Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
11 DECEMBER 2022. - Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-12-2022 en tekstbijwerking tot 04-07-2024)
Titre
11 DECEMBRE 2022. - Loi visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-12-2022 et mise à jour au 04-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 2022034447
Datum: 2022-12-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022034447
Date: 2022-12-11
Moniteur: Voir
Tekst (81)
Texte (81)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de:
  1° de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
  2° de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade;
  3° de Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu;
  4° de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
  5° de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
  6° de Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement:
  1° la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages;
  2° la directive 2004/35/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 sur la responsabilité environnementale en ce qui concerne la prévention et la réparation des dommages environnementaux;
  3° la directive 2008/56/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 2008 établissant un cadre d'action communautaire dans le domaine de la politique pour le milieu marin;
  4° la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages;
  5° la directive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement, modifiée par la directive 2014/52/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant la directive 2011/92/UE concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement;
  6° la directive 2014/89/UE du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 établissant un cadre pour la planification de l'espace maritime.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art. 3. In deze wet en in de op grond ervan genomen uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder:
  1° zeegebieden: de territoriale zee, het continentaal plat en de exclusieve economische zone van België;
  2° marien milieu: de abiotische omgeving en de biota van de zeegebieden, hierin inbegrepen de fauna, de flora en de mariene habitats die zij innemen, alsook de ecologische processen werkzaam binnen dit milieu en de onderlinge wisselwerkingen tussen de abiotische en biotische componenten en de ecosysteemdiensten die zij vervullen;
  3° bescherming: het geheel van maatregelen nodig voor het behoud, het herstel en het duurzaam beheer van het marien milieu, alsook de maatregelen nodig voor het handhaven en herstellen van de kwaliteit van het marien milieu;
  4° verontreiniging: het direct of indirect inbrengen in de zeebodem, de waterkolom en de atmosfeer van stoffen, materialen, energie, met inbegrip van onderwatergeluid, of uitheemse soorten, ten gevolge van menselijke activiteiten, waardoor schade optreedt of kan optreden;
  5° schade: een negatieve verandering in het marien milieu, die direct of indirect optreedt, met inbegrip van de aantasting van de menselijke gezondheid, of de aantasting van het duurzame gebruik van de zeegebieden, veroorzaakt door verontreiniging en iedere beschadiging, verlies of nadeel geleden door een natuurlijk persoon, rechtspersoon of een overheid voortvloeiend uit deze negatieve verandering;
  6° de minister: de minister bevoegd voor het Marien Milieu;
  7° dienst Marien Milieu: de dienst Marien Milieu van het Directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
  8° BMM: de wetenschappelijke dienst Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;
  9° DG Scheepvaart: het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  10° scheepvaartpolitie: de dienst bedoeld in artikel 1.1.1.2, 6°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
  11° scheepvaartcontrole: de dienst bedoeld in artikel 1.1.1.2, 4°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
  12° overheid met bevoegdheid op zee: de scheepvaartpolitie, de scheepvaartcontrole, elke gezagvoerder van een patrouillevaartuig, de BMM, de Marine, de dienst Marien Milieu, en elke door de minister aangewezen beëdigde ambtenaar;
  13° schip: elk tuig, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven, en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen, watervliegtuigen en amfibievoertuigen;
  14° Belgisch schip: een schip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren;
  15° scheepvaartongeval: de aanvaring of stranding van een schip of elk ander scheepvaartvoorval of gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, dat kan leiden tot schade;
  16° reder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die eigenaar is van het schip, die het rederschap erover uitoefent;
  17° rederschap: het bezit van het schip dat gepaard gaat met de overwegende zeggenschap over het beheer, het gebruik en de exploitatie ervan;
  18° scheepsgebruiker: elke houder van een zakelijk of persoonlijk recht dat gedurende een bepaalde tijd recht geeft op het gebruik van een schip of een deel van een schip, met uitzondering van reders, reisbevrachters en partijen bij en rechthebbenden onder een vervoersovereenkomst;
  19° Natura 2000-gebied: een gebied ingesteld op basis van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, of op basis van Richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake het behoud van de vogelstand;
  20° instandhoudingsdoelstellingen: de verbeter- of behoudsdoelstellingen voor de beschermde soort of voor de beschermde habitat, in voorkomend geval, betrekking hebbend op de Europees te beschermen habitats of populaties van Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, waarvoor het Natura 2000-gebied is aangemeld of die in of rond het Natura 2000-gebied voorkomen;
  21° instandhoudingsmaatregel: maatregel die nodig is voor het behoud of herstel van de habitats en de populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding;
  22° beschermingsdoelstellingen: de verbeter- of behoudsdoelstellingen voor de beschermde soort of voor het beschermde mariene gebied, met uitzondering van het Natura 2000-gebied;
  23° beschermingsmaatregel: maatregel die nodig is om de beschermingsdoelstellingen te bereiken of te behouden;
  24° offshore-installatie: elke kunstmatige structuur, installatie of onderdeel ervan, zowel drijvend als op de zeebodem vastgemaakt, die in de zeegebieden is opgesteld;
  25° storten:
  a) het zich opzettelijk ontdoen in zee van afval of andere materie vanaf schepen, luchtvaartuigen of offshore-installaties;
  b) het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, offshore-installaties of pijpleidingen;
  c) het in zee achterlaten van offshore-installaties, pijpleidingen of andere materie met de loutere bedoeling zich ervan te ontdoen;
  d) het opslaan van afval of andere materie in de zeebodem en de ondergrond daarvan; en
  e) het zich opzettelijk ontdoen van scheepsankers, vistuig en onderwatertuigen in zee;
  Onder "storten" wordt niet begrepen:
  a) het lozen, zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, noch het zich overeenkomstig toepasselijke regels van internationaal recht ontdoen van afval of andere materie, gepaard gaande met of voortvloeiende uit de normale werking van luchtvaartuigen of offshore-installaties;
  b) de plaatsing van offshore-installaties en materie met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits deze plaatsing niet strijdig is met het doel van deze wet; en
  c) het achterlaten in zee van offshore-installaties of materie geplaatst met een ander oogmerk dan zich hiervan enkel en alleen te ontdoen, waaronder de werken in het kader van zeewering, mits het achterlaten niet strijdig is met het doel van deze wet;
  26° verbranding: de verbranding op zee van afval of andere materie met het oogmerk zich hiervan opzettelijk te ontdoen door middel van thermische vernietiging;
  Onder "verbranding" wordt niet begrepen het lozen door verbranden, als bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, noch de thermische vernietiging, in overeenstemming met de toepasselijke regels van internationaal recht, van afval of andere materie, die gepaard gaat met, of voortvloeit uit de normale werking van luchtvaartuigen of offshore-installaties;
  27° directe lozing:
  a) de lozing waarbij stoffen, energie, materie of verontreinigd water de zeegebieden rechtstreeks vanaf de kust bereiken en niet via het hydrografische net of de atmosfeer;
  b) de lozing afkomstig van elke bron die verband houdt met een opzettelijke storting onder de zeebodem, toegankelijk gemaakt vanaf het land via tunnels, pijpleidingen of op enige andere manier;
  c) de lozing afkomstig van offshore-installaties die in de zeegebieden staan opgesteld.
  Onder directe lozing wordt niet begrepen:
  a) de lozing waarbij niet-verontreinigd water de zeegebieden rechtstreeks vanaf de kust bereikt;
  b) de lozing waarbij stoffen of materie via pijpleidingen de zeegebieden bereiken mits de procedure zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van deze wet wordt gevolgd;
  28° exploitant: een natuurlijke persoon of private of publieke rechtspersoon of overheid die een economische activiteit verricht in of met gevolgen voor het marien milieu, ongeacht het al dan niet winstgevend karakter van die activiteit, met uitzondering van de reder en de scheepsgebruiker;
  29° preventieve maatregelen: maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid die aanleiding geeft tot een dreiging van verontreiniging of schade, teneinde de verontreiniging of de schade te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  30° inperkingsmaatregelen: dringende maatregelen die, na het intreden van de verontreiniging of schade, genomen worden om de schade onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen;
  31° herstelmaatregelen: niet-dringende maatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van het aangetaste marien milieu of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor het aangetaste marien milieu;
  32° dreigend: met een voldoende waarschijnlijkheid dat dit zich in de nabije toekomst zal voordoen;
  33° marien ruimtelijk plan: een plan dat de menselijke activiteiten binnen de zeegebieden ruimtelijk organiseert, om ecologische, economische en sociale doelstellingen te bereiken;
  34° Verordening invasieve uitheemse soorten: Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  35° uitheemse soort: levende exemplaren van soorten, ondersoorten of lagere taxa van dieren, planten, schimmels of micro-organismen die zijn geïntroduceerd buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied, met inbegrip van alle delen, gameten, zaadcellen, eicellen of propagulen van die soorten alsook alle kruisingen, variëteiten of rassen, die kunnen overleven en zich vervolgens kunnen voortplanten;
  36° Unielijst: de in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten bedoelde lijst van voor de Europese Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, vastgesteld door de Europese Commissie;
  37° Aquacultuurverordening: Verordening (EG nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur;
  38° Visserijverordening: Verordening nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad;
  39° OSPAR-Verdrag: het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, gedaan te Parijs op 22 september 1992;
  40° OPRC: het Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging, gedaan te Londen op 30 november 1990, en het Protocol van 2000 inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij de voorvallen van verontreiniging door schadelijke en potentieel gevaarlijke stoffen, gedaan te Londen op 15 maart 2000;
  41° Bonn-Akkoord: het Akkoord inzake samenwerking bij het bestrijden van de verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen, en de Bijlage, gedaan te Bonn op 13 september 1983;
  42° opvorderingsmaatregel: een uitzonderlijk mechanisme waardoor de overheid prestaties oplegt aan fysieke personen of rechtspersonen, of zich het gebruik of de eigendom toe-eigent van roerende goederen of het gebruik van onroerende goederen, zonder dat de toestemming van die personen of van de houders van die goederen vereist is;
  [1 43° zwaar ongeval: met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:
   a) een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput; of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
   b) een incident dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
   c) elk ander incident leidend tot de dood of ernstige verwonding van vijf of meer personen die aanwezig zijn op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een offshore olie- of gasactiviteit in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur; of
   d) ieder zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a), b) en c).
   Met het oog op het vaststellen of een incident een groot ongeval vormt als bedoeld onder a), b) of d), wordt een installatie die normaliter onbemand is, beschouwd als een bemande installatie.]1

  
Art. 3. Dans la présente loi et dans les arrêtés d'exécution d'application pris en vertu de celle-ci, il faut entendre par:
  1° espaces marins: la mer territoriale, le plateau continental et la zone économique exclusive de la Belgique;
  2° milieu marin: l'environnement abiotique et le biote des espaces marins, en ce compris la faune, la flore et les habitats marins qu'ils occupent, ainsi que les processus écologiques à l'oeuvre dans cet environnement et les interactions entre les composantes abiotiques et biotiques et les services écosystémiques qu'ils remplissent;
  3° protection: l'ensemble des mesures nécessaires pour la conservation, le rétablissement et la gestion durable du milieu marin, ainsi que les mesures nécessaires pour conserver et rétablir la qualité du milieu marin;
  4° pollution: introduction directe ou indirecte dans les fonds marins, la colonne d'eau et l'atmosphère de substances, de matières, d'énergie, y compris le bruit sous-marin, ou d'espèces non indigènes, résultant d'activités humaines, qui causent ou sont susceptibles de causer des dommages;
  5° dommage: une modification négative du milieu marin, se produisant directement ou indirectement, y compris l'atteinte à la santé humaine, ou l'atteinte à l'utilisation durable des espaces marins, causée par la pollution et tout dommage, perte ou désavantage, subi par une personne physique ou morale ou une autorité publique en raison de ce changement défavorable;
  6° le ministre: le ministre compétent pour le Milieu Marin;
  7° le service Milieu Marin: le service Milieu Marin de la Direction générale Environnement du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
  8° UGMM: le service scientifique Unité de gestion du modèle mathématique de la mer du Nord de la Direction opérationnelle Milieux naturels de l'Institut Royal des Sciences Naturelles de Belgique;
  9° DG Navigation: la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports;
  10° police maritime: le service visé à l'article 1.1.1.2, 6°, du Code belge de la navigation;
  11° contrôle de la navigation: le service visé à l'article 1.1.1.2, 4°, du Code belge de la navigation;
  12° autorité ayant compétence en mer: la police maritime, le service de contrôle de la navigation, tout commandant des bâtiments patrouilleurs, l'UGMM, la Marine, le service Milieu Marin, et tout agent assermenté désigné par le ministre;
  13° navire: tout engin, animé ou non par une force motrice propre, avec ou sans déplacement d'eau, qui flotte ou a flotté, et qui est utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau, en ce compris les aéroglisseurs mais à l'exclusion des engins fixes, des hydravions et des véhicules amphibies;
  14° navire belge: navire autorisé à battre pavillon belge;
  15° accident de navigation: l'abordage ou l'échouement d'un navire ou tout autre incident de navigation à bord ou à l'extérieur d'un navire, qui peut entraîner un dommage;
  16° armateur: la personne physique ou morale qui est propriétaire du navire, qui en exerce la gestion nautique;
  17° la propriété du navire: la possession du navire qui s'accompagne de la prépondérance du contrôle sur sa gestion, son utilisation et son exploitation;
  18° usager de navires: tout détenteur d'un droit réel ou personnel qui, pendant un certain temps, donne droit à l'usage d'un navire ou d'une partie d'un navire, à l'exception des armateurs, des affréteurs au voyage et des parties impliquées dans ou ayants droit sous un contrat de transport;
  19° Zone Natura 2000: une zone établie sur la base de la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ou sur la base de la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages;
  20° objectifs de conservation: les objectifs d'amélioration ou de maintien de l'espèce protégée ou de l'habitat protégé, relatifs, le cas échéant, aux habitats ou populations d'espèces et à leurs habitats à protéger au niveau européen, pour lesquels la zone Natura 2000 a été notifiée ou qui se trouvent dans ou autour de la zone Natura 2000;
  21° mesure de conservation: mesure nécessaire pour maintenir ou restaurer les habitats et les populations d'espèces sauvages de la flore et de la faune dans un état de conservation favorable;
  22° objectifs de protection: les objectifs d'amélioration ou de maintien de l'espèce protégée ou de la zone marine protégée, à l'exception de la zone Natura 2000;
  23° mesure de protection: mesure nécessaire pour atteindre ou maintenir les objectifs de protection;
  24° installation offshore: toute structure artificielle, installation ou élément de celle-ci, flottante ou fixée au fond de la mer, qui est mise en place dans les espaces marins;
  25° immersion:
  a) l'action consistant à abandonner intentionnellement de déchets ou autres matières dans la mer à partir de navires, d'aéronefs ou d'installations offshore;
  b) l'abandon délibéré en mer de navires, aéronefs, installations offshore ou pipelines;
  c) l'abandon en mer d'installations offshore, de pipelines ou d'autres objets dans le seul but de s'en défaire;
  d) le stockage de déchets ou d'autres matériaux dans les fonds marins et leur sous-sol; et
  e) l'abandon délibéré des ancres de navires, des engins de pêche et des équipements sous-marins en mer;
  Le terme "immersion" ne vise pas:
  a) le rejet tel que visé par le chapitre 3 du titre 5 du livre 2 du Code belge de la navigation, ni l'action de se défaire de déchets ou autres matières conformément aux règles de droit international applicables, liés à ou provenant de l'exploitation normale d'aéronefs ou installations offshore;
  b) le dépôt d'installations offshores et de matières à d'autres fins que leur simple élimination, sous réserve que ce dépôt n'aille pas à l'encontre des objectifs de la présente loi; et
  c) l'abandon en mer d'installations offshore ou de matières à des fins autres que leur simple élimination, y compris les travaux de la digue, à condition que cet abandon ne soit pas contraire à l'objet de la présente loi;
  26° incinération: l'incinération en mer de déchets ou d'autres matières en vue de les éliminer délibérément par destruction thermique;
  Le terme "incinération" ne vise pas le rejet par incinération, tel que visé par chapitre 3 du titre 5 du livre 2 du Code belge de la navigation, ni la destruction thermique de déchets ou autres matières, conformément aux règles de droit international applicables, produits directement ou indirectement lors de l'exploitation normale d'aéronefs ou d'installations offshore;
  27° rejet direct:
  a) le rejet par lequel des substances, de l'énergie, des matières ou des eaux polluées atteignent les espaces marins directement depuis la côte et non par le réseau hydrographique ou l'atmosphère;
  b) le rejet provenant de toute source associée à l'élimination délibérée dans le sous-sol marin, rendu accessible depuis la terre par des tunnels, des canalisations ou tout autre moyen;
  c) le rejet provenant des installations offshore installées dans les espaces marins.
