Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 DECEMBER 2022. - Programmawet (I)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2022 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
26 DECEMBRE 2022. - Loi-programme (I)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2022 et mise à jour au 29-07-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Begroting
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 22 m...
TITEL 3. - Energie
HOOFDSTUK 1. - Toekenning van een toelage voor ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 12 ap...
TITEL 4. - Werk
HOOFDSTUK 1. - Aanwezigheidsregistratie voor on...
Afdeling 1. - Definities
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Afdeling 3. - Elektronisch aanwezigheidsregistr...
Afdeling 4. - Registratiegegevens en verwerking...
Onderafdeling 1. - Registratiegegevens
Onderafdeling 2. - Verwerkingsverantwoordelijke
Onderafdeling 3. - Finaliteiten van de aanwezig...
Onderafdeling 4. - Bewaartermijn van de gegevens
Onderafdeling 5. - Consultatie en meedelen van ...
Onderafdeling 6. - Recht tot toegang en rechtze...
Onderafdeling 7. - Transparantie
Onderafdeling 8. - Veiligheid
Onderafdeling 9. - Verplichtingen van de aannem...
Onderafdeling 10. - Verplichtingen ten hoofde v...
Onderafdeling 11. - Verplichtingen ten hoofde v...
Afdeling 5. - Sancties
Onderafdeling 1. - Toezicht
Onderafdeling 2. - Wijzigingen van het Sociaal ...
Afdeling 6. - Wijzigingen van de programmawet v...
Afdeling 7. - Slotbepaling en inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 27 ju...
Afdeling 1. - Aangifte van activiteiten in de S...
Afdeling 2. - Gelegenheidswerk in de begrafenis...
Afdeling 3. - Verlenging verjaringstermijn fraude
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 3. - Onrechtmatig betaalde uitkeringe...
HOOFDSTUK 4. - Afschaffen van de terugbetaling ...
TITEL 5. - Volksgezondheid
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen met betrekking tot de...
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffend...
Onderafdeling 1. - Referentieterugbetalingssysteem
Onderafdeling 2. - Maximumfactuur
Onderafdeling 3. - Aanpassing van de begrotings...
Onderafdeling 4. - Inkomsten van de verplichte ...
Onderafdeling 5. - Heffingen op de omzet
Onderafdeling 6. - Bijdrage op marketing
Onderafdeling 7. - RIZIV farmaceutische taksmod...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 27 apr...
Afdeling 3. - Uitzondering op prijsdalingen voo...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 8 jul...
HOOFDSTUK 3. - Financiering van het Federaal Ag...
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 20 jul...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 22 dec...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 8 februa...
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 15 jun...
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
TITEL 6. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
Afdeling 1. - Hervorming fiscaal regime auteurs...
Afdeling 2. - Opheffing van de belastingvermind...
Afdeling 3. - Beperking van de aftrek van de ja...
Afdeling 4. - Opheffing van de aftrek voor risi...
Afdeling 5. - Tijdelijke aanpassing korf met he...
Afdeling 6. - Wijziging van de berekening van h...
Afdeling 7. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen betreffende accijnzen
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet van...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de programmawet v...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 april ...
TITEL 7. - Pensioenen
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de programmawet...
TITEL 8. - Sociale zaken
HOOFDSTUK 1. - Competitiviteit
HOOFDSTUK 2. - Opeenvolgende dagcontracten in d...
HOOFDSTUK 3. - Uitbreiding toepassingsgebied va...
HOOFDSTUK 4. - Maatregel aangaande de personeel...
HOOFDSTUK 5. - Uitkerings- en moederschapsverze...
Afdeling 1. - Toekenning van een werkhervatting...
Afdeling 2. - Vaststelling van de moederschapsu...
Afdeling 3. - Aanwerving van bijkomende "Terug ...
HOOFDSTUK 6. - Financieringssysteem voor het in...
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffend...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 5 sept...
Afdeling 3. - Wijziging van het Sociaal Strafwe...
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 7. - Stelsel van werkloosheid met bed...
HOOFDSTUK 8. - Bijzondere activeringsbijdrage
HOOFDSTUK 9. - Alternatieve financiering - Afwi...
HOOFDSTUK 10. - Alternatieve financiering - Afw...
HOOFDSTUK 11. - Alternatieve financiering - Afw...
TITEL 9. - Zelfstandigen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 30 de...
HOOFDSTUK 2. - Primostarter na arbeidsongeschik...
HOOFDSTUK 3. - Overbruggingsrecht ten gunste va...
Afdeling 1. - Inleidende bepalingen
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Afdeling 3. - Voorwaarden
Afdeling 4. - Toekenningsperiode
Afdeling 5. - Nadere uitvoeringsregels
Onderafdeling 1. - De aanvraagprocedure
Onderafdeling 2. - De beslissing
Onderafdeling 3. - Het bedrag van de financiële...
Onderafdeling 4. - Wijzigingen
Onderafdeling 5. - Cumul 1/ Cumul met een beroe...
Onderafdeling 6. - Terugvordering
Onderafdeling 7. - Verjaring
Onderafdeling 8. - Delegatiebepaling
Afdeling 6. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 7. - Opheffings- en overgangsbepalingen
Afdeling 8. - Inwerkingtreding
BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE Ier. - Disposition générale
TITRE 2. - Budget
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 22...
TITRE 3. - Energie
CHAPITRE 1er. - Octroi d'une allocation pour l'...
CHAPITRE 2.. - Modifications de la loi du 12 av...
TITRE 4. - Travail
CHAPITRE 1er. - Enregistrement des présences po...
Section 1re. - Définitions
Section 2. - Champ d'application
Section 3. - Système électronique d'enregistrem...
Section 4. - Données d'enregistrement et leur t...
Sous-section 1re. - Données d'enregistrement
Sous-section 2. - Responsables du traitement
Sous-section 3. - Finalités de l'enregistrement...
Sous-section 4. - Durée de conservation des don...
Sous-section 5. - Consultation et communication...
Sous-section 6. - Droit d'accès et de rectifica...
Sous-section 7. - Transparence
Sous-section 8. - Sécurité
Sous-section 9. - Obligations à charge des entr...
Sous-section 10. - Obligations à charge des per...
Sous-section 11. - Obligations à charge de l'ut...
Section 5. - Sanctions
Sous-section 1re. - Surveillance
Sous-section 2. - Modifications du Code pénal s...
Section 6. - Modifications de la loi-programme ...
Section 7. - Disposition finale et entrée en vi...
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 27 jui...
Section 1re. - Déclaration des travaux. - secte...
Section 2. - Travail occasionnel dans le secteu...
Section 3. - Prolongation du délai de prescript...
Section 4. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 3. - Allocations versées indûment en c...
CHAPITRE 4. - Suppression du remboursement des ...
TITRE 5. - Santé publique
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives à l'assu...
Section 1re. - Modifications de la loi relative...
Sous-section 1re. - Système de remboursement de...
Sous-section 2. - Maximum à facturer
Sous-section 3. - Adaptation de l'objectif budg...
Sous-section 4. - Ressources de l'assurance obl...
Sous-section 5. - Cotisations sur le chiffre d'...
Sous-section 6. - Contribution sur le marketing
Sous-section 7. - Modulation des taxes pharmace...
Section 2. - Modifications de la loi du 27 avri...
Section 3. - Exception aux réductions de prix p...
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 8 juil...
CHAPITRE 3. - Financement de l'Agence fédérale ...
Section 1re. - Modifications de la loi du 20 ju...
Section 2. - Modifications de la loi du 22 déce...
Section 3. - Modification de la loi du 8 févrie...
Section 4. - Modifications de la loi du 15 juin...
Section 5. - Entrée en vigueur
TITRE 6. - Finances
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Section 1re. - Réforme du régime fiscal des dro...
Section 2. - Suppression de la réduction d'impô...
Section 3. - Limitation de la déduction de la t...
Section 4. - Suppression de la déduction pour c...
Section 5. - Adaptation temporaire corbeille en...
Section 6. - Modification du calcul de la quoti...
Section 7. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 2. - Modifications relatives aux accises
Section 1re. - Modification de la loi-programme...
Section 2. - Modifications de la loi-programme ...
Section 3. - Modification de la loi du 3 avril ...
TITRE 7. - Pensions
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi-progr...
TITRE 8. - Affaires sociales
CHAPITRE 1er. - Compétitivité
CHAPITRE 2. - Contrats journaliers consécutifs ...
CHAPITRE 3. - Extension du champ d'application ...
CHAPITRE 4. - Mesure concernant la pénurie de p...
CHAPITRE 5. - Assurance indemnités et maternité
Section 1re. - Octroi d'une prime de reprise du...
Section 2. - Fixation de l'indemnité de materni...
Section 3. - Recrutement de "Coordinateurs Reto...
CHAPITRE 6. - Système de financement pour l'ach...
Section 1re. - Modifications de la loi relative...
Section 2. - Modifications de la loi du 5 septe...
Section 3. - Modification du Code pénal social
Section 4. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 7. - Régime de chômage avec complément...
CHAPITRE 8. - Cotisation spéciale d'activation
CHAPITRE 9. - Financement alternatif - Dérogati...
CHAPITRE 10. - Financement alternatif - Dérogat...
CHAPITRE 11. - Financement alternatif - Dérogat...
TITRE 9. - Indépendants
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 30 d...
CHAPITRE 2. - Primo-starter après une incapacit...
CHAPITRE 3. - Un droit passerelle en faveur des...
Section 1re. - Dispositions introductives
Section 2. - Champ d'application
Section 3. - Conditions
Section 4. - Période d'octroi
Section 5. - Modalités d'exécution
Sous-section 1re. - La procédure de demande
Sous-section 2. - La décision
Sous-section 3. - Le montant de la prestation f...
Sous-section 4. - Modifications
Sous-section 5. - Cumul 1/ Cumul avec une activ...
Sous-section 6. - Récupération
Sous-section 7. - Prescription
Sous-section 8. - Disposition de délégation
Section 6. - Dispositions modificatives
Section 7. - Dispositions abrogatoires et trans...
Section 8. - Entrée en vigueur
ANNEXES.
Tekst (333)
Texte (333)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE Ier. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Begroting
TITRE 2. - Budget
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'état fédéral
Art. 2. Artikel 46 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 september 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende: "8° een verslag over de in het lopende jaar afgeronde spending reviews, de acties die hieraan worden gekoppeld en een planning voor de uit te voeren spending reviews,";
2° het wordt aangevuld met een lid, luidende: "Het in het eerste lid, 8°, bedoelde "spending review" wordt gedefinieerd als "een collaboratief proces van het ontwikkelen en aannemen van beleidsopties door het analyseren van de bestaande overheidsuitgaven en het bestaande overheidsbeleid op bepaalde domeinen, en het koppelen van deze opties aan het begrotingsproces.".
1° het wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende: "8° een verslag over de in het lopende jaar afgeronde spending reviews, de acties die hieraan worden gekoppeld en een planning voor de uit te voeren spending reviews,";
2° het wordt aangevuld met een lid, luidende: "Het in het eerste lid, 8°, bedoelde "spending review" wordt gedefinieerd als "een collaboratief proces van het ontwikkelen en aannemen van beleidsopties door het analyseren van de bestaande overheidsuitgaven en het bestaande overheidsbeleid op bepaalde domeinen, en het koppelen van deze opties aan het begrotingsproces.".
Art. 2. A l'article 46 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, modifié en dernier lieu par la loi du 12 septembre 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° il est complété par le 8° rédigé comme suit: "8° un rapport sur les spending reviews effectués pendant l'année en cours, les actions qui y sont liées et un calendrier pour les spending reviews à effectuer,";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit: "par "spending review" visé à l'alinéa 1er, 8°, on entend "un processus collaboratif de développement et d'adoption d'options politiques en analysant les dépenses et politiques existantes du gouvernement dans des domaines définis, et en reliant ces options au processus budgétaire.".
1° il est complété par le 8° rédigé comme suit: "8° un rapport sur les spending reviews effectués pendant l'année en cours, les actions qui y sont liées et un calendrier pour les spending reviews à effectuer,";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit: "par "spending review" visé à l'alinéa 1er, 8°, on entend "un processus collaboratif de développement et d'adoption d'options politiques en analysant les dépenses et politiques existantes du gouvernement dans des domaines définis, et en reliant ces options au processus budgétaire.".
TITEL 3. - Energie
TITRE 3. - Energie
HOOFDSTUK 1. - Toekenning van een toelage voor het aanschaffen van pellets in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning
CHAPITRE 1er. - Octroi d'une allocation pour l'acquisition de pellets en vrac destinés au chauffage d'une habitation privée
Art. 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder:
1° "woning": ieder gebouw of deel van een gebouw dat zich in België bevindt en geheel of gedeeltelijk gebruikt wordt als individuele particuliere hoofdverblijfplaats of deel uitmaakt van een gemeenschappelijke eigendom;
2° "rechthebbende": de bewoner van de woning uit hoofde van een onroerend zakelijk recht of van een persoonlijk recht, zijnde een overeenkomst van onroerende verhuur, waarvan het hoofdverwarmingssysteem pelletverwarming is, die de prijs voor de levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming van deze woning betaalt en die op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag niet in aanmerking komt en geen aanvraag heeft ingediend voor de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning, noch voor een federale gaspremie en die geen sociaal gastarief heeft genoten in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen;
3° "pellets in bulk": een hoeveelheid pellets van minimum 500 kg die door een bedrijf per blaaswagen of op pallets worden geleverd;
4° "beheerder van de gemeenschappelijke eigendom": natuurlijke of rechtspersoon die de gemeenschappelijke eigendom beheert;
5° "gezin": de natuurlijke persoon die doorgaans alleen woont of de personen die doorgaans dezelfde woning betrekken en er samen wonen, waarbij de samenstelling van het gezin bepaald wordt op basis van de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen;
6° "Rijksregister": het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
7° "FOD Economie": de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
8° "formulier model A": formulier dat gebruikt wordt door de rechthebbende die een individuele woning betrekt en dat beschikbaar is op de website van de FOD Economie;
9° "formulier model B": formulier dat gebruikt wordt door de rechthebbende die een woning met gemeenschappelijke eigendom betrekt en dat beschikbaar is op de website van de FOD Economie;
10° "onderneming": de onderneming die pellets in bulk levert.
1° "woning": ieder gebouw of deel van een gebouw dat zich in België bevindt en geheel of gedeeltelijk gebruikt wordt als individuele particuliere hoofdverblijfplaats of deel uitmaakt van een gemeenschappelijke eigendom;
2° "rechthebbende": de bewoner van de woning uit hoofde van een onroerend zakelijk recht of van een persoonlijk recht, zijnde een overeenkomst van onroerende verhuur, waarvan het hoofdverwarmingssysteem pelletverwarming is, die de prijs voor de levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming van deze woning betaalt en die op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag niet in aanmerking komt en geen aanvraag heeft ingediend voor de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning, noch voor een federale gaspremie en die geen sociaal gastarief heeft genoten in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen;
3° "pellets in bulk": een hoeveelheid pellets van minimum 500 kg die door een bedrijf per blaaswagen of op pallets worden geleverd;
4° "beheerder van de gemeenschappelijke eigendom": natuurlijke of rechtspersoon die de gemeenschappelijke eigendom beheert;
5° "gezin": de natuurlijke persoon die doorgaans alleen woont of de personen die doorgaans dezelfde woning betrekken en er samen wonen, waarbij de samenstelling van het gezin bepaald wordt op basis van de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen;
6° "Rijksregister": het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
7° "FOD Economie": de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
8° "formulier model A": formulier dat gebruikt wordt door de rechthebbende die een individuele woning betrekt en dat beschikbaar is op de website van de FOD Economie;
9° "formulier model B": formulier dat gebruikt wordt door de rechthebbende die een woning met gemeenschappelijke eigendom betrekt en dat beschikbaar is op de website van de FOD Economie;
10° "onderneming": de onderneming die pellets in bulk levert.
Art. 3. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° "habitation": tout bâtiment ou partie de bâtiment situé en Belgique et utilisé en tout ou en partie comme résidence principale privée individuelle ou faisant partie d'une copropriété;
2° "ayant droit": l'occupant de l'habitation en vertu d'un droit réel immobilier ou d'un droit personnel qu'est le contrat de louage d'immeubles, dont le chauffage principal est un chauffage aux pellets, qui acquitte le prix de la fourniture de pellets en vrac destiné au chauffage de cette habitation et qui, au moment de l'introduction de sa demande, n'est pas éligible et n'a pas introduit de demande pour l'allocation octroyée pour l'acquisition de gasoil ou de propane en vrac destinés au chauffage d'une habitation privée ni pour la prime fédérale de gaz et qui n'a pas bénéficié du tarif social gaz au sens de l'article 15/10, § 2/2, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations;
3° "pellets en vrac": une quantité de pellets d'au moins 500 kg livrée par une entreprise par camion-souffleur ou sur des palettes;
4° "gestionnaire de copropriété": personne physique ou morale qui gère la copropriété;
5° "ménage": la personne physique qui vit habituellement seule ou les personnes qui occupent habituellement le même logement et y vivent ensemble, la composition de la famille étant déterminée sur la base des données du Registre national des personnes physiques;
6° "Registre national": le Registre national des personnes physiques établi par la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
7° "SPF Economie": le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie;
8° "formulaire type A": formulaire utilisé par l'ayant droit occupant un logement individuel et qui est disponible sur le site internet du SPF Economie;
9° "formulaire type B": formulaire utilisé par l'ayant droit occupant un logement en copropriété et qui est disponible sur le site internet du SPF Economie;
10° "entreprise": l'entreprise distributrice de pellets en vrac.
1° "habitation": tout bâtiment ou partie de bâtiment situé en Belgique et utilisé en tout ou en partie comme résidence principale privée individuelle ou faisant partie d'une copropriété;
2° "ayant droit": l'occupant de l'habitation en vertu d'un droit réel immobilier ou d'un droit personnel qu'est le contrat de louage d'immeubles, dont le chauffage principal est un chauffage aux pellets, qui acquitte le prix de la fourniture de pellets en vrac destiné au chauffage de cette habitation et qui, au moment de l'introduction de sa demande, n'est pas éligible et n'a pas introduit de demande pour l'allocation octroyée pour l'acquisition de gasoil ou de propane en vrac destinés au chauffage d'une habitation privée ni pour la prime fédérale de gaz et qui n'a pas bénéficié du tarif social gaz au sens de l'article 15/10, § 2/2, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations;
3° "pellets en vrac": une quantité de pellets d'au moins 500 kg livrée par une entreprise par camion-souffleur ou sur des palettes;
4° "gestionnaire de copropriété": personne physique ou morale qui gère la copropriété;
5° "ménage": la personne physique qui vit habituellement seule ou les personnes qui occupent habituellement le même logement et y vivent ensemble, la composition de la famille étant déterminée sur la base des données du Registre national des personnes physiques;
6° "Registre national": le Registre national des personnes physiques établi par la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
7° "SPF Economie": le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie;
8° "formulaire type A": formulaire utilisé par l'ayant droit occupant un logement individuel et qui est disponible sur le site internet du SPF Economie;
9° "formulaire type B": formulaire utilisé par l'ayant droit occupant un logement en copropriété et qui est disponible sur le site internet du SPF Economie;
10° "entreprise": l'entreprise distributrice de pellets en vrac.
Art. 4. § 1. Een toelage van 250 euro netto wordt eenmalig en forfaitair toegekend als tussenkomst in de betaling van de levering van pellets in bulk, aan iedere rechthebbende die tussen 1 juni 2022 en 31 maart 2023 inbegrepen, een levering ontving van een onderneming bestemd voor de verwarming van zijn hoofdverblijfplaats.
Aan de betrokkenen die op hetzelfde adres wonen en deel uitmaken van hetzelfde gezin wordt er één verwarmingstoelage voor pellets in bulk toegekend.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt toegekend op basis van een aanvraag van de rechthebbende via een informaticaplatform. De rechthebbende voegt aan zijn aanvraag toe:
1° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
2° het betalingsbewijs van de factuur of de afrekening van de onderneming in het geval van termijnbetalingen of een certificaat van het OCMW of van een leverancier of een ander document dat bewijst dat de rechthebbende in orde is met de betalingen.
De vereiste gegevens voor de aanvraag omvatten:
1° de naam en de voornaam van de aanvrager;
2° het Rijksregisternummer van de aanvrager;
3° het adres van de hoofdverblijfplaats van de aanvrager;
4° het bankrekeningnummer waarop het bedrag kan worden gestort;
5° het telefoonnummer of het e-mailadres van de aanvrager;
6° het ondernemingsnummer van de onderneming;
7° het klantnummer;
8° de factuurdatum;
9° het factuurnummer;
10° de datum van de levering;
11° een verklaring op eer waarin wordt bevestigd het gebruik van pelletverwarming als hoofdverwarmingssysteem en de juistheid van de verstrekte informatie.
§ 2. De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt eveneens toegekend aan gezinnen die in een appartementsgebouw met gemeenschappelijke eigendom wonen of met opbrengsteigendom met verwarming op pellets via een gemeenschappelijke installatie.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt toegekend op basis van een aanvraag van de rechthebbende via een informaticaplatform.
De vereiste gegevens voor de aanvraag omvatten:
1° de naam en de voornaam van de aanvrager;
2° het Rijksregisternummer van de aanvrager;
3° het adres van de hoofdverblijfplaats van de aanvrager;
4° het telefoonnummer of het e-mailadres van de aanvrager;
5° het ondernemingsnummer van de gemeenschappelijke eigendom;
6° het bankrekeningnummer van de aanvrager;
7° een verklaring op eer waarin wordt bevestigd dat de verschafte informatie correct is.
§ 3. De aanvragen kunnen ingediend worden tot en met 30 april 2023.
§ 4. De aanvraag wordt online ingediend of per aangetekende zending aan de FOD Economie bezorgd op het adres vermeld op de website van de FOD Economie.
§ 5. De aanvragen bedoeld in de paragrafen 1 en 2 die niet volledig of behoorlijk zijn ingevuld worden in geen geval in aanmerking genomen voor de verwarmingstoelage voor pellets in bulk. In dat geval kan de aanvraag [1 ...]1 vervolledigd worden en opnieuw worden ingediend.
§ 6. De procedure voor het beheer van de aanvragen is beschikbaar op de website van de FOD Economie.
Aan de betrokkenen die op hetzelfde adres wonen en deel uitmaken van hetzelfde gezin wordt er één verwarmingstoelage voor pellets in bulk toegekend.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt toegekend op basis van een aanvraag van de rechthebbende via een informaticaplatform. De rechthebbende voegt aan zijn aanvraag toe:
1° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
2° het betalingsbewijs van de factuur of de afrekening van de onderneming in het geval van termijnbetalingen of een certificaat van het OCMW of van een leverancier of een ander document dat bewijst dat de rechthebbende in orde is met de betalingen.
De vereiste gegevens voor de aanvraag omvatten:
1° de naam en de voornaam van de aanvrager;
2° het Rijksregisternummer van de aanvrager;
3° het adres van de hoofdverblijfplaats van de aanvrager;
4° het bankrekeningnummer waarop het bedrag kan worden gestort;
5° het telefoonnummer of het e-mailadres van de aanvrager;
6° het ondernemingsnummer van de onderneming;
7° het klantnummer;
8° de factuurdatum;
9° het factuurnummer;
10° de datum van de levering;
11° een verklaring op eer waarin wordt bevestigd het gebruik van pelletverwarming als hoofdverwarmingssysteem en de juistheid van de verstrekte informatie.
§ 2. De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt eveneens toegekend aan gezinnen die in een appartementsgebouw met gemeenschappelijke eigendom wonen of met opbrengsteigendom met verwarming op pellets via een gemeenschappelijke installatie.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt toegekend op basis van een aanvraag van de rechthebbende via een informaticaplatform.
De vereiste gegevens voor de aanvraag omvatten:
1° de naam en de voornaam van de aanvrager;
2° het Rijksregisternummer van de aanvrager;
3° het adres van de hoofdverblijfplaats van de aanvrager;
4° het telefoonnummer of het e-mailadres van de aanvrager;
5° het ondernemingsnummer van de gemeenschappelijke eigendom;
6° het bankrekeningnummer van de aanvrager;
7° een verklaring op eer waarin wordt bevestigd dat de verschafte informatie correct is.
§ 3. De aanvragen kunnen ingediend worden tot en met 30 april 2023.
§ 4. De aanvraag wordt online ingediend of per aangetekende zending aan de FOD Economie bezorgd op het adres vermeld op de website van de FOD Economie.
§ 5. De aanvragen bedoeld in de paragrafen 1 en 2 die niet volledig of behoorlijk zijn ingevuld worden in geen geval in aanmerking genomen voor de verwarmingstoelage voor pellets in bulk. In dat geval kan de aanvraag [1 ...]1 vervolledigd worden en opnieuw worden ingediend.
§ 6. De procedure voor het beheer van de aanvragen is beschikbaar op de website van de FOD Economie.
Art. 4. § 1er. Une allocation de 250 euros nets est accordée, de manière unique et forfaitaire, à tout ayant droit ayant été livré de pellets en vrac, par une entreprise entre le 1er juin 2022 et le 31 mars 2023 inclus, en tant qu'intervention dans le paiement de la fourniture de pellets en vrac destinés au chauffage de sa résidence principale.
Aux intéressés habitant à la même adresse et faisant partie du même ménage, une seule allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée sur la base d'une demande de l'ayant droit via une plateforme informatique. L'ayant droit joint à sa demande:
1° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
2° la preuve de paiement de la facture ou le décompte de l'entreprise en cas de paiement échelonné ou une attestation du CPAS ou du fournisseur ou tout autre document prouvant que l'ayant droit est en ordre de paiement.
Les données requises pour la demande comprennent:
1° le nom et le prénom du demandeur;
2° le numéro d'identification du Registre national du demandeur;
3° l'adresse du domicile principal du demandeur;
4° le numéro de compte bancaire sur lequel le montant peut être versé;
5° le numéro de téléphone ou l'adresse e-mail du demandeur;
6° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
7° le numéro de client;
8° la date de la facture;
9° le numéro de la facture;
10° la date de livraison;
11° une déclaration sur l'honneur confirmant l'utilisation du chauffage à pellets comme système de chauffage principal et la véracité des informations données.
§ 2. L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est également accordée aux ménages qui habitent dans un immeuble à appartements faisant partie d'une copropriété ou d'un immeuble de rapport dont le chauffage aux pellets est assuré par une installation collective.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée sur la base d'une demande de l'ayant droit via une plateforme informatique.
Les données requises pour la demande comprennent:
1° le nom et le prénom du demandeur;
2° le numéro d'identification du Registre national du demandeur;
3° l'adresse du domicile principal du demandeur;
4° le numéro de téléphone ou l'adresse e-mail du demandeur;
5° le numéro d'entreprise de la copropriété;
6° le numéro de compte bancaire du demandeur;
7° une déclaration sur l'honneur confirmant que les informations données sont correctes.
§ 3. Les demandes peuvent être introduites jusqu'au 30 avril 2023 inclus.
§ 4. La demande est introduite en ligne ou communiquée au SPF Economie par courrier recommandé à l'adresse renseignée sur le site internet du SPF Economie.
§ 5. Les demandes visées aux paragraphes 1er et 2 qui ne sont pas complétées entièrement ou dûment, n'entrent en aucun cas en ligne de compte pour l'allocation de chauffage pour pellets en vrac. Dans ce cas, la demande peut être complétée et réintroduite [1 ...]1.
§ 6. La procédure de gestion des demandes est disponible sur le site internet du SPF Economie.
Aux intéressés habitant à la même adresse et faisant partie du même ménage, une seule allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée sur la base d'une demande de l'ayant droit via une plateforme informatique. L'ayant droit joint à sa demande:
1° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
2° la preuve de paiement de la facture ou le décompte de l'entreprise en cas de paiement échelonné ou une attestation du CPAS ou du fournisseur ou tout autre document prouvant que l'ayant droit est en ordre de paiement.
Les données requises pour la demande comprennent:
1° le nom et le prénom du demandeur;
2° le numéro d'identification du Registre national du demandeur;
3° l'adresse du domicile principal du demandeur;
4° le numéro de compte bancaire sur lequel le montant peut être versé;
5° le numéro de téléphone ou l'adresse e-mail du demandeur;
6° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
7° le numéro de client;
8° la date de la facture;
9° le numéro de la facture;
10° la date de livraison;
11° une déclaration sur l'honneur confirmant l'utilisation du chauffage à pellets comme système de chauffage principal et la véracité des informations données.
§ 2. L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est également accordée aux ménages qui habitent dans un immeuble à appartements faisant partie d'une copropriété ou d'un immeuble de rapport dont le chauffage aux pellets est assuré par une installation collective.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est accordée sur la base d'une demande de l'ayant droit via une plateforme informatique.
Les données requises pour la demande comprennent:
1° le nom et le prénom du demandeur;
2° le numéro d'identification du Registre national du demandeur;
3° l'adresse du domicile principal du demandeur;
4° le numéro de téléphone ou l'adresse e-mail du demandeur;
5° le numéro d'entreprise de la copropriété;
6° le numéro de compte bancaire du demandeur;
7° une déclaration sur l'honneur confirmant que les informations données sont correctes.
§ 3. Les demandes peuvent être introduites jusqu'au 30 avril 2023 inclus.
§ 4. La demande est introduite en ligne ou communiquée au SPF Economie par courrier recommandé à l'adresse renseignée sur le site internet du SPF Economie.
§ 5. Les demandes visées aux paragraphes 1er et 2 qui ne sont pas complétées entièrement ou dûment, n'entrent en aucun cas en ligne de compte pour l'allocation de chauffage pour pellets en vrac. Dans ce cas, la demande peut être complétée et réintroduite [1 ...]1.
§ 6. La procédure de gestion des demandes est disponible sur le site internet du SPF Economie.
Wijzigingen
Art. 5. De beheerders van de gemeenschappelijke eigendommen bezorgen aan de FOD Economie, voor 15 april 2023, via een informaticaplatform, voor de woningen die ze beheren, die worden verwarmd met pellets in bulk, en waarvoor een levering plaatsvond tussen 1 juni 2022 en 31 maart 2023 inbegrepen:
1° het ondernemingsnummer van de gemeenschappelijke eigendom die ze beheren en die verwarmd wordt met pellets in bulk;
2° het ondernemingsnummer van de onderneming;
3° het klantnummer;
4° het factuurnummer;
5° de factuurdatum;
6° de datum van de levering;
7° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
8° het betalingsbewijs van de factuur;
9° het adres van de levering.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
1° het ondernemingsnummer van de gemeenschappelijke eigendom die ze beheren en die verwarmd wordt met pellets in bulk;
2° het ondernemingsnummer van de onderneming;
3° het klantnummer;
4° het factuurnummer;
5° de factuurdatum;
6° de datum van de levering;
7° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
8° het betalingsbewijs van de factuur;
9° het adres van de levering.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
Art. 5. Les gestionnaires de copropriété fournissent, avant le 15 avril 2023, via une plateforme informatique, au SPF Economie, pour les habitations qu'ils gèrent, qui sont chauffées aux pellets en vrac, et pour lesquelles une livraison a eu lieu entre le 1er juin 2022 et le 31 mars 2023 inclus:
1° le numéro d'entreprise des copropriétés qu'ils gèrent et sont chauffées aux pellets en vrac;
2° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
3° le numéro de client;
4° le numéro de la facture;
5° la date de la facture;
6° la date de livraison;
7° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
8° la preuve de paiement de la facture ;
9° l'adresse de livraison.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
1° le numéro d'entreprise des copropriétés qu'ils gèrent et sont chauffées aux pellets en vrac;
2° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
3° le numéro de client;
4° le numéro de la facture;
5° la date de la facture;
6° la date de livraison;
7° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
8° la preuve de paiement de la facture ;
9° l'adresse de livraison.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
Art. 6. De eigenaars van een of meer opbrengsteigendommen bezorgen aan de FOD Economie, voor 15 april 2023, via een informaticaplatform, voor de woningen die ze beheren, die worden verwarmd met pellets in bulk, en waarvoor een levering plaatsvond tussen 1 juni 2022 en 31 maart 2023 inbegrepen:
1° het ondernemingsnummer van de onderneming;
2° het klantnummer;
3° het factuurnummer;
4° de factuurdatum;
5° de datum van de levering;
6° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
7° het betalingsbewijs van de factuur;
8° het adres van de levering.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
1° het ondernemingsnummer van de onderneming;
2° het klantnummer;
3° het factuurnummer;
4° de factuurdatum;
5° de datum van de levering;
6° de kopie van de factuur van een levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming;
7° het betalingsbewijs van de factuur;
8° het adres van de levering.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
Art. 6. Les propriétaires d'un ou plusieurs immeubles de rapport fournissent, avant le 15 avril 2023, via une plateforme informatique, au SPF Economie, pour les habitations qu'ils gèrent, qui sont chauffées aux pellets en vrac, et pour lesquelles une livraison a eu lieu entre le 1er juin 2022 et le 31 mars 2023 inclus:
1° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
2° le numéro de client;
3° le numéro de la facture;
4° la date de la facture;
5° la date de livraison;
6° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
7° la preuve de paiement de la facture;
8° l'adresse de livraison.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
1° le numéro d'entreprise de l'entreprise;
2° le numéro de client;
3° le numéro de la facture;
4° la date de la facture;
5° la date de livraison;
6° la copie de la facture d'une livraison de pellets en vrac destinés au chauffage;
7° la preuve de paiement de la facture;
8° l'adresse de livraison.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
Art. 7. De FOD Economie heeft als opdracht het toekennen van de verwarmingstoelage voor pellets in bulk. Hij gaat na of de rechthebbende de toekenningsvoorwaarden voor de toelage nakomt. Hij gaat met name na:
1° of de aanvrager recht heeft op de toelage bedoeld in artikel 4;
2° of de aanvrager pellets in bulk gebruikt om zijn woning te verwarmen;
3° of het leveringsadres overeenkomt met het adres waarop de aanvrager zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Om de opdracht bedoeld in het eerste lid uit te kunnen voeren, bezorgen de ondernemingen, via een informaticaplatform, minstens éénmaal per week een lijst van hun klanten aan de FOD Economie die de volgende informatie bevat:
1° het klantnummer;
2° het factuurnummer;
3° het leveringsadres;
4° de datum van de levering;
5° het ondernemingsnummer van hun klant;
6° de datum van de factuur.
De gegevens bedoeld in het tweede lid die dateren van vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, worden ook gerapporteerd met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2022, binnen een termijn van drie weken volgend op de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
De procedure voor de beheerscontrole is beschikbaar op de website van de FOD Economie.
1° of de aanvrager recht heeft op de toelage bedoeld in artikel 4;
2° of de aanvrager pellets in bulk gebruikt om zijn woning te verwarmen;
3° of het leveringsadres overeenkomt met het adres waarop de aanvrager zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Om de opdracht bedoeld in het eerste lid uit te kunnen voeren, bezorgen de ondernemingen, via een informaticaplatform, minstens éénmaal per week een lijst van hun klanten aan de FOD Economie die de volgende informatie bevat:
1° het klantnummer;
2° het factuurnummer;
3° het leveringsadres;
4° de datum van de levering;
5° het ondernemingsnummer van hun klant;
6° de datum van de factuur.
De gegevens bedoeld in het tweede lid die dateren van vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, worden ook gerapporteerd met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2022, binnen een termijn van drie weken volgend op de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
De Koning kan aanvullende rapportagemodaliteiten bepalen.
De procedure voor de beheerscontrole is beschikbaar op de website van de FOD Economie.
Art. 7. Le SPF Economie a pour mission d'octroyer l'allocation de chauffage pour pellets en vrac. Il vérifie si l'ayant droit respecte les conditions d'éligibilité à l'allocation. Il vérifie notamment:
1° si le demandeur a droit à l'allocation visée à l'article 4;
2° si le demandeur utilise des pellets en vrac en vue de chauffer son habitation;
3° si l'adresse de livraison correspond à l'adresse où le demandeur a sa résidence principale.
Afin d'exercer la mission visée à l'alinéa 1er, les entreprises fournissent, via une plateforme informatique, au SPF Economie, au minimum une fois par semaine, une liste de leurs clients comprenant les données suivantes:
1° le numéro de client;
2° le numéro de la facture;
3° l'adresse de livraison;
4° la date de livraison;
5° le numéro d'entreprise de leur client;
6° la date de la facture.
Les données visées à l'alinéa 2 antérieures à l'entrée en vigueur du présent chapitre sont également rapportées rétroactivement à partir du 1er juin 2022, dans un délai de trois semaines après l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
La procédure de gestion des contrôles est disponible sur le site internet du SPF Economie.
1° si le demandeur a droit à l'allocation visée à l'article 4;
2° si le demandeur utilise des pellets en vrac en vue de chauffer son habitation;
3° si l'adresse de livraison correspond à l'adresse où le demandeur a sa résidence principale.
Afin d'exercer la mission visée à l'alinéa 1er, les entreprises fournissent, via une plateforme informatique, au SPF Economie, au minimum une fois par semaine, une liste de leurs clients comprenant les données suivantes:
1° le numéro de client;
2° le numéro de la facture;
3° l'adresse de livraison;
4° la date de livraison;
5° le numéro d'entreprise de leur client;
6° la date de la facture.
Les données visées à l'alinéa 2 antérieures à l'entrée en vigueur du présent chapitre sont également rapportées rétroactivement à partir du 1er juin 2022, dans un délai de trois semaines après l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Le Roi peut déterminer les modalités de rapportage complémentaire.
La procédure de gestion des contrôles est disponible sur le site internet du SPF Economie.
Art. 8. De FOD Economie beslist [1 binnen een redelijke termijn]1, over de ontvankelijkheid ervan.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt binnen een redelijke termijn betaald op de bankrekening die op het formulier model A of model B wordt vermeld.
De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt binnen een redelijke termijn betaald op de bankrekening die op het formulier model A of model B wordt vermeld.
Art. 8. Le SPF Economie statue sur la recevabilité de la demande [1 dans un délai raisonnable]1.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est payée dans un délai raisonnable sur le compte bancaire renseigné sur le formulaire type A ou type B.
L'allocation de chauffage pour pellets en vrac est payée dans un délai raisonnable sur le compte bancaire renseigné sur le formulaire type A ou type B.
Wijzigingen
Art. 9. De financiering van de verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt door de staatsbegroting gedragen.
Art. 9. Le financement de l'allocation de chauffage pour pellets en vrac est supporté par le budget de l'Etat.
Art. 10. § 1. De werkgever die zich beroept op overmacht, als bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, om de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen, dient uiterlijk binnen een termijn van vijftien kalenderdagen nadat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd:
1° het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in kennis te stellen van de volgende gegevens:
a) de naam van de werkgever, het identificatienummer van de Kruispuntbank van ondernemingen, bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, het inschrijvingsnummer bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 33, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het bankrekeningnummer en de contactgegevens van de werkgever;
b) de naam, de voornaam en het identificatienummer, bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de werknemer wiens arbeidsovereenkomst beëindigd werd;
2° een bijdrage van 1.800 euro te betalen aan het "Terug Naar Werk-fonds", bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van kennisgeving en de wijze van betaling van de bijdrage door de werkgever, bedoeld in het vorige lid, evenals de nadere regels die hieraan verbonden zijn.
§ 2. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, bepaald in paragraaf 1, eerste lid, 1°.
De verwerking van deze gegevens heeft tot doel de betrokken werknemers wiens arbeidsovereenkomst werd beëindigd wegens overmacht om medische redenen toe te laten een beroep te doen op het "Terug Naar Werk-fonds" om gespecialiseerde dienstverlening op maat in te kopen met het oog op hun sociaalprofessionele re-integratie.
Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kan deze gegevens meedelen aan de bevoegde inspectiediensten met het oog op de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de bepalingen van paragraaf 1, en met het oog op de inning en invordering van de bedragen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren.
Deze gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de betaling, zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, is gebeurd.
1° het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in kennis te stellen van de volgende gegevens:
a) de naam van de werkgever, het identificatienummer van de Kruispuntbank van ondernemingen, bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, het inschrijvingsnummer bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 33, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het bankrekeningnummer en de contactgegevens van de werkgever;
b) de naam, de voornaam en het identificatienummer, bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de werknemer wiens arbeidsovereenkomst beëindigd werd;
2° een bijdrage van 1.800 euro te betalen aan het "Terug Naar Werk-fonds", bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van kennisgeving en de wijze van betaling van de bijdrage door de werkgever, bedoeld in het vorige lid, evenals de nadere regels die hieraan verbonden zijn.
§ 2. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, bepaald in paragraaf 1, eerste lid, 1°.
De verwerking van deze gegevens heeft tot doel de betrokken werknemers wiens arbeidsovereenkomst werd beëindigd wegens overmacht om medische redenen toe te laten een beroep te doen op het "Terug Naar Werk-fonds" om gespecialiseerde dienstverlening op maat in te kopen met het oog op hun sociaalprofessionele re-integratie.
Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kan deze gegevens meedelen aan de bevoegde inspectiediensten met het oog op de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de bepalingen van paragraaf 1, en met het oog op de inning en invordering van de bedragen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren.
Deze gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de betaling, zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, is gebeurd.
Art. 10. § 1er. L'employeur qui invoque la force majeure, telle que visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, pour mettre fin au contrat de travail d'un travailleur en incapacité de travail, doit, au plus tard dans un délai de 15 jours calendrier suivant la fin du contrat de travail:
1° notifier à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité les données suivantes:
a) le nom de l'employeur, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises, visé à l'article III.17 du Code de droit économique, le numéro d'inscription à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 33, § 1er, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 novembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le numéro de compte bancaire et les coordonnées de l'employeur;
b) le nom, le prénom et le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du travailleur pour lequel le contrat de travail a pris fin;
2° verser une contribution de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail", visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de notification et le mode de paiement de la contribution par l'employeur, visés à l'alinéa précédent, ainsi que les modalités qui y sont attachées.
§ 2. L'Institut national d'assurance maladie-invalidité est le responsable du traitement des données à caractère personnel au sens du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, prévu au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
Le traitement de ces données a pour finalité de permettre aux travailleurs concernés dont le contrat de travail a pris fin pour cause de force majeure médicale, de faire appel au "Fonds Retour Au Travail" pour acheter des services spécialisés adaptés aux besoins en vue de leur réinsertion socioprofessionnelle.
L'Institut national d'assurance maladie-invalidité peut communiquer ces données aux services de contrôle compétents aux fins de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions aux dispositions du paragraphe 1er, ainsi qu'aux fins de la perception et du recouvrement des sommes relevant de leurs compétences respectives.
Ces données sont conservées pendant la durée nécessaire à la réalisation de la finalité de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle du versement, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
1° notifier à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité les données suivantes:
a) le nom de l'employeur, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises, visé à l'article III.17 du Code de droit économique, le numéro d'inscription à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 33, § 1er, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 novembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le numéro de compte bancaire et les coordonnées de l'employeur;
b) le nom, le prénom et le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du travailleur pour lequel le contrat de travail a pris fin;
2° verser une contribution de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail", visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de notification et le mode de paiement de la contribution par l'employeur, visés à l'alinéa précédent, ainsi que les modalités qui y sont attachées.
§ 2. L'Institut national d'assurance maladie-invalidité est le responsable du traitement des données à caractère personnel au sens du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, prévu au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
Le traitement de ces données a pour finalité de permettre aux travailleurs concernés dont le contrat de travail a pris fin pour cause de force majeure médicale, de faire appel au "Fonds Retour Au Travail" pour acheter des services spécialisés adaptés aux besoins en vue de leur réinsertion socioprofessionnelle.
L'Institut national d'assurance maladie-invalidité peut communiquer ces données aux services de contrôle compétents aux fins de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions aux dispositions du paragraphe 1er, ainsi qu'aux fins de la perception et du recouvrement des sommes relevant de leurs compétences respectives.
Ces données sont conservées pendant la durée nécessaire à la réalisation de la finalité de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle du versement, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
Art. 11. De FOD Economie kan de gegevens van de rechthebbende en van de onderneming bedoeld in dit hoofdstuk verwerken, de persoonsgegevens in de zin van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens inbegrepen, voor zover de verwerking van deze gegevens nodig is voor het uitvoeren van zijn opdracht bedoeld in artikel 7.
De FOD Economie bewaart de gegevens gedurende maximum twee jaar vanaf het moment waarop ze door de rechthebbenden en het Rijksregister worden meegedeeld.
De FOD Economie is verantwoordelijk voor de verwerking voor wat betreft het beheer van de gegevens in zijn bezit of die te zijner beschikking zijn gesteld krachtens dit hoofdstuk.
De FOD Economie bewaart de gegevens gedurende maximum twee jaar vanaf het moment waarop ze door de rechthebbenden en het Rijksregister worden meegedeeld.
De FOD Economie is verantwoordelijk voor de verwerking voor wat betreft het beheer van de gegevens in zijn bezit of die te zijner beschikking zijn gesteld krachtens dit hoofdstuk.
Art. 11. Le SPF Economie peut traiter les données de l'ayant droit et de l'entreprise visées dans le présent chapitre, y compris les données à caractère personnel au sens de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, dans la mesure où le traitement de ces données est nécessaire à l'exécution de sa mission visée à l'article 7.
Le SPF Economie conserve les données pendant maximum deux ans à partir du moment où elles sont communiquées par les ayants droit et le Registre national.
Le SPF Economie est le responsable du traitement en ce qui concerne la gestion des données en sa possession ou mises à sa disposition en vertu du présent chapitre.
Le SPF Economie conserve les données pendant maximum deux ans à partir du moment où elles sont communiquées par les ayants droit et le Registre national.
Le SPF Economie est le responsable du traitement en ce qui concerne la gestion des données en sa possession ou mises à sa disposition en vertu du présent chapitre.
Art. 12. Onverminderd de strafrechtelijke feiten die zijn vastgesteld, worden bestraft met een administratieve geldboete van 500 tot 10.000 euro, zij die de gegevens bedoeld in artikel 5, eerste lid, in artikel 6, eerste lid en in artikel 7, tweede lid niet verschaffen of bewust onvolledig of onnauwkeurig verschaffen.
De directeur-generaal van de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, of bij delegatie, de door hem aangeduide adviseur-generaal, kan overeenkomstig dit hoofdstuk het bedrag van de administratieve geldboete bepalen.
Rechthebbenden die een of meer aanvragen voor verwarmingstoelage voor pellets in bulk hebben ingediend terwijl zij er geen recht op hadden en indien blijkt dat het de bedoeling was fraude te plegen, worden vervolgd en bestraft op grond van de artikelen 196, 197 en 210bis van het Strafwetboek.
De inbreuken op zowel de rechthebbenden als de ondernemingen worden vervolgd door de ambtenaren van de FOD Economie hiertoe aangesteld door de Koning, namelijk de ambtenaren van de Algemene Directie Economische Inspectie, waar nodig met de hoedanigheid van officier van gerechtelijk politie, of de ambtenaren van de Algemene Directie Energie.
De directeur-generaal van de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, of bij delegatie, de door hem aangeduide adviseur-generaal, kan overeenkomstig dit hoofdstuk het bedrag van de administratieve geldboete bepalen.
Rechthebbenden die een of meer aanvragen voor verwarmingstoelage voor pellets in bulk hebben ingediend terwijl zij er geen recht op hadden en indien blijkt dat het de bedoeling was fraude te plegen, worden vervolgd en bestraft op grond van de artikelen 196, 197 en 210bis van het Strafwetboek.
De inbreuken op zowel de rechthebbenden als de ondernemingen worden vervolgd door de ambtenaren van de FOD Economie hiertoe aangesteld door de Koning, namelijk de ambtenaren van de Algemene Directie Economische Inspectie, waar nodig met de hoedanigheid van officier van gerechtelijk politie, of de ambtenaren van de Algemene Directie Energie.
Art. 12. Sans préjudice d'infractions pénales qui seraient constatées, sont punis d'une amende administrative de 500 à 10.000 euros ceux qui ne fournissent pas ou fournissent consciemment de façon incomplète ou incorrecte les données visées à l'article 5, alinéa 1er, à l'article 6, alinéa 1er et à l'article 7, alinéa 2.
Le Directeur général de la Direction générale Energie du SPF Economie ou, par délégation, le conseiller général désigné par lui peut fixer, conformément au présent chapitre, le montant de l'amende administrative.
Sont poursuivis et punis sur la base des articles 196, 197 et 210bis du Code pénal, les ayants droit ayant introduit une ou plusieurs demandes d'allocation de chauffage pour pellets en vrac alors qu'ils n'y avaient pas droit et s'il s'avère que l'intention était de commettre une fraude.
Les infractions tant des ayants droit que des entreprises sont poursuivies par les agents du SPF Economie commissionnés à ces fins par le Roi, soit les agents de la Direction générale de l'Inspection économique, le cas échéant ayant la qualité d'officier de police judiciaire, ou les agents de la Direction générale de l'Energie.
Le Directeur général de la Direction générale Energie du SPF Economie ou, par délégation, le conseiller général désigné par lui peut fixer, conformément au présent chapitre, le montant de l'amende administrative.
Sont poursuivis et punis sur la base des articles 196, 197 et 210bis du Code pénal, les ayants droit ayant introduit une ou plusieurs demandes d'allocation de chauffage pour pellets en vrac alors qu'ils n'y avaient pas droit et s'il s'avère que l'intention était de commettre une fraude.
Les infractions tant des ayants droit que des entreprises sont poursuivies par les agents du SPF Economie commissionnés à ces fins par le Roi, soit les agents de la Direction générale de l'Inspection économique, le cas échéant ayant la qualité d'officier de police judiciaire, ou les agents de la Direction générale de l'Energie.
Art. 13. De Koning kan de termijnen bedoeld in artikel 4, §§ 1, 3 en 5, artikel 5, artikel 6 en artikel 8, eerste lid, verlengen, ten laste van de algemene uitgavenbegroting en binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen. De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van deze verlenging.
Art. 13. Le Roi peut prolonger les délais visés à l'article 4, §§ 1er, 3 et 5, à l'article 5, à l'article 6 et à l'article 8, alinéa 1er, à charge du budget général des dépenses et dans les limites des crédits budgétaires disponibles. Le Roi fixe les modalités et les conditions de cette prolongation.
Art. 14. De Koning kan het bedrag van de toelage bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, verhogen, ten laste van de algemene uitgavenbegroting en binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen.
De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van deze verhoging.
De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van deze verhoging.
Art. 14. Le Roi peut augmenter le montant de l'allocation octroyée visée à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, à charge du budget général des dépenses et dans les limites des crédits budgétaires disponibles.
Le Roi fixe les modalités et les conditions de cette augmentation.
Le Roi fixe les modalités et les conditions de cette augmentation.
Art. 15. Bij twijfel over de ontvankelijkheid van de aanvraag kunnen de personeelsleden van de FOD Economie controles uitvoeren op de hoofdverblijfplaats van de rechthebbende.
Art. 15. En cas de doute sur la recevabilité de la demande, les agents du SPF Economie peuvent effectuer des vérifications à l'adresse de résidence principale de l'ayant droit.
Art. 16. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 16. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen
CHAPITRE 2.. - Modifications de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations
Art. 17. De wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, laatst gewijzigd bij de wet van 28 april 2022, wordt aangevuld met een hoofdstuk IVundecies getiteld "Uitzonderlijke solidariteitsbijdrage van de beheerder van het aardgasvervoersnet".
Art. 17. Dans la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, modifiée en dernier lieu par la loi du 28 avril 2022, il est inséré un chapitre IVundecies intitulé "Contribution exceptionnelle de solidarité à charge du gestionnaire du réseau de transport de gaz naturel".
Art. 18. In het bij artikel 17 ingevoegde hoofdstuk IVundecies wordt het volgende artikel 15/26 ingevoegd:
"Art. 15/26. § 1. Ten behoeve van de staat wordt een uitzonderlijke solidariteitsbijdrage van de beheerder van het aardgasvervoersnet ingesteld.
§ 2. Het bedrag van de bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is 300 miljoen euro.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage moet uiterlijk op 16 januari 2023 worden gestort op de bankrekening BE42 6792 0000 0054 van het Team "Beheer Centrale Rekening Inning en Invordering" van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 4. Indien de bijdrage bedoeld in paragraaf 1 niet binnen de in paragraaf 3 gestelde termijn is betaald, zijn over de verschuldigde bedragen voor de hele duur van de vertraging van rechtswege nalatigheidsinteresten verschuldigd gelijk aan de wettelijke rentevoet en worden de verschuldigde bedragen ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
De op grond van het eerste lid verschuldigde nalatigheidsinterest wordt per kalendermaand berekend over het openstaande bedrag van de heffing, naar beneden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 10 euro. De maand van de vervaldag wordt niet meegerekend, maar de maand waarin de betaling plaatsvindt, wordt als een hele maand gerekend. De rente van één maand wordt alleen gevorderd als deze 5 euro bereikt.
De uitzonderlijke solidariteitsbijdrage en de verhoging bedoeld in artikel 15/28 verjaren vijf jaar vanaf het moment waarop ze verschuldigd zijn geworden.".
"Art. 15/26. § 1. Ten behoeve van de staat wordt een uitzonderlijke solidariteitsbijdrage van de beheerder van het aardgasvervoersnet ingesteld.
§ 2. Het bedrag van de bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is 300 miljoen euro.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage moet uiterlijk op 16 januari 2023 worden gestort op de bankrekening BE42 6792 0000 0054 van het Team "Beheer Centrale Rekening Inning en Invordering" van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 4. Indien de bijdrage bedoeld in paragraaf 1 niet binnen de in paragraaf 3 gestelde termijn is betaald, zijn over de verschuldigde bedragen voor de hele duur van de vertraging van rechtswege nalatigheidsinteresten verschuldigd gelijk aan de wettelijke rentevoet en worden de verschuldigde bedragen ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
De op grond van het eerste lid verschuldigde nalatigheidsinterest wordt per kalendermaand berekend over het openstaande bedrag van de heffing, naar beneden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 10 euro. De maand van de vervaldag wordt niet meegerekend, maar de maand waarin de betaling plaatsvindt, wordt als een hele maand gerekend. De rente van één maand wordt alleen gevorderd als deze 5 euro bereikt.
De uitzonderlijke solidariteitsbijdrage en de verhoging bedoeld in artikel 15/28 verjaren vijf jaar vanaf het moment waarop ze verschuldigd zijn geworden.".
Art. 18. Dans le chapitre IVundecies inséré par l'article 17, il est inséré un article 15/26 rédigé comme suit:
"Art. 15/26. § 1er. Il est établi au profit de l'Etat une contribution exceptionnelle de solidarité à charge du gestionnaire de réseau de transport de gaz naturel.
§ 2. Le montant de la contribution visée au paragraphe 1er s'élève à 300 millions d'euros.
§ 3. La contribution visée au paragraphe 1er est payée au plus tard le 16 janvier 2023 sur le compte bancaire BE42 6792 0000 0054 du Team "Gestion Compte central Perception et Recouvrement" du Service public fédéral Finances.
§ 4. A défaut de paiement de la contribution visée au paragraphe 1er dans le délai fixé au paragraphe 3, un intérêt de retard égal au taux d'intérêt légal est dû de plein droit sur les sommes dues pour toute la durée du retard et les sommes dues sont recouvrées par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
L'intérêt de retard dû en vertu de l'alinéa 1er est calculé par mois civil sur le montant restant dû du prélèvement, arrondi au multiple inférieur le plus proche de 10 euros. Le mois de l'échéance est négligé, mais le mois au cours duquel a lieu le paiement est compté pour un mois entier. L'intérêt d'un mois n'est réclamé que s'il atteint 5 euros.
La contribution exceptionnelle de solidarité et la majoration de contribution visée à l'article 15/28 se prescrivent par cinq ans à compter du moment où elles sont devenues exigibles.".
"Art. 15/26. § 1er. Il est établi au profit de l'Etat une contribution exceptionnelle de solidarité à charge du gestionnaire de réseau de transport de gaz naturel.
§ 2. Le montant de la contribution visée au paragraphe 1er s'élève à 300 millions d'euros.
§ 3. La contribution visée au paragraphe 1er est payée au plus tard le 16 janvier 2023 sur le compte bancaire BE42 6792 0000 0054 du Team "Gestion Compte central Perception et Recouvrement" du Service public fédéral Finances.
