Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 JANUARI 2023. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten inzake tijdskrediet, thematische verloven en loopbaanonderbreking
Titre
26 JANVIER 2023. - Arrêté royal modifiant divers arrêtés royaux en matière de crédit-temps, de congés thématiques et d'interruption de carrière
Documentinformatie
Numac: 2023040169
Datum: 2023-01-26
Info du document
Numac: 2023040169
Date: 2023-01-26
Tekst (13)
Texte (13)
Artikel 1. In artikel 8, § 2bis, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 mei 2019, wordt het tweede lid opgeheven.
Article 1er. Dans l'article 8, § 2bis, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, inséré par l'arrêté royal du 10 août 1998 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 5 mai 2019, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.2. In artikel 4quinquies van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juni 1999, vervangen bij het koninklijk besluit van 3 september 2012 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 18 juli 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven;
3° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven.
1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven;
3° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven.
Art.2. A l'article 4quinquies de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, inséré par l'arrêté royal du 4 juin 1999, remplacé par l'arrêté royal du 3 septembre 2012 et modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 3 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est abrogé.
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 3 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est abrogé.
Art.3. In artikel 13 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, laatstelijk gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.3. Dans l'article 13 de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, modifié en dernier lieu par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.4. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 31 augustus 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 425,31 euro." opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 212,65 euro." opgeheven;
3° in paragraaf 5, wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
"Voor de werknemer die een tijdskrediet opneemt voor de zorg van zijn kind in toepassing van artikel 5, § 2, tweede lid, wordt deze anciënniteitsvoorwaarde op ten minste 36 maanden gebracht.";
4° tussen paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidende:
" § 5/1. De onderbrekingsuitkeringen worden toegekend aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties volledig schorst, in toepassing van artikel 5, voor zover hij hetzij voltijds is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever, hetzij in een deeltijdse arbeidsregeling is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 24 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever.
De onderbrekingsuitkeringen worden toegekend aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert tot een halftijdse betrekking, in toepassing van artikel 5, voor zover hij voltijds is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever.
Voor de berekening van de 12 of 24 maanden bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de bepalingen van artikel 11, paragrafen 1 tot 3, van de CAO nr. 103 van toepassing.".
1° in paragraaf 2 wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 425,31 euro." opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 212,65 euro." opgeheven;
3° in paragraaf 5, wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
"Voor de werknemer die een tijdskrediet opneemt voor de zorg van zijn kind in toepassing van artikel 5, § 2, tweede lid, wordt deze anciënniteitsvoorwaarde op ten minste 36 maanden gebracht.";
4° tussen paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidende:
" § 5/1. De onderbrekingsuitkeringen worden toegekend aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties volledig schorst, in toepassing van artikel 5, voor zover hij hetzij voltijds is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever, hetzij in een deeltijdse arbeidsregeling is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 24 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever.
De onderbrekingsuitkeringen worden toegekend aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert tot een halftijdse betrekking, in toepassing van artikel 5, voor zover hij voltijds is tewerkgesteld in de onderneming gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever.
Voor de berekening van de 12 of 24 maanden bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de bepalingen van artikel 11, paragrafen 1 tot 3, van de CAO nr. 103 van toepassing.".
Art.4. A l'article 4 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 pris en exécution du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie concernant le système du crédit-temps, la diminution de carrière et la réduction des prestations de travail à mi-temps, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 31 août 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, la phrase " Quand le travailleur à temps plein a été lié par un contrat de travail avec son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 425,31 euros. " est abrogée ;
2° dans le paragraphe 3, la phrase " Quand le travailleur à temps plein a été lié par un contrat de travail avec son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 212,65 euros. " est abrogée ;
3° dans le paragraphe 5, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
" Pour le travailleur qui prend un crédit-temps pour prendre soin de son enfant en application de l'article 5, § 2, alinéa 2, cette condition d'ancienneté est portée à au moins 36 mois. " ;
4° un paragraphe 5/1 rédigé comme suit est inséré entre le paragraphe 5 et le paragraphe 6 :
" § 5/1. Les allocations d'interruption sont octroyées au travailleur qui suspend complètement ses prestations de travail, en application de l'article 5, pour autant qu'il soit occupé dans l'entreprise, soit à temps plein pendant les 12 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur, soit dans un régime à temps partiel pendant les 24 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur.
