Artikel 1. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, wordt de bepaling onder 7°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 mei 1982, vervangen als volgt:
"7° het bewijs dat op de dag van de aanvraag de waarborgsom bedoeld in artikel 14, gevestigd werd in de voorwaarden bepaald in artikel 16.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 NOVEMBER 2022. - Koninklijk besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving
Titre
13 NOVEMBRE 2022. - Arrêté royal portant exécution de certaines dispositions de l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 modifiant la législation sur les accidents du travail
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (64)
Texte (64)
Afdeling I. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
Section Ière. - Modifications à l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail
Article 1er. Article 1er. Dans l'article 4 de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, le 7°, modifié par l'arrêté royal du 18 mai 1982, est remplacé par ce qui suit :
" 7° la preuve qu'à la date de la demande le cautionnement visé à l'article 14 a été constitué selon les conditions de l'article 16. ".
" 7° la preuve qu'à la date de la demande le cautionnement visé à l'article 14 a été constitué selon les conditions de l'article 16. ".
Art. 2. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "de reserve, bedoeld bij artikel 20, eerste lid, 3°" vervangen door de woorden "de voorlopige wiskundige reserve";
2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "artikel 4, 7°" vervangen door de woorden "artikel l4";
3° in het tweede lid worden de woorden "bedoeld bij 1°" opgeheven.
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "de reserve, bedoeld bij artikel 20, eerste lid, 3°" vervangen door de woorden "de voorlopige wiskundige reserve";
2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "artikel 4, 7°" vervangen door de woorden "artikel l4";
3° in het tweede lid worden de woorden "bedoeld bij 1°" opgeheven.
Art. 2. A l'article 6 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " la réserve, visée par l'article 20, alinéa 1er, 3° " sont remplacés par les mots " la réserve mathématique provisoire ";
2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots " article 4, 7° " sont remplacés par les mots " article 14 ";
3° dans l'alinéa 2, les mots " mentionné au 1° " sont abrogés.
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " la réserve, visée par l'article 20, alinéa 1er, 3° " sont remplacés par les mots " la réserve mathématique provisoire ";
2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots " article 4, 7° " sont remplacés par les mots " article 14 ";
3° dans l'alinéa 2, les mots " mentionné au 1° " sont abrogés.
Art. 3. Artikel 6bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 mei 1982, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Indien op de datum van de aanvraag bedoeld in de artikelen 2 en 3, de evolutie van de inflatie en de opbrengstvoet van de waarden bedoeld in artikel 23, van dien aard zijn dat het waarborgen van de indexering van de jaarlijkse toelagen en renten in het gedrang te brengen, kan de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Beheerscomité van het Fonds, bijkomende voorwaarden opleggen aan de verzekeraar.".
"Indien op de datum van de aanvraag bedoeld in de artikelen 2 en 3, de evolutie van de inflatie en de opbrengstvoet van de waarden bedoeld in artikel 23, van dien aard zijn dat het waarborgen van de indexering van de jaarlijkse toelagen en renten in het gedrang te brengen, kan de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Beheerscomité van het Fonds, bijkomende voorwaarden opleggen aan de verzekeraar.".
Art. 3. L'article 6bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 18 mai 1982, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si, à la date de la demande visée aux articles 2 et 3, l'évolution de l'inflation et le taux de rendement des valeurs visées à l'article 23 sont de nature à compromettre la garantie de l'indexation des allocations annuelles et rentes, le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions peut, après avis du Comité de gestion du Fonds, imposer à l'assureur des conditions supplémentaires. ".
" Si, à la date de la demande visée aux articles 2 et 3, l'évolution de l'inflation et le taux de rendement des valeurs visées à l'article 23 sont de nature à compromettre la garantie de l'indexation des allocations annuelles et rentes, le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions peut, après avis du Comité de gestion du Fonds, imposer à l'assureur des conditions supplémentaires. ".
Art. 4. Artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 februari 1980, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor die tak worden de wetten bedoeld in artikel 58, § 1, 9°, van de wet van elkaar onderscheiden.".
"Voor die tak worden de wetten bedoeld in artikel 58, § 1, 9°, van de wet van elkaar onderscheiden.".
Art. 4. L'article 8, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 12 février 1980, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Au sein de cette branche, on fait la distinction entre les lois visées à l'article 58, § 1er, 9°, de la loi. ".
" Au sein de cette branche, on fait la distinction entre les lois visées à l'article 58, § 1er, 9°, de la loi. ".
Art. 5. In artikel 8 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 3 vervangen als volgt:
" § 3. De verzekeraar of de instelling met rentedienst houdt een afzonderlijk beheer voor de renten.".
" § 3. De verzekeraar of de instelling met rentedienst houdt een afzonderlijk beheer voor de renten.".
Art. 5. Dans l'article 8 du même arrêté, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. L'assureur ou l'organisme chargé du service des rentes établit une gestion distincte pour ce service. ".
" § 3. L'assureur ou l'organisme chargé du service des rentes établit une gestion distincte pour ce service. ".
Art. 6. In artikel 10, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "wettelijke arbeidsongevallenverzekering" vervangen door de woorden "de arbeidsongevallenverzekeringen bedoeld in artikel 58, § 1, 9°, van de wet".
Art. 6. Dans l'article 10, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " d'assurance légale contre les accidents du travail " sont remplacés par les mots " d'assurances contre les accidents du travail visées à l'article 58, § 1er, 9°, de la loi ".
Art. 7. In artikel 11 van hetzelfde besluit wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "met inbegrip van de voorziene graad van blijvende arbeidsongeschiktheid".
Art. 7. Dans l'article 11 du même arrêté, le 4° est complété par les mots " y compris le taux prévu d'incapacité permanente de travail ".
Art. 8. In artikel 12 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De verzekeraar stuurt aan de Minister uiterlijk op 31 december van ieder jaar twee exemplaren van de door hem toegepaste normale tarieven en een derde eksemplaren aan het Fonds.".
"De verzekeraar stuurt aan de Minister uiterlijk op 31 december van ieder jaar twee exemplaren van de door hem toegepaste normale tarieven en een derde eksemplaren aan het Fonds.".
Art. 8. Dans l'article 12 du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'assureur transmet au Ministre, au plus tard au 31 décembre de chaque année, deux exemplaires des tarifs normaux qu'il applique et en fait parvenir un troisième exemplaire au Fonds. ".
" L'assureur transmet au Ministre, au plus tard au 31 décembre de chaque année, deux exemplaires des tarifs normaux qu'il applique et en fait parvenir un troisième exemplaire au Fonds. ".
Art. 9. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 14. De waarborgsom bedoeld in artikel 4, 7°, bedraagt vijftien miljoen frank en geldt tot het einde van het dienstjaar waarin de machtiging wordt verleend.
De waarborgsom van vijf miljoen frank bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt in aanmerking genomen voor de samenstelling van de waarborgsom, bedoeld in het eerste lid.".
"Art. 14. De waarborgsom bedoeld in artikel 4, 7°, bedraagt vijftien miljoen frank en geldt tot het einde van het dienstjaar waarin de machtiging wordt verleend.
De waarborgsom van vijf miljoen frank bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt in aanmerking genomen voor de samenstelling van de waarborgsom, bedoeld in het eerste lid.".
Art. 9. L'article 14 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. Le cautionnement visé à l'article 4, 7°, s'élève à 15 millions de francs et vaut jusqu'à la fin de l'exercice au cours duquel l'agrément a été accordé.
Le cautionnement de 5 millions de francs visé à l'article 6, alinéa 3, est pris en considération pour la composition du cautionnement visé à l'alinéa premier. ".
" Art. 14. Le cautionnement visé à l'article 4, 7°, s'élève à 15 millions de francs et vaut jusqu'à la fin de l'exercice au cours duquel l'agrément a été accordé.
Le cautionnement de 5 millions de francs visé à l'article 6, alinéa 3, est pris en considération pour la composition du cautionnement visé à l'alinéa premier. ".
Art. 10. In artikel 15 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 18 mei 1982, worden de woorden "tien" en "vijftig" respectievelijk vervangen door de woorden "vijftien" en "vijfenvijftig".
Art. 10. Dans l'article 15 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 18 mai 1982, les mots " dix " et " cinquante " sont remplacés respectivement par les mots " quinze " et " cinquante-cinq ".
Art. 11. Artikel 15 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 18 mei 1982, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de verzekeraar gemachtigd voor de rentedienst die de waarborgsom van 10 miljoen frank bedoeld in artikel 6, tweede lid, gevestigd heeft, worden de bedragen bedoeld in het eerste lid vastgesteld op twintig miljoen en zestig miljoen frank.".
"Voor de verzekeraar gemachtigd voor de rentedienst die de waarborgsom van 10 miljoen frank bedoeld in artikel 6, tweede lid, gevestigd heeft, worden de bedragen bedoeld in het eerste lid vastgesteld op twintig miljoen en zestig miljoen frank.".
Art. 11. L'article 15 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 18 mai 1982, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Pour l'assureur agréé pour le service des rentes qui a constitué le cautionnement de 10 millions de francs visé à l'article 6, alinéa 2, les montants visés à l'alinéa premier sont fixés à vingt millions et à soixante millions de francs. ".
" Pour l'assureur agréé pour le service des rentes qui a constitué le cautionnement de 10 millions de francs visé à l'article 6, alinéa 2, les montants visés à l'alinéa premier sont fixés à vingt millions et à soixante millions de francs. ".
Art. 12. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidende:
"Art. 15bis. Voor de ongevallen overkomen vanaf 1 januari 1988 wordt de waarborgsom bedoeld in artikel 15 vermeerderd met 5,5 pct. van de reserves bedoeld in artikel 52, 5°, 6° et 7°, van de wet.".
"Art. 15bis. Voor de ongevallen overkomen vanaf 1 januari 1988 wordt de waarborgsom bedoeld in artikel 15 vermeerderd met 5,5 pct. van de reserves bedoeld in artikel 52, 5°, 6° et 7°, van de wet.".
Art. 12. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 15bis rédigé comme suit :
" Art. 15bis. Pour les accidents survenus à partir du 1er janvier 1988, le cautionnement visé à l'article 15 est augmenté de 5,5 p.c. des réserves visées à l'article 52, 5°, 6° et 7°, de la loi. ".
" Art. 15bis. Pour les accidents survenus à partir du 1er janvier 1988, le cautionnement visé à l'article 15 est augmenté de 5,5 p.c. des réserves visées à l'article 52, 5°, 6° et 7°, de la loi. ".
Art. 13. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 15ter ingevoegd, luidende:
"Art.15ter. De waarborgsom bedoeld in artikel 15 wordt verhoogd met 5,5 pct. van de reserves bedoeld in artikel 52, 5°, 6° en 7°, van de wet die aangelegd worden in toepassing van artikel 52, 8°, van de wet.".
"Art.15ter. De waarborgsom bedoeld in artikel 15 wordt verhoogd met 5,5 pct. van de reserves bedoeld in artikel 52, 5°, 6° en 7°, van de wet die aangelegd worden in toepassing van artikel 52, 8°, van de wet.".
Art. 13. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 15ter rédigé comme suit :
" Art.15ter. Le cautionnement visé à l'article 15 est augmenté de 5,5 p.c. des réserves visées à l'article 52, 5°, 6° et 7°, de la loi, constituées en application de l'article 52, 8°, de la loi. ".
" Art.15ter. Le cautionnement visé à l'article 15 est augmenté de 5,5 p.c. des réserves visées à l'article 52, 5°, 6° et 7°, de la loi, constituées en application de l'article 52, 8°, de la loi. ".
Art. 14. In artikel 16 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De waarde van de effekten wordt geraamd overeenkomstig artikel 23bis, 3°.".
"De waarde van de effekten wordt geraamd overeenkomstig artikel 23bis, 3°.".
Art. 14. Dans l'article 16 du même arrêté, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La valeur des titres est estimée conformément à l'article 23bis, 3°. ".
" La valeur des titres est estimée conformément à l'article 23bis, 3°. ".
Art. 15. In artikel 19, derde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 4, 7°" vervangen door de woorden "artikel 14".
Art. 15. Dans l'article 19, alinéa 3, du même arrêté, les mots " l'article 4, 7° " sont remplacés par les mots " l'article 14 ".
Art. 16. Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 20. De technische reserves betreffende de rechtstreekse arbeidsongevallenverzekerings-bedrijvigheid omvatten:
1° een premiereserve. Deze reserve moet de verzekeraar in staat stellen het hoofd te bieden aan zijn verplichtingen ten overstaan van de verzekerden voor de lopende risico's met inbegrip van de ermee gepaard gaande algemene kosten.
Voor de samenstelling van deze reserve dient de verzekeraar berekeningsmethodes te gebruiken die als uitkomst een bedrag aan reserve geven, dat ten minste gelijk is aan het geheel van de niet verbruikte premiegedeelten.
2° een reserve voor te regelen ongevallen, die ten minste gelijk moet zijn aan het totaalbedrag van de verplichtingen van de verzekeraar ingevolge de overkomen ongevallen.
Deze reserve wordt berekend per boekjaar, hetzij dossier per dossier, hetzij volgens eender welke andere methode, goedgekeurd door de beide controleinstanties bedoeld in het koninklijk besluit van 21 december 1971 tot aanwijzing van de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wanneer de uitbatings- of beheers voorwaarden van een verzekeraar van dien aard zijn dat ze de door de wet bedoelde waarborgen in gevaar brengen, mogen de controlediensten het bedrag van deze reserve rechtzetten en onder meer minima opleggen.
3° voorlopige en definitieve wiskundige reserves die voldoende moeten zijn om:
a) de betaling te waarborgen, na de datum van het akkoord of de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet, van de jaarlijkse vergoedingen, renten en kapitalen, de vergoedingen voor tijdelijke verergering en de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingskosten;
b) de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten en de betaling van de bijslagen te waarborgen;
4° de bijkomende vergoedingen die de waarschijnlijke kost vertegenwoordigen van de hernieuwing en het onderhoud van de prothesen en de orthopedische toestellen.".
