Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 JULI 2022. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot invoeging van een hoofdstuk XII houdende bijzondere bepalingen van toepassing op kunstwerkers in titel II van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 en tot wijziging van diverse bepalingen van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-08-2022 en tekstbijwerking tot 15-06-2023)
Titre
30 JUILLET 2022. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant diverses dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et insĂ©rant un chapitre XII portant des dispositions particuliĂšres applicables aux travailleurs des arts dans le Titre II du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 et modifiant diverses dispositions de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 23-08-2022 et mise Ă  jour au 15-06-2023)
Documentinformatie
Numac: 2022204435
Datum: 2022-07-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022204435
Date: 2022-07-30
Moniteur: Voir
Tekst (39)
Texte (39)
Artikel 1. Aan artikel 27 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in 1°, wordt een littera c) ingevoegd, luidende:
"de kunstwerker die de toepassing van hoofdstuk XII geniet en die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst.";
2° in 4° worden de woorden "de kunstwerkuitkering" ingevoegd tussen het woord "PWA-inkomensgarantie-uitkering" en het woord "en";
3° het punt 10° wordt opgeheven;
4° een 21° wordt ingevoegd, luidende:
"kunstwerker: werknemer die door de Kunstwerkcommissie als dusdanig is erkend en die beschikt over een geldig individueel kunstwerkattest.";
5° een 22° wordt ingevoegd, luidende:
'kunstwerkcommissie: de commissie bedoeld in de wet tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers";
6° een 23° wordt ingevoegd, luidende:
"individueel kunstwerkattest: het kunstwerkattest "plus" en het kunstwerkattest "starter" die door de kunstwerkcommissie afgeleverd worden.";
7° een 24° wordt ingevoegd, luidende:
"kunstwerkuitkering: de uitkering die wordt toegekend aan de werknemer bedoeld in 21° en die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in hoofdstuk XII.".
Article 1er. A l'article 27 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° dans le 1°, un litera c) est inséré, rédigé comme suit:
"le travailleur des arts qui bénéficie de l'application du chapitre XII et qui n'est pas lié par un contrat de travail.";
2° dans le 4°, les mots "l'allocation du travail des arts" sont insérés entre le mot "ALE" et le mot "et";
3° le 10° est abrogé;
4° un 21° est inséré, rédigé comme suit:
"travailleur des arts: travailleur reconnu comme tel par la Commission du travail des arts et disposant d'une attestation individuelle du travail des arts en cours de validité.";
5° un 22° est inséré, rédigé comme suit:
"Commission du travail des arts: la Commission visée par la loi portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts";
6° un 23° est inséré, rédigé comme suit:
"attestation individuelle du travail des arts: l'attestation du travail des arts "plus" et l'attestation du travail des arts "débutant" délivrées par la Commission du travail des arts.";
7° un 24° est inséré, rédigé comme suit:
"allocation du travail des arts: l'allocation qui est octroyée au travailleur visé au 21° et satisfaisant aux conditions visées au chapitre XII.".
Art. 2. In artikel 37, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 2. A l'article 37, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, l'alinĂ©a 3 est abrogĂ©.
Art. 3. In artikel 40, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, gewijzigd door het koninklijk besluit van 28 december 2011, worden de woorden "of kunstwerkuitkering of werkloosheidsuitkering in toepassing van artikel 6 van de wet van 15 juli 2020 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector of in toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 januari 2022 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19" ingevoegd tussen het woord "overbruggingsuitkering" en het woord "of".
Art. 3. Dans l'article 40, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2011, les mots ", d'une allocation du travail des arts, d'une allocation de chĂŽmage en application de l'article 6 de la loi du 15 juillet 2020 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel ou en application de l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 2022 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19" sont insĂ©rĂ©s entre le mot "transition" et le mot "ou".
Art. 4. In artikel 41 van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, gewijzigd door het koninklijk besluit van 8 april 2003, worden de woorden "of kunstwerkuitkering of werkloosheidsuitkering in toepassing van artikel 6 van de wet van 15 juli 2020 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector of in toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 januari 2022 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19" ingevoegd tussen het woord "108" en het woord "of".
Art. 4. Dans l'article 41 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 8 avril 2003, les mots ", d'une allocation du travail des arts, d'une allocation de chĂŽmage en application de l'article 6 de la loi du 15 juillet 2020 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel ou en application de l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 2022 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19" sont insĂ©rĂ©s entre le mot "108" et le mot "ou".
Art. 5. In artikel 45, vierde lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, gewijzigd door het koninklijk besluit van 22 juli 2006, worden 1°, 2° en 3° opgeheven.
Art. 5. A l'article 45, alinĂ©a 4, du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 22 juillet 2006, les 1°, 2° et 3° sont abrogĂ©s.
Art. 6. § 1. In artikel 48 van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "niet bedoeld in artikel 48bis," geschrapt;
2° in § 1bis wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling:
"Onverminderd de mogelijkheid om de toepassing te vragen van de regeling voorzien in § 1, kan de werkloze, niet bedoeld in Hoofdstuk XII, die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, eerste lid, 1°, mits toepassing van artikel 130, het recht op uitkeringen behouden gedurende een periode van twaalf maanden te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de activiteit of vanaf het tijdstip waarop hij zich op het voordeel van deze bepaling beroept, op voorwaarde dat: "
§ 2. Artikel 48bis van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt opgeheven.
Art. 6. § 1er. A l'article 48 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots "non visée à l'article 48bis," sont supprimés;
2° au § 1bis, l'alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante:
"Sans prĂ©judice de la possibilitĂ© de demander l'application du rĂ©gime prĂ©vu au § 1er, le chĂŽmeur, non visĂ© par le chapitre XII, qui exerce Ă  titre accessoire une activitĂ© au sens de l'article 45, alinĂ©a 1er, 1°, moyennant l'application de l'article 130, peut conserver le droit aux allocations pendant une pĂ©riode de douze mois, Ă  calculer de date Ă  date, Ă  partir du dĂ©but de l'activitĂ© ou Ă  partir du moment oĂč il fait appel Ă  l'avantage de la prĂ©sente disposition, Ă  condition que: "
§ 2. L'article 48bis du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 est abrogĂ©.
Art. 7. In artikel 71bis van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, wordt het derde lid opgeheven;
2° in § 5, wordt het vierde lid opgeheven;
3° in § 5, zevende lid, 2°, worden de woorden "met uitzondering van een artistieke activiteit," geschrapt.
Art. 7. A l'article 71bis du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° au § 1er, l'alinéa 3 est abrogé;
2° au § 5, l'alinéa 4 est abrogé;
3° au § 5, alinéa 7, 2°, les mots "à l'exception d'une activité artistique," sont supprimés.
Art. 8. In artikel 113, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, worden de woorden "en in hoofdstuk XII" ingevoegd tussen de woorden "131nonies" en "zijn".
Art. 8. A l'article 113, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, les mots "et au chapitre XII" sont insĂ©rĂ©s entre les mots "131nonies" et "sont".
Art. 9. Aan hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, wordt een artikel 114bis toegevoegd dat luidt als volgt:
"Artikel 114bis. De werknemer van wie het recht op de toepassing van hoofdstuk XII afgelopen is op grond van artikel 184, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, heeft recht op een forfaitaire werkloosheidsuitkering als hij voldoet aan de volgende, cumulatieve voorwaarden:
1° hij heeft ten minste één kunstwerkuitkering ontvangen in de laatste toepassingsperiode;
2° hij dient bij een uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag conform artikel 133 in waarin hij uitdrukkelijk vraagt om die forfaitaire werkloosheidsuitkering te ontvangen;
3° de aanvraag bedoeld in 2° moet aankomen bij het werkloosheidsbureau binnen een termijn van 12 maanden die ingaat op de dag volgend op de dag waarop het recht op de toepassing van hoofdstuk XII is afgelopen op grond van artikel 184, § 1, eerste lid, 1° tot 3°.
De voormelde termijn van 12 maanden wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:
1° arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, als de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt;
2° dekking door moederschapsuitkeringen en uitkeringen toegekend in het kader van het adoptie- en vaderschapsverlof.
Het bedrag van de forfaitaire uitkering bedoeld in het eerste lid stemt overeen met dat van de uitkering bedoeld in artikel 114, § 3.
De forfaitaire uitkering bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, en 97 niet gelijkgesteld met werkloosheidsuitkeringen.".
Artikel 116 is niet van toepassing op de werknemer die de forfaitaire uitkering bedoeld in het eerste lid geniet.
Art. 9. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, il est insĂ©rĂ© un article 114bis, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 114bis. Le travailleur dont le droit à l'application du chapitre XII a pris fin sur base de l'article 184, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, a droit à une allocation de chÎmage forfaitaire pour autant qu'il remplisse les conditions cumulatives suivantes:
1° il a bénéficié d'au moins une allocation du travail des arts dans la derniÚre période d'application;
2° il introduit auprÚs d'un organisme de paiement une demande d'allocations conformément à l'article 133, dans laquelle il demande formellement à bénéficier de cette allocation de chÎmage forfaitaire;
3° la demande visĂ©e au 2° doit parvenir au bureau du chĂŽmage dans un dĂ©lai de 12 mois qui prend cours le lendemain du jour oĂč le droit Ă  l'application du chapitre XII a pris fin sur base de l'article 184, § 1er, alinĂ©a 1er, 1° Ă  3°.
Le délai de 12 mois susvisé est prolongé du nombre de jours que comporte la période:
1° d'incapacité de travail qui a donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, ou d'une indemnité en réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles, si la durée ininterrompue de cette période s'élÚve à au moins trois mois;
2° couverte par les indemnités de maternité et les indemnités octroyées dans le cadre du congé d'adoption et du congé de paternité.
Le montant de l'allocation forfaitaire visée à l'alinéa 1er correspond à celui de l'allocation visée à l'article 114, § 3.