  Le rejet direct ne comprend pas:
  a) le rejet où l'eau non polluée atteint les zones maritimes directement depuis la côte;
  b) le rejet de substances ou de matières au moyen de canalisations dans des zones maritimes, à condition que la procédure visée au chapitre 5 de la présente loi soit respectée;
  28° exploitant: une personne physique ou une personne morale privée ou publique ou une autorité publique qui effectue une activité économique dans le milieu marin ou ayant des conséquences pour le milieu marin, que cette activité ait ou non un caractère lucratif, à l'exception de l'armateur et de l'usager de navires;
  29° mesures de prévention: mesures prises lors d'un événement, d'un acte ou d'une négligence présentant une menace de pollution ou de dommage, afin de prévenir ou de réduire cette pollution ou ce dommage à un minimum;
  30° mesures de confinement: mesures urgentes prises après la survenance de la pollution ou du dommage pour maintenir le dommage sous contrôle, le confiner, l'éliminer ou le maîtriser d'une autre manière;
  31° mesures de réparation: mesures non urgentes visant à réparer, réhabiliter ou remplacer le milieu marin atteint ou à fournir une solution alternative équivalente pour le milieu marin atteint;
  32° imminent: avec une probabilité suffisante qu'il se produise dans un avenir proche;
  33° plan d'aménagement des espaces marins: un plan qui organise la structure spatiale pour les activités humaines dans les espaces marins afin d'atteindre des objectifs écologiques, économiques, et sociaux;
  34° règlement relatif aux espèces exotiques envahissantes: le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes;
  35° espèce exotique: tout spécimen vivant d'une espèce, d'une sous-espèce ou d'un taxon inférieur d'animaux, de végétaux, de champignons ou de micro-organismes introduit en dehors de son aire de répartition naturelle, y compris toute partie, gamète, spermatozoïde, ovule ou ovocyte de cette espèce, ainsi que tout hybride ou toute variété ou race susceptible de survivre et ultérieurement, de se reproduire;
  36° liste de l'Union: la liste des espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union européenne établie par la Commission européenne visée à l'article 4 du règlement relatif aux espèces exotiques envahissantes;
  37° règlement relatif à l'aquaculture: le règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes;
  38° règlement des pêches: règlement n° 1380/2013 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2013 relatif à la politique commune de la pêche, modifiant les règlements (CE) n° 1954/2003 et (CE) n° 1224/2009 du Conseil et abrogeant les règlements (CE) n° 2371/2002 et (CE) n° 639/2004 du Conseil et la décision 2004/585/CE du Conseil;
  39 ° Convention OSPAR: la Convention pour la protection du milieu marin de l'Atlantique du Nord-Est, faite à Paris le 22 septembre 1992;
  40° OPRC: la Convention internationale sur la préparation, la lutte et la coopération en matière de pollution par les hydrocarbures, faite à Londres le 30 novembre 1990, et le Protocole de 2000 sur la préparation, la lutte et la coopération en matière d'incidents de pollution par des substances nocives et potentiellement dangereuses, faite à Londres le 15 mars 2000;
  41° Accord de Bonn: l'Accord concernant la coopération en matière de lutte contre la pollution de la mer du Nord par les hydrocarbures et autres substances dangereuses, et l'Annexe, faits à Bonn le 13 septembre 1983;
  42° mesure de réquisition: mécanisme exceptionnel par lequel l'autorité publique impose des prestations à des personnes physiques ou morales, ou s'attribue l'usage ou la propriété de biens meubles ou l'usage de biens immeubles, sans le consentement de ces personnes ou des détenteurs de ces biens;
  [1 43° accident majeur dans le cadre d'une installation ou d'infrastructures connectées:
   a) un incident impliquant une explosion, un incendie, la perte de contrôle d'un puits, ou une fuite de pétrole ou de gaz ou le rejet de substances dangereuses causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
   b) un incident entraînant des dommages graves pour l'installation ou les infrastructures connectées, causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
   c) tout autre incident entraînant le décès de cinq personnes ou plus ou causant des blessures graves à cinq personnes ou plus, qui sont présentes sur l'installation en mer où se situe la source du danger ou qui participent à une opération pétrolière ou gazière en mer en rapport avec l'installation ou les infrastructures connectées; ou
   d) tout incident environnemental majeur résultant d'incidents visés aux points a), b) et c).
   Aux fins de déterminer si un incident constitue un accident majeur au sens des points a), b) ou d), une installation qui est, en règle générale, laissée sans surveillance est réputée faire l'objet d'une surveillance.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Doel, toepassingsgebied en beginselen
CHAPITRE 3. - Objectif, champ d'application et principes
Art. 4. § 1. Het doel van deze wet is de bescherming van het marien milieu door de vrijwaring, herstel of creatie ervan, op basis van duurzame beheersmaatregelen, waaronder maatregelen tot preventie, inperking, herstel en compensatie van schade.
  § 2. Het doel van deze wet is de organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden.
Art. 4. § 1er. La présente loi a pour objet de protéger le milieu marin par sa préservation, sa restauration ou sa création, sur la base de mesures de gestion durable, y compris des mesures de prévention, de confinement, de restauration et de compensation des dommages.
  § 2. La présente loi a pour objet d'organiser la planification spatiale des espaces marins.
Art. 5. § 1. Deze wet is van toepassing op eenieder die activiteiten uitvoert met een potentiële impact op de Belgische zeegebieden. Het territoriale toepassingsgebied is beperkt tot activiteiten binnen de Belgische zeegebieden, tenzij anders bepaald.
  § 2. Deze wet is van toepassing op militaire activiteiten, met uitzondering van activiteiten van de Belgische Krijgsmacht of de geallieerde strijdkrachten, die dringend of onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de openbare orde en de openbare veiligheid, de verdediging van het grondgebied inbegrepen.
  De Koning bepaalt de nadere regels en voorwaarden voor de toepassing van het vorige lid. De Koning wijst eveneens de militaire overheden aan die bevoegd zijn om te beslissen of een handeling al dan niet dringend of onontbeerlijk is voor de bescherming van de openbare orde en de openbare veiligheid.
Art. 5. § 1er. La présente loi s'applique à quiconque exerce des activités ayant un impact potentiel sur les espaces marins belges. Le champ d'application territorial est limité aux activités exercées dans les espaces marins belges, sauf disposition contraire.
  § 2. La présente loi s'applique aux activités militaires, à l'exception des activités des Forces armées belges et des Forces alliées, qui sont urgentes ou indispensables à la protection de l'ordre public et de la sécurité publique, en ce compris la défense du territoire.
  Le Roi détermine les modalités et conditions d'application de l'alinéa précédent. Le Roi désigne également les autorités militaires compétentes pour décider de l'urgence ou du caractère indispensable d'un acte pour la protection de l'ordre public et de la sécurité publique.
Art. 6. § 1. Bij alle activiteiten in de zeegebieden nemen de overheidsdiensten en de publieke en private rechtspersonen en natuurlijke personen, de nodige voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging of schade.
  Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, nemen de reder en scheepsgebruiker alle nodige voorzorgsmaatregelen om verontreiniging te voorkomen en in te perken.
  § 2. Bij alle activiteiten in de zeegebieden neemt eenieder het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer, het beginsel dat de vervuiler betaalt, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het herstelbeginsel in acht.
Art. 6. § 1er. Pour toute activité dans les espaces marins, les services publics et les personnes morales et physiques, publiques et privées, prennent les précautions nécessaires pour prévenir les pollutions ou les dommages.
  Sans préjudice des dispositions du chapitre 3 du titre 5 du livre 2 du Code belge de la navigation, l'armateur et l'usager de navires doivent prendre toutes les précautions nécessaires pour prévenir et limiter la pollution.
  § 2. Dans toutes leurs activités dans les espaces marins, quiconque doit respecter le principe d'un niveau de protection élevé, le principe d'action préventive, le principe de précaution, le principe de gestion durable, le principe du pollueur-payeur, le principe selon lequel les atteintes à l'environnement doivent être corrigées, en priorité à la source, et le principe de réparation.
Art. 7. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die met betrekking tot de bescherming van het marien milieu en de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden voortvloeien uit internationale verdragen en Europese verordeningen of richtlijnen, inzonderheid:
  1° de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora;
  2° de Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het marien milieu;
  3° de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
  4° de Richtlijn 2014/89/EU van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning;
  5° de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971, en goedgekeurd bij de wet van 22 februari 1979;
  6° het Verdrag inzake de bescherming van de trekkende wilde diersoorten, opgemaakt te Bonn op 23 juni 1979, en goedgekeurd bij de wet van 27 april 1990, en de Overeenkomsten gesloten ter uitvoering van artikel 4, lid 3, van het Verdrag;
  7° het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa, opgemaakt te Bern op 19 september 1979, en goedgekeurd bij de wet van 20 april 1989;
  8° het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, inzonderheid artikel 303, en deel XI, alsmede de Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982, gedaan te New York op 28 juli 1994, beide goedgekeurd bij de wet van 18 juni 1998;
  9° het Verdrag inzake biologische diversiteit, opgemaakt te Rio de Janeiro op 5 juni 1992, en goedgekeurd bij de wet van 11 mei 1995;
  10° het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, ondertekend te Parijs op 22 september 1992 en goedgekeurd bij de wet van 11 mei 1995.
Art. 7. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prendre toutes les mesures nécessaires à l'exécution des obligations découlant des conventions internationales et des règlements ou directives européens en matière de protection du milieu marin et d'aménagement des espaces marins dans les espaces marins, notamment:
  1° la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages;
  2° la directive 2008/56/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 2008 établissant un cadre d'action communautaire dans le domaine de la politique pour le milieu marin;
  3° la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages;
  4° la directive 2014/89/UE Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 établissant un cadre pour la planification de l'espace maritime;
  5° la Convention relative aux zones humides d'importance internationale particulièrement comme habitats des oiseaux d'eau, faite à Ramsar le 2 février 1971, et approuvée par la loi du 22 février 1979;
  6° la Convention sur la conservation des espèces migratrices appartenant à la faune sauvage, faite à Bonn le 23 juin 1979, et approuvée par la loi du 27 avril 1990, et les accords conclus en application de l'article 4, alinéa 3, de la Convention;
  7° la Convention relative à la conservation de la vie sauvage et du milieu naturel de l'Europe, faite à Berne le 19 septembre 1979, et approuvée par la loi du 20 avril 1989;
  8° la Convention des Nations Unies sur le droit de la Mer, faite à Montego Bay le 10 décembre 1982, notamment l'article 303, et la partie XI, de même que l'Accord relatif à l'application de la partie XI de la Convention des Nations Unies sur le droit de la Mer du 10 décembre 1982, fait à New York le 28 juillet 1994, tous deux approuvés par la loi du 18 juin 1998;
  9° la Convention sur la diversité biologique, faite à Rio de Janeiro, le 5 juin 1992, et approuvée par la loi du 11 mai 1995;
  10° la Convention pour la protection du milieu marin de l'Atlantique du Nord-Est, faite à Paris le 22 septembre 1992 et approuvée par la loi du 11 mai 1995.
Art. 8. § 1. Voor de vergunnings-, machtigings- en toelatingsprocedures krachtens deze wet kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden en bezorgd worden aan de overheid met bevoegdheid op zee:
  1° de identiteit en woonst(keuze);
  2° het bewijs van voldoende financiële en economische draagkracht;
  3° voldoende waarborgen voor dekking van het risico van burgerlijke aansprakelijkheid, van de technische bekwaamheden van de aanvrager, van afwezigheid van gerechtelijke reorganisatie of faillissement zonder eerherstel of vereffening, van afwezigheid van bepaalde strafrechtelijke veroordelingen.
  De verwerkingsverantwoordelijke bewaart de persoonsgegevens niet langer dan nodig voor de gerechtvaardigde doeleinden van de verwerking, met een maximale bewaartermijn van tien jaar.
  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nadere regels bepalen tot precisering van de bovenvermelde categorieën van persoonsgegevens.
  § 3. De Koning duidt bij iedere vergunnings-, machtigings- en toelatingsprocedure de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerkingsprocedure van de persoonsgegevens en de bewaartermijn van de persoonsgegevens aan. De Koning kan de minister machtigen om de verwerkingsverantwoordelijke aan te duiden.
