Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2021. - Wet tot wijziging van de wet van 6 mei 2009, houdende diverse bepalingen betreffende asiel en immigratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aangaande de organisatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Titre
23 DECEMBRE 2021. - Loi modifiant la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses relatives à l'asile et à l'immigration et la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, concernant l'organisation du Conseil du Contentieux des étrangers
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. Cette loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen betreffende asiel en immigratie
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses relatives à l'asile et à l'immigration
Art. 2. In artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen betreffende asiel en immigratie, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, worden de woorden "tijdelijk van vierentwintig tot zesenveertig verhoogd, zijnde met tweeëntwintig rechters in vreemdelingenzaken, van wie er elf behoren tot de Franse taalrol en elf tot de Nederlandse taalrol", vervangen door de woorden "tijdelijk van vierentwintig tot tweeënvijftig verhoogd, zijnde met achtentwintig rechters in vreemdelingenzaken, van wie er veertien behoren tot de Franse taalrol en veertien tot de Nederlandse taalrol.".
Art. 2. Dans l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses relatives à l'asile et à l'immigration, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2013, les mots "temporairement de ving-quatre à quarante-six, soit, augmenté de vingt-deux juges au contentieux des étrangers, dont onze appartiennent au rôle linguistique francophone et les onze autres au rôle linguistique néerlandophone." sont remplacés par les mots "temporairement de vingt-quatre à cinquante-deux, soit, augmenté de vingt-huit juges au contentieux des étrangers, dont quatorze appartiennent au rôle linguistique francophone et les quatorze autres au rôle linguistique néerlandophone.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aangaande de organisatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, concernant l'organisation du Conseil du Contentieux des étrangers
Art. 3. In artikel 39/4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, worden de woorden "tweeëndertig leden" vervangen door de woorden "vierendertig leden" en worden de woorden "zes kamervoorzitters" vervangen door de woorden "acht kamervoorzitters".
Art. 3. Dans l'article 39/4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2013, les mots "trente-deux membres" sont remplacés par les mots "trente-quatre membres" et les mots "six présidents de chambre" sont remplacés par les mots "huit présidents de chambre".
Art. 4. In artikel 39/19, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De rechters in vreemdelingenzaken worden voor het leven benoemd. Zij kunnen enkel om tuchtrechtelijke redenen zoals bedoeld in artikel 39/53, van ambtswege worden ontslagen of uit hun ambt worden ontzet.".
"De rechters in vreemdelingenzaken worden voor het leven benoemd. Zij kunnen enkel om tuchtrechtelijke redenen zoals bedoeld in artikel 39/53, van ambtswege worden ontslagen of uit hun ambt worden ontzet.".
Art. 4. Dans l'article 39/19, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Les juges au contentieux des étrangers sont nommés à vie. Ils ne peuvent être démis d'office ou destitués que pour les raisons disciplinaires visées à l'article 39/53.".
"Les juges au contentieux des étrangers sont nommés à vie. Ils ne peuvent être démis d'office ou destitués que pour les raisons disciplinaires visées à l'article 39/53.".
Art. 5. In artikel 39/25 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
"De aanwijzingen van de in paragraaf 1 bepaalde adjunct-mandaten gelden voor een termijn van drie jaar die van rechtswege wordt verlengd behalve in geval van een evaluatie die tot de vermelding "onvoldoende" leidt. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders van rechtswege vast aangewezen in dat mandaat behalve in geval van een evaluatie onvoldoende.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Indien voor het mandaat van hoofdgriffier geen ambtsdrager werd aangewezen, dan wordt bij niet hernieuwing de betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, als griffier zonder dat artikel 39/20 van toepassing is.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
"De aanwijzingen van de in paragraaf 1 bepaalde adjunct-mandaten gelden voor een termijn van drie jaar die van rechtswege wordt verlengd behalve in geval van een evaluatie die tot de vermelding "onvoldoende" leidt. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders van rechtswege vast aangewezen in dat mandaat behalve in geval van een evaluatie onvoldoende.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Indien voor het mandaat van hoofdgriffier geen ambtsdrager werd aangewezen, dan wordt bij niet hernieuwing de betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, als griffier zonder dat artikel 39/20 van toepassing is.".
Art. 5. Dans l'article 39/25 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
"Les désignations aux mandats adjoints visés au paragraphe 1er sont valables pour une période de trois ans, qui est prolongée de plein droit sauf en cas d'évaluation donnant lieu à la mention "insuffisant". Après neuf ans d'exercice de fonction, les titulaires de mandat concernés sont, sauf en cas d'évaluation "insuffisant", désignés de plein droit à titre définitif dans ce mandat.";
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Si aucun titulaire de fonction n'a été désigné au mandat de greffier en chef, l'intéressé est, en cas de non-renouvellement, nommé en tant que greffier, le cas échéant en surnombre, sans que l'article 39/20 ne soit d'application.".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
"Les désignations aux mandats adjoints visés au paragraphe 1er sont valables pour une période de trois ans, qui est prolongée de plein droit sauf en cas d'évaluation donnant lieu à la mention "insuffisant". Après neuf ans d'exercice de fonction, les titulaires de mandat concernés sont, sauf en cas d'évaluation "insuffisant", désignés de plein droit à titre définitif dans ce mandat.";
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Si aucun titulaire de fonction n'a été désigné au mandat de greffier en chef, l'intéressé est, en cas de non-renouvellement, nommé en tant que greffier, le cas échéant en surnombre, sans que l'article 39/20 ne soit d'application.".
Art. 6. In titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling III vervangen als volgt:
"Afdeling III. De evaluatie van de ambtsdragers van de Raad".
"Afdeling III. De evaluatie van de ambtsdragers van de Raad".
Art. 6. Dans le titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, l'intitulé de la section III est remplacé par ce qui suit:
"Section III. L'évaluation des titulaires de fonction du Conseil".
"Section III. L'évaluation des titulaires de fonction du Conseil".
Art. 7. Artikel 39/28 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 39/28. § 1. Met uitzondering van de houders van het mandaat van korpschef of van voorzitter worden de leden van de Raad, de hoofdgriffier en de griffiers onderworpen aan een periodieke evaluatie die om de drie jaar plaatsvindt.
Deze evaluatie wordt opgemaakt in de loop van de laatste vier maanden van de evaluatieperiode.
De evaluatieperiode van drie jaar vangt aan bij de eedaflegging in het ambt waarin de betrokkene moet beoordeeld worden. Indien de betrokkene een adjunct-mandaat opneemt, wordt de lopende evaluatie vervroegd afgesloten met een evaluatiegesprek en vangt een nieuwe periode aan vanaf de aanstelling in het adjunct-mandaat.
§ 2. De evaluatiedossiers worden bewaard bij de eerste voorzitter wat de leden van de Raad en de hoofdgriffier betreft en bij de hoofdgriffier wat de griffiers betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
Bij elke benoeming, elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.".
"Art. 39/28. § 1. Met uitzondering van de houders van het mandaat van korpschef of van voorzitter worden de leden van de Raad, de hoofdgriffier en de griffiers onderworpen aan een periodieke evaluatie die om de drie jaar plaatsvindt.
Deze evaluatie wordt opgemaakt in de loop van de laatste vier maanden van de evaluatieperiode.
De evaluatieperiode van drie jaar vangt aan bij de eedaflegging in het ambt waarin de betrokkene moet beoordeeld worden. Indien de betrokkene een adjunct-mandaat opneemt, wordt de lopende evaluatie vervroegd afgesloten met een evaluatiegesprek en vangt een nieuwe periode aan vanaf de aanstelling in het adjunct-mandaat.
§ 2. De evaluatiedossiers worden bewaard bij de eerste voorzitter wat de leden van de Raad en de hoofdgriffier betreft en bij de hoofdgriffier wat de griffiers betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
Bij elke benoeming, elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.".
Art. 7. L'article 39/28 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi 10 avril 2014, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 39/28. § 1er. A l'exception des titulaires du mandat de chef de corps ou de président, les membres du Conseil, le greffier en chef et les greffiers sont soumis à une évaluation périodique qui a lieu tous les trois ans.
Cette évaluation est effectuée au cours des quatre derniers mois de la période d'évaluation.
La période d'évaluation de trois ans débute dès la prestation de serment pour la fonction dans laquelle l'intéressé doit être évalué. Au cas où l'intéressé assume un mandat adjoint, la période d'évaluation en cours est clôturée anticipativement par un entretien d'évaluation. La nouvelle période d'évaluation débute dès la nomination au mandat adjoint.
§ 2. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne les membres du Conseil et le greffier en chef et par le greffier en chef en ce qui concerne les greffiers. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.".
"Art. 39/28. § 1er. A l'exception des titulaires du mandat de chef de corps ou de président, les membres du Conseil, le greffier en chef et les greffiers sont soumis à une évaluation périodique qui a lieu tous les trois ans.
Cette évaluation est effectuée au cours des quatre derniers mois de la période d'évaluation.
La période d'évaluation de trois ans débute dès la prestation de serment pour la fonction dans laquelle l'intéressé doit être évalué. Au cas où l'intéressé assume un mandat adjoint, la période d'évaluation en cours est clôturée anticipativement par un entretien d'évaluation. La nouvelle période d'évaluation débute dès la nomination au mandat adjoint.
§ 2. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne les membres du Conseil et le greffier en chef et par le greffier en chef en ce qui concerne les greffiers. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.".
Art. 8. In titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling III, van dezelfde wet wordt het opschrift van de onderafdeling 2 vervangen als volgt:
"Onderafdeling 2. De evaluatiecriteria".
"Onderafdeling 2. De evaluatiecriteria".
Art. 8. Dans le titre Ibis, chapitre 3, section III, de la même loi, l'intitulé de la sous-section 2 est remplacé par ce qui suit:
"Sous-section 2. Les critères d'évaluation".
"Sous-section 2. Les critères d'évaluation".
Art. 9. Artikel 39/29 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt:
"Art. 39/29. De evaluatie is gebaseerd op criteria met betrekking tot de persoonlijkheid en de organisatorische en professionele vaardigheden van de ambtsdrager, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde diensten en het op peil houden van de kennis inzake de behandelde materies, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid.
De Koning bepaalt, na advies van de eerste voorzitter en van de voorzitter, de algemene vergadering gehoord, de evaluatiecriteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van de ambten en mandaten.".
"Art. 39/29. De evaluatie is gebaseerd op criteria met betrekking tot de persoonlijkheid en de organisatorische en professionele vaardigheden van de ambtsdrager, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde diensten en het op peil houden van de kennis inzake de behandelde materies, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid.
De Koning bepaalt, na advies van de eerste voorzitter en van de voorzitter, de algemene vergadering gehoord, de evaluatiecriteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van de ambten en mandaten.".
Art. 9. L'article 39/29 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 39/29. L'évaluation se base sur des critères portant sur la personnalité et les capacités organisationnelles et professionnelles du titulaire de fonction, en ce compris la qualité des prestations fournies et le maintien à niveau des connaissances dans les matières traitées, et ce sans porter atteinte à son indépendance ni à son impartialité.
Le Roi détermine, après avis du premier président et du président, l'assemblée générale entendue, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats.".
"Art. 39/29. L'évaluation se base sur des critères portant sur la personnalité et les capacités organisationnelles et professionnelles du titulaire de fonction, en ce compris la qualité des prestations fournies et le maintien à niveau des connaissances dans les matières traitées, et ce sans porter atteinte à son indépendance ni à son impartialité.
Le Roi détermine, après avis du premier président et du président, l'assemblée générale entendue, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats.".
Art. 10. In titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling III, van dezelfde wet wordt het opschrift van de onderafdeling 3 vervangen als volgt:
"Onderafdeling 3. Het verloop van de evaluatie".
"Onderafdeling 3. Het verloop van de evaluatie".
Art. 10. Dans le titre Ibis, chapitre 3, section III, de la même loi, l'intitulé de la sous-section 3 est remplacé par ce qui suit:
"Sous-section 3. Le déroulement de l'évaluation".
"Sous-section 3. Le déroulement de l'évaluation".
Art. 11. Artikel 39/30 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt:
"Art. 39/30. § 1. De evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek dat plaats heeft bij aanvang van de evaluatieperiode. Dit planningsgesprek strekt ertoe om in onderling overleg tussen de evaluator en de geëvalueerde, de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen, op grond van de concrete functiebeschrijving en rekening houdend met de organisatorische context. Deze doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
Van het planningsgesprek wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde en wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
§ 2. Tijdens de evaluatieperiode vinden minstens eenmaal per jaar functioneringsgesprekken plaats. Deze gesprekken hebben plaats, hetzij wanneer er redenen zijn om de doelstellingen zoals vastgesteld tijdens het planningsgesprek aan te passen, hetzij op initiatief van de evaluator, hetzij op verzoek van de geëvalueerde.
