Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 AUGUSTUS 2022. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat betreft de onderzoekers, stagiairs en vrijwilligers
Titre
21 AOUT 2022. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en ce qui concerne les chercheurs, stagiaires et volontaires
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (69)
Texte (69)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking).
Art. 2. La présente loi transpose partiellement la directive 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair (refonte).
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 3. In artikel 1/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt:
"9° artikel 61/12;";
b) de paragraaf wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 18°, luidende:
"15° artikel 61/13/8;
16° artikel 61/13/12;
17° artikel 61/13/18;
18° artikel 61/13/27.".
a) de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt:
"9° artikel 61/12;";
b) de paragraaf wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 18°, luidende:
"15° artikel 61/13/8;
16° artikel 61/13/12;
17° artikel 61/13/18;
18° artikel 61/13/27.".
Art. 3. A l'article 1er/1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 9° est remplacé par ce qui suit:
"9° l'article 61/12;";
b) le paragraphe est complété par les 15° à 18° rédigés comme suit :
"15° l'article 61/13/8;
16° l'article 61/13/12;
17° l'article 61/13/18;
18° l'article 61/13/27.".
a) le 9° est remplacé par ce qui suit:
"9° l'article 61/12;";
b) le paragraphe est complété par les 15° à 18° rédigés comme suit :
"15° l'article 61/13/8;
16° l'article 61/13/12;
17° l'article 61/13/18;
18° l'article 61/13/27.".
Art. 4. In artikel 1/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 12° vervangen als volgt:
"12° artikel 10bis, §§ 4 tot 6;";
b) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 19°, luidende:
"15° artikel 61/12;
16° artikel 61/13/8;
17° artikel 61/13/12;
18° artikel 61/13/18;
19° artikel 61/13/27.".
a) in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 12° vervangen als volgt:
"12° artikel 10bis, §§ 4 tot 6;";
b) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 19°, luidende:
"15° artikel 61/12;
16° artikel 61/13/8;
17° artikel 61/13/12;
18° artikel 61/13/18;
19° artikel 61/13/27.".
Art. 4. A l'article 1er/2 de la même loi, inséré par la loi du 18 décembre 2016 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le 12° est remplacé par ce qui suit:
"12° l'article 10bis, §§ 4 à 6;" ;
b) le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par les 15° à 19° rédigés comme suit:
"15° l'article 61/12;
16° l'article 61/13/8;
17° l'article 61/13/12;
18° l'article 61/13/18;
19° l'article 61/13/27.".
a) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le 12° est remplacé par ce qui suit:
"12° l'article 10bis, §§ 4 à 6;" ;
b) le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par les 15° à 19° rédigés comme suit:
"15° l'article 61/12;
16° l'article 61/13/8;
17° l'article 61/13/12;
18° l'article 61/13/18;
19° l'article 61/13/27.".
Art. 5. In artikel 10bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 5 worden de woorden "artikel 61/34" vervangen door de woorden "artikel 61/39 of artikel 61/48";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid de volgende informatie en documenten voor:
1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.";
3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt:
" § 6. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/3 of artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf.
Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf, de volgende informatie en documenten voor:
1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.".
1° in paragraaf 5 worden de woorden "artikel 61/34" vervangen door de woorden "artikel 61/39 of artikel 61/48";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid de volgende informatie en documenten voor:
1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.";
3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt:
" § 6. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/3 of artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf.
Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf, de volgende informatie en documenten voor:
1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.".
Art. 5. A l'article 10bis de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 5, les mots "article 61/34" sont remplacés par les mots "article 61/39 ou de l'article 61/48";
2° le paragraphe 5 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille fournit les informations et documents suivants:
1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.";
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit:
" § 6. Le paragraphe 2 est également applicable aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'étranger qui est autorisé au séjour en application de l'article 61/13/3 ou de l'article 61/13/10.
Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille de l'étranger autorisé au séjour conformément à l'article 61/13/10 doit fournir les informations et documents suivants:
1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.".
1° dans le paragraphe 5, les mots "article 61/34" sont remplacés par les mots "article 61/39 ou de l'article 61/48";
2° le paragraphe 5 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille fournit les informations et documents suivants:
1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.";
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit:
" § 6. Le paragraphe 2 est également applicable aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'étranger qui est autorisé au séjour en application de l'article 61/13/3 ou de l'article 61/13/10.
Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille de l'étranger autorisé au séjour conformément à l'article 61/13/10 doit fournir les informations et documents suivants:
1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.".
Art. 6. In artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2quater, eerste lid, worden de woorden "artikel 10bis, §§ 5 en 6" vervangen door de woorden "artikel 10bis, § 5";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2quinquies luidende:
" § 2quinquies. In afwijking van paragraaf 2 wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de in artikel 10bis, § 6, bedoelde familieleden ten laatste binnen negentig dagen volgend op de indiening van de aanvraag zoals in paragraaf 1 wordt gedefinieerd, ter kennis gebracht.
Wanneer de aanvraag bedoeld in het eerste lid op hetzelfde ogenblik wordt ingediend als de aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 61/12 of artikel 61/13/8, van de onderdaan van een derde land bij wie zij zich willen vervoegen, behandelt de minister of zijn gemachtigde deze aanvragen tegelijk.".
1° in paragraaf 2quater, eerste lid, worden de woorden "artikel 10bis, §§ 5 en 6" vervangen door de woorden "artikel 10bis, § 5";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2quinquies luidende:
" § 2quinquies. In afwijking van paragraaf 2 wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de in artikel 10bis, § 6, bedoelde familieleden ten laatste binnen negentig dagen volgend op de indiening van de aanvraag zoals in paragraaf 1 wordt gedefinieerd, ter kennis gebracht.
Wanneer de aanvraag bedoeld in het eerste lid op hetzelfde ogenblik wordt ingediend als de aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 61/12 of artikel 61/13/8, van de onderdaan van een derde land bij wie zij zich willen vervoegen, behandelt de minister of zijn gemachtigde deze aanvragen tegelijk.".
Art. 6. A l'article 10ter de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2quater, alinéa 1er, les mots "article 10bis, §§ 5 et 6" sont remplacés par les mots" article 10bis, § 5,";
2° l'article est complété par le paragraphe 2quinquies rédigé comme suit:
" § 2quinquies. Par dérogation au paragraphe 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 6, est notifiée au plus tard dans les nonante jours suivant l'introduction de la demande telle que définie au paragraphe 1er.
Lorsque la demande visée à l'alinéa 1er est introduite au même moment que la demande introduite conformément à l'article 61/12 ou à l'article 61/13/8, par le ressortissant d'un pays tiers auquel ils veulent se joindre, le ministre ou son délégué traite ces demandes en même temps.".
1° dans le paragraphe 2quater, alinéa 1er, les mots "article 10bis, §§ 5 et 6" sont remplacés par les mots" article 10bis, § 5,";
2° l'article est complété par le paragraphe 2quinquies rédigé comme suit:
" § 2quinquies. Par dérogation au paragraphe 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 6, est notifiée au plus tard dans les nonante jours suivant l'introduction de la demande telle que définie au paragraphe 1er.
Lorsque la demande visée à l'alinéa 1er est introduite au même moment que la demande introduite conformément à l'article 61/12 ou à l'article 61/13/8, par le ressortissant d'un pays tiers auquel ils veulent se joindre, le ministre ou son délégué traite ces demandes en même temps.".
Art. 7. In artikel 19 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"De vreemdeling bedoeld in artikel 61/12 en die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op lange-termijnmobiliteit in een andere lidstaat behoudt zijn recht op terugkeer zolang zijn Belgische vergunning voor onderzoeker geldig is.";
2° het artikel wordt aangevuld met een een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Wanneer de onderdaan van een derde land die gebruikmaakt van het recht op mobiliteit, niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit in de tweede lidstaat of indien de door de minister of zijn gemachtigde afgegeven vergunning tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken, beëindigd of ingetrokken, wordt de onderdaan van een derde land door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de tweede lidstaat, zonder formaliteiten en onverwijld, toegelaten het Rijk opnieuw binnen te komen.
De Koning kan bepalen:
1° in welke gevallen een document aan deze onderdaan van een derde land wordt afgegeven;
2° welk document in voorkomend geval wordt afgeleverd.".
1° in paragraaf 1 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"De vreemdeling bedoeld in artikel 61/12 en die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op lange-termijnmobiliteit in een andere lidstaat behoudt zijn recht op terugkeer zolang zijn Belgische vergunning voor onderzoeker geldig is.";
2° het artikel wordt aangevuld met een een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Wanneer de onderdaan van een derde land die gebruikmaakt van het recht op mobiliteit, niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit in de tweede lidstaat of indien de door de minister of zijn gemachtigde afgegeven vergunning tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken, beëindigd of ingetrokken, wordt de onderdaan van een derde land door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de tweede lidstaat, zonder formaliteiten en onverwijld, toegelaten het Rijk opnieuw binnen te komen.
De Koning kan bepalen:
1° in welke gevallen een document aan deze onderdaan van een derde land wordt afgegeven;
2° welk document in voorkomend geval wordt afgeleverd.".
Art. 7. Dans l'article 19 de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"L'étranger visé à l'article 61/12 et qui a fait usage de son droit à la mobilité de longue durée dans un autre Etat membre, conserve son droit de retour tant que son permis belge pour chercheur est valable.";
2° l'article est complété par le paragraphe 5, rédigé comme suit:
" § 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers, qui fait usage du droit à la mobilité, ne remplit pas ou plus les conditions de la mobilité dans le deuxième Etat membre ou lorsque l'autorisation délivrée par le ministre ou son délégué, a expiré ou qu'il y a été mis fin ou qu'elle a été retirée au cours de la période de mobilité dans le deuxième Etat membre, le ministre ou son délégué autorise à nouveau l'entrée du ressortissant de pays tiers dans le Royaume, sans formalités et immédiatement, à la demande du deuxième Etat membre.
Le Roi peut fixer:
1° les cas dans lesquels un document est délivré au ressortissant d'un pays tiers;
2° le document qui est délivré, le cas échéant.".
1° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"L'étranger visé à l'article 61/12 et qui a fait usage de son droit à la mobilité de longue durée dans un autre Etat membre, conserve son droit de retour tant que son permis belge pour chercheur est valable.";
2° l'article est complété par le paragraphe 5, rédigé comme suit:
" § 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers, qui fait usage du droit à la mobilité, ne remplit pas ou plus les conditions de la mobilité dans le deuxième Etat membre ou lorsque l'autorisation délivrée par le ministre ou son délégué, a expiré ou qu'il y a été mis fin ou qu'elle a été retirée au cours de la période de mobilité dans le deuxième Etat membre, le ministre ou son délégué autorise à nouveau l'entrée du ressortissant de pays tiers dans le Royaume, sans formalités et immédiatement, à la demande du deuxième Etat membre.
Le Roi peut fixer:
1° les cas dans lesquels un document est délivré au ressortissant d'un pays tiers;
2° le document qui est délivré, le cas échéant.".
Art. 8. In artikel 61/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2021, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 61/1 de la même loi, inséré par la loi du 11 juillet 2021, le paragraphe 3 est abrogé.