§ 4. A défaut de paiement de la contribution visée au paragraphe 1er dans le délai fixé au paragraphe 3, un intérêt de retard égal au taux d'intérêt légal est dû de plein droit sur les sommes dues pour toute la durée du retard et les sommes dues sont recouvrées par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
L'intérêt de retard dû en vertu de l'alinéa 1er est calculé par mois civil sur le montant restant dû du prélèvement, arrondi au multiple inférieur le plus proche de 10 euros. Le mois de l'échéance est négligé, mais le mois au cours duquel a lieu le paiement est compté pour un mois entier. L'intérêt d'un mois n'est réclamé que s'il atteint 5 euros.
La contribution exceptionnelle de solidarité et la majoration de contribution visée à l'article 15/28 se prescrivent par cinq ans à compter du moment où elles sont devenues exigibles.".
Art. 19. In het bij artikel 17 ingevoegde hoofdstuk IVundecies wordt het volgende artikel 15/27 ingevoegd:
"Art. 15/27. § 1. De bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1 is een kost voor de beheerder van het aardgasvervoersnet, waarvoor het in artikel 15/5bis, § 5, 12°, bedoelde richtsnoer niet van toepassing is.
§ 2. De bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1, is een fiscaal aftrekbare beroepskost in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
"Art. 15/27. § 1. De bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1 is een kost voor de beheerder van het aardgasvervoersnet, waarvoor het in artikel 15/5bis, § 5, 12°, bedoelde richtsnoer niet van toepassing is.
§ 2. De bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1, is een fiscaal aftrekbare beroepskost in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 19. Dans le chapitre IVundecies inséré par l'article 17, il est inséré un article 15/27 rédigé comme suit:
"Art. 15/27. § 1er. La contribution visée à l'article 15/26, § 1er, constitue un coût du gestionnaire du réseau de transport de gaz naturel, pour lequel la ligne directrice visée à l'article 15/5bis, § 5, 12°, n'est pas d'application.
§ 2. La contribution visée à l'article 15/26, § 1er, constitue une dépense fiscalement déductible au sens de l'article 49 du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Art. 15/27. § 1er. La contribution visée à l'article 15/26, § 1er, constitue un coût du gestionnaire du réseau de transport de gaz naturel, pour lequel la ligne directrice visée à l'article 15/5bis, § 5, 12°, n'est pas d'application.
§ 2. La contribution visée à l'article 15/26, § 1er, constitue une dépense fiscalement déductible au sens de l'article 49 du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Art. 20. In het bij artikel 17 ingevoegde hoofdstuk IVundecies wordt een artikel 15/28 ingevoegd, dat als volgt luidt:
"Art. 15/28. Onverminderd artikel 15/26, § 4 kan de Federale Overheidsdienst Financiën, bij ontstentenis van betaling of laattijdige betaling van het bedrag bedoeld in artikel 15/26, § 1 de beheerder van het aardgasvervoersnet, na hem te hebben gehoord of naar behoren te hebben opgeroepen, een verhoging van de bijdrage opleggen van maximum 10 % van het bedrag bedoeld in artikel 15/26, § 2. Deze verhoging wordt ingevorderd zoals de bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1.".
"Art. 15/28. Onverminderd artikel 15/26, § 4 kan de Federale Overheidsdienst Financiën, bij ontstentenis van betaling of laattijdige betaling van het bedrag bedoeld in artikel 15/26, § 1 de beheerder van het aardgasvervoersnet, na hem te hebben gehoord of naar behoren te hebben opgeroepen, een verhoging van de bijdrage opleggen van maximum 10 % van het bedrag bedoeld in artikel 15/26, § 2. Deze verhoging wordt ingevorderd zoals de bijdrage bedoeld in artikel 15/26, § 1.".
Art. 20. Dans le chapitre IVundecies inséré par l'article 17, il est inséré un article 15/28 rédigé comme suit:
"Art. 15/28. Sans préjudice de l'article 15/26, § 4, en cas d'absence de paiement ou de paiement tardif de la contribution visée à l'article 15/26, § 1er, le Service public fédéral Finances peut imposer au gestionnaire du réseau de transport de gaz naturel une majoration de contribution de maximum 10 % du montant visé à l'article 15/26, § 2, après l'avoir préalablement entendu ou l'avoir dûment convoqué. Cette majoration est recouvrée comme la contribution visée à l'article 15/26, § 1er.".
"Art. 15/28. Sans préjudice de l'article 15/26, § 4, en cas d'absence de paiement ou de paiement tardif de la contribution visée à l'article 15/26, § 1er, le Service public fédéral Finances peut imposer au gestionnaire du réseau de transport de gaz naturel une majoration de contribution de maximum 10 % du montant visé à l'article 15/26, § 2, après l'avoir préalablement entendu ou l'avoir dûment convoqué. Cette majoration est recouvrée comme la contribution visée à l'article 15/26, § 1er.".
Art. 21. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 21. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
TITEL 4. - Werk
TITRE 4. - Travail
HOOFDSTUK 1. - Aanwezigheidsregistratie voor onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten
CHAPITRE 1er. - Enregistrement des présences pour les activités d'entretien et/ou de nettoyage
Afdeling 1. - Definities
Section 1re. - Définitions
Art. 22. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder:
1° "natuurlijke persoon": elke natuurlijke persoon bedoeld in artikel 23 van dit hoofdstuk;
2° [1 "activiteit van reiniging en/of onderhoud": elke activiteit van reiniging en/of onderhoud in de zin van artikel 1, § 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 9 februari 1971 tot oprichting van sommige paritaire comités en tot vaststelling van hun benaming en bevoegdheid die ook werk in onroerende staat is in de zin van artikel 19, § 2, 2°, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, die onderworpen is aan een verklaring met toepassing van artikel 30bis, § 7, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en dit ongeacht het paritair comité waartoe de onderneming die deze activiteit uitvoert, behoort;]1
3° "arbeidsplaats": elk onroerend goed waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden verricht;
4° "registratiesysteem": elektronisch aanwezigheids- registratiesysteem;
5° "aannemer":
- eenieder die zich ertoe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten uit te voeren of te laten uitvoeren;
- de aannemer, bedoeld in artikel 30bis, § 7, vijfde lid, a) en b), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
- iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
6° "onderaannemer": eenieder die zich ertoe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welke fase ook, tegen een prijs de aan de aannemer toevertrouwde onderhouds- en/of reinigingsactiviteit of een onderdeel ervan uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen.
1° "natuurlijke persoon": elke natuurlijke persoon bedoeld in artikel 23 van dit hoofdstuk;
2° [1 "activiteit van reiniging en/of onderhoud": elke activiteit van reiniging en/of onderhoud in de zin van artikel 1, § 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 9 februari 1971 tot oprichting van sommige paritaire comités en tot vaststelling van hun benaming en bevoegdheid die ook werk in onroerende staat is in de zin van artikel 19, § 2, 2°, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, die onderworpen is aan een verklaring met toepassing van artikel 30bis, § 7, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en dit ongeacht het paritair comité waartoe de onderneming die deze activiteit uitvoert, behoort;]1
3° "arbeidsplaats": elk onroerend goed waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden verricht;
4° "registratiesysteem": elektronisch aanwezigheids- registratiesysteem;
5° "aannemer":
- eenieder die zich ertoe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten uit te voeren of te laten uitvoeren;
- de aannemer, bedoeld in artikel 30bis, § 7, vijfde lid, a) en b), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
- iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
6° "onderaannemer": eenieder die zich ertoe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welke fase ook, tegen een prijs de aan de aannemer toevertrouwde onderhouds- en/of reinigingsactiviteit of een onderdeel ervan uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen.
Art. 22. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° "personne physique": toute personne physique visée à l'article 23 du présent chapitre;
2° [1 "activité de nettoyage et/ou d'entretien": toute activité de nettoyage et/ou d'entretien au sens de l'article 1er, § 1er, alinéa 5, de l'arrêté royal du 9 février 1971 instituant certaines commissions paritaires et fixant leur dénomination et leur compétence, qui constitue aussi un travail immobilier au sens de l'article 19, § 2, 2°, troisième alinéa, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, qui fait l'objet d'une déclaration en application de l'article 30bis, § 7, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et ce quel que soit la commission paritaire dont relève l'entreprise qui réalise ladite activité;]1
3° "lieu de travail": tout bien immobilier où sont effectuées des activités d'entretien et/ou de nettoyage;
4° "système d'enregistrement": système électronique d'enregistrement de présence;
5° "entrepreneur":
- quiconque s'engage, pour un prix, à exécuter ou à faire exécuter des activités d'entretien et/ou de nettoyage pour un donneur d'ordre;
- l'entrepreneur assimilé, visé à l'article 30bis, § 7, alinéa 5, a) et b), de la loi 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
- chaque sous-traitant par rapport aux sous-traitants suivants;
6° "sous-traitant": quiconque s'engage, soit directement, soit indirectement, à quelque stade que ce soit, à exécuter ou à faire exécuter pour un prix, l'activité d'entretien et/ou de nettoyage ou une partie de l'activité d'entretien et/ou de nettoyage confié à l'entrepreneur ou à mettre des travailleurs à disposition à cet effet.
1° "personne physique": toute personne physique visée à l'article 23 du présent chapitre;
2° [1 "activité de nettoyage et/ou d'entretien": toute activité de nettoyage et/ou d'entretien au sens de l'article 1er, § 1er, alinéa 5, de l'arrêté royal du 9 février 1971 instituant certaines commissions paritaires et fixant leur dénomination et leur compétence, qui constitue aussi un travail immobilier au sens de l'article 19, § 2, 2°, troisième alinéa, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, qui fait l'objet d'une déclaration en application de l'article 30bis, § 7, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et ce quel que soit la commission paritaire dont relève l'entreprise qui réalise ladite activité;]1
3° "lieu de travail": tout bien immobilier où sont effectuées des activités d'entretien et/ou de nettoyage;
4° "système d'enregistrement": système électronique d'enregistrement de présence;
5° "entrepreneur":
- quiconque s'engage, pour un prix, à exécuter ou à faire exécuter des activités d'entretien et/ou de nettoyage pour un donneur d'ordre;
- l'entrepreneur assimilé, visé à l'article 30bis, § 7, alinéa 5, a) et b), de la loi 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
- chaque sous-traitant par rapport aux sous-traitants suivants;
6° "sous-traitant": quiconque s'engage, soit directement, soit indirectement, à quelque stade que ce soit, à exécuter ou à faire exécuter pour un prix, l'activité d'entretien et/ou de nettoyage ou une partie de l'activité d'entretien et/ou de nettoyage confié à l'entrepreneur ou à mettre des travailleurs à disposition à cet effet.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Section 2. - Champ d'application
Art. 23. Dit hoofdstuk is van toepassing op:
1° de werknemers die opdrachten uitvoeren voor de in 2° bedoelde werkgevers;
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de werknemers:
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, behoudens de personen die prestaties leveren tot het verkrijgen van de vergoeding overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
b) de gedetacheerde werknemers en de gedetacheerde zelfstandigen, bedoeld in artikel 137 en volgende van de programmawet van 27 december 2006;
c) de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
d) de personen verbonden door een leerovereenkomst;
e) de stagiairs;
f) de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht;
g) de zelfstandigen en hun helpers bedoeld in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° de werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen die in de hoedanigheid van aannemer of onderaannemer onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verrichten;
3° de aannemers en onderaannemers.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteit worden verricht.
1° de werknemers die opdrachten uitvoeren voor de in 2° bedoelde werkgevers;
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de werknemers:
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, behoudens de personen die prestaties leveren tot het verkrijgen van de vergoeding overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
b) de gedetacheerde werknemers en de gedetacheerde zelfstandigen, bedoeld in artikel 137 en volgende van de programmawet van 27 december 2006;
c) de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
d) de personen verbonden door een leerovereenkomst;
e) de stagiairs;
f) de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht;
g) de zelfstandigen en hun helpers bedoeld in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° de werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen die in de hoedanigheid van aannemer of onderaannemer onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verrichten;
3° de aannemers en onderaannemers.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteit worden verricht.
Art. 23. Le présent chapitre est applicable:
1° aux travailleurs qui exécutent des activités pour les employeurs visés au 2° ;
Pour l'application du présent chapitre sont assimilés aux travailleurs:
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, à l'exception des personnes qui fournissent des prestations en vue d'obtenir l'indemnité conformément à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992;
b) les travailleurs salariés détachés, et les travailleurs indépendants détachés visés aux articles 137 et suivants de la loi-programme du 27 décembre 2006;
c) les personnes qui suivent une formation professionnelle dont le programme de formation prévoit une forme de travail qui est effectué ou non dans l'établissement de formation;
d) les personnes liées par un contrat d'apprentissage;
e) les stagiaires;
f) les élèves et les étudiants qui suivent des études pour lesquelles le programme d'étude prévoit une forme de travail qui est effectué dans l'établissement d `enseignement;
g) les travailleurs indépendants et leurs aidants visés à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° aux employeurs et aux personnes y assimilées qui en qualité d'entrepreneur ou de sous-traitant exercent des activités d'entretien et de nettoyage;
3° aux entrepreneurs et sous-traitants.
Ce chapitre s'applique aux lieux de travail où sont effectuées des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
1° aux travailleurs qui exécutent des activités pour les employeurs visés au 2° ;
Pour l'application du présent chapitre sont assimilés aux travailleurs:
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, à l'exception des personnes qui fournissent des prestations en vue d'obtenir l'indemnité conformément à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992;
b) les travailleurs salariés détachés, et les travailleurs indépendants détachés visés aux articles 137 et suivants de la loi-programme du 27 décembre 2006;
c) les personnes qui suivent une formation professionnelle dont le programme de formation prévoit une forme de travail qui est effectué ou non dans l'établissement de formation;
d) les personnes liées par un contrat d'apprentissage;
e) les stagiaires;
f) les élèves et les étudiants qui suivent des études pour lesquelles le programme d'étude prévoit une forme de travail qui est effectué dans l'établissement d `enseignement;
g) les travailleurs indépendants et leurs aidants visés à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° aux employeurs et aux personnes y assimilées qui en qualité d'entrepreneur ou de sous-traitant exercent des activités d'entretien et de nettoyage;
3° aux entrepreneurs et sous-traitants.
Ce chapitre s'applique aux lieux de travail où sont effectuées des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
Afdeling 3. - Elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem
Section 3. - Système électronique d'enregistrement des présences
Art. 24. § 1. Voor elke arbeidsplaats, worden de aanwezigheid en de rustpauzes van elke natuurlijke persoon, geregistreerd:
1° door middel van een registratiesysteem; of
2° door een andere automatische registratiewijze, indien dit apparaat of deze apparaten gelijkwaardige waarborgen bieden als het registratiesysteem bedoeld in 1°, en het bewijs geleverd wordt van het feit dat het begin en het einde van de activiteiten van de natuurlijke personen op de arbeidsplaats daadwerkelijk worden geregistreerd.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gelijkwaardige waarborgen waaraan de in het eerste lid, 2° bedoelde registratie ten minste moet beantwoorden.
§ 2. Het registratiesysteem, bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, omvat:
1° een gegevensbank beheerd door de overheid die bepaalde gegevens verzamelt met het oog op de controle en de exploitatie van deze gegevens;
2° een registratieapparaat waarin de gegevens kunnen geregistreerd worden en dat toelaat om deze gegevens door te zenden naar de gegevensbank of een systeem dat toelaat om de voormelde gegevens te registreren en door te zenden naar de gegevensbank;
3° een registratiemiddel dat elke natuurlijke persoon moet gebruiken om zijn identiteit te bewijzen bij de registratie.
1° door middel van een registratiesysteem; of
2° door een andere automatische registratiewijze, indien dit apparaat of deze apparaten gelijkwaardige waarborgen bieden als het registratiesysteem bedoeld in 1°, en het bewijs geleverd wordt van het feit dat het begin en het einde van de activiteiten van de natuurlijke personen op de arbeidsplaats daadwerkelijk worden geregistreerd.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gelijkwaardige waarborgen waaraan de in het eerste lid, 2° bedoelde registratie ten minste moet beantwoorden.
§ 2. Het registratiesysteem, bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, omvat:
1° een gegevensbank beheerd door de overheid die bepaalde gegevens verzamelt met het oog op de controle en de exploitatie van deze gegevens;
2° een registratieapparaat waarin de gegevens kunnen geregistreerd worden en dat toelaat om deze gegevens door te zenden naar de gegevensbank of een systeem dat toelaat om de voormelde gegevens te registreren en door te zenden naar de gegevensbank;
3° een registratiemiddel dat elke natuurlijke persoon moet gebruiken om zijn identiteit te bewijzen bij de registratie.
Art. 24. § 1er. Pour chaque lieu de travail, la présence et les intervalles de repos de chaque personne physique, sont enregistrés au moyen:
1° d'un système d'enregistrement; ou
2° par une autre méthode d'enregistrement automatique, pour autant que cet appareil ou ces appareils offrent des garanties équivalentes à celles du système d'enregistrement visé au 1°, et que soit fournie la preuve du fait que les débuts et fins des activités des personnes physiques sur le lieu de travail sont bien enregistrées.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les garanties équivalentes auxquelles l'enregistrement visé à l'alinéa 1er, 2°, doit répondre au minimum.
§ 2. Le système d'enregistrement, visé au § 1er, alinéa 1er, 1°, comprend:
1° une base de données informatique gérée par l'autorité qui rassemble des données déterminées en vue du contrôle et de l'exploitation de ces données;
2° un appareil d'enregistrement dans lequel les données peuvent être enregistrées et qui permet d'envoyer ces données à la base de données ou un système qui permet d'enregistrer les données précitées et de les envoyer à la base de données;
3° un moyen d'enregistrement que chaque personne physique doit utiliser pour prouver son identité lors de l'enregistrement.
1° d'un système d'enregistrement; ou
2° par une autre méthode d'enregistrement automatique, pour autant que cet appareil ou ces appareils offrent des garanties équivalentes à celles du système d'enregistrement visé au 1°, et que soit fournie la preuve du fait que les débuts et fins des activités des personnes physiques sur le lieu de travail sont bien enregistrées.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les garanties équivalentes auxquelles l'enregistrement visé à l'alinéa 1er, 2°, doit répondre au minimum.
§ 2. Le système d'enregistrement, visé au § 1er, alinéa 1er, 1°, comprend:
1° une base de données informatique gérée par l'autorité qui rassemble des données déterminées en vue du contrôle et de l'exploitation de ces données;
2° un appareil d'enregistrement dans lequel les données peuvent être enregistrées et qui permet d'envoyer ces données à la base de données ou un système qui permet d'enregistrer les données précitées et de les envoyer à la base de données;
3° un moyen d'enregistrement que chaque personne physique doit utiliser pour prouver son identité lors de l'enregistrement.
Afdeling 4. - Registratiegegevens en verwerking ervan
Section 4. - Données d'enregistrement et leur traitement
Onderafdeling 1. - Registratiegegevens
Sous-section 1re. - Données d'enregistrement
Art. 25. § 1. Het registratiesysteem bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 1°, en de registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, geven de volgende gegevens weer:
1° de identificatiegegevens van de natuurlijke persoon;
2° al naargelang het geval, het adres of de geografische omschrijving van de arbeidsplaats;
3° de hoedanigheid waarin een natuurlijke persoon zich bevindt op de arbeidsplaats;
4° de identificatiegegevens van de werkgever, wanneer de natuurlijke persoon een werknemer is;
5° wanneer de natuurlijke persoon een zelfstandige is, de identificatiegegevens van de natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens opdracht een werk wordt verricht;
6° het tijdstip van de registratie van aankomst op de arbeidsplaats en dat van vertrek van de arbeidsplaats evenals rustpauzes.
§ 2. De gegevens, bedoeld in § 1, zijn sociale gegevens van persoonlijke aard als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels waaraan het registratiesysteem moet beantwoorden inzonderheid:
1° de eigenschappen van het registratiesysteem;
2° de nadere regels betreffende het bijhouden van het registratiesysteem;
3° de inlichtingen die het registratiesysteem moet bevatten betreffende de op te nemen gegevens;
4° de nadere regels voor het doorsturen van de gegevens, inzonderheid het tijdstip van doorsturen;
5° de verschillende registratiemiddelen en hun technische specificaties die toegelaten zijn om zich te registreren;
6° welke gegevens niet moeten geregistreerd worden indien ze reeds op elektronische wijze elders beschikbaar zijn voor de overheid en gebruikt kunnen worden in het kader van deze wet.
1° de identificatiegegevens van de natuurlijke persoon;
2° al naargelang het geval, het adres of de geografische omschrijving van de arbeidsplaats;
3° de hoedanigheid waarin een natuurlijke persoon zich bevindt op de arbeidsplaats;
4° de identificatiegegevens van de werkgever, wanneer de natuurlijke persoon een werknemer is;
5° wanneer de natuurlijke persoon een zelfstandige is, de identificatiegegevens van de natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens opdracht een werk wordt verricht;
6° het tijdstip van de registratie van aankomst op de arbeidsplaats en dat van vertrek van de arbeidsplaats evenals rustpauzes.
§ 2. De gegevens, bedoeld in § 1, zijn sociale gegevens van persoonlijke aard als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels waaraan het registratiesysteem moet beantwoorden inzonderheid:
1° de eigenschappen van het registratiesysteem;
2° de nadere regels betreffende het bijhouden van het registratiesysteem;
3° de inlichtingen die het registratiesysteem moet bevatten betreffende de op te nemen gegevens;
4° de nadere regels voor het doorsturen van de gegevens, inzonderheid het tijdstip van doorsturen;
5° de verschillende registratiemiddelen en hun technische specificaties die toegelaten zijn om zich te registreren;
6° welke gegevens niet moeten geregistreerd worden indien ze reeds op elektronische wijze elders beschikbaar zijn voor de overheid en gebruikt kunnen worden in het kader van deze wet.
Art. 25. § 1er. Le système d'enregistrement visé à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 1°, et la méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°, reprennent les données suivantes:
1° les données d'identification de la personne physique;
2° selon le cas, l'adresse ou la description géographique du lieu de travail;
3° la qualité en laquelle une personne physique se trouve sur le lieu de travail;
4° les données d'identification de l'employeur, lorsque la personne physique est un travailleur;
5° quand la personne physique est un indépendant, les données d'identification de la personne physique ou morale sur commande de laquelle les prestations sont effectuées;
6° les moments de l'enregistrement de l'arrivée au lieu de travail et du départ du lieu de travail ainsi que les intervalles de repos.
§ 2. Les données, visées au § 1er, sont des données sociales à caractère personnel visées à l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. Après avis de l'Autorité de protection des données, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions et les modalités auxquelles doit répondre le système d'enregistrement et notamment:
1° les caractéristiques du système d'enregistrement;
2° les modalités relatives à la tenue à jour du système d'enregistrement;
3° les renseignements relatifs aux données à reprendre que le système d'enregistrement doit comprendre;
4° les modalités de l'envoi des données, en particulier le moment précis de l'envoi;
5° les différents moyens d'enregistrement et leurs spécifications techniques qui sont autorisés pour s'enregistrer;
6° les données qui ne doivent pas être enregistrées si elles sont déjà disponibles ailleurs de manière électronique pour l'autorité et qui peuvent être utilisées dans le cadre de la présente loi.
1° les données d'identification de la personne physique;
2° selon le cas, l'adresse ou la description géographique du lieu de travail;
3° la qualité en laquelle une personne physique se trouve sur le lieu de travail;
4° les données d'identification de l'employeur, lorsque la personne physique est un travailleur;
5° quand la personne physique est un indépendant, les données d'identification de la personne physique ou morale sur commande de laquelle les prestations sont effectuées;
6° les moments de l'enregistrement de l'arrivée au lieu de travail et du départ du lieu de travail ainsi que les intervalles de repos.
§ 2. Les données, visées au § 1er, sont des données sociales à caractère personnel visées à l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. Après avis de l'Autorité de protection des données, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions et les modalités auxquelles doit répondre le système d'enregistrement et notamment:
1° les caractéristiques du système d'enregistrement;
2° les modalités relatives à la tenue à jour du système d'enregistrement;
3° les renseignements relatifs aux données à reprendre que le système d'enregistrement doit comprendre;
4° les modalités de l'envoi des données, en particulier le moment précis de l'envoi;
5° les différents moyens d'enregistrement et leurs spécifications techniques qui sont autorisés pour s'enregistrer;
6° les données qui ne doivent pas être enregistrées si elles sont déjà disponibles ailleurs de manière électronique pour l'autorité et qui peuvent être utilisées dans le cadre de la présente loi.
Onderafdeling 2. - Verwerkingsverantwoordelijke
Sous-section 2. - Responsables du traitement
Art. 26. De gegevens worden doorgestuurd naar een gegevensbank die bijgehouden wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg zijn de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in artikel 4, 7), van de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) van de gegevens waarover zij beschikken of die haar worden meegedeeld krachtens artikel 5, § 1, van dezelfde verordening.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg zijn de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in artikel 4, 7), van de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) van de gegevens waarover zij beschikken of die haar worden meegedeeld krachtens artikel 5, § 1, van dezelfde verordening.
Art. 26. Les données sont envoyées à une base de données qui est tenue par l'Office National de Sécurité Sociale.
L'Office National de Sécurité Sociale et le Service public fédéral Emploi, Travail et Sécurité sociale sont les responsables du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) des données qu'ils détiennent ou qui lui sont communiquées en vertu de l'article 5, § 1er, du même règlement.
L'Office National de Sécurité Sociale et le Service public fédéral Emploi, Travail et Sécurité sociale sont les responsables du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) des données qu'ils détiennent ou qui lui sont communiquées en vertu de l'article 5, § 1er, du même règlement.
Onderafdeling 3. - Finaliteiten van de aanwezigheidsregistratie
Sous-section 3. - Finalités de l'enregistrement des présences
Art. 27. De in artikel 24 bedoelde aanwezigheidsregistratie heeft tot doel de veiligheid van de natuurlijke personen te verbeteren, zwartwerk en sociale fraude te bestrijden en de administratieve lasten voor aannemers en onderaannemers in verband met de bekendmaking van de arbeidsuren te verlichten.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociale Overleg kunnen, in overstemming met de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, de in toepassing van deze wet verwerkte gegevens verder verwerken om hun andere wettelijke bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de reglementering die tot hun respectieve bevoegdheden behoren en met het oog op de inning en invordering van de bedragen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociale Overleg kunnen, in overstemming met de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, de in toepassing van deze wet verwerkte gegevens verder verwerken om hun andere wettelijke bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de reglementering die tot hun respectieve bevoegdheden behoren en met het oog op de inning en invordering van de bedragen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren.
Art. 27. L'enregistrement des présences, visé à l'article 24, a pour finalité d'améliorer la sécurité des personnes physiques, de lutter contre le recours au travail non déclaré et de la fraude sociale et d'alléger la charge administrative pesant sur les entrepreneurs et les sous-traitants en matière de publicité des horaires de travail.
L'Office national de sécurité sociale et le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale peuvent, conformément aux dispositions de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, traiter ultérieurement les données traitées en application de la présente loi en vue de la prévention, de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions aux lois et règlements qui relèvent de leurs compétences respectives et en vue de la perception et du recouvrement des montants qui relèvent de leurs compétences respectives.
L'Office national de sécurité sociale et le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale peuvent, conformément aux dispositions de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, traiter ultérieurement les données traitées en application de la présente loi en vue de la prévention, de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions aux lois et règlements qui relèvent de leurs compétences respectives et en vue de la perception et du recouvrement des montants qui relèvent de leurs compétences respectives.
Onderafdeling 4. - Bewaartermijn van de gegevens
Sous-section 4. - Durée de conservation des données
Art. 28. Voor de doeleinden bedoeld in artikel 27, worden de in artikel 25 bedoelde persoonsgegevens niet langer bewaard dan noodzakelijk, met een maximale bewaartermijn die één jaar na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken behoren en, in voorkomend geval, de integrale betaling van alle hiermee verbonden bedragen niet mag overschrijden.
Art. 28. Au regard des finalités visées à l'article 27, les données à caractère personnel, visées à l'article 25, ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence des responsables du traitement et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés.
Onderafdeling 5. - Consultatie en meedelen van de gegevens
Sous-section 5. - Consultation et communication des données
Art. 29. Onverminderd de toepassing van artikel 14 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, mogen de sociale inspecteurs en de instellingen van sociale zekerheid, op voorwaarde van een voorafgaande beraadslaging vanwege de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité, bedoeld in artikel 41 van voormelde wet, de gegevens die opgenomen zijn in het registratiesysteem raadplegen, onderling uitwisselen en gebruiken in het kader van de uitoefening van de hun krachtens de wet toegewezen opdrachten.
Art. 29. Sans préjudice de l'application de l'article 14 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, les inspecteurs sociaux et les institutions de sécurité sociale peuvent, moyennant une délibération préalable de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, visée à l'article 41 de la loi précitée, consulter les données reprises dans le système d'enregistrement, les échanger entre eux et les utiliser dans le cadre de l'exercice de leurs missions attribuées en vertu de la loi.
Art. 30. Onverminderd de toepassing van de artikelen 182 en 183 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens mogen de sociale inspecteurs, op eigen initiatief of op verzoek, de in artikel 29 bedoelde gegevens meedelen aan buitenlandse inspectiediensten.
Art. 30. Sans préjudice de l'application des articles 182 et 183 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les inspecteurs sociaux peuvent, de leur propre initiative ou sur demande, communiquer les données visées à l'article 29 à des services d'inspection étrangers.
Onderafdeling 6. - Recht tot toegang en rechtzetting
Sous-section 6. - Droit d'accès et de rectification
Art. 31. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels waaronder de gegevens in de gegevensbank kunnen geraadpleegd en rechtgezet worden door:
1° elke natuurlijke persoon, voor zijn eigen gegevens;
2° elke aannemer voor zijn eigen werknemers die optreden op de arbeidsplaats waar hij zelf tewerkgesteld is om onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten uit te oefenen.
1° elke natuurlijke persoon, voor zijn eigen gegevens;
2° elke aannemer voor zijn eigen werknemers die optreden op de arbeidsplaats waar hij zelf tewerkgesteld is om onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten uit te oefenen.
Art. 31. Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données et par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions et les modalités selon lesquelles les données peuvent être consultées et rectifiées dans la base de données par:
1° chaque personne physique, pour ses propres données;
2° chaque entrepreneur pour ses propres travailleurs intervenant sur le lieu de travail où il est lui-même occupé à exercer des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
1° chaque personne physique, pour ses propres données;
2° chaque entrepreneur pour ses propres travailleurs intervenant sur le lieu de travail où il est lui-même occupé à exercer des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
Onderafdeling 7. - Transparantie
Sous-section 7. - Transparence
Art. 32. De Koning kan, na het advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg of de overige verantwoordelijken voor de verwerking die gegevens leveren of gebruiken, verplicht zijn om hun informatieplicht overeenkomstig artikelen 36 en 37 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens na te leven zodat elke persoon wordt ingelicht wanneer gegevens die op hem betrekking hebben, worden opgeslagen of wanneer het voornemen bestaat deze gegevens aan derden door te geven. In de verstrekte mededeling moet de identiteit van de voor de verwerking van de gegevens verantwoordelijke instantie worden gepreciseerd, alsook het type verwerkte gegevens en de redenen voor zulke verrichtingen.
Art. 32. Le Roi peut, après l'avis de l'Autorité de protection des données, déterminer de quelle manière et à quelles conditions l'Office national de la sécurité sociale, le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale ou les autres responsables du traitement qui fournissent ou utilisent des données doivent respecter leur obligation d'information conformément aux articles 36 et 37 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel afin que toutes les personnes soient informées lorsque des données les concernant, sont enregistrées ou qu'il est envisagé de les transmettre à des tiers. Les informations fournies précisent l'identité de l'autorité responsable du traitement des données, le type de données traitées et les motifs d'une telle action.
Onderafdeling 8. - Veiligheid
Sous-section 8. - Sécurité
Art. 33. De verwerkingsverantwoordelijken, treffen de passende technische en organisatorische maatregelen die nodig zijn voor de bescherming van de persoonsgegevens tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, tegen toevallig verlies, evenals tegen de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens.
Deze maatregelen verzekeren een passend beveiligingsniveau, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen persoonsgegevens en de potentiële risico's.
Het registratiesysteem waarborgt dat de gegevens niet meer onmerkbaar gewijzigd kunnen worden na het doorsturen ervan en dat hun integriteit gehandhaafd wordt.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen bedoeld in deze paragraaf nader bepalen.
Deze maatregelen verzekeren een passend beveiligingsniveau, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen persoonsgegevens en de potentiële risico's.
Het registratiesysteem waarborgt dat de gegevens niet meer onmerkbaar gewijzigd kunnen worden na het doorsturen ervan en dat hun integriteit gehandhaafd wordt.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen bedoeld in deze paragraaf nader bepalen.
Art. 33. Les responsables du traitement prennent les mesures techniques et organisationnelles appropriées requises pour protéger les données à caractère personnel contre la destruction accidentelle ou non autorisée, contre la perte accidentelle ainsi que contre la modification, l'accès et tout autre traitement non autorisé de données à caractère personnel.
Ces mesures assurent un niveau de protection adéquat, compte tenu, d'une part, de l'état de la technique en la matière et des frais qu'entraîne l'application de ces mesures et, d'autre part, de la nature des données à caractère personnel à protéger et des risques potentiels.
Le système d'enregistrement garantit que les données ne peuvent plus être modifiées imperceptiblement après leur envoi et que leur intégrité est maintenue.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées au présent article.
Ces mesures assurent un niveau de protection adéquat, compte tenu, d'une part, de l'état de la technique en la matière et des frais qu'entraîne l'application de ces mesures et, d'autre part, de la nature des données à caractère personnel à protéger et des risques potentiels.
Le système d'enregistrement garantit que les données ne peuvent plus être modifiées imperceptiblement après leur envoi et que leur intégrité est maintenue.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées au présent article.
Onderafdeling 9. - Verplichtingen van de aannemers en onderaannemers
Sous-section 9. - Obligations à charge des entrepreneurs et sous-traitants
Art. 34. De aannemer stelt het registratiesysteem ter beschikking van de onderaannemers op wie hij een beroep doet, tenzij er onderling werd overeengekomen dat de aannemer en zijn eventuele onderaannemers een andere gelijkwaardige registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, toepassen.
Elke aannemer op wie een onderneming of een overheidsdienst een beroep doet voor onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten is ertoe gehouden het registratiesysteem te gebruiken.
Dit geldt ook voor de aannemer die zelf persoonlijk onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verricht.
Elke onderaannemer op wie een aannemer bedoeld in het eerste lid een beroep doet is ertoe gehouden het hem door de aannemer ter beschikking gestelde registratiesysteem te gebruiken en het ter beschikking te stellen van de onderaannemers waarop hij een beroep doet, of de registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, toe te passen.
Elke onderaannemer op wie een onderaannemer bedoeld in het vierde lid, of op wie elke volgende onderaannemer een beroep doet is ertoe gehouden het hem door de onderaannemer waarmee hij een overeenkomst heeft gesloten ter beschikking gestelde registratiesysteem te gebruiken en het ter beschikking te stellen van de onderaannemers waarop hij een beroep doet, of de registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, toe te passen.
Elke aannemer op wie een onderneming of een overheidsdienst een beroep doet voor onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten is ertoe gehouden het registratiesysteem te gebruiken.
Dit geldt ook voor de aannemer die zelf persoonlijk onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verricht.
Elke onderaannemer op wie een aannemer bedoeld in het eerste lid een beroep doet is ertoe gehouden het hem door de aannemer ter beschikking gestelde registratiesysteem te gebruiken en het ter beschikking te stellen van de onderaannemers waarop hij een beroep doet, of de registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, toe te passen.
Elke onderaannemer op wie een onderaannemer bedoeld in het vierde lid, of op wie elke volgende onderaannemer een beroep doet is ertoe gehouden het hem door de onderaannemer waarmee hij een overeenkomst heeft gesloten ter beschikking gestelde registratiesysteem te gebruiken en het ter beschikking te stellen van de onderaannemers waarop hij een beroep doet, of de registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, toe te passen.
Art. 34. L'entrepreneur met le système d'enregistrement à la disposition des sous-traitants auxquels il fait appel, sauf s'il est convenu de commun accord que l'entrepreneur et ses sous-traitants éventuels appliquent une autre méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Tout entrepreneur auquel une entreprise ou un service public fait appel pour des activités d'entretien et/ou de nettoyage est tenu d'utiliser le système d'enregistrement.
Ceci s'applique également à tout entrepreneur qui effectue personnellement des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
Tout sous-traitant auquel un entrepreneur visé à l'alinéa 1er fait appel est tenu d'utiliser le système d'enregistrement mis à sa disposition par l'entrepreneur et de le mettre à la disposition des sous-traitants auxquels il fait appel ou d'appliquer la méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Tout sous-traitant auquel un sous-traitant, visé à l'alinéa 4, fait appel ou auquel tout sous-traitant suivant fait appel est tenu d'utiliser le système d'enregistrement qui est mis à sa disposition par le sous-traitant avec lequel il a conclu un contrat et de le mettre à la disposition des sous-traitants auxquels il fait appel ou d'appliquer la méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Tout entrepreneur auquel une entreprise ou un service public fait appel pour des activités d'entretien et/ou de nettoyage est tenu d'utiliser le système d'enregistrement.
Ceci s'applique également à tout entrepreneur qui effectue personnellement des activités d'entretien et/ou de nettoyage.
Tout sous-traitant auquel un entrepreneur visé à l'alinéa 1er fait appel est tenu d'utiliser le système d'enregistrement mis à sa disposition par l'entrepreneur et de le mettre à la disposition des sous-traitants auxquels il fait appel ou d'appliquer la méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Tout sous-traitant auquel un sous-traitant, visé à l'alinéa 4, fait appel ou auquel tout sous-traitant suivant fait appel est tenu d'utiliser le système d'enregistrement qui est mis à sa disposition par le sous-traitant avec lequel il a conclu un contrat et de le mettre à la disposition des sous-traitants auxquels il fait appel ou d'appliquer la méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Art. 35. De in artikel 34 bedoelde personen zijn verantwoordelijk voor de levering, de plaatsing en de goede werking van het registratieapparaat op de arbeidsplaats.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen bedoeld in deze paragraaf nader bepalen.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen bedoeld in deze paragraaf nader bepalen.
Art. 35. Les personnes visées à l'article 34 sont responsables de la livraison, de l'installation et du bon fonctionnement de l'appareil d'enregistrement sur le lieu de travail.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées au présent article.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées au présent article.
Art. 36. Elke aannemer en elke onderaannemer zorgt ervoor dat de in artikel 25, § 1, bedoelde gegevens die betrekking hebben op zijn onderneming, daadwerkelijk en correct worden geregistreerd en doorgestuurd naar de gegevensbank.
Elke aannemer en elke onderaannemer die een beroep doet op een onderaannemer, neemt maatregelen opdat zijn medecontractant alle gegevens daadwerkelijk en correct registreert en doorstuurt naar de gegevensbank.
Elke aannemer en elke onderaannemer zorgt er voor dat elke natuurlijke persoon die in zijn opdracht activiteiten verricht, het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals de rustpauzes registreert op het ogenblik dat deze activiteiten beginnen en dat ze eindigen.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, nader bepalen.
Elke aannemer en elke onderaannemer die een beroep doet op een onderaannemer, neemt maatregelen opdat zijn medecontractant alle gegevens daadwerkelijk en correct registreert en doorstuurt naar de gegevensbank.
Elke aannemer en elke onderaannemer zorgt er voor dat elke natuurlijke persoon die in zijn opdracht activiteiten verricht, het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals de rustpauzes registreert op het ogenblik dat deze activiteiten beginnen en dat ze eindigen.
De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, nader bepalen.
Art. 36. Tout entrepreneur et tout sous-traitant veille à ce que les données visées à l'article 25, § 1er, qui se rapportent à son entreprise, soient effectivement et correctement enregistrées et transmises vers la base de données.
Tout entrepreneur et tout sous-traitant qui fait appel à un sous-traitant prend des mesures afin que son cocontractant enregistre toutes les données effectivement et correctement et les transmet vers la base de données.
Tout entrepreneur et tout sous-traitant veille à ce que chaque personne physique qui effectue des activités pour leur compte enregistre les débuts et fins d'activités sur le lieu de travail ainsi que les intervalles de repos au moment où ses activités débutent et se terminent.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées à l'alinéa 2.
Tout entrepreneur et tout sous-traitant qui fait appel à un sous-traitant prend des mesures afin que son cocontractant enregistre toutes les données effectivement et correctement et les transmet vers la base de données.
Tout entrepreneur et tout sous-traitant veille à ce que chaque personne physique qui effectue des activités pour leur compte enregistre les débuts et fins d'activités sur le lieu de travail ainsi que les intervalles de repos au moment où ses activités débutent et se terminent.
Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, préciser les mesures visées à l'alinéa 2.
Art. 37. De werkgever is verantwoordelijk voor de aflevering van het registratiemiddel aan zijn werknemers, dat compatibel is met het op de arbeidsplaats gebruikte registratieapparaat.
De aannemer of de onderaannemer die een beroep doet op een zelfstandige, moet zich ervan vergewissen dat deze zelfstandige in het bezit is van een registratiemiddel dat compatibel is met het registratieapparaat op de arbeidsplaats.
Zo niet dient de aannemer of de onderaannemer er hem een te bezorgen of contractueel te bepalen dat hij de registratie van de zelfstandige zal uitvoeren via een andere registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°.
De aannemer die zelf in persoon onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verricht draagt de verantwoordelijkheid voor het registratiemiddel dat compatibel is met het op de arbeidsplaats gebruikte registratieapparaat.
De Koning bepaalt, na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat er onder deze compatibiliteit wordt verstaan.
De aannemer of de onderaannemer die een beroep doet op een zelfstandige, moet zich ervan vergewissen dat deze zelfstandige in het bezit is van een registratiemiddel dat compatibel is met het registratieapparaat op de arbeidsplaats.
Zo niet dient de aannemer of de onderaannemer er hem een te bezorgen of contractueel te bepalen dat hij de registratie van de zelfstandige zal uitvoeren via een andere registratiewijze, bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°.
De aannemer die zelf in persoon onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten verricht draagt de verantwoordelijkheid voor het registratiemiddel dat compatibel is met het op de arbeidsplaats gebruikte registratieapparaat.
De Koning bepaalt, na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat er onder deze compatibiliteit wordt verstaan.
Art. 37. L'employeur est responsable de la remise du moyen d'enregistrement à ses travailleurs, qui est compatible avec l'appareil d'enregistrement utilisé sur le lieu de travail.
L'entrepreneur ou le sous-traitant qui fait appel à un indépendant, doit s'assurer du fait que cet indépendant est en possession d'un moyen d'enregistrement compatible avec l'appareil d'enregistrement, présent sur le lieu de travail.
Dans la négative, l'entrepreneur ou le sous-traitant lui en fournit un ou convient contractuellement qu'il procédera à l'enregistrement de l'indépendant à l'aide d'une autre méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
L'entrepreneur qui effectue lui-même en personne des activités de nettoyage et/ou d'entretien assume la responsabilité pour le moyen d'enregistrement qui est compatible avec l'appareil d'enregistrement utilisé sur le lieu de travail.
Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données et par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par cette compatibilité.
L'entrepreneur ou le sous-traitant qui fait appel à un indépendant, doit s'assurer du fait que cet indépendant est en possession d'un moyen d'enregistrement compatible avec l'appareil d'enregistrement, présent sur le lieu de travail.
Dans la négative, l'entrepreneur ou le sous-traitant lui en fournit un ou convient contractuellement qu'il procédera à l'enregistrement de l'indépendant à l'aide d'une autre méthode d'enregistrement, visée à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 2°.
L'entrepreneur qui effectue lui-même en personne des activités de nettoyage et/ou d'entretien assume la responsabilité pour le moyen d'enregistrement qui est compatible avec l'appareil d'enregistrement utilisé sur le lieu de travail.
Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données et par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par cette compatibilité.
Onderafdeling 10. - Verplichtingen ten hoofde van de natuurlijke personen
Sous-section 10. - Obligations à charge des personnes physiques
Art. 38. Elke natuurlijke persoon bedoeld in artikel 23, 1°, die zich aanbiedt op een arbeidsplaats, is ertoe gehouden het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals zijn rustpauzes te registreren op het ogenblik dat deze activiteiten beginnen en dat ze eindigen.
Elke natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 23, 2° en 3°, die zich aanbiedt op een arbeidsplaats, is ertoe gehouden zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats te registreren op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.
Elke natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 23, 2° en 3°, die zich aanbiedt op een arbeidsplaats, is ertoe gehouden zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats te registreren op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.
Art. 38. Toute personne physique visée à l'article 23, 1°, qui se présente sur un lieu de travail, est tenue d'enregistrer ses débuts et fins d'activités sur le lieu de travail ainsi que ses intervalles de repos au moment où ces activités débutent et se terminent.
Toute personne physique, visée à l'article 23, 2° et 3°, qui se présente sur un lieu de travail, est tenue d'enregistrer son arrivée et son départ au moment où elle arrive et quitte le lieu de travail.
Toute personne physique, visée à l'article 23, 2° et 3°, qui se présente sur un lieu de travail, est tenue d'enregistrer son arrivée et son départ au moment où elle arrive et quitte le lieu de travail.
Onderafdeling 11. - Verplichtingen ten hoofde van de gebruiker
Sous-section 11. - Obligations à charge de l'utilisateur
Art. 39. De verplichtingen in verband met de aanwezigheidsregistratie, die met toepassing van dit hoofdstuk berusten bij de werkgever zijn, overeenkomstig artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, ten laste van de gebruiker.
Art. 39. Les obligations en relation avec l'enregistrement de présences, qui, en application du présent chapitre, reposent sur l'employeur, sont, conformément à l'article 19 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, à charge de l'utilisateur.
Afdeling 5. - Sancties
Section 5. - Sanctions
Onderafdeling 1. - Toezicht
Sous-section 1re. - Surveillance
Art. 40. De inbreuken op de bepalingen van dit hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 40. Les infractions aux dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs, visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social, lorsqu'ils agissent, d'initiative ou sur demande, dans le cadre de leur mission d'information, de médiation et de surveillance relative au respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs, visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social, lorsqu'ils agissent, d'initiative ou sur demande, dans le cadre de leur mission d'information, de médiation et de surveillance relative au respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.
Onderafdeling 2. - Wijzigingen van het Sociaal Strafwetboek
Sous-section 2. - Modifications du Code pénal social
Art. 41. In boek 2, hoofdstuk 1, afdeling 5, van het Sociaal Strafwetboek, wordt een artikel 137/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 137/3. Aanwezigheidsregistratie op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 24, op artikel 34, op artikel 35, op artikel 36 en op artikel 37, tweede, derde en vierde lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 37, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken, bedoeld in het eerste lid, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.".
"Art. 137/3. Aanwezigheidsregistratie op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 24, op artikel 34, op artikel 35, op artikel 36 en op artikel 37, tweede, derde en vierde lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 37, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken, bedoeld in het eerste lid, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.".
Art. 41. Dans le livre 2, chapitre 1er, section 5, du Code pénal social, il est inséré un article 137/3 rédigé comme suit:
"Art. 137/3. L'enregistrement de présence sur les lieux de travail où des activités d'entretien et/ou de nettoyage sont effectuées
Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 24, à l'article 34, à l'article 35, à l'article 36 et à l'article 37, alinéas 2, 3 et 4, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 37, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions, visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.".
"Art. 137/3. L'enregistrement de présence sur les lieux de travail où des activités d'entretien et/ou de nettoyage sont effectuées
Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 24, à l'article 34, à l'article 35, à l'article 36 et à l'article 37, alinéas 2, 3 et 4, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 37, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions, visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.".
Art. 42. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 137/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 137/4. Aanwezigheidsregistratieplicht van de werknemers en van andere natuurlijke personen op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft:
1° de werknemer, bedoeld in artikel 23, 1° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, eerste lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals zijn rustpauzes niet registreert op het ogenblik ze beginnen en eindigen;
2° de werkgever, de aannemer, de onderaannemer, bedoeld in artikel 23, 2° en 3° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, tweede lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats niet registreert op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.".
"Art. 137/4. Aanwezigheidsregistratieplicht van de werknemers en van andere natuurlijke personen op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft:
1° de werknemer, bedoeld in artikel 23, 1° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, eerste lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals zijn rustpauzes niet registreert op het ogenblik ze beginnen en eindigen;
2° de werkgever, de aannemer, de onderaannemer, bedoeld in artikel 23, 2° en 3° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, tweede lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats niet registreert op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.".
Art. 42. Dans la même section 5, il est inséré un article 137/4 rédigé comme suit:
"Art. 137/4. L'obligation d'enregistrement des présences des travailleurs et d'autres personnes physiques sur les lieux de travail où des activités de nettoyage et/ou d'entretien sont effectuées.
Est puni d'une sanction de niveau 1:
1° le travailleur, visé à l'article 23, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 1er, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de débuts et de fins d'activités sur le lieu de travail, ainsi que les enregistrements des intervalles de repos au moment où celles-ci débutent et se terminent;
2° l'employeur, l'entrepreneur, le sous-traitant, visés à l'article 23, 2° et 3° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 2, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de son arrivée et son départ au moment où il arrive et quitte le lieu de travail.".
"Art. 137/4. L'obligation d'enregistrement des présences des travailleurs et d'autres personnes physiques sur les lieux de travail où des activités de nettoyage et/ou d'entretien sont effectuées.
Est puni d'une sanction de niveau 1:
1° le travailleur, visé à l'article 23, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 1er, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de débuts et de fins d'activités sur le lieu de travail, ainsi que les enregistrements des intervalles de repos au moment où celles-ci débutent et se terminent;
2° l'employeur, l'entrepreneur, le sous-traitant, visés à l'article 23, 2° et 3° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 2, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de son arrivée et son départ au moment où il arrive et quitte le lieu de travail.".
Afdeling 6. - Wijzigingen van de programmawet van 22 december 1989
Section 6. - Modifications de la loi-programme du 22 décembre 1989
Art. 43. Artikel 157 van de programmawet van 22 december 1989, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 maart 2017, wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt:
"Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de onderneming een aanwezigheidsregistratiesysteem toepast als bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, op voorwaarde dat de gegevens bedoeld in het eerste lid, zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 24, § 2, van voormelde wet en dat het afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer of het uittreksel van deze arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, bij controle onverwijld in elektronische vorm aan de sociale inspecteurs kan worden voorgelegd.".
"Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de onderneming een aanwezigheidsregistratiesysteem toepast als bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, op voorwaarde dat de gegevens bedoeld in het eerste lid, zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 24, § 2, van voormelde wet en dat het afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer of het uittreksel van deze arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, bij controle onverwijld in elektronische vorm aan de sociale inspecteurs kan worden voorgelegd.".
Art. 43. L'article 157 de la loi-programme du 22 décembre 1989, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mars 2017, est complété par un alinéa 2, libellé comme suit:
"L'alinéa 1er ne s'applique pas si l'entreprise utilise un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022, à condition que les données mentionnées au premier alinéa, sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi et que la copie du contrat de travail du travailleur à temps partiel ou l'extrait de ce contrat de travail, tels que visés à l'alinéa 1er, puisse être immédiatement présenté sous format électronique aux inspecteurs sociaux, en cas de contrôle.".
"L'alinéa 1er ne s'applique pas si l'entreprise utilise un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022, à condition que les données mentionnées au premier alinéa, sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi et que la copie du contrat de travail du travailleur à temps partiel ou l'extrait de ce contrat de travail, tels que visés à l'alinéa 1er, puisse être immédiatement présenté sous format électronique aux inspecteurs sociaux, en cas de contrôle.".
Art. 44. Artikel 159 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 maart 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 oktober 2022 wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt:
"Het derde lid is niet van toepassing wanneer de onderneming een aanwezigheidsregistratiesysteem toepast als bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, op voorwaarde dat de gegevens bedoeld in het tweede lid zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in 24, § 2, van dezelfde wet.".
"Het derde lid is niet van toepassing wanneer de onderneming een aanwezigheidsregistratiesysteem toepast als bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, op voorwaarde dat de gegevens bedoeld in het tweede lid zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bedoeld in 24, § 2, van dezelfde wet.".
Art. 44. L'article 159 de la même loi, remplacé par la loi du 5 mars 2017 et modifié en dernier lieu par la loi du 7 octobre 2022, est complété par un alinéa 4, libellé comme suit:
"L'alinéa 3 ne s'applique pas si l'entreprise utilise un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022, à condition que les données mentionnées au premier alinéa sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi.".
"L'alinéa 3 ne s'applique pas si l'entreprise utilise un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022, à condition que les données mentionnées au premier alinéa sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi.".
Art. 45. Artikel 164 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 maart 2017, wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt:
"Onder de hierboven bedoelde voorwaarden kan ook een aanwezigheidsregistratiesysteem in de zin van artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, het bij artikel 160 bedoelde document vervangen, indien de gegevens bedoeld in het eerste lid zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bedoeld in artikel 24, § 2, van voormelde wet.".
"Onder de hierboven bedoelde voorwaarden kan ook een aanwezigheidsregistratiesysteem in de zin van artikel 24, § 1, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022, het bij artikel 160 bedoelde document vervangen, indien de gegevens bedoeld in het eerste lid zijn opgeslagen in de gegevensbank bijgehouden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bedoeld in artikel 24, § 2, van voormelde wet.".
Art. 45. L'article 164 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mars 2017, est complété par un alinéa 2, libellé comme suit:
"Si les conditions susmentionnées sont réunies, un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 peut également remplacer le document, visé par l'article 160, si les données mentionnées au premier alinéa sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi.".
"Si les conditions susmentionnées sont réunies, un système d'enregistrement de présences au sens de l'article 24, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 peut également remplacer le document, visé par l'article 160, si les données mentionnées au premier alinéa sont enregistrées dans la base de données gérée par l'Office National de Sécurité Sociale en vertu de l'article 24, § 2, de la même loi.".
Art. 46. Artikel 169 § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 maart 2017, wordt vervangen als volgt:
" § 1. De documenten, controlemiddelen, systemen van tijdsopvolging, registers, bedoeld bij de artikelen 162 tot 165, en de gegevensbank bedoeld in artikel 24, § 2, van de programmawet van 26 december 2022, worden voor de toepassing van deze afdeling, gelijkgesteld met het document, bedoeld in artikel 160.".
" § 1. De documenten, controlemiddelen, systemen van tijdsopvolging, registers, bedoeld bij de artikelen 162 tot 165, en de gegevensbank bedoeld in artikel 24, § 2, van de programmawet van 26 december 2022, worden voor de toepassing van deze afdeling, gelijkgesteld met het document, bedoeld in artikel 160.".
Art. 46. L'article 169 § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mars 2017, est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Les documents, mesures de contrôle, systèmes de suivi du temps, registres, visés aux articles 162 à 165, et la base de données, visée par l'article 24, § 2, de la loi-programme du 26 décembre 2022, sont assimilés pour la présente section au document, visé à l'article 160.".
" § 1er. Les documents, mesures de contrôle, systèmes de suivi du temps, registres, visés aux articles 162 à 165, et la base de données, visée par l'article 24, § 2, de la loi-programme du 26 décembre 2022, sont assimilés pour la présente section au document, visé à l'article 160.".
Afdeling 7. - Slotbepaling en inwerkingtreding
Section 7. - Disposition finale et entrée en vigueur
Art. 47. Afdeling 4 van Hoofdstuk V van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk is niet van toepassing op de natuurlijke personen en activiteiten, bedoeld in artikel 23.
Art. 47. La section 4 du chapitre V de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail n'est pas applicable aux personnes physiques et activités, visées à l'article 23.
Art. 48. Dit hoofdstuk treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum, en uiterlijk op 1 januari 2024.