Art. 8. § 1er. Aux fins des procédures d'octroi des permis, des agréments et des autorisations conformément à la présente loi, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées et fournies à l'autorité ayant compétence en mer:
  1° l'identité et (élection de) domicile;
  2° la preuve d'une capacité financière et économique suffisante;
  3° des garanties suffisantes pour couvrir le risque de responsabilité civile, de la capacité technique du demandeur, de l'absence de réorganisation judiciaire ou de faillite sans restitution ou liquidation, de l'absence de certaines condamnations pénales.
  Le responsable du traitement ne conserve pas les données à caractère personnel plus longtemps que nécessaire aux fins légitimes du traitement, avec un délai maximal de conservation de dix ans.
  § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer des modalités précisant les catégories de données à caractère personnel susmentionnées.
  § 3. Dans toute procédure de permis, d'agrément, et d'autorisation, le Roi indique le responsable du traitement et la procédure de traitement des données à caractère personnel ainsi que la durée de conservation des données à caractère personnel. Le Roi peut autoriser le ministre à désigner le responsable du traitement.
HOOFDSTUK 4. - Mariene beschermde gebieden en beschermde soorten
CHAPITRE 4. - Aires marines protégées et espèces protégées
Afdeling 1. - Mariene beschermde gebieden
Section 1re. - Aires marines protégées
Art. 9. § 1. In de zeegebieden kan de Koning, op voordracht van de minister, de minister bevoegd voor Leefmilieu en de minister bevoegd voor Klimaat, mariene beschermde gebieden instellen en, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, de maatregelen nemen die nodig zijn voor de bescherming ervan.
  § 2. De mariene beschermde gebieden kunnen de hoedanigheid aannemen van:
  1° mariene reservaten;
  2° Natura 2000-gebieden.
  § 3. De Koning kan de nadere regels voor de instelling van de mariene beschermde gebieden vaststellen.
Art. 9. § 1er. Dans les espaces marins, le Roi peut, sur proposition du ministre, du ministre qui a l'Environnement dans ses attributions, et du ministre qui a le Climat dans ses attributions, créer des aires marines protégées et prendre, conformément aux dispositions de la présente section, les mesures nécessaires à leur protection.
  § 2. Les aires marines protégées peuvent être:
  1° des réserves marines;
  2° des zones Natura 2000.
  § 3. Le Roi peut fixer les modalités de création des aires marines protégées.
Art. 10. § 1. In de mariene reservaten zijn alle activiteiten verboden, behoudens:
  1° het toezicht, de controle en de noodinterventies;
  2° de beschermingsmaatregelen in uitvoering van artikel 9, § 1;
  3° de scheepvaart, onverminderd de bepalingen vermeld in artikel 2.5.1.2 van het Belgisch Scheepvaart- wetboek;
  4° de monitoring door of in opdracht van de overheid.
  § 2. De Koning stelt voor ieder marien reservaat beschermingsdoelstellingen op. De Koning kan hiervoor de nadere regels bepalen.
  § 3. In afwijking van de eerste paragraaf, kan de Koning in de mariene reservaten, individueel of per categorie, activiteiten gemotiveerd toelaten en eventuele voorwaarden hiervoor bepalen, voor zover die de beschermingsdoelstellingen niet in het gedrang brengen.
Art. 10. § 1er. Dans les réserves marines, toutes les activités sont interdites, à l'exception des activités suivantes:
  1° la surveillance, le contrôle et les interventions d'urgence;
  2° les mesures de protection en application de l'article 9, § 1er;
  3° la navigation, sans préjudice des dispositions visées à l'article 2.5.1.2 du Code belge de la navigation;
  4° la surveillance par ou sur ordre des autorités.
  § 2. Le Roi fixe des objectifs de protection pour chaque réserve marine. Le Roi peut en fixer les modalités.
  § 3. En dérogation au paragraphe 1er, le Roi peut autoriser des activités dans les réserves marines, individuellement ou par catégorie, sur justification et en fixant des conditions éventuelles, pour autant qu'elles ne compromettent pas les objectifs de protection.
Art. 11. Voor een Natura 2000-gebied dienen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld te worden die nodig zijn voor het behoud of herstel van het gebied. Hiervoor moeten de nodige instandhoudingsmaatregelen genomen worden.
  De instandhoudingsmaatregelen kunnen het uitvoeren van bepaalde activiteiten aan voorwaarden onderwerpen of verbieden. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de aanname van instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen.
Art. 11. Pour un site Natura 2000, il faut fixer des objectifs de conservation qui sont nécessaires à sa préservation ou à sa restauration. Les mesures de conservation nécessaires doivent être prises à cette fin.
  Les mesures de conservation peuvent soumettre certaines activités à des conditions ou les interdire. Le Roi peut déterminer les modalités d'adoption des objectifs et des mesures de conservation.
Art. 12. § 1. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is een passende beoordeling vereist. Een plan kan slechts worden goedgekeurd of een project kan slechts worden toegelaten, indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden goedgekeurd, of het project worden toegelaten, indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1° er zijn geen alternatieve oplossingen;
  2° het plan of project is nodig omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang;
  3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
  § 3. Voor hetgeen bepaald is in de paragrafen 1 en 2, kan de Koning nadere regels vaststellen.
Art. 12. § 1er. Tout plan ou projet qui n'est pas directement lié ou nécessaire à la gestion d'un site Natura 2000, et qui est susceptible d'avoir un effet significatif sur celui-ci, soit individuellement, soit en combinaison avec d'autres plans ou projets, doit faire l'objet d'une évaluation appropriée. Un plan ne peut être approuvé ou un projet autorisé que si une évaluation appropriée a été réalisée pour s'assurer qu'il ne portera pas atteinte aux objectifs de conservation du site Natura 2000 concerné.
  § 2. En dérogation au paragraphe 1er, nonobstant le fait que l'évaluation appropriée n'a pas fourni l'assurance requise, le plan peut être approuvé, ou le projet autorisé, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies:
  1° il n'existe pas de solution alternative;
  2° le plan ou le projet est nécessaire pour des raisons impératives d'intérêt public majeur;
  3° les mesures compensatoires nécessaires sont prises pour garantir que la cohésion générale de Natura 2000 est conservée.
  § 3. Le Roi peut fixer les modalités relatives aux dispositions énoncées aux paragraphes 1er et 2.
Afdeling 2. - Bescherming van soorten
Section 2. - Protection des espèces
Art. 13. § 1. De Koning, op voordracht van de minister en de minister bevoegd voor Leefmilieu, stelt een lijst op van beschermde soorten in de zeegebieden. Voor de in het wild levende populaties van deze soorten en voor de daarvan afkomstige individuen, geldt een systeem van strikte bescherming, waarbij er een verbod is op:
  1° het opzettelijk vangen, verwonden of doden van de dieren, onder voorbehoud van de in artikel 14 voorziene bijzondere gevallen;
  2° het opzettelijk verstoren van de dieren, in het bijzonder tijdens de periodes van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
  3° het opzettelijk vernietigen of rapen van eieren in de natuur;
  4° de beschadiging of de vernietiging van de voortplantings- of rustplaatsen van de dieren;
  5° het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernietigen van de planten;
  6° het in bezit hebben en vervoeren van planten en dieren, behoudens de in artikel 14 vermelde gevallen en de gevallen vermeld in de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer en in Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
  7° het verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil vragen of aanbieden van de planten en dieren, behoudens de gevallen vermeld in de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer en in Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.
  § 2. De Koning kan nadere regels vaststellen voor het aanvragen en toekennen van afwijkingen op de verbodsbepalingen in paragraaf 1 voor de volgende gevallen:
  1° in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
  2° ter voorkoming van ernstige schade aan visgronden, wateren en andere vormen van eigendom;
  3° in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
  4° ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
  5° ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde individuen van de in bijlage IV van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.
  § 3. Er kunnen bijkomende maatregelen genomen worden voor de bescherming van soorten. De Koning kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot deze maatregelen.
Art. 13. § 1er. Le Roi, sur proposition du ministre et du ministre qui a l'Environnement dans ses attributions, établit une liste d'espèces protégées dans les espaces marins. Les populations sauvages de ces espèces et les individus qui en proviennent, font l'objet d'un régime de protection stricte interdisant:
  1° toute action intentionnelle visant à capturer, blesser ou mettre à mort les animaux, sous réserve des cas particuliers visés à l'article 14;
  2° la perturbation intentionnelle des animaux, particulièrement durant les périodes de reproduction, de dépendance des jeunes, d'hibernation et de migration;
  3° la destruction ou le ramassage intentionnel d'oeufs dans la nature;
  4° la détérioration ou la destruction des sites de reproduction des animaux ou des aires de repos;
  5° la cueillette, le ramassage, la coupe, le déracinement ou la destruction intentionnels des plantes;
  6° la détention et le transport de végétaux et d'animaux, sauf dans les cas mentionnés à l'article 14 et les cas mentionnés dans le règlement (CE) n° 338/97 du Conseil de l'Union européenne du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et dans le règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce;
  7° le commerce ou l'échange et la demande ou l'offre de vente ou d'échange de plantes et d'animaux, à l'exception des cas mentionnés dans le règlement (CE) n° 338/97 du Conseil de l'Union européenne du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et dans le règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce.
  § 2. Le Roi peut fixer les modalités relatives à la demande et l'octroi de dérogations aux interdictions visées au paragraphe 1er dans les cas suivants:
  1° dans l'intérêt de la protection de la flore et de la faune sauvages et de la conservation des habitats naturels;
  2° pour prévenir des dommages importants aux pêcheries, aux eaux et à d'autres formes de propriété;
  3° dans l'intérêt de la santé publique et de la sécurité publique, ou pour d'autres raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris des raisons de nature sociale ou économique, et pour des motifs qui comporteraient des conséquences bénéfiques primordiales pour l'environnement;
  4° à des fins de recherche et d'éducation, de repeuplement et de réintroduction de ces espèces, et pour des opérations de reproduction nécessaires à ces fins, y compris la propagation artificielle des plantes;
  5° afin de permettre, dans des circonstances strictement contrôlées, la capture, la récolte ou la détention sélectives, dans certaines limites, d'un nombre limité de certains individus des espèces énumérées à l'annexe IV de la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992, concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, tel que déterminé par les autorités nationales compétentes.
  § 3. Des mesures supplémentaires peuvent être prises pour la protection des espèces. Le Roi peut fixer les modalités relatives à ces mesures.
Art. 14. § 1. De jacht op vogels en zeezoogdieren is verboden in de zeegebieden.
  § 2. Elk levend en niet gewond zeezoogdier dat onopzettelijk wordt gevangen in de zeegebieden, onder meer als bijvangst, moet onmiddellijk worden vrijgelaten en gemeld.
  § 3. Gewonde zeezoogdieren die gevangen zijn als bijvangst, en zeezoogdieren die in nood, gewond of ziek zijn en in de zeegebieden gevonden worden of gestrand zijn, maken het voorwerp uit van een meldingsplicht, opvangprocedure en van maatregelen, met als doel de hulp, de verzorging en het wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken.
  § 4. Dode zeezoogdieren die gevangen zijn als bijvangst of in de zeegebieden gevonden worden of gestrand zijn, maken het voorwerp uit van een meldingsplicht en van maatregelen met als doel het wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken.
  § 5. Voor hetgeen bepaald is in de paragrafen 2 tot 4 kan de Koning de nadere regels bepalen.
Art. 14. § 1er. La chasse aux oiseaux et mammifères marins est interdite dans les espaces marins.
  § 2. Tout mammifère marin, vivant et indemne, capturé involontairement dans les espaces marins, y compris en tant que prise accessoire, doit être immédiatement relâché et signalé.
  § 3. Les mammifères marins blessés, qui sont capturés en tant que prises accessoires, et les mammifères marins en détresse, blessés ou malades, trouvés ou échoués dans les espaces marins, font l'objet d'une obligation de notification, de procédures d'accueil et de mesures visant à faciliter l'assistance, les soins et la recherche scientifique.
  § 4. Les mammifères marins morts qui sont capturés en tant que prises accessoires, trouvés dans les espaces marins ou échoués, font l'objet d'une obligation de notification et à des mesures visant à faciliter la recherche scientifique.
  § 5. Le Roi peut fixer les modalités relatives aux dispositions visées aux paragraphes 2 à 4.
Art. 15. § 1. De introductie van uitheemse soorten in de zeegebieden is verboden, tenzij een vergunning wordt verleend. Deze vergunning kan maar worden verleend na onderzoek van de gevolgen van de introductie in het marien milieu van de bedoelde organismen op de inheemse biota en levensgemeenschappen en de verspreidingsrisico's in aangrenzende gebieden. De introductie mag geen invloed hebben op de plaatselijke biota.
  Een vergunning kan slechts verleend worden in overeenstemming met de Verordening invasieve uitheemse soorten en de Aquacultuurverordening.
  De Koning kan, op voordracht van de minister en de minister bevoegd voor leefmilieu, de nadere regels voor deze vergunning vaststellen.
  Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de gevallen bepaald door het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, opgemaakt te Londen op 13 februari 2004, en uitgevoerd krachtens het Belgisch Scheepvaartwetboek.
  § 2. Alle maatregelen betreffende invasieve uitheemse soorten in de zeegebieden en die door de Verordening invasieve uitheemse soorten worden bedoeld, worden genomen overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019 tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.
  § 3. Voor de uitvoering van de maatregelen genomen in het kader van paragraaf 2, kan de Koning de overige nadere regels vaststellen.
  § 4. De introductie in de zeegebieden van genetisch gemodificeerde organismen, al dan niet inheems, is verboden.
Art. 15. § 1er. L'introduction d'espèces exotiques dans les espaces marins est interdite, sauf si un permis a été octroyé. Ce permis ne peut être octroyé qu'après l'analyse des conséquences de l'introduction dans le milieu marin de ces organismes sur le biote et les communautés indigènes ainsi que les risques de dispersion dans les zones attenantes. L'introduction de ces organismes ne peut pas avoir d'influences sur le biote local.
  Un permis ne peut être octroyé que conformément au règlement relatif aux espèces exotiques envahissantes et au règlement relatif à l'aquaculture.
  Le Roi, sur proposition du ministre et du ministre qui a l'Environnement dans ses attributions, peut fixer les modalités relatives à ce permis.
  L'interdiction visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas dans les cas prévus par la Convention internationale pour le contrôle et la gestion des eaux de ballast et sédiments des navires, établie à Londres le 13 février 2004, telle que mise en oeuvre par le Code belge de la navigation.