Afdeling 2. - Onderzoekers
Section 2. - Chercheurs
Art. 9. In titel II, hoofdstuk VI, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/10 en 61/11 bevat, luidende:
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
Art. 9. Dans le titre II, chapitre VI, de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007, il est inséré une section 1re comportant les articles 61/10 et 61/11, intitulée:
"Section 1re. Dispositions générales.".
"Section 1re. Dispositions générales.".
Art. 10. In artikel 61/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° onderzoeker: de onderdaan van een derde land bedoel in artikel 37, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° erkende onderzoeksinstelling: de onderzoekinstelling bedoeld in artikel 37, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° onderzoek: het werk bedoeld in artikel 37, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
4° gastovereenkomst: de overeenkomst bedoeld in artikel 37, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
5° eerste lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
6° tweede lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
7° vergunning voor onderzoeker: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 6°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
8° vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
9° korte-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 9°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
10° lange-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 10°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
" § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° onderzoeker: de onderdaan van een derde land bedoel in artikel 37, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° erkende onderzoeksinstelling: de onderzoekinstelling bedoeld in artikel 37, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° onderzoek: het werk bedoeld in artikel 37, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
4° gastovereenkomst: de overeenkomst bedoeld in artikel 37, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
5° eerste lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
6° tweede lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
7° vergunning voor onderzoeker: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 6°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
8° vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
9° korte-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 9°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
10° lange-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 10°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art. 10. Dans l'article 61/10 de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° chercheur: le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 37, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° organisme de recherche agréé: l'organisme de recherche agréé visé à l'article 37, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° recherche: le travail visé à l'article 37, 8°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
4° convention d'accueil: la convention visée à l'article 37, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
5° premier Etat membre: l'Etat membre visé à l'article 37, 4°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
6° deuxième Etat membre: l'Etat membre visé à l'article 37, 5°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
7° permis pour chercheur: le titre de séjour visé à l'article 37, 6°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
8° permis pour mobilité de longue durée pour chercheurs: le titre de séjour visé à l'article 37, 7°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
9° mobilité de courte durée: le droit visé à l'article 37, 9°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
10° mobilité de longue durée: le droit visé à l'article 37, 10°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
" § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° chercheur: le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 37, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° organisme de recherche agréé: l'organisme de recherche agréé visé à l'article 37, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° recherche: le travail visé à l'article 37, 8°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
4° convention d'accueil: la convention visée à l'article 37, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
5° premier Etat membre: l'Etat membre visé à l'article 37, 4°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
6° deuxième Etat membre: l'Etat membre visé à l'article 37, 5°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
7° permis pour chercheur: le titre de séjour visé à l'article 37, 6°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
8° permis pour mobilité de longue durée pour chercheurs: le titre de séjour visé à l'article 37, 7°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
9° mobilité de courte durée: le droit visé à l'article 37, 9°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
10° mobilité de longue durée: le droit visé à l'article 37, 10°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
Art. 11. Artikel 61/11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 61/11. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:
1° de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of reeds gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van onderzoeker verbonden door een gastovereenkomst met een erkende onderzoekinstelling;
2° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van korte-termijnmobiliteit;
3° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van lange-termijnmobiliteit, op basis van een gastovereenkomst met een erkende onderzoeksinstelling;
4° de onderdanen van een derde land bedoeld in de bepalingen onder 1° en 2° die gemachtigd worden om in één van deze hoedanigheden in het Rijk te verblijven en er te werken;
5° de onderdanen van een derde land die gemachtigd werden om in de hoedanigheid van onderzoeker in het Rijk te verblijven en te werken en die hun verblijf tijdelijk willen voortzetten teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten;
6° de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker die in een andere lidstaat van de Europese Unie gemachtigd werden tot verblijf als familieleden van deze onderzoeker voor zover zij zich bij deze vervoegen in het kader van korte-termijnmobiliteit.".
"Art. 61/11. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:
1° de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of reeds gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van onderzoeker verbonden door een gastovereenkomst met een erkende onderzoekinstelling;
2° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van korte-termijnmobiliteit;
3° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van lange-termijnmobiliteit, op basis van een gastovereenkomst met een erkende onderzoeksinstelling;
4° de onderdanen van een derde land bedoeld in de bepalingen onder 1° en 2° die gemachtigd worden om in één van deze hoedanigheden in het Rijk te verblijven en er te werken;
5° de onderdanen van een derde land die gemachtigd werden om in de hoedanigheid van onderzoeker in het Rijk te verblijven en te werken en die hun verblijf tijdelijk willen voortzetten teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten;
6° de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker die in een andere lidstaat van de Europese Unie gemachtigd werden tot verblijf als familieleden van deze onderzoeker voor zover zij zich bij deze vervoegen in het kader van korte-termijnmobiliteit.".
Art. 11. L'article 61/11 de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007 et modifié par la loi du 4 mai 2016, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 61/11. Les dispositions du présent chapitre sont applicables:
1° aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont déjà autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de chercheur lié par une convention d'accueil à un organisme de recherche agréé;
2° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de courte durée;
3° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de longue durée, sur la base d'une convention d'accueil avec un organisme de recherche agréé;
4° aux ressortissants d'un pays tiers visés aux 1° et 2° qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en l'une de ces qualités;
5° aux ressortissants d'un pays tiers qui ont été autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en qualité de chercheur et qui souhaitent temporairement continuer leur séjour afin de chercher un emploi ou créer une entreprise;
6° aux membres de la famille d'un chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, autorisés au séjour dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que membres de la famille de ce chercheur, pour autant qu'ils le rejoignent dans le cadre d'une mobilité de courte durée.".
"Art. 61/11. Les dispositions du présent chapitre sont applicables:
1° aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont déjà autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de chercheur lié par une convention d'accueil à un organisme de recherche agréé;
2° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de courte durée;
3° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de longue durée, sur la base d'une convention d'accueil avec un organisme de recherche agréé;
4° aux ressortissants d'un pays tiers visés aux 1° et 2° qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en l'une de ces qualités;
5° aux ressortissants d'un pays tiers qui ont été autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en qualité de chercheur et qui souhaitent temporairement continuer leur séjour afin de chercher un emploi ou créer une entreprise;
6° aux membres de la famille d'un chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, autorisés au séjour dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que membres de la famille de ce chercheur, pour autant qu'ils le rejoignent dans le cadre d'une mobilité de courte durée.".
Art. 12. In titel II, hoofdstuk VI, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende:
"Afdeling 2. Vergunning voor onderzoeker.".
"Afdeling 2. Vergunning voor onderzoeker.".
Art. 12. Dans le titre II, chapitre VI, de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007, il est inséré une section 2, intitulée:
"Section 2. Permis pour chercheur.".
"Section 2. Permis pour chercheur.".
Art. 13. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 12, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/12 tot 61/13/2 bevat, luidende:
"Onderafdeling 1. - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.".
"Onderafdeling 1. - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.".
Art. 13. Dans la section 2 insérée par l'article 12, il est inséré une sous-section 1re, comportant les articles 61/12 à 61/13/2, intitulée:
"Sous-section 1re. - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers.".
"Sous-section 1re. - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers.".
Art. 14. Artikel 61/12 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 61/12. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker.
§ 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/3 vast te stellen, worden bij de aanvraag gevoegd.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
§ 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid, kan de onderdaan van een derde land die overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, reeds toegelaten of gemachtigd is om niet langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 40, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te verblijven en te werken.".
"Art. 61/12. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker.
§ 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/3 vast te stellen, worden bij de aanvraag gevoegd.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
§ 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid, kan de onderdaan van een derde land die overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, reeds toegelaten of gemachtigd is om niet langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 40, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te verblijven en te werken.".
Art. 14. L'article 61/12 de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 61/12. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur, introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de séjour en qualité de chercheur.
§ 2. Les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/3 sont joints à la demande.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits sont accompagnés d'une traduction legalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
§ 3. La demande est introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une durée n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de cette admission ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 40, § 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation ou au renouvellement de séjour au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
"Art. 61/12. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur, introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de séjour en qualité de chercheur.
§ 2. Les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/3 sont joints à la demande.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits sont accompagnés d'une traduction legalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
§ 3. La demande est introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une durée n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de cette admission ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 40, § 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation ou au renouvellement de séjour au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
Art. 15. Artikel 61/13 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 61/13. § 1. De onderdaan van een derde land die in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te vernieuwen, dient overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn machtiging tot verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
§ 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt en indien de aanvraag volledig is en werd ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over zijn aanvraag wordt genomen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.".
"Art. 61/13. § 1. De onderdaan van een derde land die in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te vernieuwen, dient overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn machtiging tot verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
§ 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt en indien de aanvraag volledig is en werd ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over zijn aanvraag wordt genomen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.".
Art. 15. L'article 61/13 de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 61/13. § 1er. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant d'un pays tiers qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours en qualité de chercheur et qui souhaite renouveler son séjour en cette qualité, introduit sa demande au plus tard deux mois avant l'expiration de son autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
§ 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de chercheur expire durant l'examen de la demande, que celle-ci est complète et qu'elle a été introduite avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.".
"Art. 61/13. § 1er. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant d'un pays tiers qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours en qualité de chercheur et qui souhaite renouveler son séjour en cette qualité, introduit sa demande au plus tard deux mois avant l'expiration de son autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
§ 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de chercheur expire durant l'examen de la demande, que celle-ci est complète et qu'elle a été introduite avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.".
Art. 16. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/13/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/1. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging tot verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf of die deze intrekt, die krachtens deze afdeling worden genomen;
2° de beslissing tot toekenning of vernieuwing van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
"Art. 61/13/1. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging tot verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf of die deze intrekt, die krachtens deze afdeling worden genomen;
2° de beslissing tot toekenning of vernieuwing van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
Art. 16. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/13/1, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/1. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour ou qui retirent celle-ci, prises en vertu de la présente section;
2° la décision d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
"Art. 61/13/1. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour ou qui retirent celle-ci, prises en vertu de la présente section;
2° la décision d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
Art. 17. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/13/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/2. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 41, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/12 zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van onderzoeker op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 41, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor onderzoeker aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor onderzoeker;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor onderzoeker.
§ 3. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/13 wordt de vergunning voor onderzoeker vernieuwd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.".
"Art. 61/13/2. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 41, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/12 zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van onderzoeker op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 41, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor onderzoeker aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor onderzoeker;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor onderzoeker.
§ 3. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/13 wordt de vergunning voor onderzoeker vernieuwd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.".
Art. 17. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/13/2, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/2. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 41, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/12, se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de chercheur, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 41, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour chercheur lui est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour chercheur;
2° la durée de validité du permis pour chercheur;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour chercheur.
§ 3. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/13, le permis pour chercheur est renouvelé pour une durée égale à la durée autorisée de son séjour.".
"Art. 61/13/2. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 41, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/12, se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de chercheur, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 41, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour chercheur lui est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour chercheur;
2° la durée de validité du permis pour chercheur;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour chercheur.
§ 3. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/13, le permis pour chercheur est renouvelé pour une durée égale à la durée autorisée de son séjour.".
