Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 JUNI 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure, het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-11-2022 en tekstbijwerking tot 30-10-2024)
Titre
24 JUIN 2022. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement, l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 réglant le devoir d'information, de prévention, de restriction et de réparation en matière de dommages environnementaux et la procédure de recours, l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019 modifiant divers arrêtés en matière d'environnement et d'agriculture(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-11-2022 et mise à jour au 30-10-2024)
Documentinformatie
Numac: 2022033489
Datum: 2022-06-24
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022033489
Date: 2022-06-24
Moniteur: Voir
Tekst (101)
Texte (101)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire
Artikel 1.. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van:
  1° verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  2° verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur;
  3° verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  4° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen;
  5° verordening (EU) nr. 592/2014 van de Commissie van 3 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 voor wat betreft het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als brandstof in stookinstallaties;
  6° uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen;
  7° uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  8° verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
Article 1er. Le présent arrêté exécute partiellement :
  1° le règlement (CE) n° 304/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales ainsi que des conditions pour une reconnaissance mutuelle aux fins de la certification des entreprises et du personnel en ce qui concerne les systèmes de protection contre l'incendie et les extincteurs contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  2° le règlement (CE) n° 306/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification du personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements ;
  3° le règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  4° le règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés ;
  5° le règlement (UE) n° 592/2014 de la Commission du 3 juin 2014 modifiant le règlement (UE) n° 142/2011 en ce qui concerne l'utilisation de sous-produits animaux et de produits dérivés comme combustibles dans les installations de combustion ;
  6° le règlement d'exécution (UE) 2015/2066 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques intervenant dans l'installation, l'entretien, la maintenance, la réparation ou la mise hors service des appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ou la récupération des gaz à effet de serre fluorés provenant des appareils de commutation électrique fixes ;
  7° le règlement d'exécution (UE) 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, et les unités de réfrigération de camions et remorques frigorifiques contenant des gaz à effet de serre fluorés, ainsi qu'à la certification des entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés ;
  8° le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM
CHAPITRE 2. - Modifications du titre II du VLAREM
Art. 2. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de "Definities dieren/opslag mest (hoofdstuk 5.9 en 5.28)" wordt in de definitie "kinderboerderij" de datum "10 augustus 1998" telkens vervangen door de datum "8 juni 2018";
  2° in de definities "KOELINSTALLATIES" wordt het opschrift "KOELINSTALLATIES" vervangen door het opschrift "DEFINITIES KOELINSTALLATIES EN WARMTEPOMPEN";
  3° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "koelmiddel" tussen de woorden "een koelinstallatie" en de woorden "wordt gebruikt voor warmtetransport" de woorden "of een warmtepomp" ingevoegd;
  4° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "nominale koelmiddelinhoud" tussen de woorden "de koelinstallatie" en de woorden "is verbonden" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  5° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "relatief lekverlies" tussen de woorden "de koelinstallatie" en de zinsnede "(kg)" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  6° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "bevoegde koeltechnicus" tussen de woorden "aan koelinstallaties" en de woorden "op een verantwoorde manier uit te voeren" de woorden "en warmtepompen" ingevoegd;
  7° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "bevoegde koeltechnicus" tussen de woorden "aan de koelinstallatie" en het woord "uitvoert" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  8° in de definities "KOELINSTALLATIES" worden in de definitie "bevoegde koeltechnicus" tussen de woorden "aan koelinstallaties" en de woorden "met gefluoreerde broeikasgassen" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  9° in de "DEFINITIES GEVAARLIJKE PRODUCTEN EN BRANDBARE VLOEISTOFFEN (Hoofdstukken 4.1, 5.17, en 6.5 en afdelingen 5.6.2 en 5.6.3)", "ALGEMENE DEFINITIES" wordt aan de tweede alinea van de definitie "opslagplaats" een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "e) de vaste houders (onder andere bladdertanks) voor de opslag van blus- of schuimmiddelen, aangesloten op een blus- of sprinklerinstallatie;";
  10° aan de "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater)", "ALGEMEEN" worden de volgende definities toegevoegd:
  "- "verlaging van het grondwaterpeil bij een bemaling": minimale verlaging van het grondwaterpeil om de beoogde werkzaamheden te kunnen uitvoeren, vastgelegd op 0,5 meter onder het beoogde uitgravingspeil van de bouwput of -sleuf;
  - "aantoonbaarheidsgrens": het uitgangssignaal of de concentratie waarboven met een vermeld betrouwbaarheidsniveau kan worden gesteld dat een monster verschilt van een blanco monster dat geen relevante te bepalen grootheid bevat;
  - "bepalingsgrens": een vermeld veelvoud van de aantoonbaarheidsgrens bij een concentratie van de te bepalen grootheid die redelijkerwijs met een aanvaardbaar nauwkeurigheids- en precisieniveau kan worden bepaald. De bepalingsgrens kan met behulp van een geschikte standaard of een geschikt monster worden berekend en kan vanaf het laagste kalibratiepunt op de kalibratiecurve, met uitzondering van de blanco, worden verkregen;
  - "rapportagegrens": de waarde beneden welke een component als niet kwantificeerbaar ('<') wordt gerapporteerd, deze bedraagt minimaal de bepalingsgrens;
  - "referentiemeetmethode": methode die voor de bepaling van een bepaalde parameter toegepast moet worden. Deze methode wordt beschreven in het compendium voor analyse van water (WAC), tenzij anders vermeld. Het compendium is een bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten, in voorkomend geval met inbegrip van de validatie- en kwaliteitseisen voor die methoden. Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstabel van het WAC wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.";
  11° in de "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater)", "AFVALWATERCONTROLES" worden volgende definities opgeheven:
  - Aantoonbaarheidsgrens;
  - Bepalingsgrens;
  - Rapportagegrens;
  - Referentiemeetmethode".
Art. 2. A l'article 1.1.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la version néerlandaise, sous " Definities dieren/opslag mest (hoofdstuk 5.9 en 5.28) ", dans la définition " kinderboerderij ", la date " 10 augustus 1998 " est chaque fois remplacée par la date " 8 juni 2018 " ;
  2° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", l'intitulé " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION " est remplacé par l'intitulé " DEFINITIONS INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ET POMPES A CHALEUR " ;
  3° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " agent réfrigérant ", le membre de phrase " ou une pompe à chaleur, " est inséré entre les mots " une installation de réfrigération " et les mots " qui absorbe " ;
  4° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " capacité nominale d'agent réfrigérant ", les mots " ou la pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " avec l'installation de réfrigération " et le membre de phrase " ; cette quantité " ;
  5° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " perte relative par fuite ", les mots " ou de la pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " l'installation de réfrigération " et le membre de phrase " (kg) " ;
  6° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " frigoriste compétent ", les mots " et des pompes à chaleur " sont insérés entre les mots " des installations de réfrigération " et les mots " de manière justifiée " ;
  7° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " frigoriste compétent ", les mots " ou à la pompe à chaleur " sont ajoutés après les mots " à l'installation de réfrigération " ;
  8° dans les définitions " INSTALLATIONS DE REFRIGERATION ", dans la définition " frigoriste compétent ", les mots " ou aux pompes à chaleur " sont insérés les mots " aux installations de réfrigération " et les mots " utilisant des gaz à effet de serre fluorés " ;
  9° dans les " DEFINITIONS PRODUITS ET LIQUIDES COMBUSTIBLES (Chapitres 4.1, 5.17 et 6.5 et sections 5.6.2 et 5.6.3) ", " DEFINITIONS GENERALES ", un point e) rédigé comme suit est ajouté à l'alinéa 2 de la définition " dépôt " :
  " e) les réservoirs fixes (entre autres, réservoirs souples) pour le stockage d'agents d'extinction ou moussants, raccordés à une installation d'extinction ou sprinkler ; " ;
  10° aux " DEFINITIONS 10 ° PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3 et 6.2 (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines) ", " GENERALITES ", les définitions suivantes sont ajoutées :
  " - " abaissement du niveau de la nappe phréatique par exhaure " : abaissement minimal du niveau de la nappe phréatique afin de réaliser les travaux envisagés, fixé à 0,5 m au-dessous du niveau d'excavation prévu de la fouille ou de la tranchée ;
  - " limite de détection " : le signal de sortie ou la valeur de concentration au-delà desquels il est permis d'affirmer avec un certain degré de confiance qu'un échantillon est différent d'un échantillon témoin ne contenant pas l'analyte concerné ;
  - " limite de quantification " : un multiple donné de la limite de détection pour une concentration de l'analyte qui peut raisonnablement être déterminée avec un degré d'exactitude et de précision acceptable. La limite de quantification peut être calculée à l'aide d'un étalon ou d'un échantillon appropriés, et peut être obtenue à partir du point le plus bas sur la courbe d'étalonnage, à l'exclusion du témoin ;
  - " limite de notification " : la valeur sous laquelle un composant est rapporté comme non quantifiable (" < "), elle correspondra au moins à la limite de quantification ;
  - " méthode de mesure de référence " : méthode à appliquer pour la détermination d'un paramètre donné. Sauf stipulation contraire, cette méthode est décrite dans le compendium pour l'analyse de l'eau (WAC). Le compendium est un recueil de méthodes pour le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures et d'analyses, comprenant des méthodes européennes (NE), internationales (ISO) ou d'autres méthodes normalisées ou des méthodes validées par le laboratoire de référence de la Région flamande pour le compte de l'Autorité flamande, y compris, le cas échéant, les exigences de validation et de qualité de ces méthodes. Le compendium est approuvé par arrêté ministériel et la table des matières du WAC est publiée par extrait au Moniteur belge. " ;
  11° dans les " DEFINITIONS PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3 et 6.2 (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines) ", " CONTROLE DES EAUX USEES ", les définitions suivantes sont abrogées :
  - Limite de détection ;
  - Limite de quantification ;
  - Limite de notification ;
  - Méthode de mesure de référence ".
Art. 3. In artikel 1.4.3.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het vijfde lid wordt de zinsnede "artikel 37, § 4 tot en met § 16" vervangen door de zinsnede "artikel 37, § 4 tot en met § 7, § 9 en § 12";
  2° er wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 8, § 10, § 11, § 13, § 14, § 15 en § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, raadplegen.".
Art. 3. A l'article 1.4.3.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 5, le membre de phrase " l'article 37, § § 4 à 16 inclus " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37, §§ 4 à § 7, §§ 9 et 12 " ;
  2° il est ajouté un alinéa 6, rédigé comme suit :
  " La division Environnement compétente pour le permis d'environnement peut consulter les instances d'avis visées à l'article 37, §§ 8, 10, 11, 13, 14, 15 et 16, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art. 4. In artikel 1.4.5.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "artikel 37, § 2 en § 4 tot en met § 16" vervangen door de zinsnede "artikel 37, § 2, § 4 tot en met § 7, § 9 en § 12";
  2° in paragraaf 2 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De provinciale omgevingsvergunningscommissie kan het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 8, § 10, § 11, § 13, § 14, § 15 en § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 37, § 4 tot en met § 16" vervangen door de zinsnede "artikel 37, § 4 tot en met § 7, § 9 en § 12";
  4° aan paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De bevoegde dienst van de gemeente kan het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 8, § 10, § 11, § 13, § 14, § 15 en § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art. 4. A l'article 1.4.5.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37, § 2, §§ 4 à 7, §§ 9 et 12 " ;
  2° dans le paragraphe 2, il est inséré, entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé suit :
  " La commission provinciale du permis d'environnement peut recueillir l'avis des instances d'avis visées à l'article 37, §§ 8, 10, 11, 13, 14, 15 et 16, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " l'article 37, § § 4 à 16 inclus " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37, §§ 4 à § 7, §§ 9 et 12 " ;
  4° dans le paragraphe 3, il est inséré, entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit :
  " Le service compétent de la commune peut recueillir l'avis des instances d'avis visées à l'article 37, §§ 8, 10, 11, 13, 14, 15 et 16, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art. 5. In artikel 1.4.5.3.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "artikel 37, § 2, en § 4 tot en met § 16" vervangen door de zinsnede "artikel 37, § 2, § 4 tot en met § 7, § 9 en § 12";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De bevoegde omgevingsvergunningscommissie kan het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 8, § 10, § 11, § 13, § 14, § 15 en § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art. 5. A l'article 1.4.5.3.1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37, § 2, §§ 4 à 7, §§ 9 et 12 " ;
  2° entre les premier et deuxième alinéas est inséré un alinéa qui est rédigé comme suit :
  " La commission du permis d'environnement compétente peut recueillir l'avis des instances d'avis visées à l'article 37, §§ 8, 10, 11, 13, 14, 15 et 16, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art. 6. In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4, tweede lid, 1°, wordt de zin "In dat geval wordt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;" opgeheven;
  2° paragraaf 7 wordt opgeheven.
Art. 6. A l'article 4.1.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 novembre 2010 et 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 4, alinéa 2, 1°, la phrase " Dans ce cas, l'exploitant met la division Environnement compétente pour le permis d'environnement immédiatement au courant de la désignation du coordinateur environnemental agréé par lettre recommandée ; " est abrogée ;
  2° le paragraphe 7 est abrogé.
Art. 7. In artikel 4.1.9.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.";
  2° in paragraaf 3 wordt de zin "De kennisgeving van de aanstelling van een milieucoördinator-werknemer aan de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, gebeurt door middel van een aanstellingsdossier dat op de exploitatiezetel ter beschikking wordt gehouden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving." opgeheven;
  3° in paragraaf 3 wordt het woord "werknemer" vervangen door het woord "milieucoördinator".
Art. 7. A l'article 4.1.9.1.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental. " ;
  2° dans le paragraphe 3, la phrase " La désignation d'un coordinateur environnemental-employé est notifiée à l'autorité compétente visée au paragraphe 2 au moyen d'un dossier de désignation tenu, au siège d'exploitation, à la disposition de la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 3, les mots " l'employé " sont remplacés par les mots " le coordinateur environnemental ".
Art. 8. In artikel 4.1.9.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt de zinsnede "samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem" vervangen door de zinsnede "het samenwerkingsakkoord van 12 mei 2017 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest betreffende de uitvoering van de verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuaudit systeem (EMAS), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 761/2001 en van de beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie".
Art. 8. Dans l'article 4.1.9.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, le membre de phrase " l'accord de coopération du 30 mars entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région Bruxelles-Capitale relatif à la mise en oeuvre du Règlement (CEE) n° 1836/93 du Conseil, du 29 juin 1993, permettant la participation volontaire des entreprises du secteur industriel à un système communautaire de management environnemental et d'audit " est remplacé par le membre de phrase " l'accord de coopération du 12 mai 2017 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la mise en oeuvre du règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), et abrogeant le règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE ".
Art. 9. In artikel 4.1.9.2.4, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
  2° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "rubriek" vervangen door het woord "indelingsrubriek";
  3° in het tweede lid wordt het woord "Inrichtingen" vervangen door de woorden "Ingedeelde inrichtingen of activiteiten".
Art. 9. A l'article 4.1.9.2.4, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités " ;
  2° dans l'alinéa 1er, 2°, le mot " rubrique " est remplacé par les mots " rubrique de classification " ;
  3° dans l'alinéa 2, le mot " établissements " est remplacé par les mots " établissements ou activités ".
Art. 10. In artikel 4.5.1.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt de zinsnede "en 4.5.4" vervangen door de zinsnede ", 4.5.4 en 4.5.5".
Art. 10. Dans l'article 4.5.1.1, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2017, le membre de phrase " et 4.5.4 " est remplacé par le membre de phrase " , 4.5.4 et 4.5.5 ".
Art. 11. In deel 4, hoofdstuk 4.5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt in het opschrift van afdeling 4.5.7 de zinsnede "16.3.1" vervangen door de zinsnede "16.3.2 van de indelingslijst".
Art. 11. Dans la partie 4, chapitre 4.5, du même arrêté, dans l'intitulé de la section 4.5.7 insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, le membre de phrase " 16.3.1 " est remplacé par le membre de phrase " 16.3.2 de la liste de classification ".
Art. 12. In artikel 4.5.7.0.1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt de zinsnede "16.3.1" vervangen door de zinsnede "16.3.2 van de indelingslijst".
Art. 12. Dans l'article 4.5.7.0.1, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, le membre de phrase " 16.3.1 " est remplacé par le membre de phrase " 16.3.2 de la liste de classification ".
Art. 13. In artikel 5.2.1.7, § 5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde en het vierde lid worden vervangen door wat volgt:
  "Voor de lozing van verontreinigd hemelwater dat afkomstig is van de inrichtingen, vermeld in het tweede lid, waarvan de niet-overdekte buitenopslag van de afvalstoffen, met uitzondering van de opslag van de inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt, een opslagcapaciteit van meer dan 4000 ton betreft, zijn, behalve als dat anders is bepaald in de vergunning, de sectorale normen, vermeld in bijlage 5.3.2, 48°, van toepassing. De opslagcapaciteit van de inrichting wordt bepaald overeenkomstig de vergunning en bij ontstentenis overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.
  Voor de lozing van verontreinigd hemelwater dat afkomstig is van de inrichtingen, vermeld in het tweede lid, waarvan de niet-overdekte buitenopslag van de afvalstoffen, met uitzondering van de opslag van de inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt, een opslagcapaciteit van 4000 ton of minder betreft, moet er voldaan worden aan de nodige preventieve maatregelen.
  2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die voor 26 september 2022 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het tweede lid, vanaf 26 september 2023.".
Art. 13. A l'article 5.2.1.7, § 5, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Sauf disposition contraire dans l'autorisation, les normes sectorielles visées à l'annexe 5.3.2, 48°, s'appliquent au déversement des eaux pluviales polluées provenant des établissements visés à l'alinéa 2, dont le stockage extérieur non couvert des déchets, à l'exception du stockage des déchets inertes et d'asphalte non goudronneux, porte sur une capacité de stockage de plus de 4000 tonnes. La capacité de stockage de l'établissement est déterminée conformément à l'autorisation et, à défaut, conformément au plan de travail approuvé.