"Art. 20. De technische reserves betreffende de rechtstreekse arbeidsongevallenverzekerings-bedrijvigheid omvatten:
1° een premiereserve. Deze reserve moet de verzekeraar in staat stellen het hoofd te bieden aan zijn verplichtingen ten overstaan van de verzekerden voor de lopende risico's met inbegrip van de ermee gepaard gaande algemene kosten.
Voor de samenstelling van deze reserve dient de verzekeraar berekeningsmethodes te gebruiken die als uitkomst een bedrag aan reserve geven, dat ten minste gelijk is aan het geheel van de niet verbruikte premiegedeelten.
2° een reserve voor te regelen ongevallen, die ten minste gelijk moet zijn aan het totaalbedrag van de verplichtingen van de verzekeraar ingevolge de overkomen ongevallen.
Deze reserve wordt berekend per boekjaar, hetzij dossier per dossier, hetzij volgens eender welke andere methode, goedgekeurd door de beide controleinstanties bedoeld in het koninklijk besluit van 21 december 1971 tot aanwijzing van de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wanneer de uitbatings- of beheers voorwaarden van een verzekeraar van dien aard zijn dat ze de door de wet bedoelde waarborgen in gevaar brengen, mogen de controlediensten het bedrag van deze reserve rechtzetten en onder meer minima opleggen.
3° voorlopige en definitieve wiskundige reserves die voldoende moeten zijn om:
a) de betaling te waarborgen, na de datum van het akkoord of de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet, van de jaarlijkse vergoedingen, renten en kapitalen, de vergoedingen voor tijdelijke verergering en de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingskosten;
b) de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten en de betaling van de bijslagen te waarborgen;
4° de bijkomende vergoedingen die de waarschijnlijke kost vertegenwoordigen van de hernieuwing en het onderhoud van de prothesen en de orthopedische toestellen.".
Art. 16. L'article 20 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 20. Les réserves techniques afférentes aux activités directes d'assurance contre les accidents du travail comprennent :
1° des réserves pour risques en cours. Ces réserves doivent permettre à l'assureur de faire face à ses engagements envers les assurés au titre de risques en cours, y compris les frais généraux y afférents.
Pour la constitution de ces réserves, l'assureur utilisera des méthodes de calcul qui doivent conduire à un montant de réserves au moins égal au total des fractions de primes non consommées.
2° une réserve pour sinistres à régler, laquelle doit être au moins égale au montant total des obligations incombant à l'assureur à la suite de la survenance des sinistres.
Cette réserve est calculée par année civile, soit dossier par dossier, soit suivant toute autre méthode approuvée par les deux autorités de contrôle visées à l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant désignation des fonctionnaires et agents chargés de surveiller l'exécution de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de ses arrêtés d'exécution.
Lorsque les conditions d'exploitation ou de gestion d'une entreprise sont de nature à mettre en péril les garanties visées par la loi, les autorités de contrôle peuvent rectifier le montant de ces réserves et notamment imposer des minima.
3° des réserves mathématiques provisoires et définitives, lesquelles doivent être suffisantes :
a) pour garantir le paiement, après la date de l'accord ou de la décision visés à l'article 24, alinéa 2, de la loi, des allocations annuelles, rentes et capitaux, des indemnités d'aggravation temporaire ainsi que des frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers;
b) pour garantir l'indexation des allocations annuelles et rentes et le paiement des allocations;
4° les indemnités supplémentaires représentant le coût probable du renouvellement et de l'entretien des appareils de prothèse et d'orthopédie. ".
" Art. 20. Les réserves techniques afférentes aux activités directes d'assurance contre les accidents du travail comprennent :
1° des réserves pour risques en cours. Ces réserves doivent permettre à l'assureur de faire face à ses engagements envers les assurés au titre de risques en cours, y compris les frais généraux y afférents.
Pour la constitution de ces réserves, l'assureur utilisera des méthodes de calcul qui doivent conduire à un montant de réserves au moins égal au total des fractions de primes non consommées.
2° une réserve pour sinistres à régler, laquelle doit être au moins égale au montant total des obligations incombant à l'assureur à la suite de la survenance des sinistres.
Cette réserve est calculée par année civile, soit dossier par dossier, soit suivant toute autre méthode approuvée par les deux autorités de contrôle visées à l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant désignation des fonctionnaires et agents chargés de surveiller l'exécution de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de ses arrêtés d'exécution.
Lorsque les conditions d'exploitation ou de gestion d'une entreprise sont de nature à mettre en péril les garanties visées par la loi, les autorités de contrôle peuvent rectifier le montant de ces réserves et notamment imposer des minima.
3° des réserves mathématiques provisoires et définitives, lesquelles doivent être suffisantes :
a) pour garantir le paiement, après la date de l'accord ou de la décision visés à l'article 24, alinéa 2, de la loi, des allocations annuelles, rentes et capitaux, des indemnités d'aggravation temporaire ainsi que des frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers;
b) pour garantir l'indexation des allocations annuelles et rentes et le paiement des allocations;
4° les indemnités supplémentaires représentant le coût probable du renouvellement et de l'entretien des appareils de prothèse et d'orthopédie. ".
Art. 17. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende:
"Art. 20bis. De reserves bedoeld in artikel 20 worden berekend aan de hand van verschillende barema's met de volgende karakteristieken:
1° voor de getroffenen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 10 pct.: barema E, I, A:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- verergeringslast: 2,76 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
2° voor de getroffenen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minder 10 pct.: barema E, I, B:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- beheerslast: 3,5 %
- trimestriële betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
3° voor de overlevende echtgenoten en ascendenten: barema E, II:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
4° voor de rechthebbenden bedoeld in artikel 19 van de wet: barema E, III (tijdelijke rente):
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- uittredewet voor de rechtgevende kinderen op kinderbijslag goedgekeurd door de Minister
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
5° voor de reserves bedoeld in artikel 20, 4°: barema G, I (bij de levering en elke vernieuwing van de prothese).
De reserve is de samentelling van de vestigingskapitalen van twee lijfrenten:
a) een lijfrente, die de betalingen van het prothesekapitaal vertegenwoordigt:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- onmiddellijke betaling en daarna bij het einde van elke hernieuwingstermijn.
b) een jaarlijkse lijfrente, die de betalingen van de onderhoudskosten vertegenwoordigt:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- jaarlijkse betaling in het midden van het jaar.".
"Art. 20bis. De reserves bedoeld in artikel 20 worden berekend aan de hand van verschillende barema's met de volgende karakteristieken:
1° voor de getroffenen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 10 pct.: barema E, I, A:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- verergeringslast: 2,76 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
2° voor de getroffenen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minder 10 pct.: barema E, I, B:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- beheerslast: 3,5 %
- trimestriële betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
3° voor de overlevende echtgenoten en ascendenten: barema E, II:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
4° voor de rechthebbenden bedoeld in artikel 19 van de wet: barema E, III (tijdelijke rente):
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- uittredewet voor de rechtgevende kinderen op kinderbijslag goedgekeurd door de Minister
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- maandelijkse betaling na vervallen termijn en met achterstal bij overlijden.
5° voor de reserves bedoeld in artikel 20, 4°: barema G, I (bij de levering en elke vernieuwing van de prothese).
De reserve is de samentelling van de vestigingskapitalen van twee lijfrenten:
a) een lijfrente, die de betalingen van het prothesekapitaal vertegenwoordigt:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- onmiddellijke betaling en daarna bij het einde van elke hernieuwingstermijn.
b) een jaarlijkse lijfrente, die de betalingen van de onderhoudskosten vertegenwoordigt:
- sterftetafel: HFR (1968-1972)
- intrestvoet: 4,75 %
- herwaarderingsvoet: 4 %
- beheerslast: 3,5 %
- jaarlijkse betaling in het midden van het jaar.".
Art. 17. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 20bis rédigé comme suit :
" Art. 20bis. Les réserves visées à l'article 20 sont calculées sur la base de différents barèmes ayant les caractéristiques suivantes :
1° pour les victimes dont l'incapacité permanente de travail est d'au moins 10 p.c. : barème E, I, A :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- chargement d'aggravation : 2,76 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
2° pour les victimes dont l'incapacité permanente de travail est de moins de 10 p.c. : barème E, I, B :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement trimestriel à terme échu et avec arrérage au décès.
3° pour les conjoints survivants et les ascendants : barème E, II :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
4° pour les ayants droits visés à l'article 19 de la loi : barème E, III (rente temporaire) :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- loi de sortie des enfants bénéficiaires des allocations familiales, approuvée par le Ministre
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
5° pour les réserves visées à l'article 20, 4° : barème G, I (à la livraison et chaque renouvellement de la prothèse).
Cette réserve est la somme des capitaux constitutifs de deux rentes viagères :
a) une rente viagère, qui représente les paiements des capitaux de prothèse :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement immédiate et puis à la fin de chaque période de renouvellement.
b) une rente viagère, qui représente les paiements des frais d'entretien :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- taux de chargement : 3,5 %
- paiement annuel au milieu de l'année. ".
" Art. 20bis. Les réserves visées à l'article 20 sont calculées sur la base de différents barèmes ayant les caractéristiques suivantes :
1° pour les victimes dont l'incapacité permanente de travail est d'au moins 10 p.c. : barème E, I, A :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- chargement d'aggravation : 2,76 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
2° pour les victimes dont l'incapacité permanente de travail est de moins de 10 p.c. : barème E, I, B :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement trimestriel à terme échu et avec arrérage au décès.
3° pour les conjoints survivants et les ascendants : barème E, II :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
4° pour les ayants droits visés à l'article 19 de la loi : barème E, III (rente temporaire) :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- loi de sortie des enfants bénéficiaires des allocations familiales, approuvée par le Ministre
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement mensuel à terme échu et avec arrérage au décès.
5° pour les réserves visées à l'article 20, 4° : barème G, I (à la livraison et chaque renouvellement de la prothèse).
Cette réserve est la somme des capitaux constitutifs de deux rentes viagères :
a) une rente viagère, qui représente les paiements des capitaux de prothèse :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- chargement de gestion : 3,5 %
- paiement immédiate et puis à la fin de chaque période de renouvellement.
b) une rente viagère, qui représente les paiements des frais d'entretien :
- table de mortalité : HFR (1968-1972)
- taux d'intérêt : 4,75 %
- taux de revalorisation : 4 %
- taux de chargement : 3,5 %
- paiement annuel au milieu de l'année. ".
Art. 18. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 20ter ingevoegd, luidende:
"Art. 20ter. Teneinde de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten overeenkomstig artikel 27bis van de wet te kunnen waarborgen, legt de verzekeraar een indexreserve aan.
De indexreserve wordt jaarlijkse gespijsd door een bedrag gelijk aan een percentage van het gemiddelde bedrag van de vereiste technische reserves, bedoeld in artikel 20, 2° en 3°, voor de dodelijke ongevallen en voor de ongevallen met ten minste 10 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid op 31 december van het lopende dienstjaar en op 31 december van het voorafgaande dienstjaar.
Dit percentage wordt elk jaar berekend; het is gelijk aan het verschil tussen de referentieintrestvoet en de inflatievoet, verminderd met 0,75 pct. Het percentage wordt beperkt tot 1,25 pct.
De referentie intrestvoet is gelijk aan het gemiddelde over de laatste vijf jaren van de gemiddelde jaarlijkse intrestvoeten van de kasbons op vijf jaar van de Openbare Kredietinstellingen, die gepubliceerd worden door de Nationale Bank van België. De inflatievoet is gelijk aan de verhouding tussen het gemiddelde van de twaalf maandindexcijfers van de consumptieprijzen, die gepubliceerd worden door het Ministerie van Economische Zaken in het Belgisch Staatsblad, gedurende het lopende dienstjaar en het gemiddelde van deze indexcijfers gedurende het voorgaande dienstjaar.
De indexreserve wordt beperkt tot 6,5 pct. van het bedrag van de technische reserves bedoeld in artikel 20, 2° en 3°, voor de dodelijke ongevallen en voor de ongevallen met ten minste 10 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid op 31 december van het lopende dienstjaar.
Wanneer het percentage bedoeld in het tweede lid negatief is, put de verzekeraar uit de indexreserve een bedrag gelijk aan dit percentage vermenigvuldigd met het bedrag van de technische reserves, bedoeld in het tweede lid.".
"Art. 20ter. Teneinde de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten overeenkomstig artikel 27bis van de wet te kunnen waarborgen, legt de verzekeraar een indexreserve aan.
De indexreserve wordt jaarlijkse gespijsd door een bedrag gelijk aan een percentage van het gemiddelde bedrag van de vereiste technische reserves, bedoeld in artikel 20, 2° en 3°, voor de dodelijke ongevallen en voor de ongevallen met ten minste 10 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid op 31 december van het lopende dienstjaar en op 31 december van het voorafgaande dienstjaar.
Dit percentage wordt elk jaar berekend; het is gelijk aan het verschil tussen de referentieintrestvoet en de inflatievoet, verminderd met 0,75 pct. Het percentage wordt beperkt tot 1,25 pct.
De referentie intrestvoet is gelijk aan het gemiddelde over de laatste vijf jaren van de gemiddelde jaarlijkse intrestvoeten van de kasbons op vijf jaar van de Openbare Kredietinstellingen, die gepubliceerd worden door de Nationale Bank van België. De inflatievoet is gelijk aan de verhouding tussen het gemiddelde van de twaalf maandindexcijfers van de consumptieprijzen, die gepubliceerd worden door het Ministerie van Economische Zaken in het Belgisch Staatsblad, gedurende het lopende dienstjaar en het gemiddelde van deze indexcijfers gedurende het voorgaande dienstjaar.