  § 2. Toutes les mesures concernant les espèces exotiques envahissantes présentes dans les espaces marins et qui sont visées par le règlement relatif aux espèces exotiques envahissantes, seront prises conformément à l'accord de coopération du 30 janvier 2019 entre l'Etat fédéral, les Communautés et les Régions relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes.
  § 3. Pour l'exécution des mesures prises dans le cadre du paragraphe 2, le Roi peut en fixer les autres modalités.
  § 4. L'introduction dans les espaces marins d'organismes génétiquement modifiés, qu'ils soient indigènes ou non, est interdite.
HOOFDSTUK 5. - Milieuvergunningen en toelatingen
CHAPITRE 5. - Permis d'environnement et autorisations
Art. 16. § 1. In de zeegebieden zijn de hierna vermelde activiteiten onderworpen aan een voorafgaande vergunning:
  1° het plaatsen of uitbaten van een offshore-installatie;
  2° het graven van sleuven;
  3° het ophogen van de zeebodem;
  4° het gebruik van explosieven;
  5° het gebruik van toestellen met een grote akoestische impact;
  6° het achterlaten en het vernietigen van wrakken en gezonken scheepsladingen;
  7° de commerciële en industriële activiteiten.
  § 2. De Koning kan, met het oog op de bescherming van het marien milieu, andere activiteiten in de zeegebieden dan deze vermeld in paragraaf 1, onderwerpen aan een voorafgaande vergunning.
  § 3. De volgende activiteiten zijn niet onderworpen aan de in dit artikel bedoelde vergunning:
  1° de beroepsvisserij;
  2° de monitoring door of in opdracht van de overheid;
  3° het wetenschappelijk onderzoek tenzij in het geval bepaald onder artikel 18, § 2;
  4° de scheepvaart, uitgezonderd de in paragraaf 1, 6°, bedoelde activiteiten;
  5° het identificeren en het verwijderen van onontplofte munitie (UXO), tenzij in het geval bepaald onder artikel 18, § 2.
  § 4. Acties voor natuurherstel of -beheer door of in opdracht van de dienst Marien Milieu kunnen uitgezonderd worden van de vergunningsplicht, vermeld in paragraaf 1, na positief advies van de BMM.
  § 5. Voor hetgeen bepaald is in paragrafen 1, 2 en 4, kan de Koning nadere regels vaststellen, waaronder de procedure om andere activiteiten onder de vergunningsplicht te brengen, het vastleggen van de kosten die gepaard gaan met de vergunningsplicht en de procedure tot het bekomen van een vergunning.
  § 6. In afwijking van paragraaf 1, is er voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond een milieuvergunning en een concessie vereist, die worden verleend in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet -levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat.
  § 7. De activiteiten bedoeld in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die onder het toepassingsgebied van paragraaf 1 vallen, worden vrijgesteld van de vergunningsplicht indien deze onder de drempels vallen die vastgesteld worden in een samenwerkingsakkoord met het Vlaams Gewest.
Art. 16. § 1er. Dans les espaces marins, les activités énumérées ci-dessous sont soumises à un permis préalable:
  1° la mise en place ou l'exploitation d'une installation offshore;
  2° l'excavation de tranchées;
  3° le rehaussement du fond de la mer;
  4° l'usage d'explosifs;
  5° l'usage d'engins ayant un gros impact acoustique;
  6° l'abandon et la destruction d'épaves et de cargaisons coulées;
  7° les activités commerciales et industrielles.
  § 2. Le Roi peut, en vue de la protection du milieu marin, soumettre à un permis des activités dans les espaces marins autres que celles mentionnées au paragraphe 1er.
  § 3. Les activités ci-dessous ne sont pas soumises au permis visé par le présent article:
  1° la pêche professionnelle;
  2° la surveillance par ou sur ordre des autorités;
  3° la recherche scientifique, sauf dans le cas prévu à l'article 18, § 2;
  4° la navigation, à l'exception des activités visées au paragraphe 1er, 6° ;
  5° l'identification et l'élimination des munitions non explosées (UXO), sauf dans le cas prévu à l'article 18, § 2.
  § 4. Les actions de restauration ou de gestion de la nature menées par ou pour le compte du service Milieu Marin peuvent être exemptées de l'obligation de permis, mentionnée au paragraphe 1er, après avis positif de l'UGMM.
  § 5. Le Roi peut fixer les modalités relatives aux dispositions énoncées aux paragraphes 1er, 2 et 4, parmi lesquelles la procédure pour soumettre d'autres activités à l'obligation de permis, la fixation des coûts liés à l'obligation de permis et la procédure pour obtenir un permis.
  § 6. Par dérogation au paragraphe 1er, la recherche et l'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du fond marin et du sous-sol sont subordonnées à l'octroi d'un permis d'environnement et d'une concession, accordés en application de la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental.
  § 7. Les activités visées à l'article 6, § 1er, X, dernier alinéa, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionelles qui relèvent du paragraphe 1er, sont dispensées du permis si elles sont inférieures aux seuils fixés dans un accord de coopération avec la Région flamande.
Art. 17. De procedure voor het verlenen van een vergunning, bedoeld in artikel 16, §§ 1 en 2, omvat onder meer een milieueffectenbeoordeling, die minstens uit de volgende stappen bestaat:
  1° het opstellen van een milieueffectbeoordelingsrapport door de aanvrager, bedoeld in artikel 19, op diens verantwoordelijkheid en diens kosten;
  2° de uitvoering van raadplegingen met de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale, regionale, federale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, met het publiek en, in voorkomend geval, met andere landen. Hiervoor dienen er passende termijnen te worden voorzien, die niet minder dan dertig dagen mogen duren;
  3° het onderzoek door de BMM van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en, in voorkomend geval, van de aanvullende informatie die door de aanvrager wordt verstrekt en van alle via de raadplegingen ontvangen relevante informatie;
  4° de gemotiveerde conclusie van de BMM over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek, bedoeld in de bepaling onder 3°, en, indien van toepassing, haar eigen aanvullend onderzoek;
  5° het advies van de dienst Marien Milieu;
  6° een beslissing over het al dan niet verlenen van een vergunning waarbij de gemotiveerde conclusie van de BMM en het advies van de dienst Marien Milieu geïntegreerd wordt.
Art. 17. La procédure d'octroi d'un permis, visée à l'article 16, §§ 1er et 2, comprend entre autres une évaluation des incidences sur l'environnement, qui comprend au moins les étapes suivantes:
  1° l'établissement du rapport des incidences sur l'environnement par le demandeur, visé à l'article 19, sous sa responsabilité et à ses frais;
  2° la réalisation de consultations avec les organismes qui, en raison de leurs responsabilités spécifiques en matière d'environnement ou en vertu de leurs compétences locales, régionales ou fédérales, sont susceptibles d'être concernés par le projet, avec le public et, le cas échéant, avec d'autres pays. A cette fin, des délais appropriés doivent être prévus, qui ne doivent pas être inférieurs à 30 jours;
  3° l'examen par l'UGMM des informations présentées dans le rapport des incidences sur l'environnement et, le cas échéant, des informations complémentaires fournies par le demandeur, ainsi que de toutes les informations pertinentes reçues lors des consultations;
  4° la conclusion motivée de l'UGMM concernant les effets significatifs du projet sur l'environnement, en tenant compte des résultats de l'examen visé au point 3°, et, le cas échéant, de son propre examen complémentaire;
  5° l'avis du service Milieu Marin;
  6° une décision sur l'octroi ou non d'un permis, intégrant la conclusion motivée de l'UGMM et l'avis du service Milieu Marin.
Art. 18. § 1. Het wetenschappelijk onderzoek en het identificeren en verwijderen van niet ontplofte munitie (UXO), zijn onderworpen aan een voorafgaande toelating met eventuele voorwaarden.
  § 2. De activiteiten onder paragraaf 1, kunnen verplicht worden een vergunning te bekomen, zoals bepaald in artikel 16, indien, op basis van advies van de BMM, geoordeeld wordt dat de mogelijke impact op het marien milieu niet nauwkeurig genoeg kan worden ingeschat.
  § 3. Voor hetgeen bepaald is in paragraaf 1 en 2, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels vaststellen, waaronder de procedure, het vastleggen van de kosten die gepaard gaan met het bekomen van een toelating en de te raadplegen instanties.
Art. 18. § 1er. La recherche scientifique et l'identification et l'élimination des munitions non explosées (UXO), sont soumises à une autorisation préalable avec des conditions éventuelles.
  § 2. Les activités, visées au paragraphe 1er, peuvent être soumises à l'obtention d'un permis, tel que prévu à l'article 16, si, sur la base de l'avis de l'UGMM, on considère que l'impact potentiel sur le milieu marin ne peut être estimé de manière suffisamment précise.
  § 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer les modalités pour les dispositions des paragraphes 1er et 2, notamment la procédure, la détermination des coûts liés à l'obtention d'une autorisation et les organismes à consulter.
Art. 19. § 1. De aanvrager van een vergunning, overeenkomstig artikel 16, dient een milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen dat minstens de volgende informatie omvat:
  1° een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en de andere relevante kenmerken van het project;
  2° een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
  3° een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als indien mogelijk, te compenseren;
  4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht en die relevant zijn voor het project, en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;
  5° een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld in de bepalingen onder 1° tot en met 4° ;
  6° elke aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.
  § 2. Voor verschillende activiteiten met hetzelfde doel die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen, kan de BMM de aanvrager de toelating verlenen één geïntegreerd milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen.
Art. 19. § 1er. Le demandeur d'un permis, conformément à l'article 16, doit établir un rapport d'incidences environnementales qui comprend au moins les informations suivantes:
  1° une description du projet comportant des informations relatives au site, à la conception, aux dimensions et aux autres caractéristiques pertinentes du projet;
  2° une description des incidences notables probables du projet sur l'environnement;
  3° une description des caractéristiques du projet ou des mesures envisagées pour éviter, prévenir ou réduire les effets négatifs significatifs probables sur l'environnement et, si possible, pour les compenser;
  4° une description des alternatives raisonnables qui ont été examinées par l'initiateur, et qui sont pertinentes pour le projet, ainsi que ses caractéristiques spécifiques, avec indication des principales raisons du choix effectué, eu égard aux incidences du projet sur l'environnement;
  5° un résumé non technique des données visées aux 1° à 4° ;
  6° toute information supplémentaire importante au niveau des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projet donné et des aspects environnementaux susceptibles d'être affectés.
  § 2. Lorsque des activités differentes ayant le même nature, font l'objet de permis distincts, l'UGMM peut donner l'autorisation au demandeur de n'établir qu'un seul rapport d'incidences sur l'environnement intégré.
Art. 20. § 1. Elke activiteit die op basis van artikel 16 onderworpen is aan een vergunning, maakt het voorwerp uit van een onderzoek, zoals beschreven in de bepalingen onder 3° en 4° van het artikel 17, door de BMM, op kosten van de aanvrager van de vergunning. Het onderzoek moet de evaluatie van de effecten van deze activiteiten op het marien milieu mogelijk maken.
  § 2. Voor verschillende activiteiten met hetzelfde doel die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen, kan de BMM overgaan tot één enkel geïntegreerd onderzoek. Dit is enkel van toepassing indien de data waarop het geïntegreerd onderzoek gebaseerd is, afdoende relevant en dekkend zijn en blijven in tijd en ruimte, en aldus voor verschillende activiteiten kunnen ingezet worden.
Art. 20. § 1er. Toute activité soumise à un permis sur la base de l'article 16, est soumise à un examen, telle que décrite au 3° et 4° de l'article 17, par l'UGMM, aux frais du demandeur du permis. L'examen doit permettre l'évaluation des effets de ces activités sur le milieu marin.
  § 2. Pour des activités différentes ayant le même objet et faisant l'objet de permis distincts, l'UGMM peut procéder à un seul examen intégré. Ceci ne s'applique que si les données sur lesquelles l'examen intégré est basé, sont et restent suffisamment pertinentes et complètes dans le temps et l'espace, et peuvent donc être utilisées pour différentes activités.
Art. 21. Bij de toekenning van de vergunning, houdt de minister rekening met de resultaten van het onderzoek, zoals bepaald in artikel 20. In de motivering van zijn beslissing wordt naar die resultaten verwezen.
  De vergunning bevat ten minste de volgende informatie:
  1° de gemotiveerde conclusie van de BMM over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu en het advies van de dienst Marien Milieu;
  2° de milieuvoorwaarden en een beschrijving van alle kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren;
  3° de monitoringmaatregelen indien opgelegd;
  4° de aanbevelingen.
Art. 21. Dans le cadre de l'octroi d'un permis, le ministre tiendra compte des résultats de l'examen, comme prévu à l'article 20. Il est fait référence à ces résultats dans la motivation de la décision.
  Le permis reprend au moins les informations suivantes:
  1° la conclusion motivée de l'UGMM sur les incidences significatives du projet sur l'environnement et l'avis du service Milieu Marin;
  2° les conditions environnementales et une description de toutes les caractéristiques du projet et/ou des mesures prévues pour éviter, prévenir ou limiter les incidences négatives significatives sur l'environnement et, si possible, les compenser;
  3° les mesures de surveillance si elles sont imposées;
  4° les recommandations.
Art. 22. Na het verlenen van de vergunning, wordt de activiteit onderworpen aan een monitoringsprogramma en aan permanente milieueffectenonderzoeken.
  De parameters en de looptijd van de monitoring moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten, waaronder de impact op de beschermde habitats en/of soorten.
  Het monitoringsprogramma en de permanente milieueffectenonderzoeken, worden uitgevoerd door of in opdracht van de BMM, op kosten van de houder van de vergunning. Indien uit dit programma of onderzoek blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen of schade voor het marien milieu hebben voorgedaan, kan de vergunning worden opgeschort, opgeheven of ingetrokken.
Art. 22. Après l'octroi du permis, l'activité est soumise à des programmes de surveillance et à des examens continus de ses incidences sur l'environnement.
  Les paramètres et la durée de la surveillance doivent être proportionnés à la nature, à l'emplacement et à la taille du projet et à l'importance des incidences sur l'environnement, y compris l'impact sur les habitats et/ou les espèces protégés.
  Le programme de surveillance et les examens continus des incidences sur l'environnement, seront réalisés par ou sur l'ordre de l'UGMM, aux frais du détenteur du permis. Si ce programme ou cet examen fait apparaître de nouveaux effets nuisibles ou des dommages sur le milieu marin, le permis peut être suspendu, révoqué ou retiré.
