Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
1 JULI 2022. - Decreet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Veldwetboek van 7 oktober 1886, het Bosdecreet van 13 juni 1990, het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wat betreft het beschermen van de bossen en het natuurbeheer van openbare terreinen
Titre
1 JUILLET 2022. - Décret modifiant le Code d'instruction criminelle, le Code rural du 7 octobre 1886, le Décret forestier du 13 juin 1990, le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel et le décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, en ce qui concerne la protection de forêts et la gestion naturelle des terrains publics
Documentinformatie
Info du document
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Wetboek van Strafvordering
CHAPITRE 2. - Modification du Code d'instruction criminelle
Art.2. In artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 252 van 8 maart 1936 en het laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt punt 2° opgeheven.
Art.2. Dans l'article 138 du Code d'instruction criminelle, remplacé par l'arrêté royal n° 252 du 8 mars 1936 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 décembre 2009, le point 2° est abrogé.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Veldwetboek van 7 oktober 1886
CHAPITRE 3. - Modification du Code rural du 7 octobre 1886
Art.3. In artikel 35bis van het Veldwetboek van 7 oktober 1886, hernummerd en vervangen bij de wet van 8 april 1969 en gewijzigd bij de decreten van 7 december 2007 en 18 december 2015, wordt het eerste lid van paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
  " § 5. In de gedeelten van het grondgebied die voor de landbouw zijn bestemd, is bosaanleg met hoogstammige bomen verboden op minder dan 6 meter van de scheidingslijn tussen twee erven. In de voormelde zone van 6 meter is het wel mogelijk een bosrand tot ontwikkeling te laten komen die bestaat uit mantel-zoomvegetaties en die niet dichter dan een halve meter van de scheidingslijn komt. Als mantelvegetatie wordt de zone met struiken of hakhout bedoeld die lager is dan de hoogstammige bomen dieper in het bos. Als zoomvegetatie wordt de zone beschouwd die bestaat uit een ruige gras- en kruidachtige vegetatie die richting het bos overgaat in de mantelvegetatie. Deze bosrand wordt beschouwd als een bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Bovendien is voor bosaanleg vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed. Binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie.".
Art.3. Dans l'article 35bis du Code rural du 7 octobre 1886, renuméroté et remplacé par la loi du 8 avril 1969 et modifié par les décrets des 7 décembre 2007 et 18 décembre 2015, l'alinéa 1er du paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Dans les parties du territoire réservées à l'agriculture, la plantation d'arbres à haut tige est interdite à moins de six mètres de la ligne séparative de deux héritages. Dans la zone précitée de 6 mètres, il est possible de laisser se développer une lisière de forêt constituée de végétations en lisières et en manteau, qui ne s'approche pas à moins d'un demi-mètre de la ligne séparative. Par végétation en manteau on entend la zone d'arbustes ou de taillis qui est plus basse que les arbres à haut tige plus loin dans la forêt. Par végétation en lisières on entend la zone constituée d'une végétation sauvage d'herbes et de plantes herbacées qui se transforme en végétation en manteau en direction de la forêt. Cette lisière de forêt est considérée comme un bois au sens de l'article 3, § 1er, du Décret forestier du 13 juin 1990. En outre, un permis du collège des bourgmestre et échevins est requis pour le boisement. Le collège décide dans les trente jours suivant l'introduction de la demande. A défaut d'une décision dans ce délai, le permis est censé être accordé. Le refus du permis est motivé. Un recours peut être introduit auprès de la députation permanente dans un délai d'un mois à compter de la notification. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990
CHAPITRE 4. - Modifications du Décret forestier du 13 juin 1990
Art.4. Artikel 45 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 7 december 2007, 1 maart 2013 en 9 mei 2014, wordt opgeheven.
Art.4. L'article 45 du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999 et modifié par les décrets des 7 décembre 2007, 1 mars 2013 et 9 mai 2014, est abrogé.
Art.5. Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.5. L'article 49 du même décret est abrogé.
Art.6. In artikel 49bis van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden die eigendom zijn van publiekrechtelijke rechtspersonen en die gelegen zijn in agrarisch gebied verleent" en de zinsnede "het daartoe aangestelde personeelslid van het Departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen." de woorden "het agentschap en" ingevoegd.
