vente: la vente ou tout autre transfert définitif de la propriété des droits au paiement.
Art. 23. De minimumoppervlakte van een landbouwperceel waarvoor betalingsrechten aangevraagd en geactiveerd kunnen worden, is 0,01 hectare.
Art. 23. La superficie minimale d'une parcelle agricole pour laquelle des droits au paiement peuvent être demandés et activés est de 0,01 hectare.
Art. 24. Betalingsrechten kunnen alleen worden geactiveerd op percelen die in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen.
  De minister bepaalt op welk moment de landbouwer de betalingsrechten in gebruik moet hebben en ook de bijkomende voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om de uitbetaling te verkrijgen.
Art. 24. Des droits au paiement ne peuvent être activés que pour des parcelles situées en région flamande et en région Bruxelles-Capitale.
  Le ministre détermine à quel moment l'agriculteur doit avoir les droits au paiement en usage, ainsi que les conditions supplémentaires qui doivent être remplies afin d'obtenir le paiement.
Art. 25. Als een landbouwer verschillende fracties van betalingsrechten met dezelfde eenheidswaarde bezit, kunnen die fracties samengevoegd worden.
Art. 25. Si un agriculteur détient plusieurs fractions de droits au paiement ayant la même valeur unitaire, ces fractions peuvent être combinées.
Art. 26. De overdracht van betalingsrechten, vermeld in artikel 27, lid 1, van verordening (EU) 2021/2115, mag op elk moment van het jaar plaatsvinden.
  Indien een landbouwer een deel van een recht overdraagt, wordt de waarde van dat deel evenredig berekend voor elk betrokken resterend jaar van de uitvoeringsperiode van de basisbetaling.
  De overdrager van betalingsrechten brengt de bevoegde entiteit van de overdracht van betalingsrechten op de hoogte op een uiterste datum, die de minister bepaalt, om de betalingsrechten nog in hetzelfde kalenderjaar te kunnen activeren.
  De overdracht van betalingsrechten, vermeld in artikel 27, lid 1, van verordening (EU) 2021/2115, gebeurt conform de melding, vermeld in het eerste lid, tenzij de bevoegde entiteit bezwaar aantekent tegen de overdracht. De bevoegde entiteit kan alleen bezwaar aantekenen tegen een overdracht als de overdracht niet in overeenstemming is met artikel 27 van verordening (EU) 2021/2115 en met dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 26. Le transfert des droits au paiement mentionné à l'article 27, alinéa 1, du règlement (UE) 2021/2115, peut avoir lieu à tout moment de l'année.
  Si un agriculteur transfère une partie d'un droit, la valeur de cette partie est calculée proportionnellement pour chaque année restante concernée de la période d'exécution du paiement de base.
  Le cédant de droits au paiement notifie à l'entité compétente le transfert des droits au paiement à une date limite, fixé par le ministre, afin de pouvoir activer les droits au paiement au cours de la même année civile.
  Le transfert des droits au paiement, mentionnés à l'article 27, alinéa 1, du règlement (UE) 2021/2115, est effectué conformément à la notification, mentionnée au premier alinéa, à moins que l'entité compétente ne s'oppose au transfert. L'entité compétente ne peut s'opposer à un transfert que si celui-ci n'est pas conforme à l'article 27 du règlement (UE) 2021/2115 et au présent arrêté et ses arrêtés d'exécution.
Art. 27. De minister kan:
  1° de verdere regeling, de procedure en de voorwaarden voor de activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten bepalen;
  2° bepalen welke bewijzen de aanvrager van de overdracht moet aanleveren aan de bevoegde entiteit;
  3° de regels voor de aangifte van landbouwpercelen in de verzamelaanvraag bepalen.
Art. 27. Le ministre peut:
  1° déterminer les autres modalités, la procédure et les conditions d'activation, de déclaration et de transfert des droits au paiement;
  2° déterminer quelles preuves à fournir par le demandeur du transfert à l'entité compétente;
  3° déterminer les règles pour la déclaration des parcelles agricoles dans la demande unique;
Onderafdeling [-1 4]-1. - Reserve
Sous-section [-1 4]-1. - Réserve
Art. 28. De reserve voor betalingsrechten dient voor de volgende landbouwers:
  1° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen zich minstens één jonge landbouwer, zoals vermeld in artikel 37, eerste lid, gevestigd heeft;
  2° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen zich uitsluitend nieuwe landbouwers gevestigd hebben;
  3° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, die landbouwers met biologische productie zijn.
  De reserve worden eerst aangewend voor de actieve landbouwers vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, gevolgd door de actieve landbouwers, vermeld in het eerste lid, 3°.
  In het eerste lid, 2° wordt verstaan onder nieuwe landbouwer de natuurlijke persoon die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° hij is geen jonge landbouwer als vermeld in artikel 37, eerste lid;
  2° hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid;
  3° hij vestigde zich in het lopende kalenderjaar, voor de uiterste indieningsdatum, of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst als bedrijfshoofd, lid, zaakvoerder, bestuurder of vennoot van de landbouwer en vestigde zich nooit eerder als bedrijfshoofd, lid, zaakvoerder, bestuurder of vennoot van een landbouwer.
  De minister legt nadere regels vast over de eerste vestiging en over de vakbekwaamheid. De minister bepaalt welke bewijzen geleverd moeten worden aan de bevoegde entiteit om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden over de eerste vestiging en de vakbekwaamheid.
Art. 28. La réserve pour les droits au paiement est destinée aux agriculteurs suivants:
  1° les agriculteurs actifs visés à l'article 4, § 2, au sein desquels s'est établi au moins un jeune agriculteur, tel que mentionné à l'article 37, premier alinéa;
  2° des agriculteurs actifs visés à l'article 4, § 2, au sein desquels seuls de nouveaux agriculteurs se sont installés;
  3° des agriculteurs actifs visés à l'article 4, § 2, qui sont des agriculteurs en production biologique.
  La réserve est d'abord utilisée pour les agriculteurs actifs visés au premier alinéa, 1° et 2°, suivi par les agriculteurs, visés au premier alinéa, 3°.
  Au premier alinéa, 2° on entend par nouvel agriculteur la personne physique qui répond à toutes les conditions suivantes:
  1° il n'est pas un jeune agriculteur visé à l'article 37, premier alinéa;
  2° il possède la compétence professionnelle requise;
  3° il s'est installé pour la première fois au cours de l'année civile en cours, avant la date limite de dépôt, ou au cours des deux années civiles précédentes, en tant que chef d'entreprise agricole, membre, gérant, administrateur ou associé, et ne s'est jamais installé auparavant en tant que chef d'entreprise agricole, membre, gérant, administrateur ou associé.
  Le ministre fixe d'autres règles relatives au premier installation et à la compétence professionnelle. Le ministre détermine les preuves qui doivent être fournies à l'entité compétente pour prouver le respect des conditions de premier installation et de compétence professionnelle.
Art. 29. De reserve wordt gevormd door in het kalenderjaar 2023 een lineaire procentuele verlaging toe te passen op de enveloppes van de basisinkomenssteun.
  De minister legt de percentages van de lineaire verlaging, vermeld in het eerste lid, vast.
  De reserve wordt naast de procentuele verlaging, vermeld in het eerste lid, aangevuld met:
  1° het aantal niet-gebruikte betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan. Dat aantal is gelijk aan het totale aantal betalingsrechten dat gedurende twee opeenvolgende jaren niet door landbouwers geactiveerd is overeenkomstig artikel 20, tenzij de activatie is verhinderd door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;
  2° het aantal betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan die gedurende twee opeenvolgende jaren geen recht op betaling geven doordat de voorwaarden, vermeld in artikel 4, niet zijn vervuld of door de toepassing van artikel 13;
  3° betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan waarvan vrijwillig afstand wordt gedaan;
  4° ten onrechte toegekende betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan.
  De reserve kan naast de procentuele verlaging, vermeld in het eerste lid, aangevuld worden door de bevoegde entiteit in de volgende jaren via een lineaire verlaging van de waarde van betalingsrechten indien onvoldoende middelen voor de reserve ter beschikking zijn.
  De minister kan bepalen in welke volgorde de betalingsrechten, vermeld in het derde lid, vervallen.
Art. 29. La réserve est constituée par l'application d'un pourcentage de réduction linéaire aux enveloppes de l'aide au revenu de base pour l'année civile 2023.
  Le ministre détermine les pourcentages de la réduction linéaire, mentionnée au premier alinéa.
  Outre le pourcentage de réduction, mentionné au premier alinéa, la réserve est complétée par :
  1° le nombre de droits à paiement non utilisés et leur valeur correspondante. Ce nombre est égal au nombre total de droits au paiement non activés par les agriculteurs conformément à l'article 20 pendant deux années consécutives, à moins que l'activation n'ait été empêchée par un cas de force majeure ou des circonstances exceptionnelles;
  2° le nombre de droits au paiement et leur valeur correspondante n'ayant pas donné droit au paiement pendant deux années consécutives en raison du non-respect des conditions, visées à l'article 4, ou en raison de l'application de l'article 13;
  3° les droits au paiement et leur valeur correspondante auxquels on a volontairement renoncé;
  4° les droits au paiement indûment accordés et leur valeur correspondante.
  Outre la réduction en pourcentage, mentionnée au premier alinéa, la réserve peut être alimentée par l'entité compétente au cours des années suivantes par une réduction linéaire de la valeur des droits au paiement si les fonds disponibles pour la réserve sont insuffisants.
  Le ministre peut déterminer l'ordre d'expiration des droits au paiement, mentionnés au troisième alinéa.
Art. 30. De actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, kan eenmalig een aanvraag indienen om één betalingsrecht, met een oppervlakte-equivalent van maximum 1 hectare en gelimiteerd tot het aantal subsidiabele hectaren waarover hij beschikt, uit de reserve toegewezen te krijgen, als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° hij is op de uiterste indieningsdatum aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;
  2° hij heeft op de uiterste indieningsdatum zijn activiteit gemeld bij de bevoegde entiteit conform artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;
  3° hij beschikt op de uiterste indieningsdatum over minstens één perceel dat in het Vlaamse Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt, waarvan de omschakelingsperiode afgelopen is;
  4° hij heeft geen betalingsrechten in eigendom of in gebruik.
  Het perceel waarvoor het betalingsrecht wordt aangevraagd, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt.
  De uiterste datum voor de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten uit de reserve, en ook voor de verhoging uit de reserve, is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74.
  De minister kan de nadere regels bepalen voor de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag, de bewijzen die de aanvrager moet leveren aan de bevoegde entiteit, en de aanvullende voorwaarden waaraan de actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op rechten uit de reserve of op een verhoging van de bestaande betalingsrechten.
Art. 30. L'agriculteur actif, visé à l'article 28, premier alinéa, 3°, peut une seule fois introduire une demande afin d'être attribué un droit au paiement de la réserve, d'une superficie équivalente à un hectare au maximum et limitée au nombre d'hectares éligibles dont il dispose, s'il remplit toutes les conditions suivantes :
  1° il est enregistré auprès un organisme de contrôle de la production biologique et de l'étiquetage de produits biologiques à la date limite de dépôt;
  2° il a notifié son activité à l'entité compétente conformément à l'article 13 de l'arrêté du 29 octobre 2021 à la date limite de dépôt;
  3° il dispose d'au moins une parcelle située en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale à la date limite de dépôt, pour laquelle la période de conversion est terminée;
  4° il n'a aucun droit au paiement en propriété ou en usage.
  La parcelle pour laquelle le droit au paiement est demandé, mentionnée au premier alinéa, 3°, n'a pas été déclassée à la suite d'une infraction au cours de la culture principale.
  La date limite pour la demande d'attribution de droits au paiement issus de la réserve, ainsi que pour l'augmentation issue de la réserve, est égale à la date limite de modification de la demande unique, à condition que la demande unique ait été soumise à la date limite de dépôt et conformément à l'article 74.
  Le Ministre peut déterminer les règles détaillées pour la procédure de demande, le contenu de la demande, les preuves à fournir par le demandeur à l'entité compétente, et les conditions supplémentaires à remplir par l'agriculteur actif, visé à l'article 28, premier alinéa, 3°, pour entrer en ligne de compte à des droits issus de la réserve ou à une augmentation des droits au paiement existants.
Art. 31. De actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, dient een aanvraag in om nieuwe betalingsrechten of een verhoging van bestaande betalingsrechten uit de reserve toegewezen te krijgen.
  Actieve landbouwers als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, kunnen jaarlijks gedurende vijf jaar na de eerste vestiging van de jonge landbouwer vermeld in artikel 38 een aanvraag indienen om betalingsrechten te verkrijgen uit de reserve. Ze krijgen die in de vorm van nieuwe betalingsrechten of door bestaande rechten te verhogen. Actieve landbouwers als vermeld in artikel 28, eerste lid, 2°, kunnen de voormelde aanvraag één keer indienen. De voormelde aanvraag wordt ingediend binnen twee jaar na het jaar van de eerste vestiging.
  De uiterste datum voor de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten uit de reserve, en ook voor de verhoging uit de reserve, is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74.
  De minister kan de nadere regels bepalen voor de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag, de bewijzen die de aanvrager moet leveren aan de bevoegde entiteit, en de aanvullende voorwaarden waaraan de actieve landbouwer moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op rechten uit de reserve of op een verhoging van de bestaande betalingsrechten.
Art. 31. L'agriculteur actif, visé à l'article 28, alinéa 1, points 1° et 2°, demande à se voir attribuer de nouveaux droits au paiement ou une augmentation des droits au paiement existants issus de la réserve.
  Des agriculteurs actifs, visés à l'article 28, premier alinéa, 1°, peuvent demander des droits au paiement issus de la réserve annuellement pendant cinq ans après la première installation du jeune agriculteur, visé à l'article 38. Ils les recevront sous la forme de nouveaux droits au paiement ou d'une augmentation des droits existants. Les agriculteurs actifs, visés à l'article 28, premier alinéa, 2°, peuvent introduire la demande susmentionnée une seule fois. La demande susmentionnée doit être présentée dans un délai de deux ans à compter de l'année de la première installation.
  La date limite pour la demande d'attribution de droits au paiement issus de la réserve, ainsi que pour l'augmentation issue de la réserve, est égale à la date limite de modification de la demande unique, à condition que la demande unique ait été soumise à la date limite de soumission et conformément à l'article 74.
  Le Ministre peut déterminer les règles détaillées de la procédure de demande, le contenu de la demande, les preuves à fournir par le demandeur à l'entité compétente, et les conditions supplémentaires à remplir par l'agriculteur actif pour entrer en ligne de compte à des droits issus de la réserve ou à une augmentation des droits au paiement existants.
Art. 32. [1 Per campagnejaar wordt de waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve, bepaald bij de eerste toekenning van de rechten uit de reserve. De waarde van de betalingsrechten die toegekend worden uit de reserve in een bepaald jaar, stemt overeen met de gemiddelde waarde van de betalingsrechten, vermeld in artikel 26, lid 8, van verordening (EU) 2021/2115, die bepaald wordt door de som van de waarden van alle betalingsrechten te delen door het aantal betalingsrechten in dat jaar. De waarde van de bestaande rechten na verhoging wordt op dezelfde manier bepaald.]1
  
Art. 32. [1 Par année de campagne, la valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve est déterminée lors du premier octroi des droits issus de la réserve. La valeur des droits au paiement attribués issus de la réserve dans une année déterminée correspond à la valeur moyenne des droits au paiement, mentionnés à l'article 26, paragraphe 8, du règlement (UE) 2021/2115, qui est déterminée en divisant la somme des valeurs de tous les droits au paiement par le nombre de droits au paiement au cours de cette année. La valeur des droits existants après augmentation est déterminée de la même manière.]1
  
