Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder personeelslid:
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, die aangesteld zijn in een wervingsambt van het basis- of secundair onderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, die aangesteld zijn in een wervingsambt van het basis- of secundair onderwijs.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 SEPTEMBER 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering over de lerarenbonus(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-11-2022 en tekstbijwerking tot 24-10-2025)
Titre
9 SEPTEMBRE 2022. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif Ă la prime aux enseignants(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 28-11-2022 et mise Ă jour au 24-10-2025)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (12)
Texte (12)
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par membre du personnel :
1° les membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, désignés dans une fonction de recrutement de l'enseignement fondamental ou secondaire ;
2° les membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, désignés dans une fonction de recrutement de l'enseignement fondamental ou secondaire.
1° les membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, désignés dans une fonction de recrutement de l'enseignement fondamental ou secondaire ;
2° les membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, désignés dans une fonction de recrutement de l'enseignement fondamental ou secondaire.
Art. 2. § 1. De personeelsleden die nog niet in het bezit zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs, en een lerarenopleiding volgen die leidt tot een pedagogisch bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 4, § 2, van het voormelde besluit, hebben recht op een lerarenbonus gedurende drie kalenderjaren, te rekenen vanaf de eerste dag van de inschrijving aan een lerarenopleiding. Met een lerarenbonus heeft het personeelslid recht op een wekelijkse vermindering van zijn opdracht als vermeld in artikel 5 van dit besluit.
§ 2. De personeelsleden die al een pedagogisch bekwaamheidsbewijs hebben als vermeld in artikel 4, § 2, van het voormelde besluit en een lerarenopleiding volgen die leidt tot een vereist bekwaamheidsbewijs voor één van de vakken of ambten vermeld in § 3, kunnen een lerarenbonus krijgen gedurende drie kalenderjaren, te rekenen vanaf de eerste dag van de inschrijving aan een lerarenopleiding, op voorwaarde dat de inrichtende macht daarmee instemt. Met een lerarenbonus krijgt het personeelslid een wekelijkse vermindering van zijn opdracht als vermeld in artikel 5 van dit besluit.
§ 3. De vakken en ambten waarvoor het personeelslid, vermeld in § 2, een lerarenbonus kan krijgen, zijn de volgende:
1° het ambt van onderwijzer of het ambt van onderwijzer ASV;
2° het ambt van leraar, belast met het algemene vak Nederlands, Nederlands voor nieuwkomers, Frans, wiskunde, informatica, aardrijkskunde, biologie, chemie, Duits, economie, Engels, fysica, Latijn, natuurwetenschappen of project algemene vakken, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;
3° het ambt van leraar, belast met het technische vak bouw, elektriciteit, hout, mechanica, handelscorrespondentie Nederlands, handelscorrespondentie Frans en techniek, vermeld in artikel 4, § 2 en artikel 5bis, van het voormelde besluit;
4° het ambt van leraar, belast met het praktisch vak bouw, elektriciteit, hout, en mechanica, vermeld in artikel 5 en artikel 5bis van het voormelde besluit;
5° het ambt van leraar beroepsgerichte vorming met specialiteiten bouw, hout en mechanica vermeld in artikel 2, § 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
6° de ambten van leermeester godsdienst of leermeester niet-confessionele zedenleer in het basisonderwijs;
7° de ambten van godsdienstleraar of leraar niet-confessionele zedenleer in het secundair onderwijs.
§ 2. De personeelsleden die al een pedagogisch bekwaamheidsbewijs hebben als vermeld in artikel 4, § 2, van het voormelde besluit en een lerarenopleiding volgen die leidt tot een vereist bekwaamheidsbewijs voor één van de vakken of ambten vermeld in § 3, kunnen een lerarenbonus krijgen gedurende drie kalenderjaren, te rekenen vanaf de eerste dag van de inschrijving aan een lerarenopleiding, op voorwaarde dat de inrichtende macht daarmee instemt. Met een lerarenbonus krijgt het personeelslid een wekelijkse vermindering van zijn opdracht als vermeld in artikel 5 van dit besluit.
§ 3. De vakken en ambten waarvoor het personeelslid, vermeld in § 2, een lerarenbonus kan krijgen, zijn de volgende:
1° het ambt van onderwijzer of het ambt van onderwijzer ASV;
2° het ambt van leraar, belast met het algemene vak Nederlands, Nederlands voor nieuwkomers, Frans, wiskunde, informatica, aardrijkskunde, biologie, chemie, Duits, economie, Engels, fysica, Latijn, natuurwetenschappen of project algemene vakken, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;
3° het ambt van leraar, belast met het technische vak bouw, elektriciteit, hout, mechanica, handelscorrespondentie Nederlands, handelscorrespondentie Frans en techniek, vermeld in artikel 4, § 2 en artikel 5bis, van het voormelde besluit;
4° het ambt van leraar, belast met het praktisch vak bouw, elektriciteit, hout, en mechanica, vermeld in artikel 5 en artikel 5bis van het voormelde besluit;
5° het ambt van leraar beroepsgerichte vorming met specialiteiten bouw, hout en mechanica vermeld in artikel 2, § 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
6° de ambten van leermeester godsdienst of leermeester niet-confessionele zedenleer in het basisonderwijs;
7° de ambten van godsdienstleraar of leraar niet-confessionele zedenleer in het secundair onderwijs.