Deze gesprekken geven aanleiding tot het formuleren van conclusies vervat in een bondig verslag. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde. Indien de conclusies van het functioneringsgesprek de goedkeuring niet wegdragen van de geëvalueerde, kan deze zijn opmerkingen aan het verslag toevoegen. Het verslag wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
§ 3. De plannings-, functionerings- en evaluatiegesprekken vinden tussen de volgende personen plaats:
1° indien het een lid van de Raad betreft, tussen het betrokken lid en de voorzitter van de kamer waartoe hij behoort;
2° indien het een kamervoorzitter betreft, tussen de betrokken kamervoorzitter, de eerste voorzitter en de voorzitter;
3° indien het een griffier betreft, tussen de betrokken griffier en de hoofdgriffier;
4° indien het de hoofdgriffier betreft, tussen de betrokken hoofdgriffier, de eerste voorzitter en de voorzitter.
§ 4. Met het oog op het functioneringsgesprek of het evaluatiegesprek van een griffier, vraagt de hoofdgriffier voorafgaandelijk advies bij de voorzitter van de kamers waaraan de griffier werd toegewezen.".
"Art. 39/30. § 1. De evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek dat plaats heeft bij aanvang van de evaluatieperiode. Dit planningsgesprek strekt ertoe om in onderling overleg tussen de evaluator en de geëvalueerde, de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen, op grond van de concrete functiebeschrijving en rekening houdend met de organisatorische context. Deze doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
Van het planningsgesprek wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde en wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
§ 2. Tijdens de evaluatieperiode vinden minstens eenmaal per jaar functioneringsgesprekken plaats. Deze gesprekken hebben plaats, hetzij wanneer er redenen zijn om de doelstellingen zoals vastgesteld tijdens het planningsgesprek aan te passen, hetzij op initiatief van de evaluator, hetzij op verzoek van de geëvalueerde.
Deze gesprekken geven aanleiding tot het formuleren van conclusies vervat in een bondig verslag. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde. Indien de conclusies van het functioneringsgesprek de goedkeuring niet wegdragen van de geëvalueerde, kan deze zijn opmerkingen aan het verslag toevoegen. Het verslag wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
§ 3. De plannings-, functionerings- en evaluatiegesprekken vinden tussen de volgende personen plaats:
1° indien het een lid van de Raad betreft, tussen het betrokken lid en de voorzitter van de kamer waartoe hij behoort;
2° indien het een kamervoorzitter betreft, tussen de betrokken kamervoorzitter, de eerste voorzitter en de voorzitter;
3° indien het een griffier betreft, tussen de betrokken griffier en de hoofdgriffier;
4° indien het de hoofdgriffier betreft, tussen de betrokken hoofdgriffier, de eerste voorzitter en de voorzitter.
§ 4. Met het oog op het functioneringsgesprek of het evaluatiegesprek van een griffier, vraagt de hoofdgriffier voorafgaandelijk advies bij de voorzitter van de kamers waaraan de griffier werd toegewezen.".
Art. 11. L'article 39/30 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 39/30. § 1. L'évaluation est précédée d'un entretien de planification qui a lieu au début de la période d'évaluation. Cet entretien de planification vise à fixer, de commun accord entre l'évaluateur et l'évalué, les objectifs pour la période d'évaluation à venir, sur la base d'une description concrète de la fonction et en tenant compte du contexte organisationnel. Ces objectifs doivent être spécifiques, mesurables, acceptables et réalisables.
L'entretien de planification fait l'objet d'un rapport écrit. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué, et remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
§ 2. Pendant la période d'évaluation, des entretiens de fonctionnement ont lieu au moins une fois par an. Ces entretiens ont lieu soit lorsqu'il existe des raisons d'adapter les objectifs fixés lors de l'entretien de planification, soit à l'initiative de l'évaluateur, soit à la demande de l'évalué.
Ces entretiens donnent lieu à la formulation de conclusions dans un rapport sommaire. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué. Si les conclusions de l'entretien de fonctionnement n'emportent pas l'adhésion de l'évalué, celui-ci peut ajouter ses observations au rapport. Le rapport est remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
§ 3. Les entretiens de planification, de fonctionnement et d'évaluation ont lieu entre les personnes suivantes:
1° s'agissant d' un membre du Conseil, entre le membre concerné et le président de la chambre à laquelle il appartient;
2° s'agissant d'un président de chambre, le président de chambre concerné, le premier président et le président;
3° s'agissant d' un greffier, entre le greffier concerné et le greffier en chef;
4° s'agissant du greffier en chef, entre le greffier en chef concerné, le premier président et le président.
§ 4. En vue de l'entretien de fonctionnement ou d'évaluation d'un greffier, le greffier en chef sollicite au préalable l'avis du président des chambres à laquelle le greffier est assigné.".
"Art. 39/30. § 1. L'évaluation est précédée d'un entretien de planification qui a lieu au début de la période d'évaluation. Cet entretien de planification vise à fixer, de commun accord entre l'évaluateur et l'évalué, les objectifs pour la période d'évaluation à venir, sur la base d'une description concrète de la fonction et en tenant compte du contexte organisationnel. Ces objectifs doivent être spécifiques, mesurables, acceptables et réalisables.
L'entretien de planification fait l'objet d'un rapport écrit. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué, et remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
§ 2. Pendant la période d'évaluation, des entretiens de fonctionnement ont lieu au moins une fois par an. Ces entretiens ont lieu soit lorsqu'il existe des raisons d'adapter les objectifs fixés lors de l'entretien de planification, soit à l'initiative de l'évaluateur, soit à la demande de l'évalué.
Ces entretiens donnent lieu à la formulation de conclusions dans un rapport sommaire. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué. Si les conclusions de l'entretien de fonctionnement n'emportent pas l'adhésion de l'évalué, celui-ci peut ajouter ses observations au rapport. Le rapport est remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
§ 3. Les entretiens de planification, de fonctionnement et d'évaluation ont lieu entre les personnes suivantes:
1° s'agissant d' un membre du Conseil, entre le membre concerné et le président de la chambre à laquelle il appartient;
2° s'agissant d'un président de chambre, le président de chambre concerné, le premier président et le président;
3° s'agissant d' un greffier, entre le greffier concerné et le greffier en chef;
4° s'agissant du greffier en chef, entre le greffier en chef concerné, le premier président et le président.
§ 4. En vue de l'entretien de fonctionnement ou d'évaluation d'un greffier, le greffier en chef sollicite au préalable l'avis du président des chambres à laquelle le greffier est assigné.".
Art. 12. In titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet worden de titels "Afdeling IV. De evaluatie van de leden van de griffie", "Onderafdeling 1 De evaluatie van de hoofdgriffier" en "Onderafdeling 2 De evaluatie van de griffiers" opgeheven.
Art. 12. Dans le titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, les intitulés "Section IV. L'évaluation des membres du greffe", "Sous-section 1re L'évaluation du greffier en chef" et "Sous-section 2 L'évaluation des greffiers" sont abrogés.
Art. 13. Artikel 39/31 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt:
"Art. 39/31 § 1. Voorafgaand aan de evaluatie vindt een evaluatiegesprek plaats. De evaluatie steunt tevens op de verslagen van het planningsgesprek en de functioneringsgesprekken.
§ 2. Na het evaluatiegesprek stelt de evaluator een evaluatie op. De evaluatie leidt tot de vermelding, "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan enkel worden toegekend wegens kennelijk ondermaats functioneren. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "goed" verdient, dan is deze evaluatie dadelijk definitief en wordt een afschrift van de evaluatie binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek aan de betrokkene overgemaakt. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" verdient, is de evaluatie slechts voorlopig.
§ 3. In geval van voorlopige evaluatie bezorgt de eerste voorzitter aan de betrokkene een kopie van de voorlopige evaluatie, tegen gedagtekend ontvangstbewijs of per aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De betrokkene kan, op straffe van verval, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige evaluatie, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de evaluator. Deze evaluator stelt binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van deze opmerkingen een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij deze opmerkingen beantwoordt. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de definitieve evaluatie zendt de eerste voorzitter een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.".
"Art. 39/31 § 1. Voorafgaand aan de evaluatie vindt een evaluatiegesprek plaats. De evaluatie steunt tevens op de verslagen van het planningsgesprek en de functioneringsgesprekken.
§ 2. Na het evaluatiegesprek stelt de evaluator een evaluatie op. De evaluatie leidt tot de vermelding, "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan enkel worden toegekend wegens kennelijk ondermaats functioneren. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "goed" verdient, dan is deze evaluatie dadelijk definitief en wordt een afschrift van de evaluatie binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek aan de betrokkene overgemaakt. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" verdient, is de evaluatie slechts voorlopig.
§ 3. In geval van voorlopige evaluatie bezorgt de eerste voorzitter aan de betrokkene een kopie van de voorlopige evaluatie, tegen gedagtekend ontvangstbewijs of per aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De betrokkene kan, op straffe van verval, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige evaluatie, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de evaluator. Deze evaluator stelt binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van deze opmerkingen een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij deze opmerkingen beantwoordt. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de definitieve evaluatie zendt de eerste voorzitter een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.".
Art. 13. L'article 39/31 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 39/31 § 1. Un entretien d'évaluation a lieu avant l'évaluation. L'évaluation est également basée sur les rapports des entretiens de planification et de fonctionnement.
§ 2. Après l'entretien d'évaluation, l'évaluateur rédige une évaluation. L'évaluation donne lieu à la mention "bien", "à développer" ou "insuffisant". La mention "insuffisant" peut uniquement être attribuée en cas de fonctionnement manifestement insuffisant. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "bien", cette évaluation est immédiatement définitive et une copie de l'évaluation est transmise à l'intéressé dans les quinze jours de l'entretien effectué dans le cadre de l'évaluation. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "à développer" ou "insuffisant", l'évaluation n'est que provisoire.
§ 3. En cas d'évaluation provisoire, le premier président envoie une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception, au premier président, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les quinze jours de la réception de la copie de ces observations, celui-ci rédige une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond à ces observations. Dans les quinze jours de la réception de l'évaluation définitive, le premier président en transmet une copie à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.".
"Art. 39/31 § 1. Un entretien d'évaluation a lieu avant l'évaluation. L'évaluation est également basée sur les rapports des entretiens de planification et de fonctionnement.
§ 2. Après l'entretien d'évaluation, l'évaluateur rédige une évaluation. L'évaluation donne lieu à la mention "bien", "à développer" ou "insuffisant". La mention "insuffisant" peut uniquement être attribuée en cas de fonctionnement manifestement insuffisant. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "bien", cette évaluation est immédiatement définitive et une copie de l'évaluation est transmise à l'intéressé dans les quinze jours de l'entretien effectué dans le cadre de l'évaluation. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "à développer" ou "insuffisant", l'évaluation n'est que provisoire.
§ 3. En cas d'évaluation provisoire, le premier président envoie une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception, au premier président, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les quinze jours de la réception de la copie de ces observations, celui-ci rédige une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond à ces observations. Dans les quinze jours de la réception de l'évaluation définitive, le premier président en transmet une copie à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.".
Art. 14. Artikel 39/32 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt:
" § 1. De betrokkene die met toepassing van artikel 39/31 een vermelding "onvoldoende" heeft gekregen en die toepassing heeft gemaakt van artikel 39/31, § 3, tweede lid, kan beroep instellen tegen de definitieve evaluatie bij de beoordelingscommissie, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de definitieve evaluatie, op straffe van verval.
De beoordelingscommissie bestaat uit drie personen die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene en die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht. De beoordelingscommissie wordt naargelang het geval als volgt samengesteld:
1° indien het gaat om een lid van de Raad of een griffier, bestaat de beoordelingscommissie uit de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, en twee kamervoorzitters. Indien de eerste voorzitter of de voorzitter in eerste aanleg als evaluator is opgetreden, wordt hij vervangen door een andere kamervoorzitter of het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit;
2° indien het gaat om een kamervoorzitter, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit, dat niet behoort tot de kamer van de betrokken kamervoorzitter;
3° indien het gaat om de hoofdgriffier, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit.
Indien één van de leden van de beoordelingscommissie verhinderd is of bovenstaande samenstelling niet mogelijk zou blijken, wordt het ontbrekende lid van de commissie vervangen door het lid van de Raad met de daaropvolgende hoogste anciënniteit.
Het beroep wordt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve evaluatie.
De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien hij daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Indien de betrokkene vraagt om te worden gehoord, doch in de onmogelijkheid is om te verschijnen, laat hij zich vertegenwoordigen door zijn raadsman. De beoordelingscommissie beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie te nemen.