  En ce qui concerne le déversement des eaux pluviales polluées provenant des établissements visés à l'alinéa 2, dont le stockage extérieur non couvert des déchets, à l'exception du stockage des déchets inertes et d'asphalte non goudronneux, porte sur une capacité de stockage de 4000 tonnes ou moins, les mesures préventives nécessaires doivent être respectées.
  2° il est ajouté un alinéa cinq, énoncé comme suit :
  " En ce qui concerne les établissements ou activités classés autorisés avant le 26 septembre 2022, les obligations visées à l'alinéa 2 s'appliquent à partir du 26 septembre 2023. ".
Art. 14. Aan artikel 5.2.2.1.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een afwijking worden toegestaan van artikel 5.2.1.2, § 1, voor het toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde op de afvoer van afvalstoffen buiten de reguliere openingsuren van het park. De exploitant maakt in dat geval de volgende richtlijnen over aan de inzamelaars, makelaars of handelaars die verantwoordelijk zijn voor de afvoer:
  1° de richtlijnen over het beperken van lawaaihinder bij de manipulatie van de containers;
  2° de richtlijnen over het ontoegankelijk maken van het recyclagepark voor particulieren op het moment dat de inzamelaars, makelaars of handelaars aanwezig zijn op het terrein.".
Art. 14. A l'article 5.2.2.1.1 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, il est ajouté un paragraphe 7 rédigé comme suit :
  " § 7. Le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée peut accorder une dérogation à l'article 5.2.1.2, § 1er, pour la surveillance par l'exploitant ou son délégué compétent de l'évacuation des déchets en dehors des heures d'ouverture normales du parc. Dans ce cas, l'exploitant transmet les directives suivantes aux collecteurs, courtiers ou négociants responsables de l'évacuation :
  1° les directives relatives à la réduction des nuisances sonores lors de la manipulation des conteneurs ;
  2° les directives visant à rendre le recyparc inaccessible aux particuliers lorsque les collecteurs, courtiers ou négociants sont présents sur le site. ".
Art. 15. In artikel 5.3.2.4, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt tussen de zinsnede "vermeld in paragraaf 1," en de zinsnede "als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:" de zinsnede "zo nodig in combinatie met emissiegrenswaarden uitgedrukt in de vorm van vrachten," ingevoegd.
Art. 15. Dans l'article 5.3.2.4, § 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les mots " peut sur la base de mesures extrêmes économisant l'eau peut accorder " sont remplacés par le membre de phrase " peut, sur la base de mesures extrêmes économisant l'eau, accorder " et le membre de phrase " , visées au paragraphe 1er, lorsqu'il a été répondu aux conditions suivantes : " est remplacé par le membre de phrase " visées au paragraphe 1er, au besoin en combinaison avec des valeurs limites d'émission exprimées sous la forme de charges, lorsque toutes les conditions suivantes ont été remplies : ".
Art. 16. In artikel 5.9.1.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de indeling " § 1" wordt opgeheven;
  2° tussen de woorden "de subrubrieken" en de zinsnede "9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 9.9" wordt de zinsnede "9.1, 9.2," ingevoegd.
Art. 16. A l'article 5.9.1.1 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la subdivision " § 1er " est abrogée ;
  2° le membre de phrase " 9.1, 9.2, " est inséré entre les mots " les sous-rubriques " et le membre de phrase " 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 et 9.9 ".
Art. 17. Aan artikel 5.9.11.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "In afwijking van artikel 5.9.11.2 dient niet voldaan te worden aan de bepalingen vermeld in artikel 5.28.3.5.1.".
Art. 17. A l'article 5.9.11.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, la phrase suivante est ajoutée :
  " Par dérogation à l'article 5.9.11.2, les dispositions de l'article 5.28.3.5.1 ne doivent pas nécessairement être respectées. ".
Art. 18. Artikel 5.12.0.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 5.12.0.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 12 van de indelingslijst.
  De elektrische installaties en toestellen in de inrichting beantwoorden aan de bepalingen van de codex over het welzijn op het werk en van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).".
Art. 18. L'article 5.12.0.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.12.0.1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux établissements visés à la rubrique 12 de la liste de classification.
  Les installations et appareils électriques à l'intérieur de l'établissement répondent aux dispositions du Code sur le bien-être au travail et du Règlement général sur les installations électriques (R.G.I.E.). ".
Art. 19. In artikel 5.12.0.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het opschrift worden de woorden "en shuntreactoren" toegevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt het woord "dienen" vervangen door het woord "worden";
  3° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "tot de transformatoren" en de woorden "de volgende voorschriften" de woorden "en shuntreactoren" ingevoegd;
  4° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden "de transformator is" vervangen door de woorden "de transformatoren en shuntreactoren zijn";
  5° in paragraaf 1 wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° de bouwelementen van het lokaal waarin de transformator is geplaatst, voldoen aan al de volgende eisen:
  a) de wanden hebben een brandwerendheid van EI 60, behalve de scheidingswanden die aan de buitenlucht grenzen, de vloeren en de plafonds of daken;
  b) de binnendeuren en vensters hebben een brandwerendheid van EI1 30 en zijn voorzien van een automatisch sluitingsmechanisme waarbij ze niet geblokkeerd mogen worden in open stand.";
  6° in paragraaf 1, 4°, worden de woorden "dient inzonderheid" vervangen door het woord "wordt" en wordt het woord "transformator" vervangen door de woorden "transformatoren en shuntreactoren";
  7° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De verplichting, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet van toepassing op transformatoren die in de openlucht of in gesloten metalen kasten opgesteld zijn.";
  8° in paragraaf 2 wordt de bepaling "1° de transformatoren worden uitsluitend in open lucht of in een daartoe bestemd brandvrij lokaal opgesteld; in dit lokaal mogen geen transformatoren die geen pcb's of pct's bevatten worden opgesteld, tenzij een brandweerstandbiedende scheiding tussen de verschillende transformatoren van tenminste een half uur (Rf1/2h) is voorzien; op de buitenwand van de toegangsdeur(en) tot voormeld lokaal en binnen dit lokaal zelf wordt met letters van ten minste 8 cm hoogte duidelijk leesbaar de volgende tekst aangebracht: "Opgelet: PCB's-houdende transfo"; voormelde tekst mag worden vervangen door de reglementaire pictogrammen, die ter zake gelden; voormeld lokaal wordt verlucht via een verluchtingsrooster met een brandweerstand van ten minste één uur (Rf1h); in de gesloten elektriciteitslokalen mogen alternatieve maatregelen worden getroffen op voorwaarde dat deze aan het eerste lid gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;" vervangen door de bepaling"1° de transformatoren worden uitsluitend opgesteld in de openlucht of in een brandvrij lokaal dat daarvoor bestemd is. In dat lokaal worden geen transformatoren opgesteld die geen pcb's of pct's bevatten, tenzij in een brandweerstandbiedende scheiding tussen de verschillende transformatoren met een brandwerendheid EI1 30 is voorzien. Op de buitenwand van de toegangsdeur(en) tot het voormelde lokaal en in dat lokaal zelf wordt met letters van ten minste acht centimeter hoogte duidelijk leesbaar de volgende tekst aangebracht: "Opgelet: pcb-houdende transfo". De voormelde tekst mag worden vervangen door de reglementaire pictogrammen, die ter zake gelden. Het voormelde lokaal wordt verlucht via een verluchtingsrooster met een brandwerendheid EI60. In de gesloten elektriciteitslokalen mogen alternatieve maatregelen worden getroffen op voorwaarde dat die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;";
  9° in paragraaf 2, 4°, wordt het woord "bij" vervangen door de woorden "door een".
Art. 19. A l'article 5.12.0.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'intitulé, les mots " et réacteurs en dérivation " sont ajoutés ;
  2° dans le paragraphe 1er, les mots " doivent être respectées " sont remplacés par les mots " sont respectées " ;
  3° dans le paragraphe 1er, les mots " et les réacteurs en dérivation " sont ajoutés après " les transformateurs " ;
  4° dans le paragraphe 1er, 2°, les mots " le transformateur est protégé " sont remplacés par les mots " les transformateurs et les réacteurs en dérivation sont protégés " ;
  5° dans le paragraphe 1er, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les éléments de construction du local dans lequel le transformateur a été installé satisfont à toutes les exigences suivantes :
  a) les parois présentent une résistance au feu de EI 60, sauf les cloisons en contact avec l'air extérieur, les planchers et les plafonds ou les toitures ;
  b) les portes intérieures et fenêtres présentent une résistance au feu de EI1 30 et sont munies d'un mécanisme de fermeture automatique par lequel elles ne peuvent pas être bloquées en position ouverte. " ;
  6° dans le paragraphe 1er, 4°, les mots " il convient de prévoir en particulier sous le transformateur une cuvette de rétention étanche aux liquides " sont remplacés par le membre de phrase " une cuvette de rétention étanche aux liquides est prévue sous les transformateurs et réacteurs en dérivation, " ;
  7° au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " L'obligation visée à l'alinéa 1er, 3°, ne s'applique pas aux transformateurs montés en plein air ou dans des armoires métalliques fermées. " ;
  8° dans le paragraphe 2, la disposition " 1° les transformateurs sont installés exclusivement en plein air ou dans un local ignifugé destiné à cet effet ; les transformateurs qui ne contiennent pas de PCB ou de PCT ne peuvent être installés dans ce local à moins qu'une séparation présentant une résistance au feu d'au moins une demi-heure soit prévue entre les différents transformateurs (Rf1/2h) ; le texte suivant, clairement lisible, en lettres d'au moins 8 cm de hauteur est apposé sur le mur extérieur de la ou des portes d'accès au local précité et dans le local même : " Attention : transformateurs contenant des PCB " ; le texte précité peut être remplacé par les pictogrammes réglementaires qui sont d'application en la matière ; le local précité est ventilé par une grille d'aération avec une résistance au feu d'au moins une heure (Rf1h) ; dans les locaux d'électricité fermés, des mesures alternatives peuvent être prises à condition que celles-ci offrent des garanties de sécurité équivalentes au premier alinéa ; " est remplacée par la disposition " 1° les transformateurs sont montés exclusivement en plein air ou dans un local ignifugé destiné à cet effet. Des transformateurs ne contenant pas de PCB ou de PCT ne sont pas montés à l'intérieur de ce local à moins qu'une séparation présentant une résistance au feu EI1 30 soit prévue entre les différents transformateurs. Le texte suivant, clairement lisible, en caractères d'au moins 8 cm de hauteur, est apposé sur la paroi extérieure de la ou des portes d'accès au local précité et à l'intérieur du local même : " Attention : transformateurs contenant des PCB ". Le texte précité peut être remplacé par les pictogrammes réglementaires applicables en la matière. Le local précité est ventilé par une grille d'aération présentant une résistance au feu EI60. Dans les locaux électriques fermés, des mesures alternatives peuvent être prises pour autant qu'elles offrent des garanties de sécurité équivalentes ; " ;
  9° dans le paragraphe 2, 4°, de la version néerlandaise, le mot " bij " est remplacé par les mots " door een ".
Art. 20. Artikel 5.12.0.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opgeheven.
Art. 20. L'article 5.12.0.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est abrogé.
Art. 21. Artikel 5.12.0.4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 5.12.0.4. De lokalen waarin de vast opgestelde transformatoren zijn ondergebracht, worden alleen verwarmd met toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.
  Draagbare en mobiele blustoestellen zijn aanwezig naar rato van minimaal één bluseenheid per 150 m2, met minstens twee bluseenheden per constructieniveau. Ten minste de helft van de mobiele blustoestellen heeft een capaciteit van 1 of 1,5 bluseenheid.
  De vluchtdeuren van de lokalen, vermeld in het eerste lid, draaien open naar buiten en de doorgangen zijn van elke hindernis vrijgehouden.
  In de lokalen, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende verplichtingen:
  1° met behoud van de toepassing van de bepalingen uit het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) en de codex over het welzijn op het werk mogen werkzaamheden met gereedschappen die vonken, gensters, een blanke vlam of een hittepunt met een temperatuur van boven de 400 ° C opwekken, alleen uitgevoerd worden met een vuurvergunning. Een vuurvergunning is een voorafgaandelijk geschreven machtiging die de werkgever of zijn aangestelde verleent, waarin alle afspraken en voorwaarden opgenomen zijn om een bepaald werk veilig uit te voeren;
  2° het is verboden te roken. Dat rookverbod wordt in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenkant van de toegangsdeuren en in de lokalen aangeplakt;
  3° de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn opgetrokken uit materialen die ingedeeld zijn in brandklasse A1.".
Art. 21. L'article 5.12.0.4 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.12.0.4. Les locaux abritant les transformateurs fixes ne sont chauffés qu'au moyen d'appareils dont l'installation et l'utilisation offrent des garanties suffisantes pour prévenir tout risque d'incendie et d'explosion.
  Des extincteurs portables et mobiles sont présents à raison d'au moins une unité d'extinction par 150 m2, avec au moins deux unités d'extinction par niveau de construction. Au moins la moitié des extincteurs mobiles présente une capacité de 1 ou 1,5 unité d'extinction.
  Les portes de secours des locaux visés à l'alinéa 1er s'ouvrent vers l'extérieur et les passages sont dégagés de tout obstacle.
  Les obligations suivantes s'appliquent à l'intérieur des locaux visés à l'alinéa 1er :
  1° sans préjudice de l'application des dispositions du Règlement général pour la protection du travail (RGPT) et du Code sur le bien-être au travail, des travaux à l'aide d'outils générant des étincelles, des projections incandescentes, une flamme nue ou un point chaud d'une température supérieure à 400 ° C ne peuvent être effectués que moyennant un permis de feu. Un permis de feu est une autorisation écrite préalable accordée par l'employeur ou son préposé, dans laquelle figurent tous les accords et conditions pour exécuter un travail donné en toute sécurité ;
  2° il est interdit de fumer. Cette interdiction de fumer est affichée en caractères bien lisibles ou au moyen de pictogrammes réglementaires sur la face extérieure des portes d'accès et à l'intérieur des locaux ;
  3° les cheminées et conduits d'évacuation des vapeurs et brouillards aspirés sont réalisés dans des matériaux classés dans la classe de réaction au feu A1. ".
Art. 22. In artikel 5.16.3.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het opschrift "Koelinstallaties" wordt vervangen door het opschrift "Koelinstallaties en warmtepompen";
  2° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "van koelinstallaties" en de woorden "is verboden" de woorden "en warmtepompen" ingevoegd;
  3° in paragraaf 1bis wordt het woord "koelinstallaties" telkens vervangen door de woorden "koelinstallaties of warmtepompen";
  4° in paragraaf 2 wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
  "De bouw en opstelling van koelinstallaties en warmtepompen:";
  5° in paragraaf 2, 4°, worden tussen de woorden "een koelinstallatie" en de zinsnede ", moeten gebeuren" de woorden "of een warmtepomp" ingevoegd;
  6° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden tussen de woorden "met koelinstallaties" en de woorden "en waarbij" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  7° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt tussen de woorden "de koelinstallaties" en de woorden "en toebehoren" de zinsnede ", de warmtepompen" ingevoegd;
  8° in paragraaf 5 wordt het woord "koelinstallaties" telkens vervangen door de woorden "koelinstallaties of warmtepompen";
  9° in paragraaf 6, eerste lid, worden tussen de woorden "een koelinstallatie" en het woord "berekend" de woorden "of warmtepomp" ingevoegd;
  10° in paragraaf 6, derde lid, worden tussen de woorden "de koelinstallatie" en het woord "goedkeuren" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  11° in paragraaf 6, vierde lid, worden tussen de woorden "aan koelinstallaties" en de woorden "met een nominale koelmiddelinhoud" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  12° in paragraaf 8, 1°, worden tussen de woorden "een koelinstallatie" en de woorden "op een goed toegankelijke plaats" de woorden "of een warmtepomp" ingevoegd;
  13° in paragraaf 8, 2°, worden tussen de woorden "een koelinstallatie" en de woorden "moet een installatiegebonden logboek" de woorden "of een warmtepomp" ingevoegd;
  14° in paragraaf 8, 2°, worden de woorden "in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt" vervangen door de woorden "in de nabijheid van de installatie bevindt";
  15° in paragraaf 8, 2°, a), b), c), d) en e), wordt het woord "koelinstallatie" vervangen door het woord "installatie".
Art. 22. A l'article 5.16.3.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'intitulé " Installations de réfrigération " est remplacé par l'intitulé " Installations de réfrigération et pompes à chaleur " ;
  2° dans le paragraphe 1er, les mots " et pompes à chaleur " sont insérés entre les mots " installations de réfrigération " et les mots " est interdit " ;
  3° dans le paragraphe 1erbis, les mots " installations frigorifiques stationnaires ", " équipements de réfrigération ", " équipements frigorifiques fixes " et " installations frigorifiques hermétiquement closes " sont remplacés respectivement par les mots " installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur ", " installations de réfrigération ou pompes à chaleur ", " installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur ", " installations de réfrigération hermétiquement closes ou pompes à chaleur " ; dans l'alinéa 4, les mots " Le premier paragraphe ne s'applique pas à une personne qui exerce les activités de réfrigération contenant des gaz à effet de serre mais pas des substances ozonlaagafbrekende " sont remplacés par les mots " L'alinéa 1er ne s'applique pas à une personne qui effectue des travaux sur des installations de réfrigération ou pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre mais pas de substances appauvrissant la couche d'ozone " ;
  4° dans le paragraphe 2, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  " La construction et le montage d'installations de réfrigération et de pompes à chaleur : " ;
  5° dans le paragraphe 2, 4°, les mots " ou d'une pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " d'une installation de réfrigération " et les mots " doivent s'effectuer " ;
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots " ou aux pompes à chaleur " sont insérés entre les mots " aux installations de réfrigération " et le mot " pouvant " ;
  7° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, le membre de phrase " , les pompes à chaleur " est inséré entre les mots " les installations de réfrigération " et les mots " et leurs accessoires " ;
  8° dans le paragraphe 5, les mots " installations de réfrigération " et " installations frigorifiques " sont remplacés par les mots " installations de réfrigération ou pompes à chaleur " et les mots " installations frigorifiques hermétiquement closes " sont remplacés par les mots " installations de réfrigération hermétiquement closes ou pompes à chaleur " " ;
  9° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, les mots " d'une installation réfrigérante " sont remplacés par les mots " d'une installation de réfrigération ou d'une pompe à chaleur " ;
  10° dans le paragraphe 6, alinéa 3, les mots " de l'installation réfrigérante " sont remplacés par les mots " de l'installation de réfrigération ou de la pompe à chaleur " ;
  11° dans le paragraphe 6, alinéa 4, les mots " sur des installations réfrigérantes " sont remplacés par les mots " sur des installations de réfrigération ou pompes à chaleur " ;
  12° dans le paragraphe 8, 1°, les mots " ou d'une pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " d'une installation de réfrigération " et les mots " à un endroit bien accessible " ;
  13° dans le paragraphe 8, 2°, les mots " ou d'une pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " d'une installation de réfrigération " et le mot " doit " ;
  14° dans le paragraphe 8, 2°, les mots " un livret d bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération " sont remplacés par les mots " un livre de bord de l'installation qui se trouve à proximité de celle-ci " ;
  15° dans le paragraphe 8, 2°, a), b), c) et d), les mots " installation de réfrigération " sont remplacés par le mot " installation ".
Art. 23. In artikel 5.16.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en 18 maart 2016, wordt het opschrift vervangen door wat volgt:
  "Installaties voor het fysisch behandelen van gassen andere dan luchtcompressoren, koelinstallaties en warmtepompen".
Art. 23. Dans l'article 5.16.3.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mai 2014 et 18 mars 2016, l'intitulé est remplacé par ce qui suit :
  " Installations pour le traitement de gaz par des procédés physiques autres que des compresseurs d'air, des installations de réfrigération et des pompes à chaleur ".
Art. 24. In artikel 5.17.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De exploitant van een inrichting die in klasse 1 is ingedeeld, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, per gevarenpictogram, ten minste de aard of gevarencategorie en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld.".