Art. 33. Als de actieve landbouwers, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, betalingsrechten aanvragen uit de reserve terwijl ze geen betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben, ontvangen ze een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren waarover ze op de vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de aanvraag voor toewijzing beschikken. Als de actieve landbouwers, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, wel al betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben, ontvangen ze aanvullend een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren waarover ze op de vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de aanvraag tot toewijzing beschikken waarvoor ze geen betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben.
  Als de betalingsrechten die de actieve landbouwer, vermeld in het eerste lid, in eigendom en gebruik heeft, minder waard zijn dan het gemiddelde, wordt de jaarlijkse waarde per eenheid van die betalingsrechten verhoogd tot het gemiddelde van dat jaar.
Art. 33. Si les agriculteurs actifs, visés à l'article 28, premier alinéa, 1° et 2°, demandent des droits au paiement issus de la réserve alors qu'ils n'ont aucun droit au paiement en propriété ou en usage, ils reçoivent un nombre de droits au paiement égal au nombre d'hectares éligibles dont ils disposent à la date limite fixée pour l'introduction de la demande d'attribution. Toutefois, si les agriculteurs actifs, visés à l'article 28, alinéa 1, points 1° et 2°, ont déjà des droits au paiement en propriété ou en usage, ils reçoivent en outre un nombre de droits au paiement égal au nombre d'hectares éligibles qu'ils détiennent à la date limite fixée pour l'introduction de la demande d'attribution et pour lesquels ils n'ont pas de droits au paiement en propriété ou en usage.
  Si les droits au paiement en propriété et en usage par l'agriculteur actif, mentionné au premier alinéa, ont une valeur inférieure à la moyenne, la valeur unitaire annuelle de ces droits au paiement est augmentée à la moyenne pour cette année.
Art. 34. De minister bepaalt welke overdrachten van rechten uit de reserve niet toegelaten zijn gedurende de vijf jaren die volgen op het jaar van de toekenning.
Art. 34. Le ministre détermine les transferts de droits de la réserve qui ne sont pas autorisés pendant les cinq années suivant l'année d'attribution.
Afdeling 3. - Herverdelende inkomenssteun
Section 3. - Aide redistributive aux revenus
Art. 35. De bevoegde entiteit verstrekt herverdelende inkomenssteun aan de actieve landbouwer, met uitsluiting van de mogelijkheid vermeld in artikel 29, lid 6, van verordening (EU) 2021/2115.
  De actieve landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van dit besluit.
  De actieve landbouwer ontvangt de herverdelende inkomenssteun voor de eerste 30 subsidiabele hectaren.
  De aanvraag voor de herverdelende inkomenssteun wordt jaarlijks ingediend via de verzamelaanvraag. De uiterste datum voor de aanvraag is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74. De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvraag en de aanvraagprocedure.
Art. 35. L'entité compétente octroie de l'aide distributive au revenu à l'agriculteur actif, à l'exclusion de la possibilité, visée à l'article 29, alinéa 6 du règlement (UE) 2021/2115.
  L'agriculteur actif a activé au moins un droit au paiement conformément à l'article 20 du présent arrêté.
  L'agriculteur actif reçoit l'aide au revenu redistributive pour les 30 premiers hectares éligibles.
  La demande d'aide au revenu redistributive est présentée chaque année par le biais de la demande unique. La date limite de dépôt est égale à la dernière date de modification de la demande unique, à condition que la demande unique ait été déposée à la date limite de dépôt et conformément à l'article 74. Le ministre peut déterminer d'autres règles pour la demande et la procédure de demande.
Art. 36. Met behoud van de toepassing van artikel 87, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115 bedraagt de indicatieve financiële allocatie voor de herverdelende inkomenssteun voor elk kalenderjaar 10% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14.
  De minister legt de maximumbedragen en de indicatieve eenheidsbedragen vast volgens de bepaalde indicatieve financiële allocatie, vermeld in artikel 101 van verordening (EU) 2021/2115, en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115.
Art. 36. Sous réserve de l'application de l'article 87, alinéa 3, du règlement (UE) 2021/2115, l'allocation financière indicative pour l'aide redistributive au revenu pour chaque année civile est de 10% des allocations pour les paiements directs après le transfert, tel que visé à l'article 14.
  Le ministre fixe les montants maximaux et les montants unitaires indicatifs en fonction de l'allocation financière indicative déterminée, visée à l'article 101 du règlement (UE) 2021/2115, et telle que déterminée dans la flexibilité redistributive, mentionnée à l'article 102 du règlement (UE) 2021/2115.
Afdeling 4. - Jonge landbouwer
Section 4. - Jeunes agriculteurs
Art. 37. Een jonge landbouwer is de natuurlijke persoon die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij vervult binnen de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, de functie van bedrijfshoofd door het uitoefenen van daadwerkelijk en langdurig zeggenschap als:
  a) natuurlijke persoon, of;
  b) lid, zaakvoerder of vennoot binnen de maatschap of de feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die over een ondernemingsnummmer moet beschikken;
  c) zaakvoerder, lid, bestuurder of vennoot binnen de rechtspersoon, die voor de controleerbaarheid van deze voorwaarde verplicht over een aandelenregister moet beschikken;
  2° hij is niet ouder dan veertig jaar in het kalenderjaar van de eerste steunaanvraag;
  3° hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid.
  De minister legt nadere regels vast over de daadwerkelijke en langdurige zeggenschap en over de vakbekwaamheid. De minister bepaalt welke bewijzen geleverd moeten worden aan de bevoegde entiteit om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden over de daadwerkelijke en langdurige zeggenschap en de vakbekwaamheid.
Art. 37. Un jeune agriculteur est la personne physique qui remplit toutes les conditions suivantes:
  1° il exerce la fonction de chef d'entreprise au sein de l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, en exerçant un contrôle effectif et durable en tant que:
  a) personne physique, ou;
  b) membre, gérant ou associé au sein de la société simple ou de l'association de fait sans personnalité juridique qui doit avoir un numéro d'entreprise;
  c) gérant, membre, administrateur ou associé au sein de la personne morale, qui est obligée de disposer d'un registre d'actions pour que cette condition soit vérifiable;
  2° il n'est pas âgé de plus de quarante ans dans l'année civile de la demande de la première aide;
  3° il possède la compétence professionnelle requise.
  Le ministre détermine des règles détaillées concernant le contrôle effectif et durable et la compétence professionnelle. Le ministre détermine les preuves à fournir afin de démontrer que les conditions concernant l'âge, le contrôle effectif et durable et la compétence professionnelle.
Art. 38. De steun, vermeld in artikel 30 van verordening (EU) 2021/2115, kan alleen aangevraagd worden door de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, zich voor het eerst vestigde. De steun wordt voor de eerste keer aangevraagd binnen vijf jaar na de eerste vestiging van de jonge landbouwer, inclusief het kalenderjaar waarin die termijn verloopt. Als de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, al eerder bestond, maar de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, later is toegetreden, wordt als jaar van eerste vestiging het jaar genomen waarin de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, bedrijfshoofd, zaakvoerder, lid, bestuurder of vennoot is geworden binnen de actieve landbouwer.
  Per actieve landbouwer als vermeld in artikel 4, § 2, waarin meerdere jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, zich gevestigd hebben wordt het maximum aantal hectaren zoals bedoeld in artikel 41, zo veel keer toegepast als er gevestigde jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, zijn binnen de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2. Voor elke hectare kan jaarlijks maar een keer de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, toegekend worden.
  De landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van dit besluit.
  De minister legt nadere regels vast over de eerste vestiging. De minister bepaalt welke bewijzen geleverd moeten worden aan de bevoegde entiteit om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden over de eerste vestiging.
  De aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks ingediend via de verzamelaanvraag. De uiterste datum voor de aanvraag is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74. De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvraag en de aanvraagprocedure.
Art. 38. L'aide, mentionnée à l'article 30 du règlement (UE) 2021/2115, ne peut être demandée que par l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, au sein duquel le jeune agriculteur, visé à l'article 37, premier alinéa, s'est installé pour la première fois. L'aide est demandée pour la première fois dans les cinq ans suivant la première installation du jeune agriculteur, visé à l'article 37, premier alinéa, y compris l'année civile au cours de laquelle elle expire. Si l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, existait avant, mais que le jeune agriculteur, visé à l'article 37, premier alinéa, a adhéré plus tard, l'année de la première installation sera l'année dans laquelle le jeune agriculteur, visé à l'article 37, premier alinéa, est devenu chef d'entreprise, gérant, membre, administrateur ou associé au sein de l'agriculteur actif.
  Pour chaque agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, dans lequel plusieurs jeunes agriculteurs, visés à l'article 37, premier alinéa, se sont installés, le nombre maximal d'hectares, visé à l'article 41, est appliqué autant de fois qu'il y a de jeunes agriculteurs, visés à l'article 37, premier alinéa, installés au sein de l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2. Pour chaque hectare, l'aide au revenu supplémentaire pour les jeunes agriculteurs, visés à l'article 37, premier alinéa, ne peut être accordée qu'une fois par an.
  L'agriculteur a activé au moins un droit au paiement conformément à l'article 20 du présent arrêté.
  Le ministre fixe les modalités de la première installation. Le ministre détermine les preuves qui doivent être fournies à l'entité compétente pour prouver le respect des conditions de la première installation.
  La demande, mentionnée au premier alinéa, est présentée annuellement par le biais de la demande unique. La date limite de la demande est la même que la date limite de modification de la demande unique, à condition que la demande unique ait été présentée à la date limite de dépôt et conformément à l'article 74. Le ministre peut déterminer des règles plus précises concernant la demande et la procédure de demande.
Art. 39. De aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers kan per jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, die in de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, gevestigd is, gedurende vijf opeenvolgende jaren verleend worden, desgevallend onder de voorwaarden die door het rechtskader inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat van toepassing is voor de periode na 2027, worden vastgesteld als de voormelde looptijd van vijf jaar doorloopt tot na 2027.
Art. 39. L'aide au revenu supplémentaire pour les jeunes agriculteurs peut être accordée par jeune agriculteur, visé à l'article 37, premier alinéa, installé dans l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, pendant cinq années consécutives, si nécessaire dans les conditions déterminées par le cadre juridique de la politique agricole commune applicable pour la période postérieure à 2027, si la période de cinq ans susmentionée se poursuit au-delà de 2027.
Art. 40. Aan landbouwers die op basis van artikel 50 van verordening (EU) nr. 1307/2013 steun hebben ontvangen, wordt de steunverlening gedurende de rest van de periode, vermeld in artikel 50, lid 5, van de voormelde verordening voortgezet, rekening houdend met de definitie van jonge landbouwer vermeld in artikel 1, 17° van het besluit van 24 oktober 2014 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 40. Aux agriculteurs qui ont bénéficié d'une aide sur la base de l'article 50 du règlement (UE) n° 1307/2013, l'aide est maintenue pour le reste de la période, visée à l'article 50, alinéa 5, du règlement précité, en tenant compte de la définition du jeune agriculteur, visée à l'article 1er, 17°, de l'arrêté du 24 octobre 2014 et de ses arrêtés d'exécution.
Art. 41. De aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, wordt betaald aan de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, en per subsidiabele hectare.
  De minister legt nadere regels vast over het maximale aantal subsidiabele hectaren waarvoor de steunaanvraag kan worden ingediend.
Art. 41. L'aide au revenu supplémentaire pour les jeunes agriculteurs, visés à l'article 37, premier alinéa, est versée à l'agriculteur actif, visé à l'article 4, § 2, et par hectare éligible.
  Le ministre détermine les modalités relatives au nombre maximal d'hectares éligibles pour lesquels la demande d'aide peut être introduite.
Art. 42. De indicatieve financiële allocatie voor de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, voor elk kalenderjaar bedraagt 3% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14.
  De minister legt de maximumbedragen en de indicatieve eenheidsbedragen vast volgens de bepaalde enveloppe en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115.
Art. 42. L'allocation financière indicative pour l'aide au revenu supplémentaire pour les jeunes agriculteurs, visés à l'article 37, premier alinéa, pour chaque année civile est de 3% des allocations pour les paiements directs après transfert tel que mentionné à l'article 14.
  Le ministre fixe les montants maximaux et les montants unitaires indicatifs en fonction de l'enveloppe déterminée et comme stipulé dans la flexibilité de réaffectation, mentionnée à l'article 102 du règlement (UE) 2021/2115.
HOOFDSTUK 3. - Gekoppelde inkomenssteun
CHAPITRE 3. - Aide au revenu couplée
Afdeling 1. - Algemene bepalingen en definities
Section 1. - Dispositions générales et définitions
Art. 43. Dit hoofdstuk is van toepassing op actieve landbouwers, vermeld in artikel 4, § 2, met een actief beslag voor runderen waarvan het adres in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ligt.
  In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° beslag: het beslag, vermeld in artikel 2, § 2, 12°, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022;
  2° runderen van het rastype vlees: runderen van superieure tot goede bevleesdheid;
  3° zoogkoe: een vrouwelijk rund van het rastype vlees dat een kalf heeft voortgebracht van het rastype vlees.
Art. 43. Le présent chapitre s'applique aux agriculteurs actifs, visés à l'article 4, § 2, ayant au moins un troupeau bovin actif et dont l'adresse est située en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale.
  Au présent chapitre, il est entendu par :
  1° troupeau: le troupeau, visé à l'article 2, § 2, 12° de l'arrêté royal du 20 mai 2022;
  2° bovin de la race à viande: bovin de conformation supérieure à bonne;
  3° vache allaitante: bovin femelle de la race à viande qui a donné naissance à un veau de la race à viande.
Afdeling 2. - Subsidiabiliteitsvoorwaarden
Section 2. - Conditions d'éligibilité
Art. 44. Aan landbouwers die op hun bedrijf zoogkoeien houden, kan een subsidie worden toegekend voor het behoud van de duurzame zoogkoeienhouderij. De subsidie wordt per jaar en per zoogkoe toegekend.
Art. 44. A des agriculteurs qui gardent des vaches allaitantes à leur entreprise, une subvention peut être accordée pour le maintien de l'élevage durable de vaches allaitantes. La subvention est accordée par an et par vache allaitante.
Art. 45. Een landbouwer die voldoet aan de twee volgende instapvoorwaarden voor duurzame bedrijfsvoering, komt in aanmerking voor de subsidieregeling, vermeld in artikel 44:
  1° het blijvende grasland op de percelen gelegen in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in stand houden;
  2° een areaal voor graslandbeheer en voederproductie en -diversificatie aanhouden op de percelen gelegen in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  Voor de instapvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, blijven de percelen blijvend grasland die in gebruik waren in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, in het jaar van de aanvraag blijvend grasland op het bedrijf.
  Een landbouwer die samen minstens 20 punten behaalt op de criteria graslandbeheer en voederproductie en -diversificatie, voldoet aan de instapvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de instapvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°.
Art. 45. L'agriculteur qui remplit les deux conditions d'entrée suivantes en matière d'exploitation durable, est éligible au régime de subventionnement, visé à l'article 44 :
  1° maintenir les prairies permanentes sur des parcelles situées en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale;
  2° maintenir une surface pour la gestion des prairies et la production et la diversification de fourrages sur les parcelles situées en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale.
  Pour la condition d'entrée, visée au premier alinéa, 1°, les parcelles de prairies permanentes qui étaient utilisées l'année précédant l'année pour laquelle la subvention est demandée, resteront des prairies permanentes dans l'entreprise l'année de la demande.
  Un agriculteur qui obtient au total au moins 20 points pour les critères gestion des prairies et production et diversification des fourrages, remplit la condition d'entrée, visée au premier alinéa, 2°.
  Le ministre détermine les règles détaillées relatives à la condition d'entrée, visée au premier alinéa, 2°.
Art. 46. Er kunnen het equivalent van maximaal 100.000 zoogkoeien per jaar in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in artikel 44.
  Als het totale aantal subsidiabele dieren in een bepaald jaar het maximale aantal, vermeld in het eerste lid, overschrijdt, wordt het totale aantal subsidiabele dieren voor het jaar in kwestie verminderd tot het maximum is bereikt. Daarbij wordt het overtal ten opzichte van het maximum, vermeld in het eerste lid, procentueel in mindering gebracht op het aantal subsidiabele dieren voor elke landbouwer.
  De minister kan:
  1° aanvullende voorwaarden opleggen waaraan de landbouwer moet voldoen om voor de subsidieregeling in aanmerking te komen;
  2° aanvullende voorwaarden opleggen waaraan de zoogkoeien en het beslag moeten voldoen om voor de subsidieregeling in aanmerking te komen;
Art. 46. L'équivalent d'un maximum de 100 000 vaches allaitantes par an peut bénéficier de la subvention, visée à l'article 44.
  Si le nombre total d'animaux éligibles pour une année donnée dépasse le nombre maximal, visé au premier alinéa, le nombre total d'animaux éligibles pour l'année en question est réduit jusqu'à ce que le maximum soit atteint. A cet égard, l'excédent par rapport au maximum, visé au premier alinéa, est déduit en pourcent du nombre d'animaux éligibles pour chaque agriculteur.
  Le ministre peut:
  1° déterminer des conditions supplémentaires auxquelles l'agriculteur doit répondre afin d'être éligible à la subvention;
  2° déterminer des conditions supplémentaires auxquelles les vaches allaitantes et le troupeau doivent répondre afin d'être éligible à la subvention.
Art. 47. De subsidie, vermeld in artikel 44, bestaat uit een eenheidsbedrag per subsidiabel dier. Daarbij wordt een degressief systeem gehanteerd, waarbij binnen een beslag telkens een lager steunbedrag voor de volgende aantallen subsidiabele dieren wordt toegekend:
  1° van 1 tot en met 50 dieren;
  2° van 51 tot en met 100 dieren;
  3° meer dan 100 dieren.
Art. 47. La subvention, visée à l'article 44, consiste en un montant unitaire par animal éligible. Un système dégressif est utilisé, selon lequel un montant d'aide inférieur est accordé au sein d'un troupeau pour les nombres suivants d'animaux éligibles à chaque fois:
  1° de 1 à 50 animaux inclus;
  2° de 51 à 100 animaux inclus;
  3° plus de 100 animaux.
Art. 48. De indicatieve financiële allocatie voor de gekoppelde inkomenssteun voor elk kalenderjaar bedraagt 8% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14.
  De minister:
  1° legt de minimumbedragen, de maximumbedragen en de indicatieve eenheidsbedragen per dier vast volgens de bepaalde enveloppe en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115;
  2° kan nadere regels bepalen op basis waarvan het uiteindelijke eenheidsbedrag wordt vastgesteld.
Art. 48. L'allocation financière indicative pour les aides couplées au revenu pour chaque année civile est de 8% des allocations pour les paiements directs après transfert, tel que visé à l'article 14.
  Le ministre:
  1° détermine les montants minimaux, les montants maximaux et les montants unitaires indicatifs par animal en fonction de l'enveloppe déterminée et comme prévu dans la flexibilité de redistribution, visée à l'article 102 du règlement (UE) 2021/2115;
  2° peut fixer les modalités sur la base desquelles est déterminé le montant unitaire final.
HOOFDSTUK 4. - Conditionaliteit
CHAPITRE 4. - Conditionnalité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 49. De conditionaliteit bestaat uit de GLMC-normen zoals bepaald in dit hoofdstuk en uit de uit het Unierecht voortvloeiende beheerseisen, vermeld in artikel 12, vierde lid, van verordening (EU) 2021/2115. Als de beheerseisen strengere regels bepalen dan deze bepaald door de GLMC-normen dan zijn deze strengere regels van toepassing.
Art. 49. La conditionnalité est constituée des normes BCAE prévues dans le présent chapitre et des exigences de gestion découlant du droit de l'Union, visé à l'article 12, quatrième alinéa, du règlement (UE) 2021/2115. Si les exigences de gestion déterminent des règles plus strictes que celles déterminées par les normes BCAE, ces règles plus strictes s'appliquent.
Art.49/1. [1 De minister kan tijdelijke afwijkingen toestaan van de termijnen en perioden, vermeld in afdeling 2 als weersomstandigheden landbouwers in een bepaald jaar beletten aan die vereisten te voldoen. ]1
  
Art.49/1. [1 Le ministre peut accorder des dérogations temporaires aux délais et périodes visés à la section 2 si les conditions météorologiques empêchent les agriculteurs de satisfaire à ces exigences au cours d'une année déterminée. ]1
  