L'allocation forfaitaire visée à l'alinéa 1er n'est pas considérée comme une allocation de chÎmage pour l'application des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, et 97.".
L'article 116 n'est pas applicable au travailleur qui bénéficie de l'allocation forfaitaire visée à l'alinéa 1er.
Art. 10. In artikel 116 van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, worden § § 1bis, 1ter, 5, 5bis en 8 opgeheven.
Art. 10. A l'article 116 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, les § § 1bis, 1ter, 5, 5bis et 8, sont abrogĂ©s.
Art. 11. In artikel 130 van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, wordt 6° opgeheven;
2° in § 2, worden het derde en het vierde lid opgeheven;
3° in § 2, zesde lid, worden de woorden "of 6°" geschrapt;
4° § 3 wordt opgeheven.
Art. 11. A l'article 130 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° au § 1er, le 6° est abrogé;
2° au § 2, les alinéa 3 et 4 sont abrogés;
3° au § 2, alinéa 6, les mots "ou 6°" sont supprimés;
4° le § 3 est abrogé.
Art. 12. In artikel 133 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° § 1 wordt aangevuld met een punt 16° en 17°, luidende:
"16° de werknemer bedoeld in artikel 27, 21°, die voor het eerst de toepassing van hoofdstuk XII vraagt en telkens hij de vernieuwing ervan aanvraagt of die de toepassing vraagt van hoofdstuk XII op grond van artikel 184, § 1 of § 2;
17° de werkloze die voor het eerst vraagt om de uitkering bedoeld in artikel 114bis te ontvangen.";
2° § 2 wordt aangevuld met een punt 7°, luidende als volgt:
"7° de werkloze die voor het eerst vraagt om de uitkering bedoeld in artikel 114bis te ontvangen.".
Art. 12. A l'article 133 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° le § 1er est complété par un 16° et un 17°, rédigés comme suit:
"16° le travailleur visé à l'article 27, 21°, qui, pour la premiÚre fois, sollicite le bénéfice de l'application du chapitre XII et chaque fois qu'il en demande le renouvellement ou qui sollicite le bénéfice de l'application du chapitre XII sur base de l'article 184, § 1er ou § 2;
17° le chÎmeur qui, pour la premiÚre fois, sollicite le bénéfice de l'allocation visée à l'article 114bis.";
2° le § 2 est complété par un 7°, rédigé comme suit:
"7° le chÎmeur qui pour la premiÚre fois sollicite le bénéfice de l'allocation visée à l'article 114bis.".
Art. 13. Onder titel II van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een hoofdstuk XII ingevoegd, genaamd: "Bijzondere bepalingen van toepassing op kunstwerkers ".
Art. 13. Au titre II du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, un chapitre XII est insĂ©rĂ©, intitulĂ© "Dispositions particuliĂšres applicables aux travailleurs des arts".
Art. 14. Aan hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 181 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 181. De kunstwerker die de toepassing van dit hoofdstuk geniet, wordt onderworpen aan de bepalingen van dit besluit voor zover dit hoofdstuk er niet van afwijkt.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder "commissie" en "attest", de kunstwerkcommissie en het individuele kunstwerkattest die respectievelijk worden bedoeld in artikel 27, 22° en 23°.".
Art. 14. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 181, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 181. Le travailleur des arts qui bĂ©nĂ©ficie de l'application du prĂ©sent chapitre est soumis aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour autant que le prĂ©sent chapitre n'y dĂ©roge pas.
Pour l'application du présent chapitre, on entend par "la Commission" et par "attestation", la Commission du travail des arts et l'attestation individuelle du travail des arts respectivement visées à l'article 27, 22° et 23°.".
Art. 15. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 182 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 182. § 1. De kunstwerker kan de toepassing van dit hoofdstuk genieten als hij voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° hij bewijst 156 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 die vallen in een referteperiode van 24 maanden die onmiddellijk aan de uitkeringsaanvraag voorafgaat;
2° hij beschikt op het moment van de uitkeringsaanvraag over een geldig attest;
3° hij dient bij een uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag conform artikel 133 in waarin hij uitdrukkelijk de toepassing van dit hoofdstuk vraagt.
Het recht op de toepassing van dit hoofdstuk is beperkt tot een periode van 36 maanden, berekend van datum tot datum vanaf de dag waarop het recht werd toegekend overeenkomstig het vorige lid en voor zover de werknemer nog altijd gedekt is door de geldigheidsperiode van het attest. De periode waarin dit hoofdstuk van toepassing is, wordt hierna de "toepassingsperiode" genoemd.
In afwijking van artikelen 30 tot 42 wordt de werknemer die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid tijdens de toepassingsperiode toegelaten tot het recht op kunstwerkuitkeringen dat wordt geopend conform artikel 133 en volgende. De werknemer kan in geval van volledige werkloosheid kunstwerkuitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.
§ 2. Wanneer de toepassingsperiode afloopt, wordt op vraag van de kunstwerker een nieuwe toepassingsperiode van 36 maanden, berekend van datum tot datum, toegekend aan de kunstwerker die voldoet aan de volgende, cumulatieve voorwaarden:
1° hij bewijst 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 die vallen in een referteperiode van 36 maanden die onmiddellijk aan de einddatum van de meest recente toepassingsperiode voorafgaat;
2° hij verschaft het bewijs dat hij nog altijd is gedekt door de geldigheidsperiode van een attest;
3° hij dient bij een uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag conform artikel 133 in waarin hij uitdrukkelijk de vernieuwing van de toepassingsperiode vraagt.
Het aantal vernieuwingen van de toepassingsperiode is onbeperkt.
De 78 arbeidsdagen bedoeld in het eerste lid, 1°, worden vervangen door 39 dagen voor:
1° de kunstwerker die ten minste één uitkering heeft ontvangen vóór 1 oktober 2022 waarvan het bedrag vastgelegd werd overeenkomstig artikel 116, § 5, of 116, § 5bis, zoals die bestonden op 30 september 2022, en die het attest al minstens 18 jaar genoot;
2° de werknemer wiens referteperiode bedoeld in het eerste lid, 1°, verlengd werd overeenkomstig artikel 185, § 1, 4°, a).
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt de periode waarin de werknemer het voordeel heeft genoten van artikel 116, § 5, of 116, § 5bis, zoals die bestonden op 30 september 2022 gelijkgesteld met een periode waarin hij het attest genoot.
De nieuwe toepassingsperiode toegekend overeenkomstig de vorige leden begint in ieder geval te lopen op de einddatum van de meest recente toepassingsperiode.
Het recht op kunstwerkuitkeringen wordt geopend conform artikel 133 en volgende.
Wanneer de kunstwerker op de einddatum van de meest recente toepassingsperiode een activiteit in hoofdberoep uitoefent waarvoor hij minstens een volledig kwartaal onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, wordt de einddatum, voor de toepassing van het eerste en vijfde lid, beschouwd te vallen op de dag na de laatste dag van de periode gedekt door de aansluiting in hoofdberoep tot het sociaal statuut van de zelfstandigen.
De uitkeringsaanvraag bedoeld in het eerste lid, 3°, mag pas ten vroegste aankomen bij het bureau vanaf de eerste dag van de maand die de maand voorafgaat waarin de toepassingsperiode afloopt, eventueel rekening houdend met de toepassing van het vorige lid.
§ 3. De beslissing waarbij in toepassing van de § § 1 en 2 het recht op de toepassing van dit hoofdstuk en op de kunstwerkuitkeringen voor een in de tijd beperkte periode wordt toegekend, wordt voor de toepassing van artikel 146, vierde lid, 1°, niet beschouwd als een beslissing tot ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen.
De uitbetalingsinstelling stelt de werknemer in kennis van de einddatum van de lopende toepassingsperiode, ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die de maand voorafgaat waarin die periode afloopt.".
Art. 15. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 182, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 182. § 1er. Le travailleur des arts peut bénéficier du présent chapitre s'il satisfait aux conditions cumulatives suivantes:
1° il justifie de 156 jours de travail au sens de l'article 37 situés dans une période de référence de 24 mois précédant immédiatement la demande d'allocations;
2° il dispose, au moment de la demande d'allocations, d'une attestation en cours de validité;
3° il introduit auprÚs d'un organisme de paiement une demande d'allocations conformément à l'article 133 dans laquelle il demande formellement l'application du présent chapitre.
Le droit Ă  l'application du prĂ©sent chapitre est limitĂ© Ă  une pĂ©riode de 36 mois, calculĂ©e de date Ă  date Ă  partir du jour oĂč le droit a Ă©tĂ© accordĂ© en vertu de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent et pour autant que le travailleur se trouve toujours dans la pĂ©riode de validitĂ© de l'attestation. La pĂ©riode pendant laquelle le prĂ©sent chapitre est applicable est ci-aprĂšs appelĂ©e "pĂ©riode d'application".
Par dérogation aux articles 30 à 42, le travailleur qui satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er est, pendant la période d'application, admis au bénéfice des allocations du travail des arts dont le droit est ouvert conformément aux articles 133 et suivants. Le travailleur peut, en cas de chÎmage complet, bénéficier des allocations du travail des arts pour tous les jours de la semaine, sauf les dimanches.
§ 2. A l'expiration de la période d'application, une nouvelle période d'application de 36 mois, calculée de date à date, est, à sa demande, octroyée au travailleur des arts qui satisfait aux conditions cumulatives suivantes:
1° il justifie de 78 jours de travail au sens de l'article 37 dans une période de référence de 36 mois qui précÚde immédiatement l'expiration de la période d'application la plus récente;
2° il apporte la preuve qu'il se trouve toujours dans la période de validité d'une attestation;
3° il introduit auprÚs d'un organisme de paiement une demande d'allocations conformément à l'article 133 et dans laquelle il demande formellement le renouvellement de la période d'application.
Le nombre de renouvellements de la période d'application n'est pas limité.