Art. 23. § 1. De Koning kan de nadere regels voor de milieueffectbeoordeling vaststellen.
  § 2. De Koning kan de nadere regels vaststellen om aan de aanvrager van een vergunningsplichtige activiteit een retributie op te leggen om de kosten van het vereiste onderzoek, de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken te dekken.
Art. 23. § 1er. Le Roi peut fixer les modalités relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement.
  § 2. Le Roi peut fixer les modalités relatives à l'imposition du paiement d'une redevance au demandeur d'une activité soumise à permis afin de couvrir les coûts de l'examen, des programmes de surveillance et des examens continus des incidences sur l'environnement requis.
HOOFDSTUK 6. - Marien ruimtelijk plan
CHAPITRE 6. - Plan d'aménagement des espaces marins
Art. 24. § 1. De Koning stelt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels vast voor de aanneming van een marien ruimtelijk plan voor de zeegebieden.
  Deze procedure omvat minstens:
  1° een planningsproces;
  2° het opstellen van een strategisch milieueffecten-rapport;
  3° een openbaar onderzoek;
  4° de procedure tot evaluatie en wijziging;
  5° de procedure tot tussentijdse wijziging.
  § 2. Het marien ruimtelijk plan is bindend. Het wordt door de Koning vastgesteld, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Het marien ruimtelijk plan wordt achtjaarlijks geëvalueerd en gewijzigd waar nodig.
  § 3. De Koning stelt een raadgevende commissie in en kan de samenstelling en werking ervan regelen, om in het kader van de procedure vermeld in paragraaf 1, een niet-bindend advies te formuleren.
  § 4. Het besluit bedoeld in paragraaf 2, wordt toegelicht door de volgende bijlagen:
  1° een analyse van de ruimtegebruiken in de Belgische zeegebieden;
  2° de gemaakte keuzes gemotiveerd aan de hand van economische, sociale en ecologische doelstellingen;
  3° de acties tot uitvoering van het marien ruimtelijk plan;
  4° een cartografische weergave van het plan.
Art. 24. § 1er. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'adoption d'un plan d'aménagement des espaces marins.
  Cette procédure comporte au moins:
  1° un processus de planification;
  2° l'établissement d'un rapport stratégique des incidences sur l'environnement;
  3° une enquête publique;
  4° la procédure d'évaluation et de modification;
  5° la procédure des modifications intermédiaires.
  § 2. Le plan d'aménagement des espaces marins est contraignant. Il est fixé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Ce plan d'aménagement des espaces marins est évalué tous les huit ans et modifié si nécessaire.
  § 3. Le Roi institue une commission consultative, dont il peut régler la composition et le fonctionnement, qui sera chargée de formuler un avis non contraignant, dans le cadre de la procédure mentionnée au paragraphe 1er.
  § 4. L'arrêté visé au paragraphe 2, est expliquée par les annexes suivantes:
  1° une analyse spatiale des espaces marins belges;
  2° les choix effectués motivés sur la base d'objectifs économiques, sociaux et environnementaux;
  3° les actions d'exécution du plan d'aménagement des espaces marins;
  4° une représentation cartographique du plan.
Art. 25. De activiteiten binnen een marien ruimtelijk plan kunnen worden onderworpen aan een vergunning of toelating. De Koning kan hiervoor de procedure en nadere regels vaststellen, en binnen deze procedure een risicoanalyse of een effectenrapport opleggen.
Art. 25. Les activités relevant d'un plan d'aménagement des espaces marins peuvent être soumises à un permis ou à une autorisation. Le Roi peut déterminer la procédure et les modalités à cet égard, et dans le cadre de cette procédure, imposer une analyse de risques ou un rapport d'incidence.
Art. 26. Voor het beheer van de aanvraag en de uitvoering van de vergunning of toelating vermeld in artikel 25, met inbegrip van de onderzoeken door of in opdracht van de bevoegde overheid, kan een retributie worden geheven welke door de aanvrager verschuldigd is. De Koning kan het tarief van de retributies en de nadere regels hiervan vaststellen.
Art. 26. Pour la gestion de la demande et l'exécution du permis ou de l'autorisation mentionnés à l'article 25, y compris les examens effectués par ou sur l'ordre de l'autorité compétente, une redevance peut être perçue qui est due par le demandeur. Le Roi peut fixer le tarif des rétributions et les modalités y relatives.
Art. 27. De Koning kan ruimtelijke, tijdelijke of technische maatregelen voor de bescherming van het marien milieu met betrekking tot visserij in de zeegebieden opnemen in het marien ruimtelijk plan.
Art. 27. Le Roi peut inclure des mesures spatiales, temporelles ou techniques pour la protection du milieu marin relatives à la pêche dans les espaces marins dans le plan d'aménagement des espaces marins.
HOOFDSTUK 7. - Voorkoming en inperking van verontreiniging en schade
CHAPITRE 7. - Prévention et réduction de la pollution et des dommages
Art. 28. § 1. De verbranding in de zeegebieden is verboden.
  § 2. De verbranding op zee is verboden voor Belgische onderdanen en Belgische schepen.
Art. 28. § 1er. L'incinération dans les espaces marins est interdite.
  § 2. L'incinération en mer est interdite aux ressortissants et aux navires belges.
Art. 29. § 1. Het storten in de zeegebieden is verboden.
  § 2. Het storten op zee is verboden voor Belgische onderdanen en Belgische schepen.
  § 3. Het verbod ingesteld onder dit artikel, is niet van toepassing voor het storten van:
  1° de as van verbrande menselijke lijken;
  2° de bijvangsten die niet het voorwerp uitmaken van de aanlandingsverplichting, ingesteld bij artikel 15 van de Visserijverordening, alsook het visafval afkomstig van het aan boord proper maken van de gevangen vis, overboord gezet door vissersvaartuigen.
  § 4. De Koning kan volgende activiteiten buiten het verbod op storten plaatsen en hiervoor de voorwaarden en nadere regels bepalen:
  1° het storten van organisch materiaal van natuurlijke oorsprong;
  2° het storten van kooldioxidestromen afkomstig van processen voor het opvangen van kooldioxide ten behoeve van de opslag ervan buiten de zeegebieden.
  § 5. Het verbod ingesteld onder paragraaf 1, is niet van toepassing voor het storten van baggerspecie en inerte materialen van natuurlijke oorsprong bestaande uit vast, chemisch onbehandeld geologisch materiaal, waarvan de chemische bestanddelen niet in het marien milieu vrijkomen. Onverminderd het samenwerkingsakkoord van 12 juni 1990 tussen de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest ter vrijwaring van de Noordzee van nadelige milieueffecten ingevolge baggerspecielossingen in de wateren die vallen onder de toepassing van het OSPAR-Verdrag, zoals gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 6 september 2000, is deze activiteit onderworpen aan een machtiging. De Koning kan de nadere regels hiervoor bepalen.
Art. 29. § 1er. L'immersion dans les espaces marins est interdite.
  § 2. L'immersion en mer est interdite aux ressortissants et aux navires belges.
  § 3. L'interdiction prévue par le présent article ne s'applique pas à l'immersion:
  1° des cendres de dépouilles humaines incinérées;
  2° des prises accessoires qui ne font pas l'objet de l'obligation de débarquement instaurée par l'article 15 du règlement des pêches, ainsi qu'aux déchets de poisson provenant du nettoyage à bord du poisson capté, jeté par-dessus bord par des navires de pêche.
  § 4. Le Roi peut exempter les activités suivantes de l'interdiction d'immersion, et en déterminer les conditions et les modalités:
  1° l'immersion des matières organiques d'origine naturelle;
  2° l'immersion des flux de dioxyde de carbone provenant des processus de capture du dioxyde de carbone aux fins de stockage en dehors des espaces marins.
  § 5. L'interdiction énoncée au paragraphe 1er, ne s'applique pas à l'immersion de matériaux de dragage et de matériaux inertes d'origine naturelle consistant en un matériau géologique solide, non traité chimiquement, dont les composants chimiques ne sont pas libérés dans le milieu marin. Sans préjudice de l'Accord de coopération du 12 juin 1990 entre l'Etat belge et la Région flamande pour la protection de la mer du Nord contre les effets environnementaux nuisibles résultant de l'immersion des déblais de dragage dans les eaux couvertes par la convention OSPAR, tel que modifié par l'Accord de coopération du 6 septembre 2000, l'immersion de déblais de dragage et de matières inertes d'origine naturelle est soumise à un agrément. Le Roi peut fixer les modalités y relatives.
Art. 30. Directe lozingen in de zeegebieden zijn verboden.
Art. 30. Les rejets directs dans les espaces marins sont interdits.
Art. 31. § 1. Ingeval van dreigende of ingetreden verontreiniging of schade in de zeegebieden:
  1° meldt de exploitant dit onverwijld aan de dienst Marien Milieu;
  2° treft de exploitant elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel.
  § 2. Op elk moment kan de overheid met bevoegdheid op zee:
  1° de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over de dreigende of ingetreden verontreiniging of schade;
  2° de exploitant verplichten preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen te nemen;
  3° de exploitant verplichten instructies te volgen voor het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen;
  4° zelf preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen nemen.
  § 3. Voor hetgeen bepaald is in de paragrafen 1 en 2 kan de Koning nadere regels vaststellen.
  [1 § 4. In België geregistreerde bedrijven die zelf, of via een dochteronderneming, offshore olie- en gasactiviteiten verrichten buiten de Europese Unie, als vergunningshouder of exploitant, brengen op verzoek van de dienst Marien Milieu of de BMM verslag uit over de omstandigheden van elk zwaar ongeval waarbij zij betrokken waren. De dienst Marien Milieu of de BMM specificeert in het verzoek de gegevens die gevraagd worden.]1
  
Art. 31. § 1er. En cas de pollution ou de dommage imminent ou effectif dans les espaces marins:
  1° l'exploitant le signale sans délai au service Milieu Marin;
  2° l'exploitant prend toute mesure de prévention ou de confinement raisonnable.
  § 2. A tout moment, l'autorité ayant compétence en mer peut:
  1° obliger l'exploitant à fournir de plus amples informations sur la pollution ou le dommage imminents ou effectifs;
  2° obliger l'exploitant à prendre des mesures de prévention ou de confinement;
  3° obliger l'exploitant à suivre des instructions pour la prise de mesures de prévention ou de confinement;
  4° prendre elle-même des mesures de prévention ou de confinement.
  § 3. Le Roi peut fixer les modalités relatives aux dispositions énoncées aux paragraphes 1er et 2.
  [1 § 4. Les entreprises enregistrées en Belgique et qui mènent elles-mêmes ou par l'intermédiaire de filiales des opérations pétrolières et gazières en mer hors de l'Union, en tant que titulaires d'une autorisation ou en tant qu'exploitants, font rapport, si elles y sont invitées par le service Milieu Marin ou l'UGMM, sur les circonstances de tout accident majeur dans lequel elles ont été impliquées.]1
  
HOOFDSTUK 8. - Noodmaatregelen ter vrijwaring en bescherming van het marien milieu
CHAPITRE 8. - Mesures d'urgence de protection et de sauvegarde du milieu marin
Art. 32. Bij een dreigende of ingetreden verontreiniging of schade, kunnen de betrokken overheden met bevoegdheid op zee de nodige opvorderingsmaatregelen nemen en dragen hiervoor de kosten. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 2.7.4.4, § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
Art. 32. En cas de pollution ou de dommage imminent ou effectif, les autorités compétentes pour la mer peuvent prendre les mesures de réquisition nécessaires et en supportent les frais. Cette disposition n'affecte pas les dispositions de l'article 2.7.4.4, § 3, du Code belge de la navigation.
Art. 33. § 1. De dienst Marien Milieu is bevoegd voor de pollutiebestrijding op zee en voor het beheer en de ontplooiing van het pollutiebestrijdingsmaterieel.
  De overheid met bevoegdheid op zee treedt zo snel mogelijk en effectief op bij de melding van mogelijke verontreiniging of schade. Hiervoor zal de overheid met bevoegdheid op zee, na een beoordeling van de gebeurtenis, ambtshalve de nodige noodmaatregelen nemen op zee ter voorkoming of inperking van verontreiniging of schade.
  § 2. De minister coördineert de opstelling van operationele interventieplannen ter voorkoming of inperking van verontreiniging of schade. Hierbij worden de minister bevoegd voor de Binnenlandse Zaken, de minister bevoegd voor het Wetenschapsbeleid, de minister bevoegd voor Defensie en de minister bevoegd voor de Maritieme Mobiliteit betrokken. In deze plannen wordt bepaald welke overheid verantwoordelijk is voor de coördinatie van deze interventies. Deze plannen worden zesjaarlijks geëvalueerd.
  § 3. Wanneer de overheid met bevoegdheid op zee de doeltreffendheid van de operationele interventieplannen in reële omstandigheden test, zijn de bepalingen van artikel 38 in voorkomend geval van toepassing.
Art. 33. § 1er. Le service Milieu Marin est compétent pour la lutte contre la pollution en mer et de la gestion et du déploiement du matériel de lutte contre la pollution.
  L'autorité ayant compétence en mer agit aussi rapidement que possible et efficacement dès qu'il est informé d'une pollution ou d'un dommage éventuel. A cette fin, l'autorité ayant compétence en mer, après avoir évalué l'incident, prendra les mesures d'urgence nécessaires en mer pour prévenir ou réduire la pollution ou les dommages.
  § 2. Le ministre coordonne la préparation des plans d'intervention opérationnels pour prévenir ou réduire les pollutions ou les dommages. A cette fin, le ministre associe le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, le ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions, le ministre qui a la Défense dans ses attributions et le ministre qui a la Mobilité Maritime dans ses attributions. Ces plans déterminent quelle autorité est responsable de la coordination de ces interventions. Ces plans sont évalués tous les six ans.
  § 3. Lorsque l'autorité ayant compétence en mer teste l'efficacité des plans d'intervention opérationnels en conditions réelles, les dispositions de l'article 38 s'appliquent le cas échéant.
Art. 34. De veroorzaker van een dreigende of reeds ingetreden verontreiniging of schade, draagt de kosten van de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen noodmaatregelen tot voorkoming of inperking van de verontreiniging of schade. De Koning kan de nadere regels dienaangaande vaststellen.
Art. 34. La personne à l'origine d'une pollution ou d'un dommage imminent ou effectif, supporte les coûts des mesures d'urgence prises conformément au présent chapitre pour prévenir ou réduire la pollution ou le dommage. Le Roi peut fixer les modalités y relatives.