Afdeling 2. - GLMC-normen
Section 2. - Normes BCAE
Onderafdeling 1. - Behoud van blijvend grasland op basis van een verhouding blijvend grasland ten opzichte van het landbouwareaal
Sous-section 1ère. - Conservation des prairies permanentes en fonction du rapport entre les prairies permanentes et la surface agricole
Art. 50. In geval van overschrijding van een 3%-tolerantie ten opzichte van het referentieaandeel, vermeld en bepaald in artikel 48, lid 1, van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, zal de minister een verbod op het omzetten van blijvend grasland opleggen in het lopende kalenderjaar en een verplichting tot herinzaaien van percelen die in de voorgaande kalenderjaren blijvend grasland waren maar in het lopende kalenderjaar geen blijvend grasland meer zijn.
  De bevoegde entiteit staat in voor de verdere uitvoering en opvolging van het verbod of de verplichting, vermeld in het eerste lid. De minister kan in een vrijstelling voorzien op het verbod of de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor percelen waarop agromilieu- en klimaatmaatregelen, of gelijkaardige verbintenissen, plaatsvinden. Hij bepaalt ook het aantal kalenderjaren dat teruggekeken wordt voor de verplichting van herinzaai van percelen, vermeld in het eerste lid met het oog op het terugdringen van de overschrijding onder de 3%-tolerantie.
Art. 50. En cas de dépassement d'une tolérance de 3% par rapport au ratio de référence, visé et déterminé à l'article 48, alinéa 1, du règlement délégué (UE) 2022/126, le ministre impose, au niveau de l'entreprise, une interdiction de conversion des prairies permanentes pendant l'année civile en cours et une obligation de réensemencer les parcelles qui étaient des pâturages permanents au cours des années civiles précédentes mais qui ne le sont plus pendant l'année civile en cours.
  L'entité compétente est responsable de la poursuite de la mise en oeuvre et du suivi de l'interdiction ou de l'obligation, visée au premier alinéa. Le ministre peut prévoir une dérogation à l'interdiction ou à l'obligation, mentionnée au premier alinéa, pour les parcelles sur lesquelles des mesures agro-environnementales et climatiques, ou des engagements similaires, ont lieu. Il détermine également le nombre d'années civiles à prendre en compte pour l'obligation de réensemencer les parcelles, visées au premier alinéa, en vue de réduire le dépassement en dessous de la tolérance de 3%.
Art. 51. De heromgezette grond wordt met ingang van de eerste dag van de heromzetting als blijvend grasland beschouwd.
Art. 51. Les terres réensemencées sont considérées comme des prairies permanentes à partir du premier jour du réensemencement.
Onderafdeling 2. - Bescherming van wetlands en veengebieden
Sous-section 2. - Protection des zones humides et des tourbières
Art. 52. § 1. Graslanden gelegen in wetlands en veengebieden mogen niet omgezet, niet geploegd en niet gedraineerd worden. Het is ook niet toegelaten in die gebieden om vegetatie te verbranden en turf te winnen. De drainage kan alleen vernieuwd worden in overeenstemming met artikel 8, § 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997.
  § 2. Landbouwers leven het verbod, de vergunningsplicht en de voorwaarden om de vegetatie van wetlands en veengebieden te wijzigen, die ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 zijn bepaald, na.
  § 3. De blijvende graslanden die op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, 1°, van het ministerieel besluit van 13 juli 2015 als ecologisch kwetsbaar zijn aangewezen, blijven die status behouden.
  De minister kan bijkomend blijvende graslanden aanwijzen als ecologisch kwetsbaar die in wetlands en veengebieden liggen binnen de zones, vermeld in richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna of richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.
  § 4. De landbouwer wordt op de hoogte gebracht van de arealen die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangewezen conform de procedure, vermeld in artikel 37, § 2/1, van het besluit van 24 oktober 2014.
  Voor de procedure, vermeld in het eerste lid, kan de minister:
  1° bijkomende procedurele bepalingen vastleggen om een aanvraag tot correctie vermeld in artikel 37, § 2/1, van het besluit van 24 oktober 2014 in te dienen en af te handelen;
  2° voor de opdracht, vermeld in artikel 37, § 2/1, van het besluit van 24 oktober 2014:
  a) de samenstelling van de verificatiecommissie wijzigen;
  b) nadere regels opleggen voor de werking van de verificatiecommissie.
  § 5. Het is verboden om wetlands en veengebieden die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangewezen en die in Natura 2000-gebied liggen, om te zetten, te ploegen of te draineren. De minister kan dit verbod uitbreiden tot wetlands en veengebieden die in andere dan Natura 2000-gebied liggen.
  § 6. De minister kan voor andere landbouwpercelen dan blijvend grasland dat als ecologisch kwetsbaar is aangewezen, die in wetlands of veengebieden liggen, een gepast beschermingskader uitwerken dat gericht is op het behoud van die wetlands en veengebieden.
Art. 52. § 1. Des prairies situées en zones humides et tourbières ne doivent pas être converties, labourées ou drainées. Le brûlage de la végétation et l'extraction de la tourbe sontégalement interdit dans ces zones. Les drainages ne peuvent être renouvelés que conformément à l'article 8, § 1, 4° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 portant des règles complémentaires d'exécution du décret du 21 octobre 1997.
  § 2. Les agriculteurs respectent l'interdiction, l'obligation d'autorisation et les conditions de modification de la végétation des zones humides et des tourbières, telles que stipulées en exécution du décret du 21 octobre 1997 relatif à la protection de la nature et de l'environnement naturel.
  § 3. Les prairies permanentes désignées comme écologiquement vulnérables sur la base de l'article 5, § 1, premier alinéa, 1°, de l'arrêté ministériel du 13 juillet 2015 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014, conservent ce statut.
  Le ministre peut désigner comme écologiquement vulnérables des prairies permanentes supplémentaires qui sont situées dans des zones humides et des tourbières dans les zones, mentionnées dans la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ou dans la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages.
  § 4. L'agriculteur est informé des zones désignées comme pâturages permanents écologiquement vulnérables conformément à la procédure, visée à l'article 37, § 2/1, de l'arrêté du 24 octobre 2014.
  Pour la procédure, visée au premier alinéa, le ministre peut:
  1° fixer des modalités procédurales supplémentaires pour l'introduction et le traitement d'une demande de rectification, mentionnée à l'article 37, § 2/1, de l'arrêté du 24 octobre 2014;
  2° pour la mission mentionnée à l'article 37, § 2/1 de l'arrêté du 24 octobre 2014:
  a) modifier la composition de la commission de vérification;
  b) imposer d'autres règles pour le fonctionnement de la commission de vérification.
  § 5. Il est interdit de convertir, de labourer ou de drainer des zones humides et les tourbières désignées comme prairies permanentes écologiquement vulnérables et situées dans des zones Natura 2000. Le ministre peut étendre cette interdiction à des zones humides et à des tourbières situées dans des zones autres que les zones Natura 2000.
  § 6. Le ministre peut élaborer un cadre de protection approprié pour les parcelles agricoles autres que les prairies permanentes désignées comme écologiquement vulnérables, qui sont situées dans des zones humides ou des tourbières, visant à préserver ces zones humides et tourbières.
Onderafdeling 3. - Handhaving van organisch bodemmateriaal
Sous-section 3. - Conservation de la matière organique du sol
Art. 53. Het is verboden om stoppels na het oogsten af te branden, behalve om fytosanitaire redenen.
Art. 53. Il est interdit de brûler les chaumes après la récolte, sauf pour des raisons phytosanitaires.
Art. 54. De landbouwer laat de zuurtegraad en het organischekoolstofgehalte van een aantal van zijn percelen die geen grasland zijn of die geen permanente bedekking hebben, bepalen en hij kan de bijbehorende analyseresultaten voorleggen. Elk analyseresultaat is vijf jaar geldig vanaf de datum waarop de staalname is uitgevoerd.
  Bij een te laag organischekoolstofgehalte volgt de landbouwer op de percelen in kwestie het advies dat is opgesteld op basis van de analyseresultaten. De landbouwer doet dat op een aantoonbare wijze. Als uit de analyseresultaten blijkt dat bepaalde percelen een te lage zuurtegraad hebben, worden die bekalkt.
  De minister kan nader invullen op welke manier het advies, vermeld in het tweede lid, als aantoonbaar gevolgd beschouwd wordt.
  Afhankelijk van zijn totale areaal landbouwgrond exclusief grasland en percelen die voor een permanente bedekking zorgen, namelijk teelten die het jaar rond bedekking bieden, meerjarige teelten en teelten met een permanente overkapping, kan de landbouwer per begonnen schijf van vijf hectaren minstens één geldig analyseresultaat voorleggen.
  Het vereiste minimumaantal geldige analyses wordt naast de wijze, vermeld in het vierde lid, bijkomend begrensd door het aantal percelen landbouwgrond die geen grasland zijn of geen permanente bedekking hebben die de landbouwer heeft aangegeven.
  De monsternemingen, de analyses van het organischekoolstofgehalte, de pH, de bodemtextuur van het bodemstaal en de opmaak van een landbouwkundig advies worden uitgevoerd door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming dat conform artikel 6, 5°, c) van het VLAREL van 19 november 2010 erkend is voor de monsternemingen en analyses in kwestie.
Art. 54. L'agriculteur fait déterminer l'acidité et la teneur en carbone organique de certaines de ses parcelles qui ne sont pas des prairies ou qui n'ont pas de couverture permanente et il peut présenter les résultats d'analyse correspondants. Chaque résultat d'analyse est valable pendant cinq ans à compter de la date d'échantillonnage.
  Si la teneur en carbone organique est trop faible, l'agriculteur suit les conseils établis sur la base des résultats d'analyse sur les parcelles en question. L'agriculteur le fait de manière démontrable. Si les résultats de l'analyse montrent que certaines parcelles ont une acidité trop faible, elles sont chaulées.
  Le ministre peut préciser la manière dont le conseil, visé à l'alinéa 2, est considéré comme étant manifestement suivi.
  En fonction de sa surface totale de terres agricoles, à l'exclusion des prairies et des parcelles à couverture permanente, à savoir les cultures à couverture permanente pendant toute l'année, les cultures pérennes et les cultures à couvert permanent, l'agriculteur peut présenter au moins un résultat d'analyse valide par tranche entamée de cinq hectares.
  Le nombre minimal requis de résultats d'analyse valides, en plus de la manière spécifiée au quatrième alinéa, est en outre limité par le nombre de parcelles agricoles qui ne sont pas des prairies ou qui n'ont pas de couverture permanente déclarée par l'agriculteur.
  L'échantillonnage, les analyses de la teneur en carbone organique, du pH, de la texture du sol de l'échantillon de sol et l'élaboration d'un conseil agricole sont réalisés par un laboratoire du sous-domaine discipline des sols, protection des sols qui est agréé conformément à l'article 6, 5°, c) du VLAREL du 19 novembre 2010 pour l'échantillonnage et les analyses en question.
Onderafdeling 4. - Het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen
Sous-section 4. - Création de bandes tampons le long des cours d'eau
Art. 55. De norm voor het aanleggen van bufferstroken is van toepassing op alle landbouwers die over landbouwpercelen beschikken langs waterlopen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas.
Art. 55. La norme relative à la création de bandes tampons s'applique à tous les agriculteurs qui ont des parcelles agricoles le long des cours d'eau figurant dans l'Atlas hydrographique flamand.
Art. 56. Langs waterlopen als vermeld in artikel 55, respecteren de landbouwers landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud al de volgende bufferstroken:
  1° één meter teeltvrije strook waarop geen grondbewerking plaatsvindt;
  2° drie meter pesticidevrije strook;
  3° vijf meter bemestingsvrije strook;
  4° tien meter bemestingsvrije strook langs hellingen en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in artikel 17 van het decreet van 21 oktober 1997.
  Bij de bemestingsvrije stroken, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, is bemesting verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing.
Art. 56. Le long des cours d'eau tels que visés à l'article 55, les agriculteurs respectent à l'intérieur des terres, à partir du bord supérieur du talus, toutes les bandes tampons suivantes:
  1° une bande sans culture d'un mètre sur laquelle il n'y a pas de travail du sol;
  2° bande de trois mètres sans pesticide;
  3° bande de cinq mètres sans engrais;
  4° bande de dix mètres sans engrais le long des pentes et dans les zones appartenant au réseau écologique flamand, visé à l'article 17 du décret du 21 octobre 1997.
  Dans les bandes sans engrais, visées au premier alinéa, 3° et 4°, la fertilisation est interdite, à l'exception de la fertilisation par excrétion directe lors du pâturage.
Onderafdeling 5. - Bodembewerkingsbeheer
Sous-section 5. - Gestion du travail du sol
Art. 57. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder Departement Omgeving: het departement, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
  § 2. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt bepaald door de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming.
  Er zijn zes erosiegevoeligheidsklassen:
  1° zeer hoog;
  2° hoog;
  3° medium;
  4° laag;
  5° zeer laag;
  6° verwaarloosbaar.
  De erosiegevoeligheid van een perceel wordt jaarlijks meegedeeld via de verzamelaanvraag.
  Landbouwers die aan de hand van een analyse van een bodemstaal kunnen aantonen dat het organischekoolstofgehalte 1,7% of meer bedraagt en dat de pH zich in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt overeenkomstig de Code van Goede Praktijk Bodembescherming, kunnen bij de bevoegde entiteit aanvragen om de erosiegevoeligheid van het perceel in kwestie dat geen blijvend grasland is, met één klasse te laten dalen. De monsterneming en analyse van het organischekoolstofgehalte, de pH en de bodemtextuur van het bodemstaal worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het VLAREL van 19 november 2010. De bodemanalyse heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de staalname is uitgevoerd. De herklassering van een perceel loopt per kalenderjaar. De voormelde herklassering begint op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag voor herklassering wordt goedgekeurd en eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de einddatum van de maximale geldigheidsduur van de bodemanalyse.
  Als het perceel van vorm verandert, blijft de herklassering geldig als het perceel voor minstens 80% overlapt met het oorspronkelijke perceel waarop de staalname die de basis voor de herklassering vormde, is uitgevoerd.
  De geldigheid van de analyse van een bodemstaal, vermeld in het vierde lid, vervalt als de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, kennis krijgt van een analyse die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° de analyse is recenter dan de analyse die de landbouwer heeft ingediend;
  2° de bemonstering is uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het VLAREL van 19 november 2010 of door de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming;
  3° de bemonsteringsdiepte is voor beide analyses gelijk;
  4° de analyse is uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het VLAREL van 19 november 2010;
  5° de analyse toont aan dat het organischekoolstofgehalte van het perceel in kwestie lager dan 1,7% is of dat de pH zich niet in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt.
  De subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, brengt de landbouwer die het perceel waarop de analyse betrekking heeft, in gebruik heeft, en de bevoegde entiteit ervan op de hoogte dat een analyse van een bodemstaal als vermeld in het vierde lid, niet meer geldig is. De herklassering van een perceel, gebaseerd op een analyse van een bodemstaal dat conform het zesde lid niet meer geldig is, eindigt op 31 december van het kalenderjaar waarin wordt meegedeeld dat de analyse in kwestie niet meer geldig is.
  § 3. Een landbouwer past de erosiebestrijdingsmaatregelen, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, toe op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid. De erosiebestrijdingsmaatregelen die op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid moeten worden toegepast, variëren volgens de verbouwde teelt.
  § 4. Een landbouwer past de erosiebestrijdingsmaatregelen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, toe op percelen met een hoge erosiegevoeligheid. De erosiebestrijdingsmaatregelen die op een perceel met een hoge erosiegevoeligheid moeten worden toegepast, variëren volgens de verbouwde teelt.
  § 5. De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen erosiebestrijdende maatregelen wil toepassen die afwijken van de bepalingen die opgenomen zijn in bijlage 1 en 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde entiteit.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
  1° de voor- en achternaam of de benaming van de aanvrager;
  2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
  3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
  4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepalingen van de bijlage 1 en 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, waarvan de aanvrager wil afwijken.
  De aanvrager dient een aanvraag als vermeld in het eerste lid, in bij de bevoegde entiteit minimaal dertig werkdagen voor het begin van de periode waarvoor hij de afwijking wil verkrijgen. Als de aanvraag onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
  De bevoegde entiteit kan voor een aanvraag als vermeld in het eerste lid, de toelating geven om van de bepalingen, die opgenomen zijn in bijlage 1 en 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, af te wijken en beslist binnen twintig werkdagen nadat ze de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt conform het derde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf de ontvangst van die bijkomende gegevens.
Art. 57. § 1. Aux fins du présent article, on entend par Département de l'Environnement: le département visé à l'article 29, paragraphe 1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'administration flamande.
  § 2. La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est déterminée par la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection des sols.
  Il existe six classes de vulnérabilité à l'érosion :
  1° très élevée;
  2° élevée;
  3° moyenne;
  4° faible;
  5° très faible;
  6° négligeable.
  La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est communiquée annuellement par le biais de la demande unique.
  Les agriculteurs qui peuvent démontrer, par l'analyse d'un échantillon de sol, que la teneur en carbone organique est égale ou supérieure à 1,7% et que le pH se situe dans la zone optimale pour le type de sol en question, conformément au code de bonne pratique pour la protection des sols, peuvent demander à l'entité compétente que la vulnérabilité à l'érosion de la parcelle en question qui n'est pas un pâturage permanent, soit réduite d'une classe. Le prélèvement et l'analyse de la teneur en carbone organique, du pH et de la texture du sol de l'échantillon de sol sont réalisés par un laboratoire accrédité dans la discipline des sols, sous-domaine protection des sols, tel que mentionné à l'article 6, 5°, c) du VLAREL du 19 novembre 2010. L'analyse des sols a une durée de validité de cinq ans à compter de la date à laquelle l'échantillon a été prélevé. Le reclassement d'une parcelle se fait par année civile. Le reclassement susmentionné commence le 1er janvier de l'année au cours de laquelle la demande de reclassement est approuvée et se termine le 31 décembre de l'année précédant la date de fin de la période de validité maximale de l'analyse des sols.
  Si la parcelle change de forme, le reclassement reste valable si la parcelle se chevauche avec au moins 80% de la parcelle d'origine sur laquelle a été effectué l'échantillonnage qui a servi de base au reclassement.
  La validité de l'analyse d'un échantillon de sol, visée à l'alinéa 4, expire si la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection des sols, est au courant d'une analyse qui remplit toutes les conditions suivantes:
  1° l'analyse est plus récente que l'analyse présentée par l'agriculteur;
  2° l'échantillonnage a été effectué par un laboratoire reconnu dans la discipline des sols, sous-domaine protection des sols, visé à l'article 6, 5°, c), du VLAREL du 19 novembre 2010 ou par la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection des sols;
  3° la profondeur d'échantillonnage est la même pour les deux analyses;
  4° l'analyse a été réalisée par un laboratoire reconnu dans la discipline des sols, sous-domaine de la protection des sols, tel que mentionné à l'article 6, 5°, c), du VLAREL du 19 novembre 2010;
  5° l'analyse montre que la teneur en carbone organique de la parcelle en question est inférieure à 1,7% ou que le pH ne se situe pas dans la zone optimale pour le type de sol en question.
  La sous-entité du Département de l'Environnement, compétente en matière de protection des sols, informe l'agriculteur utilisant la parcelle soumise à l'analyse, et l'entité compétente qu'une analyse d'un échantillon de sol, telle que mentionnée au quatrième alinéa, n'est plus valable. Le reclassement d'une parcelle fondé sur une analyse d'un échantillon de sol qui n'est plus valable conformément au sixième alinéa, prend fin le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle il est notifié que l'analyse en question n'est plus valable.
  § 3. L'agriculteur doit appliquer les mesures de lutte contre l'érosion énumérées à l'annexe 1, jointe au présent arrêté, aux parcelles à vulnérabilité très élevée. Les mesures de lutte contre l'érosion qui doivent être appliquées aux parcelles à vulnérabilité très élevée, varient selon la culture en question.
  § 4. L'agriculteur doit appliquer les mesures de lutte contre l'érosion énumérées à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, aux parcelles à vulnérabilité élevée. Les mesures de lutte contre l'érosion qui doivent être appliquées aux parcelles à vulnérabilité élevée, varient selon la culture en question.
  § 5. L'agriculteur qui souhaite appliquer des mesures de lutte contre l'érosion dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques qui dérogent aux dispositions prévues aux annexes 1 et 2, jointes au présent arrêté, introduit une demande motivée auprès de l'entité compétente à cet effet.
  Une demande, visée au premier alinéa, contient toutes les données suivantes :
  1° le nom et le prénom ou la nomination du demandeur;
  2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur souhaite obtenir la dérogation;
  3° la période pour laquelle la dérogation est demandée;
  4° une description de la démonstration éducative ou de l' essai scientifique envisagée, indiquant les dispositions des annexes 1 et 2, jointes au présent arrêté, auxquelles le demandeur souhaite déroger.
  Le demandeur soumet une demande, telle que mentionnée au premier alinéa, à l'entité compétente au moins 30 jours ouvrables avant le début de la période pour laquelle il souhaite obtenir la dérogation. Si la demande est incomplète ou contient des informations insuffisantes, l'entité compétente peut demander des données supplémentaires.
  Pour une demande visée au premier alinéa, l'entité compétente peut accorder une dérogation aux dispositions énumérées aux annexes 1 et 2, jointes au présent arrêté, et prend une décision dans les 20 jours ouvrables suivant la réception de ladite demande. Si l'entité compétente demande des données supplémentaires conformément au troisième alinéa, la période de décision en cours est interrompue et une nouvelle période de décision commence à partir de la réception de ces données supplémentaires.
Onderafdeling 6. - Minimale bodembedekking
Sous-section 6. - Couverture de sol minimale
Art. 58. [1 De landbouwer neemt op minstens 80% van het totale bouwlandareaal van het bedrijf een van de volgende maatregelen en houdt die minstens aan vanaf 1 december van het jaar N tot en met 31 januari van het jaar N+1:
   1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien. Tot aan de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of nateelt worden de stoppels en de opslag behouden of blijven de plantenresten aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen;
   2° de stoppels en de opslag behouden na de oogst van de hoofdteelt;
   3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen na de oogst van de hoofdteelt;
   4° de teelt behouden tijdens de winter.
   Op percelen met een zware bodemtextuur, namelijk met een klei- of leembodem, is winterploegen toegestaan vanaf 15 oktober op andere kleibodems dan deze gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen, vermeld in het Koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd door de Koninklijke besluiten van 15 juli 1953, 8 maart 1968 en 15 februari 1974, en vanaf 1 december op leembodems. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende acties te ondernemen:
   1° een groenbedekker of een nateelt inzaaien;
   2° de stoppels en de opslag behouden;
   3° de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen.
   [2 Percelen op kleibodems die in de landbouwstreek Polders en Duinen liggen, zoals vastgelegd in het Koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.]2
   Op percelen met een hoge en zeer hoge erosiegevoeligheid gelden de volgende verplichtingen in het kader van het basispakket, vermeld in bijlage 1 en 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, in combinatie met de verplichtingen op basis van de norm voor minimale bodembedekking, vermeld in het eerste en tweede lid:
   1° als de hoofdteelt vóór 15 oktober geoogst wordt, wordt er een groenbedekker of een nateelt ingezaaid vóór 1 december. Tot aan de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de nateelt worden de stoppels en de opslag behouden of blijven de plantenresten aan de oppervlakte liggen;
   2° als de hoofdteelt na 15 oktober geoogst wordt, wordt minstens een van de volgende maatregelen toegepast:
   a) een groenbedekker of een andere teelt wordt vóór 1 december ingezaaid, waarbij tot de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de andere teelt de stoppels en de opslag behouden worden of de plantenresten aan de oppervlakte blijven liggen;
   b) bij teelt van korrelmaïs, spruiten of andere koolsoorten: de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen tot de inzaai van de volgende teelt;
   c) winterploegen wordt toegepast op percelen met een leem- of een kleibodem, op basis van de bodemkaart of een bodemstaal. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door een van de volgende maatregelen te nemen:
   1) na de oogst van de hoofdteelt een groenbedekker inzaaien;
   2) de stoppels en de opslag behouden;
   3) de plantenresten aan de oppervlakte laten liggen;
   3° als de hoofdteelt niet geoogst is op 1 december, minstens een van de volgende maatregelen nemen:
   a) tot de inzaai van de volgende teelt de teelt of de plantenresten behouden;
   b) winterploegen toepassen op percelen met een leem- of een kleibodem. Daarbij wordt de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt gehouden door de stoppels te behouden en de plantenresten te laten liggen ]1
.
  
