Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 SEPTEMBER 2022. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten
Titre
15 SEPTEMBRE 2022. - Arrêté du Gouvernement wallon exécutant le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes
Documentinformatie
Numac: 2022034181
Datum: 2022-09-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022034181
Date: 2022-09-15
Moniteur: Voir
Tekst (67)
Texte (67)
HOOFDSTUK 1. - Begripsomschrijving
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder:
  1° Administratie: de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
  2° het comité: het Nationaal Comité van de invasieve uitheemse soorten in de zin van artikel 1, 13°, van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019;
  3° het decreet van 2 mei 2019: het decreet van 2 mei betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  4° de directeur-generaal: de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde;
  5° de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het Departement Natuur en Bossen van de Administratie of zijn afgevaardigde;
  6° de Minister: de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° l'Administration : le Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ;
  2° le comité : le comité national des espèces exotiques envahissantes au sens de l'article 1er, 13°, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019 ;
  3° le décret du 2 mai 2019 : le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
  4° le directeur général : le directeur général de l'Administration ou son délégué ;
  5° l'inspecteur général : l'inspecteur général du Département de la Nature et des Forêts de l'Administration ou son délégué ;
  6° le Ministre : le Ministre qui a la nature dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - Lijst van de invasieve uitheemse soorten
CHAPITRE 2. - Listes d'espèces exotiques envahissantes
Art. 2. § 1. De Minister is overeenkomstig artikel 25 van het samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019 de bevoegde autoriteit om een verzoek tot opneming of verwijdering van een invasieve uitheemse soort van de EU-lijst aan het comité toe te zenden.
  Hij kan dit verzoek op eigen initiatief of op voorstel van de inspecteur-generaal indienen.
  § 2. Het verzoek tot opneming of verwijdering bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de soort waarvoor het verzoek tot opneming of verwijdering wordt ingediend;
  2° de reden waarom de betrokken soort in de EU-lijst wordt opgenomen of verwijderd;
  3° voorlopige elementen van wetenschappelijke aard betreffende de impact op de biodiversiteit, de gezondheid van mens en dier en elke andere relevante impact, inclusief de economische impact, om het verzoek tot opneming of verwijdering te rechtvaardigen, overeenkomstig artikel 25 van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019.
  § 3. Alvorens aan het Comité te worden meegedeeld, wordt de ontwerp-aanvraag voor advies overgemaakt aan de beleidsgroep "Landelijke aangelegenheden", voor al zijn afdelingen en aan elke instantie die de minister aanwijst.
Art. 2. § 1er. Le Ministre est l'autorité compétente pour envoyer au Comité, en application de l'article 25 de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, une demande d'inscription ou de retrait d'une espèce exotique envahissante de la liste UE.
  Il peut envoyer cette demande d'initiative ou sur proposition de l'inspecteur général.
  § 2. La demande d'inscription ou de retrait comprend au minimum les renseignements suivants :
  1° l'espèce qui fait l'objet de la demande d'inscription ou de retrait ;
  2° le motif invoqué pour justifier l'inscription ou le retrait de l'espèce concernée de la liste UE ;
  3° des éléments préliminaires d'ordre scientifique en termes d'impacts sur la biodiversité, la santé humaine, la santé animale ainsi que tout autre impact pertinent, y compris l'impact économique, de nature à justifier la demande d'inscription ou de retrait, conformément à l'article 25 de l'accord de coopération du 30 janvier 2019.
  § 3. Avant d'être communiqué au Comité, le projet de demande est transmis pour avis du pôle " Ruralité ", pour l'ensemble de ses sections et à toute instance que le Ministre désigne.
Art. 3. § 1. De Minister is overeenkomstig artikel 33 van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019 de bevoegde autoriteit om een verzoek tot opneming of verwijdering van een invasieve uitheemse soort van de nationale lijst aan het Comité toe te zenden.
  De Minister kan deze aanvraag op eigen initiatief of op voorstel van de inspecteur-generaal indienen.
  § 2. Het verzoek tot opneming of verwijdering bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de soort waarvoor het verzoek tot opneming of verwijdering wordt ingediend;
  2° de reden waarom de betrokken soort in de nationale lijst wordt opgenomen of verwijderd;
  3° een risicobeoordeling als bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014, met inbegrip van de elementen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, a) tot h), van Verordening (EU) nr. 1143/2014
  4° een korte beschrijving van de preventie- en beheersmaatregelen die overeenkomstig artikel 33 van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019 doeltreffend worden geacht om de verspreiding en de impact van de betrokken soort te beperken.
  § 3. Alvorens aan het Comité te worden meegedeeld, wordt de ontwerp-aanvraag voor advies overgemaakt aan de beleidsgroep "Landelijke aangelegenheden", voor al zijn afdelingen en aan elke instantie die de minister aanwijst, voor al zijn afdelingen en aan elke instantie die de minister aanwijst.
Art. 3. § 1er. Le Ministre est l'autorité compétente pour envoyer au Comité, en application de l'article 33 de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, une demande d'inscription ou de retrait d'une espèce exotique envahissante de la liste nationale.
  Le Ministre peut envoyer cette demande d'initiative ou sur proposition de l'inspecteur général.
  § 2. La demande d'inscription ou de retrait comprend au minimum les renseignements suivants :
  1° l'espèce qui fait l'objet de la demande d'inscription ou de retrait ;
  2° le motif invoqué pour justifier l'inscription ou le retrait de l'espèce concernée de la liste nationale ;
  3° une évaluation des risques visée à l'article 5, paragraphe 1er, du règlement (UE) n° 1143/2014, comprenant les éléments visés à l'article 5, paragraphe 1er, a) à h), du règlement (UE) n° 1143/2014 ;
  4° une courte description des mesures de prévention et de gestion jugées efficaces pour réduire la dispersion et l'impact de l'espèce concernée, conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 30 janvier 2019.
  § 3. Avant d'être communiqué au Comité, le projet de demande est transmis pour avis au Pôle " Ruralité ", pour l'ensemble de ses sections et à toute instance que le Ministre désigne.
HOOFDSTUK 3. - Beperkingen en maatregelen die van toepassing zijn op activiteiten met betrekking tot invasieve uitheemse soorten
CHAPITRE 3. - Restrictions et mesures applicables aux activités concernant des espèces exotiques envahissantes
Afdeling 1. - Beperkingen en maatregelen die van toepassing zijn op activiteiten met betrekking tot invasieve uitheemse soorten die op de EU- of nationale lijst zijn opgenomen
Section 1re. - Restrictions et mesures applicables aux activités concernant des espèces exotiques envahissantes inscrites sur la liste UE ou la liste nationale
Art. 4. § 1. De kennisgeving bedoeld in artikel 7, § 1, van het decreet van 2 mei 2019, wordt gericht aan de inspecteur-generaal:
  1° in het geval bedoeld in artikel 7, § 1, van het decreet van 2 mei 2019, binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit of van de bekendmaking van de opneming van de soort op de EU-lijst of de nationale lijst, indien deze bekendmaking plaatsvindt na de inwerkingtreding van het decreet;
  2° in het geval bedoeld in artikel 7, § 1, 2°, van het decreet van 2 mei 2019, binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit of van de bekendmaking van de opneming van de soort op de EU-lijst of de nationale lijst, indien deze bekendmaking plaatsvindt na de inwerkingtreding van het decreet;
  3° in het geval bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet van 2 mei 2019, binnen dertig dagen na de opzettelijke aanhouding.
  § 2. De kennisgeving wordt gericht met behulp van het formulier in bijlage 1.
  De minister kan bijlage 1 wijzigen, onverminderd de gegevens vermeld in paragraaf 3. Een modelformulier is beschikbaar op het Waalse portaal, alsook op aanvraag gericht aan de inspecteur-generaal.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid, geschiedt de kennisgeving:
  1° per post met ontvangstbevestiging;
  2° via indiening met ontvangstbewijs;
  3° langs elektronische weg op een door de Minister te bepalen wijze.
  § 3. De kennisgeving vermeldt de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de gegevens van de kennisgever;
  2° de identificatie van de betrokken soort(en) en alle bewijzen of documenten, al dan niet fotografisch, die deze identificatie bevestigen;
  3° het adres waar de betrokken soort wordt gehouden of is geïntroduceerd en, indien mogelijk, een kaartuittreksel van het Nationaal Geografisch Instituut of een luchtfoto;
  4° een beknopte beschrijving van de omstandigheden van de aanhouding of introductie, met ten minste de herkomst en het aantal specimens, de omstandigheden van de aanhouding of introductie en de eventueel getroffen inperkingsmaatregelen, alsmede informatie over de afwezigheid van voortplanting van de betrokken soort.
  § 4. De inspecteur-generaal onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van de kennisgeving en brengt de kennisgever hiervan op de hoogte binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving. Bij gebreke daarvan, wordt de kennisgeving ontvankelijk en volledig geacht.
  De inspecteur-generaal bewaart de kennisgeving in een daartoe bestemd register.
  Wanneer de inspecteur-generaal van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is, kan hij de kennisgever binnen de in het eerste lid bedoelde termijn verzoeken bewijsstukken of aanvullende documenten over te leggen om de identificatie van de betrokken soort(en) te valideren.
  Op verzoek verstrekt de kennisgever de inspecteur-generaal de gevraagde informatie over de betrokken soorten. Deze informatie wordt uiterlijk binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag van de inspecteur-generaal verstrekt.
  Indien dergelijke informatie binnen die termijn van dertig dagen wordt verstrekt, herbeziet de inspecteur-generaal de ontvankelijkheid en geldigheid van de kennisgeving overeenkomstig het eerste lid.
  Indien de informatie niet binnen deze termijn wordt verstrekt, is de kennisgeving niet ontvankelijk.
  § 5. Op hetzelfde moment dat hij de kennisgever op de hoogte stelt van de ontvankelijkheid en volledigheid van de kennisgeving, kan de inspecteur-generaal de uitvoering van de betrokken activiteit onder bepaalde voorwaarden onderwerpen aan preventieve of beheersmaatregelen met het oog op het vermijden of verminderen van de risico's voor de biodiversiteit en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten, het milieu, de gezondheid of de economie die samenhangen met de introductie of verspreiding van de betrokken soort.
  § 6. De lijst van nog niet wijdverspreide invasieve uitheemse soorten, bedoeld in artikel 7, § 1, 3°, van het decreet van 2 mei 2019, wordt vastgelegd door de Minister.
Art. 4. § 1er. La notification visée à l'article 7, § 1er, du décret du 2 mai 2019 est adressée à l'inspecteur général :
  1° dans l'hypothèse visée à l'article 7, § 1er, 1°, du décret du 2 mai 2019, dans les douze mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou de la publication de l'inscription de l'espèce sur la liste UE ou sur la liste nationale, si cette publication est postérieure à l'entrée en vigueur du décret ;
  2° dans l'hypothèse visée à l'article 7, § 1er, 2°, du décret du 2 mai 2019, dans les trois mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou de la publication de l'inscription de l'espèce sur la liste UE ou sur la liste nationale, si cette publication est postérieure à l'entrée en vigueur du décret ;
  3° dans l'hypothèse visée à l'article 7, § 3, du décret du 2 mai 2019, dans les trente jours de la détention intentionnelle.
  § 2. La notification est adressée au moyen du formulaire figurant en annexe 1re.
  Le Ministre peut modifier l'annexe 1re, sans préjudice des données figurant au paragraphe 3. Un modèle de formulaire est disponible sur le Portail de la Wallonie, ainsi que sur demande adressée à l'inspecteur général.
  A peine d'irrecevabilité, la notification est effectuée, soit :
  1° par envoi avec accusé de réception ;
  2° par dépôt contre récépissé ;
  3° par la voie électronique selon les modalités à déterminer par le Ministre.
  § 3. La notification indique les renseignements suivants :
  1° l'identité et les coordonnées du notifiant ;
  2° l'identification de la ou des espèces concernées et tout élément probant ou document, photographique ou autre, permettant de valider cette identification ;
  3° l'adresse où est détenue ou où a été introduite l'espèce concernée et, si possible, un extrait de carte de l'Institut géographique national ou une photographie aérienne ;
  4° une description sommaire des circonstances de la détention ou de l'introduction, en ce compris au moins l'origine et le nombre des spécimens, les conditions de détention ou d'introduction et les éventuelles mesures de confinement prises ainsi que des informations quant à l'absence de reproduction de l'espèce concernée.
  § 4. L'inspecteur général examine le caractère recevable et complet de la notification et en informe le notifiant dans un délai de quinze jours à compter de la date de réception de cette notification. A défaut, la notification est réputée recevable et complète.
  L'inspecteur général conserve la notification dans un registre destiné à cet effet.
  Dans le délai prévu à l'alinéa 1er, lorsqu'il estime que la demande est incomplète, l'inspecteur général peut demander au notifiant de produire tout élément probant ou document complémentaire permettant de valider l'identification de la ou des espèces concernées.
  Lorsqu'une demande lui est faite en ce sens, le notifiant communique à l'inspecteur général les informations sollicitées concernant l'espèce concernée. Ces informations sont transmises au plus tard dans les trente jours de la réception de la demande faite par l'inspecteur général.
  Lorsque ces informations sont transmises dans ce délai de trente jours, l'inspecteur général réexamine le caractère recevable et fondé de la notification, conformément à l'alinéa 1er.
  A défaut de transmission de ces informations dans le délai précité, la notification est irrecevable.
  § 5. En même temps qu'il informe le notifiant du caractère recevable et complet de la notification, l'inspecteur général peut soumettre l'exécution de l'activité concernée à des mesures préventives ou de gestion au titre de conditions particulières en vue d'éviter ou réduire les risques pour la biodiversité et les services écosystémiques associés, l'environnement, la santé ou l'économie liés à l'introduction ou la propagation de l'espèce concernée.
  § 6. La liste des espèces exotiques envahissantes non encore largement répandues visée à l'article 7, § 1er, 3°, du décret du 2 mai 2019 est arrêtée par le Ministre.
Art. 5. § 1. Alvorens zijn aanvraag om een milieuvergunning in te dienen, zendt de aanvrager aan de inspecteur-generaal een aanvraagdossier met de gegevens, bedoeld in artikel 9, paragraaf 4, van Verordening (EU) nr. 1143/2014, hetzij door:
  1° bij een aangetekende zending met ontvangstbericht;
  2° per post met ontvangstbevestiging;
  3° neerlegging tegen ontvangstbewijs.
  § 2. De inspecteur-generaal controleert de volledigheid van de vergunningsaanvraag op basis van de in artikel 9, paragraaf 4, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 bedoelde informatie.
  Wanneer het aanvraagdossier om vergunning onvolledig wordt geacht, stelt de inspecteur-generaal de aanvrager daarvan binnen 15 dagen na ontvangst van het dossier in kennis.
  Wanneer de het aanvraagdossier om vergunning onvolledig wordt geacht, verzoekt de inspecteur-generaal de aanvrager in voorkomend geval het dossier aan te vullen. In dat geval wordt de verzoeker binnen vijftien dagen nadat de inspecteur-generaal de gevraagde aanvullende elementen heeft ontvangen, in kennis gesteld van de volledigheid van het dossier.
  § 3. Binnen 15 dagen na ontvangst van het volledige dossier, dient de inspecteur-generaal het aanvraagdossier om vergunning in bij de Commissie, overeenkomstig het systeem bedoeld in artikel 9, paragraaf 2 en paragraaf 3, van Verordening (EU) nr. 1143/2014. Hij zendt de aanvrager een afschrift van de aan de Commissie toegezonden aanvraag.
  De toestemming van de Commissie wordt binnen vijftien dagen na ontvangst van de beslissing van de Commissie door de inspecteur-generaal aan de aanvrager meegedeeld in een brief als bedoeld in paragraaf 2.
Art. 5. § 1er. Avant d'introduire sa demande de permis d'environnement, le demandeur communique à l'inspecteur général un dossier de demande d'autorisation comprenant les indications visées à l'article 9, paragraphe 4, du règlement (UE) n° 1143/2014, soit par :
  1° un envoi recommandé avec accusé de réception ;
  2° un envoi avec accusé de réception ;
  3° un dépôt contre récépissé.
  § 2. L'inspecteur général vérifie le caractère complet du dossier de demande d'autorisation, sur la base des indications visées à l'article 9, paragraphe 4, du règlement (UE) n° 1143/2014.
  Lorsque le dossier de demande d'autorisation est jugé complet, l'inspecteur général en informe le demandeur, dans les quinze jours de la réception du dossier.
  Lorsque le dossier de demande d'autorisation est jugé incomplet, l'inspecteur général invite, le cas échéant, le demandeur à compléter son dossier. Dans ce cas, le demandeur est informé du caractère complet du dossier dans les quinze jours de la réception par l'inspecteur général des éléments complémentaires demandés.
  § 3. Dans les quinze jours de la réception du dossier complet, l'inspecteur général soumet le dossier de demande d'autorisation à la Commission, conformément au système visé à l'article 9, paragraphes 2 et 3, du règlement (UE) n° 1143/2014. Il adresse au demandeur une copie de la demande transmise à la Commission.
  L'autorisation de la Commission est notifiée par un envoi, tel que visé au paragraphe 2, au demandeur par l'inspecteur général dans les quinze jours de la réception de la décision de la Commission.
Afdeling 2. - Beperkingen en maatregelen die van toepassing zijn op activiteiten met betrekking tot andere uitheemse soorten dan die welke in de EU-lijst of de nationale lijst zijn opgenomen
Section 2. - Restrictions et mesures applicables aux activités concernant des espèces exotiques autres que celles inscrites sur la liste UE ou la liste nationale
Art. 6. De lijst van uitheemse diersoorten die krachtens artikel 11, derde lid, van het decreet van 2 mei 2019 in het wild en in wildparken mogen worden binnengebracht, is opgenomen in bijlage 2.
Art. 6. La liste des espèces exotiques animales pouvant être introduites dans la nature et dans les parcs à gibier en vertu de l'article 11, alinéa 3, du décret du 2 mai 2019, figure en annexe 2.
Art. 7. Elke aanplant van invasieve uitheemse plantensoorten vermeld in bijlage 3 en elke storting van groenafval met inbegrip van specimens van dergelijke soorten is verboden, ook op privé-eigendom. Aanplantingen en stortingen in een gesloten omgeving, waardoor de soort niet in het wild kan worden geïntroduceerd, komen niet in aanmerking.
Art. 7. Toute plantation d'espèce exotique envahissante végétale reprise en annexe 3 et tout dépôt de déchets verts comprenant des spécimens de telles espèces sont interdits y compris en propriété privée. Ne sont pas visés les plantations et dépôts réalisés en détention confinée, ne permettant pas l'introduction de l'espèce dans la nature.
Art. 8. Elke aanplant van invasieve uitheemse plantensoorten vermeld in bijlage 4 alsook elke storting van groenafval dat specimens van dergelijke soorten bevat, is verboden in en binnen een straal van vijftig meter van de sites die een beschermingsstatus genieten zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. Deze handelingen zijn ook verboden in en binnen vijftig meter van waterlopen. Aanplantingen en stortingen in een gesloten omgeving, waardoor de soort niet in het wild kan worden geïntroduceerd, komen niet in aanmerking.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder waterlopen, de waterlopen in de zin van artikel D.2, 19° bis, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Art. 8. Toute plantation d'espèce exotiques envahissante végétale reprise en annexe 4 ainsi que tout dépôt de déchets verts comprenant des spécimens de telles espèces sont interdits dans et à moins de cinquante mètres des sites bénéficiant d'un statut de protection prévu par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature. Ces actes sont également interdits dans et à moins de cinquante mètres des cours d'eau. Ne sont pas visés les plantations et dépôts réalisés en détention confinée et ne permettant pas l'introduction de l'espèce dans la nature.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, l'on entend par cours d'eau, les cours d'eau au sens de l'article D.2, 19° bis, du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau.
Art. 9. § 1. De inspecteur-generaal is bevoegd om de in artikel 13 van het decreet van 2 mei 2019 bedoelde afwijking toe te staan en, in voorkomend geval, te wijzigen of in te trekken.
  § 2. Het verzoek tot afwijking bedoeld in artikel 13 van het decreet van 2 mei 2019 wordt ingediend bij de inspecteur-generaal, door middel van het door de Minister vastgestelde formulier, waarvan het model ter beschikking ligt op het Waalse Portaal, evenals op verzoek gericht aan de inspecteur-generaal.
  De aanvraag tot afwijking omvat de volgende gegevens:
  1° de identiteit van de aanvrager;
  2° de wetenschappelijke naam en de volksnaam van de soort waarop de aanvraag betrekking heeft, evenals de onderscheidende kenmerken en het inheemse verspreidingsgebied ervan;
  3° het doel van de introductie;
  4° de ingeroepen reden voor het verkrijgen van de afwijking bedoeld in artikel 13, § 1, van het decreet van 2 mei 2019 en de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
  5° de herkomst van de specimens, met inbegrip van hun genetische herkomst, hun gezondheidstoestand, het aantal specimens;
  6° de data of periodes van de geplande operatie;
  7° de plaats of plaatsen waarop de operatie gericht is;
  8° de biologische kenmerken van de soort, met inbegrip van zijn fysiologische kenmerken, de factoren die zijn overleving beperken, zijn ecologische voorkeuren, zijn groeisnelheid en zijn levensduur;
  9° de geschiedenis van de introductie van de soort in het wild en de bewezen effecten waar hij werd geïntroduceerd;
  10° het vermogen van de soort om zich in het wild te verspreiden, alsmede zijn vermogen om te overleven en zich in het wild voort te planten op het grondgebied van het Waalse Gewest;
  11° een gedetailleerde analyse van de risico's van de geplande introductie op plaatselijk en regionaal niveau, met inbegrip van de mogelijke gevolgen voor de biodiversiteit en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten, voor de gezondheid en de economische belangen, en voor de veiligheid van goederen en personen;
  12° de geplande toezicht- en controlemaatregelen om ervoor te zorgen dat de introductie van de soort geen significante schade veroorzaakt en de noodmaatregelen die zo nodig zijn gepland om de gevolgen ervan te beperken;
  3° de lijst van wetenschappelijke referenties en deskundigen die zijn geraadpleegd ter voorbereiding van de aanvraag tot afwijking.
  De aanvraag tot afwijking wordt ondersteund door elk document dat de inspecteur-generaal in staat stelt zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van artikel 13 van het decreet van 2 mei 2019 zijn vervuld.
Art. 9. § 1er. L'inspecteur général est compétent pour octroyer et, le cas échéant, modifier ou retirer la dérogation visée à l'article 13 du décret du 2 mai 2019.
  § 2. La demande de dérogation visée à l'article 13 du décret du 2 mai 2019 est introduite auprès de l'inspecteur général, au moyen du formulaire arrêté par le Ministre dont le modèle est disponible sur le Portail de la Wallonie, ainsi que sur demande adressée à l'inspecteur général.
  La demande de dérogation comprend les renseignements suivants :
  1° l'identité du demandeur ;
  2° le nom scientifique et le nom vernaculaire de l'espèce qui fait l'objet de la demande, ainsi que ses caractéristiques distinctives et son aire d'indigénat ;
  3° l'objectif de l'introduction ;
  4° le motif invoqué pour l'obtention de la dérogation parmi ceux visés à l'article 13, § 1er, du décret du 2 mai 2019 et de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ;
  5° l'origine des spécimens, y compris leur provenance génétique, leur état sanitaire, le nombre de spécimens ;
  6° les dates ou périodes de l'opération envisagée ;
  7° le lieu où les lieux visés par l'opération ;
  8° les caractéristiques biologiques de l'espèce, en ce compris ses caractéristiques physiologiques, les facteurs limitant sa survie, ses préférences écologiques, son taux de croissance et sa longévité ;
  9° l'historique de l'introduction de l'espèce dans la nature et les effets avérés là où elle a été introduite ;
  10° la capacité de dispersion de l'espèce dans la nature, ainsi que sa capacité de survie et de reproduction de l'espèce dans la nature sur le territoire de la Région wallonne ;
  11° une analyse détaillée des risques engendrés par l'introduction envisagée à l'échelle du site et à l'échelle régionale, y compris son impact potentiel sur la biodiversité et les services écosystémiques associés, sur la santé et sur les intérêts économiques, sur la sécurité des biens et des personnes ;
  12° les mesures de suivi et de contrôle prévues pour s'assurer de l'absence de dommages importants consécutifs à l'introduction de l'espèce et les mesures d'urgence prévues le cas échéant pour limiter ses impacts;
  13° la liste des références scientifiques et des experts consultés pour préparer la demande de dérogation.
  La demande de dérogation est étayée par tout document de nature à permettre à l'inspecteur général de s'assurer que les conditions exigées par l'article 13 du décret du 2 mai 2019 sont remplies.
Art. 10. De aanvraag om afwijking is onvolledig indien krachtens artikel 9, § 2, tweede lid, vereiste inlichtingen of documenten ontbreken.
  De aanvraag is onontvankelijk:
  1° als ze in strijd met artikel 9, § 2, eerste lid, ingediend is;
  2° als de aanvrager de gevorderde gegevens of documenten niet verstrekt binnen de termijn bepaald in artikel 11.
Art. 10. La demande de dérogation est incomplète s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'article 9, § 2, alinéa 2.
  La demande est irrecevable :
  1° si elle a été introduite en violation de l'article 9, § 2, alinéa 1er.
  2° si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu à l'article 11.
Art. 11. De inspecteur-generaal stelt de aanvrager van de vrijstelling binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag in kennis van de volledigheid en de ontvankelijkheid ervan.
  Als de aanvraag onontvankelijk is, deelt de bevoegde overheid de aanvrager in haar beslissing de redenen voor de niet-ontvankelijkheid mee.
  Indien de aanvraag onvolledig is, deelt de inspecteur-generaal de aanvrager in zijn beslissing mee welke gegevens of documenten ontbreken en geeft hij de termijn aan waarbinnen deze moeten worden verstrekt. Deze termijn bedraagt ten minste vijftien dagen.
  Indien de aanvrager binnen de gestelde termijn geen van de ontbrekende gegevens of documenten verstrekt of indien de vereiste gegevens of documenten nog ontbreken, is de aanvraag niet ontvankelijk. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager daarvan in kennis binnen dertig dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn.
  Indien de inspecteur-generaal de aanvrager geen beslissing heeft gestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in de leden 1 tot 4, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt het onderzoek voortgezet.
Art. 11. L'inspecteur général informe le demandeur de la dérogation du caractère complet et recevable de sa demande dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.
  Si la demande est irrecevable, l'autorité compétente indique au demandeur les motifs de l'irrecevabilité dans sa décision.
  Si la demande est incomplète, l'inspecteur général indique au demandeur, dans sa décision, les renseignements ou les documents manquants en précisant le délai dans lequel ils sont communiqués. Ce délai est de minimum quinze jours.
  Si, dans le délai imparti, le demandeur ne fournit aucun des renseignements ou documents manquants ou s'il manque toujours des renseignements ou des documents qui sont requis, la demande est irrecevable. L'autorité compétente en informe le demandeur endéans un délai de trente jours de l'expiration du délai visé à l'alinéa 3.
  Si l'inspecteur général n'a envoyé au demandeur aucune décision dans les conditions et délais prévus aux alinéas 1ers à 4, la demande de dérogation est considérée comme recevable et l'instruction est poursuivie.
Art. 12. Binnen dertig dagen na zijn beslissing die het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag bevestigt, of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 11, eerste of derde lid, verzoekt ??de inspecteur-generaal om het advies van de beleidsgroep "Landelijke aangelegenheden".
Art. 12. Dans les trente jours de sa décision attestant du caractère complet et recevable de la demande ou à l'expiration du délai prévu à l'article 11, alinéa 1er ou 3, l'inspecteur général sollicite l'avis du pôle " Ruralité ".
Art. 13. De inspecteur-generaal zendt de aanvrager zijn beslissing binnen negentig dagen na de datum waarop hij de aanvrager in kennis heeft gesteld van de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag tot afwijking of, bij gebreke daarvan, na het verstrijken van de termijn waarbinnen hij de aanvrager in kennis moest stellen van de volledigheid en de ontvankelijkheid van zijn aanvraag.
  Indien het onderzoek van het dossier nader onderzoek door de inspecteur-generaal vereist, kan de termijn voor de in de eerste lid bedoelde beslissing met ten hoogste zestig dagen worden verlengd. De aanvrager wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verlenging van de termijn.
  Overeenkomstig artikel 13, § 2, tweede lid, van het decreet van 2 mei 2019 wordt, indien na afloop van de in het eerste of tweede lid bedoelde termijn geen beslissing is getroffen, de beslissing geacht te zijn afgewezen.
Art. 13. L'inspecteur général envoie au demandeur sa décision dans un délai de nonante jours à dater du jour où il a informé le demandeur du caractère complet et recevable de la demande de dérogation ou, à défaut, à dater de l'expiration du délai dont il disposait pour informer le demandeur du caractère complet et recevable de sa demande.
  Si l'examen du dossier requiert la réalisation d'investigations complémentaires par l'inspecteur général, le délai de décision visé à l'alinéa 1er peut être prolongée de soixante jours au maximum. Le demandeur est informé par écrit de la prolongation du délai, dans le délai visé à l'alinéa 1er.
  Conformément à l'article 13, § 2, alinéa 2, du décret du 2 mai 2019, en l'absence de décision à l'échéance du délai visé aux alinéas 1er ou 2, la décision est réputée rejetée.
Art. 14. De verleende vrijstelling is individueel, persoonlijk en niet overdraagbaar, tenzij de Inspecteur-Generaal hieromtrent met redenen omkleed besluit.
  In de beslissing tot verlening van de vrijstelling kunnen de bijzondere voorwaarden voor de bewaring alsook de eventuele beperkingen op de uitvoering van de vrijstelling worden bepaald. Zij vermeldt de duur van de afwijking. Zij kan de houder van de afwijking preventie-, beheers- en controlemaatregelen opleggen. Zij kan de toezending aan de bevoegde overheid voorschrijven van een verslag over de uitvoering ervan, binnen de termijn die zij bepaalt.
Art. 14. Sauf décision contraire spécialement motivée de l'inspecteur général, la dérogation octroyée est individuelle, personnelle et incessible.
  La décision octroyant la dérogation peut préciser les conditions particulières de détention ainsi que les éventuelles restrictions à la mise en oeuvre de la dérogation. Elle précise la durée de la dérogation. Elle peut imposer au titulaire de la dérogation des mesures de prévention, de gestion et de contrôle. Elle peut prescrire la transmission à l'autorité compétente d'un rapport portant sur sa mise en oeuvre, dans le délai qu'elle précise.
Art. 15. § 1. De aanvrager van de afwijking kan bij de Minister beroep aantekenen tegen de weigering, het ontbreken van een beslissing of tegen de voorwaarden vastgesteld in de beslissing tot verlening van de afwijking.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid, wordt het beroep binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van de beslissing of na het verstrijken van de termijn waarover de inspecteur-generaal beschikt om op de aanvraag te beslissen, aan de beroepsinstantie toegezonden, op het adres van de Administratie.
  § 2. De aanvrager kan vragen te worden gehoord.
  § 3. De Minister stuurt zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep. Overeenkomstig artikel 13, § 2, derde 3, in fine, van het decreet van 2 mei 2019, wordt bij gebreke van een beslissing binnen deze termijn, de bestreden beslissing geacht te zijn bevestigd.
Art. 15. § 1er. Le demandeur de la dérogation peut introduire un recours auprès du Ministre contre le refus, l'absence de décision ou contre les conditions fixées dans la décision d'octroi de la dérogation.
  Sous peine d'irrecevabilité, le recours est envoyé à l'autorité de recours, à l'adresse de l'Administration dans un délai de trente jours à dater du jour de la réception de la décision ou de l'expiration du délai dont dispose l'inspecteur général pour statuer sur la demande.
  § 2. Le demandeur peut demander à être entendu.
  § 3. Le Ministre envoie sa décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours. Conformément à l'article 13, § 2, alinéa 3, in fine, du décret du 2 mai 2019, à défaut d'une décision dans ce délai, la décision attaquée est réputée confirmée.
HOOFDSTUK 4. - Dringende maatregelen
CHAPITRE 4. - Mesures d'urgence
Art. 16. § 1. Wanneer hij over het bewijs beschikt dat wijst op de aanwezigheid of een dreigend risico van introductie op het grondgebied van het Waalse Gewest van een invasieve uitheemse soort die niet op de EU-lijst staat, maar die, op basis van voorlopig wetenschappelijk bewijs, waarschijnlijk zal voldoen aan de criteria voor opname, kan de Minister met onmiddellijke ingang een van de beperkingen bedoeld in artikel 7, § 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 opleggen.
  De inspecteur-generaal stelt het Comité overeenkomstig artikel 38, § 1, van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019, in kennis van de door de Minister genomen maatregel. Hij brengt tevens de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie op de hoogte zodat deze de in artikel 10, § 2, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 bedoelde kennisgeving kan doen.
  Indien gezamenlijke noodmaatregelen worden genomen in de zin van artikel 38, § 2, van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019, is de procedure bepaald in artikel 38, §§ 2 en 3, van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019 van toepassing.
  § 2. Voor invasieve uitheemse soorten die het voorwerp uitmaken van de noodmaatregelen niet bedoeld bij artikel 38, §§ 1, 2 en 3, van de samenwerkingsovereenkomst van 30 januari 2019, voert de Administratie een risicobeoordeling uit overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1143/2014, binnen 24 maanden na de datum van vaststelling van de beslissing tot invoering van noodmaatregelen, overeenkomstig de procedure van artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1143/2014, met het oog op een voorstel tot opneming van de betrokken soort in de EU-lijst.
  Het resultaat van de risicobeoordeling wordt meegedeeld aan de directeur-generaal, zodat deze, in voorkomend geval, kan voorstellen de betrokken soort op de EU-lijst te plaatsen, overeenkomstig artikel 2.
  § 3 Wanneer de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 10, paragraaf 5, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 een uitvoeringshandeling vaststelt als bedoeld in artikel 10, paragraaf 4, van Verordening (EU) nr. 1143/2014, of overeenkomstig artikel 10, paragraaf zes, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 de invasieve uitheemse soorten waarvoor noodmaatregelen gelden op de EU-lijst plaatst, heft de minister de betrokken noodmaatregelen op of wijzigt deze.
  § 4. Wanneer de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 10, § 7, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 invasieve uitheemse soorten waarvoor noodmaatregelen gelden niet op de EU-lijst plaatst, heft de Minister de betrokken noodmaatregel op.
  Hij kan het Comité voorstellen de betrokken soort op de nationale lijst te plaatsen, overeenkomstig artikel 3.
  § 5. Bij onmiddellijke bedreiging voor de biodiversiteit of de bijbehorende ecosysteemdiensten, kan de Minister de verboden en maatregelen bedoeld in artikel 14, § 2, van het decreet van 2 mei 2019 en de snelle uitroeiingsmaatregelen, bedoeld in artikel 18 van het decreet van 2 mei 2019, aannemen.
Art. 16. § 1er. Lorsqu'il dispose d'éléments de preuve indiquant la présence ou un risque imminent d'introduction sur le territoire de la Région wallonne d'une espèce exotique envahissante qui ne figure pas sur la liste UE mais qui, sur la base de preuves scientifiques préliminaires, est susceptible de remplir les critères pour y être inscrite, le Ministre peut prendre immédiatement, en urgence, l'une des restrictions prévues à l'article 7, § 1er, du règlement (UE) n° 1143/2014.
  L'inspecteur général informe le Comité, en application de l'article 38, § 1er, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, de la mesure prise par le Ministre. Il en informe également la Représentation Permanente de la Belgique auprès de l'Union européenne afin qu'elle procède à la notification prévue à l'article 10, § 2, du règlement (UE) n° 1143/2014.
  Dans l'hypothèse où des mesures d'urgence conjointes sont prises, au sens de l'article 38, § 2, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, la procédure fixée à l'article 38, §§ 2 et 3, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019 s'applique.
  § 2. Pour les espèces exotiques envahissantes faisant l'objet des mesures d'urgence non visées par l'article 38, §§ 1er, 2 et 3, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, l'Administration procède à une évaluation des risques conformément à l'article 5 du règlement (UE) n° 1143/2014, dans un délai de vingt-quatre mois à compter de la date d'adoption de la décision d'instaurer des mesures d'urgence, conformément à la procédure établie à l'article 10 du règlement (UE) n° 1143/2014, en vue de proposer une inscription de l'espèce concernée sur la liste UE.
  Le résultat de l'évaluation des risques est communiqué au directeur général afin qu'il propose, le cas échéant, l'inscription de l'espèce concernée sur la liste UE, en application de l'article 2.
  § 3. Lorsque la Commission européenne adopte un acte d'exécution visé à l'article 10, paragraphe 4, du règlement (UE) n° 1143/2014, en application de l'article 10, § 5, du règlement (UE) n° 1143/2014, ou inscrit sur la liste UE les espèces exotiques envahissantes faisant l'objet de mesures d'urgence, en application de l'article 10, paragraphe 6, du règlement (UE) n° 1143/2014, le Ministre abroge ou modifie les mesures d'urgence concernées.
  § 4. Lorsque, conformément à l'article 10, § 7, du règlement (UE) n° 1143/2014, la Commission européenne n'inscrit pas sur la Liste UE les espèces exotiques envahissantes faisant l'objet de mesures d'urgence, le Ministre abroge la mesure d'urgence concernée.
  Il peut proposer au Comité l'inscription de l'espèce concernée sur la liste nationale, en application de l'article 3.
  § 5. En cas de menace imminente pour la biodiversité ou les services écosystémiques associés, le Ministre peut adopter les interdictions et mesures visées à l'article 14, § 2, du décret du 2 mai 2019 ainsi que des mesures d'éradication rapide visées à l'article 18 du décret du 2 mai 2019.
HOOFDSTUK 5. - Nationaal actieplan
CHAPITRE 5. - Plan d'action national
Art. 17. Voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 39 tot en met 41 van het samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019 wijst de inspecteur-generaal de bevoegde overheid in de zin van bovengenoemde bepalingen aan.
Art. 17. Pour la mise en oeuvre des articles 39 à 41 de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, l'inspecteur général représente l'autorité compétente au sens des dispositions précitées.
HOOFDSTUK 6. - Toezicht, vroegtijdige detectie en snelle uitroeiing
CHAPITRE 6. - Surveillance, détection précoce et éradication rapide
Art. 18. § 1. De bevoegde overheid die bevoegd is om de informatie bedoeld in artikel 16, § 2, van het decreet van 2 mei 2019 te ontvangen, is de inspecteur-generaal van het Departement Onderzoek naar het Natuurlijk en Landbouwmilieu van de Administratie.
  § 2. De Administratie houdt toezicht op het voorkomen in het milieu van invasieve uitheemse soorten en, bij voorrang, van invasieve uitheemse soorten die op de EU-lijst staan, teneinde de verspreiding ervan in de Europese Unie te voorkomen. Ze houdt rekening met de gegevens die door bestaande bewakingssystemen zijn verzameld en is gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis.
  Deze bewaking van het grondgebied van het Waalse Gewest omvat ten minste de uitvoering van de volgende taken:
  1° de identificatie van de aanwezigheid en verspreiding van reeds gevestigde invasieve uitheemse soorten, alsook van nieuw gevestigde soorten op basis van bestaande monitoringsystemen, die het onderwerp zullen zijn van permanente of periodieke onderzoeken;
  2° het opstellen, op basis van wetenschappelijke onderzoeken, van periodieke en kwantitatieve beoordelingen van de aanwezigheid en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  3° het bijwerken van een register van de reeds vastgestelde invasieve uitheemse soorten;
  4° de identificatie, analyse en monitoring van de bedreigingen van het verschijnen of verspreiden in het milieu van invasieve uitheemse soorten waarvan de aanwezigheid tot nu toe onbekend was.
  § 3. Op basis van de overeenkomstig paragraaf 1 verzamelde gegevens, stelt de inspecteur-generaal een verslag op over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1143/2014, voor de aan het Waals Gewest gedelegeerde bevoegdheden, dat de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1143/2014 omschreven gegevens bevat, en zendt dit toe aan het wetenschappelijk Secretariaat, overeenkomstig artikel 46, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019.
  § 4. Elke persoon die op de hoogte is van de aanwezigheid van een soort van de EU- of nationale lijst op een plaats op het Waals grondgebied kan de aanwezigheid van die soort melden op het Waalse Biodiversiteitsportaal.
Art. 18. § 1er. L'autorité compétente pour recevoir les informations visées à l'article 16, § 2, du décret du 2 mai 2019 est l'inspecteur général du Département de l'Etude du milieu naturel et agricole de l'Administration.
  § 2. L'Administration surveille l'apparition dans l'environnement d'espèces exotiques envahissantes et, en priorité, les espèces exotiques envahissantes inscrites sur la liste UE en vue de prévenir leur propagation dans l'Union européenne. Elle tient compte, des données recueillies par des systèmes de surveillance existants et se fonde sur les meilleures connaissances scientifiques disponibles.
  Cette surveillance du territoire de la Région wallonne comprend au moins l'accomplissement des tâches suivantes :
  1° l'identification de la présence et de la répartition des espèces exotiques envahissantes déjà implantées ainsi que des espèces nouvellement implantées sur base de systèmes de surveillance existants, qui feront l'objet de relevés permanents ou périodiques ;
  2° la réalisation, sur la base de relevés scientifiques, de bilans périodiques et quantitatifs de la présence et de la répartition des espèces exotiques envahissantes ;
  3° la tenue à jour d'un registre reprenant les espèces exotiques envahissantes déjà implantées ;
  4° l'identification, l'analyse et la surveillance des menaces d'apparition ou de propagation, dans l'environnement de toute espèce exotique envahissante, dont la présence était jusqu'alors inconnue.
  § 3. Sur la base des données recueillies en application du paragraphe 1er, l'inspecteur général établit et envoie au Secrétariat scientifique, en application de l'article 46, § 1er, de l'accord de coopération du 30 janvier 2019, un rapport de mise en oeuvre du règlement (UE) n° 1143/2014, pour les compétences dévolues à la Région wallonne, qui comprend les informations définies à l'article 14 du règlement (UE) n° 1143/2014.
  § 4. Toute personne, informée de la présence, en un lieu du territoire wallon, d'une espèce reprise sur la liste UE ou sur la liste nationale, peut signaler la présence d'une telle espèce sur le Portail de la biodiversité en Wallonie.
Art. 19. De inspecteur-generaal is de bevoegde overheid belast met de uitvoering van de handelingen bedoeld bij artikel 17 van het decreet van 2 mei 2019.
Art. 19. L'autorité compétente pour prendre en charge les actions prévues par l'article 17 du décret du 2 mai 2019 est l'inspecteur général.
Art. 20. § 1. De instellingen die belast mogen worden met snelle uitroeiingsacties, met inachtneming van het Waalse Dierenwelzijnwetboek en de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1143/2014 en in artikel 18, § 2, van het decreet van 2 mei 2019 zijn de volgende:
  1° de Administratie;
  2° het "Centre wallon de Recherches agronomiques" (Waals Centrum Landbouwkundig Onderzoek);
  3° de ambtenaren van de Civiele Veiligheid;
  4° elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, gemachtigd door de instellingen bedoeld in 1°, 2° en 3°, in voorkomend geval in het kader van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst voor openbare dienst, en die over voldoende technische capaciteit en zich contractueel verplicht om de eisen van dierenwelzijn te respecteren.
  De Minister is bevoegd om de technische capaciteit te bepalen waarover de instellingen die verantwoordelijk zijn voor snelle uitroeiingsoperaties moeten beschikken.
  § 2. Om de snelle, totale en blijvende uitroeiing te verzekeren van soorten die het voorwerp zijn geweest van vroegtijdige detectie, kan de Minister, overeenkomstig artikel 17 van het decreet van 2 mei 2019, snelle uitroeiingsmaatregelen bepalen.
  Deze maatregelen kunnen overdag of 's nachts worden genomen, met inachtneming van het welzijn van de dieren en een minimale verstoring van de inheemse flora en fauna.
  § 3. Om de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 18, § 7, van het decreet van 2 mei 2019 mogelijk te maken, verzamelt de Administratie de gegevens om aan te tonen dat aan een van de voorwaarden bedoeld in artikel 18, § 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 is voldaan.
  Deze gegevens worden aan de Minister overgemaakt zodat hij, in voorkomend geval, bij een met redenen omkleed besluit kan beslissen om geen uitroeiingsmaatregelen toe te passen op een invasieve uitheemse soort die op de EU-lijst staat en die op grond van artikel 17 van het decreet van 2 mei 2019 is opgespoord.
  Zijn beslissing is gebaseerd op elementen die aantonen, zoals bepaald in artikel 18, § 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014, dat ofwel:
  1° de uitroeiing technisch onhaalbaar is;
  2° op basis van een kosten-batenanalyse, de kosten uitzonderlijk hoog zullen zijn en niet in verhouding zullen staan tot de voordelen van de uitroeiing;
  3° uitroeiingsmethoden niet beschikbaar zijn of hebben zeer ernstige nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, het milieu of andere soorten.
  Alvorens zijn besluit aan te nemen, wint de Minister het advies in van de beleidsgroep "Landelijke aangelegenheden", voor alle afdelingen ervan.
Art. 20. § 1er. Les organismes qui peuvent prendre en charge les opérations d'éradication rapide, dans le respect du Code wallon du bien-être des animaux et de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire, visés à l'article 17 du règlement (UE) n° 1143/2014 et à l'article 18, § 2, du décret du 2 mai 2019 sont :
  1° l'Administration ;
  2° le Centre wallon de Recherches agronomiques ;
  3° les agents de la sécurité civile ;
  4° toute personne physique ou morale, de droit public ou privé, mandatée par les organismes visés aux 1°, 2° et 3°, le cas échéant dans le cadre d'un marché public ou d'une concession de service public, et qui possède des capacités techniques suffisantes et s'engage contractuellement au respect des exigences du bien-être animal.
  Le Ministre est habilité à déterminer les capacités techniques dont doivent disposer les organismes qui prennent en charge les opérations d'éradication rapide.
  § 2. En vue d'assurer l'élimination rapide, totale et permanente des espèces ayant fait l'objet d'une détection précoce, en application de l'article 17 du décret du 2 mai 2019, le Ministre peut préciser les mesures d'éradication rapide à prendre.
  Ces mesures peuvent être prises en journée ou la nuit, en respectant le bien-être animal et dans le souci de perturber au minimum la faune et la flore indigène.
  § 3. Pour permettre la mise en oeuvre de la dérogation visée à l'article 18, § 7, du décret du 2 mai 2019, l'Administration recueille les données permettant de démontrer qu'une des conditions visées à l'article 18, § 1er, du règlement (UE) n° 1143/2014 est remplie.
  Ces données sont transmises au Ministre afin qu'il décide, le cas échéant, par une décision motivée, de ne pas appliquer de mesures d'éradication à une espèce exotique envahissante inscrite sur la liste UE et détectée en application de l'article 17 du décret du 2 mai 2019.
  Sa décision se fonde sur des éléments démontrant, comme le prévoit l'article 18, § 1er, du règlement (UE) n° 1143/2014, que soit :
  1° l'éradication est techniquement irréalisable ;
  2° sur la base d'une analyse coûts-avantages, les coûts seront exceptionnellement élevés et disproportionnés par rapport aux avantages de l'éradication ;
  3° les méthodes d'éradication ne sont pas disponibles ou ont des effets néfastes très graves sur la santé humaine, l'environnement ou d'autres espèces.
  Avant d'adopter sa décision, le Ministre sollicite l'avis du pôle " Ruralité ", pour l'ensemble de ses sections.
Art. 21. § 1. De administratie gaat over tot elke vaststelling, expertise, verificatie, verhoor van derden en, in het algemeen, tot elk onderzoek en nasporing die ze nodig acht om het voorstel tot vergoeding van de schade bedoeld in artikel 18, § 4, van het decreet van 2 mei 2019 vast te stellen.
  § 2. De administratie doet een beroep op interne of externe deskundigen om over te gaan tot de vaststelling en de schatting van de schade. De administratie doet een beroep op externe deskundigen alleen wanneer ze interne deskundigen niet tijdelijk kan aanstellen.
  De deskundigen maken een verslag van hun opdracht aan de administratie over.
Art. 21. § 1er. L'Administration procède à toute constatation, expertise, vérification, audition de tiers et, en général, à toute recherche et investigation qui lui semblent nécessaires à l'établissement de la proposition de réparation du dommage visé à l'article 18, § 4, du décret du 2 mai 2019.
  § 2. L'Administration recourt à des experts internes ou externes afin de procéder à la constatation et à l'estimation des dommages. L'Administration fait appel à des experts externes uniquement lorsqu'elle est dans l'impossibilité d'affecter temporairement des experts internes.
  Les experts fournissent un rapport de leur mission à l'Administration.
Art. 22. De tegemoetkoming wordt berekend voor het geheel van de schade geleden door eenzelfde begunstigde op grond van het totaalbedrag van die schade.
  Het bedrag van de vergoeding is niet hoger dan de reparatiekosten of de door de snelle uitroeiingsmaatregelen veroorzaakte daling van de marktwaarde.
  De vermindering van de handelswaarde bedoeld in het tweede lid is het verschil tussen de waarde van het goed onmiddellijk vóór en onmiddellijk na het tijdstip waarop het schadebrengende feit heeft plaatsgevonden.
Art. 22. La réparation est calculée pour l'ensemble des dommages subis par un même bénéficiaire, sur la base du montant total de ces dommages.
  Le montant de la réparation ne dépasse pas les coûts de réparation ou la diminution de la valeur vénale causée par les mesures d'éradication rapide.
  La diminution de la valeur vénale visée à l'alinéa 2 est la différence entre la valeur du bien immédiatement avant et immédiatement après la survenance du fait dommageable.
Art. 23. De schade wordt geëvalueerd:
  1° op grond van het werkelijke verlies berekend volgens de marktberichten op de dag van de schade;
  2° op grond van de wedersamenstelling volgens de normale staat van het goed.
Art. 23. Le dommage est évalué :
  1° sur base de la perte réelle calculée suivant les mercuriales au jour du dommage ;
  2° sur la base de la reconstitution à l'état normal du bien.
Art. 24. § 1. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake natuurbehoud, jacht, wapens, vallen, dierenwelzijn en riviervisserij, alsmede inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en andere gevaarlijke stoffen, en op zodanige wijze dat het effect op niet-doelsoorten en hun habitats zoveel mogelijk wordt beperkt, en onverminderd andere wetgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening, de middelen voor het uitroeien en vangen van invasieve uitheemse soorten bedoeld in artikel 18, § 3, van het decreet van 2 mei 2019 zijn de volgende
  1° voor de jacht toegestane wapens;
  2° karabijnen en luchtpistolen die niet vallen onder de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;
  3° wettelijk gehouden roofvogels;
  4° fuiken;
  5° andere vallen en niet-dodelijke vallen dan wildklemmen in de zin van Verordening (EG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de gemeenschap en op het binnenbrengen in de gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen;
  6° dodelijke selectieve vallen in hun principe of hun gebruiksvoorwaarden;
  7° netten, met uitzondering van mistnetten in de zin van artikel 1 van het tweede besluit M (76)15 van het Benelux Comité van 24 mei 1976 betreffende de bescherming van vogels;
  8° lichtbakken;
  9° geluiddempers en nachtkijkers;
  10° het selectieve aas vermeld in de bestrijdingsmaatregelen, met uitzondering van levende blinde of verminkte dieren;
  11° lokvogels en andere akoestische toestellen;
  12° biologische bestrijdingsmiddelen;
  13° feromonen;
  14° vissen met een hengel voorzien van een lijn, met elektronarcose of met de hand;
  15° de rivierkreeftenbalans;
  16° pesticiden in de zin van het decreet van 10 juli 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden [...], d.w.z. gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
  17° warmtebehandelingen;
  18° maaien, grazen, snijden, ontschorsen, handmatig of mechanisch ontwortelen van planten;
  19° het bewerken, afdekken en afgraven van de bodem en het opruimen van sedimenten
  20° de aanplant van concurrerende inheemse plantensoorten;
  21° het afdekken of droogleggen van watervlakken;
  22° de overstroming.
  De in het eerste lid vermelde technieken en uitroeiing worden toegepast in overeenstemming met het Waals Wetboek van Dierenwelzijn en de wet van 28 augustus 1991 betreffende de uitoefening van de diergeneeskunde.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 9°, is het gebruik van geluiddempers en nachtkijkers alleen toegestaan aan boswachters en ambtenaren van het departement Natuur en Bos, alsmede aan ambtenaren van het Departement Politie en Controles van de Administratie, in het kader van de afwijkende bepalingen van artikel 27 van de wet van 8 juni 2006 tot regeling van economische en individuele activiteiten met wapens
  Voor de toepassing van het eerste lid, 16°, worden bestrijdingsmiddelen alleen gebruikt als laatste middel, wanneer andere bestrijdingsmiddelen zijn uitgeput of bij gebrek aan andere doeltreffende middelen.
  Voor de toepassing van het eerste lid in de wateren die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 2014 betreffende de riviervisserij, het visbeheer en de visserijstructuren, vormen de handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid, 4°, 5°, 7°, 14° en 15° vermelde technieken een visserijhandeling.
  § 2. De Minister kan voorzien in andere dan de in het eerste lid opgesomde middelen en methoden indien deze geen doeltreffende bestrijding van de betrokken invasieve uitheemse soort mogelijk maken.
Art. 24. § 1er. Sans préjudice des dispositions des législations sur la conservation de la nature, la chasse, les armes, le piégeage, le bien-être animal, et la pêche fluviale ainsi qu'en matière d'utilisation de produits phytopharmaceutiques et de produits biocides et d'autres substances dangereuses et de manière à minimiser les incidences sur les espèces non visées et leurs habitats ainsi que des autres législations en matière d'environnement et d'aménagement du territoire, les moyens d'éradication et de capture des espèces exotiques envahissantes visés à l'article 18, § 3, du décret du 2 mai 2019 sont les suivants :
  1° les armes autorisées pour la chasse ;
  2° les carabines et pistolets à air comprimé non soumis à la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes ;
  3° les oiseaux de proie légalement détenus ;
  4° les nasses ;
  5° les cages-pièges et les pièges non létaux autres que les pièges à mâchoires au sens du règlement (CE) n° 3254/91, du Conseil, du 4 novembre 1991, interdisant l'utilisation du piège à mâchoires dans la Communauté et l'introduction dans la Communauté de fourrures et de produits manufacturés de certaines espèces animales sauvages originaires de pays qui utilisent pour leur capture le piège à mâchoires ou des méthodes non conformes aux normes internationales de piégeage sans cruauté ;
  6° les pièges sélectifs létaux dans leur principe ou leurs conditions d'emploi ;
  7° les filets, à l'exclusion des filets japonais au sens de l'article 1er de la deuxième décision M (76)15 du Comité Benelux du 24 mai 1976 relative à la protection des oiseaux ;
  8° les bacs à lumière ;
  9° les silencieux et les lunettes de visée nocturne ;
  10° les appâts sélectifs précisés dans les mesures de lutte, à l'exclusion des animaux aveugles ou mutilés vivants ;
  11° les appelants et autres dispositifs acoustiques ;
  12° les agents de lutte biologique ;
  13° les phéromones ;
  14° la pêche à la gaule munie d'une ligne, à l'électronarcose ou à la main ;
  15° la balance à écrevisses ;
  16° les pesticides au sens du décret du 10 juillet 2013 instaurant un cadre pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable [...], c'est-à-dire les produits phytopharmaceutiques et les produits biocides ;
  17° les traitements thermiques ;
  18° la fauche, le pâturage, la coupe, l'écorçage, l'arrachage manuel ou mécanique de plantes ;
  19° le travail, le bâchage et l'excavation du sol et le curage des sédiments ;
  20° la plantation d'espèces végétales indigènes concurrentes ;
  21° le bâchage ou la mise en assec de plans d'eau ;
  22° la mise sous eau.
  Les techniques et l'éradication mentionnées à l'alinéa 1er sont appliquées dans le respect du Code wallon du bien-être des animaux et de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 9°, l'utilisation de silencieux et de lunettes de visée nocturne est permise uniquement aux agents et préposés forestiers du Département de la Nature et des Forêts, ainsi qu'aux agents du Département de la police et des contrôles de l'Administration, dans le cadre des dispositions dérogatoires prévue à l'article 27 de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, 16°, les pesticides sont uniquement utilisés en dernier recours, lorsque d'autres moyens de lutte ont été épuisés ou à défaut d'autres moyens efficaces.
  Concernant l'application de l'alinéa 1er dans les eaux soumises au décret du 27 mars 2014 relatif à la pêche fluviale, à la gestion piscicole et aux structures halieutiques, les actes faisant appel aux techniques reprises à l'alinéa 1er, 4°, 5°, 7°, 14° et 15° sont constitutifs d'un acte de pêche.
  § 2. Le Ministre peut prévoir d'autres moyens et méthodes que ceux énumérés à l'alinéa 1er si ceux-ci ne permettent pas une lutte efficace contre l'espèce exotique envahissante concernée.
Art. 25. De inspecteur-generaal is de bevoegde overheid belast met de uitvoering van de handelingen bedoeld bij artikel 18, §§ 5 tot 7, van het decreet van 2 mei 2019.
Art. 25. L'autorité compétente pour prendre en charge les actions prévues par l'article 18, §§ 5 à 7, du décret du 2 mai 2019 est l'inspecteur général.
HOOFDSTUK 7. - Beheer
CHAPITRE 7. - Gestion
Art. 26. § 1. Om de gevolgen voor de biodiversiteit, de bijbehorende ecosysteemdiensten en, in voorkomend geval, de volksgezondheid of de economie, van invasieve uitheemse soorten die op de EU-lijst of de nationale lijst staan en op het grondgebied van het Waalse Gewest wijdverbreid zijn, tot een minimum te beperken, kan de Minister beslissen over de door de in artikel 28 bedoelde instellingen te nemen maatregelen.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake natuurbehoud, jacht, wapens, vallen, dierenwelzijn en riviervisserij, alsmede inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en andere gevaarlijke stoffen, en op zodanige wijze dat het effect op niet-doelsoorten en hun habitats zoveel mogelijk wordt beperkt, en onverminderd andere wetgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening, kunnen de instellingen bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1° tot en met 4°, de uitroeiings- en vangstmiddelen bedoeld in artikel 24, § 1, gebruiken onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden.
  De personen bedoeld in artikel 28, eerste lid, 5°, kunnen de uitroeiings- en vangstmiddelen bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 1°, 5°, 10°, 11°, 14° tot en met 16° en 17° tot en met 21°, gebruiken onder de in dat artikel bepaalde voorwaarden.
  § 3. De Minister kan voorzien in andere dan de in het eerste lid opgesomde middelen en methoden indien deze geen doeltreffende bestrijding van de betrokken invasieve uitheemse soort mogelijk maken.
Art. 26. § 1er. En vue de réduire au minimum les effets sur la biodiversité, les services écosystémiques associés ainsi que, le cas échéant, la santé humaine ou l'économie, des espèces exotiques envahissantes inscrites sur la liste UE ou sur la liste nationale et largement répandues sur le territoire de la Région wallonne, le Ministre peut arrêter les mesures à prendre par les organismes visés à l'article 28.
  § 2. Sans préjudice des dispositions des législations sur la conservation de la nature, la chasse, les armes, le piégeage, le bien-être animal, et la pêche fluviale ainsi qu'en matière d'utilisation de pesticides agricoles, de produits biocides et d'autres substances dangereuses et de manière à minimiser les incidences sur les espèces non visées et leurs habitats ainsi que d'autres législations en matière d'environnement et d'aménagement du territoire, les organismes visés à l'article 28, alinéa 1er, 1° à 4°, peuvent recourir aux moyens d'éradication et de capture visés à l'article 24, § 1er, dans les conditions prévues à cet article.
  Les personnes visées à l'article 28, alinéa 1er, 5°, peuvent recourir aux moyens d'éradication et de capture visés à l'article 24, § 1er, alinéa 1er, 1°, 5°, 10°, 11°, 14° à 16° et 17° à 21°, dans les conditions prévues à cet article.
  § 3. Le Ministre peut prévoir d'autres moyens et méthodes que ceux énumérés à l'alinéa 1er si ceux-ci ne permettent pas une lutte efficace contre l'espèce exotique envahissante concernée.
Art. 27. De overheid bedoeld in artikel 19, § 2, en § 3, tweede lid, van het decreet van 2 mei 2019 is de inspecteur-generaal.
Art. 27. L'autorité visée à l'article 19, § 2, et § 3, alinéa 2, du décret du 2 mai 2019 est l'inspecteur général.
Art. 28. De instellingen die belast mogen worden met beheersverrichtingen, met inachtneming van het Waalse Dierenwelzijnwetboek en de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1143/2014 en in artikel 19 van het decreet van 2 mei 2019 zijn de volgende:
  1° de Administratie;
  2° het "Centre wallon de Recherches agronomiques" (Waals Centrum Landbouwkundig Onderzoek);
  3° de ambtenaren van de Civiele Veiligheid;
  4° elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, gemachtigd door de instellingen bedoeld in 1°, 2° en 3°, in voorkomend geval in het kader van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst voor openbare dienst, en die over voldoende technische capaciteit en zich contractueel verplicht om de eisen van dierenwelzijn te respecteren;
  5° de eigenaar of beheerder van een perceel dat een invasieve uitheemse soort bevat of elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die hij aanstelt, die over voldoende technische capaciteit beschikt en die zich ertoe verbindt de eisen inzake dierenwelzijn na te leven.
  De Minister is bevoegd om de technische capaciteit te bepalen waarover de instellingen die verantwoordelijk zijn voor beheersverrichtingen moeten beschikken.
Art. 28. Les organismes qui peuvent prendre en charge les opérations de gestion, dans le respect du Code wallon du Bien-être des animaux et de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire, visées à l'article 19 du règlement (UE) n° 1143/2014 et à l'article 19 du décret du 2 mai 2019 sont :
  1° l'Administration ;
  2° le Centre wallon de Recherches agronomiques ;
  3° les agents de la sécurité civile ;
  4° toute personne physique ou morale, de droit public ou privé, mandatée par les organismes visés aux 1°, 2° et 3°, le cas échéant dans le cadre d'un marché public ou d'une concession de service public, et qui possède des capacités techniques suffisantes et s'engage contractuellement au respect des exigences du bien-être animal ;
  5° le propriétaire ou le gestionnaire d'une parcelle abritant une espèce exotique envahissante ou toute personne physique ou morale, de droit public ou privé, qu'il mandate, qui possède des capacités techniques suffisantes et qui s'engage au respect des exigences du bien-être animal.
  Le Ministre est habilité à déterminer les capacités techniques dont doivent disposer les organismes qui prennent en charge les opérations de gestion.
HOOFDSTUK 8. - Versterkte regionale samenwerking
CHAPITRE 8. - Coopération régionale renforcée
Art. 29. De door de Regering aangewezen overheid op grond van artikel 26 van het decreet van 2 mei 2019 is de inspecteur-generaal.
Art. 29. L'autorité désignée par le Gouvernement sur base de l'article 26 du décret du 2 mai 2019 est l'inspecteur général.
HOOFDSTUK 10. - Informatie, sensibilisering en subsidies
CHAPITRE 9. - Information, sensibilisation et subventions
Art. 30. De inspecteur-generaal en de inspecteur-generaal van het Departement Onderzoek naar het Natuurlijk en Landbouwmilieu zijn belast met de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 27, §§ 1 en 2, en in artikel 28 van het decreet van 2 mei 2019, in voorkomend geval, in samenwerking met het nationaal wetenschappelijk Secretariaat voor invasieve uitheemse soorten, ingesteld bij het samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019.
Art. 30. L'inspecteur général et l'inspecteur général du Département de l'Etude du Milieu Naturel et Agricole sont chargés de réaliser les missions prévues à l'article 27, §§ 1er et 2, et à l'article 28 du décret du 2 mai 2019, le cas échéant, en collaboration avec le Secrétariat scientifique national des espèces exotiques envahissantes institué par l'accord de coopération du 30 janvier 2019.
HOOFDSTUK 10. - Gegevensbescherming
CHAPITRE 10. - Protection des données
Art. 31. De Directeur-generaal is de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de algemene Verordening gegevensbescherming wat betreft de bepalingen van het besluit die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 31. Le Directeur général est le responsable de traitement au sens de l'article 4, 7), du Règlement général sur la protection des données pour ce qui concerne les dispositions de l'arrêté qui sont relatives au traitement de données personnelles
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions modificatives
Art. 32. In het koninklijk besluit van 2 april 1979 houdende vaststelling van het beheersreglement der bosreservaten, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 9/1. De verboden en beperkingen bedoeld bij dit besluit zijn niet van toepassing op beheers- of uitroeiingsoperaties van invasieve uitheemse soorten die worden uitgevoerd in het kader van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. ".
Art. 32. Dans l'arrêté royal du 2 avril 1979 établissant le règlement de gestion des réserves forestières, il est inséré un article 9/1 rédigé comme suit :
  " Art. 9/1. Les interdictions et restrictions prévues dans le présent arrêté ne s'appliquent pas aux opérations de gestion ou d'éradication des espèces non indigènes envahissantes réalisées dans le cadre du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. ".
Art. 33. In het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 8 juni 1989 betreffende de bescherming van de vochtige gebieden met een biologisch belang, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 5/1. De verboden en beperkingen bedoeld bij dit besluit zijn niet van toepassing op beheers- of uitroeiingsoperaties van invasieve uitheemse soorten die worden uitgevoerd in het kader van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. ".
Art. 33. Dans l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 8 juin 1989 relatif à la protection des zones humides d'intérêt biologique, il est inséré un article 5/1 rédigé comme suit :
  " Art. 5/1. Les interdictions et restrictions prévues dans le présent arrêté ne s'appliquent pas aux opérations de gestion ou d'éradication des espèces non indigènes envahissantes réalisées dans le cadre du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. ".
Art. 34. In het besluit van de Waalse Regering van 26 januari 1995 tot bescherming van de ondergrondse holten van wetenschappelijk belang, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 5/1. De verboden en beperkingen bedoeld bij dit besluit zijn niet van toepassing op beheers- of uitroeiingsoperaties van invasieve uitheemse soorten die worden uitgevoerd in het kader van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. ".
Art. 34. Dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 26 janvier 1995 organisant la protection des cavités souterraines d'intérêt scientifique, il est inséré un article 5/1 rédigé comme suit :
  " Art. 5/1. Les interdictions et restrictions prévues dans le présent arrêté ne s'appliquent pas aux opérations de gestion ou d'éradication des espèces non indigènes envahissantes réalisées dans le cadre du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. ".
Art. 35. Artikel 3, tweede lid, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 22 januari 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 11 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Het Departement Natuur en Bossen wordt door de technisch ambtenaar geraadpleegd over:
  1° de volledigheid van het deel "Natura 2000" van het aanvraagformulier voor de vergunning;
  2° de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag met betrekking tot de rubriek 94.01 bedoeld in bijlage I. "
Art. 35. L'article 3, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées ou des installations ou des activités présentant un risque pour le sol, remplacé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 22 janvier 2004 et modifié par l'arrêté du Gouvernement du 11 juillet 2013 est remplacé par ce qui suit :
  " Le DNF est consulté par le fonctionnaire technique sur :
  1° le caractère complet de la partie relative à Natura 2000 du formulaire de demande de permis ;
  2° le caractère complet et recevable de la demande ayant pour objet la rubrique 94.01 visée à l'annexe I. "
Art. 36. In bijlage I bij hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° rubriek nr. 51.23.01 wordt aangevuld met volgende zin:
  "Deze rubriek is niet van toepassing wanneer de operatie ook valt onder artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten. " ;
  2° rubriek nr. 52.48.04 wordt aangevuld met volgende zin:
  "Deze rubriek is niet van toepassing wanneer de operatie ook valt onder artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten. " ;
  3° rubriek nr. 92.53 wordt aangevuld met volgende zin:
  "De rubriek nr. 92.53 is niet van toepassing wanneer de operatie ook valt onder artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten. " ;
  4° ze wordt aangevuld met de volgende rubriek:
  "
Art. 36. Dans l'annexe I du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 juillet 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la rubrique n° 51.23.01 est complétée par la phrase suivante :
  " Cette rubrique n'est pas d'application lorsque l'opération est également visée par l'article 37 du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. " ;
  2° la rubrique n° 52.48.04 est complétée par la phrase suivante :
  " Cette rubrique n'est pas d'application lorsque l'opération est également visée par l'article 37 du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. " ;
  3° la rubrique n° 92.53 est complétée par la phrase suivante :
  " La rubrique n° 92.53 n'est pas d'application lorsque l'opération est également visée par l'article 37 du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes. " ;
  4° elle est complétée par la rubrique suivante :
  "
94. Invasieve uitheemse soorten die vallen onder de "IUS-Verordening" (Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten) of het "IUS-Samenwerkingsakkoord" (Samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten inzake de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten).
94.01. Een van de handelingen die opzettelijk zijn uitgevoerd en bedoeld in artikel 7, eerste lid, b), c), d), f), g) of h), van de IUS-verordening, namelijk:
  b) het houden, met inbegrip van het opgesloten houden, van minstens één invasieve uitheemse soort;
  c) de kweek of teelt, met inbegrip van beperkte teelt, van ten minste één invasieve uitheemse soort;
2   "DNF"   
94. Invasieve uitheemse soorten die vallen onder de "IUS-Verordening" (Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten) of het "IUS-Samenwerkingsakkoord" (Samenwerkingsakkoord van 30 januari 2019 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten inzake de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten). 94.01. Een van de handelingen die opzettelijk zijn uitgevoerd en bedoeld in artikel 7, eerste lid, b), c), d), f), g) of h), van de IUS-verordening, namelijk:
  b) het houden, met inbegrip van het opgesloten houden, van minstens één invasieve uitheemse soort;
  c) de kweek of teelt, met inbegrip van beperkte teelt, van ten minste één invasieve uitheemse soort; 2 "DNF"
".
94. Espèces exotiques envahissantes visées par le " Règlement EEE " (Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes) ou par " l'Accord de coopération EEE " (Accord de coopération du 30 janvier 2019 entre l'Etat fédéral, les Communautés et les Régions relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes)
94.01. L'une des opérations effectuées de manière intentionnelle et visées à l'article 7, paragraphe 1er, b), c), d), f), g) ou h), du Règlement EEE, à savoir :
  b) la conservation, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  c) l'élevage ou la culture, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante;
  d) pour autant que cette opération n'entre pas dans le cadre de l'exception visée à l'article 6, § 1er, III, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le transport d'au moins une espèce exotique envahissante, vers, hors de ou au sein du territoire de la Région wallonne ;
  f) l'utilisation ou l'échange d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  g) la mise en situation de se reproduire, de pousser ou d'être cultivée, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  h) la libération dans l'environnement d'au moins une espèce exotique envahissante.
  Au sens de la présente rubrique, on entend par espèce exotique envahissante, l'espèce figurant soit sur la liste UE, soit sur la liste nationale au sens du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes
2   DNF   
94. Espèces exotiques envahissantes visées par le " Règlement EEE " (Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes) ou par " l'Accord de coopération EEE " (Accord de coopération du 30 janvier 2019 entre l'Etat fédéral, les Communautés et les Régions relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes) 94.01. L'une des opérations effectuées de manière intentionnelle et visées à l'article 7, paragraphe 1er, b), c), d), f), g) ou h), du Règlement EEE, à savoir :
  b) la conservation, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  c) l'élevage ou la culture, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante;
  d) pour autant que cette opération n'entre pas dans le cadre de l'exception visée à l'article 6, § 1er, III, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le transport d'au moins une espèce exotique envahissante, vers, hors de ou au sein du territoire de la Région wallonne ;
  f) l'utilisation ou l'échange d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  g) la mise en situation de se reproduire, de pousser ou d'être cultivée, y compris en détention confinée, d'au moins une espèce exotique envahissante ;
  h) la libération dans l'environnement d'au moins une espèce exotique envahissante.
  Au sens de la présente rubrique, on entend par espèce exotique envahissante, l'espèce figurant soit sur la liste UE, soit sur la liste nationale au sens du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes 2 DNF
".
Art. 37. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2019, wordt aangevuld met het volgende lid:
  "Indien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een handeling bedoeld in de rubrieken 94.01 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, naast de gegevens van het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens vastgesteld door de Minister van Leefmilieu. ".
Art. 37. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 juillet 2019, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Si la demande de permis d'environnement est relative à une activité visée à la rubrique 94.01 de l'annexe I de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées ou des installations ou des activités présentant un risque pour le sol, elle comprend, outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations arrêtées par le Ministre de l'Environnement. ".
Art. 38. In artikel 19 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 18 januari 2014 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019, wordt een paragraaf 6/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  " § 6/1. Wanneer het gaat om een activiteit als bedoeld in rubriek nr. 94.01 van bijlage I van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot vaststelling van de lijst van aan een effectbeoordeling onderworpen projecten en geklasseerde installaties en activiteiten of installaties of activiteiten met een risico voor de bodem, bevat de beslissing tot het verlenen van de milieuvergunning wat volgt:
  ° de elementen voorgeschreven bij artikel 8, §§ 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  2° het standaarddocument bedoeld in de bijlage bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/145 van de Commissie van 4 februari 2016 tot vaststelling van het sjabloon van het document dat als bewijs dient voor de door de bevoegde autoriteit van een lidstaat verleende vergunning op basis waarvan bepaalde instellingen bepaalde activiteiten betreffende voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten kunnen verrichten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad. ".
Art. 38. Dans l'article 19 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 janvier 2014 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 mai 2019, il est inséré un paragraphe 6/1 rédigé comme suit :
  " § 6/1. Lorsqu'elle concerne une activité visée à la rubrique n° 94.01 de l'annexe I de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées ou des installations ou des activités présentant un risque pour le sol, la décision accordant le permis d'environnement contient :
  1° les éléments prescrits par l'article 8, §§ 2 et 3, du règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
  2° le document-type visé à l'annexe du règlement d'exécution (UE) 2016/145 de la Commission du 4 février 2016 portant adoption du document-type servant de justificatif pour le permis délivré par les autorités compétentes des Etats membres autorisant des établissements à mener certaines activités sur des espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union conformément au règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil. ".