Art. 2. § 1er. Les membre du personnel qui ne sont pas encore porteurs d'un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique tel que visĂ© Ă l'article 4, § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 juin 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement fondamental ordinaire, et qui suivent une formation des enseignants menant Ă un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique tel que visĂ© Ă l'article 4, § 2, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, ont droit Ă une prime aux enseignants pendant trois annĂ©es calendaires, Ă compter du premier jour de l'inscription Ă une formation des enseignants. La prime aux enseignants donne droit Ă une rĂ©duction hebdomadaire de la charge du membre du personnel telle que visĂ©e Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Les membre du personnel qui sont dĂ©jĂ porteurs d'un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique tel que visĂ© Ă l'article 4, § 2, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© et qui suivent une formation des enseignants menant Ă un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique requis pour l'un des cours ou l'une des fonctions visĂ©s au § 3, peuvent recevoir une prime aux enseignants pendant trois annĂ©es calendaires, Ă compter du premier jour de l'inscription Ă une formation des enseignants, Ă condition que le pouvoir organisateur y consente. La prime aux enseignants donne droit Ă une rĂ©duction hebdomadaire de la charge du membre du personnel telle que visĂ©e Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 3. Les cours et les fonctions pour lesquels le membre du personnel visé au § 2 peut recevoir une prime aux enseignants sont les suivants :
1° la fonction d'instituteur ou la fonction d'instituteur de formation générale et sociale ;
2° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours gĂ©nĂ©ral nĂ©erlandais, nĂ©erlandais pour nouveaux arrivants, français, mathĂ©matiques, informatique, gĂ©ographie, biologie, chimie, allemand, Ă©conomie, anglais, physique, latin, sciences naturelles ou projet cours gĂ©nĂ©raux, visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 1989 dĂ©terminant les cours gĂ©nĂ©raux, les cours artistiques, les cours techniques et les cours pratiques dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă temps plein et dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă temps plein qui fonctionnent comme centres d'enseignement secondaire professionnel Ă temps partiel organisĂ©s ou subventionnĂ©s par la CommunautĂ© flamande, Ă l'exception des Ă©tablissements d'enseignement secondaire spĂ©cial ;
3° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours technique construction, Ă©lectricitĂ©, bois, mĂ©canique, correspondance commerciale en nĂ©erlandais, correspondance commerciale en français et technique, visĂ© Ă l'article 4, § 2 et Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
4° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours pratique construction, Ă©lectricitĂ©, bois et mĂ©canique, visĂ© Ă l'article 5 et Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
5° la fonction d'enseignant de formation Ă vocation professionnelle avec spĂ©cialitĂ©s en construction, bois et mĂ©canique, visĂ©es Ă l'article 2, § 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 relatif Ă la concordance des spĂ©cialitĂ©s dans la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spĂ©cial ;
6° les fonctions de maßtre de religion ou de maßtre de morale non confessionnelle dans l'enseignement fondamental ;
7° les fonctions de professeur de religion ou de professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement secondaire.