§ 2. Indien een kamervoorzitter of de hoofdgriffier een vermelding "onvoldoende" ontvangt voor één van de eerste drie periodieke evaluaties, neemt hij bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst is benoemd, in voorkomend geval in overtal. In het tegenovergestelde geval wordt zijn mandaat vernieuwd en bezorgt de eerste voorzitter aan de minister een bevestiging van de vernieuwing van het mandaat. Voor de houders van een mandaat die definitief zijn benoemd is het tweede lid van toepassing.
Indien een ander lid van de Raad of de griffie naar aanleiding van de periodieke evaluatie de vermelding "onvoldoende" krijgt, leidt dit met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve evaluatie gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1bis, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.
Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, wordt in geval van een vermelding "onvoldoende" de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van een termijn van zes maanden. Indien dit opnieuw leidt tot een vermelding "onvoldoende", is onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, het tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.".
" § 1. De betrokkene die met toepassing van artikel 39/31 een vermelding "onvoldoende" heeft gekregen en die toepassing heeft gemaakt van artikel 39/31, § 3, tweede lid, kan beroep instellen tegen de definitieve evaluatie bij de beoordelingscommissie, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de definitieve evaluatie, op straffe van verval.
De beoordelingscommissie bestaat uit drie personen die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene en die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht. De beoordelingscommissie wordt naargelang het geval als volgt samengesteld:
1° indien het gaat om een lid van de Raad of een griffier, bestaat de beoordelingscommissie uit de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, en twee kamervoorzitters. Indien de eerste voorzitter of de voorzitter in eerste aanleg als evaluator is opgetreden, wordt hij vervangen door een andere kamervoorzitter of het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit;
2° indien het gaat om een kamervoorzitter, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit, dat niet behoort tot de kamer van de betrokken kamervoorzitter;
3° indien het gaat om de hoofdgriffier, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit.
Indien één van de leden van de beoordelingscommissie verhinderd is of bovenstaande samenstelling niet mogelijk zou blijken, wordt het ontbrekende lid van de commissie vervangen door het lid van de Raad met de daaropvolgende hoogste anciënniteit.
Het beroep wordt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve evaluatie.
De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien hij daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Indien de betrokkene vraagt om te worden gehoord, doch in de onmogelijkheid is om te verschijnen, laat hij zich vertegenwoordigen door zijn raadsman. De beoordelingscommissie beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie te nemen.
§ 2. Indien een kamervoorzitter of de hoofdgriffier een vermelding "onvoldoende" ontvangt voor één van de eerste drie periodieke evaluaties, neemt hij bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst is benoemd, in voorkomend geval in overtal. In het tegenovergestelde geval wordt zijn mandaat vernieuwd en bezorgt de eerste voorzitter aan de minister een bevestiging van de vernieuwing van het mandaat. Voor de houders van een mandaat die definitief zijn benoemd is het tweede lid van toepassing.
Indien een ander lid van de Raad of de griffie naar aanleiding van de periodieke evaluatie de vermelding "onvoldoende" krijgt, leidt dit met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve evaluatie gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1bis, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.
Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, wordt in geval van een vermelding "onvoldoende" de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van een termijn van zes maanden. Indien dit opnieuw leidt tot een vermelding "onvoldoende", is onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, het tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.".
Art. 14. L'article 39/32 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
" § 1. L'intéressé qui, en application de l'article 39/31, a obtenu une mention "insuffisant" et qui a fait application de l'article 39/31, § 3, alinéa 2, peut introduire un recours contre l'évaluation définitive auprès de la commission d'évaluation, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation définitive, sous peine de déchéance.
La commission d'évaluation est composée de trois personnes faisant partie du même rôle linguistique que l'intéressé et n'ayant pas émis d'évaluation en première instance. La commission d'évaluation est composée, selon le cas, de la manière suivante:
1° s'agissant d'un membre du Conseil ou d'un greffier, la commission d'évaluation est composée, selon le cas, du premier président ou du président, et de deux présidents de chambre. Si le premier président ou le président est intervenu en tant qu'évaluateur en première instance, il est remplacé par un autre président de chambre ou par le membre du conseil disposant de la plus grande ancienneté;
2° s'agissant d'un président de chambre, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté et n'appartenant pas à la chambre du président de chambre concerné;
3° s'agissant du greffier en chef, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté.
Si un des membres de la commission d'évaluation est empêché, ou s'il appert que la composition susvisée n'est pas possible, le membre manquant de la commission est remplacé par le membre du Conseil suivant, disposant de la plus grande ancienneté.
Le recours est introduit auprès du premier président, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée contre accusé de réception. Un recours introduit en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé si ce dernier en a formulé la demande dans son recours. Si l'intéressé demande à être entendu mais se trouve cependant dans l'impossiblité de se présenter, il se fait représenter par son conseil. La commission d'évaluation dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception du recours par le premier président, pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
§ 2. Si un président de chambre ou le greffier en chef obtient une mention "insuffisant" pour l'une des trois premières évaluations périodiques, il reprend, à l'expiration de son mandat, l'exercice de la fonction dans laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant en surnombre. Dans le cas contraire, son mandat est renouvelé et le premier président transmet au ministre une confirmation du renouvellement du mandat. Les titulaires d'un mandat qui sont nommés à titre définitif sont soumis à l'application de l'alinéa 2.
Si un autre membre du Conseil ou du greffe obtient, lors de l'évaluation périodique, la mention "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de cette évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale, visée à l'article 3, § 1bis, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du contentieux des étrangers.
Sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53, en cas de mention "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle mention "insuffisant", l'alinéa 2 est d'application pour une nouvelle période de six mois, sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53.".
" § 1. L'intéressé qui, en application de l'article 39/31, a obtenu une mention "insuffisant" et qui a fait application de l'article 39/31, § 3, alinéa 2, peut introduire un recours contre l'évaluation définitive auprès de la commission d'évaluation, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation définitive, sous peine de déchéance.
La commission d'évaluation est composée de trois personnes faisant partie du même rôle linguistique que l'intéressé et n'ayant pas émis d'évaluation en première instance. La commission d'évaluation est composée, selon le cas, de la manière suivante:
1° s'agissant d'un membre du Conseil ou d'un greffier, la commission d'évaluation est composée, selon le cas, du premier président ou du président, et de deux présidents de chambre. Si le premier président ou le président est intervenu en tant qu'évaluateur en première instance, il est remplacé par un autre président de chambre ou par le membre du conseil disposant de la plus grande ancienneté;
2° s'agissant d'un président de chambre, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté et n'appartenant pas à la chambre du président de chambre concerné;
3° s'agissant du greffier en chef, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté.
Si un des membres de la commission d'évaluation est empêché, ou s'il appert que la composition susvisée n'est pas possible, le membre manquant de la commission est remplacé par le membre du Conseil suivant, disposant de la plus grande ancienneté.
Le recours est introduit auprès du premier président, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée contre accusé de réception. Un recours introduit en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé si ce dernier en a formulé la demande dans son recours. Si l'intéressé demande à être entendu mais se trouve cependant dans l'impossiblité de se présenter, il se fait représenter par son conseil. La commission d'évaluation dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception du recours par le premier président, pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
§ 2. Si un président de chambre ou le greffier en chef obtient une mention "insuffisant" pour l'une des trois premières évaluations périodiques, il reprend, à l'expiration de son mandat, l'exercice de la fonction dans laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant en surnombre. Dans le cas contraire, son mandat est renouvelé et le premier président transmet au ministre une confirmation du renouvellement du mandat. Les titulaires d'un mandat qui sont nommés à titre définitif sont soumis à l'application de l'alinéa 2.
Si un autre membre du Conseil ou du greffe obtient, lors de l'évaluation périodique, la mention "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de cette évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale, visée à l'article 3, § 1bis, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du contentieux des étrangers.
Sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53, en cas de mention "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle mention "insuffisant", l'alinéa 2 est d'application pour une nouvelle période de six mois, sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53.".
Art. 15. Artikel 39/33 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij wet van 27 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 15. L'article 39/33 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est abrogé.
Art. 16. Artikel 39/53 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt:
"Artikel 39/53. De ambtsdragers van de Raad die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen het voorwerp uitmaken van de tuchtmaatregelen bepaald in artikel 39/53-1.
Deze tuchtmaatregelen kunnen tevens worden opgelegd aan hen die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de Raad of aan het vertrouwen in die instelling.".
"Artikel 39/53. De ambtsdragers van de Raad die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen het voorwerp uitmaken van de tuchtmaatregelen bepaald in artikel 39/53-1.
Deze tuchtmaatregelen kunnen tevens worden opgelegd aan hen die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de Raad of aan het vertrouwen in die instelling.".
Art. 16. L'article 39/53 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
"Article 39/53. Les titulaires de fonction du Conseil qui manquent aux devoirs de leur charge, ou qui portent, par leur conduite, atteinte à la dignité de leur fonction, peuvent faire l'objet des mesures disciplinaires visées à l'article 39/53-1.
Ces mesures disciplinaires peuvent également être infligées à ceux qui négligent les tâches de leur charge et qui portent ainsi atteinte au bon fonctionnement du Conseil ou à la confiance dans cette institution.".
"Article 39/53. Les titulaires de fonction du Conseil qui manquent aux devoirs de leur charge, ou qui portent, par leur conduite, atteinte à la dignité de leur fonction, peuvent faire l'objet des mesures disciplinaires visées à l'article 39/53-1.
Ces mesures disciplinaires peuvent également être infligées à ceux qui négligent les tâches de leur charge et qui portent ainsi atteinte au bon fonctionnement du Conseil ou à la confiance dans cette institution.".
Art. 17. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-1 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-1. § 1. De volgende lichte tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
1° terechtwijzing;
2° blaam.
De volgende zware tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
1° inhouding van wedde;
2° tuchtschorsing;
3° beëindiging van het mandaat als bedoeld in artikel 39/5;
4° ontslag van ambtswege;
5° ontzetting uit het ambt of afzetting.
§ 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan 20 % van de brutowedde.
§ 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een inhouding van de wedde tot gevolg, die niet hoger mag zijn dan 50 % van de brutowedde.
Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene geen aanspraak maken op een weddeverhoging of op de weddenbijslag als bedoeld in artikel 3ter, eerste en tweede lid, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. Hij kan evenmin aangesteld worden voor een mandaat tijdens die periode.
§ 4. De beëindiging van het in artikel 39/5 bedoelde mandaat heeft tevens tot gevolg dat de betrokkene zich niet langer kandidaat kan stellen voor een in dat artikel bedoeld mandaat, behoudens in het geval van ambtshalve uitwissing of herziening, zoals bedoeld in artikel 39/53-8.
§ 5. Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tot gevolg.
§ 6. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben naast het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tevens het verlies van het rustpensioen en het verbod op de uitoefening van een ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot gevolg.
§ 7. Het tuchtcollege of de Raad van State kan de uitspraak van de maatregel opschorten en de uitvoering van de uitgesproken maatregel uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt.".
"Artikel 39/53-1. § 1. De volgende lichte tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
1° terechtwijzing;
2° blaam.
De volgende zware tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
1° inhouding van wedde;
2° tuchtschorsing;
3° beëindiging van het mandaat als bedoeld in artikel 39/5;
4° ontslag van ambtswege;
5° ontzetting uit het ambt of afzetting.
§ 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan 20 % van de brutowedde.
§ 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een inhouding van de wedde tot gevolg, die niet hoger mag zijn dan 50 % van de brutowedde.
Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene geen aanspraak maken op een weddeverhoging of op de weddenbijslag als bedoeld in artikel 3ter, eerste en tweede lid, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. Hij kan evenmin aangesteld worden voor een mandaat tijdens die periode.
§ 4. De beëindiging van het in artikel 39/5 bedoelde mandaat heeft tevens tot gevolg dat de betrokkene zich niet langer kandidaat kan stellen voor een in dat artikel bedoeld mandaat, behoudens in het geval van ambtshalve uitwissing of herziening, zoals bedoeld in artikel 39/53-8.
§ 5. Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tot gevolg.
§ 6. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben naast het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tevens het verlies van het rustpensioen en het verbod op de uitoefening van een ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot gevolg.
§ 7. Het tuchtcollege of de Raad van State kan de uitspraak van de maatregel opschorten en de uitvoering van de uitgesproken maatregel uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt.".
Art. 17. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-1 rédigé comme suit:
"Article 39/53-1. § 1. Les mesures disciplinaires mineures suivantes peuvent être infligées:
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme.
Les mesures disciplinaires majeures suivantes peuvent être infligées:
1° la retenue de traitement;
2° la suspension disciplinaire;
3° la fin du mandat visé à l'article 39/5;
4° la démission d'office;
5° la destitution ou la révocation.