Art. 39. Artikel 30 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2018 wordt aangevuld met het volgende lid:
  "Indien de aanvraag om globale vergunning betrekking heeft op een activiteit bedoeld in rubriek 94.01 van bijlage I van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot vaststelling van de lijst van projecten die aan een milieueffectenonderzoek zijn onderworpen en geklasseerde installaties en activiteiten of installaties of activiteiten met een risico voor de bodem, bevat zij, naast de informatie die wordt gevraagd in het formulier bedoeld in het eerste lid, de informatie die door de Minister van Milieu wordt bepaald. ".
Art. 39. L'article 30 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2018 est complété par un alinéa rédigé comme suit comme suit :
  " Si la demande de permis unique est relative à une activité visée à la rubrique 94.01 de l'annexe I de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées ou des installations ou des activités présentant un risque pour le sol, elle comprend, outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations arrêtées par le Ministre de l'Environnement. ".
Art. 40. In artikel 46 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 16 januari 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2018, wordt een paragraaf 6/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  " § 6/1. Wanneer het gaat om een activiteit als bedoeld in rubriek nr. 94.01 van bijlage I van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot vaststelling van de lijst van aan een effectbeoordeling onderworpen projecten en geklasseerde installaties en activiteiten of installaties of activiteiten met een risico voor de bodem, bevat de beslissing tot het verlenen van de globale vergunning wat volgt:
  1° de elementen voorgeschreven bij artikel 8, §§ 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  2° het standaarddocument bedoeld in de bijlage bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/145 van de Commissie van 4 februari 2016 tot vaststelling van het sjabloon van het document dat als bewijs dient voor de door de bevoegde autoriteit van een lidstaat verleende vergunning op basis waarvan bepaalde instellingen bepaalde activiteiten betreffende voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten kunnen verrichten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad. ".
Art. 40. Dans l'article 46 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 janvier 2014 et modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2018, il est inséré un paragraphe 6/1 rédigé comme suit :
  " § 6/1. Lorsqu'elle concerne une activité visée à la rubrique n° 94.01 de l'annexe I de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées ou des installations ou des activités présentant un risque pour le sol, la décision accordant le permis unique contient :
  1° les éléments prescrits par l'article 8, §§ 2 et 3, du règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
  2° le document-type visé à l'annexe du règlement d'exécution (UE) 2016/145 de la Commission du 4 février 2016 portant adoption du document-type servant de justificatif pour le permis délivré par les autorités compétentes des Etats membres autorisant des établissements à mener certaines activités sur des espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union conformément au règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil. ".
Art. 41. In artikel 23, eerste lid, 3°, van het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2009 betreffende de inwerkingtreding en de uitvoering van het besluit van 15 juli 2008 betreffende het Boswetboek, worden de woorden "en voor zover de te behandelen oppervlakte meer dan 5 are bedraagt" opgeheven.
Art. 41. Dans l'article 23, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 mai 2009 relatif à l'entrée en vigueur et à l'exécution du décret du 15 juillet 2008 relatif au Code forestier, les mots " et pour autant que la surface à traiter dépasse 5 ares " sont abrogés.
Art. 42. In artikel 2, 7°, van het besluit van de Waalse Regering van 11 juli 2013 betreffende een pesticidengebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 november 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de toestand van het Waalse Leefmilieu, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 11 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden ", door injectie, bevochtiging of borstelen" worden ingevoegd tussen de woorden "met een sproeislang of een rugsproeier" en de woorden "op de volgende soorten: Caardus crispus, ";
  b) de woorden "de omzendbrief van 23 april 2009 betreffende de invasieve exotische soorten" worden vervangen door "de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten of bij het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten en de uitvoeringsbesluiten ervan".
Art. 42. Dans l'article 2, 7°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 juillet 2013 relatif à une application des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " , par injection, humectation ou badigeonnage " sont insérés entre les mots " par pulvérisateur à lance ou à dos " et les mots " contre les Carduus crispus, " ;
  b) les mots " la circulaire du 23 avril 2009 relative aux espèces exotiques envahissantes " sont remplacés par " le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ou par le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes et ses arrêtés d'exécution ".
Art. 43. In artikel 3, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden ", door injectie, bevochtiging of borstelen" worden ingevoegd tussen de woorden "met een sproeislang of een rugsproeier" en de woorden "op de volgende soorten";
  b) de woorden "de omzendbrief van 23 april 2009 betreffende de invasieve exotische soorten" worden vervangen door "de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten of bij het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten en de uitvoeringsbesluiten ervan".
Art. 43. Dans l'article 3, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " , par injection, humectation ou badigeonnage " entre les mots sont insérés après les mots " par pulvérisateur à lance ou à dos " et les mots " sur les espèces suivantes " ;
  b) au 2°, les mots " la circulaire du 23 avril 2009 relative aux espèces exotiques envahissantes " sont remplacés par " le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ou par le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes et ses arrêtés d'exécution " ;
Art. 44. In artikel 49, tweede lid, van het besluit van de Waalse Regering van 12 februari 2015 tot uitvoering van het systeem van de rechtstreekse betalingen ten gunste van de landbouwers, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 17 december 2015, 2 februari 2017 en 22 maart 2018, worden de woorden "in de lijn ligt van een door de openbare overheid gevoerd of opgelegd strijdplan" vervangen door de woorden "onder de snelle uitroeiings- of beheersmaatregelen bedoeld bij het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten, valt".
Art. 44. Dans l'article 49, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 février 2015 exécutant le régime des paiements directs en faveur des agriculteurs, modifié par les arrêtés du Gouvernement wallon des 17 décembre 2015, 2 février 2017 et 22 mars 2018, les mots " s'inscrit dans un plan de lutte mené ou imposé par l'autorité publique " sont remplacés par les mots " relève des mesures d'éradication rapide ou de gestion prévues par le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ".
HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen voor niet-commerciële eigenaren en voor commerciële voorraden
CHAPITRE 12. - Dispositions transitoires relatives aux propriétaires non commerciaux et aux stocks commerciaux
Art. 45. Het houden van huisdieren voor niet-commerciële doeleinden, overeenkomstig artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019, is onderworpen aan de naleving van de volgende voorwaarden:
  1° de dieren worden gehouden voordat ze op de EU-lijst of de nationale lijst worden opgenomen;
  2° de dieren worden in een gesloten omgeving gehouden en alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat ze zich niet kunnen voortplanten of ontsnappen.
Art. 45. La détention d'animaux de compagnie à des fins non commerciales, conformément à l'article 37 du décret du 2 mai 2019, est soumise au respect des conditions suivantes :
  1° les animaux sont détenus avant d'être inscrits sur la liste UE ou la liste nationale ;
  2° les animaux sont conservés en détention confinée et toutes les mesures appropriées sont mises en place pour s'assurer qu'ils ne puissent pas se reproduire ou s'échapper.
Art. 46. Het houden van commerciële voorraden van invasieve uitheemse soorten, overeenkomstig artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019, is onderworpen aan de naleving van de volgende voorwaarden:
  1° de specimens werden verworven voordat zij op de EU- of nationale lijst werden opgenomen;
  2° het houden is toegestaan gedurende ten hoogste twee jaar nadat de soort is opgenomen in de EU- of de nationale lijst;
  3° alleen het houden en het vervoer van levende specimens of reproduceerbare delen van deze soorten met het oog op de verkoop of overdracht ervan aan onderzoeksinstellingen of bewaarinrichtingen ex situ met het oog op medische activiteiten overeenkomstig artikel 8 van Verordening nr. 1143/2014, op voorwaarde dat de specimens in een gesloten omgeving gehouden en vervoerd worden en dat alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zij zich niet kunnen voortplanten of ontsnappen of om deze specimens zonder lijden te doden of te verwijderen, met het oog op de uitputting van hun bestand.
Art. 46. La détention de stocks commerciaux d'espèces exotiques envahissantes, conformément à l'article 37 du décret du 2 mai 2019, est soumise au respect des conditions suivantes :
  1° les spécimens ont été acquis avant leur inscription sur la liste UE ou sur la liste nationale ;
  2° la détention est autorisée pour un maximum de deux ans après l'inscription de l'espèce sur la liste UE ou la liste nationale ;
  3° seuls sont autorisées la détention et le transport des spécimens vivants ou des parties reproductibles de ces espèces afin de les vendre ou de les transférer à des instituts de recherche ou à des établissements de conservation ex situ et aux fins d'activités médicales conformément à l'article 8 du règlement n° 1143/2014, à condition que les spécimens soient conservés et transportés en détention confinée et que toutes les mesures appropriées soient mises en place pour s'assurer qu'ils ne puissent pas se reproduire, ou s'échapper ou afin d'abattre ou d'éliminer ces spécimens sans souffrance, en vue d'épuiser leur stock.
Art. 47. De verkoop of overdracht van levende specimens aan niet-commerciële gebruikers is toegestaan gedurende één jaar nadat de soort is opgenomen in de EU- of nationale lijst, overeenkomstig artikel 37 van het decreet van 2 mei 2019, mits naleving van de volgende voorwaarden:
  1° de specimens worden gehouden en vervoerd in een gesloten omgeving;
  2° alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat ze zich niet kunnen voortplanten of ontsnappen.
Art. 47. La vente ou le transfert de spécimens vivants à des utilisateurs non commerciaux est autorisée pendant un an après l'inscription des espèces sur la liste UE ou sur la liste nationale, conformément à l'article 37 du décret du 2 mai 2019, moyennant le respect des conditions suivantes :
  1° les spécimens sont conservés et transportés en détention confinée ;
  2° toutes les mesures appropriées sont mises en place pour s'assurer qu'ils ne puissent pas se reproduire ou s'échapper.
Art. 48. De aanvragen voor een milieuvergunning of een globale vergunning ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, alsmede de desbetreffende administratieve beroepen worden behandeld volgens de regels van kracht op de datum van indiening van de aanvraag.
Art. 48. Les demandes de permis d'environnement ou de permis unique introduites avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté ainsi que les recours administratifs y relatifs sont traités selon les règles en vigueur au jour de l'introduction de la demande.
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
CHAPITRE 13. - Dispositions finales
Art. 49. Dit besluit alsook de artikelen 11, 12, 13 en 30 van het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten treden in werking op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit.
Art. 49. Le présent arrêté ainsi que les articles 11, 12, 13 et 30 du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes entrent en vigueur le dixième jour qui suit celui de la publication du présent arrêté.
Art. 50. De Minister van Natuur is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 50. La Ministre de la Nature est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlage.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 25-11-2022, p. 85609)
Art. N. Annexe.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 25-11-2022, p. 85572)