Art. 18. In dezelfde afdeling 2 wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/13/3 en 61/13/4 bevat, luidende:
"Onderafdeling 2. - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker.".
"Onderafdeling 2. - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker.".
Art. 18. Dans la même section 2, il est inséré une sous-section 2 comportant les articles 61/13/3 et 61/13/4, intitulée:
"Sous-section 2. - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.".
"Sous-section 2. - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.".
Art. 19. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 18, wordt een artikel 61/13/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/3. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/12 of artikel 61/13 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
3° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van een derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker te vernieuwen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 5° en 6° ;
2° de onderzoeker verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of fraude gepleegd of heeft andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, in de volgende gevallen:
1° de onderzoeker voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 4° en 5° ;
2° de onderdaan van een derde land heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bij hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
§ 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
"Art. 61/13/3. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/12 of artikel 61/13 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
3° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van een derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker te vernieuwen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 5° en 6° ;
2° de onderzoeker verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of fraude gepleegd of heeft andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, in de volgende gevallen:
1° de onderzoeker voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 4° en 5° ;
2° de onderdaan van een derde land heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bij hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
§ 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 19. Dans la sous-section 2 insérée par l'article 18, il est inséré un article 61/13/3, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/3. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/12 ou de l'article 61/13 est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
3° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° en 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant d'un pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions prévues au paragraphe 1er, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 5° et 6° ;
2° le chercheur séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° le chercheur ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 4° et 5° ;
2° le ressortissant d'un pays tiers a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
3° l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
4° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume.
§ 5. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
"Art. 61/13/3. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/12 ou de l'article 61/13 est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
3° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° en 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant d'un pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions prévues au paragraphe 1er, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 5° et 6° ;
2° le chercheur séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
1° le chercheur ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 4° et 5° ;
2° le ressortissant d'un pays tiers a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
3° l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
4° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume.
§ 5. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
Art. 20. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/13/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/4. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid.
Indien de erkenning van de onderzoeksinstelling tijdens het verblijf van de onderzoeker wordt ingetrokken of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na deze gebeurtenis, en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om overeenkomstig deze wet een einde te maken aan het verblijf.
Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument waarvan de Koning het model bepaalt.".
"Art. 61/13/4. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid.
Indien de erkenning van de onderzoeksinstelling tijdens het verblijf van de onderzoeker wordt ingetrokken of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na deze gebeurtenis, en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om overeenkomstig deze wet een einde te maken aan het verblijf.
Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument waarvan de Koning het model bepaalt.".
Art. 20. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 61/13/4, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/4. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant de pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire dont le Roi détermine le modèle.".
"Art. 61/13/4. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant de pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire dont le Roi détermine le modèle.".
Art. 21. In titel II, hoofdstuk VI, van dezelfde wet, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende:
"Afdeling 3. Mobiliteit binnen de Europese Unie.".
"Afdeling 3. Mobiliteit binnen de Europese Unie.".
Art. 21. Dans le titre II, chapitre VI, de la même loi, il est inséré une section 3, intitulée:
"Section 3. Mobilité au sein de l'Union européenne.".
"Section 3. Mobilité au sein de l'Union européenne.".
Art. 22. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 21, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 61/13/5 tot 61/13/7 bevat, luidende:
"Onderafdeling 1. Korte-termijnmobiliteit.".
"Onderafdeling 1. Korte-termijnmobiliteit.".
Art. 22. Dans la section 3 insérée par l'article 21, il est inséré une sous-section 1re, comportant les articles 61/13/5 à 61/13/7, intitulée:
"Sous-section 1re. Mobilité de courte durée.".
"Sous-section 1re. Mobilité de courte durée.".
Art. 23. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 22, wordt een artikel 61/13/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/5. § 1. Een onderdaan van een derde land die door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, wordt in het kader van korte-termijnmobiliteit, toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om er een deel van zijn onderzoek te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
De kennisgeving gebeurt ofwel op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat, indien er in dat stadium al een voornemen tot mobiliteit naar België bestaat, of nadat de onderzoeker in de eerste lidstaat is toegelaten, zodra de voorgenomen mobiliteit naar België bekend is.
De korte-termijnmobiliteit kan aanvangen zodra de kennisgeving werd ingediend en voor zover de onderzoeker in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, afgeleverd door de eerste lidstaat.
§ 2. Bij de kennisgeving worden de hiernavolgende documenten voorgelegd:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst of, indien hij hierover niet beschikt, de met de onderzoekinstelling in de eerste lidstaat afgesloten gastovereenkomst;
3° indien dit niet uit de in de bepaling onder 2° bedoelde gastovereenkomst blijkt, het bewijs van de beoogde duur en data van de mobiliteit;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
6° een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een beëdigde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 3. De in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker, die onderdaan zijn van een derde land en die door een andere lidstaat werden gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van familielid van een onderzoeker, worden in het kader van korte-termijnmobiliteit toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om zich bij hun familielid dat overeenkomstig dit artikel in België verblijft, in het kader van korte-termijnmobiliteit te vervoegen, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld zodra het voornemen tot mobiliteit naar België bekend is.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld met de volgende documenten:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die de onderzoeker tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
3° indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
4° de geldige vergunning voor familielid van een onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 3°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 5. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd gemaakt overeenkomstig artikel 61/13/6, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn.
De Koning bepaalt:
1° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure;
2° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan het familielid van de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure.
Het in het tweede lid bedoelde verblijfsdocument is maximaal honderdtachtig dagen geldig. De Koning kan deze geldigheidsduur nader bepalen.
"Art. 61/13/5. § 1. Een onderdaan van een derde land die door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, wordt in het kader van korte-termijnmobiliteit, toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om er een deel van zijn onderzoek te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
De kennisgeving gebeurt ofwel op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat, indien er in dat stadium al een voornemen tot mobiliteit naar België bestaat, of nadat de onderzoeker in de eerste lidstaat is toegelaten, zodra de voorgenomen mobiliteit naar België bekend is.
De korte-termijnmobiliteit kan aanvangen zodra de kennisgeving werd ingediend en voor zover de onderzoeker in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, afgeleverd door de eerste lidstaat.
§ 2. Bij de kennisgeving worden de hiernavolgende documenten voorgelegd:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst of, indien hij hierover niet beschikt, de met de onderzoekinstelling in de eerste lidstaat afgesloten gastovereenkomst;
3° indien dit niet uit de in de bepaling onder 2° bedoelde gastovereenkomst blijkt, het bewijs van de beoogde duur en data van de mobiliteit;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
6° een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een beëdigde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 3. De in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een onderzoeker, die onderdaan zijn van een derde land en die door een andere lidstaat werden gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van familielid van een onderzoeker, worden in het kader van korte-termijnmobiliteit toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om zich bij hun familielid dat overeenkomstig dit artikel in België verblijft, in het kader van korte-termijnmobiliteit te vervoegen, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld zodra het voornemen tot mobiliteit naar België bekend is.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld met de volgende documenten:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die de onderzoeker tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
3° indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
4° de geldige vergunning voor familielid van een onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 3°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 5. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd gemaakt overeenkomstig artikel 61/13/6, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn.
De Koning bepaalt:
1° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure;
2° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan het familielid van de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure.
Het in het tweede lid bedoelde verblijfsdocument is maximaal honderdtachtig dagen geldig. De Koning kan deze geldigheidsduur nader bepalen.
Art. 23. Dans la sous-section 1re insérée par l'article 22, il est inséré un article 61/13/5, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/5. § 1er. Un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé par un autre Etat membre de l'Union européenne à séjourner en qualité de chercheur est admis sur le territoire du Royaume dans le cadre d'une mobilité de courte durée pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour y achever une partie de ses recherches à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
La notification est effectuée soit au moment de la demande dans le premier Etat membre, lorsque la mobilité vers la Belgique est déjà envisagée à ce stade, soit après l'admission du chercheur dans le premier Etat membre, dès que le projet de mobilité vers la Belgique est connu.
La mobilité de courte durée peut commencer dès que la notification a été introduite et pour autant que le chercheur dispose d'un permis pour chercheur valable, délivré par le premier Etat membre.
§ 2. Les documents suivants sont produits lors de la notification:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique ou, s'il ne dispose pas de ce document, la convention d'accueil signée avec l'organisme de recherche dans le premier Etat membre;
3° si elle ne figure pas dans la convention d'accueil visée au 2°, la preuve de la durée et des dates prévues pour la mobilité;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
6° un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction jurée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 3. Les membres de la famille du chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, qui sont ressortissants d'un pays tiers et qui ont été autorisés au séjour dans un autre Etat membre en qualité de membre de la famille d'un chercheur, sont admis, dans le cadre d'une mobilité de courte durée, sur le territoire du Royaume pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour rejoindre le membre de leur famille séjournant en Belgique dans le cadre d'une mobilité de courte durée conformément au présent article, à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
La notification visée au paragraphe 1er est complétée dès connaissance d'un projet de mobilité vers la Belgique.
§ 4. La notification visée au paragraphe 1er est complétée par les documents suivants:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve que le chercheur ou le membre de sa famille disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour couvrir ses frais de subsistance sans recourir au système d'aide sociale du Royaume. Dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
3° si le membre de la famille a plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
4° le permis en cours de validité pour membre de la famille du chercheur délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 3°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 5. Lorsqu'aucune objection n'a été émise ou lorsqu'une objection n'a pas été émise par écrit dans le délai imparti conformément à l'article 61/13/6, la mobilité est considérée comme approuvée.
Le Roi détermine:
1° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au chercheur et la procédure;
2° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au membre de la famille du chercheur et la procédure.
Le document de séjour visé à l'alinéa 2 possède une durée de validité maximale de cent quatre-vingts jours. Le Roi peut préciser les modalités de cette durée de validité.
"Art. 61/13/5. § 1er. Un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé par un autre Etat membre de l'Union européenne à séjourner en qualité de chercheur est admis sur le territoire du Royaume dans le cadre d'une mobilité de courte durée pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour y achever une partie de ses recherches à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
La notification est effectuée soit au moment de la demande dans le premier Etat membre, lorsque la mobilité vers la Belgique est déjà envisagée à ce stade, soit après l'admission du chercheur dans le premier Etat membre, dès que le projet de mobilité vers la Belgique est connu.
La mobilité de courte durée peut commencer dès que la notification a été introduite et pour autant que le chercheur dispose d'un permis pour chercheur valable, délivré par le premier Etat membre.
§ 2. Les documents suivants sont produits lors de la notification:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique ou, s'il ne dispose pas de ce document, la convention d'accueil signée avec l'organisme de recherche dans le premier Etat membre;
3° si elle ne figure pas dans la convention d'accueil visée au 2°, la preuve de la durée et des dates prévues pour la mobilité;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
6° un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction jurée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 3. Les membres de la famille du chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, qui sont ressortissants d'un pays tiers et qui ont été autorisés au séjour dans un autre Etat membre en qualité de membre de la famille d'un chercheur, sont admis, dans le cadre d'une mobilité de courte durée, sur le territoire du Royaume pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour rejoindre le membre de leur famille séjournant en Belgique dans le cadre d'une mobilité de courte durée conformément au présent article, à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
La notification visée au paragraphe 1er est complétée dès connaissance d'un projet de mobilité vers la Belgique.