§ 2. La retenue de traitement s'applique pendant quinze jours au moins et un an au plus, et ne peut pas être supérieure à 20 % du traitement brut.
§ 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'au moins un mois et d'un an au plus.
La suspension disciplinaire entraîne, pendant sa durée, une retenue de traitement qui ne peut être supérieure à 50 % du traitement brut.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'intéressé ne peut prétendre à une augmentation de traitement ou au supplément de traitement tel que visé à l'article 3ter, alinéas 1er et 2, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et des magistrats et membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers. Il ne peut pas non plus être désigné dans un mandat durant cette période.
§ 4. La fin du mandat visé à l'article 39/5 a également pour effet que l'intéressé ne peut plus se porter candidat pour le mandat visé audit article, sauf en cas d'effacement d'office ou de révision, tels que visés à l'article 39/53-8.
§ 5. La démission d'office fait perdre la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil.
§ 6. Outre la perte de la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil, la destitution et la révocation emportent également la perte de la pension de retraite et l'interdiction d'exercer une fonction au Conseil du Contentieux des étrangers.
§ 7. Le collège disciplinaire ou le Conseil d'Etat peut suspendre le prononcé de la mesure et surseoir à l'exécution de la mesure prononcée, le cas échéant, moyennant les conditions particulières qu'il fixe.".
"Article 39/53-1. § 1. Les mesures disciplinaires mineures suivantes peuvent être infligées:
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme.
Les mesures disciplinaires majeures suivantes peuvent être infligées:
1° la retenue de traitement;
2° la suspension disciplinaire;
3° la fin du mandat visé à l'article 39/5;
4° la démission d'office;
5° la destitution ou la révocation.
§ 2. La retenue de traitement s'applique pendant quinze jours au moins et un an au plus, et ne peut pas être supérieure à 20 % du traitement brut.
§ 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'au moins un mois et d'un an au plus.
La suspension disciplinaire entraîne, pendant sa durée, une retenue de traitement qui ne peut être supérieure à 50 % du traitement brut.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'intéressé ne peut prétendre à une augmentation de traitement ou au supplément de traitement tel que visé à l'article 3ter, alinéas 1er et 2, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et des magistrats et membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers. Il ne peut pas non plus être désigné dans un mandat durant cette période.
§ 4. La fin du mandat visé à l'article 39/5 a également pour effet que l'intéressé ne peut plus se porter candidat pour le mandat visé audit article, sauf en cas d'effacement d'office ou de révision, tels que visés à l'article 39/53-8.
§ 5. La démission d'office fait perdre la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil.
§ 6. Outre la perte de la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil, la destitution et la révocation emportent également la perte de la pension de retraite et l'interdiction d'exercer une fonction au Conseil du Contentieux des étrangers.
§ 7. Le collège disciplinaire ou le Conseil d'Etat peut suspendre le prononcé de la mesure et surseoir à l'exécution de la mesure prononcée, le cas échéant, moyennant les conditions particulières qu'il fixe.".
Art. 18. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-2 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-2. Wanneer de betrokkene verscheidene tuchtrechtelijke tekortkomingen worden toegerekend, wordt tegen hem een enkele tuchtprocedure gevoerd die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtmaatregel.
Wanneer hem tijdens de tuchtprocedure een nieuwe tekortkoming wordt toegerekend, wordt een nieuwe tuchtprocedure ingeleid evenwel zonder dat de reeds lopende procedure wordt onderbroken.
In geval van samenhang wordt deze nieuwe tekortkoming evenwel behandeld en berecht tijdens de lopende procedure.".
"Artikel 39/53-2. Wanneer de betrokkene verscheidene tuchtrechtelijke tekortkomingen worden toegerekend, wordt tegen hem een enkele tuchtprocedure gevoerd die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtmaatregel.
Wanneer hem tijdens de tuchtprocedure een nieuwe tekortkoming wordt toegerekend, wordt een nieuwe tuchtprocedure ingeleid evenwel zonder dat de reeds lopende procedure wordt onderbroken.
In geval van samenhang wordt deze nieuwe tekortkoming evenwel behandeld en berecht tijdens de lopende procedure.".
Art. 18. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-2 rédigé comme suit:
"Article 39/53-2. Lorsque plusieurs manquements disciplinaires sont imputés à l'intéressé, une seule procédure est engagée à sa charge qui ne peut déboucher que sur une seule mesure disciplinaire.
Si un nouveau manquement lui est imputé au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure est engagée, sans que la procédure déjà engagée ne soit interrompue pour autant.
En cas de connexité, ce nouveau manquement est toutefois instruit et jugé lors de la procédure en cours.".
"Article 39/53-2. Lorsque plusieurs manquements disciplinaires sont imputés à l'intéressé, une seule procédure est engagée à sa charge qui ne peut déboucher que sur une seule mesure disciplinaire.
Si un nouveau manquement lui est imputé au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure est engagée, sans que la procédure déjà engagée ne soit interrompue pour autant.
En cas de connexité, ce nouveau manquement est toutefois instruit et jugé lors de la procédure en cours.".
Art. 19. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-3 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-3. § 1.De tuchtprocedure ten aanzien van een kamervoorzitter, een lid van de Raad, de hoofdgriffier of een griffier, wordt opgestart door de eerste voorzitter van de Raad, in nauw overleg met de voorzitter van de Raad.
De eerste voorzitter licht, bij aangetekende zending, de betrokkene in over het opstarten van de tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. Hij geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen de dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
De tuchtprocedure ten aanzien van de eerste voorzitter of de voorzitter van de Raad, wordt opgestart door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering bijeengeroepen en voorgezeten, naar gelang het geval, door de eerste voorzitter dan wel de voorzitter.
De eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, licht de betrokken eerste voorzitter of voorzitter, bij aangetekende zending, in over het bijeenroepen van de algemene vergadering, over de opgestarte tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. De algemene vergadering geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
§ 2. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering van oordeel is dat er geen tuchtmaatregel moet worden opgelegd, wordt de betrokkene hier onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending, van op de hoogte gebracht.
Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een lichte tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt deze bij een met redenen omklede beslissing opgelegd. De beslissing wordt onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de betrokkene, aan de hoofdgriffier indien het een griffier betreft, aan de kamervoorzitter indien het lid van zijn kamer betreft en aan de bevoegde minister.
De betrokkene kan tegen de in het tweede lid bedoelde tuchtbeslissingen, overeenkomstig artikel 39/53-7 beroep instellen bij de Raad van State.
§ 3. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een zware tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt een verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel ingediend bij het tuchtcollege als bedoeld inartikel 39/53-4. Het verzoek vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokkene en omvat een motivering van de reden waarom een zware tuchtmaatregel vereist wordt geacht. Het verzoek wordt naar gelang het geval, ondertekend door de eerste voorzitter of door de voorzitter van de algemene vergadering. Het dossier wordt samen met het verzoek aan het tuchtcollege overgemaakt. Er wordt tevens een afschrift van het verzoek tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending overgemaakt aan de betrokkene.
Tegen de beslissing om de zaak bij het tuchtcollege aanhangig te maken, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
Een zaak wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt binnen negentig dagen, na de verzending van het aangetekend schrijven waarbij de betrokkene op de hoogte wordt gesteld van het instellen van de tuchtprocedure.
De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering, kan de termijn van negentig dagen worden gestuit tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing.
De bevoegde minister wordt onverwijld op de hoogte gebracht van de aanhangigmaking bij het tuchtcollege, al naar gelang het geval door de eerste voorzitter of de voorzitter van de algemene vergadering.
§ 4. Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, kan het onderzoek van het door de betrokken ambtsdrager ingediende verzoek tot ontslag geschorst worden tot de tuchtprocedure is beëindigd.".
"Artikel 39/53-3. § 1.De tuchtprocedure ten aanzien van een kamervoorzitter, een lid van de Raad, de hoofdgriffier of een griffier, wordt opgestart door de eerste voorzitter van de Raad, in nauw overleg met de voorzitter van de Raad.
De eerste voorzitter licht, bij aangetekende zending, de betrokkene in over het opstarten van de tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. Hij geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen de dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
De tuchtprocedure ten aanzien van de eerste voorzitter of de voorzitter van de Raad, wordt opgestart door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering bijeengeroepen en voorgezeten, naar gelang het geval, door de eerste voorzitter dan wel de voorzitter.
De eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, licht de betrokken eerste voorzitter of voorzitter, bij aangetekende zending, in over het bijeenroepen van de algemene vergadering, over de opgestarte tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. De algemene vergadering geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
§ 2. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering van oordeel is dat er geen tuchtmaatregel moet worden opgelegd, wordt de betrokkene hier onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending, van op de hoogte gebracht.
Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een lichte tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt deze bij een met redenen omklede beslissing opgelegd. De beslissing wordt onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de betrokkene, aan de hoofdgriffier indien het een griffier betreft, aan de kamervoorzitter indien het lid van zijn kamer betreft en aan de bevoegde minister.
De betrokkene kan tegen de in het tweede lid bedoelde tuchtbeslissingen, overeenkomstig artikel 39/53-7 beroep instellen bij de Raad van State.
§ 3. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een zware tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt een verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel ingediend bij het tuchtcollege als bedoeld inartikel 39/53-4. Het verzoek vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokkene en omvat een motivering van de reden waarom een zware tuchtmaatregel vereist wordt geacht. Het verzoek wordt naar gelang het geval, ondertekend door de eerste voorzitter of door de voorzitter van de algemene vergadering. Het dossier wordt samen met het verzoek aan het tuchtcollege overgemaakt. Er wordt tevens een afschrift van het verzoek tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending overgemaakt aan de betrokkene.
Tegen de beslissing om de zaak bij het tuchtcollege aanhangig te maken, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
Een zaak wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt binnen negentig dagen, na de verzending van het aangetekend schrijven waarbij de betrokkene op de hoogte wordt gesteld van het instellen van de tuchtprocedure.
De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering, kan de termijn van negentig dagen worden gestuit tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing.
De bevoegde minister wordt onverwijld op de hoogte gebracht van de aanhangigmaking bij het tuchtcollege, al naar gelang het geval door de eerste voorzitter of de voorzitter van de algemene vergadering.
§ 4. Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, kan het onderzoek van het door de betrokken ambtsdrager ingediende verzoek tot ontslag geschorst worden tot de tuchtprocedure is beëindigd.".
Art. 19. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-3 rédigé comme suit:
"Article 39/53-3. § 1. La procédure disciplinaire visant un président de chambre, un membre du Conseil, le greffier en chef ou un greffier, est initiée par le premier président du Conseil en étroite concertation avec le président du Conseil.
Le premier président informe l'intéressé, par envoi recommandé, du lancement d'une procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. Il donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport d'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
La procédure disciplinaire visant le premier président ou le président du Conseil est initiée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président.
Selon le cas, le premier président ou le président, informe le premier président ou le président concerné, par envoi recommandé, de la convocation de l'assemblée générale, du lancement de la procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. L'assemblée générale donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport de l'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
§ 2. Si le premier président ou l'assemblée générale estime qu'aucune mesure disciplinaire ne doit être infligée, l'intéressé en est informé sans délai, contre accusé de reception daté ou par envoi recommandé.
Si le premier président ou, selon le cas, l'assemblée générale estime qu'une mesure disciplinaire mineure est justifiée, celle-ci est infligée par voie de décision motivée. La décision est communiquée, sans délai, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé, à l'intéressé, au greffier en chef en ce qui concerne les greffiers, et au président de chambre en ce qui concerne un membre de sa chambre, ainsi qu'au ministre compétent.
L'intéressé peut, conformément à l'article 39/53-7, introduire un recours auprès du Conseil d'Etat contre les décisions disciplinaires visées à l'alinéa 2.
§ 3. Si le premier président ou l'assemblée générale, selon le cas, estime qu'une mesure disciplinaire majeure est justifiée, une demande de mesure disciplinaire majeure est introduite auprès du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-4. La demande mentionne le nom, la qualité et l'adresse de l'intéressé et contient une motivation de la raison pour laquelle une mesure disciplinaire majeure est jugée nécessaire. La demande est, selon le cas, signée par le premier président ou le président de l'assemblée générale. Le dossier ainsi que la demande sont transmis au collège disciplinaire. Une copie de la demande est également transmise à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé.
La décision de saisir le collège disciplinaire n'est pas susceptible de recours.
La saisine est effectuée auprès du collège disciplinaire dans les nonante jours suivant l'envoi du courrier recommandé informant l'intéressé du lancement de la procédure disciplinaire.
L'action disciplinaire est indépendante de l'action pénale et de l'action civile. Lorsque les mêmes faits donnent lieu à une action pénale, le délai de nonante jours peut être interrrompu jusqu'à la notification de la décision judiciaire définitive.