Art. 48. Le présent chapitre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Afdeling 1. - Aangifte van activiteiten in de Sector van onderhoud
Section 1re. - Déclaration des travaux. - secteur nettoyage
Art. 49. In artikel 30bis, § 9, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen door de wet van 8 december 2013 en gewijzigd door de wet van 20 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° [1 het eerste lid wordt aangevuld als volgt:
"De mogelijke beperking van toepassing van § 7, geldt niet voor activiteiten van reiniging en/of onderhoud, zoals gedefinieerd in artikel 22, eerste lid, 2°, van de programmawet van 26 december 2022.";]1
2° [1 het tweede lid wordt aangevuld als volgt:
"De mogelijke beperking van toepassing van § 7, geldt niet voor activiteiten van reiniging en/of onderhoud, zoals gedefinieerd in artikel 22, eerste lid, 2°, van de programmawet van 26 december 2022.".]1
1° [1 het eerste lid wordt aangevuld als volgt:
"De mogelijke beperking van toepassing van § 7, geldt niet voor activiteiten van reiniging en/of onderhoud, zoals gedefinieerd in artikel 22, eerste lid, 2°, van de programmawet van 26 december 2022.";]1
2° [1 het tweede lid wordt aangevuld als volgt:
"De mogelijke beperking van toepassing van § 7, geldt niet voor activiteiten van reiniging en/of onderhoud, zoals gedefinieerd in artikel 22, eerste lid, 2°, van de programmawet van 26 december 2022.".]1
Art. 49. A l'article 30bis, § 9, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, remplacé par la loi du 8 décembre 2013 et modifié par la loi du 20 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° [1 l'alinéa 1er est complété comme suit:
"La limitation éventuelle de l'application du § 7, ne s'applique pas aux activités d'entretien et/ou de nettoyage, telles que définies à l'article 22, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022.";]1
2° [1 l'alinéa 2 est complété comme suit:
"La limitation éventuelle de l'application du § 7, ne s'applique pas aux activités d'entretien et/ou de nettoyage, telles que définies à l'article 22, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022.".]1
1° [1 l'alinéa 1er est complété comme suit:
"La limitation éventuelle de l'application du § 7, ne s'applique pas aux activités d'entretien et/ou de nettoyage, telles que définies à l'article 22, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022.";]1
2° [1 l'alinéa 2 est complété comme suit:
"La limitation éventuelle de l'application du § 7, ne s'applique pas aux activités d'entretien et/ou de nettoyage, telles que définies à l'article 22, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022.".]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Gelegenheidswerk in de begrafenissector
Section 2. - Travail occasionnel dans le secteur des pompes funèbres
Art. 50. In artikel 2/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 december 2018, wordt het tweede lid aangevuld als volgt:
"- rouwdrukwerk klaarmaken voor verzending: plooien, in omslagen steken;
- kleine werkzaamheden op de begraafplaats uitvoeren, zoals accessoires plaatsen of wegnemen;
- kleine, niet-regelmatige onderhoudswerkzaamheden in en aan gebouwen in functie van bezoeken en ceremonies uitvoeren.".
"- rouwdrukwerk klaarmaken voor verzending: plooien, in omslagen steken;
- kleine werkzaamheden op de begraafplaats uitvoeren, zoals accessoires plaatsen of wegnemen;
- kleine, niet-regelmatige onderhoudswerkzaamheden in en aan gebouwen in functie van bezoeken en ceremonies uitvoeren.".
Art. 50. Dans l'article 2/4 de la même loi, inséré par la loi du 21 décembre 2018, l'alinéa 2 est complété par ce qui suit:
"- préparent des imprimés nécrologiques pour l'envoi: pliage, mise sous couverture;
- effectuent des petits travaux de cimetière, tels que la pose ou l'enlèvement d'accessoires;
- effectuent des petits travaux d'entretien non réguliers dans et sur les bâtiments en fonction des visites et des cérémonies.".
"- préparent des imprimés nécrologiques pour l'envoi: pliage, mise sous couverture;
- effectuent des petits travaux de cimetière, tels que la pose ou l'enlèvement d'accessoires;
- effectuent des petits travaux d'entretien non réguliers dans et sur les bâtiments en fonction des visites et des cérémonies.".
Afdeling 3. - Verlenging verjaringstermijn fraude
Section 3. - Prolongation du délai de prescription en cas de fraude
Art. 51. In artikel 42 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 september 2017, wordt in het eerste en in het vierde lid het woord "zeven" vervangen door het woord "tien".
Art. 51. Dans l'article 42 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 30 septembre 2017, alinéas 1er et 4, le mot "sept" est remplacé par le mot "dix".
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art. 52. Artikel 49 treedt in werking op de datum die de Koning bepaalt.
De artikelen 50 en 51 treden in werking op 1 januari 2023.
De artikelen 50 en 51 treden in werking op 1 januari 2023.
Art. 52. L'article 49 entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
Les articles 50 et 51 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
Les articles 50 et 51 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 3. - Onrechtmatig betaalde uitkeringen in geval van tijdelijke werkloosheid
CHAPITRE 3. - Allocations versées indûment en cas de chômage temporaire
Art. 53. Indien de werkgever zich steunt op artikel 26, 49, 50, 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, om zijn werknemer geen arbeid te verschaffen terwijl er, al naar gelang het geval, geen sprake is van overmacht, technische stoornis, slecht weer of gebrek aan werk wegens economische oorzaken, is de werkgever ertoe gehouden om het normale loon te betalen aan zijn werknemer voor de dagen tijdens welke er geen sprake is van een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst op grond van een van voormelde artikelen.
De werkgever kan het nettobedrag van de uitkeringen die hij moet betalen aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overeenkomstig artikel 54, inhouden op het aan de werknemer verschuldigd nettoloon.
De werkgever kan het nettobedrag van de uitkeringen die hij moet betalen aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overeenkomstig artikel 54, inhouden op het aan de werknemer verschuldigd nettoloon.
Art. 53. Lorsque l'employeur se fonde sur les articles 26, 49, 50, 51 ou 77/4 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, pour ne pas fournir de travail à son travailleur alors que, selon le cas, il n'y a pas de force majeure, d'accident technique, d'intempéries ou de manque de travail pour raisons économiques, l'employeur est tenu de payer à son travailleur son salaire normal pour les jours pendant lesquels il n'y a pas de suspension de l'exécution du contrat de travail en raison de l'un des articles précités.
L'employeur peut retenir du salaire net dû au travailleur, le montant net des allocations qu'il doit payer à l'Office national de l'Emploi, conformément à l'article 54.
L'employeur peut retenir du salaire net dû au travailleur, le montant net des allocations qu'il doit payer à l'Office national de l'Emploi, conformément à l'article 54.
Art. 54. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan de aan de werknemer onrechtmatig betaalde brutosommen terugvorderen bij zijn werkgever indien de werkgever zijn werknemer in tijdelijke werkloosheid heeft geplaatst terwijl er geen sprake was van tijdelijke werkloosheid in de zin van artikel 26, 49, 50, 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 54. L'Office national de l'Emploi peut récupérer auprès de l'employeur les sommes brutes qu'il a versées indûment à son travailleur dans le cas où son employeur l'a placé dans une situation de chômage temporaire alors qu'il n'existe pas de chômage temporaire au sens des articles 26, 49, 50, 51 ou 77/4 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 55. De werknemer blijft gerechtigd op het loon op basis van artikel 53 dat de werkgever nog verschuldigd is voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 op basis van artikel 2 van de wet van 30 juli 2022 houdende diverse bepalingen inzake tijdelijke werkloosheid.
De onrechtmatig betaalde uitkeringen betreffende de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening nog niet werden teruggevorderd op basis van artikel 3 van de wet van 30 juli 2022 houdende diverse bepalingen inzake tijdelijke werkloosheid, kunnen door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden teruggevorderd op basis van artikel 54.
De onrechtmatig betaalde uitkeringen betreffende de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening nog niet werden teruggevorderd op basis van artikel 3 van de wet van 30 juli 2022 houdende diverse bepalingen inzake tijdelijke werkloosheid, kunnen door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden teruggevorderd op basis van artikel 54.
Art. 55. Le travailleur conserve, sur la base de l'article 53, son droit au salaire dont l'employeur reste encore redevable pour la période du 1er juillet 2022 au 31 décembre 2022 sur la base de l'article 2 de la loi du 30 juillet 2022 portant dispositions diverses en matière de chômage temporaire.
Les allocations versées indûment concernant la période du 1er juillet 2022 au 31 décembre 2022 et non encore récupérées par l'Office national de l'Emploi sur la base de l'article 3 de la loi du 30 juillet 2022 portant dispositions diverses en matière de chômage temporaire, peuvent être récupérées par l'Office national de l'Emploi sur la base de l'article 54.
Les allocations versées indûment concernant la période du 1er juillet 2022 au 31 décembre 2022 et non encore récupérées par l'Office national de l'Emploi sur la base de l'article 3 de la loi du 30 juillet 2022 portant dispositions diverses en matière de chômage temporaire, peuvent être récupérées par l'Office national de l'Emploi sur la base de l'article 54.
Art. 56. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 56. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 4. - Afschaffen van de terugbetaling van de inschakelingsvergoedingen
CHAPITRE 4. - Suppression du remboursement des indemnités de reclassement
Art. 57. Artikel 38 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2006, 26 december 2013 en 23 april 2015, wordt opgeheven.
Art. 57. L'article 38 de la loi du 23 décembre 2005 relative au Pacte de solidarité entre les générations, modifié par les lois du 20 juillet 2006, 26 décembre 2013 et 23 avril 2015, est abrogé.
Art. 58. Artikel 57 treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing op alle collectieve ontslagen die in toepassing van artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975, zijn aangekondigd na 31 december 2022.
Art. 58. L'article 57 entre en vigueur le 1er janvier 2023 et s'applique à tous les licenciements collectifs annoncés après le 31 décembre 2022, en application de l'article 6 de la convention collective de travail n° 24 du 2 octobre 1975.
TITEL 5. - Volksgezondheid
TITRE 5. - Santé publique
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994
Section 1re. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Onderafdeling 1. - Referentieterugbetalingssysteem
Sous-section 1re. - Système de remboursement de référence
Art. 59. In artikel 35ter van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), wanneer op de eerste dag van de maand die eraan voorafgaat een farmaceutische specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat, ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "vastgesteld respectievelijk op 1 januari , 1 april , 1 juli en 1 oktober van elk jaar" vervangen door de woorden "op de eerste dag van elke maand vastgesteld";
3° in paragraaf 1bis, eerste lid, worden de woorden "vastgesteld respectievelijk op 1 januari , 1 april , 1 juli en 1 oktober van elk jaar" vervangen door de woorden "op de eerste dag van elke maand vastgesteld";
4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", en een vergoedingsbasis heeft die minstens 16 pct. lager ligt of lag op het ogenblik van haar aanneming dan de vergoedingsbasis van de specialiteit waarvoor de toepassing van deze uitzondering gevraagd wordt" opgeheven;
5° in paragraaf 2bis, eerste lid, worden de woorden "voor specialiteiten waarvan de toedieningsvorm erkend is als een vorm met een beduidend hogere specifieke therapeutische waarde, wanneer wordt erkend dat de bedoelde specialiteiten een beduidende meerwaarde bieden voor de veiligheid en/of de doeltreffendheid ten opzichte van de specialiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid en" opgeheven;
6° in paragraaf 2bis wordt het tweede lid opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), wanneer op de eerste dag van de maand die eraan voorafgaat een farmaceutische specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat, ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "vastgesteld respectievelijk op 1 januari , 1 april , 1 juli en 1 oktober van elk jaar" vervangen door de woorden "op de eerste dag van elke maand vastgesteld";
3° in paragraaf 1bis, eerste lid, worden de woorden "vastgesteld respectievelijk op 1 januari , 1 april , 1 juli en 1 oktober van elk jaar" vervangen door de woorden "op de eerste dag van elke maand vastgesteld";
4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", en een vergoedingsbasis heeft die minstens 16 pct. lager ligt of lag op het ogenblik van haar aanneming dan de vergoedingsbasis van de specialiteit waarvoor de toepassing van deze uitzondering gevraagd wordt" opgeheven;
5° in paragraaf 2bis, eerste lid, worden de woorden "voor specialiteiten waarvan de toedieningsvorm erkend is als een vorm met een beduidend hogere specifieke therapeutische waarde, wanneer wordt erkend dat de bedoelde specialiteiten een beduidende meerwaarde bieden voor de veiligheid en/of de doeltreffendheid ten opzichte van de specialiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid en" opgeheven;
6° in paragraaf 2bis wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 59. A l'article 35ter de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, remplacé par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée au 1er jour de chaque mois de plein droit pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au premier jour du mois qui précède, une spécialité pharmaceutique visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "de plein droit respectivement au 1er janvier , au 1er avril , au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année" sont remplacés par les mots "au 1er jour de chaque mois de plein droit";
3° dans le paragraphe 1erbis, alinéa 1er, les mots "de plein droit respectivement au 1er janvier , au 1er avril , au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année" sont remplacés par les mots "au 1er jour de chaque mois de plein droit";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", et a une base de remboursement qui est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à la base de remboursement de la spécialité qui demande l'application de la présente exception" sont abrogés;
5° dans le paragraphe 2bis, alinéa 1er, les mots "pour les spécialités dont la forme d'administration est reconnue comme ayant une valeur thérapeutique spécifique significativement supérieure, lorsqu'il est reconnu que les spécialités visées présentent une plus-value substantielle au regard de la sécurité et/ou de l'efficacité par rapport aux spécialités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er et" sont abrogés;
6° dans le paragraphe 2bis, l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée au 1er jour de chaque mois de plein droit pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au premier jour du mois qui précède, une spécialité pharmaceutique visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "de plein droit respectivement au 1er janvier , au 1er avril , au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année" sont remplacés par les mots "au 1er jour de chaque mois de plein droit";
3° dans le paragraphe 1erbis, alinéa 1er, les mots "de plein droit respectivement au 1er janvier , au 1er avril , au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année" sont remplacés par les mots "au 1er jour de chaque mois de plein droit";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", et a une base de remboursement qui est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à la base de remboursement de la spécialité qui demande l'application de la présente exception" sont abrogés;
5° dans le paragraphe 2bis, alinéa 1er, les mots "pour les spécialités dont la forme d'administration est reconnue comme ayant une valeur thérapeutique spécifique significativement supérieure, lorsqu'il est reconnu que les spécialités visées présentent une plus-value substantielle au regard de la sécurité et/ou de l'efficacité par rapport aux spécialités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er et" sont abrogés;
6° dans le paragraphe 2bis, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 60. Deze onderafdeling treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 60. La présente sous-section entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Onderafdeling 2. - Maximumfactuur
Sous-section 2. - Maximum à facturer
Art. 61. Artikel 37quaterdecies, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De koppeling aan het indexcijfer bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort voor het jaar 2023.".
"De koppeling aan het indexcijfer bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort voor het jaar 2023.".
Art. 61. L'article 37quaterdecies, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 27 décembre 2021, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"La liaison à l'indice des prix visée à l'alinéa 1er est suspendue pour l'année 2023.".
"La liaison à l'indice des prix visée à l'alinéa 1er est suspendue pour l'année 2023.".
Onderafdeling 3. - Aanpassing van de begrotingsdoelstelling
Sous-section 3. - Adaptation de l'objectif budgétaire
Art. 62. In artikel 40, § 1, van dezelfde wet, wordt het vijfde lid, ingevoegd bij de wet van 20 december 2020 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2021 en 23 juni 2022, aangevuld met de volgende zinnen:
"Voor het jaar 2023 wordt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling bijkomend verhoogd met 19.453 duizend euro. Deze bijkomende verhoging maakt integraal deel uit van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling voor het jaar 2023. In 2024 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. Vanaf 2025 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2,5 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet.".
"Voor het jaar 2023 wordt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling bijkomend verhoogd met 19.453 duizend euro. Deze bijkomende verhoging maakt integraal deel uit van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling voor het jaar 2023. In 2024 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. Vanaf 2025 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2,5 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet.".
Art. 62. Dans l'article 40, § 1er, de la même loi, l'alinéa 5, inséré par la loi du 20 décembre 2020 et modifié par les lois des 21 juin 2021 et 23 juin 2022, est complété par les phrases suivantes:
"Pour l'année 2023, le montant de l'objectif budgétaire annuel global est augmenté de 19.453 milliers d'euros supplémentaires. Cette augmentation supplémentaire fait partie intégrante de l'objectif budgétaire annuel global pour l'année 2023. En 2024, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. A partir de 2025, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2,5 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée.".
"Pour l'année 2023, le montant de l'objectif budgétaire annuel global est augmenté de 19.453 milliers d'euros supplémentaires. Cette augmentation supplémentaire fait partie intégrante de l'objectif budgétaire annuel global pour l'année 2023. En 2024, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. A partir de 2025, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2,5 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée.".
Onderafdeling 4. - Inkomsten van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging om specifieke uitgaven gelinkt aan de COVID-19-pandemie te dekken
Sous-section 4. - Ressources de l'assurance obligatoire soins de santé pour couvrir les dépenses spécifiques liées à la pandémie COVID-19
Art. 63. Artikel 191, eerste lid, 1° ter, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 33 van 23 juni 2020 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor het jaar 2023 kan op verzoek van het RIZIV opnieuw een Rijkstoelage worden toegekend onder dezelfde voorwaarden als voor het jaar 2021.".
"Voor het jaar 2023 kan op verzoek van het RIZIV opnieuw een Rijkstoelage worden toegekend onder dezelfde voorwaarden als voor het jaar 2021.".
Art. 63. L'article 191, alinéa 1er, 1° ter, de la même loi, inséré par l'arrêté royal n° 33 du 23 juin 2020 et modifié par la loi du 27 décembre 2021, est complété par la phrase suivante:
"Pour l'année 2023, une dotation de l'Etat peut à nouveau être octroyée à la demande de l'INAMI, dans les mêmes conditions que pour l'année 2021.".
"Pour l'année 2023, une dotation de l'Etat peut à nouveau être octroyée à la demande de l'INAMI, dans les mêmes conditions que pour l'année 2021.".
Onderafdeling 5. - Heffingen op de omzet
Sous-section 5. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Art. 64. In artikel 191, eerste lid, 15° novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2021 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.";
2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden "en vóór 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt." vervangen door de woorden ", vóór 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt en voor 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.";
3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden "en de heffing op de omzet 2022" vervangen door de woorden ", de heffing op de omzet 2022 en de heffing op de omzet 2023";
4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2023 en 1 juni 2024 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2023" en "saldo heffing omzet 2023".";
5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2022 is verwezenlijkt.";
6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2023 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2023.".
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.";
2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden "en vóór 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt." vervangen door de woorden ", vóór 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt en voor 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.";
3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden "en de heffing op de omzet 2022" vervangen door de woorden ", de heffing op de omzet 2022 en de heffing op de omzet 2023";
4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2023 en 1 juni 2024 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2023" en "saldo heffing omzet 2023".";
5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2022 is verwezenlijkt.";
6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2023 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2023.".
Art. 64. A l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023.";
2° dans l'alinéa 5, dernière phrase, les mots "et avant le 1er mai 2023 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2022" sont remplacés par les mots ", avant le 1er mai 2023 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2022 et avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023.";
3° dans l'alinéa 7, dans la première phrase, les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2022" sont remplacés par les mots ", la cotisation sur le chiffre d'affaires 2022 et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023";
4° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2023 et le 1er juin 2024 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2023" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2023".";
5° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2022.";
6° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2023.".
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023.";
2° dans l'alinéa 5, dernière phrase, les mots "et avant le 1er mai 2023 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2022" sont remplacés par les mots ", avant le 1er mai 2023 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2022 et avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023.";
3° dans l'alinéa 7, dans la première phrase, les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2022" sont remplacés par les mots ", la cotisation sur le chiffre d'affaires 2022 et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023";
4° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2023 et le 1er juin 2024 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2023" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2023".";
5° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2022.";
6° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2023.".
Art. 65. Artikel 191, eerste lid, 15° duodecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt.".
"Voor 2023 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt.".
Art. 65. L'article 191, alinéa 1er, 15° duodecies, alinéa 5, de la même loi, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2021, est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2022.".
"Pour 2023, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2022.".
Art. 66. Artikel 191, eerste lid, 15° terdecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt aangevuld met de volgende zinnen:
"Voor het jaar 2023 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van meer dan 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2023 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2023.".
"Voor het jaar 2023 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van meer dan 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2023 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2023.".
Art. 66. L'article 191, alinéa 1er, 15° terdecies, alinéa 5, de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2021, est complété par les phrases suivantes:
"Pour l'année 2023, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions EUR, 3 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de plus de 1,5 à 3 millions EUR et à 5 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions EUR. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2023 sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2023.".
"Pour l'année 2023, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions EUR, 3 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de plus de 1,5 à 3 millions EUR et à 5 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions EUR. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2023 sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2023.".
Onderafdeling 6. - Bijdrage op marketing
Sous-section 6. - Contribution sur le marketing
Art. 67. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2021 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022, en verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023";
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het voorschot 2023, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2022 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2023 gestort op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2023" en het saldo wordt vóór 1 juni 2024 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2023".";
4° in het vijfde lid worden de woorden "en in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022." vervangen door de woorden "in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022, en in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023.".
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2023 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022, en verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023";
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het voorschot 2023, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2022 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2023 gestort op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2023" en het saldo wordt vóór 1 juni 2024 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2023".";
4° in het vijfde lid worden de woorden "en in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022." vervangen door de woorden "in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022, en in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023.".
Art. 67. A l'article 191, alinéa 1er, 31°, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et réalisé en 2022, pour l'année 2022" sont remplacés par les mots "réalisé en 2022, pour l'année 2022, et réalisé en 2023, pour l'année 2023";
3° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"L'acompte 2023, fixé à 0,13 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2022, est versé avant le 1er juin 2023 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2023" et le solde est versé avant le 1er juin 2024 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2023".";
4° dans l'alinéa 5, les mots "et pour l'année comptable 2022, pour ce qui concerne la contribution 2022." sont remplacés par les mots "pour l'année comptable 2022, pour ce qui concerne la contribution 2022, et pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023.".
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2023, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et réalisé en 2022, pour l'année 2022" sont remplacés par les mots "réalisé en 2022, pour l'année 2022, et réalisé en 2023, pour l'année 2023";
3° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"L'acompte 2023, fixé à 0,13 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2022, est versé avant le 1er juin 2023 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2023" et le solde est versé avant le 1er juin 2024 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2023".";
4° dans l'alinéa 5, les mots "et pour l'année comptable 2022, pour ce qui concerne la contribution 2022." sont remplacés par les mots "pour l'année comptable 2022, pour ce qui concerne la contribution 2022, et pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023.".
Onderafdeling 7. - RIZIV farmaceutische taksmodulatie
Sous-section 7. - Modulation des taxes pharmaceutiques INAMI
Art. 68. In artikel 191quinquies van dezelfde wet wordt het zevende lid, ingevoegd bij de wet van 30 oktober 2018, aangevuld met de woorden "en wordt tot en met het geboekte jaar 2023 verlengd".
Art. 68. Dans l'article 191quinquies de la même loi, l'alinéa 7, inséré par la loi du 30 octobre 2018, est complété par les mots "et est prolongée jusqu'à l'année comptable 2023".
Art. 69. In afwijking van de bepalingen in artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 maart 2019 wordt het tijdsschema aangepast voor het boekjaar t 2022:
1° de gedateerde en ondertekende aanvragen dienen te worden ingediend door de in aanmerking komende aanvragers, uiterlijk op 31 december van het boekjaar t, per aangetekende brief met bericht van ontvangst ofwel via elektronische drager;
2° de termijn om de aanvraag eventueel te vervolledigen in geval van onontvankelijkheid eindigt op 31 januari van het boekjaar t+1;
3° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV deelt het bedrag van het voorschot van de steun mee aan de aanvragers uiterlijk op 15 april van het boekjaar t+1;
4° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV betaalt deze bedragen uiterlijk op 30 mei van het boekjaar t+1.
1° de gedateerde en ondertekende aanvragen dienen te worden ingediend door de in aanmerking komende aanvragers, uiterlijk op 31 december van het boekjaar t, per aangetekende brief met bericht van ontvangst ofwel via elektronische drager;
2° de termijn om de aanvraag eventueel te vervolledigen in geval van onontvankelijkheid eindigt op 31 januari van het boekjaar t+1;
3° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV deelt het bedrag van het voorschot van de steun mee aan de aanvragers uiterlijk op 15 april van het boekjaar t+1;
4° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV betaalt deze bedragen uiterlijk op 30 mei van het boekjaar t+1.
Art. 69. Par dérogation aux dispositions de l'article 7 de l'arrêté royal de 29 mars 2019, le calendrier est adapté pour l'année comptable t 2022:
1° les demandes datées et signées doivent être introduites par les demandeurs éligibles, par lettre recommandée avec accusé de réception soit par voie électronique, au plus tard le 31 décembre de l'année comptable t;
2° le délai pour compléter, le cas échéant, la demande en cas d'irrecevabilité se termine le 31 janvier de l'année comptable t+1;
3° le service des soins de santé de l'INAMI informe les demandeurs du montant de l'avance de l'aide au plus tard le 15 avril de l'année comptable t+1;
4° le service des soins de santé de l'INAMI effectue le paiement de ces montants au plus tard le 30 mai de l'année comptable t+1.
1° les demandes datées et signées doivent être introduites par les demandeurs éligibles, par lettre recommandée avec accusé de réception soit par voie électronique, au plus tard le 31 décembre de l'année comptable t;
2° le délai pour compléter, le cas échéant, la demande en cas d'irrecevabilité se termine le 31 janvier de l'année comptable t+1;
3° le service des soins de santé de l'INAMI informe les demandeurs du montant de l'avance de l'aide au plus tard le 15 avril de l'année comptable t+1;
4° le service des soins de santé de l'INAMI effectue le paiement de ces montants au plus tard le 30 mai de l'année comptable t+1.
Art. 70. In afwijking van de bepalingen in artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 maart 2019 stuurt de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV uiterlijk op 30 mei van het boekjaar t+1 een vragenlijst naar de aanvrager om van hem een omstandig schriftelijk verslag te bekomen over de projecten die zijn geïdentificeerd in zijn aanvraag, bedoeld in het vorig artikel. Deze ingevulde en ondertekende vragenlijst, vergezeld van een omstandig schriftelijk verslag opgesteld door de commissaris van de betrokken aanvrager of, bij ontstentenis van deze, door een bedrijfsrevisor aangewezen door zijn bestuursorgaan, waarin wordt gecertificeerd dat het om een trouw beeld van vergroting van de betrokken projecten gaat, dient door de aanvrager uiterlijk op 31 oktober van het boekjaar t+1 te worden teruggestuurd aan de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, per aangetekende brief met bericht van ontvangst ofwel via elektronische drager.
Art. 70. Par dérogation aux dispositions de l'article 5 de l'arrêté royal du 29 mars 2019, le service des soins de santé de l'INAMI envoie à chaque demandeur concerné, au plus tard le 30 mai de l'année comptable t+1, un questionnaire visant à obtenir du demandeur un rapport écrit et circonstancié concernant les projets identifiés dans leur demande visée à l'article précédent. Ce questionnaire, dûment rempli et signé, et accompagné d'un rapport écrit et circonstancié établi par le commissaire du demandeur concerné ou, à défaut, un réviseur d'entreprise désigné par son organe de gestion, certifiant qu'il s'agit d'une image fidèle de l'amplification des projets en cause, doit être renvoyé par le demandeur au service des soins de santé de l'INAMI, par lettre recommandée avec accusé de réception soit par voie électronique, au plus tard le 31 octobre de l'année comptable t+1.
Art. 71. In afwijking van de bepalingen in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 29 maart 2019 dienen de in aanmerking komende investeringen in O&O&I-projecten voor de aanvragen ingediend in het boekjaar t 2022 op hun vroegst op 16 april van het boekjaar t+1 en/of uiterlijk op 1 oktober van het jaar t+1 moeten worden gestart.
Art. 71. Par dérogation à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 29 mars 2019, les investissements éligibles pour les demandes introduites pour l'année comptable t 2022 sont les investissements dans des projets de RDI à entamer au plus tôt le 16 avril t+1 et au plus tard le 1er octobre t+1.
Art. 72. In afwijking van de bepalingen in artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 maart 2019 wordt het tijdsschema aangepast voor het boekjaar t 2023:
1° de gedateerde en ondertekende aanvragen dienen te worden ingediend door de in aanmerking komende aanvragers, uiterlijk op 30 juni van het boekjaar t, per aangetekende brief met bericht van ontvangst ofwel via elektronische drager;
2° de termijn om de aanvraag eventueel te vervolledigen in geval van onontvankelijkheid eindigt op 31 augustus van het boekjaar t;
3° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV deelt het bedrag van het voorschot van de steun mee aan de aanvragers uiterlijk op 15 november van het boekjaar t;
4° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV betaalt deze bedragen uiterlijk op 31 december van het boekjaar t.
1° de gedateerde en ondertekende aanvragen dienen te worden ingediend door de in aanmerking komende aanvragers, uiterlijk op 30 juni van het boekjaar t, per aangetekende brief met bericht van ontvangst ofwel via elektronische drager;
2° de termijn om de aanvraag eventueel te vervolledigen in geval van onontvankelijkheid eindigt op 31 augustus van het boekjaar t;
3° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV deelt het bedrag van het voorschot van de steun mee aan de aanvragers uiterlijk op 15 november van het boekjaar t;
4° de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV betaalt deze bedragen uiterlijk op 31 december van het boekjaar t.
Art. 72. Par dérogation aux dispositions de l'article 7 de l'arrêté royal du 29 mars 2019, le calendrier est adapté pour l'année comptable t 2023:
1° les demandes datées et signées doivent être introduites par les demandeurs éligibles, par lettre recommandée avec accusé de réception soit par voie électronique, au plus tard le 30 juin de l'année comptable t;
2° le délai pour compléter, le cas échéant, la demande en cas d'irrecevabilité se termine le 31 août de l'année comptable t;
3° le service des soins de santé de l'INAMI informe les demandeurs du montant de l'avance de l'aide au plus tard le 15 novembre de l'année comptable t;
4° le service des soins de santé de l'INAMI effectue le paiement de ces montants au plus tard le 31 décembre de l'année comptable t.
1° les demandes datées et signées doivent être introduites par les demandeurs éligibles, par lettre recommandée avec accusé de réception soit par voie électronique, au plus tard le 30 juin de l'année comptable t;
2° le délai pour compléter, le cas échéant, la demande en cas d'irrecevabilité se termine le 31 août de l'année comptable t;
3° le service des soins de santé de l'INAMI informe les demandeurs du montant de l'avance de l'aide au plus tard le 15 novembre de l'année comptable t;
4° le service des soins de santé de l'INAMI effectue le paiement de ces montants au plus tard le 31 décembre de l'année comptable t.
Art. 73. In afwijking van de bepalingen in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 29 maart 2019 dienen de in aanmerking komende investeringen in O&O&I-projecten voor de aanvragen ingediend in het boekjaar t 2023 op hun vroegst op 1 december van het boekjaar t en/of uiterlijk op 1 september van het jaar t+1 moeten worden gestart.
Art. 73. Par dérogation à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 29 mars 2019, les investissements éligibles pour les demandes introduites pour l'année comptable t 2023 sont les investissements dans des projets de RDI à entamer au plus tôt le 1er décembre t et au plus tard le 1er septembre t+1.
Art. 74. De artikelen 68 en 69 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 74. Les articles 68 et 69 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid - Oude geneesmiddelen
Section 2. - Modifications de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé - Vieux médicaments
Art. 75. In artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, vervangen bij de wet van 21 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9" opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9" opgeheven;
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, reeds werd toegepast.";
4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Op 1 oktober 2021 en vervolgens telkens op 1 januari , op 1 april , op 1 juli en op 1 oktober " vervangen door de woorden "Op 1 januari 2023 en vervolgens telkens op de eerste dag van elke maand";
5° in paragraaf 11, eerste lid, wordt het woord "semester" vervangen door het woord "trimester".
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9" opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9" opgeheven;
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, reeds werd toegepast.";
4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Op 1 oktober 2021 en vervolgens telkens op 1 januari , op 1 april , op 1 juli en op 1 oktober " vervangen door de woorden "Op 1 januari 2023 en vervolgens telkens op de eerste dag van elke maand";
5° in paragraaf 11, eerste lid, wordt het woord "semester" vervangen door het woord "trimester".
Art. 75. A l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, remplacé par la loi du 21 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9" sont abrogés;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, a déjà été appliqué.";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "Au 1er octobre 2021, et ensuite chaque 1er janvier , 1er avril , 1er juillet et 1er octobre " sont remplacés par les mots "Au 1er janvier 2023, et ensuite au 1er jour de chaque mois";
5° dans le paragraphe 11, alinéa 1er, le mot "semestre" est remplacé par le mot "trimestre".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9" sont abrogés;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, a déjà été appliqué.";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "Au 1er octobre 2021, et ensuite chaque 1er janvier , 1er avril , 1er juillet et 1er octobre " sont remplacés par les mots "Au 1er janvier 2023, et ensuite au 1er jour de chaque mois";
5° dans le paragraphe 11, alinéa 1er, le mot "semestre" est remplacé par le mot "trimestre".
Art. 76. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 76. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Afdeling 3. - Uitzondering op prijsdalingen voor COVID-19-geneesmiddelen
Section 3. - Exception aux réductions de prix pour les médicaments COVID-19
Art. 77. Van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 zijn de prijsdalingen, in het kader van de toepassing van artikel 35ter van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, of van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, niet van toepassing op:
1° de geneesmiddelen met één van de volgende actieve substanties als enige actieve substantie:
-Atracuriumbesilaat (voor intraveneus gebruik),
-Cisatracuriumbesilaat (voor intraveneus gebruik),
-Clarithromycinelactobionaat (voor intraveneus gebruik),
-Clonidinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Dexamethasonnatriumfosfaat (voor intraveneus gebruik),
-Dexmedetomidinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Diazepam (voor intraveneus gebruik),
-Dinatriumceftriaxon (voor intraveneus gebruik),
-Dobutaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Esketaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Fentanylcitraat (voor intraveneus gebruik),
-Ketaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Lorazepam (voor intraveneus gebruik),
-Midazolam (voor intraveneus gebruik),
-Midazolamhydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Mivacuriumchloride (voor intraveneus gebruik),
-Morfinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Moxifloxacinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Paracetamol (voor intraveneus gebruik),
-Propofol (voor intraveneus gebruik),
-Remifentanilhydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Rocuroniumbromide (voor intraveneus gebruik),
-Sufentanilcitraat (voor intraveneus gebruik),
-Amoxicillinenatrium (voor intraveneus gebruik),
-Anakinra (voor subcutaan gebruik),
-Baricitinib (voor oraal gebruik),
-Canakinumab (voor subcutaan gebruik),
-Filgotinib (voor oraal gebruik),
-Sarilumab,
-Siltuximab,
-Tocilizumab (voor intraveneus gebruik),
-Tofacitinib (voor oraal gebruik),
-Upadacitinib (voor oraal gebruik);
2° de geneesmiddelen met de volgende combinaties van actieve substanties:
-Amoxicillinenatrium - Clavulaanzuur (voor intraveneus gebruik),
-Amoxicillinenatrium - Kaliumclavulanaat (voor intraveneus gebruik),
-Dinatriumceftriaxon - Lidocaïnehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Lopinavir - Ritonavir,
-Piperacillinenatrium -Tazobactamnatrium (voor intraveneus gebruik).
1° de geneesmiddelen met één van de volgende actieve substanties als enige actieve substantie:
-Atracuriumbesilaat (voor intraveneus gebruik),
-Cisatracuriumbesilaat (voor intraveneus gebruik),
-Clarithromycinelactobionaat (voor intraveneus gebruik),
-Clonidinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Dexamethasonnatriumfosfaat (voor intraveneus gebruik),
-Dexmedetomidinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Diazepam (voor intraveneus gebruik),
-Dinatriumceftriaxon (voor intraveneus gebruik),
-Dobutaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Esketaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Fentanylcitraat (voor intraveneus gebruik),
-Ketaminehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Lorazepam (voor intraveneus gebruik),
-Midazolam (voor intraveneus gebruik),
-Midazolamhydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Mivacuriumchloride (voor intraveneus gebruik),
-Morfinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Moxifloxacinehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Paracetamol (voor intraveneus gebruik),
-Propofol (voor intraveneus gebruik),
-Remifentanilhydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Rocuroniumbromide (voor intraveneus gebruik),
-Sufentanilcitraat (voor intraveneus gebruik),
-Amoxicillinenatrium (voor intraveneus gebruik),
-Anakinra (voor subcutaan gebruik),
-Baricitinib (voor oraal gebruik),
-Canakinumab (voor subcutaan gebruik),
-Filgotinib (voor oraal gebruik),
-Sarilumab,
-Siltuximab,
-Tocilizumab (voor intraveneus gebruik),
-Tofacitinib (voor oraal gebruik),
-Upadacitinib (voor oraal gebruik);
2° de geneesmiddelen met de volgende combinaties van actieve substanties:
-Amoxicillinenatrium - Clavulaanzuur (voor intraveneus gebruik),
-Amoxicillinenatrium - Kaliumclavulanaat (voor intraveneus gebruik),
-Dinatriumceftriaxon - Lidocaïnehydrochloride (voor intraveneus gebruik),
-Lopinavir - Ritonavir,
-Piperacillinenatrium -Tazobactamnatrium (voor intraveneus gebruik).
Art. 77. Les baisses de prix, dans le cadre de l'application de l'article 35ter de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, ou de l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, ne s'appliquent pas du 1er avril 2022 au 31 mars 2023 inclus aux:
1° médicaments ayant comme seule substance active une des substances actives suivantes:
- Bésilate d'Atracurium (par voie intraveineuse),
- Bésilate de Cisatracurium (par voie intraveineuse),
- Lactobionate de Clarithromycine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Clonidine (par voie intraveineuse),
- Phosphate Sodique de Dexaméthasone (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Dexmédétomidine (par voie intraveineuse),
- Diazépam (par voie intraveineuse),
- Ceftriaxone Disodique (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Dobutamine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate d'Esketamine (par voie intraveineuse),
- Citrate de Fentanyl (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Kétamine (par voie intraveineuse),
- Lorazépam (par voie intraveineuse),
- Midazolam (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Midazolam (par voie intraveineuse),
- Chlorure de Mivacurium (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Morphine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Moxifloxacine (par voie intraveineuse),
- Paracetamol (par voie intraveineuse),
- Propofol (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Rémifentanil (par voie intraveineuse),
- Bromure de Rocuronium (par voie intraveineuse),
- Citrate de Sufentanil (par voie intraveineuse),
- Amoxicilline Sodique (par voie intraveineuse),
- Anakinra (par voie sous-cutanée),
- Baricitinib (par voie orale),
- Canakinumab (par voie sous-cutanée),
- Filgotinib (par voie orale),
- Sarilumab,
- Siltuximab,
- Tocilizumab (par voie intraveineuse),
- Tofacitinib (par voie orale),
- Upadacitinib (par voie orale);
2° médicaments ayant les combinaisons de substances actives suivantes:
- Amoxicilline Sodique - Acide Clavulanique (par voie intraveineuse),
- Amoxicilline Sodique - Clavulanate de Potassium (par voie intraveineuse),
- Ceftriaxone Disodique - Chlorhydrate de Lidocaïne (par voie intraveineuse),
- Lopinavir. - Ritonavir,
- Pipéracilline Sodique - Tazobactam Sodique (par voie intraveineuse).
1° médicaments ayant comme seule substance active une des substances actives suivantes:
- Bésilate d'Atracurium (par voie intraveineuse),
- Bésilate de Cisatracurium (par voie intraveineuse),
- Lactobionate de Clarithromycine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Clonidine (par voie intraveineuse),
- Phosphate Sodique de Dexaméthasone (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Dexmédétomidine (par voie intraveineuse),
- Diazépam (par voie intraveineuse),
- Ceftriaxone Disodique (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Dobutamine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate d'Esketamine (par voie intraveineuse),
- Citrate de Fentanyl (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Kétamine (par voie intraveineuse),
- Lorazépam (par voie intraveineuse),
- Midazolam (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Midazolam (par voie intraveineuse),
- Chlorure de Mivacurium (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Morphine (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Moxifloxacine (par voie intraveineuse),
- Paracetamol (par voie intraveineuse),
- Propofol (par voie intraveineuse),
- Chlorhydrate de Rémifentanil (par voie intraveineuse),
- Bromure de Rocuronium (par voie intraveineuse),
- Citrate de Sufentanil (par voie intraveineuse),
- Amoxicilline Sodique (par voie intraveineuse),
- Anakinra (par voie sous-cutanée),
- Baricitinib (par voie orale),
- Canakinumab (par voie sous-cutanée),
- Filgotinib (par voie orale),
- Sarilumab,
- Siltuximab,
- Tocilizumab (par voie intraveineuse),
- Tofacitinib (par voie orale),
- Upadacitinib (par voie orale);
2° médicaments ayant les combinaisons de substances actives suivantes:
- Amoxicilline Sodique - Acide Clavulanique (par voie intraveineuse),
- Amoxicilline Sodique - Clavulanate de Potassium (par voie intraveineuse),
- Ceftriaxone Disodique - Chlorhydrate de Lidocaïne (par voie intraveineuse),
- Lopinavir. - Ritonavir,
- Pipéracilline Sodique - Tazobactam Sodique (par voie intraveineuse).
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente
Art. 78. In de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt het woord "ambulancedienst" telkens vervangen door de woorden "ambulancedienst en PIT" en wordt het woord "ambulancediensten" telkens vervangen door de woorden "ambulancediensten en PIT's".
Art. 78. Dans la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente, modifiée en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014, les mots "service ambulancier" sont chaque fois remplacés par les mots "service ambulancier et PIT" et les mots "services ambulanciers" sont chaque fois remplacés par les mots "services ambulanciers et PIT".
Art. 79. In artikel 3bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met een zin luidende:
"Onder PIT (paramedisch interventieteam) wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een ambulance waarvan de bemanning bestaat uit minstens één verpleegkundige met een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de woorden:
"evenals het materiaal, de apparatuur en communicatiemiddelen die in het voertuig aanwezig moeten zijn".
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met een zin luidende:
"Onder PIT (paramedisch interventieteam) wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een ambulance waarvan de bemanning bestaat uit minstens één verpleegkundige met een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de woorden:
"evenals het materiaal, de apparatuur en communicatiemiddelen die in het voertuig aanwezig moeten zijn".
Art. 79. A l'article 3bis de la même loi, inséré par la loi du 14 janvier 2002, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par une phrase rédigée comme suit:
"Pour l'application de la présente loi, on entend par PIT (paramedical intervention team) une ambulance dont l'équipe est constituée d'au moins un infirmier disposant du titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en soins intensifs et aide médicale urgente.";
2° le paragraphe 3 est complété des mots suivants:
"de même que le matériel, l'appareillage et les moyens de communication qui doivent être présents dans le véhicule".
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par une phrase rédigée comme suit:
"Pour l'application de la présente loi, on entend par PIT (paramedical intervention team) une ambulance dont l'équipe est constituée d'au moins un infirmier disposant du titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en soins intensifs et aide médicale urgente.";
2° le paragraphe 3 est complété des mots suivants:
"de même que le matériel, l'appareillage et les moyens de communication qui doivent être présents dans le véhicule".
Art. 80. De artikelen 78 en 79 treden in werking op 1 januari 2023.
Art. 80. Les articles 78 et 79 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 3. - Financiering van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
CHAPITRE 3. - Financement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Section 1re. - Modifications de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Art. 81. In artikel 14/2, eerste lid, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, worden de woorden ", de drempelwaarde" ingevoegd tussen de woorden "de hoogte" en de woorden "en de minimale".
Art. 81. Dans l'article 14/2, alinéa 1er, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, inséré par la loi du 11 mars 2018, les mots ", le seuil minimal" sont insérés entre les mots "le montant" et les mots "et la redevance".
Art. 82. Artikel 14/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, indien de overeenkomstig artikel 14/4 aangegeven omzet lager is dan de in Bijlage I opgenomen drempelwaarde, dan is de in artikel 14/2 bedoelde heffing niet verschuldigd.".
"In afwijking van het eerste lid, indien de overeenkomstig artikel 14/4 aangegeven omzet lager is dan de in Bijlage I opgenomen drempelwaarde, dan is de in artikel 14/2 bedoelde heffing niet verschuldigd.".
Art. 82. L'article 14/3 de la même loi, inséré par la loi du 11 mars 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, si le chiffre d'affaires déclaré conformément à l'article 14/4 est inférieur au seuil indiqué à l'annexe Ier, la redevance visée à l'article 14/2 n'est pas due.".
"Par dérogation à l'alinéa 1er, si le chiffre d'affaires déclaré conformément à l'article 14/4 est inférieur au seuil indiqué à l'annexe Ier, la redevance visée à l'article 14/2 n'est pas due.".
Art. 83. In artikel 14/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Een forfaitaire jaarlijkse bijdrage is verschuldigd op de uitoefening van bepaalde activiteiten, waarvan de bijdrageplichtige, de bijdrageplichtige activiteit, de categorieën per activiteit, de vrijstellingen, de correcties en de bijdrage zijn opgenomen in bijlage IX. Deze bijdrage is verschuldigd voor iedere entiteit zoals gedefinieerd in bijlage IX.
Een bijdrageplichtige activiteit kan nog verder worden opgedeeld in meerdere categorieën, waarbij een apart aantal entiteiten wordt vastgesteld per categorie, overeenkomstig hetgeen bepaald in bijlage IX.
Indien de bijdrageplichtige binnen één bijdrageplichtige activiteit meerdere categorieën activiteiten uitoefent, wordt enkel de categorie met het hoogst aantal entiteiten binnen dat bijdrageplichtig feit in rekening genomen voor de berekening van de te betalen bijdrage.
Indien de bijdrageplichtige meerdere bijdrageplichtige activiteiten uitoefent, wordt de bijdrageplichtige activiteit met het hoogste aantal entiteiten als uitgangspunt genomen voor de berekening van de bijdrage, vermeerderd met één entiteit.
Het overeenkomstig deze paragraaf berekend aantal entiteiten kan worden aangepast of verminderd, overeenkomstig bijlage IX, hoofdstuk 3 in fine.
Het aantal entiteiten voor een door deze paragraaf geviseerde activiteit kan nooit een negatief getal zijn.".
" § 1/1. Een forfaitaire jaarlijkse bijdrage is verschuldigd op de uitoefening van bepaalde activiteiten, waarvan de bijdrageplichtige, de bijdrageplichtige activiteit, de categorieën per activiteit, de vrijstellingen, de correcties en de bijdrage zijn opgenomen in bijlage IX. Deze bijdrage is verschuldigd voor iedere entiteit zoals gedefinieerd in bijlage IX.
Een bijdrageplichtige activiteit kan nog verder worden opgedeeld in meerdere categorieën, waarbij een apart aantal entiteiten wordt vastgesteld per categorie, overeenkomstig hetgeen bepaald in bijlage IX.
Indien de bijdrageplichtige binnen één bijdrageplichtige activiteit meerdere categorieën activiteiten uitoefent, wordt enkel de categorie met het hoogst aantal entiteiten binnen dat bijdrageplichtig feit in rekening genomen voor de berekening van de te betalen bijdrage.
Indien de bijdrageplichtige meerdere bijdrageplichtige activiteiten uitoefent, wordt de bijdrageplichtige activiteit met het hoogste aantal entiteiten als uitgangspunt genomen voor de berekening van de bijdrage, vermeerderd met één entiteit.
Het overeenkomstig deze paragraaf berekend aantal entiteiten kan worden aangepast of verminderd, overeenkomstig bijlage IX, hoofdstuk 3 in fine.
Het aantal entiteiten voor een door deze paragraaf geviseerde activiteit kan nooit een negatief getal zijn.".
Art. 83. Dans l'article 14/9 de la même loi, inséré par la loi du 11 mars 2018, il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
" § 1er/1. Une contribution forfaitaire annuelle est due pour l'exercice de certaines activités, dont le redevable, l'activité soumise à contribution, les catégories par activité, les exonérations, les corrections et la contribution sont énumérés à l'annexe IX. Cette contribution est due pour chaque entité telle que définie à l'annexe IX.
Une activité soumise à contribution peut être subdivisée en plusieurs catégories, pour lesquelles un nombre distinct d'entités est déterminé par catégorie, conformément à l'annexe IX.
Si le redevable exerce plusieurs catégories au sein d'une même activité soumise à contribution, seule la catégorie comptant le plus grand nombre d'entités est prise en compte pour le calcul de la contribution à payer.
Si le redevable exerce plusieurs activités soumises à contribution, l'activité soumise à contribution comportant le plus grand nombre d'entités constitue le point de départ du calcul de la contribution, augmenté d'une entité.
Le nombre d'entités calculé conformément au présent paragraphe peut, le cas échéant, être modifié, conformément à l'annexe IX, chapitre 3 in fine.
Le nombre d'entités pour une activité visée au présent paragraphe ne peut jamais être un nombre négatif.".
" § 1er/1. Une contribution forfaitaire annuelle est due pour l'exercice de certaines activités, dont le redevable, l'activité soumise à contribution, les catégories par activité, les exonérations, les corrections et la contribution sont énumérés à l'annexe IX. Cette contribution est due pour chaque entité telle que définie à l'annexe IX.
Une activité soumise à contribution peut être subdivisée en plusieurs catégories, pour lesquelles un nombre distinct d'entités est déterminé par catégorie, conformément à l'annexe IX.
Si le redevable exerce plusieurs catégories au sein d'une même activité soumise à contribution, seule la catégorie comptant le plus grand nombre d'entités est prise en compte pour le calcul de la contribution à payer.
Si le redevable exerce plusieurs activités soumises à contribution, l'activité soumise à contribution comportant le plus grand nombre d'entités constitue le point de départ du calcul de la contribution, augmenté d'une entité.
Le nombre d'entités calculé conformément au présent paragraphe peut, le cas échéant, être modifié, conformément à l'annexe IX, chapitre 3 in fine.
Le nombre d'entités pour une activité visée au présent paragraphe ne peut jamais être un nombre négatif.".
Art. 84. In de bijlage I van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, vervangen bij de wet van 7 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 8 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste tabel, in de eerste lijn, in de vijfde kolom, worden de woorden "minimale heffing" vervangen door de woorden "drempelwaarde";
2° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0.3989129 %" vervangen door de woorden "0,27620 %";
3° onder I.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "EUR 500" vervangen door de woorden "40.000 EUR".
1° in de eerste tabel, in de eerste lijn, in de vijfde kolom, worden de woorden "minimale heffing" vervangen door de woorden "drempelwaarde";
2° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0.3989129 %" vervangen door de woorden "0,27620 %";
3° onder I.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "EUR 500" vervangen door de woorden "40.000 EUR".
Art. 84. A l'annexe I de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018, remplacée par la loi du 7 avril 2019 et modifiée par la loi du 8 février 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le premier tableau, première ligne, cinquième colonne, les mots "redevance minimale" sont remplacés par les mots "seuil minimal";
2° au I.1, quatrième colonne, les mots "0,3989129 %" sont remplacés par les mots "0,27620 %";
3° au I.1, cinquième colonne, les mots "EUR 500" sont remplacés par les mots "40.000 EUR".
1° dans le premier tableau, première ligne, cinquième colonne, les mots "redevance minimale" sont remplacés par les mots "seuil minimal";
2° au I.1, quatrième colonne, les mots "0,3989129 %" sont remplacés par les mots "0,27620 %";
3° au I.1, cinquième colonne, les mots "EUR 500" sont remplacés par les mots "40.000 EUR".
Art. 85. In de bijlage II van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, gewijzigd bij de wet van 7 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 8 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00902 EUR" vervangen door de woorden "0,01073 EUR";
2° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00902 EUR" vervangen door de woorden "0,09800 EUR";
3° onder II.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00104 EUR" vervangen door de woorden "0,00168 EUR";
4° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,0430 EUR" vervangen door de woorden "0,0382 EUR";
5° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,0186 EUR" vervangen door de woorden "0,0165 EUR";
6° in de Nederlandse tekst, onder II.9, in de derde kolom, worden de woorden "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" opgeheven;
7° in de Nederlandse tekst, onder II.9, wordt de vierde kolom aangevuld met de volgende zin: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht";
8° in de Nederlandse tekst, onder II.10, in de derde kolom, worden de woorden "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" opgeheven;
9° in de Nederlandse tekst, onder II.10, wordt de vierde kolom aangevuld met de volgende zin: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht".
1° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00902 EUR" vervangen door de woorden "0,01073 EUR";
2° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00902 EUR" vervangen door de woorden "0,09800 EUR";
3° onder II.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00104 EUR" vervangen door de woorden "0,00168 EUR";
4° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,0430 EUR" vervangen door de woorden "0,0382 EUR";
5° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,0186 EUR" vervangen door de woorden "0,0165 EUR";
6° in de Nederlandse tekst, onder II.9, in de derde kolom, worden de woorden "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" opgeheven;
7° in de Nederlandse tekst, onder II.9, wordt de vierde kolom aangevuld met de volgende zin: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht";
8° in de Nederlandse tekst, onder II.10, in de derde kolom, worden de woorden "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" opgeheven;
9° in de Nederlandse tekst, onder II.10, wordt de vierde kolom aangevuld met de volgende zin: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht".
Art. 85. A l'annexe II de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018, modifiée par la loi du 7 avril 2019 et modifiée par la loi du 8 février 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au II.1, cinquième colonne, les mots "0,00902 EUR" sont remplacés par les mots "0,01073 EUR";
2° au II.3, cinquième colonne, les mots "0,00902 EUR" sont remplacés par les mots "0,09800 EUR";
3° au II.5, cinquième colonne, les mots "0,00104 EUR" sont remplacés par les mots "0,00168 EUR";
4° au II.6, cinquième colonne, les mots "0,0430 EUR" sont remplacés par les mots "0,0382 EUR";
5° au II.7, cinquième colonne, les mots "0,0186 EUR" sont remplacés par les mots "0,0165 EUR";
6° dans le texte néerlandais, au II.9, troisième colonne, les mots "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" sont abrogés;
7° dans le texte néerlandais, au II.9, la quatrième colonne est complétée par la phrase suivante: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht";
8° dans le texte néerlandais, au II.10, troisième colonne, les mots "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" sont abrogés;
9° dans le texte néerlandais, au II.10, la quatrième colonne est complétée par la phrase suivante: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht".
1° au II.1, cinquième colonne, les mots "0,00902 EUR" sont remplacés par les mots "0,01073 EUR";
2° au II.3, cinquième colonne, les mots "0,00902 EUR" sont remplacés par les mots "0,09800 EUR";
3° au II.5, cinquième colonne, les mots "0,00104 EUR" sont remplacés par les mots "0,00168 EUR";
4° au II.6, cinquième colonne, les mots "0,0430 EUR" sont remplacés par les mots "0,0382 EUR";
5° au II.7, cinquième colonne, les mots "0,0186 EUR" sont remplacés par les mots "0,0165 EUR";
6° dans le texte néerlandais, au II.9, troisième colonne, les mots "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" sont abrogés;
7° dans le texte néerlandais, au II.9, la quatrième colonne est complétée par la phrase suivante: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht";
8° dans le texte néerlandais, au II.10, troisième colonne, les mots "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht" sont abrogés;
9° dans le texte néerlandais, au II.10, la quatrième colonne est complétée par la phrase suivante: "verpakkingen die in België in de handel worden gebracht".