Art. 58. [1 L'agriculteur prend l'une des mesures suivantes sur au moins 80 % de la surface totale des terres arables de l'entreprise et la maintient au moins du 1er décembre de l'année N au 31 janvier de l'année N+1 :
   1° semer un couvert végétal ou une culture successive. Jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de la culture successive, les chaumes et le stockage sont conservés ou les résidus végétaux sont laissés à la surface pour couvrir le sol ;
   2° conserver les chaumes et le stockage après la récolte de la culture principale ;
   3° laisser les résidus végétaux à la surface pour couvrir le sol après la récolte de la culture principale ;
   4° conserver la culture pendant l'hiver.
   Sur les parcelles dont la texture du sol est lourde, à savoir un sol argileux ou limoneux, le labourage d'hiver est autorisé à partir du 15 octobre sur des sols argileux autre que ceux situés dans la région agricole Polders et Dunes, visée à l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1953, 8 mars 1968 et 15 février 1974, et à partir du 1er décembre sur les sols limoneux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
   1° semer un couvert végétal ou une culture successive ;
   2° conserver les chaumes et le stockage ;
   3° laisser les résidus végétaux à la surface pour couvrir le sol.
   [2 Les parcelles aux sols argileux situées dans la région agricole Polders et Dunes, telle que définie dans l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, sont exemptées de l'obligation visée à l'alinéa 1e]2.
   Sur les parcelles à vulnérabilité à l'érosion élevée et très élevée, les obligations suivantes s'appliquent dans le cadre du paquet de base, visé aux annexes 1re et 2 jointes au présent arrêté, en combinaison avec les obligations basées sur la norme de couverture minimale du sol, visées aux alinéas 1er et 2 :
   1° si la culture principale est récoltée avant le 15 octobre, un couvert végétal ou une culture successive est semé avant le 1er décembre. Jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de la culture successive, les chaumes et le stockage sont conservés ou les résidus végétaux sont laissés à la surface ;
   2° si la culture principale est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes est appliquée :
   a) un couvert végétal ou une autre culture est semé avant le 1er décembre, les chaumes et le stockage étant conservés ou les résidus végétaux étant laissés à la surface jusqu'au début des travaux sur le champ pour le semis du couvert végétal ou de l'autre culture ;
   b) en cas de culture de maïs à grain, choux de Bruxelles ou autres choux : laisser les résidus végétaux à la surface jusqu'au semis de la culture suivante ;
   c) le labourage d'hiver est appliqué aux parcelles aux sols limoneux ou argileux, sur la base de la carte des sols ou d'un échantillon de sol. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en prenant l'une des mesures suivantes :
   1) semer un couvert végétal après la récolte de la culture principale ;
   2) conserver les chaumes et le stockage ;
   3) laisser les résidus végétaux à la surface ;
   3° si la culture principale n'est pas récoltée avant le 1er décembre, prendre au moins l'une des mesures suivantes :
   a) conserver les résidus de culture ou de plantes jusqu'au semis de la culture suivante ;
   b) appliquer le labourage d'hiver à des parcelles aux sols limoneux et argileux. Il s'agit de maintenir le sol couvert après la récolte de la culture principale jusqu'au début du labourage en conservant les chaumes et en laissant les résidus végétaux ]1
.
  
Onderafdeling 7. - Gewasrotatie op bouwland
Sous-section 7. - Rotation des cultures à des terres arables
Art. 59. In de volgende gevallen zijn landbouwbedrijven vrijgesteld van de norm voor gewasrotatie, vermeld in artikel 60:
  1° meer dan 75% van het bouwland dat wordt gebruikt om grassen of andere kruidachtige voedergewassen te produceren, of voor de teelt van vlinderbloemige gewassen ligt braak of wordt gebruikt voor een combinatie daarvan;
  2° meer dan 75% van het subsidiabele landbouwareaal is blijvend grasland en wordt gebruikt om grassen of andere kruidachtige voedergewassen te produceren of wordt gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus beteeld met gewassen die onder water staan, of wordt gebruikt voor een combinatie daarvan.
  [1 3° het bouwlandareaal bedraagt niet meer dan 10 hectare. ]1
  Ter uitvoering van artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317 geldt in 2023 op bouwlandpercelen een vrijstelling van de norm voor gewasrotatie, vermeld in artikel 60, § 1, van dit besluit. Percelen waarop de landbouwer zich ertoe verbindt een maatregel toe te passen als vermeld in artikel 3, 6° of 15°, van het besluit van 21 april 2023, komen niet in aanmerking voor de voormelde vrijstelling.
  
Art. 59. Dans les cas suivants, des entreprises agricoles sont exemptées de la norme en matière de rotation des cultures, visée à l'article 60:
  1° plus de 75% des terres arables utilisées pour la production de graminées ou d'autres plantes fourragères herbacées, ou pour la culture de légumineuses, sont en jachère ou utilisées pour une combinaison des deux;
  2° plus de 75% de la surface agricole éligible est constituée de pâturages permanents et est utilisée pour produire des herbes ou d'autres fourrages herbacés, ou est cultivée avec des cultures sous eau pendant une partie importante de l'année ou une partie importante du cycle de culture, ou est utilisée pour une combinaison des deux.
  [1 3° les terres arables ne dépassent pas 10 hectares. ]1
  En application de l'article 1, alinéa 1er, du règlement d'exécution (UE) 2022/1317, une exemption de la norme de rotation des cultures prévue à l'article 60, § 1 du présent arrêté, s'applique aux parcelles de terres arables en 2023. Les parcelles sur lesquelles l'agriculteur s'engage à appliquer une mesure, telle que visée à l'article 3, 6°, 7° ou 15° de l'arrêté du 21 avril 2023, ne sont pas éligibles à la exemption surmentionnée.
  
Art. 60. § 1.[2 De landbouwer voldoet aan de norm voor gewasrotatie door een van de volgende maatregelen toe te passen:
   1° op perceelsniveau, met uitzondering van het areaal met meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land, gewasrotatie toepassen door een van de volgende maatregelen te nemen:
   a) een andere hoofdteelt telen dan het voorgaande jaar;
   b) na de hoofdteelt van het voorgaande jaar een nateelt aanhouden die minstens twaalf weken op het perceel aanwezig blijft en die tot een andere gewassoort behoort dan de hoofdteelt van het jaar in kwestie;
   2° gewasdiversificatie toepassen door de volgende minimumvereisten in acht te nemen:
   a) als de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan 10 en niet meer dan 30 hectare bedraagt, worden op het bouwland van dat bedrijf ten minste twee verschillende hoofdteelten geteeld, waarbij de omvangrijkste teelt niet meer dan 75% van dat bouwland bestrijkt;
   b) als de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan 30 hectare bedraagt, worden op het bouwland van dat bedrijf ten minste drie verschillende hoofdteelten geteeld, waarbij de omvangrijkste teelt niet meer dan 75 percent van dat bouwland bestrijkt en de twee omvangrijkste teelten samen niet meer dan 95% van dat bouwland bestrijken]2
.
  De landbouwers die aangesloten zijn bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten, worden geacht te voldoen aan de norm voor gewasrotatie voor de percelen die onder controle van het voormelde controleorgaan staan en die niet gedeclasseerd zijn.
  [1 [3 Voor de volgende percelen geldt ook een vrijstelling van de verplichting, vermeld in het eerste lid, 1° :
   1° percelen met teelten in volle grond onder vaste overkapping;
   2° percelen met knolbegonia of met sierteelten in containers op en in volle grond;
   3° percelen die besmet zijn met knolcyperus (Cyperus esculentus), op voorwaarde dat het perceel in de verzamelaanvraag bekend is als een perceel dat besmet is met knolcyperus. De vrijstelling geldt tot het perceel vrij is van knolcyperus;
   4° percelen met aardbeien;
   5° percelen voor forcerie van witloof.]3

   [2 De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen een gewasrotatie wil toepassen die afwijkt van de bepalingen in paragraaf 1, eerste lid, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde entiteit.
   Een aanvraag als vermeld in het vierde lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de voor- en achternaam of de benaming van de aanvrager;
   2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
   3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
   4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met vermelding van de bepalingen van het eerste lid waarvan de aanvrager wil afwijken.
   De aanvrager dient een aanvraag als vermeld in het vierde lid, in bij de bevoegde entiteit minimaal dertig werkdagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen. Als voormelde aanvraag conform het vijfde lid onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
   De bevoegde entiteit kan voor een aanvraag als vermeld in het vierde lid de toelating geven om van de bepalingen in het eerste lid af te wijken en beslist binnen twintig werkdagen nadat ze de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt conform het zesde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf de dag waarop de bevoegde entiteit de bijkomende gegevens ontvangt.]2
]1

  § 2. De teelt van aardappelen[1 , met uitzondering van de teelt van aardappelen onder niet-verplaatsbare serres,]1 kan niet in een rotatie die sneller is dan een op de drie jaar. Voor de teelt van gecertificeerd pootgoed geldt een rotatie van een op de vier jaar.
  
Art. 60. § 1. [2 L'agriculteur répond à la norme de rotation des cultures en appliquant l'une des mesures suivantes :
   1° appliquer la rotation des cultures au niveau de la parcelle, à l'exclusion des superficies couvertes de cultures pérennes, des herbes et autres plantes fourragères herbacées ou des jachères, en prenant l'une des mesures suivantes:
   a) cultiver une culture principale différente de celle de l'année précédente;
   b) maintenir après la culture principale de l'année précédente une culture successive qui reste sur la parcelle pendant au moins douze semaines et qui appartient à une espèce végétale différente de la culture principale de l'année en question ;
   2° appliquer la diversification des cultures en respectant les exigences minimales suivantes :
   a) lorsque la superficie des terres arables d'une entreprise est supérieure à 10 hectares et inférieure à 30 hectares, au moins deux cultures principales différentes sont cultivées sur les terres arables de cette entreprise, la culture la plus vaste ne dépassant pas 75 % de ces terres arables ;
   b) lorsque la superficie des terres arables d'une entreprise est supérieure à 30 hectares, au moins trois cultures principales différentes sont cultivées sur les terres arables de cette entreprise. La culture la plus vaste ne dépasse pas 75 % de ces terres arables et les deux cultures les plus vastes ensemble ne dépassent pas 95 % de ces terres arables]2
.
  Les agriculteurs enregistrés auprès un organisme de contrôle de la production biologique et de l'étiquetage de produits biologique sont assumés de respecter la norme de rotation des cultures pour les parcelles sous le contrôle de l'organisme de contrôle précité qui n'ont pas été déclassées.
  [3 Les parcelles suivantes sont également exemptées de l'obligation, visée à l'alinéa 1er, 1° :
   1° les parcelles avec culture en pleine terre sous couvert permanent ;
   2° les parcelles avec bégonias tubéreux ou avec cultures ornementales en conteneurs sur/en pleine terre ;
   3° les parcelles infectées par le cyperus tuber (Cyperus esculentus), à condition que la parcelle soit connue dans la demande unique comme une parcelle infectée par le cyperus tuber. L'exemption s'applique jusqu'à ce que la parcelle soit libre de cyperus tuber ;
   4° les parcelles avec fraises ;
   5° les parcelles pour le forçage de chicons.]3

  [1 [2 L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer une rotation des cultures qui déroge aux dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, doit introduire une demande motivée auprès de l'entité compétente à cet effet.
   Une demande telle que visée à l'alinéa 4 comprend toutes les données suivantes :
   1° les prénom et nom ou la dénomination du demandeur ;
   2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir la dérogation ;
   3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
   4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec mention des dispositions de l'alinéa 1er auxquelles le demandeur veut déroger.
   Le demandeur introduit une demande telle que visée à l'alinéa 4 auprès de l'entité compétente au minimum trente jours ouvrables avant le début de la période pour laquelle le demandeur veut obtenir la dérogation. Lorsque la demande précitée est incomplète ou comprend insuffisamment d'informations conformément à l'alinéa 5, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
   Pour une demande telle que visée à l'alinéa 4, l'entité compétente peut autoriser une dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après avoir reçu la demande précitée. Lorsque l'entité compétente demande des informations complémentaires conformément à l'alinéa 6, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir du jour auquel l'entité compétente reçoit les informations complémentaires]2
.]1

  § 2. La culture de pommes de terre [1 à l'exception de la culture de pommes de terre sous des serres non mobiles,]1 ne peut s'inscrire dans une rotation plus rapide qu'une fois tous les trois ans. Une rotation d'un an sur quatre s'applique à la culture de plants de pommes de terre certifiés.
  
Art. 61. [1 De minister bepaalt wanneer er sprake is van een verschillende teelt om te voldoen aan de norm voor gewasrotatie, vermeld in artikel 60.]1
  
Art. 61. [1 Le ministre détermine ce qu'on entend par culture différente pour répondre à la norme de rotation des cultures, visée à l'article 60.]1
  
Onderafdeling 8. - Niet-productieve elementen en arealen ter verbetering van de biodiversiteit op landbouwbedrijven
Sous-section 8. - Eléments non productifs et surfaces pour améliorer la biodiversité dans des entreprises agricoles
Art. 66. § 1. Landbouwers moeten het verbod, de vergunningsplicht en de voorwaarden voor het wijzigen van landschapselementen naleven.
  § 2. Het is verboden hagen, heggen, houtkanten en bomen te snoeien tijdens het broedseizoen.
  § 3. In het kader van de preventie van de uitbreiding van plantensoorten die door hun overwoekerende karakter een bedreiging vormen voor de goede landbouw- en milieuconditie van de landbouwgrond, wordt de uitbreiding van knolcyperus (Cyperus esculentus) op bouwland voorkomen.
  De landbouwer voorkomt de verdere verspreiding van knolcyperus op bouwland door het verbod op de teelt van knol-, bol- en wortelgewassen op met knolcyperus besmette percelen na te leven. Een perceel is besmet met knolcyperus wanneer de besmetting ten minste 10 vierkante meter van het perceel inneemt. Een vierkante meter is duidelijk besmet als er minimaal 10 planten knolcyperus per vierkante meter staan of als knolcyperus voor een minimale bodembedekking van 50% zorgt.
  De Vlaamse regering kan desgewenst nog bijkomende soorten opnemen op basis van hun overwoekerende en exotische karakter na advies van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek.
Art. 66. § 1. Des exploitants agricoles doivent respecter l'interdiction, l'obligation d'autorisation et les conditions de modification des éléments paysagers.
  § 2. Il est interdit de tondre des haies, haies vives, des bords boisés et des arbres pendant la période de reproduction.
  § 3. Dans le cadre de la prévention de l'expansion des espèces végétales qui, en raison de leur caractère colonisateur, constituent une menace pour la bonne condition agricole et environnementale de la terre agricole, l'expansion de souchet comestible (Cyperus esculentus) est empêchée.
  L'agriculteur empêche la propagation du souchet comestible sur les terres arables en respectant l'interdiction de cultiver des tubercules, des bulbes et des racines dans les parcelles infectées par le souchet comestible. Une parcelle est infectée par le souchet comestible lorsque l'infestation occupe au moins 10 mètres carrés de la parcelle. Un mètre carré est clairement infesté s'il y a au moins 10 plantes de souchet comestible par mètre carré ou si le souchet comestible assure une couverture minimale de 50% du sol.
  Le gouvernement flamand peut inclure d'autres espèces sur la base de leur prolifération et de leur exotisme, s'il le souhaite, après avis de l'Institut pour la recherche sur la nature et la forêt.
Onderafdeling 9. - Bescherming van ecologisch kwetsbaar blijvend grasland
Sous-section 9. - Protection des prairies permanentes écologiquement vulnérables
Art. 67. De norm voor ecologisch kwetsbaar blijvend grasland is van toepassing op landbouwers met percelen die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangewezen binnen en buiten Natura 2000-gebied.
Art. 67. La norme relative aux prairies permanentes écologiquement sensibles s'applique aux agriculteurs dont les parcelles sont désignées comme des prairies permanentes écologiquement vulnérables à l'intérieur et à l'extérieur de zones Natura 2000.
Art. 68. De blijvende graslanden die als ecologisch kwetsbaar zijn aangewezen op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, en § 1/1, van het ministerieel besluit van 13 juli 2015 houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014, blijven die status behouden.
  De Vlaamse regering kan naast de blijvende graslanden, vermeld in het eerste lid, bijkomende blijvende graslanden aanwijzen als ecologisch kwetsbaar. Het betreft de zones, vermeld in richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna of richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, die beschermd moeten worden om de doelstellingen van de voormelde richtlijnen te verwezenlijken. De Vlaamse regering kan ook blijvend grasland aanwijzen als ecologisch kwetsbaar dat in andere gebieden dan Natura 2000-gebied ligt.
  De landbouwer wordt op de hoogte gebracht van de arealen die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangewezen conform de procedure, vermeld in artikel 37, § 2/1, van het besluit van 24 oktober 2014.
  Voor de procedure, vermeld in het derde lid, kan de minister:
  1° bijkomende procedurele bepalingen vastleggen om een aanvraag tot correctie vermeld in artikel 37, § 2/1 van het besluit van 24 oktober 2014, in te dienen en af te handelen;
  2° voor de opdracht, vermeld in artikel 37, § 2/1, van het besluit van 24 oktober 2014:
  a) de samenstelling van de verificatiecommissie wijzigen;
  b) nadere regels opleggen voor de werking van de verificatiecommissie;
  3° verdere regels bepalen om de ecologisch kwetsbare graslanden aan te wijzen.
Art. 68. Les prairies permanentes désignées comme écologiquement vulnérables sur la base de l'article 5, § 1er, premier alinéa, 2° à 4°, et § 1/1, de l'arrêté ministériel du 13 juillet 2015 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014, conservent ce statut.
  En plus des prairies permanentes, mentionnées au premier alinéa, le gouvernement flamand peut désigner d'autres prairies permanentes comme étant écologiquement vulnérables. Il s'agit des zones, mentionnées dans la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ou dans la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, qui doivent être protégées pour atteindre les objectifs des directives précitées. Le gouvernement flamand peut également désigner des prairies permanentes comme écologiquement vulnérables, situées hors des zones Natura 2000.
  Les surfaces désignées comme prairies permanentes écologiquement vulnérables sont notifiées à l'agriculteur conformément à la procédure, mentionnée à l'article 37, § 2/1, de l'arrêté du 24 octobre 2014.
  Pour la procédure, mentionnée au troisième alinéa, le ministre peut:
  1° fixer des modalités procédurales complémentaires pour présenter et traiter une demande de rectification mentionnée à l'article 37, § 2/1 de l'arrêté du 24 octobre 2014;
  2° pour la mission, mentionnée à l'article 37, § 2/1 de l'arrêté du 24 octobre 2014:
  a) modifier la composition de la commission de vérification;
  b) déterminer des règles supplémentaires pour le fonctionnement de la commission de vérification;
  3° déterminer des règles supplémentaires pour désigner les prairies écologiquement vulnérables.
Art. 69. Binnen en buiten Natura 2000-gebied is het verboden om ecologisch kwetsbaar blijvend grasland om te zetten of om te ploegen.
  [1 Landbouwers zijn vrijgesteld van het ploegverbod, vermeld in het eerste lid, om schade die werd aangebracht door wilde dieren of invasieve soorten aan ecologisch kwetsbaar blijvend grasland te herstellen, onverminderd de bepalingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en zijn uitvoeringsbesluiten.
   Indien de landbouwer gebruik wenst te maken van de vrijstelling, vermeld in het tweede lid, meldt hij dit aan de bevoegde entiteit vooraleer over te gaan tot het herstel. De minister kan bepalen welke documenten of bewijsstukken deze melding moet omvatten.]1