Le ministre compétent est informé sans délai de la saisine du collège disciplinaire, par le premier président ou le président de l'assemblée générale, selon le cas.
§ 4. Dès qu'une procédure disciplinaire est initiée, l'examen de la demande de démission introduite par le titulaire de fonction concerné peut être suspendue jusqu'à la fin de la procédure disciplinaire.".
"Article 39/53-3. § 1. La procédure disciplinaire visant un président de chambre, un membre du Conseil, le greffier en chef ou un greffier, est initiée par le premier président du Conseil en étroite concertation avec le président du Conseil.
Le premier président informe l'intéressé, par envoi recommandé, du lancement d'une procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. Il donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport d'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
La procédure disciplinaire visant le premier président ou le président du Conseil est initiée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président.
Selon le cas, le premier président ou le président, informe le premier président ou le président concerné, par envoi recommandé, de la convocation de l'assemblée générale, du lancement de la procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. L'assemblée générale donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport de l'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
§ 2. Si le premier président ou l'assemblée générale estime qu'aucune mesure disciplinaire ne doit être infligée, l'intéressé en est informé sans délai, contre accusé de reception daté ou par envoi recommandé.
Si le premier président ou, selon le cas, l'assemblée générale estime qu'une mesure disciplinaire mineure est justifiée, celle-ci est infligée par voie de décision motivée. La décision est communiquée, sans délai, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé, à l'intéressé, au greffier en chef en ce qui concerne les greffiers, et au président de chambre en ce qui concerne un membre de sa chambre, ainsi qu'au ministre compétent.
L'intéressé peut, conformément à l'article 39/53-7, introduire un recours auprès du Conseil d'Etat contre les décisions disciplinaires visées à l'alinéa 2.
§ 3. Si le premier président ou l'assemblée générale, selon le cas, estime qu'une mesure disciplinaire majeure est justifiée, une demande de mesure disciplinaire majeure est introduite auprès du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-4. La demande mentionne le nom, la qualité et l'adresse de l'intéressé et contient une motivation de la raison pour laquelle une mesure disciplinaire majeure est jugée nécessaire. La demande est, selon le cas, signée par le premier président ou le président de l'assemblée générale. Le dossier ainsi que la demande sont transmis au collège disciplinaire. Une copie de la demande est également transmise à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé.
La décision de saisir le collège disciplinaire n'est pas susceptible de recours.
La saisine est effectuée auprès du collège disciplinaire dans les nonante jours suivant l'envoi du courrier recommandé informant l'intéressé du lancement de la procédure disciplinaire.
L'action disciplinaire est indépendante de l'action pénale et de l'action civile. Lorsque les mêmes faits donnent lieu à une action pénale, le délai de nonante jours peut être interrrompu jusqu'à la notification de la décision judiciaire définitive.
Le ministre compétent est informé sans délai de la saisine du collège disciplinaire, par le premier président ou le président de l'assemblée générale, selon le cas.
§ 4. Dès qu'une procédure disciplinaire est initiée, l'examen de la demande de démission introduite par le titulaire de fonction concerné peut être suspendue jusqu'à la fin de la procédure disciplinaire.".
Art. 20. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-4 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-4. § 1. Het tuchtcollege is een rechtscollege, dat bevoegd is ten aanzien van de ambtsdragers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzake de in artikel 39/53 bedoelde tuchtmaatregelen en de in artikel 39/53-9 bedoelde ordemaatregelen.
§ 2. Het tuchtcollege is samengesteld uit drie leden, behorende tot dezelfde taalrol als de betrokken ambtsdrager.
Het tuchtcollege wordt voorgezeten door een lid van de Raad van State, dat wordt bijgestaan door de twee leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de hoogste ancienniteit. Indien een lid gewraakt werd of verhinderd is, wordt het vervangen door het daaropvolgende lid met de hoogste ancienniteit.
Het ambt van griffier bij het tuchtcollege wordt uitgeoefend door een griffier van de Raad van State.
Voor de aanwijziging van de voorzitter en de griffier, wijzen de eerste voorzitter in overleg met de voorzitter en de hoofdgriffier, bij de jaarlijkse opmaak van de interne vaststelling van de dienstregeling voor elke taalrol een lid en een griffier aan. Tevens stellen zij een regeling op voor de plaatsvervangingen in geval van verhindering of wraking. Bij het opstellen van de lijst wordt rekening gehouden met de noodwendigheden van de dienst, de werklast van de kamers, de beschikbaarheden en eventuele specialisatiegraad in de materie. De lijst is voor het publiek voor inzage ter beschikking op de griffie.
§ 3. Een dossier wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt, via aangetekend schrijven, bij de eerste voorzitter van de Raad van State, die het onverwijld overmaakt aan het door hem aangewezen lid dat als voorzitter van het tuchtcollege zal optreden. Deze aanwijzing gebeurt aan de hand van de in paragraaf 2, vierde lid, vermelde lijst. In het geval er op het ogenblik van de aanwijzing geen van de vooraf aangewezen leden beschikbaar zijn, wijst hij het eerste beschikbare lid met de hoogste ancienniteit aan.
De voorzitter van het tuchtcollege stelt binnen tien dagen en naargelang de taalrol van het dossier, de zetel samen.
§ 4. Het tuchtcollege behandelt de zaak in openbare terechtzitting.
De betrokkene kan het tuchtcollege reeds voor de eerste terechtzitting verzoeken om de zaak met gesloten deuren te behandelen. Het tuchtcollege gaat in op dit verzoek, tenzij het dit strijdig acht met het algemeen belang.
Het tuchtcollege kan tevens met gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie een procedure is ingesteld zulks vereisen, of, in de mate dat dit door het tuchtcollege strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer in bepaalde omstandigheden de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
Tegen de beslissing van het tuchtcollege om de zaak al dan niet met gesloten deuren te behandelen, staat geen rechtsmiddel open.
§ 5. Alle arresten van het tuchtcollege worden, onder voorbehoud van depersonalisatie, gepubliceerd in de taal waarin zij werden uitgesproken op het voor het publiek toegankelijke informatienetwerk van de Raad van State in uitvoering van artikel 28, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De voorzitter van het tuchtcollege kan, in afwijking van het eerste lid bij een met redenen omklede beslissing die in het arrest wordt opgenomen, beslissen dat bepaalde onderdelen van de in het arrest opgenomen motivering weggelaten worden uit de opname in de voor het publiek toegankelijke informatienetwerk wanneer de opname ervan onevenredig het recht van de partijen of andere personen betrokken in de zaak op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer aantast.".
"Artikel 39/53-4. § 1. Het tuchtcollege is een rechtscollege, dat bevoegd is ten aanzien van de ambtsdragers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzake de in artikel 39/53 bedoelde tuchtmaatregelen en de in artikel 39/53-9 bedoelde ordemaatregelen.
§ 2. Het tuchtcollege is samengesteld uit drie leden, behorende tot dezelfde taalrol als de betrokken ambtsdrager.
Het tuchtcollege wordt voorgezeten door een lid van de Raad van State, dat wordt bijgestaan door de twee leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de hoogste ancienniteit. Indien een lid gewraakt werd of verhinderd is, wordt het vervangen door het daaropvolgende lid met de hoogste ancienniteit.
Het ambt van griffier bij het tuchtcollege wordt uitgeoefend door een griffier van de Raad van State.
Voor de aanwijziging van de voorzitter en de griffier, wijzen de eerste voorzitter in overleg met de voorzitter en de hoofdgriffier, bij de jaarlijkse opmaak van de interne vaststelling van de dienstregeling voor elke taalrol een lid en een griffier aan. Tevens stellen zij een regeling op voor de plaatsvervangingen in geval van verhindering of wraking. Bij het opstellen van de lijst wordt rekening gehouden met de noodwendigheden van de dienst, de werklast van de kamers, de beschikbaarheden en eventuele specialisatiegraad in de materie. De lijst is voor het publiek voor inzage ter beschikking op de griffie.
§ 3. Een dossier wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt, via aangetekend schrijven, bij de eerste voorzitter van de Raad van State, die het onverwijld overmaakt aan het door hem aangewezen lid dat als voorzitter van het tuchtcollege zal optreden. Deze aanwijzing gebeurt aan de hand van de in paragraaf 2, vierde lid, vermelde lijst. In het geval er op het ogenblik van de aanwijzing geen van de vooraf aangewezen leden beschikbaar zijn, wijst hij het eerste beschikbare lid met de hoogste ancienniteit aan.
De voorzitter van het tuchtcollege stelt binnen tien dagen en naargelang de taalrol van het dossier, de zetel samen.
§ 4. Het tuchtcollege behandelt de zaak in openbare terechtzitting.
De betrokkene kan het tuchtcollege reeds voor de eerste terechtzitting verzoeken om de zaak met gesloten deuren te behandelen. Het tuchtcollege gaat in op dit verzoek, tenzij het dit strijdig acht met het algemeen belang.
Het tuchtcollege kan tevens met gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie een procedure is ingesteld zulks vereisen, of, in de mate dat dit door het tuchtcollege strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer in bepaalde omstandigheden de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
Tegen de beslissing van het tuchtcollege om de zaak al dan niet met gesloten deuren te behandelen, staat geen rechtsmiddel open.
§ 5. Alle arresten van het tuchtcollege worden, onder voorbehoud van depersonalisatie, gepubliceerd in de taal waarin zij werden uitgesproken op het voor het publiek toegankelijke informatienetwerk van de Raad van State in uitvoering van artikel 28, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De voorzitter van het tuchtcollege kan, in afwijking van het eerste lid bij een met redenen omklede beslissing die in het arrest wordt opgenomen, beslissen dat bepaalde onderdelen van de in het arrest opgenomen motivering weggelaten worden uit de opname in de voor het publiek toegankelijke informatienetwerk wanneer de opname ervan onevenredig het recht van de partijen of andere personen betrokken in de zaak op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer aantast.".
Art. 20. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-4 rédigé comme suit:
"Article 39/53-4. § 1. Le collège disciplinaire est une juridiction compétente pour les mesures disciplinaires visées à l'article 39/53, et les mesures d'ordre visées à l'article 39/53-9, à l'égard des titulaires de fonction du Conseil du Contentieux des étrangers.
§ 2. Le collège disciplinaire est composé de trois membres appartenant au même rôle linguistique que le titulaire de fonction concerné.
Le collège disciplinaire est présidé par un membre du Conseil d'Etat, assisté par les deux membres du Conseil du Contentieux des étrangers disposant de la plus grande ancienneté. Si un membre est récusé ou empêché, il sera remplacé par le membre suivant disposant de la plus grande ancienneté.
La fonction de greffier auprès du collège disciplinaire est exercée par un greffier du Conseil d'Etat.
Pour la désignation du président et du greffier, le premier président, en concertation avec le président et le greffier en chef, désigne lors de l'établissement annuel de l'ordre de service, un membre et un greffier pour chaque rôle linguistique. Ils établissent également une liste de suppléances en cas d'empêchement ou de récusation. Lors de l'établissement de la liste, il est tenu compte des nécessités du service, de la charge de travail des chambres, des disponibilités et du degré de spécialisation éventuel en la matière. La liste est mise à la disposition du public pour consultation au greffe.
§ 3. Le collège disciplinaire est saisi d'un dossier par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat qui le transmet sans délai au membre qu'il désigne pour présider le collège disciplinaire. Cette désignation est faite sur la base de la liste visée au paragraphe 2, alinéa 4. Si aucun des membres désignés au préalable n'est disponible au moment de la désignation, il désigne le premier membre disponible ayant la plus grande ancienneté.
Le président du collège disciplinaire compose le siège, selon le rôle linguistique du dossier, dans les dix jours.
§ 4. Le collège disciplinaire instruit l'affaire en audience publique.
L'intéressé peut demander, et ce, dès avant la première audience, au collège disciplinaire d'instruire l'affaire à huis clos. Le collège disciplinaire fait droit à cette demande, à moins qu'il n'estime que l'intérêt général s'y oppose.
Le collège disciplinaire peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure, dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts de mineurs ou la protection de la vie privée de la personne contre laquelle une procédure a été intentée, l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le collège disciplinaire, lorsque dans certaines circonstances, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.
La décision du collège disciplinaire d'examiner l'affaire à huis clos ou non n'est susceptible d'aucun recours.
§ 5. Tous les arrêts du collège disciplinaire sont publiés, sous réserve de dépersonnalisation, dans la langue dans laquelle ils ont été prononcés, sur le réseau d'information accessible au public du Conseil d'Etat, en exécution de l'article 28, alinéa 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Le président du collège disciplinaire peut, par dérogation à l'alinéa 1er et par décision motivée incluse dans l'arrêt, décider d'omettre certaines parties de la motivation de l'arrêt dans l'enregistrement figurant dans le réseau d'information accessible au public si l'enregistrement de ces éléments porte atteinte de manière disproportionnée au droit à la protection de la vie privée des parties ou d'autres personnes impliquées dans l'affaire.".