Art. 86. In de bijlage III van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018 en gewijzigd bij de wet van 8 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "553,86 EUR" vervangen door de woorden "609,07 EUR (eerste VHB binnen een Medicinal Product Group*) en 391,00 EUR (overige)";
2° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "695,08 EUR" vervangen door de woorden "672,80 EUR";
3° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "553,86 EUR" vervangen door de woorden "609,07 EUR (eerste VHB binnen een Medicinal Product Group*) en 391,00 EUR (overige)";
4° onder III.4, in de vijfde kolom, worden de woorden "3723 EUR" vervangen door de woorden "3.855,08 EUR";
5° onder III.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "4280 EUR" vervangen door de woorden "5.662,40 EUR";
6° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "127,70 EUR/publiek geopende apotheek" vervangen door de woorden "138,23 EUR/publiek geopende apotheek";
7° de bepaling onder III.8 wordt vervangen door de bepaling onder III.8, toegevoegd in bijlage I bij deze wet;
8° onder III.9, in de vijfde kolom, worden de woorden "3789,88 EUR/entiteit" vervangen door de woorden "5.085,82 EUR/entiteit als bedoeld in Bijlage VI.2";
9° onder III.13, wordt de vijfde kolom aangevuld met de woorden ", + kosten, indien er een inspectie in het buitenland nodig is";
10° onder III.14, wordt de vijfde kolom aangevuld met de woorden ", + kosten, indien er een inspectie in het buitenland nodig is";
11° de tabel wordt aangevuld met de lijn opgesomd in de bijlage II gevoegd bij deze wet;
12° de bijlage wordt aangevuld met een lid, luidende:
"*Medicinal Product Group: een verzameling van één of meerdere vergunningen voor het in de handel brengen, dewelke de volgende kenmerken gemeenschappelijk hebben:
a) De houder van de vergunning voor het in de handel brengen;
b) Het actief bestanddeel van de betrokken geneesmiddelen;
c) De wettelijke basis van de vergunning".
1° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "553,86 EUR" vervangen door de woorden "609,07 EUR (eerste VHB binnen een Medicinal Product Group*) en 391,00 EUR (overige)";
2° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "695,08 EUR" vervangen door de woorden "672,80 EUR";
3° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "553,86 EUR" vervangen door de woorden "609,07 EUR (eerste VHB binnen een Medicinal Product Group*) en 391,00 EUR (overige)";
4° onder III.4, in de vijfde kolom, worden de woorden "3723 EUR" vervangen door de woorden "3.855,08 EUR";
5° onder III.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "4280 EUR" vervangen door de woorden "5.662,40 EUR";
6° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "127,70 EUR/publiek geopende apotheek" vervangen door de woorden "138,23 EUR/publiek geopende apotheek";
7° de bepaling onder III.8 wordt vervangen door de bepaling onder III.8, toegevoegd in bijlage I bij deze wet;
8° onder III.9, in de vijfde kolom, worden de woorden "3789,88 EUR/entiteit" vervangen door de woorden "5.085,82 EUR/entiteit als bedoeld in Bijlage VI.2";
9° onder III.13, wordt de vijfde kolom aangevuld met de woorden ", + kosten, indien er een inspectie in het buitenland nodig is";
10° onder III.14, wordt de vijfde kolom aangevuld met de woorden ", + kosten, indien er een inspectie in het buitenland nodig is";
11° de tabel wordt aangevuld met de lijn opgesomd in de bijlage II gevoegd bij deze wet;
12° de bijlage wordt aangevuld met een lid, luidende:
"*Medicinal Product Group: een verzameling van één of meerdere vergunningen voor het in de handel brengen, dewelke de volgende kenmerken gemeenschappelijk hebben:
a) De houder van de vergunning voor het in de handel brengen;
b) Het actief bestanddeel van de betrokken geneesmiddelen;
c) De wettelijke basis van de vergunning".
Art. 86. A l'annexe III de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018 et modifiée par la loi du 8 février 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au III.1, cinquième colonne, les mots "553,86 EUR" sont remplacés par les mots "609,07 EUR (1re AMM au sein d'un Medicinal Product Group*) et 391,00 EUR (autres)";
2° au III.2, cinquième colonne, les mots "695,08 EUR" sont remplacés par les mots "672,80 EUR";
3° au III.3, cinquième colonne, les mots "553,86 EUR" sont remplacés par les mots "609,07 EUR (1re AMM au sein d'un Medicinal Product Group*) et 391,00 EUR (autres)";
4° au III.4, cinquième colonne, les mots "3723 EUR" sont remplacés par les mots "3.855,08 EUR";
5° au III.5, cinquième colonne, les mots "4280 EUR" sont remplacés par les mots "5.662,40 EUR";
6° au III.6, cinquième colonne, les mots "127,70 EUR/officine pharmaceutique ouverte au public" sont remplacés par les mots "138,23 EUR/officine pharmaceutique ouverte au public";
7° le III.8 est remplacé par le III.8 qui est joint en annexe I à la présente loi;
8° au III.9, cinquième colonne, les mots "3789,88 EUR/entité" sont remplacés par les mots "5.085,82 EUR/entité telle que visée par l'Annexe VI.2";
9° au III.13, la cinquième colonne est complétée par les mots "+ coûts, si une inspection à l'étranger est nécessaire";
10° au III.14, la cinquième colonne est complétée par les mots "+ coûts, si une inspection à l'étranger est nécessaire";
11° le tableau est complété par la ligne qui est jointe en annexe II à la présente loi;
12° l'annexe est complétée par un alinéa rédigé comme suit:
"*Medicinal Product Group: une collection d'une ou plusieurs autorisations de mise sur le marché qui partagent les éléments suivants:
a) Le titulaire de l'autorisation de mise sur le marché;
b) La substance active des médicaments concernés;
c) La base légale de l'autorisation".
1° au III.1, cinquième colonne, les mots "553,86 EUR" sont remplacés par les mots "609,07 EUR (1re AMM au sein d'un Medicinal Product Group*) et 391,00 EUR (autres)";
2° au III.2, cinquième colonne, les mots "695,08 EUR" sont remplacés par les mots "672,80 EUR";
3° au III.3, cinquième colonne, les mots "553,86 EUR" sont remplacés par les mots "609,07 EUR (1re AMM au sein d'un Medicinal Product Group*) et 391,00 EUR (autres)";
4° au III.4, cinquième colonne, les mots "3723 EUR" sont remplacés par les mots "3.855,08 EUR";
5° au III.5, cinquième colonne, les mots "4280 EUR" sont remplacés par les mots "5.662,40 EUR";
6° au III.6, cinquième colonne, les mots "127,70 EUR/officine pharmaceutique ouverte au public" sont remplacés par les mots "138,23 EUR/officine pharmaceutique ouverte au public";
7° le III.8 est remplacé par le III.8 qui est joint en annexe I à la présente loi;
8° au III.9, cinquième colonne, les mots "3789,88 EUR/entité" sont remplacés par les mots "5.085,82 EUR/entité telle que visée par l'Annexe VI.2";
9° au III.13, la cinquième colonne est complétée par les mots "+ coûts, si une inspection à l'étranger est nécessaire";
10° au III.14, la cinquième colonne est complétée par les mots "+ coûts, si une inspection à l'étranger est nécessaire";
11° le tableau est complété par la ligne qui est jointe en annexe II à la présente loi;
12° l'annexe est complétée par un alinéa rédigé comme suit:
"*Medicinal Product Group: une collection d'une ou plusieurs autorisations de mise sur le marché qui partagent les éléments suivants:
a) Le titulaire de l'autorisation de mise sur le marché;
b) La substance active des médicaments concernés;
c) La base légale de l'autorisation".
Art. 87. In de bijlage IV van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.1", in de derde kolom, worden de woorden "35,62 %" vervangen door de woorden "13,30 %";
2° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.2", in de derde kolom, worden de woorden "0,20 %" vervangen door de woorden "1,80 %";
3° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage II.5", in de derde kolom, worden de woorden "0,36 %" vervangen door de woorden "4,78 %";
4° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.1 samen met bijlage III.3", in de derde kolom, worden de woorden "33,13 %" vervangen door de woorden "36,19 %";
5° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.2", in de derde kolom, worden de woorden "3,11 %" vervangen door de woorden "3,93 %";
6° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.6.", in de derde kolom, worden de woorden "7,58 %" vervangen door de woorden "20 %".
1° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.1", in de derde kolom, worden de woorden "35,62 %" vervangen door de woorden "13,30 %";
2° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.2", in de derde kolom, worden de woorden "0,20 %" vervangen door de woorden "1,80 %";
3° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage II.5", in de derde kolom, worden de woorden "0,36 %" vervangen door de woorden "4,78 %";
4° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.1 samen met bijlage III.3", in de derde kolom, worden de woorden "33,13 %" vervangen door de woorden "36,19 %";
5° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.2", in de derde kolom, worden de woorden "3,11 %" vervangen door de woorden "3,93 %";
6° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.6.", in de derde kolom, worden de woorden "7,58 %" vervangen door de woorden "20 %".
Art. 87. A l'annexe IV de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° à la ligne commençant par les mots "annexe I.1", troisième colonne, les mots "35,62 %" sont remplacés par les mots "13,30 %";
2° à la ligne commençant par les mots "annexe I.2", troisième colonne, les mots "0,20 %" sont remplacés par les mots "1,80 %";
3° à la ligne commençant par les mots "annexe II.5", troisième colonne, les mots "0,36 %" sont remplacés par les mots "4,78 %";
4° à la ligne commençant par les mots "annexe III.1 avec l'annexe III.3", troisième colonne, les mots "33,13 %" sont remplacés par les mots "36,19 %";
5° à la ligne commençant par les mots "annexe III.2", troisième colonne, les mots "3,11 %" sont remplacés par les mots "3,93 %";
6° à la ligne commençant par les mots "annexe III.6", troisième colonne, les mots "7,58 %" sont remplacés par les mots "20 %".
1° à la ligne commençant par les mots "annexe I.1", troisième colonne, les mots "35,62 %" sont remplacés par les mots "13,30 %";
2° à la ligne commençant par les mots "annexe I.2", troisième colonne, les mots "0,20 %" sont remplacés par les mots "1,80 %";
3° à la ligne commençant par les mots "annexe II.5", troisième colonne, les mots "0,36 %" sont remplacés par les mots "4,78 %";
4° à la ligne commençant par les mots "annexe III.1 avec l'annexe III.3", troisième colonne, les mots "33,13 %" sont remplacés par les mots "36,19 %";
5° à la ligne commençant par les mots "annexe III.2", troisième colonne, les mots "3,11 %" sont remplacés par les mots "3,93 %";
6° à la ligne commençant par les mots "annexe III.6", troisième colonne, les mots "7,58 %" sont remplacés par les mots "20 %".
Art. 88. In de bijlage V van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2018 en vervangen bij de wet van 8 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder V.1.2., in de derde kolom, worden de woorden "1036,09 EUR" vervangen door de woorden "394,55 EUR";
2° onder V.1.3., in de derde kolom, worden de woorden "444,62 EUR" vervangen door de woorden "186,82 EUR";
3° onder V.1.4., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 4.782,68" vervangen door de woorden "7.167,56 EUR";
4° onder V.1.5., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 489,99" vervangen door de woorden "2.621,78 EUR";
5° onder V.4.1., in de eerste kolom, wordt het woord "mononationaal" opgeheven;
6° onder V.4.1, in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 61, 4), a)" vervangen door de woorden "artikel 70";
7° onder V.4.1., in de derde kolom, worden de woorden "10.655,97 EUR" vervangen door de woorden "10.218,69 EUR";
8° onder V.4.2., in de derde kolom, worden de woorden "4.132,63 EUR" vervangen door de woorden "3.742,60 EUR";
9° onder V.4.3., in de eerste kolom, wordt het woord "mononationaal" opgeheven;
10° onder V.4.3., in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 61, 4), a)" vervangen door de woorden "artikel 70";
11° onder V.4.3., in de derde kolom, worden de woorden "15.323,10 EUR" vervangen door de woorden "14.764,97 EUR";
12° onder V.4.4., in de derde kolom, worden de woorden "4.183.04 EUR" vervangen door de woorden "3.785,02 EUR";
13° onder V.4.5., in de derde kolom, worden de woorden "7.536,23 EUR" vervangen door de woorden "7.122,48 EUR";
14° onder V.4.6., in de derde kolom, worden de woorden "3.106,57 EUR" vervangen door de woorden "2.693,17 EUR";
15° de tabel onder Hoofdstuk 4 wordt aangevuld met de lijnen opgesomd in de bijlage III gevoegd bij deze wet;
16° onder V.5.1., in de eerste kolom, worden de woorden "bedoeld in artikel 58" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 66";
17° onder V.5.1., in de eerste kolom, worden de woorden ", met uitzondering van artikel 58, 2. van de vermelde Verordening" opgeheven;
18° onder V.5.1., in de derde kolom, worden de woorden "10.477,18 EUR" vervangen door de woorden "9.559,81 EUR";
19° onder V.5.2., in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 57 en 58, 2. van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie" vervangen door de woorden "artikel 50 van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek";
20° onder V.5.2., in de derde kolom, worden de woorden "6.745,87 EUR" vervangen door de woorden "1.458,99 EUR";
21° onder V.5.3., in de derde kolom, worden de woorden "6.745,87 EUR" vervangen door de woorden "6.954,87 EUR";
22° onder V.5.4., in de derde kolom, worden de woorden "3.010,25 EUR" vervangen door de woorden "3.236,39 EUR";
23° onder V.5.5., in de derde kolom, worden de woorden "2.193,09 EUR" vervangen door de woorden "2.394,57 EUR";
24° de tabel onder Hoofdstuk 5 wordt aangevuld met de lijnen opgesomd in de bijlage IV gevoegd bij deze wet;
25° onder V.6.1., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 369,82" vervangen door de woorden "383,37 EUR";
26° onder V.8.1., in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur".
1° onder V.1.2., in de derde kolom, worden de woorden "1036,09 EUR" vervangen door de woorden "394,55 EUR";
2° onder V.1.3., in de derde kolom, worden de woorden "444,62 EUR" vervangen door de woorden "186,82 EUR";
3° onder V.1.4., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 4.782,68" vervangen door de woorden "7.167,56 EUR";
4° onder V.1.5., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 489,99" vervangen door de woorden "2.621,78 EUR";
5° onder V.4.1., in de eerste kolom, wordt het woord "mononationaal" opgeheven;
6° onder V.4.1, in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 61, 4), a)" vervangen door de woorden "artikel 70";
7° onder V.4.1., in de derde kolom, worden de woorden "10.655,97 EUR" vervangen door de woorden "10.218,69 EUR";
8° onder V.4.2., in de derde kolom, worden de woorden "4.132,63 EUR" vervangen door de woorden "3.742,60 EUR";
9° onder V.4.3., in de eerste kolom, wordt het woord "mononationaal" opgeheven;
10° onder V.4.3., in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 61, 4), a)" vervangen door de woorden "artikel 70";
11° onder V.4.3., in de derde kolom, worden de woorden "15.323,10 EUR" vervangen door de woorden "14.764,97 EUR";
12° onder V.4.4., in de derde kolom, worden de woorden "4.183.04 EUR" vervangen door de woorden "3.785,02 EUR";
13° onder V.4.5., in de derde kolom, worden de woorden "7.536,23 EUR" vervangen door de woorden "7.122,48 EUR";
14° onder V.4.6., in de derde kolom, worden de woorden "3.106,57 EUR" vervangen door de woorden "2.693,17 EUR";
15° de tabel onder Hoofdstuk 4 wordt aangevuld met de lijnen opgesomd in de bijlage III gevoegd bij deze wet;
16° onder V.5.1., in de eerste kolom, worden de woorden "bedoeld in artikel 58" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 66";
17° onder V.5.1., in de eerste kolom, worden de woorden ", met uitzondering van artikel 58, 2. van de vermelde Verordening" opgeheven;
18° onder V.5.1., in de derde kolom, worden de woorden "10.477,18 EUR" vervangen door de woorden "9.559,81 EUR";
19° onder V.5.2., in de eerste kolom, worden de woorden "artikel 57 en 58, 2. van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie" vervangen door de woorden "artikel 50 van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek";
20° onder V.5.2., in de derde kolom, worden de woorden "6.745,87 EUR" vervangen door de woorden "1.458,99 EUR";
21° onder V.5.3., in de derde kolom, worden de woorden "6.745,87 EUR" vervangen door de woorden "6.954,87 EUR";
22° onder V.5.4., in de derde kolom, worden de woorden "3.010,25 EUR" vervangen door de woorden "3.236,39 EUR";
23° onder V.5.5., in de derde kolom, worden de woorden "2.193,09 EUR" vervangen door de woorden "2.394,57 EUR";
24° de tabel onder Hoofdstuk 5 wordt aangevuld met de lijnen opgesomd in de bijlage IV gevoegd bij deze wet;
25° onder V.6.1., in de derde kolom, worden de woorden "EUR 369,82" vervangen door de woorden "383,37 EUR";
26° onder V.8.1., in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur".
Art. 88. A l'annexe V de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018 et remplacée par la loi du 8 février 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au V.1.2., troisième colonne, les mots "EUR 1036,09" sont remplacés par les mots "394,55 EUR";
2° au V.1.3., troisième colonne, les mots "EUR 444,62" sont remplacés par les mots "186,82 EUR";
3° au V.1.4., troisième colonne, les mots "EUR 4.782,68" sont remplacés par les mots "7.167,56 EUR";
4° au V.1.5., troisième colonne, les mots "EUR 489,99" sont remplacés par les mots "2.621,78 EUR";
5° au V.4.1., première colonne, le mot "mononationale" est abrogé;
6° au V.4.1., première colonne, les mots "l'article 61, 4), a)" sont remplacés par les mots "l'article 70";
7° au V.4.1., troisième colonne, les mots "10.655,97 EUR" sont remplacés par les mots "10.218,69 EUR";
8° au V.4.2., troisième colonne, les mots "4.132,63 EUR" sont remplacés par les mots "3.742,60 EUR";
9° au V.4.3., première colonne, le mot "mononationale" est abrogé;
10° au V.4.3., première colonne, les mots "l'article 61, 4), a)" sont remplacés par les mots "l'article 70";
11° au V.4.3., troisième colonne, les mots "15.323,10 EUR" sont remplacés par les mots "14.764,97 EUR";
12° au V.4.4., troisième colonne, les mots "4.183.04 EUR" sont remplacés par les mots "3.785,02 EUR";
13° au V.4.5., troisième colonne, les mots "7.536,23 EUR" sont remplacés par les mots "7.122,48 EUR";
14° au V.4.6., troisième colonne, les mots "3.106,57 EUR" sont remplacés par les mots "2.693,17 EUR";
15° le tableau du Chapitre 4 est complété par les lignes qui sont jointes en annexe III à la présente loi;
16° au V.5.1., première colonne, les mots "visée à l'article 58" sont remplacés par les mots "visée à l'article 66";
17° au V.5.1., première colonne, les mots ", à l'exception de l'article 58,2. dudit Règlement" sont abrogés;
18° au V.5.1., troisième colonne, les mots "10.477,18 EUR" sont remplacés par les mots "9.559,81 EUR";
19° au V.5.2., première colonne, les mots "à l'article 57 et l'article 58, 2. du règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission" sont remplacés par les mots "à l'article 50 de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro";
20° au V.5.2, troisième colonne, les mots "6.745,87 EUR" sont remplacés par les mots "1.458,99 EUR";
21° au V.5.3., troisième colonne, les mots "6.745,87 EUR" sont remplacés par les mots "6.954,87 EUR";
22° au V.5.4., troisième colonne, les mots "3.010,25 EUR" sont remplacés par les mots "3.236,39 EUR";
23° au V.5.5., troisième colonne, les mots "2.193,09 EUR" sont remplacés par les mots "2.394,57 EUR";
24° le tableau du Chapitre 5 est complété par les lignes qui sont jointes en annexe IV à la présente loi;
25° au V.6.1., troisième colonne, les mots "EUR 369,82" sont remplacés par les mots "383,37 EUR";
26° au V.8.1., troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
1° au V.1.2., troisième colonne, les mots "EUR 1036,09" sont remplacés par les mots "394,55 EUR";
2° au V.1.3., troisième colonne, les mots "EUR 444,62" sont remplacés par les mots "186,82 EUR";
3° au V.1.4., troisième colonne, les mots "EUR 4.782,68" sont remplacés par les mots "7.167,56 EUR";
4° au V.1.5., troisième colonne, les mots "EUR 489,99" sont remplacés par les mots "2.621,78 EUR";
5° au V.4.1., première colonne, le mot "mononationale" est abrogé;
6° au V.4.1., première colonne, les mots "l'article 61, 4), a)" sont remplacés par les mots "l'article 70";
7° au V.4.1., troisième colonne, les mots "10.655,97 EUR" sont remplacés par les mots "10.218,69 EUR";
8° au V.4.2., troisième colonne, les mots "4.132,63 EUR" sont remplacés par les mots "3.742,60 EUR";
9° au V.4.3., première colonne, le mot "mononationale" est abrogé;
10° au V.4.3., première colonne, les mots "l'article 61, 4), a)" sont remplacés par les mots "l'article 70";
11° au V.4.3., troisième colonne, les mots "15.323,10 EUR" sont remplacés par les mots "14.764,97 EUR";
12° au V.4.4., troisième colonne, les mots "4.183.04 EUR" sont remplacés par les mots "3.785,02 EUR";
13° au V.4.5., troisième colonne, les mots "7.536,23 EUR" sont remplacés par les mots "7.122,48 EUR";
14° au V.4.6., troisième colonne, les mots "3.106,57 EUR" sont remplacés par les mots "2.693,17 EUR";
15° le tableau du Chapitre 4 est complété par les lignes qui sont jointes en annexe III à la présente loi;
16° au V.5.1., première colonne, les mots "visée à l'article 58" sont remplacés par les mots "visée à l'article 66";
17° au V.5.1., première colonne, les mots ", à l'exception de l'article 58,2. dudit Règlement" sont abrogés;
18° au V.5.1., troisième colonne, les mots "10.477,18 EUR" sont remplacés par les mots "9.559,81 EUR";
19° au V.5.2., première colonne, les mots "à l'article 57 et l'article 58, 2. du règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission" sont remplacés par les mots "à l'article 50 de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro";
20° au V.5.2, troisième colonne, les mots "6.745,87 EUR" sont remplacés par les mots "1.458,99 EUR";
21° au V.5.3., troisième colonne, les mots "6.745,87 EUR" sont remplacés par les mots "6.954,87 EUR";
22° au V.5.4., troisième colonne, les mots "3.010,25 EUR" sont remplacés par les mots "3.236,39 EUR";
23° au V.5.5., troisième colonne, les mots "2.193,09 EUR" sont remplacés par les mots "2.394,57 EUR";
24° le tableau du Chapitre 5 est complété par les lignes qui sont jointes en annexe IV à la présente loi;
25° au V.6.1., troisième colonne, les mots "EUR 369,82" sont remplacés par les mots "383,37 EUR";
26° au V.8.1., troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
Art. 89. In de bijlage VI van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 februari 2022, worden de woorden "entiteit in de zin van Bijlage III.8.: een functionele eenheid, die op één dag kan worden geïnspecteerd, dan wel ter plaatse of op afstand, en die valt onder de vervaardigingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en haar uitvoeringsbesluiten." vervangen door de woorden "entiteit in de zin van Bijlage III.8: een functionele eenheid, die op één dag kan worden geïnspecteerd, dan wel ter plaatse of op afstand, en die valt onder:
a. de vervaardigingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
b. de bereidingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1/1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
c. de registratie zoals bedoeld in artikel 12bis, § 4, eerste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
d. de aanmelding zoals bedoeld in artikel 95 van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG;
en/of
e. de vervaardigingsvergunning zoals bedoeld in artikel 88 van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG;
en/of
f. de vervaardigings- of invoervergunning zoals bedoeld in artikel 24 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon;
en/of
g. de vervaardigings- of invoervergunning zoals bedoeld in artikel 61 van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG;".
a. de vervaardigingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
b. de bereidingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1/1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
c. de registratie zoals bedoeld in artikel 12bis, § 4, eerste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik en haar uitvoeringsbesluiten;
en/of
d. de aanmelding zoals bedoeld in artikel 95 van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG;
en/of
e. de vervaardigingsvergunning zoals bedoeld in artikel 88 van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG;
en/of
f. de vervaardigings- of invoervergunning zoals bedoeld in artikel 24 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon;
en/of
g. de vervaardigings- of invoervergunning zoals bedoeld in artikel 61 van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG;".
Art. 89. A l'annexe VI de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018 et modifiée en dernier lieu par la loi du 8 février 2022, les mots "entité dans le sens de l'Annexe III.8.: une unité fonctionnelle, qui pourrait être inspectée en une journée, sur place ou à distance, et qui relève de l'autorisation de fabrication visée à l'article 12bis de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et ses arrêtés d'exécution." sont remplacés par les mots "entité au sens de l'Annexe III.8.: une unité fonctionnelle, qui peut être inspectée en une journée, sur place ou à distance, et qui relève de:
a. l'autorisation de fabrication de médicaments conformément à l'article 12bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
b. l'autorisation de préparation conformément à l'article 12bis, § 1er/1, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
c. l'enregistrement conformément à l'article 12bis, § 4, alinéa 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
d. l'enregistrement conformément à l'article 95 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE;
et/ou
e. l'autorisation de fabrication de médicaments vétérinaires, conformément à l'article 88 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE;
et/ou
f. l'autorisation de fabrication ou d'importation de médicaments expérimentaux, conformément à l'article 24 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine;
et/ou
g. l'autorisation de fabrication ou d'importation de médicaments expérimentaux, conformément à l'article 61 du Règlement (UE) n° 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE;".
a. l'autorisation de fabrication de médicaments conformément à l'article 12bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
b. l'autorisation de préparation conformément à l'article 12bis, § 1er/1, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
c. l'enregistrement conformément à l'article 12bis, § 4, alinéa 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
et/ou
d. l'enregistrement conformément à l'article 95 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE;
et/ou
e. l'autorisation de fabrication de médicaments vétérinaires, conformément à l'article 88 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE;
et/ou
f. l'autorisation de fabrication ou d'importation de médicaments expérimentaux, conformément à l'article 24 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine;
et/ou
g. l'autorisation de fabrication ou d'importation de médicaments expérimentaux, conformément à l'article 61 du Règlement (UE) n° 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE;".
Art. 90. In de bijlage VII van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, vervangen bij de wet van 8 april 2019 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder VII.1.1.2.1.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 5770" vervangen door de woorden "6.459,60 EUR";
2° onder VII.1.1.2.2.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1046" vervangen door de woorden "1.005,48 EUR";
3° onder VII.1.1.2.3.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 11.759" vervangen door de woorden "12.980,66 EUR";
4° onder VII.1.1.3.2.1.2, in de derde kolom, worden de woorden "voor één merk, EUR 553 vanaf 2 merken" vervangen door de woorden "vermeerderd met 160 EUR per bijkomend merk";
5° onder VII.1.1.3.2.3.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1393,40" vervangen door de woorden "1.338,55 EUR";
6° onder VII.1.1.3.2.3.2, in de vierde kolom, worden de woorden "voor een merk: EUR 516 Vanaf twee merken:" opgeheven;
7° onder VII.1.1.3.3.2.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.788" vervangen door de woorden "2.274 EUR";
8° onder VII.1.1.3.3.2.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.886" vervangen door de woorden "2.172,90 EUR";
9° onder VII.1.1.3.4.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 843,44" vervangen door de woorden "594,42 EUR";
10° onder VII.1.12.4, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 4.845" vervangen door de woorden "5.422,10 EUR";
11° onder VII.1.12.5, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 2.070" vervangen door de woorden "2.600,49 EUR";
12° de bepaling onder VII.1.16.2 wordt opgeheven;
13° onder VII.1.17.3, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
14° onder VII.1.17.4, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
15° onder VII.1.17.7, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
16° onder Titel 3, wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
17° onder VII.3.1.1, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor de opening van een apotheek, de overbrenging van een bestaande apotheek buiten haar onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning tot opening, overbrenging, overbrenging met sluiting of fusie van een apotheek - buiten onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9, § 1 en/of 17 WUG en hun uitvoeringsbesluiten";
18° onder VII.3.1.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 5.001,55" vervangen door de woorden "2.351,52 EUR";
19° onder VII.3.1.2, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor een overbrenging in de onmiddellijke nabijheid van een apotheek, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning voor de tijdelijke of definitieve overbrenging van een apotheek in de onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9, § 1 WUG en zijn uitvoeringsbesluiten";
20° onder VII.3.1.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.333,75" vervangen door de woorden "1.504,97 EUR".
21° de bepaling onder VII.3.1.3 wordt opgeheven;
22° de bepaling onder VII.3.1.4 wordt opgeheven;
23° onder VII.3.1.5, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor het behoud van de vergunning als gevolg van een tijdelijke sluiting van meer dan zestig dagen, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning tot tijdelijke of definitieve sluiting van een apotheek, krachtens artikel 9, § 4 WUG";
24° onder VII.3.1.5, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 333,44" vervangen door de woorden "670,30 EUR";
25° onder VII.3.1.6., in de eerste kolom, worden de woorden "De registratie van een apotheek bij gebruikmaking van een vestigingsvergunning of een vergunning tot fusie, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Registratie van een opening, overbrenging of fusie van een apotheek, krachtens artikel 18, § 1, § 2, eerste en derde lid, 1°, en § 3 WUG";
26° onder VII.3.1.6, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 168,20" vervangen door de woorden "273,88 EUR";
27° onder VII.3.1.7, in de eerste kolom, worden de woorden "De registratie van wijzigingen aan de uitbatingsvergunning of registratie van tijdelijke sluiting, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Registratie van een apotheker-titularis, sluiting, heropening of wijziging aan de uitbatingsvergunning van een apotheek, krachtens artikel 16 en/of 18, § 2, derde lid, 2°, 3° en 4°, en § 3 WUG";
28° onder VII.3.1.7, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 67,83" vervangen door de woorden "136,94 EUR";
29° VII.3.1.8 wordt opgeheven;
30° VII.3.1.9 wordt opgeheven;
31° onder VII.3.1.10, in de eerste kolom, worden de woorden "registratieattest, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "vestigingsvergunning, verleend krachtens artikel 18, respectievelijk 9 WUG";
32° onder VII.3.1.10, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 33,91" vervangen door de woorden "273,88 EUR";
33° in Titel 8 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
"1° "Herinspectie": De herinspectie is een inspectie die wordt uitgevoerd door een daartoe aangesteld inspecteur.
Het betreft een bijkomende inspectie die nodig is nadat bij een vorige inspectie één of meerdere inbreuken op de wetgeving en/of tekortkoming(en) ten aanzien van de geldende reglementering en/of norm(en) zijn vastgesteld.
De herinspectie wordt uitgevoerd met betrekking tot één of meerdere tekortkomingen die werden vastgesteld omdat:
a) en/of de tekortkoming(en) onvoldoende werd(en) opgelost door enkel de indiening van een preventief en correctief actieplan door de geïnspecteerde partij;
b) en/of er ter plaatse moet geverifieerd worden of de tekortkoming(en) waarvoor de geïnspecteerde partij een preventief en correctief actieplan heeft ingediend, voldoende werd(en) opgelost;
c) en/of het oplossen van de tekortkoming(en) niet kunnen geverifieerd worden op basis van de indiening van een preventief en correctief actieplan.";
34° onder VII.8.1.4, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.612,00 EUR per inspecteur per dag ter plaatse en/of vanop afstand" vervangen door de woorden "806,00 EUR per inspecteur per halve dag ter plaatse en/of vanop afstand";
35° onder II.8.1.6, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.612,00 per inspecteur per dag ter plaatse en/of vanop afstand" vervangen door de woorden "806,00 EUR per inspecteur per halve dag ter plaatse en/of vanop afstand";
36° in het opschrift van Titel 12 worden de woorden "xx/xx/xxxx" vervangen door de woorden "5 mei 2022";
37° in Titel 12, eerste lid, 2°, worden de woorden "xx/xx/xxxx." vervangen door de woorden "5 mei 2022";
38° de tabel onder Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 1 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage V gevoegd bij deze wet;
39° de tabel onder Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 2 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage VI gevoegd bij deze wet;
40° de tabel onder Titel 12, Hoofstuk 1, Deel 2, Onderdeel 3 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage VII gevoegd bij deze wet;
41° de lijn VII.12.9.1 wordt opgeheven;
42° onder VII.12.10.1, in de derde kolom, worden de woorden "en/of vanop afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
43° onder VII.12.10.2, in de derde kolom, worden de woorden "en/of vanop afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur".
1° onder VII.1.1.2.1.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 5770" vervangen door de woorden "6.459,60 EUR";
2° onder VII.1.1.2.2.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1046" vervangen door de woorden "1.005,48 EUR";
3° onder VII.1.1.2.3.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 11.759" vervangen door de woorden "12.980,66 EUR";
4° onder VII.1.1.3.2.1.2, in de derde kolom, worden de woorden "voor één merk, EUR 553 vanaf 2 merken" vervangen door de woorden "vermeerderd met 160 EUR per bijkomend merk";
5° onder VII.1.1.3.2.3.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1393,40" vervangen door de woorden "1.338,55 EUR";
6° onder VII.1.1.3.2.3.2, in de vierde kolom, worden de woorden "voor een merk: EUR 516 Vanaf twee merken:" opgeheven;
7° onder VII.1.1.3.3.2.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.788" vervangen door de woorden "2.274 EUR";
8° onder VII.1.1.3.3.2.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.886" vervangen door de woorden "2.172,90 EUR";
9° onder VII.1.1.3.4.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 843,44" vervangen door de woorden "594,42 EUR";
10° onder VII.1.12.4, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 4.845" vervangen door de woorden "5.422,10 EUR";
11° onder VII.1.12.5, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 2.070" vervangen door de woorden "2.600,49 EUR";
12° de bepaling onder VII.1.16.2 wordt opgeheven;
13° onder VII.1.17.3, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
14° onder VII.1.17.4, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
15° onder VII.1.17.7, in de derde kolom, worden de woorden "en/of op afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
16° onder Titel 3, wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
17° onder VII.3.1.1, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor de opening van een apotheek, de overbrenging van een bestaande apotheek buiten haar onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning tot opening, overbrenging, overbrenging met sluiting of fusie van een apotheek - buiten onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9, § 1 en/of 17 WUG en hun uitvoeringsbesluiten";
18° onder VII.3.1.1, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 5.001,55" vervangen door de woorden "2.351,52 EUR";
19° onder VII.3.1.2, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor een overbrenging in de onmiddellijke nabijheid van een apotheek, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning voor de tijdelijke of definitieve overbrenging van een apotheek in de onmiddellijke nabijheid, krachtens artikel 9, § 1 WUG en zijn uitvoeringsbesluiten";
20° onder VII.3.1.2, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.333,75" vervangen door de woorden "1.504,97 EUR".
21° de bepaling onder VII.3.1.3 wordt opgeheven;
22° de bepaling onder VII.3.1.4 wordt opgeheven;
23° onder VII.3.1.5, in de eerste kolom, worden de woorden "De aanvraag voor het behoud van de vergunning als gevolg van een tijdelijke sluiting van meer dan zestig dagen, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Aanvraag tot vergunning tot tijdelijke of definitieve sluiting van een apotheek, krachtens artikel 9, § 4 WUG";
24° onder VII.3.1.5, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 333,44" vervangen door de woorden "670,30 EUR";
25° onder VII.3.1.6., in de eerste kolom, worden de woorden "De registratie van een apotheek bij gebruikmaking van een vestigingsvergunning of een vergunning tot fusie, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Registratie van een opening, overbrenging of fusie van een apotheek, krachtens artikel 18, § 1, § 2, eerste en derde lid, 1°, en § 3 WUG";
26° onder VII.3.1.6, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 168,20" vervangen door de woorden "273,88 EUR";
27° onder VII.3.1.7, in de eerste kolom, worden de woorden "De registratie van wijzigingen aan de uitbatingsvergunning of registratie van tijdelijke sluiting, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "Registratie van een apotheker-titularis, sluiting, heropening of wijziging aan de uitbatingsvergunning van een apotheek, krachtens artikel 16 en/of 18, § 2, derde lid, 2°, 3° en 4°, en § 3 WUG";
28° onder VII.3.1.7, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 67,83" vervangen door de woorden "136,94 EUR";
29° VII.3.1.8 wordt opgeheven;
30° VII.3.1.9 wordt opgeheven;
31° onder VII.3.1.10, in de eerste kolom, worden de woorden "registratieattest, krachtens artikel 9 WUG" vervangen door de woorden "vestigingsvergunning, verleend krachtens artikel 18, respectievelijk 9 WUG";
32° onder VII.3.1.10, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 33,91" vervangen door de woorden "273,88 EUR";
33° in Titel 8 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
"1° "Herinspectie": De herinspectie is een inspectie die wordt uitgevoerd door een daartoe aangesteld inspecteur.
Het betreft een bijkomende inspectie die nodig is nadat bij een vorige inspectie één of meerdere inbreuken op de wetgeving en/of tekortkoming(en) ten aanzien van de geldende reglementering en/of norm(en) zijn vastgesteld.
De herinspectie wordt uitgevoerd met betrekking tot één of meerdere tekortkomingen die werden vastgesteld omdat:
a) en/of de tekortkoming(en) onvoldoende werd(en) opgelost door enkel de indiening van een preventief en correctief actieplan door de geïnspecteerde partij;
b) en/of er ter plaatse moet geverifieerd worden of de tekortkoming(en) waarvoor de geïnspecteerde partij een preventief en correctief actieplan heeft ingediend, voldoende werd(en) opgelost;
c) en/of het oplossen van de tekortkoming(en) niet kunnen geverifieerd worden op basis van de indiening van een preventief en correctief actieplan.";
34° onder VII.8.1.4, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.612,00 EUR per inspecteur per dag ter plaatse en/of vanop afstand" vervangen door de woorden "806,00 EUR per inspecteur per halve dag ter plaatse en/of vanop afstand";
35° onder II.8.1.6, in de derde kolom, worden de woorden "EUR 1.612,00 per inspecteur per dag ter plaatse en/of vanop afstand" vervangen door de woorden "806,00 EUR per inspecteur per halve dag ter plaatse en/of vanop afstand";
36° in het opschrift van Titel 12 worden de woorden "xx/xx/xxxx" vervangen door de woorden "5 mei 2022";
37° in Titel 12, eerste lid, 2°, worden de woorden "xx/xx/xxxx." vervangen door de woorden "5 mei 2022";
38° de tabel onder Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 1 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage V gevoegd bij deze wet;
39° de tabel onder Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 2 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage VI gevoegd bij deze wet;
40° de tabel onder Titel 12, Hoofstuk 1, Deel 2, Onderdeel 3 wordt aangevuld met een lijn, opgenomen in de bijlage VII gevoegd bij deze wet;
41° de lijn VII.12.9.1 wordt opgeheven;
42° onder VII.12.10.1, in de derde kolom, worden de woorden "en/of vanop afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur";
43° onder VII.12.10.2, in de derde kolom, worden de woorden "en/of vanop afstand" ingevoegd tussen de woorden "ter plaatse" en de woorden "per inspecteur".
Art. 90. A l'annexe VII de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018, remplacée par la loi du 7 avril 2019 et modifiée en dernier lieu par la loi du 8 février 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au VII.1.1.2.1.1, troisième colonne, les mots "EUR 5770" sont remplacés par les mots "6.459,60 EUR";
2° au VII.1.1.2.2.1, troisième colonne, les mots "EUR 1046" sont remplacés par les mots "1.005,48 EUR";
3° au VII.1.1.2.3.1, troisième colonne, les mots "EUR 11.759" sont remplacés par les mots "12.980,66 EUR";
4° au VII.1.1.3.2.1.2, troisième colonne, les mots "pour une marque, EUR 553 à partir de deux marques" sont remplacés par les mots "plus 160 EUR par marque";
5° au VII.1.1.3.2.3.1, troisième colonne, les mots "EUR 1393,40" sont remplacés par les mots "1.338,55 EUR";
6° au VII.1.1.3.2.3.2, quatrième colonne, les mots "Pour une marque: EUR 516 A partir de deux marques:" sont abrogés;
7° au VII.1.1.3.3.2.1, troisième colonne, les mots "EUR 1.788" sont remplacés par les mots "2.274 EUR";
8° au VII.1.1.3.3.2.2, troisième colonne, les mots "EUR 1.886" sont remplacés par les mots "2.172,90 EUR";
9° au VII.1.1.3.4.2, troisième colonne, les mots "EUR 843,44" sont remplacés par les mots "594,42 EUR";
10° au VII.1.12.4, troisième colonne, les mots "EUR 4.845" sont remplacés par les mots "5.422,10 EUR";
11° au VII.1.12.5, troisième colonne, les mots "EUR 2.070" sont remplacés par les mots "2.600,49 EUR";
12° le VII.1.16.2 est abrogée;
13° au VII.1.17.3, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
14° au VII.1.17.4, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
15° au VII.1.17.7, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
16° dans le Titre 3, le 3° est abrogé;
17° au VII.3.1.1, première colonne, les mots "La demande pour l'ouverture d'une officine pharmaceutique, le transfert d'une officine pharmaceutique existante en dehors de son voisinage immédiat en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation pour l'ouverture, le transfert, le transfert avec fermeture ou la fusion d'une officine pharmaceutique. - en dehors de la proximité immédiate, en vertu de l'article 9, § 1er et/ou 17 "LEP" et de leurs arrêtés d'exécution";
18° au VII.3.1.1, troisième colonne, les mots "EUR 5.001,55" sont remplacés par les mots "2.351,52 EUR";
19° au VII.3.1.2, première colonne, les mots "La demande d'un transfert dans le voisinage immédiat d'une officine pharmaceutique en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation de transfert temporaire ou définitive d'une officine pharmaceutique dans la proximité immédiate, en vertu de l'article 9, § 1er "LEP" et ses arrêtés d'exécution";
20° au VII.3.1.2, troisième colonne, les mots "EUR 1.333,75" sont remplacés par les mots "1.504,97 EUR";
21° le VII.3.1.3. est abrogé;
22° le VII.3.1.4. est abrogé;
23° au VII.3.1.5, première colonne, les mots "La demande du maintien de l'autorisation à la suite de la fermeture temporaire de plus de soixante jours en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation de fermeture temporaire ou définitive d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 9, § 4 "LEP"";
24° au VII.3.1.5, troisième colonne, les mots "EUR 333,44" sont remplacés par les mots "670,30 EUR";
25° au VII.3.1.6, première colonne, les mots "L'enregistrement d'une officine pharmaceutique en cas d'utilisation d'une autorisation d'implantation ou d'une autorisation de fusion en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Enregistrement d'une ouverture, d'un transfert ou d'une fusion d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 18, § 1er, § 2, alinéas 1er et 3, 1°, et § 3 "LEP"";
26° au VII.3.1.6, troisième colonne, les mots "EUR 168,20" sont remplacés par les mots "273,88 EUR";
27° au VII.3.1.7, première colonne, les mots "L'enregistrement de modifications à l'autorisation d'exploitation ou l'enregistrement de fermeture temporaire en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Enregistrement d'un pharmacien-titulaire, fermeture, réouverture ou modification de l'autorisation d'exploitation d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 16 et/ou 18, § 2, alinéa 3, 2°, 3° et 4°, et § 3 "LEP"";
28° au VII.3.1.7, troisième colonne, les mots "EUR 67,83" sont remplacés par les mots "136,94 EUR";
29° le VII.3.1.8 est abrogé;
30° le VII.3.1.9 est abrogé;
31° au VII.3.1.10, première colonne, les mots "du certificat d'enregistrement en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "de l'autorisation d'implantation, délivrée en vertu de l'article 18, respectivement 9 "LEP"";
32° au VII.3.1.10, troisième colonne, les mots "EUR 33,91" sont remplacés par les mots "273,88 EUR";
33° dans le Titre 8, le 1° est remplacé par ce qui suit:
"1° "Réinspection": La réinspection est une inspection effectuée par un inspecteur dûment nommé.
Il s'agit d'une inspection supplémentaire rendue nécessaire suite à la constatation, lors d'une inspection précédente, d'une ou plusieurs infraction(s) à la législation et/ou déficience(s) par rapport à la réglementation et/ou la norme en vigueur.
La réinspection concerne une ou plusieurs déficiences qui ont été identifiées parce que:
a) et/ou la ou les déficiences n'ont pas été suffisamment résolues par la soumission d'un plan d'actions préventives et correctives par la partie inspectée uniquement;
b) et/ou il est nécessaire de vérifier sur place si la ou les déficiences pour lesquelles la partie inspectée a soumis un plan d'actions préventives et correctives, ont été suffisamment résolues;
c) et/ou la résolution de la ou des déficiences ne peut pas être vérifiée sur la base de la soumission d'un plan d'action préventive et corrective.".
34° au VII.8.1.4, troisième colonne, les mots "1.612,00 EUR par inspecteur par jour sur place et/ou à distance" sont remplacés par les mots "806,00 EUR par inspecteur par demi-jour sur place et/ou à distance";
35° au VII.8.1.6, troisième colonne, les mots "1.612,00 EUR par inspecteur par jour sur place et/ou à distance" sont remplacés par les mots "806,00 EUR par inspecteur par demi-jour sur place et/ou à distance";
36° dans l'intitulé du Titre 12, les mots "xx/xx/xxxx" sont remplacés par les mots "5 mai 2022";
37° dans le Titre 12, alinéa 1er, 2°, les mots "xx/xx/xxxx" sont remplacés par les mots "5 mai 2022";
38° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 1re est complété par une ligne, qui est jointe en annexe V à la présente loi;
39° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 2, est complété par une ligne, qui est jointe en annexe VI à la présente loi;
40° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 3 est complété par une ligne, qui est jointe en annexe VII à la présente loi;
41° la ligne VII.12.9.1 est abrogée;
42° au VII.12.10.1, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
43° au VII.12.10.2, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur".
1° au VII.1.1.2.1.1, troisième colonne, les mots "EUR 5770" sont remplacés par les mots "6.459,60 EUR";
2° au VII.1.1.2.2.1, troisième colonne, les mots "EUR 1046" sont remplacés par les mots "1.005,48 EUR";
3° au VII.1.1.2.3.1, troisième colonne, les mots "EUR 11.759" sont remplacés par les mots "12.980,66 EUR";
4° au VII.1.1.3.2.1.2, troisième colonne, les mots "pour une marque, EUR 553 à partir de deux marques" sont remplacés par les mots "plus 160 EUR par marque";
5° au VII.1.1.3.2.3.1, troisième colonne, les mots "EUR 1393,40" sont remplacés par les mots "1.338,55 EUR";
6° au VII.1.1.3.2.3.2, quatrième colonne, les mots "Pour une marque: EUR 516 A partir de deux marques:" sont abrogés;
7° au VII.1.1.3.3.2.1, troisième colonne, les mots "EUR 1.788" sont remplacés par les mots "2.274 EUR";
8° au VII.1.1.3.3.2.2, troisième colonne, les mots "EUR 1.886" sont remplacés par les mots "2.172,90 EUR";
9° au VII.1.1.3.4.2, troisième colonne, les mots "EUR 843,44" sont remplacés par les mots "594,42 EUR";
10° au VII.1.12.4, troisième colonne, les mots "EUR 4.845" sont remplacés par les mots "5.422,10 EUR";
11° au VII.1.12.5, troisième colonne, les mots "EUR 2.070" sont remplacés par les mots "2.600,49 EUR";
12° le VII.1.16.2 est abrogée;
13° au VII.1.17.3, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
14° au VII.1.17.4, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
15° au VII.1.17.7, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
16° dans le Titre 3, le 3° est abrogé;
17° au VII.3.1.1, première colonne, les mots "La demande pour l'ouverture d'une officine pharmaceutique, le transfert d'une officine pharmaceutique existante en dehors de son voisinage immédiat en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation pour l'ouverture, le transfert, le transfert avec fermeture ou la fusion d'une officine pharmaceutique. - en dehors de la proximité immédiate, en vertu de l'article 9, § 1er et/ou 17 "LEP" et de leurs arrêtés d'exécution";
18° au VII.3.1.1, troisième colonne, les mots "EUR 5.001,55" sont remplacés par les mots "2.351,52 EUR";
19° au VII.3.1.2, première colonne, les mots "La demande d'un transfert dans le voisinage immédiat d'une officine pharmaceutique en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation de transfert temporaire ou définitive d'une officine pharmaceutique dans la proximité immédiate, en vertu de l'article 9, § 1er "LEP" et ses arrêtés d'exécution";
20° au VII.3.1.2, troisième colonne, les mots "EUR 1.333,75" sont remplacés par les mots "1.504,97 EUR";
21° le VII.3.1.3. est abrogé;
22° le VII.3.1.4. est abrogé;
23° au VII.3.1.5, première colonne, les mots "La demande du maintien de l'autorisation à la suite de la fermeture temporaire de plus de soixante jours en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Demande d'autorisation de fermeture temporaire ou définitive d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 9, § 4 "LEP"";
24° au VII.3.1.5, troisième colonne, les mots "EUR 333,44" sont remplacés par les mots "670,30 EUR";
25° au VII.3.1.6, première colonne, les mots "L'enregistrement d'une officine pharmaceutique en cas d'utilisation d'une autorisation d'implantation ou d'une autorisation de fusion en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Enregistrement d'une ouverture, d'un transfert ou d'une fusion d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 18, § 1er, § 2, alinéas 1er et 3, 1°, et § 3 "LEP"";
26° au VII.3.1.6, troisième colonne, les mots "EUR 168,20" sont remplacés par les mots "273,88 EUR";
27° au VII.3.1.7, première colonne, les mots "L'enregistrement de modifications à l'autorisation d'exploitation ou l'enregistrement de fermeture temporaire en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "Enregistrement d'un pharmacien-titulaire, fermeture, réouverture ou modification de l'autorisation d'exploitation d'une officine pharmaceutique, en vertu de l'article 16 et/ou 18, § 2, alinéa 3, 2°, 3° et 4°, et § 3 "LEP"";
28° au VII.3.1.7, troisième colonne, les mots "EUR 67,83" sont remplacés par les mots "136,94 EUR";
29° le VII.3.1.8 est abrogé;
30° le VII.3.1.9 est abrogé;
31° au VII.3.1.10, première colonne, les mots "du certificat d'enregistrement en vertu de l'article 9 "LEP"" sont remplacés par les mots "de l'autorisation d'implantation, délivrée en vertu de l'article 18, respectivement 9 "LEP"";
32° au VII.3.1.10, troisième colonne, les mots "EUR 33,91" sont remplacés par les mots "273,88 EUR";
33° dans le Titre 8, le 1° est remplacé par ce qui suit:
"1° "Réinspection": La réinspection est une inspection effectuée par un inspecteur dûment nommé.
Il s'agit d'une inspection supplémentaire rendue nécessaire suite à la constatation, lors d'une inspection précédente, d'une ou plusieurs infraction(s) à la législation et/ou déficience(s) par rapport à la réglementation et/ou la norme en vigueur.
La réinspection concerne une ou plusieurs déficiences qui ont été identifiées parce que:
a) et/ou la ou les déficiences n'ont pas été suffisamment résolues par la soumission d'un plan d'actions préventives et correctives par la partie inspectée uniquement;
b) et/ou il est nécessaire de vérifier sur place si la ou les déficiences pour lesquelles la partie inspectée a soumis un plan d'actions préventives et correctives, ont été suffisamment résolues;
c) et/ou la résolution de la ou des déficiences ne peut pas être vérifiée sur la base de la soumission d'un plan d'action préventive et corrective.".
34° au VII.8.1.4, troisième colonne, les mots "1.612,00 EUR par inspecteur par jour sur place et/ou à distance" sont remplacés par les mots "806,00 EUR par inspecteur par demi-jour sur place et/ou à distance";
35° au VII.8.1.6, troisième colonne, les mots "1.612,00 EUR par inspecteur par jour sur place et/ou à distance" sont remplacés par les mots "806,00 EUR par inspecteur par demi-jour sur place et/ou à distance";
36° dans l'intitulé du Titre 12, les mots "xx/xx/xxxx" sont remplacés par les mots "5 mai 2022";
37° dans le Titre 12, alinéa 1er, 2°, les mots "xx/xx/xxxx" sont remplacés par les mots "5 mai 2022";
38° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 1re est complété par une ligne, qui est jointe en annexe V à la présente loi;
39° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 2, est complété par une ligne, qui est jointe en annexe VI à la présente loi;
40° le tableau sous le Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 3 est complété par une ligne, qui est jointe en annexe VII à la présente loi;
41° la ligne VII.12.9.1 est abrogée;
42° au VII.12.10.1, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur";
43° au VII.12.10.2, troisième colonne, les mots "et/ou à distance" sont insérés entre les mots "sur place" et "par inspecteur".
Art. 91. In dezelfde wet wordt een bijlage IX ingevoegd die als bijlage VIII is gevoegd bij deze wet.
Art. 91. Dans la même loi, il est inséré une annexe IX qui est jointe en annexe VIII à la présente loi.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen
Section 2. - Modifications de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux
Art. 92. In de bijlage I, Hoofdstuk I, I.2., van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen wordt de tabel aangevuld met de lijnen opgenomen in de bijlage IX gevoegd bij deze wet.
Art. 92. A l'annexe I, Chapitre 1er, I.2., de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux, le tableau est remplacé par le tableau qui est joint en annexe IX à la présente loi.
Art. 93. In de bijlage II, Hoofdstuk I, I.2., van dezelfde wet wordt de tabel aangevuld met de lijnen opgenomen in de bijlage X gevoegd bij deze wet.
Art. 93. A l'annexe II, Chapitre 1er, I.2., de la même loi, le tableau est remplacé par le tableau qui est joint en annexe X à la présente loi.
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 8 februari 2022 houdende wijziging van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Section 3. - Modification de la loi du 8 février 2022 modifiant la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Art. 94. In artikel 11 van de wet van 8 februari 2022 houdende wijziging van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten, worden de bepalingen onder 1° en 2° opgeheven.
Art. 94. Dans l'article 11 de la loi du 8 février 2022 modifiant la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'agence fédérale des médicaments et des produits de santé, les 1° et 2° sont abrogés.
Art. 95. In artikel 13 van dezelfde wet worden de bepalingen onder 2°, 3° en 9° opgeheven.
Art. 95. Dans l'article 13 de la même loi, les 2°, 3° et 9° sont abrogés.
Art. 96. In artikel 41, tweede lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "artikel 11, artikel 13, de bepalingen onder 2° en 9°, " vervangen door de woorden "artikel 11, 3° ";
2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "artikel 13, de bepaling onder 3°, " opgeheven.
1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "artikel 11, artikel 13, de bepalingen onder 2° en 9°, " vervangen door de woorden "artikel 11, 3° ";
2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "artikel 13, de bepaling onder 3°, " opgeheven.
Art. 96. Dans l'article 41, alinéa 2, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 1°, les mots "l'article 11, l'article 13, les 2° et 9° " sont remplacés par les mots "l'article 11, 3° ";
2° au 2°, les mots "l'article 13, le 3° " sont abrogés.
1° au 1°, les mots "l'article 11, l'article 13, les 2° et 9° " sont remplacés par les mots "l'article 11, 3° ";
2° au 2°, les mots "l'article 13, le 3° " sont abrogés.
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek
Section 4. - Modifications de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro
Art. 97. In de bijlage I, Hoofdstuk I, 1.2, van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek wordt de tabel vervangen door de tabel opgenomen in de bijlage XI gevoegd bij deze wet.
Art. 97. A l'annexe I, Chapitre 1er, 1.2, de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro, le tableau est remplacé par le tableau qui est joint en annexe XI à la présente loi.
Art. 98. In de bijlage II, Hoofdstuk I, 1.2, van dezelfde wet wordt de tabel vervangen door de tabel opgenomen in de bijlage XII gevoegd bij deze wet.
Art. 98. A l'annexe II, Chapitre 1er, 1.2, de la même loi, le tableau est remplacé par le tableau qui est joint en annexe XII à la présente loi.
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
Section 5. - Entrée en vigueur
Art. 99. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 94, 95 en 96 in werking op 31 december 2022.
In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 94, 95 en 96 in werking op 31 december 2022.
Art. 99. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 94, 95 et 96 entrent en vigueur le 31 décembre 2022.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 94, 95 et 96 entrent en vigueur le 31 décembre 2022.
TITEL 6. - Financiën
TITRE 6. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Afdeling 1. - Hervorming fiscaal regime auteursrechten en naburige rechten
Section 1re. - Réforme du régime fiscal des droits d'auteur et droits voisins
Art. 100. In artikel 17, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:
"5° de inkomsten:
- verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie door de oorspronkelijke rechthebbende, zijn erfgenamen of legatarissen, van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld, bedoeld in boek XI, titel 5, van het Wetboek van economisch recht of in analoge bepalingen van buitenlands recht;
- die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.165 van het Wetboek van economisch recht of op prestaties van uitvoerende kunstenaars zoals bedoeld in artikel XI.205 van hetzelfde Wetboek;
- met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik van deze rechten, behalve in het geval van een gebeurtenis veroorzaakt buiten de wil van de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
- op voorwaarde dat de voormelde oorspronkelijke rechthebbende beschikt over een kunstwerkattest als bedoeld in artikel 6 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, of in analoge bepalingen of met gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
- bij gebrek daaraan, dat de rechthebbende in het kader van de overdracht of de verlening van een licentie in overeenstemming met de eerste drie streepjes deze rechten overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie;
alsmede de voormelde inkomsten die door de voormelde rechthebbende worden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde beheersorganisatie.".