De indexreserve wordt beperkt tot 6,5 pct. van het bedrag van de technische reserves bedoeld in artikel 20, 2° en 3°, voor de dodelijke ongevallen en voor de ongevallen met ten minste 10 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid op 31 december van het lopende dienstjaar.
Wanneer het percentage bedoeld in het tweede lid negatief is, put de verzekeraar uit de indexreserve een bedrag gelijk aan dit percentage vermenigvuldigd met het bedrag van de technische reserves, bedoeld in het tweede lid.".
Art. 18. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 20ter rédigé comme suit :
" Art. 20ter. Afin de garantir l'indexation des allocations annuelles et rentes conformément à l'article 27bis de la loi, l'assureur constitue une réserve pour indexation.
La réserve pour indexation est alimentée annuellement par un montant égal à un pourcentage du montant moyen des réserves techniques exigées visées à l'article 20, 2° et 3°, pour les accidents mortels et pour les accidents avec une incapacité permanente de travail d'au moins 10 p.c., au 31 décembre de l'exercice en cours et au 31 décembre de l'exercice précédent.
Ce pourcentage est calculé chaque année; il est égal à la différence entre le taux d'intérêt de référence et le taux d'inflation, diminuée de 0,75 p.c. Le pourcentage est limité à 1,25 p.c.
Le taux d'intérêt de référence est égal à la moyenne pour les cinq dernières années des taux d'intérêts annuels moyens des bons de caisse à cinq ans des établissements publics de crédit, publiés par la Banque nationale de Belgique. Le taux d'inflation est égal au rapport entre la moyenne des douze indices mensuels des prix à la consommation, publiés au Moniteur belge par le Ministère des Affaires économiques, durant l'exercice en cours, et la moyenne de ces indices durant l'exercice précédent.
La réserve pour indexation est limitée à 6,5 p.c. du montant des réserves techniques visées à l'article 20, 2° et 3°, pour les accidents mortels et pour les accidents avec une incapacité permanente de travail d'au moins 10 p.c., au 31 décembre de l'exercice en cours.
Lorsque le pourcentage visé à l'alinéa 2 est négatif, l'assureur prélève dans la provision pour indexation un montant égal à ce pourcentage multiplié par le montant des réserves techniques visé à l'alinéa 2. ".
" Art. 20ter. Afin de garantir l'indexation des allocations annuelles et rentes conformément à l'article 27bis de la loi, l'assureur constitue une réserve pour indexation.
La réserve pour indexation est alimentée annuellement par un montant égal à un pourcentage du montant moyen des réserves techniques exigées visées à l'article 20, 2° et 3°, pour les accidents mortels et pour les accidents avec une incapacité permanente de travail d'au moins 10 p.c., au 31 décembre de l'exercice en cours et au 31 décembre de l'exercice précédent.
Ce pourcentage est calculé chaque année; il est égal à la différence entre le taux d'intérêt de référence et le taux d'inflation, diminuée de 0,75 p.c. Le pourcentage est limité à 1,25 p.c.
Le taux d'intérêt de référence est égal à la moyenne pour les cinq dernières années des taux d'intérêts annuels moyens des bons de caisse à cinq ans des établissements publics de crédit, publiés par la Banque nationale de Belgique. Le taux d'inflation est égal au rapport entre la moyenne des douze indices mensuels des prix à la consommation, publiés au Moniteur belge par le Ministère des Affaires économiques, durant l'exercice en cours, et la moyenne de ces indices durant l'exercice précédent.
La réserve pour indexation est limitée à 6,5 p.c. du montant des réserves techniques visées à l'article 20, 2° et 3°, pour les accidents mortels et pour les accidents avec une incapacité permanente de travail d'au moins 10 p.c., au 31 décembre de l'exercice en cours.
Lorsque le pourcentage visé à l'alinéa 2 est négatif, l'assureur prélève dans la provision pour indexation un montant égal à ce pourcentage multiplié par le montant des réserves techniques visé à l'alinéa 2. ".
Art. 19. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 20quater ingevoegd, luidende:
"Art. 20quater. Voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988 legt de verzekeraar dezelfde reserves aan als deze bedoeld in artikel 20 behoudens voor de risico's van de tijdelijke verergeringstoestanden en kosten voor de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen na de herzieningstermijn en de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten en de bijslagen.
De reserves worden berekend op grond van het barema E dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.".
"Art. 20quater. Voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988 legt de verzekeraar dezelfde reserves aan als deze bedoeld in artikel 20 behoudens voor de risico's van de tijdelijke verergeringstoestanden en kosten voor de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen na de herzieningstermijn en de indexering van de jaarlijkse vergoedingen en renten en de bijslagen.
De reserves worden berekend op grond van het barema E dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.".
Art. 19. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 20quater rédigé comme suit :
" Art. 20quater. Pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988, l'assureur constitue les mêmes réserves que celles visées à l'article 20, sauf pour les risques d'aggravations temporaires et les frais pour soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers après le délai de révision et l'indexation des allocations annuelles et rentes et des allocations.
Les réserves sont calculées conformèrent au barème E annexé au présent arrêté. ".
" Art. 20quater. Pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988, l'assureur constitue les mêmes réserves que celles visées à l'article 20, sauf pour les risques d'aggravations temporaires et les frais pour soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers après le délai de révision et l'indexation des allocations annuelles et rentes et des allocations.
Les réserves sont calculées conformèrent au barème E annexé au présent arrêté. ".
Art. 20. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 20quinquies ingevoegd, luidende:
"Art. 20quinquies. Voor de verzekering van de ongevallen bedoeld in artikel 52, 8°, van de wet, vestigt de verzekeraar dezelfde reserves als deze bedoeld in artikel 20.
De aanpassing van de waarborgen en de reserves aan de contractuele verplichtingen van de verzekeraar gebeurt na goedkeuring van de controledienst van het Fonds.".
"Art. 20quinquies. Voor de verzekering van de ongevallen bedoeld in artikel 52, 8°, van de wet, vestigt de verzekeraar dezelfde reserves als deze bedoeld in artikel 20.
De aanpassing van de waarborgen en de reserves aan de contractuele verplichtingen van de verzekeraar gebeurt na goedkeuring van de controledienst van het Fonds.".
Art. 20. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 20quinquies rédigé comme suit :
" Art. 20quinquies. Pour l'assurance des accidents visée à l'article 52, 8°, de la loi, l'assureur constitue les mêmes réserves que celles visées à l'article 20.
L'adaptation des cautionnements et des réserves aux obligations contractuelles de l'assureur s'opère après approbation du service de contrôle du Fonds. ".
" Art. 20quinquies. Pour l'assurance des accidents visée à l'article 52, 8°, de la loi, l'assureur constitue les mêmes réserves que celles visées à l'article 20.
L'adaptation des cautionnements et des réserves aux obligations contractuelles de l'assureur s'opère après approbation du service de contrôle du Fonds. ".
Art. 21. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikelen 20" vervangen door de woorden "artikelen 20, 20ter, 20quater, 20quinquies".
Art. 21. Dans l'article 22, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " articles 20 " sont remplacés par les mots " articles 20, 20ter, 20quater, 20quinquies ".
Art. 22. In artikel 23 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
" § 1. De dekkingswaarden van het overeenkomstig artikel 8, § 1, bedoeld onderscheiden afzonderlijk beheer vormen een bijzonder vermogen. Ze moeten in België gelokaliseerd zijn en tot de volgende beleggingscategorieën behoren:
1° in een verhouding die niet minder mag zijn dan 30 pct. van het totaal van de technische reserves:
- door het Rijk uitgegeven of gewaarborgde waarden en daarmee gelijkgestelde effekten;
2° in een verhouding die 10 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden;
- obligaties uitgegeven door internationale organisaties waarvan België lid is;
3° in een verhouding die noch 20 pct. van het totaal van de reserves, noch 5 pct. van dit totaal voor de waarden door eenzelfde onderneming uitgegeven mag overschrijden:
- obligaties en kasbons van Belgische vennootschappen;
- vastgoedcertificaten.
Nochtans:
a) mag het globaal bedrag van obligaties en kasbons van Belgische vennootschappen die geen vijf jaar bestaan, 5 pct. van het totaal van de reserves niet overschrijden;
b) mag het globaal bedrag van vastgoedcertificaten 10 pct. van het totaal van de reserves niet overschrijden. Deze certificaten worden slechts aanvaard indien ze het voorwerp zijn van een publieke uitgifte overeenkomstig de voorwaarden opgesomd in titel II van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effekten;
4° in een verhouding die 15 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- op de beurs genoteerde aandelen van Belgische vennootschappen die tenminste vijf jaar bestaan;
- certificaten die de rechten van mede-eigenaar in gemeenschappelijke beleggingsfondsen vertegenwoordigen en van beleggingsfondsen die van de bankcommissie de machtiging hebben bekomen om in België de certificaten, die de rechten van medeeigenaar in die fondsen vertegenwoordigen, openbaar uit te geven.
Nochtans mag het totaalbedrag van aandelen van Belgische vennootschappen 5 pct. van het totaal van de reserves niet overtreffen.
5° in een verhouding die 65 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- onroerende goederen in België gelegen en leningen gewaarborgd door eerste hypotheken gevestigd en eerste kredietopnemingen op deze onroerende goederen.
6° in een verhouding die 10 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- baar geld op een rekening met opzeggingstermijn of een termijnrekening van minder dan een maand, geopend bij de Nationale Bank van België, de banken en spaarkassen ingeschreven bij de Bankcommissie, de openbare kredietinstellingen of alle andere instellingen toegelaten door de controleoverheid;
7° gelopen en niet vervallen rente van toegewezen waarden;
8° uitzonderlijk en tijdelijk, op elke wijze door de verzekeraar voorgesteld door de beide controlediensten bedoeld in artikel 20, 2°, tweede lid, toegelaten, deze controlediensten mogen in zover de veiligheid van verrichtingen niet in het gedrang worden gebracht, afwijken van de percentages en de aard van de waarden alsmede van de regelen inzake lokalisatie.
De controlediensten kunnen zich verzetten tegen de beleggingen of het behoud ervan, wanneer deze geen voldoende waarborgen bieden.".
" § 1. De dekkingswaarden van het overeenkomstig artikel 8, § 1, bedoeld onderscheiden afzonderlijk beheer vormen een bijzonder vermogen. Ze moeten in België gelokaliseerd zijn en tot de volgende beleggingscategorieën behoren:
1° in een verhouding die niet minder mag zijn dan 30 pct. van het totaal van de technische reserves:
- door het Rijk uitgegeven of gewaarborgde waarden en daarmee gelijkgestelde effekten;
2° in een verhouding die 10 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden;
- obligaties uitgegeven door internationale organisaties waarvan België lid is;
3° in een verhouding die noch 20 pct. van het totaal van de reserves, noch 5 pct. van dit totaal voor de waarden door eenzelfde onderneming uitgegeven mag overschrijden:
- obligaties en kasbons van Belgische vennootschappen;
- vastgoedcertificaten.
Nochtans:
a) mag het globaal bedrag van obligaties en kasbons van Belgische vennootschappen die geen vijf jaar bestaan, 5 pct. van het totaal van de reserves niet overschrijden;
b) mag het globaal bedrag van vastgoedcertificaten 10 pct. van het totaal van de reserves niet overschrijden. Deze certificaten worden slechts aanvaard indien ze het voorwerp zijn van een publieke uitgifte overeenkomstig de voorwaarden opgesomd in titel II van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effekten;
4° in een verhouding die 15 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- op de beurs genoteerde aandelen van Belgische vennootschappen die tenminste vijf jaar bestaan;
- certificaten die de rechten van mede-eigenaar in gemeenschappelijke beleggingsfondsen vertegenwoordigen en van beleggingsfondsen die van de bankcommissie de machtiging hebben bekomen om in België de certificaten, die de rechten van medeeigenaar in die fondsen vertegenwoordigen, openbaar uit te geven.
Nochtans mag het totaalbedrag van aandelen van Belgische vennootschappen 5 pct. van het totaal van de reserves niet overtreffen.
5° in een verhouding die 65 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- onroerende goederen in België gelegen en leningen gewaarborgd door eerste hypotheken gevestigd en eerste kredietopnemingen op deze onroerende goederen.
6° in een verhouding die 10 pct. van het totaal van de reserves niet mag overschrijden:
- baar geld op een rekening met opzeggingstermijn of een termijnrekening van minder dan een maand, geopend bij de Nationale Bank van België, de banken en spaarkassen ingeschreven bij de Bankcommissie, de openbare kredietinstellingen of alle andere instellingen toegelaten door de controleoverheid;
7° gelopen en niet vervallen rente van toegewezen waarden;
8° uitzonderlijk en tijdelijk, op elke wijze door de verzekeraar voorgesteld door de beide controlediensten bedoeld in artikel 20, 2°, tweede lid, toegelaten, deze controlediensten mogen in zover de veiligheid van verrichtingen niet in het gedrang worden gebracht, afwijken van de percentages en de aard van de waarden alsmede van de regelen inzake lokalisatie.
De controlediensten kunnen zich verzetten tegen de beleggingen of het behoud ervan, wanneer deze geen voldoende waarborgen bieden.".
Art. 22. Dans l'article 23 du même arrêté, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les valeurs représentatives des réserves techniques de chaque gestion distincte visée à l'article 8, § 1er, constituent un patrimoine spécial. Elles doivent être localisées en Belgique et appartenir aux catégories de placements ci-après :
1° dans une proportion qui ne peut être inférieure à 30 p.c. du total des réserves techniques :
- en valeurs émises ou garanties par l'Etat belge et titres y assimilés;
2° dans une proportion qui ne peut excéder 10 p.c. du total des réserves;
- en obligations émises par des organisations internationales dont la Belgique est membre;
3° dans une proportion qui ne peut excéder 20 p.c. du total des réserves ni 5 p.c. de ce total pour les valeurs émises par une même entreprise :
- en obligations et bons de caisse de sociétés belges;
- en certificats immobiliers.