Art. 35. Wanneer de overheid met bevoegdheid op zee tussenkomt in de zeegebieden ter voorkoming of inperking van verontreiniging of schade, handelt zij op een zodanige wijze dat geen verontreiniging of schade of risico's daarop, rechtstreeks of onrechtstreeks, worden overgebracht van één gebied naar een ander gebied en dat één soort verontreiniging of schade niet wordt omgezet in een andere soort verontreiniging of schade.
Art. 35. Lorsqu'elle intervient dans les espaces marins en vue de prévenir ou de réduire une pollution ou un dommage, l'autorité publique ayant compétence en mer agit de manière à ne pas transférer, directement ou indirectement, une pollution ou un dommage ou un risque de pollution ou de dommage d'une zone à une autre, ni à transformer un type de pollution ou de dommage en un autre type de pollution ou de dommage.
Art. 36. Elke overheidsdienst, publieke of private rechtspersoon en elke natuurlijke persoon die een dreigende of ingetreden verontreiniging of schade veroorzaakt, werkt samen met de overheid met bevoegdheid op zee om deze te voorkomen of in te perken. Deze personen schikken zich naar de instructies van de overheid belast met de coördinatie van deze interventies.
Art. 36. Tout service public, toute personne morale publique ou privée et toute personne physique qui cause une pollution ou un dommage imminent ou effectif doit coopérer avec l'autorité ayant compétence en mer pour les prévenir ou les réduire. Ces personnes se conforment aux instructions de l'autorité chargée de la coordination de ces interventions.
Art. 37. De verantwoordelijke voor een dreigende of ingetreden verontreiniging of schade kan zijn eigen interventiemiddelen ontplooien ter voorkoming of inperking daarvan, mits toestemming door de overheid met bevoegdheid op zee die op individuele basis verleend wordt. De overheid met bevoegdheid op zee, blijft belast met de coördinatie van de interventie ter plaatse en houdt toezicht op de operaties. Haar beslissing ontslaat de verantwoordelijke niet van zijn aansprakelijkheid inzake de vergoeding van de kosten van de noodmaatregelen, zoals bepaald in artikel 34.
Art. 37. La personne responsable d'une pollution ou d'un dommage imminent ou effectif peut déployer ses propres moyens d'intervention pour les prévenir ou les réduire, sous réserve de l'autorisation de l'autorité ayant compétence en mer qui sera accordée à titre individuel. L'autorité ayant compétence en mer, reste chargée de la coordination de l'intervention sur les lieux et garde les opérations sous surveillance. Sa décision n'exonère pas le responsable de sa responsabilité de rembourser les frais des mesures d'urgence, comme prévu à l'article 34.
Art. 38. § 1. Om verontreiniging of schade te voorkomen of in te perken, worden prioritair en in hoofdzaak mechanische middelen ingezet.
  § 2. Geen enkel chemisch product mag, met het oog op de bestrijding van een verontreiniging of schade, in zee worden geloosd of verspreid, en geen enkel voorwerp mag er na gebruik worden achtergelaten, zonder de toelating van de BMM. Deze toelating wordt geval per geval verleend en er kunnen voorwaarden aan verbonden worden.
  § 3. Om een verontreiniging of schade te voorkomen of in te perken, is het gebruik van koolwaterstofdispersanten of andere chemische producten slechts toegelaten wanneer het onderzoek van de omstandigheden laat vermoeden dat de chemische behandeling een globale vermindering van de vooropgestelde nadelige effecten van de betrokken verontreiniging op het marien milieu met zich zal meebrengen, ten opzichte van de natuurlijke processen en de andere bestrijdingsmethoden. Bij het gebruik van koolwaterstofdispersanten moet de hoeveelheid dispersant onder de twintig procent van het te behandelen koolwaterstofvolume blijven en mag in geen geval honderd ton per verontreinigingsincident overschrijden.
Art. 38. § 1er. Pour prévenir ou réduire une pollution ou un dommage, des moyens mécaniques seront prioritairement et principalement utilisés.
  § 2. Aucun produit chimique ne peut être déversé ou répandu en mer pour lutter contre une pollution ou un dommage, ni aucun objet y être laissé après usage sans l'autorisation de l'UGMM. Cette autorisation est accordée au cas par cas et peut être assortie de conditions.
  § 3. Aux fins de prévenir ou de réduire une pollution ou un dommage, l'utilisation de dispersants d'hydrocarbures ou d'autres produits chimiques n'est autorisée que si l'examen des circonstances permet de supposer que le traitement chimique entraînera une réduction globale des effets néfastes prévus de la pollution en question sur le milieu marin, par rapport aux processus naturels et aux autres méthodes de lutte. En cas d'utilisation de dispersants d'hydrocarbures, leur quantité doit être inférieure à vingt pour cent du volume des hydrocarbures à traiter et ne peut en aucun cas dépasser cent tonnes par incident de pollution.
HOOFDSTUK 9. - Herstel van schade
CHAPITRE 9. - Réparation des dommages
Art. 39. § 1. Eenieder die schade heeft veroorzaakt, zelfs indien geen fout werd begaan, is verplicht deze te herstellen, waarbij de toestand prioritair in de oorspronkelijke staat moet worden hersteld.
  § 2. De kosten van maatregelen door overheidsdiensten of andere personen ter voorkoming, inperking of herstel van verontreiniging of schade vallen ten laste van de veroorzaker, onverminderd de bepalingen van de hoofdstukken 7 en 8 van titel 7 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
  § 3. De veroorzaker van de dreigende of ingetreden verontreiniging of schade is niet aansprakelijk overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, indien aangetoond wordt dat de dreigende of ingetreden verontreiniging of schade:
  1° uitsluitend het gevolg is van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, opstand, terrorisme; of
  2° uitsluitend het gevolg is van activiteiten die uitsluitend tot doel hebben bescherming te bieden tegen natuurrampen of tegen een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onafwendbare en onweerstaanbare aard; of
  3° volledig werd veroorzaakt door een opzettelijk handelen of nalaten van derden met de bedoeling verontreiniging of schade te veroorzaken en, voor zover de betrokken derde geen vertegenwoordiger, aangestelde of uitvoeringsagent is van de aansprakelijke persoon; of
  4° het gevolg is van de naleving van een dwingende opdracht of instructie van een overheid, tenzij het een opdracht of instructie betreft naar aanleiding van een dreigende of ingetreden verontreiniging of schade, afkomstig van de activiteiten van de veroorzaker.
  § 4. Dit artikel laat onverlet het recht van diegene die een dreigende of ingetreden verontreiniging of schade heeft veroorzaakt om diens aansprakelijkheid te beperken uit hoofde van een van toepassing zijnde nationale of internationale regeling.
  § 5. De Koning kan de nadere regels voor het vaststellen en uitvoeren van herstelmaatregelen vaststellen.
Art. 39. § 1er. Toute personne qui a causé un dommage, même si elle n'a commis aucune faute, est tenue de le réparer et doit, en priorité, remettre la situation dans son état initial.
  § 2. Les coûts des mesures prises par les services publics ou d'autres personnes pour prévenir, réduire ou réparer une pollution ou un dommage, sont à charge de son auteur, sans préjudice des dispositions des chapitres 7 et 8 du titre 7 du livre 2 du Code belge de la navigation.
  § 3. L'auteur de la pollution ou du dommage imminent ou effectif n'est pas responsable en vertu des paragraphes 1 et 2, s'il est démontré que la pollution ou le dommage imminent ou effectif:
  1° résulte uniquement d'une guerre, d'une guerre civile, d'hostilités, d'une insurrection, de terrorisme; ou
  2° résulte uniquement d'activités ayant exclusivement pour but d'offrir une protection contre les catastrophes naturelles ou contre un phénomène naturel de caractère exceptionnel, inévitable et irrésistible; ou
  3° résulte en totalité du fait qu'un tiers a délibérément agi ou omis d'agir dans l'intention de causer une pollution ou un dommage et, pour autant que le tiers concerné ne soit un représentant, préposé ou mandataire de la personne responsable; ou
  4° résulte du respect d'une mission ou d'une instruction impérieuse ordonnée par une autorité publique, à moins que cette mission ou cette instruction ne soit une réponse à une pollution ou à un dommage imminent ou effectif causé par les activités de l'auteur.
  § 4. Le présent article ne porte pas atteinte au droit de la personne qui a causé une pollution ou un dommage imminent ou effectif de limiter sa responsabilité en vertu de toute réglementation nationale ou internationale applicable.
  § 5. Le Roi peut fixer les modalités d'établissement et d'exécution des mesures de réparation.
Art. 40. § 1. De natuurlijke personen en rechtspersonen die:
  1° schade lijden of dreigen te lijden; of
  2° een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade; of
  3° stellen dat inbreuk is gemaakt op één van hun rechten;
  kunnen bij de dienst Marien Milieu opmerkingen indienen met betrekking tot een dreigende verontreiniging of schade dan wel tot de verontreiniging of schade die zich reeds heeft voorgedaan, en de dienst Marien Milieu verzoeken om maatregelen te treffen krachtens deze wet.
  Elke rechtspersoon die de bescherming van het leefmilieu tot doel heeft die in zijn statuten het grondgebied heeft omschreven tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt, wordt geacht te voldoen aan de bepalingen onder 1° tot en met 3° van het vorige lid.
  De Koning bepaalt wat verstaan moet worden als een voldoende belang in de bepaling onder 2° van het eerste lid en wat een inbreuk op een recht uitmaakt in de bepaling onder 3°, van hetzelfde lid.
  § 2. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er dreigende of ingetreden verontreiniging of schade is, neemt de dienst Marien Milieu deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. De dienst Marien Milieu dient ook de betrokken exploitant de gelegenheid te bieden om zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken.
  § 3. De personen bedoeld in paragraaf 1, worden zo spoedig mogelijk door de dienst Marien Milieu in kennis gesteld van de beslissing over het al dan niet nemen van maatregelen en de redenen hiertoe.
Art. 40. § 1er. Les personnes physiques et personnes morales qui:
  1° subissent ou sont menacées de subir un dommage; ou
  2° qui justifient d'un intérêt suffisant dans la prise de décision concernant le dommage; ou
  3° font valoir qu'un de leurs droits a été violé;
  peuvent soumettre des observations au service Milieu Marin concernant une pollution ou un dommage imminent ou une pollution ou un dommage qui s'est déjà produit, et demander au service Milieu Marin de prendre des mesures en vertu de la présente loi.
  Toute personne morale ayant dans son objet social la protection de l'environnement, ayant défini dans ses statuts le territoire auquel s'étend son activité est réputée satisfaire aux dispositions sous 1° à 3° de l'alinéa précédent.
  Le Roi détermine ce qui doit être considéré comme d'un intérêt suffisant en vertu du 2° de l'alinéa 1er et ce qui constitue une violation d'un droit en vertu du 3° du même alinéa.
  § 2. Si la demande d'intervention et les observations et informations qui l'accompagnent montrent qu'une pollution ou un dommage sont imminents ou effectifs, le service Milieu Marin prend en considération ces observations et cette demande d'intervention. En pareil cas, le service Milieu Marin donne aussi à l'exploitant concerné la possibilité de faire connaître son point de vue concernant la demande d'intervention et les observations qui l'accompagnent.
  § 3. Les personnes visées au paragraphe 1er, sont informées dans les meilleurs délais par le service Milieu Marin de la décision d'intervenir ou pas et des motifs de cette décision.
Art. 41. Wanneer verschillende personen op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk aansprakelijk zijn voor éénzelfde schade, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
Art. 41. Quand, sur la base des dispositions du présent chapitre, plusieurs personnes sont responsables d'un même dommage, elles sont solidairement responsables.
Art. 42. § 1. De dienst Marien Milieu, de BMM en het DG Scheepvaart kunnen eisen, van zodra het risico voor dreigende of ingetreden verontreiniging of schade is vastgesteld, dat een financiële zekerheid gesteld moet worden door de veroorzaker van de dreigende of ingetreden verontreiniging of schade.
  Deze zekerheid kan gesteld worden op de volgende wijze:
  1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
  2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
  3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de bevoegde overheid.
  § 2. Om het bedrag van de financiële zekerheid vast te stellen houden de dienst Marien Milieu, de BMM en het DG Scheepvaart niet alleen rekening met de reeds geleden schade, maar ook met de risico's en de toekomstige gevolgen, zoals ingeschat door de dienst Marien Milieu, de BMM en het DG Scheepvaart.
Art. 42. § 1er. Le service Milieu Marin, l'UGMM et la DG Navigation peuvent exiger, dès que le risque de pollution ou de dommage imminent ou effectif est établi, qu'une garantie financière soit constituée par la personne à l'origine de la pollution ou du dommage imminent ou effectif.
  Cette garantie peut être constituée de la manière suivante:
  1° le versement d'une somme consignée auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations, conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
  2° une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
  3° une garantie signée accordée par un membre du "International Group of Protection and Indemnity Clubs" et acceptée par l'autorité compétente.
  § 2. Pour fixer le montant de la garantie financière, le service Milieu Marin, l'UGMM et la DG Navigation tiennent compte, non seulement des dommages déjà subis, mais aussi des risques et des incidences futures tels qu'estimés par le service Milieu Marin, l'UGMM et la DG Navigation.
HOOFDSTUK 10. - Administratieve geldboetes
CHAPITRE 10. - Amendes administratives
Art. 43. Voor de inbreuken op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de voorschriften krachtens artikel 11 of 20 van de Visserijverordening, kan een administratieve geldboete worden opgelegd met toepassing van hoofdstuk 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
  Dertig procent van het bedrag van de administratieve geldboetes opgelegd wegens een schending van deze wet en zijn uitvoeringsbepalingen, wordt door de overtreder gestort in het Fonds Leefmilieu, voorzien bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Art. 43. Pour les infractions à la présente loi, à ses arrêtés d'exécution et aux prescriptions en application de l'article 11 ou 20 du règlement des pêches, une amende administrative peut être infligée en application du chapitre 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
  Trente pour cent du montant des amendes administratives infligées suite à une violation de la présente loi, et de ses dispositions d'exécution, est versé par le contrevenant au Fonds Environnement, prévu par la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
HOOFDSTUK 11. - Strafbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions pénales
Art. 44. § 1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 200 euro tot 2.000.000 euro of met één van deze straffen alleen:
  1° eenieder die de voorschriften van artikelen 28, 29, §§ 1 en 2, en artikel 30 schendt;
  2° eenieder die de meldingsplicht, de preventieplicht, de instructies en de informatieplicht vastgesteld [1 door artikel 31, § 1, § 2, 1° tot en met 3°, en § 4]1, niet naleeft.