§ 4. La notification visée au paragraphe 1er est complétée par les documents suivants:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve que le chercheur ou le membre de sa famille disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour couvrir ses frais de subsistance sans recourir au système d'aide sociale du Royaume. Dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
3° si le membre de la famille a plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
4° le permis en cours de validité pour membre de la famille du chercheur délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 3°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 5. Lorsqu'aucune objection n'a été émise ou lorsqu'une objection n'a pas été émise par écrit dans le délai imparti conformément à l'article 61/13/6, la mobilité est considérée comme approuvée.
Le Roi détermine:
1° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au chercheur et la procédure;
2° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au membre de la famille du chercheur et la procédure.
Le document de séjour visé à l'alinéa 2 possède une durée de validité maximale de cent quatre-vingts jours. Le Roi peut préciser les modalités de cette durée de validité.
Art. 24. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/13/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/6. § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt schriftelijk bezwaar tegen de mobiliteit van de onderzoeker en desgevallend zijn familielid, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, indien:
1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan, overeenkomstig artikel 61/13/5, §§ 1 tot 4;
2° de maximale verblijfsduur van honderdtachtig dagen op driehonderdzestig dagen is bereikt in België;
3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderzoekers toegang tot het Rijk te verschaffen;
4° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
5° er bewijs is of ernstige en objectieve redenen zijn om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van het derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt;
6° hij niet voldoet aan de voorwaarden vastgelegd door de gewestelijke of gemeenschapswetgeving die van toepassing is inzake de tewerkstelling van onderzoekers;
7° bij de kennisgeving in het kader van de korte-termijnmobiliteit valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten werden gebruikt, of fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel, mag de mobiliteit niet aanvangen.
Indien de korte-termijnmobiliteit al aanving, wordt deze onmiddellijk beëindigd.
Indien de korte-termijnmobiliteit aan de onderzoeker wordt geweigerd, wordt automatisch ook de korte-termijnmobiliteit aan het familielid geweigerd.
Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de erkende onderzoeksinstelling in België die de kennisgeving heeft gedaan, evenals aan de onderzoeker en desgevallend het familielid zelf.
Wanneer de kennisgeving later wordt aangevuld met de datum waarop een familielid zich bij de onderzoeker zal vervoegen, heeft de minister of zijn gemachtigde een termijn van dertig dagen om bezwaar te maken na ontvangst van de volledige kennisgeving.".
"Art. 61/13/6. § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt schriftelijk bezwaar tegen de mobiliteit van de onderzoeker en desgevallend zijn familielid, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, indien:
1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan, overeenkomstig artikel 61/13/5, §§ 1 tot 4;
2° de maximale verblijfsduur van honderdtachtig dagen op driehonderdzestig dagen is bereikt in België;
3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderzoekers toegang tot het Rijk te verschaffen;
4° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
5° er bewijs is of ernstige en objectieve redenen zijn om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van het derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt;
6° hij niet voldoet aan de voorwaarden vastgelegd door de gewestelijke of gemeenschapswetgeving die van toepassing is inzake de tewerkstelling van onderzoekers;
7° bij de kennisgeving in het kader van de korte-termijnmobiliteit valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten werden gebruikt, of fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel, mag de mobiliteit niet aanvangen.
Indien de korte-termijnmobiliteit al aanving, wordt deze onmiddellijk beëindigd.
Indien de korte-termijnmobiliteit aan de onderzoeker wordt geweigerd, wordt automatisch ook de korte-termijnmobiliteit aan het familielid geweigerd.
Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de erkende onderzoeksinstelling in België die de kennisgeving heeft gedaan, evenals aan de onderzoeker en desgevallend het familielid zelf.
Wanneer de kennisgeving later wordt aangevuld met de datum waarop een familielid zich bij de onderzoeker zal vervoegen, heeft de minister of zijn gemachtigde een termijn van dertig dagen om bezwaar te maken na ontvangst van de volledige kennisgeving.".
Art. 24. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/13/6, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/6. § 1er. Le ministre ou son délégué s'oppose par écrit à la mobilité du chercheur et, le cas échéant, à celle du membre de sa famille, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la réception de la notification complète lorsque:
1° les conditions relatives à la notification ne sont pas remplies, conformément à l'article 61/13/5, §§ 1er à 4;
2° la durée maximale de séjour de cent quatre-vingts jours sur trois cent soixante jours a été atteinte en Belgique;
3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des chercheurs d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
5° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant de pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation;
6° il ne remplit pas les conditions fixées par la législation régionale ou communautaire applicable en matière d'occupation de chercheurs;
7° lors de la notification dans le cadre de la mobilité de courte durée, il a été recouru à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention de l'autorisation de mobilité de courte durée.
Lorsque le ministre ou son délégué émet une objection conformément au présent article, la mobilité ne peut pas commencer.
Si la mobilité de courte durée a déjà commencé, elle prend immédiatement fin.
Si la mobilité de courte durée est refusée au chercheur, la mobilité de courte durée est automatiquement aussi refusée au membre de la famille.
L'objection est adressée aux autorités compétentes du premier Etat membre, à l'organisme de recherche agréé en Belgique ayant effectué la notification, ainsi qu'au chercheur et, le cas échéant, au membre de la famille lui-même.
Lorsque la notification est complétée ultérieurement par la date à laquelle un membre de la famille rejoindra le chercheur, après réception de la notification complète, le ministre ou son délégué dispose de trente jours pour émettre une objection.".
"Art. 61/13/6. § 1er. Le ministre ou son délégué s'oppose par écrit à la mobilité du chercheur et, le cas échéant, à celle du membre de sa famille, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la réception de la notification complète lorsque:
1° les conditions relatives à la notification ne sont pas remplies, conformément à l'article 61/13/5, §§ 1er à 4;
2° la durée maximale de séjour de cent quatre-vingts jours sur trois cent soixante jours a été atteinte en Belgique;
3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des chercheurs d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
5° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant de pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation;
6° il ne remplit pas les conditions fixées par la législation régionale ou communautaire applicable en matière d'occupation de chercheurs;
7° lors de la notification dans le cadre de la mobilité de courte durée, il a été recouru à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention de l'autorisation de mobilité de courte durée.
Lorsque le ministre ou son délégué émet une objection conformément au présent article, la mobilité ne peut pas commencer.
Si la mobilité de courte durée a déjà commencé, elle prend immédiatement fin.
Si la mobilité de courte durée est refusée au chercheur, la mobilité de courte durée est automatiquement aussi refusée au membre de la famille.
L'objection est adressée aux autorités compétentes du premier Etat membre, à l'organisme de recherche agréé en Belgique ayant effectué la notification, ainsi qu'au chercheur et, le cas échéant, au membre de la famille lui-même.
Lorsque la notification est complétée ultérieurement par la date à laquelle un membre de la famille rejoindra le chercheur, après réception de la notification complète, le ministre ou son délégué dispose de trente jours pour émettre une objection.".
Art. 25. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/13/7 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/7. In de volgende gevallen stelt de minister of zijn gemachtigde een einde aan het in artikel 61/13/5 bedoelde verblijf van de onderdaan van een derde land:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 61/13/5;
2° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
3° bij de kennisgeving in het kader van korte-termijnmobiliteit, werden valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of werd fraude gepleegd of werden andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
Indien er een einde wordt gesteld aan het verblijf van de onderzoeker of dit wordt ingetrokken, wordt automatisch ook het verblijf van het familielid beëindigd of ingetrokken, tenzij het familielid een autonoom verblijfsrecht geniet.
Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
"Art. 61/13/7. In de volgende gevallen stelt de minister of zijn gemachtigde een einde aan het in artikel 61/13/5 bedoelde verblijf van de onderdaan van een derde land:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 61/13/5;
2° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
3° bij de kennisgeving in het kader van korte-termijnmobiliteit, werden valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of werd fraude gepleegd of werden andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
Indien er een einde wordt gesteld aan het verblijf van de onderzoeker of dit wordt ingetrokken, wordt automatisch ook het verblijf van het familielid beëindigd of ingetrokken, tenzij het familielid een autonoom verblijfsrecht geniet.
Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 25. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/13/7, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/7. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/5 dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/13/5;
2° l'intéressé est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
3° lors de la notification dans le cadre de la mobilité de courte durée, il a été recouru à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention de l'autorisation de mobilité de courte durée.
S'il est mis fin au séjour du chercheur ou s'il est procédé à son retrait, le séjour du membre de la famille prend également fin ou est retiré automatiquement, sauf si le membre de la famille bénéficie d'un droit de séjour autonome.
Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant d'un pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
"Art. 61/13/7. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/5 dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/13/5;
2° l'intéressé est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
3° lors de la notification dans le cadre de la mobilité de courte durée, il a été recouru à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention de l'autorisation de mobilité de courte durée.
S'il est mis fin au séjour du chercheur ou s'il est procédé à son retrait, le séjour du membre de la famille prend également fin ou est retiré automatiquement, sauf si le membre de la famille bénéficie d'un droit de séjour autonome.
Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant d'un pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
Art. 26. In dezelfde afdeling 3 wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/13/8 tot 61/13/11 bevat, luidende:
"Onderafdeling 2. Vergunning voor lange-termijnmobiliteit.".
"Onderafdeling 2. Vergunning voor lange-termijnmobiliteit.".
Art. 26. Dans la section 3, il est inséré une sous-section 2, comportant les articles 61/13/8 à 61/13/11, intitulée:
"Sous-section 2. Permis pour mobilité de longue durée.".
"Sous-section 2. Permis pour mobilité de longue durée.".
Art. 27. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 26, wordt een artikel 61/13/8 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/8. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit op basis van een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
§ 2. De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/10 vast te stellen.
§ 3. Overeenkomstig artikel 40, § 1, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te verblijven en te werken.
§ 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor onderzoeker heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
§ 7. De aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoeker moet minstens dertig dagen voor aanvang van de lange-termijnmobiliteit van de onderzoeker in België worden ingediend.
§ 8. Een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit mag niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit worden ingediend.
Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, wordt de aanvraag van lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.".
"Art. 61/13/8. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit op basis van een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
§ 2. De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/10 vast te stellen.
§ 3. Overeenkomstig artikel 40, § 1, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te verblijven en te werken.
§ 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor onderzoeker heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
§ 7. De aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoeker moet minstens dertig dagen voor aanvang van de lange-termijnmobiliteit van de onderzoeker in België worden ingediend.
§ 8. Een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit mag niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit worden ingediend.
Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, wordt de aanvraag van lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.".
Art. 27. Dans la sous-section 2 insérée par l'article 26, il est inséré un article 61/13/8, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/8. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire dans le cadre d'une mobilité de longue durée sur la base d'une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en qualité de chercheur introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de mobilité de longue durée pour chercheur.
§ 2. Les documents suivants sont joints à la demande:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er /1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/10.
§ 3. Conformément à l'article 40, § 1er, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 4. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 3 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 5. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.
§ 6. Le ministre ou son délégué avise le premier Etat membre ayant délivré un permis pour chercheur de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.