Art. 24. Dans l'article 5.17.1.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'exploitant d'un établissement classé en classe 1 tient un registre ou un support d'information alternatif dans lequel il mentionne au minimum, par pictogramme de danger, la nature ou la catégorie de danger et les quantités des produits dangereux stockés. ".
Art. 25. Artikel 5.17.4.1.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opgeheven.
Art. 25. L'article 5.17.4.1.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est abrogé.
Art. 26. In artikel 5.28.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt de zinsnede "met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst" opgeheven.
Art. 26. Dans l'article 5.28.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, le membre de phrase " à l'exception des dépôts d'effluents d'élevage attachés à un établissement tel que visés aux sous-rubriques 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 et 9.8 de la liste de classification " est abrogé.
Art. 27. In artikel 5.32.7.1.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, 1°, 2°, 3°, wordt de zinsnede "rubriek 32.7, b), 4° " vervangen door de zinsnede "rubriek 32.7.2°, c)";
  2° in het tweede lid, 4°, wordt de zinsnede "rubriek 32.7, b), 3° " vervangen door de zinsnede "rubriek 32.7.2°, b)";
  3° in het tweede lid, 5°, wordt de zinsnede "rubriek 32.7, a), 2° " vervangen door de zinsnede "rubriek 32.7.1°, c)" en wordt de zinsnede "32.7, a), 3° " vervangen door de zinsnede "rubriek 32.7.1°, b)";
  4° in het tweede lid, 6°, wordt de zinsnede "rubriek 32.7, b), 2° " vervangen door de zinsnede "rubriek 32.7.2°, a)".
Art. 27. A l'article 5.32.7.1.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, 1°, 2°, 3°, le membre de phrase " rubrique 32.7, b), 4° " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 32.7.2°, c) " ;
  2° dans l'alinéa 2, 4°, le membre de phrase " rubrique 32.7, b), 3° " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 32.7.2°, b) " ;
  3° dans l'alinéa 2, 5°, le membre de phrase " rubrique 32.7, a), 2° " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 32.7.1°, c) " et le membre de phrase " 32.7, a), 3° " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 32.7.1°, b) " ;
  4° dans l'alinéa 2, 6°, le membre de phrase " rubrique 32.7, b), 2° " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 32.7.2°, a) ".
Art. 28. In artikel 5.38.0.2, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO)" vervangen door de zinsnede "minimaal behoren tot de brandklasse A1, getest conform NBN EN 13501-1 ofwel brandklasse A0, getest conform NBN S 21-203, voor lokalen die gebouwd zijn voor 1 december 2016".
Art. 28. Dans l'article 5.38.0.2, § 2, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " sont auto-extinguibles (NBN S21 - 203 catégorie AO) " est remplacé par le membre de phrase " lorsqu'ils relèvent au minimum de la classe de réaction au feu A1, testée conformément à la norme NBN EN 13501-1, ou de la classe de réaction au feu A0, testée conformément à la norme NBN S 21-203, pour les locaux construits avant le 1er décembre 2016 ".
Art. 29. In artikel 5.53.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 29. Dans l'article 5.53.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 30. In artikel 5.53.3.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt de zin "De meetinrichtingen voor de in artikel 4.2.3.2, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 bedoelde debietsmeting worden geplaatst voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater." vervangen door de zin "De grondwaterwinning, tenzij deze enkel wordt geëxploiteerd via een hand-, voet- of neuspomp, wordt uitgerust met een meetinrichting, die geplaatst wordt voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater.".
Art. 30. Dans l'article 5.53.3.1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, la phrase " Les installations de mesurage utilisées pour mesurer le débit des eaux souterraines visé à l'article 4.2.3.2, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, sont placées avant le premier point de tirage des eaux souterraines. " est remplacée par la phrase " Le captage d'eau souterraine, à moins qu'il ne soit exploité que via une pompe manuelle, à pédale ou à nez, est équipé d'un dispositif de mesure placé en amont de la première prise d'eau des eaux souterraines captées. ".
Art. 31. In artikel 5.53.3.3, § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 en 7 juni 2013, wordt de zinsnede ", per fax of" vervangen door de woorden "of via".
Art. 31. Dans l'article 5.53.3.3, § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 janvier 2006 et 7 juin 2013, le membre de phrase " , par fax ou " est remplacé par le mot " ou ".
Art. 32. In artikel 5.53.5.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het woord "vergunningsplichtige" wordt vervangen door de woorden "vergunnings- en meldingsplichtige";
  2° tussen het woord "grondwaterwinning" en de zinsnede ", zodat haar toezichthouders" worden de woorden "en de bijbehorende peilputten" ingevoegd.
Art. 32. A l'article 5.53.5.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le mot " autorisé " est remplacé par les mots " soumis à autorisation et à déclaration " ;
  2° les mots " et les trous de sondage y afférents " sont insérés avant le membre de phrase " , de sorte que ses contrôleurs ".
Art. 33. In artikel 5.53.6.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Elke bemaling wordt gedimensioneerd en geëxploiteerd conform een code van goede praktijk.
  Het onttrokken volume bemalingswater wordt maximaal beperkt en maximaal opnieuw in de grond gebracht door gebruik van de beste beschikbare technieken. Daarvoor kunnen retourputten, infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten worden gebruikt. Het terug in de grond brengen van het bemalingswater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag het gedeelte van het bemalingswater, dat niet terug in de grond gebracht wordt, nuttig gebruikt worden als de bemaling niet volledig of gedeeltelijk op een perceel ligt dat een risicogrond is als vermeld in artikel 2, 13° van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, of op een perceel waarvoor een decretaal bodemonderzoek is uitgevoerd conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.
  Tenzij voldaan wordt aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie brengt de exploitant aan elk aftappunt duidelijke signalisatie aan dat het water niet bestemd is voor menselijke consumptie.
  De exploitant neemt bij het beschikbaar stellen van bemalingswater alle mogelijke maatregelen om bijkomende hinder te voorkomen. De aftappunten worden voorzien op veilig bereikbare plaatsen. Indien gebruik gemaakt wordt van een motorvoertuig voor het transport van bemalingswater, gebeurt het aftappen niet voor 7 uur en niet na 19 uur, en ook niet op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning. De uren waarop bemalingswater beschikbaar gesteld wordt, worden duidelijk geafficheerd bij het aftappunt.
  Het bemalingswater dat niet terug in de grond gebracht of nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater. Lozing op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning mag niet geloosd worden in de openbare riolering als er zich binnen een afstand van 200 meter van de bemalingspomp een kunstmatige afvoer voor hemelwater of oppervlaktewater bevindt die via openbaar domein bereikbaar is. Volumes groter dan 10 m3 per uur mogen alleen geloosd worden in een openbare riolering die aangesloten is op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, mits de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van deze installatie. De lozing van het bemalingswater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.";
  2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voldoet het bemalingswater dat terug in de ondergrond wordt ingebracht, aan:
  1° de milieukwaliteitsnormen voor grondwater bedoeld in het eerste lid van artikel 2.4.1.1, § 2, met uitzondering van de normen voor geleidbaarheid, chloride en microbiologische parameters;
  2° de richtwaarde voor grondwater zoals vastgelegd in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 voor zover er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform het eerste lid van artikel 2.4.1.1, § 2;
  3° voor toxische, persistente of bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, of andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid, bij ontstentenis van een waarde voor de stof zoals bepaald in punten 1° en 2° : de rapportagegrens voor grondwater volgens de referentiemeetmethode.
  Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag:
  1° bemalingswater met een geleidbaarheid bij 20° C hoger dan 1600µS/cm enkel terug in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of hogere geleidbaarheid heeft;
  2° bemalingswater met een chlorideconcentratie hoger dan 250mg/l enkel terug in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of hogere chlorideconcentratie heeft.
  Voor bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten geldt een nieuwe, strengere waarde zoals bedoeld in het eerste lid na twaalf maanden. Die termijn begint vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze nieuwe waarde.
  In dit artikel wordt verstaan onder bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten: de ingedeelde inrichtingen of activiteiten die zijn vergund of waarvan akte genomen is voor de inwerkingtreding van de nieuwe waarde.";
  3° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Met behoud van de toepassing van artikel 5.53.3.1 worden debietmeters voorzien zodat per watervoerende laag het volume bemalingswater dat niet terug in de watervoerende laag gebracht kan worden, en het volume bemalingswater dat nuttig gebruikt wordt, bepaald kunnen worden.".
Art. 33. A l'article 5.53.6.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Chaque exhaure est dimensionnée et exploitée conformément à un code de bonne pratique.
  Le volume d'eaux d'exhaure prélevé est limité autant que possible et renvoyé au maximum dans le sol en utilisant les meilleures techniques disponibles. A cet effet, il peut être fait usage de puits de retour ou de puits, bassins ou douves d'infiltration. Le renvoi des eaux d'exhaure dans le sol ne peut pas provoquer d'inondation pour les tiers.
  Sauf stipulation contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, la fraction des eaux d'exhaure qui n'est pas renvoyée dans le sol peut être valorisée si l'exhaure n'est pas située en tout ou en partie sur une parcelle qui constitue un terrain à risque, tel que visé à l'article 2, 13°, du décret relatif au sol du 27 octobre 2006, ou sur une parcelle pour laquelle une reconnaissance du sol décrétale a été effectuée conformément à l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007.
  A moins que les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2002 portant réglementation relative à la qualité et la fourniture des eaux destinées à la consommation humaine ne soient respectées, l'exploitant appose sur chaque prise d'eau une signalisation claire indiquant que l'eau n'est pas destinée à la consommation humaine.
  Lors de la mise à disposition d'eaux d'exhaure, l'exploitant prend toutes les mesures possibles afin d'éviter des désagréments supplémentaires. Les prises d'eau sont prévues à des endroits accessibles en toute sécurité. Si un véhicule à moteur est utilisé pour le transport d'eaux d'exhaure, les prélèvements n'ont pas lieu entre 19 h et 7 h ni les dimanches et jours fériés, sauf stipulation contraire dans le permis d'environnement. Les heures auxquelles les eaux d'exhaure sont mises à disposition sont clairement affichées près de la prise d'eau.
  Les eaux d'exhaure qui ne peuvent pas être renvoyées dans le sol ou valorisées sont déversées dans les eaux de surface, dans une voie artificielle d'écoulement des eaux pluviales ou dans la partie du système d'égout séparatif destinée à l'évacuation des eaux pluviales Le déversement dans un égout public n'est autorisé que si, conformément aux meilleures techniques disponibles, il n'est pas possible de se débarrasser de cette eau d'une autre manière. Sauf stipulation contraire dans le permis d'environnement, le déversement dans l'égout public n'est pas autorisé si une voie artificielle d'écoulement des eaux pluviales ou des eaux de surface, accessible par le domaine public, se trouve dans une zone s'étendant jusqu'à 200 mètres de la pompe d'exhaure. Des volumes supérieurs à 10 m3 par heure ne peuvent être déversés dans un égout public raccordé à une station d'épuration des eaux d'égout que moyennant l'autorisation expresse de son exploitant. Le déversement des eaux d'exhaure ne peut pas provoquer d'inondation pour les tiers. " ;
  2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Sauf stipulation contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, les eaux d'exhaure renvoyées dans le sous-sol satisfont :
  1° aux normes de qualité environnementale pour les eaux souterraines visées à l'alinéa 1er de l'article 2.4.1.1, § 2, à l'exception des normes pour la conductivité, le chlorure et les paramètres microbiologiques ;
  2° à la valeur guide pour les eaux souterraines telle que fixée dans l'annexe II de l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007, pour autant qu'aucune norme de qualité environnementale n'ait été définie pour la substance conformément à l'alinéa 1er de l'article 2.4.1.1, § 2 ;
  3° pour les substances ou groupes de substances qui sont toxiques, persistantes et bioaccumulables, et autres substances ou groupes de substances qui sont considérées, à un degré équivalent, comme sujettes à caution, à défaut d'une valeur pour la substance telle que déterminée aux points 1° et 2° : la limite de notification pour les eaux souterraines selon la méthode de mesure de référence.
  Sauf stipulation contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée :
  1° les eaux d'exhaure d'une conductivité à 20 ° C supérieure à 1600µS/cm ne peuvent être renvoyées dans le sous-sol que si les eaux souterraines réceptrices présentent une conductivité identique ou supérieure ;
  2° les eaux d'exhaure d'une concentration en chlorure supérieure à 250 mg/l ne peuvent être renvoyées dans le sous-sol que si les eaux souterraines réceptrices présentent une concentration en chlorure identique ou supérieure.
  En ce qui concerne les établissements ou activités classés existants, une nouvelle valeur plus stricte telle que visée à l'alinéa 1er s'applique après douze mois. Ce délai commence à courir à compter de la date de l'entrée en vigueur de cette nouvelle valeur.
  Dans le présent article, on entend par établissements ou activités classés existants : les établissements ou activités classés qui ont été autorisés ou dont acte a été pris avant l'entrée en vigueur de la nouvelle valeur. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 5 rédigé comme suit :
  " § 5. Sans préjudice de l'application de l'article 5.53.3.1, des débitmètres sont prévus de manière à pouvoir déterminer, par aquifère, le volume d'eaux d'exhaure qui ne peut pas être renvoyé dans l'aquifère et le volume d'eaux d'exhaure qui est valorisé. ".
Art. 34. Aan artikel 5.53.6.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. In afwijking van artikel 5.53.3.1 geldt de opgelegde verplichting om te voorzien in een meetinrichting, niet voor draineringen als vermeld in subrubriek 53.3 van de indelingslijst.".
Art. 34. A l'article 5.53.6.1.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, il est ajouté un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Par dérogation à l'article 5.53.3.1, l'obligation imposée de prévoir des dispositifs de mesure ne s'applique pas aux drainages tels que visés à la sous-rubrique 53.3 de la liste de classification. ".
Art. 35. In artikel 5.54.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 35. Dans l'article 5.54.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 36. In artikel 5.55.1.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "vergunningsplichtige" vervangen door de woorden "vergunnings- en meldingsplichtige".
Art. 36. Dans l'article 5.55.1.3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, le mot " autorisé " est remplacé par les mots " soumis à autorisation et à déclaration ".
Art. 37. In artikel 5.60.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018, wordt de zin:
  "De bouwheer moet via een studie die uitgevoerd is door een bodemsaneringsdeskundige volgens de standaardprocedure, het bewijs leveren dat het gebruik van de bodemmaterialen als bodem geen bijkomende verontreiniging van het grondwater kan veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigde stoffen geen extra risico oplevert."
  vervangen door wat volgt:
  "Voor elke opvulling levert de bouwheer via een studie, die een bodemsaneringsdeskundige volgens de standaardprocedure uitgevoerd heeft, het bewijs van de volgende elementen:
  1° het gebruik van de bodemmaterialen als bodem heeft geen negatieve effecten op het watersysteem en kan geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaken;
  2° mogelijke blootstelling aan de verontreinigde stoffen levert geen extra risico op.".
Art. 37. Dans l'article 5.60.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2018, la phrase :
  " Le maître d'ouvrage doit fournir la preuve, étayée par une étude réalisée par un expert en assainissement du sol suivant la procédure standard, que l'utilisation des matériaux de sol comme sol ne peut engendrer aucune pollution supplémentaire des eaux souterraines et que l'exposition éventuelle aux substances polluantes ne comporte aucun risque supplémentaire. "
  est remplacé par ce qui suit :
  " Avant chaque remblayage, le maître d'ouvrage apporte, par le biais d'une étude qu'un expert en assainissement du sol a réalisée suivant la procédure standard, la preuve des éléments suivants :
  1° l'utilisation des matériaux du sol comme sol n'a pas d'incidences négatives sur le système d'eau et ne peut pas provoquer de pollution supplémentaire des eaux souterraines ;
  2° l'exposition potentielle aux polluants n'engendre pas de risque supplémentaire. ".
Art. 38. In artikel 6.5.5.3, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt het woord "ondubbelzinning" vervangen door het woord "ondubbelzinnig".
Art. 38. Dans l'article 6.5.5.3, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, dans la version néerlandaise, le mot " ondubbelzinning " est remplacé par le mot " ondubbelzinnig ".
Art. 39. Aan het opschrift van afdeling 6.8.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de woorden "en warmtepompen" toegevoegd.
Art. 39. Dans l'intitulé de la section 6.8.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, les mots " et pompes à chaleur " sont insérés entre le mot " fixes " et les mots " non classées ".
Art. 40. In artikel 6.8.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt het woord "koelinstallaties" telkens vervangen door de woorden "koelinstallaties of warmtepompen".
Art. 40. Dans l'article 6.8.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, les mots " installations de réfrigération fixes " sont chaque fois remplacés par les mots " installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur " et les mots " installations de réfrigération " sont chaque fois remplacés par les mots " installations de réfrigération ou pompes à chaleur ".
Art. 41. In artikel 6.8.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "vast opgestelde koelinstallaties" en de woorden "die gebruikmaken van" de woorden "en warmtepompen" ingevoegd;
  2° aan het tweede lid worden de woorden "en warmtepompen" toegevoegd;
  3° in het derde lid worden tussen de woorden "van een koelinstallatie" en de zinsnede ", worden uitgevoerd" de woorden "of een warmtepomp" ingevoegd;
  4° in het vierde lid worden tussen de woorden "de koelinstallaties" en de zinsnede ", vermeld in dit artikel" de woorden "en warmtepompen" ingevoegd.
Art. 41. A l'article 6.8.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 18 mars 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " et pompes à chaleur " sont insérés entre les mots " installations de réfrigération fixes " et le mot " utilisant " ;
  2° à l'alinéa 2, les mots " et pompes à chaleur " sont ajoutés ;
  3° dans l'alinéa 3, les mots " ou d'une pompe à chaleur " sont insérés entre les mots " d'une installation de réfrigération " et le membre de phrase " , sont effectuées " ;
  4° dans l'alinéa 4, les mots " et pompes à chaleur " sont insérés entre les mots " aux installations de réfrigération " et le mot " visées ".
Art. 42. Aan artikel 6.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 18 maart 2016 en 3 mei 2019, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De toezichthouder wordt minimaal twee dagen vóór de start van de werkzaamheden op de hoogte gebracht dat boringen in het kader van de aanleg van de grondwaterwinningen, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd.".
Art. 42. A l'article 6.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2013, 18 mars 2016 et 3 mai 2019, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le contrôleur est informé, au moins deux jours avant le début des travaux, de ce que des forages sont exécutés dans le cadre de l'aménagement des captages d'eau souterraine visés à l'alinéa 1er. ".
Art. 43. Aan artikel 6.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De toezichthouder wordt minimaal twee dagen vóór de start van de werkzaamheden op de hoogte gebracht dat boringen in het kader van de aanleg van thermische energieopslag in boorgaten worden uitgevoerd of dat een of meer leidingen of putten bij die systemen worden gewijzigd of buiten dienst worden gesteld.".
Art. 43. A l'article 6.9.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 5 rédigé comme suit :
  " § 5. Le contrôleur est informé, au moins deux jours avant le début des travaux, de ce que des forages sont exécutés dans le cadre de l'aménagement d'un stockage d'énergie thermique dans des trous de forage ou de ce qu'un(e) ou plusieurs canalisations ou puits sont modifiés ou mis hors service par ces systèmes ".