  § 2. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 200 euro tot 2.000.000 euro of één van deze straffen alleen:
  1° eenieder die met bedrieglijk opzet de vergunningsplicht vastgesteld door artikel 15, § 1, niet naleeft;
  2° eenieder die de voorschriften van artikel 15, § 4, schendt;
  3° eenieder die de vergunningsplicht vastgesteld door of krachtens artikel 16, § 1 en § 2, niet naleeft;
  4° eenieder die bij uitvoering van het voorschrift bepaald door en krachtens artikel 19 aan de overheid met bedrieglijk opzet onjuiste gegevens heeft verstrekt;
  5° eenieder die de vergunningsplicht vastgesteld door of krachtens artikel 25 niet naleeft;
  6° eenieder die de machtigingsplicht vastgesteld door artikel 29, § 5, niet naleeft;
  7° eenieder die de toelatingsplicht vastgesteld door artikel 38, § 2, niet naleeft;
  8° eenieder die de voorwaarden niet naleeft verbonden aan een vergunning, machtiging of toelating gegeven krachtens artikel 15, § 1, artikel 16, artikel 18, artikel 25, artikel 29, § 5, en artikel 38, § 2.
  § 3. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 1.000.000 euro of één van deze straffen alleen:
  1° eenieder die de voorschriften vastgesteld door of krachtens de artikelen 7, 9, § 1, 10, § 1, 12, 13, § 1 en § 3, 14, §§ 1 tot 4, 15, §§ 2 en 3, en artikel 27 niet naleeft;
  2° eenieder die de toelatingsplicht vastgesteld door artikel 12, § 1, niet naleeft;
  3° eenieder die de toelatingsplicht vastgesteld door artikel 18 niet naleeft;
  4° eenieder die de voorschriften vastgesteld door of krachtens artikel 24, § 2, niet naleeft;
  5° eenieder die, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de zorgplicht vastgesteld door artikel 6, § 1, niet naleeft.
  
Art. 44. § 1er. Est puni d'une peine d'emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende de 200 euros à 2.000.000 euros ou d'une de ces peines seulement:
  1° quiconque enfreint les dispositions des articles 28, 29, §§ 1 et 2, et 30;
  2° quiconque ne respecte pas l'obligation de notification, l'obligation de prévention, les instructions et l'obligation d'information prévues [1 par l'article 31, § 1er, § 2, 1° à 3° et § 4]1.
  § 2. Est puni d'une peine d'emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de 200 euros à 2.000.000 euros ou d'une de ces peines seulement:
  1° quiconque ne respecte pas, dans une intention frauduleuse, l'obligation de permis prévue par l'article 15, § 1;
  2° quiconque enfreint les dispositions de l'article 15, § 4;
  3° quiconque ne respecte pas l'obligation de permis prévue par ou en vertu de l'article 16, § 1 et § 2;
  4° quiconque ayant, dans une intention frauduleuse, fourni des informations inexactes à l'autorité, dans la mise en oeuvre de la disposition prévue par et en vertu de l'article 19;
  5° quiconque ne respecte pas l'obligation de permis prévue par ou en vertu de l'article 25;
  6° quiconque ne respecte pas l'obligation d'agrément prévue par l'article 29, § 5;
  7° quiconque ne respecte pas l'obligation d'autorisation prévue par l'article 38, § 2;
  8° quiconque ne respecte pas les conditions liées à un permis, un agrément ou une autorisation octroyé en application de l'article 15, § 1er, de l'article 16, de l'article 18, de l'article 25, de l'article 29, § 5, et de l'article 38, § 2.
  § 3. Est puni d'une peine d'emprisonnement de huit jours à trois ans et d'une amende de 100 euros à 1.000.000 euros ou d'une de ces peines seulement:
  1° quiconque ne respecte pas les dispositions prévues par ou en application des articles 7, 9, § 1er, 10, § 1er, 12, 13, §§ 1er et 3, 14, §§ 1er à 4, 15, §§ 2 et 3, et l'article 27;
  2° quiconque ne respecte pas l'obligation d'autorisation prévue par l'article 12, § 1er;
  3° quiconque ne respecte pas l'obligation d'autorisation prévue par l'article 18;
  4° quiconque ne respecte pas les dispositions prévues par ou en vertu de l'article 24, § 2;
  5° quiconque, intentionnellement ou par manque de précaution ou de prudence, ne remplit pas le devoir de diligence établi à l'article 6, § 1er.
  
Art. 45. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of één van deze straffen alleen:
  1° eenieder die enig ander voorschrift dan de bovenvermelde, vastgesteld door of krachtens deze wet, niet naleeft;
  2° eenieder die enig voorschrift schendt, vastgesteld krachtens artikel 11 of artikel 20 van de Visserijverordening.
Art. 45. Est puni d'une peine d'emprisonnement de huit jours à trois ans et d'une amende de 100 euros à 500.000 euros ou d'une de ces peines seulement:
  1° quiconque ne respecte pas une autre réglementation prévue par ou en vertu de la présente loi;
  2° quiconque enfreint une disposition prévue en vertu de l'article 11 ou de l'article 20 du règlement des pêches.
Art. 46. Eenieder die opnieuw inbreuk pleegt op de voorschriften bepaald door of krachtens deze wet binnen de vijf jaar, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, na een definitieve strafrechtelijke veroordeling of een administratieve geldboete wegens de schending van deze voorschriften.
Art. 46. Quiconque commet à nouveau une infraction aux dispositions prévues par ou en vertu de cette loi dans les cinq ans, peut être condamné au double du maximum de la peine, après une condamnation pénale ou amende administrative définitive pour violation de ces dispositions.
Art. 47. Voor de misdrijven bepaald in artikel 44, § 1, § 2, 1° tot en met 3° en 5° tot en met 8°, en § 3, 1° tot en met 4°, worden de straffen verdubbeld wanneer de feiten zijn gepleegd tussen zonsondergang en zonsopgang.
Art. 47. Pour les délits prévus à l'article 44, § 1er, § 2, 1° à 3° et 5° à 8°, et § 3, 1° à 4°, les peines sont doublées lorsque les faits sont commis entre le coucher et le lever du soleil.
Art. 48. Dertig procent van het bedrag van de geldboetes uitgesproken op basis van de artikelen 44 en 45 moeten door de veroordeelde rechtstreeks worden gestort in het Fonds Leefmilieu, voorzien bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Art. 48. La personne condamnée est tenue de verser directement trente pour cent du montant des amendes prononcées sur la base des articles 44 et 45 au Fonds environnement, prévu par la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Art. 49. Artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de minnelijke schikkingen, is van toepassing met dien verstande dat dertig procent van het bedrag van deze minnelijke schikking door de dader rechtstreeks wordt gestort in het Fonds Leefmilieu, voorzien bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Art. 49. L'article 216bis du Code d'instruction criminelle relatif aux transactions amiables est d'application, étant entendu que l'auteur doit verser directement trente pour cent du montant total de cette transaction au Fonds environnement, prévu par la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Art. 50. Bij de veroordeling van een rechtspersoon op grond van de artikelen 44 en 45, kan de rechter bevelen dat de veroordeling wordt bekendgemaakt.
  De bekendmaking gebeurt op kosten van de veroordeelde, op de wijze bepaald in de veroordelende beslissing.
Art. 50. En cas de condamnation d'une personne morale sur la base des articles 44 et 45, le juge peut ordonner la publication de la condamnation.
  La publication s'effectue aux frais du condamné, dans les conditions prévues par la décision de condamnation.
Art. 51. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing.
Art. 51. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le Chapitre VII et l'article 85, sont d'application.
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions modificatives
Art. 52. In artikel 2.2.6.1, 1°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt een punt s) toegevoegd, luidende:
  "s) een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 2.7.8.4.".
Art. 52. A l'article 2.2.6.1, 1°, du Code belge de la navigation, un point s) est ajouté, libellé comme suit:
  "s) une garantie financière conformément à l'article 2.7.8.4.".
Art. 53. In artikel 2.5.1.1 van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:
  "5° de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;".
Art. 53. A l'article 2.5.1.1 du même Code, la disposition sous le point 5° est remplacé comme suit:
  "5° la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;".
Art. 54. In artikel 2.5.3.8 van hetzelfde Wetboek, wordt het laatste lid opgeheven.
Art. 54. A l'article 2.5.3.8 du même Code, le dernier alinéa est abrogé.
Art. 55. In artikel 2.7.5.5, § 2, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;".
Art. 55. A l'article 2.7.5.5, § 2, du même Code, le 2° est remplacé comme suit:
  "2° la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;".
Art. 56. In artikel 2.7.6.3 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 3, vierde lid, de woorden "en artikel 21 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België" opgeheven.
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 56. A l'article 2.7.6.3 du même Code, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au § 3, alinéa 4, les mots "et l'article 21 de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique" sont abrogés.
  2° le paragraphe 4, est abrogé.
Art. 57. In artikel 2.7.6.7, § 7, 6°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België" vervangen door de woorden "de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden".
Art. 57. A l'article 2.7.6.7, § 7, 6°, du même Code, les mots "la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique" sont remplacés par les mots "la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges".
Art. 58. Artikel 2.7.6.9 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 58. L'article 2.7.6.9 du même Code est abrogé.
Art. 59. In hetzelfde Wetboek wordt in boek 2, titel 7, een hoofdstuk 8 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 8 - Ongevallen
  Art. 2.7.8.1. Meldingsplicht
  § 1. Onverminderd artikel 43 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en artikelen 4, 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2007 betreffende het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum, dient de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant van een schip dat betrokken is bij een scheepvaartongeval in de Belgische maritieme zones dit onverwijld te melden aan het Maritiem Informatiekruispunt. Met de exploitant wordt in dit artikel bedoeld de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de manager of rompbevrachter, die namens de eigenaar de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de ISM-Code.
  § 2. De gezagvoerder, de scheepseigenaar en de exploitant zijn verplicht alle in verband met het ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en desgevraagd onmiddellijk alle informatie te verschaffen over de maatregelen die door het schip in verband met het ongeval reeds zijn genomen.
  Art. 2.7.8.2. Preventieve maatregelen
  § 1. De gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant treft elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel om schade of verontreiniging aan het marien milieu te voorkomen.
  Met preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen worden de maatregelen bedoeld in artikel 3, 29° en 30°, van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden.
  § 2. Indien de bevoegde overheid oordeelt dat de door de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant genomen maatregelen de verontreiniging of het risico op verontreiniging niet voorkomen, in onvoldoende mate beperken of niet ongedaan maken, kan de bevoegde overheid aan de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, of aan diegene die hulp verlenen aan het desbetreffende schip, instructies geven tot het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de verontreiniging of het risico op verontreiniging veroorzaakt door het ongeval.
  De aan de gezagvoerder, scheepseigenaar of exploitant te geven instructies kunnen betrekking hebben op:
  1° de aanwezigheid op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
  2° het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
  3° het verlenen van hulp aan het schip.
  § 3. De instructies aan diegenen die hulp verlenen aan het schip kunnen geen verbod tot het uitvoeren van de overeengekomen hulpverlening of het voortzetten van de reeds aangevangen hulpverlening inhouden.
  Art. 2.7.8.3. Ambtshalve maatregelen
  § 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 33 tot en met 39 van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijk planning in de Belgische zeegebieden, kan de bevoegde overheid, indien de instructies in uitvoering van artikel 2.7.8.2 niet tot gevolg hebben dat verontreiniging door het ongeval kan worden voorkomen, in voldoende mate worden beperkt of ongedaan worden gemaakt, of indien de gevolgen voor het marien milieu dermate groot zijn, ambtshalve alle nodige preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen, nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
  Deze maatregelen kunnen onder meer inhouden:
  1° het verrichten van onderzoek naar de toestand aan boord van het schip en de aard en toestand van de zaken die zich aan boord bevinden;
  2° het brengen van het schip naar een haven, indien daardoor de schadelijke gevolgen beter kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.
  § 2. De maatregelen moeten evenredig zijn met de schadelijke of mogelijke schadelijke gevolgen van het scheepvaartongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
  § 3. De scheepseigenaar en de exploitant dragen de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De scheepseigenaar en de exploitant zijn in solidum gehouden deze verplichtingen na te komen, en de bevoegde overheid kan elk van hen aanspreken ten einde volledige genoegdoening te bekomen, onverminderd het recht van verhaal waarover de aangesprokene desgevallend beschikt.
  Art. 2.7.8.4. Financiële zekerheid
  § 1. De bevoegde overheid kan eisen dat de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, betrokken bij een scheepvaartongeval met dreigende of ingetreden verontreiniging of schade, een financiële zekerheid moet stellen. Deze zekerheid kan gesteld worden op de volgende wijze:
  1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
  2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
  3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de bevoegde overheid.
  § 2. Bij weigering tot het stellen van een financiële zekerheid kan de bevoegde overheid overgaan tot het vasthouden van het schip.
  § 3. Indien het schip is gezonken of zich niet in een Belgische haven bevindt, kan de bevoegde overheid de borgsom of bankgarantie afdwingen door bewarend beslag te leggen op een ander schip van dezelfde scheepseigenaar of exploitant, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek."
Art. 59. Dans le même Code, au livre 2, titre 7, un chapitre 8 est inséré, rédigé comme suit:
  "Chapitre 8 - Accidents
  Art. 2.7.8.1. Obligation de notification
  § 1er. Sans préjudice de l'article 43 du décret du 16 juin 2006 relatif au guidage de la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du centre de coordination et de sauvetage maritime et les articles 4, 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 octobre 2007 relatif au centre de coordination et de sauvetage maritime, le commandant, le propriétaire ou l'exploitant d'un navire impliqué dans un accident maritime dans les zones maritimes belges doit le signaler sans délai au carrefour d'information maritime. Au présent article, l'on entend par exploitant le propriétaire du navire ou toute autre organisation ou personne, comme le gérant ou l'affréteur coque nue, qui a accepté au nom du propriétaire la responsabilité de l'exploitation du navire et qui par l'acceptation de cette responsabilité s'est engagé à s'acquitter de toutes les tâches et responsabilités connexes imposées par le Code ISM.
  § 2. Le commandant, le propriétaire du navire et l'exploitant sont tenus de fournir sur le champ toutes les informations relatives à l'accident et, sur demande, toutes les informations relatives aux mesures qui ont déjà été prises par le navire en rapport avec l'accident.
  Art. 2.7.8.2. Mesures préventives
  § 1er. Le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant prend toute mesure préventive ou mesure de confinement raisonnable afin de prévenir un dommage ou une pollution du milieu marin.
  Par mesures de prévention ou mesures de confinement, on entend les mesures visées à l'article 3, 29° et 30°, de la loi du 11 décembre 2022 pour la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement de l'espace marin dans les zones marines belges.
  § 2. Si l'autorité compétente est d'avis que les mesures prises par le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant n'évitent pas, ne réduisent que de façon insuffisante ou n'arrêtent pas la pollution ou le risque de pollution, elle peut donner des instructions au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant, ou à ceux qui prêtent assistance au navire concerné, en vue de la prise de mesures de prévention ou de mesures de confinement, afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter la pollution ou le risque de pollution causé par l'accident.
  Les instructions données au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant peuvent avoir trait:
  1° à la présence du navire et des biens qui sont à son bord à un endroit déterminé ou dans une zone déterminée;
  2° au déplacement du navire et des biens qui se trouvent à son bord;
  3° à la prestation d'assistance au navire.
  § 3. Les instructions à ceux qui prêtent assistance au navire ne peuvent impliquer l'interdiction de la mise en oeuvre de l'assistance convenue ou de la continuation de l'assistance entamée.
  Art. 2.7.8.3. Mesures d'office
  § 1er. Sans préjudice des dispositions des articles 33 à 39 de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins dans les espaces marins belges, si les instructions données en exécution de l'article 2.7.8.2 ne réussissent pas à prévenir, à réduire à un degré suffisant ou à arrêter la pollution causée par l'accident, ou si les conséquences sont tellement importantes pour le milieu marin, l'autorité compétente peut prendre d'office toute mesure de prévention ou de confinement nécessaire afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter les conséquences dommageables de l'accident.
  Ces mesures peuvent entre autres inclure:
  1° de faire une enquête sur la situation à bord du navire et sur la nature et l'état des biens qui se trouvent à son bord;
  2° de ramener le navire dans un port, si par cette mesure les conséquences dommageables peuvent être mieux prévenues, réduites ou arrêtées.
  § 2. Les mesures doivent être proportionnelles aux conséquences dommageables ou potentiellement dommageables de l'accident de navigation et ne peuvent excéder ce qui est raisonnablement nécessaire pour éviter, réduire ou arrêter ces conséquences dommageables.
  § 3. Le propriétaire de navire et l'exploitant supportent les coûts des mesures de prévention et de confinement prises conformément à la présente section. Le propriétaire de navire et l'exploitant sont tenus in solidum de respecter ces obligations, et l'autorité compétente peut s'adresser à chacune de ces personnes afin d'être intégralement indemnisée, sans préjudice du droit de recours dont dispose, le cas échéant, la personne adressée.
  Art. 2.7.8.4. Garantie financière
  § 1er. L'autorité compétente peut exiger que le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant impliqué dans un accident de navigation avec une pollution ou un dommage imminent ou effectif doive constituer une garantie financière. Cette garantie peut être assurée de la manière suivante:
  1° le versement d'une somme consignée auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
  2° une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
  3° une garantie signée accordée par un membre du "International Group of Protection and Indemnity Clubs" et acceptée par l'autorité compétente.
  § 2. En cas de refus de constitution d'une garantie financière, l'autorité compétente peut procéder à la rétention du navire.
  § 3. Si le navire a coulé ou ne se trouve pas dans un port belge, l'autorité compétente peut faire valoir la caution ou la garantie bancaire en opérant une saisie conservatoire sur un autre navire du même propriétaire de navire ou exploitant, conformément aux dispositions de ce code."
Art. 60. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 4.2.4.9 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 4.2.4.9 Bevoegdheden van de dienst Marien Milieu
  § 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Marien Milieu van het directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
  1° artikel 2.5.3.4;
  2° artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14;
  3° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
  § 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
  § 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.".
Art. 60. Dans le même Code, il est inséré un article 4.2.4.9, rédigé comme suit:
  "Article 4.2.4.9 Compétences du service Milieu Marin
  § 1er. Les membres du personnel du service Milieu Marin de la Direction générale Environnement du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
  1° l'article 2.5.3.4;
  2° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14;
  3° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution.
  Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées au premier alinéa.
  § 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
  § 3. Un procès-verbal, rédigé par les membres du personnel désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.".
Art. 61. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 4.2.4.10 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 4.2.4.10 Bevoegdheden van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee
  § 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
  1° het artikel 2.5.1.2 en zijn uitvoeringsbesluiten;
  2° het artikel 2.5.3.4;
  3° de artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14 en hun uitvoeringsbesluiten;
  4° de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken en haar uitvoeringsbesluiten;
  5° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten;
  6° de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en hun uitvoeringsbesluiten.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn eveneens belast met de opsporing van de overtredingen van het MARPOL-Verdrag die aan de Belgische overheden is toevertrouwd krachtens internationale overeenkomsten betreffende het toezicht vanuit de lucht op zeeverontreiniging.
  § 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
  § 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.".
Art. 61. Dans le même Code, il est inséré un article 4.2.4.10, rédigé comme suit:
  "Article 4.2.4.10 Compétences de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la mer du Nord
  § 1er. Les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la mer du Nord désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
  1° l'article 2.5.1.2 et ses arrêtés d'exécution;
  2° l'article 2.5.3.4;
  3° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14 et leurs arrêtés d'exécution;
  4° la loi du 23 avril 2021 relative à la mise en oeuvre de la convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur et ses arrêtés d'exécution;
  5° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution;
  6° les articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et leurs arrêtés d'exécution.
  Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées à l'alinéa 1er.
  Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont également chargés de la recherche des infractions à la Convention MARPOL qui sont confiées aux autorités belges en vertu des accords internationaux relatifs à la surveillance aérienne de la pollution marine.
  § 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
  § 3. Un procès-verbal rédigé par les membres du personnel, désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.".
Art. 62. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 4.2.4.11 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 4.2.4.11 Bevoegdheden van de dienst Continentaal Plat
  § 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Continentaal Plat van Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, oefenen het toezicht uit op de naleving van de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
  § 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
  § 3. Een proces-verbaal opgesteld door een in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.".
Art. 62. Dans le même Code, il est inséré un article 4.2.4.11, rédigé comme suit:
  "Article 4.2.4.11 Compétences du service Plateau continental
  § 1er. Les membres du personnel du service Plateau continental du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution.
  Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions, visées au premier alinéa.
  § 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel, désignés au paragraphe 1er.
  § 3. Un procès-verbal rédigé par un membre du personnel, désigné au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.".
Art. 63. In artikel 4.2.4.3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin worden de woorden "2.7.6.1 tot en met 2.7.6.15" vervangen door de woorden "2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14";
  2° de bepalingen onder 2° en 4° worden opgeheven.
Art. 63. A l'article 4.2.4.3, l'alinéa 1er du même Code, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans la phrase introductive, les mots "2.7.6.1 à 2.7.6.15" sont remplacés par les mots "2.7.6.1 à 2.7.6.14";
  2° les 2° et 4° sont abrogés.
Art. 64. In artikel 4.2.4.5 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de bepalingen onder 2° en 4° opgeheven;
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 64. A l'article 4.2.4.5 du même Code, les modifications suivantes sont apportées:
  1° à l'alinéa 1er, les dispositions des points 2° et 4° sont abrogées;
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 65. In artikel 3 van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat, gewijzigd bij de wetten van 20 januari 1999 en 22 april 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 tot en met 4 worden vervangen als volgt:
  " § 1. Voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond is zowel een concessie als een milieuvergunning vereist.
  § 2. De concessie wordt toegekend onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, op voordracht van de minister bevoegd voor Economie, om te zorgen voor een duurzame en verantwoorde exploitatie van deze rijkdommen, rekening houdend met het beheer van de voorraden, de behoeften op lange termijn en de economische vereisten van de activiteit.
  De concessie kan slechts worden toegestaan mits een milieuvergunning wordt toegekend.
  § 3. De milieuvergunning wordt toegekend onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, op voordracht van de minister bevoegd voor het Marien Milieu.
  De procedure voor het verlenen van een milieuvergunning omvat onder meer een milieueffectenbeoordeling, die minstens uit de volgende stappen bestaat:
  1° het opstellen van een milieueffectbeoordelingsrapport door de aanvrager op diens verantwoordelijkheid en diens kosten;
  2° de uitvoering van raadplegingen met de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale, regionale, federale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, met het publiek en, in voorkomend geval, met andere landen. Hiervoor dienen er passende termijnen voorzien te worden die niet minder dan dertig dagen mogen duren;
  3° het onderzoek door de wetenschappelijke dienst Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (hierna BMM) van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en, in voorkomend geval, van de aanvullende informatie die door de aanvrager wordt verstrekt en van alle via de raadplegingen ontvangen relevante informatie;
  4° de gemotiveerde conclusie van de BMM over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek, bedoeld in de bepaling onder 3°, en, indien van toepassing, haar eigen aanvullende onderzoek;
  5° een beslissing over het al dan niet uitreiken van een vergunning waarbij de gemotiveerde conclusie van de BMM geïntegreerd wordt. Bij aanvragen tot verlenging of vernieuwing van een concessie, zal een nieuwe milieuvergunning vereist zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de resultaten van de continue monitoring.
  § 4. De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een continue monitoring naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het marien milieu. Indien uit de continue monitoring blijkt dat de betrokken activiteiten onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de sedimentafzettingen of voor het marien milieu hebben, kunnen de concessie en de milieuvergunning, geheel of gedeeltelijk opgeschort of ingetrokken worden.
  De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een vergoeding volgens de nadere regels bepaald door de Koning, voor de uitvoering van de continue monitoring naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het marien milieu.
  De Koning kan, op voordracht van de minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Marien Milieu en de minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid, de nadere regels bepalen voor het opstellen en uitvoeren van een monitoringsplan. Bij het opstellen van het monitoringsplan wordt er rekening gehouden met alle programma's, plannen, adviezen en aanbevelingen die van toepassing zijn voor de monitoring van de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het marien milieu en zijn duurzame ontwikkeling.";
  2° in paragraaf 5 worden de woorden "de Economische Zaken" vervangen door het woord "Economie";
  3° in paragraaf 5 wordt het woord "Leefmilieu" vervangen door de woorden "het Marien Milieu";
  4° in paragraaf 5 worden de woorden "het continu onderzoek" vervangen door "de continue monitoring".
Art. 65. Dans l'article 3 de la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental, modifié par les lois du 20 janvier 1999 et 22 avril 1999, les modifications suivantes sont apportées:
  1° les paragraphes 1 à 4 sont remplacées comme suit:
  " § 1er. La recherche et l'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du fond marin et du sous-sol sont subordonnées à l'octroi d'une concession et d'un permis d'environnement.
  § 2. La concession est accordée aux conditions et selon les modalités fixées par le Roi, sur proposition du ministre qui a l'Economie dans ses attributions, afin d'assurer une exploitation durable et responsable de ces ressources, en tenant compte de la gestion des stocks, des besoins à long terme et des impératifs économiques de l'activité.
  La concession ne peut être accordée que si un permis d'environnement est accordé.
  § 3. Le permis d'environnement est accordé aux conditions et selon les modalités fixées par le Roi, sur proposition du ministre qui a le Milieu marin dans ses attributions.
  La procédure d'octroi d'un permis d'environnement comprend entre autres une évaluation des incidences sur l'environnement qui comprend au moins les étapes suivantes:
  1° l'établissement du rapport des incidences sur l'environnement par le demandeur sous sa responsabilité et à ses frais;
  2° la réalisation de consultations avec les organismes qui, en raison de leurs responsabilités spécifiques en matière d'environnement ou en vertu de leurs compétences locales, régionales ou fédérales, sont susceptibles d'être concernés par le projet, avec le public et, le cas échéant, avec d'autres pays. A cette fin, des délais appropriés doivent être prévus, qui ne doivent pas être inférieurs à trente jours;
  3° l'examen par Service scientifique Unité de Gestion du Modèle Mathématique de la Mer du Nord (ci-après UGMM) des informations présentées dans le rapport des incidences sur l'environnement et, le cas échéant, des informations complémentaires fournies par le demandeur, ainsi que de toutes les informations pertinentes reçues lors des consultations;
  4° la conclusion motivée de l'UGMM concernant les effets significatifs du projet sur l'environnement, en tenant compte des résultats de l'examen, visé au 3° et, le cas échéant, de son propre examen complémentaire;
  5° une décision sur l'octroi ou non d'un permis, intégrant la conclusion motivée de l'UGMM. Lors de demandes de prolongation ou de renouvellement d'une concession, un nouveau permis d'environnement sera requis, en tenant compte des résultats de la surveillance continue.
  § 4. L'exploration et l'exploitation sont soumises à une surveillance continue de l'influence des activités concernées sur les dépôts de sédiments et sur le milieu marin. Si la surveillance continue fait apparaître des effets nuisibles inacceptables des activités concernées sur les dépôts de sédiments et sur le milieu marin, la concession et le permis d'environnement peuvent être retirés ou suspendus en tout ou en partie.
  L'exploration et l'exploitation sont soumises à une redevance, selon des modalités fixées par le Roi, pour l'exécution de la surveillance continue de l'influence des activités concernées sur les dépôts de sédiments et sur le milieu marin.
  Le Roi peut fixer, sur proposition conjointe du ministre qui a l'Economie dans ses attributions, du ministre qui a le Milieu marin dans ses attributions et du ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions, les modalités pour établir et exécuter un plan de surveillance. Lors de la création du plan de surveillance, il est tenu compte de tous les programmes, plans, avis et recommandations qui sont d'application sur la surveillance continue de l'influence des activités concernées sur les dépôts de sédiments et sur le milieu marin et son développement durable.";
  2° dans le paragraphe 5, les mots "les Affaires économique" sont remplacés par les mots "l'Economie";
  3° dans le paragraphe 5, les mots "l'Environnement" sont remplacés par les mots "le Milieu marin";
  4° dans le paragraphe 5, les mots "l'examen continu" sont remplacés par les mots "la surveillance continue".
Art. 66. In artikel 2, 1°, van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, laatst gewijzigd door de wet van 16 juni 2021, worden de woorden "wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België" vervangen door de woorden "wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden".
Art. 66. A l'article 2, 1°, de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, modifiée en dernier lieu par la loi du 16 juin 2021, les mots "loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique" sont remplacés par les mots "la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges".
Art. 67. De wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 juni 2021, wordt opgeheven.
Art. 67. La loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, modifiée en dernier lieu par la loi du 16 juin 2021, est abrogée.