  
Art. 69. A l'intérieur et à l'extérieur des zones Natura 2000, la conversion ou le labourage des prairies permanentes écologiquement vulnérables est interdit.
  [1 Les agriculteurs sont exemptés de l'interdiction de labour visée à l'alinéa 1er pour réparer les dommages aux prairies permanentes écologiquement sensibles causés par des animaux sauvages ou des espèces invasives, sans préjudice des dispositions du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel et de ses arrêtés d'exécution.
   Si l'agriculteur souhaite bénéficier de l'exemption visée à l'alinéa 2, il en informe l'entité compétente avant de procéder à la réparation. Le ministre peut déterminer les documents ou pièces justificatives à joindre à cette notification. ]1

  
HOOFDSTUK 4/1. [1 - Sociale conditionaliteit]1
CHAPITRE 4/1. [1 - Conditionnalité sociale]1
Art.69/1. [1 Conform artikel 14 van verordening (EU) 2021/2115 leeft de landbouwer de toepasselijke arbeidsvoorwaarden of werkgeversverplichtingen na die voortvloeien uit de rechtshandelingen, vermeld in bijlage IV bij de voormelde verordening.]1
  
Art.69/1. [1 Conformément à l'article 14 du règlement (UE) 2021/2115, l'agriculteur respecte les conditions de travail et d'emploi applicables ou les obligations de l'employeur découlant des actes juridiques visés à l'annexe IV du règlement précité.]1
  
HOOFDSTUK 5. - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem
CHAPITRE 5. - Système intégré de gestion et de contrôle
Afdeling 1. - Identificatie van landbouwpercelen
Section 1ère. - Identification des parcelles agricoles
Art. 70. In het systeem voor identificatie van landbouwpercelen, vermeld in artikel 68 van verordening (EU) 2021/2116, worden de aangegeven landbouwpercelen op betrouwbare wijze geïdentificeerd. Als dat nodig is, worden bij steunaanvragen bijkomende informatie of documenten gevoegd die de bevoegde entiteit specificeert en die de lokalisering en meting van elk landbouwperceel mogelijk maken.
  Het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel, vermeld in artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172, wordt correct gekwantificeerd binnen een marge van maximaal 2%, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.
Art. 70. Dans le système d'identification des parcelles agricoles, visé à l'article 68 du règlement (UE) 2021/2116, les parcelles agricoles déclarées sont identifiées de manière fiable. Si nécessaire, les demandes d'aide sont accompagnées d'informations ou de documents supplémentaires spécifiés par l'entité compétente qui permettent de localiser et de mesurer chaque parcelle agricole.
  La surface maximale éligible par parcelle de référence, mentionnée à l'article 2 du règlement délégué (UE) 2022/1172, est correctement quantifiée avec une marge de 2% maximum, compte tenu du contour et de l'état de la parcelle de référence.
Afdeling 2. - Regels voor de werking van de verzamelaanvraag
Section 2. - Règles de fonctionnement de la demande unique
Art. 71. Het elektronische formulier van de verzamelaanvraag wordt ingediend via het e-loket. De minister kan voorzien in uitzonderingen waarin een papieren aanvraag mogelijk blijft.
Art. 71. Le formulaire électronique de la demande unique est présenté via le guichet électronique. Le ministre peut prévoir des exceptions lorsqu'une demande sur papier est possible.
Art. 72. Na de uiterste indieningsdatum en tot uiterlijk op de uiterste wijzigingsdatum kunnen individuele landbouwpercelen of individuele betalingsrechten worden toegevoegd of aangepast in de verzamelaanvraag, als aan de voorwaarden in het kader van de regelingen over rechtstreekse betalingen in kwestie is voldaan.
  Voor individuele landbouwpercelen of betalingsrechten die al in de verzamelaanvraag zijn aangegeven, mogen onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wijzigingen worden aangebracht.
Art. 72. Après la date limite de dépôt et au plus tard jusqu'à la date limite de modification, des parcelles agricoles individuelles ou des droits au paiement individuels peuvent être ajoutés ou modifiés dans la demande unique, si les conditions des régimes de paiement direct en question sont remplies.
  Pour les parcelles agricoles individuelles ou les droits au paiement déjà déclarés dans la demande unique, des modifications peuvent être apportées dans les mêmes conditions que celles visées au premier alinéa.
Art. 73. De minister bepaalt:
  1° de uiterste indieningsdatum, de uiterste wijzigingsdatum en de uiterste datum voor de intrekking van de verzamelaanvraag;
  2° nadere regels voor de indiening van de verzamelaanvraag;
  3° nadere regels voor de wijziging van de verzamelaanvraag;
  4° nadere regels voor de vaststelling van het tijdstip waarop de ingediende verzamelaanvraag is ontvangen.
Art. 73. Le ministre détermine:
  1° la date limite de dépôt, la date limite de modification et la date limite de retrait de la demande unique;
  2° les modalités de présentation de la demande unique;
  3° les modalités de modification de la demande unique;
  4° les modalités de détermination du moment de réception de la demande unique présentée.
Art. 74. § 1. Behalve bij overmacht en in uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 1, 43°, wordt bij de indiening van de verzamelaanvraag in het kader van dit besluit na de uiterste indieningsdatum een verlaging met 1% per werkdag toegepast op de bedragen waarop de begunstigde recht zou hebben gehad als de verzamelaanvraag tijdig en volledig was ingediend.
  Als de verzamelaanvraag meer dan 25 dagen na de uiterste indieningsdatum ingediend wordt, wordt de verzamelaanvraag niet ontvankelijk geacht en wordt er geen steun aan de begunstigde verleend.
  § 2. Behalve bij overmacht en in uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 1, 43°, wordt bij de indiening van een aanvraag tot toewijzing of, in voorkomend geval, tot verhoging van de waarde van de betalingsrechten wanneer de verzamelaanvraag na de uiterste indieningsdatum wordt ingediend een verlaging met 1% per werkdag toegepast op de bedragen die in het jaar in kwestie betaald moeten worden voor de aan de begunstigde toe te wijzen betalingsrechten of, in voorkomend geval, op de verhoging van de waarde van de betalingsrechten.
  Als de verzamelaanvraag meer dan 25 dagen na de uiterste indieningsdatum ingediend wordt, wordt de aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, niet ontvankelijk geacht en worden aan de begunstigde geen betalingsrechten toegewezen of, in voorkomend geval, wordt er geen verhoging van de waarde van de betalingsrechten toegewezen.
Art. 74. § 1. Sauf en cas de force majeure et circonstances exceptionnelles, au sens de l'article 1, 43°, le dépôt de la demande unique au titre du présent arrêté après la date limite de dépôt, entraîne une réduction de 1% par jour ouvrable des montants auxquels le bénéficiaire aurait eu droit si la demande unique avait été déposée en temps utile et dans son intégralité.
  Si la demande unique est présentée plus de 25 jours après la date limite de dépôt, la demande unique est considérée comme irrecevable et aucune aide n'est accordée au bénéficiaire.
  § 2. Sauf en cas de force majeure et circonstances exceptionnelles, au sens de l'article 1, 43°, lorsqu'une demande d'attribution ou, le cas échéant, d'augmentation de la valeur des droits au paiement est introduite après la date limite de dépôt, les montants à payer l'année en question pour les droits au paiement à attribuer au bénéficiaire ou, le cas échéant, l'augmentation de la valeur des droits au paiement sont réduits de 1% par jour ouvrable.
  Si la demande unique est présentée plus de 25 jours après la date limite de présentation, la demande, visée au premier alinéa, est considérée comme irrecevable et aucun droit au paiement n'est attribué au bénéficiaire ou, le cas échéant, aucune augmentation de la valeur des droits au paiement n'est attribuée.
HOOFDSTUK 6. - E-loket
CHAPITRE 6. - Guichet électronique
Art. 75. De landbouwer gebruikt het e-loket om via elektronische weg aan bepaalde van zijn administratieve verplichtingen te voldoen.
  De minister bepaalt de mogelijkheden om het e-loket te gebruiken en de handelingen die via elektronische weg kunnen worden verricht. De minister bepaalt welke handelingen uitsluitend verricht kunnen worden via het e-loket en kan in dat geval ook de uitzonderlijke omstandigheden bepalen waarin een aangifte op papier mogelijk blijft.
Art. 75. L'agriculteur utilise le guichet électronique pour remplir certaines de ses obligations administratives par voie électronique.
  Le ministre détermine les possibilités d'utilisation du guichet électronique et les actes qui peuvent être réalisés par voie électronique. Le ministre détermine les actes qui ne peuvent être effectués que via le guichet électronique et, dans ce cas, peut également déterminer les circonstances exceptionnelles dans lesquelles une déclaration sur papier reste possible.
Art. 76. Een e-loketgebruiker krijgt toegang tot het e-loket als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij is meerderjarig en bij de bevoegde entiteit geregistreerd aan de hand van zijn rijksregisternummer of bisnummer voor niet-Belgen;
  2° hij beschikt over een digitale sleutel die de Belgische overheid heeft uitgereikt, en over de nodige infrastructuur om zich op het internet te begeven. Hij logt bij elke aanvraag tot toegang in met zijn eID;
  3° hij verklaart zich akkoord met het gebruikersreglement van het e-loket en verbindt zich ertoe dit gebruikersreglement na te leven. Het voormelde gebruikersreglement kan op elk moment geconsulteerd worden in het e-loket.
  In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder eID: de elektronische identiteitskaart, vermeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten.
  De bevoegde entiteit verleent de e-loketgebruiker toegang tot het e-loket als de e-loketgebruiker voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
Art. 76. Un utilisateur du guichet électronique est autorisé à accéder au guichet électronique s'il remplit toutes les conditions suivantes:
  1° il est majeur et inscrit auprès de l'entité compétente avec son numéro de registre national ou son numéro bis pour les non-Belges;
  2° il dispose d'une clé numérique délivrée par le gouvernement belge et de l'infrastructure nécessaire pour accéder à Internet. Il se connecte avec son Eid à chaque demande d'accès;
  3° il accepte le règlement d'utilisation de l'e-Guichet et s'engage à respecter ce règlement d'utilisation. Le règlement d'utilisation susmentionné peut être consulté à tout moment sur le guichet électronique.
  Au premier alinéa, 2°, on entend par Eid: la carte d'identité électronique visée à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 25 mars 2003 relatif à la carte d'identité.
  L'entité compétente accorde à l'utilisateur du guichet électronique l'accès au guichet électronique si l'utilisateur du guichet électronique remplit les conditions, mentionnées au premier alinéa.
Art. 77. § 1. De bevoegde entiteit stelt digitale invulformulieren en elektronische aanvraagschermen ter beschikking in het e-loket, die de e-loketgebruiker kan invullen en indienen in overeenstemming met de richtlijnen die in die formulieren of aanvraagschermen zijn opgenomen.
  Als datum van een elektronische aangifte geldt het tijdstip van de registratie in de databank die door de bevoegde instantie beheerd wordt en die aan het e-loket gekoppeld is.
  § 2. De bevoegde entiteit stelt aan de e-loketgebruiker in het e-loket de persoonlijke informatie en de bedrijfsinformatie waarvoor hij gevolmachtigd is, ter beschikking voor consultatie en aangifte.
Art. 77. § 1. L'entité compétente met à disposition dans le guichet électronique des formulaires de remplissage numérique et des écrans de demande électronique que l'utilisateur du guichet électronique peut remplir et soumettre conformément aux directives incluses dans ces formulaires ou écrans de demande.
  La date d'une déclaration électronique est le moment de son enregistrement dans la base de données gérée par l'entité compétente et qui est liée au guichet électronique.
  § 2. L'entité compétente met à la disposition de l'utilisateur du guichet électronique dans le guichet électronique les informations personnelles et les informations d'entreprise pour lesquelles il est mandaté à les consulter et à les déclarer.
Art. 78. De aangiften via het e-loket worden elektronisch ondertekend. Voor de toepassing van deze bepaling voldoet aan het vereiste van een elektronische handtekening elke techniek of procedure die op een aantoonbare wijze, die is aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de gegevens waarborgt. De voormelde techniek of procedure wordt door de bevoegde entiteit zelf vastgesteld.
  De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor het beheer, de bewaring en de verwerking van de gegevens die via het e-loket worden verkregen.
  De e-loketgebruiker heeft het recht om inzage te krijgen in de eigen of gevolmachtigde gegevens die via het e-loket worden verwerkt. De e-loketgebruiker heeft het recht om de voormelde gegevens te verbeteren als dat nodig is.
Art. 78. Les déclarations effectuées via le guichet électronique sont signées électroniquement. Aux fins de la présente disposition, toute technique ou procédure qui garantit de manière démontrable, adaptée aux circonstances, l'authenticité et l'intégrité des données, répond à l'exigence d'une signature électronique. La technique ou la procédure susmentionnée est déterminée par l'entité compétente elle-même.
  L'entité compétente est responsable de la gestion, de la conservation et du traitement des données obtenues par le biais du guichet électronique.
  L'utilisateur du guichet électronique a le droit d'accéder à ses propres données ou aux données autorisées traitées par le guichet électronique. L'utilisateur du guichet électronique a le droit de corriger les données susmentionnées si nécessaire.
Art. 79. Als er een tegenstrijdigheid bestaat tussen verrichtingen die uitgevoerd zijn via het e-loket, en verrichtingen die plaatsvinden door papieren formulieren in te dienen, is alleen de verrichting geldig die als eerste bij de bevoegde entiteit is ingediend. De tweede verrichting wordt niet beschouwd als een wijziging van de eerste. In afwijking daarvan is, als beide verrichtingen op dezelfde datum worden ingediend, alleen de verrichting geldig die via het e-loket uitgevoerd is.
Art. 79. S'il y a contradiction entre les transactions effectuées par le guichet électronique et celles effectuées par la soumission de formulaires sur papier, seule la transaction soumise en premier lieu à l'entité compétente est valable. La deuxième transaction n'est pas considérée comme une modification de la première. Par dérogation, si les deux transactions sont soumises à la même date, seule la transaction effectuée via le guichet électronique est valable.
HOOFDSTUK 7. - Controles, sancties en opvolging via monitoring
CHAPITRE 7. - Contrôles, sanctions et suivi par monitoring
Afdeling 1. - Definities en algemene bepalingen
Section 1ère. - Définitions et dispositions générales
Art. 80. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° aangegeven dieren: de dieren waarvoor in het kader van de gekoppelde inkomenssteun een steunaanvraag is ingediend;
  2° areaalgebonden interventies: de areaalgebonden rechtstreekse betalingen;
  3° geconstateerd dier: een dier waarvoor aan alle gestelde voorwaarden die gekoppeld zijn aan het dier, is voldaan;
  4° geconstateerd areaal: het areaal waarvoor aan alle subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen die verband houden met de voorwaarden om de steun te verlenen, is voldaan, ongeacht het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt;
  5° gewasgroep: een groep voor elk van de arealen die worden aangegeven voor de toepassing van een andere areaalgebonden interventie. Als hetzelfde areaal als basis voor een steunaanvraag in het kader van meer dan een areaalgebonden interventie dient, wordt dat areaal voor elk van die regelingen afzonderlijk in aanmerking genomen.
Art. 80. Aux fins du présent chapitre, il est entendu par:
  1° animaux déclarés: les animaux pour lesquels une demande d'aide a été introduite au titre des aides couplées au revenu;
  2° intervention liée à la surface: les paiements directs liés à la surface;
  3° animal constaté: un animal pour lequel toutes les conditions fixées liées à l'animal ont été remplies;
  4° surface constatée: la surface pour laquelle tous les critères d'éligibilité ou autres obligations liées aux conditions d'octroi de l'aide sont remplis, quel que soit le nombre de droits au paiement dont dispose le bénéficiaire;
  5° groupe de cultures: un groupe pour chacune des surfaces déclarées pour l'application d'une autre intervention liée à la surface. Si une même surface sert de base à une demande d'aide au titre de plusieurs interventions liées à la surface, cette surface est considérée séparément pour chacun de ces régimes.
Art. 81. De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor de coördinatie en voor de uitvoering van de controles, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.
  De controles, vermeld in het eerste lid, bestaan uit administratieve controles, uit opvolging door monitoringstechnieken, met inbegrip van het areaalmonitoringssysteem vermeld in artikel 65, lid 4, b), van verordening (EU) 2021/2116 en uit controles ter plaatse.
  De bevoegde entiteit controleert de subsidiabiliteitsvoorwaarden en de conditionaliteitsverplichtingen om de rechtstreekse betalingen te verkrijgen, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan en in verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan, en doet de nodige vaststellingen over de nakoming van de voormelde subsidiabiliteitsvoorwaarden en de conditionaliteitsverplichtingen.[1 De bevoegde entiteit kan de uiteindelijke begunstigden, vermeld in artikel 4, 27° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de landbouwer controleren.]1
  De bevoegde entiteit kan de uitvoering van de controles overdragen aan derden.
  De bevoegde entiteit kan rekening houden met vaststellingen die andere bevoegde autoriteiten gedaan hebben bij de uitoefening van de opdrachten die hun wettelijk zijn toegewezen.
  De minister kan beslissen voor welke controles de gegevens uit de jaarlijkse klantenlisting, zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-plichtige afnemers, gebruikt kunnen worden. De minister kan bepalen op welke wijze dat gebeurt.
  
Art. 81. L'entité compétente est chargée de coordonner et d'effectuer les contrôles visés dans le règlement (UE) 2021/2115, le règlement (UE) 2021/2116 et leurs actes délégués et d'exécution.
  Les contrôles, visés au premier alinéa, consistent en des contrôles administratifs, un suivi par des techniques de monitoring, y compris le système de monitoring des zones visé à l'article 65, alinéa 4, point b), du règlement (UE) 2021/2116 et des contrôles sur place.
  L'entité compétente vérifie les conditions d'éligibilité et les obligations de conditionnalité pour obtenir les paiements directs mentionnés dans le présent arrêté et ses actes d'exécution et dans le règlement (UE) 2021/2115 et le règlement (UE) 2021/2116 et ses actes délégués et d'exécution, et fait les constatations nécessaires sur le respect des conditions d'éligibilité et des obligations de conditionnalité susmentionnées.[1 L'entité compétente peut contrôler les bénéficiaires effectifs, visés à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, de l'agriculteur.]1
  L'entité compétente peut déléguer l'exécution des contrôles à des tiers.
  L'entité compétente peut tenir compte des constatations faites par d'autres autorités compétentes dans l'exécution des tâches qui leur sont légalement assignées.
  Le ministre peut décider pour quels contrôles les données de la liste annuelle des clients, telle que visée dans l'Arrêté Royal n° 23 du 9 décembre 2009 relatif à la liste annuelle des client assujettis à la T.V.A., peuvent être utilisées. Le ministre peut déterminer la manière dont cela se fait.
  
Art. 82. Als de bevoegde entiteit naar aanleiding van een controle vaststelt dat niet voldaan is aan een van de subsidiabiliteitsvoorwaarden vermeld in hoofdstuk 1, afdeling 4, neemt ze die vaststelling op bij de campagne waarvoor de controle is uitgevoerd, en, als de vaststelling daarvoor relevant is, ook bij de drie voorafgaande campagnes.
Art. 82. Si, à la suite d'un contrôle, l'entité compétente constate qu'une des conditions d'éligibilité visées au chapitre 1, section 4, n'est pas remplie, elle inclut cette constatation dans la campagne pour laquelle le contrôle a été effectué et, si la constatation est pertinente pour celle-ci, également dans les trois campagnes précédentes.
Afdeling 2. - Bewijsstukken
Section 2. - Pièces justificatives
Art. 83. De minister kan bepalen over welke bewijsstukken en informatie de landbouwer moet beschikken.
  De bevoegde entiteit kan op elk ogenblik documenten, stukken en informatie, vermeld in het eerste lid, opvragen. In dat geval bezorgt de landbouwer de gevraagde stukken of informatie onmiddellijk aan de bevoegde entiteit.
  De landbouwer houdt alle documenten en bewijsstukken op zijn bedrijf ter beschikking voor controle tot minimaal tien jaar na de laatste uitbetaling.
  Als de landbouwer de gevraagde stukken of informatie niet of niet onmiddellijk bezorgt, of als de stukken of informatie onvolledig of foutief zijn, kan de bevoegde entiteit de steun volledig of gedeeltelijk weigeren.
Art. 83. Le ministre peut déterminer de quelles pièces justificatives et informations l'agriculteur doit disposer.
  L'entité compétente peut demander à tout moment des documents, pièces et informations, mentionnés au premier alinéa. Dans ce cas, l'agriculteur fournit immédiatement les pièces ou informations demandées à l'entité compétente.
  L'agriculteur conserve tous les documents et pièces justificatives disponibles sur son exploitation à des fins de contrôle pendant au moins dix ans après le dernier paiement.
  Si l'agriculteur ne fournit pas les pièces ou informations demandées ou ne les fournit pas immédiatement, ou si les pièces ou informations sont incomplètes ou incorrectes, l'entité compétente peut refuser tout ou partie de l'aide.
Afdeling 3. - Controles ter plaatse
Section 3. . - Contrôles sur place
Art. 84. Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen de aankondiging en de controle wordt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan veertien dagen.
Art. 84. Des contrôles sur place peuvent être annoncés pour autant que cela ne compromette pas leur finalité ou leur efficacité. Le délai entre la notification et le contrôle est limité au minimum nécessaire et n'excède pas 14 jours.
Art. 85. In afwijking van artikel 84 bedraagt de periode tussen de aankondiging en de controle voor controles ter plaatse met betrekking tot de gekoppelde inkomenssteun, behalve in gemotiveerde gevallen, niet meer dan 48 uur.
  Als de regelgeving voor eisen en normen die relevant zijn voor de conditionaliteit, voorschrijft dat controles ter plaatse onaangekondigd moeten worden uitgevoerd, zijn die voorschriften ook van toepassing in geval van controles ter plaatse op de naleving van de conditionaliteit.
Art. 85. Par dérogation à l'article 84, pour les contrôles sur place relatifs aux aides couplées au revenu, le délai entre l'annonce et le contrôle ne dépasse pas 48 heures, sauf dans des cas justifiés.
  Lorsque les règlements relatifs aux exigences et aux normes applicables à la conditionnalité exigent que les contrôles sur place soient inopinés, ces règlements s'appliquent également en cas de contrôles sur place pour la conditionnalité.
Art. 86. De bevoegde entiteit voert de controles ter plaatse uit op basis van een steekproef uit de hele populatie van landbouwers die een aanvraag hebben ingediend.
  Met behoud van toepassing van artikel 83, lid 6, d), iii) van verordening (EU) 2021/2116 bepaalt de bevoegde entiteit de te controleren groep van de totale begunstigden van de interventie of de groep van interventies. Het aantal te controleren begunstigden wordt bepaald op basis van een beoordeling van de grootte van de populatie begunstigden die bekend is op het ogenblik van de uiterste wijzigingsdatum.
Art. 86. L'entité compétente effectue des contrôles sur place sur la base d'un échantillon de l'ensemble de la population des agriculteurs ayant présenté une demande.
  Sans préjudice à l'application de l'article 83, alinéa 6, point d), iii), du règlement (UE) 2021/2116, l'entité compétente détermine le groupe des bénéficiaires totaux de l'intervention ou du groupe d'interventions à contrôler. Le nombre de bénéficiaires à contrôler est déterminé sur la base d'une évaluation de la taille de la population des bénéficiaires connue au moment de la date limite de modification.
Art. 87. Als een subsidiabiliteitsvoorwaarde of conditionaliteitsverplichting opgevolgd wordt via het areaalmonitoringsysteem, vermeld in artikel 65, lid 4, b), van verordening (EU) 2021/2116, verricht de bevoegde entiteit passende follow-upactiviteiten als dat nodig is en om te concluderen of voldaan is aan die voorwaarde of verplichting.
Art. 87. Si une condition d'éligibilité ou une obligation de conditionnalité fait l'objet d'un suivi par le biais du système de monitoring de la surface, mentionné à l'article 65, alinéa 4, point b), du règlement (UE) 2021/2116, l'entité compétente effectue les activités de suivi appropriées, si nécessaire, et afin de conclure si cette condition ou obligation a été remplie.
Afdeling 4. - Administratieve sancties
Section 4. - Sanctions administratives
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1ère. - Dispositions générales
Art. 88. § 1. De bevoegde entiteit bepaalt de administratieve sancties, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan, en past ze toe.
  § 2. In de volgende gevallen kan de bevoegde entiteit een of meer administratieve sancties als vermeld in paragraaf 1, opleggen:
  1° de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend, worden niet nageleefd;
  2° de landbouwer beschikt niet over de vereiste bewijsstukken, die correct en volledig moeten zijn, of bezorgt de gevraagde bewijsstukken of informatie niet of niet onmiddellijk aan de bevoegde entiteit;
  3° de controle wordt verhinderd;
  4° de landbouwer heeft valse informatie verstrekt of kunstmatig voorwaarden gecreëerd om steun te ontvangen;
  5° de steunaanvraag is onvolledig of niet tijdig ingediend;
  6° de aangegeven oppervlakte is groter dan de geconstateerde oppervlakte waardoor er sprake is van overaangifte;
  7° de aangegeven oppervlakte is kleiner dan de geconstateerde oppervlakte;
  8° de landbouwer heeft niet alle percelen die hij in eigen gebruik heeft in dat jaar, aangegeven in de verzamelaanvraag waardoor er sprake is van onderaangifte;
  9° de verzamelaanvraag is niet tijdig ingediend;
  10° het aangegeven aantal dieren is groter dan het geconstateerde aantal dieren;
  11° het aangevraagde subsidiebedrag is hoger dan het bedrag waarop de begunstigde recht heeft.
  § 3. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, kunnen een van de volgende vormen aannemen:
  1° een vermindering van het aan steun uit te keren bedrag, al dan niet beperkt tot de steunvraag waarop de niet-naleving van toepassing is, of op volgende steunaanvragen, van zowel de subsidie waarop de niet-naleving betrekking heeft als van andere subsidies die de betrokken landbouwer van de bevoegde entiteit ontvangt;
  2° de schorsing of intrekking van een goedkeuring, erkenning of toelating;
  3° de uitsluiting van het recht om aan de interventie in kwestie of aan een andere interventie of maatregel deel te nemen, of om de steun voor de interventie te verkrijgen, in het jaar van de vaststelling en in het jaar nadien.
  Als de begunstigde geen recht heeft op de steun en als die steun al is uitbetaald, vordert de bevoegde entiteit de steun die al is uitbetaald, volledig of gedeeltelijk terug.
  De ingevorderde bedragen worden binnen maximaal zestig dagen na het versturen van de invorderingsbrief terugbetaald, waarbij de betalingstermijn wordt opgenomen in de invorderingsbrief.
  De rente over de bedragen, vermeld in het eerste lid, wordt berekend voor de periode tussen de datum waarop de betalingstermijn in de invorderingsbrief, vermeld in het tweede lid, verstrijkt, en de datum van de terugbetaling.
  Voor de berekening van de rente, vermeld in het vierde lid, wordt de wettelijke rentevoet, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest, toegepast.
  § 4. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en staan in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving, conform artikel 59 van verordening (EU) 2021/2116, binnen de volgende grenzen:
  1° het bedrag van de sanctie, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, is niet hoger dan 200% van het bedrag van de steunaanvraag. Als het bedrag van de sanctie meer dan 100% is, kan dat worden verrekend in het kalenderjaar van de vaststelling en in de drie kalenderjaren die daarop volgen. Als dat niet volledig verrekend kan worden, vervalt het saldo dat nog uitstaat;
  2° de schorsing of intrekking vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 2°, beslaat ten hoogste een periode van drie opeenvolgende jaren die in geval van een nieuwe niet-naleving kan worden verlengd.
  Conform artikel 85, lid 5, van verordening (EU) 2021/2116, wordt de ernst van de niet-naleving van de conditionaliteitsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, beoordeeld met inachtname van de mogelijke ernstige gevolgen voor het bereiken van de doelstelling van de eis of norm in kwestie en van het directe risico dat de niet-naleving vormt voor de volksgezondheid of de diergezondheid.
Art. 88. § 1. 'entité compétente détermine les sanctions administratives prévues par le règlement (UE) 2021/2115, le règlement (UE) 2021/2116 et ses actes délégués et d'exécution, et les applique.
  § 2. Dans les cas suivants, l'entité compétente peut imposer une ou plusieurs sanctions administratives, mentionnées au paragraphe 1:
  1° les conditions d'octroi de la subvention ne sont pas respectée;
  2° l'agriculteur ne dispose pas des pièces justificatives requises, qui doivent être correctes et complètes, ou ne fournit pas les pièces justificatives ou les informations demandées à l'entité compétente ou ne les fournit pas immédiatement;
  3° le contrôle est empêché;
  4° l'agriculteur a fourni de fausses informations ou créé artificiellement des conditions pour bénéficier de l'aide;
  5° la demande d'aide est incomplète ou n'a pas été présentée en temps utile;
  6° la surface déclarée est supérieure à la superficie constatée, ce qui entraîne une surdéclaration;
  7° la surface déclarée est inférieure à la surface constatée;
  8° l'agriculteur n'a pas déclaré toutes les parcelles dont il disposait pendant l'année concernée pour son propre usage dans la demande unique, ce qui entraine une sous-déclaration;
  9° la demande unique n'a pas été déclarée en temps utile;
  10° le nombre d'animaux déclaré est supérieur au nombre d'animaux constaté;
  11° le montant de la subvention demandé est supérieur au montant dont le bénéficiaire a droit.
  § 3. Les sanctions administratives, visées au § 1, peuvent prendre une des formes suivantes:
  1° une réduction du montant de l'aide à payer, limitée ou non à la demande d'aide à laquelle se rapporte le non-respect, ou à des demandes d'aide ultérieures, tant de la subvention à laquelle se rapporte le non-respect que d'autres subventions reçues par l'agriculteur concerné de la part de l'entité compétente.
  2° la suspension ou le retrait d'un agrément, d'une reconnaissance ou d'une autorisation;
  3° l'exclusion du droit de participer à l'intervention en question ou à une autre intervention ou mesure, ou d'obtenir l'aide à l'intervention, l'année de la constatation et l'année suivante.
  Si le bénéficiaire n'a pas droit à l'aide et si celle-ci a déjà été versée, l'entité compétente récupère tout ou partie de l'aide déjà versée.
  Les montants recouvrés sont remboursés dans un délai maximum de 60 jours après l'envoi de la lettre de recouvrement, le délai de paiement étant précisé dans la lettre de recouvrement.
  Les intérêts sur les montants, mentionnés au premier alinéa, sont calculés pour la période comprise entre la date d'expiration du délai de paiement de la lettre de recouvrement, mentionnée au deuxième alinéa, et la date de remboursement.
  Pour le calcul des intérêts, mentionnés au quatrième alinéa, le taux d'intérêt légal mentionné à l'article 2 de la loi du 5 mai 1865 sur les prêts à intérêt, est appliqué.
  § 4. Les sanctions administratives, visées au paragraphe 1, sont effectives, proportionnées et dissuasives et sont proportionnées à la gravité, l'étendue, la permanence et la répétition de la non-conformité constatée, conformément à l'article 59 du règlement (UE) 2021/2116, dans les limites suivantes:
  1° le montant de la sanction mentionnée au paragraphe 3, premier alinéa, 1°, ne dépasse pas 200% du montant de la demande d'aide. Si le montant de la sanction dépasse 100%, il peut être compensé dans l'année civile de la constatation et dans les trois années civiles qui suivent. Si ce dernier ne peut pas être compensé en totalité, le solde restant sera perdu;
  2° la suspension ou la révocation visée au paragraphe 3, premier alinéa, 2°, couvre une période maximale de trois années consécutives qui peut être prolongée en cas de nouveau non-respect.
  Conformément à l'article 85, alinéa 5, du règlement (UE) 2021/2116, la gravité du non-respect des conditions de conditionnalité, visées au chapitre 4, est évaluée en tenant compte des conséquences graves possibles pour la réalisation de l'objectif de l'exigence ou de la norme en question et du risque direct que le non-respect constitue pour la santé publique ou la santé animale.
Art. 89. De bevoegde entiteit kan naast de sancties, vermeld in deze onderafdeling, administratieve sancties opleggen conform artikel 56 van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw en visserijbeleid als ze vaststelt dat een of meer verplichtingen, vermeld in dit besluit, niet of niet volledig worden nageleefd.
Art. 89. L'entité compétente peut imposer des sanctions administratives conformément à l'article 56 du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche, en plus des sanctions, mentionnées dans la présente sous-section, si elle constate qu'une ou plusieurs obligations, mentionnées dans le présent arrêté, ne sont pas ou pas entièrement respectées.
Onderafdeling 2. - Administratieve sancties in het kader van de conditionaliteit
Sous-section 2. - Sanctions administratives dans le cadre de la conditionnalité
Art. 90. Ter uitvoering van artikel 84, lid 2, a) van verordening (EU) 2021/2116 zijn de sancties in het kader van de conditionaliteit, opgenomen in diezelfde verordening, ook van toepassing wanneer grond in het betrokken kalenderjaar wordt overgedragen, wanneer de betrokken niet-naleving het gevolg is van een handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de persoon aan wie of door wie de landbouwgrond is overgedragen.
  De in het eerste lid bedoelde sancties worden opgelegd aan de persoon aan wie het handelen of nalaten rechtstreeks kan worden toegeschreven als die persoon steun ontvangt in het kader van de artikel 83, lid 1 van verordening (EU) 2021/2116 bedoelde betalingen.
  In afwijking daarvan, als die persoon geen steun ontvangt in het kader van de artikel 83, lid 1 van verordening (EU) 2021/2116 bedoelde betalingen, worden de sancties opgelegd aan de andere persoon.
Art. 90. En application de l'article 84, alinéa 2, point a), du règlement (UE) 2021/2116, les sanctions dans le cadre de la conditionnalité, prévues au même règlement, s'appliquent également lorsque des terres sont transférées au cours de l'année civile concernée, si la non-conformité en question résulte d'un acte ou d'une omission directement imputable à la personne à laquelle ou par laquelle les terres agricoles ont été transférées.
  Les sanctions, visées au premier alinéa, sont imposées à la personne à laquelle l'acte ou l'omission est directement imputable si elle reçoit une aide au titre des paiements visés à l'article 83, alinéa 1, du règlement (UE) 2021/2116.
  Par dérogation, si cette personne ne bénéficie pas d'une aide au titre des paiements visés à l'article 83, alinéa 1, du règlement (UE) 2021/2116, les sanctions sont imposées à l'autre personne.
Onderafdeling 3. - Berekening van steun en administratieve sancties in het kader van de areaalgebonden regelingen voor rechtstreekse betalingen bij te hoge en te lage aangifte
Sous-section 3. - Calcul de l'aide et des sanctions administratives dans le cadre des régimes de paiements directs liés à la surface en cas de surdéclaration et de sous-déclaration.
Art. 91. § 1. Voor een steunaanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling, de herverdelingsbetaling en, in voorkomend geval, de regeling voor jonge landbouwers geldt het volgende:
  1° als het aangegeven aantal betalingsrechten hoger is dan het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt, worden de aangegeven betalingsrechten verlaagd tot het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt;
  2° als er een verschil tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal bestaat, wordt het aangegeven areaal aangepast aan het kleinste getal.
  Om de steun in het kader van de basisbetalingsregeling te berekenen, wordt uitgegaan van het gemiddelde van de waarden van de verschillende betalingsrechten voor het aangegeven areaal in kwestie.
  § 2. Voor steunaanvragen in het kader van areaalgebonden interventies geldt, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 88, op te leggen, het volgende:
  1° als het geconstateerde areaal van een gewasgroep groter blijkt dan het areaal dat in de steunaanvraag aangegeven is, wordt de steun berekend op basis van het aangegeven areaal;
  2° als het geconstateerde areaal van een gewasgroep kleiner blijkt dan het areaal dat in de steunaanvraag aangegeven is, wordt de steun berekend op basis van het areaal dat voor die gewasgroep geconstateerd is.
  § 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, 2°, wordt, als voor een gewasgroep het areaal dat in het kader van een areaalgebonden interventie is aangegeven, groter is dan het geconstateerde areaal, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 88, op te leggen, het steunbedrag als volgt berekend:
  1° als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 3% of twee hectare is, maar niet meer dan 20% van het geconstateerde areaal is, wordt het steunbedrag berekend op basis van het geconstateerde areaal, dat verlaagd wordt met twee keer het verschil;
  2° als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 20% van het geconstateerde areaal bedraagt, wordt voor de gewasgroep geen areaalgebonden steun verleend;
  3° als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 50% van het geconstateerde areaal bedraagt, wordt bijkomend een sanctie opgelegd, die gelijk is aan het bedrag aan steun dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven areaal en het geconstateerde areaal.
  De extra sanctie, vermeld in het eerste lid, punt 3°, wordt verrekend met alle betalingen waarop de landbouwer recht heeft in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar van de vaststelling. Als het bedrag niet verrekend kan worden, vervalt het.
Art. 91. § 1. Pour une demande d'aide dans le cadre du régime de paiement de base, du paiement de redistribution et, le cas échéant, du régime des jeunes agriculteurs, les dispositions suivantes s'appliquent:
  1° si le nombre de droits au paiement déclarés dépasse le nombre de droits au paiement dont le bénéficiaire dispose, les droits au paiement déclarés sont réduits au nombre de droits au paiement dont le bénéficiaire dispose;
  2° s'il existe une différence entre le nombre de droits au paiement déclarés et la surface déclarée, la surface déclarée est ajustée au chiffre le plus bas.
  Pour calculer l'aide dans le cadre du régime de paiement de base, il convient d'utiliser la moyenne des valeurs des différents droits au paiement pour la superficie déclarée en question.
  § 2. Pour les demandes d'aide dans le cadre des interventions liées à la surface, sans préjudice de la possibilité d'imposer des sanctions administratives supplémentaires telles que mentionnées à l'article 88, les dispositions suivantes s'appliquent:
  1° s'il s'avère que la superficie constatée d'un groupe de cultures est supérieure à la superficie déclarée dans la demande d'aide, l'aide est calculée sur la base de la superficie déclarée;
  2° si la superficie constatée d'un groupe de cultures est inférieure à la superficie indiquée dans la demande d'aide, l'aide est calculée sur la base de la superficie constatée pour ce groupe de cultures.
  § 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, 2°, si, pour un groupe de cultures, la superficie déclarée dans le cadre d'une intervention liée à la superficie dépasse la superficie constatée, sans préjudice de la possibilité d'imposer des sanctions administratives supplémentaires, visées à l'article 88, le montant de l'aide est calculé comme suit:
  1° si la différence entre la superficie constatée et la superficie déclarée est supérieure à 3% ou à deux hectares, mais ne dépasse pas 20% de la superficie constatée, le montant de l'aide est calculé sur la base de la superficie constatée, réduite du double de la différence;
  2° si la différence entre la superficie constatée et la superficie déclarée est supérieure à 20% de la superficie constatée, aucune aide liée à la superficie n'est accordée pour le groupe de cultures;
  3° si la différence entre la superficie constatée et la superficie déclarée est supérieure à 50% de la superficie constatée, une sanction supplémentaire est imposée, égale au montant de l'aide correspondant à la différence entre la superficie déclarée et la superficie constatée.
  La sanction supplémentaire, mentionnée au paragraphe 3, alinéa 1, point 3°, est imputée sur tous les paiements auxquels l'agriculteur a droit au cours des trois années civiles suivant l'année civile de la constatation. Si le montant ne peut être compensé, il est perdu.
Art. 92. In geval van niet-aangifte van alle arealen in de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 88, § 2, 8°, en als het verschil tussen het totale aangegeven areaal enerzijds, en de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van niet-aangegeven percelen anderzijds, groter dan 3% van het aangegeven areaal is, wordt de betaling voor alle areaalgebonden interventies, vermeld in dit besluit, die in dat jaar aan de landbouwer moeten worden betaald, verlaagd afhankelijk van de ernst van het verzuim:
  1° met 3% als het verschil groter dan 20% is;
  2° met 2% als het verschil groter dan 10% is, maar kleiner is dan of gelijk is aan 20%;
  3° met 1% als het verschil groter dan 3% is, maar kleiner is dan of gelijk is aan 10%.
Art. 92. En cas de non-déclaration de toutes les superficies dans la demande unique, visée à l'article 88, § 2, 8°, et si la différence entre la superficie totale déclarée, d'une part, et la somme de la superficie déclarée et de la superficie totale des parcelles non déclarées, d'autre part, est supérieure à 3% de la superficie déclarée, le paiement pour toutes les interventions liées aux superficies, visées dans le présent arrêté, qui doivent être versées à l'agriculteur au cours de l'année en question est réduit en fonction de la gravité de l'omission:
  1° de 3% si la différence est supérieure à 20%;
  2° de 2% si la différence est supérieure à 10% mais inférieure ou égale à 20%;
  3° de 1% si la différence est supérieure à 3% mais inférieure ou égale à 10%.
Onderafdeling 4. - Berekening van steun en administratieve sancties voor gekoppelde inkomenssteun bij te hoge aangifte of niet-naleving van de voorwaarden
Sous-section 4. - Calcul de l'aide et sanctions administratives pour l'aide au revenu couplée en cas de surdéclaration ou de non-respect des conditions
Art. 93. Als het aantal dieren dat in een steunaanvraag in het kader van de gekoppelde inkomenssteun aangegeven is, groter is dan het aantal dat geconstateerd is bij administratieve controles of controles ter plaatse, wordt, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 88, op te leggen, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.
  De dieren die gedurende de campagne zijn overgebracht naar een andere plaats dan de plaats die is aangegeven in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer, worden toch als geconstateerd beschouwd als zij bij de controle ter plaatse onmiddellijk zijn gelokaliseerd op het bedrijf.
Art. 93. Si le nombre d'animaux déclaré dans une demande d'aide dans le cadre de l'aide couplée au revenu est supérieur au nombre d'animaux constaté lors de contrôles administratifs ou sur place, sans préjudice de la possibilité d'imposer des sanctions administratives supplémentaires comme mentionné à l'article 88, l'aide est calculée sur la base du nombre d'animaux constaté.
  Les animaux qui ont été déplacés au cours de la campagne vers un autre lieu que celui indiqué dans la dernière demande unique de l'agriculteur, sont néanmoins considérés comme constatés s'ils ont été immédiatement localisés dans l'entreprise lors du contrôle sur place.
Art. 94. § 1. Als een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen wordt vastgesteld, geldt het volgende:
  1° een dier dat op het bedrijf aanwezig is en waarvan een van de twee identificatiemiddelen kwijtgeraakt of onleesbaar is, wordt als geconstateerd beschouwd als het nog duidelijk en individueel is geïdentificeerd door het tweede identificatiemiddel en alle andere middelen van de identificatie- en registratieregeling, vermeld in het koninklijk besluit van 20 mei 2022;
  2° een enkel dier dat op het bedrijf aanwezig is en waarvan beide identificatiemiddelen kwijtgeraakt of onleesbaar zijn, wordt als geconstateerd beschouwd als het nog duidelijk en individueel kan worden geïdentificeerd door alle andere middelen van de identificatie- en registratieregeling, vermeld in het koninklijk besluit van 20 mei 2022, en de landbouwer kan aantonen dat hij al vóór de aankondiging van de controle ter plaatse actie heeft ondernomen om de situatie te corrigeren;
  3° als het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register of Sanitel, zijnde het geautomatiseerde gegevensbestand, vermeld in artikel 2, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022;
  4° gaat, die evenwel niet van belang zijn voor de naleving van de andere subsidiabiliteitsvoorwaarden in het kader van de maatregel in kwestie, wordt het dier in kwestie alleen als niet geconstateerd beschouwd als die onjuiste vermeldingen bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de dieren in kwestie na de eerste vaststelling als niet geconstateerd beschouwd.
  § 2. Een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen heeft geen gevolg voor de landbouwer, als het gaat om een kennelijke fout die de bevoegde entiteit heeft erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en als de landbouwer te goeder trouw heeft gehandeld.
Art. 94. § 1. Si une non-conformité par rapport au régime d'identification et d'enregistrement des bovins est constatée, les dispositions suivantes s'appliquent:
  1° un animal présent dans l'entreprise dont l'un des deux moyens d'identification a été perdu ou est illisible est considéré comme constaté s'il est encore clairement et individuellement identifié par le deuxième moyen d'identification et d'enregistrement et par tous les autres moyens du régime d'identification et d'enregistrement, mentionné dans l'arrêté royal du 20 mai 2022;
  2° un seul animal présent dans l'entreprise dont les deux moyens d'identification ont été perdus ou sont illisibles est considéré comme constaté s'il peut encore être identifié clairement et individuellement par tous les autres moyens du régime d'identification et d'enregistrement, mentionné dans l'arrêté royal du 20 mai 2022, et si l'agriculteur peut prouver qu'il a déjà pris des mesures pour corriger la situation avant l'annonce du contrôle sur place.
  3° si la non-conformité constatée concerne des inscriptions erronées dans le registre ou Sanitel, étant la base de données informatisée mentionnée à l'article 2, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 20 mai 2022
  4° qui sont toutefois sans importance pour le respect des autres conditions d'éligibilité de la mesure en question, l'animal en question n'est considéré comme non constaté que si ces inscriptions erronées sont trouvées lors d'au moins deux contrôles au cours d'une période de 24 mois. Dans tous les autres cas, l'animal en question est considéré comme non constaté après la première constatation.
  § 2. Une non-conformité au régime d'identification et d'enregistrement des bovins n'a pas de conséquence pour l'agriculteur s'il s'agit d'une erreur manifeste reconnue par l'entité compétente sur base d'une évaluation globale du cas concret et si l'agriculteur a agi de bonne foi.
Art. 95. § 1. Het totale bedrag aan steun waarop de landbouwer in het kader van de gekoppelde inkomenssteun in de campagne in kwestie recht heeft, wordt bepaald op basis van het geconstateerde aantal dieren, op voorwaarde dat bij administratieve controles of controles ter plaatse voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
  1° er zijn niet meer dan drie dieren niet geconstateerd;
  2° de niet-geconstateerde runderen kunnen individueel worden geïdentificeerd aan de hand van middelen die in de identificatie- en registratieregeling voor die dieren vastgesteld zijn.
  § 2. Als er meer dan drie niet-geconstateerde dieren zijn of als de niet-geconstateerde runderen niet individueel geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van middelen die in de identificatie- en registratieregeling voor die dieren vastgesteld zijn, wordt het totale bedrag aan steun waarop de landbouwer voor de campagne in kwestie recht heeft, bepaald op basis van het geconstateerde aantal dieren en verlaagd met:
  1° het percentage, berekend overeenkomstig het tweede lid, als dat niet hoger is dan 20%;
  2° twee keer het percentage, berekend overeenkomstig het tweede lid, als dat hoger dan 20% is, maar niet hoger dan 30% is.
  Het percentage van de verlaging, vermeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het aantal dieren dat als niet geconstateerd wordt beschouwd, gedeeld door het aantal dieren dat is geconstateerd.
  Als het overeenkomstig het tweede lid bepaalde percentage hoger dan 30% is, wordt de steun waarop de landbouwer voor de campagne in kwestie recht zou hebben gehad op grond van de interventie in kwestie niet verleend.
  Als het overeenkomstig het tweede lid bepaalde percentage hoger dan 50% is, wordt de steun waarop de landbouwer voor de campagne in kwestie recht zou hebben gehad op grond van de interventie in kwestie niet verleend. Bovendien wordt aan de landbouwer een extra sanctie opgelegd waarvan de hoogte gelijk is aan het subsidiebedrag voor het aantal dieren dat overeenkomt met het verschil tussen het aantal aangegeven dieren en het geconstateerde aantal dieren. Als dat bedrag niet volledig kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar van de bevinding, vervalt het saldo dat nog uitstaat.
Art. 95. § 1. Le montant total de l'aide à laquelle l'agriculteur a droit au titre du soutien couplé au revenu dans la campagne en question, est déterminé sur la base du nombre d'animaux constaté, pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies lors des contrôles administratifs ou sur place:
  1° pas plus de trois animaux ont été non constatés;
  2° les bovins non constatés peuvent être identifiés individuellement par les moyens prévus par le régime d'identification et d'enregistrement de ces animaux.
  § 2. S'il y a plus de trois animaux non constatés ou si les bovins non constatés ne peuvent pas être identifiés individuellement par les moyens établis dans le régime d'identification et d'enregistrement de ces animaux, le montant total de l'aide à laquelle l'agriculteur a droit pour la campagne en question est déterminé sur la base du nombre d'animaux constaté et réduit de:
  1° le pourcentage, calculé sur la base du deuxième alinéa, s'il n'excède pas 20%;
  2° deux fois le pourcentage, calculé conformément au deuxième alinéa, s'il excède 20% mais non pas 30%.
  Le pourcentage de la réduction, visé au premier alinéa, est calculé comme suit: le nombre qui est considéré comme non constaté, divisé par le nombre d'animaux qui est constaté.
  Si le pourcentage déterminé conformément au deuxième alinéa excède 30%, l'aide à laquelle l'agriculteur aurait droit dans la campagne concernée sur la base de l'intervention concernée, n'est pas accordée.
  Si le pourcentage déterminé conformément au deuxième alinéa excède 50%, l'aide à laquelle l'agriculteur aurait droit dans la campagne concernée sur la base de l'intervention concernée, n'est pas accordée. En outre, une sanction supplémentaire est imposée à l'agriculteur, égale au montant de l'aide pour le nombre d'animaux correspondant à la différence entre le nombre d'animaux déclaré et le nombre d'animaux constaté. Si ce montant ne peut pas être compensé en totalité au cours des trois années civiles suivant l'année civile de la constatation, le solde restant est perdu.
Onderafdeling 5. - Volgorde van de sancties
Sous-section 4. - Ordre des sanctions
Art. 96. § 1. Als bij een landbouwer verschillende administratieve sancties als vermeld in artikel 88 worden toegepast, past de bevoegde entiteit de volgende volgorde toe;
  1° de verlagingen en sancties, vermeld in artikel 91 en in de artikels 94 tot en met 96, worden toegepast in geval van niet naleving;
  2° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 1°, dient als basis voor de berekening van sancties, vermeld in artikel 88, § 3, eerste lid, 1° ;
  3° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 2°, dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 74 moeten worden toegepast in geval van te late indiening;
  4° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 3°, dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 92 moeten worden toegepast in geval van niet-aangifte van landbouwpercelen;
  5° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 4°, dient als basis voor de berekening van de intrekkingen, vermeld in artikel 88, § 3, eerste lid, 2°.
  § 2. Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 1, 5°, dient als basis voor de toepassing van:
  1° de verlagingen van de betalingen vermeld in artikel 16, eerste lid;
  2° het percentage van de lineaire verlaging, vastgesteld overeenkomstig artikel 87, § 1 van verordening (EU) nr. 2021/2115;
  3° het aanpassingspercentage, vermeld in artikel 17 van verordening (EU) nr. 2021/2116.
  § 3. Het bedrag van de betaling dat voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 2 dient als basis voor de berekening van de verlagingen die overeenkomstig artikel 85 van verordening (EU) 2021/2116 en hoofdstuk III van gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 wegens niet-naleving van de conditionaliteitsverplichtingen moeten worden toegepast.
  [1 § 4. Het bedrag van de betaling dat voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 2, wordt gebruikt als basis voor de berekening van de verlagingen, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2021/2116.]1
  