Art.6. Dans l'article 49bis du même décret, les mots " le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émet un avis " sont remplacés par les mots " l'agence et le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émettent un avis ".
Art.7. In artikel 87, vierde lid, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden gelegen in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied verleent" en de zinsnede "het daartoe aangestelde personeelslid van het Departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen." de woorden "het agentschap en" ingevoegd.
Art.7. Dans l'article 87, alinéa 4, du même décret, les mots " le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émet un avis " sont remplacés par les mots " l'agence et le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émettent un avis ".
Art.8. In artikel 90bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997, vervangen bij het decreet van 17 juli 2000 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, derde lid, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  4° in paragraaf 4 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, wordt gerealiseerd op een van de volgende wijzen:
  1° als de ontbossing een openbaar bos betreft door uitvoering in natura;
  2° als de ontbossing een privébos betreft:
  a) ofwel door storting door de aanvrager van de betrokken vergunning van een bosbehoudsbijdrage dewelke de bevoegde overheid besteedt volgens de voorwaarden bepaald in paragraaf 8;
  b) ofwel door uitvoering in natura door de aanvrager van de betrokken vergunning;
  c) ofwel door een combinatie van punt a) en b).";
  5° in paragraaf 4 wordt het tweede lid opgeheven;
  6° in paragraaf 4 wordt het bestaande derde lid, dat het tweede lid wordt, vervangen door een nieuw tweede en derde lid, die luiden als volgt:
  "De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, betreft ten minste een gelijke oppervlakte ten opzichte van de ontbossing. In het geval van een ontbossing als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, van minimaal 10 ha dient het deel van de compensatie waarvan de aanvrager kiest in natura te compenseren, te worden gerealiseerd in één ruimtelijk aaneengesloten geheel van minimaal 10 ha of te worden gerealiseerd aansluitend bij een bestaand bos van minimaal 5 ha of een combinatie van beide. Voor bossen van minimaal 10 ha wordt na aanplant een natuurbeheerplan van minimaal type 3 opgesteld. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De bosbehoudsbijdrage wordt vastgesteld door de verlener van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in paragraaf 1. Het bedrag kan niet lager zijn dan het bedrag vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij gebreke aan een gemeentelijk reglement dat het basisbedrag van de bosbehoudsbijdrage vaststelt op het ogenblik van de vergunningsbeslissing in eerste aanleg, zal het minimumtarief van toepassing zijn zoals bepaald door de Vlaamse Regering overeenkomstig dit lid. De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de voormelde instandhoudingsdoelstellingen en bepaalt de nadere regels voor:
  1° het minimumbedrag voor de bosbehoudsbijdrage, de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is;
  2° de wijze waarop de bosbehoudsbijdrage besteed wordt;
  3° de wijze waarop over de effectiviteit van de compensatie gerapporteerd wordt;
  4° de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura.
  In geval van hoger beroep blijft de bosbehoudsbijdrage, zoals bepaald door de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg, van toepassing.";
  7° in paragraaf 5, eerste en tweede lid, wordt het woord "derde" vervangen door het woord "tweede";
  8° in paragraaf 5, eerste en vijfde lid, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  9° er wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, a), en de vergunningverlener het negatief advies van het agentschap ten aanzien van de voorgenomen ontbossing niet volgt, int de vergunningverlenende overheid die in laatste administratieve aanleg de vergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in paragraaf 2, 2°, aflevert, de bosbehoudsbijdrage en voert zij de compensatie uit binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of, indien gemotiveerd, binnen de vijf jaar.
  In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, en de vergunningverlener het gunstig advies van het agentschap volgt, kan de vergunningverlener kiezen tussen volgende opties:
  1° de bosbehoudsbijdrage zelf te innen en zelf de compensatie uit te voeren binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of indien gemotiveerd binnen de vijf jaar;
  2° de bosbehoudsbijdrage te laten innen door het agentschap. In dit geval geldt het bedrag dat door de Vlaamse Regering is vastgesteld.