Toutefois :
a) le montant global des obligations et bons de caisse de sociétés belges n'ayant pas cinq années d'existence ne peut excéder 5 p.c. du total des réserves;
b) le montant global des certificats immobiliers ne peut dépasser 10 p.c. du total des réserves. Ces certificats ne sont admis que s'ils ont fait l'objet d'une émission publique dans les conditions énumérées au titre II de l'arrêté royal n° 185 du 9 juillet 1935 sur le contrôle des banques et le régime des émissions de titres et valeurs;
4° dans une proportion qui ne peut excéder 15 p.c. du total des réserves :
- en actions de sociétés belges cotées en bourse ayant au moins cinq années d'existence;
- en certificats représentatifs de part de copropriété dans des fonds communs de placement et de fonds de placement ayant obtenu de la Commission bancaire l'autorisation d'émettre publiquement en Belgique les certificats représentatifs des parts en copropriété de ces fonds.
Toutefois le montant global des actions de sociétés belges ne peut excéder 5 p.c. du total des réserves.
5° dans une proportion qui ne peut excéder 65 p.c. du total des réserves :
- en immeubles situés en Belgique et prêts garantis par une hypothèque en 1er rang et ouvertures de crédit hypothécaire sur de tels immeubles.
6° dans une proportion qui ne peut excéder 10 p.c. du total des réserves :
- en numéraire sur un compte à préavis ou un compte à terme de moins d'un mois, ouvert à la Banque nationale de Belgique, auprès des banques et caisses d'épargne inscrites auprès de la Commission bancaire, des établissements publics de crédit ou de tout autre organisme admis par l'autorité de contrôle;
7° les intérêts courus et non échus sur valeurs affectées;
8° à titre exceptionnel et temporaire, de toute manière proposée par l'assureur et admise par les deux autorités de contrôle visées à l'article 20, 2°, alinéa 2, qui peuvent dans la mesure nécessaire à la sécurité des opérations, déroger à la fois aux quotités, à la nature des valeurs ainsi qu'aux règles de localisation.
Les autorités de contrôle peuvent s'opposer aux placements ou à leur maintien, lorsqu'ils ne présentent pas de garanties suffisantes. ".
" § 1er. Les valeurs représentatives des réserves techniques de chaque gestion distincte visée à l'article 8, § 1er, constituent un patrimoine spécial. Elles doivent être localisées en Belgique et appartenir aux catégories de placements ci-après :
1° dans une proportion qui ne peut être inférieure à 30 p.c. du total des réserves techniques :
- en valeurs émises ou garanties par l'Etat belge et titres y assimilés;
2° dans une proportion qui ne peut excéder 10 p.c. du total des réserves;
- en obligations émises par des organisations internationales dont la Belgique est membre;
3° dans une proportion qui ne peut excéder 20 p.c. du total des réserves ni 5 p.c. de ce total pour les valeurs émises par une même entreprise :
- en obligations et bons de caisse de sociétés belges;
- en certificats immobiliers.
Toutefois :
a) le montant global des obligations et bons de caisse de sociétés belges n'ayant pas cinq années d'existence ne peut excéder 5 p.c. du total des réserves;
b) le montant global des certificats immobiliers ne peut dépasser 10 p.c. du total des réserves. Ces certificats ne sont admis que s'ils ont fait l'objet d'une émission publique dans les conditions énumérées au titre II de l'arrêté royal n° 185 du 9 juillet 1935 sur le contrôle des banques et le régime des émissions de titres et valeurs;
4° dans une proportion qui ne peut excéder 15 p.c. du total des réserves :
- en actions de sociétés belges cotées en bourse ayant au moins cinq années d'existence;
- en certificats représentatifs de part de copropriété dans des fonds communs de placement et de fonds de placement ayant obtenu de la Commission bancaire l'autorisation d'émettre publiquement en Belgique les certificats représentatifs des parts en copropriété de ces fonds.
Toutefois le montant global des actions de sociétés belges ne peut excéder 5 p.c. du total des réserves.
5° dans une proportion qui ne peut excéder 65 p.c. du total des réserves :
- en immeubles situés en Belgique et prêts garantis par une hypothèque en 1er rang et ouvertures de crédit hypothécaire sur de tels immeubles.
6° dans une proportion qui ne peut excéder 10 p.c. du total des réserves :
- en numéraire sur un compte à préavis ou un compte à terme de moins d'un mois, ouvert à la Banque nationale de Belgique, auprès des banques et caisses d'épargne inscrites auprès de la Commission bancaire, des établissements publics de crédit ou de tout autre organisme admis par l'autorité de contrôle;
7° les intérêts courus et non échus sur valeurs affectées;
8° à titre exceptionnel et temporaire, de toute manière proposée par l'assureur et admise par les deux autorités de contrôle visées à l'article 20, 2°, alinéa 2, qui peuvent dans la mesure nécessaire à la sécurité des opérations, déroger à la fois aux quotités, à la nature des valeurs ainsi qu'aux règles de localisation.
Les autorités de contrôle peuvent s'opposer aux placements ou à leur maintien, lorsqu'ils ne présentent pas de garanties suffisantes. ".
Art. 23. In artikel 23 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 oktober 1979, opgeheven.
Art. 23. Dans l'article 23 du même arrêté, le paragraphe 3, modifié par l'arrêté royal du 4 octobre 1979, est abrogé.
Art. 24. In hoofdstuk I, afdeling III, van hetzelfde besluit wordt een artikel 23bis ingevoegd, luidende:
"Art. 23bis. De goederen, dienend tot dekking van de technische reserves worden, per afzonderlijk beheer, aanvaard voor een waarde die de volgende beperkingen niet mag overschrijden:
1° voor de onroerende goederen: de totale verkoopwaarde van de toegewezen goederen.
De verkoopwaarde van onroerende goederen wordt bepaald hetzij op grond van een goedgekeurd deskundig verslag, hetzij met instemming van de beide controlediensten bedoeld in artikel 20, 2°, tweede lid;
2° voor de in België genoteerde aandelen: de totale beurswaarde die voortvloeit uit de laatste prijscourant, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of uit de "buitenbeurs" markt;
3° voor de in België genoteerde obligaties: de terugbetalingswaarde of de beurswaarde indien deze lager is dan de terugbetalingswaarde;
4° voor de niet genoteerde effekten: de totale verkoopwaarde opgemaakt op grond van de door de Beurscommissie bekendgemaakte indicatieve koers, van het rendement, of van elke door de beide onder 1° bedoelde controlediensten toegelaten wijze;
5° voor de hypothecaire leningen: de som van de verschuldigd blijvende saldi of ingeval van reconstitutie door een bijgevoegd kapitalisatie -of levensverzekeringskontrakt, de som van de nominale bedragen van de leningen onder aftrek van de vervroegde terugbetalingen.
Elke hypothecaire schuldvordering komt ten hoogste voor 70 pct. van de waarde der onroerende goederen in aanmerking, desgevallend onder aftrek van de bestaande voorrechten; deze waarde kan met dezelfde aftrek op 85 pct. gebracht worden wanneer een kredietverzekering onderschreven wordt bij een gemachtigde verzekeraar.".
"Art. 23bis. De goederen, dienend tot dekking van de technische reserves worden, per afzonderlijk beheer, aanvaard voor een waarde die de volgende beperkingen niet mag overschrijden:
1° voor de onroerende goederen: de totale verkoopwaarde van de toegewezen goederen.
De verkoopwaarde van onroerende goederen wordt bepaald hetzij op grond van een goedgekeurd deskundig verslag, hetzij met instemming van de beide controlediensten bedoeld in artikel 20, 2°, tweede lid;
2° voor de in België genoteerde aandelen: de totale beurswaarde die voortvloeit uit de laatste prijscourant, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of uit de "buitenbeurs" markt;
3° voor de in België genoteerde obligaties: de terugbetalingswaarde of de beurswaarde indien deze lager is dan de terugbetalingswaarde;
4° voor de niet genoteerde effekten: de totale verkoopwaarde opgemaakt op grond van de door de Beurscommissie bekendgemaakte indicatieve koers, van het rendement, of van elke door de beide onder 1° bedoelde controlediensten toegelaten wijze;
5° voor de hypothecaire leningen: de som van de verschuldigd blijvende saldi of ingeval van reconstitutie door een bijgevoegd kapitalisatie -of levensverzekeringskontrakt, de som van de nominale bedragen van de leningen onder aftrek van de vervroegde terugbetalingen.
Elke hypothecaire schuldvordering komt ten hoogste voor 70 pct. van de waarde der onroerende goederen in aanmerking, desgevallend onder aftrek van de bestaande voorrechten; deze waarde kan met dezelfde aftrek op 85 pct. gebracht worden wanneer een kredietverzekering onderschreven wordt bij een gemachtigde verzekeraar.".
Art. 24. Dans le chapitre Ier, section III, du même arrêté, il est inséré un article 23bis rédigé comme suit :
" Art. 23bis. Les biens représentatifs des réserves techniques sont retenus pour une valeur qui, par gestion distincte, ne peut dépasser les limites ci-après :
1° pour les immeubles : la valeur vénale totale des immeubles affectés.
La valeur vénale des biens immobiliers est celle qui résulte soit d'une expertise approuvée, soit d'un accord avec les deux autorités de contrôle visées à l'article 20, 2°, alinéa 2;
2° pour les actions cotées en Belgique : la valeur boursière totale telle qu'elle résulte du dernier prix courant publié au Moniteur Belge ou du marché " hors bourse ";
3° pour les obligations cotées en Belgique : la valeur de remboursement ou la valeur boursière si celle-ci est inférieure à la valeur de remboursement;
4° pour les titres non cotés : la valeur vénale établie sur la base des cours indicatifs publiés par la Commission de la Bourse, ou du rendement, ou de toute autre méthode admise par les deux autorités de contrôle visées au 1°;
5° pour les prêts hypothécaires : la somme des soldes restant dus ou en cas de reconstitution par contrat adjoint de capitalisation ou d'assurance sur la vie, la somme des montants nominaux des prêts, sous déduction des remboursements anticipés.
Chaque créance hypothécaire n'est prise en considération que pour 70 p.c. au maximum de la valeur des immeubles, déduction faite, le cas échéant, des privilèges; cette valeur peut être portée, sous les mêmes déductions, à 85 p.c. lorsqu'une assurance-crédit est souscrite auprès d'un assureur agréé. ".
" Art. 23bis. Les biens représentatifs des réserves techniques sont retenus pour une valeur qui, par gestion distincte, ne peut dépasser les limites ci-après :
1° pour les immeubles : la valeur vénale totale des immeubles affectés.
La valeur vénale des biens immobiliers est celle qui résulte soit d'une expertise approuvée, soit d'un accord avec les deux autorités de contrôle visées à l'article 20, 2°, alinéa 2;
2° pour les actions cotées en Belgique : la valeur boursière totale telle qu'elle résulte du dernier prix courant publié au Moniteur Belge ou du marché " hors bourse ";
3° pour les obligations cotées en Belgique : la valeur de remboursement ou la valeur boursière si celle-ci est inférieure à la valeur de remboursement;
4° pour les titres non cotés : la valeur vénale établie sur la base des cours indicatifs publiés par la Commission de la Bourse, ou du rendement, ou de toute autre méthode admise par les deux autorités de contrôle visées au 1°;
5° pour les prêts hypothécaires : la somme des soldes restant dus ou en cas de reconstitution par contrat adjoint de capitalisation ou d'assurance sur la vie, la somme des montants nominaux des prêts, sous déduction des remboursements anticipés.
Chaque créance hypothécaire n'est prise en considération que pour 70 p.c. au maximum de la valeur des immeubles, déduction faite, le cas échéant, des privilèges; cette valeur peut être portée, sous les mêmes déductions, à 85 p.c. lorsqu'une assurance-crédit est souscrite auprès d'un assureur agréé. ".
Art. 25. In artikel 24, tweede en derde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikelen 20" vervangen door de woorden "artikelen 20, 20ter, 20quater, 20quinquies".
Art. 25. Dans l'article 24, alinéas 2 et 3, du même arrêté, les mots " articles 20 " sont chaque fois remplacés par les mots " articles 20, 20ter, 20quater, 20quinquies ".
Art. 26. In artikel 25, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikelen 20" telkens vervangen door de woorden "artikelen 20, 20ter, 20quater, 20quinquies".
Art. 26. Dans l'article 25, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " articles 20 " sont remplacés par les mots " articles 20, 20ter, 20quater, 20quinquies ".
Art. 27. In artikel 26, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "bedoeld bij artikel 20 of van de rentekapitalen" vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 20, 20ter, 20quater en 20quinquies".
Art. 27. Dans l'article 26, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " visées à l'article 20 ou des capitaux de rente " sont remplacés par les mots " visées aux articles 20, 20ter, 20quater et 20quinquies ".
Art. 28. In hoofdstuk I, afdeling V, van hetzelfde besluit wordt een artikel 30bis ingevoegd, luidende:
"Art. 30bis. De bepalingen betreffende de rentedienst gelden slechts voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988.".
"Art. 30bis. De bepalingen betreffende de rentedienst gelden slechts voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988.".
Art. 28. Dans le chapitre Ier, section V, du même arrêté, il est inséré un article 30bis rédigé comme suit :
" Art. 30bis. Les dispositions relatives au service des rente ne s'appliquent que pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988. ".
" Art. 30bis. Les dispositions relatives au service des rente ne s'appliquent que pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988. ".
Art. 29. In artikel 31, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 april 1984, worden de woorden "een vergoeding, een toelage, rente" vervangen door de woorden "een vergoeding voor tijdelijke ongeschiktheid, jaarlijkse vergoeding, rente, bijslag".
Art. 29. Dans l'article 31, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 12 avril 1984, les mots " une indemnité, une allocation, rente " sont remplacés par les mots " une indemnité pour incapacité temporaire, une allocation annuelle, une rente, une allocation ".