"Article 39/53-4. § 1. Le collège disciplinaire est une juridiction compétente pour les mesures disciplinaires visées à l'article 39/53, et les mesures d'ordre visées à l'article 39/53-9, à l'égard des titulaires de fonction du Conseil du Contentieux des étrangers.
§ 2. Le collège disciplinaire est composé de trois membres appartenant au même rôle linguistique que le titulaire de fonction concerné.
Le collège disciplinaire est présidé par un membre du Conseil d'Etat, assisté par les deux membres du Conseil du Contentieux des étrangers disposant de la plus grande ancienneté. Si un membre est récusé ou empêché, il sera remplacé par le membre suivant disposant de la plus grande ancienneté.
La fonction de greffier auprès du collège disciplinaire est exercée par un greffier du Conseil d'Etat.
Pour la désignation du président et du greffier, le premier président, en concertation avec le président et le greffier en chef, désigne lors de l'établissement annuel de l'ordre de service, un membre et un greffier pour chaque rôle linguistique. Ils établissent également une liste de suppléances en cas d'empêchement ou de récusation. Lors de l'établissement de la liste, il est tenu compte des nécessités du service, de la charge de travail des chambres, des disponibilités et du degré de spécialisation éventuel en la matière. La liste est mise à la disposition du public pour consultation au greffe.
§ 3. Le collège disciplinaire est saisi d'un dossier par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat qui le transmet sans délai au membre qu'il désigne pour présider le collège disciplinaire. Cette désignation est faite sur la base de la liste visée au paragraphe 2, alinéa 4. Si aucun des membres désignés au préalable n'est disponible au moment de la désignation, il désigne le premier membre disponible ayant la plus grande ancienneté.
Le président du collège disciplinaire compose le siège, selon le rôle linguistique du dossier, dans les dix jours.
§ 4. Le collège disciplinaire instruit l'affaire en audience publique.
L'intéressé peut demander, et ce, dès avant la première audience, au collège disciplinaire d'instruire l'affaire à huis clos. Le collège disciplinaire fait droit à cette demande, à moins qu'il n'estime que l'intérêt général s'y oppose.
Le collège disciplinaire peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure, dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts de mineurs ou la protection de la vie privée de la personne contre laquelle une procédure a été intentée, l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le collège disciplinaire, lorsque dans certaines circonstances, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.
La décision du collège disciplinaire d'examiner l'affaire à huis clos ou non n'est susceptible d'aucun recours.
§ 5. Tous les arrêts du collège disciplinaire sont publiés, sous réserve de dépersonnalisation, dans la langue dans laquelle ils ont été prononcés, sur le réseau d'information accessible au public du Conseil d'Etat, en exécution de l'article 28, alinéa 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Le président du collège disciplinaire peut, par dérogation à l'alinéa 1er et par décision motivée incluse dans l'arrêt, décider d'omettre certaines parties de la motivation de l'arrêt dans l'enregistrement figurant dans le réseau d'information accessible au public si l'enregistrement de ces éléments porte atteinte de manière disproportionnée au droit à la protection de la vie privée des parties ou d'autres personnes impliquées dans l'affaire.".
Art. 21. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-5 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-5. § 1. De voorzitter van het tuchtcollege, maakt het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 39/53-3, § 3, eerste lid, bij aangetekende zending over aan de betrokken ambtsdrager. Hij voegt hierbij de oproeping voor de terechtzitting. De zitting heeft plaats binnen zestig dagen na de aanhangigmaking bij het tuchtcollege.
De oproepingsbrief vermeldt de plaats, de datum en het uur van de zitting, de samenstelling van de zetel, alsook de mogelijkheid tot inzage van het dossier en het adres waarop de procedurestukken aan het tuchtcollege mogen worden toegestuurd. De betrokken ambtsdrager wordt in dit schrijven tevens op de hoogte gesteld dat hij, binnen dertig dagen na de ontvangst ervan, zijn opmerkingen op het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel, bij aangetekend schrijven, kan overmaken.
Het tuchtcollege maakt een afschrift van deze opmerkingen over aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter van de Raad indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtvordering.
De betrokken ambtsdrager verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door zijn raadsman.
§ 2. Binnen acht dagen na de kennisgeving van de beschikking waarin de samenstelling van de zetel wordt vermeld, kan bij gewettigde verdenking, de persoon tegen wie de tuchtvervolging is ingesteld, de leden van de kamer wraken middels een aan de Raad van State gericht met redenen omkleed verzoek. Het wrakingsverzoek wordt in laatste aanleg beoordeeld door de Raad van State.
§ 3. Het tuchtcollege kan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van een orde of tuchtmaatregel, en getuigen horen.
§ 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen dertig dagen na de zitting en ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
Bij strafrechtelijke vervolging kan het tuchtcollege haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.
Het arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.".
"Artikel 39/53-5. § 1. De voorzitter van het tuchtcollege, maakt het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 39/53-3, § 3, eerste lid, bij aangetekende zending over aan de betrokken ambtsdrager. Hij voegt hierbij de oproeping voor de terechtzitting. De zitting heeft plaats binnen zestig dagen na de aanhangigmaking bij het tuchtcollege.
De oproepingsbrief vermeldt de plaats, de datum en het uur van de zitting, de samenstelling van de zetel, alsook de mogelijkheid tot inzage van het dossier en het adres waarop de procedurestukken aan het tuchtcollege mogen worden toegestuurd. De betrokken ambtsdrager wordt in dit schrijven tevens op de hoogte gesteld dat hij, binnen dertig dagen na de ontvangst ervan, zijn opmerkingen op het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel, bij aangetekend schrijven, kan overmaken.
Het tuchtcollege maakt een afschrift van deze opmerkingen over aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter van de Raad indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtvordering.
De betrokken ambtsdrager verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door zijn raadsman.
§ 2. Binnen acht dagen na de kennisgeving van de beschikking waarin de samenstelling van de zetel wordt vermeld, kan bij gewettigde verdenking, de persoon tegen wie de tuchtvervolging is ingesteld, de leden van de kamer wraken middels een aan de Raad van State gericht met redenen omkleed verzoek. Het wrakingsverzoek wordt in laatste aanleg beoordeeld door de Raad van State.
§ 3. Het tuchtcollege kan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van een orde of tuchtmaatregel, en getuigen horen.
§ 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen dertig dagen na de zitting en ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
Bij strafrechtelijke vervolging kan het tuchtcollege haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.
Het arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.".
Art. 21. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-5 rédigé comme suit:
"Article 39/53-5. § 1. Le président du collège disciplinaire transmet, par envoi recommandé, la demande de mesure disciplinaire majeure, visée à l'article 39/53-3, § 3, alinéa 1er, au titulaire de fonction concerné. Il y joint la convocation à l'audience. L'audience a lieu dans les soixante jours suivant la saisine du collège disciplinaire.
Le courrier de convocation mentionne le lieu, la date et l'heure de l'audience, la composition du siège, ainsi que la possibilité de consultation du dossier et l'adresse à laquelle les pièces de procédure peuvent être adressées au collège disciplinaire. Le titulaire de fonction concerné est également informé par le biais de cette lettre qu'il peut, dans les trente jours suivant sa réception, par lettre recommandée, transmettre ses observations relatives à la demande de mesure disciplinaire majeure sollicitée.
Le collège disciplinaire transmet une copie de ces observations au premier président du Conseil ou au président du Conseil, si le premier président fait lui-même l'objet de l'action disciplinaire.
Le titulaire de fonction concerné comparaît en personne. Il peut se faire assister par son conseil.
§ 2. Dans les huit jours suivant la notification de l'ordonnance mentionnant la composition du siège, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut, en cas de suspicion légitime, récuser les membres de la chambre, par une demande motivée adressée au Conseil d'Etat. La demande de récusation est jugée en dernier ressort par le Conseil d'Etat.
§ 3. Le collège disciplinaire peut entendre le premier président du Conseil ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire ou d'ordre, et des témoins.
§ 4. L'arrêt est rendu dans les trente jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil, ainsi qu'au ministre compétent.
En cas de poursuites pénales, le collège disciplinaire peut toutefois surseoir à statuer jusqu'à la décision judiciaire définitive.
L'arrêt est exécutoire de plein droit.
Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.".
"Article 39/53-5. § 1. Le président du collège disciplinaire transmet, par envoi recommandé, la demande de mesure disciplinaire majeure, visée à l'article 39/53-3, § 3, alinéa 1er, au titulaire de fonction concerné. Il y joint la convocation à l'audience. L'audience a lieu dans les soixante jours suivant la saisine du collège disciplinaire.
Le courrier de convocation mentionne le lieu, la date et l'heure de l'audience, la composition du siège, ainsi que la possibilité de consultation du dossier et l'adresse à laquelle les pièces de procédure peuvent être adressées au collège disciplinaire. Le titulaire de fonction concerné est également informé par le biais de cette lettre qu'il peut, dans les trente jours suivant sa réception, par lettre recommandée, transmettre ses observations relatives à la demande de mesure disciplinaire majeure sollicitée.
Le collège disciplinaire transmet une copie de ces observations au premier président du Conseil ou au président du Conseil, si le premier président fait lui-même l'objet de l'action disciplinaire.
Le titulaire de fonction concerné comparaît en personne. Il peut se faire assister par son conseil.
§ 2. Dans les huit jours suivant la notification de l'ordonnance mentionnant la composition du siège, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut, en cas de suspicion légitime, récuser les membres de la chambre, par une demande motivée adressée au Conseil d'Etat. La demande de récusation est jugée en dernier ressort par le Conseil d'Etat.
§ 3. Le collège disciplinaire peut entendre le premier président du Conseil ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire ou d'ordre, et des témoins.
§ 4. L'arrêt est rendu dans les trente jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil, ainsi qu'au ministre compétent.
En cas de poursuites pénales, le collège disciplinaire peut toutefois surseoir à statuer jusqu'à la décision judiciaire définitive.
L'arrêt est exécutoire de plein droit.
Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.".
Art. 22. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-6 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-6. § 1. De ambtsdrager die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist, die op grond van artikel 39/53-9 ten aanzien van hem werd genomen, kan hiertegen een beroep tot nietigverklaring instellen bij het tuchtcollege, binnen de dertig dagen na de kennisgeving. Dit beroep wordt ingediend middels een aangetekend schrijven gericht aan de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit beroep heeft geen schorsende werking.
Naast de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.
De voorzitter van het tuchtcollege, brengt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij het college. Hij voegt bij deze kennisgeving een afschrift van het verzoekschrift en verzoekt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, hem binnen vijftien dagen het dossier en een eventuele nota met opmerkingen te bezorgen. Een afschrift van de nota met opmerkingen wordt overgemaakt aan de verzoeker.
§ 2. De eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel en de verzoeker worden opgeroepen om voor het tuchtcollege te verschijnen, binnen de vijftien dagen na afloop van de voor de neerlegging van de nota met opmerkingen vastgestelde termijn. De oproeping vermeldt de mogelijkheid tot inzage van het dossier.
§ 3. Het tuchtcollege kan getuigen horen.
§ 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen de vijftien dagen na de zitting en wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
Dit arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
Dit arrest is vatbaar voor een administratief cassatieberoep in de zin van artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Na de uitspraak van het arrest van het tuchtcollege of in voorkomend geval van de Raad van State wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel.".
"Artikel 39/53-6. § 1. De ambtsdrager die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist, die op grond van artikel 39/53-9 ten aanzien van hem werd genomen, kan hiertegen een beroep tot nietigverklaring instellen bij het tuchtcollege, binnen de dertig dagen na de kennisgeving. Dit beroep wordt ingediend middels een aangetekend schrijven gericht aan de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit beroep heeft geen schorsende werking.
Naast de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.
De voorzitter van het tuchtcollege, brengt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij het college. Hij voegt bij deze kennisgeving een afschrift van het verzoekschrift en verzoekt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, hem binnen vijftien dagen het dossier en een eventuele nota met opmerkingen te bezorgen. Een afschrift van de nota met opmerkingen wordt overgemaakt aan de verzoeker.
§ 2. De eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel en de verzoeker worden opgeroepen om voor het tuchtcollege te verschijnen, binnen de vijftien dagen na afloop van de voor de neerlegging van de nota met opmerkingen vastgestelde termijn. De oproeping vermeldt de mogelijkheid tot inzage van het dossier.
§ 3. Het tuchtcollege kan getuigen horen.