§ 2. Les membre du personnel qui sont dĂ©jĂ porteurs d'un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique tel que visĂ© Ă l'article 4, § 2, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© et qui suivent une formation des enseignants menant Ă un titre de capacitĂ© pĂ©dagogique requis pour l'un des cours ou l'une des fonctions visĂ©s au § 3, peuvent recevoir une prime aux enseignants pendant trois annĂ©es calendaires, Ă compter du premier jour de l'inscription Ă une formation des enseignants, Ă condition que le pouvoir organisateur y consente. La prime aux enseignants donne droit Ă une rĂ©duction hebdomadaire de la charge du membre du personnel telle que visĂ©e Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 3. Les cours et les fonctions pour lesquels le membre du personnel visé au § 2 peut recevoir une prime aux enseignants sont les suivants :
1° la fonction d'instituteur ou la fonction d'instituteur de formation générale et sociale ;
2° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours gĂ©nĂ©ral nĂ©erlandais, nĂ©erlandais pour nouveaux arrivants, français, mathĂ©matiques, informatique, gĂ©ographie, biologie, chimie, allemand, Ă©conomie, anglais, physique, latin, sciences naturelles ou projet cours gĂ©nĂ©raux, visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 1989 dĂ©terminant les cours gĂ©nĂ©raux, les cours artistiques, les cours techniques et les cours pratiques dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă temps plein et dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă temps plein qui fonctionnent comme centres d'enseignement secondaire professionnel Ă temps partiel organisĂ©s ou subventionnĂ©s par la CommunautĂ© flamande, Ă l'exception des Ă©tablissements d'enseignement secondaire spĂ©cial ;
3° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours technique construction, Ă©lectricitĂ©, bois, mĂ©canique, correspondance commerciale en nĂ©erlandais, correspondance commerciale en français et technique, visĂ© Ă l'article 4, § 2 et Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
4° la fonction d'enseignant, chargĂ© du cours pratique construction, Ă©lectricitĂ©, bois et mĂ©canique, visĂ© Ă l'article 5 et Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© ;
5° la fonction d'enseignant de formation Ă vocation professionnelle avec spĂ©cialitĂ©s en construction, bois et mĂ©canique, visĂ©es Ă l'article 2, § 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 relatif Ă la concordance des spĂ©cialitĂ©s dans la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spĂ©cial ;
6° les fonctions de maßtre de religion ou de maßtre de morale non confessionnelle dans l'enseignement fondamental ;
7° les fonctions de professeur de religion ou de professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement secondaire.
Art. 3. De personeelsleden kunnen een lerarenbonus krijgen of hebben recht op een lerarenbonus als vermeld in artikel 2, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° minstens een halftijdse aanstelling hebben in een ambt van het gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs van minstens 105 aaneensluitende kalenderdagen;
2° ingeschreven zijn in een lerarenopleiding, vermeld in artikel II.111 van de Codex Hoger Onderwijs;
3° aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die samen minstens de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Als het personeelslid een betrekking heeft in meer dan één instelling, wordt de lerarenbonus opgenomen in de instelling waar het personeelslid de grootste opdracht uitoefent.
1° minstens een halftijdse aanstelling hebben in een ambt van het gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs van minstens 105 aaneensluitende kalenderdagen;
2° ingeschreven zijn in een lerarenopleiding, vermeld in artikel II.111 van de Codex Hoger Onderwijs;
3° aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die samen minstens de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Als het personeelslid een betrekking heeft in meer dan één instelling, wordt de lerarenbonus opgenomen in de instelling waar het personeelslid de grootste opdracht uitoefent.
Art. 3. Les membres du personnel peuvent recevoir une prime aux enseignants ou ont droit à une prime aux enseignants telle que visée à l'article 2 s'ils remplissent toutes les conditions suivantes :
1° avoir au moins une désignation à mi-temps dans une fonction de l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire ou spécial d'au moins 105 jours calendriers consécutifs ;
2° ĂȘtre inscrits Ă une formation des enseignants, visĂ©e Ă l'article II.111 du Code de l'Enseignement supĂ©rieur ;
3° ĂȘtre dĂ©signĂ©s dans un ou plusieurs emplois comprenant ensemble au moins la moitiĂ© du nombre d'unitĂ©s de prestations requises pour une fonction Ă prestations complĂštes. Si le membre du personnel occupe un emploi dans plusieurs Ă©tablissements, la prime aux enseignants est prĂ©levĂ©e dans l'Ă©tablissement oĂč le membre du personnel effectue la plus grande charge.
1° avoir au moins une désignation à mi-temps dans une fonction de l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire ou spécial d'au moins 105 jours calendriers consécutifs ;
2° ĂȘtre inscrits Ă une formation des enseignants, visĂ©e Ă l'article II.111 du Code de l'Enseignement supĂ©rieur ;
3° ĂȘtre dĂ©signĂ©s dans un ou plusieurs emplois comprenant ensemble au moins la moitiĂ© du nombre d'unitĂ©s de prestations requises pour une fonction Ă prestations complĂštes. Si le membre du personnel occupe un emploi dans plusieurs Ă©tablissements, la prime aux enseignants est prĂ©levĂ©e dans l'Ă©tablissement oĂč le membre du personnel effectue la plus grande charge.
Art. 4. Bij elke aanstelling die recht geeft op een lerarenbonus als vermeld in artikel 2, legt het personeelslid het inschrijvingsbewijs van de lerarenopleiding voor aan de instelling.
Art. 4. Lors de chaque désignation donnant droit à une prime aux enseignants telle que visée à l'article 2, le membre du personnel soumet la preuve d'inscription de la formation des enseignants à l'établissement.
Art. 5. Het personeelslid dat een opdracht heeft die kleiner is dan 75% van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties, heeft recht op een wekelijkse vermindering van zijn opdracht met twee prestatie-eenheden.
Het personeelslid dat een opdracht heeft die minstens 75% bedraagt van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties, heeft recht op een wekelijkse vermindering van zijn opdracht met drie prestatie-eenheden.
Het personeelslid dat een opdracht heeft die minstens 75% bedraagt van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties, heeft recht op een wekelijkse vermindering van zijn opdracht met drie prestatie-eenheden.
Art. 5. Le membre du personnel ayant une charge inférieure à 75 % du nombre d'unités de prestations requises pour une fonction à prestations complÚtes, a droit à une réduction hebdomadaire de sa charge de deux unités de prestations.
Le membre du personnel ayant une charge qui est au moins 75 % du nombre d'unités de prestations requises pour une fonction à prestations complÚtes, a droit à une réduction hebdomadaire de sa charge de trois unités de prestations.
Le membre du personnel ayant une charge qui est au moins 75 % du nombre d'unités de prestations requises pour une fonction à prestations complÚtes, a droit à une réduction hebdomadaire de sa charge de trois unités de prestations.
Art. 6. Het personeelslid dat een lerarenbonus verworven heeft, behoudt de lerarenbonus tot het einde van het schooljaar, op voorwaarde dat het personeelslid minimum halftijds aangesteld blijft. Het volume van de lerarenbonus wijzigt niet in de loop van het schooljaar.
Art. 6. Le membre du personnel ayant acquis une prime aux enseignants la conserve jusqu'à la fin de l'année scolaire, à condition qu'il reste désigné au moins à mi-temps. Le volume de la prime aux enseignants ne change pas au cours de l'année scolaire.
Art. 7. De lerarenbonus, vermeld in artikel 2, wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het personeelslid heeft tijdens de lerarenbonus recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
Art. 7. La prime aux enseignants visée à l'article 2 est assimilée à une activité de service. Le membre du personnel a droit à un traitement ou à une subvention-traitement pendant la prime aux enseignants et à une augmentation de son traitement ou de sa subvention-traitement.
Art. 8. Het ziekteverlof, het bevallingsverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte, de terbeschikkingstelling wegens ziekte, de afwezigheid wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming maken geen einde aan de lerarenbonus.
De lerarenbonus mag gecombineerd worden met een andere dienstonderbreking, op voorwaarde dat de modaliteiten van de dienstonderbreking dat toelaten.
De lerarenbonus mag gecombineerd worden met een andere dienstonderbreking, op voorwaarde dat de modaliteiten van de dienstonderbreking dat toelaten.
Art. 8. Le congé de maladie, le congé de maternité, l'absence pour accident de travail, d'accident sur la route travail-domicile et domicile-travail, de maladie professionnelle, la mise en disponibilité pour cause de maladie, l'absence d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ne mettent pas fin à la prime aux enseignants.
La prime aux enseignants peut ĂȘtre combinĂ©e avec une autre interruption de service, pour autant que les modalitĂ©s de cette interruption le permettent.
La prime aux enseignants peut ĂȘtre combinĂ©e avec une autre interruption de service, pour autant que les modalitĂ©s de cette interruption le permettent.
Art. 9. De instelling waar het personeelslid de lerarenbonus, vermeld in artikel 2, opneemt, heeft recht op vervanging volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
Art. 9. L'Ă©tablissement oĂč le membre du personnel bĂ©nĂ©ficie de la prime aux enseignants visĂ©e Ă l'article 2, a droit Ă un remplacement selon le rĂšglement de remplacement habituel.
Art. 9/1. [1 Een personeelslid dat een lerarenbonus als vermeld in artikel 2, kreeg vŃŃr 1 september [2 2030]2, blijft na 31 augustus [2 2030]2 recht hebben op de lerarenbonus of kan na 31 augustus [2 2030]2 verder gebruik maken van de lerarenbonus gedurende drie kalenderjaren, te rekenen vanaf de eerste dag van de inschrijving aan een lerarenopleiding.]1
Art.9/1.[1 Un membre du personnel qui a reçu une prime aux enseignants telle que visée à l'article 2, avant le 1er septembre [2 2030]2 conserve le droit de bénéficier de la prime aux enseignants aprÚs le 31 août [2 2030]2 ou peut continuer à bénéficier de la prime aux enseignants aprÚs le 31 août [2 2030]2 pendant trois années civiles à compter du premier jour d'inscription à une formation des enseignants. ]1
Art. 10. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2022 [1 Met uitzondering van artikel 9/1 treedt dit besluit buiten werking op 1 september [2 2030]2]1.
Art. 10. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2022 [1 et, Ă l'exception de l'article 9/1, cesse de produire ses effets le 1er septembre [2 2030]2. ]1
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le ministre flamand compĂ©tent pour l'enseignement et la formation est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.