Les 78 jours de travail visés à l'alinéa 1er, 1°, sont remplacés par 39 jours pour:
1° le travailleur des arts qui a bénéficié, avant le 1er octobre 2022, d'au moins une allocation de chÎmage dont le montant a été fixé conformément à l'article 116 § 5, ou 116, § 5bis, tels qu'ils existaient au 30 septembre 2022, et qui a bénéficié durant au moins 18 années de l'attestation;
2° le travailleur dont la période de référence visée à l'alinéa 1er, 1°, est prolongée conformément de l'article 185, § 1er, 4°, a).
Pour l'application de l'alinéa précédent, 1°, la période durant laquelle le travailleur a bénéficié de l'avantage de l'article 116, § 5, ou 116, § 5bis, tels qu'ils existaient au 30 septembre 2022 est assimilée à une période durant laquelle il bénéficiait de l'attestation.
La nouvelle période d'application octroyée en vertu des alinéas précédents, prend cours dans tous les cas le jour de l'expiration de la période d'application la plus récente.
Le droit aux allocations du travail des arts est ouvert conformément aux articles 133 et suivants.
Pour l'application des alinĂ©as 1er et 5, lorsqu'au jour oĂč la pĂ©riode d'application la plus rĂ©cente expire, le travailleur des arts exerce une activitĂ© pour laquelle il est assujetti Ă  titre principal durant au moins un trimestre complet au statut social des travailleurs indĂ©pendants, l'expiration est considĂ©rĂ©e se situer le jour qui suit le dernier jour de la pĂ©riode couverte par l'affiliation Ă  titre principal au statut social des travailleurs indĂ©pendants.
La demande d'allocations visée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut parvenir au bureau au plus tÎt qu'à partir du premier jour du mois qui précÚde le mois durant lequel la période d'application, en tenant éventuellement compte de l'application de l'alinéa précédent, vient à expiration.
§ 3. La décision par laquelle, en application des § § 1er et 2, le droit à l'application du présent chapitre et aux allocations du travail des arts est accordé pour une période limitée dans le temps, n'est pas, pour l'application de l'article 146, alinéa 4, 1°, considérée comme une décision de refus, d'exclusion ou de suspension du droit aux allocations.
L'organisme de paiement avertit le travailleur de la date de fin de la période d'application en cours, au plus tard le dernier jour du deuxiÚme mois qui précÚde le mois durant lequel cette période vient à expiration.".
Art. 16. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 183 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 183. In afwijking van artikel 42 en onverminderd de toepassing van artikel 184 kan de kunstwerker die valt onder de toepassing van dit hoofdstuk, na een onderbreking van het genot van de uitkeringen en op eigen vraag opnieuw recht hebben op kunstwerkuitkeringen als op het moment van de uitkeringsaanvraag de volgende cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:
1° hij bevindt zich nog in de toepassingsperiode van artikel 182;
2° hij bevindt zich nog in de geldigheidsperiode van een attest.".
Art. 16. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 183, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 183. Par dĂ©rogation Ă  l'article 42 et sans prĂ©judice de l'application de l'article 184, le travailleur des arts qui bĂ©nĂ©ficie de l'application du prĂ©sent chapitre peut, aprĂšs une interruption de l'indemnisation, ĂȘtre, Ă  sa demande, rĂ©admis Ă  nouveau au bĂ©nĂ©fice des allocations du travail des arts si les conditions cumulatives suivantes sont rĂ©unies au moment de la demande d'allocations:
1° il se trouve toujours dans la période d'application visée à l'article 182;
2° il se trouve toujours dans la période de validité d'une attestation.".
Art. 17. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 184 toegevoegd, luidende als volgt:
Artikel 184. § 1. Het recht op de toepassing van dit hoofdstuk loopt af:
1° aan het einde van de toepassingsperiode wanneer de voorwaarden van artikel 182, § 2, eerste lid, 1°, of derde lid niet vervuld zijn;
2° aan het einde van de toepassingsperiode wanneer de voorwaarden van artikel 182, § 2, eerste lid, 2°, niet vervuld zijn;
3° aan het einde van de geldigheidsperiode van het attest, wanneer dat attest niet zonder onderbreking werd hernieuwd;
4° op de eerste dag van de maand na de maand waarin het attest werd ingetrokken overeenkomstig de wet tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
De werknemer van wie het recht op de toepassing van dit hoofdstuk afloopt in toepassing van het vorige lid, kan opnieuw vallen onder de toepassing van dit hoofdstuk overeenkomstig artikel 182, § 1, eerste lid.
In afwijking van het vorige lid en om te voldoen aan de voorwaarde in artikel 182, § 1, eerste lid, 1°, moet de kunstwerker van wie het recht op de toepassing van dit hoofdstuk in toepassing van het eerste lid, 1° tot 3°, is afgelopen, het volgende kunnen bewijzen:
1° ofwel 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 gelegen in een referteperiode van 12 maanden;
2° ofwel 156 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 gelegen in een referteperiode van 24 maanden.
Als het recht, minstens gedeeltelijk, afloopt in toepassing van het eerste lid, 1°, moeten de arbeidsdagen waarvan sprake in het vorige lid na afloop van de meest recente toepassingsperiode liggen.
§ 2. De kunstwerker die wil afzien van de kunstwerkuitkeringen om onder de voorwaarden van dit besluit van 25 november 1991 inschakelings- of werkloosheidsuitkeringen van het gewone stelsel te kunnen ontvangen, moet daartoe vooraf een schriftelijke verklaring indienen bij het werkloosheidsbureau. Als de verzaking niet vooraf gebeurt, neemt ze een aanvang op de dag waarop ze aankomt op het werkloosheidsbureau.
Om opnieuw onder de toepassing van dit hoofdstuk te kunnen vallen, moet de werknemer bedoeld in het vorige lid opnieuw voldoen aan de voorwaarden van artikel 182, § 1, eerste lid.
De datum vanaf wanneer de werknemer opnieuw onder de toepassing van dit hoofdstuk valt overeenkomstig het vorige lid, kan pas ten vroegste 24 maanden na de datum van de verzaking bedoeld in het eerste lid liggen.
Het einde van de periode van 24 maanden waarvan sprake in het vorige lid kan echter niet vóór de einddatum liggen van de toepassingsperiode waarin de werknemer zich bevond op het moment van de verzaking bedoeld in het eerste lid.".
Art. 17. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 184, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 184. § 1er. Le droit à l'application du présent chapitre prend fin:
1° à l'expiration de la période d'application lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions de l'article 182, § 2, alinéa 1er, 1°, ou alinéa 3;
2° à l'expiration de la période d'application lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions de l'article 182, § 2, alinéa 1er, 2°;
3° à l'expiration de la période de validité de l'attestation lorsque cette attestation n'a pas été renouvelée sans interruption;
4° le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'attestation a été retirée conformément à la loi portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
Le travailleur dont le droit à l'application du présent chapitre a pris fin en application de l'alinéa précédent, peut bénéficier à nouveau de l'application du présent chapitre conformément à l'article 182, § 1er, alinéa 1er.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le travailleur des arts, dont le droit à l'application du présent chapitre a pris fin en application de l'alinéa 1er, 1° à 3°, doit, pour satisfaire à la condition prévue à l'article 182, § 1er, alinéa 1er, 1°, justifier de:
1° soit 78 jours de travail au sens de l'article 37 situés dans une période de référence de 12 mois;
2° soit 156 jours de travail au sens de l'article 37 situés dans une période référence de 24 mois.
Lorsque le droit prend fin, au moins partiellement, en application de l'alinéa 1er, 1°, les jours de travail visés à l'alinéa précédent doivent se situer aprÚs l'expiration de la période d'application la plus récente.
§ 2. Le travailleur des arts qui souhaite renoncer aux allocations du travail des arts pour bĂ©nĂ©ficier, aux conditions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, des allocations d'insertion ou de chĂŽmage du rĂ©gime ordinaire doit prĂ©alablement en faire une dĂ©claration Ă©crite auprĂšs de l'organisme de paiement qui la transmet au bureau du chĂŽmage. A dĂ©faut d'ĂȘtre prĂ©alable, la renonciation ne prend cours que le jour oĂč elle parvient au bureau du chĂŽmage.
Pour bénéficier à nouveau de l'application du présent chapitre, le travailleur visé à l'alinéa précédent doit à nouveau satisfaire aux conditions de l'article 182, § 1er, alinéa 1er.
La date à partir de laquelle le travailleur peut à nouveau bénéficier de l'application du présent chapitre conformément à l'alinéa précédent ne peut se situer qu'au plus tÎt 24 mois aprÚs la date de la renonciation visée à l'alinéa 1er.
La fin de la période de 24 mois visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois se situer avant l'expiration de la période d'application dans laquelle le travailleur se trouvait au moment de la renonciation visée à l'alinéa 1er.".
Art. 18. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 185 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 185. § 1. In afwijking van artikel 30, derde lid, worden de referteperiodes waarvan sprake in artikelen 182, § 1, eerste lid, 1°, en § 2, eerste lid, 1°, en 184, § 1, derde lid, verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:
1° de werkverhindering wegens overmacht;
2° de uitoefening in hoofdberoep gedurende een periode van ten minste drie maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt;
3° arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, als de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt;
4° dekking door:
a) moederschapsuitkeringen en uitkeringen toegekend in het kader van het adoptieverlof;
b) uitkeringen toegekend in het kader van het vaderschapsverlof.
§ 2. Om het aantal arbeidsdagen bedoeld in artikelen 182, § 1, eerste lid, 1°, § 2, eerste lid, 1°, en derde lid, en 184, § 1, derde lid, te bepalen, wordt er geen rekening gehouden met de dagen bedoeld in artikel 38 noch met de dagen waarvoor de werknemer een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen in toepassing van artikel 6 van de wet van 15 juli 2020 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector of in toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 januari 2022 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19.