Art. 30. In artikel 31bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 2 februari 1983, worden de woorden "overeenkomstig artikel 27ter van de wet een indexatie of" ingevoegd tussen de woorden "de getroffenen die" en de woorden "een bijslag".
Art. 30. Dans l'article 31bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 2 février 1983, les mots " conformément à l'article 27ter de la loi une indexation ou " sont insérés entre les mots " la victime qui reçoit " et les mots " une allocation ".
Art. 31. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt de afdeling II vervangen als volgt:
"Afdeling II. - Prothesen en orthopedische toestellen
Art. 35. Worden als prothese of orthopedisch toestel aangezien:
1° de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel;
2° alle functionele bijhorigheden;
3° het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels.
Art. 35bis. Vooraleer de verzekeraar het ontwerp van overeenkomst, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 houdende vaststelling van de wijze en de voorwaarden van de bekrachtiging van de overeenkomsten door het Fonds voor arbeidsongevallen, aan de getroffene toestuurt, vraagt hij het akkoord van het Fonds over de prothesen en orthopedische toestellen die nodig zijn.
Hij vraagt tevens het akkoord omtrent de elementen die hij zich voorneemt aan te wenden voor de berekening van de bijkomende vergoeding, bedoeld in artikel 28bis, derde lid, van de wet of van de reserve bedoeld in artikel 52, 6°, van de wet.
Na dat akkoord wordt die vergoeding vastgesteld op grond van het barema G dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De reserve wordt berekend op basis van het barema G, I, bedoeld in artikel 20bis, 5°.
Art. 35ter. De getroffene die een beroep doet op de tussenkomst van de verzekeraar met het oog op het onderhoud of de vernieuwing van zijn prothese of van zijn orthopedisch toestel richt hiertoe een aanvraag tot deze verzekeraar.
De verzekeraar deelt aan de getroffene de beslissing mede en stuurt hem, zo het onderhoud of de vernieuwing niet onmiddellijk kan gebeuren de lijst van de erkende orthopedisten en erkende medische centra voor prothese en orthopedie.
De orthopedist of het medisch centrum maakt aan de verzekeraar een nauwkeurige prijsopgave van de kosten van het onderhoud of van de vernieuwing over.
Alleen de orthopedisten en de medische centra die door het Fonds erkend worden, kunnen met het onderhoud of de vernieuwing van de toestellen worden belast.
In geval van weigering van de verzekeraar om de volledige prijs ten laste te nemen wegens het luxekarakter van de uitgaven kan het probleem voor advies aan het Algemeen technisch Comité voorgelegd worden.
Mits vooraf aangevraagd, kan de verzekeraar, in uitzonderlijke gevallen, gerechtvaardigd door medische of sociale redenen, de in België verblijvende getroffene toelaten zich tot een in het buitenland gevestigd orthopedist of medisch centrum te wenden.
Art. 35quater. De orthopedist of het medisch centrum die het toestel aan de getroffene levert, is ertoe gehouden aan de verzekeraar alle gegevens te verstrekken met het oog op de identificatie van het toestel.
De verzendingskosten van de toestellen worden gedragen door de verzekeraar.".
"Afdeling II. - Prothesen en orthopedische toestellen
Art. 35. Worden als prothese of orthopedisch toestel aangezien:
1° de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel;
2° alle functionele bijhorigheden;
3° het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels.
Art. 35bis. Vooraleer de verzekeraar het ontwerp van overeenkomst, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 houdende vaststelling van de wijze en de voorwaarden van de bekrachtiging van de overeenkomsten door het Fonds voor arbeidsongevallen, aan de getroffene toestuurt, vraagt hij het akkoord van het Fonds over de prothesen en orthopedische toestellen die nodig zijn.
Hij vraagt tevens het akkoord omtrent de elementen die hij zich voorneemt aan te wenden voor de berekening van de bijkomende vergoeding, bedoeld in artikel 28bis, derde lid, van de wet of van de reserve bedoeld in artikel 52, 6°, van de wet.
Na dat akkoord wordt die vergoeding vastgesteld op grond van het barema G dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De reserve wordt berekend op basis van het barema G, I, bedoeld in artikel 20bis, 5°.
Art. 35ter. De getroffene die een beroep doet op de tussenkomst van de verzekeraar met het oog op het onderhoud of de vernieuwing van zijn prothese of van zijn orthopedisch toestel richt hiertoe een aanvraag tot deze verzekeraar.
De verzekeraar deelt aan de getroffene de beslissing mede en stuurt hem, zo het onderhoud of de vernieuwing niet onmiddellijk kan gebeuren de lijst van de erkende orthopedisten en erkende medische centra voor prothese en orthopedie.
De orthopedist of het medisch centrum maakt aan de verzekeraar een nauwkeurige prijsopgave van de kosten van het onderhoud of van de vernieuwing over.
Alleen de orthopedisten en de medische centra die door het Fonds erkend worden, kunnen met het onderhoud of de vernieuwing van de toestellen worden belast.
In geval van weigering van de verzekeraar om de volledige prijs ten laste te nemen wegens het luxekarakter van de uitgaven kan het probleem voor advies aan het Algemeen technisch Comité voorgelegd worden.
Mits vooraf aangevraagd, kan de verzekeraar, in uitzonderlijke gevallen, gerechtvaardigd door medische of sociale redenen, de in België verblijvende getroffene toelaten zich tot een in het buitenland gevestigd orthopedist of medisch centrum te wenden.
Art. 35quater. De orthopedist of het medisch centrum die het toestel aan de getroffene levert, is ertoe gehouden aan de verzekeraar alle gegevens te verstrekken met het oog op de identificatie van het toestel.
De verzendingskosten van de toestellen worden gedragen door de verzekeraar.".
Art. 31. Dans le chapitre II du même arrêté, la section II est remplacée par ce qui suit :
" Section II. - Appareils de prothèse et d'orthopédie
Art. 35. Sont considérés comme appareils de prothèse ou d'orthopédie :
1° la prothèse proprement dite ou l'appareil orthopédique proprement dit;
2° tous les accessoires fonctionnels;
3° l'appareil de réserve, en fonction de la nature des lésions.
Art. 35bis. Avant d'envoyer à la victime le projet d'accord visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 10 décembre 1987 fixant les modalités et les conditions de l'entérinement des accords par le Fonds des accidents du travail, l'assureur demande l'accord du Fonds sur les appareils de prothèse et d'orthopédie qui sont nécessaires.
Il demande également l'accord concernant les éléments qu'il se propose d'utiliser pour le calcul de l'indemnité supplémentaire visée à l'article 28bis, alinéa 3, de la loi ou de la réserve visée à l'article 52, 6°, de la loi.
Après cet accord, cette indemnité est fixée sur la base du barème G annexé au présent arrêté. La réserve est calculée sur la base du barème G, I, visé à l'article 20bis, 5°.
Art. 35ter. La victime qui sollicite l'intervention de l'assureur en vue d'obtenir l'entretien ou le renouvellement de sa prothèse ou de son appareil orthopédique adresse une demande à cet assureur.
L'assureur communique sa décision à la victime et lui transmet, s'il s'avère que l'entretien ou le renouvellement ne peut s'effectuer immédiatement, la liste des orthopédistes et des centres médicaux de prothèse et d'orthopédie reconnus.
L'orthopédiste ou le centre médical transmet à l'assureur un devis détaillé des frais d'entretien ou de renouvellement.
Seuls les orthopédistes et les centres médicaux reconnus par le Fonds peuvent être chargés de l'entretien ou du renouvellement des appareils.
En cas de refus de l'assureur de prendre en charge la totalité du prix pour le motif qu'il s'agit d'une dépense de luxe, le problème peut être soumis au Comité technique général pour avis.
Moyennant demande préalable, l'assureur peut, dans des cas exceptionnels justifiés par des raisons médicales ou sociales, autoriser la victime résidant en Belgique à s'adresser à un orthopédiste ou à un centre médical établi dans un pays étranger.
Art. 35quater. L'orthopédiste, ou le centre médical qui fournit l'appareil à la victime est tenu de procurer à l'assureur toutes les données permettant d'identification de l'appareil.
Les frais d'expédition des appareils sont supportés par l'assureur. ".
" Section II. - Appareils de prothèse et d'orthopédie
Art. 35. Sont considérés comme appareils de prothèse ou d'orthopédie :
1° la prothèse proprement dite ou l'appareil orthopédique proprement dit;
2° tous les accessoires fonctionnels;
3° l'appareil de réserve, en fonction de la nature des lésions.
Art. 35bis. Avant d'envoyer à la victime le projet d'accord visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 10 décembre 1987 fixant les modalités et les conditions de l'entérinement des accords par le Fonds des accidents du travail, l'assureur demande l'accord du Fonds sur les appareils de prothèse et d'orthopédie qui sont nécessaires.
Il demande également l'accord concernant les éléments qu'il se propose d'utiliser pour le calcul de l'indemnité supplémentaire visée à l'article 28bis, alinéa 3, de la loi ou de la réserve visée à l'article 52, 6°, de la loi.
Après cet accord, cette indemnité est fixée sur la base du barème G annexé au présent arrêté. La réserve est calculée sur la base du barème G, I, visé à l'article 20bis, 5°.
Art. 35ter. La victime qui sollicite l'intervention de l'assureur en vue d'obtenir l'entretien ou le renouvellement de sa prothèse ou de son appareil orthopédique adresse une demande à cet assureur.
L'assureur communique sa décision à la victime et lui transmet, s'il s'avère que l'entretien ou le renouvellement ne peut s'effectuer immédiatement, la liste des orthopédistes et des centres médicaux de prothèse et d'orthopédie reconnus.
L'orthopédiste ou le centre médical transmet à l'assureur un devis détaillé des frais d'entretien ou de renouvellement.
Seuls les orthopédistes et les centres médicaux reconnus par le Fonds peuvent être chargés de l'entretien ou du renouvellement des appareils.
En cas de refus de l'assureur de prendre en charge la totalité du prix pour le motif qu'il s'agit d'une dépense de luxe, le problème peut être soumis au Comité technique général pour avis.
Moyennant demande préalable, l'assureur peut, dans des cas exceptionnels justifiés par des raisons médicales ou sociales, autoriser la victime résidant en Belgique à s'adresser à un orthopédiste ou à un centre médical établi dans un pays étranger.
Art. 35quater. L'orthopédiste, ou le centre médical qui fournit l'appareil à la victime est tenu de procurer à l'assureur toutes les données permettant d'identification de l'appareil.
Les frais d'expédition des appareils sont supportés par l'assureur. ".
Art. 32. In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling Ibis ingevoegd, luidende:
"Onderafdeling Ibis. - Technisch Comité voor de preventie
Art. 47bis. Bij het Fonds wordt een Technisch Comité voor de preventie ingesteld. Dit comité geeft op verzoek van het beheerscomité of uit eigen initiatief advies over:
1° het formuleren van aanbevelingen in verband met de preventie van arbeidsongevallen;
2° de gegevens betreffende de preventie op te nemen in de centrale gegevensbank van het Fonds met het oog op hun statistische verwerking;
3° de organisatie van vormen van samenwerking tussen de preventiediensten van de verzekeraars en de andere organismen en diensten gelast met de preventie;
4° het bevorderen van het onderzoek in verband met preventiemaatregelen;
5° het opstellen van richtlijnen voor de jaarlijkse werkingsverslagen van de preventiediensten van de verzekeraars;
6° het verlenen van een financiële tussenkomst van het Fonds in algemene of bijzondere projecten inzake preventie;
7° de preventie die het Fonds organiseert in het kader van de verzekering van de zeelieden.
Art. 47ter. Het comité bestaat, benevens de voorzitter, uit:
1° twee vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties;
2° twee vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
3° twee vertegenwoordigers van de technische arbeidsinspectie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
4° twee vertegenwoordigers van de preventiediensten van de verzekeraars.".
"Onderafdeling Ibis. - Technisch Comité voor de preventie
Art. 47bis. Bij het Fonds wordt een Technisch Comité voor de preventie ingesteld. Dit comité geeft op verzoek van het beheerscomité of uit eigen initiatief advies over:
1° het formuleren van aanbevelingen in verband met de preventie van arbeidsongevallen;
2° de gegevens betreffende de preventie op te nemen in de centrale gegevensbank van het Fonds met het oog op hun statistische verwerking;
3° de organisatie van vormen van samenwerking tussen de preventiediensten van de verzekeraars en de andere organismen en diensten gelast met de preventie;
4° het bevorderen van het onderzoek in verband met preventiemaatregelen;
5° het opstellen van richtlijnen voor de jaarlijkse werkingsverslagen van de preventiediensten van de verzekeraars;
6° het verlenen van een financiële tussenkomst van het Fonds in algemene of bijzondere projecten inzake preventie;
7° de preventie die het Fonds organiseert in het kader van de verzekering van de zeelieden.
Art. 47ter. Het comité bestaat, benevens de voorzitter, uit:
1° twee vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties;
2° twee vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
3° twee vertegenwoordigers van de technische arbeidsinspectie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
4° twee vertegenwoordigers van de preventiediensten van de verzekeraars.".
Art. 32. Dans le chapitre V, section II, du même arrêté, il est inséré une sous-section Ibis rédigée comme suit :
" Sous-section Ibis. - Comité technique de la prévention
Art. 47bis. Il est institué auprès du Fonds un comité technique de la prévention. Ce comité donne, à la demande du comite de gestion ou d'initiative des avis sur :
1° la formulation de recommandations ayant trait à la prévention des accidents du travail;
2° les données relatives à la prévention à reprendre dans la banque centrale de données du Fonds en vue de leur traitement statistique;
3° l'organisation de formes de collaboration entre les services de prévention des assureurs et les autres organismes et services chargés de la prévention;
4° la stimulation de l'étude de mesures de prévention;
5° la rédaction de directives pour les rapports annuels de fonctionnement des services de prévention des assureurs;
6° l'octroi d'une intervention financière du Fonds dans des projets à caractère général ou particulier en matière de prévention;
7° la prévention qu'organise le Fonds dans le cadre de l'assurance des gens de mer.
Art. 47ter. Le comité se compose, outre le président, de :
1° deux représentants des organisations représentatives des employeurs;
2° deux représentants des organisations représentatives des travailleurs;
3° deux représentants de l'inspection technique du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
4° deux représentants des services de prévention des assureurs. ".
" Sous-section Ibis. - Comité technique de la prévention
Art. 47bis. Il est institué auprès du Fonds un comité technique de la prévention. Ce comité donne, à la demande du comite de gestion ou d'initiative des avis sur :
1° la formulation de recommandations ayant trait à la prévention des accidents du travail;
2° les données relatives à la prévention à reprendre dans la banque centrale de données du Fonds en vue de leur traitement statistique;
3° l'organisation de formes de collaboration entre les services de prévention des assureurs et les autres organismes et services chargés de la prévention;
4° la stimulation de l'étude de mesures de prévention;
5° la rédaction de directives pour les rapports annuels de fonctionnement des services de prévention des assureurs;
6° l'octroi d'une intervention financière du Fonds dans des projets à caractère général ou particulier en matière de prévention;
7° la prévention qu'organise le Fonds dans le cadre de l'assurance des gens de mer.
Art. 47ter. Le comité se compose, outre le président, de :
1° deux représentants des organisations représentatives des employeurs;
2° deux représentants des organisations représentatives des travailleurs;
3° deux représentants de l'inspection technique du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
4° deux représentants des services de prévention des assureurs. ".
Art. 33. In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling Iter ingevoegd, luidende:
"Onderafdeling Iter. - Medisch Technisch Comité
Art. 47quater. Bij het Fonds wordt een Medisch-Technisch Comité ingesteld. Dit Comité geeft op verzoek van het beheerscomité of uit eigen initiatief advies over:
1° het formuleren van aanbevelingen in verband met de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, zowel de fysieke als de globale economische arbeidsongeschiktheid;
2° alle medische problemen die rijzen in verband met de toepassing van de wet;
3° het bevorderen van het onderzoek in verband met de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid.
Art. 47quinquies. Het comité bestaat, benevens een voorzitter, uit:
1° zes leden die bekend staan om hun bevoegdheid inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid. Deze leden worden gekozen onder de kandidaten die door ieder van de volgende universiteiten worden voorgedragen:
- de Katholieke Universiteit Leuven;
- de Rijksuniversiteit Gent;
- de Université de l'Etat Liège;
- de Université Catholique de Louvain;
- de Université libre de Bruxelles;
- de Vrije Universiteit Brussel.
Iedere universiteit draagt tenminste twee kandidaten voor.
2° twee afgevaardigden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gekozen wegens hun kennis van de arbeidsmarkt.
3° twee geneesheren van de medische dienst van het Fonds.".
"Onderafdeling Iter. - Medisch Technisch Comité
Art. 47quater. Bij het Fonds wordt een Medisch-Technisch Comité ingesteld. Dit Comité geeft op verzoek van het beheerscomité of uit eigen initiatief advies over:
1° het formuleren van aanbevelingen in verband met de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, zowel de fysieke als de globale economische arbeidsongeschiktheid;
2° alle medische problemen die rijzen in verband met de toepassing van de wet;
3° het bevorderen van het onderzoek in verband met de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid.
Art. 47quinquies. Het comité bestaat, benevens een voorzitter, uit:
1° zes leden die bekend staan om hun bevoegdheid inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid. Deze leden worden gekozen onder de kandidaten die door ieder van de volgende universiteiten worden voorgedragen:
- de Katholieke Universiteit Leuven;
- de Rijksuniversiteit Gent;
- de Université de l'Etat Liège;
- de Université Catholique de Louvain;
- de Université libre de Bruxelles;
- de Vrije Universiteit Brussel.
Iedere universiteit draagt tenminste twee kandidaten voor.
2° twee afgevaardigden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gekozen wegens hun kennis van de arbeidsmarkt.
3° twee geneesheren van de medische dienst van het Fonds.".
Art. 33. Dans le chapitre V, section II, du même arrêté, il est inséré une sous-section Iter rédigée comme suit :
" Sous-section Iter. - Comité médico-technique
Art. 47quater. Il est institué au sein du Fonds un comité médicotechnique. Ce comité donne, à la demande du comité de gestion ou d'initiative, des avis sur :
l° la formulation de recommandations ayant trait à l'évaluation de l'incapacité de travail, tant de l'incapacité physique que de l'incapacité économique globale de travail;
2° tout problème médical se posant quant à l'application de la loi;
3° la promotion de la recherche en matière d'évaluation de l'incapacité de travail.
Art. 47quinquies. Le comité se compose, outre le président, de :
1° six membres reconnus pour leur compétence en matière d'évaluation de l'incapacité de travail. Ces membres sont choisis parmi les candidats proposés par chacune des universités suivantes :
- la Katholieke Universiteit Leuven;
- la Rijksuniversiteit Gent;
- l'Université de l'Etat Liège;
- l'Université Catholique de Louvain;
- l'Université libre de Bruxelles;
- la Vrije Universiteit Brussel.
Chaque université propose aux moins deux candidats.
2° deux délégués de l'Office national de l'Emploi, choisis pour leur connaissance du marché de l'emploi.
3° deux médecins du service médical du Fonds. ".
" Sous-section Iter. - Comité médico-technique
Art. 47quater. Il est institué au sein du Fonds un comité médicotechnique. Ce comité donne, à la demande du comité de gestion ou d'initiative, des avis sur :
l° la formulation de recommandations ayant trait à l'évaluation de l'incapacité de travail, tant de l'incapacité physique que de l'incapacité économique globale de travail;
2° tout problème médical se posant quant à l'application de la loi;
3° la promotion de la recherche en matière d'évaluation de l'incapacité de travail.
Art. 47quinquies. Le comité se compose, outre le président, de :
1° six membres reconnus pour leur compétence en matière d'évaluation de l'incapacité de travail. Ces membres sont choisis parmi les candidats proposés par chacune des universités suivantes :
- la Katholieke Universiteit Leuven;
- la Rijksuniversiteit Gent;
- l'Université de l'Etat Liège;
- l'Université Catholique de Louvain;
- l'Université libre de Bruxelles;
- la Vrije Universiteit Brussel.
Chaque université propose aux moins deux candidats.
2° deux délégués de l'Office national de l'Emploi, choisis pour leur connaissance du marché de l'emploi.
3° deux médecins du service médical du Fonds. ".
Art. 34. In artikel 57, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "geschorst of" ingevoegd tussen de woorden "contract" en de woorden "beëindigd".
Art. 34. Dans l'article 57, 3°, du même arrêté, les mots " est suspendu ou " sont insérés entre les mots " contrat " et les mots " se termine ".
Art. 35. In artikel 57, laatste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "afgesloten of beëindigd" vervangen door de woorden "afgesloten, geschorst of beëindigd".
Art. 35. Dans l'article 57, dernier alinéa, du même arrêté, les mots " est conclu ou se termine " sont remplacés par les mots " est conclu, suspendu ou se termine ".
Art. 36. Artikel 59 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 59. De werkgever die verzuimt een verzekeringscontract af te sluiten bij een gemachtigde verzekeraar, is aan het Fonds een bijdrage voor ambtshalve aansluiting verschuldigd voor iedere werknemer die in de loop van een kalendermaand in dienst is of was.
De jaarlijkse bijdrage is gelijk aan 2,5 % van het bedrag vastgesteld in artikel 39, eerste lid, van de wet, en aangepast overeenkomstig het derde lid van dit artikel. Zij wordt berekend per twaalfden.
De totaal door de werkgever verschuldigde bijdrage voor ambtshalve aansluiting bedraagt in ieder geval ten minste 1/4 van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in het tweede lid.
De bijdrage wordt aan het Fonds bezorgd binnen de maand die volgt op de datum waarop de afrekening aan de werkgever is betekend door middel van een aangetekend schrijven.".
"Art. 59. De werkgever die verzuimt een verzekeringscontract af te sluiten bij een gemachtigde verzekeraar, is aan het Fonds een bijdrage voor ambtshalve aansluiting verschuldigd voor iedere werknemer die in de loop van een kalendermaand in dienst is of was.
De jaarlijkse bijdrage is gelijk aan 2,5 % van het bedrag vastgesteld in artikel 39, eerste lid, van de wet, en aangepast overeenkomstig het derde lid van dit artikel. Zij wordt berekend per twaalfden.
De totaal door de werkgever verschuldigde bijdrage voor ambtshalve aansluiting bedraagt in ieder geval ten minste 1/4 van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in het tweede lid.
De bijdrage wordt aan het Fonds bezorgd binnen de maand die volgt op de datum waarop de afrekening aan de werkgever is betekend door middel van een aangetekend schrijven.".
Art. 36. L'article 59 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 59. L'employeur qui néglige de conclure un contrat d'assurance auprès d'un assureur agréé est redevable au Fonds d'une cotisation d'affiliation d'office pour chaque travailleur en service dans le courant d'un mois civil.
La cotisation annuelle est égale à 2,5 % du montant prévu à l'article 39, alinéa premier, de la loi, adapté en vertu de l'alinéa trois dudit article. Elle est calculée par douzièmes.
Le total de la cotisation d'affiliation d'office due par l'employeur est en tout cas au moins égal au quart de la cotisation annuelle visée à l'alinéa deux.
La cotisation parvient au Fonds dans le mois qui suit la date à laquelle le décompte a été notifié à l'employeur par lettre recommandée. ".
" Art. 59. L'employeur qui néglige de conclure un contrat d'assurance auprès d'un assureur agréé est redevable au Fonds d'une cotisation d'affiliation d'office pour chaque travailleur en service dans le courant d'un mois civil.
La cotisation annuelle est égale à 2,5 % du montant prévu à l'article 39, alinéa premier, de la loi, adapté en vertu de l'alinéa trois dudit article. Elle est calculée par douzièmes.
Le total de la cotisation d'affiliation d'office due par l'employeur est en tout cas au moins égal au quart de la cotisation annuelle visée à l'alinéa deux.
La cotisation parvient au Fonds dans le mois qui suit la date à laquelle le décompte a été notifié à l'employeur par lettre recommandée. ".
Art. 37. In hoofdstuk V, afdeling IV, van hetzelfde besluit wordt een artikel 66bis ingevoegd, luidende:
"Art. 66bis. De bepalingen van deze afdeling gelden slechts voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988.".
"Art. 66bis. De bepalingen van deze afdeling gelden slechts voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988.".
Art. 37. Dans le chapitre V, section IV, du même arrêté, il est inséré un article 66bis rédigé comme suit :
" Art. 66bis. Les dispositions de la présente section ne s'appliquent que pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988. ".
" Art. 66bis. Les dispositions de la présente section ne s'appliquent que pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988. ".
Art. 38. In hoofdstuk V van hetzelfde koninklijk besluit wordt een afdeling IVbis ingevoegd, luidende:
"Afdeling IVbis. - Sociale bijstand
Art. 66ter. Het Fonds verleent:
1° bijstand aan de getroffene of de rechthebbende met het oog op de vrijwaring van hun rechten die, rechtstreeks of onrechtstreeks volgen uit het arbeidsongeval;
2° bijzondere bijstand die in een financiële hulp kan bestaan, aan de getroffene of de rechthebbende, telkens als het beheerscomité, op grond van een gemotiveerd verslag, van oordeel is dat de tussenkomst van een andere instelling onmogelijk of ontoereikend is;
3° aan de getroffene een financiële bijstand voor zijn aanspraak op toekenning onderhoud en vernieuwing van de door het Fonds als noodzakelijk erkende prothesen en orthopedische toestellen.
Binnen de maand na de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet, maakt de verzekeraar aan het Fonds een afschrift over van deze beslissing.".
"Afdeling IVbis. - Sociale bijstand
Art. 66ter. Het Fonds verleent:
1° bijstand aan de getroffene of de rechthebbende met het oog op de vrijwaring van hun rechten die, rechtstreeks of onrechtstreeks volgen uit het arbeidsongeval;
2° bijzondere bijstand die in een financiële hulp kan bestaan, aan de getroffene of de rechthebbende, telkens als het beheerscomité, op grond van een gemotiveerd verslag, van oordeel is dat de tussenkomst van een andere instelling onmogelijk of ontoereikend is;
3° aan de getroffene een financiële bijstand voor zijn aanspraak op toekenning onderhoud en vernieuwing van de door het Fonds als noodzakelijk erkende prothesen en orthopedische toestellen.
Binnen de maand na de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet, maakt de verzekeraar aan het Fonds een afschrift over van deze beslissing.".
Art. 38. Dans le chapitre V du même arrêté royal, il est inséré une section IVbis rédigée comme suit :
" Section IVbis. - Assistance sociale
Art. 66ter. Le Fonds accorde :
1° une assistance à la victime ou aux ayants droit en vue de sauvegarder leurs droits découlant directement ou indirectement de l'accident du travail;
2° une assistance spéciale, qui peut comporter une aide financière, à la victime ou aux ayants droit chaque fois que le comité de gestion constate, sur la base d'un rapport motivé, que l'intervention d'une autre institution s'avère impossible ou insuffisante;
3° une assistance financière à la victime pour son droit à l'octroi, l'entretien et le renouvellement des appareils de prothèse ou d'orthopédie reconnus nécessaires par le Fonds.
Dans le mois de la décision visée à l'article 24, alinéa 2, de la loi, l'assureur transmet au Fonds une copie de cette décision. ".
" Section IVbis. - Assistance sociale
Art. 66ter. Le Fonds accorde :
1° une assistance à la victime ou aux ayants droit en vue de sauvegarder leurs droits découlant directement ou indirectement de l'accident du travail;
2° une assistance spéciale, qui peut comporter une aide financière, à la victime ou aux ayants droit chaque fois que le comité de gestion constate, sur la base d'un rapport motivé, que l'intervention d'une autre institution s'avère impossible ou insuffisante;
3° une assistance financière à la victime pour son droit à l'octroi, l'entretien et le renouvellement des appareils de prothèse ou d'orthopédie reconnus nécessaires par le Fonds.
Dans le mois de la décision visée à l'article 24, alinéa 2, de la loi, l'assureur transmet au Fonds une copie de cette décision. ".
Afdeling II. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden
Section II. - Modifications à l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail
Art. 39. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 december 1976, wordt vervangen als volgt:
"Art. 4. De reder ter zeevisserij die nalaat het bedrag van de premie binnen die termijn te betalen is aan het Fonds een opslag verschuldigd van 10 % van het verschuldigde bedrag en de verwijlinterest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet.".
"Art. 4. De reder ter zeevisserij die nalaat het bedrag van de premie binnen die termijn te betalen is aan het Fonds een opslag verschuldigd van 10 % van het verschuldigde bedrag en de verwijlinterest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet.".
Art. 39. L'article 4 de l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, remplacé par l'arrêté royal du 30 décembre 1976, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4. L'armateur de la pêche maritime qui néglige de payer le montant de la prime dans ce délai est redevable au Fonds d'une majoration de 10 % du montant dû et de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa trois, de la loi. ".
" Art. 4. L'armateur de la pêche maritime qui néglige de payer le montant de la prime dans ce délai est redevable au Fonds d'une majoration de 10 % du montant dû et de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa trois, de la loi. ".
Art. 40. In artikel 6 van hetzelfde besluit, wordt het tweede lid, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 30 december 1976 et van 29 maart 1985, vervangen als volgt:
"Deze premie wordt namens en voor rekening van het Fonds geïnd door de Hulp- en Verzorgskas voor Zeevarenden onder Belgische vlag volgens dezelfde regelen als die bepaald voor het innen van de sociale zekerheidsbijdragen, met toepassing evenwel, in geval de reder de voorgeschreven stortingen niet binnen de bepaalde termijn doet, van de opslag bedoeld in artikel 4 en de verwijlintrest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet, en onverminderd het recht van het Fonds om vrijstelling of vermindering, bedoeld in artikel 59quater, laatste lid, van de wet, te verlenen.".
"Deze premie wordt namens en voor rekening van het Fonds geïnd door de Hulp- en Verzorgskas voor Zeevarenden onder Belgische vlag volgens dezelfde regelen als die bepaald voor het innen van de sociale zekerheidsbijdragen, met toepassing evenwel, in geval de reder de voorgeschreven stortingen niet binnen de bepaalde termijn doet, van de opslag bedoeld in artikel 4 en de verwijlintrest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet, en onverminderd het recht van het Fonds om vrijstelling of vermindering, bedoeld in artikel 59quater, laatste lid, van de wet, te verlenen.".
Art. 40. Dans l'article 6 du même arrêté, l'alinéa 2, modifié par les arrêtés royaux du 30 décembre 1976 et du 29 mars 1985, est remplacé par ce qui suit :
" Cette prime est perçue au nom et pour le compte du Fonds par la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge, selon les mêmes règles que celles fixées pour la perception des cotisations de sécurité sociale, toutefois avec application, dans le cas où l'armateur n'effectue pas dans les délais les versements prescrits, de la majoration visée à l'article 4 et de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa trois, de la loi, et sans préjudice du droit du Fonds d'accorder l'exonération ou la réduction visées à l'article 59quater, dernier alinéa, de la loi. ".
" Cette prime est perçue au nom et pour le compte du Fonds par la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge, selon les mêmes règles que celles fixées pour la perception des cotisations de sécurité sociale, toutefois avec application, dans le cas où l'armateur n'effectue pas dans les délais les versements prescrits, de la majoration visée à l'article 4 et de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa trois, de la loi, et sans préjudice du droit du Fonds d'accorder l'exonération ou la réduction visées à l'article 59quater, dernier alinéa, de la loi. ".
Afdeling III. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
Section III. - Modifications à l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59ter de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail
Art. 41. In het opschrift van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april l971 worden de woorden "artikel 59ter" vervangen door de woorden "artikel 59quater".
Art. 41. Dans l'intitulé de l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59ter de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, les mots " article 59ter " sont remplacés par les mots " article 59quater ".
Art. 42. In het opschrift van afdeling II van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 59, 6°" vervangen door de woorden "artikel 59, 5°".
Art. 42. Dans l'intitulé de la section II du même arrêté, les mots " article 59, 6° " sont remplacés par les mots " article 59, 5° ".
Art. 43. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 59, 6°" vervangen door de woorden "artikel 59, 5°".
Art. 43. Dans l'article 6 du même arrêté, les mots " article 59, 6° " sont remplacés par les mots " article 59, 5° ".
Art. 44. In hetzelfde besluit wordt een afdeling IIbis ingevoegd, luidende:
"Afdeling IIbis. - Wijze van berekening en inning van de bedragen bedoeld in artikel 59, 10°, van de wet.
Art. 6bis. Het Fonds maakt de afrekening op van de door de verzekeraar verschuldigde tussenkomst, bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 16 december 1987 houdende organisatie en werking van een centrale gegevensbank bij het Fonds voor arbeidsongevallen.
Art. 6ter. De verzekeraar bezorgt aan het Fonds het verschuldigde bedrag uiterlijk drie maanden na de datum van betekening van de afrekening.".
"Afdeling IIbis. - Wijze van berekening en inning van de bedragen bedoeld in artikel 59, 10°, van de wet.
Art. 6bis. Het Fonds maakt de afrekening op van de door de verzekeraar verschuldigde tussenkomst, bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 16 december 1987 houdende organisatie en werking van een centrale gegevensbank bij het Fonds voor arbeidsongevallen.
Art. 6ter. De verzekeraar bezorgt aan het Fonds het verschuldigde bedrag uiterlijk drie maanden na de datum van betekening van de afrekening.".
Art. 44. Dans le même arrêté, il est inséré une section IIbis rédigée comme suit :
" Section IIbis. - Modalités de calcul et de perception des montants visés à l'article 59, 10°, de la loi.
Art. 6bis. Le Fonds fait le décompte de l'intervention due par l'assureur visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 16 décembre 1987 portant organisation et fonctionnement d'une banque centrale de données au Fonds des accidents du travail.
Art. 6ter. L'assureur fait parvenir au Fonds le montant dû au plus tard trois mois après la date de la notification du décompte. ".
" Section IIbis. - Modalités de calcul et de perception des montants visés à l'article 59, 10°, de la loi.
Art. 6bis. Le Fonds fait le décompte de l'intervention due par l'assureur visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 16 décembre 1987 portant organisation et fonctionnement d'une banque centrale de données au Fonds des accidents du travail.
Art. 6ter. L'assureur fait parvenir au Fonds le montant dû au plus tard trois mois après la date de la notification du décompte. ".
Art. 45. In het opschrift van afdeling III van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 59, 8°" vervangen door de woorden "artikel 59bis, 2°".
Art. 45. Dans l'intitulé de la section III du même arrêté, les mots " article 59, 8° " sont remplacés par les mots " article 59bis, 2° ".
Art. 46. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden "wiskundige reserves, bedoeld bij artikel 21 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971" vervangen door de woorden "wiskundige reserves bedoeld in artikel 52, 5°, van de wet".
Art. 46. A l'article 7, § 1er, du même arrêté, les mots " réserves mathématiques visées à l'article 21 de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail " sont remplacés par les mots " réserves mathématiques visées à l'article 52, 5°, de la loi ".
Art. 47. In hetzelfde besluit wordt een afdeling IIIbis ingevoegd, luidende:
"Afdeling IIIbis. - Wijze van berekening van de rentekapitalen bedoeld in artikel 59bis, 3°, van de wet
Art. 8bis. Het rentekapitaal bedoeld in artikel 51bis van de wet wordt berekend op basis van het barema E gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
"Afdeling IIIbis. - Wijze van berekening van de rentekapitalen bedoeld in artikel 59bis, 3°, van de wet
Art. 8bis. Het rentekapitaal bedoeld in artikel 51bis van de wet wordt berekend op basis van het barema E gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
Art. 47. Dans le même arrêté, il est inséré une section IIIbis rédigée comme suit :
" Section IIIbis. - Modalités de calcul des capitaux des rentes visés à l'article 59bis, 3°, de la loi
Art. 8bis. Le capital de rente visé à l'article 51bis est calculé sur la base du barème E annexé à l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. ".
" Section IIIbis. - Modalités de calcul des capitaux des rentes visés à l'article 59bis, 3°, de la loi
Art. 8bis. Le capital de rente visé à l'article 51bis est calculé sur la base du barème E annexé à l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. ".
Art. 48. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 9. De schuldenaar die de bedragen bedoeld in artikel 59quater, eerste lid, niet binnen de vastgestelde termijnen stort, is de verwijlintrest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet, verschuldigd, alsmede een opslag van 10 pct. van het verschuldigd bedrag.".
"Art. 9. De schuldenaar die de bedragen bedoeld in artikel 59quater, eerste lid, niet binnen de vastgestelde termijnen stort, is de verwijlintrest bedoeld in artikel 59quater, derde lid, van de wet, verschuldigd, alsmede een opslag van 10 pct. van het verschuldigd bedrag.".
Art. 48. L'article 9 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9. Le débiteur qui ne verse pas les montants visés à l'article 59quater, alinéa 1er, dans les délais fixés est redevable de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa 3, de la loi, ainsi que d'une majoration de 10 p.c. du montant dû. ".
" Art. 9. Le débiteur qui ne verse pas les montants visés à l'article 59quater, alinéa 1er, dans les délais fixés est redevable de l'intérêt de retard visé à l'article 59quater, alinéa 3, de la loi, ainsi que d'une majoration de 10 p.c. du montant dû. ".
Art. 49. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de woorden "de werkgever of de reder" vervangen door de woorden "de schuldenaar".
Art. 49. Dans l'article 10 du même arrêté, les mots " l'employeur ou l'armateur " sont remplacés par les mots " le débiteur ".
Art. 50. In artikel 10, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 59, 3°, 4° en 6°" vervangen door de woorden "de artikelen 59, 3°, 4°, 5°, 9° en 59bis, 1°, 2° en 3°".
Art. 50. Dans l'article 10, § 1er, du même arrêté, les mots " à l'article 59, 3°, 4° et 6° " sont remplacés par les mots " aux articles 59, 3°, 4°, 5°, 9° et 59bis, 1°, 2° et 3° ".
Afdeling IV. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van artikel 59quinquies van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
Section IV. - Modification à l'arrêté royal du 12 avril 1984 portant exécution de l'article 59quinquies de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail
Art. 51. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van artikel 59quinquies van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt vervangen als volgt:
"Art. 3. Het rentekapitaal wordt berekend in functie van de leeftijd van de bloedverwanten in opgaande lijn op de dag volgend op deze waarop de getroffene de leeftijd van 25 jaar zou bereikt hebben en overeenkomstig het barema bedoeld in artikel 20bis, 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988 wordt het rentekapitaal berekend overeenkomstig het tarief I van barema E, als bijlage gevoegd bij hetzelfde besluit.".
"Art. 3. Het rentekapitaal wordt berekend in functie van de leeftijd van de bloedverwanten in opgaande lijn op de dag volgend op deze waarop de getroffene de leeftijd van 25 jaar zou bereikt hebben en overeenkomstig het barema bedoeld in artikel 20bis, 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Voor de ongevallen overkomen voor 1 januari 1988 wordt het rentekapitaal berekend overeenkomstig het tarief I van barema E, als bijlage gevoegd bij hetzelfde besluit.".
Art. 51. L'article 3 de l'arrêté royal du 12 avril 1984 portant exécution de l'article 59quinquies de la loi du 10 avril 1971 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. Le capital de rente est calculé en fonction de l'âge des ascendants le jour suivant lequel la victime aurait atteint l'âge de 25 ans et conformément au barème visé à l'article 20bis, 3°, de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988 le capital de rente est calculé conformément au tarif I du barème E, annexé au même arrêté. ".
" Art. 3. Le capital de rente est calculé en fonction de l'âge des ascendants le jour suivant lequel la victime aurait atteint l'âge de 25 ans et conformément au barème visé à l'article 20bis, 3°, de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Pour les accidents survenus avant le 1er janvier 1988 le capital de rente est calculé conformément au tarif I du barème E, annexé au même arrêté. ".
Afdeling V. - Overgangs- en slotbepalingen
Section V. - Dispositions transitoires et finales
Art. 52. Op 1 januari 1988 zijn de gemachtigde verzekeraars ertoe gehouden zich voor 1 januari 1991 in orde te stellen met de wijzigingen voorzien in de artikelen 9, 10, 13 en 20 van dit besluit.
Art. 52. Les assureurs agrées au 1er janvier 1988 sont tenus de se mettre en règle avant le 1er janvier 1991 avec les modifications prévues aux articles 9, 10, 13 et 20 du présent arrêté.
Art. 53. De referentieintrestvoet bedoeld in artikel 20ter wordt voor de jaren 1988 tot en met 1992 berekend op grond van de gemiddelde intrestvoet over het jaar 1987 tot en met het beschouwde jaar.
Art. 53. Le taux d'intérêt de référence visé à l'article 20ter est calculé pour les années de 1988 jusqu'à 1992 inclus sur la base du taux d'intérêt moyen de l'année 1987 jusqu'à l'année considérée incluse.
Art. 54. De bepalingen van artikel 37 van dit besluit zijn van toepassing op de ambtshalve aansluitingen waarvoor het Fonds de afrekening aan de werkgever betekent vanaf 30 december 1987.
Art. 54. Les dispositions de l'article 37 du présent arrêté sont d'application aux affiliations d'office pour lesquelles le Fonds notifie le décompte à l'employeur, à partir du 30 décembre 1987.
Art. 55. Het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving wordt ingetrokken.
Art. 55. L'arrêté royal du 10 décembre 1987 portant exécution de certaines dispositions de l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 modifiant la législation sur les accidents du travail est retiré.
Art. 56. De wettelijke en reglementaire verwijzingen naar het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving worden opgevat als verwijzingen naar het koninklijk besluit van 13 november 2022 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving.
Art. 56. Les références légales et réglementaires à l'arrêté royal du 10 décembre 1987 portant exécution de certaines dispositions de l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 modifiant la législation sur les accidents du travail doivent être comprises comme des références à l'arrêté royal du 13 novembre 2022 portant exécution de certaines dispositions de l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 modifiant la législation sur les accidents du travail.
Art. 57. De wijzigingen die door de hierna opgesomde wettelijke en reglementaire teksten zijn aangebracht aan dezelfde bepalingen als die welke door het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving zijn gewijzigd, zijn van toepassing op de artikelen die door dit besluit worden gewijzigd:
1° Koninklijk besluit van 23 oktober 1990 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
2° Koninklijk besluit van 22 mei 1991 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
3° Koninklijk besluit van 26 juni 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
4° Koninklijk besluit van 17 december 1992 tot regeling van het gebruik van de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen in het kader van de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen van werknemers;
5° Koninklijk besluit van 12 augustus 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
6° Koninklijk besluit van 22 september 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en het koninklijk besluit van 10 december 1987 houdende vaststelling van de wijze en voorwaarden van de bekrachtiging van de overeenkomsten door het Fonds voor arbeidsongevallen;
7° Koninklijk besluit van 20 december 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
8° Koninklijk besluit van 11 januari 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot uitvoering van artikel 51ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
9° Koninklijk besluit van 18 november 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
10° Koninklijk besluit van 20 mei 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
11° Koninklijk besluit van 23 januari 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
12° Koninklijk besluit van 14 januari 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
13° Koninklijk besluit van 29 november 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
14° Koninklijk besluit van 21 maart 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
15° Koninklijk besluit van 20 juli 2000 betreffende de invoering van de euro voor de aangelegenheden die ressorteren onder het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
16° Koninklijk besluit van 10 november 2001 tot uitvoering van de wet van 10 augustus 2001 houdende aanpassing van de arbeidsongevallenverzekering aan de Europese richtlijnen betreffende de directe verzekering met uitzondering van de levensverzekering;
17° Koninklijk besluit van 1 december 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
18° Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen;
19° Koninklijk besluit van 15 september 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
20° Koninklijk besluit van 19 oktober 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
21° Koninklijk besluit van 5 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake arbeidsongevallen;
22° Koninklijk besluit van 19 januari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
23° Koninklijk besluit van 17 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
24° Koninklijk besluit van 16 december 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
25° Koninklijk besluit van 8 september 2015 tot wijziging van verschillende koninklijke besluiten inzake grensoverschrijdende gezondheidszorg;
26° Koninklijk besluit van 27 september 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
27° Koninklijk besluit van 18 september 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
28° Koninklijk besluit van 23 november 2017 tot wijziging van de arbeidsongevallen- en beroepsziekten-wetgeving ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 16 augustus 2016 met betrekking tot de fusie van het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
29° Koninklijk besluit van 15 mei 2018 houdende uitvoering van de wet van 17 december 2017 tot toewijzing van nieuwe inningstaken aan en tot integratie van sommige opdrachten en een deel van het personeel van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden in de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en tot het in overeenstemming brengen van diverse besluiten met de overdracht van bevoegdheden;
30° Koninklijk besluit van 6 september 2018 tot aanpassing van diverse wettelijke en reglementaire bepalingen ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 16 augustus 2016 met betrekking tot de fusie van het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
31° Koninklijk besluit van 7 november 2021 tot aanpassing van diverse wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende arbeidsongevallen en beroepsziekten inzake "gender mainstreaming".
1° Koninklijk besluit van 23 oktober 1990 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
2° Koninklijk besluit van 22 mei 1991 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
3° Koninklijk besluit van 26 juni 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
4° Koninklijk besluit van 17 december 1992 tot regeling van het gebruik van de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen in het kader van de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen van werknemers;
5° Koninklijk besluit van 12 augustus 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
6° Koninklijk besluit van 22 september 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en het koninklijk besluit van 10 december 1987 houdende vaststelling van de wijze en voorwaarden van de bekrachtiging van de overeenkomsten door het Fonds voor arbeidsongevallen;
7° Koninklijk besluit van 20 december 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
8° Koninklijk besluit van 11 januari 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot uitvoering van artikel 51ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
9° Koninklijk besluit van 18 november 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
10° Koninklijk besluit van 20 mei 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
11° Koninklijk besluit van 23 januari 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
12° Koninklijk besluit van 14 januari 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
13° Koninklijk besluit van 29 november 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
14° Koninklijk besluit van 21 maart 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
15° Koninklijk besluit van 20 juli 2000 betreffende de invoering van de euro voor de aangelegenheden die ressorteren onder het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
16° Koninklijk besluit van 10 november 2001 tot uitvoering van de wet van 10 augustus 2001 houdende aanpassing van de arbeidsongevallenverzekering aan de Europese richtlijnen betreffende de directe verzekering met uitzondering van de levensverzekering;
17° Koninklijk besluit van 1 december 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
18° Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen;
19° Koninklijk besluit van 15 september 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
20° Koninklijk besluit van 19 oktober 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
21° Koninklijk besluit van 5 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake arbeidsongevallen;
22° Koninklijk besluit van 19 januari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
23° Koninklijk besluit van 17 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
24° Koninklijk besluit van 16 december 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
25° Koninklijk besluit van 8 september 2015 tot wijziging van verschillende koninklijke besluiten inzake grensoverschrijdende gezondheidszorg;
26° Koninklijk besluit van 27 september 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
27° Koninklijk besluit van 18 september 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1971 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de zeelieden;
28° Koninklijk besluit van 23 november 2017 tot wijziging van de arbeidsongevallen- en beroepsziekten-wetgeving ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 16 augustus 2016 met betrekking tot de fusie van het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
29° Koninklijk besluit van 15 mei 2018 houdende uitvoering van de wet van 17 december 2017 tot toewijzing van nieuwe inningstaken aan en tot integratie van sommige opdrachten en een deel van het personeel van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden in de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en tot het in overeenstemming brengen van diverse besluiten met de overdracht van bevoegdheden;
30° Koninklijk besluit van 6 september 2018 tot aanpassing van diverse wettelijke en reglementaire bepalingen ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 16 augustus 2016 met betrekking tot de fusie van het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
31° Koninklijk besluit van 7 november 2021 tot aanpassing van diverse wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende arbeidsongevallen en beroepsziekten inzake "gender mainstreaming".
Art. 57. Les modifications apportées par les textes légaux et réglementaires énumérés ci-après aux mêmes dispositions que celles modifiées par l'arrêté royal du 10 décembre 1987 portant exécution de certaines dispositions de l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 modifiant la législation sur les accidents du travail, s'appliquent aux articles modifiés par le présent arrêté :
1° Arrêté royal du 23 octobre 1990 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
2° Arrêté royal du 22 mai 1991 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
3° Arrêté royal du 26 juin 1992 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
4° Arrêté royal du 17 décembre 1992 réglant l'utilisation des informations du Registre national des personnes physiques dans le cadre de la législation relative aux accidents du travail des travailleurs salariés ;
5° Arrêté royal du 12 août 1993 modifiant l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
6° Arrêté royal du 22 septembre 1993 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et l'arrêté royal du 10 décembre 1987 fixant les modalités et les conditions de l'entérinement des accords par le Fonds des accidents du travail ;
7° Arrêté royal du 20 décembre 1993 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
8° Arrêté royal du 11 janvier 1996 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et modifiant l'arrêté royal du 12 août 1994 portant exécution de l'article 51ter de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
9° Arrêté royal du 18 novembre 1996 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
10° Arrêté royal du 20 mai 1997 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
11° Arrêté royal du 23 janvier 1998 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
12° Arrêté royal du 14 janvier 1999 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
13° Arrêté royal du 29 novembre 1999 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
14° Arrêté royal du 21 mars 2000 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
15° Arrêté royal du 20 juillet 2000 relatif à l'introduction de l'euro pour les matières relevant du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ;
16° Arrêté royal du 10 novembre 2001 d'exécution de la loi du 10 août 2001 portant adaptation de l'assurance contre les accidents du travail aux directives européennes concernant l'assurance directe, à l'exception de l'assurance-vie ;
17° Arrêté royal du 1er décembre 2003 modifiant l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
18° Loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses ;
19° Arrêté royal du 15 septembre 2006 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
20° Arrêté royal du 19 octobre 2006 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
21° Arrêté royal du 5 juin 2007 portant des dispositions diverses en matière d'accidents du travail ;
22° Arrêté royal du 19 janvier 2009 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
23° Arrêté royal du 17 février 2009 portant modification de l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
24° Arrêté royal du 16 décembre 2014 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
25° Arrêté royal du 8 septembre 2015 modifiant divers arrêtés royaux en matière de soins de santé transversaux ;
26° Arrêté royal du 27 septembre 2015 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
27° Arrêté royal du 18 septembre 2017 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
28° Arrêté royal du 23 novembre 2017 portant modification de la législation sur les accidents du travail et de la législation sur les maladies professionnelles en exécution de l'article 16 de la loi du 16 août 2016 relative à la fusion du Fonds des accidents du travail et du Fonds des maladies professionnelles ;
29° Arrêté royal du 15 mai 2018 portant exécution de la loi du 17 décembre 2017 portant affectation de nouvelles missions de perception et intégration de certaines missions et d'une partie du personnel de la Caisse de Secours et de Prévoyance en faveur des marins à l'Office National de Sécurité Sociale et la Caisse Auxiliaire d'Assurance Maladie-Invalidité et visant à aligner des divers arrêtés au transfert des compétences ;
30° Arrêté royal du 6 septembre 2018 portant adaptation de diverses dispositions légales et réglementaires en exécution de l'article 16 de la loi du 16 août 2016 relative à la fusion du Fonds des accidents du travail et du Fonds des maladies professionnelles ;
31° Arrêté royal du 7 novembre 2021 adaptant diverses dispositions légales et réglementaires relatives aux accidents de travail et aux maladies professionnelles en matière de " gender mainstreaming ".
1° Arrêté royal du 23 octobre 1990 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
2° Arrêté royal du 22 mai 1991 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
3° Arrêté royal du 26 juin 1992 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
4° Arrêté royal du 17 décembre 1992 réglant l'utilisation des informations du Registre national des personnes physiques dans le cadre de la législation relative aux accidents du travail des travailleurs salariés ;
5° Arrêté royal du 12 août 1993 modifiant l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
6° Arrêté royal du 22 septembre 1993 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et l'arrêté royal du 10 décembre 1987 fixant les modalités et les conditions de l'entérinement des accords par le Fonds des accidents du travail ;
7° Arrêté royal du 20 décembre 1993 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
8° Arrêté royal du 11 janvier 1996 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et modifiant l'arrêté royal du 12 août 1994 portant exécution de l'article 51ter de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
9° Arrêté royal du 18 novembre 1996 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
10° Arrêté royal du 20 mai 1997 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
11° Arrêté royal du 23 janvier 1998 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
12° Arrêté royal du 14 janvier 1999 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
13° Arrêté royal du 29 novembre 1999 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
14° Arrêté royal du 21 mars 2000 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
15° Arrêté royal du 20 juillet 2000 relatif à l'introduction de l'euro pour les matières relevant du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ;
16° Arrêté royal du 10 novembre 2001 d'exécution de la loi du 10 août 2001 portant adaptation de l'assurance contre les accidents du travail aux directives européennes concernant l'assurance directe, à l'exception de l'assurance-vie ;
17° Arrêté royal du 1er décembre 2003 modifiant l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
18° Loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses ;
19° Arrêté royal du 15 septembre 2006 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
20° Arrêté royal du 19 octobre 2006 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
21° Arrêté royal du 5 juin 2007 portant des dispositions diverses en matière d'accidents du travail ;
22° Arrêté royal du 19 janvier 2009 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
23° Arrêté royal du 17 février 2009 portant modification de l'arrêté royal du 30 décembre 1976 portant exécution de certaines dispositions de l'article 59quater de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
24° Arrêté royal du 16 décembre 2014 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
25° Arrêté royal du 8 septembre 2015 modifiant divers arrêtés royaux en matière de soins de santé transversaux ;
26° Arrêté royal du 27 septembre 2015 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
27° Arrêté royal du 18 septembre 2017 modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 1971 fixant les règles spéciales d'application aux gens de mer de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ;
28° Arrêté royal du 23 novembre 2017 portant modification de la législation sur les accidents du travail et de la législation sur les maladies professionnelles en exécution de l'article 16 de la loi du 16 août 2016 relative à la fusion du Fonds des accidents du travail et du Fonds des maladies professionnelles ;
29° Arrêté royal du 15 mai 2018 portant exécution de la loi du 17 décembre 2017 portant affectation de nouvelles missions de perception et intégration de certaines missions et d'une partie du personnel de la Caisse de Secours et de Prévoyance en faveur des marins à l'Office National de Sécurité Sociale et la Caisse Auxiliaire d'Assurance Maladie-Invalidité et visant à aligner des divers arrêtés au transfert des compétences ;
30° Arrêté royal du 6 septembre 2018 portant adaptation de diverses dispositions légales et réglementaires en exécution de l'article 16 de la loi du 16 août 2016 relative à la fusion du Fonds des accidents du travail et du Fonds des maladies professionnelles ;
31° Arrêté royal du 7 novembre 2021 adaptant diverses dispositions légales et réglementaires relatives aux accidents de travail et aux maladies professionnelles en matière de " gender mainstreaming ".
Art. 58. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 54 en 57 heeft dit besluit uitwerking met ingang van 1 januari 1988.
Art. 58. Sans préjudice des dispositions des articles 54 et 57, le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1988.
Art. 59. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 59. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.