Art. 44. Artikel 6.9.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 44. L'article 6.9.1.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, est abrogé.
Art. 45. In deel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt hoofdstuk 6.13, dat bestaat uit artikel 6.13.1 tot en met 6.13.4, vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk 6.13. Niet-ingedeelde elektrische apparaten en niet-ingedeelde inrichtingen voor de opslag van elektriciteit
  Afdeling 6.13.1. Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 6.13.1.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende inrichtingen:
  1° verplaatsbare transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA of meer die opgesteld zijn op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken;
  2° andere transformatoren dan de transformatoren, vermeld in punt 1°, met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1000 kVA;
  3° vast opgestelde batterijen waarvan het product van de capaciteit, uitgedrukt in Ah, met de klemspanning, uitgedrukt in V, meer bedraagt dan 10.000;
  4° vaste inrichtingen (laadpalen en dergelijke) met een geïnstalleerd totaal vermogen van meer dan 10 kW voor het laden van batterijen, al dan niet als onderdeel van een voertuig;
  5° vast opgestelde motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn en die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven.
  Art. 6.13.1.2. De elektrische installaties en toestellen in de inrichting beantwoorden aan de bepalingen van de codex over het welzijn op het werk en van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
  Art. 6.13.1.3. De inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, zijn uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.
  Art. 6.13.1.4. De inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, voldoen aan de bepalingen van afdeling 4.5.5.
  Art. 6.13.1.5. Installaties die (technologische) warmte produceren in lokalen waar producten, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 conform de CLP-verordening, worden opgeslagen, mogen niet in direct contact staan met de opgeslagen producten en ook geen hogere oppervlaktetemperatuur dan 100 ° C bezitten.
  Afdeling 6.13.2. Transformatoren, vast opgestelde batterijen en vaste inrichtingen voor het laden van batterijen
  Art. 6.13.2.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, 1°, 2°, 3° en 4°.
  Art. 6.13.2.2. § 1. Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, beantwoorden de transformatoren aan al de volgende voorwaarden:
  1° transformatoren die pcb's of pct's bevatten, zoals askareltransformatoren, zijn verboden;
  2° de transformatoren zijn beschermd tegen het binnendringen van regenwater of grondwater;
  3° de bouwelementen van het lokaal waarin de transformator is geplaatst, voldoen aan al de volgende eisen:
  a) de wanden hebben een brandwerendheid van EI 60, behalve de scheidingswanden die aan de buitenlucht grenzen, de vloeren en de plafonds of daken;
  b) de binnendeuren en vensters hebben een brandwerendheid van EI1 30 en zijn voorzien van een automatisch sluitingsmechanisme, waarbij ze niet geblokkeerd mogen worden in open stand;
  4° de nodige maatregelen zijn getroffen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. Daarvoor wordt onder de transformator in een vloeistofdichte inkuiping voorzien die bij een lekkage de diëlektrische vloeistof opvangt. Bij een bestaande transformator wordt die inkuiping aangebracht bij een eerste vernieuwing, wijziging, vervanging of verplaatsing van de transformator.
  De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet van toepassing op transformatoren die in de openlucht of in gesloten metalen kasten opgesteld zijn.
  § 2. De voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op pcb- of pct-bevattende transformatoren die conform artikel 5.2.8.5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) verder mogen worden gebruikt. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, worden voor de voormelde transformatoren die pcb's of pct's bevatten, de volgende voorwaarden nageleefd:
  1° de transformatoren worden uitsluitend opgesteld in de openlucht of in een brandvrij lokaal dat daarvoor bestemd is. In dat lokaal worden geen transformatoren opgesteld die geen pcb's of pct's bevatten, tenzij in een brandweerstandbiedende scheiding tussen de verschillende transformatoren met een brandwerendheid EI1 30 is voorzien. Op de buitenwand van de toegangsdeur(en) tot het voormelde lokaal en in dat lokaal zelf wordt met letters van ten minste acht centimeter hoogte duidelijk leesbaar de volgende tekst aangebracht: "Opgelet: pcb-houdende transfo". De voormelde tekst mag worden vervangen door de reglementaire pictogrammen, die ter zake gelden. Het voormelde lokaal wordt verlucht via een verluchtingsrooster met een brandwerendheid van EI60. In de gesloten elektriciteitslokalen mogen alternatieve maatregelen worden getroffen op voorwaarde dat die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;
  2° de transformatoren worden regelmatig op lekken gecontroleerd. Eventuele lekken worden onmiddellijk gedicht. De toezichthouder wordt op de hoogte gebracht van elk vastgesteld lek en van de getroffen maatregelen;
  3° alle materialen die met pcb's of pct's verontreinigd zijn, met inbegrip van poetsdoeken, werkkledij en dergelijke, worden afgevoerd naar een inrichting voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
  4° het aflaten van olie met pcb's en pct's of het wegnemen van de buitenplaten, de zogenaamde ontkuiping, wordt uitsluitend uitgevoerd door een firma die daarvoor vergund is. Door mogelijke residuele pcb's of pct's mag het hervullen niet gebeuren met gewone (brandbare) olie, maar wel met bijvoorbeeld siliconenolie;
  5° met behoud van de toepassing van het voormelde besluit van 17 februari 2012 met betrekking tot pcb's gelden voor de bestaande transformatoren die pcb's bevatten, de volgende voorwaarden:
  a) het bijvullen van transformatoren met pcb's is verboden;
  b) het onderhoud van transformatoren die pcb's bevatten, mag, totdat ze conform het voormelde besluit van 17 februari 2012 met betrekking tot pcb's gereinigd worden, buiten gebruik worden gesteld of verwijderd worden, uitsluitend worden voortgezet als het doel ervan is ervoor te zorgen dat de pcb's die de apparaten bevatten, voldoen aan de technische normen of specificaties inzake diëlektrische kwaliteit, op voorwaarde dat de transformatoren in goede staat zijn en geen lekken vertonen.
  Art. 6.13.2.3. De vast opgestelde batterijen die geen droge batterijen zijn, zijn ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is, of in een ruimte of kast die uitsluitend daarvoor bestemd is. Het daarvoor bestemde lokaal is gebouwd met bouwmaterialen brandklasse A1 voor de verticale wanden en het plafond en met bouwmaterialen brandklasse A1FL voor de vloer, met een brandwerendheid EI1 30. De deuren tussen het lokaal en de rest van de gebouwen hebben dezelfde brandwerendheid en zijn voorzien van een automatische sluiting.
  De vloer van het lokaal, vermeld in het eerste lid, bestaat uit ondoordringbare materialen die inert zijn voor elektrolyten. Hij wordt zo aangelegd dat elke verontreiniging van het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem wordt voorkomen.
  Art. 6.13.2.4. De lokalen waarin de vast opgestelde batterijen en de vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn ondergebracht, worden bestendig en doeltreffend verlucht conform NBN EN 62485-3.
  Art. 6.13.2.5. De lokalen waarin de vast opgestelde transformatoren, de vast opgestelde batterijen die geen droge batterijen zijn, en de vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn ondergebracht, worden alleen verwarmd door toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.
  In de lokalen, vermeld in het eerste lid, zijn draagbare en mobiele blustoestellen aanwezig naar rato van minimaal 1 bluseenheid per 150 m2, met minstens 2 bluseenheden per constructieniveau. Ten minste de helft van de mobiele blustoestellen heeft een capaciteit van 1 of 1,5 bluseenheid.
  Het tweede lid is niet van toepassing op transformatoren in afgesloten elektriciteitscabines die voldoen aan de technische voorschriften voor de aansluiting van een elektriciteitscabine, vermeld in de voorschriften van C2/112 van Synergrid. Een staving met een keuring van een erkend controleorganisme, of met een keuring of document van de distributienetbeheerder waarin beschreven is dat aan de voorschriften van C2/112 voldaan wordt, wordt altijd ter beschikking van de toezichthouder gehouden.
  In de lokalen, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende verplichtingen:
  1° met behoud van de toepassing van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en de codex over het welzijn op het werk mogen werkzaamheden met gereedschappen die vonken, gensters, een blanke vlam of een hittepunt met een temperatuur van boven de 400 ° C opwekken, alleen uitgevoerd worden met een vuurvergunning. Een vuurvergunning is een voorafgaandelijk geschreven machtiging die de werkgever of zijn aangestelde verleent, waarin alle afspraken en voorwaarden opgenomen zijn om een bepaald werk veilig uit te voeren;
  2° het is verboden te roken. Dat rookverbod wordt in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en in de lokalen aangeplakt;
  3° de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn opgetrokken uit materialen die ingedeeld zijn in brandklasse A1.
  Art. 6.13.2.6. § 1. Vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn minstens 2,5 meter verwijderd van bouwmaterialen die niet voldoen aan de brandklasse A1 of van brandbare goederen, of zijn ondergebracht in een afzonderlijk lokaal, zoals vereist voor vast opgestelde batterijen conform artikel 6.13.2.3.
  § 2. Tussen de bovengrondse opslag van gevaarlijke producten die worden gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 conform de CLP-verordening, en brandbare vloeistoffen enerzijds, en de plaats om het voertuig te stationeren tijdens het laden door een inrichting met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 10 kW anderzijds, wordt een scheidingsafstand van vijf meter gerespecteerd.
  Tussen een bovengrondse opslagplaats van een gas van groep 1 in verplaatsbare recipiënten met opslagcapaciteit van meer dan 5000 liter of in een vast ongekoeld gasreservoir met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 liter enerzijds en de plaats om het voertuig te stationeren tijdens het laden door een inrichting met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 10 kW anderzijds, wordt een scheidingsafstand van 7,5 meter gerespecteerd.".
Art. 45. Dans la partie 6 du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, le chapitre 6.13, comportant les articles 6.13.1 à 6.13.4, est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 6.13. Equipements électriques non classés et installations non classées de stockage d'électricité
  Section 6.13.1. Dispositions communes
  Art. 6.13.1.1. Le présent chapitre s'applique aux installations suivantes :
  1° les transformateurs mobiles d'une puissance nominale individuelle égale ou supérieure à 100 kVA, montés sur un chantier pour l'exécution de travaux de construction, de démolition ou de voirie proprement dits ;
  2° les transformateurs autres que ceux visés au point 1°, d'une puissance nominale individuelle de 100 kVA à 1000 kVA ;
  3° les batteries stationnaires dont le produit de la capacité, exprimée en Ah, et de la tension aux bornes, exprimée en V, s'élève à plus de 10.000 ;
  4° les installations fixes (bornes de recharge, etc.), d'une puissance totale installée supérieure à 10 kW, de recharge de batteries, faisant ou non partie d'un véhicule ;
  5° les moteurs stationnaires d'une puissance thermique nominale inférieure à 1 MW, exploités moins de 100 heures par année calendrier et entraînant des générateurs de secours ou des pompes d'incendie.
  Art. 6.13.1.2. Les installations et appareils électriques à l'intérieur de l'établissement répondent aux dispositions du Code sur le bien-être au travail et du Règlement général sur les installations électriques (R.G.I.E.).
  Art. 6.13.1.3. Les installations visées à l'article 6.13.1.1 sont mises en oeuvre suivant un code de bonne pratique.
  Art. 6.13.1.4. Les installations visées à l'article 6.13.1.1 satisfont aux dispositions de la section 4.5.5.
  Art. 6.13.1.5. Les installations qui produisent de la chaleur (technologique) dans des locaux où sont stockés des produits caractérisés par le pictogramme de danger GHS02 conformément au règlement CLP ne peuvent pas être en contact direct avec les produits stockés ni présenter une température de surface supérieure à 100 ° C.
  Section 6.13.2. Transformateurs, batteries stationnaires et installations fixes de recharge de batteries
  Art. 6.13.2.1. La présente section s'applique aux installations visées à l'article 6.13.1.1, 1°, 2°, 3° et 4°.
  Art. 6.13.2.2. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'arrêté royal du 9 juillet 1986 réglementant les substances et préparations contenant des polychlorobiphényles et polychloroterphényles, les transformateurs remplissent toutes les conditions suivantes :
  1° les transformateurs contenant des PCB ou des PCT, comme les transformateurs askarel, sont interdits ;
  2° les transformateurs sont protégés contre la pénétration d'eaux pluviales ou d'eaux souterraines ;
  3° les éléments de construction du local dans lequel le transformateur a été installé satisfont à toutes les exigences suivantes :
  a) les parois présentent une résistance au feu de EI 60, sauf les cloisons en contact avec l'air extérieur, les planchers et les plafonds ou les toitures ;
  b) les portes intérieures et fenêtres présentent une résistance au feu de EI1 30 et sont munies d'un mécanisme de fermeture automatique par lequel elles ne peuvent pas être bloquées en position ouverte ;
  4° les mesures nécessaires ont été prises pour prévenir la pollution des eaux du sol et des eaux souterraines. A cet effet, un encuvement étanche aux liquides, qui collecte le liquide diélectrique en cas de fuite, est prévu sous le transformateur. Dans le cas d'un transformateur existant, cet encuvement est aménagé au premier renouvellement, changement, remplacement ou déplacement du transformateur.
  La condition visée à l'alinéa 1er, 3°, ne s'applique pas aux transformateurs montés en plein air ou dans des armoires métalliques fermées.
  § 2. La condition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ne s'applique pas aux transformateurs contenant des PCB ou des PCT qui peuvent continuer à être utilisés conformément à l'article 5.2.8.5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets (VLAREMA). Sans préjudice de l'application des conditions visées au paragraphe 1er, les conditions suivantes sont respectées pour les transformateurs précités qui contiennent des PCB ou des PCT :
  1° les transformateurs sont montés exclusivement en plein air ou dans un local ignifugé destiné à cet effet. Des transformateurs ne contenant pas de PCB ou de PCT ne sont pas montés à l'intérieur de ce local à moins qu'une séparation présentant une résistance au feu EI1 30 soit prévue entre les différents transformateurs. Le texte suivant, clairement lisible, en caractères d'au moins 8 cm de hauteur, est apposé sur la paroi extérieure de la ou des portes d'accès au local précité et à l'intérieur du local même : " Attention : transformateurs contenant des PCB ". Le texte précité peut être remplacé par les pictogrammes réglementaires applicables en la matière. Le local précité est ventilé par une grille d'aération présentant une résistance au feu EI60. Dans les locaux électriques fermés, des mesures alternatives peuvent prises pour autant qu'elles offrent des garanties de sécurité équivalentes ;
  2° les transformateurs sont régulièrement contrôlés quant à la présence de fuites. Les fuites éventuelles sont immédiatement colmatées. Le contrôleur est informé de toute fuite constatée et des mesures prises ;
  3° tous les matériaux contaminés par des PCB ou des PCT, y compris les chiffons, les vêtements de travail, etc., sont évacués vers une installation destinée à l'élimination des déchets dangereux ;
  4° seule une entreprise autorisée à cet effet procède à la vidange d'huile contaminée par des PCB et des PCT ou au retrait des tôles extérieures, ledit décuvement. En raison d'éventuels PCB ou PCT résiduels, la recharge ne peut pas être effectuée avec de l'huile ordinaire (combustible), mais avec de l'huile de silicones par exemple ;
  5° Sans préjudice de l'application de l'arrêté précité du 17 février 2012 en ce qui concerne les PCB, les conditions suivantes s'appliquent aux transformateurs existants qui contiennent des PCB :
  a) le remplissage des transformateurs avec des PCB est interdit ;
  b) en attendant leur décontamination, leur mise hors service et/ou leur élimination conformément à l'arrêté précité du 17 février 2012 en ce qui concerne les PCB, l'entretien des transformateurs contenant des PCB peut continuer uniquement si l'objectif est d'assurer que les PCB qu'ils contiennent sont conformes aux normes ou spécifications techniques relatives à la qualité diélectrique et à condition que les transformateurs soient en bon état de fonctionnement et ne présentent pas de fuite.
  Art. 6.13.2.3. Les batteries stationnaires, autres que des batteries sèches, sont abritées dans un local exclusivement destiné à cet effet ou dans un espace ou une armoire exclusivement destiné(e) à cet effet. Le local destiné à cet effet est construit avec des matériaux répondant à la classe de réaction au feu A1 pour les parois verticales et le plafond et avec des matériaux répondant à la classe de réaction au feu A1FL pour le plancher, d'une résistance au feu EI1 30. Les portes entre le local et le reste des bâtiments présentent la même résistance au feu et sont munies d'une fermeture automatique.
  Le plancher du local visé à l'alinéa 1er se compose de matériaux imperméables inertes aux électrolytes. Il est construit de manière à prévenir toute contamination des eaux souterraines, des eaux de surface et du sol.
  Art. 6.13.2.4. Les locaux abritant les batteries stationnaires et les installations fixes de recharge de batteries sont ventilés de façon permanente et efficace conformément à la norme NBN EN 62485-3.
  Art. 6.13.2.5. Les locaux abritant les transformateurs fixes, les batteries stationnaires autres que des batteries sèches et les installations fixes de recharge de batteries ne sont chauffés qu'au moyen d'appareils dont l'installation et l'utilisation offrent des garanties suffisantes pour prévenir tout risque d'incendie et d'explosion.
  Dans les locaux visés à l'alinéa 1er, des extincteurs portables et mobiles sont présents à raison d'au moins une unité d'extinction par 150 m2, avec au moins deux unités d'extinction par niveau de construction. Au moins la moitié des extincteurs mobiles présente une capacité de 1 ou 1,5 unité d'extinction.
  L'alinéa 2 ne s'applique pas aux transformateurs à l'intérieur de cabines électriques fermées répondant aux prescriptions techniques de raccordement d'une cabine électrique, visées dans les prescriptions C2/112 de Synergrid. Le justificatif d'un contrôle effectué par organisme agréé ou d'un contrôle ou document du gestionnaire du réseau de distribution décrivant la conformité aux prescriptions C2/112 est toujours tenu à la disposition du contrôleur.
  Les obligations suivantes s'appliquent à l'intérieur des locaux visés à l'alinéa 1er :
  1° Sans préjudice de l'application du Règlement général pour la protection du travail et du Code sur le bien-être au travail, des travaux à l'aide d'outils générant des étincelles, des projections incandescentes, une flamme nue ou un point chaud d'une température supérieure à 400 ° C ne peuvent être effectués que moyennant un permis de feu. Un permis de feu est une autorisation écrite préalable accordée par l'employeur ou son préposé, dans laquelle figurent tous les accords et conditions pour exécuter un travail donné en toute sécurité ;
  2° il est interdit de fumer. Cette interdiction de fumer est affichée en caractères bien lisibles ou au moyen de pictogrammes réglementaires sur la paroi extérieure des portes d'accès et à l'intérieur des locaux ;
  3° les cheminées et conduits d'évacuation des vapeurs et brouillards aspirés sont réalisés dans des matériaux classés dans la classe de réaction au feu A1.
  Art. 6.13.2.6. § 1er. Les installations fixes de recharge de batteries sont distantes d'au moins 2,5 mètres de matériaux de construction qui ne répondent pas à la classe de réaction au feu A1 ou de biens combustibles ou sont abritées dans un local séparé comme requis pour les batteries stationnaires conformément à l'article 6.13.2.3.
  § 2. Une distance de cinq mètres est respectée entre le stockage aérien de produits dangereux caractérisés par le pictogramme de danger GHS02, conformément au règlement CLP, et de liquides inflammables, d'une part, et le lieu de stationnement du véhicule durant la recharge par une installation d'une puissance installée supérieure à 10 kW, d'autre part.
  Une distance de 7,5 mètres est respectée entre le stockage aérien d'un gaz du groupe 1 en récipients mobiles d'une capacité de stockage supérieure à 5000 litres ou en réservoir fixe non réfrigéré d'une capacité de stockage supérieure à 10.000 litres, d'une part, et le lieu de stationnement du véhicule durant la recharge par une installation d'une puissance installée supérieure à 10 kW, d'autre part. ".
Art. 46. In bijlage 1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° rubriek 9.2 wordt vervangen door wat volgt:
Art. 46. A l'annexe 1 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la rubrique 9.2 est remplacée par ce qui suit :
9.2 Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden       
 1° Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) gefokt of gehouden worden die door hun agressiviteit, giftigheid, invasief karakter (conform de `Unielijst' zoals opgenomen in de EU-verordening 1143/2014 van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten) of die door hun gedrag een gevaar inhouden, zoals schorpioenen, zwarte weduwe, enz. vanaf 1 volwassen dier. 2     
  