  De vergunningverlener maakt deze keuze door middel van een gemotiveerde beslissing.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de ontvangst van de bosbehoudsbijdrage, de realisatie van de boscompensatie en de gevolgen bij het uitblijven van de realisatie van de boscompensatie.".
Art.8. A l'article 90bis du même décret, inséré par le décret du 21 octobre 1997, remplacé par le décret du 17 juillet 2000 et modifié en dernier lieu par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
  4° dans le paragraphe 4, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 s'effectue de la manière suivante :
  1° si le déboisement concerne un bois public, par exécution en nature ;
  2° si le déboisement concerne un bois privé :
  a) soit par versement, par le demandeur du permis concerné, d'une cotisation de conservation des bois, que l'autorité compétente affecte selon les conditions fixées au paragraphe 8 ;
  b) soit par exécution en nature par le demandeur du permis concerné ;
  c) soit par une combinaison des points a) et b). " ;
  5° dans le paragraphe 4, l'alinéa 2 est abrogé ;
  6° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 2, est remplacé par des nouveaux alinéas 2 et 3, rédigés comme suit :
  " La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 concerne au moins une superficie équivalente par rapport au déboisement. En cas de déboisement tel que visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, d'au moins 10 ha, la partie de la compensation dont le demandeur choisit de compenser en nature, doit être réalisée dans un ensemble spatial continu d'au moins 10 ha ou doit être réalisée de façon contiguë à un bois existant d'au moins 5 ha ou une combinaison des deux. Pour les bois d'au moins 10 ha, un plan de gestion de la nature de type 3 au minimum est établi après la plantation. Pour les bois qui peuvent apporter une contribution à la réalisation des objectifs de conservation pour une zone de protection spéciale, tels que visés à l'article 2, 65°, du décret concernant la conservation de la nature, la compensation s'élève au triple de la superficie déboisée. La cotisation de conservation des bois est établie par l'instance délivrant le permis d'environnement telle que visée au paragraphe 1er. Le montant ne peut être inférieur au montant établi par le Gouvernement flamand. A défaut d'un règlement communal établissant le montant de base de la cotisation de conservation des bois au moment de la décision d'autorisation en première instance, le tarif minimal s'appliquera, tel que fixé par le Gouvernement flamand conformément au présent alinéa. Le Gouvernement flamand dresse une liste de types de bois qui apportent une contribution à la réalisation des objectifs de conservation précités, et arrête les modalités en ce qui concerne :
  1° le montant minimal de la cotisation de conservation des bois, le mode et la portée de la compensation, une différenciation étant possible ;
  2° le mode d'affectation de la cotisation de conservation des bois ;
  3° le mode de compte-rendu sur l'effectivité de la compensation ;
  4° les zones éligibles à une compensation en nature.
  En cas d'appel, la cotisation de conservation des bois telle que fixée par l'autorité délivrant le permis en première instance, reste d'application. " ;
  7° dans le paragraphe 5, alinéas 1er et 2, le membre de phrase " alinéa 3 " est remplacé par les mots " alinéa 2 " ;
  8° dans le paragraphe 5, alinéas 1er et 5, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
  9° il est ajouté un paragraphe 8, rédigé comme suit :
  " § 8. Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, a), et si l'autorité délivrant le permis ne suit pas l'avis négatif de l'agence à l'égard du déboisement envisagé, l'autorité délivrant le permis qui délivre en dernière instance administrative le permis de déboisement ou le permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé au paragraphe 2, 2°, perçoit la cotisation de conservation des bois et elle réalise la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans.
  Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, et si l'autorité délivrant le permis suit l'avis favorable de l'agence, l'autorité délivrant le permis peut choisir entre les options suivantes :
  1° percevoir elle-même la cotisation de conservation des bois et réaliser elle-même la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans ;
  2° faire percevoir la cotisation de conservation des bois par l'agence. Dans ce cas, le montant fixé par le Gouvernement flamand s'applique.