§ 7. La demande de permis pour mobilité de longue durée pour chercheur doit avoir été introduite au moins trente jours avant le début de la mobilité de longue durée du chercheur en Belgique.
§ 8. Une demande de mobilité de longue durée et une notification de mobilité de courte durée ne peuvent être déposées simultanément.
Lorsqu'une mobilité de longue durée s'avère nécessaire alors que la mobilité de courte durée du chercheur a déjà commencé, la demande de mobilité de longue durée est introduite au moins trente jours avant la fin de la période de mobilité de courte durée.".
"Art. 61/13/8. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire dans le cadre d'une mobilité de longue durée sur la base d'une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en qualité de chercheur introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de mobilité de longue durée pour chercheur.
§ 2. Les documents suivants sont joints à la demande:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er /1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/10.
§ 3. Conformément à l'article 40, § 1er, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 4. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 3 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 5. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.
§ 6. Le ministre ou son délégué avise le premier Etat membre ayant délivré un permis pour chercheur de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.
§ 7. La demande de permis pour mobilité de longue durée pour chercheur doit avoir été introduite au moins trente jours avant le début de la mobilité de longue durée du chercheur en Belgique.
§ 8. Une demande de mobilité de longue durée et une notification de mobilité de courte durée ne peuvent être déposées simultanément.
Lorsqu'une mobilité de longue durée s'avère nécessaire alors que la mobilité de courte durée du chercheur a déjà commencé, la demande de mobilité de longue durée est introduite au moins trente jours avant la fin de la période de mobilité de courte durée.".
Art. 28. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/13/9 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/9. Overeenkomstig artikel 43 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de afgifte van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.".
"Art. 61/13/9. Overeenkomstig artikel 43 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de afgifte van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.".
Art. 28. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 61/13/9, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/9. Conformément à l'article 43 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour mobilité de longue durée pour chercheur lui est délivré, à sa demande.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
2° la durée de validité du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.".
"Art. 61/13/9. Conformément à l'article 43 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour mobilité de longue durée pour chercheur lui est délivré, à sa demande.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
2° la durée de validité du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.".
Art. 29. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/13/10 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/10. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/8 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt bij zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij beschikt over een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat;
3° de met de erkende onderzoekinstelling in België afgesloten gastovereenkomst;
4° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in paragraaf 3 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de vergunning voor onderzoeker die door de eerste lidstaat afgeleverd is, vervalt tijdens de procedure.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
2° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
§ 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de vergunning voor lange-termijnmobiliteit niet verlengt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.".
"Art. 61/13/10. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/8 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt bij zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij beschikt over een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat;
3° de met de erkende onderzoekinstelling in België afgesloten gastovereenkomst;
4° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in paragraaf 3 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de vergunning voor onderzoeker die door de eerste lidstaat afgeleverd is, vervalt tijdens de procedure.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
2° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
§ 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de vergunning voor lange-termijnmobiliteit niet verlengt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.".
Art. 29. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 61/13/10, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/10. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/8 est autorisé à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il dispose d'un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre;
3° la convention d'accueil signée avec l'organisme de recherche agréé en Belgique;
4° la preuve que le chercheur ou le membre de sa famille disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés au paragraphe 3 et pour couvrir ses frais de subsistance sans recourir au système d'aide sociale du Royaume. Dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés l'alinéa 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisé vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée de plus de cent quatre-vingts jours, dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou renseignements complémentaires dans le délai prescrit;
5° le permis pour chercheur délivré par le premier Etat membre expire durant la procédure.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour de plus de cent quatre-vingts jours en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions de séjour visées au paragraphe 1er, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 5° ;
2° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
3° l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
4° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.
§ 5. Lorsque le ministre ou son délégué ne renouvelle pas l'autorisation octroyée pour mobilité de longue durée, ou la retire, il en informe, le cas échéant, immédiatement les autorités du deuxième Etat membre.".
"Art. 61/13/10. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/8 est autorisé à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il dispose d'un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre;
3° la convention d'accueil signée avec l'organisme de recherche agréé en Belgique;
4° la preuve que le chercheur ou le membre de sa famille disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés au paragraphe 3 et pour couvrir ses frais de subsistance sans recourir au système d'aide sociale du Royaume. Dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
5° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés l'alinéa 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisé vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée de plus de cent quatre-vingts jours, dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou renseignements complémentaires dans le délai prescrit;
5° le permis pour chercheur délivré par le premier Etat membre expire durant la procédure.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour de plus de cent quatre-vingts jours en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions de séjour visées au paragraphe 1er, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 5° ;
2° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
3° l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
4° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.
§ 5. Lorsque le ministre ou son délégué ne renouvelle pas l'autorisation octroyée pour mobilité de longue durée, ou la retire, il en informe, le cas échéant, immédiatement les autorités du deuxième Etat membre.".
Art. 30. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/13/11 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/11. § 1. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf die krachtens deze onderafdeling genomen worden;
2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°.
§ 2. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
§ 3. Overeenkomstig artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid.
§ 4. Indien de erkenning van de onderzoeksinstelling tijdens het verblijf van de onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit wordt ingetrokken of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na deze gebeurtenis en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om overeenkomstig deze wet een einde te maken aan het verblijf.
Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument.".
"Art. 61/13/11. § 1. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf die krachtens deze onderafdeling genomen worden;
2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°.
§ 2. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
§ 3. Overeenkomstig artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid.
§ 4. Indien de erkenning van de onderzoeksinstelling tijdens het verblijf van de onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit wordt ingetrokken of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na deze gebeurtenis en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om overeenkomstig deze wet een einde te maken aan het verblijf.
Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument.".
Art. 30. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 61/13/11, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/11. § 1er. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente sous-section;
2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 tot 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
§ 3. Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
§ 4. Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant d'un pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire.".
"Art. 61/13/11. § 1er. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente sous-section;
2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 tot 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
§ 3. Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
§ 4. Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant d'un pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire.".
Art. 31. In titel II, hoofdstuk VI, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, wordt een afdeling 4 ingevoegd die de artikelen 61/13/12 tot 61/13/15 bevat, luidende:
"Afdeling 4. Verblijf na voltooiing van het onderzoek teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten.".
"Afdeling 4. Verblijf na voltooiing van het onderzoek teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten.".
Art. 31. Dans le titre II, chapitre VI, de la même loi, insérée par la loi du 21 avril 2007, il est inséré une section 4 comportant les articles 61/13/12 à 61/13/15, intitulée:
"Section 4. Séjour après l'achèvement de la recherche en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.".
"Section 4. Séjour après l'achèvement de la recherche en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.".
Art. 32. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 31, wordt een artikel 61/13/12 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/12. § 1. Na de voltooiing van zijn onderzoek op het grondgebied van het Rijk overeenkomstig artikel 61/12 kan de onderzoeker een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum twaalf maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten.
Hij dient daartoe, uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, een aanvraag in bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderzoeker de hiernavolgende documenten voor:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
3° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor zichzelf en in voorkomend geval voor zijn familieleden dekt;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
5° het bewijs, afgeleverd door de erkende onderzoeksinstelling in België, dat de onderzoeksactiviteiten zijn voltooid.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.".
"Art. 61/13/12. § 1. Na de voltooiing van zijn onderzoek op het grondgebied van het Rijk overeenkomstig artikel 61/12 kan de onderzoeker een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum twaalf maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten.
Hij dient daartoe, uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, een aanvraag in bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderzoeker de hiernavolgende documenten voor:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
3° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor zichzelf en in voorkomend geval voor zijn familieleden dekt;
4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
5° het bewijs, afgeleverd door de erkende onderzoeksinstelling in België, dat de onderzoeksactiviteiten zijn voltooid.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.".
Art. 32. Dans la section 4, insérée par l'article 31, il est inséré un article 61/13/12, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/12. § 1er. Après l'achèvement de ses recherches sur le territoire du Royaume conformément à l'article 61/12, le chercheur peut introduire une demande afin de séjourner sur le territoire du Royaume pendant un maximum de douze mois en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.
A cette fin, il introduit une demande à l'administration communale de son lieu de résidence sur le territoire du Royaume au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis de séjour.
§ 2. A l'appui de sa demande, le chercheur produit les documents suivants:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et, le cas échéant, pour les membres de sa famille;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour;
5° la preuve, délivrée par l'organisme de recherche agréé en Belgique, que les activités de recherche sont achevées.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.".
"Art. 61/13/12. § 1er. Après l'achèvement de ses recherches sur le territoire du Royaume conformément à l'article 61/12, le chercheur peut introduire une demande afin de séjourner sur le territoire du Royaume pendant un maximum de douze mois en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.
A cette fin, il introduit une demande à l'administration communale de son lieu de résidence sur le territoire du Royaume au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis de séjour.
§ 2. A l'appui de sa demande, le chercheur produit les documents suivants:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et, le cas échéant, pour les membres de sa famille;
4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour;
5° la preuve, délivrée par l'organisme de recherche agréé en Belgique, que les activités de recherche sont achevées.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.".
Art. 33. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 61/13/13 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/13. § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de burgemeester of zijn gemachtigde of de aanvraag volledig is overeenkomstig artikel 61/13/12. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag.
§ 2. Indien de aanvraag werd ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid, maar niet alle vereiste documenten werden voorgelegd, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land schriftelijk in kennis van de te bezorgen documenten.
De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om zijn aanvraag te vervolledigen.
Indien hij de gevraagde documenten binnen de voorgeschreven termijn voorlegt, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag overeenkomstig paragraaf 1.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde verklaart de aanvraag onontvankelijk in de volgende gevallen:
1° de aanvraag werd niet ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid;
2° de ontbrekende documenten werden niet voorgelegd binnen de termijn voorzien in paragraaf 2, tweede lid.
De burgemeester of zijn gemachtigde betekent deze beslissing aan de betrokkene en maakt een kopie van deze beslissing over aan de gemachtigde van de minister.
§ 4. Indien de aanvraag ontvankelijk is, maakt de burgemeester of zijn gemachtigde deze onverwijld over aan de minister of zijn gemachtigde.
§ 5. Indien tijdens de behandeling van de in artikel 61/13/12 bedoelde aanvraag, de verblijfsvergunning van de onderzoeker vervalt, ontvangt hij een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
§ 6. De Koning bepaalt:
1° het model van het ontvangstbewijs afgeleverd overeenkomstig paragraaf 1;
2° het model van de beslissing tot onontvankelijkheid bedoeld in paragraaf 3;
3° het model van het document bedoeld in paragraaf 5.".
"Art. 61/13/13. § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de burgemeester of zijn gemachtigde of de aanvraag volledig is overeenkomstig artikel 61/13/12. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag.
§ 2. Indien de aanvraag werd ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid, maar niet alle vereiste documenten werden voorgelegd, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land schriftelijk in kennis van de te bezorgen documenten.
De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om zijn aanvraag te vervolledigen.
Indien hij de gevraagde documenten binnen de voorgeschreven termijn voorlegt, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag overeenkomstig paragraaf 1.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde verklaart de aanvraag onontvankelijk in de volgende gevallen:
1° de aanvraag werd niet ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid;
2° de ontbrekende documenten werden niet voorgelegd binnen de termijn voorzien in paragraaf 2, tweede lid.