 2° inrichtingen waarin volwassen amfibieën of reptielen andere dan ingedeeld in rubriek 9.2.1. gefokt of gehouden worden      
  
 a) tot en met 30 dieren, uitgezonderd schildpadden 3     
  
 b) meer dan 30 dieren 2     
9.2 Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden 1° Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) gefokt of gehouden worden die door hun agressiviteit, giftigheid, invasief karakter (conform de `Unielijst' zoals opgenomen in de EU-verordening 1143/2014 van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten) of die door hun gedrag een gevaar inhouden, zoals schorpioenen, zwarte weduwe, enz. vanaf 1 volwassen dier. 2
inrichtingen waarin volwassen amfibieën of reptielen andere dan ingedeeld in rubriek 9.2.1. gefokt of gehouden worden
a) tot en met 30 dieren, uitgezonderd schildpadden 3
b) meer dan 30 dieren 2
";
  2° in rubriek 12.1 worden de zinnen:
  "uitzonderingen:
  - elektriciteitsproductie op basis van zonne-energie is niet ingedeeld
  - verplaatsbare elektriciteitsproductiegroepen tijdelijk ingezet voor de elektrische voeding van werktuigen, toestellen en installaties gebruikt bij de uitvoering van de eigenlijke bouw-, sloop- of wegeniswerken en verplaatsbare elektrische noodgroepen zijn niet ingedeeld in rubriek 12.1."
  vervangen door de zinnen:
  "uitzonderingen:
  - elektriciteitsproductie op basis van zonne-energie is niet ingedeeld
  - verplaatsbare elektriciteitsproductiegroepen tijdelijk ingezet voor de elektrische voeding van werktuigen, toestellen en installaties gebruikt bij de uitvoering van de eigenlijke bouw-, sloop- of wegeniswerken en verplaatsbare elektrische noodgroepen zijn niet ingedeeld in rubriek 12.1.
  - noodstroomgroepen met een elektrisch schijnbaar vermogen van minder dan 400 kVA die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, zijn niet ingedeeld in deze rubriek. De exploitant van die installaties registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.";
  3° in rubriek 12.2 wordt punt 1° opgeheven;
  4° rubriek 12.3 wordt opgeheven;
  5° aan rubriek 12 wordt een rubriek 12.5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "
9.2 Etablissements où sont élevés ou détenus des amphibiens, reptiles ou invertébrés (insectes, arachnides et myriapodes) autres que ceux classés sous la rubrique 9.1       
 1° Etablissements où sont élevés ou détenus des amphibiens, reptiles ou invertébrés (insectes, arachnides et myriapodes) qui, en raison de leur agressivité, de leur toxicité, de leur caractère envahissant (conformément à la " liste de l'Union " telle que repris dans le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes) ou de leur comportement, représentent un danger, comme les scorpions, veuves noires, etc., à partir de 1 animal adulte. 2     
  
 2° établissements où sont élevés ou détenus des amphibiens ou reptiles adultes autres que ceux classés sous la rubrique 9.2.1.      
  
 a) jusqu'à 30 animaux, à l'exception des tortues 3     
  
 b) plus de 30 animaux 2     
9.2 Etablissements où sont élevés ou détenus des amphibiens, reptiles ou invertébrés (insectes, arachnides et myriapodes) autres que ceux classés sous la rubrique 9.1 1° Etablissements où sont élevés ou détenus des amphibiens, reptiles ou invertébrés (insectes, arachnides et myriapodes) qui, en raison de leur agressivité, de leur toxicité, de leur caractère envahissant (conformément à la " liste de l'Union " telle que repris dans le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes) ou de leur comportement, représentent un danger, comme les scorpions, veuves noires, etc., à partir de 1 animal adulte. 2
établissements où sont élevés ou détenus des amphibiens ou reptiles adultes autres que ceux classés sous la rubrique 9.2.1.
a) jusqu'à 30 animaux, à l'exception des tortues 3
b) plus de 30 animaux 2
" ;
  2° dans la rubrique 12.1, les phrases :
  " exceptions :
  - la production d'électricité à base d'énergie solaire n'est pas classée
  - les groupes électrogènes mobiles utilisés temporairement pour l'alimentation électrique d'outils, d'appareils et d'installations utilisés lors de l'exécution des travaux de construction, de démolition ou de voirie proprement dits et les générateurs de secours mobiles ne sont pas classés dans la rubrique 12.1. "
  sont remplacées par les phrases :
  " exceptions :
  - la production d'électricité à base d'énergie solaire n'est pas classée
  - les groupes électrogènes mobiles utilisés temporairement pour l'alimentation électrique d'outils, d'appareils et d'installations utilisés lors de l'exécution des travaux de construction, de démolition ou de voirie proprement dits et les générateurs de secours mobiles ne sont pas classés dans la rubrique 12.1.
  - les générateurs de secours d'une puissance électrique apparente inférieure à 400 kVA, exploités moins de 100 heures par année calendrier, ne sont pas classés dans cette rubrique. L'exploitant de ces installations enregistre les heures pendant lesquelles les installations sont exploitées. " ;
  3° dans la rubrique 12.2, le point 1° est abrogé ;
  4° la rubrique 12.3 est abrogée ;
  5° à la rubrique 12, il est ajouté une rubrique 12.5 rédigée comme suit :
  "
12.5. Shuntreactoren 2     
12.5. Shuntreactoren 2
";
  6° in rubriek 31.1 worden tussen de zin "Motoren met inwendige verbranding die opgesteld zijn op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw, sloop- of wegenwerken, zijn niet (in deze rubriek) ingedeeld." en het woord "opmerkingen" de zinnen "Vast opgestelde motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn en die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven, zijn niet ingedeeld in deze rubriek. De exploitant van die installaties registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn." ingevoegd;
  7° in rubriek 53 worden tussen de woorden "De hierna vermelde inrichtingen" en de woorden "zijn niet ingedeeld" de woorden "die buiten beschermingszone type III liggen" ingevoegd;
  8° in rubriek 53 wordt de zin "a. een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt" vervangen door de zin "a. een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een hand-, voet-, of neuspomp wordt opgepompt";
  9° in rubriek 53.2 wordt de zinsnede "bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor ofwel de verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel de aanleg van openbare nutsvoorzieningen:" vervangen door de zinsnede "bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m3 bemalingswater per jaar:";
  10° rubriek 53.8 wordt vervangen door wat volgt:
12.5. Réacteurs en dérivation 2     
12.5. Réacteurs en dérivation 2
" ;
  6° dans la rubrique 31.1, entre la phrase " Les moteurs à combustion interne montés sur un chantier pour l'exécution de travaux de construction, de démolition ou de voirie proprement dits ne sont pas classés (dans cette rubrique). " et le mot " remarques ", sont insérées les phrases " Les moteurs stationnaires d'une puissance thermique nominale inférieure à 1 MW, exploités moins de 100 heures par année calendrier et entraînant des générateurs de secours ou des pompes d'incendie, ne sont pas classés dans cette rubrique. L'exploitant de ces installations enregistre les heures pendant lesquelles les installations sont exploitées. " ;
  7° dans la rubrique 53, le membre de phrase " , qui se situent en dehors d'une zone de protection de type III, " est inséré entre les mots " Les établissements ci-après " et les mots " ne sont pas classés " ;
  8° dans la rubrique 53 la phrase " a. Une exploitation d'eau souterraine depuis laquelle l'eau est uniquement pompée à l'aide d'une pompe manuelle " est remplacée par la phrase " a. un captage d'eau souterraine à partir duquel l'eau est exclusivement pompée au moyen d'une pompe manuelle, à pédale ou à nez " ;
  9° dans la rubrique 53.2 le membre de phrase " Epuisement des eaux, y compris refoulement des eaux souterraines non polluées dans le même aquifère, rendu techniquement indispensable tant pour la réalisation de travaux architectoniques que pour la pose d'équipements d'utilité publique : " est remplacé par le membre de phrase " exhaure techniquement nécessaire à la réalisation de travaux ou à l'aménagement d'équipements d'utilité publique, y compris, dans l'un et l'autre cas, le renvoi dans le sous-sol des eaux d'exhaure dans le même aquifère et la valorisation jusqu'à 5000 m3 maximum d'eaux d'exhaure par an : " ;
  10° la rubrique 53.8 est remplacée par ce qui suit :
53.8 andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan       
 1° het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m3 per jaar en      
  
 a) alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit en niet ingedeeld in rubriek 53.8.1° c) 3     
  
 b) minimaal één put een diepte heeft die groter is dan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit en niet ingedeeld in rubriek 53.8.1° c) 2 W N   
  
 c) het grondwater uitsluitend met een hand-, voet- of neuspomp wordt gewonnen, en die gelegen zijn binnen beschermingszone type III 3     
  
 2° het totaal opgepompte debiet groter is dan 5000 m3 per jaar en kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 m3 per jaar 2 W N   
  
 3° het totaal opgepompte debiet groter is dan 30.000 m3 per jaar 1 W N   
53.8 andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan 1° het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m3 per jaar en
a) alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit en niet ingedeeld in rubriek 53.8.1° c) 3
b) minimaal één put een diepte heeft die groter is dan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit en niet ingedeeld in rubriek 53.8.1° c) 2 W N
c) het grondwater uitsluitend met een hand-, voet- of neuspomp wordt gewonnen, en die gelegen zijn binnen beschermingszone type III 3
het totaal opgepompte debiet groter is dan 5000 m3 per jaar en kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 m3 per jaar 2 W N
het totaal opgepompte debiet groter is dan 30.000 m3 per jaar 1 W N
";
  11° rubriek 63 wordt vervangen door wat volgt:
53.8 forages de puits de captage d'eaux souterraines et captage d'eaux souterraines autres que ceux visés aux rubriques 53.1 à 53.7 et 53.12, dont       
  1° le débit pompé total est inférieur ou égal à 5000 m3 par an et      
  
 a) tous les puits ont une profondeur inférieure ou égale au critère de profondeur propre au site tel que reproduit sur la carte reprise à l'annexe 2ter du présent arrêté et ne sont pas classés dans la rubrique 53.8.1° c) 3     
  
 b) un puits minimum à une profondeur supérieure au critère de profondeur propre au site tel que reproduit sur la carte reprise à l'annexe 2ter du présent arrêté et ne sont pas classés dans la rubrique 53.8.1° c) 2 W N   
  
 c) les eaux souterraines sont prélevées au moyen d'une pompe manuelle, à pédale ou à nez, et qui se situent dans une zone de protection de type III 3     
  
 2° le débit pompé total est supérieur à 5000 m3 par an et inférieur ou égal à 30.000 m3 par an 2 W N   
  
 3° le débit pompé total est supérieur à 30.000 m3 par an 1 W N   
53.8 forages de puits de captage d'eaux souterraines et captage d'eaux souterraines autres que ceux visés aux rubriques 53.1 à 53.7 et 53.12, dont 1° le débit pompé total est inférieur ou égal à 5000 m3 par an et
a) tous les puits ont une profondeur inférieure ou égale au critère de profondeur propre au site tel que reproduit sur la carte reprise à l'annexe 2ter du présent arrêté et ne sont pas classés dans la rubrique 53.8.1° c) 3
b) un puits minimum à une profondeur supérieure au critère de profondeur propre au site tel que reproduit sur la carte reprise à l'annexe 2ter du présent arrêté et ne sont pas classés dans la rubrique 53.8.1° c) 2 W N
c) les eaux souterraines sont prélevées au moyen d'une pompe manuelle, à pédale ou à nez, et qui se situent dans une zone de protection de type III 3
le débit pompé total est supérieur à 5000 m3 par an et inférieur ou égal à 30.000 m3 par an 2 W N
le débit pompé total est supérieur à 30.000 m3 par an 1 W N
" ;
  11° la rubrique 63 est remplacée par ce qui suit :
63. opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en titel III, hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007:
  Uitzondering: De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd conform titel III, hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek. Beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bagger- of ruimingsspecie zijn begrepen in deze rubriek, en zijn niet vergunningsplichtig volgens rubriek 30.
      
 1° opslag in afwachting van ontwatering 2 O, T    
  
 2° opslag en ontwatering 2 O, T    
63. opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en titel III, hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007:
  Uitzondering: De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd conform titel III, hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek. Beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bagger- of ruimingsspecie zijn begrepen in deze rubriek, en zijn niet vergunningsplichtig volgens rubriek 30. 1° opslag in afwachting van ontwatering 2 O, T
opslag en ontwatering 2 O, T
".
63. stockage et déshydratation des boues de dragage ou de curage conformément aux dispositions relatives à l'utilisation de matériaux du sol visées dans le titre III, chapitre XIII du décret relatif au sol du 27 octobre 2006 et dans le titre III, chapitre XIII de l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007 : Exception : Le dépôt temporaire sur berges lors de la déshydratation des boues de dragage ou de curage, exécuté conformément au titre III, chapitre XIII de l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007, n'est pas soumis à autorisation et n'est donc pas classé dans cette rubrique. Les activités mécaniques limitées, telles que le tri ou le tamisage des boues de dragage ou de curage sont comprises dans cette rubrique et ne sont pas soumises à autorisation suivant la rubrique 30.       
 1° stockage en attente de déshydratation 2 O, T    
  
 2° stockage et déshydratation 2 O, T    
63. stockage et déshydratation des boues de dragage ou de curage conformément aux dispositions relatives à l'utilisation de matériaux du sol visées dans le titre III, chapitre XIII du décret relatif au sol du 27 octobre 2006 et dans le titre III, chapitre XIII de l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007 : Exception : Le dépôt temporaire sur berges lors de la déshydratation des boues de dragage ou de curage, exécuté conformément au titre III, chapitre XIII de l'arrêté VLAREBO du 14 décembre 2007, n'est pas soumis à autorisation et n'est donc pas classé dans cette rubrique. Les activités mécaniques limitées, telles que le tri ou le tamisage des boues de dragage ou de curage sont comprises dans cette rubrique et ne sont pas soumises à autorisation suivant la rubrique 30. 1° stockage en attente de déshydratation 2 O, T
stockage et déshydratation 2 O, T
".
Art. 47. In bijlage 3.3 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt de zinsnede "artikel 1, 5° " vervangen door de zinsnede "artikel 1.1.2".
Art. 47. Dans l'annexe 3.3 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, le membre de phrase " l'article 1er, 5° " est remplacé par le membre de phrase " l'article 1.1.2 ".
Art. 48. In bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt punt 48 vervangen door wat volgt:
  "48. Verontreinigd hemelwater van inrichtingen voor de opslag van afvalstoffen (de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.1.1, 2.1.2, 2.2.1 en 2.2.2 van de indelingslijst), waarvan de niet-overdekte buitenopslag van de afvalstoffen, met uitzondering van de opslag van de inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt, een opslagcapaciteit van meer dan 4000 ton betreft, overeenkomstig de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of bij ontstentenis overeenkomstig het goedgekeurde werkplan:
  a) lozing in oppervlaktewater:
Art. 48. Dans l'annexe 5.3.2 au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, le point 48 est remplacé par ce qui suit :
  " 48. Eaux pluviales polluées d'établissements de stockage de déchets (les établissements visés aux rubriques 2.1.1, 2.1.2, 2.2.1 et 2.2.2 de la liste de classification), dont le stockage extérieur non couvert de déchets, à l'exception du stockage des déchets inertes et d'asphalte non goudronneux, porte sur une capacité de stockage de plus de 4000 tonnes, conformément au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ou, à défaut, conformément au plan de travail approuvé :
  a) déversement dans les eaux de surface :
parameters, in mg/l tenzij anders vermeld zijn direct van toepassing (*)
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,5
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,0
temperatuur in ° C 30,0
zwevende stoffen 60,0 met een gemiddelde van 40,0 (**)
bezinkbare stoffen
  ml/l
0,50
perchloorethyleen
  extraheerbare apolaire stoffen
5,0
som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0
olie en vet n.v.w.b.
totaal stikstof 15
totaal fosfor 2
BZV
  mg O2/l
25,0
CZV
  mg O2/l
125,0
totaal koper 0,15 met een gemiddelde van 0,075 (**)
totaal nikkel 0,09 met een gemiddelde van 0,060 (**)
totaal lood 0,1 met een gemiddelde van 0,075 (**)
totaal zink 1,4 met een gemiddelde van 0,8 (**)
barium 0,210 met een gemiddelde van 0,105 (**)
boor 3,5 met een gemiddelde van 2,1 (**)
fenantreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**)
fluoranteen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**)
benzo(a)antraceen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
som benzo(b+k)fluoranteen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0004 (**)
benzo(a)pyreen 0,0005 met een gemiddelde van 0,00025 (**)
som benzo(ghi)peryleen + ideno (1,2,3-c,d)pyreen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
acenafteen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
antraceen 0,0005 met een gemiddelde van 0,0002 (**)
pyreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0006 (**)
parameters, in mg/l tenzij anders vermeld zijn direct van toepassing (*) ondergrens pH
  pH-eenheid 6,5 bovengrens pH
  pH-eenheid 9,0 temperatuur in ° C 30,0 zwevende stoffen 60,0 met een gemiddelde van 40,0 (**) bezinkbare stoffen
  ml/l 0,50 perchloorethyleen
  extraheerbare apolaire stoffen 5,0 som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 olie en vet n.v.w.b. totaal stikstof 15 totaal fosfor 2 BZV
  mg O2/l 25,0 CZV
  mg O2/l 125,0 totaal koper 0,15 met een gemiddelde van 0,075 (**) totaal nikkel 0,09 met een gemiddelde van 0,060 (**) totaal lood 0,1 met een gemiddelde van 0,075 (**) totaal zink 1,4 met een gemiddelde van 0,8 (**) barium 0,210 met een gemiddelde van 0,105 (**) boor 3,5 met een gemiddelde van 2,1 (**) fenantreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**) fluoranteen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**) benzo(a)antraceen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**) som benzo(b+k)fluoranteen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0004 (**) benzo(a)pyreen 0,0005 met een gemiddelde van 0,00025 (**) som benzo(ghi)peryleen + ideno (1,2,3-c,d)pyreen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0003 (**) acenafteen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**) antraceen 0,0005 met een gemiddelde van 0,0002 (**) pyreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0006 (**)
(*) Op de datum van de inwerkingtreding van deze voorwaarden hebben de voorwaarden voorrang op de bijzondere voorwaarden die dezelfde problematiek regelen. In afwijking daarvan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning verder gelden. Dat is conform artikel 5.4.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  (**) Het gemiddelde betreft het voortschrijdende rekenkundige jaargemiddelde per lozingspunt van minimaal een maandelijkse debietsproportionele 24 uurmonstername en analyse, uitgevoerd conform subafdeling 4.2.5.3 (twaalf keer per jaar volgens programma: 1° lozingsdag van de maand).
  b) lozing in riolering
paramètres, en mg/l, sauf stipulation contraire sont directement applicables (*)
limite inférieure pH
  unité pH
6,5
limite supérieure pH
  unité pH
9,0
température en ° C 30,0
matières en suspension 60,0 avec une moyenne de 40,0 (**)
matières décantablesml/l 0,50
substances apolaires extractibles au perchloroéthylène 5,0
somme des agents de surface anioniques, non ioniques et cationiques 3,0
huiles et graisses n.p.v.
azote total 15
phosphore total 2
DBO
  mg O2/l
25,0
DCO
  mg O2/l
125,0
cuivre total 0,15 avec une moyenne de 0,075 (**)
nickel total 0,09 avec une moyenne de 0,060 (**)
plomb total 0,1 avec une moyenne de 0,075 (**)
zinc total 1,4 avec une moyenne de 0,8 (**)
baryum 0,210 avec une moyenne de 0,105 (**)
bore 3,5 avec une moyenne de 2,1 (**)
phénanthrène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**)
fluoranthène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**)
benzo(a)anthracène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**)
somme benzo(b+k)fluoranthène 0,0024 avec une moyenne de 0,0004 (**)
benzo(a)pyrène 0,0005 avec une moyenne de 0,00025 (**)
somme benzo(ghi)pérylène + indéno(1,2,3-c,d)pyrène 0,0024 avec une moyenne de 0,0003 (**)
acénaphtène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**)
anthracène 0,0005 avec une moyenne de 0,0002 (**)
pyrène 0,002 avec une moyenne de 0,0006 (**)
paramètres, en mg/l, sauf stipulation contraire sont directement applicables (*) limite inférieure pH
  unité pH 6,5 limite supérieure pH
  unité pH 9,0 température en ° C 30,0 matières en suspension 60,0 avec une moyenne de 40,0 (**) matières décantablesml/l 0,50 substances apolaires extractibles au perchloroéthylène 5,0 somme des agents de surface anioniques, non ioniques et cationiques 3,0 huiles et graisses n.p.v. azote total 15 phosphore total 2 DBO
  mg O2/l 25,0 DCO
  mg O2/l 125,0 cuivre total 0,15 avec une moyenne de 0,075 (**) nickel total 0,09 avec une moyenne de 0,060 (**) plomb total 0,1 avec une moyenne de 0,075 (**) zinc total 1,4 avec une moyenne de 0,8 (**) baryum 0,210 avec une moyenne de 0,105 (**) bore 3,5 avec une moyenne de 2,1 (**) phénanthrène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**) fluoranthène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**) benzo(a)anthracène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**) somme benzo(b+k)fluoranthène 0,0024 avec une moyenne de 0,0004 (**) benzo(a)pyrène 0,0005 avec une moyenne de 0,00025 (**) somme benzo(ghi)pérylène + indéno(1,2,3-c,d)pyrène 0,0024 avec une moyenne de 0,0003 (**) acénaphtène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**) anthracène 0,0005 avec une moyenne de 0,0002 (**) pyrène 0,002 avec une moyenne de 0,0006 (**)
(*) A la date d'entrée en vigueur de ces conditions, elles ont priorité sur les conditions particulières qui règlent la même problématique. Par dérogation à cette règle, les conditions environnementales particulières plus strictes du permis en cours à cette date demeurent applicables. Cela est conforme à l'article 5.4.7 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  (**) La moyenne est la moyenne annuelle arithmétique mobile par point de déversement d'au moins un prélèvement d'échantillons 24 heures proportionnel au débit et une analyse mensuels, effectués conformément à la sous-section 4.2.5.3 (douze fois par an selon le programme : 1° jour de déversement du mois).
  b) déversement dans les égouts
parameters, in mg/l tenzij anders vermeld zijn direct van toepassing (*)
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,0
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,5
temperatuur in ° C 45,0
afmetingen zwevende stoffen
  mm
10,0
zwevende stoffen 300,0
petroleumether
  extraheerbare stoffen
500,0
totaal koper 0,15 met een gemiddelde van 0,075 (**)
totaal nikkel 0,09 met een gemiddelde van 0,060 (**)
totaal lood 0,1 met een gemiddelde van 0,075 (**)
totaal zink 1,4 met een gemiddelde van 0,8 (**)
barium 0,210 met een gemiddelde van 0,105 (**)
boor 3,5 met een gemiddelde van 2,1 (**)
fenantreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**)
fluoranteen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**)
benzo(a)antraceen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
som benzo(b+k)fluoranteen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0004 (**)
benzo(a)pyreen 0,0005 met een gemiddelde van 0,00025 (**)
som benzo(ghi)peryleen + ideno (1,2,3-c,d)pyreen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
acenafteen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**)
antraceen 0,0005 met een gemiddelde van 0,0002 (**)
pyreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0006 (**)
parameters, in mg/l tenzij anders vermeld zijn direct van toepassing (*) ondergrens pH
  pH-eenheid 6,0 bovengrens pH
  pH-eenheid 9,5 temperatuur in ° C 45,0 afmetingen zwevende stoffen
  mm 10,0 zwevende stoffen 300,0 petroleumether
  extraheerbare stoffen 500,0 totaal koper 0,15 met een gemiddelde van 0,075 (**) totaal nikkel 0,09 met een gemiddelde van 0,060 (**) totaal lood 0,1 met een gemiddelde van 0,075 (**) totaal zink 1,4 met een gemiddelde van 0,8 (**) barium 0,210 met een gemiddelde van 0,105 (**) boor 3,5 met een gemiddelde van 2,1 (**) fenantreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**) fluoranteen 0,002 met een gemiddelde van 0,0008 (**) benzo(a)antraceen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**) som benzo(b+k)fluoranteen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0004 (**) benzo(a)pyreen 0,0005 met een gemiddelde van 0,00025 (**) som benzo(ghi)peryleen + ideno (1,2,3-c,d)pyreen 0,0024 met een gemiddelde van 0,0003 (**) acenafteen 0,0006 met een gemiddelde van 0,0003 (**) antraceen 0,0005 met een gemiddelde van 0,0002 (**) pyreen 0,002 met een gemiddelde van 0,0006 (**)
(*) Op de datum van de inwerkingtreding van deze voorwaarden hebben de voorwaarden voorrang op de bijzondere voorwaarden die dezelfde problematiek regelen. In afwijking daarvan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning verder gelden. Dat is conform artikel 5.4.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  (**) Het gemiddelde betreft het voortschrijdende rekenkundige jaargemiddelde per lozingspunt van minimaal een maandelijkse debietsproportionele 24 uurmonstername en analyse, uitgevoerd conform subafdeling 4.2.5.3 (twaalf keer per jaar volgens programma: 1° lozingsdag van de maand).".
paramètres, en mg/l, sauf stipulation contraire sont directement applicables (*)
limite inférieure pH
  unité pH
6,0
limite supérieure pH
  unité pH
9,5
température en ° C 45,0
dimensions des matières en suspension
  mm
10,0
matières en suspension 300,0
matières extractibles à l'éther de pétrole 500,0
cuivre total 0,15 avec une moyenne de 0,075 (**)
nickel total 0,09 avec une moyenne de 0,060 (**)
plomb total 0,1 avec une moyenne de 0,075 (**)
zinc total 1,4 avec une moyenne de 0,8 (**)
baryum 0,210 avec une moyenne de 0,105 (**)
bore 3,5 avec une moyenne de 2,1 (**)
phénanthrène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**)
fluoranthène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**)
benzo(a)anthracène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**)
somme benzo(b+k)fluoranthène 0,0024 avec une moyenne de 0,0004 (**)
benzo(a)pyrène 0,0005 avec une moyenne de 0,00025 (**)
somme benzo(ghi)pérylène + indéno(1,2,3-c,d)pyrène 0,0024 avec une moyenne de 0,0003 (**)
acénaphtène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**)
anthracène 0,0005 avec une moyenne de 0,0002 (**)
pyrène 0,002 avec une moyenne de 0,0006 (**)
paramètres, en mg/l, sauf stipulation contraire sont directement applicables (*) limite inférieure pH
  unité pH 6,0 limite supérieure pH
  unité pH 9,5 température en ° C 45,0 dimensions des matières en suspension
  mm 10,0 matières en suspension 300,0 matières extractibles à l'éther de pétrole 500,0 cuivre total 0,15 avec une moyenne de 0,075 (**) nickel total 0,09 avec une moyenne de 0,060 (**) plomb total 0,1 avec une moyenne de 0,075 (**) zinc total 1,4 avec une moyenne de 0,8 (**) baryum 0,210 avec une moyenne de 0,105 (**) bore 3,5 avec une moyenne de 2,1 (**) phénanthrène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**) fluoranthène 0,002 avec une moyenne de 0,0008 (**) benzo(a)anthracène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**) somme benzo(b+k)fluoranthène 0,0024 avec une moyenne de 0,0004 (**) benzo(a)pyrène 0,0005 avec une moyenne de 0,00025 (**) somme benzo(ghi)pérylène + indéno(1,2,3-c,d)pyrène 0,0024 avec une moyenne de 0,0003 (**) acénaphtène 0,0006 avec une moyenne de 0,0003 (**) anthracène 0,0005 avec une moyenne de 0,0002 (**) pyrène 0,002 avec une moyenne de 0,0006 (**)
(*) A la date d'entrée en vigueur de ces conditions, elles ont priorité sur les conditions particulières qui règlent la même problématique. Par dérogation à cette règle, les conditions environnementales particulières plus strictes du permis en cours à cette date demeurent applicables. Cela est conforme à l'article 5.4.7 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  (**) La moyenne est la moyenne annuelle arithmétique mobile par point de déversement d'au moins un prélèvement d'échantillons 24 heures proportionnel au débit et une analyse mensuels, effectués conformément à la sous-section 4.2.5.3 (douze fois par an selon le programme : 1° jour de déversement du mois). ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 49. In het enig artikel van bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018, wordt de rij
  "
Art. 49. Dans l'article unique de l'annexe Ire à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018, la ligne
  "
3.2.3, § 3 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.
3.2.3, § 3 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.
3.2.3, § 3 L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division désignée par le Gouvernement flamand.
3.2.3, § 3 L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division désignée par le Gouvernement flamand.
"
  est remplacée par la ligne
  vervangen door de rij
3.2.3, § 3 L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division compétente.
3.2.3, § 3 L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division compétente.
".
3.2.3, § 3 De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de bevoegde afdeling.
3.2.3, § 3 De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de bevoegde afdeling.
".
-
Art. 50. In artikel 1 van bijlage VII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de rij
  "
Art. 50. A l'article 1er de l'annexe VII au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la ligne
  "
4.1.9.1.1, § 4 Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
 Die instemming is echter niet vereist als:
 1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
 2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.
4.1.9.1.1, § 4 Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant. Die instemming is echter niet vereist als: 1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator; 2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.
"
  wordt vervangen door de rij
  "
4.1.9.1.1, § 4 Un coordinateur environnemental peut être désigné pour deux ou plusieurs établissements à la fois.
 Avant de procéder à la désignation commune, la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, doit y consentir et le communiquer à l'exploitant.
 Ce consentement n'est cependant pas exigé lorsqu'il :
 1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé. Dans ce cas, l'exploitant met la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, immédiatement au courant de la désignation du coordinateur environnemental agréé, par lettre recommandée ;
 2° s'agit d'une désignation commune pour différents établissements, qui ensemble forment un lieu d'exploitation et sont sous le contrôle d'une personne physique ou d'une personne morale.
4.1.9.1.1, § 4 Un coordinateur environnemental peut être désigné pour deux ou plusieurs établissements à la fois. Avant de procéder à la désignation commune, la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, doit y consentir et le communiquer à l'exploitant. Ce consentement n'est cependant pas exigé lorsqu'il : 1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé. Dans ce cas, l'exploitant met la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, immédiatement au courant de la désignation du coordinateur environnemental agréé, par lettre recommandée ; 2° s'agit d'une désignation commune pour différents établissements, qui ensemble forment un lieu d'exploitation et sont sous le contrôle d'une personne physique ou d'une personne morale.
"
  est remplacée par la ligne
  "
4.1.9.1.1, § 4 Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
 Die instemming is echter niet vereist als:
 1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft;
 2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.
4.1.9.1.1, § 4 Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant. Die instemming is echter niet vereist als: 1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft; 2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.
";
  2° de rij
  "
4.1.9.1.1, § 4 Un coordinateur environnemental peut être désigné pour deux ou plusieurs établissements à la fois.
 Avant de procéder à la désignation commune, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement doit donner son consentement à l'exploitant.
 Ce consentement n'est cependant pas exigé lorsqu'il :
 1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé ;
 2° s'agit d'une désignation commune pour différents établissements qui, ensemble, constituent un site d'exploitation et se trouvent sous le contrôle d'une personne physique ou d'une personne morale.
4.1.9.1.1, § 4 Un coordinateur environnemental peut être désigné pour deux ou plusieurs établissements à la fois. Avant de procéder à la désignation commune, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement doit donner son consentement à l'exploitant. Ce consentement n'est cependant pas exigé lorsqu'il : 1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé ; 2° s'agit d'une désignation commune pour différents établissements qui, ensemble, constituent un site d'exploitation et se trouvent sous le contrôle d'une personne physique ou d'une personne morale.
" ;
  2° la ligne
  "
4.1.9.1.4, § 2 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.
 Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2 bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.
4.1.9.1.4, § 2 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2 bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.
"
  wordt vervangen door de rij
  "
4.1.9.1.4, § 2 L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division, compétente pour les autorisations écologiques.
 Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 4.1.9.1.2 ou si le coordinateur environnemental n'exécute pas correctement les tâches visées dans le présent arrêté, la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement peut exiger que l'exploitant désigne une autre personne dans un délai qu'elle fixe.
4.1.9.1.4, § 2 L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division, compétente pour les autorisations écologiques. Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 4.1.9.1.2 ou si le coordinateur environnemental n'exécute pas correctement les tâches visées dans le présent arrêté, la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement peut exiger que l'exploitant désigne une autre personne dans un délai qu'elle fixe.
"
  est remplacée par la ligne
  "
4.1.9.1.4, § 2, eerste zin De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
4.1.9.1.4, § 2, eerste zin De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
";
  3° tussen de rij
  "
4.1.9.1.4, § 2, première phrase L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
4.1.9.1.4, § 2, première phrase L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
" ;
  3° entre la ligne
  "
4.1.9.1.4, § 2, eerste zin De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
4.1.9.1.4, § 2, eerste zin De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
"
  en de rij
  "
4.1.9.1.4, § 2, première phrase L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
4.1.9.1.4, § 2, première phrase L'exploitant tient le dossier de désignation au siège d'exploitation à la disposition de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
"
  et la ligne
  "
4.1.9.2.6, § 1 De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:
 1° aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2; 2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.
4.1.9.2.6, § 1 De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld: 1° aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2; 2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.
"
  wordt de volgende rij ingevoegd:
  "
4.1.9.2.6, § 1er Les éléments suivants de l'audit environnemental, visé à l'article 4.1.9.2.4, doivent, endéans un délai de 30 jours calendrier après la validation de l'audit environnemental, être communiqués :
 1° à la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement : les éléments visés aux 1° à 8° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2 ; 2° à la Société flamande de l'Environnement : les éléments visés aux 1° à 4° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2.
4.1.9.2.6, § 1er Les éléments suivants de l'audit environnemental, visé à l'article 4.1.9.2.4, doivent, endéans un délai de 30 jours calendrier après la validation de l'audit environnemental, être communiqués : 1° à la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement : les éléments visés aux 1° à 8° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2 ; 2° à la Société flamande de l'Environnement : les éléments visés aux 1° à 4° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2.
"
  la ligne suivante est insérée :
  "
4.1.9.1.4, § 2, tweede zin Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2 bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.
4.1.9.1.4, § 2, tweede zin Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2 bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.
";
  4° de rij
  "
4.1.9.1.4, § 2, deuxième phrase Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 4.1.9.1.2 ou si le coordinateur environnemental n'exécute pas correctement les tâches visées dans le présent arrêté, la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement peut exiger que l'exploitant désigne une autre personne dans un délai qu'elle fixe.
4.1.9.1.4, § 2, deuxième phrase Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 4.1.9.1.2 ou si le coordinateur environnemental n'exécute pas correctement les tâches visées dans le présent arrêté, la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement peut exiger que l'exploitant désigne une autre personne dans un délai qu'elle fixe.
" ;
  4° la ligne
  "
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
 a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
 b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;
 c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
 d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;
 e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
 f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
 g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
 h) indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
 i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
 j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden: a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) significante periodes van buitenbedrijfstelling; h) indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen; i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
"
  wordt vervangen door de rij
  "
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date :
 a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le journal de bord, avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
 b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ;
 c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ;
 d) la quantité de liquide réfrigérant ajoutée à une installation frigorifique et le taux de fuite après chaque remplissage ;
 e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ;
 f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ;
 g) les périodes significatives de mise hors service ;
 h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever le réfrigérant ;
 i) les nom et prénom et, le cas échéant, le numéro d'agrément de la personne qui a effectué les travaux et les observations, tels que visés aux points a) à h) inclus et, le cas échéant, le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise employant la personne ;
 j) si d'application, une attestation délivrée par la personne visée au point i), faisant état des opérations qu'elle a effectuées.
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le journal de bord, avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la quantité de liquide réfrigérant ajoutée à une installation frigorifique et le taux de fuite après chaque remplissage ; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) les périodes significatives de mise hors service ; h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever le réfrigérant ; i) les nom et prénom et, le cas échéant, le numéro d'agrément de la personne qui a effectué les travaux et les observations, tels que visés aux points a) à h) inclus et, le cas échéant, le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise employant la personne ; j) si d'application, une attestation délivrée par la personne visée au point i), faisant état des opérations qu'elle a effectuées.
"
  est remplacée par la ligne
  "
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie of een warmtepomp moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de installatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
 a) de datum van ingebruikname van de installatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
 b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel- en installatiewerkzaamheden die aan een installatie worden verricht;
 c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de installatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
 d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een installatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;
 e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een installatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
 f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
 g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
 h) indien de installatie buiten dienst is gesteld: de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
 i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
 j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie of een warmtepomp moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de installatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden: a) de datum van ingebruikname van de installatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel- en installatiewerkzaamheden die aan een installatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de installatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een installatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een installatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) significante periodes van buitenbedrijfstelling; h) indien de installatie buiten dienst is gesteld: de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen; i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
".
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération ou d'une pompe à chaleur doit tenir un livre de bord de l'installation qui se trouve à proximité de celle-ci. Ce livre de bord peut également se composer, en tout ou en partie, d'un fichier informatique. Dans ce livre de bord sont au moins consignés avec mention de la date :
 a) la date de mise en service de l'installation, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonne équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le livre de bord, avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
 b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués sur une installation ;
 c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation pouvant donner lieu à des pertes par fuite ;
 d) la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à une installation et la perte relative par fuite après chaque appoint ;
 e) la quantité d'agent réfrigérant vidangée d'une installation et la quantité d'agent réfrigérant évacuée, avec indication de la date, du transporteur et de la destination ;
 f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ;
 g) les périodes significatives de mise hors service ;
 h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever l'agent réfrigérant ;
 i) les nom et prénom et, le cas échéant, le numéro d'agrément de la personne qui a effectué les travaux et les observations, tels que visés aux points a) à h) et, le cas échéant, le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise employant la personne ;
 j) le cas échéant, une attestation délivrée par la personne visée au point i), faisant état des opérations qu'elle a effectuées.
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération ou d'une pompe à chaleur doit tenir un livre de bord de l'installation qui se trouve à proximité de celle-ci. Ce livre de bord peut également se composer, en tout ou en partie, d'un fichier informatique. Dans ce livre de bord sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonne équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le livre de bord, avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués sur une installation ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à une installation et la perte relative par fuite après chaque appoint ; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangée d'une installation et la quantité d'agent réfrigérant évacuée, avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) les périodes significatives de mise hors service ; h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever l'agent réfrigérant ; i) les nom et prénom et, le cas échéant, le numéro d'agrément de la personne qui a effectué les travaux et les observations, tels que visés aux points a) à h) et, le cas échéant, le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise employant la personne ; j) le cas échéant, une attestation délivrée par la personne visée au point i), faisant état des opérations qu'elle a effectuées.
".
Art. 51. Bijlage XXIII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt vervangen door de bijlage die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 51. L'annexe XXIII au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est remplacée par l'annexe jointe en annexe 1 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het VLAREL van 19 november 2010
CHAPITRE 4. - Modifications du VLAREL du 19 novembre 2010
Art. 52. In artikel 13/1, 3°, van het VLAREL van 19 november 2010, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt de zin "De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ;" opgeheven.
Art. 52. Dans l'article 13/1, 3°, du VLAREL du 19 novembre 2010, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, la phrase " La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ; " est abrogée.
Art. 53. In artikel 14, 2°, en artikel 15, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zin "De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;" opgeheven.
Art. 53. Dans l'article 14, 2°, et l'article 15, 2°, du même arrêté, remplacés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, la phrase " La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ; " est abrogée.
Art. 54. In artikel 16, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zin "De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ;" opgeheven.
Art. 54. Dans l'article 16, 3°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, la phrase " La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ; " est abrogée.
Art. 55. In artikel 17, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zin "De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;" opgeheven.
Art. 55. Dans l'article 17, 2°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, la phrase " La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ; " est abrogée.
Art. 56. Aan artikel 17/1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, legt de koeltechnicus een bewijs voor dat hij geslaagd is voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen als vermeld in artikel 40/1, 4°. ".
Art. 56. A l'article 17/1, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si le certificat d'aptitude a plus de cinq ans à compter de la date de réussite de l'examen, le frigoriste soumet une preuve de réussite de l'examen de mise à jour dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou d'un examen équivalent tel que visé à l'article 40/1, 4°. ".
Art. 57. In artikel 32, § 2, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° in het derde lid wordt de zinsnede "De erkenning, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b) en 13°, gaat in op de datum" vervangen door de zinsnede "De erkenning, vermeld in het eerste lid, gaat in op de datum" en wordt de zinsnede "de bevoegde afdeling, de identificatiegegevens" vervangen door de woorden "de bevoegde afdeling en de identificatiegegevens".
Art. 57. A l'article 32, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est abrogé ;
  2° dans l'alinéa 3 le membre de phrase " L'agrément, visé à l'alinéa premier, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b) et 13° prend cours à la date " est remplacé par le membre de phrase " L'agrément visé à l'alinéa 1er prend cours à la date " et le membre de phrase " à la division compétente, les données d'identification " est remplacé par les mots " à la division compétente et les données d'identification ".
Art. 58. Aan artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 18 maart 2016 en 3 mei 2019, wordt een paragraaf 10 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 10. De erkende natuurlijke persoon toont op verzoek van de klant een geldig identiteitsbewijs.".
Art. 58. A l'article 34 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2013, 18 mars 2016 et 3 mai 2019, il est ajouté un paragraphe 10 rédigé comme suit :
  " § 10. A la demande du client, la personne physique agréée exhibe une pièce d'identité valable. ".
Art. 59. In artikel 40/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden tussen de woorden "stationaire koelinstallaties" en de woorden "met zowel" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  2° in punt 2°, inleidende zin, worden tussen de woorden "de stationaire koelinstallatie" en de woorden "die gefluoreerde" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  3° in punt 2°, a), wordt het woord "koelinstallatie" telkens vervangen door het woord "installatie";
  4° in punt 2°, b), 7), en punt 2°, d), wordt het woord "koelinstallatie" vervangen door het woord "installatie".
Art. 59. A l'article 40/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 1°, les mots " ne peut effectuer les activités suivantes aux équipements frigorifiques fixes " sont remplacés par les mots " peut exercer les activités suivantes sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur " ;
  2° dans le point 2°, phrase introductive, les mots " des installations frigorifiques fixes contenant " sont remplacés par les mots " de l'installation de réfrigération fixe ou de la pompe à chaleur contenant " ;
  3° dans le point 2°, a), les mots " l'installation frigorifique " sont chaque fois remplacés par les mots " l'installation " ;
  4° dans le point 2°, b), 7), et le point 2°, d), les mots " installation frigorifique " sont remplacés par le mot " installation " ;.
Art. 60. Aan artikel 42 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.".
Art. 60. A l'article 42 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, un point 8° rédigé comme suit est ajouté :
  " 8° vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. ".
Art. 61. In artikel 43 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  5° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 61. A l'article 43 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  4° au paragraphe 2, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 62. In artikel 43/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  4° aan paragraaf 3 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  5° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 62. A l'article 43/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 8 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  4° au paragraphe 3, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  5° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 63. In artikel 43/2 en 43/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  5° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 63. Aux articles 43/2 et 43/3 du même arrêté, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifiés en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  4° au paragraphe 2, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 64. In artikel 43/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° aan paragraaf 2 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  4° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  5° aan paragraaf 3 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  6° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 64. A l'article 43/4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 8 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  5° au paragraphe 3, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  6° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 65. Aan artikel 43/5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.".
Art. 65. A l'article 43/5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, un point 5° rédigé comme suit est ajouté :
  " 5° vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. ".
Art. 66. In artikel 43/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, 3 mei 2019 en 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° aan paragraaf 2 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  4° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  5° aan paragraaf 3 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  6° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 66. A l'article 43/6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 février 2017, 3 mai 2019 et 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  5° au paragraphe 3, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  6° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 67. In artikel 43/7, 43/8 en 43/9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, 3 mei 2019 en 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  5° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.".
Art. 67. Aux articles 43/7, 43/8 et 43/9 du même arrêté, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiés par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 février 2017, 3 mai 2019 et 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  4° au paragraphe 2, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. ".
Art. 68. In artikel 43/10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, 3 mei 2019 en 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde afdeling." opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de bevoegde afdeling." vervangen door de zin "Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.";
  5° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder.";
  6° paragraaf 9 wordt opgeheven.
Art. 68. A l'article 43/10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 février 2017, 3 mai 2019 et 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, un alinéa 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente. " est abrogée ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase " Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente. " est remplacée par la phrase " Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  4° au paragraphe 2, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente. " ;
  5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur. " ;
  6° le paragraphe 9 est abrogé.
Art. 69. In artikel 53/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, 18 maart 2016 en 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° voert alleen werken uit met betrekking tot ingedeelde inrichtingen als de nodige vergunning of aktename daarvoor voorhanden is, meldt de start van de werken, vermeld in artikel 5.53.5.2, 5.55.1.3, § 3, 6.9.1.1, tweede lid, en 6.9.1.3, § 5, van titel II van het VLAREM, voorafgaandelijk via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen aan de bevoegde afdeling en het departement, en houdt zich aan de geldende milieuvoorwaarden;";
  2° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "10° informeert de klant voor de start van de boorwerkzaamheden schriftelijk, al dan niet digitaal, ten minste over de verplichtingen die verband houden met de geldende milieuvoorwaarden, de heffingsplicht grondwater en de heffingsplicht waterverontreiniging. Voor inrichtingen opgenomen in bijlage 1 van titel II van het VLAREM betreft het op zijn minst informatie over, wanneer dit van toepassing is, hoofdstukken 4.1, 5.53 en 5.55 van titel II van het VLAREM en hoofdstuk 2 van titel IV van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018. Voor inrichtingen die niet ingedeeld zijn, betreft het op zijn minst informatie over afdeling 6.9.1 van titel II van het VLAREM en, wanneer dit van toepassing is, hoofdstuk 2 van titel IV van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de invulling van deze informatieplicht;";
  3° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "11° voert alleen werken uit met materieel waarvan de essentiële motorisch aangedreven onderdelen voorzien zijn van een gps-volgsysteem dat autonoom, draadloos en ogenblikkelijk informatie doorstuurt naar de Databank Ondergrond Vlaanderen. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de goede werking van het gps-volgsysteem. De minister kan eveneens nadere regels vastleggen met betrekking tot het met een gps-volgsysteem uit te rusten materieel, de informatie over de positie, het type activiteit en de werking van het materieel, die doorgestuurd moet worden en de wijze waarop.".
Art. 69. Dans l'article 53/6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mai 2014, 18 mars 2016 et 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° n'effectue des travaux concernant des établissements classés que si l'autorisation ou la prise d'acte nécessaire est disponible, notifie préalablement le début des travaux visés à l'article 5.53.5.2, à l'article 5.55.1.3, § 3, à l'article 6.9.1.1, alinéa 2, et à l'article 6.9.1.3, § 5, du titre II du VLAREM, par le biais d'une application web de la Base de données Service Sous-sol Flandre, à la division compétente et au département, et respecte les conditions environnementales en vigueur ; " ;
  2° il est ajouté un point 10° rédigé comme suit :
  " 10° informe le client par écrit, par voie numérique ou non, avant le début des travaux de forage, au moins des obligations en rapport avec les conditions environnementales en vigueur, de l'obligation de redevance sur les eaux souterraines et de l'obligation de redevance sur la pollution des eaux. Pour les établissements figurant à l'annexe 1 du titre II du VLAREM, il s'agit au minimum d'informations concernant, le cas échéant, les chapitres 4.1, 5.53 et 5.55 du titre II du VLAREM et le chapitre 2 du titre IV du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018. Pour les établissements non classés, il s'agit au minimum d'informations concernant la section 6.9.1 du titre II du VLAREM et, le cas échéant, le chapitre 2 du titre IV du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018. Le ministre peut préciser les modalités de mise en oeuvre de ce devoir d'information ; " ;
  3° il est ajouté un point 11° rédigé comme suit :
  " 11° n'effectue des travaux qu'avec du matériel dont les composants essentiels à moteur sont équipés d'un système de localisation GPS qui transmet de manière autonome, sans fil et instantanément des informations à la Base de données Service Sous-sol Flandre. Le ministre peut préciser les règles concernant le bon fonctionnement du système de localisation GPS. Le ministre peut également fixer d'autres règles concernant le matériel à équiper d'un système de localisation GPS, les informations relatives à la localisation, au type d'activité et au fonctionnement du matériel qui doivent être transférées et la façon dont elles doivent l'être. ".
Art. 70. In artikel 53/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden tussen de woorden "stationaire koelinstallaties" en de woorden "met gefluoreerde broeikasgassen" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  2° in punt 2°, inleidende zin, worden tussen de woorden "de stationaire koelinstallatie" en de woorden "die gefluoreerde broeikasgassen" de woorden "of de warmtepomp" ingevoegd;
  3° in punt 2°, a), wordt het woord "koelinstallatie" telkens vervangen door het woord "installatie";
  4° in punt 2°, b), 7, punt 2°, d), en punt 2°, e), 3), wordt het woord "koelinstallatie" vervangen door het woord "installatie";
  5° in punt 3°, a), worden tussen de woorden "per koelinstallatie" en de zinsnede ": de registraties" de woorden "of warmtepomp" ingevoegd;
  6° in punt 6° worden tussen de woorden "stationaire koelinstallaties" en de woorden "over de nodige apparatuur" de woorden "of warmtepompen" ingevoegd;
  7° aan punt 9° worden de woorden "en warmtepompen" toegevoegd.
Art. 70. A l'article 53/7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 1°, les mots " assure que les travaux assujettis à l'agrément effectués aux équipements frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone soient réalisés " sont remplacés par les mots " veille à ce que les activités soumises à agrément sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone soient exercées " ;
  2° dans le point 2°, phrase introductive, les mots " des installations frigorifiques fixes contenant " sont remplacés par les mots " de l'installation de réfrigération fixe ou de la pompe à chaleur contenant " ;
  3° dans le point 2°, a), les mots " l'installation frigorifique " sont chaque fois remplacés par les mots " l'installation " ;
  4° dans le point 2°, b), 7, le point 2°, d), et le point 2°, e), 3), les mots " installation frigorifique " sont remplacés par le mot " installation " ;
  5° dans le point 3°, a), les mots " par installation frigorifique " sont remplacés par les mots " par installation de réfrigération ou pompe à chaleur " ;
  6° dans le point 6°, " les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements frigorifiques fixes " sont remplacés par les mots " les activités soumises à agrément sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur " ;
  7° dans le point 9°, les mots " sur les systèmes frigorifiques " sont remplacés par les mots " sur les installations de réfrigération et pompes à chaleur ".
Art. 71. Aan artikel 54 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 1 maart 2013 en 3 mei 2019, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. Bij een schorsing of opheffing van de erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), of technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), wordt ook het certificaat van bekwaamheid, uitgereikt door een opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h) tot en met k), van rechtswege geschorst, respectievelijk opgeheven.
  Bij een schorsing of opheffing van de erkenning als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), of bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), wordt ook het certificaat, uitgereikt door een keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8°, of de leidinggevende ambtenaar van het agentschap of het departement waartoe de bevoegde afdeling behoort of zijn afgevaardigde, van rechtswege geschorst, respectievelijk opgeheven.".
Art. 71. A l'article 54 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2013 et 3 mai 2019, il est ajouté un paragraphe 6 rédigé comme suit :
  " § 6. En cas de suspension ou d'abrogation de l'agrément en tant que frigoriste tel que visé à l'article 6, 2°, e), technicien en équipements de protection contre l'incendie tel que visé à l'article 6, 2°, f), technicien en appareils de commutation électrique tel que visé à l'article 6, 2°, g), ou technicien en équipements contenant des solvants tel que visé à l'article 6, 2°, h), le certificat d'aptitude délivré par un centre de formation tel que visé à l'article 6, 4°, h) à k), est également suspendu ou abrogé de plein droit.