  L'autorité délivrant le permis fait ce choix au moyen d'une décision motivée.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la réception de la cotisation de conservation des bois, à la réalisation de la compensation forestière et aux conséquences en l'absence de la réalisation de la compensation forestière. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art.9. In artikel 12octies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 9 mei 2014 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2018, wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2bis. De beheerder van een terrein kan in een toegankelijkheidsregeling vastleggen onder welke voorwaarden gerookt mag worden en vuur gemaakt mag worden op het terrein. Als ter uitvoering van artikel 13, § 9, tweede lid, de Vlaamse Regering een regeling treft, krijgt die regeling voorrang ten opzichte van wat in de toegankelijkheidsregeling voor het terrein vermeld staat.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de aanduiding van de wijze waarop kan worden bekendgemaakt hoe roken en vuur maken geregeld zijn op het terrein.".
Art.9. Dans l'article 12octies du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par le décret du 9 mai 2014 et modifié par le décret du 22 juin 2018, il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
  " § 2bis. Le gestionnaire d'un terrain peut arrêter dans un règlement d'accessibilité les conditions auxquelles il est autorisé de fumer et de faire un feu sur le terrain. Si le Gouvernement flamand établit un règlement en exécution de l'article 13, § 9, alinéa 2, ce règlement prévaut sur les dispositions du règlementation d'accessibilité pour le terrain.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour la désignation de la manière dont le tabagisme et les feux sont réglementés sur le terrain. ".
Art.10. Aan hoofdstuk IIIbis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 9 mei 2014 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2018, wordt een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 5. Technisch beheer van openbare terreinen".
Art.10. Le chapitre IIIbis du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par le décret du 9 mai 2014 et modifié par le décret du 22 juin 2018, est complété par une section 5, rédigée comme suit :
  " Section 5. Gestion technique de terrains publics ".
Art.11. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 december 2020, wordt aan afdeling 5, toegevoegd bij artikel 10, een artikel 12decies toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 12decies. § 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder besturen:
  1. een gemeente;
  2. een gemeentebedrijf;
  3. een vereniging van gemeenten;
  4. een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  5. een intercommunaal centrum voor maatschappelijk welzijn;
  6. een vereniging van openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  7. een provincie;
  8. een provinciebedrijf;
  9. een polder;
  10. een watering;
  11. een vereniging van polders en wateringen;
  12. een kerkfabriek en elke andere rechtspersoon die voor de uitoefening van een openbare eredienst of voor verenigingen van vrijzinnigen onroerende goederen beheert.
  De besturen die eigenaar zijn van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kunnen het agentschap verzoeken om het technische beheer van dat terrein uit te voeren. De besturen geven in een schriftelijke mededeling aan dat ze de intentie hebben om een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16bis, op te maken. De Vlaamse Regering bepaalt de taken die vallen onder het technische beheer wat slaat op uitvoerende en coördinerende taken die nodig zijn om het beheer van het terrein binnen gestelde doelstellingen uit te voeren. Het technische beheer wordt stopgezet nadat het voormelde natuurbeheerplan is goedgekeurd conform artikel 16octies.
  De besturen die eigenaar zijn van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kunnen met een overeenkomst het volledige beheer aan het agentschap overdragen op voorwaarde dat er een goedgekeurd natuurbeheerplan is als vermeld in artikel 16octies, of dat het bestuur de intentie heeft om een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16bis op te maken. Bij de beslissing tot overname van het beheer verleent het agentschap geen subsidies meer als vermeld in artikel 16sedecies. Dit volledige beheer onderscheidt zich van het technische beheer door ook het stellen van de doelstellingen voor het natuurtechnische beheer en de volledige financiële verantwoordelijkheid voor het beheer te omvatten.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de eigenaars van alle andere openbare terreinen die beheerd worden of zullen worden in het kader van natuurbehoud schriftelijk laten weten aan het agentschap om het technische beheer te laten uitvoeren door het agentschap.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een publiekrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, een derde het technische beheer laten uitvoeren. Als van die mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, voert de derde in kwestie het volledige takenpakket uit dat wordt bepaald krachtens paragraaf 1, tweede lid. Het is niet mogelijk om alleen bepaalde taken van het voormelde takenpakket door de derde te laten uitvoeren terwijl het agentschap nog andere taken van het voormelde takenpakket uitvoert.
  Een publiekrechtelijk rechtspersoon die gebruik maakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, sluit daarvoor een overeenkomst met de derde. De publiekrechtelijke rechtspersoon deelt het agentschap schriftelijk mee welke derde het technische beheer uitvoert, binnen dertig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst.