Les allocations d'interruption sont octroyées au travailleur qui diminue à un mi-temps ses prestations de travail, en application de l'article 5, pour autant qu'il soit occupé dans l'entreprise à temps plein pendant les 12 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur.
Pour le calcul des 12 ou 24 mois visés aux alinéas 1er et 2, les dispositions de l'article 11, §§ 1er à 3, de la CCT n° 103 sont applicables. ".
1° dans le paragraphe 2, la phrase " Quand le travailleur à temps plein a été lié par un contrat de travail avec son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 425,31 euros. " est abrogée ;
2° dans le paragraphe 3, la phrase " Quand le travailleur à temps plein a été lié par un contrat de travail avec son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 212,65 euros. " est abrogée ;
3° dans le paragraphe 5, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
" Pour le travailleur qui prend un crédit-temps pour prendre soin de son enfant en application de l'article 5, § 2, alinéa 2, cette condition d'ancienneté est portée à au moins 36 mois. " ;
4° un paragraphe 5/1 rédigé comme suit est inséré entre le paragraphe 5 et le paragraphe 6 :
" § 5/1. Les allocations d'interruption sont octroyées au travailleur qui suspend complètement ses prestations de travail, en application de l'article 5, pour autant qu'il soit occupé dans l'entreprise, soit à temps plein pendant les 12 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur, soit dans un régime à temps partiel pendant les 24 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur.
Les allocations d'interruption sont octroyées au travailleur qui diminue à un mi-temps ses prestations de travail, en application de l'article 5, pour autant qu'il soit occupé dans l'entreprise à temps plein pendant les 12 mois qui précèdent l'avertissement écrit à l'employeur.
Pour le calcul des 12 ou 24 mois visés aux alinéas 1er et 2, les dispositions de l'article 11, §§ 1er à 3, de la CCT n° 103 sont applicables. ".
Art.5. In artikel 5, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit, hersteld bij het koninklijk besluit van 30 december 2014 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 22 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder a) wordt opgeheven;
2° na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Bij opname van een voltijds tijdskrediet wordt een recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend gedurende maximaal 48 maanden voor de werknemers die hun arbeidsprestaties volledig schorsen om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van 5 jaar. Bij opname van een halftijds of een vijfde tijdskrediet wordt een recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend gedurende maximaal 48 maanden aan de werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen tot een halftijdse betrekking of verminderen met een vijfde om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van acht jaar. In geval van adoptie kan de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties aanvangen vanaf de inschrijving in het bevolkings- of het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn woonplaats heeft. De periode waarvoor de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties werd gevraagd of de periode van verlenging moet aanvangen voor het tijdstip waarop het kind voormelde leeftijd van vijf of acht jaar bereikt.".
1° de bepaling onder a) wordt opgeheven;
2° na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Bij opname van een voltijds tijdskrediet wordt een recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend gedurende maximaal 48 maanden voor de werknemers die hun arbeidsprestaties volledig schorsen om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van 5 jaar. Bij opname van een halftijds of een vijfde tijdskrediet wordt een recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend gedurende maximaal 48 maanden aan de werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen tot een halftijdse betrekking of verminderen met een vijfde om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van acht jaar. In geval van adoptie kan de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties aanvangen vanaf de inschrijving in het bevolkings- of het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn woonplaats heeft. De periode waarvoor de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties werd gevraagd of de periode van verlenging moet aanvangen voor het tijdstip waarop het kind voormelde leeftijd van vijf of acht jaar bereikt.".