§ 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen de vijftien dagen na de zitting en wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
Dit arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
Dit arrest is vatbaar voor een administratief cassatieberoep in de zin van artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Na de uitspraak van het arrest van het tuchtcollege of in voorkomend geval van de Raad van State wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel.".
Art. 22. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-6 rédigé comme suit:
"Article 39/53-6. § 1. Le titulaire de fonction qui conteste une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre, prise à son encontre en application del'article 39/53-9 peut introduire un recours en annulation contre cette mesure auprès du collège disciplinaire, dans les trente jours suivant la notification de la décision. Ce recours est introduit par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat. Ce recours n'est pas suspensif.
Outre l'identité, la qualité et l'adresse du requérant, ainsi qu'une copie de la décision attaquée, la requête signée contient un exposé des faits et des moyens.
Le président du collège disciplinaire informe sans délai le premier président ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de la saisine du collège. A cette notification, il joint une copie de la requête et demande au premier président ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de lui transmettre, dans les quinze jours, le dossier administratif et une éventuelle note d'observation. Une copie de la note d'observation est transmise au requérant.
§ 2. Le premier président du Conseil ou le président, dans le cas où le premier président fait lui-même l'objet d'une mesure d'ordre et le réquérant, sont convoqués devant le collège disciplinaire dans les quinze jours suivant la fin du délai prévu pour le dépôt de la note d'observation. La convocation mentionne la possibilité de consulter le dossier.
§ 3. Le collège disciplinaire peut entendre des témoins.
§ 4. L'arrêt est prononcé dans les quinze jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président du Conseil ou, le cas échéant, au président, ainsi qu' au ministre compétent.
L'arrêt est exécutoire de plein droit.
L'arrêt est susceptible d'un recours en cassation administrative au sens de l'article 14, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Suite au prononcé de l'arrêt du collège disciplinaire ou le cas échéant du Conseil d'Etat, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre.".
"Article 39/53-6. § 1. Le titulaire de fonction qui conteste une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre, prise à son encontre en application del'article 39/53-9 peut introduire un recours en annulation contre cette mesure auprès du collège disciplinaire, dans les trente jours suivant la notification de la décision. Ce recours est introduit par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat. Ce recours n'est pas suspensif.
Outre l'identité, la qualité et l'adresse du requérant, ainsi qu'une copie de la décision attaquée, la requête signée contient un exposé des faits et des moyens.
Le président du collège disciplinaire informe sans délai le premier président ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de la saisine du collège. A cette notification, il joint une copie de la requête et demande au premier président ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de lui transmettre, dans les quinze jours, le dossier administratif et une éventuelle note d'observation. Une copie de la note d'observation est transmise au requérant.
§ 2. Le premier président du Conseil ou le président, dans le cas où le premier président fait lui-même l'objet d'une mesure d'ordre et le réquérant, sont convoqués devant le collège disciplinaire dans les quinze jours suivant la fin du délai prévu pour le dépôt de la note d'observation. La convocation mentionne la possibilité de consulter le dossier.
§ 3. Le collège disciplinaire peut entendre des témoins.
§ 4. L'arrêt est prononcé dans les quinze jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président du Conseil ou, le cas échéant, au président, ainsi qu' au ministre compétent.
L'arrêt est exécutoire de plein droit.
L'arrêt est susceptible d'un recours en cassation administrative au sens de l'article 14, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Suite au prononcé de l'arrêt du collège disciplinaire ou le cas échéant du Conseil d'Etat, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre.".
Art. 23. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-7 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-7. § 1. Zowel tegen de in artikel 39/53-3, § 2, tweede lid, bedoelde beslissing van de eerste voorzitter van de Raad of de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, als tegen het in artikel 39/53-5, § 4, bedoelde arrest van het tuchtcollege, kan binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, een beroep worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 16, eerste lid, 8°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Dit beroep schorst de uitvoering van de tuchtmaatregel.
§ 2. De hoofdgriffier informeert de bevoegde minister aangaande het ingestelde beroep en maakt het verzoekschrift en de bijlagen onverwijld over aan de verwerende partij, die binnen de vijftien dagen een memorie van antwoord, samen met vier afschriften kan overmaken aan de griffie.
De hoofdgriffier verzoekt de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter wanneer het beroep werd ingeleid door de eerste voorzitter, het dossier over te maken.
Na ontvangst van het dossier, stelt het aangewezen lid van het auditoraat dadelijk een verslag op over de zaak.
Het verslag en in voorkomend geval de memorie van antwoord, worden aan de partijen ter kennis gebracht. Elke partij beschikt over een termijn van vijftien dagen om een laatste memorie samen met vier afschriften, in te dienen.
De beschikking tot vaststelling van de zitting, die op korte termijn plaatsvindt, wordt samen met de laatste memories aan de partijen ter kennis gebracht.
§ 3. De Raad van State spreekt zich binnen zestig dagen nadat het beroep op de rol werd ingeschreven uit, in verenigde kamers.
Het lid van de Raad van State die het tuchtcollege heeft voorgezeten, mag geen deel uitmaken van deze verenigde kamers.
Bij strafrechtelijke vervolging kan de uitspraak worden opgeschort tot de definitieve rechterlijke beslissing.
Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.".
"Artikel 39/53-7. § 1. Zowel tegen de in artikel 39/53-3, § 2, tweede lid, bedoelde beslissing van de eerste voorzitter van de Raad of de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, als tegen het in artikel 39/53-5, § 4, bedoelde arrest van het tuchtcollege, kan binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, een beroep worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 16, eerste lid, 8°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Dit beroep schorst de uitvoering van de tuchtmaatregel.
§ 2. De hoofdgriffier informeert de bevoegde minister aangaande het ingestelde beroep en maakt het verzoekschrift en de bijlagen onverwijld over aan de verwerende partij, die binnen de vijftien dagen een memorie van antwoord, samen met vier afschriften kan overmaken aan de griffie.
De hoofdgriffier verzoekt de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter wanneer het beroep werd ingeleid door de eerste voorzitter, het dossier over te maken.
Na ontvangst van het dossier, stelt het aangewezen lid van het auditoraat dadelijk een verslag op over de zaak.
Het verslag en in voorkomend geval de memorie van antwoord, worden aan de partijen ter kennis gebracht. Elke partij beschikt over een termijn van vijftien dagen om een laatste memorie samen met vier afschriften, in te dienen.
De beschikking tot vaststelling van de zitting, die op korte termijn plaatsvindt, wordt samen met de laatste memories aan de partijen ter kennis gebracht.
§ 3. De Raad van State spreekt zich binnen zestig dagen nadat het beroep op de rol werd ingeschreven uit, in verenigde kamers.
Het lid van de Raad van State die het tuchtcollege heeft voorgezeten, mag geen deel uitmaken van deze verenigde kamers.
Bij strafrechtelijke vervolging kan de uitspraak worden opgeschort tot de definitieve rechterlijke beslissing.
Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.".
Art. 23. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-7 rédigé comme suit:
"Article 39/53-7. § 1. En application de l'article 16, alinéa 1er, 8°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre la décision du premier président ou de l'assemblée générale du Conseil du contentieux des étrangers, visée à l'article 39/53-3, § 2, alinéa 2, ainsi que contre l'arrêt du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-5, § 4, dans les trente jours suivant la notification de la décision ou de l'arrêt.
Le recours suspend l'exécution de la mesure disciplinaire.
§ 2. Le greffier en chef informe le ministre compétent du recours introduit et transmet, sans délai, la requête et les annexes à la partie adverse qui peut, dans un délai de 15 jours, transmettre un mémoire en réplique avec quatre copies au greffe.
Le greffier en chef demande au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, lorsque le recours est introduit par le premier président, de transmettre le dossier.
Dès réception du dossier, le membre désigné de l'auditorat rédige sans délai un rapport sur l'affaire.
Le rapport et, le cas échéant, le mémoire en réplique, sont notifiés aux parties. Chaque partie dispose d'un délai de quinze jours pour déposer un dernier mémoire, auquel sont jointes quatre copies.
L'ordonnance de fixation d'audience, qui se tient à brève échéance, est notifiée aux parties avec les derniers mémoires.
§ 3. Le Conseil d'Etat se prononce en chambres réunies, dans les soixante jours suivant l'inscription au rôle du recours.
Le membre du Conseil d'Etat qui a présidé le collège disciplinaire, ne peut siéger au sein de ces chambres réunies.
En cas de poursuites pénales, le prononcé peut être suspendu jusqu'à la décision judiciaire définitive.
L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.".
"Article 39/53-7. § 1. En application de l'article 16, alinéa 1er, 8°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre la décision du premier président ou de l'assemblée générale du Conseil du contentieux des étrangers, visée à l'article 39/53-3, § 2, alinéa 2, ainsi que contre l'arrêt du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-5, § 4, dans les trente jours suivant la notification de la décision ou de l'arrêt.
Le recours suspend l'exécution de la mesure disciplinaire.
§ 2. Le greffier en chef informe le ministre compétent du recours introduit et transmet, sans délai, la requête et les annexes à la partie adverse qui peut, dans un délai de 15 jours, transmettre un mémoire en réplique avec quatre copies au greffe.
Le greffier en chef demande au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, lorsque le recours est introduit par le premier président, de transmettre le dossier.
Dès réception du dossier, le membre désigné de l'auditorat rédige sans délai un rapport sur l'affaire.
Le rapport et, le cas échéant, le mémoire en réplique, sont notifiés aux parties. Chaque partie dispose d'un délai de quinze jours pour déposer un dernier mémoire, auquel sont jointes quatre copies.
L'ordonnance de fixation d'audience, qui se tient à brève échéance, est notifiée aux parties avec les derniers mémoires.
§ 3. Le Conseil d'Etat se prononce en chambres réunies, dans les soixante jours suivant l'inscription au rôle du recours.
Le membre du Conseil d'Etat qui a présidé le collège disciplinaire, ne peut siéger au sein de ces chambres réunies.
En cas de poursuites pénales, le prononcé peut être suspendu jusqu'à la décision judiciaire définitive.
L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.".
Art. 24. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-8 ingevoegd, luidende:
"Art. 39/53-8. § 1. Met uitzondering van de in artikel 39/53-1, § 1, tweede lid, 4° en 5°, bepaalde maatregelen, worden de tuchtmaatregelen ambtshalve uitgewist na:
1° drie jaar voor de lichte tuchtmaatregelen;
2° zes jaar voor de zware tuchtmaatregelen.
De uitwissing geldt voor de toekomst.
§ 2. De betrokkene aan wie een tuchtmaatregel werd opgelegd door de eerste voorzitter of door de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door het tuchtcollege of door de Raad van State, kan het in artikel 31 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde verzoek tot herziening indienen bij de Raad van State op de volgende gronden:
1° hij toont aan dat de beslissing of het arrest werd genomen op basis van valse stukken;
2° hij toont aan dat degene die de tuchtvordering heeft ingesteld en onderzocht stukken heeft achtergehouden;
3° hij toont aan dat hij voor dezelfde feiten als die doorslaggevend waren voor de tuchtmaatregel, in laatste aanleg ten gronde werd vrijgesproken op strafrechtelijk vlak.
Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
Na de uitspraak wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.
In geval van een herziening van een ontslag van ambtswege, van een ontzetting uit het ambt of een afzetting, neemt de betrokkene zijn ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw op, in voorkomend geval in overtal.".
"Art. 39/53-8. § 1. Met uitzondering van de in artikel 39/53-1, § 1, tweede lid, 4° en 5°, bepaalde maatregelen, worden de tuchtmaatregelen ambtshalve uitgewist na:
1° drie jaar voor de lichte tuchtmaatregelen;
2° zes jaar voor de zware tuchtmaatregelen.
De uitwissing geldt voor de toekomst.
§ 2. De betrokkene aan wie een tuchtmaatregel werd opgelegd door de eerste voorzitter of door de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door het tuchtcollege of door de Raad van State, kan het in artikel 31 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde verzoek tot herziening indienen bij de Raad van State op de volgende gronden:
1° hij toont aan dat de beslissing of het arrest werd genomen op basis van valse stukken;
2° hij toont aan dat degene die de tuchtvordering heeft ingesteld en onderzocht stukken heeft achtergehouden;
3° hij toont aan dat hij voor dezelfde feiten als die doorslaggevend waren voor de tuchtmaatregel, in laatste aanleg ten gronde werd vrijgesproken op strafrechtelijk vlak.
Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
Na de uitspraak wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.
In geval van een herziening van een ontslag van ambtswege, van een ontzetting uit het ambt of een afzetting, neemt de betrokkene zijn ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw op, in voorkomend geval in overtal.".