§ 3. Voor de toepassing van artikelen 182, § 1, eerste lid, 1°, § 2, eerste lid, 1°, en derde lid, en 184, § 1, derde lid, worden in afwijking van artikel 37, § 1, vierde lid, 1°, de regels volgens dewelke de arbeidsprestaties in arbeidsdagen worden omgezet in de volgende leden bepaald.
Het aantal arbeidsdagen wordt bekomen door het voor de tewerkstellingen ontvangen brutoloon te delen door 1/26ste van het refertemaandloon bedoeld in artikel 5 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering.
Er wordt enkel rekening gehouden met bedragen of voordelen waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid, verschuldigd zijn.
Het aldus bekomen aantal arbeidsdagen mag echter per kwartaal 78 niet overschrijden.
Voor de berekening van het aantal arbeidsdagen:
1° wordt het loon dat werd toegekend voor de activiteit die geheel of gedeeltelijk in de referteperiode ligt, geacht op gelijke wijze elke kalenderdag te dekken van de periode van de arbeidsrelatie overeenkomstig de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling;
2° wordt een berekening op kwartaalbasis gemaakt in functie van het loon dat overeenkomstig 1° gelegen is in elk kwartaal;
3° wordt enkel rekening gehouden met het gedeelte van het loon dat overeenkomstig 1° gelegen is in de referteperiode.".
Art. 18. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 185, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 185. § 1er. Par dérogation à l'article 30, alinéa 3, les périodes de référence visées aux articles 182, § 1er, alinéa 1er, 1°, et § 2, alinéa 1er, 1°, et 184, § 1er, alinéa 3, sont prolongées du nombre de jours que comporte la période:
1° d'impossibilité de travailler par suite de force majeure;
2° d'exercice à titre principal pendant une période de trois mois au moins, d'une profession qui n'assujettit pas le travailleur à la sécurité sociale pour le secteur chÎmage;
3° d'incapacité de travail qui a donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, ou d'une indemnité en réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles, si la durée ininterrompue de cette période s'élÚve à au moins trois mois;
4° couverte par:
a) les indemnités de maternité et les indemnités octroyées dans le cadre du congé d'adoption;
b) les indemnités octroyées dans le cadre du congé de paternité.
§ 2. Pour dĂ©terminer le nombre de journĂ©es de travail visĂ©es aux articles 182, § 1er, alinĂ©a 1er, 1°, § 2, alinĂ©as 1er, 1°, et 3, et 184, § 1er, alinĂ©a 3, il n'est pas tenu compte des journĂ©es visĂ©es Ă  l'article 38 ni des journĂ©es couvertes par une allocation de chĂŽmage en application de l'article 6 de la loi du 15 juillet 2020 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel ou en application de l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 2022 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19.
§ 3. Pour l'application des articles 182, § 1er, alinéa 1er, 1°, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 3, et 184, § 1er, alinéa 3, les rÚgles suivant lesquelles les prestations de travail sont converties en journées de travail sont, par dérogation à l'article 37, § 1er, alinéa 4, 1°, définies dans les alinéas suivants.
Le nombre de journĂ©es de travail est obtenu en divisant la rĂ©munĂ©ration brute perçue pour les occupations situĂ©es dans la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence par 1/26Ăšme du salaire mensuel de rĂ©fĂ©rence visĂ© Ă  l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage.
Il ne sera tenu compte que des montants ou avantages pour lesquels des cotisations de sécurité sociale pour le secteur chÎmage, sont dues.
Le nombre de journées de travail ainsi obtenu ne peut toutefois dépasser 78 par trimestre.
Pour le calcul du nombre de journées de travail:
1° la rémunération qui rémunÚre l'activité qui est en tout ou en partie située dans la période de référence est considérée couvrir de maniÚre égale chaque jour calendrier de toute la période de la relation de travail qui correspond à la déclaration immédiate de l'emploi;
2° un calcul est effectué sur base trimestrielle en fonction de la rémunération qui conformément au 1° est située dans chaque trimestre;
3° il est uniquement tenu compte de la partie de la rémunération qui conformément au 1° est située dans la période de référence.".
Art. 19. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 186 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 186. De kunstwerkuitkering wordt voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 97 niet gelijkgesteld met werkloosheidsuitkeringen.".
Art. 19. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 186, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 186. L'allocation du travail des arts n'est pas assimilée à une allocation de chÎmage pour l'application des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 97.".
Art. 20. Aan hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 187 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 187. Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid niet als arbeid beschouwd de niet-bezoldigde activiteit in het kader van een vorming.".
Art. 20. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 187, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 187. Pour l'application de l'article 44, n'est notamment pas considérée comme du travail l'activité non rémunérée dans le cadre d'une formation.".
Art. 21. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 188 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 188. § 1. In afwijking van de artikelen 44, 48 en 71, eerste lid, 4°, wordt de activiteit uitgeoefend door de kunstwerker die de toepassing van dit hoofdstuk geniet, niet vermeld op de controlekaart en leidt de activiteit niet tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit.
In afwijking van het vorige lid, worden echter wel op de controlekaart vermeld:
1° elke activiteit verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst of indien zij aanleiding geeft tot de onderwerping aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden;
2° elke activiteit verricht in het kader van een statutaire tewerkstelling;
3° elke activiteit met uitzondering van de activiteiten bedoeld in 1° en 2° uitgeoefend tegen betaling van loon;
4° de aanwezigheid van de kunstwerker bij een publieke tentoonstelling van zijn creaties, indien deze aanwezigheid vereist is op grond van een overeenkomst met een derde die de creatie commercialiseert of indien het een tentoonstelling betreft in lokalen die bestemd zijn voor verkoop van dergelijke creaties en de werknemer zelf instaat voor de verkoop.
Onverminderd de toepassing van artikel 189 leiden de activiteiten bedoeld in het vorige lid tot het verlies van een uitkering voor de activiteitsdagen en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7°, of 109.
Onverminderd de toepassing van artikel 131bis in geval van deeltijdse tewerkstelling met het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten, leiden de in het tweede lid, 1° en 2°, bedoelde activiteiten tot het verlies van een uitkering voor alle dagen die gelegen zijn in de periode gedekt door de arbeidsovereenkomst of door de activiteit onderworpen aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden of in de periode van aanwerving in het kader van een statutaire tewerkstelling.
De werknemer bedoeld in § 1 moet aangifte doen van de activiteit, niet bedoeld in § 2, die hij uitoefent als zelfstandige, zelfstandig helper of als mandataris van een commerciële vennootschap.
De aangifte bedoeld in het vorige lid moet gebeuren op het formulier "Uitkeringsaanvraag en persoonlijke aangifte van de kunstwerker" op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag conform artikel 133 of later conform artikel 134, § 2, 3°, naar aanleiding van de eerste uitoefening van de activiteit in de loop van een maand waarvoor een kunstwerkuitkering aangevraagd wordt.
Artikel 71bis, § § 1 tot 4, is niet van toepassing op kunstwerker;
§ 2. Wanneer de werknemer bedoeld in § 1, eerste lid, een activiteit uitoefent bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, onverminderd de toepassing van artikel 189 en van § 1, derde en vierde lid, wordt een aantal dagen vastgelegd waarvoor het recht op uitkeringen wordt ontzegd, door toepassing van de formule [YA - (C x Y)] /Y, waarbij:
- YA overeenstemt met het brutoloon dat voortvloeit uit de in dit lid bedoelde activiteit;
- C overeenstemt met het aantal activiteitsdagen vermeld op de controlekaart overeenkomstig § 1, tweede lid, 1°;
- Y overeenstemt met 5/52ste van het refertemaandloon bepaald door de Minister in uitvoering van artikel 28, § 2, van dit besluit.
De berekening gebeurt door het werkloosheidsbureau op kwartaalbasis.
Het resultaat bekomen op basis van de vorige leden, afgerond naar de lagere eenheid, vertegenwoordigt het aantal dagen, behalve de zondagen, van de niet-vergoedbare kalenderperiode; deze kalenderperiode wordt gesitueerd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan "de theoretische betaaldatum" bedoeld in artikel 161 of vanaf de eerste dag van de maand van de kennisgeving in de andere gevallen en in voorkomend geval aansluitend aan een andere periode die niet vergoedbaar is ingevolge de toepassing van deze bepaling.
De in het vorige lid bedoelde niet-vergoedbare periode dekt een maximale periode van 78 dagen, behalve de zondagen, die een aanvang neemt vanaf de datum waarop de in het vorige lid bedoelde beslissing uitwerking heeft.
Voor de toepassing van de vorige leden wordt er geen rekening gehouden met de inkomens die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst waarin het loon werd bepaald overeenkomstig de barema's voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het Paritair Subcomité voor de filmproductie.
Om onder de toepassing van het vorige lid te kunnen vallen, moet de werknemer een aanvraag indienen bij een uitbetalingsinstelling door middel van een formulier waarvan de Rijksdienst het model en de inhoud opstelt.
De aanvraag bedoeld in het vorige lid bevat het bewijs dat de arbeidsovereenkomst beantwoordt aan de voorwaarde voorzien in het vijfde lid.
De aanvraag bedoeld in de vorige leden moet op het werkloosheidsbureau aankomen ten laatste op de laatste dag van een periode van 30 dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing bedoeld in het derde lid.
De minister kan na advies van het beheerscomité de toepassing van het vijfde lid uitbreiden tot andere paritaire comités.
De minister kan ook na advies van het beheerscomité de toepassing van het vijfde lid uitbreiden tot collectieve arbeidsovereenkomsten. In dit geval voegt de werknemer bij de aanvraag bedoeld in het zesde lid een kopie van de arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat het overeengekomen loon bepaald werd op basis van een van die collectieve arbeidsovereenkomsten.
§ 3. Artikel 189 is van toepassing op het inkomen dat voortvloeit uit de activiteiten van de kunstwerker bedoeld in § 1, eerste lid.
§ 4. In afwijking van § 1 kan de kunstwerker die de toepassing van dit hoofdstuk geniet geen uitkeringen ontvangen wanneer hij een activiteit uitoefent als zelfstandige in hoofdberoep.
Het recht op uitkeringen mag worden ontzegd, zelfs voor de dagen waarop de kunstwerker die de toepassing van dit hoofdstuk geniet, geen activiteit verricht, indien de artistieke activiteit die niet uitgeoefend wordt als loontrekkende, ingevolge het bedrag van de inkomsten of het aantal arbeidsuren het karakter heeft van een hoofdberoep
De beslissing bedoeld in de vorige leden gaat in:
1° vanaf de dag waarop de activiteit het karakter heeft van een hoofdberoep, indien er nog geen geldige uitkeringskaart werd afgeleverd die het recht op uitkeringen verleent voor de periode ingaand vanaf de aangifte, of in geval van ontbreken van aangifte of onjuiste of onvolledige aangifte;
2° vanaf de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, in de andere gevallen;
§ 5. De verklaringen die de kunstwerker aflegt betreffende zijn activiteit en zijn inkomsten, worden terzijde geschoven wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens worden tegengesproken.".
Art. 21. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 188, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 188. § 1er. Par dérogation aux articles 44, 48 et 71, alinéa 1er, 4°, l'activité exercée par le travailleur des arts qui bénéficie de l'application du présent chapitre n'est pas mentionnée sur la carte de contrÎle et n'entraßne pas la perte d'une allocation pour les jours d'activité.
Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, doivent toutefois ĂȘtre mentionnĂ©es sur la carte de contrĂŽle:
1° toute activité exercée dans le cadre d'un contrat de travail ou donnant lieu à l'assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés;
2° toute activité exercée dans le cadre d'une occupation statutaire;
3° toute activité autre que celles visées au 1° et au 2° exercée contre paiement d'une rémunération;
4° la prĂ©sence du travailleur des arts Ă  une exposition publique de ses crĂ©ations, lorsque cette prĂ©sence est requise sur la base d'un contrat avec un tiers qui commercialise les crĂ©ations ou lorsqu'il s'agit d'une exposition dans des locaux destinĂ©s Ă  la vente de telles crĂ©ations dont le travailleur s'occupe lui-mĂȘme.
Sans préjudice de l'application de l'article 189, les activités visées à l'alinéa précédent entraßnent la perte d'une allocation pour les jours d'activité et pour les jours visés aux articles 55, 7°, ou 109.
Sans préjudice de l'application de l'article 131bis en cas d'occupation à temps partiel avec le statut de travailleur à temps partiel avec maintien des droits, les activités visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, entraßnent la perte d'une allocation pour tous les jours qui se situent dans la période couverte par le contrat de travail ou par l'activité assujettie à la sécurité sociale des travailleurs salariés ou dans la période d'engagement dans le cadre de l'occupation statutaire.
Le travailleur visé au § 1er doit déclarer l'activité, non visée à l'alinéa 2, qu'il exerce en tant qu'indépendant, aidant d'un travailleur indépendant ou mandataire d'une société commerciale.
La dĂ©claration visĂ©e Ă  l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit ĂȘtre effectuĂ©e sur le formulaire "Demande d'allocations et dĂ©claration personnelle du travailleur des arts" au moment de la demande d'allocations conformĂ©ment Ă  l'article 133 ou, conformĂ©ment Ă  l'article 134, § 2, 3°, ultĂ©rieurement Ă  l'occasion du premier exercice de l'activitĂ© au cours d'un mois pour lequel une allocation est demandĂ©e.
L'article 71bis, § § 1er à 4, n'est pas applicable au travailleur des arts;
§ 2. Lorsque le travailleur visĂ© au § 1er, alinĂ©a 1e, effectue une activitĂ© visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 1°, nonobstant l'application de l'article 189 et du § 1er, alinĂ©as 3 et 4, un nombre de jours pour lesquels le droit aux allocations est refusĂ©, est dĂ©terminĂ© par application de la formule [YA - (C x Y)] /Y, oĂč:
- YA correspond au salaire brut qui découle de l'activité visée au présent alinéa;
- C correspond au nombre de jours d'activité mentionnés sur la carte de contrÎle conformément au § 1er, alinéa 2, 1°;
- Y correspond Ă  5/52Ăšme du salaire mensuel de rĂ©fĂ©rence dĂ©terminĂ© par le Ministre en exĂ©cution de l'article 28, § 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Le calcul s'effectue par le bureau du chĂŽmage sur une base trimestrielle.
Le résultat obtenu conformément aux alinéas précédents, arrondi à l'unité inférieure, représente le nombre de jours, dimanches exceptés, de la période calendrier non indemnisable; cette période calendrier est située à partir du premier jour du mois qui suit la notification de la décision à l'organisme de paiement, si cette notification se situe dans les trois derniers jours ouvrables qui précÚdent la "date théorique de paiement" visée à l'article 161 ou le premier jour du mois de la notification dans les autres cas et le cas échéant fait suite à une autre période qui n'est pas indemnisable suite à l'application de cette disposition.
La période non indemnisable visée à l'alinéa précédent couvre une période maximale de 78 jours, dimanches exceptés, qui débute à la date à laquelle la décision visée à l'alinéa précédent produit ses effets.
Pour l'application des alinéas précédents, ne sont pas pris en compte les revenus salariés qui découlent d'un contrat de travail dans lequel la rémunération a été fixée conformément aux barÚmes prévus dans les conventions collectives de travail conclues au sein de la Sous-commission paritaire pour la production de films.
Pour bénéficier de l'alinéa précédent, le travailleur doit introduire une demande auprÚs d'un organisme de paiement au moyen d'un formulaire dont le modÚle et le contenu sont déterminés par l'Office.
La demande visée à l'alinéa précédent contient la preuve que le contrat de travail répond à la condition prévue à l'alinéa 5.
La demande visée aux alinéas précédents doit parvenir au bureau du chÎmage au plus tard le dernier jour d'une période de 30 jours qui suit la notification de la décision visée à l'alinéa 3.
Le ministre peut étendre, aprÚs avis du Comité de gestion, l'application de l'alinéa 5 à d'autres commissions paritaires.
Le ministre peut également étendre, aprÚs avis du Comité de gestion, l'application de l'alinéa 5 à des conventions collectives de travail. Dans ce cas, le travailleur joint à la demande visée à l'alinéa 6 une copie du contrat de travail dont il ressort que la rémunération convenue a été fixée sur la base d'une de ces conventions collectives de travail.
§ 3. L'article 189 s'applique au revenu qui découle des activités du travailleur des arts visées au § 1er.
§ 4. Par dérogation au § 1er le travailleur des arts qui bénéficie de l'application du présent chapitre ne peut pas bénéficier d'allocations lorsqu'il exerce une activité en tant que travailleur indépendant en profession principale.
Le droit aux allocations est refusĂ©, mĂȘme pour les jours oĂč le travailleur des arts qui bĂ©nĂ©ficie de l'application du prĂ©sent chapitre n'exerce aucune activitĂ©, si l'activitĂ©, qui n'est pas exercĂ©e en tant que salariĂ©, a le caractĂšre d'une profession principale en raison du montant des revenus ou du nombre d'heures de travail.
La décision visée aux alinéas précédents produit ses effets:
1° Ă  partir du jour oĂč l'activitĂ© prĂ©sente le caractĂšre d'une profession principale, s'il n'avait pas encore Ă©tĂ© dĂ©livrĂ© une carte d'allocations valable accordant le droit aux allocations pour la pĂ©riode prenant cours Ă  partir de la dĂ©claration, ou en cas d'absence de dĂ©claration ou de dĂ©claration incomplĂšte ou inexact;
2° à partir du lundi qui suit la remise à la poste du pli par lequel la décision est notifiée au chÎmeur, dans les autres cas;
§ 5. Les déclarations faites par le travailleur des arts en rapport avec son activité et ses revenus sont écartées lorsqu'elles sont contredites par des présomptions graves, précises et concordantes.".
Art. 22. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 189 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 189. § 1. In afwijking van artikel 130, valt de werknemer die de toepassing van dit hoofdstuk geniet en die tijdens een kalenderjaar inkomsten ontvangt uit de uitoefening van een activiteit bedoeld in artikel 188, § 1, onder de toepassing van dit artikel.
Dit artikel is enkel van toepassing op werkloosheidsuitkeringen die genoten worden in de periode waarin de kunstwerker de toepassing van dit hoofdstuk geniet.
Er wordt rekening gehouden met alle inkomens die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de uitoefening van de activiteit met uitzondering van het inkomen uit een statutaire tewerkstelling of het inkomen of een gedeelte ervan uit een activiteit die onderworpen is aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, wanneer effectief inhoudingen voor de sociale zekerheid werden verricht op dit inkomen of op een deel ervan.
Het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van de inkomsten dat 20,36 EUR overschrijdt. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond naar de hogere of lagere eenheid, naargelang het gedeelte van een cent al dan niet 0,5 bereikt.
Het dagbedrag van het inkomen bedoeld in het eerste lid wordt bekomen door het netto belastbaar jaarinkomen te delen door 312.
Als het inkomen een activiteit betreft die pas in de loop van het jaar werd aangevat, of die eindigt in de loop van het jaar, wordt het dagbedrag van het inkomen bekomen door het jaarinkomen bedoeld in het vorige lid te delen door een aantal dagen dat evenredig is aan de periode gedurende dewelke de activiteit werd uitgeoefend.
§ 2. Op basis van de bekomen gegevens overeenkomstig § 1, wordt, op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer, een globale berekening gemaakt na afloop van een cyclus van drie opeenvolgende kalenderjaren waarbij elk kalenderjaar slechts in één cyclus mag zitten.
Het verzoek bedoeld in het vorige lid gebeurt op het formulier "Uitkeringsaanvraag en persoonlijke aangifte van de kunstwerker" en moet op het werkloosheidsbureau aankomen ten laatste 24 maanden na het einde van de cyclus van drie jaren bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt het dagbedrag van het inkomen bedoeld in § 1, eerste lid, bekomen door het netto belastbare jaarinkomen van de drie betrokken kalenderjaren te delen door 936.