Art. 96. § 1. Si plusieurs sanctions administratives, visées à l'article 88, sont appliquées à un agriculteur, l'entité compétente applique l'ordre suivant:
  1° les réductions et sanctions mentionnées à l'article 91 et aux articles 94 à 96 sont appliquées en cas de non-respect;
  2° le montant résultant de l'application du point 1° sert de base au calcul des sanctions, mentionnées à l'article 88, § 3, alinéa 1er, 1° ;
  3° le montant résultant de l'application du point 2°, sert de base au calcul des réductions qui doivent être appliquées conformément à l'article 74 en cas de dépôt tardif;
  4° le montant résultant de l'application du point 3°, sert de base au calcul des réductions qui doivent être appliquées conformément à l'article 92 en cas de non-déclaration de parcelles agricoles;
  5° le montant résultant de l'application du 4°, sert de base au calcul des prélèvements, visés à l'article 88, § 3, alinéa 1er, 2°.
  § 2. Le montant résultant de l'application du paragraphe 1, 5° sert de base à l'application de:
  1° les réductions de paiements, mentionnées à l'article 16, premier alinéa;
  2° le pourcentage de la réduction linéaire, déterminé conformément à l'article 87, § 1, du règlement (UE) n° 2021/2115;
  3° le pourcentage d'ajustement mentionné à l'article 17 du règlement (UE) n° 2021/2116.
  § 3. Le montant du paiement résultant de l'application du paragraphe 2 sert de base au calcul des réductions à appliquer conformément à l'article 85 du règlement (UE) 2021/2116 et au chapitre III du règlement délégué (UE) 2022/1172 pour le non-respect des obligations de conditionnalité.
  [1 § 4. Le montant du paiement découlant de l'application du paragraphe 2 est utilisé comme base pour le calcul des réductions visées à l'article 89 du règlement (UE) 2021/2116.]1
  