  In voorkomend geval worden tussen enerzijds het agentschap en anderzijds de publiekrechtelijke rechtspersoon en de derde die de beheertaken op zich zal nemen, afspraken gemaakt over het tijdstip waarop de derde de taken overneemt die het agentschap voorheen uitvoerde. De taken worden uiterlijk negentig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het tweede lid, overgedragen. Het agentschap zal de taken die het voorheen uitvoerde in elk geval niet meer uitvoeren nadat de voormelde termijn van negentig dagen is verstreken.
  § 4. Het beheer van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kan met een overeenkomst tussen de partijen in kwestie worden overgedragen aan een derde.
  De publiekrechtelijke rechtspersoon bezorgt een afschrift van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, aan het agentschap binnen dertig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst. De terreinen in kwestie behouden de status van openbaar terrein.".
Art.11. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 4 décembre 2020, la section 5, ajoutée par l'article 10, est complétée par un article 12decies, rédigé comme suit :
  " Art. 12decies. § 1er. Dans le présent paragraphe, on entend par autorités :
  1. une commune ;
  2. une régie communale ;
  3. une association de communes ;
  4. un centre public d'action sociale ;
  5. un centre intercommunal d'action sociale ;
  6. une association de centres publics d'action sociale ;
  7. une province ;
  8. une régie provinciale ;
  9. un polder ;
  10. une wateringue ;
  11. une association de polders et wateringues ;
  12. une fabrique d'église et toute autre personne morale qui gère des biens immobiliers pour l'exercice d'un culte public ou pour le compte d'associations de laïcs.
  Les autorités propriétaires d'un terrain public qui est ou sera géré dans le cadre de la conservation de la nature peuvent demander à l'agence de réaliser la gestion technique de ce terrain. Les autorités indiquent dans une communication écrite leur intention d'établir un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16bis. Le Gouvernement flamand détermine les tâches qui relèvent de la gestion technique, c'est-à-dire les tâches d'exécution et de coordination nécessaires à la réalisation de la gestion du terrain dans le cadre des objectifs fixés. La gestion technique est arrêtée après l'approbation du plan de gestion de la nature susmentionné, conformément à l'article 16octies.
  Les autorités propriétaires d'un terrain public qui est ou sera géré dans le cadre de la conservation de la nature peuvent, par le biais d'une convention, transférer l'ensemble de la gestion à l'agence à condition qu'il existe un plan de gestion de la nature approuvé tel que visé à l'article 16octies, ou que l'autorité ait l'intention d'établir un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16bis. Dès la décision de reprise de gestion, l'agence n'accorde plus de subventions telles que visées à l'article 16sedecies. Cette gestion complète se distingue de la gestion technique en ce qu'elle comprend également la fixation d'objectifs pour la gestion technique naturelle et la responsabilité financière complète de la gestion.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les propriétaires de tout autre terrain public qui est ou sera géré dans le cadre de la conservation de la nature peuvent notifier par écrit à l'agence que la gestion technique sera effectuée par l'agence.
  § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, une personne morale de droit public propriétaire d'un terrain public qui est ou sera géré dans le cadre de la conservation de la nature peut faire réaliser la gestion technique par un tiers. S'il est fait usage de cette possibilité, le tiers en question doit accomplir l'ensemble des tâches prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Il n'est pas possible de faire exécuter seules certaines tâches de l'ensemble des tâches susmentionné par le tiers, tandis que l'agence exécute d'autres tâches de cet ensemble des tâches.
  La personne morale de droit public qui fait usage de la possibilité visée à l'alinéa 1er conclut à cette fin une convention avec le tiers. La personne morale de droit public notifie par écrit à l'agence le tiers chargé de la gestion technique, dans un délai de trente jours à compter de la date de signature de la convention.
  Le cas échéant, des accords sont conclus entre l'agence, d'une part, et la personne morale de droit public et le tiers qui assurera les tâches de gestion, d'autre part, concernant le moment où le tiers reprend les tâches précédemment effectuées par l'agence. Les tâches sont transférées au plus tard quatre-vingt-dix jours après le jour de la signature de la convention, visée à l'alinéa 2. En tout état de cause, à l'expiration du délai de quatre-vingt-dix jours susmentionné, l'agence n'exécutera plus les tâches qu'elle effectuait précédemment.