Als het inkomen een activiteit betreft die pas in de loop van de cyclus van drie kalenderjaren werd aangevat, of die in de loop van deze cyclus beëindigd werd, wordt het dagbedrag van het inkomen bekomen door het netto belastbare jaarinkomen van de drie betrokken kalenderjaren bedoeld in het vorige lid te delen door een aantal dagen dat evenredig is aan de periode gedurende dewelke de activiteit werd uitgeoefend tijdens de cyclus.
Daarna wordt het deel van het dagbedrag van dat inkomen bepaald dat het grensbedrag opgenomen in § 1, derde lid, overschrijdt.
Na vergelijking van het resultaat van de berekening die werd uitgevoerd overeenkomstig deze paragraaf en van die bekomen overeenkomstig § 1, wordt, in voorkomend geval, bepaald of het dagbedrag van de uitkering opnieuw moet worden verminderd of daarentegen bijpassingen op de uitkeringen moeten worden toegekend. ".
Art. 22. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 189, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 189. § 1er. Par dérogation à l'article 130, relÚve de l'application du présent article, le travailleur qui bénéficie du présent chapitre et qui perçoit au cours d'une année civile des revenus tirés de l'exercice d'une activité visée à l'article 188, § 1er.
Cet article ne s'applique qu'aux allocations de chÎmage qui sont situées dans la période durant laquelle le travailleur des arts bénéficie du présent chapitre.
Il est tenu compte de tous les revenus découlant directement ou indirectement de l'exercice de l'activité à l'exception du revenu tiré de l'exercice d'une occupation statutaire ou du revenu ou de la partie de celui-ci tiré de l'exercice d'une activité assujettie à la sécurité sociale des travailleurs salariés lorsque des retenues pour la sécurité sociale ont été effectivement opérées sur ce revenu ou sur la partie de celui-ci.
Le montant journalier de l'allocation est diminué de la partie du montant journalier du revenu qui excÚde 20,36 EUR. Le montant ainsi obtenu est arrondi au cent supérieur ou inférieur selon que la fraction du cent atteint ou n'atteint pas 0,5.
Le montant journalier du revenu visé à l'alinéa 1er est obtenu en divisant le revenu annuel net imposable par 312.
Si le revenu concerne une activité qui n'a été entamée qu'en cours d'année ou qui a pris fin en cours d'année, le montant journalier du revenu est obtenu en divisant le revenu annuel visé à l'alinéa précédent par un nombre de jours proportionnel à la période durant laquelle l'activité a été exercée.
§ 2. Sur la base des donnĂ©es obtenues conformĂ©ment au § 1er, un calcul global est, sur demande formelle du travailleur, en outre effectuĂ© au terme d'un cycle de 3 annĂ©es civiles consĂ©cutives oĂč chaque annĂ©e civile ne peut ĂȘtre comprise que dans un seul cycle.
La demande visée à l'alinéa précédent s'effectue sur le formulaire "Demande d'allocations et déclaration personnelle du travailleur des arts" et doit parvenir au bureau du chÎmage au plus tard 24 mois aprÚs la fin du cycle de 3 années visé à l'alinéa précédent.
Pour l'application de l'alinéa 1er le montant journalier du revenu visé au § 1er, alinéa 1er, est obtenu en divisant le revenu annuel net imposable des 3 années civiles concernées par 936.
Si le revenu concerne une activité qui n'a été entamée qu'au cours du cycle des 3 années civiles ou qui a pris fin au cours de ce cycle, le montant journalier du revenu est obtenu en divisant le revenu annuel net imposable des 3 années civiles concernées visé à l'alinéa précédent par un nombre de jours proportionnel à la période durant laquelle l'activité a été exercée au cours du cycle.
Il est ensuite déterminé la partie du montant journalier de ce revenu qui excÚde le montant limite repris au § 1er, alinéa 3.
AprĂšs comparaison du rĂ©sultat du calcul effectuĂ© conformĂ©ment au prĂ©sent paragraphe et de ceux obtenus conformĂ©ment au § 1er, il est dĂ©terminĂ©, le cas Ă©chĂ©ant, si le montant journalier de l'allocation doit une nouvelle fois ĂȘtre diminuĂ© ou si au contraire des complĂ©ments d'allocations doivent ĂȘtre allouĂ©s.".
Art. 23. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 190 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 190. In afwijking van artikel 111, eerste lid, bedraagt het gemiddeld dagloon dat dient als basis voor de berekening van de kunstwerkuitkering 1/156ste van de som van de brutolonen die werden ontvangen voor de activiteiten die vallen in de referteperiode die wordt bedoeld in artikel 182, § 1, eerste lid, 1°.
Er zal enkel rekening worden gehouden met de bedragen of voordelen die worden bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht én waarvoor socialezekerheidsbijdragen voor de sector werkloosheid zijn verschuldigd.
Het gemiddeld dagloon bedoeld in de vorige leden wordt in aanmerking genomen ten belope van het grensbedrag vermeld in artikel 111, tweede lid, 2°.
Wanneer het loon dat overeenkomstig de vorige leden is verkregen lager is dan het referteloon bedoeld in artikel 5 van het ministerieel besluit van 26 november 1991, wordt de kunstwerkuitkering berekend op basis van dat referteloon.".
Art. 23. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 190, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 190. Par dérogation à l'article 111, alinéa 1er, la rémunération journaliÚre moyenne qui sert de base au calcul de l'allocation du travail des arts est égale à 1/156Úme de la somme des rémunérations brutes perçues pour les activités qui sont situées dans la période de référence visée à l'article 182, § 1er, alinéa 1er, 1°.
Il ne sera tenu compte que des montants ou avantages visĂ©s Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 Ă©tablissant la notion uniforme de "rĂ©munĂ©ration journaliĂšre moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions et harmonisant certaines dispositions lĂ©gales pour lesquels des cotisations de sĂ©curitĂ© sociale pour le secteur chĂŽmage, sont dues.
La rémunération journaliÚre moyenne visée aux alinéas précédents est prise en considération à concurrence du montant limite mentionné à l'article 111, alinéa 2, 2°.
Lorsque la rĂ©munĂ©ration obtenue conformĂ©ment aux alinĂ©as prĂ©cĂ©dents est infĂ©rieure au salaire de rĂ©fĂ©rence visĂ© Ă  l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991, l'allocation du travail des arts est calculĂ©e sur la base de ce salaire de rĂ©fĂ©rence.".
Art. 24. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 191 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 191. § 1. In afwijking van artikel 114, § 1, heeft de kunstwerker tijdens de periode waarin hij de toepassing van dit hoofdstuk geniet in geval van volledige werkloosheid recht op de daguitkering die is voorzien voor de derde fase van de eerste vergoedingsperiode zoals voorzien in de bijlage van artikel 114, § 1, tweede lid.
§ 2. In afwijking van artikel 115, is het minimumdagbedrag van de kunstwerkuitkering tijdens de periode waarin hij de toepassing van dit hoofdstuk geniet vastgelegd op:
1° 39,87 euro voor de werknemer met gezinslast;
2° 35,13 euro voor de andere werknemers.".
Art. 24. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 191, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 191. § 1er. Par dérogation à l'article 114, § 1er, le travailleur des arts a droit, durant la période pendant laquelle il bénéficie de l'application du présent chapitre, en cas de chÎmage complet, à l'allocation journaliÚre prévue pour la troisiÚme phase de la premiÚre période d'indemnisation telle que prévue à l'annexe à l'article 114, § 1er, alinéa 2.
§ 2. Par dérogation à l'article 115, le montant journalier minimum de l'allocation du travail des arts est, durant la période pendant laquelle il bénéficie de l'application du présent chapitre, fixé à:
1° 39,87 euros pour le travailleur ayant charge de famille;
2° 35,13 euros pour les autres travailleurs.".
Art. 25. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 192 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 192. Artikel 116 is niet van toepassing op de werknemer die de toepassing van dit hoofdstuk geniet.".
Art. 25. med Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 192, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 192. L'article 116 n'est pas applicable au travailleur qui bénéficie du présent chapitre.".
Art. 26. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 193 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 193. In afwijking van artikel 118, wordt het gemiddeld dagloon dat in aanmerking werd genomen bij de toekenning van de kunstwerkuitkeringen op basis van artikel 182, § 1, behouden als berekeningsbasis van de kunstwerkuitkering tijdens de hele duur van de periode waarin de werknemer de toepassing van dit hoofdstuk geniet.
Deze berekeningsbasis kan echter op vraag van de werknemer worden herzien wanneer de werknemer een hernieuwingsaanvraag overeenkomstig artikel 182, § 2, indient en wanneer 1/78ste van de som van de brutolonen die werden ontvangen voor de activiteiten die vallen in een van de kwartalen die volledig vallen in de referteperiode bedoeld in artikel 182, § 2, eerste lid, 1°, recht geeft op een hogere berekeningsbasis.
De in het vorige lid bedoelde breuk wordt vastgesteld op 1/39ste in geval van toepassing van artikel 182, § 2, derde lid.".
Art. 26. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 193, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 193. Par dérogation à l'article 118, la rémunération journaliÚre moyenne qui a été prise en considération lors de l'octroi des allocations du travail des arts sur base de l'article 182, § 1er, est maintenue comme base de calcul de l'allocation du travail des arts pendant toute la durée de période durant laquelle le travailleur bénéfice de l'application du présent chapitre.
Toutefois cette base de calcul peut, Ă  la demande du travailleur, ĂȘtre revue lorsque le travailleur introduit une demande de renouvellement conformĂ©ment Ă  l'article 182, § 2, et qu'1/78Ăšme de la somme des rĂ©munĂ©rations brutes perçues pour les activitĂ©s qui sont situĂ©es dans un des trimestres entiĂšrement situĂ©s dans la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence visĂ©e Ă  l'article 182, § 2, alinĂ©a 1er, 1°, donne droit Ă  une base de calcul supĂ©rieure.
La fraction visée à l'alinéa précédent est fixée à 1/39Úme en cas d'application de l'article 182, § 2, alinéa 3.".
Art. 27. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 194 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 194. Tijdens de periode waarin hij de toepassing van dit hoofdstuk geniet wordt de kunstwerker vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 58, § 1, tweede lid.
In afwijking van artikel 58/2, eerste lid, is de procedure van de controle van de actieve beschikbaarheid niet van toepassing op de kunstwerker tijdens de periode waarin hij de toepassing van dit hoofdstuk geniet.
De kunstwerker moet tijdens de periode waarin hij de toepassing van dit hoofdstuk geniet, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs leveren van die inschrijving overeenkomstig artikel 58.".
Art. 27. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 194, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 194. Durant la période pendant laquelle il bénéficie de l'application du présent chapitre, le travailleur des arts est dispensé des obligations visées à l'article 58, § 1er, alinéa 2.
Par dérogation à l'article 58/2, alinéa 1er, la procédure de contrÎle de la disponibilité active n'est pas applicable au travailleur des arts durant la période pendant laquelle il bénéficie de l'application du présent chapitre.
Le travailleur des arts doit, durant la pĂ©riode pendant laquelle il bĂ©nĂ©ficie de l'application du prĂ©sent chapitre, ĂȘtre et rester inscrit comme demandeur d'emploi et apporter la preuve de cette inscription conformĂ©ment Ă  l'article 58.".
Art. 28. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 195 toegevoegd, luidende als volgt:
"Artikel 195. § 1. Deze paragraaf is enkel van toepassing op de werknemer van wie het bedrag van de werkloosheidsuitkering op 30 september 2022 wordt vastgelegd conform artikel 116, § 5, of 116, § 5bis.
De werknemer bedoeld in het vorige lid geniet de toepassing van hoofdstuk XII en wordt op 1 oktober 2022 ambtshalve toegelaten tot het recht op kunstwerkuitkeringen.
De ambtshalve toelating bedoeld in het vorige lid betreft een éénmalige toelating die in ieder geval ingaat op 1 oktober 2022.
De werknemer bedoeld in de vorige leden wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 182, § 1, eerste lid.
In afwijking van artikel 190, eerste lid, is voor de werknemer bedoeld in de vorige leden het gemiddeld dagloon dat dient als basis voor de berekening van de kunstwerkuitkering het gemiddeld dagloon dat diende als basis voor de berekening van de werkloosheidsuitkering waarop die werknemer recht had op 30 septembre 2022.
De werknemer die overeenkomstig de vorige leden is toegelaten tot het genot van hoofdstuk XII wordt voor de toepassing van dit besluit en van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, beschouwd als een kunstwerker.
Onverminderd de toepassing van artikel 184, § 2, heeft de werknemer van wie het bedrag van de werkloosheidsuitkering op 30 september 2022 overeenkomstig artikel 116, § 5, of 116, § 5bis, wordt vastgesteld en die afziet van het genot van de eerste toepassingsperiode van hoofdstuk XII, op zijn vraag recht op de daguitkering vastgelegd overeenkomstig de tabel in bijlage bij artikel 114 § 1, tweede lid, rekening houdend met het feit dat het begin van de eerste fase van de in artikel 114 bedoelde tweede vergoedingsperiode een aanvang neemt op 1 oktober 2022.
De verzaking bedoeld in het vorige lid moet vooraf gebeuren door middel van een schriftelijke verklaring ingediend bij de uitbetalingsinstelling, die ze overmaakt aan het werkloosheidsbureau. Als ze niet vooraf gebeurt, begint ze op de dag waarop ze aankomt op het werkloosheidsbureau.
§ 2. Deze paragraaf is enkel van toepassing op de werknemer die niet is bedoeld in § 1.
In afwijking van artikel 182, § 1, eerste lid, 1°, geniet de werknemer de toepassing van hoofdstuk XII en wordt hij toegelaten tot het recht op kunstwerkuitkeringen indien hij het bewijs levert dat hij tijdens een referteperiode van 24 maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag ten minste 156 voltijdse arbeidsdagen heeft gepresteerd in de zin van artikel 37, zoals dat luidde op 30 september 2022, waarvan ten minste 104 voltijdse arbeidsdagen ingevolge artistieke activiteiten in de zin van artikel 27, 10°, zoals dat luidde op 30 september 2022 en/of ingevolge technische activiteiten in de artistieke sector in het kader van arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur in de zin van artikel 116, § 8, zoals dat luidde op 30 september 2022.
Voor de toepassing van het vorige lid zijn de regels volgens dewelke de arbeidsprestaties worden omgezet in arbeidsdagen de regels die werden bepaald conform artikel 37, zoals ze van kracht waren op 30 september 2022.
Om het aantal arbeidsdagen bedoeld in het tweede lid te bepalen, wordt evenwel geen rekening gehouden met de dagen bedoeld in artikel 38 noch met de dagen waarvoor de werknemer een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen in toepassing van artikel 6 van de wet van 15 juli 2020 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector of in toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 januari 2022 tot verbetering van de toestand van de werknemers in de culturele sector in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19.
De referteperiode van vierentwintig maanden bedoeld in het tweede lid wordt verlengd met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.
De werknemer die voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid en die een aanvraag indient conform artikel 182, § 1, eerste lid, 3°, wordt geacht te voldoen aan artikel 182, § 1, eerste lid, 2°.
In afwijking van artikel 190, eerste lid, wordt voor de werknemer bedoeld in deze paragraaf, het gemiddeld dagloon dat dient als basis voor de berekening van de kunstwerkuitkering vastgelegd conform hoofdstuk IV.
De werknemer die overeenkomstig de voorgaande leden is toegelaten tot het genot van hoofdstuk XII wordt voor de toepassing van dit besluit en van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, beschouwd als een kunstwerker.
§ 3. In afwijking van artikel 188, § 2, blijft de werknemer bedoeld in § § 1 en 2 onderworpen aan artikel 48bis, § 2, leden 6 tot 13, zoals ze van kracht waren op 30 september 2022.".
Art. 28. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, est insĂ©rĂ© un article 195, rĂ©digĂ© comme suit:
"Article 195. § 1er. Le présent paragraphe est uniquement d'application au travailleur dont le montant de l'allocation de chÎmage est, au 30 septembre 2022, fixé conformément à l'article 116, § 5, ou 116, § 5bis.
Le travailleur visé à l'alinéa précédent bénéfice de l'application du chapitre XII et est, au 1er octobre 2022, admis d'office au bénéfice des allocations du travail des arts.
L'octroi d'office visé à l'alinéa précédent constitue un octroi unique qui, dans tous les cas, prend effet au 1er octobre 2022.
Le travailleur visé aux alinéas précédents est considéré satisfaire aux conditions prévues à l'article 182, § 1er, alinéa 1er.
Par dérogation à l'article 190, alinéa 1er, pour le travailleur aux alinéas précédents, la rémunération journaliÚre moyenne qui sert de base au calcul de l'allocation du travail des arts est celle qui servait de base de calcul à l'allocation de chÎmage à laquelle ce travailleur avait droit au 30 septembre 2022.
Le travailleur qui a Ă©tĂ© admis au bĂ©nĂ©fice du chapitre XII conformĂ©ment aux alinĂ©as prĂ©cĂ©dents est, pour l'application cet arrĂȘtĂ© et de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage, considĂ©rĂ© comme un travailleur des arts.
Sans préjudice de l'application de l'article 184, § 2, le travailleur dont le montant de l'allocation de chÎmage est, au 30 septembre 2022, est fixé conformément à l'article 116, § 5, ou 116, § 5bis, et qui renonce au bénéfice de la premiÚre période d'application du chapitre XII a droit, à sa demande, à une allocation journaliÚre fixée conformément au tableau annexe à l'article 114, § 1er, alinéa 2, en tenant compte du fait que le début de la premiÚre phase de la seconde période d'indemnisation visée à l'article 114 se situe le 1er octobre 2022.
La renonciation visĂ©e Ă  l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit s'effectuer prĂ©alablement au moyen d'une dĂ©claration Ă©crite introduite auprĂšs de l'organisme de paiement qui la transmet au bureau du chĂŽmage. A dĂ©faut d'ĂȘtre prĂ©alable, elle ne prend cours que le jour oĂč elle parvient au bureau du chĂŽmage.
§ 2. Le présent paragraphe est uniquement d'application au travailleur qui n'est pas visé au § 1er.
Par dérogation à l'article 182, § 1er, alinéa 1er, 1°, le travailleur bénéficie de l'application du chapitre XII et est admis au bénéfice des allocations du travail des arts s'il apporte la preuve d'avoir presté, dans une période de référence de 24 mois précédant la demande d'allocations, au moins 156 jours de travail à temps plein au sens de l'article 37 tel qu'il était en vigueur au 30 septembre 2022 dont au moins 104 jours de travail à temps plein suite à des activités artistiques au sens de l'article 27, 10°, tel qu'il était en vigueur au 30 septembre 2022 et/ou suite à des activités techniques dans le secteur artistique dans le cadre de contrats de travail de trÚs courte durée au sens de l'article 116, § 8, tel qu'il était en vigueur au 30 septembre 2022.
Pour l'application de l'alinéa précédent, les rÚgles suivant lesquelles les prestations de travail sont converties en journées de travail sont celles déterminées conformément à l'article 37 telles qu'elles étaient en vigueur au 30 septembre 2022.
Pour dĂ©terminer le nombre de journĂ©es de travail visĂ©es Ă  l'alinĂ©a 2, il n'est toutefois pas tenu compte des journĂ©es visĂ©es Ă  l'article 38 ni des journĂ©es pour lesquels le travailleur a bĂ©nĂ©ficiĂ© d'une allocation de chĂŽmage en application de l'article 6 de la loi du 15 juillet 2020 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel ou en application de l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 2022 amĂ©liorant la situation des travailleurs du secteur culturel dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19.
La période de référence de vingt-quatre mois visée à l'alinéa 2 est prolongée par les journées situées dans la période d'incapacité de travail qui a donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, ou d'une indemnité en réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles, si la durée ininterrompue de cette période s'élÚve à au moins 3 mois.
Le travailleur qui remplit la condition visée à l'alinéa 2 et qui introduit une demande conformément à l'article 182, § 1er, alinéa 1er, 3°, est censé satisfaire à l'article 182, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'article 190, alinéa 1er, pour le travailleur visé par ce paragraphe, la rémunération journaliÚre moyenne qui sert de base au calcul de l'allocation du travail des arts est déterminée conformément au chapitre IV.
Le travailleur qui a Ă©tĂ© admis au bĂ©nĂ©fice du chapitre XII conformĂ©ment aux alinĂ©as prĂ©cĂ©dents est, pour l'application de cet arrĂȘtĂ© et de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage, considĂ©rĂ© comme un travailleur des arts.
§ 3. Par dérogation à l'article 188, § 2, le travailleur visé aux § § 1 et 2 reste soumis à l'article 48bis, § 2, alinéas 6 à 13, tel qu'ils étaient en vigueur au 30 septembre 2022.".
Art. 29. In hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt een artikel 196 toegevoegd, luidende als volgt:
"Art. 196. De minister is belast met de uitvoering van dit hoofdstuk.".
Art. 29. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, il est insĂ©rĂ© un article 196, rĂ©digĂ© comme suit:
"Art. 196. Le ministre est chargé de l'exécution du présent chapitre.".
Art. 30. In artikel 1 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1, in 7°, wordt een littera c) ingevoegd, luidende:
"c) de kunstwerker die de toepassing van hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 november 1991 geniet en die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst.";
2° in 11° worden de woorden "de kunstwerkuitkering" ingevoegd tussen het woord "PWA-inkomensgarantie-uitkering" en het woord "en";
3° het punt 18° wordt opgeheven;
4° een 20° wordt ingevoegd, luidende:
"20° kunstwerker: werknemer die door de kunstwerkcommissie als dusdanig is erkend en die beschikt over een geldig kunstwerkattest;";
5° een 21° wordt ingevoegd, luidende:
"21° Kunstwerkcommissie: de commissie bedoeld in de wet tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;";
6° een 22° wordt ingevoegd, luidende:
"22° individueel kunstwerkattest: het kunstwerkattest "plus" en het kunstwerkattest "starter" die door de kunstwerkcommissie afgeleverd worden;";
7° een 23° wordt ingevoegd, luidende:
"23° kunstwerkuitkering: de uitkering die wordt toegekend aan de werknemer bedoeld in 20° en die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in hoofdstuk XII van het koninklijk besluit.".
Art. 30. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage, les modifications suivantes sont apportĂ©es:
1° dans le 7°, un litera c) est inséré, rédigé comme suit:
"c) le travailleur des arts qui bénéficie de l'application du chapitre XII et qui n'est pas lié par un contrat de travail.";
2° dans le 11° les mots "l'allocation du travail des arts" sont insérés entre le mot "ALE" et le mot "et";
3° le 18° est abrogé;
4° un 20° est inséré, rédigé comme suit:
"20° travailleur des arts: travailleur reconnu comme tel par la Commission du travail des arts et disposant d'une attestation du travail des arts en cours de validité;";
5° un 21° est inséré, rédigé comme suit:
"21° Commission du travail des arts: la loi portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;";
6° un 22° est inséré, rédigé comme suit:
"22° attestation individuelle du travail des arts: l'attestation du travail des arts "plus" et l'attestation du travail des arts "débutant" délivrées par la Commission du travail des arts;";
7° un 23° est inséré, rédigé comme suit:
"23° allocation du travail des arts: l'allocation qui est octroyĂ©e au travailleur visĂ© au 20° et satisfaisant aux conditions visĂ©es au chapitre XII de l'arrĂȘtĂ© royal.".
Art. 31. Artikel 10 van hetzelfde ministerieel besluit van 26 november 1991 wordt opgeheven.
Art. 31. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 est abrogĂ©.
Art. 32. Artikel 31 van hetzelfde ministerieel besluit van 26 november 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Art. 31. Voor de kunstwerker die de toepassing van hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 november 1991 geniet, wordt een betrekking aangeboden in een beroep dat niet tot de kunstsector behoort als niet passend beschouwd.".
Art. 32. L'article 31 du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991, est remplacĂ© par la disposition suivante:
"Art. 31. Pour le travailleur des arts qui bénéficie des dispositions du présent chapitre, un emploi offert dans profession qui ne ressort pas du secteur des arts est réputé non convenable.".
Art. 33. In artikel 71, § 1, tweede lid, van hetzelfde ministerieel besluit van 26 november 1991, gewijzigd door het ministerieel besluit van 7 februari 2014, worden de woorden " § 1bis en § 1ter," geschrapt.
Art. 33. A l'article 71, § 1er, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 7 fĂ©vrier 2014, les mots " § 1bis et § 1ter," sont supprimĂ©s.
Art. 34. Artikel 87 van hetzelfde ministerieel besluit van 26 november 1991, wordt vervolledigd met een derde lid, luidende als volgt:
'Wanneer de werknemer bedoeld in artikel 1, 20°, een formulier indient bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 133, § 1, 16°, van het koninklijk besluit, voegt hij bij zijn uitkeringsaanvraag het formulier: "Uitkeringsaanvraag en persoonlijke aangifte van de kunstwerker" waarvan de Rijksdienst het model en de inhoud opstelt na advies van het beheerscomité.'.
Art. 34. L'article 87 du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991, est complĂ©tĂ© d'un alinĂ©a 3, rĂ©digĂ© comme suit:
"Lorsque le travailleur visĂ© Ă  l'article 1er, 20°, introduit un formulaire visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er en application de l'article 133, § 1er, 16°, de l'arrĂȘtĂ© royal, il joint Ă  sa demande d'allocations le formulaire "Demande d'allocations et dĂ©claration personnelle du travailleur des arts" dont le modĂšle et le contenu sont Ă©tablis par l'Office aprĂšs avis du ComitĂ© de gestion.".
Art. 35. med. De minister bevoegd voor Werk kan de bepalingen van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering die door de artikelen 30 tot 34 van dit besluit worden gewijzigd, opheffen, aanvullen, vervangen of wijzigen.
Art. 35. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions peut abroger, complĂ©ter, remplacer ou modifier les dispositions de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage qui sont modifiĂ©es par les articles 30 Ă  34 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 36. De door dit besluit opgeheven bepalingen blijven van toepassing op situaties die zich voordeden vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 36. Les dispositions abrogĂ©es par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© reste d'application pour les situations survenues avant la date d'entrĂ©e en vigueur de cet arrĂȘtĂ©.
Art. 37. De werknemer die op 30 september 2022 een artistieke nevenactiviteit uitoefende conform artikel 48bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zoals dat luidde op 30 september 2022, wordt voor die artistieke activiteit zoals aangegeven in toepassing van artikel 48bis, § 1, geacht te voldoen aan de voorwaarde van artikel 48, § 1, eerste lid, 2°, op voorwaarde dat:
1° hij die activiteit aangeeft overeenkomstig artikel 48, § 1, eerste lid, 1°;
2° hij een uitkering volledige werkloosheid heeft ontvangen in de periode van 1 oktober 2019 tot 30 september 2022;
3° hij niet de toepassing heeft genoten van hoofdstuk XII en er ook niet aan verzaakt heeft overeenkomstig artikel 184, § 2, of 195, § 1, zevende lid.
Voor de werknemer bedoeld in het vorige lid betreft de voortzetting na 30 september 2022 van de uitoefening van de artistieke activiteit bedoeld in het vorige lid op 1 oktober 2022 een wijziging in zijn persoonlijke of familiale toestand in de zin van de artikelen 133, § 2, 5°, en 134, § § 1 en 2.
Art. 37. Le travailleur qui au 30 septembre 2022 exerçait une activitĂ© artistique accessoire conformĂ©ment Ă  l'article 48bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage tel qu'il Ă©tait en vigueur au 30 septembre 2022, est, considĂ©rĂ©, pour cette activitĂ© artistique telle qu'elle a Ă©tĂ© dĂ©clarĂ©e en application de l'article 48bis, § 1er, satisfaire Ă  la condition de l'article 48, § 1er, alinĂ©a 1er, 2°, pour autant:
1° qu'il déclare cette activité conformément à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 1°;
2° qu'il ait perçu une allocation de chÎmage complet dans la période du 1er octobre 2019 au 30 septembre 2022;
3° qu'il n'ait pas bénéficié du chapitre XII ou qu'il n'y ait pas renoncé conformément aux articles 184, § 2, ou 195, § 1er, alinéa 7.
Pour le travailleur visé à l'alinéa précédent, la poursuite aprÚs le 30 septembre 2022 de l'exercice de l'activité artistique visée à l'alinéa précédent constitue, un événement modificatif survenu, au 1er octobre 2022, dans sa situation personnelle ou familiale au sens de l'article 133, § 2, 5°, et 134, § § 1er et 2.
Art. 38. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2022.
In afwijking van het vorige lid treedt artikel 22 in die zin dat het een artikel 189, § 2, invoegt in werking op 1 januari 2023.
In afwijking van het vorige lid treedt artikel 28 buiten werking op [1 op de datum van inwerkingtreding van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers]1.
Art. 38. Cet arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er octobre 2022.
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'article 22 en ce qu'il insÚre un article 189, § 2, entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a 1er, l'article 28 cesse d'ĂȘtre en vigueur [1 Ă  la date d'entrĂ©e en vigueur de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 portant crĂ©ation de la Commission du travail des arts et amĂ©liorant la protection sociale des travailleurs des arts]1.
Art. 39. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 39. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.