"5° de inkomsten:
- verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie door de oorspronkelijke rechthebbende, zijn erfgenamen of legatarissen, van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld, bedoeld in boek XI, titel 5, van het Wetboek van economisch recht of in analoge bepalingen van buitenlands recht;
- die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.165 van het Wetboek van economisch recht of op prestaties van uitvoerende kunstenaars zoals bedoeld in artikel XI.205 van hetzelfde Wetboek;
- met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik van deze rechten, behalve in het geval van een gebeurtenis veroorzaakt buiten de wil van de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
- op voorwaarde dat de voormelde oorspronkelijke rechthebbende beschikt over een kunstwerkattest als bedoeld in artikel 6 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, of in analoge bepalingen of met gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
- bij gebrek daaraan, dat de rechthebbende in het kader van de overdracht of de verlening van een licentie in overeenstemming met de eerste drie streepjes deze rechten overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie;
alsmede de voormelde inkomsten die door de voormelde rechthebbende worden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde beheersorganisatie.".
Art. 100. Dans l'article 17, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, le 5° est remplacé comme suit:
"5° les revenus:
- qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence par le titulaire originaire, ses héritiers ou légataires, de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que des licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés au livre XI, titre 5, du Code de droit économique ou par des dispositions analogues de droit étranger;
- qui se rapportent à des oeuvres littéraires ou artistiques originales visées à l'article XI.165 du Code de droit économique ou à des prestations d'artistes-interprètes ou exécutants visées à l'article XI.205 du même Code;
- en vue de l'exploitation ou de l'utilisation effective, sauf en cas d'évènement indépendant de la volonté des parties contractantes, de ces droits, conformément aux usages honnêtes de la profession, par le cessionnaire, le détenteur de la licence ou un tiers;
- à condition que le titulaire originaire des droits précité détienne une attestation du travail des arts visée à l'article 6 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, ou dans des dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen; ou
- à défaut, que dans le cadre de la cession ou de l'octroi d'une licence conformément aux trois premiers tirets, le titulaire des droits cède ou octroie en licence ces droits à un tiers aux fins de communication au public, d'exécution ou de représentation publique, ou de reproduction;
ainsi que les revenus susvisés qui sont recueillis par le titulaire des droits susvisé par l'intermédiaire d'un organisme de gestion visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique.".
"5° les revenus:
- qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence par le titulaire originaire, ses héritiers ou légataires, de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que des licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés au livre XI, titre 5, du Code de droit économique ou par des dispositions analogues de droit étranger;
- qui se rapportent à des oeuvres littéraires ou artistiques originales visées à l'article XI.165 du Code de droit économique ou à des prestations d'artistes-interprètes ou exécutants visées à l'article XI.205 du même Code;
- en vue de l'exploitation ou de l'utilisation effective, sauf en cas d'évènement indépendant de la volonté des parties contractantes, de ces droits, conformément aux usages honnêtes de la profession, par le cessionnaire, le détenteur de la licence ou un tiers;
- à condition que le titulaire originaire des droits précité détienne une attestation du travail des arts visée à l'article 6 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, ou dans des dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen; ou
- à défaut, que dans le cadre de la cession ou de l'octroi d'une licence conformément aux trois premiers tirets, le titulaire des droits cède ou octroie en licence ces droits à un tiers aux fins de communication au public, d'exécution ou de représentation publique, ou de reproduction;
ainsi que les revenus susvisés qui sont recueillis par le titulaire des droits susvisé par l'intermédiaire d'un organisme de gestion visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique.".
Art. 101. In artikel 37 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"In afwijking daarvan behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in de mate dat:
- de verhouding tussen de totale vergoedingen voor de overdrachten of verleningen van licenties van de auteursrechten en naburige rechten en de totale vergoedingen, waarin ook de vergoedingen voor de geleverde prestaties zijn begrepen, meer dan 30 pct. bedraagt;
- zij meer bedragen dan 37.500 euro;
en voor zover dat het gemiddelde inkomen uit auteursrechten en naburige rechten, vastgesteld vóór de toepassing van de in de voorgaande streepjes bedoelde beperkingen, die in de vier vorige belastbare tijdperken zijn ontvangen, in voorkomend geval met uitsluiting van de periode waarin de activiteit is begonnen, het absolute maximumplafond van 37.500 euro niet overschrijdt.".
2° er wordt een nieuw lid ingevoegd tussen het tweede lid en het derde lid, dat het vierde lid wordt, luidende:
"De bepaling onder het tweede lid, eerste streepje,
- is enkel van toepassing wanneer de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten gepaard gaat met een geleverde prestatie;
- is niet van toepassing wanneer de vergoedingen voor de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten naderhand worden verkregen, losstaand van de initiële vergoeding die ook een vergoeding voor de geleverde prestatie omvat, onverminderd de toepassing van het tweede lid, tweede streepje en van de voorwaarde met betrekking tot de vergelijking van de inkomsten van het tijdperk met het gemiddelde van de tijdens de vier voorgaande belastbare tijdperken ontvangen inkomsten, overeenkomstig het tweede lid.".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"In afwijking daarvan behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in de mate dat:
- de verhouding tussen de totale vergoedingen voor de overdrachten of verleningen van licenties van de auteursrechten en naburige rechten en de totale vergoedingen, waarin ook de vergoedingen voor de geleverde prestaties zijn begrepen, meer dan 30 pct. bedraagt;
- zij meer bedragen dan 37.500 euro;
en voor zover dat het gemiddelde inkomen uit auteursrechten en naburige rechten, vastgesteld vóór de toepassing van de in de voorgaande streepjes bedoelde beperkingen, die in de vier vorige belastbare tijdperken zijn ontvangen, in voorkomend geval met uitsluiting van de periode waarin de activiteit is begonnen, het absolute maximumplafond van 37.500 euro niet overschrijdt.".
2° er wordt een nieuw lid ingevoegd tussen het tweede lid en het derde lid, dat het vierde lid wordt, luidende:
"De bepaling onder het tweede lid, eerste streepje,
- is enkel van toepassing wanneer de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten gepaard gaat met een geleverde prestatie;
- is niet van toepassing wanneer de vergoedingen voor de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten naderhand worden verkregen, losstaand van de initiële vergoeding die ook een vergoeding voor de geleverde prestatie omvat, onverminderd de toepassing van het tweede lid, tweede streepje en van de voorwaarde met betrekking tot de vergelijking van de inkomsten van het tijdperk met het gemiddelde van de tijdens de vier voorgaande belastbare tijdperken ontvangen inkomsten, overeenkomstig het tweede lid.".
Art. 101. Dans l'article 37 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Par dérogation, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, conservent leur qualité de revenus mobiliers sauf dans l'éventualité et dans la mesure où:
- le rapport entre les rémunérations totales pour les cessions ou octrois de licences des droits d'auteur et des droits voisins et les rémunérations totales, qui comprennent les rémunérations pour les prestations fournies, dépasse 30 p.c.;
- ils excèdent 37.500 euros;
et pour autant que la moyenne des revenus des droits d'auteur et des droits voisins, déterminés avant l'application des limitations prévues aux tirets qui précèdent, qui ont été perçus au cours des quatre périodes imposables précédentes, le cas échéant à l'exclusion de la période au cours de laquelle l'activité a débuté, ne dépasse pas le plafond maximal de 37.500 euros.".
2° il est inséré un nouvel alinéa rédigé comme suit entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4:
"L'alinéa 2, premier tiret,
- s'applique uniquement lorsque la cession ou l'octroi d'une licence des droits d'auteur et des droits voisins s'accompagne de l'exécution d'une prestation;
- ne s'applique pas lorsque la rémunération pour la cession ou l'octroi d'une licence des droits d'auteur et des droits voisins est perçue ultérieurement, indépendamment de la rémunération initiale qui contient aussi une rémunération pour la prestation effectuée, sans préjudice de l'application du deuxième tiret de l'alinéa 2 et de la condition relative à la comparaison des revenus de la période avec la moyenne des revenus perçus au cours des quatre périodes imposables précédentes conformément à l'alinéa 2.".
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Par dérogation, les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, conservent leur qualité de revenus mobiliers sauf dans l'éventualité et dans la mesure où:
- le rapport entre les rémunérations totales pour les cessions ou octrois de licences des droits d'auteur et des droits voisins et les rémunérations totales, qui comprennent les rémunérations pour les prestations fournies, dépasse 30 p.c.;
- ils excèdent 37.500 euros;
et pour autant que la moyenne des revenus des droits d'auteur et des droits voisins, déterminés avant l'application des limitations prévues aux tirets qui précèdent, qui ont été perçus au cours des quatre périodes imposables précédentes, le cas échéant à l'exclusion de la période au cours de laquelle l'activité a débuté, ne dépasse pas le plafond maximal de 37.500 euros.".
2° il est inséré un nouvel alinéa rédigé comme suit entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4:
"L'alinéa 2, premier tiret,
- s'applique uniquement lorsque la cession ou l'octroi d'une licence des droits d'auteur et des droits voisins s'accompagne de l'exécution d'une prestation;
- ne s'applique pas lorsque la rémunération pour la cession ou l'octroi d'une licence des droits d'auteur et des droits voisins est perçue ultérieurement, indépendamment de la rémunération initiale qui contient aussi une rémunération pour la prestation effectuée, sans préjudice de l'application du deuxième tiret de l'alinéa 2 et de la condition relative à la comparaison des revenus de la période avec la moyenne des revenus perçus au cours des quatre périodes imposables précédentes conformément à l'alinéa 2.".
Art. 102. In artikel 129/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, worden de woorden "37, tweede lid," vervangen door de woorden "37, tweede lid, tweede streepje,".
Art. 102. Dans l'article 129/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 décembre 2020, les mots "37, alinéa 2," sont remplacés par les mots "37, alinéa 2, deuxième tiret,".
Art. 103. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, wordt de bepaling onder 2° bis vervangen als volgt:
"2° bis tegen een aanslagvoet van 15 pct.:
a) de in artikel 17, § 1, 5°, bedoelde inkomsten die niet worden bedoeld in artikel 37, eerste tot derde lid;
b) de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;".
"2° bis tegen een aanslagvoet van 15 pct.:
a) de in artikel 17, § 1, 5°, bedoelde inkomsten die niet worden bedoeld in artikel 37, eerste tot derde lid;
b) de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;".
Art. 103. A l'article 171 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, le 2° bis est remplacé comme suit:
"2° bis au taux de 15 p.c.:
a) les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, qui ne sont pas visés à l'article 37, alinéas 1er à 3;
b) la première tranche correspondant au montant qui n'excède pas 30 p.c. ou 37.500 euros visé à l'article 37, alinéa 2, sans préjudice de l'application de l'article 37, alinéa 3, ou au montant visé à l'article 551, des revenus qui résultent de la cession ou l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins visés à l'article 17, § 1er, 5° ou qui sont recueillis par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique;".
"2° bis au taux de 15 p.c.:
a) les revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°, qui ne sont pas visés à l'article 37, alinéas 1er à 3;
b) la première tranche correspondant au montant qui n'excède pas 30 p.c. ou 37.500 euros visé à l'article 37, alinéa 2, sans préjudice de l'application de l'article 37, alinéa 3, ou au montant visé à l'article 551, des revenus qui résultent de la cession ou l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins visés à l'article 17, § 1er, 5° ou qui sont recueillis par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique;".
Art. 104. In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de woorden "171, 1°, i, en 4°, j, "vervangen door de woorden "171, 1°, i, 2° bis, tweede streepje, en 4°, j,".
Art. 104. Dans l'article 174/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les mots "171, 1°, i, et 4°, j," sont remplacés par les mots "171, 1°, i, 2° bis, deuxième tiret, et 4°, j,".
Art. 105. In artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de programmawet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2021, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° op 15 pct., voor de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;".
"4° op 15 pct., voor de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;".
Art. 105. Dans l'article 269, § 1er, du même Code, remplacé par la loi-programme du 27 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2021, le 4° est remplacé comme suit:
"4° à 15 p.c., pour la première tranche correspondant au montant qui n'excède pas 30 p.c. ou de 37.500 euros visé à l'article 37, alinéa 2, sans préjudice de l'application de l'article 37, alinéa 3, ou au montant visé à l'article 551, des revenus qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou qui sont recueillis par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique;".
"4° à 15 p.c., pour la première tranche correspondant au montant qui n'excède pas 30 p.c. ou de 37.500 euros visé à l'article 37, alinéa 2, sans préjudice de l'application de l'article 37, alinéa 3, ou au montant visé à l'article 551, des revenus qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins visés à l'article 17, § 1er, 5°, ou qui sont recueillis par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'article I.16, § 1er, 4° à 6°, du Code de droit économique;".
Art. 106. In artikel 313, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de programmawet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld;".
"4° in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld;".
Art. 106. Dans l'article 313, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi-programme du 27 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2018, le 4° est remplacé comme suit:
"4° des revenus qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que de licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés à l'article 17, § 1er, 5° ;".
"4° des revenus qui résultent de la cession ou de l'octroi d'une licence de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que de licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés à l'article 17, § 1er, 5° ;".
Art. 107. In artikel 344, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "auteursrechten en naburige rechten," ingevoegd tussen de woorden "obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen," en de woorden "uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken, of alle andere soortgelijke rechten".
Art. 107. Dans l'article 344, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 28 juillet 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots "de droits d'auteur et de droits voisins," sont insérés entre les mots "d'obligations, de créances ou d'autres titres constitutifs d'emprunts," et les mots "de brevets d'invention, de procédés de fabrication, de marques de fabrique ou de commerce, ou de tous autres droits analogues".
Art. 108. In titel X van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 551 ingevoegd, luidende:
"Art. 551. § 1. Het percentage van 30 pct. bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, eerste streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, wordt gebracht op 50 pct. voor het aanslagjaar 2024 en op 40 pct. voor het aanslagjaar 2025.
§ 2. Artikel 17, § 1, 5°, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022, blijft van toepassing voor het aanslagjaar 2024 op de belastingplichtigen die voor het aanslagjaar 2023 belast werden op inkomsten die onder deze bepaling vallen en die vanaf het aanslagjaar 2024 niet langer aanspraak kunnen maken op de toepassing van artikel 17, § 1, 5°, zoals gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in de artikelen 37, tweede lid, tweede streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, bedoelde bedrag van 37.500 euro herleid tot 18.750 euro en de bedragen van 10.000 euro en 20.000 euro bedoeld in artikel 4, 1°, KB/WIB 92 worden herleid tot respectievelijk 5.000 euro en 10.000 euro voor het aanslagjaar 2024.
De overeenkomstig het tweede lid herleide bedragen worden overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, en § 7, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
Artikel 129/1 is van toepassing op de in artikel 37, tweede lid, tweede streepje, en artikel 4, 1°, KB/WIB 92 bedoelde bedragen die overeenkomstig het tweede lid zijn herleid.
Artikel 174/1 is van toepassing op het in artikel 171, 2° bis, bedoelde bedrag dat overeenkomstig het tweede lid is herleid.".
"Art. 551. § 1. Het percentage van 30 pct. bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, eerste streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, wordt gebracht op 50 pct. voor het aanslagjaar 2024 en op 40 pct. voor het aanslagjaar 2025.
§ 2. Artikel 17, § 1, 5°, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022, blijft van toepassing voor het aanslagjaar 2024 op de belastingplichtigen die voor het aanslagjaar 2023 belast werden op inkomsten die onder deze bepaling vallen en die vanaf het aanslagjaar 2024 niet langer aanspraak kunnen maken op de toepassing van artikel 17, § 1, 5°, zoals gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in de artikelen 37, tweede lid, tweede streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, bedoelde bedrag van 37.500 euro herleid tot 18.750 euro en de bedragen van 10.000 euro en 20.000 euro bedoeld in artikel 4, 1°, KB/WIB 92 worden herleid tot respectievelijk 5.000 euro en 10.000 euro voor het aanslagjaar 2024.
De overeenkomstig het tweede lid herleide bedragen worden overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, en § 7, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
Artikel 129/1 is van toepassing op de in artikel 37, tweede lid, tweede streepje, en artikel 4, 1°, KB/WIB 92 bedoelde bedragen die overeenkomstig het tweede lid zijn herleid.
Artikel 174/1 is van toepassing op het in artikel 171, 2° bis, bedoelde bedrag dat overeenkomstig het tweede lid is herleid.".
Art. 108. Dans le titre X du même Code, il est inséré un article 551 rédigé comme suit:
"Art. 551. § 1er. Le pourcentage de 30 p.c. visé aux articles 37, alinéa 2, 1er tiret, 171, 2° bis, et 269, § 1er, 4°, est porté à 50 p.c. pour l'exercice d'imposition 2024 et à 40 p.c. pour l'exercice d'imposition 2025.
§ 2. L'article 17, § 1er, 5°, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 100 de la loi-programme du 26 décembre 2022, reste applicable pour l'exercice d'imposition 2024 aux contribuables qui ont été imposés sur des revenus visés par cette disposition pour l'exercice d'imposition 2023 et qui ne peuvent plus se prévaloir de l'application de l'article 17, § 1er, 5°, tel que modifié par l'article 100 de la loi-programme du 26 décembre 2022, à partir de l'exercice d'imposition 2024.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le montant de 37.500 euros visé aux articles 37, alinéa 2, 2° tiret, 171, 2° bis, et 269, § 1er, 4°, est ramené à 18.750 euros et les montants de 10.000 euros et de 20.000 euros visés à l'article 4, 1°, de l'AR/CIR 92 sont ramenés respectivement à 5.000 euros et 10.000 euros pour l'exercice d'imposition 2024.
Les montants diminués conformément à l'alinéa 2 sont adaptés à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'article 178, § 3, alinéa 1er, 2°, et § 7.
L'article 129/1 est applicable aux montants visés à l'article 37, alinéa 2, deuxième tiret, et à l'article 4, 1°, AR/CIR 92, diminués conformément à l'alinéa 2.
L'article 174/1 est applicable au montant visé à l'article 171, 2° bis diminué conformément à l'alinéa 2.".
"Art. 551. § 1er. Le pourcentage de 30 p.c. visé aux articles 37, alinéa 2, 1er tiret, 171, 2° bis, et 269, § 1er, 4°, est porté à 50 p.c. pour l'exercice d'imposition 2024 et à 40 p.c. pour l'exercice d'imposition 2025.
§ 2. L'article 17, § 1er, 5°, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 100 de la loi-programme du 26 décembre 2022, reste applicable pour l'exercice d'imposition 2024 aux contribuables qui ont été imposés sur des revenus visés par cette disposition pour l'exercice d'imposition 2023 et qui ne peuvent plus se prévaloir de l'application de l'article 17, § 1er, 5°, tel que modifié par l'article 100 de la loi-programme du 26 décembre 2022, à partir de l'exercice d'imposition 2024.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le montant de 37.500 euros visé aux articles 37, alinéa 2, 2° tiret, 171, 2° bis, et 269, § 1er, 4°, est ramené à 18.750 euros et les montants de 10.000 euros et de 20.000 euros visés à l'article 4, 1°, de l'AR/CIR 92 sont ramenés respectivement à 5.000 euros et 10.000 euros pour l'exercice d'imposition 2024.
Les montants diminués conformément à l'alinéa 2 sont adaptés à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'article 178, § 3, alinéa 1er, 2°, et § 7.
L'article 129/1 est applicable aux montants visés à l'article 37, alinéa 2, deuxième tiret, et à l'article 4, 1°, AR/CIR 92, diminués conformément à l'alinéa 2.
L'article 174/1 est applicable au montant visé à l'article 171, 2° bis diminué conformément à l'alinéa 2.".
Art. 109. Artikel 4 van het KB/WIB 92, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 juli 2008, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden overeenkomstig artikel 129/1 van het Wetboek van de inkomstenbeastingen 1992 verminderd wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar.".
"De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden overeenkomstig artikel 129/1 van het Wetboek van de inkomstenbeastingen 1992 verminderd wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar.".
Art. 109. L'article 4 de l'AR/CIR 92, modifié en dernier lieu par la loi du 16 juillet 2008, est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Les montants repris à l'alinéa 1er, 1°, sont adaptés annuellement à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'article 178, § 3, alinéa 1er et § 7, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Les montants repris à l'alinéa 1er, 1°, sont réduits conformément à l'article 129/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 lorsque la période imposable ne correspond pas à une année civile complète pour une cause autre que le décès.".
"Les montants repris à l'alinéa 1er, 1°, sont adaptés annuellement à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'article 178, § 3, alinéa 1er et § 7, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Les montants repris à l'alinéa 1er, 1°, sont réduits conformément à l'article 129/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 lorsque la période imposable ne correspond pas à une année civile complète pour une cause autre que le décès.".
Afdeling 2. - Opheffing van de belastingvermindering voor kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen aangegaan vanaf 1 januari 2024
Section 2. - Suppression de la réduction d'impôt pour les amortissements en capital d'emprunts hypothécaires conclus à partir du 1er janvier 2024
Art. 110. In artikel 1451 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden in de bepaling onder 3° de woorden "uiterlijk op 31 december 2023" ingevoegd tussen de woorden "van een hypothecaire lening die" en de woorden "is aangegaan".
Art. 110. A l'article 1451 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2019, dans le 3°, les mots "au plus tard le 31 décembre 2023" sont insérés entre les mots "emprunt hypothécaire contracté" et les mots "en vue de construire, acquérir ou transformer".
Art. 111. In artikel 1454 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 februari 2018, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° het kapitaal dat in uitvoering van het levensverzekeringscontract wordt gevestigd, niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een lening:
a) die uiterlijk op 31 december 2023 is aangegaan om de woning te verwerven of te behouden die op het moment waarop de premies of bijdragen zijn betaald de eigen woning is van de belastingplichtige;
b) die vanaf 1 januari 2024 is aangegaan om een onroerend goed te verwerven of te behouden.".
"4° het kapitaal dat in uitvoering van het levensverzekeringscontract wordt gevestigd, niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een lening:
a) die uiterlijk op 31 december 2023 is aangegaan om de woning te verwerven of te behouden die op het moment waarop de premies of bijdragen zijn betaald de eigen woning is van de belastingplichtige;
b) die vanaf 1 januari 2024 is aangegaan om een onroerend goed te verwerven of te behouden.".
Art. 111. A l'article 1454 du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2018, le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° que le capital constitué en exécution du contrat d'assurance-vie ne serve pas à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt contracté:
a) au plus tard le 31 décembre 2023 pour acquérir ou conserver l'habitation qui est l'habitation propre du contribuable au moment du paiement des primes ou des cotisations;
b) à partir du 1er janvier 2024 pour acquérir ou conserver un bien immobilier.".
"4° que le capital constitué en exécution du contrat d'assurance-vie ne serve pas à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt contracté:
a) au plus tard le 31 décembre 2023 pour acquérir ou conserver l'habitation qui est l'habitation propre du contribuable au moment du paiement des primes ou des cotisations;
b) à partir du 1er janvier 2024 pour acquérir ou conserver un bien immobilier.".
Art. 112. Artikel 1455 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij de wet van 17 mei 2000 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in artikel 1451, 3°, bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd zou kunnen worden verleend dan het geval is op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.".
"Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in artikel 1451, 3°, bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd zou kunnen worden verleend dan het geval is op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.".
Art. 112. L'article 1455 du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, remplacé par la loi du 17 mai 2000 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Tout acte posé à partir du 1er janvier 2023 et qui a pour but ou pour effet que la réduction d'impôt visée à l'article 1451, 3°, puisse être octroyée pour une durée plus longue que celle qui prévalait au 31 décembre 2022, est considéré comme inexistant en ce qui concerne la prolongation de la durée pendant laquelle la réduction d'impôt peut être octroyée.".
"Tout acte posé à partir du 1er janvier 2023 et qui a pour but ou pour effet que la réduction d'impôt visée à l'article 1451, 3°, puisse être octroyée pour une durée plus longue que celle qui prévalait au 31 décembre 2022, est considéré comme inexistant en ce qui concerne la prolongation de la durée pendant laquelle la réduction d'impôt peut être octroyée.".
Art. 113. Artikel 539 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in dit artikel bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd kan worden verleend dan het geval was op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.".
" § 4. Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in dit artikel bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd kan worden verleend dan het geval was op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.".
Art. 113. L'article 539 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 décembre 2017, est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit:
" § 4. Tout acte posé à partir du 1er janvier 2023 et qui a pour but ou pour effet que la réduction d'impôt visée au présent article puisse être octroyée pour une durée plus longue que celle qui prévalait au 31 décembre 2022, est considéré comme inexistant en ce qui concerne la prolongation de la durée pendant laquelle la réduction d'impôt peut être octroyée.".
" § 4. Tout acte posé à partir du 1er janvier 2023 et qui a pour but ou pour effet que la réduction d'impôt visée au présent article puisse être octroyée pour une durée plus longue que celle qui prévalait au 31 décembre 2022, est considéré comme inexistant en ce qui concerne la prolongation de la durée pendant laquelle la réduction d'impôt peut être octroyée.".
Afdeling 3. - Beperking van de aftrek van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, collectieve beleggingsinstellingen en verzekeringsondernemingen
Section 3. - Limitation de la déduction de la taxe annuelle sur les établissements de crédit, les organismes de placement collectif et les entreprises d'assurance
Art. 114. In artikel 198, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de bepalingen onder 6° /1, 6° /2 en 6° /3 ingevoegd, luidende:
"6° /1 80 pct. van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen vermeld in artikel 20111 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
6° /2 80 pct. van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen vermeld in artikel 20121 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
6° /3 80 pct. van de jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 20130 van het Wetboek diverse rechten en taksen;".
"6° /1 80 pct. van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen vermeld in artikel 20111 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
6° /2 80 pct. van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen vermeld in artikel 20121 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
6° /3 80 pct. van de jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 20130 van het Wetboek diverse rechten en taksen;".
Art. 114. Dans l'article 198, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, sont insérés les 6° /1, 6° /2 et 6° /3 rédigés comme suit:
"6° /1 80 p.c. de la taxe annuelle sur les établissements de crédit visée à l'article 20111 du Code des droits et taxes divers;
6° /2 80 p.c. de la taxe annuelle sur les organismes de placement collectif visée à l'article 20121 du Code des droits et taxes divers;
6° /3 80 p.c. de la taxe annuelle sur les entreprises d'assurance visée à l'article 20130 du Code des droits et taxes divers;".
"6° /1 80 p.c. de la taxe annuelle sur les établissements de crédit visée à l'article 20111 du Code des droits et taxes divers;
6° /2 80 p.c. de la taxe annuelle sur les organismes de placement collectif visée à l'article 20121 du Code des droits et taxes divers;
6° /3 80 p.c. de la taxe annuelle sur les entreprises d'assurance visée à l'article 20130 du Code des droits et taxes divers;".
Art. 115. Artikel 205, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2022, wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende:
"9° het niet als beroepskost aftrekbaar gedeelte van de taksen als bedoeld in artikel 198, § 1, 6° /1, 6° /2 en 6° /3.".
"9° het niet als beroepskost aftrekbaar gedeelte van de taksen als bedoeld in artikel 198, § 1, 6° /1, 6° /2 en 6° /3.".
Art. 115. L'article 205, § 2, alinéa 1er, du même Code, remplacé par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 mars 2022, est complété par le 9°, rédigé comme suit:
"9° de la partie non déductible à titre de frais professionnels des taxes visées à l'article 198, § 1er, 6° /1, 6° /2 et 6° /3.".
"9° de la partie non déductible à titre de frais professionnels des taxes visées à l'article 198, § 1er, 6° /1, 6° /2 et 6° /3.".
Afdeling 4. - Opheffing van de aftrek voor risicokapitaal
Section 4. - Suppression de la déduction pour capital à risque
Art. 116. In artikel 201, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden het tweede en derde lid opgeheven.
Art. 116. Dans l'article 201, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art. 117. In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling 3ter, die de artikelen 205bis tot 205octies omvat, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, opgeheven.
Art. 117. Dans le titre 3, chapitre 2, section 4, du même Code, la sous-section 3ter comportant les articles 205bis à 205octies, insérée par la loi du 22 juin 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, est abrogée.
Art. 118. In artikel 207 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid wordt het eerste streepje opgeheven;
2° het negende en tiende lid worden opgeheven.
1° in het derde lid wordt het eerste streepje opgeheven;
2° het negende en tiende lid worden opgeheven.
Art. 118. A l'article 207 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 3, le premier tiret est abrogé;
2° les alinéas 9 et 10 sont abrogés.
1° dans l'alinéa 3, le premier tiret est abrogé;
2° les alinéas 9 et 10 sont abrogés.
Art. 119. Artikel 236 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wet van 11 december 2008, wordt opgeheven.
Art. 119. L'article 236 du même Code, rétabli par la loi du 22 juin 2005 et modifié par la loi du 11 décembre 2008, est abrogé.
Art. 120. Artikel 239/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 10 augustus 2015 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, wordt opgeheven.
Art. 120. L'article 239/1 du même Code, inséré par la loi-programme du 10 août 2015 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, est abrogé.
Art. 121. In hoofdstuk 1 van het KB/WIB 92 wordt de afdeling 27quater2 die de artikelen 734quinquies tot 734septies omvat, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 augustus 2019, opgeheven.
Art. 121. Dans le chapitre 1er de l'AR/CIR 92, la section 27quater2, comportant les articles 734quinquies à 734septies, insérée par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 29 août 2019, est abrogée.
Afdeling 5. - Tijdelijke aanpassing korf met het oog op minimumbelasting
Section 5. - Adaptation temporaire corbeille en vue d'une imposition minimale
Art. 122. In artikel 207, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "vermeerderd met 70 pct." worden vervangen door de woorden "vermeerderd met 40 pct.";
2° de woorden "vermeerderd met 40 pct." worden vervangen door de woorden "vermeerderd met 70 pct.".
1° de woorden "vermeerderd met 70 pct." worden vervangen door de woorden "vermeerderd met 40 pct.";
2° de woorden "vermeerderd met 40 pct." worden vervangen door de woorden "vermeerderd met 70 pct.".
Art. 122. Dans l'article 207, alinéa 5, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "majorés de 70 p.c." sont remplacés par les mots "majorés de 40 p.c.";
2° les mots "majorés de 40 p.c." sont remplacés par les mots "majorés de 70 p.c.".
1° les mots "majorés de 70 p.c." sont remplacés par les mots "majorés de 40 p.c.";
2° les mots "majorés de 40 p.c." sont remplacés par les mots "majorés de 70 p.c.".
Afdeling 6. - Wijziging van de berekening van het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting op royalty's
Section 6. - Modification du calcul de la quotité forfaitaire d'impôt étranger aux redevances
Art. 123. In artikel 286 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "innovatie-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie-inkomsten wordt verleend en tot octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 3 augustus 2016, een aftrek voor octrooi-inkomsten wordt verleend" vervangen door de woorden "inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van alle roerende goederen";
2° in het derde lid worden de woorden "als bedoeld in het vorige lid" vervangen door de woorden "dat betrekking heeft op innovatie-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie-inkomsten wordt verleend";
3° in het derde lid worden het woord "respectievelijk" en de woorden "en diezelfde octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 3 augustus 2016, een aftrek voor octrooi-inkomsten wordt verleend" opgeheven.
1° in het tweede lid worden de woorden "innovatie-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie-inkomsten wordt verleend en tot octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 3 augustus 2016, een aftrek voor octrooi-inkomsten wordt verleend" vervangen door de woorden "inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van alle roerende goederen";
2° in het derde lid worden de woorden "als bedoeld in het vorige lid" vervangen door de woorden "dat betrekking heeft op innovatie-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie-inkomsten wordt verleend";
3° in het derde lid worden het woord "respectievelijk" en de woorden "en diezelfde octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 3 augustus 2016, een aftrek voor octrooi-inkomsten wordt verleend" opgeheven.
Art. 123. Dans l'article 286 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 2, les mots "les revenus d'innovation pour lesquels une déduction pour revenus d'innovation est accordée conformément aux articles 205/1 à 205/4 ou à l'article 236bis et les revenus de brevets pour lesquels une déduction pour revenus de brevets est accordée conformément aux articles 2051 à 2054 ou à l'article 236bis, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 4 à 8 de la loi du 3 août 2016" sont remplacés par les mots "les revenus de la location, de l'affermage, de l'usage ou de la concession de tous biens mobiliers";
2° dans l'alinéa 3, les mots "au sens de l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "pour ce qui concerne les revenus d'innovation pour lesquels une déduction pour revenus d'innovation est accordée conformément aux articles 205/1 à 205/4 ou à l'article 236bis";
3° dans l'alinéa 3, le mot "respectivement" et les mots "et ces mêmes revenus de brevets qui ont bénéficié d'une déduction pour revenus de brevets conformément aux articles 2051 à 2054 ou 236bis, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 4 à 8 de la loi du 3 août 2016" sont abrogés.
1° dans l'alinéa 2, les mots "les revenus d'innovation pour lesquels une déduction pour revenus d'innovation est accordée conformément aux articles 205/1 à 205/4 ou à l'article 236bis et les revenus de brevets pour lesquels une déduction pour revenus de brevets est accordée conformément aux articles 2051 à 2054 ou à l'article 236bis, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 4 à 8 de la loi du 3 août 2016" sont remplacés par les mots "les revenus de la location, de l'affermage, de l'usage ou de la concession de tous biens mobiliers";
2° dans l'alinéa 3, les mots "au sens de l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "pour ce qui concerne les revenus d'innovation pour lesquels une déduction pour revenus d'innovation est accordée conformément aux articles 205/1 à 205/4 ou à l'article 236bis";
3° dans l'alinéa 3, le mot "respectivement" et les mots "et ces mêmes revenus de brevets qui ont bénéficié d'une déduction pour revenus de brevets conformément aux articles 2051 à 2054 ou 236bis, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 4 à 8 de la loi du 3 août 2016" sont abrogés.
Afdeling 7. - Inwerkingtreding
Section 7. - Entrée en vigueur
Art. 124. De artikelen 100 tot 109 treden in werking op 1 januari 2023 en zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2023 betaalde of toegekende inkomsten.
De artikelen 112 en 113 treden in werking op 1 januari 2023.
Artikel 114 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2023 verschuldigde taksen.
De artikelen 116 tot 121 en 123 zijn van toepassing op de belastbare tijdperken die worden afgesloten vanaf 31 december 2023.
Artikel 122, 1°, treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2023.
Artikel 122, 2°, treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2025 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2024 op voorwaarde dat een wet ter omzetting van de ontwerprichtlijn (COM/2021/823) van de Raad tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing van multinationale groepen in de Unie in werking is getreden. De minister van Financiën maakt de vervulling van deze voorwaarde bekend door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Elke wijziging die vanaf 11 oktober 2022 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 116 tot 122.
De artikelen 112 en 113 treden in werking op 1 januari 2023.
Artikel 114 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2023 verschuldigde taksen.
De artikelen 116 tot 121 en 123 zijn van toepassing op de belastbare tijdperken die worden afgesloten vanaf 31 december 2023.
Artikel 122, 1°, treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2023.
Artikel 122, 2°, treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2025 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2024 op voorwaarde dat een wet ter omzetting van de ontwerprichtlijn (COM/2021/823) van de Raad tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing van multinationale groepen in de Unie in werking is getreden. De minister van Financiën maakt de vervulling van deze voorwaarde bekend door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Elke wijziging die vanaf 11 oktober 2022 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 116 tot 122.
Art. 124. Les articles 100 à 109 entrent en vigueur le 1er janvier 2023 et sont applicables aux revenus payés ou attribués à partir du 1er janvier 2023.
Les articles 112 et 113 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
L'article 114 est applicable aux taxes dues à partir du 1er janvier 2023.
Les articles 116 à 121 et 123 sont applicables aux périodes imposables clôturées à partir du 31 décembre 2023.
L'article 122, 1°, entre en vigueur le 1er janvier 2023 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2023.
L'article 122, 2°, entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2025 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2024 à condition qu'une loi transposant la proposition de directive du Conseil (COM/2021/823) relative à la mise en place d'un niveau minimum d'imposition mondial pour les groupes multinationaux dans l'Union soit entrée en vigueur. La réalisation de cette condition fait l'objet d'un avis publié au Moniteur belge par le ministre des Finances.
Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice comptable à partir du 11 octobre 2022 et qui n'est pas justifiée par le contribuable par d'autres motifs que la volonté d'éviter les impôts sur les revenus, reste sans effet pour l'application des articles 116 à 122.
Les articles 112 et 113 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
L'article 114 est applicable aux taxes dues à partir du 1er janvier 2023.
Les articles 116 à 121 et 123 sont applicables aux périodes imposables clôturées à partir du 31 décembre 2023.
L'article 122, 1°, entre en vigueur le 1er janvier 2023 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2023.
L'article 122, 2°, entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2025 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2024 à condition qu'une loi transposant la proposition de directive du Conseil (COM/2021/823) relative à la mise en place d'un niveau minimum d'imposition mondial pour les groupes multinationaux dans l'Union soit entrée en vigueur. La réalisation de cette condition fait l'objet d'un avis publié au Moniteur belge par le ministre des Finances.
Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice comptable à partir du 11 octobre 2022 et qui n'est pas justifiée par le contribuable par d'autres motifs que la volonté d'éviter les impôts sur les revenus, reste sans effet pour l'application des articles 116 à 122.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen betreffende accijnzen
CHAPITRE 2. - Modifications relatives aux accises
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en opheffing van het koninklijk besluit van 11 oktober 2022 tot voorlopige wijziging van artikel 419, i), iii), 1), a) en b) en k), 1), a) en b), van de programmawet van 27 december 2004
Section 1re. - Modification de la loi-programme du 27 décembre 2004 et abrogation de l'arrêté royal du 11 octobre 2022 modifiant provisoirement l'article 419, i), iii), 1), a) et b) et k), 1), a) et b), de la loi-programme du 27 décembre 2004
Art. 125. In artikel 419, punt i), iii), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2021 en het koninklijk besluit van 11 oktober 2022, wordt punt i) vervangen als volgt:
"1. zakelijk gebruik:
a. bedrijven met een "energiebeleidsovereenkomst" afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Vlaams Gewest, een "accord de branche" afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
i. voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii. voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii. voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv. voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi. voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
b. andere bedrijven:
i. voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii. voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii. voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv. voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi. voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022.
Op 1 januari 2023 worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.".
"1. zakelijk gebruik:
a. bedrijven met een "energiebeleidsovereenkomst" afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Vlaams Gewest, een "accord de branche" afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
i. voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii. voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii. voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv. voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi. voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
b. andere bedrijven:
i. voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii. voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii. voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv. voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi. voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022.
Op 1 januari 2023 worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.".
Art. 125. Dans l'article 419, point i, iii), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2021 et l'arrêté royal du 11 octobre 2022, le point i) est remplacé comme suit:
"1. consommation professionnelle:
a. entreprises titulaires d'un "energiebeleidsovereenkomst" délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région flamande, d'un "accord de branche" délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région wallonne ou d'un accord similaire délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région de Bruxelles-Capitale:
i. pour la tranche de 0 à 20.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
ii. pour la tranche de 20.000 à 50.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iii. pour la tranche de 50.000 à 250.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iv. pour la tranche de 250.000 à 1.000.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,42 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
v. pour la tranche de 1.000.000 à 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,22 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
vi. pour la tranche à partir de 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,15 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
b. autres entreprises:
i. pour la tranche de 0 à 20.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
ii. pour la tranche de 20.000 à 50.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iii. pour la tranche de 50.000 à 250.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iv. pour la tranche de 250.000 à 1.000.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,42 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
v. pour la tranche de 1.000.000 à 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,22 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
vi. pour la tranche à partir de 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,15 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur).
Les taux repris sous les points a) et b) sont d'application dans la période du 1er novembre 2022 jusqu'au 31 décembre 2022 inclus.
Le 1er janvier 2023 les taux repris sous les points a) et b) sont de nouveau portés au niveau comme applicable le 31 octobre 2022.".
"1. consommation professionnelle:
a. entreprises titulaires d'un "energiebeleidsovereenkomst" délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région flamande, d'un "accord de branche" délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région wallonne ou d'un accord similaire délivré par et appliqué conformément à la réglementation de la Région de Bruxelles-Capitale:
i. pour la tranche de 0 à 20.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
ii. pour la tranche de 20.000 à 50.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iii. pour la tranche de 50.000 à 250.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iv. pour la tranche de 250.000 à 1.000.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,42 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
v. pour la tranche de 1.000.000 à 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,22 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
vi. pour la tranche à partir de 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,15 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
b. autres entreprises:
i. pour la tranche de 0 à 20.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
ii. pour la tranche de 20.000 à 50.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iii. pour la tranche de 50.000 à 250.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
iv. pour la tranche de 250.000 à 1.000.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,42 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
v. pour la tranche de 1.000.000 à 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,22 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
vi. pour la tranche à partir de 2.500.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- droit d'accise spécial: 0,15 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur);
- cotisation sur l'énergie: 0,54 euro par MWh (pouvoir calorifique supérieur).
Les taux repris sous les points a) et b) sont d'application dans la période du 1er novembre 2022 jusqu'au 31 décembre 2022 inclus.
Le 1er janvier 2023 les taux repris sous les points a) et b) sont de nouveau portés au niveau comme applicable le 31 octobre 2022.".
Art. 126. In artikel 419, punt k), van dezelfde programmawet, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2021 en het koninklijk besluit van 11 oktober 2022, wordt punt 1) vervangen als volgt:
"1. Zakelijk gebruik:
a. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 kV, met inbegrip van een eindgebruiker die geïdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer:
i. voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
ii. voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iii. voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iv. voor de schijf van 1.000 tot 25.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
vi. voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
b. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV:
i. voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
ii. voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iii. voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iv. voor de schijf van 1.000 MWh tot 25.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
vi. voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022.
Op 1 januari 2023 worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.".
"1. Zakelijk gebruik:
a. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 kV, met inbegrip van een eindgebruiker die geïdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer:
i. voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
ii. voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iii. voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iv. voor de schijf van 1.000 tot 25.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
vi. voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
b. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV:
i. voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
ii. voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iii. voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iv. voor de schijf van 1.000 MWh tot 25.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
vi. voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022.
Op 1 januari 2023 worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.".
Art. 126. Dans l'article 419, point k), de la même loi-programme, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2021 et l'arrêté royal du 11 octobre 2022, le point 1) est remplacé comme suit:
"1. Consommation professionnelle:
a. fournie à un utilisateur final raccordé au réseau de transport ou de distribution dont la tension nominale est supérieure à 1 kV, y compris à un utilisateur final identifié comme un client assimilé à un client haute tension:
i. pour la tranche de 0 à 20 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
ii. pour la tranche de 20 à 50 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
iii. pour la tranche de 50 à 1.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
iv. pour la tranche de 1.000 à 25.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 10,69 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
v. pour la tranche de 25.000 à 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 2,73 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
vi. pour la tranche à partir de 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
b. fournie à un utilisateur final raccordé au réseau de transport ou de distribution dont la tension nominale est égale ou inférieure à 1 kV:
i. pour la tranche de 0 à 20 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
ii. pour la tranche de 20 à 50 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
iii. pour la tranche de 50 à 1.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
iv. pour la tranche de 1.000 à 25.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 10,69 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
v. pour la tranche de 25.000 à 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 2,73 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
vi. pour la tranche à partir de 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
Les taux repris sous les points a) et b) sont d'application dans la période du 1er novembre 2022 jusqu'au 31 décembre 2022.
Le 1er janvier 2023 les taux repris sous les points a) et b) sont de nouveau portés au niveau comme applicable le 31 octobre 2022.".
"1. Consommation professionnelle:
a. fournie à un utilisateur final raccordé au réseau de transport ou de distribution dont la tension nominale est supérieure à 1 kV, y compris à un utilisateur final identifié comme un client assimilé à un client haute tension:
i. pour la tranche de 0 à 20 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
ii. pour la tranche de 20 à 50 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
iii. pour la tranche de 50 à 1.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
iv. pour la tranche de 1.000 à 25.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 10,69 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
v. pour la tranche de 25.000 à 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 2,73 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
vi. pour la tranche à partir de 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 0 euro par MWh;
b. fournie à un utilisateur final raccordé au réseau de transport ou de distribution dont la tension nominale est égale ou inférieure à 1 kV:
i. pour la tranche de 0 à 20 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
ii. pour la tranche de 20 à 50 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
iii. pour la tranche de 50 à 1.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
iv. pour la tranche de 1.000 à 25.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 10,69 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
v. pour la tranche de 25.000 à 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 2,73 euros par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
vi. pour la tranche à partir de 100.000 MWh:
- droit d'accise: 0 euro par MWh;
- droit d'accise spécial: 0,50 euro par MWh;
- cotisation sur l'énergie: 1,9261 euros par MWh;
Les taux repris sous les points a) et b) sont d'application dans la période du 1er novembre 2022 jusqu'au 31 décembre 2022.
Le 1er janvier 2023 les taux repris sous les points a) et b) sont de nouveau portés au niveau comme applicable le 31 octobre 2022.".
Art. 127. Het koninklijk besluit van 11 oktober 2022 tot voorlopige wijziging van artikel 419, i), iii), 1), a) en b) en k), 1), a) en b), van de programmawet van 27 december 2004 wordt opgeheven.
Art. 127. L'arrêté royal du 11 octobre 2022 modifiant provisoirement l'article 419, i), iii), 1), a) et b) et k), 1), a) et b), de la loi-programme du 27 décembre 2004 est abrogé.
Art. 128. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 19 oktober 2022.
Art. 128. La présente section produit ses effets le 19 octobre 2022.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de programmawet van 27 december 2004
Section 2. - Modifications de la loi-programme du 27 décembre 2004
Art. 129. In artikel 419, i), iii), 1), van de programmawet van 27 december 2004, vervangen bij artikel 125, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de voorlaatste zin worden de woorden "31 december 2022" vervangen door de woorden "31 maart 2023";
2° in de laatste zin worden de woorden "1 januari 2023" vervangen door de woorden "1 april 2023".
1° in de voorlaatste zin worden de woorden "31 december 2022" vervangen door de woorden "31 maart 2023";
2° in de laatste zin worden de woorden "1 januari 2023" vervangen door de woorden "1 april 2023".
Art. 129. A l'article 419, i), iii), 1), de la loi-programme du 27 décembre 2004, remplacé par l'article 125, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'avant-dernière phrase, les mots "le 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "le 31 mars 2023";
2° à la dernière phrase, les mots "1er janvier 2023" sont remplacés par les mots "1er avril 2023".
1° à l'avant-dernière phrase, les mots "le 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "le 31 mars 2023";
2° à la dernière phrase, les mots "1er janvier 2023" sont remplacés par les mots "1er avril 2023".
Art. 130. In artikel 419, k), 1), van dezelfde programmawet, vervangen bij artikel 126, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de voorlaatste zin worden de woorden "31 december 2022" vervangen door de woorden "31 maart 2023";
2° in de laatste zin worden de woorden "1 januari 2023" vervangen door de woorden "1 april 2023".
1° in de voorlaatste zin worden de woorden "31 december 2022" vervangen door de woorden "31 maart 2023";
2° in de laatste zin worden de woorden "1 januari 2023" vervangen door de woorden "1 april 2023".
Art. 130. L'article 419, k), 1), de la même loi-programme, remplacé par l'article 126, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'avant-dernière phrase, les mots "le 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "le 31 mars 2023";
2° à la dernière phrase, les mots "1er janvier 2023" sont remplacés par les mots "1er avril 2023".
1° à l'avant-dernière phrase, les mots "le 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "le 31 mars 2023";
2° à la dernière phrase, les mots "1er janvier 2023" sont remplacés par les mots "1er avril 2023".
Art. 131. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 131. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak
Section 3. - Modification de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés
Art. 132. In artikel 3 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, vervangen bij de wet van 4 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° Sigaretten:
a) accijns: 37,04 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1.000 stuks;
- bijzondere accijns: 107,3158 euro per 1.000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 93,4261 euro per kilogram.".
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° Sigaretten:
a) accijns: 37,04 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1.000 stuks;
- bijzondere accijns: 107,3158 euro per 1.000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 93,4261 euro per kilogram.".
Art. 132. A l'article 3 de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés, remplacé par la loi du 4 mai 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2 Cigarettes:
a) droit d'accise: 37,04 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er, 2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1.000 pièces;
- droit d'accise spécial: 107,3158 euros par 1.000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 93,4261 euros par kilogramme.".
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2 Cigarettes:
a) droit d'accise: 37,04 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er, 2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1.000 pièces;
- droit d'accise spécial: 107,3158 euros par 1.000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 93,4261 euros par kilogramme.".
Art. 133. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 133. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2023.
TITEL 7. - Pensioenen
TITRE 7. - Pensions
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de programmawet van 28 juni 2013
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi-programme du 28 juin 2013
Art. 134. In artikel 86, eerste lid, van de programmawet van 28 juni 2013 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vijfde streepje worden de woorden "met 4.406,40 EUR verhoogd;" vervangen door de woorden "met 8.812,80 EUR verhoogd voor één kind en bijkomend met 4.406,40 EUR per bijkomend kind;";
2° in het zesde streepje worden de woorden "met 3.525,12 EUR verhoogd." vervangen door de woorden "met 7.050,24 EUR verhoogd voor één kind en bijkomend met 3.525,12 EUR per bijkomend kind.".
1° in het vijfde streepje worden de woorden "met 4.406,40 EUR verhoogd;" vervangen door de woorden "met 8.812,80 EUR verhoogd voor één kind en bijkomend met 4.406,40 EUR per bijkomend kind;";
2° in het zesde streepje worden de woorden "met 3.525,12 EUR verhoogd." vervangen door de woorden "met 7.050,24 EUR verhoogd voor één kind en bijkomend met 3.525,12 EUR per bijkomend kind.".
Art. 134. Dans l'article 86, alinéa 1er, de la loi-programme du 28 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le cinquième tiret, les mots "est augmenté de 4.406,40 EUR" sont remplacés par les mots "est augmenté de 8.812,80 EUR pour un enfant et de 4.406,40 EUR en plus par enfant supplémentaire;";
2° dans le sixième tiret, les mots "est augmenté de 3.525,12 EUR" sont remplacés par les mots "est augmenté de 7.050,24 EUR pour un enfant et de 3.525,12 EUR en plus par enfant supplémentaire.".
1° dans le cinquième tiret, les mots "est augmenté de 4.406,40 EUR" sont remplacés par les mots "est augmenté de 8.812,80 EUR pour un enfant et de 4.406,40 EUR en plus par enfant supplémentaire;";
2° dans le sixième tiret, les mots "est augmenté de 3.525,12 EUR" sont remplacés par les mots "est augmenté de 7.050,24 EUR pour un enfant et de 3.525,12 EUR en plus par enfant supplémentaire.".
Art. 135. Deze titel treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 135. Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
TITEL 8. - Sociale zaken
TITRE 8. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Competitiviteit
CHAPITRE 1er. - Compétitivité
Art. 136. Dit hoofdstuk is van toepassing op volgende werkgevers:
1° de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer en voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
2° de autonome overheidsbedrijven zoals bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, evenals HR Rail;
3° de openbare instellingen en diensten met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ondernemingen:
1° die een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of
2° die betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de hiervoor bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100.000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.
1° de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer en voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
2° de autonome overheidsbedrijven zoals bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, evenals HR Rail;
3° de openbare instellingen en diensten met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ondernemingen:
1° die een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of
2° die betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de hiervoor bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100.000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.
Art. 136. Ce chapitre s'applique aux employeurs suivants:
1° les employeurs et les personnes assimilées aux employeurs, visées à l'article 1er, § 1er, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs à condition et pour autant qu'ils ressortissent du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
2° les entreprises publiques autonomes visées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, ainsi que HR Rail;
3° les établissements ou services publics dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.
Ce chapitre n'est pas applicable aux entreprises:
1° qui détiennent une participation directe dans une société établie dans un Etat qui est repris dans une des listes visées à l'article 307, § 1er/2, du Code des impôts des revenus de 1992 ou un Etat qui est repris dans la liste visée à l'article 179, AR/CIR 92; soit
2° qui ont fait des paiements à des sociétés qui sont établies dans un des Etats visés ci-dessus, pour autant que ces paiements totalisent au cours de la période imposable un montant d'au moins 100.000 euros, et qu'il n'ait pas été démontré que ces paiements ont été effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères résultant de besoins légitimes de caractère financier ou économique.
1° les employeurs et les personnes assimilées aux employeurs, visées à l'article 1er, § 1er, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs à condition et pour autant qu'ils ressortissent du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
2° les entreprises publiques autonomes visées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, ainsi que HR Rail;
3° les établissements ou services publics dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.
Ce chapitre n'est pas applicable aux entreprises:
1° qui détiennent une participation directe dans une société établie dans un Etat qui est repris dans une des listes visées à l'article 307, § 1er/2, du Code des impôts des revenus de 1992 ou un Etat qui est repris dans la liste visée à l'article 179, AR/CIR 92; soit
2° qui ont fait des paiements à des sociétés qui sont établies dans un des Etats visés ci-dessus, pour autant que ces paiements totalisent au cours de la période imposable un montant d'au moins 100.000 euros, et qu'il n'ait pas été démontré que ces paiements ont été effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères résultant de besoins légitimes de caractère financier ou économique.
Art. 137. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "netto globale werkgeversbijdrage", de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3°, en artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3°, en § 3bis, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, verminderd met de door de werkgever toegepaste patronale bijdrageverminderingen op basis van artikel 185 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen en van hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Art. 137. Pour l'application de ce chapitre, l'on entend par "cotisation globale patronale de base nette" la cotisation patronale visée à l'article 38, § 3, 1°, 2° ou 3°, et l'article 38, § 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, où il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis, alinéa 1er, de la même loi, qui n'a pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées à l'article 38 précité, § 3, 1°, 2° ou 3°, et § 3bis, alinéas 1er et 2, de cette même loi, diminuée des réductions de cotisations patronales appliquées par l'employeur sur la base de l'article 185 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales et du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
Art. 138. De werkgevers bedoeld in artikel 136, hebben recht op een vermindering van 7,07 % van het voor het eerste en tweede kwartaal 2023 verschuldigde bedrag van de netto globale werkgeversbijdrage.
Art. 138. Les employeurs visés à l'article 136, ont droit à une réduction qui correspond à 7,07 % du montant dû de la cotisation patronale de base nette globale pour le premier et deuxième trimestre 2023.
Art. 139. De werkgevers bedoeld in artikel 136, hebben tevens recht op een uitstel van betaling van een deel van de werkgeversbijdragen verschuldigd voor het derde en vierde kwartaal 2023.
Dit uitstel van betaling geldt voor het deel dat overeenkomt met 7,07 % van het voor het derde en vierde kwartaal 2023 verschuldigde bedrag van de netto globale werkgeversbijdrage.
Dit uitstel van betaling geldt voor het deel dat overeenkomt met 7,07 % van het voor het derde en vierde kwartaal 2023 verschuldigde bedrag van de netto globale werkgeversbijdrage.
Art. 139. Les employeurs visés à l'article 136, ont également droit à un report de paiement d'une partie des cotisations patronales dues pour le troisième et le quatrième trimestre de 2023.
Ce report du paiement s'applique à la partie correspondant à 7,07 % du montant dû de la cotisation globale patronale de base nette pour le troisième et le quatrième trimestre 2023.
Ce report du paiement s'applique à la partie correspondant à 7,07 % du montant dû de la cotisation globale patronale de base nette pour le troisième et le quatrième trimestre 2023.
Art. 140. De vermindering bedoeld in artikel 138 wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan alle werkgevers bedoeld in artikel 136, toegekend.