Art.5. A l'article 5, § 2, du même arrêté royal, rétabli par l'arrêté royal du 30 décembre 2014 et modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 22 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le a) est abrogé ;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré après l'alinéa 1er :
" En cas de prise d'un crédit-temps à temps-plein, un droit aux allocations d'interruption de 48 mois maximum est accordé aux travailleurs qui suspendent complètement leurs prestations de travail pour prendre soin de leur enfant jusqu'à l'âge de 5 ans. En cas de prise d'un crédit-temps à mi-temps ou à un cinquième, un droit aux allocations d'interruption de 48 mois maximum est accordé aux travailleurs qui diminuent leurs prestations de travail à mi-temps ou d'un cinquième pour prendre soin de leur enfant jusqu'à l'âge de 8 ans. En cas d'adoption, la suspension ou la diminution des prestations de travail peut commencer à partir de l'inscription au registre de la population ou des étrangers de la commune où le travailleur est domicilié. La période de suspension ou diminution des prestations de travail demandée ou la période de prolongation doit débuter avant le moment où l'enfant atteint l'âge de cinq ans ou de huit ans visé ci-avant. ".
1° le a) est abrogé ;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré après l'alinéa 1er :
" En cas de prise d'un crédit-temps à temps-plein, un droit aux allocations d'interruption de 48 mois maximum est accordé aux travailleurs qui suspendent complètement leurs prestations de travail pour prendre soin de leur enfant jusqu'à l'âge de 5 ans. En cas de prise d'un crédit-temps à mi-temps ou à un cinquième, un droit aux allocations d'interruption de 48 mois maximum est accordé aux travailleurs qui diminuent leurs prestations de travail à mi-temps ou d'un cinquième pour prendre soin de leur enfant jusqu'à l'âge de 8 ans. En cas d'adoption, la suspension ou la diminution des prestations de travail peut commencer à partir de l'inscription au registre de la population ou des étrangers de la commune où le travailleur est domicilié. La période de suspension ou diminution des prestations de travail demandée ou la période de prolongation doit débuter avant le moment où l'enfant atteint l'âge de cinq ans ou de huit ans visé ci-avant. ".
Art.6. In artikel 6/3, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 mei 2017 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 juni 2017 en 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft worden de bedrag van 86,32 en 116,08 euro vervangen door 129,48 euro" opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft wordt dit bedrag van 254,46 euro vervangen door 343,04 euro" opgeheven;
3° in de bepaling onder 4° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft worden de bedragen van 43,16 en 58,04 euro vervangen door 64,74 euro." opgeheven.
1° in de bepaling onder 1° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft worden de bedrag van 86,32 en 116,08 euro vervangen door 129,48 euro" opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft wordt dit bedrag van 254,46 euro vervangen door 343,04 euro" opgeheven;
3° in de bepaling onder 4° wordt de zin "Voor de werknemer die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft worden de bedragen van 43,16 en 58,04 euro vervangen door 64,74 euro." opgeheven.
Art.6. A l'article 6/3, § 1er, du même arrêté royal, inséré par l'arrêté royal du 23 mai 2017 et modifié par les arrêtés royaux des 14 juin 2017 et 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le 1°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, les montants de 86,32 et 116,08 euros sont remplacés par 129,48 euros " est abrogée ;
2° dans le 2°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, le montant de 254,46 euros est remplacé par 343,04 euros " est abrogée ;
3° dans le 4°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, les montants de 43,16 et 58,04 euros sont remplacés par 64,74 euros " est abrogée.
1° dans le 1°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, les montants de 86,32 et 116,08 euros sont remplacés par 129,48 euros " est abrogée ;
2° dans le 2°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, le montant de 254,46 euros est remplacé par 343,04 euros " est abrogée ;
3° dans le 4°, la phrase " Pour le travailleur qui a atteint l'âge de 50 ans, les montants de 43,16 et 58,04 euros sont remplacés par 64,74 euros " est abrogée.
Art.7. In het koninklijk besluit van 10 juni 2002 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van de overheidsbedrijven die in toepassing van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bestuursautonomie verkregen hebben, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in artikel 7, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2017, wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar tewerkgesteld is geweest bij zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 425,31 euro." opgeheven;
2° in artikel 8, § 1, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2017, wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar tewerkgesteld is geweest bij zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 212,65 euro." opgeheven;
3° in artikel 14, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2005, 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
1° in artikel 7, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2017, wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar tewerkgesteld is geweest bij zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 425,31 euro." opgeheven;
2° in artikel 8, § 1, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2017, wordt de zin "Wanneer de voltijdse werknemer gedurende minstens vijf jaar tewerkgesteld is geweest bij zijn werkgever wordt dit bedrag verhoogd tot 212,65 euro." opgeheven;
3° in artikel 14, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2005, 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.7. A l'arrêté royal du 10 juin 2002 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel des entreprises publiques qui ont obtenu une autonomie de gestion en application de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'article 7, alinéa 1er, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2017, la phrase " Lorsque le travailleur à temps plein a été occupé chez son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 425,31 euros. " est abrogée ;
2° dans l'article 8, § 1er, alinéa 1er, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2017, la phrase " Lorsque le travailleur à temps plein a été occupé chez son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 212,65 euros. " est abrogée ;
3° dans l'article 14, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 2005, 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
1° dans l'article 7, alinéa 1er, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2017, la phrase " Lorsque le travailleur à temps plein a été occupé chez son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 425,31 euros. " est abrogée ;
2° dans l'article 8, § 1er, alinéa 1er, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2017, la phrase " Lorsque le travailleur à temps plein a été occupé chez son employeur pendant au moins cinq ans, ce montant est augmenté à 212,65 euros. " est abrogée ;
3° dans l'article 14, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 2005, 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.8. In artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 november 2009 houdende toekenning aan de personeelsleden van de Belgische Technische Coöperatie van het recht op ouderschapsverlof en loopbaanonderbreking voor het verlenen van bijstand aan een zwaar ziek gezins- of familielid, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.8. Dans l'article 9 de l'arrêté royal du 16 novembre 2009 accordant au personnel de la Coopération technique belge le droit au congé parental et à l'interruption de carrière pour l'assistance à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.9. In artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 april 2013 houdende toekenning aan de personeelsleden van de Cel voor Financiële Informatieverwerking van het recht op ouderschapsverlof en loopbaanonderbreking voor het verlenen van bijstand aan een zwaar ziek gezins- of familielid, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.9. Dans l'article 9 de l'arrêté royal du 29 avril 2013 accordant au personnel de la Cellule de Traitement des Informations financières le droit au congé parental et à l'interruption de carrière pour l'assistance à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.10. In artikel 20 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 houdende toekenning van het recht op ouderschapsverlof en verlof voor het verlenen van bijstand aan een zwaar ziek gezins- of familielid aan bepaalde werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 5 mei 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.10. Dans l'article 20 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 accordant le droit au congé parental et au congé pour l'assistance à un membre du ménage ou de la famille gravement malade à certains travailleurs, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 5 mai 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.11. In artikel 11 van het koninklijk besluit van 12 mei 2014 houdende toekenning aan de contractuele personeelsleden van de Ombudsdienst voor Energie van het recht op ouderschapsverlof en loopbaanonderbreking voor het verlenen van bijstand aan een zwaar ziek gezins- of familielid, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 23 mei 2017 en 18 juli 2019, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art.11. Dans l'article 11 de l'arrêté royal du 12 mai 2014 accordant au membre du personnel contractuel du Service de médiation de l'Energie le droit au congé parental et à l'interruption de carrière pour l'assistance à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 2017 et 18 juillet 2019, le paragraphe 3 est abrogé.
Art.12. Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2023, met uitzondering van artikel 4, 3°, dat in werking treedt op 1 juni 2023.
Dit besluit is van toepassing op de aanvragen die bij de werkgever worden ingediend vanaf de in het eerste lid bedoelde datum van inwerkingtreding.
De verlaging van de maximumperiode voor de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen van 51 naar 48 maanden, als bedoeld in artikel 5, 2°, is ook van toepassing op de tijdskredieten met motief voor de zorg van zijn kind tot de leeftijd van acht jaar die uiterlijk op 31 januari 2023 zijn aangevangen, voor zover de werknemer op 1 februari 2023 minder dan 30 maanden tijdskrediet voor de zorg van zijn kind tot de leeftijd van 8 jaar heeft opgenomen.
De werknemers bedoeld in het derde lid hebben het recht om de bij de werkgever aangevraagde periode van tijdskrediet voor de zorg van hun kind tot de leeftijd van 8 jaar in te korten met het aantal maanden waarvoor zij ingevolge het derde lid geen recht op onderbrekingsuitkeringen zullen hebben. De werkgever kan deze vroegtijdige eenzijdige beëindiging van het betrokken tijdskrediet niet weigeren.
Dit besluit is van toepassing op de aanvragen die bij de werkgever worden ingediend vanaf de in het eerste lid bedoelde datum van inwerkingtreding.
De verlaging van de maximumperiode voor de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen van 51 naar 48 maanden, als bedoeld in artikel 5, 2°, is ook van toepassing op de tijdskredieten met motief voor de zorg van zijn kind tot de leeftijd van acht jaar die uiterlijk op 31 januari 2023 zijn aangevangen, voor zover de werknemer op 1 februari 2023 minder dan 30 maanden tijdskrediet voor de zorg van zijn kind tot de leeftijd van 8 jaar heeft opgenomen.
De werknemers bedoeld in het derde lid hebben het recht om de bij de werkgever aangevraagde periode van tijdskrediet voor de zorg van hun kind tot de leeftijd van 8 jaar in te korten met het aantal maanden waarvoor zij ingevolge het derde lid geen recht op onderbrekingsuitkeringen zullen hebben. De werkgever kan deze vroegtijdige eenzijdige beëindiging van het betrokken tijdskrediet niet weigeren.
Art.12. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er février 2023, à l'exception de l'article 4, 3°, qui entre en vigueur le 1er juin 2023.
Le présent arrêté s'applique aux demandes introduites auprès de l'employeur à partir de la date d'entrée en vigueur visée à l'alinéa 1er.
La réduction de 51 à 48 mois de la période maximale pour l'octroi des allocations d'interruption, visée à l'article 5, 2°, est également applicable aux crédits-temps pour le motif de soins à son enfant jusqu'à l'âge de 8 ans qui ont débuté au plus tard le 31 janvier 2023, pour autant que, au 1er février 2023, le travailleur ait pris moins de 30 mois de crédit-temps pour soins à son enfant jusqu'à l'âge de 8 ans.
Les travailleurs visés à l'alinéa 3 ont le droit de réduire la période de crédit-temps demandée à l'employeur pour soins à leur enfant jusqu'à l'âge de 8 ans à concurrence du nombre de mois pour lequel ils n'auront pas droit aux allocations d'interruption en vertu de l'alinéa 3. L'employeur ne peut pas refuser cette fin anticipée et unilatérale du crédit-temps en question.
Le présent arrêté s'applique aux demandes introduites auprès de l'employeur à partir de la date d'entrée en vigueur visée à l'alinéa 1er.
La réduction de 51 à 48 mois de la période maximale pour l'octroi des allocations d'interruption, visée à l'article 5, 2°, est également applicable aux crédits-temps pour le motif de soins à son enfant jusqu'à l'âge de 8 ans qui ont débuté au plus tard le 31 janvier 2023, pour autant que, au 1er février 2023, le travailleur ait pris moins de 30 mois de crédit-temps pour soins à son enfant jusqu'à l'âge de 8 ans.
Les travailleurs visés à l'alinéa 3 ont le droit de réduire la période de crédit-temps demandée à l'employeur pour soins à leur enfant jusqu'à l'âge de 8 ans à concurrence du nombre de mois pour lequel ils n'auront pas droit aux allocations d'interruption en vertu de l'alinéa 3. L'employeur ne peut pas refuser cette fin anticipée et unilatérale du crédit-temps en question.
Art. 13. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Financiën, belast met de Nationale Loterij, de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking, de minister bevoegd voor Justitie, de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, de minister bevoegd voor Energie, de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post en de minister bevoegd voor Mobiliteit, belast met Skeyes en de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen, zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Finances dans ses attributions, chargé de la Loterie nationale, la ministre qui a la Coopération au développement dans ses attributions, le ministre qui a la Justice dans ses attributions, la ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, la ministre qui a l'Energie dans ses attributions, la ministre qui a la Fonction publique, les Entreprises publiques, les Télécommunications et la Poste dans ses attributions, le ministre qui a la Mobilité dans ses attributions, chargé de Skeyes et de la Société nationale des chemins de fer belges, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.