De burgemeester of zijn gemachtigde betekent deze beslissing aan de betrokkene en maakt een kopie van deze beslissing over aan de gemachtigde van de minister.
§ 4. Indien de aanvraag ontvankelijk is, maakt de burgemeester of zijn gemachtigde deze onverwijld over aan de minister of zijn gemachtigde.
§ 5. Indien tijdens de behandeling van de in artikel 61/13/12 bedoelde aanvraag, de verblijfsvergunning van de onderzoeker vervalt, ontvangt hij een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
§ 6. De Koning bepaalt:
1° het model van het ontvangstbewijs afgeleverd overeenkomstig paragraaf 1;
2° het model van de beslissing tot onontvankelijkheid bedoeld in paragraaf 3;
3° het model van het document bedoeld in paragraaf 5.".
Art. 33. Dans la même section 4, il est inséré un article 61/13/13, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/13. § 1er. Après réception de la demande, le bourgmestre ou son délégué vérifie si la demande est complète conformément à l'article 61/13/12. Le cas échéant, il délivre au ressortissant d'un pays tiers un récépissé de la demande.
§ 2. Si la demande a été introduite dans le délai prévu à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2, mais que tous les documents requis n'ont pas été fournis, le bourgmestre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers des documents à fournir.
Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de quinze jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande.
S'il produit les documents requis dans le délai prévu, conformément au paragraphe 1er, le bourgmestre ou son délégué délivre un récépissé de la demande au ressortissant d'un pays tiers.
§ 3. Le ministre ou son délégué déclare la demande irrecevable dans les cas suivants:
1° la demande n'a pas été introduite dans le délai visé à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2;
2° les documents manquants n'ont pas été produits dans le délai prévu au paragraphe 2, alinéa 2.
Le bourgmestre ou son délégué notifie cette décision à l'intéressé et transmet une copie de cette décision au délégué du ministre.
§ 4. Si la demande est recevable, le bourgmestre ou son délégué la transmet sans délai au ministre ou à son délégué.
§ 5. Si, au cours de l'examen de la demande visée à l'article 61/13/12, le permis de séjour du chercheur expire, il se voit délivrer un document couvrant temporairement son séjour dans l'attente d'une décision du ministre ou de son délégué.
§ 6. Le Roi détermine:
1° le modèle de récépissé délivré conformément au paragraphe 1er;
2° le modèle de décision d'irrecevabilité visé au paragraphe 3;
3° le modèle du document visé au paragraphe 5.".
"Art. 61/13/13. § 1er. Après réception de la demande, le bourgmestre ou son délégué vérifie si la demande est complète conformément à l'article 61/13/12. Le cas échéant, il délivre au ressortissant d'un pays tiers un récépissé de la demande.
§ 2. Si la demande a été introduite dans le délai prévu à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2, mais que tous les documents requis n'ont pas été fournis, le bourgmestre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers des documents à fournir.
Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de quinze jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande.
S'il produit les documents requis dans le délai prévu, conformément au paragraphe 1er, le bourgmestre ou son délégué délivre un récépissé de la demande au ressortissant d'un pays tiers.
§ 3. Le ministre ou son délégué déclare la demande irrecevable dans les cas suivants:
1° la demande n'a pas été introduite dans le délai visé à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2;
2° les documents manquants n'ont pas été produits dans le délai prévu au paragraphe 2, alinéa 2.
Le bourgmestre ou son délégué notifie cette décision à l'intéressé et transmet une copie de cette décision au délégué du ministre.
§ 4. Si la demande est recevable, le bourgmestre ou son délégué la transmet sans délai au ministre ou à son délégué.
§ 5. Si, au cours de l'examen de la demande visée à l'article 61/13/12, le permis de séjour du chercheur expire, il se voit délivrer un document couvrant temporairement son séjour dans l'attente d'une décision du ministre ou de son délégué.
§ 6. Le Roi détermine:
1° le modèle de récépissé délivré conformément au paragraphe 1er;
2° le modèle de décision d'irrecevabilité visé au paragraphe 3;
3° le modèle du document visé au paragraphe 5.".
Art. 34. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 61/13/14 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/14. § 1. Indien de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf toestaat, wordt deze beslissing betekend aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/13/13, § 1.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag tot machtiging tot verblijf als bedoeld in artikel 61/13/12 weigeren indien de onderdaan van een derde land:
1° niet aan de in artikel 61/13/13 gestelde voorwaarden voldoet;
2° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde kan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens paragraaf 1 beëindigen indien de onderdaan van een derde land:
1° louter op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, niet aantoont dat hij een gerede kans maakt om werk te vinden of om een onderneming op te starten. Dit verzoek kan ten vroegste drie maanden na de afgifte van de verblijfsvergunning worden ingediend;
2° niet langer voldoet aan de in artikel 61/13/12 vastgestelde voorwaarden;
3° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
§ 4. De Koning bepaalt:
1° het model van het verblijfsdocument dat in geval van een positieve beslissing aan de onderdaan van een derde land wordt afgeleverd en de geldigheidsduur ervan, zoals bedoeld in paragraaf 1;
2° het model van de beslissing waarmee het verblijf wordt geweigerd of beëindigd overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.".
"Art. 61/13/14. § 1. Indien de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf toestaat, wordt deze beslissing betekend aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/13/13, § 1.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag tot machtiging tot verblijf als bedoeld in artikel 61/13/12 weigeren indien de onderdaan van een derde land:
1° niet aan de in artikel 61/13/13 gestelde voorwaarden voldoet;
2° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde kan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens paragraaf 1 beëindigen indien de onderdaan van een derde land:
1° louter op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, niet aantoont dat hij een gerede kans maakt om werk te vinden of om een onderneming op te starten. Dit verzoek kan ten vroegste drie maanden na de afgifte van de verblijfsvergunning worden ingediend;
2° niet langer voldoet aan de in artikel 61/13/12 vastgestelde voorwaarden;
3° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
§ 4. De Koning bepaalt:
1° het model van het verblijfsdocument dat in geval van een positieve beslissing aan de onderdaan van een derde land wordt afgeleverd en de geldigheidsduur ervan, zoals bedoeld in paragraaf 1;
2° het model van de beslissing waarmee het verblijf wordt geweigerd of beëindigd overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.".
Art. 34. Dans la même section 4, il est inséré un article 61/13/14, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/14. § 1er. Si le ministre ou son délégué octroie l'autorisation de séjour, cette décision est notifiée au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date du récépissé de la demande, visé à l'article 61/13/13, § 1er.
§ 2. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande d'autorisation de séjour telle que visée à l'article 61/13/12 si le ressortissant d'un pays tiers:
1° ne remplit pas les conditions fixées à l'article 61/13/13;
2° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
§ 3. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour délivrée conformément au paragraphe 1er, si le ressortissant d'un pays tiers:
1° ne démontre pas qu'il a de réelles chances de trouver un emploi ou de créer une entreprise, à la seule demande du ministre ou de son délégué. Cette demande peut être introduite au plus tôt trois mois après la délivrance du permis de séjour;
2° ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/13/12;
3° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
§ 4. Le Roi détermine:
1° le modèle de document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers en cas de décision positive et sa durée de validité, tel que visé au paragraphe 1er;
2° le modèle de décision de refus ou mettant fin au séjour, conformément aux paragraphes 2 et 3.".
"Art. 61/13/14. § 1er. Si le ministre ou son délégué octroie l'autorisation de séjour, cette décision est notifiée au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date du récépissé de la demande, visé à l'article 61/13/13, § 1er.
§ 2. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande d'autorisation de séjour telle que visée à l'article 61/13/12 si le ressortissant d'un pays tiers:
1° ne remplit pas les conditions fixées à l'article 61/13/13;
2° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
§ 3. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour délivrée conformément au paragraphe 1er, si le ressortissant d'un pays tiers:
1° ne démontre pas qu'il a de réelles chances de trouver un emploi ou de créer une entreprise, à la seule demande du ministre ou de son délégué. Cette demande peut être introduite au plus tôt trois mois après la délivrance du permis de séjour;
2° ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/13/12;
3° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
§ 4. Le Roi détermine:
1° le modèle de document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers en cas de décision positive et sa durée de validité, tel que visé au paragraphe 1er;
2° le modèle de décision de refus ou mettant fin au séjour, conformément aux paragraphes 2 et 3.".
Art. 35. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 61/13/15 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/15. Deze afdeling is ook van toepassing indien de onderzoeker gebruikmaakt of gebruik heeft gemaakt van zijn recht op mobiliteit en België de tweede lidstaat is waar de onderzoeker verblijft of heeft verbleven.
Deze aanvraag wordt ingediend uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat.
Deze aanvraag kan ook ingediend worden bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in de lidstaat overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 61/13/2.".
"Art. 61/13/15. Deze afdeling is ook van toepassing indien de onderzoeker gebruikmaakt of gebruik heeft gemaakt van zijn recht op mobiliteit en België de tweede lidstaat is waar de onderzoeker verblijft of heeft verbleven.
Deze aanvraag wordt ingediend uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat.
Deze aanvraag kan ook ingediend worden bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in de lidstaat overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 61/13/2.".
Art. 35. Dans la même section 4, il est inséré un article 61/13/15, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/15. La présente section s'applique également lorsque le chercheur fait usage ou a fait usage de son droit à la mobilité et que la Belgique est le deuxième Etat membre dans lequel le chercheur séjourne ou a séjourné.
Cette demande est introduite au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur délivré par le premier Etat membre.
Cette demande peut aussi être introduite auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de sa résidence dans l'Etat membre, conformément à la procédure indiquée à l'article 61/13/2.".
"Art. 61/13/15. La présente section s'applique également lorsque le chercheur fait usage ou a fait usage de son droit à la mobilité et que la Belgique est le deuxième Etat membre dans lequel le chercheur séjourne ou a séjourné.
Cette demande est introduite au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur délivré par le premier Etat membre.
Cette demande peut aussi être introduite auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de sa résidence dans l'Etat membre, conformément à la procédure indiquée à l'article 61/13/2.".
Afdeling 3. - Stagiairs
Section 3. - Stagiaires
Art. 36. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk VIbis ingevoegd, luidende:
"Hoofdstuk vIbis.- Stagiairs.".
"Hoofdstuk vIbis.- Stagiairs.".
Art. 36. Dans le titre II de la même loi, il est inséré un chapitre VIbis intitulé:
"Chapitre VIbis. - Stagiaires.".
"Chapitre VIbis. - Stagiaires.".
Art. 37. In hoofdstuk VIbis, ingevoegd bij artikel 36, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/13/16 en 61/13/17 bevat, luidende:
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
Art. 37. Dans le chapitre VIbis inséré par l'article 36, il est inséré une section 1re comportant les articles 61/13/16 et 61/13/17, intitulée:
"Section 1re. Dispositions générales.".
"Section 1re. Dispositions générales.".