Als de werkgever niet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 136, tweede lid, voldoet, is hij verplicht om dit bij zijn aangifte in de kwartaalaangifte aan te geven, in welk geval de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de vermindering niet zal toekennen.
Om het uitstel van betaling bedoeld in artikel 139 te genieten, moet de werkgever hiertoe per kwartaal een aanvraag indienen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Als de werkgever niet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 136, tweede lid, voldoet, is hij verplicht om dit bij zijn aangifte in de kwartaalaangifte aan te geven, in welk geval de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de vermindering niet zal toekennen.
Om het uitstel van betaling bedoeld in artikel 139 te genieten, moet de werkgever hiertoe per kwartaal een aanvraag indienen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 140. La réduction visée à l'article 138 est octroyée par l'Office national de sécurité sociale à tous les employeurs visés à l'article 136.
Si l'employeur ne satisfait pas à la condition visée à l'article 136, alinéa 2, il a l'obligation de le déclarer au moment de sa déclaration trimestrielle auquel cas, l'Office national de sécurité sociale n'octroiera pas la réduction.
Pour bénéficier du report de paiement visé à l'article 139, l'employeur est tenu d'introduire par trimestre une demande auprès de l'Office national de sécurité sociale.
Si l'employeur ne satisfait pas à la condition visée à l'article 136, alinéa 2, il a l'obligation de le déclarer au moment de sa déclaration trimestrielle auquel cas, l'Office national de sécurité sociale n'octroiera pas la réduction.
Pour bénéficier du report de paiement visé à l'article 139, l'employeur est tenu d'introduire par trimestre une demande auprès de l'Office national de sécurité sociale.
Art. 141. De socialezekerheidsbijdragen waarvoor uitstel werd verleend overeenkomstig artikel 139, zullen door voornoemde Rijksdienst in vier schijven worden geïnd, in gelijke delen verdeeld over de vier kwartalen van 2025, samen met de bijdragen verschuldigd voor deze kwartalen.
Art. 141. Les cotisations de sécurité sociale qui ont fait l'objet d'un report de paiement, conformément à l'article 139, seront perçues par l'Office précité en quatre tranches, réparties en parts égales sur les quatre trimestres de 2025, simultanément avec les cotisations dues pour ces trimestres.
Art. 142. In artikel 5, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2017, wordt tussen het derde en het vierde lid, het volgende lid ingevoegd:
"Het vorig lid is niet van toepassing op de in artikel 138 van de programmawet van 26 december 2022 bepaalde vermindering van de netto globale werkgeversbijdrage voor het eerste en het tweede kwartaal van het jaar 2023.".
"Het vorig lid is niet van toepassing op de in artikel 138 van de programmawet van 26 december 2022 bepaalde vermindering van de netto globale werkgeversbijdrage voor het eerste en het tweede kwartaal van het jaar 2023.".
Art. 142. Dans l'article 5, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, inséré par la loi du 19 mars 2017, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"L'alinéa précédent n'est pas d'application à la réduction de la cotisation patronale de base nette globale pour le premier et le deuxième trimestre de l'année 2023, visée à l'article 138 de la loi-programme du 26 décembre 2022.".
"L'alinéa précédent n'est pas d'application à la réduction de la cotisation patronale de base nette globale pour le premier et le deuxième trimestre de l'année 2023, visée à l'article 138 de la loi-programme du 26 décembre 2022.".
Art. 143. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 143. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 2. - Opeenvolgende dagcontracten in de interimsector
CHAPITRE 2. - Contrats journaliers consécutifs dans le secteur intérim
Art. 144. In artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatst gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, wordt een paragraaf 3vicies semel ingevoegd, luidende:
" § 3vicies semel. A. Vanaf 1 januari 2023 wordt een responsabiliseringsbijdrage ingesteld wanneer uitzendkrachten te vaak worden aangeworven via opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur.
Deze responsabiliseringsbijdrage is niet van toepassing op uitzendkrachten die een rustpensioen of overlevingspensioen genieten, op een flexi-job en op gelegenheidswerknemers bij een gebruiker die behoort tot het paritaire comité voor de landbouw (PC 144), voor het tuinbouwbedrijf (PC 145) en voor het hotelbedrijf (PC 302).
B. Voor de toepassing van de huidige bepaling wordt verstaan onder:
1° de wet van 24 juli 1987: de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur: de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker die elk een looptijd van 24 uur niet overschrijden en die elkaar onmiddellijk opvolgen;
3° gebruiker: de persoon bij wie een uitzendkracht in de zin van artikel 7, eerste lid, 3°, van de wet van 24 juli 1987 ter beschikking wordt gesteld in het kader van een contract voor uitzendarbeid zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2°, van de wet van 24 juli 1987;
4° uitzendbureau: het uitzendbureau bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van de wet van 24 juli 1987.
C. De responsabiliseringsbijdrage wordt per periode van zes maanden berekend op basis van de frequentie van de opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur tussen dezelfde uitzendkracht en hetzelfde uitzendbureau voor tewerkstelling bij dezelfde gebruiker. Het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage wordt als volgt vastgesteld:
- 10 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 40 maar kleiner dan of gelijk aan 59 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 15 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 60 maar kleiner dan of gelijk aan 79 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 30 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 80 maar kleiner dan of gelijk aan 99 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 40 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 100 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid.
D. De berekeningsperioden lopen van 1 januari tot en met 30 juni van het kalenderjaar, en van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar.
E. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage vast en int deze bij de gebruikers.
De bepalingen van het algemeen socialezekerheidsstelsel voor werknemers, zoals deze betreffende de betalingstermijnen, de toepassing van burgerlijke en strafrechtelijke sancties, de controle, de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaringstermijn inzake rechtsvorderingen, de voorrechten en de mededeling van het bedrag van de schuld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zijn van toepassing.
De Koning kan andere voorwaarden en betaaltermijnen voor de betaling van de responsabiliseringsbijdrage door de gebruiker bepalen, met inbegrip van de vervaldag van de burgerlijke sancties.
F. De opbrengst van de bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers.
G. De gebruiker kan een verzoek indienen tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de responsabiliseringsbijdrage en de bijbehorende burgerlijke sancties wanneer hij aantoont dat de opeenvolgende tijdelijke contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur, geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van uitzonderlijke omstandigheden die voldoende worden gemotiveerd.
Voorafgaand aan het verzoek tot terugbetaling dient hij, na informatie en raadpleging van de ondernemingsraad, en bij ontstentenis van een ondernemingsraad, na informatie en raadpleging van de vakbondsafvaardiging, in de ondernemingen waarbinnen deze organen bestaan, ter advies een dossier in bij de Commissie van Goede diensten, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 juli 1993 in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid.
Deze aanvraag moet eensdeels gepaard gaan met een bewijs dat de informatie en raadpleging heeft plaatsgevonden, en anderdeels, met een uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden en de redenen waarom de responsabiliseringsbijdrage niet verschuldigd is. Zonder die elementen zal de aanvraag als onvolledig worden beschouwd.
De gebruiker zal de gelegenheid krijgen om door de Commissie van Goede Diensten te worden gehoord.
De Commissie van Goede diensten maakt zijn gemotiveerd advies over aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit advies is bindend.
Het vermelde verzoek tot terugbetaling wordt gericht aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en wordt vergezeld van het advies van de Commissie van Goede diensten, samen met het dossier van de adviesaanvraag.
Bij gebrek aan de voorafgaande volledige betaling van de responsabiliseringsbijdrage en haar aanhorigheden, is de aanvraag niet ontvankelijk.".
" § 3vicies semel. A. Vanaf 1 januari 2023 wordt een responsabiliseringsbijdrage ingesteld wanneer uitzendkrachten te vaak worden aangeworven via opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur.
Deze responsabiliseringsbijdrage is niet van toepassing op uitzendkrachten die een rustpensioen of overlevingspensioen genieten, op een flexi-job en op gelegenheidswerknemers bij een gebruiker die behoort tot het paritaire comité voor de landbouw (PC 144), voor het tuinbouwbedrijf (PC 145) en voor het hotelbedrijf (PC 302).
B. Voor de toepassing van de huidige bepaling wordt verstaan onder:
1° de wet van 24 juli 1987: de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur: de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker die elk een looptijd van 24 uur niet overschrijden en die elkaar onmiddellijk opvolgen;
3° gebruiker: de persoon bij wie een uitzendkracht in de zin van artikel 7, eerste lid, 3°, van de wet van 24 juli 1987 ter beschikking wordt gesteld in het kader van een contract voor uitzendarbeid zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2°, van de wet van 24 juli 1987;
4° uitzendbureau: het uitzendbureau bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van de wet van 24 juli 1987.
C. De responsabiliseringsbijdrage wordt per periode van zes maanden berekend op basis van de frequentie van de opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur tussen dezelfde uitzendkracht en hetzelfde uitzendbureau voor tewerkstelling bij dezelfde gebruiker. Het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage wordt als volgt vastgesteld:
- 10 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 40 maar kleiner dan of gelijk aan 59 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 15 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 60 maar kleiner dan of gelijk aan 79 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 30 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 80 maar kleiner dan of gelijk aan 99 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 40 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 100 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid.
D. De berekeningsperioden lopen van 1 januari tot en met 30 juni van het kalenderjaar, en van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar.
E. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage vast en int deze bij de gebruikers.
De bepalingen van het algemeen socialezekerheidsstelsel voor werknemers, zoals deze betreffende de betalingstermijnen, de toepassing van burgerlijke en strafrechtelijke sancties, de controle, de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaringstermijn inzake rechtsvorderingen, de voorrechten en de mededeling van het bedrag van de schuld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zijn van toepassing.
De Koning kan andere voorwaarden en betaaltermijnen voor de betaling van de responsabiliseringsbijdrage door de gebruiker bepalen, met inbegrip van de vervaldag van de burgerlijke sancties.
F. De opbrengst van de bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers.
G. De gebruiker kan een verzoek indienen tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de responsabiliseringsbijdrage en de bijbehorende burgerlijke sancties wanneer hij aantoont dat de opeenvolgende tijdelijke contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur, geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van uitzonderlijke omstandigheden die voldoende worden gemotiveerd.
Voorafgaand aan het verzoek tot terugbetaling dient hij, na informatie en raadpleging van de ondernemingsraad, en bij ontstentenis van een ondernemingsraad, na informatie en raadpleging van de vakbondsafvaardiging, in de ondernemingen waarbinnen deze organen bestaan, ter advies een dossier in bij de Commissie van Goede diensten, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 juli 1993 in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid.
Deze aanvraag moet eensdeels gepaard gaan met een bewijs dat de informatie en raadpleging heeft plaatsgevonden, en anderdeels, met een uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden en de redenen waarom de responsabiliseringsbijdrage niet verschuldigd is. Zonder die elementen zal de aanvraag als onvolledig worden beschouwd.
De gebruiker zal de gelegenheid krijgen om door de Commissie van Goede Diensten te worden gehoord.
De Commissie van Goede diensten maakt zijn gemotiveerd advies over aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit advies is bindend.
Het vermelde verzoek tot terugbetaling wordt gericht aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en wordt vergezeld van het advies van de Commissie van Goede diensten, samen met het dossier van de adviesaanvraag.
Bij gebrek aan de voorafgaande volledige betaling van de responsabiliseringsbijdrage en haar aanhorigheden, is de aanvraag niet ontvankelijk.".
Art. 144. Dans l'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2021, il est inséré un paragraphe 3vicies semel rédigé comme suit:
" § 3vicies semel. A. Une cotisation de responsabilisation est due à partir du 1er janvier 2023 lorsque des intérimaires sont engagés de manière trop fréquente dans des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif.
Cette cotisation de responsabilisation ne s'applique pas aux intérimaires bénéficiant d'une pension de retraite ou d'une pension de survie, aux flexi-jobs, et aux travailleurs occasionnels auprès d'utilisateurs appartenant à la commission paritaire de l'agriculture (CP 144), des entreprises horticoles (CP 145) et de l'industrie hôtelière (CP 302).
B. Pour l'application de la présente disposition, on entend par:
1° la loi du 24 juillet 1987: la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
2° contrat de travail intérimaire de très courte durée successif: les contrats de travail intérimaire auprès d'un même utilisateur, chacun conclus pour une période n'excédant pas 24 heures, qui se suivent immédiatement;
3° utilisateur: la personne auprès de qui un intérimaire au sens de l'article 7, alinéa 1er, 3°, de la loi du 24 juillet 1987 est mis à disposition dans le cadre d'un contrat de travail intérimaire tel que visé à l'article 7, alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 juillet 1987;
4° l'entreprise de travail intérimaire: l'entreprise de travail intérimaire telle que visée à l'article 7, alinéa 1er, 1°, de la loi du 24 juillet 1987.
C. La cotisation de responsabilisation est établie semestriellement en fonction de la fréquence de recours à des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif entre le même intérimaire et la même entreprise de travail intérimaire pour une occupation auprès du même utilisateur. Le montant de la cotisation de responsabilisation est établi comme suit:
- 10 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 40 mais inférieur ou égal à 59 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 15 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 60 mais inférieur ou égal à 79 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 30 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 80 mais inférieur ou égal à 99 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 40 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 100 contrats de travail intérimaire journalier successifs.
D. Les périodes de calcul s'étendent, d'une part, du 1er janvier au 30 juin inclus de l'année civile et, d'autre part, du 1er juillet au 31 décembre inclus de la même année civile.
E. L'Office national de sécurité sociale établit le montant de la cotisation de responsabilisation et procède au recouvrement à charge des utilisateurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, les privilèges et la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.
Le Roi peut déterminer d'autres modalités et les délais de paiement dont bénéficie l'utilisateur intérimaire pour s'acquitter de la cotisation de responsabilisation, en ce compris la date d'échéance imposant des sanctions civiles.
F. Le produit de la cotisation est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
G. L'utilisateur peut solliciter tout ou partie du remboursement de la cotisation de responsabilisation ainsi que les sanctions civiles associées à tout ou partie de cette cotisation lorsqu'il démontre que tout ou partie des contrats de travail intérimaire de très courte durée successifs ont été conclus en raison de circonstances exceptionnelles dûment motivées.
Préalablement à cette requête, il doit soumettre, après information et consultation du conseil d'entreprise, et à défaut de conseil d'entreprise, après information et consultation de la délégation syndicale dans les entreprises où ces organes sont installés, un dossier pour avis à la Commission des Bons Offices, créée par la convention collective de travail du 8 juillet 1993 au sein de la Commission paritaire pour le travail intérimaire.
Cette requête est accompagnée, d'une part, de la preuve que l'information et la consultation ont eu lieu, et, d'autre part, d'un exposé des circonstances exceptionnelles et motivant les raisons pour lesquelles la cotisation de responsabilisation n'est pas due. En l'absence de ces éléments, la requête ne sera pas considérée comme complet.
L'utilisateur aura la possibilité d'être entendu par la Commission des Bons Offices.
La Commission des Bons Offices transmet son avis motivé à l'Office national de sécurité sociale. Cet avis est contraignant.
Ladite requête de remboursement est adressée à l'Office national de sécurité sociale et est accompagnée de l'avis rendu par la Commission des Bons Offices, ainsi que le dossier de la demande d'avis.
A défaut du paiement préalable total de la cotisation de responsabilisation et de ses accessoires, la requête ne sera pas considérée comme recevable.".
" § 3vicies semel. A. Une cotisation de responsabilisation est due à partir du 1er janvier 2023 lorsque des intérimaires sont engagés de manière trop fréquente dans des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif.
Cette cotisation de responsabilisation ne s'applique pas aux intérimaires bénéficiant d'une pension de retraite ou d'une pension de survie, aux flexi-jobs, et aux travailleurs occasionnels auprès d'utilisateurs appartenant à la commission paritaire de l'agriculture (CP 144), des entreprises horticoles (CP 145) et de l'industrie hôtelière (CP 302).
B. Pour l'application de la présente disposition, on entend par:
1° la loi du 24 juillet 1987: la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
2° contrat de travail intérimaire de très courte durée successif: les contrats de travail intérimaire auprès d'un même utilisateur, chacun conclus pour une période n'excédant pas 24 heures, qui se suivent immédiatement;
3° utilisateur: la personne auprès de qui un intérimaire au sens de l'article 7, alinéa 1er, 3°, de la loi du 24 juillet 1987 est mis à disposition dans le cadre d'un contrat de travail intérimaire tel que visé à l'article 7, alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 juillet 1987;
4° l'entreprise de travail intérimaire: l'entreprise de travail intérimaire telle que visée à l'article 7, alinéa 1er, 1°, de la loi du 24 juillet 1987.
C. La cotisation de responsabilisation est établie semestriellement en fonction de la fréquence de recours à des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif entre le même intérimaire et la même entreprise de travail intérimaire pour une occupation auprès du même utilisateur. Le montant de la cotisation de responsabilisation est établi comme suit:
- 10 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 40 mais inférieur ou égal à 59 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 15 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 60 mais inférieur ou égal à 79 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 30 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 80 mais inférieur ou égal à 99 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 40 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 100 contrats de travail intérimaire journalier successifs.
D. Les périodes de calcul s'étendent, d'une part, du 1er janvier au 30 juin inclus de l'année civile et, d'autre part, du 1er juillet au 31 décembre inclus de la même année civile.
E. L'Office national de sécurité sociale établit le montant de la cotisation de responsabilisation et procède au recouvrement à charge des utilisateurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, les privilèges et la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.
Le Roi peut déterminer d'autres modalités et les délais de paiement dont bénéficie l'utilisateur intérimaire pour s'acquitter de la cotisation de responsabilisation, en ce compris la date d'échéance imposant des sanctions civiles.
F. Le produit de la cotisation est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
G. L'utilisateur peut solliciter tout ou partie du remboursement de la cotisation de responsabilisation ainsi que les sanctions civiles associées à tout ou partie de cette cotisation lorsqu'il démontre que tout ou partie des contrats de travail intérimaire de très courte durée successifs ont été conclus en raison de circonstances exceptionnelles dûment motivées.
Préalablement à cette requête, il doit soumettre, après information et consultation du conseil d'entreprise, et à défaut de conseil d'entreprise, après information et consultation de la délégation syndicale dans les entreprises où ces organes sont installés, un dossier pour avis à la Commission des Bons Offices, créée par la convention collective de travail du 8 juillet 1993 au sein de la Commission paritaire pour le travail intérimaire.
Cette requête est accompagnée, d'une part, de la preuve que l'information et la consultation ont eu lieu, et, d'autre part, d'un exposé des circonstances exceptionnelles et motivant les raisons pour lesquelles la cotisation de responsabilisation n'est pas due. En l'absence de ces éléments, la requête ne sera pas considérée comme complet.
L'utilisateur aura la possibilité d'être entendu par la Commission des Bons Offices.
La Commission des Bons Offices transmet son avis motivé à l'Office national de sécurité sociale. Cet avis est contraignant.
Ladite requête de remboursement est adressée à l'Office national de sécurité sociale et est accompagnée de l'avis rendu par la Commission des Bons Offices, ainsi que le dossier de la demande d'avis.
A défaut du paiement préalable total de la cotisation de responsabilisation et de ses accessoires, la requête ne sera pas considérée comme recevable.".
Art. 145. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 145. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 3. - Uitbreiding toepassingsgebied van de flexi-jobs
CHAPITRE 3. - Extension du champ d'application des flexi-jobs
Art. 146. In artikel 2 de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, vervangen door de programmawet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder 9° wordt het woord "bovengenoemde" vervangen door de woorden "hier genoemde";
2° het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 10° tot 13°, luidende:
"10° onder het nationale paritair comité voor de sport (PC 223);
11° onder het paritair subcomité voor de exploitatie van bioscoopzalen (PC 303.03);
12° onder het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf (PC 304), met uitsluiting van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
13° onder het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) of van openbare instellingen en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301, en 87302 met uitsluiting van functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.";
3° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het vorig lid aanvullen met een paritair comité waaronder werkgevers en werknemers van de evenementensector ressorteren, wanneer de Koning een nieuw paritair comité, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, opricht dat specifiek bevoegd is voor de "evenementensector". Hij kan daarbij de toepassing voor bepaalde functies uitsluiten.".
1° onder 9° wordt het woord "bovengenoemde" vervangen door de woorden "hier genoemde";
2° het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 10° tot 13°, luidende:
"10° onder het nationale paritair comité voor de sport (PC 223);
11° onder het paritair subcomité voor de exploitatie van bioscoopzalen (PC 303.03);
12° onder het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf (PC 304), met uitsluiting van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
13° onder het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) of van openbare instellingen en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301, en 87302 met uitsluiting van functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.";
3° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het vorig lid aanvullen met een paritair comité waaronder werkgevers en werknemers van de evenementensector ressorteren, wanneer de Koning een nieuw paritair comité, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, opricht dat specifiek bevoegd is voor de "evenementensector". Hij kan daarbij de toepassing voor bepaalde functies uitsluiten.".
Art. 146. A l'article 2 de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, remplacé par la loi-programme du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° sous le 9° le mot "précitées" est remplacé par les mots "citées ici";
2° l'alinéa 1er est complété par les 10° à 13° rédigés comme suit:
"10° de la commission paritaire nationale des sports (CP 223);
11° de la sous-commission paritaire pour l'exploitation des salles de cinéma (303.03);
12° de la commission paritaire du spectacle (CP 304), à l'exclusion des fonctions artistiques, artistique-techniques et artistiques de soutien qui incluent des activités visées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
13° de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) ou des établissements ou services publics relevant du secteur public des soins de santé dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 et 87302, à l'exclusion des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.";
3° l'article 2 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, compléter l'alinéa précédent par une commission paritaire dont font partie les employeurs et les employés du secteur de l'événementiel après que le Roi crée une nouvelle commission paritaire, conformément l'article 35 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives du travail et les commissions paritaires, spécifiquement compétent pour le "secteur de l'événementiel". Il peut ainsi en exclure l'application à certaines fonctions.".
1° sous le 9° le mot "précitées" est remplacé par les mots "citées ici";
2° l'alinéa 1er est complété par les 10° à 13° rédigés comme suit:
"10° de la commission paritaire nationale des sports (CP 223);
11° de la sous-commission paritaire pour l'exploitation des salles de cinéma (303.03);
12° de la commission paritaire du spectacle (CP 304), à l'exclusion des fonctions artistiques, artistique-techniques et artistiques de soutien qui incluent des activités visées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
13° de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) ou des établissements ou services publics relevant du secteur public des soins de santé dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 et 87302, à l'exclusion des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.";
3° l'article 2 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, compléter l'alinéa précédent par une commission paritaire dont font partie les employeurs et les employés du secteur de l'événementiel après que le Roi crée une nouvelle commission paritaire, conformément l'article 35 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives du travail et les commissions paritaires, spécifiquement compétent pour le "secteur de l'événementiel". Il peut ainsi en exclure l'application à certaines fonctions.".
Art. 147. Artikel 5, § 2, van dezelfde wet, vervangen door de programmawet van 26 december 2015, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het vorige lid, bedraagt het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, minimaal 11,49 euro per uur voor activiteiten uitgevoerd binnen het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) en in de openbare instellingen en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 en 87302. Dit minimaal bedrag wordt aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmede rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
"In afwijking van het vorige lid, bedraagt het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, minimaal 11,49 euro per uur voor activiteiten uitgevoerd binnen het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) en in de openbare instellingen en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 en 87302. Dit minimaal bedrag wordt aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmede rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
Art. 147. L'article 5, § 2, de la même loi, remplacé par la loi-programme du 26 décembre 2015, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, le salaire de base visé à l'article 3, 2°, s'élève au minimum à 11,49 euros par heure pour les activités relevant de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) et dans les établissements ou services publics relevant du secteur public des soins de santé dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 et 87302. Ce montant minimum est adapté à l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.".
"Par dérogation à l'alinéa précédent, le salaire de base visé à l'article 3, 2°, s'élève au minimum à 11,49 euros par heure pour les activités relevant de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) et dans les établissements ou services publics relevant du secteur public des soins de santé dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301 et 87302. Ce montant minimum est adapté à l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.".
Art. 148. In hoofdstuk 2 van dezelfde wet, wordt een afdeling 2/1, ingevoegd luidende "Afdeling 2/1 Toezicht van het toepassingsgebied".
Art. 148. Dans le chapitre 2 de la même loi, il est inséré une section 2/1, intitulée "Section 2/1 Contrôle du champ d'application".
Art. 149. In afdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 148, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 5/1. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid controleert of de werknemer, aangeworven in het kader van een flexi-job, niet wordt aangeworven bij een werkgever of voor functies die vallen buiten het toepassingsgebied zoals bepaald in artikel 2.
Daartoe kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de databanken raadplegen van de werknemers die een artistieke, artistiek-technische of artistiek-ondersteunende functie uitoefenen of een activiteit die onder het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen valt.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwerkt de volgende persoonsgegevens en categorieën van persoonsgegevens van de werknemer:
- de naam;
- de voornaam;
- het geslacht;
- de geboortedatum;
- de taal;
- het identificatienummer van de sociale zekerheid INSZ (rijksregisternummer of nummer in het BIS-register);
- het adres;
- het e-mailadres;
- het telefoonnummer;
- de categorieën van gegevens betreffende de uitgevoerde activiteit binnen het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf (PC 304) of het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330) en van de publieke zorgsector.
De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk voor de adequate uitoefening van de wettelijke opdrachten van de Rijksdienst van Sociale Zekerheid.
Deze persoonsgegevens evenals de categorieën van persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die niet langer is dan de verjaringstermijn voor de erkenning van de rechten van de flexi-jobwerknemer of voor de vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde betalingen.
De in het derde lid vermelde persoonsgegevens en categorieën van persoonsgegevens worden geschrapt na het verstrijken van de verjaringstermijn, bedoeld in het vijfde lid.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is verantwoordelijk voor de naleving van het in artikel 2 bepaalde materiële toepassingsgebied.".
"Art. 5/1. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid controleert of de werknemer, aangeworven in het kader van een flexi-job, niet wordt aangeworven bij een werkgever of voor functies die vallen buiten het toepassingsgebied zoals bepaald in artikel 2.
Daartoe kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de databanken raadplegen van de werknemers die een artistieke, artistiek-technische of artistiek-ondersteunende functie uitoefenen of een activiteit die onder het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen valt.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwerkt de volgende persoonsgegevens en categorieën van persoonsgegevens van de werknemer:
- de naam;
- de voornaam;
- het geslacht;
- de geboortedatum;
- de taal;
- het identificatienummer van de sociale zekerheid INSZ (rijksregisternummer of nummer in het BIS-register);
- het adres;
- het e-mailadres;
- het telefoonnummer;
- de categorieën van gegevens betreffende de uitgevoerde activiteit binnen het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf (PC 304) of het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330) en van de publieke zorgsector.
De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk voor de adequate uitoefening van de wettelijke opdrachten van de Rijksdienst van Sociale Zekerheid.
Deze persoonsgegevens evenals de categorieën van persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die niet langer is dan de verjaringstermijn voor de erkenning van de rechten van de flexi-jobwerknemer of voor de vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde betalingen.
De in het derde lid vermelde persoonsgegevens en categorieën van persoonsgegevens worden geschrapt na het verstrijken van de verjaringstermijn, bedoeld in het vijfde lid.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is verantwoordelijk voor de naleving van het in artikel 2 bepaalde materiële toepassingsgebied.".
Art. 149. Dans la section 2/1, insérée par l'article 148, il est inséré un article 5/1, rédigé comme suit:
"Art. 5/1. L'Office national de sécurité sociale vérifie si le travailleur engagé dans le cadre d'un flexi-job n'est pas engagé auprès d'un employeur ou pour des fonctions ne relevant pas du champ d'application tel que déterminé à l'article 2.
A cette fin, l'Office national de sécurité sociale est habilité à consulter les banques de données des travailleurs exerçant une fonction artistique, artistique-technique ou artistique de soutien ou une activité entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
L'Office national de sécurité sociale traite les données personnelles et les catégories de données personnelles suivantes du travailleur:
- le nom;
- le prénom;
- le sexe;
- la date de naissance;
- la langue;
- le numéro d'identification à la sécurité sociale NISS (numéro de registre national ou numéro du registre BIS);
- l'adresse;
- l'adresse e-mail;
- le numéro de téléphone;
- les catégories de données relatives à l'activité exercée au sein de la commission paritaire du spectacle (CP 304) ou de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) et du secteur public des soins.
Le traitement de ces données est nécessaire à l'exercice adéquat des missions légales de l'Office national de sécurité sociale.
Ces données personnelles et catégories de données personnelles sont conservées durant une période n'excédant pas le délai de prescription pour la reconnaissance des droits des travailleurs exerçant un flexi-job ou des actions en récupération des paiements indus.
Les données personnelles et catégories de données personnelles, visées à l'alinéa 3, sont supprimées après l'écoulement du délai de prescription, visé à l'alinéa 5.
L'Office national de sécurité sociale est chargé de veiller au respect du champ d'application matériel déterminé à l'article 2.".
"Art. 5/1. L'Office national de sécurité sociale vérifie si le travailleur engagé dans le cadre d'un flexi-job n'est pas engagé auprès d'un employeur ou pour des fonctions ne relevant pas du champ d'application tel que déterminé à l'article 2.
A cette fin, l'Office national de sécurité sociale est habilité à consulter les banques de données des travailleurs exerçant une fonction artistique, artistique-technique ou artistique de soutien ou une activité entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
L'Office national de sécurité sociale traite les données personnelles et les catégories de données personnelles suivantes du travailleur:
- le nom;
- le prénom;
- le sexe;
- la date de naissance;
- la langue;
- le numéro d'identification à la sécurité sociale NISS (numéro de registre national ou numéro du registre BIS);
- l'adresse;
- l'adresse e-mail;
- le numéro de téléphone;
- les catégories de données relatives à l'activité exercée au sein de la commission paritaire du spectacle (CP 304) ou de la commission paritaire des établissements et des services de santé (CP 330) et du secteur public des soins.
Le traitement de ces données est nécessaire à l'exercice adéquat des missions légales de l'Office national de sécurité sociale.
Ces données personnelles et catégories de données personnelles sont conservées durant une période n'excédant pas le délai de prescription pour la reconnaissance des droits des travailleurs exerçant un flexi-job ou des actions en récupération des paiements indus.
Les données personnelles et catégories de données personnelles, visées à l'alinéa 3, sont supprimées après l'écoulement du délai de prescription, visé à l'alinéa 5.
L'Office national de sécurité sociale est chargé de veiller au respect du champ d'application matériel déterminé à l'article 2.".
Art. 150. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 150. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 4. - Maatregel aangaande de personeelsschaarste in de zorgsectoren
CHAPITRE 4. - Mesure concernant la pénurie de personnel dans le secteur des soins
Art. 151. In artikel 3 van de wet van 20 november 2022 houdende maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsectoren worden de woorden "en het eerste kwartaal 2023" ingevoegd tussen de woorden "vierde kwartaal van 2022" en de woorden "gepresteerde uren" en de woorden "van 475 uren" worden vervangen door de woorden "van 475 uren in 2022 van 600 uren in 2023".
Art. 151. Dans l'article 3 de la loi du 20 novembre 2022 portant des mesures concernant la pénurie de personnel dans le secteur des soins, les mots "et du premier trimestre 2023" sont insérés entre les mots "quatrième trimestre 2022" et les mots "dans le secteur des soins" et les mots "de 475 heures" sont remplacés par les mots "de 475 heures en 2022 et de 600 heures en 2023".
Art. 152. In artikel 21, eerste en tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "31 december 2022" vervangen door de woorden "31 maart 2023".
Art. 152. Dans l'article 21, alinéas 1er et 2, de la même loi, les mots "31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "31 mars 2023".
HOOFDSTUK 5. - Uitkerings- en moederschapsverzekering
CHAPITRE 5. - Assurance indemnités et maternité
Afdeling 1. - Toekenning van een werkhervattingspremie
Section 1re. - Octroi d'une prime de reprise du travail
Art. 153. In titel IV van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende "Hoofdstuk IV. Toekenning van een werkhervattingspremie".
Art. 153. Dans le titre IV de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, il est inséré un chapitre IV intitulé "Chapitre IV. Octroi d'une prime de reprise du travail".
Art. 154. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 153, wordt een artikel 110/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 110/1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaronder een werkhervattingspremie van 1.000 euro wordt toegekend aan de werkgever waarbij een gerechtigde die zich in het tijdvak van invaliditeit, bedoeld in artikel 93 bevindt, een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, hervat.".
"Art. 110/1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaronder een werkhervattingspremie van 1.000 euro wordt toegekend aan de werkgever waarbij een gerechtigde die zich in het tijdvak van invaliditeit, bedoeld in artikel 93 bevindt, een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, hervat.".
Art. 154. Dans le chapitre IV, inséré par l'article 153, il est inséré un article 110/1 rédigé comme suit:
"Art. 110/1. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions dans lesquelles une prime de reprise du travail de 1.000 euros est accordée à l'employeur auprès duquel un titulaire qui se trouve dans la période d'invalidité, visée à l'article 93, reprend une activité autorisée conformément à l'article 100, § 2.".
"Art. 110/1. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions dans lesquelles une prime de reprise du travail de 1.000 euros est accordée à l'employeur auprès duquel un titulaire qui se trouve dans la période d'invalidité, visée à l'article 93, reprend une activité autorisée conformément à l'article 100, § 2.".
Art. 155. Artikel 193, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met de woorden ", evenals van de toegekende werkhervattingspremies".
Art. 155. Dans l'article 193, § 1er, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 2012, les mots ", ainsi que des primes de reprise du travail" sont insérés entre les mots "des indemnités de maternité" et les mots "qu'ils ont payé".
Art. 156. Deze afdeling treedt in werking op 1 april 2023.
De maatregel ingevoerd door deze afdeling zal door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, bedoeld in artikel 79 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden geëvalueerd vóór 1 april 2025. Deze evaluatie zal minstens de volgende aspecten tot voorwerp hebben:
1° de impact op het aantal verrichte toegelaten tewerkstellingen door de invalide gerechtigden;
2° de duurtijd van deze toegelaten tewerkstellingen;
3° de verhouding tussen de kost van de toekenning van deze werkhervattingspremie en de budgettaire opbrengst van deze toegelaten tewerkstellingen.
De maatregel ingevoerd door deze afdeling zal door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, bedoeld in artikel 79 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden geëvalueerd vóór 1 april 2025. Deze evaluatie zal minstens de volgende aspecten tot voorwerp hebben:
1° de impact op het aantal verrichte toegelaten tewerkstellingen door de invalide gerechtigden;
2° de duurtijd van deze toegelaten tewerkstellingen;
3° de verhouding tussen de kost van de toekenning van deze werkhervattingspremie en de budgettaire opbrengst van deze toegelaten tewerkstellingen.
Art. 156. La présente section entre en vigueur le 1er avril 2023.
La mesure introduite par la présente section sera évaluée par le Comité de gestion du Service des indemnités, visé à l'article 79 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, avant le 1er avril 2025. Cette évaluation aura pour objet au moins les aspects suivants:
1° l'impact sur le nombre d'activités autorisées exercées par les titulaires invalides;
2° la durée de ces activités autorisées;
3° le rapport entre le coût de l'octroi de cette prime de reprise du travail et la recette budgétaire de ces activités autorisées.
La mesure introduite par la présente section sera évaluée par le Comité de gestion du Service des indemnités, visé à l'article 79 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, avant le 1er avril 2025. Cette évaluation aura pour objet au moins les aspects suivants:
1° l'impact sur le nombre d'activités autorisées exercées par les titulaires invalides;
2° la durée de ces activités autorisées;
3° le rapport entre le coût de l'octroi de cette prime de reprise du travail et la recette budgétaire de ces activités autorisées.
Afdeling 2. - Vaststelling van de moederschapsuitkering van de gecontroleerde werkloze gerechtigde
Section 2. - Fixation de l'indemnité de maternité de la titulaire en chômage contrôlé
Art. 157. Artikel 113, zesde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt aangevuld met de volgende zinnen:
"De Koning kan in dit opzicht een referentiedatum vaststellen om het bedrag van de werkloosheidsuitkering te bepalen die in het kader van de werkloosheidsreglementering in aanmerking wordt genomen. De Koning bepaalt de periode waarna deze maatregel van alignering ophoudt van toepassing te zijn.".
"De Koning kan in dit opzicht een referentiedatum vaststellen om het bedrag van de werkloosheidsuitkering te bepalen die in het kader van de werkloosheidsreglementering in aanmerking wordt genomen. De Koning bepaalt de periode waarna deze maatregel van alignering ophoudt van toepassing te zijn.".
Art. 157. L'article 113, alinéa 6, de la même loi, remplacé par la loi du 4 août 1996 et modifié par la loi du 24 décembre 2002, est complété par les phrases suivantes:
"Le Roi peut à cet égard fixer une date de référence pour déterminer le montant de l'allocation de chômage à prendre en considération dans le cadre de la réglementation chômage. Le Roi détermine la période au-delà de laquelle cette mesure d'alignement cesse de s'appliquer.".
"Le Roi peut à cet égard fixer une date de référence pour déterminer le montant de l'allocation de chômage à prendre en considération dans le cadre de la réglementation chômage. Le Roi détermine la période au-delà de laquelle cette mesure d'alignement cesse de s'appliquer.".
Art. 158. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing op de tijdvakken van moederschapsbescherming die op deze datum al lopende zijn evenals op de tijdvakken van moederschapsbescherming die ten vroegste op deze datum aanvatten.
Art. 158. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2023 et s'applique aux périodes de protection de la maternité qui sont déjà en cours à cette date ainsi qu'aux périodes de protection de la maternité qui débutent au plus tôt à cette date.
Afdeling 3. - Aanwerving van bijkomende "Terug Naar Werk-coördinatoren"
Section 3. - Recrutement de "Coordinateurs Retour Au Travail" supplémentaires
Art. 159. In artikel 195, § 1, 2°, tiende lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 december 2021, worden de woorden "in 2023 met het bedrag van 5.724.000 euro en in 2024 met het bedrag van 5.724.000 euro" vervangen door de woorden "in 2023 met het bedrag van 6.724.000 euro, waarvan 1.000.000 euro enkel betrekking heeft op de periode vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, en in 2024 met het bedrag van 7.724.000 euro".
Art. 159. Dans l'article 195, § 1er, 2°, alinéa 10, de la même loi, inséré par la loi du 12 décembre 2021, les mots "d'un montant de 5.724.000 euros en 2023 et d'un montant de 5.724.000 euros en 2024" sont remplacés par les mots "d'un montant de 6.724.000 euros en 2023, dont 1.000.000 d'euros afférents uniquement à la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, et d'un montant de 7.724.000 euros en 2024".
Art. 160. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 160. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 6. - Financieringssysteem voor het inkopen van dienstverlening door personen waarvan de arbeidsovereenkomst werd verbroken wegens overmacht om medische redenen
CHAPITRE 6. - Système de financement pour l'achat de services par des personnes dont le contrat de travail a été rompu pour force majeure médicale
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Section 1re. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Art. 161. In artikel 80, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt de bepaling onder 13°, opgeheven bij de wet van 20 december 1995, hersteld als volgt:
"13° beheert het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2.".
"13° beheert het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2.".
Art. 161. Dans l'article 80, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, le 13°, abrogé par la loi du 20 décembre 1995, est rétabli dans la rédaction suivante:
"13° gère le "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2.".
"13° gère le "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2.".
Art. 162. In titel IV van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk V ingevoegd, luidende "Hoofdstuk V. Het "Terug Naar Werk-fonds"."
Art. 162. Dans le titre IV de la même loi, il est inséré un chapitre V, intitulé "Chapitre V. Le "Fonds Retour Au Travail".
Art. 163. In hoofdstuk V, ingevoegd bij artikel 162, wordt een artikel 110/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 110/2. § 1. In de schoot van de Dienst voor uitkeringen wordt een "Terug Naar Werk-fonds" opgericht dat door het Beheerscomité bedoeld in artikel 79 wordt beheerd.
Dit fonds wordt gevormd door de bijdragen die de werkgevers naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dienen te betalen overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
§ 2. Het "Terug Naar Werk-fonds", bedoeld in paragraaf 1, is bestemd voor de inkoop van gespecialiseerde dienstverlening op maat bij erkende dienstverleners met het oog op de sociaalprofessionele re-integratie van de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend overeenkomstig artikel 100. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gespecialiseerde dienstverlening op maat, evenals de criteria waaraan deze erkende dienstverleners moeten voldoen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toekenningsvoorwaarden die de gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, moeten vervullen om aanspraak te kunnen maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds", evenals de door deze gerechtigden na te leven aanvraag- en betalingsvoorwaarden van deze tussenkomst die de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen toekent binnen de perken van de financiële middelen van dit fonds.
§ 3. Gedurende het tijdvak waarin voor dezelfde gerechtigde al een tenlasteneming door de uitkeringsverzekering in het kader van een programma van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis is gebeurd, is geen tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" mogelijk.".
"Art. 110/2. § 1. In de schoot van de Dienst voor uitkeringen wordt een "Terug Naar Werk-fonds" opgericht dat door het Beheerscomité bedoeld in artikel 79 wordt beheerd.
Dit fonds wordt gevormd door de bijdragen die de werkgevers naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dienen te betalen overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
§ 2. Het "Terug Naar Werk-fonds", bedoeld in paragraaf 1, is bestemd voor de inkoop van gespecialiseerde dienstverlening op maat bij erkende dienstverleners met het oog op de sociaalprofessionele re-integratie van de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend overeenkomstig artikel 100. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gespecialiseerde dienstverlening op maat, evenals de criteria waaraan deze erkende dienstverleners moeten voldoen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toekenningsvoorwaarden die de gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, moeten vervullen om aanspraak te kunnen maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds", evenals de door deze gerechtigden na te leven aanvraag- en betalingsvoorwaarden van deze tussenkomst die de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen toekent binnen de perken van de financiële middelen van dit fonds.
§ 3. Gedurende het tijdvak waarin voor dezelfde gerechtigde al een tenlasteneming door de uitkeringsverzekering in het kader van een programma van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis is gebeurd, is geen tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" mogelijk.".
Art. 163. Dans le chapitre V, inséré par l'article 162, il est inséré un article 110/2 rédigé comme suit:
"Art. 110/2. § 1er. Il est créé un "Fonds Retour Au Travail" au sein du Service des indemnités, qui est géré par le Comité de gestion visé à l'article 79.
Ce fonds est constitué par les contributions que les employeurs sont tenus de verser suite à la résiliation du contrat de travail pour cause de force majeure, visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs.
§ 2. Le "Fonds Retour Au Travail", visé au paragraphe 1er, est destiné à l'achat de services spécialisés adaptés auprès de prestataires de services agréés en vue de la réinsertion socioprofessionnelle des titulaires reconnus en incapacité de travail conformément à l'article 100. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les services spécialisés adaptés, ainsi que les critères auxquels ces prestataires de services agréés doivent répondre.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'octroi que les titulaires, visés à l'alinéa 1er, doivent remplir afin de pouvoir prétendre à une intervention du "Fonds Retour Au Travail", ainsi que les modalités de demande à respecter par ces titulaires et les modalités de paiement de cette intervention octroyée par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités dans la limite des ressources financières de ce fonds.
§ 3. Aucune intervention du "Fonds Retour Au Travail" n'est possible au cours de la période durant laquelle une prise en charge par l'assurance indemnités est déjà intervenue en faveur d'un même titulaire dans le cadre d'un programme de réadaptation professionnelle, visé à l'article 109bis.".
"Art. 110/2. § 1er. Il est créé un "Fonds Retour Au Travail" au sein du Service des indemnités, qui est géré par le Comité de gestion visé à l'article 79.
Ce fonds est constitué par les contributions que les employeurs sont tenus de verser suite à la résiliation du contrat de travail pour cause de force majeure, visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs.
§ 2. Le "Fonds Retour Au Travail", visé au paragraphe 1er, est destiné à l'achat de services spécialisés adaptés auprès de prestataires de services agréés en vue de la réinsertion socioprofessionnelle des titulaires reconnus en incapacité de travail conformément à l'article 100. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les services spécialisés adaptés, ainsi que les critères auxquels ces prestataires de services agréés doivent répondre.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'octroi que les titulaires, visés à l'alinéa 1er, doivent remplir afin de pouvoir prétendre à une intervention du "Fonds Retour Au Travail", ainsi que les modalités de demande à respecter par ces titulaires et les modalités de paiement de cette intervention octroyée par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités dans la limite des ressources financières de ce fonds.
§ 3. Aucune intervention du "Fonds Retour Au Travail" n'est possible au cours de la période durant laquelle une prise en charge par l'assurance indemnités est déjà intervenue en faveur d'un même titulaire dans le cadre d'un programme de réadaptation professionnelle, visé à l'article 109bis.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers
Section 2. - Modifications de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs
Art. 164. In de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers wordt hoofdstuk III, opgeheven bij de wet van 22 december 2003, hersteld als volgt:
"Hoofdstuk III. Verplichting tot financiële bijdrage aan het "Terug Naar Werk-fonds" door de werkgever die zich beroept op medische overmacht om de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen.
"Hoofdstuk III. Verplichting tot financiële bijdrage aan het "Terug Naar Werk-fonds" door de werkgever die zich beroept op medische overmacht om de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen.
Art. 164. Dans la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, le chapitre III, abrogé par la loi du 22 décembre 2003, est rétabli comme suit:
"Chapitre III. Obligation de contribution financière au "Fonds Retour Au Travail" par l'employeur invoquant la force majeure médicale pour mettre fin au contrat de travail d'un travailleur en incapacité de travail.
"Chapitre III. Obligation de contribution financière au "Fonds Retour Au Travail" par l'employeur invoquant la force majeure médicale pour mettre fin au contrat de travail d'un travailleur en incapacité de travail.
Art. 10/1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op vraag, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie en bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.".
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op vraag, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie en bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.".
Art. 10/1. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi surveillent le respect du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.
Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions du Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance relative au respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.".
Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions du Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance relative au respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.".
Art. 165. In hoofdstuk V van dezelfde wet wordt afdeling 3, die de artikelen 18 tot 18/4 bevat, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, opgeheven.
Art. 165. Dans le chapitre V de la même loi, la section 3 contenant les articles 18 à 18/4, inséré par la loi du 7 avril 2019, est abrogée.
Afdeling 3. - Wijziging van het Sociaal Strafwetboek
Section 3. - Modification du Code pénal social
Art. 166. In boek 2, hoofdstuk 9, van het Sociaal Strafwetboek, wordt een afdeling 4/1 ingevoegd, luidende "Afdeling 4/1. Het "Terug Naar Werk-fonds"".
Art. 166. Dans le livre 2, chapitre 9, du Code pénal social, il est inséré une section 4/1, intitulée "Section 4/1. Le "Fonds Retour Au Travail"".
Art. 167. In afdeling 4/1, ingevoegd bij artikel 166, wordt een artikel 220/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 220/2. Het "Terug-Naar-Werk-fonds"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met hoofdstuk 3 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de in artikel 10, § 1, van voornoemde wet van 2001 bedoelde gegevens niet of niet binnen de bij de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde termijnen en nadere regels aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft meegedeeld;
2° het bedrag van 1.800 euro niet heeft betaald aan het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het bedrag niet heeft betaald volgens de nadere regels vastgesteld door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
"Art. 220/2. Het "Terug-Naar-Werk-fonds"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met hoofdstuk 3 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de in artikel 10, § 1, van voornoemde wet van 2001 bedoelde gegevens niet of niet binnen de bij de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde termijnen en nadere regels aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft meegedeeld;
2° het bedrag van 1.800 euro niet heeft betaald aan het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het bedrag niet heeft betaald volgens de nadere regels vastgesteld door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
Art. 167. Dans la section 4/1, insérée par l'article 166, il est inséré un article 220/2, rédigé comme suit:
"Art. 220/2. Le "Fonds Retour Au Travail"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre 3 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs et ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas communiqué les informations visées à l'article 10, § 1er, de la loi précitée de 2001 à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou ne les a pas communiquées dans les délais et selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution;
2° n'a pas versé le montant de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ou ne l'a pas versé selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
"Art. 220/2. Le "Fonds Retour Au Travail"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre 3 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs et ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas communiqué les informations visées à l'article 10, § 1er, de la loi précitée de 2001 à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou ne les a pas communiquées dans les délais et selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution;
2° n'a pas versé le montant de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ou ne l'a pas versé selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art. 168. [1 Dit hoofdstuk treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 april 2024.]1
Art. 168. [1 Le présent chapitre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er avril 2024.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 7. - Stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag
CHAPITRE 7. - Régime de chômage avec complément d'entreprise
Art. 169. In artikel 118 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt een paragraaf 2sexies ingevoegd, luidende:
" § 2sexies. De bijdragevoeten van de bijzondere werkgeversbijdragen, bedoeld in de §§ 2, 2bis, 2quater en 2quinquies, worden vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,047 vanaf 1 januari 2023 tot 31 december 2023, en met coëfficiënt 1,094 vanaf 1 januari 2024 tot 31 december 2024.".
" § 2sexies. De bijdragevoeten van de bijzondere werkgeversbijdragen, bedoeld in de §§ 2, 2bis, 2quater en 2quinquies, worden vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,047 vanaf 1 januari 2023 tot 31 december 2023, en met coëfficiënt 1,094 vanaf 1 januari 2024 tot 31 december 2024.".
Art. 169. Dans l'article 118 de la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses (I), modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2016, un paragraphe 2sexies est inséré, rédigé comme suit:
" § 2sexies. Les taux des cotisations patronales spéciales, visées aux §§ 2, 2bis, 2quater en 2quinquies, sont multipliées par un coefficient de 1,047 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 décembre 2023, et par un coefficient de 1,094 à partir du 1er janvier 2024 jusqu'au 31 décembre 2024.".
" § 2sexies. Les taux des cotisations patronales spéciales, visées aux §§ 2, 2bis, 2quater en 2quinquies, sont multipliées par un coefficient de 1,047 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 décembre 2023, et par un coefficient de 1,094 à partir du 1er janvier 2024 jusqu'au 31 décembre 2024.".
HOOFDSTUK 8. - Bijzondere activeringsbijdrage
CHAPITRE 8. - Cotisation spéciale d'activation
Art. 170. In artikel 38, § 3septdecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid worden in de zin bij het tweede streepje de woorden "18 pct" vervangen door de woorden "20 pct";
2° in het vierde lid worden in de zin bij het derde streepje de woorden "16 pct" vervangen door de woorden "20 pct".
3° tussen het elfde en twaalfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
"De bijzondere activeringsbijdragen bedoeld in deze paragraaf, worden verhoogd met 25 pct wanneer de werkgever, conform deze paragraaf, een bijzondere activeringsbijdrage voor minstens 10 pct van zijn werknemers verschuldigd is.".
1° in het vierde lid worden in de zin bij het tweede streepje de woorden "18 pct" vervangen door de woorden "20 pct";
2° in het vierde lid worden in de zin bij het derde streepje de woorden "16 pct" vervangen door de woorden "20 pct".
3° tussen het elfde en twaalfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
"De bijzondere activeringsbijdragen bedoeld in deze paragraaf, worden verhoogd met 25 pct wanneer de werkgever, conform deze paragraaf, een bijzondere activeringsbijdrage voor minstens 10 pct van zijn werknemers verschuldigd is.".
Art. 170. Dans l'article 38, § 3septdecies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 4, dans la phrase au deuxième tiret, les mots "18 p.c." sont remplacés par les mots "20 p.c.";
2° dans l'alinéa 4, dans la phrase au troisième tiret, les mots "16 p.c." sont remplacés par les mots "20 p.c.".
3° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre l'alinéa 11 et l'alinéa 12:
"Les cotisations spéciales d'activation visées au présent paragraphe, sont augmentées de 25 p.c. lorsque l'employeur est redevable d'une cotisation spéciale d'activation pour au moins 10 p.c. de ses travailleurs, conformément au présent paragraphe.".
1° dans l'alinéa 4, dans la phrase au deuxième tiret, les mots "18 p.c." sont remplacés par les mots "20 p.c.";
2° dans l'alinéa 4, dans la phrase au troisième tiret, les mots "16 p.c." sont remplacés par les mots "20 p.c.".
3° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre l'alinéa 11 et l'alinéa 12:
"Les cotisations spéciales d'activation visées au présent paragraphe, sont augmentées de 25 p.c. lorsque l'employeur est redevable d'une cotisation spéciale d'activation pour au moins 10 p.c. de ses travailleurs, conformément au présent paragraphe.".
HOOFDSTUK 9. - Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Werknemers
CHAPITRE 9. - Financement alternatif - Dérogations à la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale - Des travailleurs salariés
Art. 171. In afwijking van artikel 6 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel voor werknemers voor het jaar 2023 vastgesteld op 8.520.889 duizend euro, afgenomen van het nettobedrag van de geïnde btw en 3.646.960 duizend euro afgenomen op het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
Art. 171. Par dérogation à l'article 6 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, les montants du financement alternatif pour le régime des travailleurs salariés pour l'année 2023, sont fixés à 8.520.889 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé de la T.V.A. et 3.646.960 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé du précompte mobilier.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Art. 172. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 172. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 10. - Alternatieve financiering - Afwijkingen van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid van de zelfstandigen
CHAPITRE 10. - Financement alternatif - Dérogations à la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale des travailleurs indépendants
Art. 173. [1 In afwijking van artikel 13 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel van de zelfstandigen voor het jaar 2023 vastgesteld op 1.686.075 duizend euro, voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde BTW en 799.534 duizend euro voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing.]1
[1 ...]1
Deze bedragen worden betaald in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen verschillen in functie van de inning van de opbrengsten.
[1 ...]1
Deze bedragen worden betaald in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen verschillen in functie van de inning van de opbrengsten.
Art. 173. [1 Par dérogation à l'article 13 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, les montants du financement alternatif pour le régime des travailleurs indépendants pour l'année 2023, sont fixés à 1.686.075 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé de la TVA et 799.534 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé du précompte mobilier.]1
[1 ...]1
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
[1 ...]1
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Wijzigingen
Art. 174. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 174. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
HOOFDSTUK 11. - Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid
CHAPITRE 11. - Financement alternatif - Dérogations à la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale
Art. 175. In afwijking van artikel 20, § 1, van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, wordt het in dit artikel bedoelde bijkomende bedrag voor het jaar 2023 voorafgenomen van de opbrengst van de bedrijfsvoorheffing.
Art. 175. Par dérogation à l'article 20, § 1er, de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, le montant complémentaire visé dans cet article est prélevé, pour l'année 2023, sur les recettes du précompte professionnel.
Art. 176. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 176. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
TITEL 9. - Zelfstandigen
TITRE 9. - Indépendants
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, inzake de jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, relatif à la cotisation annuelle à charge des sociétés, destinée au statut social des travailleurs indépendants
Art. 177. In artikel 89, § 3, van de wet van 30 december 1992, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden "De Administratie der directe belastingen" vervangen door de woorden "De algemene administratie van de Fiscaliteit van de FOD Financiën".
Art. 177. Dans l'article 89, § 3, de la loi du 30 décembre 1992, modifié par la loi du 25 janvier 1999, les mots "L'Administration des Contributions directes" sont remplacés par les mots "L'Administration générale de la Fiscalité du SPF Finances".
Art. 178. Artikel 91 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt vervangen als volgt:
"Art. 91. De vennootschappen zijn een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen de vennootschappen op basis van een criterium dat rekening houdt met de omvang van de vennootschap, met name het balanstotaal.
Genoemde bijdrage bedraagt 347,50 EUR voor de vennootschappen waarvoor blijkt, op basis van gegevens verstrekt door of beschikbaar bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, dat het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar 746.410,17 EUR niet overschrijdt. De bijdrage bedraagt 868,00 EUR voor de vennootschappen wiens balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar genoemd bedrag overschrijdt.
Voor de vaststelling per vennootschap van het voorlaatste afgesloten boekjaar wordt de toestand op 1 januari van het bijdragejaar in aanmerking genomen.
Het balanstotaal is de totale boekwaarde van de activa zoals blijkt uit het balansschema dat vastgesteld is bij koninklijk besluit op grond van artikel 3:1, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
De in dit artikel genoemde bedragen van de bijdrage en van het balanstotaal zijn gekoppeld aan de index der consumptieprijzen 162,66 (basis 1996 = 100) en worden, met het oog op de berekening van de bijdrage voor een bepaald jaar, vermenigvuldigd met een breuk: de noemer van deze breuk is 162,66, (zijnde de index der consumptieprijzen van de maand november 2021) (basis 1996 = 100), en de teller van deze breuk is de index der consumptieprijzen van de maand november van het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de bijdrage verschuldigd is (basis 1996 = 100).".
"Art. 91. De vennootschappen zijn een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen de vennootschappen op basis van een criterium dat rekening houdt met de omvang van de vennootschap, met name het balanstotaal.
Genoemde bijdrage bedraagt 347,50 EUR voor de vennootschappen waarvoor blijkt, op basis van gegevens verstrekt door of beschikbaar bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, dat het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar 746.410,17 EUR niet overschrijdt. De bijdrage bedraagt 868,00 EUR voor de vennootschappen wiens balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar genoemd bedrag overschrijdt.
Voor de vaststelling per vennootschap van het voorlaatste afgesloten boekjaar wordt de toestand op 1 januari van het bijdragejaar in aanmerking genomen.
Het balanstotaal is de totale boekwaarde van de activa zoals blijkt uit het balansschema dat vastgesteld is bij koninklijk besluit op grond van artikel 3:1, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
De in dit artikel genoemde bedragen van de bijdrage en van het balanstotaal zijn gekoppeld aan de index der consumptieprijzen 162,66 (basis 1996 = 100) en worden, met het oog op de berekening van de bijdrage voor een bepaald jaar, vermenigvuldigd met een breuk: de noemer van deze breuk is 162,66, (zijnde de index der consumptieprijzen van de maand november 2021) (basis 1996 = 100), en de teller van deze breuk is de index der consumptieprijzen van de maand november van het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de bijdrage verschuldigd is (basis 1996 = 100).".
Art. 178. L'article 91 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et modifié par la loi du 29 mars 2012, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 91. Les sociétés sont tenues de verser une cotisation annuelle forfaitaire.
Une distinction est opérée entre les sociétés sur la base de critère(s) qui tien(nen)t compte de la taille de la société, en particulier, le total du bilan.
Cette cotisation s'élève à 347,50 EUR pour les sociétés pour lesquelles il s'avère, sur la base de données fournies par la Centrale des bilans de la Banque Nationale de Belgique ou disponibles auprès de celle-ci, que le total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé n'excède pas 746.410,17 EUR. La cotisation est de 868,00 EUR pour les entreprises dont le total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé excède ce montant.
Pour la détermination par société de l'avant-dernier exercice comptable clôturé, il est tenu compte de la situation au 1er janvier de l'année de cotisation.
Le total du bilan est la valeur comptable totale de l'actif tel qu'il apparaît au schéma du bilan qui est déterminé par arrêté royal en vertu de l'article 3:1, § 1, du Code des sociétés et des associations.
Les montants de la cotisation et du total du bilan, visés dans cet article, sont liés à l'indice des prix à la consommation 162,66 (base 1996 = 100). En vue du calcul de la cotisation pour une année déterminée, ils sont multipliés par une fraction dont le dénominateur est 162,66 (soit l'indice des prix à la consommation pour novembre 2021) (base 1996 = 100) et dont le numérateur est l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année qui précède celle pour laquelle la cotisation est due (base 1996 = 100).".
"Art. 91. Les sociétés sont tenues de verser une cotisation annuelle forfaitaire.
Une distinction est opérée entre les sociétés sur la base de critère(s) qui tien(nen)t compte de la taille de la société, en particulier, le total du bilan.
Cette cotisation s'élève à 347,50 EUR pour les sociétés pour lesquelles il s'avère, sur la base de données fournies par la Centrale des bilans de la Banque Nationale de Belgique ou disponibles auprès de celle-ci, que le total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé n'excède pas 746.410,17 EUR. La cotisation est de 868,00 EUR pour les entreprises dont le total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé excède ce montant.
Pour la détermination par société de l'avant-dernier exercice comptable clôturé, il est tenu compte de la situation au 1er janvier de l'année de cotisation.
Le total du bilan est la valeur comptable totale de l'actif tel qu'il apparaît au schéma du bilan qui est déterminé par arrêté royal en vertu de l'article 3:1, § 1, du Code des sociétés et des associations.
Les montants de la cotisation et du total du bilan, visés dans cet article, sont liés à l'indice des prix à la consommation 162,66 (base 1996 = 100). En vue du calcul de la cotisation pour une année déterminée, ils sont multipliés par une fraction dont le dénominateur est 162,66 (soit l'indice des prix à la consommation pour novembre 2021) (base 1996 = 100) et dont le numérateur est l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année qui précède celle pour laquelle la cotisation est due (base 1996 = 100).".
Art. 179. Artikel 92 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen als volgt:
"De bijdrage, bedoeld in artikel 91, moet met ingang van het bijdragejaar 2023 uiterlijk op 31 december van ieder bijdragejaar worden vereffend of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen, voor zover die laatste dag 31 december van het bijdragejaar niet voorafgaat.".
"De bijdrage, bedoeld in artikel 91, moet met ingang van het bijdragejaar 2023 uiterlijk op 31 december van ieder bijdragejaar worden vereffend of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen, voor zover die laatste dag 31 december van het bijdragejaar niet voorafgaat.".
Art. 179. L'article 92 de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit:
"A compter de l'année de cotisation 2023, la cotisation visée à l'article 91, doit être réglée au plus tard le 31 décembre de chaque année de cotisation ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents, pour autant que ce dernier jour ne soit pas antérieur au 31 décembre de l'année de cotisation.".
"A compter de l'année de cotisation 2023, la cotisation visée à l'article 91, doit être réglée au plus tard le 31 décembre de chaque année de cotisation ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents, pour autant que ce dernier jour ne soit pas antérieur au 31 décembre de l'année de cotisation.".
Art. 180. In artikel 92bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden "de Administratie der directe belastingen" vervangen door de woorden "De algemene administratie van de Fiscaliteit van de FOD Financiën".
Art. 180. Dans l'article 92bis de la même loi, inséré par la loi du 25 janvier 1999, les mots "l'Administration des Contributions directes" sont remplacés par les mots "l'Administration générale de la Fiscalité du SPF Finances".
Art. 181. Artikel 92ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2020 en gewijzigd bij de wet van 2 april 2021, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van artikel 92 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen dient de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2022 te worden vereffend ten laatste op 31 december 2022 of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen, voor zover die laatste dag 31 december 2022 niet voorafgaat.".
"In afwijking van artikel 92 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen dient de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2022 te worden vereffend ten laatste op 31 december 2022 of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen, voor zover die laatste dag 31 december 2022 niet voorafgaat.".
Art. 181. L'article 92ter de la même loi, inséré par la loi du 29 mai 2020 et modifié par la loi du 2 avril 2021, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'article 92 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, la cotisation relative à l'année 2022 doit être réglée au plus tard le 31 décembre 2022 ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents, pour autant que ce dernier jour ne soit pas antérieur au 31 décembre 2022.".
"Par dérogation à l'article 92 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, la cotisation relative à l'année 2022 doit être réglée au plus tard le 31 décembre 2022 ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents, pour autant que ce dernier jour ne soit pas antérieur au 31 décembre 2022.".
Art. 182. In artikel 94, 9°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991" vervangen door de woorden "die ingeschreven zijn als inschrijvingsplichtige onderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen";
2° in het tweede lid worden de woorden "tien jaar" en "drie jaar" respectievelijk vervangen door de woorden "veertig kalenderkwartalen" en "twaalf kalenderkwartalen".
1° in het eerste lid worden de woorden "die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991" vervangen door de woorden "die ingeschreven zijn als inschrijvingsplichtige onderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen";
2° in het tweede lid worden de woorden "tien jaar" en "drie jaar" respectievelijk vervangen door de woorden "veertig kalenderkwartalen" en "twaalf kalenderkwartalen".
Art. 182. Dans l'article 94, 9°, de la même loi, modifié par la loi du 29 mars 2012, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "inscrites comme entreprise commerciale dans la Banque Carrefour des Entreprises et constituées après le 1er janvier 1991" sont remplacés par les mots "(qui sont) inscrites en tant qu'entreprise soumise à inscription à la Banque Carrefour des Entreprises.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "dix ans" et "trois ans" sont remplacés respectivement par les mots "quarante trimestres civils" et "douze trimestres civils".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "inscrites comme entreprise commerciale dans la Banque Carrefour des Entreprises et constituées après le 1er janvier 1991" sont remplacés par les mots "(qui sont) inscrites en tant qu'entreprise soumise à inscription à la Banque Carrefour des Entreprises.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "dix ans" et "trois ans" sont remplacés respectivement par les mots "quarante trimestres civils" et "douze trimestres civils".
Art. 183. In artikel 95, § 3, tweede lid, 2°, van dezelfde wet, worden de woorden "een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "een aangetekende zending of via elk ander middel dat een vaste datum en een verzekerde ontvangst waarborgt van de zending".
Art. 183. Dans l'article 95, § 3, alinéa 2, 2°, de la même loi, les mots "une lettre recommandée à la poste adressée" sont remplacés par les mots "un envoi recommandé, ou tout autre moyen conférant une date certaine et l'assurance de la réception de cet envoi, adressé".
Art. 184. Met uitzondering van artikel 181, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2022, en van artikel 182, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2018, treedt dit hoofdstuk in werking op 1 januari 2023 en is voor het eerst van toepassing op de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2023.
Art. 184. A l'exception de l'article 181 qui produit ses effets le 1er janvier 2022, et de l'article 182 qui produit ses effets le 1er novembre 2018, le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023 et s'applique pour la première fois à la cotisation à charge des sociétés relative à l'année 2023.
HOOFDSTUK 2. - Primostarter na arbeidsongeschiktheid
CHAPITRE 2. - Primo-starter après une incapacité de travail
Art. 185. In artikel 12, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hersteld bij de wet van 18 februari 2018 en gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
"De in het eerste lid vastgestelde bijdrageberekening geldt ook voor de eerste vier opeenvolgende kalenderkwartalen van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep van zelfstandigen die een beroepsbezigheid hervatten tijdens of na een periode van ziekte of invaliditeit en minstens twee opeenvolgende kwartalen een gelijkstelling wegens ziekte overeenkomstig artikel 29, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bekomen hebben.".
"De in het eerste lid vastgestelde bijdrageberekening geldt ook voor de eerste vier opeenvolgende kalenderkwartalen van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep van zelfstandigen die een beroepsbezigheid hervatten tijdens of na een periode van ziekte of invaliditeit en minstens twee opeenvolgende kwartalen een gelijkstelling wegens ziekte overeenkomstig artikel 29, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bekomen hebben.".
Art. 185. Dans l'article 12, § 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, rétabli par la loi du 18 février 2018 et modifié par la loi du 12 juillet 2022, un alinéa rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 2 et 3:
"Le calcul des cotisations, défini à l'alinéa 1er, vaut également pour les quatre premiers trimestres civils consécutifs d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal des travailleurs indépendants qui reprennent une activité professionnelle pendant ou après une période de maladie ou d'invalidité et dont au moins deux trimestres consécutifs ont été assimilés pour cause de maladie conformément à l'article 29, § 1er, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.".
"Le calcul des cotisations, défini à l'alinéa 1er, vaut également pour les quatre premiers trimestres civils consécutifs d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal des travailleurs indépendants qui reprennent une activité professionnelle pendant ou après une période de maladie ou d'invalidité et dont au moins deux trimestres consécutifs ont été assimilés pour cause de maladie conformément à l'article 29, § 1er, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.".
Art. 186. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 186. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Art. 187. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op zelfstandigen in hoofdberoep die hun zelfstandige beroepsactiviteit hebben hervat tijdens het eerste kwartaal van 2022, en voor dit kwartaal nog een gelijkstelling wegens ziekte hebben bekomen overeenkomstig artikel 29, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, of tijdens een volgend kwartaal van 2022 en vóór 1 januari 2023, voor de berekening van de sociale bijdragen verschuldigd voor de kalenderkwartalen vanaf het eerste kwartaal 2023.
Art. 187. Le présent chapitre est également applicable aux travailleurs indépendants à titre principal qui ont repris leur activité professionnelle indépendante au cours du premier trimestre 2022, et qui ont encore obtenu une assimilation pour cause de maladie pour ce trimestre conformément à l'article 29, § 1er, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, ou pour un trimestre suivant de 2022 et avant le 1er janvier 2023, pour le calcul des cotisations sociales dues pour les trimestres civils à partir du premier trimestre 2023.
HOOFDSTUK 3. - Overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen
CHAPITRE 3. - Un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants
Afdeling 1. - Inleidende bepalingen
Section 1re. - Dispositions introductives
Art. 188. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° "het koninklijk besluit nr. 38": het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° "de zelfstandige": de zelfstandige, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
3° "de helper": de helper, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
4° "de meewerkende echtgenoot": de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
5° "de aanvrager": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het in dit hoofdstuk bedoelde overbruggingsrecht;
6° "de begunstigde": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die het in dit hoofdstuk bedoelde overbruggingsrecht geniet;
7° "het sociaal verzekeringsfonds": de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
8° "het Rijksinstituut": het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 38;
9° "de financiële uitkering": de krachtens dit hoofdstuk toegekende uitkering;
10° "de sociale rechten": de krachtens dit hoofdstuk toegekende rechten.
1° "het koninklijk besluit nr. 38": het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° "de zelfstandige": de zelfstandige, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
3° "de helper": de helper, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
4° "de meewerkende echtgenoot": de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
5° "de aanvrager": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het in dit hoofdstuk bedoelde overbruggingsrecht;
6° "de begunstigde": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die het in dit hoofdstuk bedoelde overbruggingsrecht geniet;
7° "het sociaal verzekeringsfonds": de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
8° "het Rijksinstituut": het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 38;
9° "de financiële uitkering": de krachtens dit hoofdstuk toegekende uitkering;
10° "de sociale rechten": de krachtens dit hoofdstuk toegekende rechten.
Art. 188. Pour l'application de du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par:
1° "l'arrêté royal n° 38": l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° "le travailleur indépendant": le travailleur indépendant, visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3° "l'aidant": l'aidant, visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4° "le conjoint aidant": le conjoint aidant, visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5° "le demandeur": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir le droit passerelle, visé dans le présent chapitre;
6° "le bénéficiaire": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie du droit passerelle, visé dans le présent chapitre;
7° "la caisse d'assurances sociales": la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8° "l'Institut national": l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visé à l'article 21 de l'arrêté royal n° 38;
9° "la prestation financière": la prestation octroyée en vertu du présent chapitre;
10° "les droits sociaux": les droits octroyés en vertu du présent chapitre.
1° "l'arrêté royal n° 38": l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° "le travailleur indépendant": le travailleur indépendant, visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3° "l'aidant": l'aidant, visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4° "le conjoint aidant": le conjoint aidant, visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5° "le demandeur": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir le droit passerelle, visé dans le présent chapitre;
6° "le bénéficiaire": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie du droit passerelle, visé dans le présent chapitre;
7° "la caisse d'assurances sociales": la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8° "l'Institut national": l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visé à l'article 21 de l'arrêté royal n° 38;
9° "la prestation financière": la prestation octroyée en vertu du présent chapitre;
10° "les droits sociaux": les droits octroyés en vertu du présent chapitre.
Art. 189. Dit hoofdstuk voert een overbruggingsrecht in, bestaande uit:
1° een financiële uitkering; en
2° het behoud van de sociale rechten inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
1° een financiële uitkering; en
2° het behoud van de sociale rechten inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art. 189. Le présent chapitre instaure un droit passerelle qui consiste en:
1° une prestation financière; et
2° le maintien des droits sociaux en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
1° une prestation financière; et
2° le maintien des droits sociaux en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Section 2. - Champ d'application
Art. 190. Komen in aanmerking voor het overbruggingsrecht, bedoeld in artikel 189:
1° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, gedwongen worden elke zelfstandige activiteit te onderbreken of stop te zetten;
2° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die zich in economische moeilijkheden bevinden en die beslissen om elke zelfstandige activiteit officieel stop te zetten.
1° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, gedwongen worden elke zelfstandige activiteit te onderbreken of stop te zetten;
2° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die zich in economische moeilijkheden bevinden en die beslissen om elke zelfstandige activiteit officieel stop te zetten.
Art. 190. Entrent en ligne de compte pour bénéficier du droit passerelle, visé à l'article 189:
1° les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants qui, pour des raisons indépendantes de leur volonté, sont forcés d'interrompre ou de cesser toute activité indépendante;
2° les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants qui se trouvent en difficultés économiques et qui décident de cesser officiellement toute activité indépendante.
1° les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants qui, pour des raisons indépendantes de leur volonté, sont forcés d'interrompre ou de cesser toute activité indépendante;
2° les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants qui se trouvent en difficultés économiques et qui décident de cesser officiellement toute activité indépendante.
Afdeling 3. - Voorwaarden
Section 3. - Conditions
Art. 191. § 1. Om het in artikel 189 bedoelde overbruggingsrecht te genieten, moeten de in artikel 190 bedoelde zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de vier kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
2° voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, [1 of artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, of 3°]1, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn;
3° de in 2° bedoelde wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen effectief betaald hebben of pensioenrechten hebben opgebouwd overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, voor minstens vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
4° in België hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 2. Onder feit, bedoeld in § 1, wordt verstaan:
1° het begin van de onderbreking of de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1° ;
2° de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 190, 2°.
1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de vier kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
2° voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, [1 of artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, of 3°]1, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn;
3° de in 2° bedoelde wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen effectief betaald hebben of pensioenrechten hebben opgebouwd overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, voor minstens vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
4° in België hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 2. Onder feit, bedoeld in § 1, wordt verstaan:
1° het begin van de onderbreking of de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1° ;
2° de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 190, 2°.
Art. 191. § 1er. Pour bénéficier du droit passerelle, visé à l'article 189, les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants, visés à l'article 190, doivent remplir les conditions cumulatives suivantes:
1° prouver leur assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 pendant les quatre trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait se produit;
2° pour la période, visée au 1°, être redevable des cotisations, visées aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, [1 ou 13bis, § 2, 1°, 2° ou 3°]1, de l'arrêté royal n° 38;
3° avoir effectivement payé des cotisations provisoires légalement dues, visées au 2°, ou avoir constitué des droits à la pension conformément à l'arrêté royal n° 72 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, pour au moins quatre trimestres, pendant la période de seize trimestres qui précède le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait se produit;
4° avoir en Belgique leur résidence principale, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 2. Par "fait", visé au § 1er, on entend:
1° le début de l'interruption ou la cessation de l'activité indépendante dans les cas visés à l'article 190,1° ;
2° la cessation de l'activité indépendante dans les cas visés à l'article 190, 2°.
1° prouver leur assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 pendant les quatre trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait se produit;
2° pour la période, visée au 1°, être redevable des cotisations, visées aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, [1 ou 13bis, § 2, 1°, 2° ou 3°]1, de l'arrêté royal n° 38;
3° avoir effectivement payé des cotisations provisoires légalement dues, visées au 2°, ou avoir constitué des droits à la pension conformément à l'arrêté royal n° 72 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, pour au moins quatre trimestres, pendant la période de seize trimestres qui précède le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait se produit;
4° avoir en Belgique leur résidence principale, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 2. Par "fait", visé au § 1er, on entend:
1° le début de l'interruption ou la cessation de l'activité indépendante dans les cas visés à l'article 190,1° ;
2° la cessation de l'activité indépendante dans les cas visés à l'article 190, 2°.
Wijzigingen
Art. 192. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen het overbruggingsrecht slechts genieten op voorwaarde dat zij:
1° niet zijn veroordeeld op grond van de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek;
2° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen;
3° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door opzettelijk de omstandigheden te hebben bewerkstelligd die tot de onderbreking hebben geleid.
1° niet zijn veroordeeld op grond van de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek;
2° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen;
3° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door opzettelijk de omstandigheden te hebben bewerkstelligd die tot de onderbreking hebben geleid.
Art. 192. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants ne peuvent bénéficier du droit passerelle qu'à condition qu'ils:
1° ne soient pas condamnés sur base des articles 489, 489bis et 489ter du Code pénal;
2° n'aient pas obtenu le droit passerelle suite à des manoeuvres frauduleuses ou à des déclarations fausses ou sciemment incomplètes;
3° n'aient pas obtenu le droit passerelle en provoquant intentionnellement les circonstances qui ont conduit à l'interruption.
1° ne soient pas condamnés sur base des articles 489, 489bis et 489ter du Code pénal;
2° n'aient pas obtenu le droit passerelle suite à des manoeuvres frauduleuses ou à des déclarations fausses ou sciemment incomplètes;
3° n'aient pas obtenu le droit passerelle en provoquant intentionnellement les circonstances qui ont conduit à l'interruption.
Afdeling 4. - Toekenningsperiode
Section 4. - Période d'octroi
Art. 193. § 1. De toekenningsperiode van de financiële uitkering, bedoeld in artikel 189, 1°, vangt aan op het ogenblik waarop het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tenzij dit feit geen aanleiding geeft tot een onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende minstens zeven opeenvolgende kalenderdagen.
§ 2. De toekenningsperiode van de sociale rechten, bedoeld in artikel 189, 2°, vangt aan op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tenzij dit feit geen aanleiding geeft tot de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende een volledige kalendermaand. In dat laatste geval worden deze sociale rechten niet toegekend.
§ 3. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen het in artikel 189 bedoelde overbruggingsrecht genieten, al dan niet verspreid over één of meerdere in artikel 191, § 2, bedoelde feiten, gedurende:
1° twaalf maanden voor wat betreft de financiële uitkering, en
2° vier kwartalen voor wat betreft de sociale rechten.
Indien de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten aantonen dat zij voldoende aantal pensioengerechtigde kwartalen hebben opgebouwd overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, in de periode die aanvangt met het kwartaal waarin een in artikel 187, § 2, bedoeld feit zich voordoet en eindigt met het kwartaal waarin er zich een nieuw feit, bedoeld in artikel 187, § 2, voordoet, hebben zij, naar aanleiding van dat laatste feit en na uitputting van de eerste twaalf maanden financiële uitkering en de eerste vier kwartalen behoud van bepaalde sociale rechten, recht op bijkomende maanden financiële uitkeringen en kwartalen behoud van rechten:
1° indien de aanvrager minder dan twaalf kwartalen kan aantonen, heeft hij recht op
a) drie bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
2° indien de aanvrager minstens twaalf kwartalen kan aantonen, maar minder dan zestien, heeft hij recht op
a) vier bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
3° indien de aanvrager minstens zestien kwartalen kan aantonen, maar minder dan twintig, heeft hij recht op
a) vijf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
4° in het geval de aanvrager minstens twintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan vierentwintig, heeft hij recht op
a) zes bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
5° in het geval de aanvrager minstens vierentwintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan achtentwintig, heeft hij recht op
a) zeven bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
6° in het geval de aanvrager minstens achtentwintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan tweeëndertig, heeft hij recht op
a) acht bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
7° in het geval de aanvrager minstens tweeëndertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan zesendertig, heeft hij recht op
a) negen bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
8° in het geval de aanvrager minstens zesendertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan veertig, heeft hij recht op
a) tien bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
9° in het geval de aanvrager minstens veertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan vierenveertig, heeft hij recht op
a) elf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
10° in het geval de aanvrager minstens vierenveertig kwartalen kan aantonen, heeft hij recht op
a) twaalf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) vier bijkomende kwartalen sociale rechten.
Voor elk in artikel 191, § 2, bedoeld feit dat aanleiding geeft tot het genot van het overbruggingsrecht, kunnen er slechts maximaal twaalf maanden financiële uitkering en vier kwartalen sociale rechten toegekend worden.
De totale duur van het overbruggingsrecht toegekend krachtens dit artikel wordt verminderd met de maanden en kwartalen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot reeds heeft genoten sinds 1 juli 1997 krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, en haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van artikel 2bis van voornoemd koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten van dat artikel, en krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
§ 2. De toekenningsperiode van de sociale rechten, bedoeld in artikel 189, 2°, vangt aan op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tenzij dit feit geen aanleiding geeft tot de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende een volledige kalendermaand. In dat laatste geval worden deze sociale rechten niet toegekend.
§ 3. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen het in artikel 189 bedoelde overbruggingsrecht genieten, al dan niet verspreid over één of meerdere in artikel 191, § 2, bedoelde feiten, gedurende:
1° twaalf maanden voor wat betreft de financiële uitkering, en
2° vier kwartalen voor wat betreft de sociale rechten.
Indien de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten aantonen dat zij voldoende aantal pensioengerechtigde kwartalen hebben opgebouwd overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, in de periode die aanvangt met het kwartaal waarin een in artikel 187, § 2, bedoeld feit zich voordoet en eindigt met het kwartaal waarin er zich een nieuw feit, bedoeld in artikel 187, § 2, voordoet, hebben zij, naar aanleiding van dat laatste feit en na uitputting van de eerste twaalf maanden financiële uitkering en de eerste vier kwartalen behoud van bepaalde sociale rechten, recht op bijkomende maanden financiële uitkeringen en kwartalen behoud van rechten:
1° indien de aanvrager minder dan twaalf kwartalen kan aantonen, heeft hij recht op
a) drie bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
2° indien de aanvrager minstens twaalf kwartalen kan aantonen, maar minder dan zestien, heeft hij recht op
a) vier bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
3° indien de aanvrager minstens zestien kwartalen kan aantonen, maar minder dan twintig, heeft hij recht op
a) vijf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) één bijkomend kwartaal sociale rechten;
4° in het geval de aanvrager minstens twintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan vierentwintig, heeft hij recht op
a) zes bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
5° in het geval de aanvrager minstens vierentwintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan achtentwintig, heeft hij recht op
a) zeven bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
6° in het geval de aanvrager minstens achtentwintig kwartalen kan aantonen, maar minder dan tweeëndertig, heeft hij recht op
a) acht bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) twee bijkomende kwartalen sociale rechten;
7° in het geval de aanvrager minstens tweeëndertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan zesendertig, heeft hij recht op
a) negen bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
8° in het geval de aanvrager minstens zesendertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan veertig, heeft hij recht op
a) tien bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
9° in het geval de aanvrager minstens veertig kwartalen kan aantonen, maar minder dan vierenveertig, heeft hij recht op
a) elf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) drie bijkomende kwartalen sociale rechten;
10° in het geval de aanvrager minstens vierenveertig kwartalen kan aantonen, heeft hij recht op
a) twaalf bijkomende maanden financiële uitkering; en
b) vier bijkomende kwartalen sociale rechten.
Voor elk in artikel 191, § 2, bedoeld feit dat aanleiding geeft tot het genot van het overbruggingsrecht, kunnen er slechts maximaal twaalf maanden financiële uitkering en vier kwartalen sociale rechten toegekend worden.
De totale duur van het overbruggingsrecht toegekend krachtens dit artikel wordt verminderd met de maanden en kwartalen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot reeds heeft genoten sinds 1 juli 1997 krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, en haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van artikel 2bis van voornoemd koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten van dat artikel, en krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
Art. 193. § 1er. La période d'octroi de la prestation financière, visée à l'article 189, 1°, débute au moment où le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit, sauf si ce fait ne donne pas lieu à une interruption de l'activité professionnelle pendant au moins sept jours civils consécutifs.
§ 2. La période d'octroi des droits sociaux, visée à l'article 189, 2°, débute au premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait visé à l'article 191, § 2, se produit, sauf si ce fait ne donne pas lieu à une interruption de l'activité professionnelle pendant un mois civil complet. Dans ce dernier cas, ces droits sociaux ne sont pas octroyés.
§ 3. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants peuvent bénéficier du droit passerelle, visé à l'article 189, réparti ou non sur un ou plusieurs faits visés à l'article 191, § 2, pendant:
1° douze mois en ce qui concerne la prestation financière, et
2° quatre trimestres en ce qui concerne les droits sociaux.
Si les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants démontrent avoir constitué un nombre suffisant de trimestres de droits à la pension conformément à l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, dans la période d'intervalle qui commence par le trimestre au cours duquel un fait visé à l'article 187, § 2, s'est produit et se termine par le trimestre au cours duquel un nouveau fait visé à l'article 187, § 2, se produit, ils ont, en raison de ce dernier fait et après épuisement des douze premiers mois de prestations financières et des quatre premiers trimestres de maintien de certains droits sociaux, droit à des mois de prestation financière et des trimestres de maintien de droits sociaux additionnels:
1° si le demandeur peut démontrer moins de douze trimestres, il a droit à
a) trois mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
2° si le demandeur peut démontrer au moins douze trimestres, mais moins de seize, il a droit à
a) quatre mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
3° si le demandeur peut démontrer au moins seize trimestres, mais moins de vingt, il a droit à
a) cinq mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
4° si le demandeur peut démontrer au moins vingt trimestres, mais moins de vingt-quatre, il a droit à
a) six mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
5° si le demandeur peut démontrer au moins vingt-quatre trimestres, mais moins de vingt-huit, il a droit à
a) sept mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
6° si le demandeur peut démontrer au moins vingt-huit trimestres, mais moins de trente-deux, il a droit à
a) huit mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
7° si le demandeur peut démontrer au moins trente-deux trimestres, mais moins de trente-six, il a droit à
a) neuf mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels de droits sociaux;
8° si le demandeur peut démontrer au moins trente-six trimestres, mais moins de quarante, il a droit à
a) dix mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels des droits sociaux;
9° si le demandeur peut démontrer au moins quarante trimestres, mais moins de quarante-quatre, il a droit à
a) onze mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels des droits sociaux;
10° si le demandeur peut démontrer au moins quarante-quatre trimestres, il a droit à
a) douze mois additionnels de prestations financières; et
b) quatre trimestres additionnels des droits sociaux.
Pour chaque fait visé, à l'article 191, § 2, entraînant le bénéfice du droit passerelle, il ne peut être octroyé au maximum que douze mois de prestations financières et quatre trimestres de droits sociaux.
La durée totale du droit passerelle octroyé en vertu du présent article, est réduite des mois et trimestres dont le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant a déjà bénéficié depuis le 1er juillet 1997 en vertu de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, et ses arrêtés d'exécution, à l'exception de l'article 2bis de l'arrêté royal précité et des arrêtés d'exécution dudit article, et en vertu de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants.
§ 2. La période d'octroi des droits sociaux, visée à l'article 189, 2°, débute au premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait visé à l'article 191, § 2, se produit, sauf si ce fait ne donne pas lieu à une interruption de l'activité professionnelle pendant un mois civil complet. Dans ce dernier cas, ces droits sociaux ne sont pas octroyés.
§ 3. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants peuvent bénéficier du droit passerelle, visé à l'article 189, réparti ou non sur un ou plusieurs faits visés à l'article 191, § 2, pendant:
1° douze mois en ce qui concerne la prestation financière, et
2° quatre trimestres en ce qui concerne les droits sociaux.
Si les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants démontrent avoir constitué un nombre suffisant de trimestres de droits à la pension conformément à l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, dans la période d'intervalle qui commence par le trimestre au cours duquel un fait visé à l'article 187, § 2, s'est produit et se termine par le trimestre au cours duquel un nouveau fait visé à l'article 187, § 2, se produit, ils ont, en raison de ce dernier fait et après épuisement des douze premiers mois de prestations financières et des quatre premiers trimestres de maintien de certains droits sociaux, droit à des mois de prestation financière et des trimestres de maintien de droits sociaux additionnels:
1° si le demandeur peut démontrer moins de douze trimestres, il a droit à
a) trois mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
2° si le demandeur peut démontrer au moins douze trimestres, mais moins de seize, il a droit à
a) quatre mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
3° si le demandeur peut démontrer au moins seize trimestres, mais moins de vingt, il a droit à
a) cinq mois additionnels de prestations financières; et
b) un trimestre additionnel de droits sociaux;
4° si le demandeur peut démontrer au moins vingt trimestres, mais moins de vingt-quatre, il a droit à
a) six mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
5° si le demandeur peut démontrer au moins vingt-quatre trimestres, mais moins de vingt-huit, il a droit à
a) sept mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
6° si le demandeur peut démontrer au moins vingt-huit trimestres, mais moins de trente-deux, il a droit à
a) huit mois additionnels de prestations financières; et
b) deux trimestres additionnels de droits sociaux;
7° si le demandeur peut démontrer au moins trente-deux trimestres, mais moins de trente-six, il a droit à
a) neuf mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels de droits sociaux;
8° si le demandeur peut démontrer au moins trente-six trimestres, mais moins de quarante, il a droit à
a) dix mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels des droits sociaux;
9° si le demandeur peut démontrer au moins quarante trimestres, mais moins de quarante-quatre, il a droit à
a) onze mois additionnels de prestations financières; et
b) trois trimestres additionnels des droits sociaux;
10° si le demandeur peut démontrer au moins quarante-quatre trimestres, il a droit à
a) douze mois additionnels de prestations financières; et
b) quatre trimestres additionnels des droits sociaux.
Pour chaque fait visé, à l'article 191, § 2, entraînant le bénéfice du droit passerelle, il ne peut être octroyé au maximum que douze mois de prestations financières et quatre trimestres de droits sociaux.
La durée totale du droit passerelle octroyé en vertu du présent article, est réduite des mois et trimestres dont le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant a déjà bénéficié depuis le 1er juillet 1997 en vertu de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, et ses arrêtés d'exécution, à l'exception de l'article 2bis de l'arrêté royal précité et des arrêtés d'exécution dudit article, et en vertu de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants.
Afdeling 5. - Nadere uitvoeringsregels
Section 5. - Modalités d'exécution
Onderafdeling 1. - De aanvraagprocedure
Sous-section 1re. - La procédure de demande
Art. 194. § 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten moeten hun aanvraag indienen bij het sociaal verzekeringsfonds waarbij zij het laatst waren aangesloten.
Op straffe van verval moet de aanvraag ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
§ 2. De aanvraag moet worden ingediend met een aangetekend schrijven, door neerlegging van een verzoekschrift ter plaatse tegen ontvangstbewijs of, indien mogelijk, via elektronische weg, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld in de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke op bovenvermelde wijze ingediende aanvraag in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend met een ter post aangetekend schrijven, geldt de datum van de poststempel als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend door het neerleggen van een verzoekschrift ter plaatse, registreert het sociaal verzekeringsfonds de aanvraag onmiddellijk en overhandigt de aanvrager een ontvangstbewijs waarop de datum van registratie vermeld wordt. De datum van registratie geldt als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum waarop de aanvraag is ingediend.
§ 3. Het sociaal verzekeringsfonds nodigt de aanvrager onverwijld uit om binnen de dertig dagen een inlichtingenformulier behoorlijk in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen.
Op straffe van verval moet de aanvraag ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
§ 2. De aanvraag moet worden ingediend met een aangetekend schrijven, door neerlegging van een verzoekschrift ter plaatse tegen ontvangstbewijs of, indien mogelijk, via elektronische weg, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld in de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke op bovenvermelde wijze ingediende aanvraag in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend met een ter post aangetekend schrijven, geldt de datum van de poststempel als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend door het neerleggen van een verzoekschrift ter plaatse, registreert het sociaal verzekeringsfonds de aanvraag onmiddellijk en overhandigt de aanvrager een ontvangstbewijs waarop de datum van registratie vermeld wordt. De datum van registratie geldt als datum waarop de aanvraag is ingediend.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum waarop de aanvraag is ingediend.
§ 3. Het sociaal verzekeringsfonds nodigt de aanvrager onverwijld uit om binnen de dertig dagen een inlichtingenformulier behoorlijk in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen.
Art. 194. § 1er. Les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants doivent introduire leur demande auprès de la caisse d'assurances sociales à laquelle ils étaient affiliés en dernier lieu.
Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
§ 2. La demande doit être introduite par lettre recommandée, par dépôt d'une requête sur place contre accusé de réception ou, si possible, par voie électronique, selon les modalités et conditions déterminées par la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque demande introduite de la manière précitée dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Lorsque la demande est introduite par lettre recommandée à la poste, la date du cachet de la poste vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par le dépôt d'une requête, la caisse d'assurances sociales enregistre la demande immédiatement et remet au demandeur un accusé de réception dans laquelle la date d'enregistrement est mentionnée. La date d'enregistrement vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par voie électronique, la date de l'envoi électronique vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
§ 3. La caisse d'assurances sociales invite immédiatement le demandeur à dûment compléter un formulaire de renseignements, à le signer et le renvoyer dans les trente jours.
Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
§ 2. La demande doit être introduite par lettre recommandée, par dépôt d'une requête sur place contre accusé de réception ou, si possible, par voie électronique, selon les modalités et conditions déterminées par la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque demande introduite de la manière précitée dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Lorsque la demande est introduite par lettre recommandée à la poste, la date du cachet de la poste vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par le dépôt d'une requête, la caisse d'assurances sociales enregistre la demande immédiatement et remet au demandeur un accusé de réception dans laquelle la date d'enregistrement est mentionnée. La date d'enregistrement vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
Lorsque la demande est introduite par voie électronique, la date de l'envoi électronique vaut comme date à laquelle la demande est introduite.
§ 3. La caisse d'assurances sociales invite immédiatement le demandeur à dûment compléter un formulaire de renseignements, à le signer et le renvoyer dans les trente jours.
Onderafdeling 2. - De beslissing
Sous-section 2. - La décision
Art. 195. Het sociaal verzekeringsfonds gaat na of aan de voorwaarden van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten is voldaan.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent de beslissing aan de aanvrager bij een aangetekend schrijven. Indien de aanvraag wordt geweigerd, worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank er in vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert de beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Zodra het sociaal verzekeringsfonds een beslissing heeft genomen, gaat het, zo nodig, over tot de uitbetaling van de financiële uitkering.
Het sociaal verzekeringsfonds betekent de beslissing aan de aanvrager bij een aangetekend schrijven. Indien de aanvraag wordt geweigerd, worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank er in vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert de beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
Zodra het sociaal verzekeringsfonds een beslissing heeft genomen, gaat het, zo nodig, over tot de uitbetaling van de financiële uitkering.
Art. 195. La caisse d'assurances sociales vérifie si les conditions du présent chapitre et les arrêtés d'exécution sont remplies.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision au demandeur par lettre recommandée. Si la demande est refusée, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail y sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre la décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Dès que la caisse d'assurances sociales a pris une décision, elle procède, si nécessaire, au versement de la prestation financière.
La caisse d'assurances sociales notifie la décision au demandeur par lettre recommandée. Si la demande est refusée, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail y sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre la décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
Dès que la caisse d'assurances sociales a pris une décision, elle procède, si nécessaire, au versement de la prestation financière.
Onderafdeling 3. - Het bedrag van de financiële uitkering
Sous-section 3. - Le montant de la prestation financière
Art. 196. § 1. Het maandelijks bedrag van de financiële uitkering bedraagt [1 1.343,87 euro]1 en wordt, binnen de toekenningsperiode, bepaald in artikel 193, § 3, en onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden van dit hoofdstuk, toegekend voor elke volledige kalendermaand waarin geen beroepsactiviteit wordt uitgeoefend.
De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van [1 1.679,31 euro]1 op voorwaarde dat hij een persoon ten laste heeft in de zin van 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Het hebben van een persoon ten laste wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling.
Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde een persoon ten laste heeft, dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste verschilbetaling uit te voeren.
Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, kan slechts aan één enkele begunstigde worden toegekend indien meerdere begunstigden op éénzelfde adres hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
[1 De bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100).]1
§ 2. Wanneer de begunstigde in de loop van de toekenningsperiode van het overbruggingsrecht een persoon ten laste verkrijgt of ophoudt deze te hebben, wordt de wijziging in het bedrag uitgevoerd vanaf de maand die op die gebeurtenis volgt.
§ 3. In afwijking van § 1, kan de begunstigde aanspraak maken op 25 % van het maandelijks bedrag, bepaald in § 1, en dit voor elke periode van zeven opeenvolgende kalenderdagen waarin geen beroepsactiviteit wordt uitgeoefend.
De financiële uitkering, bedoeld in deze paragraaf, kan uitsluitend toegekend worden voor periodes van zeven opeenvolgende kalenderdagen gelegen in de periode gaande vanaf de dag waarop het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tot de laatste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
[2 § 4. De financiële uitkering die betrekking heeft op de kalendermaand waarin de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, §§ 1 en 3, een einde neemt, wordt pro rata berekend. Het betreft de financiële uitkering voor het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de genoemde kalendermaand en eindigt op de dag waarop de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, § 3, een einde neemt. Voor dat tijdvak bedraagt de financiële uitkering voor elke periode van zeven opeenvolgende dagen 25 % van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 196, § 1.]2
De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van [1 1.679,31 euro]1 op voorwaarde dat hij een persoon ten laste heeft in de zin van 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Het hebben van een persoon ten laste wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling.
Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde een persoon ten laste heeft, dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste verschilbetaling uit te voeren.
Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, kan slechts aan één enkele begunstigde worden toegekend indien meerdere begunstigden op éénzelfde adres hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
[1 De bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100).]1
§ 2. Wanneer de begunstigde in de loop van de toekenningsperiode van het overbruggingsrecht een persoon ten laste verkrijgt of ophoudt deze te hebben, wordt de wijziging in het bedrag uitgevoerd vanaf de maand die op die gebeurtenis volgt.
§ 3. In afwijking van § 1, kan de begunstigde aanspraak maken op 25 % van het maandelijks bedrag, bepaald in § 1, en dit voor elke periode van zeven opeenvolgende kalenderdagen waarin geen beroepsactiviteit wordt uitgeoefend.
De financiële uitkering, bedoeld in deze paragraaf, kan uitsluitend toegekend worden voor periodes van zeven opeenvolgende kalenderdagen gelegen in de periode gaande vanaf de dag waarop het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tot de laatste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
[2 § 4. De financiële uitkering die betrekking heeft op de kalendermaand waarin de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, §§ 1 en 3, een einde neemt, wordt pro rata berekend. Het betreft de financiële uitkering voor het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de genoemde kalendermaand en eindigt op de dag waarop de toekenningsperiode bedoeld in artikel 193, § 3, een einde neemt. Voor dat tijdvak bedraagt de financiële uitkering voor elke periode van zeven opeenvolgende dagen 25 % van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 196, § 1.]2
Art. 196. § 1er. Le montant mensuel de la prestation financière s'élève à [1 1.343,87 euros]1 et est octroyé, pendant la période d'octroi, visée à l'article 193, § 3, et, sous réserve du respect des conditions du présent chapitre, pour chaque mois civil complet pendant lequel aucune activité professionnelle n'est exercée.
Cependant, le bénéficiaire peut prétendre au montant de [1 1.679,31 euros]1 à condition qu'il ait une personne à charge au sens de l'article 123 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Le fait d'avoir une personne à charge se prouve à l'aide d'une attestation de l'organisme assureur.
Tant que la caisse d'assurances sociales ne dispose pas de l'attestation nécessaire, il ne peut être prétendu qu'au montant mensuel visé dans l'alinéa 1er. Lorsque sur la base de l'attestation requise, il s'avère que le bénéficiaire a une personne à charge, la caisse d'assurances sociales doit procéder au paiement de la différence nécessaire.
Le montant, visé au deuxième alinéa, ne peut être octroyé qu'à un seul bénéficiaire si plusieurs bénéficiaires ont leur résidence principale à la même adresse, au sens de l'article 3, premier alinéa, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
[1 Ces montants sont rattachés à l'indice-pivot 147,31 (base 1996 = 100).]1
§ 2. Lorsque, dans le courant de la période d'octroi du droit passerelle, le bénéficiaire a ou cesse d'avoir une personne à charge, la modification au montant mensuel est appliquée à partir du mois suivant cet évènement.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le bénéficiaire peut prétendre à 25 % du montant mensuel, visé au § 1er, et ce, pour chaque période de sept jours civils consécutifs pendant lesquels aucune activité professionnelle n'est exercée.
La prestation financière, visée au présent paragraphe, ne peut être octroyée que pour les périodes de sept jours civils consécutifs situées dans la période allant du jour où le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit jusqu'au dernier jour du mois civil qui suit celui au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
[2 § 4. La prestation financière relative au mois civil au cours duquel la période d'octroi visée à l'article 193, §§ 1er et 3, prend fin, est calculée au prorata. Il s'agit d'une prestation financière pour la période qui débute au premier jour dudit mois civil et se termine le jour où prend fin la période d'octroi visée à l'article 193, § 3. Pour cette période, la prestation financière s'élève, pour chaque période de sept jours consécutifs, à 25 % du montant mensuel visé à l'article 196, § 1er.]2
Cependant, le bénéficiaire peut prétendre au montant de [1 1.679,31 euros]1 à condition qu'il ait une personne à charge au sens de l'article 123 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Le fait d'avoir une personne à charge se prouve à l'aide d'une attestation de l'organisme assureur.
Tant que la caisse d'assurances sociales ne dispose pas de l'attestation nécessaire, il ne peut être prétendu qu'au montant mensuel visé dans l'alinéa 1er. Lorsque sur la base de l'attestation requise, il s'avère que le bénéficiaire a une personne à charge, la caisse d'assurances sociales doit procéder au paiement de la différence nécessaire.
Le montant, visé au deuxième alinéa, ne peut être octroyé qu'à un seul bénéficiaire si plusieurs bénéficiaires ont leur résidence principale à la même adresse, au sens de l'article 3, premier alinéa, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
[1 Ces montants sont rattachés à l'indice-pivot 147,31 (base 1996 = 100).]1
§ 2. Lorsque, dans le courant de la période d'octroi du droit passerelle, le bénéficiaire a ou cesse d'avoir une personne à charge, la modification au montant mensuel est appliquée à partir du mois suivant cet évènement.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le bénéficiaire peut prétendre à 25 % du montant mensuel, visé au § 1er, et ce, pour chaque période de sept jours civils consécutifs pendant lesquels aucune activité professionnelle n'est exercée.
La prestation financière, visée au présent paragraphe, ne peut être octroyée que pour les périodes de sept jours civils consécutifs situées dans la période allant du jour où le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit jusqu'au dernier jour du mois civil qui suit celui au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
[2 § 4. La prestation financière relative au mois civil au cours duquel la période d'octroi visée à l'article 193, §§ 1er et 3, prend fin, est calculée au prorata. Il s'agit d'une prestation financière pour la période qui débute au premier jour dudit mois civil et se termine le jour où prend fin la période d'octroi visée à l'article 193, § 3. Pour cette période, la prestation financière s'élève, pour chaque période de sept jours consécutifs, à 25 % du montant mensuel visé à l'article 196, § 1er.]2
Onderafdeling 4. - Wijzigingen
Sous-section 4. - Modifications
Art. 197. § 1. Zodra het sociaal verzekeringsfonds op de hoogte is van enig element dat een beletsel vormt voor het genot van het in artikel 189 bedoelde overbruggingsrecht, betekent het sociaal verzekeringsfonds, bij een aangetekend schrijven, een nieuwe gemotiveerde beslissing. In deze nieuwe beslissing worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke nieuwe beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
§ 2. De begunstigden zijn verplicht het sociaal verzekeringsfonds elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering en de sociale rechten, mee te delen binnen de vijftien kalenderdagen.
§ 3. Elke wijziging van de in artikel 191, § 1, bedoelde voorwaarden heeft uitwerking:
1° voor de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering, op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de wijziging;
2° voor de in artikel 189, 2°, bedoelde sociale rechten, op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de wijziging.
Indien de aanvrager aanvankelijk niet voldeed aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 191, § 1, 3°, maar zich alsnog in orde stelt met deze voorwaarde binnen de termijn, bedoeld in artikel 194, § 1, tweede lid, heeft dit, in afwijking van het vorige lid en onder voorbehoud van de overige voorwaarden bedoeld in dit hoofdstuk, uitwerking:
1° voor de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering, op het ogenblik waarop het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet;
2° voor de in artikel 189, 2°, bedoelde sociale rechten, op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke nieuwe beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
§ 2. De begunstigden zijn verplicht het sociaal verzekeringsfonds elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering en de sociale rechten, mee te delen binnen de vijftien kalenderdagen.
§ 3. Elke wijziging van de in artikel 191, § 1, bedoelde voorwaarden heeft uitwerking:
1° voor de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering, op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de wijziging;
2° voor de in artikel 189, 2°, bedoelde sociale rechten, op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de wijziging.
Indien de aanvrager aanvankelijk niet voldeed aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 191, § 1, 3°, maar zich alsnog in orde stelt met deze voorwaarde binnen de termijn, bedoeld in artikel 194, § 1, tweede lid, heeft dit, in afwijking van het vorige lid en onder voorbehoud van de overige voorwaarden bedoeld in dit hoofdstuk, uitwerking:
1° voor de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering, op het ogenblik waarop het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet;
2° voor de in artikel 189, 2°, bedoelde sociale rechten, op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
Art. 197. § 1er. Dès que la caisse d'assurances sociales est au courant d'un élément quelconque qui fait obstacle au bénéfice du droit passerelle visé à l'article 189, la caisse d'assurances sociales notifie, par lettre recommandée, une nouvelle décision motivée. Dans cette nouvelle décision, le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail sont mentionnés. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de refus.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque nouvelle décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
§ 2. Les bénéficiaires sont obligés de communiquer à la caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière et les droits sociaux dans les quinze jours civils.
§ 3. Chaque modification dans les conditions visées à l'article 191, § 1er, produit ses effets:
1° pour la prestation financière visée à l'article 189, 1°, au premier jour du mois qui suit le mois de la modification;
2° pour les droits sociaux visés à l'article 189, 2°, au premier jour du trimestre qui suit le trimestre de la modification.
Si le demandeur ne remplit pas initialement la condition, visée à l'article 191, § 1er, 3°, mais qu'il la remplit ensuite dans le délai, visé à l'article 194, § 1er, alinéa 2, celle-ci produit ses effets, par dérogation à l'alinéa précédent et sous réserve du respect des autres conditions visées par le présent chapitre:
1° pour la prestation financière, visée à l'article 189, 1°, au moment où se produit le fait, visé à l'article 191, § 2;
2° pour les droits sociaux, visés à l'article 189, 2°, au premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel survient le fait visé à l'article 191, § 2.
La caisse d'assurances sociales enregistre chaque nouvelle décision dans le réseau informatique du statut social des travailleurs indépendants, qui est géré par l'Institut national.
§ 2. Les bénéficiaires sont obligés de communiquer à la caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière et les droits sociaux dans les quinze jours civils.
§ 3. Chaque modification dans les conditions visées à l'article 191, § 1er, produit ses effets:
1° pour la prestation financière visée à l'article 189, 1°, au premier jour du mois qui suit le mois de la modification;
2° pour les droits sociaux visés à l'article 189, 2°, au premier jour du trimestre qui suit le trimestre de la modification.
Si le demandeur ne remplit pas initialement la condition, visée à l'article 191, § 1er, 3°, mais qu'il la remplit ensuite dans le délai, visé à l'article 194, § 1er, alinéa 2, celle-ci produit ses effets, par dérogation à l'alinéa précédent et sous réserve du respect des autres conditions visées par le présent chapitre:
1° pour la prestation financière, visée à l'article 189, 1°, au moment où se produit le fait, visé à l'article 191, § 2;
2° pour les droits sociaux, visés à l'article 189, 2°, au premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel survient le fait visé à l'article 191, § 2.
Onderafdeling 5. - Cumul 1/ Cumul met een beroepsactiviteit
Sous-section 5. - Cumul 1/ Cumul avec une activité professionnelle
Art. 198. § 1. Indien de begunstigde, in de periode bedoeld in artikel 193, § 3, minstens gedurende één kalendermaand het volledige bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, genoten heeft, wordt de in artikel 196, § 1, bedoelde financiële uitkering voor de kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, binnen de grenzen bepaald in artikel 193, § 3, verminderd met 25 %.
§ 2. Indien de begunstigde, in de periode bedoeld in artikel 193, § 3, minstens gedurende twee kalendermaanden het volledige bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, genoten heeft, wordt de in artikel 196, § 1, bedoelde financiële uitkering, binnen de grenzen, bedoeld in artikel 193, § 3, verminderd als volgt:
- voor de eerste kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 25 %;
- voor de tweede kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 50 %.
§ 3. Indien de begunstigde, in de periode, bedoeld in artikel 193, § 3, minstens gedurende drie kalendermaanden het volledige bedrag bedoeld in artikel 196, § 1, genoten heeft, wordt de in artikel 196, § 1, bedoelde financiële uitkering, binnen de grenzen bedoeld in artikel 193, § 3, verminderd als volgt:
- voor de eerste kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 25 %;
- voor de tweede kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 50 %;
- voor de derde kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 75 %.
§ 4. In de periode, bedoeld in artikel 193, § 3, kan de begunstigde de financiële uitkering verminderd overeenkomstig dit artikel gedurende maximaal drie kalendermaanden genieten.
§ 5. In afwijking van het voorgaande, wordt de financiële uitkering, bedoeld in artikel 196, § 3, opgeschort gedurende de periode van zeven opeenvolgende kalenderdagen indien er een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend in die periode.
§ 6. De kalendermaanden waarin de verminderde financiële uitkering wordt toegekend overeenkomstig dit artikel, worden volledig in mindering gebracht bij het bepalen van de toekenningsduur in het kader van artikel 193, § 3.
§ 7. In het geval het bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, overeenkomstig artikel 198 wordt verminderd, wordt, voor de toepassing van het huidige artikel, de begunstigde geacht het volledige bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, te hebben genoten.
2/ Cumul met een vervangingsinkomen in het kader van de sociale zekerheid
§ 2. Indien de begunstigde, in de periode bedoeld in artikel 193, § 3, minstens gedurende twee kalendermaanden het volledige bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, genoten heeft, wordt de in artikel 196, § 1, bedoelde financiële uitkering, binnen de grenzen, bedoeld in artikel 193, § 3, verminderd als volgt:
- voor de eerste kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 25 %;
- voor de tweede kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 50 %.
§ 3. Indien de begunstigde, in de periode, bedoeld in artikel 193, § 3, minstens gedurende drie kalendermaanden het volledige bedrag bedoeld in artikel 196, § 1, genoten heeft, wordt de in artikel 196, § 1, bedoelde financiële uitkering, binnen de grenzen bedoeld in artikel 193, § 3, verminderd als volgt:
- voor de eerste kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 25 %;
- voor de tweede kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 50 %;
- voor de derde kalendermaand waarin hij een beroepsactiviteit uitoefent, met 75 %.
§ 4. In de periode, bedoeld in artikel 193, § 3, kan de begunstigde de financiële uitkering verminderd overeenkomstig dit artikel gedurende maximaal drie kalendermaanden genieten.
§ 5. In afwijking van het voorgaande, wordt de financiële uitkering, bedoeld in artikel 196, § 3, opgeschort gedurende de periode van zeven opeenvolgende kalenderdagen indien er een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend in die periode.
§ 6. De kalendermaanden waarin de verminderde financiële uitkering wordt toegekend overeenkomstig dit artikel, worden volledig in mindering gebracht bij het bepalen van de toekenningsduur in het kader van artikel 193, § 3.
§ 7. In het geval het bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, overeenkomstig artikel 198 wordt verminderd, wordt, voor de toepassing van het huidige artikel, de begunstigde geacht het volledige bedrag, bedoeld in artikel 196, § 1, te hebben genoten.
2/ Cumul met een vervangingsinkomen in het kader van de sociale zekerheid
Art. 198. § 1er. Si, au cours de la période visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire a perçu le montant complet, visé à l'article 196, § 1er, pendant au moins un mois civil, la prestation financière, visée à l'article 196, § 1er, est réduite de 25 % pour le mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle, dans les limites fixées par l'article 193, § 3.
§ 2. Si, au cours de la période, visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire a perçu le montant complet visé à l'article 196, § 1er, pendant au moins deux mois civils, la prestation financière, visée à l'article 196, § 1er, est réduite, dans les limites fixées par l'article 193, § 3:
- de 25 % pour le premier mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 50 % pour le deuxième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle.
§ 3. Si, au cours de la période visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire a perçu le montant complet, visé à l'article 196, § 1er, pendant au moins trois mois civils, la prestation financière, visée à l'article 196, § 1er, est réduite, dans les limites fixées par l'article 193, § 3:
- de 25 % pour le premier mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 50 % pour le deuxième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 75 % pour le troisième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle.