Art. 24. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-8 rédigé comme suit:
"Article 39/53-8. § 1. A l'exception des mesures prévues à l'article 39/53-1, § 1er, alinéa 2, 4° et 5°, l'effacement des mesures disciplinaires a lieu d'office après:
1° trois ans pour les mesures disciplinaires mineures;
2° six ans pour les mesures disciplinaires majeures.
L'effacement vaut pour l'avenir.
§ 2. La personne ayant fait l'objet d'une mesure disciplinaire infligée par le premier président ou par l'assemblée générale du Conseil du Contentieux des étrangers, par le collège disciplinaire ou par le Conseil d'Etat, peut introduire une requête en révision visée à l'article 31 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, pour les motifs suivants:
1° elle démontre que la décision ou l'arrêt a été pris sur la base de fausses pièces;
2° elle démontre que celui qui a initié et examiné l'action disciplinaire a retenu des pièces;
3° elle démontre qu'elle a été acquittée au niveau pénal en dernière instance sur le fond pour les mêmes faits que ceux qui ont été déterminants pour la mesure disciplinaire.
L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
Après le prononcé, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.
En cas de révision d'une démission d'office, d'une destitution ou d'une révocation, l'intéressé est réinstallé dans sa fonction au Conseil du Contentieux des étrangers, le cas échéant en surnombre.".
"Article 39/53-8. § 1. A l'exception des mesures prévues à l'article 39/53-1, § 1er, alinéa 2, 4° et 5°, l'effacement des mesures disciplinaires a lieu d'office après:
1° trois ans pour les mesures disciplinaires mineures;
2° six ans pour les mesures disciplinaires majeures.
L'effacement vaut pour l'avenir.
§ 2. La personne ayant fait l'objet d'une mesure disciplinaire infligée par le premier président ou par l'assemblée générale du Conseil du Contentieux des étrangers, par le collège disciplinaire ou par le Conseil d'Etat, peut introduire une requête en révision visée à l'article 31 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, pour les motifs suivants:
1° elle démontre que la décision ou l'arrêt a été pris sur la base de fausses pièces;
2° elle démontre que celui qui a initié et examiné l'action disciplinaire a retenu des pièces;
3° elle démontre qu'elle a été acquittée au niveau pénal en dernière instance sur le fond pour les mêmes faits que ceux qui ont été déterminants pour la mesure disciplinaire.
L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
Après le prononcé, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.
En cas de révision d'une démission d'office, d'une destitution ou d'une révocation, l'intéressé est réinstallé dans sa fonction au Conseil du Contentieux des étrangers, le cas échéant en surnombre.".
Art. 25. In dezelfde wet wordt een artikel 39/53-9 ingevoegd, luidende:
"Artikel 39/53-9. § 1. Ingeval een ambtsdrager wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of het voorwerp uitmaakt van een tuchtrechtechtelijke procedure, kan de eerste voorzitter in het belang van de Raad, de betrokkene op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt schorsen voor de duur van de vervolging of van de tuchtrechtelijke procedure en tot de eindbeslissing is genomen.
Indien het eerste lid zou worden toegepast ten aanzien van de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter, wordt de ordemaatregel opgelegd door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering samengeroepen en voorgezeten, naargelang het geval door de eerste voorzitter of voorzitter van de Raad.
De ordemaatregel wordt uitgesproken voor hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde met zich meebrengen.
Een ordemaatregel of de verlenging van deze maatregel kan enkel worden uitgesproken nadat de betrokkene is gehoord of, wanneer het horen onmogelijk is, nadat hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich heeft kunnen laten vertegenwoordigen.
De beslissing tot het nemen van een ordemaatregel wordt tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending kennis gegeven aan de betrokkene. De kennisgeving maakt melding van het recht om beroep in te stellen, alsook van de in acht te nemen vormen en termijn.
De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar.
§ 2. Wanneer een tuchtmaatregel met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van wedde, heeft de tuchtmaatregel ten vroegste uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
Het tijdens de duur van de ordemaatregel ingehouden bedrag van wedde wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald wanneer de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtmaatregel of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of wanneer de strafvordering vervallen is, dan wel aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.".
"Artikel 39/53-9. § 1. Ingeval een ambtsdrager wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of het voorwerp uitmaakt van een tuchtrechtechtelijke procedure, kan de eerste voorzitter in het belang van de Raad, de betrokkene op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt schorsen voor de duur van de vervolging of van de tuchtrechtelijke procedure en tot de eindbeslissing is genomen.
Indien het eerste lid zou worden toegepast ten aanzien van de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter, wordt de ordemaatregel opgelegd door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering samengeroepen en voorgezeten, naargelang het geval door de eerste voorzitter of voorzitter van de Raad.
De ordemaatregel wordt uitgesproken voor hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde met zich meebrengen.
Een ordemaatregel of de verlenging van deze maatregel kan enkel worden uitgesproken nadat de betrokkene is gehoord of, wanneer het horen onmogelijk is, nadat hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich heeft kunnen laten vertegenwoordigen.
De beslissing tot het nemen van een ordemaatregel wordt tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending kennis gegeven aan de betrokkene. De kennisgeving maakt melding van het recht om beroep in te stellen, alsook van de in acht te nemen vormen en termijn.
De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar.
§ 2. Wanneer een tuchtmaatregel met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van wedde, heeft de tuchtmaatregel ten vroegste uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
Het tijdens de duur van de ordemaatregel ingehouden bedrag van wedde wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald wanneer de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtmaatregel of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of wanneer de strafvordering vervallen is, dan wel aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.".
Art. 25. Dans la même loi, il est inséré un article 39/53-9 rédigé comme suit:
"Article 39/53-9. § 1. Lorsqu'un titulaire de fonction est poursuivi pour un crime ou un délit ou lorsqu'il fait l'objet d'une procédure disciplinaire, le premier président peut, dans l'intérêt du Conseil, suspendre l'intéressé de sa fonction, sur la base d'une mesure d'ordre, pendant la durée des poursuites ou de la procédure disciplinaire et jusqu'à la décision finale.
En cas d'application de l'alinéa 1er au premier président du Conseil ou au président, la mesure d'ordre est infligée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président du Conseil.
La mesure d'ordre est prononcée pour trois mois au plus, et peut être prorogée pour des périodes de trois mois au plus, jusqu'à la décision définitive. La mesure peut entraîner une retenue de 20 % du traitement brut.
Aucune mesure d'ordre ou prorogation d'une telle mesure ne peut être prononcée sans que l'intéressé ait été entendu ou, lorsque l'audition est impossible, sans qu'il ait pu faire valoir ses moyens de défense par écrit ou se faire représenter.
La décision de prise d'une mesure d'ordre est notifiée, contre accusé de réception ou par envoi recommandé, à l'intéressé. La notification fait mention du droit d'introduire un recours, du délai et des formes à respecter.
La décision est immédiatement exécutoire.
§ 2. Lorsqu'une mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement est prise à l'encontre d'une personne qui a fait l'objet d'une mesure d'ordre avec réduction de traitement, la mesure disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour où la mesure d'ordre a pris cours.
Le montant du traitement retenu pendant la durée de la mesure d'ordre est déduit du montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement, la différence est liquidée à l'intéressé.
Les sommes retenues sont liquidées à l'intéressé lorsque la mesure d'ordre n'est pas suivie par une mesure disciplinaire ou une condamnation pénale pour les mêmes faits, ou si l'action pénale est éteinte ou en cas d'ordonnance de non-lieu ou de classement sans suite.".
"Article 39/53-9. § 1. Lorsqu'un titulaire de fonction est poursuivi pour un crime ou un délit ou lorsqu'il fait l'objet d'une procédure disciplinaire, le premier président peut, dans l'intérêt du Conseil, suspendre l'intéressé de sa fonction, sur la base d'une mesure d'ordre, pendant la durée des poursuites ou de la procédure disciplinaire et jusqu'à la décision finale.
En cas d'application de l'alinéa 1er au premier président du Conseil ou au président, la mesure d'ordre est infligée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président du Conseil.
La mesure d'ordre est prononcée pour trois mois au plus, et peut être prorogée pour des périodes de trois mois au plus, jusqu'à la décision définitive. La mesure peut entraîner une retenue de 20 % du traitement brut.
Aucune mesure d'ordre ou prorogation d'une telle mesure ne peut être prononcée sans que l'intéressé ait été entendu ou, lorsque l'audition est impossible, sans qu'il ait pu faire valoir ses moyens de défense par écrit ou se faire représenter.
La décision de prise d'une mesure d'ordre est notifiée, contre accusé de réception ou par envoi recommandé, à l'intéressé. La notification fait mention du droit d'introduire un recours, du délai et des formes à respecter.
La décision est immédiatement exécutoire.
§ 2. Lorsqu'une mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement est prise à l'encontre d'une personne qui a fait l'objet d'une mesure d'ordre avec réduction de traitement, la mesure disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour où la mesure d'ordre a pris cours.
Le montant du traitement retenu pendant la durée de la mesure d'ordre est déduit du montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement, la différence est liquidée à l'intéressé.
Les sommes retenues sont liquidées à l'intéressé lorsque la mesure d'ordre n'est pas suivie par une mesure disciplinaire ou une condamnation pénale pour les mêmes faits, ou si l'action pénale est éteinte ou en cas d'ordonnance de non-lieu ou de classement sans suite.".
Art. 26. In artikel 39/55 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De Koning benoemt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad, een beheerder. Deze benoeming gebeurt voor een periode van vijf jaar en kan worden hernieuwd na een met redenen omklede positieve evaluatie door de eerste voorzitter en de voorzitter.
Na vijftien jaar ambtsvervulling wordt de betrokken mandaathouder na een positieve evaluatie vast benoemd door de Koning.".
"De Koning benoemt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad, een beheerder. Deze benoeming gebeurt voor een periode van vijf jaar en kan worden hernieuwd na een met redenen omklede positieve evaluatie door de eerste voorzitter en de voorzitter.
Na vijftien jaar ambtsvervulling wordt de betrokken mandaathouder na een positieve evaluatie vast benoemd door de Koning.".
Art. 26. Dans l'article 39/55 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du premier président et du président du Conseil, un administrateur. Cette nomination est prévue pour une période de cinq ans et peut être renouvelée après une évaluation positive motivée par le premier président et le président.
Après quinze ans d'exercice de fonction, suivant une évaluation positive, le titulaire de mandat est nommé à titre définitif dans ce mandat par le Roi.".
"Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du premier président et du président du Conseil, un administrateur. Cette nomination est prévue pour une période de cinq ans et peut être renouvelée après une évaluation positive motivée par le premier président et le président.
Après quinze ans d'exercice de fonction, suivant une évaluation positive, le titulaire de mandat est nommé à titre définitif dans ce mandat par le Roi.".
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires
Art. 27. In afwijking van artikel 39/28, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd bij artikel 7, vangt een nieuwe evaluatieperiode aan op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, voor de reeds benoemde leden van de Raad, de griffiers en de vast aangewezen adjunct-mandaathouders.
De oude artikelen 39/30, § 1, en 39/31, § 1, van de voormelde wet van 15 december 1980 blijven van toepassing op de titularissen van de adjunct-mandaten die nog niet vast zijn aangewezen. Op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, wordt een nieuw planningsgesprek gehouden, op basis van de door deze wet ingevoerde evaluatiecriteria en bijhorende gedragsindicatoren.".
De oude artikelen 39/30, § 1, en 39/31, § 1, van de voormelde wet van 15 december 1980 blijven van toepassing op de titularissen van de adjunct-mandaten die nog niet vast zijn aangewezen. Op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, wordt een nieuw planningsgesprek gehouden, op basis van de door deze wet ingevoerde evaluatiecriteria en bijhorende gedragsindicatoren.".
Art. 27. Par dérogation à l'article 39/28, § 1, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, tel qu' inséré par l'article 7, une nouvelle période d'évaluation débute lors de l'entrée en vigueur de la présente loi, pour les membres déjà nommés du Conseil, les greffiers et les titulaires de mandats adjoints qui sont nommés de manière définitive.
Les anciens articles 39/30, § 1, et 39/31, § 1, de la loi précitée du 15 décembre 1980 restent d'application aux titulaires des mandats adjoints qui ne sont pas nommés à titre définitif. Lors de l'entrée en vigueur de la présente loi, un nouvel entretien de planification a lieu, sur la base des critères d'évaluation introduits par la présente loi, et des indicateurs de comportement s'y rapportant.".
Les anciens articles 39/30, § 1, et 39/31, § 1, de la loi précitée du 15 décembre 1980 restent d'application aux titulaires des mandats adjoints qui ne sont pas nommés à titre définitif. Lors de l'entrée en vigueur de la présente loi, un nouvel entretien de planification a lieu, sur la base des critères d'évaluation introduits par la présente loi, et des indicateurs de comportement s'y rapportant.".