Art. 38. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 61/13/16 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/16. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° stagiair: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 47, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° vergunning voor stagiair: de verblijfstitel bedoeld in artikel 47, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° stage: het opleidingsprogramma bedoeld in artikel 47, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
"Art. 61/13/16. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° stagiair: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 47, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° vergunning voor stagiair: de verblijfstitel bedoeld in artikel 47, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° stage: het opleidingsprogramma bedoeld in artikel 47, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art. 38. Dans la section 1re, insérée par l'article 37, il est inséré un article 61/13/16, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/16. § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° stagiaire: le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 47, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° permis pour stagiaire: le titre de séjour visé à l'article 47, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° stage: le programme de formation visé à l'article 47, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
"Art. 61/13/16. § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° stagiaire: le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 47, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° permis pour stagiaire: le titre de séjour visé à l'article 47, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° stage: le programme de formation visé à l'article 47, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
Art. 39. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/13/17 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/17. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van stagiair.".
"Art. 61/13/17. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van stagiair.".
Art. 39. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/13/17, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/17. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire de l'Etat en qualité de stagiaire.".
"Art. 61/13/17. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire de l'Etat en qualité de stagiaire.".
Art. 40. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen 61/13/18 tot 61/13/24 bevat, luidende:
"Afdeling 2. Vergunning voor stagiair.".
"Afdeling 2. Vergunning voor stagiair.".
Art. 40. Dans le même chapitre VIbis, il est inséré une section 2 comportant les articles 61/13/18 à 61/13/24, intitulée:
"Section 2. Permis pour stagiaire.".
"Section 2. Permis pour stagiaire.".
Art. 41. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 40, wordt een artikel 61/13/18 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/18. § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van stagiair, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor stagiair.
§ 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderdaan van een derde land de hiernavolgende documenten voor:
1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/23 vast te stellen.
§ 3. De aanvraag moet worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid op het grondgebied van het Rijk, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledige karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te verblijven en te werken.".
"Art. 61/13/18. § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van stagiair, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor stagiair.
§ 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderdaan van een derde land de hiernavolgende documenten voor:
1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/23 vast te stellen.
§ 3. De aanvraag moet worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid op het grondgebied van het Rijk, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledige karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te verblijven en te werken.".
Art. 41. Dans la section 2, insérée par l'article 40, il est inséré un article 61/13/18, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/18. § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation pour stagiaire.
§ 2. A l'appui de sa demande, le ressortissant d'un pays tiers produit les documents suivants:
1° excepté en cas de prolongation de la demande, la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/23.
§ 3. La demande doit être introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 51, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation ou au renouvellement du séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers de fournir dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de stagiaire, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
"Art. 61/13/18. § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation pour stagiaire.
§ 2. A l'appui de sa demande, le ressortissant d'un pays tiers produit les documents suivants:
1° excepté en cas de prolongation de la demande, la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/23.
§ 3. La demande doit être introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 51, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation ou au renouvellement du séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers de fournir dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de stagiaire, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
Art. 42. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/19 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/19. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.
De duur van de machtiging tot verblijf die in het kader van vernieuwing afgeleverd wordt, komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.
De Koning kan de duur van de vernieuwing nader bepalen.".
"Art. 61/13/19. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.
De duur van de machtiging tot verblijf die in het kader van vernieuwing afgeleverd wordt, komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.
De Koning kan de duur van de vernieuwing nader bepalen.".
Art. 42. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/19, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/19. La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.
La durée de l'autorisation de séjour délivrée dans le cadre du renouvellement correspond à la durée de l'autorisation de travail.
Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.".
"Art. 61/13/19. La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.
La durée de l'autorisation de séjour délivrée dans le cadre du renouvellement correspond à la durée de l'autorisation de travail.
Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.".
Art. 43. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/20 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/20. § 1. Behoudens de bepalingen van de toepasselijke regionale wetgeving, dient de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair overeenkomstig artikel 61/13/23, § 1, en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wil voortzetten, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
§ 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van stagiair gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de vernieuwingsaanvraag verstrijkt en de aanvraag tot vernieuwing ontvankelijk is, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over de aanvraag bedoeld in paragraaf 1 wordt genomen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het in het eerste lid bedoelde document.".
"Art. 61/13/20. § 1. Behoudens de bepalingen van de toepasselijke regionale wetgeving, dient de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair overeenkomstig artikel 61/13/23, § 1, en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wil voortzetten, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
§ 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van stagiair gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de vernieuwingsaanvraag verstrijkt en de aanvraag tot vernieuwing ontvankelijk is, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over de aanvraag bedoeld in paragraaf 1 wordt genomen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het in het eerste lid bedoelde document.".
Art. 43. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/20, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/20. § 1er. Sous réserve des dispositions de la législation régionale applicable, le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour en qualité de stagiaire, conformément à l'article 61/13/23, § 1er, et qui souhaite continuer à séjourner en cette qualité, introduit une demande auprès de l'autorité régionale compétente au plus tard deux mois avant l'expiration de son séjour, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail, conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018.
§ 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de stagiaire expire durant l'examen de la demande de renouvellement et que la demande de renouvellement est recevable, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur la demande visée au paragraphe 1er.
Le Roi détermine les conditions et les modalités du document visé à l'alinéa 1er.".
"Art. 61/13/20. § 1er. Sous réserve des dispositions de la législation régionale applicable, le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour en qualité de stagiaire, conformément à l'article 61/13/23, § 1er, et qui souhaite continuer à séjourner en cette qualité, introduit une demande auprès de l'autorité régionale compétente au plus tard deux mois avant l'expiration de son séjour, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail, conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018.
§ 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de stagiaire expire durant l'examen de la demande de renouvellement et que la demande de renouvellement est recevable, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur la demande visée au paragraphe 1er.
Le Roi détermine les conditions et les modalités du document visé à l'alinéa 1er.".
Art. 44. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/21 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/21. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging tot verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf, die krachtens de bepalingen van deze afdeling worden genomen;
2° de beslissing tot toekenning of tot toekenning van de vernieuwing van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf, in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
"Art. 61/13/21. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissingen tot weigering van de machtiging tot verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf, die krachtens de bepalingen van deze afdeling worden genomen;
2° de beslissing tot toekenning of tot toekenning van de vernieuwing van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf, in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
Art. 44. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/21, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/21. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de refus de renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu des dispositions de la présente section;
2° la décision d'octroi ou d'octroi du renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
"Art. 61/13/21. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de refus de renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu des dispositions de la présente section;
2° la décision d'octroi ou d'octroi du renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
Art. 45. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/22 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/22. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 52, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land, bedoeld in artikel 61/13/18, zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 52, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor stagiair afgegeven.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor stagiair;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor stagiair;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor stagiair.
§ 3. In geval van vernieuwing van het verblijf wordt de vergunning voor stagiair overeenkomstig artikel 53, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 vernieuwd met de duur die nodig is om de stage te kunnen voltooien.
De Koning kan de duur van de vernieuwing nader bepalen.".
"Art. 61/13/22. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 52, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land, bedoeld in artikel 61/13/18, zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 52, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor stagiair afgegeven.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor stagiair;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor stagiair;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor stagiair.
§ 3. In geval van vernieuwing van het verblijf wordt de vergunning voor stagiair overeenkomstig artikel 53, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 vernieuwd met de duur die nodig is om de stage te kunnen voltooien.
De Koning kan de duur van de vernieuwing nader bepalen.".
Art. 45. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/22, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/22. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 52, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/18 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 52, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour stagiaire est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour stagiaire;
2° la durée de validité du permis pour stagiaire;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour stagiaire.
§ 3. En cas de renouvellement du séjour conformément à l'article 53, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le permis pour stagiaire est renouvelé pour la durée nécessaire pour achever le stage.
Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.".
"Art. 61/13/22. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 52, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/18 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 52, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour stagiaire est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour stagiaire;
2° la durée de validité du permis pour stagiaire;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour stagiaire.
§ 3. En cas de renouvellement du séjour conformément à l'article 53, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le permis pour stagiaire est renouvelé pour la durée nécessaire pour achever le stage.
Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.".
Art. 46. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/23 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/23. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/18 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. In voorkomend geval wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van stagiair zal ontvangen en de eventuele garantstelling bedoeld in de bepaling onder 3° ;
3° in voorkomend geval, het bewijs dat de gastentiteit de aansprakelijkheid voor de stagiair op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van het Rijk, in het bijzonder voor zijn kosten van levensonderhoud en accommodatie;
4° wanneer de stagiair gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de stagiair tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
5° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf;
6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
7° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
8° een schriftelijke verbintenis van de gastentiteit of de werkgever dat deze, in geval van onwettig verblijf van een stagiair op het grondgebied van het Rijk, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten voor diens verblijf en terugreis zal terugbetalen. De financiële aansprakelijkheid van de gastentiteit verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst;
9° de door de stagiair afgesloten stageovereenkomst.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een stage te volgen.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair te vernieuwen of stelt een einde aan het verblijf in de volgende gevallen:
1° de stagiair voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 6° en 7° ;
2° de stagiair verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
"Art. 61/13/23. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/18 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. In voorkomend geval wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van stagiair zal ontvangen en de eventuele garantstelling bedoeld in de bepaling onder 3° ;
3° in voorkomend geval, het bewijs dat de gastentiteit de aansprakelijkheid voor de stagiair op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van het Rijk, in het bijzonder voor zijn kosten van levensonderhoud en accommodatie;
4° wanneer de stagiair gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de stagiair tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
5° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf;
6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
7° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
8° een schriftelijke verbintenis van de gastentiteit of de werkgever dat deze, in geval van onwettig verblijf van een stagiair op het grondgebied van het Rijk, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten voor diens verblijf en terugreis zal terugbetalen. De financiële aansprakelijkheid van de gastentiteit verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst;
9° de door de stagiair afgesloten stageovereenkomst.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een stage te volgen.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair te vernieuwen of stelt een einde aan het verblijf in de volgende gevallen:
1° de stagiair voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 6° en 7° ;
2° de stagiair verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 46. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/23, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/23. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/18 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Si d'application, dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de stagiaire et la prise en charge éventuelle visée au 3° ;
3° le cas échéant, la preuve que l'entité d'accueil se porte garante du stagiaire pendant toute la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, en ce qui concerne notamment ses frais de subsistance et de logement;
4° lorsque le stagiaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le stagiaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
5° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique pour la durée de son séjour;
6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de stagiaire, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
7° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour en qualité de stagiaire et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
8° un engagement par écrit de l'entité d'accueil ou de l'employeur, en vertu duquel il supporte les frais de séjour et de retour financés par les fonds publics dans le cas où un stagiaire demeure irrégulièrement sur le territoire du Royaume. La responsabilité financière de l'entité d'accueil prend fin au plus tard six mois après la fin de la convention de stage;
9° la convention de stage conclue par le stagiaire.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 6° en 7°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y faire un stage.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire ou met fin au séjour, dans les cas suivants:
1° le stagiaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 6° et 7° ;
2° le stagiaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
"Art. 61/13/23. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/18 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Si d'application, dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de stagiaire et la prise en charge éventuelle visée au 3° ;
3° le cas échéant, la preuve que l'entité d'accueil se porte garante du stagiaire pendant toute la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, en ce qui concerne notamment ses frais de subsistance et de logement;
4° lorsque le stagiaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le stagiaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
5° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique pour la durée de son séjour;
6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de stagiaire, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
7° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour en qualité de stagiaire et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
8° un engagement par écrit de l'entité d'accueil ou de l'employeur, en vertu duquel il supporte les frais de séjour et de retour financés par les fonds publics dans le cas où un stagiaire demeure irrégulièrement sur le territoire du Royaume. La responsabilité financière de l'entité d'accueil prend fin au plus tard six mois après la fin de la convention de stage;
9° la convention de stage conclue par le stagiaire.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 6° en 7°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y faire un stage.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire ou met fin au séjour, dans les cas suivants:
1° le stagiaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 6° et 7° ;
2° le stagiaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
Art. 47. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/24 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/24. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 53 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de stage en bedraagt deze maximaal zes maanden.".
"Art. 61/13/24. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 53 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de stage en bedraagt deze maximaal zes maanden.".
Art. 47. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/24, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/24. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 53 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée du stage et est de six mois au maximum.".
"Art. 61/13/24. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 53 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée du stage et est de six mois au maximum.".
Afdeling 4. - Vrijwilligers
Section 4. - Volontaires
Art. 48. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk VIter ingevoegd, luidende:
"Hoofdstuk VIter. Vrijwilligers in het kader van Europees vrijwilligerswerk.".
"Hoofdstuk VIter. Vrijwilligers in het kader van Europees vrijwilligerswerk.".
Art. 48. Dans le titre II de la même loi, il est inséré un chapitre VIter intitulé:
"Chapitre VIter. Volontaires dans le cadre du service volontaire européen.".
"Chapitre VIter. Volontaires dans le cadre du service volontaire européen.".
Art. 49. In hoofdstuk VIter, ingevoegd bij artikel 48, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/13/25 en 61/13/26 bevat, luidende:
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
"Afdeling 1. Algemene bepalingen.".
Art. 49. Dans le chapitre VIter, inséré par l'article 48, il est inséré une section 1re comportant les articles 61/13/25 et 61/13/26, intitulée:
"Section 1re. Dispositions générales.".
"Section 1re. Dispositions générales.".
Art. 50. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 49 wordt een artikel 61/13/25 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/25. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° vergunning voor vrijwilliger: de verblijfstitel bedoeld in artikel 55, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° vrijwilligersprogramma: het programma bedoeld in artikel 55, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
"Art. 61/13/25. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
2° vergunning voor vrijwilliger: de verblijfstitel bedoeld in artikel 55, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
3° vrijwilligersprogramma: het programma bedoeld in artikel 55, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art. 50. Dans la section 1re insérée par l'article 49, il est inséré un article 61/13/25, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/25. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° volontaire: le ressortissant de pays tiers visé à l'article 55, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° permis pour volontaire: le titre de séjour visé à l'article 55, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° programme de volontariat: le programme visé à l'article 55, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
"Art. 61/13/25. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° volontaire: le ressortissant de pays tiers visé à l'article 55, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
2° permis pour volontaire: le titre de séjour visé à l'article 55, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
3° programme de volontariat: le programme visé à l'article 55, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
Art. 51. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/13/26 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/26. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk.".
"Art. 61/13/26. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk.".
Art. 51. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/13/26, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/26. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de volontaire dans le cadre du service volontaire européen.".
"Art. 61/13/26. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de volontaire dans le cadre du service volontaire européen.".
Art. 52. In hetzelfde hoofstuk VIter wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen 61/13/27 tot 61/13/31 bevat, luidende:
"Afdeling 2. Vergunning voor vrijwilliger.".
"Afdeling 2. Vergunning voor vrijwilliger.".
Art. 52. Dans le même chapitre VIter, il est inséré une section 2 comportant les articles 61/13/27 à 61/13/31, intitulée:
"Section 2. Permis pour volontaire.".
"Section 2. Permis pour volontaire.".
Art. 53. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 52, wordt een artikel 61/13/27 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/27. § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor vrijwilliger.
§ 2. De onderdaan van een derde land legt de hiernavolgende documenten voor ter staving van zijn aanvraag:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/31 vast te stellen.
§ 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 58, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te verblijven en te werken.".
"Art. 61/13/27. § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor vrijwilliger.
§ 2. De onderdaan van een derde land legt de hiernavolgende documenten voor ter staving van zijn aanvraag:
1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/31 vast te stellen.
§ 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
§ 4. Overeenkomstig artikel 58, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
§ 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te verblijven en te werken.".
Art. 53. Dans la section 2, insérée par l'article 52, il est inséré un article 61/13/27, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/27. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de volontaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande de permis pour volontaire.
§ 2. A l'appui de sa demande, le ressortissant d'un pays tiers produit les documents suivants:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/31.
§ 3. La demande est introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume si la demande est introduite avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 58, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de fournir dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de volontaire, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
"Art. 61/13/27. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de volontaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande de permis pour volontaire.
§ 2. A l'appui de sa demande, le ressortissant d'un pays tiers produit les documents suivants:
1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/31.
§ 3. La demande est introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume si la demande est introduite avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation.
§ 4. Conformément à l'article 58, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de fournir dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
§ 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de volontaire, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
Art. 54. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/28 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/28. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.".
"Art. 61/13/28. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.".
Art. 54. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/28, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/28. La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.".
"Art. 61/13/28. La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.".
Art. 55. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/29 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/29. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf of tot beëindiging van de machtiging tot verblijf;
2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf, in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
"Art. 61/13/29. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf of tot beëindiging van de machtiging tot verblijf;
2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf, in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°. ".
Art. 55. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/29, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/29. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° la décision de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour;
2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
"Art. 61/13/29. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
1° la décision de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour;
2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
Art. 56. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/30 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/30. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 59, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/13/26 zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 59, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor vrijwilliger aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor vrijwilliger;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor vrijwilliger;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor vrijwilliger.".
"Art. 61/13/30. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 59, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/13/26 zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het afleveren van dit visum.
§ 2. Overeenkomstig artikel 59, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor vrijwilliger aan hem afgeleverd.
De Koning bepaalt:
1° het model van de vergunning voor vrijwilliger;
2° de geldigheidsduur van de vergunning voor vrijwilliger;
3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor vrijwilliger.".
Art. 56. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/30, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/30. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 59, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 59, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour volontaire lui est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour volontaire;
2° la durée de validité du permis pour volontaire;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour volontaire.".
"Art. 61/13/30. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 59, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
§ 2. Conformément à l'article 59, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour volontaire lui est délivré.
Le Roi détermine:
1° le modèle du permis pour volontaire;
2° la durée de validité du permis pour volontaire;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour volontaire.".
Art. 57. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/31 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/31. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/26 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt rekening gehouden met een eventuele garantstelling door de gastentiteit, in het bijzonder voor de kosten van levensonderhoud en accommodatie;
3° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
4° wanneer de vrijwilliger gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de vrijwilliger tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
5° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
7° de door de aanvrager afgesloten vrijwilligersovereenkomst.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een vrijwilligerswerk in het kader van Europees vrijwilligerswerk te verrichten.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De gastentiteit legt een schriftelijke verklaring voor die haar financiële aansprakelijkheid bevestigt voor de uit overheidsmiddelen betaalde kosten van het verblijf en de terugreis van de vrijwilliger in geval van onwettig verblijf van de vrijwilliger op het grondgebied van België.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger in de volgende gevallen:
1° de vrijwilliger voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5° en 6° ;
2° de vrijwilliger verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
"Art. 61/13/31. § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/26 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt rekening gehouden met een eventuele garantstelling door de gastentiteit, in het bijzonder voor de kosten van levensonderhoud en accommodatie;
3° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
4° wanneer de vrijwilliger gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de vrijwilliger tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
5° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
7° de door de aanvrager afgesloten vrijwilligersovereenkomst.
Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een vrijwilligerswerk in het kader van Europees vrijwilligerswerk te verrichten.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
De gastentiteit legt een schriftelijke verklaring voor die haar financiële aansprakelijkheid bevestigt voor de uit overheidsmiddelen betaalde kosten van het verblijf en de terugreis van de vrijwilliger in geval van onwettig verblijf van de vrijwilliger op het grondgebied van België.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger toe te kennen in de volgende gevallen:
1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
5° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger in de volgende gevallen:
1° de vrijwilliger voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5° en 6° ;
2° de vrijwilliger verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 57. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/31, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/31. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/26 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte d'une éventuelle prise en charge par l'entité d'accueil en ce qui concerne notamment les frais de subsistance et de logement;
3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique;
4° lorsque le volontaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le volontaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
5° un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
6° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
7° la convention de volontariat conclue par le demandeur.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y effectuer du volontariat dans le cadre du service volontaire européen.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
L'entité d'accueil présente un engagement par écrit, qui confirme sa responsabilité financière pour les frais financés par les fonds publics liés au séjour et au retour du volontaire, dans l'hypothèse où le volontaire demeure irrégulièrement en Belgique.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
1° le volontaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er 5° et 6° ;
2° le volontaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant d'un pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
"Art. 61/13/31. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/26 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte d'une éventuelle prise en charge par l'entité d'accueil en ce qui concerne notamment les frais de subsistance et de logement;
3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique;
4° lorsque le volontaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le volontaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
5° un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
6° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
7° la convention de volontariat conclue par le demandeur.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y effectuer du volontariat dans le cadre du service volontaire européen.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
L'entité d'accueil présente un engagement par écrit, qui confirme sa responsabilité financière pour les frais financés par les fonds publics liés au séjour et au retour du volontaire, dans l'hypothèse où le volontaire demeure irrégulièrement en Belgique.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
5° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
1° le volontaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er 5° et 6° ;
2° le volontaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant d'un pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.".
Art. 58. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/13/32 ingevoegd, luidende:
"Art. 61/13/32. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 61 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot één jaar.".
"Art. 61/13/32. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig artikel 61 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot één jaar.".
Art. 58. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/13/32, rédigé comme suit:
"Art. 61/13/32. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 61 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à un an.".
"Art. 61/13/32. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément à l'article 61 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à un an.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires
Art. 59. Aanvragen die nog hangende zijn op het moment van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet, worden behandeld overeenkomstig de oude regeling.
Art. 59. Les demandes qui sont encore pendantes au moment d'entrée en vigueur des dispositions de cette loi, sont traitées conformément à l'ancienne réglementation.
Art. 60. Onderdanen van een derde land die op grond van de oude bepalingen tot het verblijf gemachtigd werden, kunnen deze, indien zij aan de voorwaarden voldoen, vernieuwen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
Art. 60. Les ressortissants de pays tiers qui ont été autorisés au séjour en vertu des anciennes dispositions peuvent la renouveler conformément aux dispositions de la présente loi, pour autant qu'ils remplissent les conditions.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 61. Afdeling 2 van hoofdstuk 2 met als opschrift "Onderzoekers", met uitzondering van de bepalingen met betrekking tot het verblijf na voltooiing van het onderzoek teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten, treedt in werking op 1 maart 2023.
Art. 61. La section 2 du chapitre 2 intitulée "Chercheurs", à l'exception des dispositions concernant le séjour après l'achèvement de la recherche en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise, entre en vigueur le 1er mars 2023.