HOOFDSTUK 8. - Bezwaarprocedure
CHAPITRE 8. - Procédure d'objection
Art. 97. § 1. De bevoegde entiteit behandelt bezwaren tegen beslissingen die rechtsgevolgen tot stand brengen ter uitvoering van dit besluit, de uitvoeringsbesluiten ervan, verordening (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.
  § 2. Het bezwaar wordt binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing ingediend bij de bevoegde entiteit, die over het bezwaar beslist. Het bezwaarschrift voldoet aan al de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden:
  1° het wordt op schriftelijke wijze ingediend;
  2° het vermeldt de naam en de woonplaats van de indiener van het bezwaar. Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij een raadsman, wordt dat in het bezwaarschrift aangegeven;
  3° het is ondertekend door de indiener van het bezwaar of zijn raadsman. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  4° het vermeldt het voorwerp van het bezwaar, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten.
  § 3. Als het bezwaar niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het bezwaar onontvankelijk verklaard.
  § 4. De bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger wordt binnen honderdtwintig dagen op de hoogte gebracht van de beslissing van de bevoegde entiteit over het bezwaar. De voormelde termijn wordt gerekend vanaf de dag na de dag waarop de termijn voor de indiening van het bezwaar verstreken is. Tegen de voormelde beslissing staat geen nieuwe bezwaarmogelijkheid open.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, kan één keer verlengd worden met een nieuwe termijn van honderdtwintig dagen die begint op de dag nadat de eerste termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken. De bevoegde entiteit brengt de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger op de hoogte van de voormelde verlenging voor de eerste termijn van honderdtwintig dagen is verstreken en vermeldt de reden of de redenen van de verlenging.
  Als de bevoegde entiteit bij de bezwaarindiener of via derden informatie of bewijzen opvraagt, wordt de termijn van honderdtwintig dagen, vermeld in het eerste lid, geschorst tot op de datum dat de informatie of het bewijs ontvangen is. De bevoegde entiteit meldt de schorsing, die het gevolg is van het inwinnen van informatie of het opvragen van bewijzen bij derden, aan de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de reden van de schorsing. Om het bezwaar te behandelen, kan rekening gehouden worden met informatie die van derden verkregen is.
Art. 97. § 1. L'entité compétente traite les objections aux décisions produisant des effets juridiques en application du présent arrêté, de ses arrêtés d'exécution, du règlement (UE) 2021/2115 et (UE) 2021/2116 et de ses actes délégués et d'exécution.
  § 2. L'objection est présentée dans un délai de 30 jours à compter de la notification de la décision à l'entité compétente, qui décide sur l'objection. L'objection doit remplir toutes les conditions de recevabilité suivantes:
  1° elle est présentée par écrit;
  2° elle indique le nom et le domicile de la personne soumettant l'objection. Si le domicile est choisi par l'intermédiaire d'un conseil, cela doit être indiqué dans l'avis d'objection;
  3° elle est signée par la personne soumettant l'objection ou son conseil. Une autorisation écrite doit être jointe, sauf si le conseil est inscrit en tant qu'avocat ou avocat stagiaire;
  4° elle indique l'objet de l'objection, avec une description des arguments invoqués.
  § 3. Si l'objection ne remplit pas les conditions, visées au paragraphe 2, elle est déclarée irrecevable.
  § 4. La personne soumettant l'objection ou son représentant est informée de la décision de l'entité compétente sur l'objection dans un délai de 120 jours. Le délai susmentionné est compté à partir du jour suivant celui de l'expiration du délai d'objection. Aucune nouvelle objection ne peut être introduite contre la décision susmentionnée.
  Le délai, mentionné au premier alinéa, peut être prolongé une fois d'un nouveau délai de 120 jours à compter du jour suivant l'expiration du premier délai, mentionné au premier alinéa. L'entité compétente notifie à l'opposant ou à son représentant la prolongation susmentionnée avant l'expiration du premier délai de 120 jours et indique le ou les motifs de cette prolongation.
  Si l'entité compétente demande des informations ou des preuves à la personne soumettant l'objection ou par l'intermédiaire de tiers, le délai de 120 jours, visé au premier alinéa, est suspendu jusqu'à la date de réception des informations ou des preuves. L'entité compétente notifie à la personne soumettant l'objection ou à son représentant la suspension résultant de la collecte d'informations ou de preuves auprès de tiers et indique le motif de la suspension. Pour traiter l'objection, des informations obtenues de tiers peuvent être prises en compte.
HOOFDSTUK 9. - Verwerking van persoonsgegevens
CHAPITRE 9. - Traitement des données à caractère personnel
Art. 98. De bevoegde entiteit is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor alle verwerkingen van persoonsgegevens, vermeld in dit besluit en haar uitvoeringsbesluiten.
  Van de volgende categorieën betrokkenen kunnen persoonsgegevens worden verwerkt:
  1° de begunstigden van de rechtstreekse betalingen die worden toegekend op basis van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  2° de personen die de begunstigden, vermeld in punt 1°, kunnen vertegenwoordigen in het e-loket van de bevoegde entiteit.
  De volgende gegevens die direct of indirect gekoppeld zijn aan persoonsgegevens van de categorieën betrokkenen, vermeld in het tweede lid, kunnen voor de uitvoering van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden verwerkt:
  1° identificatiegegevens;
  2° contactgegevens;
  3° financiële gegevens;
  4° btw-gegevens;
  5° gegevens over vorming en onderwijs;
  6° perceelsgegevens;
  7° diergegevens;
  8° lidmaatschappen in ondernemingen.
  De persoonsgegevens, vermeld in het derde lid, worden verwerkt op basis van de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen, vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de voormelde verordening.
  De persoonsgegegevens, vermeld in het derde lid, worden verwerkt voor de volgende doelstellingen:
  1° de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  2° het verlenen van rechtstreekse betalingen aan landbouwers.
Art. 98. L'entité compétente est le responsable de traitement de données, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), pour tous les traitements de données à caractère personnel spécifiés au présent arrêté et ses arrêtés d'exécution.
  Des données personnelles peuvent être traitées des catégories de personnes concernées suivantes:
  1° les bénéficiaires des paiements directs accordés sur la base du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution;
  2° les personnes qui peuvent représenter les bénéficiaires mentionnés au point 1° dans guichet électronique de l'entité compétente.
  Les données suivantes, directement ou indirectement liées aux données personnelles des catégories de personnes concernées, mentionnées au deuxième alinéa, peuvent être traitées pour l'exécution du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution:
  1° données d'identification;
  2° des données de contact;
  3° des données financières;
  4° des données de T.V.A.;
  5° des données sur la formation et l'éducation;
  6° des données de parcelles;
  7° des données d'animaux;
  8° adhésions d'entreprises.
  Les données à caractère personnel, visées au troisième alinéa, sont traitées sur la base de l'exécution d'une mission effectuée dans l'intérêt public ou dans l'exercice de l'autorité publique dont est investi le responsable du traitement, telle que visée à l'article 6, alinéa 1, point e), du règlement précité.
  Les données à caractère personnel, mentionnées au troisième alinéa, sont traitées aux fins suivantes:
  1° la mise en oeuvre de la politique agricole commune;
  2° l'octroi de paiements directs aux agriculteurs.
HOOFDSTUK 9/1. [1 Openbaarmaking]1
CHAPITRE 9/1. [1 Publicité]1
Art. 98/1. [1 De bevoegde entiteit regelt de uitvoering van de verplichting tot openbaarmaking, vermeld in artikel 76/2, eerste lid, 13А, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.]1
Art.98/1. [1 L'entité compétente règle l'exécution de l'obligation de publication, visée à l'article 76/2, alinéa 1er, 13°, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.]1
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Art. 99. Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2022, wordt opgeheven op 1 januari 2023, met uitzondering van artikel 37, § 2/1, eerste tot en met achtste lid, en artikel 41.
Art. 99. L'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs aux agriculteurs dans le cadre des régimes d'aide de la politique agricole commune, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2022, est abrogé le 1er janvier 2023, à l'exception de l'article 37, § 2/1, premier à huitième alinéas, et de l'article 41.
Art. 100. Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals van kracht op 31 december 2022, blijft van toepassing op steunaanvragen die betrekking hebben op de campagnes die voorafgaan aan 1 januari 2023.
Art. 100. L'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux aides directes aux agriculteurs dans le cadre des régimes d'aide de la politique agricole commune, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2022, reste applicable aux demandes d'aide relatives aux campagnes antérieures au 1er janvier 2023.
Art. 101. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2023, met uitzondering van artikel 4, § 2, eerste lid, 5°, waarvan de inwerkingtreding door de minister bepaald wordt.
Art. 101. Le présent arrêté produit ses effets à compter du1er janvier 2023, à l'exception de l'article 4, § 2, premier alinéa, 5°, dont l'entrée en vigueur est déterminée par le ministre.
Art. 102. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 102. Le ministre flamand compétent de l'agriculture est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1.   Bijlage 1. Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 57, § 3
  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
  1° basispakket:
  a) als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  b) als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
  iii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  iv) het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot de inzaai van de volgende teelt;
  v) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  c) als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het behouden van de teelt of van de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
  ii) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  2° keuzepakket bufferstrook voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
  a) het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  b) het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  c) het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  d) het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  3° keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
  b) directe inzaai toepassen;
  c) strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
  d) het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
  e) het aanleggen van drempeltjes of toepassen van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
  4° keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
  b) het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
  De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
  a) de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
  b) eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
  c) de maatregel moet op een akkerbouwperceel, dat de landbouwer zelf gebruikt, aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
  d) enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  5° directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
  6° strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
  7° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
  2. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
  1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking van de bodem bieden:
  a) het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een vrijwillige regeling of beheersverbintenis die gunstig is voor het klimaat, het milieu of het dierenwelzijn, of een overeenkomst gesloten in het kader van het erosiebesluit;
  2° teelten ingezaaid vóór 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  3° teelten ingezaaid na 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) een maatregel toepassen zowel uit het keuzepakket bufferstroken als uit het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  4° meerjarige teelten: er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ofwel een maatregel toepassen uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.
Art. N1.   Annexe 1. Mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'article 57, § 3
  1. Aux fins de la présente annexe, il est entendu par :
  1° paquet de base :
  a) si la culture est récoltée avant le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  b) si la culture est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le travail du sol sans retournement avant le 1er décembre;
  iii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  iv) le maintien d'une couverture du sol par les résidus de culture en cas de mais-grain, choux de Bruxelles et autres variétés de choux jusqu'au semis de l'autre culture;
  v) l'application de pré-labourage d'hiver à des parcelles aux sols argileux et limoneux ;
  c) si la culture n'est pas récoltée au 1er décembre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le maintien des cultures ou les résidus de cultures jusqu'au semis de la prochaine culture ;
  ii) l'application de pré-labourage d'hiver à des parcelles aux sols argileux et limoneux ;
  2° paquet de choix de bandes tampons pour parcelles à vulnérabilité à l'érosion très élevée, au moins une des mesures suivantes :
  a) disposition ou création d'une bande tampon herbeuse d'au moins 9 mètres de large sur une parcelle à pente uniforme, en collaboration avec un planificateur agricole ou un coordinateur de l'érosion ;
  b) disposition ou création d'un corridor herbeux d'au moins 12 mètres de large sur une parcelle comportant un sonk ou une vallée sèche, en collaboration avec un planificateur agricole ou un coordinateur de l'érosion ;
  c) disposition ou création d'une zone herbeuse sur une parcelle à topographie complexe, en collaboration avec un planificateur agricole ou un coordinateur d'érosion ;
  d) disposition ou création d'une digue en matériaux végétaux sur une parcelle à topographie complexe, éventuellement en combinaison avec une bande tampon herbeuse, en collaboration avec un planificateur agricole ou un coordinateur en matière d'érosion ;
  3° paquet de choix de mesures techniques culturales pour les parcelles à vulnérabilité à l'érosion très élevée: mettre en oeuvre au moins une des mesures suivantes :
  a) appliquer un travail du sol sans retournement avant le semis de la culture ;
  b) appliquer le semis direct ;
  c) appliquer le strip-till lors du semis de la culture ;
  d) l'installation de seuils dans les pommes de terre non biologiques. Dans la culture biologique de pommes de terre, le binage et le désherbage sont autorisés comme alternatives aux seuils ;
  e) la création de seuils ou le travail profond du sol pour les cultures de billons autres que les pommes de terre ;
  4° paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion : mettre en oeuvre au moins une des mesures suivantes :
  a) disposition ou création d'une digue en terre tampon avec un bassin d'érosion, éventuellement avec une digue en terre conductrice ;
  b) disposition ou création d'un bassin tampon, éventuellement avec une digue en terre conductrice ;
  Ces mesures sont soumises aux conditions suivantes :
  a) l'aménagement des travaux structurels de lutte contre l'érosion est conforme au code de bonne pratique pour les travaux de lutte contre l'érosion et est obligatoirement coordonnée par un planificateur de l'entreprise ou un coordinateur de l'érosion. La construction de la mesure doit être approuvée par le gouvernement ou exécutée en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 mai 2009 relatif à la lutte contre l'érosion, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2010, ci-après dénommé "arrêté érosion" ;
  b) les travaux structurels de lutte contre l'érosion construits antérieurement sont éligibles après avoir été approuvés par le gouvernement ou construits dans le cadre de l'arrêté sur l'érosion ;
  c) la mesure doit être présente sur une parcelle de terre arable utilisée par l'agriculteur lui-même. Les mesures présentes sur des terrains publics ne sont pas éligibles ;
  d) seule la parcelle sur laquelle la mesure est aménagée est conforme au paquet des travaux structurels de lutte contre l'érosion. Les autres parcelles à partir desquelles l'eau et les sédiments pénètrent dans l'installation tampon ne satisfont pas au paquet structurels des travaux de lutte contre l'érosion ;
  5° semis direct : semis direct dans une couverture de sol suffisante. Afin de créer des conditions de semis favorables, le semis direct permet d'ouvrir et d'émietter le sol avant l'incision des socs de semis. Concrètement, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents travaillant dans la même ligne que le soc semeur et dont la largeur de travail par disque ne dépasse pas 3 cm ;
  6° strip-till : technique consistant à semer la culture sur une bande de terre labourée d'une largeur maximale de 30 cm, tandis que le reste du champ reste non cultivé et présente une couverture de sol adéquate.
  7° seuils: buttages réalisés transversalement entre les billons avec une machine adaptée.
  2. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
  1° des cultures qui assurent une couverture complète du sol tout au long de l'année :
  a) la conversion de prairies permanentes en terres arables est interdite, à l'exception des prairies permanentes établies en application d'un programme volontaire ou d'un engagement de gestion favorable au climat, à l'environnement ou au bien-être des animaux, ou d'un contrat conclu dans le cadre del `arrêté sur l'érosion ;
  2° les cultures semées avant le 1er janvier :
  a) appliquer une mesure du paquet de base
  b) appliquer une mesure soit du paquet de choix de bandes tampons, soit du paquet de choix de mesures techniques culturales, soit du paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  3° les cultures semées après le 1er janvier :
  a) appliquer une mesure du paquet de base
  b) appliquer une mesure figurant à la fois dans le paquet de choix de bandes tampons et dans le paquet de choix de mesures techniques culturales, ou une mesure figurant dans le paquet de choix des travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  4° cultures permanentes : veiller à ce qu'au moins 80% du sol soit couvert par la combinaison de la culture elle-même d'une part, et de l'herbe de l'autre, ou d'une autre couverture de sol perméable à l'eau entre les rangs, ou appliquer une mesure du paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion.
Art. N2.   Bijlage 2. Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 57, § 4
  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
  1° basispakket:
  a) als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  b) als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
  iii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  iv) het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot de inzaai van de volgende teelt;
  v) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  c) als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het behouden van de teelt of de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
  ii) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  2° keuzepakket bufferstrook voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
  a) het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling;
  b) het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei;
  c) het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  d) het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  3° keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
  b) directe inzaai toepassen;
  c) strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
  d) zaaien volgens de hoogtelijnen bij andere dan ruggenteelten;
  e) het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
  f) het aanleggen van drempeltjes of uitvoeren van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
  g) de kopakkers inzaaien met gras in de groeifase van de teelt.
  4° keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
  b) het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
  De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
  a) de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
  b) eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
  c) de maatregel moet op een akkerbouwperceel dat de landbouwer zelf gebruikt aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
  d) enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  5° directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
  6° strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
  7° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
  2. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
  1° teelten ingezaaid vóór 1 januari: ofwel een maatregel toepassen onder a) ofwel onder b)
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) minstens één maatregel toepassen uit een van de volgende keuzepakketten:
  i) het keuzepakket bufferstroken;
  ii) het keuzepakket teeltechnische maatregelen;
  iii) het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  2° teelten ingezaaid na 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken. Indien een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken wordt toegepast, is het toepassen van een maatregel onder a) niet verplicht;
  3° meerjarige teelten: ofwel een maatregel toepassen van a) ofwel van b):
  a) er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
  b) minstens één maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.
Art. N2.   Annexe 2. Mesures de lutte contre l'érosion, telles que visées à l'article 57, § 4.
  1. Aux fins de la présente annexe, il est entendu par :
  1° paquet de base :
  a) si la culture est récoltée avant le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  b) si la culture est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le travail du sol sans retournement avant le 1er décembre ;
  iii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  iv) le maintien d'une couverture du sol par les résidus de culture en cas de mais-grain, choux de Bruxelles et autres variétés de choux jusqu'au semis de l'autre culture;
  v) l'application de pré-labourage d'hiver à des parcelles aux sols argileux et limoneux ;
  c) si la culture n'est pas récoltée avant le 1er décembre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le maintien des cultures ou les résidus de cultures jusqu'au semis de la prochaine culture ;
  ii) l'application de pré-labourage d'hiver à des parcelles aux sols argileux et limoneux ;
  2° paquet de choix de bandes tampons pour parcelles à vulnérabilité à l'érosion très élevée, au moins une des mesures suivantes :
  a) disposition ou création d'une bande tampon herbeuse d'au moins 9 mètres de large sur une parcelle à pente uniforme;
  b) disposition ou création d'un corridor herbeux d'au moins 12 mètres de large sur une parcelle comportant un sonk ou une vallée sèche;
  c) disposition ou création d'une zone herbeuse sur une parcelle à topographie complexe;
  d) disposition ou création d'une digue en matériaux végétaux sur une parcelle à topographie complexe, éventuellement en combinaison avec une bande tampon herbeuse, en collaboration avec un planificateur agricole ou un coordinateur en matière d'érosion ;
  3° paquet de choix e mesures techniques culturales pour les parcelles à vulnérabilité à l'érosion très élevée: mettre en oeuvre au moins une des mesures suivantes :
  a) appliquer un travail du sol sans retournement avant le semis de la culture ;
  b) appliquer le semis direct ;
  c) appliquer le strip-till lors du semis de la culture ;
  d) le semis selon les courbes de niveau en cas de cultures autres que les cultures de billons ;
  e) l'installation de seuils dans les pommes de terre non biologiques. Dans la culture biologique de pommes de terre, le binage et le désherbage sont autorisés comme alternatives aux seuils ;
  f) la création de seuils ou le travail profond du sol pour les cultures de billons autres que les pommes de terre ;
  g) Semer de l'herbe dans les fourrières pendant la phase de croissance de la culture.
  4° paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion : mettre en oeuvre au moins une des mesures suivantes :
  a) disposition ou création d'une digue en terre tampon avec un bassin d'érosion, éventuellement avec une digue en terre conductrice ;
  b) disposition ou création d'un bassin tampon, éventuellement avec une digue en terre conductrice ;
  Ces mesures sont soumises aux conditions suivantes :
  a) l'aménagement des travaux structurels de lutte contre l'érosion est conforme au code de bonne pratique pour les travaux de lutte contre l'érosion et est obligatoirement coordonnée par un planificateur de l'entreprise ou un coordinateur de l'érosion. La construction de la mesure doit être approuvée par le gouvernement ou exécutée en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 mai 2009 relatif à la lutte contre l'érosion, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2010, ci-après dénommé "arrêté érosion" ;
  b) les travaux structurels de lutte contre l'érosion construits antérieurement sont éligibles après avoir été approuvés par le gouvernement ou construits dans le cadre de l'arrêté sur l'érosion ;
  c) la mesure doit être présente sur une parcelle de terre arable utilisée par l'agriculteur lui-même. Les mesures présentes sur des terrains publics ne sont pas éligibles ;
  d) seule la parcelle sur laquelle la mesure est aménagée est conforme le paquet des travaux structurels de lutte contre l'érosion. Les autres parcelles à partir desquelles l'eau et les sédiments pénètrent dans l'installation tampon ne satisfont pas au paquet structurels des travaux de lutte contre l'érosion ;
  5° semis direct : semis direct dans une couverture de sol suffisante. Afin de créer des conditions de semis favorables, le semis direct permet d'ouvrir et d'émietter le sol avant l'incision des socs de semis. Concrètement, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents travaillant dans la même ligne que le soc semeur et dont la largeur de travail par disque ne dépasse pas 3 cm ;
  6° strip-till : technique consistant à semer la culture sur une bande de terre labourée d'une largeur maximale de 30 cm, tandis que le reste du champ reste non cultivé et présente une couverture de sol adéquate.
  7° seuils: buttages réalisés transversalement entre les billons avec une machine adaptée.
  2. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
  1° des cultures semées avant le 1er janvier : ou bien appliquer une mesure sous a), ou bien sous b)
  a) appliquer une mesure du paquet de base
  b) appliquer une mesure soit du paquet de choix bandes tampons, soit du paquet de choix mesures techniques culturales, soit le paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion. Si une mesure du paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion est appliquée, l'application d'une mesure sous a), n'est pas obligatoire ;
  3° cultures pérennes : appliquer une mesure soit sous a), soit sous b) :
  a) cultures permanentes : veiller à ce qu'au moins 80% du sol soit couvert par la combinaison de la culture elle-même d'une part, et de l'herbe de l'autre, ou d'une autre couverture de sol perméable à l'eau entre les rangs ;
  b) appliquer au moins une mesure soit du paquet de choix de bandes tampons, soit du paquet de choix de travaux structurels de lutte contre l'érosion.