§ 4. Au cours de la période, visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire peut bénéficier de la prestation financière réduite en vertu du présent article pendant trois mois civils au maximum.
§ 5. Par dérogation à ce qui précède, la prestation financière, visée à l'article 196, § 3, est suspendue pendant la période de sept jours civils consécutifs si une activité professionnelle est exercée pendant cette période.
§ 6. Les mois civils pour lesquels une prestation réduite a été octroyée en vertu du présent article sont déduits intégralement pour le calcul de la période d'octroi dans le cadre de l'article 193, § 3.
§ 7. En cas de réduction du montant, visé à l'article 196, § 1er, conformément à l'article 198, le bénéficiaire est considéré comme ayant bénéficié du montant intégral, visé à l'article 196, § 1er.
2/ Cumul avec un revenu de remplacement dans le cadre de la sécurité sociale
§ 2. Si, au cours de la période, visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire a perçu le montant complet visé à l'article 196, § 1er, pendant au moins deux mois civils, la prestation financière, visée à l'article 196, § 1er, est réduite, dans les limites fixées par l'article 193, § 3:
- de 25 % pour le premier mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 50 % pour le deuxième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle.
§ 3. Si, au cours de la période visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire a perçu le montant complet, visé à l'article 196, § 1er, pendant au moins trois mois civils, la prestation financière, visée à l'article 196, § 1er, est réduite, dans les limites fixées par l'article 193, § 3:
- de 25 % pour le premier mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 50 % pour le deuxième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle;
- de 75 % pour le troisième mois civil au cours duquel il exerce une activité professionnelle.
§ 4. Au cours de la période, visée à l'article 193, § 3, le bénéficiaire peut bénéficier de la prestation financière réduite en vertu du présent article pendant trois mois civils au maximum.
§ 5. Par dérogation à ce qui précède, la prestation financière, visée à l'article 196, § 3, est suspendue pendant la période de sept jours civils consécutifs si une activité professionnelle est exercée pendant cette période.
§ 6. Les mois civils pour lesquels une prestation réduite a été octroyée en vertu du présent article sont déduits intégralement pour le calcul de la période d'octroi dans le cadre de l'article 193, § 3.
§ 7. En cas de réduction du montant, visé à l'article 196, § 1er, conformément à l'article 198, le bénéficiaire est considéré comme ayant bénéficié du montant intégral, visé à l'article 196, § 1er.
2/ Cumul avec un revenu de remplacement dans le cadre de la sécurité sociale
Art. 199. De begunstigden kunnen het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 196, desgevallend verminderd overeenkomstig artikel 198, slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 196, desgevallend verminderd overeenkomstig artikel 198, en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 196, desgevallend verminderd overeenkomstig artikel 198. Ingeval van overschrijding wordt het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 196, desgevallend verminderd overeenkomstig artikel 198, verminderd ten belope van deze overschrijding.
Art. 199. Les bénéficiaires ne peuvent cumuler le montant applicable, visé à l'article 196, réduit, le cas échéant, en application de l'article 198, avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement que dans la mesure où la somme du montant applicable, visé à l'article 196, réduit, le cas échéant, en application de l'article 198, et des autres revenus de remplacement, ne dépasse pas le montant applicable, visé à l'article 196, réduit, le cas échéant, en application de l'article 198. En cas de dépassement, le montant applicable, visé à l'article 196, réduit, le cas échéant, en application de l'article 198, sera réduit à concurrence de ce dépassement.
Onderafdeling 6. - Terugvordering
Sous-section 6. - Récupération
Art. 200. Het sociaal verzekeringsfonds moet overgaan tot de terugvordering van de onterecht uitbetaalde bedragen, zo nodig langs gerechtelijke weg. De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan het Rijksinstituut. [1 Het sociaal verzekeringsfonds betekent, bij een aangetekend schrijven, deze beslissing tot terugvordering. In de beslissing worden de reden, alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank vermeld. Het beroep moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering.]1
In het geval de begunstigde niet aan artikel 192 voldoet of, wetens en willens, niet elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering en de sociale rechten heeft meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig artikel 197, § 2, wordt de financiële uitkering die hij genoten heeft, bovendien integraal teruggevorderd door het sociaal verzekeringsfonds dat deze financiële uitkering uitbetaald heeft.
In het geval de begunstigde niet aan artikel 192 voldoet of, wetens en willens, niet elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiële uitkering en de sociale rechten heeft meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig artikel 197, § 2, wordt de financiële uitkering die hij genoten heeft, bovendien integraal teruggevorderd door het sociaal verzekeringsfonds dat deze financiële uitkering uitbetaald heeft.
Art. 200. La caisse d'assurances sociales doit procéder à la récupération des indus, si nécessaire par voie judiciaire. Les montants récupérés sont transmis à l'Institut national. [1 La caisse d'assurances sociales notifie la décision de récupération par lettre recommandée. La décision mentionne le motif ainsi que les possibilités d'appel devant le tribunal du travail. Le recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision de récupération.]1
En outre, lorsque le bénéficiaire ne satisfait pas à l'article 192, ou, n'a sciemment pas communiqué à sa caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière et les droits sociaux conformément à l'article 197, § 2, la prestation financière dont il a bénéficié, est intégralement récupérée par la caisse d'assurances sociales qui lui a versé cette prestation financière.
En outre, lorsque le bénéficiaire ne satisfait pas à l'article 192, ou, n'a sciemment pas communiqué à sa caisse d'assurances sociales tout événement susceptible d'avoir une influence sur la prestation financière et les droits sociaux conformément à l'article 197, § 2, la prestation financière dont il a bénéficié, est intégralement récupérée par la caisse d'assurances sociales qui lui a versé cette prestation financière.
Wijzigingen
Art. 201. Het Rijksinstituut kan geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de financiële uitkering die ten onrechte werd uitbetaald.
Dergelijke verzaking is slechts mogelijk:
1° in behartigenswaardige gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is;
2° wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat kosten worden gedaan;
3° wanneer de terugvordering voortvloeit uit de rechtzetting van een fout begaan door het bevoegde sociaal verzekeringsfonds of een andere instelling van sociale zekerheid.
Dergelijke verzaking is slechts mogelijk:
1° in behartigenswaardige gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is;
2° wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat kosten worden gedaan;
3° wanneer de terugvordering voortvloeit uit de rechtzetting van een fout begaan door het bevoegde sociaal verzekeringsfonds of een andere instelling van sociale zekerheid.
Art. 201. L'Institut national peut totalement ou partiellement renoncer à la récupération de la prestation financière indûment payée.
Une telle renonciation n'est possible que:
1° dans des cas dignes d'intérêt et à la condition que le débiteur soit de bonne foi;
2° lorsque la modicité du montant à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
3° lorsque la récupération résulte de la rectification d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente ou une autre institution de sécurité sociale.
Une telle renonciation n'est possible que:
1° dans des cas dignes d'intérêt et à la condition que le débiteur soit de bonne foi;
2° lorsque la modicité du montant à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
3° lorsque la récupération résulte de la rectification d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente ou une autre institution de sécurité sociale.
Onderafdeling 7. - Verjaring
Sous-section 7. - Prescription
Art. 202. Onverminderd de bepalingen van artikel 194, § 1, tweede lid, verjaart de vordering tot uitbetaling van de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering na verloop van drie jaar.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een aangetekend schrijven, ingediend bij het bevoegde sociaal verzekeringsfonds. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
Het bevoegde sociaal verzekeringsfonds mag in geen geval aan het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 191, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een aangetekend schrijven, ingediend bij het bevoegde sociaal verzekeringsfonds. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
Het bevoegde sociaal verzekeringsfonds mag in geen geval aan het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.
Art. 202. Sans préjudice des dispositions de l'article 194, § 1er, alinéa 2, l'action en paiement de la prestation financière visée à l'article 189, 1°, se prescrit par trois ans.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée auprès de la caisse d'assurances sociales compétente. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, la caisse d'assurances sociales compétente ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel le fait, visé à l'article 191, § 2, se produit.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée auprès de la caisse d'assurances sociales compétente. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, la caisse d'assurances sociales compétente ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.
Art. 203. De vordering tot terugbetaling van de in artikel 189, 1°, bedoelde financiële uitkering die ten onrechte werd betaald, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling werd gedaan.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een, bij een aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde financiële uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 197, § 2, niet heeft nageleefd. Die termijn gaat in op de dag waarop het sociaal verzekeringsfonds kennis heeft van de bedrieglijke handelingen, de valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, het opzettelijk bewerkstelligen van de omstandigheden met het oog op het verkrijgen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel of van het feit dat de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 197, § 2, niet heeft nageleefd.
Buiten de oorzaken vermeld in het oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een, bij een aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde financiële uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 197, § 2, niet heeft nageleefd. Die termijn gaat in op de dag waarop het sociaal verzekeringsfonds kennis heeft van de bedrieglijke handelingen, de valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, het opzettelijk bewerkstelligen van de omstandigheden met het oog op het verkrijgen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel of van het feit dat de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 197, § 2, niet heeft nageleefd.
Art. 203. L'action en répétition de la prestation financière, visée à l'article 189, 1°, payée indûment, se prescrit par trois ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par l'action en répétition des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation financière payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 197, § 2. Ce délai prend cours à la date à laquelle l'institution a connaissance de manoeuvres frauduleuses, de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, de circonstances intentionnellement provoquées en vue de l'obtention du droit passerelle ou quelconque avantage ou du fait que le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 197, § 2.
Outre les causes mentionnées à l'ancien Code civil, la prescription est interrompue par l'action en répétition des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation financière payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 197, § 2. Ce délai prend cours à la date à laquelle l'institution a connaissance de manoeuvres frauduleuses, de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, de circonstances intentionnellement provoquées en vue de l'obtention du droit passerelle ou quelconque avantage ou du fait que le bénéficiaire n'a pas respecté l'engagement fixé à l'article 197, § 2.
Onderafdeling 8. - Delegatiebepaling
Sous-section 8. - Disposition de délégation
Art. 204. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
1° de situaties die in aanmerking kunnen worden genomen krachtens artikel 190;
2° de wijze waarop het bewijs van een situatie wordt geleverd krachtens artikel 190;
3° de elementen die door het sociaal verzekeringsfonds dienen te worden geverifieerd krachtens artikel 190;
4° het ogenblik waarop de onderbreking van de zelfstandige activiteit, in de gevallen bedoeld in artikel 190 geacht wordt aan te vangen;
5° in afwijking van artikel 196, § 1, een lager bedrag van de financiële uitkering voor de meewerkende echtgenoten, met dien verstande dat het bedrag nooit lager kan zijn dan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 196, § 1;
6° de verhoging van het bedrag van de financiële uitkering, zoals bedoeld in artikel 196, § 1;
7° de voorwaarden waarop het maandelijks bedrag zoals bedoeld in artikel 196, § 1, kan worden toegekend aan meerdere begunstigden binnen eenzelfde gezin, in afwijking van artikel 196, § 1, vijfde lid.
1° de situaties die in aanmerking kunnen worden genomen krachtens artikel 190;
2° de wijze waarop het bewijs van een situatie wordt geleverd krachtens artikel 190;
3° de elementen die door het sociaal verzekeringsfonds dienen te worden geverifieerd krachtens artikel 190;
4° het ogenblik waarop de onderbreking van de zelfstandige activiteit, in de gevallen bedoeld in artikel 190 geacht wordt aan te vangen;
5° in afwijking van artikel 196, § 1, een lager bedrag van de financiële uitkering voor de meewerkende echtgenoten, met dien verstande dat het bedrag nooit lager kan zijn dan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 196, § 1;
6° de verhoging van het bedrag van de financiële uitkering, zoals bedoeld in artikel 196, § 1;
7° de voorwaarden waarop het maandelijks bedrag zoals bedoeld in artikel 196, § 1, kan worden toegekend aan meerdere begunstigden binnen eenzelfde gezin, in afwijking van artikel 196, § 1, vijfde lid.
Art. 204. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
1° les situations qui peuvent être prises en considération en vertu de l'article 190;
2° la manière dont la preuve d'une situation est apportée en vertu de l'article 190;
3° les éléments qui doivent être vérifiés par la caisse d'assurances sociales en vertu de l'article 190;
4° le moment auquel l'interruption de l'activité indépendante est censée commencer dans les cas visés à l'article 190;
5° par dérogation à l'article 196, § 1er, un montant inférieur de prestation financière pour les conjoints aidants, étant entendu que le montant ne puisse jamais être inférieur à la moitié du montant visé à l'article 196, § 1er;
6° l'augmentation du montant de la prestation financière, tel que visé à l'article 196, § 1er;
7° les conditions auxquelles, en dérogation à l'article 196, § 1er, alinéa 5, le montant mensuel visé à l'article 196, § 1er, peut être accordé à plusieurs bénéficiaires au sein d'un même ménage.
1° les situations qui peuvent être prises en considération en vertu de l'article 190;
2° la manière dont la preuve d'une situation est apportée en vertu de l'article 190;
3° les éléments qui doivent être vérifiés par la caisse d'assurances sociales en vertu de l'article 190;
4° le moment auquel l'interruption de l'activité indépendante est censée commencer dans les cas visés à l'article 190;
5° par dérogation à l'article 196, § 1er, un montant inférieur de prestation financière pour les conjoints aidants, étant entendu que le montant ne puisse jamais être inférieur à la moitié du montant visé à l'article 196, § 1er;
6° l'augmentation du montant de la prestation financière, tel que visé à l'article 196, § 1er;
7° les conditions auxquelles, en dérogation à l'article 196, § 1er, alinéa 5, le montant mensuel visé à l'article 196, § 1er, peut être accordé à plusieurs bénéficiaires au sein d'un même ménage.
Afdeling 6. - Wijzigingsbepalingen
Section 6. - Dispositions modificatives
Art. 205. In artikel 15, § 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2016, worden de woorden "of die zijn activiteit gedwongen heeft onderbroken in de zin van artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen" vervangen door de woorden "of die zijn activiteit gedwongen heeft onderbroken in de zin van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022".
Art. 205. A l'article 15, § 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2016, les mots "ou qui est forcé d'interrompre son activité, au sens de l'article 4, 3°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants" sont remplacés par les mots "ou qui est forcé d'interrompre son activité, au sens de la section 2 du chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022".
Art. 206. Artikel 18, § 3bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 en laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2016, wordt vervangen als volgt:
" § 3bis. Het stelsel van het overbruggingsrecht wordt geregeld door hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022".
" § 3bis. Het stelsel van het overbruggingsrecht wordt geregeld door hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022".
Art. 206. L'article 18, § 3bis, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 18 novembre 1996 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit:
" § 3bis. Le régime du droit passerelle est réglé par le chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022".
" § 3bis. Le régime du droit passerelle est réglé par le chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022".
Art. 207. Artikel 32, eerste lid, 6° ter, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015, wordt vervangen als volgt:
"6° ter. de zelfstandigen die het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht genieten, bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022".
"6° ter. de zelfstandigen die het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht genieten, bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022".
Art. 207. L'article 32, alinéa 1er, 6° ter, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par la loi du 17 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit:
"6° ter. les travailleurs indépendants bénéficiant du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022".
"6° ter. les travailleurs indépendants bénéficiant du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022".
Art. 208. In artikel 1410, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de bepaling onder 9° vervangen als volgt:
"9° de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022".
"9° de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022".
Art. 208. Dans l'article 1410, § 2, du Code judiciaire, le 9° est remplacé par ce qui suit:
"9° à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022".
"9° à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022".
Afdeling 7. - Opheffings- en overgangsbepalingen
Section 7. - Dispositions abrogatoires et transitoires
Art. 209. Opgeheven worden:
1° de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen;
2° het koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
1° de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen;
2° het koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
Art. 209. Sont abrogés:
1° la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants;
2° l'arrêté royal du 8 janvier 2017 portant exécution de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants.
1° la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants;
2° l'arrêté royal du 8 janvier 2017 portant exécution de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants.
Art. 210. § 1. De in artikel 209 bedoelde bepalingen blijven van toepassing op alle feiten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle in artikel 191, § 2, bedoelde feiten, die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle in artikel 191, § 2, bedoelde feiten, die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.
Art. 210. § 1er. Les dispositions, visées à l'article 209, continuent à s'appliquer à tous les faits, visés à l'article 5, § 2, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, qui ont eu lieu avant la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à tous les faits, visés à l'article 191, § 2, qui ont lieu à partir de sa date d'entrée en vigueur.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à tous les faits, visés à l'article 191, § 2, qui ont lieu à partir de sa date d'entrée en vigueur.
Afdeling 8. - Inwerkingtreding
Section 8. - Entrée en vigueur
Art. 211. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 211. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2023.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I bij de programmawet van 26 december 2022
Wijziging van bijlage III van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Wijziging van bijlage III van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N1. Annexe Ier à la loi-programme du 26 décembre 2022
Modification de l'annexe III de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Modification de l'annexe III de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| III.8 | Houder van een vergunning voor de vervaardiging in overeenstemming met artikel 12bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | Vergunning voor de vervaardiging van geneesmiddelen in overeenstemming met artikel 12bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | 2.365,63 EUR / entiteit Bijlage VI.3 | |
| en/of | en/of | |||
| Houder van een bereidingsvergunning in overeenstemming met artikel 12bis, § 1/1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | Bereidingsvergunning in overeenstemming met artikel 12bis, § 1/1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | |||
| en/of | en/of | |||
| Geregistreerd fabrikant in overeenstemming met artikel 12bis, § 4, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | Registratie in overeenstemming met artikel 12bis, § 4, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik | |||
| en/of | en/of | |||
| Aangemeld fabrikant in overeenstemming met artikel 95 van de Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG | Aangemeld in overeenstemming met artikel 95 van de Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG | |||
| en/of | en/of | |||
| Houder van een vervaardigingsvergunning voor diergeneesmiddelen zoals bedoeld in overeenstemming met artikel 88 van de Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG | Vervaardigingsvergunning voor diergeneesmiddelen zoals bedoeld in overeenstemming met artikel 88 van de Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG | |||
| en/of | en/of | |||
| Houder van een vergunning voor de vervaardiging of invoer van geneesmiddelen voor onderzoek, in overeenstemming met artikel 24 van de wet van 7 mei 2004 betreffende experimenten op de menselijke persoon of met artikel 61 van de Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG | Vergunning voor de vervaardiging of invoer van geneesmiddelen voor onderzoek, in overeenstemming met artikel 24 van de wet van 7 mei 2004 betreffende experimenten op de menselijke persoon of met artikel 61 van de Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG |
| III.8 | Titulaire d'une autorisation de fabrication conformément à l'article 12bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | Autorisation de fabrication de médicaments conformément à l'article 12bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | 2.365,63 EUR/entité Annexe VI.3 | |
| et/ou | et/ou | |||
| Titulaire d'une autorisation de préparation conformément à l'article 12bis, § 1er/1, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | Autorisation de préparation conformément à l'article 12bis, § 1er/1, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | |||
| et/ou | et/ou | |||
| Fabricant enregistré conformément à l'article 12bis, § 4, alinéa 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | Enregistrement conformément à l'article 12bis, § 4, alinéa 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain | |||
| et/ou | et/ou | |||
| Fabricant enregistré conformément à l'article 95 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE | Enregistrement conformément à l'article 95 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE | |||
| et/ou | et/ou | |||
| Titulaire d'une autorisation de fabrication de médicaments vétérinaires, conformément à l'article 88 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE | Autorisation de fabrication de médicaments vétérinaires, conformément à l'article 88 du Règlement (UE) 2019/6 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relatif aux médicaments vétérinaires et abrogeant la directive 2001/82/CE | |||
| et/ou | et/ou | |||
| Titulaire d'une autorisation de fabrication ou d'importation d'un médicament expérimental, conformément à l'article 24 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine ou à l'article 61 du Règlement (UE) n° 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE | Autorisation de fabrication ou d'importation de médicaments expérimentaux, conformément à l'article 24 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine ou à l'article 61 du Règlement (UE) n° 536/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux essais cliniques de médicaments à usage humain et abrogeant la directive 2001/20/CE |
Art. N2. Bijlage II bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling bij bijlage III van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling bij bijlage III van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N2. Annexe II à la loi-programme du 26 décembre 2022
Ajout à l'annexe III de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Ajout à l'annexe III de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| III.15. | In afwijking van III.8., de houder van een vervaardigingsvergunning art. 12bis van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die (1) hetzij een universiteit is, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waar tezelfdertijd chirurgische en geneeskundige verstrekkingen verricht worden exclusief voor kinderen of voor de behandeling van tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van één van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is en (2) die enkel vergund is voor deel IX - "Kwaliteitscontrole" van de Beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen, opgenomen in Bijlage IV bij het KB van 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik | Vervaardigingsvergunning voor geneesmiddelen, beperkt tot deel IX. "Kwaliteitscontrole" van de Beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen, opgenomen in Bijlage IV bij het KB van 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik | 0 EUR |
| III.15. | Par dérogation au III.8., le titulaire d'une autorisation de fabrication art. 12bis de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui (1) est soit une université, soit un hôpital visé par l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et aux autres établissements de soins, soit un hôpital visé par l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux, où sont effectuées à la fois des prestations chirurgicales et médicales exclusivement pour enfants ou en rapport avec les tumeurs, soit le Fonds national de la Recherche scientifique, soit le "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek" ou un fonds de recherche qui dépend d'un de ces deux organismes soit un service d'un hôpital qui est agréé à cette fin selon les modalités fixées par le Roi lorsque ce service est un centre d'excellence dans son domaine d'activité et (2) dont l'autorisation est limitée à la partie IX - "Contrôle de la qualité" du guide de bonnes pratiques cliniques des Principes et lignes directrices de bonnes pratiques de fabrication des médicaments, repris à l'Annexe IV de l'AR du 14 décembre 2006 relatif aux médicaments à usage humain et vétérinaire | Autorisation de fabrication de médicaments, limitée à la partie IX. "Contrôle de la qualité" du guide de bonnes pratiques cliniques des Principes et lignes directrices de bonnes pratiques de fabrication des médicaments, repris à l'Annexe IV de l'AR du 14 décembre 2006 relatif aux médicaments à usage humain et vétérinaire | 0 EUR |
Art. N3. Bijlage III bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage V, Hoofdstuk 4 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling van bijlage V, Hoofdstuk 4 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N3. Annexe III à la loi-programme du 26 décembre 2022
Modification de l'annexe V, Chapitre 4 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Modification de l'annexe V, Chapitre 4 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| V.4.7. Aanvraag tot machtiging voor een commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | De opdrachtgever | 14.794,26 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.8. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | De opdrachtgever | 4.178,85 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.9. Aanvraag tot machtiging voor een commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | De opdrachtgever | 8.769,30 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.10. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | De opdrachtgever | 2.788,72 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.11. Aanvraag tot machtiging voor een ander commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 61 van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen, klasse I - II | De opdrachtgever | 10.218,69 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.12. Kennisgeving van een substantiële wijziging van een ander commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 61 van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen, klasse I - II | De opdrachtgever | 3.742,60 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.13. Aanvraag tot machtiging voor een ander commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 61 van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen, klasse III en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen | De opdrachtgever | 14.764,97 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.14. Kennisgeving van een substantiële wijziging van een ander commercieel klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 61 van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen, klasse III en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen en zijn uitvoeringsbesluiten | De opdrachtgever | 3.785,02 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.7. Demande d'autorisation d'une investigation clinique commerciale, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives 90/385/CEE et 93/42/CEE du Conseil, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur. | Le promoteur | 14.794,26 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.8. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique commerciale, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur. | Le promoteur | 4.178,85 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.9. Demande d'autorisation d'une investigation clinique commerciale, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, la Belgique étant l'Etat membre concerné. | Le promoteur | 8.769,30 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.10. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique commerciale, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, la Belgique étant l'Etat membre concerné. | Le promoteur | 2.788,72 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.11. Demande d'autorisation d'une autre investigation clinique commerciale en vertu de l'article 61 de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux, classe I - II | Le promoteur | 10.218,69 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.12. Notification d'une modification substantielle d'une autre investigation clinique commerciale en vertu de l'article 61 de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux, classe I - II | Le promoteur | 3.742,60 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.13. Demande d'autorisation d'une autre investigation clinique commerciale en vertu de l'article 61 de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux, classe III et dispositifs médicaux implantables actifs | Le promoteur | 14.764,97 EUR | 485,60 EUR |
| V.4.14. Notification d'une modification substantielle d'une autre investigation clinique commerciale en vertu de l'article 61 de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux, classe III et dispositifs médicaux implantables actifs et ses arrêtés d'exécution | Le promoteur | 3.785,02 EUR | 485,60 EUR |
Art. N4. Bijlage IV bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage V, Hoofdstuk 5 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling van bijlage V, Hoofdstuk 5 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N4. Annexe IV à la loi-programme du 26 décembre 2022
Modification de l'annexe V, Chapitre 5 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Modification de l'annexe V, Chapitre 5 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| V.5.6. Aanvraag tot machtiging voor een multinationale commerciële prestatiestudie overeenkomstig artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, waarbij België coördinerend lidstaat is | De opdrachtgever | 12.669,48 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.7. Kennisgeving van een substantiële wijziging voor een commerciële prestatiestudie overeenkomstig artikel 74, lid 12, van Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, waarbij België coördinerend lidstaat is | De opdrachtgever | 3.586,43 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.8. Aanvraag tot machtiging voor een commerciële prestatiestudie overeenkomstig artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, waarbij België betrokken lidstaat is | De opdrachtgever | 7.701,07 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.9. Kennisgeving van een substantiële wijziging voor een commerciële prestatiestudie overeenkomstig artikel 74, lid 12, van Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, waarbij België betrokken lidstaat is | De opdrachtgever | 2.800,62 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.10. Aanvraag tot machtiging voor een commerciële prestatiestudie zoals bedoeld in artikel 57 van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek | De opdrachtgever | 9.559,81 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.11. Kennisgeving van een substantiële wijziging van een commerciële prestatiestudie overeenkomstig artikel 59 van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en zijn uitvoeringsbesluiten | De opdrachtgever | 3.236,39 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.6. Demande d'autorisation d'une étude des performances commerciale multinationale, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, au sein de laquelle la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | Le promoteur | 12.669,48 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.7. Demande de modification substantielle d'une étude des performances commerciale multinationale, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, au sein de laquelle la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | Le promoteur | 3.586,43 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.8. Demande d'autorisation d'une étude des performances commerciale multinationale, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, la Belgique étant l'Etat membre concerné | Le promoteur | 7.701,07 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.9. Demande de modification substantielle d'une étude des performances commerciale multinationale, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, la Belgique étant l'Etat membre concerné | Le promoteur | 2.800,62 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.10. Demande d'autorisation d'une étude des performances commerciale visée à l'article 57 de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro | Le promoteur | 9.559,81 EUR | 485,60 EUR |
| V.5.11. Notification d'une modification substantielle d'une étude des performances commerciale en vertu de l'article 59 de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et ses arrêtés d'exécution | Le promoteur | 3.236,39 EUR | 485,60 EUR |
Art. N5. Bijlage V bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 1 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 1 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N5. Annexe V à la loi-programme du 26 décembre 2022
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 1, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 1, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| VII.12.1.2.1.4. Een aanvraag tot wijziging, bedoeld in artikel 62 van Verordening 2019/6, van een VHB in het kader van de nationale procedure, van één diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2022/839 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 tot vaststelling van overgangsbepalingen voor de verpakking en etikettering van diergeneesmiddelen waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning is verleend of die overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 zijn geregistreerd, en die uitsluitend betrekking heeft op een éénmalige wijziging van de etikettering en/of bijsluiter om deze in lijn te brengen met de QRD-template, waarbij deze wijziging als alleenstaande variatie wordt ingediend | De aanvrager | 1.680,11 EUR | 553 EUR |
| VII.12.1.2.1.4. Une demande de modification, visée à l'article 62 du Règlement 2019/6, d'une AMM dans le cadre de la procédure nationale pour un seul médicament vétérinaire, telle que visée à l'article 2 du Règlement (UE) 2022/839 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 établissant des règles transitoires pour l'emballage et l'étiquetage des médicaments vétérinaires autorisés ou enregistrés conformément à la directive 2001/82/CE ou au règlement (CE) n° 726/2004, et qui ne concerne qu'un changement unique de l'étiquetage et/ou de la notice pour les rendre conformes au modèle de QRD, ce modification étant soumis comme une seule variation | Le demandeur | 1.680,11 EUR | 553 EUR |
Art. N6. Bijlage VI bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 2 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 2 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N6. Annexe VI à la loi-programme du 26 décembre 2022
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, sous-section 2, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, sous-section 2, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| VII.12.1.2.2.4. Een aanvraag tot wijziging, bedoeld in artikel 62 van Verordening 2019/6, van een VHB in het kader van de wederzijdse erkenningsprocedure waarbij België betrokken lidstaat is, van één diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2022/839 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 tot vaststelling van overgangsbepalingen voor de verpakking en etikettering van diergeneesmiddelen waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning is verleend of die overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 zijn geregistreerd, en die uitsluitend betrekking heeft op een éénmalige wijziging van de etikettering en/of bijsluiter om deze in lijn te brengen met de QRD-template, waarbij deze wijziging als alleenstaande variatie wordt ingediend | De aanvrager | 788,66 EUR | 553 EUR |
| VII.12.1.2.2.4. Une demande de modification, visée à l'article 62 du Règlement 2019/6, d'une AMM dans le cadre de la procédure de reconnaissance mutuelle dans laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné pour un seul médicament vétérinaire, telle que visée à l'article 2 du Règlement (UE) 2022/839 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 établissant des règles transitoires pour l'emballage et l'étiquetage des médicaments vétérinaires autorisés ou enregistrés conformément à la directive 2001/82/CE ou au règlement (CE) n° 726/2004, et qui ne concerne qu'un changement unique de l'étiquetage et/ou de la notice pour les rendre conformes au modèle de QRD, ce modification étant soumis comme une seule variation | Le demandeur | 788,66 EUR | 553 EUR |
Art. N7. Bijlage VII bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 3 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Aanvulling van bijlage VII, Titel 12, Hoofdstuk 1, Deel 2, Onderdeel 3 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Art. N7. Annexe VII à la loi-programme du 26 décembre 2022
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 3, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Avenant à l'annexe VII, Titre 12, Chapitre 1er, Section 2, Sous-section 3, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
| VII.12.1.2.3.4. Een aanvraag tot wijziging, bedoeld in artikel 62 van Verordening 2019/6, van een VHB in het kader van de wederzijdse erkenningsprocedure waarbij België referentielidstaat is, van één diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 2 van Verordening 2022/839 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 tot vaststelling van overgangsbepalingen voor de verpakking en etikettering van diergeneesmiddelen waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning is verleend of die overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening nr. 726/2004 zijn geregistreerd, en die uitsluitend betrekking heeft op een éénmalige wijziging van de etikettering en/of bijsluiter om deze in lijn te brengen met de QRD-template, waarbij deze wijziging als alleenstaande variatie wordt ingediend | De aanvrager | 2.068,19 EUR | 553 EUR |
| VII.12.1.2.3.4. Une demande de modification, visée à l'article 62 du Règlement 2019/6, d'une AMM dans le cadre de la procédure de reconnaissance mutuelle dans laquelle la Belgique est l'Etat membre de référence pour un seul médicament vétérinaire, telle que visée à l'article 2 du Règlement (UE) 2022/839 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2022 établissant des règles transitoires pour l'emballage et l'étiquetage des médicaments vétérinaires autorisés ou enregistrés conformément à la directive 2001/82/CE ou au règlement (CE) n° 726/2004, et qui ne concerne qu'un changement unique de l'étiquetage et/ou de la notice pour les rendre conformes au modèle de QRD, ce modification étant soumis comme une seule variation | Le demandeur | 2.068,19 EUR | 553 EUR |
Art. N8. Bijlage VIII bij de programmawet van 26 december 2022
Invoegen van bijlage IX van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
"Bijlage IX. - Activiteitenbelasting
Voor de toepassing van artikel 14/9 van deze wet wordt begrepen onder het begrip "entiteit": de uitdrukking van de werklast van het FAGG voor het markttoezicht, gebaseerd op een risicoanalyse van de uitgevoerde activiteit(en).
Hoofdstuk 1. - Bijdrageplichtige en bijdrageplichtige activiteit
Invoegen van bijlage IX van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
"Bijlage IX. - Activiteitenbelasting
Voor de toepassing van artikel 14/9 van deze wet wordt begrepen onder het begrip "entiteit": de uitdrukking van de werklast van het FAGG voor het markttoezicht, gebaseerd op een risicoanalyse van de uitgevoerde activiteit(en).
Hoofdstuk 1. - Bijdrageplichtige en bijdrageplichtige activiteit
Art. N8. Annexe VIII à la loi-programme du 26 décembre 2022
Insertion de l'annexe IX de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
" Annexe IX. - Impôt d'activité
Aux fins de l'article 14/9 de la présente loi, on entend par " entité " l'expression de la charge de travail de l'AFMPS pour la surveillance du marché, basée sur une analyse de risque de la ou des activité(s) exercée(s)
Chapitre 1. - Redevable et activité soumise à contribution
Insertion de l'annexe IX de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé
" Annexe IX. - Impôt d'activité
Aux fins de l'article 14/9 de la présente loi, on entend par " entité " l'expression de la charge de travail de l'AFMPS pour la surveillance du marché, basée sur une analyse de risque de la ou des activité(s) exercée(s)
Chapitre 1. - Redevable et activité soumise à contribution
| Bijlage | Bijdrageplichtige | Bijdrageplichtige activiteit |
| IX.1.1. | De gemachtigde zoals bedoeld in artikel 2, 32) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad of artikel 2, 25) van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | Het uitvoeren van de activiteit van gemachtigde zoals bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad of artikel 11 van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie |
| IX.1.2. | De distributeur zoals bedoeld in artikel 2, 34) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad of artikel 2, 27) van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | Het op de markt aanbieden, tot het tijdstip van ingebruikneming, van een medisch hulpmiddel in de hoedanigheid van distributeur |
| IX.1.3. | De importeur bedoeld in artikel 2, 33) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad of artikel 2, 26) van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | Het in de handel brengen van medische hulpmiddelen uit derde landen |
| IX.1.4. | De fabrikant bedoeld in artikel 2, 30) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad of artikel 2, 23) van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | Het vervaardigen, volledig reviseren van een medisch hulpmiddel, of het laten ontwerpen, laten vervaardigen of volledig laten reviseren van een medisch hulpmiddel en het onder zijn naam of merk verhandelen |
| IX.1.5. | De fabrikant bedoeld in artikel 2, 30) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad | Het vervaardigen, volledig reviseren van een medisch hulpmiddel, of het laten ontwerpen, laten vervaardigen of volledig laten reviseren van een medisch hulpmiddel en het onder zijn naam of merk verhandelen, indien het gaat om een medisch hulpmiddel naar maat zoals bedoeld in artikel 2, 3) van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.1.6. | De natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad | Het op de markt brengen van een systeem of behandelingspakket zoals bedoeld in artikel 22, eerste en/of derde lid van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.1.7. | De onderneming bedoeld in artikel 59 van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen | Het installeren en/of onderhouden van medische hulpmiddelen, in het kader van een medische behandeling van een patiënt buiten een ziekenhuis |
Hoofdstuk 2. - Categorieën van bijdrageplichtige activiteiten
| Annexe | Redevable | Activité soumise à contribution |
| IX.1.1. | Le mandataire visé à l'article 2, 32) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE ou l'article 2, 25) du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | L'exercice de l'activité de mandataire visé à l'article 2, 32) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE ou l'article 11 du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission |
| IX.1.2. | Le distributeur visé à l'article 2, 34) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE ou l'article 2, 27) du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | La mise à disposition sur le marché, jusqu'au stade de sa mise en service, d'un dispositif médical en qualité de distributeur |
| IX.1.3. | L'importateur visé à l'article 2, 33) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE ou l'article 2, 26) du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | La mise sur le marché de dispositifs médicaux en provenance de pays tiers |
| IX.1.4. | Le fabricant visé à l'article 2, 30) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE ou l'article 2, 23) du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | La fabrication, la remise à neuf d'un dispositif médical, ou le fait de faire concevoir, fabriquer ou remettre à neuf un dispositif médical, et le commercialiser sous son nom ou sous sa marque |
| IX.1.5. | Le fabricant visé à l'article 2, 30) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE | La fabrication, la remise à neuf d'un dispositif médical, ou le fait de faire concevoir, fabriquer ou remettre à neuf un dispositif médical, et le commercialiser sous son nom ou sous sa marque, quand il s'agit d'un dispositif sur mesure visé à l'article 2, 3) du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.1.6. | Les personnes physiques ou morales visés à l'article 22 du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE | La mise sur le marché d'un système ou d'un nécessaire tel que visé à l'article 22, paragraphes 1er et/ou 3, du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.1.7. | L'entreprise visée à l'article 59 de la loi du 15 décembre 2013 en matière de dispositifs médicaux | L'installation et/ou la maintenance de dispositifs médicaux dans le cadre d'un traitement médical d'un patient en dehors d'un hôpital |
Chapitre 2. - Catégories au sein d'une activité soumise à contribution
| Bijlage | Categorie van de bijdrageplichtige activiteit |
| IX.2.1. | Actief implanteerbaar medisch hulpmiddel zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, c) van de Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen |
| IX.2.2. | Medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek zoals bedoeld in lijst A van bijlage II bij de Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek |
| IX.2.3. | Medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek zoals bedoeld in lijst B van bijlage II bij de Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek |
| IX.2.4. | Ander medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek dan deze bedoeld in bijlage II bij de Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek |
| IX.2.5. | Voor zelftesten bestemd hulpmiddel zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, d) van Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek |
| IX.2.6. | Medisch hulpmiddel voor in-vitro diagnostiek klasse A overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie |
| IX.2.7. | Medisch hulpmiddel voor in-vitro diagnostiek klasse B overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie |
| IX.2.8. | Medisch hulpmiddel voor in-vitro diagnostiek klasse C overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie |
| IX.2.9. | Medisch hulpmiddel voor in-vitro diagnostiek klasse D overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/746 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie |
| IX.2.10. | Medisch hulpmiddel van klasse I overeenkomstig artikel 9 van de Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen |
| IX.2.11. | Medisch hulpmiddel van klasse IIa overeenkomstig artikel 9 van de Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen |
| IX.2.12. | Medisch hulpmiddel van klasse IIb overeenkomstig artikel 9 van de Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen |
| IX.2.13. | Medisch hulpmiddel van klasse III overeenkomstig artikel 9 van de Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen |
| IX.2.14. | Medisch hulpmiddel van klasse I overeenkomstig artikel 9 van de Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen dat in steriele toestand in de handel wordt gebracht en/of die een meetfunctie heeft |
| IX.2.15. | Medisch hulpmiddel van klasse I overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.2.16. | Medisch hulpmiddel van klasse IIa overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.2.17. | Medisch hulpmiddel van klasse IIb overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.2.18. | Medisch hulpmiddel van klasse III overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad |
| IX.2.19. | Medisch hulpmiddel van klasse I overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad dat in steriele toestand in de handel wordt gebracht en/of die een meetfunctie heeft |
Hoofdstuk 3. - Entiteiten per bijdrageplichtige activiteit
| Annexe | Catégories au sein d'une activité soumise à contribution |
| IX.2.1. | Dispositif médical implantable actif visé à l'article 1, alinéa 2, c) du Directive 90/385/CEE du Conseil, du 20 juin 1990, concernant le rapprochement des législations des Etats membres relatives aux dispositifs médicaux implantables actifs |
| IX.2.2. | Dispositif médical de diagnostic in vitro visé à la liste A de l'annexe II de la Directive 98/79/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 1998 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro |
| IX.2.3. | Dispositif médical de diagnostic in vitro visé à la liste B de l'annexe II de la Directive 98/79/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 1998 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro |
| IX.2.4. | Autre dispositif médical de diagnostic in vitro que ceux visés à l'annexe II de la Directive 98/79/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 1998 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro |
| IX.2.5. | Dispositif destiné à des autodiagnostics visé à l'article 1, alinéa 2, d) de la Directive 98/79/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 1998 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro |
| IX.2.6. | Dispositif médical de diagnostic in vitro de classe A conformément à l'article 47, paragraphe 1er du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission |
| IX.2.7. | Dispositif médical de diagnostic in vitro de classe B conformément à l'article 47, paragraphe 1er du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission |
| IX.2.8. | Dispositif médical de diagnostic in vitro de classe C conformément à l'article 47, paragraphe 1er du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission |
| IX.2.9. | Dispositif médical de diagnostic in vitro de classe D conformément à l'article 47, paragraphe 1er du Règlement (UE) 2017/746 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission |
| IX.2.10. | Dispositif médical de classe I conformément à l'article 9 de la Directive 93/42/CEE du Conseil du 14 juin 1993 relative aux dispositifs médicaux |
| IX.2.11. | Dispositif médical de classe IIa conformément à l'article 9 de la Directive 93/42/CEE du Conseil du 14 juin 1993 relative aux dispositifs médicaux |
| IX.2.12. | Dispositif médical de classe IIb conformément à l'article 9 de la Directive 93/42/CEE du Conseil du 14 juin 1993 relative aux dispositifs médicaux |
| IX.2.13. | Dispositif médical de classe III conformément à l'article 9 de la Directive 93/42/CEE du Conseil du 14 juin 1993 relative aux dispositifs médicaux |
| IX.2.14. | Dispositif médical de classe I conformément à l'article 9 de la Directive 93/42/CEE du Conseil du 14 juin 1993 relative aux dispositifs médicaux, mis sur le marché à l'état stérile et/ou ayant une fonction de mesurage |
| IX.2.15. | Dispositif médical de classe I conformément à l'article 51, paragraphe 1er, du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.2.16. | Dispositif médical de classe IIa conformément à l'article 51, paragraphe 1er , du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.2.17. | Dispositif médical de classe IIb conformément à l'article 51, paragraphe 1er, du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.2.18. | Dispositif médical de classe III conformément à l'article 51, paragraphe 1er, du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE |
| IX.2.19. | Dispositif médical de classe I conformément à l'article 51, paragraphe 1er, du Règlement (UE) 2017/745 du 5 avril 2017 du Parlement européen et du Conseil relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, mis sur le marché à l'état stérile et/ou ayant une fonction de mesurage |
Chapitre 3. - Entités par activité soumise à contribution
| Activiteit | Bijdrage | |||||||
| IX.3.1. Bijdrageplichtigen voor medische hulpmiddelen, zoals bedoeld in Hoofdstuk 1 | 308,10 EUR / entiteit | |||||||
| Bijdrageplichtig activiteit | ||||||||
| IX.1.1. | IX.1.2. | IX.1.3. | IX.1.4. | IX.1.5. | IX.1.6. | IX.1.7. | ||
| Categorie van de bijdrageplichtig activiteit | IX.2.1. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 2 | |
| IX.2.2. | 6 | 1 | 3 | 8 | 2 | |||
| IX.2.3. | 2 | 1 | 3 | 4 | 2 | |||
| IX.2.4. | 3 | 1 | 3 | 5 | 2 | |||
| IX.2.5. | 4 | 1 | 3 | 6 | 2 | |||
| IX.2.6. | 3 | 1 | 3 | 5 | 2 | |||
| IX.2.7. | 2 | 1 | 3 | 4 | 2 | |||
| IX.2.8. | 4 | 1 | 3 | 6 | 2 | |||
| IX.2.9. | 6 | 1 | 3 | 8 | 2 | |||
| IX.2.10. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.11. | 2 | 1 | 3 | 4 | 4 | 4 | 2 | |
| IX.2.12. | 4 | 1 | 3 | 6 | 6 | 4 | 2 | |
| IX.2.13. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 4 | 2 | |
| IX.2.14. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.15. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.16. | 2 | 1 | 3 | 4 | 4 | 4 | 2 | |
| IX.2.17. | 4 | 1 | 3 | 6 | 6 | 4 | 2 | |
| IX.2.18. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 4 | 2 | |
| IX.2.19. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| Modificator | Modificatie | |||||||
| De bijdrageplichtige is niet in België gevestigd | Vermindering met 1 entiteit | |||||||
| De distributeur past het stelsel van autocontrole toe zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen | Vermindering met 1 entiteit | |||||||
IX.2.1. 6 1 3 8 8 2 IX.2.2. 6 1 3 8 2
IX.2.3. 2 1 3 4 2
IX.2.4. 3 1 3 5 2
IX.2.5. 4 1 3 6 2
IX.2.6. 3 1 3 5 2
IX.2.7. 2 1 3 4 2
IX.2.8. 4 1 3 6 2
IX.2.9. 6 1 3 8 2
IX.2.10. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.11. 2 1 3 4 4 4 2
IX.2.12. 4 1 3 6 6 4 2
IX.2.13. 6 1 3 8 8 4 2
IX.2.14. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.15. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.16. 2 1 3 4 4 4 2
IX.2.17. 4 1 3 6 6 4 2
IX.2.18. 6 1 3 8 8 4 2
IX.2.19. 3 1 3 5 5 4 2
Modificator Modificatie De bijdrageplichtige is niet in België gevestigd Vermindering met 1 entiteit De distributeur past het stelsel van autocontrole toe zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen Vermindering met 1 entiteit
| Activité | Contribution | |||||||
| IX.3.1. Redevables dans le cadre des dispositifs médicaux, visés au chapitre 1er | 308,10 EUR / entité | |||||||
| Activité soumise à contribution | ||||||||
| IX.1.1. | IX.1.2. | IX.1.3. | IX.1.4. | IX.1.5. | IX.1.6. | IX.1.7. | ||
| Catégorie de l'activité soumise à contribution | IX.2.1. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 2 | |
| IX.2.2. | 6 | 1 | 3 | 8 | 2 | |||
| IX.2.3. | 2 | 1 | 3 | 4 | 2 | |||
| IX.2.4. | 3 | 1 | 3 | 5 | 2 | |||
| IX.2.5. | 4 | 1 | 3 | 6 | 2 | |||
| IX.2.6. | 3 | 1 | 3 | 5 | 2 | |||
| IX.2.7. | 2 | 1 | 3 | 4 | 2 | |||
| IX.2.8. | 4 | 1 | 3 | 6 | 2 | |||
| IX.2.9. | 6 | 1 | 3 | 8 | 2 | |||
| IX.2.10. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.11. | 2 | 1 | 3 | 4 | 4 | 4 | 2 | |
| IX.2.12. | 4 | 1 | 3 | 6 | 6 | 4 | 2 | |
| IX.2.13. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 4 | 2 | |
| IX.2.14. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.15. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| IX.2.16. | 2 | 1 | 3 | 4 | 4 | 4 | 2 | |
| IX.2.17. | 4 | 1 | 3 | 6 | 6 | 4 | 2 | |
| IX.2.18. | 6 | 1 | 3 | 8 | 8 | 4 | 2 | |
| IX.2.19. | 3 | 1 | 3 | 5 | 5 | 4 | 2 | |
| Elément impliquant une modification du nombre d'entité | Modification | |||||||
| Le redevable n'est pas établi en Belgique | Réduction de 1 entité | |||||||
| Le distributeur applique le système d'autocontrôle visé aux articles 61 et 62 de la loi du 15 décembre 2013 en matière de dispositifs médicaux | Réduction de 1 entité | |||||||
Activité soumise à contribution IX.1.1. IX.1.2. IX.1.3. IX.1.4. IX.1.5. IX.1.6. IX.1.7. Catégorie de l'activité soumise à contribution
IX.2.1. 6 1 3 8 8 2 IX.2.2. 6 1 3 8 2
IX.2.3. 2 1 3 4 2
IX.2.4. 3 1 3 5 2
IX.2.5. 4 1 3 6 2
IX.2.6. 3 1 3 5 2
IX.2.7. 2 1 3 4 2
IX.2.8. 4 1 3 6 2
IX.2.9. 6 1 3 8 2
IX.2.10. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.11. 2 1 3 4 4 4 2
IX.2.12. 4 1 3 6 6 4 2
IX.2.13. 6 1 3 8 8 4 2
IX.2.14. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.15. 3 1 3 5 5 4 2
IX.2.16. 2 1 3 4 4 4 2
IX.2.17. 4 1 3 6 6 4 2
IX.2.18. 6 1 3 8 8 4 2
IX.2.19. 3 1 3 5 5 4 2
Elément impliquant une modification du nombre d'entité Modification Le redevable n'est pas établi en Belgique Réduction de 1 entité Le distributeur applique le système d'autocontrôle visé aux articles 61 et 62 de la loi du 15 décembre 2013 en matière de dispositifs médicaux Réduction de 1 entité
Art. N9. Bijlage IX bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage I van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen
Aanvulling van bijlage I van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen
Art. N9. Annexe IX à la loi-programme du 26 décembre 2022
Modification de l'annexe Ier de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux
Modification de l'annexe Ier de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux
| I.2.7. Aanvraag tot machtiging voor een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | 688,20 EUR |
| I.2.8. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | 542,80 EUR |
| I.2.9. Aanvraag tot machtiging voor een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | 688,20 EUR |
| I.2.10. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | 542,80 EUR |
| 1.2.7. Demande d'autorisation d'une investigation clinique, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives 90/385/CEE et 93/42/CEE du Conseil, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | 688,20 EUR |
| 1.2.8. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique, conformément à l'article 78, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (UE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | 542,80 EUR |
| 1.2.9. Demande d'autorisation d'une investigation clinique, conformément à l'article 78 du Règlement (EU) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives 90/385/CEE et 93/42/CEE du Conseil, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 688,20 EUR |
| 1.2.10. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique commerciale, conformément à l'article 78, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 542,80 EUR |
Art. N10. Bijlage X bij de programmawet van 26 december 2022
Aanvulling van bijlage II van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen
Aanvulling van bijlage II van de wet van 22 december 2020 betreffende medische hulpmiddelen
Art. N10. Annexe X à la loi-programme du 26 décembre 2022
Modification de l'annexe II de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux
Modification de l'annexe II de la loi du 22 décembre 2020 relative aux dispositifs médicaux
| I.2.7. Aanvraag tot machtiging voor een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | 4.807,68 EUR |
| I.2.8. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België coördinerend lidstaat is | 523,42 EUR |
| I.2.9. Aanvraag tot machtiging voor een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | 4.807,68 EUR |
| I.2.10. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een klinisch onderzoek overeenkomstig artikel 78, lid 12, van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, waarbij België betrokken lidstaat is | 523,42 EUR |
| 1.2.7. Demande d'autorisation d'une investigation clinique, conformément à l'article 78 du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives 90/385/CEE et 93/42/CEE du Conseil, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | 4.807,68 EUR |
| 1.2.8. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique, conformément à l'article 78, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, au sein duquel la Belgique assure la fonction d'Etat membre coordinateur | 523,42 EUR |
| 1.2.9. Demande d'autorisation d'une investigation clinique, conformément à l'article 78 du Règlement (EU) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives 90/385/CEE et 93/42/CEE du Conseil, la Belgique étant l'Etat membre concerné | 4.807,68 EUR |
| 1.2.10. Demande de modification substantielle d'une investigation clinique, conformément à l'article 78, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux, modifiant la directive 2001/83/CE, le règlement (CE) n° 178/2002 et le règlement (CE) n° 1223/2009 et abrogeant les directives du Conseil 90/385/CEE et 93/42/CEE, la Belgique étant l'Etat membre concerné | 523,42EUR |
Art. N11. Bijlage XI bij de programmawet van 26 december 2022
Vervanging van de tabel onder bijlage I van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek
Vervanging van de tabel onder bijlage I van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek
Art. N11. Annexe XI à la loi-programme du 26 décembre 2022
Remplacement du tableau repris à l'annexe Ier de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro
Remplacement du tableau repris à l'annexe Ier de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro
| 1.2.1. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie zoals bedoeld in artikel 58, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, en in artikel 57 van deze wet | 688,20 EUR |
| 1.2.2. Kennisgeving van een prestatiestudie bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | 688,20 EUR |
| 1.2.3. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een prestatiestudie, bedoeld in artikel 71 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie en overeenkomstig artikel 59 van deze wet | 542,80 EUR |
| 1.2.4. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een prestatiestudie bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | 542,80 EUR |
| 1.2.5. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België referentielidstaat is | 688,20 EUR |
| 1.2.6. Kennisgeving van een substantiële wijziging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74, lid 12, van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België referentielidstaat is | 542,80 EUR |
| 1.2.7. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België betrokken lidstaat is | 688,20 EUR |
| 1.2.8. Kennisgeving van een substantiële wijziging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74, lid 12, van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België betrokken lidstaat is | 542,80 EUR |
| 1.2.1. Demande d'autorisation d'une étude des performances visée à l'article 58, paragraphe 1er et 2, du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, et à l'article 57 de la présente loi | 688,20 EUR |
| 1.2.2. Notification d'une étude des performances, conformément à l'article 70 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | 688,20 EUR |
| 1.2.3. Notification d'une modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 71 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, et en vertu de l'article 59 de la présente loi | 542,80 EUR |
| 1.2.4. Notification d'une modification susbstantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 70 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | 542,80 EUR |
| 1.2.5. Demande d'autorisation d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, au sein de laquelle la Belgique assure la fonction d'Etat membre de référence | 688,20 EUR |
| 1.2.6. Demande de modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 74, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, au sein de laquelle la Belgique assure la fonction d'Etat membre de référence | 542,80 EUR |
| 1.2.7. Demande d'autorisation d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 688,20 EUR |
| 1.2.8. Demande de modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 74, alinéa 12, du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 542,80 EUR |
Art. N12. Bijlage XII bij de programmawet van 26 december 2022
Vervanging van de tabel in bijlage II van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek
Vervanging van de tabel in bijlage II van de wet van 15 juni 2022 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek
Art. N12. Annexe XII à la loi-programme du 26 décembre 2022
Remplacement du tableau repris à l'annexe II de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro
Remplacement du tableau repris à l'annexe II de la loi du 15 juin 2022 relative aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro
| 1.2.1. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie zoals bedoeld in artikel 58, leden 1 en 2 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie, en in artikel 57 van deze wet | 4.807,68 EUR |
| 1.2.2. Kennisgeving van een prestatiestudie bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | 4.807,68 EUR |
| 1.2.3. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een prestatiestudie, overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie en overeenkomstig artikel 59 van deze wet | 523,42 EUR |
| 1.2.4. Kennisgeving van een substantiële wijziging in een prestatiestudie, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie | 523,42 EUR |
| 1.2.5. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België de coördinerende lidstaat is | 4.807,68 EUR |
| 1.2.6. Aanvraag tot substantiële wijziging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België de coördinerende lidstaat is | 523,42 EUR |
| 1.2.7. Aanvraag tot machtiging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België betrokken lidstaat is | 4.807,68 EUR |
| 1.2.8. Kennisgeving van een substantiële wijziging voor een prestatiestudie bedoeld in artikel 74 van Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie waarbij België betrokken lidstaat is | 523,42 EUR |
| 1.2.1. Demande d'autorisation d'une étude des performances visée à l'article 58, paragraphe 1er et 2, du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, et à l'article 57 de la présente loi | 4.807,68 EUR |
| 1.2.2. Notification d'une étude des performances, conformément à l'article 70 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | 4.807,68 EUR |
| 1.2.3. Notification d'une modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 71 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, et en vertu de l'article 59 de la présente loi | 523,42 EUR |
| 1.2.4. Notification d'une modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 70 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission | 523,42 EUR |
| 1.2.5. Demande d'autorisation d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre coordinateur | 4.807,68 EUR |
| 1.2.6. Demande de modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre coordinateur | 523,42 EUR |
| 1.2.7. Demande d'autorisation d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 4.807,68 EUR |
| 1.2.8. Demande de modification substantielle d'une étude des performances, conformément à l'article 74 du Règlement (UE) 2017/746 relatif aux dispositifs médicaux de diagnostic in vitro et abrogeant la directive 98/79/CE et la décision 2010/227/UE de la Commission, pour laquelle la Belgique est l'Etat membre concerné | 523,42 EUR |