  § 4. La gestion d'un terrain public qui est ou sera géré dans le cadre de la conservation de la nature peut être transférée à un tiers moyennant la conclusion d'une convention entre les parties concernées.
  La personne morale de droit public envoie une copie de la convention, visée à l'alinéa 1er, à l'agence dans un délai de trente jours à compter du jour de la signature de la convention. Les terrains en question conservent le statut de terrain public. ".
Art.12. Aan artikel 13 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij de decreten van 7 december 2007, 1 maart 2013, 9 mei 2014 en 8 december 2017, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 9. Op terreinen waarvoor een natuurbeheerplan is goedgekeurd, en binnen een afstand van 25 meter tot die terreinen is het met uitzondering van wettelijk verplichte verbrandingen verboden te roken en vuur te maken in de openlucht om welk motief dan ook, behalve in de volgende gevallen:
  1° ter uitvoering van het goedgekeurde beheersplan;
  2° ter uitvoering van een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling als vermeld in artikel 12octies.
  De Vlaamse Regering kan ook voor de terreinen, vermeld in het eerste lid, en andere terreinen in de vrije natuur een verbod op roken en het maken van vuur instellen door dat verbod te koppelen aan de toestand over de brandgevoeligheid van de natuurelementen op de terreinen.".
Art.12. L'article 13 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, modifié par les décrets des 7 décembre 2007, 1 mars 2013, 9 mai 2014 et 8 décembre 2017, est complété par un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. Sur les terrains pour lesquels un plan de gestion de la nature a été approuvé, et dans un rayon de 25 mètres de ces terrains, il est interdit de fumer ou de faire du feu en plein air pour quelque raison que ce soit, à l'exception des incinérations légalement imposées, sauf dans les cas suivants :
  1° pour la mise en oeuvre du plan de gestion approuvé ;
  2° pour la mise en oeuvre d'un règlement d'accessibilité approuvé tel que visé à l'article 12octies.
  Le Gouvernement flamand peut également imposer une interdiction de fumer et de faire du feu sur les terrains visés à l'alinéa 1er et sur d'autres terrains en pleine campagne en liant cette interdiction à la sensibilité au feu des éléments naturels de ces terrains. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het decreet van 9 mei 2014 tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos
CHAPITRE 6. - Modification du décret du 9 mai 2014 modifiant la réglementation relative à la nature et aux forêts
Art.13. Artikel 72, 1°, van het decreet van 9 mei 2014 tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos wordt opgeheven.
Art.13. L'article 72, 1°, du décret du 9 mai 2014 modifiant la réglementation relative à la nature et aux forêts est abrogé.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002
CHAPITRE 7. - Modification du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002
Art.14. In artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 13 juli 2012, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. Aan het Fonds voor de compenserende bebossing worden de volgende ontvangsten toegewezen:
  1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990, als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de vergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 90bis, § 2, 2°, van het voormelde decreet, aflevert;
  2° de ontvangsten van niet-aangewende middelen die vanuit het Fonds voor de compenserende bebossing toegekend zijn aan de Vlaamse Landmaatschappij of aan openbare besturen, natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die bebossen.".
Art.14. Dans l'article 17 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, modifié par les décrets des 12 décembre 2008 et 13 juillet 2012, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Au Fonds pour le boisement compensateur sont affectées les recettes suivantes :
  1° toutes les recettes découlant de l'application de l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990, si le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional délivre le permis de déboisement ou le permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 90bis, § 2, 2°, du décret précité ;
  2° les recettes des fonds non engagés attribués au titre du Fonds pour le boisement compensateur à l'Agence flamande terrienne ou à des pouvoirs publics, des personnes physiques et des personnes morales de droit privé qui oeuvrent dans le domaine du boisement. ".
HOOFDSTUK 8. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 8. - Disposition transitoire
Art. 15. Artikel 8, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum.
Art. 15. L'article 8, 4°, 5°, 6°, 7° et 9°, entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand.