Art. 1.1. Bronnen
Onverminderd de bijzondere wetten, de gewoonte en de algemene rechtsbeginselen regelt dit Wetboek het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht. Het is van algemene toepassing onder voorbehoud van de regels die eigen zijn aan de uitoefening van het openbaar gezag.
De gebruiken zijn slechts bron van recht indien de wet of het contract daarnaar verwijst.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 APRIL 2022. - BURGERLIJK WETBOEK - BOEK 1. : "Algemene bepalingen" (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-07-2022 en tekstbijwerking tot 27-12-2023)
Titre
28 AVRIL 2022. - CODE CIVIL - LIVRE 1er : " Dispositions générales " (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-07-2022 et mise à jour au 27-12-2023)
Documentinformatie
Numac: 2022A32057
Datum: 2022-04-28
Info du document
Numac: 2022A32057
Date: 2022-04-28
Inhoud
Inhoud
Tekst (14)
Texte (14)
Boek 1.
Livre 1er
Algemene bepalingen
Dispositions générales
Art. 1.1. Sources
Sans préjudice des lois particulières, de la coutume et des principes généraux du droit, le présent Code régit le droit civil, et plus largement le droit privé. Il s'applique en toutes matières, sous réserve des règles propres à l'exercice de la puissance publique.
Les usages ne sont une source de droit que si la loi ou le contrat s'y réfère.
Sans préjudice des lois particulières, de la coutume et des principes généraux du droit, le présent Code régit le droit civil, et plus largement le droit privé. Il s'applique en toutes matières, sous réserve des règles propres à l'exercice de la puissance publique.
Les usages ne sont une source de droit que si la loi ou le contrat s'y réfère.
Art. 1.2. Toepassing van de wet in de tijd
De wet beschikt alleen voor de toekomst. Zij heeft geen terugwerkende kracht tenzij dit noodzakelijk is voor een doelstelling van algemeen belang.
Behoudens andersluidende bepaling, is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten. De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.
De wet beschikt alleen voor de toekomst. Zij heeft geen terugwerkende kracht tenzij dit noodzakelijk is voor een doelstelling van algemeen belang.
Behoudens andersluidende bepaling, is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten. De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.
Art. 1.2. Application de la loi dans le temps
La loi ne dispose que pour l'avenir. Elle n'a pas d'effet rétroactif à moins que cela ne soit indispensable à la réalisation d'un objectif d'intérêt général.
Sauf disposition contraire, la loi nouvelle est applicable non seulement aux situations nées après son entrée en vigueur, mais aussi aux effets futurs de situations nées sous l'empire de la loi ancienne qui se produisent ou perdurent sous la loi nouvelle, pour autant qu'il ne soit pas ainsi porté atteinte à des droits déjà irrévocablement fixés.
Par dérogation à l'alinéa 2, la loi ancienne reste applicable aux contrats conclus sous l'empire de cette loi, sauf si la loi nouvelle est d'ordre public ou impérative ou si elle prescrit son application aux contrats en cours. Néanmoins, la validité du contrat demeure régie par la loi applicable au moment de sa conclusion.
La loi ne dispose que pour l'avenir. Elle n'a pas d'effet rétroactif à moins que cela ne soit indispensable à la réalisation d'un objectif d'intérêt général.
Sauf disposition contraire, la loi nouvelle est applicable non seulement aux situations nées après son entrée en vigueur, mais aussi aux effets futurs de situations nées sous l'empire de la loi ancienne qui se produisent ou perdurent sous la loi nouvelle, pour autant qu'il ne soit pas ainsi porté atteinte à des droits déjà irrévocablement fixés.
Par dérogation à l'alinéa 2, la loi ancienne reste applicable aux contrats conclus sous l'empire de cette loi, sauf si la loi nouvelle est d'ordre public ou impérative ou si elle prescrit son application aux contrats en cours. Néanmoins, la validité du contrat demeure régie par la loi applicable au moment de sa conclusion.
Art. 1.3. Rechtshandeling
De rechtshandeling is de wilsuiting waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan.
Tenzij de wet anders beschikt, heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon rechtsbekwaamheid en handelingsbekwaamheid.
Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde, noch van de regels van dwingend recht.
Is van openbare orde de rechtsregel die de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, zoals de economische orde, de morele orde, de sociale orde of de orde van het leefmilieu.
Is van dwingend recht de rechtsregel die is vastgesteld ter bescherming van een partij die door de wet als zwakker wordt gehouden.
De rechtshandeling is de wilsuiting waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan.
Tenzij de wet anders beschikt, heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon rechtsbekwaamheid en handelingsbekwaamheid.
Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde, noch van de regels van dwingend recht.
Is van openbare orde de rechtsregel die de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, zoals de economische orde, de morele orde, de sociale orde of de orde van het leefmilieu.
Is van dwingend recht de rechtsregel die is vastgesteld ter bescherming van een partij die door de wet als zwakker wordt gehouden.
Art. 1.3. Acte juridique
L'acte juridique est la manifestation de volonté par laquelle une ou plusieurs personnes ont l'intention de faire naître des effets de droit.
Sauf disposition légale contraire, toute personne, physique ou morale, possède la capacité de jouissance et la capacité d'exercice.
On ne peut déroger à l'ordre public ni aux règles impératives.
Est d'ordre public la règle de droit qui touche aux intérêts essentiels de l'Etat ou de la collectivité, ou qui fixe, dans le droit privé, les bases juridiques sur lesquelles repose la société, telles que l'ordre économique, moral, social ou environnemental.
Est impérative la règle de droit édictée pour la protection d'une partie réputée plus faible par la loi.
L'acte juridique est la manifestation de volonté par laquelle une ou plusieurs personnes ont l'intention de faire naître des effets de droit.
Sauf disposition légale contraire, toute personne, physique ou morale, possède la capacité de jouissance et la capacité d'exercice.
On ne peut déroger à l'ordre public ni aux règles impératives.
Est d'ordre public la règle de droit qui touche aux intérêts essentiels de l'Etat ou de la collectivité, ou qui fixe, dans le droit privé, les bases juridiques sur lesquelles repose la société, telles que l'ordre économique, moral, social ou environnemental.
Est impérative la règle de droit édictée pour la protection d'une partie réputée plus faible par la loi.
Art. 1.4. Wilsuiting
De wilsuiting is uitdrukkelijk of stilzwijgend.
De wilsuiting is mededelingsplichtig wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt.
De wilsuiting is uitdrukkelijk of stilzwijgend.
De wilsuiting is mededelingsplichtig wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt.
Art. 1.4. Manifestation de volonté
La manifestation de volonté est expresse ou tacite.
La manifestation de volonté est réceptice lorsqu'elle doit parvenir à une personne déterminée pour produire ses effets. Elle peut être retirée aussi longtemps qu'elle n'est pas parvenue au destinataire.
La manifestation de volonté est expresse ou tacite.
La manifestation de volonté est réceptice lorsqu'elle doit parvenir à une personne déterminée pour produire ses effets. Elle peut être retirée aussi longtemps qu'elle n'est pas parvenue au destinataire.
Art. 1.5. Kennisgeving
De kennisgeving is de mededeling van een beslissing of een feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen.
De kennisgeving bereikt de bestemmeling wanneer deze ervan kennisneemt of er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen.
De kennisgeving langs elektronische weg verricht, bereikt de bestemmeling hetzij wanneer deze ervan kennis neemt, hetzij wanneer deze er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen voor zover dat, in die laatste hypothese, die bestemmeling voorafgaandelijk het gebruik heeft aanvaard van het elektronisch adres of van een ander elektronisch communicatiemiddel dat de persoon die de kennisgeving verricht, heeft aangewend.
De kennisgeving is de mededeling van een beslissing of een feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen.
De kennisgeving bereikt de bestemmeling wanneer deze ervan kennisneemt of er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen.
De kennisgeving langs elektronische weg verricht, bereikt de bestemmeling hetzij wanneer deze ervan kennis neemt, hetzij wanneer deze er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen voor zover dat, in die laatste hypothese, die bestemmeling voorafgaandelijk het gebruik heeft aanvaard van het elektronisch adres of van een ander elektronisch communicatiemiddel dat de persoon die de kennisgeving verricht, heeft aangewend.
Art. 1.5. Notification
La notification est la communication d'une décision ou d'un fait par une personne à une ou plusieurs personnes déterminées.
La notification parvient au destinataire lorsque celui-ci en prend connaissance ou aurait raisonnablement pu en prendre connaissance.
La notification accomplie par voie électronique parvient au destinataire soit lorsque celui-ci en prend connaissance, soit lorsqu'il aurait raisonnablement pu en prendre connaissance pour autant que, dans cette dernière hypothèse, ce destinataire ait préalablement accepté l'utilisation de l'adresse électronique ou d'un autre mode de communication électronique auquel l'auteur de la notification a eu recours.
La notification est la communication d'une décision ou d'un fait par une personne à une ou plusieurs personnes déterminées.
La notification parvient au destinataire lorsque celui-ci en prend connaissance ou aurait raisonnablement pu en prendre connaissance.
La notification accomplie par voie électronique parvient au destinataire soit lorsque celui-ci en prend connaissance, soit lorsqu'il aurait raisonnablement pu en prendre connaissance pour autant que, dans cette dernière hypothèse, ce destinataire ait préalablement accepté l'utilisation de l'adresse électronique ou d'un autre mode de communication électronique auquel l'auteur de la notification a eu recours.
Art. 1.6. Tijdsbepaling en voorwaarde
Tenzij de wet of haar aard zich daartegen verzet, kunnen de gevolgen van een rechtshandeling aan een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verbonden.
Tenzij de wet of haar aard zich daartegen verzet, kunnen de gevolgen van een rechtshandeling aan een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verbonden.
Art. 1.6. Terme et condition
A moins que la loi ou sa nature s'y oppose, les effets d'un acte juridique peuvent être affectés d'un terme ou d'une condition.
A moins que la loi ou sa nature s'y oppose, les effets d'un acte juridique peuvent être affectés d'un terme ou d'une condition.
Art. 1.7. Berekening termijnen
§ 1. Een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn begint de dag na de gebeurtenis of handeling die ertoe leidt, te lopen.
§ 2. Een in uren omschreven termijn begint onmiddellijk te lopen.
§ 3. Wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen zijn in de termijnen begrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven.
Werkdagen zijn alle andere dagen dan wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen.
§ 4. Indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn waarbinnen een behaalde prestatie of mededeling moet worden verricht, een wettelijke feestdag, een zondag of een zaterdag is, dan loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag.
Deze paragraaf is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend.
§ 5. Elke termijn van twee of meer dagen bevat ten minste twee werkdagen.
§ 6. Onder een semester wordt een periode van zes maanden verstaan, onder een trimester een periode van drie maanden en onder een halve maand een periode van vijftien dagen.
Indien een periode wordt bepaald in maanden of jaren die niet aansluitend moeten zijn, wordt de maand geteld als dertig dagen en het jaar als 365 dagen.
§ 7. Dit artikel is van toepassing tenzij de wet of een rechtshandeling anders bepaalt.
§ 1. Een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn begint de dag na de gebeurtenis of handeling die ertoe leidt, te lopen.
§ 2. Een in uren omschreven termijn begint onmiddellijk te lopen.
§ 3. Wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen zijn in de termijnen begrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven.
Werkdagen zijn alle andere dagen dan wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen.
§ 4. Indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn waarbinnen een behaalde prestatie of mededeling moet worden verricht, een wettelijke feestdag, een zondag of een zaterdag is, dan loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag.
Deze paragraaf is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend.
§ 5. Elke termijn van twee of meer dagen bevat ten minste twee werkdagen.
§ 6. Onder een semester wordt een periode van zes maanden verstaan, onder een trimester een periode van drie maanden en onder een halve maand een periode van vijftien dagen.
Indien een periode wordt bepaald in maanden of jaren die niet aansluitend moeten zijn, wordt de maand geteld als dertig dagen en het jaar als 365 dagen.
§ 7. Dit artikel is van toepassing tenzij de wet of een rechtshandeling anders bepaalt.
Art. 1.7. Calcul des délais
§ 1er. Un délai exprimé en jours, en semaines, en mois ou en années commence à courir le lendemain de l'événement ou de l'acte qui lui donne naissance.
§ 2. Un délai exprimé en heures commence à courir immédiatement.
§ 3. Les délais comprennent les jours fériés [1 légaux]1, les dimanches et les samedis sauf si ceux-ci en sont expressément exclus ou si les délais sont exprimés en jours ouvrables.
Les jours ouvrables sont tous les jours autres que les jours fériés légaux, dimanches et samedis.
§ 4. Si le dernier jour d'un délai exprimé autrement qu'en heures pour l'accomplissement d'une prestation ou d'une communication est un jour férié [1 légal]1, un dimanche ou un samedi, le délai prend fin à l'expiration de la dernière heure du jour ouvrable suivant.
Ce paragraphe ne s'applique pas aux délais calculés rétroactivement à partir d'une date ou d'un événement déterminé.
§ 5. Tout délai de deux jours ou plus comporte au moins deux jours ouvrables.
§ 6. Un semestre signifie une période de six mois, un trimestre une période de trois mois et un demi-mois une période de quinze jours.
Si une période est déterminée en mois ou années qui ne doivent pas être consécutifs, le mois est compté comme trente jours et l'année comme 365 jours.
§ 7. Le présent article s'applique en l'absence de disposition légale ou d'acte juridique contraire.
§ 1er. Un délai exprimé en jours, en semaines, en mois ou en années commence à courir le lendemain de l'événement ou de l'acte qui lui donne naissance.
§ 2. Un délai exprimé en heures commence à courir immédiatement.
§ 3. Les délais comprennent les jours fériés [1 légaux]1, les dimanches et les samedis sauf si ceux-ci en sont expressément exclus ou si les délais sont exprimés en jours ouvrables.
Les jours ouvrables sont tous les jours autres que les jours fériés légaux, dimanches et samedis.
§ 4. Si le dernier jour d'un délai exprimé autrement qu'en heures pour l'accomplissement d'une prestation ou d'une communication est un jour férié [1 légal]1, un dimanche ou un samedi, le délai prend fin à l'expiration de la dernière heure du jour ouvrable suivant.
Ce paragraphe ne s'applique pas aux délais calculés rétroactivement à partir d'une date ou d'un événement déterminé.
§ 5. Tout délai de deux jours ou plus comporte au moins deux jours ouvrables.
§ 6. Un semestre signifie une période de six mois, un trimestre une période de trois mois et un demi-mois une période de quinze jours.
Si une période est déterminée en mois ou années qui ne doivent pas être consécutifs, le mois est compté comme trente jours et l'année comme 365 jours.
§ 7. Le présent article s'applique en l'absence de disposition légale ou d'acte juridique contraire.
Wijzigingen
Art. 1.8. Vertegenwoordiging
§ 1. Er is sprake van vertegenwoordiging wanneer een persoon de bevoegdheid heeft om voor rekening van een ander een rechtshandeling met een derde te verrichten.
De vertegenwoordiging is onmiddellijk of volkomen wanneer de vertegenwoordiger de rechtshandeling verricht in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde persoon.
Zij is middellijk of onvolkomen wanneer de vertegenwoordiger die handeling in eigen naam verricht, maar voor rekening van de vertegenwoordigde persoon.
§ 2. Vertegenwoordiging vindt haar oorsprong in een rechtshandeling, een gerechtelijke beslissing of de wet.
§ 3. In geval van onmiddellijke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de vertegenwoordigde en de derde.
In geval van middellijke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de laatstgenoemde en de derde.
§ 4. In geval van onmiddellijke vertegenwoordiging, indien de vertegenwoordiger een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, verbindt de rechtshandeling de vertegenwoordigde niet ten aanzien van derden, behalve als hij deze bekrachtigt.
De bekrachtiging werkt terug tot op de datum waarop de rechtshandeling is verricht, onverminderd de door derden verkregen rechten.
§ 5. De vertegenwoordigde is eveneens gebonden door de rechtshandeling verricht door een onbevoegde vertegenwoordiger indien de schijn van een toereikende bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen. De schijn is toerekenbaar aan de vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe [1 heeft]1 bijgedragen de schijn te wekken of in stand te houden.
§ 6. Wie voor rekening van een ander rechtshandelingen moet verrichten, mag niet optreden als tegenpartij van die andere noch in geval van een belangenconflict. Een dergelijke rechtshandeling is nietig, tenzij de vertegenwoordigde hiermee uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd.
§ 1. Er is sprake van vertegenwoordiging wanneer een persoon de bevoegdheid heeft om voor rekening van een ander een rechtshandeling met een derde te verrichten.
De vertegenwoordiging is onmiddellijk of volkomen wanneer de vertegenwoordiger de rechtshandeling verricht in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde persoon.
Zij is middellijk of onvolkomen wanneer de vertegenwoordiger die handeling in eigen naam verricht, maar voor rekening van de vertegenwoordigde persoon.
§ 2. Vertegenwoordiging vindt haar oorsprong in een rechtshandeling, een gerechtelijke beslissing of de wet.
§ 3. In geval van onmiddellijke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de vertegenwoordigde en de derde.
In geval van middellijke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de laatstgenoemde en de derde.
§ 4. In geval van onmiddellijke vertegenwoordiging, indien de vertegenwoordiger een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, verbindt de rechtshandeling de vertegenwoordigde niet ten aanzien van derden, behalve als hij deze bekrachtigt.
De bekrachtiging werkt terug tot op de datum waarop de rechtshandeling is verricht, onverminderd de door derden verkregen rechten.
§ 5. De vertegenwoordigde is eveneens gebonden door de rechtshandeling verricht door een onbevoegde vertegenwoordiger indien de schijn van een toereikende bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen. De schijn is toerekenbaar aan de vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe [1 heeft]1 bijgedragen de schijn te wekken of in stand te houden.
§ 6. Wie voor rekening van een ander rechtshandelingen moet verrichten, mag niet optreden als tegenpartij van die andere noch in geval van een belangenconflict. Een dergelijke rechtshandeling is nietig, tenzij de vertegenwoordigde hiermee uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd.
Art. 1.8. Représentation
§ 1er. Il y a représentation lorsqu'une personne est habilitée à accomplir un acte juridique avec un tiers pour le compte d'une autre personne.
La représentation est immédiate ou parfaite lorsque le représentant accomplit l'acte juridique au nom et pour le compte de la personne représentée.
La représentation est médiate ou imparfaite lorsque le représentant accomplit cet acte en son propre nom, mais pour le compte de la personne représentée.
§ 2. La représentation trouve sa source dans un acte juridique, une décision de justice ou la loi.
§ 3. En cas de représentation immédiate, l'acte juridique accompli par le représentant produit ses effets entre le représenté et le tiers.
En cas de représentation médiate, l'acte juridique accompli par le représentant produit ses effets entre ce dernier et le tiers.
§ 4. En cas de représentation immédiate, si le représentant excède ses pouvoirs, l'acte juridique ne lie pas le représenté à l'égard des tiers, sauf s'il le ratifie.
La ratification rétroagit à la date à laquelle l'acte juridique a été accompli, sans préjudice des droits acquis par les tiers.
§ 5. Le représenté est également lié par l'acte juridique accompli par un représentant sans pouvoir si l'apparence d'un pouvoir suffisant lui est imputable et si le tiers pouvait raisonnablement tenir pour vraie cette apparence dans les circonstances données. L'apparence est imputable au représenté si celui-ci a librement, par ses déclarations ou son comportement, même non fautifs, contribué à créer ou à entretenir l'apparence.
§ 6. Quiconque doit accomplir des actes juridiques pour le compte d'autrui ne peut se porter contrepartie de celui-ci ni intervenir en cas de conflit d'intérêts. Un tel acte juridique est nul à moins que le représenté y ait expressément ou tacitement consenti.
§ 1er. Il y a représentation lorsqu'une personne est habilitée à accomplir un acte juridique avec un tiers pour le compte d'une autre personne.
La représentation est immédiate ou parfaite lorsque le représentant accomplit l'acte juridique au nom et pour le compte de la personne représentée.
La représentation est médiate ou imparfaite lorsque le représentant accomplit cet acte en son propre nom, mais pour le compte de la personne représentée.
§ 2. La représentation trouve sa source dans un acte juridique, une décision de justice ou la loi.
§ 3. En cas de représentation immédiate, l'acte juridique accompli par le représentant produit ses effets entre le représenté et le tiers.
En cas de représentation médiate, l'acte juridique accompli par le représentant produit ses effets entre ce dernier et le tiers.
§ 4. En cas de représentation immédiate, si le représentant excède ses pouvoirs, l'acte juridique ne lie pas le représenté à l'égard des tiers, sauf s'il le ratifie.
La ratification rétroagit à la date à laquelle l'acte juridique a été accompli, sans préjudice des droits acquis par les tiers.
§ 5. Le représenté est également lié par l'acte juridique accompli par un représentant sans pouvoir si l'apparence d'un pouvoir suffisant lui est imputable et si le tiers pouvait raisonnablement tenir pour vraie cette apparence dans les circonstances données. L'apparence est imputable au représenté si celui-ci a librement, par ses déclarations ou son comportement, même non fautifs, contribué à créer ou à entretenir l'apparence.
§ 6. Quiconque doit accomplir des actes juridiques pour le compte d'autrui ne peut se porter contrepartie de celui-ci ni intervenir en cas de conflit d'intérêts. Un tel acte juridique est nul à moins que le représenté y ait expressément ou tacitement consenti.
Art. 1.9. Subjectieve goede trouw
De goede trouw wordt vermoed.
Een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen.
De goede trouw wordt vermoed.
Een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen.
Art. 1.9. Bonne foi subjective
La bonne foi est présumée.
Une personne est de mauvaise foi, lorsqu'elle connaît les faits ou l'acte juridique auxquels doit se rapporter sa bonne foi ou lorsqu'elle aurait dû les connaître, eu égard aux circonstances concrètes.
La bonne foi est présumée.
Une personne est de mauvaise foi, lorsqu'elle connaît les faits ou l'acte juridique auxquels doit se rapporter sa bonne foi ou lorsqu'elle aurait dû les connaître, eu égard aux circonstances concrètes.
Art. 1.10. Rechtsmisbruik
Niemand mag misbruik maken van zijn recht.
Wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, maakt misbruik van zijn recht.
De sanctie voor een dergelijk misbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend.
Niemand mag misbruik maken van zijn recht.
Wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, maakt misbruik van zijn recht.
De sanctie voor een dergelijk misbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend.
Art. 1.10. Abus de droit
Nul ne peut abuser de son droit.
Commet un abus de droit celui qui l'exerce d'une manière qui dépasse manifestement les limites de l'exercice normal de ce droit par une personne prudente et raisonnable placée dans les mêmes circonstances.
La sanction d'un tel abus consiste en la réduction du droit à son usage normal, sans préjudice de la réparation du dommage que l'abus a causé.
Nul ne peut abuser de son droit.
Commet un abus de droit celui qui l'exerce d'une manière qui dépasse manifestement les limites de l'exercice normal de ce droit par une personne prudente et raisonnable placée dans les mêmes circonstances.
La sanction d'un tel abus consiste en la réduction du droit à son usage normal, sans préjudice de la réparation du dommage que l'abus a causé.
Art. 1.11. Oogmerk om te schaden
De opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen.
De opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen.
Art. 1.11. Intention de nuire
La faute intentionnelle, commise dans le but de nuire ou de réaliser un gain, ne peut procurer d'avantage à son auteur.
La faute intentionnelle, commise dans le but de nuire ou de réaliser un gain, ne peut procurer d'avantage à son auteur.
Art. 1.12. Afstand van recht
Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.".
Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.".
Art. 1.12. Renonciation à un droit
La renonciation à un droit ne se présume pas. Elle ne peut se déduire que de faits ou d'actes qui ne sont pas susceptibles d'une autre interprétation.".
La renonciation à un droit ne se présume pas. Elle ne peut se déduire que de faits ou d'actes qui ne sont pas susceptibles d'une autre interprétation.".