  En cas de suspension ou d'abrogation de l'agrément en tant qu'entreprise en technique du froid telle que visée à l'article 6, 7°, b), ou entreprise d'équipements de protection contre l'incendie telle que visée à l'article 6, 7°, c), le certificat délivré par un organisme de contrôle tel que visé à l'article 6, 8°, ou par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département dont relève la division compétente ou son délégué est également suspendu ou abrogé de plein droit. ".
Art. 72. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 11/1, dat bestaat uit artikel 56/1, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 11/1. Verwerking van persoonsgegevens
  Art. 56/1. § 1. De bevoegde afdeling verwerkt de persoonsgegevens die ze ontvangt volgens artikel 27, § 2, artikel 32, artikel 34, § 5, artikel 43, § 2, artikel 43/1, § 3, artikel 43/2, § 2, artikel 43/3, § 2, artikel 43/4, § 3, artikel 43/6, § 3, artikel 43/7, § 2, artikel 43/8, § 2, artikel 43/9, § 2, artikel 43/10, § 2, artikel 53/9, 4°, of artikel 58/3, § 1, voor de volgende doeleinden:
  1° in het geval van een natuurlijk persoon: de identificatie van een gecertificeerd of erkend persoon, of een geregistreerd monsternemer;
  2° in het geval van een rechtspersoon: de identificatie van de zaakvoerder en andere personen die van belang zijn voor de erkenning van de rechtspersoon;
  3° de opvolging van de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden en gebruikseisen;
  4° een controle of sanctie volgens dit besluit of het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  5° de betaling van de retributie als vermeld in artikel 54/1;
  6° de publicatie van de lijsten met erkende personen als vermeld in artikel 56 of geregistreerde monsternemers als vermeld in artikel 58/3.
  De bevoegde afdeling bezorgt voor de technici, vermeld in artikel 6, 2°, i), het erkenningsnummer, de startdatum van de erkenning en de gegevens, vermeld in bijlage 15, 10°, die bij dit besluit is gevoegd, en vermeld in bijlage 19, 1°, a) en c), die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.
  § 2. De entiteit waartoe de bevoegde afdeling behoort, is voor de ontvangen persoonsgegevens als vermeld in paragraaf 1 de verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, uitgezonderd voor de registratie als monsternemer in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid waarvoor de Mestbank voor de verzameling en beoordeling de verwerkingsverantwoordelijke is en het departement voor de overige verwerkingen de verwerkingsverantwoordelijke is.".
Art. 72. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre 11/1, comportant l'article 56/1, rédigé comme suit :
  " Chapitre 11/1. Traitement des données à caractère personnel
  Art. 56/1. § 1er. La division compétente traite les données à caractère personnel qu'elle reçoit selon l'article 27, § 2, l'article 32, l'article 34, § 5, l'article 43, § 2, l'article 43/1, § 3, l'article 43/2, § 2, l'article 43/3, § 2, l'article 43/4, § 3, l'article 43/6, § 3, l'article 43/7, § 2, l'article 43/8, § 2, l'article 43/9, § 2, l'article 43/10, § 2, l'article 53/9, 4°, ou l'article 58/3, § 1, aux fins suivantes :
  1° dans le cas d'une personne physique : l'identification d'une personne certifié ou agréée ou d'un échantillonneur enregistré ;
  2° dans le cas d'une personne morale : l'identification du gérant et d'autres personnes qui ont une importance pour l'agrément de la personne morale ;
  3° le suivi des conditions générales et particulières d'agrément et des exigences d'utilisation ;
  4° un contrôle ou une sanction selon le présent arrêté ou l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  5° le paiement de la rétribution visée à l'article 54/1 ;
  6° la publication des listes des personnes agréées telles que visées à l'article 56, ou de la liste des échantillonneurs enregistrés telle que visée à l'article 58/3.
  La division compétente transmet, pour les techniciens visés l'article 6, 2°, i), le numéro d'agrément, la date de début de l'agrément et les données visées à l'annexe 15, 10°, jointe au présent arrêté, et visées à l'annexe 19, 1°, a) et c), jointe au présent arrêté, à une instance qui soutient la politique de formation sectorielle.
  § 2. En ce qui concerne les données à caractère personnel reçues, telles que visées dans le paragraphe 1er, l'entité à laquelle la division compétente appartient est le responsable du traitement tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, sauf en ce qui concerne l'enregistrement en tant qu'échantillonneur dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune pour lequel la Mestbank est le responsable du traitement pour ce qui est de la collecte et de l'évaluation et le département est le responsable du traitement pour ce qui est des autres opérations de traitement. ".
Art. 73. In artikel 58/1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 december 2016, 3 mei 2019 en 29 januari 2021, wordt tussen de woorden "een koelinstallatie" en de woorden "of een koeleenheid" de zinsnede ", een warmtepomp" ingevoegd.
Art. 73. Dans l'article 58/1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 décembre 2016, 3 mai 2019 et 29 janvier 2021, les mots " une installation frigorifique ou une unité frigorifique aux " sont remplacés par le membre de phrase " une installation de réfrigération, une pompe à chaleur ou une unité de réfrigération des ".
Art. 74. In bijlage 3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt W.1.4.1 wordt de zinsnede "met ondiepe <30m)" vervangen door de zinsnede "met ondiepe (< 30m)";
  b) punt W.9.2.2 wordt vervangen door wat volgt:
  "W.9.2.2 acute toxiciteit voor vissen:
  W.9.2.2.1 test met regenboogforel Oncorhynchus mykiss
  W.9.2.2.2 test met embryo's van zebravis Danio rerio";
  2° in punt 5° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) punt A.2.2 wordt vervangen door wat volgt:
  "A.2.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - organische parameters:
  chloorkoolwaterstoffen: som van 1,2,3,5-tetrachloorbenzeen en 1,2,4,5-tetrachloorbenzeen, 1,2,3,4-tetrachloorbenzeen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK): naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, acenafteen, acenaftyleen, antraceen, dibenzo(a,h)antraceen, fluoreen, pyreen
  minerale olie: fractie C10-C20 en fractie C20-C40
  polychloorbifenylen (PCB): PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180";
  b) in punt A.2.3 wordt het woord "fytotoxiciteit" opgeheven;
  c) punt A.3.1 wordt vervangen door wat volgt:
  "A.3.1 gebruik als niet-vormgegeven bouwstof:
  droogrest
  metalen (totaalconcentratie en uitloogbare fractie via de kolomtest): arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink
  cyaniden: vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden
  BTEXS: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen en styreen
  alkanen: hexaan, heptaan en octaan
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK): naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen
  minerale olie
  polychloorbifenylen (PCB): PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180".
Art. 74. A l'annexe 3 au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le point W.1.4.1, dans la version néerlandaise le membre de phrase " met ondiepe <30 m) " est remplacé par le membre de phrase " met ondiepe (< 30 m) " ;
  b) le point W.9.2.2 est remplacé par ce qui suit :
  " W.9.2.2 toxicité aiguë chez les poissons :
  W.9.2.2.1 essai sur la truite arc-en-ciel Oncorhynchus mykiss
  W.9.2.2.2 essai sur des embryons de poisson-zèbre Danio rerio " ;
  2° dans le point 5°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le point A.2.2 est remplacé par ce qui suit :
  " A.2.2 utilisation comme engrais/amendement du sol - paramètres organiques :
  hydrocarbures chlorés : somme de 1,2,3,5-tétrachlorobenzène et de 1,2,4,5-tétrachlorobenzène, 1,2,3,4-tétrachlorobenzène, pentachlorobenzène et hexachlorobenzène
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphthalène, benzo(a)pyrène, phénanthrène, fluoranthène, benzo(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluoranthène, benzo(k)fluoranthène, benzo(ghi)pérylène, indéno(1,2,3-cd)pyrène, acénaphtène, acénaphtylène, anthracène, dibenzo(a,h)anthracène, fluorène, pyrène
  huile minérale : fraction C10-C20 et fraction C20-C40
  polychlorobiphényles (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180 " ;
  b) dans le point A.2.3, le mot " phytotoxicité " est abrogé.;
  c) le point A.3.1 est remplacé par ce qui suit :
  " A.3.1 utilisation comme matériau de construction non façonné :
  résidu sec
  métaux (concentration totale et fraction lixiviable au moyen de l'essai de percolation en colonne) : arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel et zinc
  cyanures : cyanures libres, cyanures non oxydables au chlore
  BTEXS : benzène, toluène, éthylbenzène, xylène et de styrène
  alcanes : hexane, heptane et octane
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphthalène, benzo(a)pyrène, phénanthrène, fluoranthène, benzo(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluoranthène, benzo(k)fluoranthène, benzo(ghi)pérylène, indéno(1,2,3-cd)pyrène
  huile minérale
  polychlorobiphényles (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180 ".
Art. 75. In bijlage 14 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° de voor- en achternaam en de handtekening van de voorzitter van de examenjury;";
  2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° de afgiftedatum;";
  3° punt 7° wordt opgeheven.
Art. 75. A l'annexe 14 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 18 mars 2016 et 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° les nom et prénom et la signature du président du jury d'examen ; " ;
  2° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° la date de délivrance ; " ;
  3° le point 7° est abrogé.
Art. 76. In bijlage 15 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° de voor- en achternaam en het rijksregisternummer of het BIS-nummer als men niet over een rijksregisternummer beschikt;";
  2° punt 6°, 8° en 9° worden opgeheven;
  3° punt 10° wordt vervangen door wat volgt:
  "10° het type van certificaat en de afgiftedatum van het certificaat;";
  4° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "11° in geval van een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) tot en met i): het certificaatnummer.".
Art. 76. A l'annexe 15 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 18 mars 2016 et 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° les nom et prénom et le numéro de registre national ou le numéro BIS si l'on n dispose pas d'un numéro de registre national ; " ;
  2° les points 6°, 8° et 9° sont abrogés ;
  3° le point 10° est remplacé par ce qui suit :
  " 10° le type de certificat et la date de délivrance du certificat ; " ;
  4° il est ajouté un point 11° rédigé comme suit :
  " 11° dans le cas d'un technicien tel que visé à l'article 6, 2°, e) à i) : le numéro de certificat. ".
Art. 77. In bijlage 19 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het opschrift wordt tussen de zinsnede "artikel 32" en de zinsnede "en artikel 58/3, § 1" de zinsnede ", artikel 56/1, § 1 " ingevoegd;
  2° in punt 1° wordt punt b) opgeheven;
  3° in punt 1°, c), worden de woorden "de geboortedatum en -plaats" vervangen door de woorden "het BIS-nummer";
  4° in punt 1°, d), worden tussen de woorden "het ondernemingsnummer" en de woorden "en het adres van de werkgever" de woorden "of het btw-nummer als men niet over een ondernemingsnummer beschikt" ingevoegd;
  5° aan punt 2°, d), worden de woorden "of het btw-nummer als de rechtspersoon niet over een ondernemingsnummer beschikt en in voorkomend geval het adres van de exploitatiezetel en het vestigingseenheidsnummer" toegevoegd.
Art. 77. A l'annexe 19 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'intitulé, le membre de phrase " , à l'article 56/1, § 1er " est inséré entre le membre de phrase " l'article 32 " et le membre de phrase " et à l'article 58/3, § 1er " ;
  2° au point 1°, le point b) est abrogé ;
  3° dans le point 1°, c), les mots " les date et lieu de naissance " sont remplacés par les mots " le numéro BIS " ;
  4° dans le point 1°, d), les mots " ou le numéro de TVA si l'on ne dispose pas d'un numéro d'entreprise " sont insérés entre les mots " le numéro d'entreprise " et les mots " et l'adresse de l'employeur " ;
  5° au point 2°, d), les mots " ou le numéro de TVA si la personne morale ne dispose pas d'un numéro d'entreprise et, le cas échéant, l'adresse du siège d'exploitation et le numéro de l'unité d'établissement " sont ajoutés.
Art. 78. In bijlage 22 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden aan punt 4° de woorden "of het btw-nummer als de rechtspersoon niet over een ondernemingsnummer beschikt" toegevoegd.
Art. 78. Dans l'annexe 22 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, au point 4°, les mots " ou le numéro de TVA si la personne morale ne dispose pas d'un numéro d'entreprise " sont ajoutés.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 réglant le devoir d'information, de prévention, de restriction et de réparation en matière de dommages environnementaux et la procédure de recours
Art. 79. In artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt de zinsnede "de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuhandhaving" vervangen door de zinsnede "de subentiteit van het departement, bevoegd voor de uitvoering van de milieuhandhaving".
Art. 79. Dans l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 réglant le devoir d'information, de prévention, de restriction et de réparation en matière de dommages environnementaux et la procédure de recours, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, le membre de phrase " la sous-entité du département, compétente pour le maintien de l'environnement " est remplacé par le membre de phrase " la sous-entité du département, compétente pour la mise en oeuvre du maintien environnemental ".
Art. 80. In de bijlage bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling:
  "Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
  Afdeling Milieu-inspectie. - Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel
  Website: www.lne.be"
  wordt vervangen door de bepaling:
  "Departement Omgeving
  Afdeling Handhaving. - Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel
  Website: www.omgevingvlaanderen.be";
  2° het woord "buitendienst" wordt telkens vervangen door het woord "werkplek" en de woorden "afdeling Milieu-Inspectie" worden telkens vervangen door de woorden "afdeling Handhaving";
  3° aan punt 2 wordt de volgende bepaling toegevoegd:
  "
  exploitatieadres:
  ";
  4° punt 18 wordt vervangen door wat volgt:
  "
  18. Bezorg deze melding aan de werkplek van de afdeling Handhaving van de provincie waarin de inrichting gelegen is. U vindt de adressen hieronder.
  Afdeling Handhaving. - Antwerpen
  Lange Kievitstraat 111-113 bus 62
  2018 Antwerpen
  Tel.: 03 224 64 25
  E-mail: omgevingsinspectie.ant@vlaanderen.be
  Afdeling Handhaving. - Vlaams-Brabant
  Diestsepoort 6 bus 71
  3000 Leuven
  Tel.: 016 66 60 70
  E-mail: omgevingsinspectie.vbr@vlaanderen.be
  Afdeling Handhaving. - Limburg
  Koningin Astridlaan 50 bus 5
  3500 Hasselt
  Tel.: 011 74 26 00
  E-mail: omgevingsinspectie.lim@vlaanderen.be
  Afdeling Handhaving. - Oost-Vlaanderen
  Koningin Maria Hendrikaplein 70 bus 71
  9000 Gent
  Tel.: 09 235 58 50
  E-mail: omgevingsinspectie.ovl@vlaanderen.be
  Afdeling Handhaving. - West-Vlaanderen
  Koning Albert I-laan 1/2 bus 73
  8200 Brugge
  Tel.: 050 24 79 60
  E-mail: omgevingsinspectie.wvl@vlaanderen.be
  ".
Art. 80. A l'annexe au même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la disposition :
  " Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie
  Division de. l'Inspection environnementale Bld Albert II, 20 bte 8, 1000 Bruxelles
  Website : www.lne.be "
  est remplacée par la disposition :
  " Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire
  Division du. Maintien Boulevard du Roi Albert II 20, boîte 8, 1000 Bruxelles
  Site web : www.omgevingvlaanderen.be " ;
  2° les mots " service extérieur " sont chaque fois remplacés par les mots " lieu de travail " et les mots " division de l'Inspection environnementale " sont chaque fois remplacés par les mots" division du Maintien " ;
  3° au point 2, la disposition suivante est ajoutée :
  "
  adresse d'exploitation :
  " ;
  4° le point 18 est remplacé par ce qui suit :
  "
  18. Adressez cette notification au lieu de travail de la division du Maintien de la province dans laquelle l'établissement est situé. Vous trouverez les adresses ci-dessous.
  Division du. Maintien Antwerpen
  Lange Kievitstraat 111-113, boîte 62
  2018 Anvers
  Tél. : 03 224 64 25
  E-mail : omgevingsinspectie.ant@vlaanderen.be
  Division du. Maintien Brabant flamand
  Diestsepoort 6, boîte 71
  3000 Louvain
  Tél. : 016 66 60 70
  E-mail : omgevingsinspectie.vbr@vlaanderen.be
  Division du. Maintien Limbourg
  Koningin Astridlaan 50, boîte 5
  3500 Hasselt
  Tél. : 011 74 26 00
  E-mail : omgevingsinspectie.lim@vlaanderen.be
  Division du. Maintien Flandre orientale
  Koningin Maria Hendrikaplein 70, boîte 71
  9000 Gand
  Tél. : 09 235 58 50
  E-mail : omgevingsinspectie.ovl@vlaanderen.be
  Division du. Maintien Flandre occidentale
  Koning Albert I-laan 1, boîte 73
  8200 Bruges
  Tél. : 050 24 79 60
  E-mail : omgevingsinspectie.wvl@vlaanderen.be
  ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 6. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 81. Aan artikel 62, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2019, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 3 en niet onder de toepassing van het tweede lid, 4°, valt.".
Art. 81. A l'article 62, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2019, un point 5° rédigé comme suit est ajouté :
  " 5° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la demande de permis porte sur la rubrique de classification 3 et ne tombe pas sous le coup de l'alinéa 2, 4°. ".
Art. 82. Aan artikel 140, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de melding betrekking heeft op indelingsrubriek 3.".
Art. 82. A l'article 140, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 septembre 2020, un point 4° rédigé comme suit est ajouté :
  " 4° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la déclaration porte sur la rubrique de classification 3. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw
CHAPITRE 7. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019 modifiant divers arrêtés en matière d'environnement et d'agriculture
Art. 83. In artikel 297 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw worden de woorden "op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad" telkens vervangen door de zinsnede "op 30 september 2019".
Art. 83. Dans l'article 297 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019 modifiant divers arrêtés en matière d'environnement et d'agriculture, les mots " le dixième jour suivant la publication du présent arrêté au Moniteur belge " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " le 30 septembre 2019 ".
Art. 84. In artikel 299 van hetzelfde besluit worden de woorden "op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad" vervangen door de zinsnede "op 30 september 2019".
Art. 84. Dans l'article 299 du même arrêté, les mots " le dixième jour suivant la publication du présent arrêté au Moniteur belge " sont remplacés par le membre de phrase " le 30 septembre 2019 ".
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 85. Een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, dat erkend is voor het pakket W.9.2.2 op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, is erkend voor de pakketten W.9.2.2.1 en W.9.2.2.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het voormelde besluit, zoals van kracht na de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
  De erkenning, vermeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de deeldomeinen waarvoor het laboratorium erkend is op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
Art. 85. Un laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL du 19 novembre 2010, qui a été agréé pour le paquet W.9.2.2 la veille de la date d'entrée en vigueur du présent article, est agréé pour les paquets W.9.2.2.1 et W.9.2.2.2 visés à l'annexe 3, 1°, de l'arrêté précité tel qu'en vigueur après la date d'entrée en vigueur du présent article.
  L'agrément visé à l'alinéa 1er porte uniquement sur les sous-domaines pour lesquels le laboratoire a été agréé la veille de la date d'entrée en vigueur du présent article.
Art. 86. Een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL van 19 november 2010, dat erkend is voor het pakket A.2.2 op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, is erkend voor het pakket A.2.2, vermeld in bijlage 3, 5°, van het voormelde besluit, zoals van kracht na de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
  Een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het voormelde besluit, dat erkend is voor het pakket A.2.3 op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, is erkend voor het pakket A.2.3, vermeld in bijlage 3, 5°, van het voormelde besluit, zoals van kracht na de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
  Een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het voormelde besluit, dat erkend is voor het pakket A.3.1 op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, is erkend voor het pakket A.3.1, vermeld in bijlage 3, 5°, van het voormelde besluit, zoals van kracht na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
Art. 86. Un laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux tel que visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL du 19 novembre 2010, qui a été agréé pour le paquet A.2.2 la veille de la date d'entrée en vigueur du présent article, est agréé pour le paquet A.2.2 visé à l'annexe 3, 5°, de l'arrêté précité tel qu'en vigueur après la date d'entrée en vigueur du présent article.
  Un laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux tel que visé à l'article 6, 5°, e), de l'arrêté précité, qui a été agréé pour le paquet A.2.3 la veille de la date d'entrée en vigueur du présent article, est agréé pour le paquet A.2.3 visé à l'annexe 3, 5°, de l'arrêté précité tel qu'en vigueur après la date d'entrée en vigueur du présent article.
  Un laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux tel que visé à l'article 6, 5°, e), de l'arrêté précité, qui a été agréé pour le paquet A.3.1 la veille de la date d'entrée en vigueur du présent article, est agréé pour le paquet A.3.1 visé à l'annexe 3, 5°, de l'arrêté précité tel qu'en vigueur après la date d'entrée en vigueur du présent article.
Art. 87. Een aanvraag met betrekking tot een omgevingsvergunning of een melding die ingediend is voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, wordt behandeld en beslist op basis van de indelingslijst die opgenomen is in bijlage 1, die bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne is gevoegd, zoals die geldig was op het tijdstip waarop de aanvraag of melding is ingediend.
Art. 87. Une demande relative à un permis d'environnement ou une déclaration, qui a été introduite avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, est traitée et décidée sur la base la liste de classification reprise à l'annexe 1 jointe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, telle qu'elle était en vigueur au moment de l'introduction de la demande ou de la déclaration.
Art. 88. Een aanvraag van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de rubriek 60 van de indelingslijst zoals opgenomen in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, die ingediend is voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, wordt behandeld en beslist op basis van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
Art. 88. Une demande de permis d'environnement portant sur la rubrique 60 de la liste de classification reprise à l'annexe 1 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, qui a été introduite avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, est traitée et décidée sur la base des dispositions qui étaient en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
Art. 89. Artikel 19, 20, 21, 33, 45 en 46 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, vast te stellen datum.
Art. 89. Les articles 19, 20, 21, 33, 45 et 46 entrent en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 19 ; 20 ; 21 ; 33 ; 45 ; 46 fixée au 12-12-2022 par AM 2022-11-25/03, art. 4)
Art. 90. Artikel 69, 3°, treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, vast te stellen datum en ten laatste op 1 januari [1 2027]1.
  
Art. 90. L'article 69, 3°, entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions et au plus tard le 1er janvier [1 2027]1.
  
Art. 91. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 91. Le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   Beeeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-11-2022, p. 82463)
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 16-11-2022, p. 82524)